XXVII.In dien tijd verdeelde de hertog zijn leger in twee afdeelingen: het eerste korps zond hij naar het hertogdom Luxemburg, het ander naar het markgraafschap Namen.—Dat is eene krijgsbeweging waarvan ik de reden niet gis, sprak Uilenspiegel, maar ’t is mij eender, laat ons vol vertrouwen naar Maastricht gaan.Toen zij omtrent de stede langsheen de Maas reden, zag Lamme dat Uilenspiegel aandachtig al de booten bezag, die op den stroom vaarden, en dat hij eindelijk bleef staan voor eene, met een gebeeldhouwde meermin op den achtersteven. En die meermin hield een schild vast, waarop, met gouden letteren op een zwart veld, het teeken I-H-S stond, het teeken dat Onzen Heer Jezus-Christus bediedt.Uilenspiegel deed teeken tot Lamme om stil te staan, en hij begon blijgemoed te fluiten als de leeuwerik.Op de boot kwam een man voor, die kraaide als een haan, vervolgens, toen Uilenspiegel balkte als een ezel en naar het volk wees dat op de kaai bijeengehoopt stond, insgelijks verschrikkelijk begon te balken. Op dat geluid spitsten de beide ezelen van Lamme en Uilenspiegel de ooren en vergezelden zij ’t refrein in hunne moedertaal.Vrouwlieden trokken voorbij en ook mannen die met jaagpeerden opgingen, en Uilenspiegel zei tot Lamme.—Die schipper spot met ons en met onze ezelen. Als wij hem eens eene rammeling gaven op zijne boot? Wat dunkt u er van?—Dat hij liever hier kome, zoo hij durft, antwoordde Lamme.Toen sprak eene vrouw:—Als gij niet wilt voortgaan met uwe armen af, uwe ribben gebroken, uwen snoet aan stukken, laat Sterke Pier dan maar balken zooveel het hem lust.—Hi han! hi han! hi han! balkte de schipper.—Laat hem maar roepen, zei de vrouw, verleden week zagen wij hem eene kar, beladen met zware tonnen bier, op de schouderen nemen, en een andere kar inhouden, waarvoor een sterk Vlaamsch peerd was gespannen. Dáár, sprak zij, naar eene afspanning wijzend, daar inden Blauwen Toren, smeet hij, op twintig stappen afstand, zijn mes door een eiken berd van twaalf duim dik.—Hi han! hi han! ging de schipper voort, terwijl een jongetje van twaalf jaar op het dek van het schip klom en insgelijks begon te balken.Uilenspiegel antwoordde:—Uw Sterke Pier kan ons weinig schelen! Hij mag zoosterk zijn als hij wil, wij zijn sterker dan hij, en mijn vriend Lamme hier, zou er twee van zijne dikte binnenspelen, zonder hikken of blazen.—Wat zegt gij, mijn jongen? vroeg Lamme.—De waarheid, antwoordde Uilenspiegel, gij moet niet loochenen uit zedigheid.En tot de vergaderde menigte vervolgde hij:—Ja, goede mannen, vrouwen en arbeiders, straks zult gij hem zien te werk gaan met de vuisten en dien fameuzen Sterken Pier met zijnen neus in het stof duwen.—Zwijg toch, zei Lamme.—Uwe kracht is gekend, antwoordde Uilenspiegel, gij moet niet loochenen.—Hi han! riep de schipper.—Hi han! kefte het jongetje.Plotseling floot Uilenspiegel opnieuw, welluidend als een kweelende leeuwerik.En de verrukte mannen, vrouwen en arbeiders vroegen hem waar hij dat goddelijk vogelgezang had geleerd.—In het hemelrijk, van waar ik kom, antwoordde Uilenspiegel.Vervolgens sprak hij tot den schipper, die niet ophield met balken en spottend met de vingeren naar hem te wijzen:—Waarom blijft gij daar op uwe boot, nietdeug? Durft gij aan wal komen om met ons en onze ezels te spotten?—Ja, durft gij? vroeg Lamme.—Hi han! hi han! hi han! ging de schipper maar voort. Heeren langooren, ik noodig u op mijne boot.—Doe maar altijd lijk ik, zei Uilenspiegel stille tot Lamme. En den schipper riep hij toe:—Zijt gij Sterke Pier, ik, ik ben Thijl Uilenspiegel. En onze ezelen, Jef en Jan, kunnen beter balken dan gij, want balken is hunne moedertaal. Maar op uwe slecht gevoegde berden komen, daarvoor zullen wij ons wachten. Uwe boot lijkt niet slecht op eene kuip; als een golfslag haar voortstoot, wijkt zij weer achteruit, en zij kan maar vooruit lijk de krabben, zijwaarts.—Ja, lijk de krabben! riep Lamme achterna.Toen sprak de schipper tot Lamme:—Wat mompelt gij daar onverstaanbaar tusschen uwe tanden, spekblok?Lamme, die kwaad werd, riep:—Slechte christen, die mij mijn gebrek verwijt, weet dat mijn vet mijn eigendom is en van voedzame spijzen voortkomt, terwijl gij, oude, roestige nagel, van niets anders leeft dan van uitgemergelde haringen, van keerswieken, van stokvischvellen, te oordeelen naar uw magere beenen, die door uw gescheurde hooze steken.—Die gaan malkander in ’t haar vliegen, zeiden de omstanders, vol ongeduldig genoegen.—Hi han! hi han! riep de schipper.Lamme wilde van zijnen ezel stijgen, om steenen op te rapen en naar den schipper te werpen.—Met geen steenen smijten, zeide Uilenspiegel.De schipper zeide iets in ’t oor van het jongetje, dat naast hem op de boot aan ’t hihannen was.Het knaapje maakte een schuitje los, dat aan de boot vastgemeerd was en bereikte den oever, door middel van eenen haak, dien hij zeer behendig hanteerde.Toen hij dicht bij den wal was, riep hij, fier met het hoofd omhoog:—De komplimenten van mijnen baas en hij vraagt of gij op zijne boot durft komen om tegen hem te vechten met vuisten en voeten. Die mannen en vrouwlieden zullen getuigen zijn.