XXVIII.In dien tijd weigerde Gent, de edele stad, haar aandeel te betalen in de bede, die haar zoon, keizer Karel, heur vroeg. Zij kon niet betalen, want zij had geen geld meer, en dit was de schuld van Karel zelf. Toch was dat een groote misdaad, en hij besloot haar in persoon te gaan kastijden.Want de slagen, die eene moeder het zeerst doen, zijn die van heuren zoon.Frans met den Langen Neus, zijn vijand, deed hem het aanbod om door Frankrijk te gaan. Karel nam het aan, en in stee van te worden gevangengezet, werd hij op vorstelijke wijze onthaald en gevierd. Altijd zijn de vorsten bereid elkander te helpen, om ’t volk te onderdrukken.Karel verbleef langen tijd te Valencijn, zonder eenig teekenvan toorn te geven. De stad Gent, zijne moeder, leefde zonder vrees in het geloof, dat de Keizer, haar zoon, vergeten zou, wijl zij gehandeld had volgens recht.Karel kwam onder de muren van de stad met vier duizend peerden. Alva was bij hem, alsmede de prins van Oranje. Het gemeen en de kleine ambachten hadden geerne die kinderlijke intrede belet en de tachtig duizend man van de stad en den bijvang op de been gebracht; maar de hoogpoorters verzetten zich daartegen, want zij vreesden, dat het volk de overhand zou krijgen. Nochtans had de stad Gent haren zoon met zijne vier duizend peerden in de pan kunnen hakken. Maar zij beminde hem nog, en de kleine ambachten zelven hadden weder vertrouwen gekregen.Karel ook had haar lief, maar ’t was om het geld, dat hij van haar in zijne kisten had en nog van haar trekken wilde.Toen hij zich meester gemaakt had van de stad, stelde hij overal krijgswachten en liet hij dag- en nachtronden doen. Daarna sprak hij, in groote statie, de sententie over de stede uit.De voornaamste poorters moesten vóór zijnen troon vergiffenis komen vragen, met een strop om den hals; Gent werd schuldig verklaard aan de ergste misdaden, dewelke zijn: ontrouw, inbreuk op de tractaten, ongehoorzaamheid, muiterij, opstand en majesteitsschennis. De keizer verklaarde alle geschonken privileges, rechten, vrijheden, costumen en gebruiken verbeurd en, de toekomst verbindende alsof hij God zelf was, bepaalde hij verder, dat zijne opvolgers, bij hunne komst als landheer, zweren moesten niets te zullen naleven dan de vernederende Karolijnsche Concessie, door hem aan de stad verleend.De abdij van Sint-Baafs deed hij afbreken, om ter plaatse eene vesting te bouwen, van waar hij, gemakkelijk, de borst zijner moeder met kogels kon doorboren.Als een slechte zoon, die met ongeduld naar den dood zijner ouderen wacht, verbeurde hij alle goederen en eigendommen van Gent, inkomsten en panden, geschut en oorlogstuig.En hij vond, dat de stad te goed verdedigd was: daarom deed hij den Rooden Toren, den Paddenhoektoren, de Braampoort, de Steenpoort, de Walpoort, de Ketelpoort en vele andere poorten afbreken, dewelke als meesterstukken van bouwkunst en beeldhouwkunst doorgingen.En als later vreemdelingen naar Gent kwamen, spraken zij verbaasd tot elkaar:—Is dàt Gent, die platte en treurige stad? Men vertelde er ons wonderen van: men heeft ons bedrogen.En die van Gent antwoordden:—Keizer Karel heeft de stad heure krone ontnomen.En dit zeggende, waren zij grammoedig en beschaamd. En uit het puin van de poorten haalde de keizer steenen voor zijne vesting.Hij wilde, dat Gent arm werd, daar aldus de stad noch door arbeid, noch door handel of geld, zich tegen zijne stoutmoedige inzichten verzetten kon; daarom veroordeelde hij haar tot het betalen van het geweigerde aandeel in de schatting van vierhonderd duizend gouden karolusgulden en, daarboven, honderd vijftig duizend karolussen in eens, en elk jaar nog zes duizend als eeuwigdurende rente. Hij had geld van de stad in leening gekregen en moest haar voor hetzelve eene rente betalen van honderd vijftig pond grooten. Met geweld deed hij zich de schuldbrieven overhandigen en verscheurde ze. En op die manier betaalde hij zijne schuld.In menige aangelegenheid had Gent hem lief gehad en geholpen. Maar hij stak haar eenen dolk in de borst, om bloed te hebben, daar hij geene melk meer vond.Toen bezag hij Roeland, de schoone klokke, en aan haren klepel liet hij den poorter opknoopen, die storm geluid had, om de stad ten strijde te roepen, ten einde heur recht te verdedigen. Geene genade had hij voor Roeland, de fiere klokke, de tong zijner moeder, waarmee zij tot Vlaanderen sprak:Als men my slaat dan is ’t brandt,Als men my luydt dan is ’t storm in Vlaenderland.Mits zijne moeder te luide sprak, nam hij de klokke weg. En die van ’t platteland zeiden, dat Gent dood was, dat heur zoon, met eene tang, heure tong uit heuren mond had gerukt.