—Zeker, durven wij, zeide Uilenspiegel op waardige wijze.—Wij nemen het gevecht aan, zeide op zijne beurt Lamme, op hoogmoedigen toon.Het was om den middag; de handwerkslieden, dijkwerkers, kasseiers, scheepmakers, de vrouwen met het middageten van heure mannen, de kinderen die op hunne vaders stonden te zien, dewelke boonen aten met gekookt vleesch, allen lachten, klapten in de handen bij de gedachte aan een nakend gevecht en hoopten, met onverholen blijdschap, dat een der strijders zijn kop zou ingeslagen worden, of deerlijk gehavend in de vaart zou vliegen, tot groot genoegen van elkeen.—Mijn jongen, zei Lamme, die minder strijdlustig werd, hij gaat ons in ’t water smijten.—Wel, laat er u in smijten, sprak Uilenspiegel.—De dikzak wordt benauwd, zei de menigte werklieden en vrouwen en kinderen.Lamme, altijd op zijnen ezel gezeten, keerde zich naar hen toe en bekeek ze grammoedig, maar zij jouwden hem uit.—Laat ons op de boot gaan, zei Lamme tot Uilenspiegel, zij zullen eens zien of ik benauwd ben!Op die woorden werd hij opnieuw uitgejouwd en Uilenspiegel sprak:—Laat ons op de boot gaan.Toen zij van hunne ezels gestegen waren, wierpen zij de teugels naar het jongetje, hetwelk de grauwtjes vriendelijk streelde en naar eene plaats leidde, waar distelen groeiden.Vervolgens nam Uilenspiegel een riem, deed Lamme in het schuitje plaats nemen, wrikte naar de boot, en klom er op door middel eener koord.Lamme, zweetend en blazend, volgde hem en klaverde achter hem op de boot.Toen Uilenspiegel op het dek van de bark stond, boog hij zich voorover, alsof hij zijne schoenen wilde toerijgen, en zeide hij eenige woorden tot den schipper, die glimlachte en pinkoogde, terwijl hij naar Lamme keek.Vervolgens zond hij hem allerlei scheldwoorden naar het hoofd, hiet hem deugniet, galgenaas, gevangenisgebroed, papeter, vetbol, en zei:—Dikke walvisch, hoeveel tonnen traan levert gij wel, als men u eenen steek in den buik geeft?Lamme antwoordde niet, doch vloog eensklaps naar hem als een razende stier, wierp hem ten gronde en sloeg op hem uit al zijne macht, doch hij deed hem niet veel zeer, omdat er niet veel kracht in zijne vette armen stak.De schipper gebaarde dat hij zich verweerde, doch liet hem begaan en Uilenspiegel zei op snoevenden toon:—Die nietdeug kan maar zien, dat hij ons te drinken betaalt.De mannen, vrouwlieden, arbeiders, die van den oever het gevecht nagingen, zeiden:—Wie had gedacht dat die dikzak zooveel kracht had?En zij klapten in de handen, terwijl Lamme sloeg gelijk de duivel op Geeraard. Maar de schipper nam geen andere voorzorg dan zijn aangezicht te beschutten.Eensklaps zag men Lamme, met zijne knie op de borst van Sterken Pier, met eene hand hem bij de keel houdend en met de andere omhoog, gereed om te slaan.—Vraag om genade, schreeuwde hij razend, of ik stoot u dwars door de berden uwer modderschuit.De schipper kuchte, om te bedieden, dat hij niet kon spreken, en deed teeken met de hand dat hij om genade vroeg.Lamme hielp grootmoedig zijnen vijand opstaan en, met denrug naar de toeschouwers, stak hij zijne tong uit naar Uilenspiegel, die in een schaterlach uitberstte, toen hij Lamme, met het hoofd omhoog, triomfantelijk met groote stappen op de boot zag over en weer loopen.En de mannen, vrouwlieden, knapen en meidekens, die op den oever stonden, juichten toe om het meest en riepen:—Leve de overwinnaar van Sterken Pier! ’t Is een ijzeren man!En tot elkander zeiden zij:—Hebt gij hem zien slaan met de vuist? Ja, en met een stoot met het hoofd smeet hij den andere ten gronde. Nu gaan zij drinken om pais te maken. Sterke Pier komt boven met wijn en met worsten.Inderdaad, Sterke Pier was twee kroezen en een groote pint witten wijn van de Maas gaan halen. En Lamme en hij gaven elkander de hand tot teeken van vrede.En Lamme, die als in den hemel was, ter wille van zijne zegepraal en ook om den wijn en de worsten, vroeg hem, wijzend naar een groote schouw waaruit een zwarte, dikke rook opsteeg, wat voor stoverije hij maakte in het ruim.—’t Is oorlogskeuken, antwoordde Sterke Pier met een glimlach.De menigte werklieden, vrouwen en kinderen was uiteengegaan om zich naar den arbeid of naar huis te begeven, en van mond tot mond verspreidde zich het gerucht dat een dik man, op eenen ezel gezeten en vergezeld van een kleinen pelgrim, sterker dan Samson was en dat men zich wachten moest hem scheef te bezien.Lamme at en dronk, en bezag zegevierend den schipper.Deze zeide eensklaps:—Uwe ezelen vervelen zich ginder.Daarop bracht hij de boot tegen de kaai, ging aan wal, nam een der ezelen bij de voorpooten en de achterpooten en, het dier dragende gelijk het kindeken Jezus het lammeken droeg, zette hij het neer op het dek van de boot.Vervolgens deed hij, zonder hijgen, hetzelfde met den anderen ezel, waarna hij zeide:—Laat ons drinken!Het jongetje sprong op het dek.En zij dronken.Lamme stond verstomd; hij wist niet goed of hij het wel was, geboortig uit Damme, welke dien sterken, gespierden man afgerosthad, en dorst hem nog slechts ter sluips bezien en zonder den minsten hoogmoed, want hij vreesde dat de schipper lust kreeg hem op te pakken gelijk hij de ezelen opgenomen had, en hem levend in de Maas te smijten, uit weerwraak.Maar glimlachend noodde de schipper hem nogmaals tot drinken, en Lamme herstelde zich van zijne vrees en bezag hem opnieuw met zegevierend zelfvertrouwen.En de schipper en Uilenspiegel bekeken elkander en schoten in een luiden schaterlach.Intusschen hadden de ezelen, verwonderd zich op een plankenvloer te gevoelen (iets aan hetwelk zij geenszins gewend waren) den kop gebogen en de ooren gestreken; zij dorsten niet drinken van schrik.De schipper ging een van de maatjes haver halen, welke hij gaf aan de peerden die zijne boot voorttrokken, want hij kocht zijne haver zelf, om door de voerlieden niet bestolen te worden op den prijs van het voeder.Toen de ezelen het maatje haver zagen, prevelden zij binnensmonds paternosters van vraatzucht, terwijl zij weemoedig den vloer van de boot bekeken, want uit vreeze van uit te glijden, dorsten zij geen stap verzetten.Daarop zei de schipper tot Uilenspiegel en tot zijnen vriend Lamme Goedzak:—Laat ons naar de keuken gaan.—’t Is oorlogskeuken, zei Lamme ongerust.—Ja, ’t is oorlogskeuken, maar zonder vrees moogt gij beneden komen, mijn overwinnaar.—Ik ben niet bevreesd, sprak Lamme, en ten blijke daarvan zal ik u volgen.Het jongetje ging naar het roer.Toen zij beneden kwamen, zagen zij overal zakken graan, boonen, erwten, kool, wortelen en andere groenten.De schipper opende de deur eener smidse en zei:—Vermits gij mannen zijt met kloekmoedig hert, die het gezang kent van den leeuwerik, die het zinnebeeld der vrijheid is, en het dappere gekraai van den haan, en ’t gebalk van den ezel, dien zachtmoedigen werker, wil ik u mijne oorlogskeuken toonen. Deze kleine smidse vindt men in de meeste booten, die op de Maas varen. Ze kan niet verdacht voorkomen, want zij dient om het ijzerwerk aan boord te herstellen; doch alle schepen hebben den schoonen voorraad niet, die steekt in deze kasten.Toen schoof hij eenige steenen weg, die het onderste scheepsruim bedekten; hij hief eenige planken op en haalde er een dikken bundel geweerloopen uit, stak dien omhoog als een pluimken en legde hem toen weder op zijne plaats.Vervolgens toonde hij hun lanspunten, hellebaardijzers, zweerdklingen, zakjes kogels en kruit.—Leve de geus! sprak hij, hier zijn de boonen en de saus; de kolven zijn de bouten, de hellebaardijzers zijn de salade, en die geweerloopen de osseschinkels voor de vrijheidssoep!... Leve de Geus! Waar moet ik al die spijzen brengen? vroeg hij aan Uilenspiegel.Deze antwoordde:—Naar Nijmegen, waar gij zult binnenvaren met uwe boot nog zwaarder beladen met echte groenten, die de boeren u brengen te Elsen, te Stevensweert en te Roermond. En die ook zullen zingen lijk de leeuwerik, zinnebeeld der vrije mannen, en gij zult ook antwoorden met een dapper hanengekraai. Gij zult bij dokter Pontus gaan, die omtrent de Nieuwe Waal woont, hem zeggen, dat gij in de stad komt met groenten, doch dat gij droogte vreest. Terwijl de boeren met de groenten naar de markt gaan en ze zoo duur zullen te koop stellen dat niemand ze koopen wil, zal dokter Pontus u zeggen wat gij met uwe lading wapenen doen moet. Maar ik denk dat hij u eene zending zal opleggen die niet zonder gevaar is, en u bevelen de Waal, de Maas of den Rijn af te varen, uwe groenten te ruilen tegen netten en naar de visschersschuiten te gaan te Harlingen, alwaar vele matrozen het gezang des leeuweriks kennen, vervolgens door de wadden, langsheen de kust, naar de Lauwerzee te varen, de netten te ruilen tegen ijzer en lood, aan uwe boeren kleederen te geven naar de dracht van de eilanden Marken, Vlieland of Ameland, een weinig van de kust af te blijven, te visschen en uwe vangst in te zouten, niet om ze te verkoopen, doch om ze te bewaren, want zout eten en een goeden pot drinken is geoorloofd in oorlogstijd.—Als het zoo is, sprak de schipper, laat ons drinken!En zij gingen terug naar het dek.Doch Lamme was vol weemoed.—Mijnheer de schipper, sprak hij, gij hebt daar in uwe smidse een zoo blakerend vuurtje, dat men daar voorzeker den smakelijksten hutsepot zou koken, dien men droomen kan. Mijn keelgat smeekt luide om soep.—Ik zal u ververschen, sprak de man.En weldra bracht hij een vette soep op, waarin een dikke snee gezouten hesp was gekookt.Als Lamme eenige lepelen gegeten had, wendde hij zich naar den schipper en sprak:—Mijne keel is verschroeid, mijne tong brandt af; dat is geen hutsepot dàt.