XXVIII.In dien tijd weigerde Gent, de edele stad, haar aandeel te betalen in de bede, die haar zoon, keizer Karel, heur vroeg. Zij kon niet betalen, want zij had geen geld meer, en dit was de schuld van Karel zelf. Toch was dat een groote misdaad, en hij besloot haar in persoon te gaan kastijden.Want de slagen, die eene moeder het zeerst doen, zijn die van heuren zoon.Frans met den Langen Neus, zijn vijand, deed hem het aanbod om door Frankrijk te gaan. Karel nam het aan, en in stee van te worden gevangengezet, werd hij op vorstelijke wijze onthaald en gevierd. Altijd zijn de vorsten bereid elkander te helpen, om ’t volk te onderdrukken.Karel verbleef langen tijd te Valencijn, zonder eenig teekenvan toorn te geven. De stad Gent, zijne moeder, leefde zonder vrees in het geloof, dat de Keizer, haar zoon, vergeten zou, wijl zij gehandeld had volgens recht.Karel kwam onder de muren van de stad met vier duizend peerden. Alva was bij hem, alsmede de prins van Oranje. Het gemeen en de kleine ambachten hadden geerne die kinderlijke intrede belet en de tachtig duizend man van de stad en den bijvang op de been gebracht; maar de hoogpoorters verzetten zich daartegen, want zij vreesden, dat het volk de overhand zou krijgen. Nochtans had de stad Gent haren zoon met zijne vier duizend peerden in de pan kunnen hakken. Maar zij beminde hem nog, en de kleine ambachten zelven hadden weder vertrouwen gekregen.Karel ook had haar lief, maar ’t was om het geld, dat hij van haar in zijne kisten had en nog van haar trekken wilde.Toen hij zich meester gemaakt had van de stad, stelde hij overal krijgswachten en liet hij dag- en nachtronden doen. Daarna sprak hij, in groote statie, de sententie over de stede uit.De voornaamste poorters moesten vóór zijnen troon vergiffenis komen vragen, met een strop om den hals; Gent werd schuldig verklaard aan de ergste misdaden, dewelke zijn: ontrouw, inbreuk op de tractaten, ongehoorzaamheid, muiterij, opstand en majesteitsschennis. De keizer verklaarde alle geschonken privileges, rechten, vrijheden, costumen en gebruiken verbeurd en, de toekomst verbindende alsof hij God zelf was, bepaalde hij verder, dat zijne opvolgers, bij hunne komst als landheer, zweren moesten niets te zullen naleven dan de vernederende Karolijnsche Concessie, door hem aan de stad verleend.De abdij van Sint-Baafs deed hij afbreken, om ter plaatse eene vesting te bouwen, van waar hij, gemakkelijk, de borst zijner moeder met kogels kon doorboren.Als een slechte zoon, die met ongeduld naar den dood zijner ouderen wacht, verbeurde hij alle goederen en eigendommen van Gent, inkomsten en panden, geschut en oorlogstuig.En hij vond, dat de stad te goed verdedigd was: daarom deed hij den Rooden Toren, den Paddenhoektoren, de Braampoort, de Steenpoort, de Walpoort, de Ketelpoort en vele andere poorten afbreken, dewelke als meesterstukken van bouwkunst en beeldhouwkunst doorgingen.En als later vreemdelingen naar Gent kwamen, spraken zij verbaasd tot elkaar:—Is dàt Gent, die platte en treurige stad? Men vertelde er ons wonderen van: men heeft ons bedrogen.En die van Gent antwoordden:—Keizer Karel heeft de stad heure krone ontnomen.En dit zeggende, waren zij grammoedig en beschaamd. En uit het puin van de poorten haalde de keizer steenen voor zijne vesting.Hij wilde, dat Gent arm werd, daar aldus de stad noch door arbeid, noch door handel of geld, zich tegen zijne stoutmoedige inzichten verzetten kon; daarom veroordeelde hij haar tot het betalen van het geweigerde aandeel in de schatting van vierhonderd duizend gouden karolusgulden en, daarboven, honderd vijftig duizend karolussen in eens, en elk jaar nog zes duizend als eeuwigdurende rente. Hij had geld