—Zout eten en dapper drinken is geoorloofd in oorlogstijd, zoo staat er geschreven, antwoordde Uilenspiegel.De schipper vulde de bekers en sprak:—Ik drink op den leeuwerik, het zinnebeeld der vrijheid!Uilenspiegel sprak:—Ik drink op den haan, die oorlog kraait!Lamme sprak:—Ik drink op de gezondheid mijner vrouw; mocht dorst de welbeminde nooit kwellen!—Gij gaat langs de Noordzee naar Emden, zei Uilenspiegel tot den schipper. Emden is eene schuilplaats voor ons.—De zee is groot, sprak de schipper.—Groot voor ’t gevecht, antwoordde Uilenspiegel.—God is met ons, zei de schipper.—Wie dan kan tegen ons zijn? hernam Uilenspiegel.—Wanneer vertrekt gij? vroeg Sterke Pier.—Dadelijk, antwoordde Uilenspiegel.—Goede reis en den wind van achteren. Neem dit kruit en deze kogelen.De schipper gaf hun den afscheidskus en deed hun uitgeleide, nadat hij de beide ezelen als lammekens op zijne schouders aan wal had gebracht.Die mannen werden later aan de Nieuwe Galge uit hoofde van ketterij gehangen. (Blz. 303).Die mannen werden later aan de Nieuwe Galge uit hoofde van ketterij gehangen. (Blz. 303).Lamme en Uilenspiegel stegen op hunne grauwtjes en begaven zich op weg.Zij reden naar Luik.—Mijn jongen, vroeg Lamme onderwege aan Uilenspiegel, hoe is het mogelijk, dat een zoo sterke gespierde kerel zich zoo wreedelijk liet afrossen door iemand lijk ik?—Dit deed hij, antwoordde Uilenspiegel, opdat de vreeze u zou voorafgaan in alle oorden, waarheen wij ons zullen begeven. Dat is een veiliger geleide dan twintig landsknechten te zamen. Wie dan zou voortaan nog een minachtend woord durven richten tot Lamme den sterke, tot den zegevierenden Lamme; tot Lamme den stier, die zijn gelijken niet heeft, die, onder eens iegelijksoogen, met eenen stoot met den kop, Sterken Pier nedervelde, Sterken Pier, die ezelen op zijne schouderen draagt alsof het lammekens waren en geheele bierwagens opheft? Iedereen kent u hier reeds. Gij zijt de geduchte Lamme, de onoverwinbare Lamme, en in de schaduw uwer bescherming, rijd ik onbevreesd door. Op den weg, dien wij zullen volgen, zal iedereen u kennen, niemand zal zich durven vermeten u scheef te bezien en, gezien de lafheid der mannen, zult gij nergens op uwen weg iets anders aantreffen dan nederige buigingen, groeten, loftuitingen en de algemeene achting, ter eere van de spierkracht uwer geduchte vuisten.—Gij spreekt goed, mijn jongen, zeide Lamme, die zich stijf in den zadel hield.—En ik spreek waarheid, ging Uilenspiegel voort. Ziet gij die nieuwsgierige gezichten aan de eerste huizen van het dorp? Men toont elkander Lamme, den schrikverwekkenden overwinnaar. Ziet gij die mannen u bekijken met afgunst, en die lafhertige weekelingen hunne muts afnemen voor u? Beantwoord hunne groeten, Lamme; veracht nooit het zwak van het volk. Zie, de kinderen kennen uwen naam en herhalen hem met schrik en met eerbied.En Lamme reed fier voorbij, groette rechts, groette links, als een koning. En de mare zijner dapperheid ging hem vooraf van dorp tot dorp, van stad tot stad, tot Luik, Chokier, la Neuville, Vezin en Namen, welke stad zij lieten liggen, ter oorzake van de drie predikanten.En aldus reden zij langen tijd voort, langs rivieren, stroomen en vaarten. En overal werd het gezang van den leeuwerik beantwoord door ’t gekraai van den haan.En overal werden, voor ’t werk van de vrijheid, wapenen gegoten, gesmeed, geslepen, en vervolgens verscheept.En in tonnen, in kisten, in manden, geraakten zij door, aan de tollen.En overal werden goede lieden gevonden, die ze wilden aanveerden en in verzekerde plaatsen bergen, met het kruit en de kogels, totdat Gods ure zou slaan.En Lamme reed steeds voort met Uilenspiegel, altijd voorafgegaan door zijnen roem van onoverwinbaren vuistvechter, tot dusverre dat hij zelf aan zijn groote kracht begon te gelooven en, hoogmoedig en strijdlustig geworden, zijnen baard liet groeien.En Uilenspiegel noemde hem: Lamme de Leeuw.Doch Lamme bleef niet standvastig in zijn voornemen, want den vierden dag begon zijn baard hem onuitstaanbaar te steken.En hij liet het scheermes over zijn zegevierend gezicht strijken, dat nu weder te voorschijn kwam als de volle maan, met een rooden blos, gestoofd door het lekkere eten.Aldus kwamen zij te Stokhem.