van de stad in leening gekregen en moest haar voor hetzelve eene rente betalen van honderd vijftig pond grooten. Met geweld deed hij zich de schuldbrieven overhandigen en verscheurde ze. En op die manier betaalde hij zijne schuld.In menige aangelegenheid had Gent hem lief gehad en geholpen. Maar hij stak haar eenen dolk in de borst, om bloed te hebben, daar hij geene melk meer vond.Toen bezag hij Roeland, de schoone klokke, en aan haren klepel liet hij den poorter opknoopen, die storm geluid had, om de stad ten strijde te roepen, ten einde heur recht te verdedigen. Geene genade had hij voor Roeland, de fiere klokke, de tong zijner moeder, waarmee zij tot Vlaanderen sprak:Als men my slaat dan is ’t brandt,Als men my luydt dan is ’t storm in Vlaenderland.Mits zijne moeder te luide sprak, nam hij de klokke weg. En die van ’t platteland zeiden, dat Gent dood was, dat heur zoon, met eene tang, heure tong uit heuren mond had gerukt.
XXVIII.In dien tijd weigerde Gent, de edele stad, haar aandeel te betalen in de bede, die haar zoon, keizer Karel, heur vroeg. Zij kon niet betalen, want zij had geen geld meer, en dit was de schuld van Karel zelf. Toch was dat een groote misdaad, en hij besloot haar in persoon te gaan kastijden.Want de slagen, die eene moeder het zeerst doen, zijn die van heuren zoon.Frans met den Langen Neus, zijn vijand, deed hem het aanbod om door Frankrijk te gaan. Karel nam het aan, en in stee van te worden gevangengezet, werd hij op vorstelijke wijze onthaald en gevierd. Altijd zijn de vorsten bereid elkander te helpen, om ’t volk te onderdrukken.Karel verbleef langen tijd te Valencijn, zonder eenig teekenvan toorn te geven. De stad Gent, zijne moeder, leefde zonder vrees in het geloof, dat de Keizer, haar zoon, vergeten zou, wijl zij gehandeld had volgens recht.Karel kwam onder de muren van de stad met vier duizend peerden. Alva was bij hem, alsmede de prins van Oranje. Het gemeen en de kleine ambachten hadden geerne die kinderlijke intrede belet en de tachtig duizend man van de stad en den bijvang op de been gebracht; maar de hoogpoorters verzetten zich daartegen, want zij vreesden, dat het volk de overhand zou krijgen. Nochtans had de stad Gent haren zoon met zijne vier duizend peerden in de pan kunnen hakken. Maar zij beminde hem nog, en de kleine ambachten zelven hadden weder vertrouwen gekregen.Karel ook had haar lief, maar ’t was om het geld, dat hij van haar in zijne kisten had en nog van haar trekken wilde.Toen hij zich meester gemaakt had van de stad, stelde hij overal krijgswachten en liet hij dag- en nachtronden doen. Daarna sprak hij, in groote statie, de sententie over de stede uit.De voornaamste poorters moesten vóór zijnen troon vergiffenis komen vragen, met een strop om den hals; Gent werd schuldig verklaard aan de ergste misdaden, dewelke zijn: ontrouw, inbreuk op de tractaten, ongehoorzaamheid, muiterij, opstand en majesteitsschennis. De keizer verklaarde alle geschonken privileges, rechten, vrijheden, costumen en gebruiken verbeurd en, de toekomst verbindende alsof hij God zelf was, bepaalde hij verder, dat zijne opvolgers, bij hunne komst als landheer, zweren moesten niets te zullen naleven dan de vernederende Karolijnsche Concessie, door hem aan de stad verleend.De abdij van Sint-Baafs deed hij afbreken, om ter plaatse eene vesting te bouwen, van waar hij, gemakkelijk, de borst zijner moeder met kogels kon doorboren.Als een slechte zoon, die met ongeduld naar den dood zijner ouderen wacht, verbeurde hij alle goederen en eigendommen van Gent, inkomsten en panden, geschut en oorlogstuig.En hij vond, dat de stad te goed verdedigd was: daarom deed hij den Rooden Toren, den Paddenhoektoren, de