XXVII.In dien tijd verdeelde de hertog zijn leger in twee afdeelingen: het eerste korps zond hij naar het hertogdom Luxemburg, het ander naar het markgraafschap Namen.—Dat is eene krijgsbeweging waarvan ik de reden niet gis, sprak Uilenspiegel, maar ’t is mij eender, laat ons vol vertrouwen naar Maastricht gaan.Toen zij omtrent de stede langsheen de Maas reden, zag Lamme dat Uilenspiegel aandachtig al de booten bezag, die op den stroom vaarden, en dat hij eindelijk bleef staan voor eene, met een gebeeldhouwde meermin op den achtersteven. En die meermin hield een schild vast, waarop, met gouden letteren op een zwart veld, het teeken I-H-S stond, het teeken dat Onzen Heer Jezus-Christus bediedt.Uilenspiegel deed teeken tot Lamme om stil te staan, en hij begon blijgemoed te fluiten als de leeuwerik.Op de boot kwam een man voor, die kraaide als een haan, vervolgens, toen Uilenspiegel balkte als een ezel en naar het volk wees dat op de kaai bijeengehoopt stond, insgelijks verschrikkelijk begon te balken. Op dat geluid spitsten de beide ezelen van Lamme en Uilenspiegel de ooren en vergezelden zij ’t refrein in hunne moedertaal.Vrouwlieden trokken voorbij en ook mannen die met jaagpeerden opgingen, en Uilenspiegel zei tot Lamme.—Die schipper spot met ons en met onze ezelen. Als wij hem eens eene rammeling gaven op zijne boot? Wat dunkt u er van?—Dat hij liever hier kome, zoo hij durft, antwoordde Lamme.Toen sprak eene vrouw:—Als gij niet wilt voortgaan met uwe armen af, uwe ribben gebroken, uwen snoet aan stukken, laat Sterke Pier dan maar balken zooveel het hem lust.—Hi han! hi han! hi han! balkte de schipper.—Laat hem maar roepen, zei de vrouw, verleden week zagen wij hem eene kar, beladen met zware tonnen bier, op de schouderen nemen, en een andere kar inhouden, waarvoor een sterk Vlaamsch peerd was gespannen. Dáár, sprak zij, naar eene afspanning wijzend, daar inden Blauwen Toren, smeet hij, op twintig stappen afstand, zijn mes door een eiken berd van twaalf duim dik.—Hi han! hi han! ging de schipper voort, terwijl een jongetje van twaalf jaar op het dek van het schip klom en insgelijks begon te balken.Uilenspiegel antwoordde:—Uw Sterke Pier kan ons weinig schelen! Hij mag zoosterk zijn als hij wil, wij zijn sterker dan hij, en mijn vriend Lamme hier, zou er twee van zijne dikte binnenspelen, zonder hikken of blazen.—Wat zegt gij, mijn jongen? vroeg Lamme.—De waarheid, antwoordde Uilenspiegel, gij moet niet loochenen uit zedigheid.En tot de vergaderde menigte vervolgde hij:—Ja, goede mannen, vrouwen en arbeiders, straks zult gij hem zien te werk gaan met de vuisten en dien fameuzen Sterken Pier met zijnen neus in het stof duwen.—Zwijg toch, zei Lamme.—Uwe kracht is gekend, antwoordde Uilenspiegel, gij moet niet loochenen.—Hi han! riep de schipper.—Hi han! kefte het jongetje.Plotseling floot Uilenspiegel opnieuw, welluidend als een kweelende leeuwerik.En de verrukte mannen, vrouwen en arbeiders vroegen hem waar hij dat goddelijk vogelgezang had geleerd.—In het hemelrijk, van waar ik kom, antwoordde Uilenspiegel.Vervolgens sprak hij tot den schipper, die niet ophield met balken en spottend met de vingeren naar hem te wijzen:—Waarom blijft gij daar op uwe boot, nietdeug? Durft gij aan wal komen om met ons en onze ezels te spotten?—Ja, durft gij? vroeg Lamme.—Hi han! hi han! hi han! ging de schipper maar voort. Heeren langooren, ik noodig u op mijne boot.—Doe maar altijd lijk ik, zei Uilenspiegel stille tot Lamme. En den schipper riep hij toe:—Zijt gij Sterke Pier, ik, ik ben Thijl Uilenspiegel. En onze ezelen, Jef en Jan, kunnen beter balken dan gij, want balken is hunne moedertaal. Maar op uwe slecht gevoegde berden komen, daarvoor zullen wij ons wachten. Uwe boot lijkt niet slecht op eene kuip; als een golfslag haar voortstoot, wijkt zij weer achteruit, en zij kan maar vooruit lijk de krabben, zijwaarts.—Ja, lijk de krabben! riep Lamme achterna.Toen sprak de schipper tot Lamme:—Wat mompelt gij daar onverstaanbaar tusschen uwe tanden, spekblok?Lamme, die kwaad werd, riep:—Slechte christen, die mij mijn gebrek verwijt, weet dat mijn vet mijn eigendom is en van voedzame spijzen voortkomt, terwijl gij, oude, roestige nagel, van niets anders leeft dan van uitgemergelde haringen, van keerswieken, van stokvischvellen, te oordeelen naar uw magere beenen, die door uw gescheurde hooze steken.—Die gaan malkander in ’t haar vliegen, zeiden de omstanders, vol ongeduldig genoegen.—Hi han! hi han! riep de schipper.Lamme wilde van zijnen ezel stijgen, om steenen op te rapen en naar den schipper te werpen.—Met geen steenen smijten, zeide Uilenspiegel.De schipper zeide iets in ’t oor van het jongetje, dat naast hem op de boot aan ’t hihannen was.Het knaapje maakte een schuitje los, dat aan de boot vastgemeerd was en bereikte den oever, door middel van eenen haak, dien hij zeer behendig hanteerde.Toen hij dicht bij den wal was, riep hij, fier met het hoofd omhoog:—De komplimenten van mijnen baas en hij vraagt of gij op zijne boot durft komen om tegen hem te vechten met vuisten en voeten. Die mannen en vrouwlieden zullen getuigen zijn.—Zeker, durven wij, zeide Uilenspiegel op waardige wijze.—Wij nemen het gevecht aan, zeide op zijne beurt Lamme, op hoogmoedigen toon.Het was om den middag; de handwerkslieden, dijkwerkers, kasseiers, scheepmakers, de vrouwen met het middageten van heure mannen, de kinderen die op hunne vaders stonden te zien, dewelke boonen aten met gekookt vleesch, allen lachten, klapten in de handen bij de gedachte aan een nakend gevecht en hoopten, met onverholen blijdschap, dat een der strijders zijn kop zou ingeslagen worden, of deerlijk gehavend in de vaart zou vliegen, tot groot genoegen van elkeen.