Braampoort, de Steenpoort, de Walpoort, de Ketelpoort en vele andere poorten afbreken, dewelke als meesterstukken van bouwkunst en beeldhouwkunst doorgingen.En als later vreemdelingen naar Gent kwamen, spraken zij verbaasd tot elkaar:—Is dàt Gent, die platte en treurige stad? Men vertelde er ons wonderen van: men heeft ons bedrogen.En die van Gent antwoordden:—Keizer Karel heeft de stad heure krone ontnomen.En dit zeggende, waren zij grammoedig en beschaamd. En uit het puin van de poorten haalde de keizer steenen voor zijne vesting.Hij wilde, dat Gent arm werd, daar aldus de stad noch door arbeid, noch door handel of geld, zich tegen zijne stoutmoedige inzichten verzetten kon; daarom veroordeelde hij haar tot het betalen van het geweigerde aandeel in de schatting van vierhonderd duizend gouden karolusgulden en, daarboven, honderd vijftig duizend karolussen in eens, en elk jaar nog zes duizend als eeuwigdurende rente. Hij had geld van de stad in leening gekregen en moest haar voor hetzelve eene rente betalen van honderd vijftig pond grooten. Met geweld deed hij zich de schuldbrieven overhandigen en verscheurde ze. En op die manier betaalde hij zijne schuld.In menige aangelegenheid had Gent hem lief gehad en geholpen. Maar hij stak haar eenen dolk in de borst, om bloed te hebben, daar hij geene melk meer vond.Toen bezag hij Roeland, de schoone klokke, en aan haren klepel liet hij den poorter opknoopen, die storm geluid had, om de stad ten strijde te roepen, ten einde heur recht te verdedigen. Geene genade had hij voor Roeland, de fiere klokke, de tong zijner moeder, waarmee zij tot Vlaanderen sprak:Als men my slaat dan is ’t brandt,Als men my luydt dan is ’t storm in Vlaenderland.Mits zijne moeder te luide sprak, nam hij de klokke weg. En die van ’t platteland zeiden, dat Gent dood was, dat heur zoon, met eene tang, heure tong uit heuren mond had gerukt.
XXVIII.
In dien tijd weigerde Gent, de edele stad, haar aandeel te betalen in de bede, die haar zoon, keizer Karel, heur vroeg. Zij kon niet betalen, want zij had geen geld meer, en dit was de schuld van Karel zelf. Toch was dat een groote misdaad, en hij besloot haar in persoon te gaan kastijden.Want de slagen, die eene moeder het zeerst doen, zijn die van heuren zoon.Frans met den Langen Neus, zijn vijand, deed hem het aanbod om door Frankrijk te gaan. Karel nam het aan, en in stee van te worden gevangengezet, werd hij op vorstelijke wijze onthaald en gevierd. Altijd zijn de vorsten bereid elkander te helpen, om ’t volk te onderdrukken.Karel verbleef langen tijd te Valencijn, zonder eenig teekenvan toorn te geven. De stad Gent, zijne moeder, leefde zonder vrees in het geloof, dat de Keizer, haar zoon, vergeten zou, wijl zij gehandeld had volgens recht.Karel kwam onder de muren van de stad met vier duizend peerden. Alva was bij hem, alsmede de prins van Oranje. Het gemeen en de kleine ambachten hadden geerne die kinderlijke intrede belet en de tachtig duizend man van de stad en den bijvang op de been gebracht; maar de hoogpoorters verzetten zich daartegen, want zij vreesden, dat het volk de overhand zou krijgen. Nochtans had de stad Gent haren zoon met zijne vier duizend peerden in de pan kunnen hakken. Maar zij beminde hem nog, en de kleine ambachten zelven hadden weder vertrouwen gekregen.Karel ook had haar lief, maar ’t was om het geld, dat hij van haar in zijne kisten had en nog van haar trekken wilde.Toen hij zich meester gemaakt had van de stad, stelde hij overal krijgswachten en liet hij dag- en nachtronden doen. Daarna sprak hij, in groote statie, de sententie over de stede uit.De voornaamste poorters moesten vóór zijnen troon vergiffenis komen vragen, met een strop om den hals; Gent werd schuldig verklaard aan de ergste misdaden, dewelke zijn: ontrouw, inbreuk op de tractaten, ongehoorzaamheid, muiterij, opstand en majesteitsschennis. De keizer verklaarde alle geschonken privileges, rechten, vrijheden, costumen en gebruiken verbeurd en, de toekomst verbindende alsof hij God zelf was, bepaalde hij verder, dat zijne opvolgers, bij hunne komst als landheer, zweren moesten niets te zullen naleven dan de vernederende Karolijnsche Concessie, door hem aan de stad verleend.De abdij van Sint-Baafs deed hij afbreken, om ter plaatse eene vesting te bouwen, van waar hij, gemakkelijk, de borst zijner moeder met kogels kon doorboren.Als een slechte zoon, die met ongeduld naar den dood zijner ouderen wacht, verbeurde hij alle goederen en eigendommen van Gent, inkomsten en panden, geschut en oorlogstuig.En hij vond, dat de stad te goed verdedigd was: daarom deed hij den Rooden Toren, den Paddenhoektoren, de Braampoort, de Steenpoort, de Walpoort, de Ketelpoort en vele andere poorten afbreken, dewelke als meesterstukken van bouwkunst en beeldhouwkunst doorgingen.En als later vreemdelingen naar Gent kwamen, spraken zij verbaasd tot elkaar:—Is dàt Gent, die platte en treurige stad? Men vertelde er ons wonderen van: men heeft ons bedrogen.En die van Gent antwoordden:—Keizer Karel heeft de stad heure krone ontnomen.En dit zeggende, waren zij grammoedig en beschaamd. En uit het puin van de poorten haalde de keizer steenen voor zijne vesting.Hij wilde, dat Gent arm werd, daar aldus de stad noch door arbeid, noch door handel of geld, zich tegen zijne stoutmoedige inzichten verzetten kon; daarom veroordeelde hij haar tot het betalen van het geweigerde aandeel in de schatting van vierhonderd duizend gouden karolusgulden en, daarboven, honderd vijftig duizend karolussen in eens, en elk jaar nog zes duizend als eeuwigdurende rente. Hij had geld van de stad in leening gekregen en moest haar voor hetzelve eene rente betalen van honderd vijftig pond grooten. Met geweld deed hij zich de schuldbrieven overhandigen en verscheurde ze. En op die manier betaalde hij zijne schuld.In menige aangelegenheid had Gent hem lief gehad en geholpen. Maar hij stak haar eenen dolk in de borst, om bloed te hebben, daar hij geene melk meer vond.Toen bezag hij Roeland, de schoone klokke, en aan haren klepel liet hij den poorter opknoopen, die storm geluid had, om de stad ten strijde te roepen, ten einde heur recht te verdedigen. Geene genade had hij voor Roeland, de fiere klokke, de tong zijner moeder, waarmee zij tot Vlaanderen sprak:Als men my slaat dan is ’t brandt,Als men my luydt dan is ’t storm in Vlaenderland.Mits zijne moeder te luide sprak, nam hij de klokke weg. En die van ’t platteland zeiden, dat Gent dood was, dat heur zoon, met eene tang, heure tong uit heuren mond had gerukt.
In dien tijd weigerde Gent, de edele stad, haar aandeel te betalen in de bede, die haar zoon, keizer Karel, heur vroeg. Zij kon niet betalen, want zij had geen geld meer, en dit was de schuld van Karel zelf. Toch was dat een groote misdaad, en hij besloot haar in persoon te gaan kastijden.
Want de slagen, die eene moeder het zeerst doen, zijn die van heuren zoon.
Frans met den Langen Neus, zijn vijand, deed hem het aanbod om door Frankrijk te gaan. Karel nam het aan, en in stee van te worden gevangengezet, werd hij op vorstelijke wijze onthaald en gevierd. Altijd zijn de vorsten bereid elkander te helpen, om ’t volk te onderdrukken.
Karel verbleef langen tijd te Valencijn, zonder eenig teekenvan toorn te geven. De stad Gent, zijne moeder, leefde zonder vrees in het geloof, dat de Keizer, haar zoon, vergeten zou, wijl zij gehandeld had volgens recht.