—Mijn jongen, zei Lamme, die minder strijdlustig werd, hij gaat ons in ’t water smijten.—Wel, laat er u in smijten, sprak Uilenspiegel.—De dikzak wordt benauwd, zei de menigte werklieden en vrouwen en kinderen.Lamme, altijd op zijnen ezel gezeten, keerde zich naar hen toe en bekeek ze grammoedig, maar zij jouwden hem uit.—Laat ons op de boot gaan, zei Lamme tot Uilenspiegel, zij zullen eens zien of ik benauwd ben!Op die woorden werd hij opnieuw uitgejouwd en Uilenspiegel sprak:—Laat ons op de boot gaan.Toen zij van hunne ezels gestegen waren, wierpen zij de teugels naar het jongetje, hetwelk de grauwtjes vriendelijk streelde en naar eene plaats leidde, waar distelen groeiden.Vervolgens nam Uilenspiegel een riem, deed Lamme in het schuitje plaats nemen, wrikte naar de boot, en klom er op door middel eener koord.Lamme, zweetend en blazend, volgde hem en klaverde achter hem op de boot.Toen Uilenspiegel op het dek van de bark stond, boog hij zich voorover, alsof hij zijne schoenen wilde toerijgen, en zeide hij eenige woorden tot den schipper, die glimlachte en pinkoogde, terwijl hij naar Lamme keek.Vervolgens zond hij hem allerlei scheldwoorden naar het hoofd, hiet hem deugniet, galgenaas, gevangenisgebroed, papeter, vetbol, en zei:—Dikke walvisch, hoeveel tonnen traan levert gij wel, als men u eenen steek in den buik geeft?Lamme antwoordde niet, doch vloog eensklaps naar hem als een razende stier, wierp hem ten gronde en sloeg op hem uit al zijne macht, doch hij deed hem niet veel zeer, omdat er niet veel kracht in zijne vette armen stak.De schipper gebaarde dat hij zich verweerde, doch liet hem begaan en Uilenspiegel zei op snoevenden toon:—Die nietdeug kan maar zien, dat hij ons te drinken betaalt.De mannen, vrouwlieden, arbeiders, die van den oever het gevecht nagingen, zeiden:—Wie had gedacht dat die dikzak zooveel kracht had?En zij klapten in de handen, terwijl Lamme sloeg gelijk de duivel op Geeraard. Maar de schipper nam geen andere voorzorg dan zijn aangezicht te beschutten.Eensklaps zag men Lamme, met zijne knie op de borst van Sterken Pier, met eene hand hem bij de keel houdend en met de andere omhoog, gereed om te slaan.—Vraag om genade, schreeuwde hij razend, of ik stoot u dwars door de berden uwer modderschuit.De schipper kuchte, om te bedieden, dat hij niet kon spreken, en deed teeken met de hand dat hij om genade vroeg.Lamme hielp grootmoedig zijnen vijand opstaan en, met denrug naar de toeschouwers, stak hij zijne tong uit naar Uilenspiegel, die in een schaterlach uitberstte, toen hij Lamme, met het hoofd omhoog, triomfantelijk met groote stappen op de boot zag over en weer loopen.En de mannen, vrouwlieden, knapen en meidekens, die op den oever stonden, juichten toe om het meest en riepen:—Leve de overwinnaar van Sterken Pier! ’t Is een ijzeren man!En tot elkander zeiden zij:—Hebt gij hem zien slaan met de vuist? Ja, en met een stoot met het hoofd smeet hij den andere ten gronde. Nu gaan zij drinken om pais te maken. Sterke Pier komt boven met wijn en met worsten.Inderdaad, Sterke Pier was twee kroezen en een groote pint witten wijn van de Maas gaan halen. En Lamme en hij gaven elkander de hand tot teeken van vrede.En Lamme, die als in den hemel was, ter wille van zijne zegepraal en ook om den wijn en de worsten, vroeg hem, wijzend naar een groote schouw waaruit een zwarte, dikke rook opsteeg, wat voor stoverije hij maakte in het ruim.—’t Is oorlogskeuken, antwoordde Sterke Pier met een glimlach.De menigte werklieden, vrouwen en kinderen was uiteengegaan om zich naar den arbeid of naar huis te begeven, en van mond tot mond verspreidde zich het gerucht dat een dik man, op eenen ezel gezeten en vergezeld van een kleinen pelgrim, sterker dan Samson was en dat men zich wachten moest hem scheef te bezien.Lamme at en dronk, en bezag zegevierend den schipper.Deze zeide eensklaps:—Uwe ezelen vervelen zich ginder.Daarop bracht hij de boot tegen de kaai, ging aan wal, nam een der ezelen bij de voorpooten en de achterpooten en, het dier dragende gelijk het kindeken Jezus het lammeken droeg, zette hij het neer op het dek van de boot.Vervolgens deed hij, zonder hijgen, hetzelfde met den anderen ezel, waarna hij zeide:—Laat ons drinken!Het jongetje sprong op het dek.En zij dronken.Lamme stond verstomd; hij wist niet goed of hij het wel was, geboortig uit Damme, welke dien sterken, gespierden man afgerosthad, en dorst hem nog slechts ter sluips bezien en zonder den minsten hoogmoed, want hij vreesde dat de schipper lust kreeg hem op te pakken gelijk hij de ezelen opgenomen had, en hem levend in de Maas te smijten, uit weerwraak.Maar glimlachend noodde de schipper hem nogmaals tot drinken, en Lamme herstelde zich van zijne vrees en bezag hem opnieuw met zegevierend