Karel kwam onder de muren van de stad met vier duizend peerden. Alva was bij hem, alsmede de prins van Oranje. Het gemeen en de kleine ambachten hadden geerne die kinderlijke intrede belet en de tachtig duizend man van de stad en den bijvang op de been gebracht; maar de hoogpoorters verzetten zich daartegen, want zij vreesden, dat het volk de overhand zou krijgen. Nochtans had de stad Gent haren zoon met zijne vier duizend peerden in de pan kunnen hakken. Maar zij beminde hem nog, en de kleine ambachten zelven hadden weder vertrouwen gekregen.
Karel ook had haar lief, maar ’t was om het geld, dat hij van haar in zijne kisten had en nog van haar trekken wilde.
Toen hij zich meester gemaakt had van de stad, stelde hij overal krijgswachten en liet hij dag- en nachtronden doen. Daarna sprak hij, in groote statie, de sententie over de stede uit.
De voornaamste poorters moesten vóór zijnen troon vergiffenis komen vragen, met een strop om den hals; Gent werd schuldig verklaard aan de ergste misdaden, dewelke zijn: ontrouw, inbreuk op de tractaten, ongehoorzaamheid, muiterij, opstand en majesteitsschennis. De keizer verklaarde alle geschonken privileges, rechten, vrijheden, costumen en gebruiken verbeurd en, de toekomst verbindende alsof hij God zelf was, bepaalde hij verder, dat zijne opvolgers, bij hunne komst als landheer, zweren moesten niets te zullen naleven dan de vernederende Karolijnsche Concessie, door hem aan de stad verleend.
De abdij van Sint-Baafs deed hij afbreken, om ter plaatse eene vesting te bouwen, van waar hij, gemakkelijk, de borst zijner moeder met kogels kon doorboren.
Als een slechte zoon, die met ongeduld naar den dood zijner ouderen wacht, verbeurde hij alle goederen en eigendommen van Gent, inkomsten en panden, geschut en oorlogstuig.
En hij vond, dat de stad te goed verdedigd was: daarom deed hij den Rooden Toren, den Paddenhoektoren, de Braampoort, de Steenpoort, de Walpoort, de Ketelpoort en vele andere poorten afbreken, dewelke als meesterstukken van bouwkunst en beeldhouwkunst doorgingen.
En als later vreemdelingen naar Gent kwamen, spraken zij verbaasd tot elkaar:
—Is dàt Gent, die platte en treurige stad? Men vertelde er ons wonderen van: men heeft ons bedrogen.
En die van Gent antwoordden:
—Keizer Karel heeft de stad heure krone ontnomen.
En dit zeggende, waren zij grammoedig en beschaamd. En uit het puin van de poorten haalde de keizer steenen voor zijne vesting.
Hij wilde, dat Gent arm werd, daar aldus de stad noch door arbeid, noch door handel of geld, zich tegen zijne stoutmoedige inzichten verzetten kon; daarom veroordeelde hij haar tot het betalen van het geweigerde aandeel in de schatting van vierhonderd duizend gouden karolusgulden en, daarboven, honderd vijftig duizend karolussen in eens, en elk jaar nog zes duizend als eeuwigdurende rente. Hij had geld van de stad in leening gekregen en moest haar voor hetzelve eene rente betalen van honderd vijftig pond grooten. Met geweld deed hij zich de schuldbrieven overhandigen en verscheurde ze. En op die manier betaalde hij zijne schuld.
In menige aangelegenheid had Gent hem lief gehad en geholpen. Maar hij stak haar eenen dolk in de borst, om bloed te hebben, daar hij geene melk meer vond.
Toen bezag hij Roeland, de schoone klokke, en aan haren klepel liet hij den poorter opknoopen, die storm geluid had, om de stad ten strijde te roepen, ten einde heur recht te verdedigen. Geene genade had hij voor Roeland, de fiere klokke, de tong zijner moeder, waarmee zij tot Vlaanderen sprak:
Als men my slaat dan is ’t brandt,Als men my luydt dan is ’t storm in Vlaenderland.
Als men my slaat dan is ’t brandt,
Als men my luydt dan is ’t storm in Vlaenderland.
Mits zijne moeder te luide sprak, nam hij de klokke weg. En die van ’t platteland zeiden, dat Gent dood was, dat heur zoon, met eene tang, heure tong uit heuren mond had gerukt.