zelfvertrouwen.En de schipper en Uilenspiegel bekeken elkander en schoten in een luiden schaterlach.Intusschen hadden de ezelen, verwonderd zich op een plankenvloer te gevoelen (iets aan hetwelk zij geenszins gewend waren) den kop gebogen en de ooren gestreken; zij dorsten niet drinken van schrik.De schipper ging een van de maatjes haver halen, welke hij gaf aan de peerden die zijne boot voorttrokken, want hij kocht zijne haver zelf, om door de voerlieden niet bestolen te worden op den prijs van het voeder.Toen de ezelen het maatje haver zagen, prevelden zij binnensmonds paternosters van vraatzucht, terwijl zij weemoedig den vloer van de boot bekeken, want uit vreeze van uit te glijden, dorsten zij geen stap verzetten.Daarop zei de schipper tot Uilenspiegel en tot zijnen vriend Lamme Goedzak:—Laat ons naar de keuken gaan.—’t Is oorlogskeuken, zei Lamme ongerust.—Ja, ’t is oorlogskeuken, maar zonder vrees moogt gij beneden komen, mijn overwinnaar.—Ik ben niet bevreesd, sprak Lamme, en ten blijke daarvan zal ik u volgen.Het jongetje ging naar het roer.Toen zij beneden kwamen, zagen zij overal zakken graan, boonen, erwten, kool, wortelen en andere groenten.De schipper opende de deur eener smidse en zei:—Vermits gij mannen zijt met kloekmoedig hert, die het gezang kent van den leeuwerik, die het zinnebeeld der vrijheid is, en het dappere gekraai van den haan, en ’t gebalk van den ezel, dien zachtmoedigen werker, wil ik u mijne oorlogskeuken toonen. Deze kleine smidse vindt men in de meeste booten, die op de Maas varen. Ze kan niet verdacht voorkomen, want zij dient om het ijzerwerk aan boord te herstellen; doch alle schepen hebben den schoonen voorraad niet, die steekt in deze kasten.Toen schoof hij eenige steenen weg, die het onderste scheepsruim bedekten; hij hief eenige planken op en haalde er een dikken bundel geweerloopen uit, stak dien omhoog als een pluimken en legde hem toen weder op zijne plaats.Vervolgens toonde hij hun lanspunten, hellebaardijzers, zweerdklingen, zakjes kogels en kruit.—Leve de geus! sprak hij, hier zijn de boonen en de saus; de kolven zijn de bouten, de hellebaardijzers zijn de salade, en die geweerloopen de osseschinkels voor de vrijheidssoep!... Leve de Geus! Waar moet ik al die spijzen brengen? vroeg hij aan Uilenspiegel.Deze antwoordde:—Naar Nijmegen, waar gij zult binnenvaren met uwe boot nog zwaarder beladen met echte groenten, die de boeren u brengen te Elsen, te Stevensweert en te Roermond. En die ook zullen zingen lijk de leeuwerik, zinnebeeld der vrije mannen, en gij zult ook antwoorden met een dapper hanengekraai. Gij zult bij dokter Pontus gaan, die omtrent de Nieuwe Waal woont, hem zeggen, dat gij in de stad komt met groenten, doch dat gij droogte vreest. Terwijl de boeren met de groenten naar de markt gaan en ze zoo duur zullen te koop stellen dat niemand ze koopen wil, zal dokter Pontus u zeggen wat gij met uwe lading wapenen doen moet. Maar ik denk dat hij u eene zending zal opleggen die niet zonder gevaar is, en u bevelen de Waal, de Maas of den Rijn af te varen, uwe groenten te ruilen tegen netten en naar de visschersschuiten te gaan te Harlingen, alwaar vele matrozen het gezang des leeuweriks kennen, vervolgens door de wadden, langsheen de kust, naar de Lauwerzee te varen, de netten te ruilen tegen ijzer en lood, aan uwe boeren kleederen te geven naar de dracht van de eilanden Marken, Vlieland of Ameland, een weinig van de kust af te blijven, te visschen en uwe vangst in te zouten, niet om ze te verkoopen, doch om ze te bewaren, want zout eten en een goeden pot drinken is geoorloofd in oorlogstijd.—Als het zoo is, sprak de schipper, laat ons drinken!En zij gingen terug naar het dek.Doch Lamme was vol weemoed.—Mijnheer de schipper, sprak hij, gij hebt daar in uwe smidse een zoo blakerend vuurtje, dat men daar voorzeker den smakelijksten hutsepot zou koken, dien men droomen kan. Mijn keelgat smeekt luide om soep.—Ik zal u ververschen, sprak de man.En weldra bracht hij een vette soep op, waarin een dikke snee gezouten hesp was gekookt.Als Lamme eenige lepelen gegeten had, wendde hij zich naar den schipper en sprak:—Mijne keel is verschroeid, mijne tong brandt af; dat is geen hutsepot dàt.—Zout eten en dapper drinken is geoorloofd in oorlogstijd, zoo staat er geschreven, antwoordde Uilenspiegel.De schipper vulde de bekers en sprak:—Ik drink op den leeuwerik, het zinnebeeld der vrijheid!Uilenspiegel sprak:—Ik drink op den haan, die oorlog kraait!Lamme sprak:—Ik drink op de gezondheid mijner vrouw; mocht dorst de welbeminde nooit kwellen!—Gij gaat langs de Noordzee naar Emden, zei Uilenspiegel tot den schipper. Emden is eene schuilplaats voor ons.—De zee is groot, sprak de schipper.—Groot voor ’t gevecht, antwoordde Uilenspiegel.—God is met ons, zei de schipper.—Wie dan kan tegen ons zijn? hernam Uilenspiegel.—Wanneer vertrekt gij? vroeg Sterke Pier.—Dadelijk, antwoordde Uilenspiegel.—Goede reis en den wind van achteren. Neem dit kruit en deze kogelen.De schipper gaf hun den afscheidskus en deed hun uitgeleide, nadat hij de beide ezelen als lammekens op zijne schouders aan wal had gebracht.Die mannen werden later aan de Nieuwe Galge uit hoofde van ketterij gehangen. (Blz. 303).Die mannen werden later aan de Nieuwe Galge uit hoofde van ketterij gehangen. (Blz. 303).Lamme en Uilenspiegel stegen op hunne grauwtjes en begaven zich op weg.Zij reden naar Luik.—Mijn jongen, vroeg Lamme onderwege aan Uilenspiegel, hoe is het mogelijk, dat een zoo sterke gespierde kerel zich zoo wreedelijk liet afrossen door iemand lijk ik?—Dit deed hij, antwoordde Uilenspiegel, opdat de vreeze u zou voorafgaan in alle oorden, waarheen wij ons zullen begeven. Dat is een veiliger geleide dan twintig landsknechten te zamen. Wie dan zou voortaan nog een minachtend woord durven richten tot Lamme den sterke, tot den zegevierenden Lamme; tot Lamme den stier, die zijn gelijken niet heeft, die, onder eens iegelijksoogen, met eenen stoot met den kop, Sterken Pier nedervelde, Sterken Pier, die ezelen op zijne schouderen draagt alsof het lammekens waren en geheele bierwagens opheft? Iedereen kent u hier reeds. Gij zijt de geduchte Lamme, de onoverwinbare Lamme, en in de schaduw uwer bescherming, rijd ik onbevreesd door. Op den weg, dien wij zullen volgen, zal iedereen u kennen, niemand zal zich durven vermeten u scheef te bezien en, gezien de lafheid der mannen, zult gij nergens op uwen weg iets anders aantreffen dan nederige buigingen, groeten, loftuitingen en de algemeene achting, ter eere van de spierkracht uwer geduchte vuisten.—Gij spreekt goed, mijn jongen, zeide Lamme, die zich stijf in den zadel hield.—En ik spreek waarheid, ging Uilenspiegel voort. Ziet gij die nieuwsgierige gezichten aan de eerste huizen van het dorp? Men toont elkander Lamme, den schrikverwekkenden overwinnaar. Ziet gij die mannen u bekijken met afgunst, en die lafhertige weekelingen hunne muts afnemen voor u? Beantwoord hunne groeten, Lamme; veracht nooit het zwak van het volk. Zie, de kinderen kennen uwen naam en herhalen hem met schrik en met eerbied.En Lamme reed fier voorbij, groette rechts, groette links, als een koning. En de mare zijner dapperheid ging hem vooraf van dorp tot dorp, van stad tot stad, tot Luik, Chokier, la Neuville, Vezin en Namen, welke stad zij lieten liggen, ter oorzake van de drie predikanten.En aldus reden zij langen tijd voort, langs rivieren, stroomen en vaarten. En overal werd het gezang van den leeuwerik beantwoord door ’t gekraai van den haan.En overal werden, voor ’t werk van de vrijheid, wapenen gegoten, gesmeed, geslepen, en vervolgens verscheept.En in tonnen, in kisten, in manden, geraakten zij door, aan de tollen.En overal werden goede lieden gevonden, die ze wilden aanveerden en in verzekerde plaatsen bergen, met het kruit en de kogels, totdat Gods ure zou slaan.En Lamme reed steeds voort met Uilenspiegel, altijd voorafgegaan door zijnen roem van onoverwinbaren vuistvechter, tot dusverre dat hij zelf aan zijn groote kracht begon te gelooven en, hoogmoedig en strijdlustig geworden, zijnen baard liet groeien.En Uilenspiegel noemde hem: Lamme de Leeuw.Doch Lamme bleef niet standvastig in zijn voornemen, want den vierden dag begon zijn baard hem onuitstaanbaar te steken.En hij liet het scheermes over zijn zegevierend gezicht strijken, dat nu weder te voorschijn kwam als de volle maan, met een rooden blos, gestoofd door het lekkere eten.Aldus kwamen zij te Stokhem.
XXVII.In dien tijd verdeelde de hertog zijn leger in twee afdeelingen: het eerste korps zond hij naar het hertogdom Luxemburg, het ander naar het markgraafschap Namen.—Dat is eene krijgsbeweging waarvan ik de reden niet gis, sprak Uilenspiegel, maar ’t is mij eender, laat ons vol vertrouwen naar Maastricht gaan.Toen zij omtrent de stede langsheen de Maas reden, zag Lamme dat Uilenspiegel aandachtig al de booten bezag, die op den stroom vaarden, en dat hij eindelijk bleef staan voor eene, met een gebeeldhouwde meermin op den achtersteven. En die meermin hield een schild vast, waarop, met gouden letteren op een zwart veld, het teeken I-H-S stond, het teeken dat Onzen Heer Jezus-Christus bediedt.Uilenspiegel deed teeken tot Lamme om stil te staan, en hij begon blijgemoed te fluiten als de leeuwerik.Op de boot kwam een man voor, die kraaide als een haan, vervolgens, toen Uilenspiegel balkte als een ezel en naar het volk wees dat op de kaai bijeengehoopt stond, insgelijks verschrikkelijk begon te balken. Op dat geluid spitsten de beide ezelen van Lamme en Uilenspiegel de ooren en vergezelden zij ’t refrein in hunne moedertaal.Vrouwlieden trokken voorbij en ook mannen die met jaagpeerden opgingen, en Uilenspiegel zei tot Lamme.—Die schipper spot met ons en met onze ezelen. Als wij hem eens eene rammeling gaven op zijne boot? Wat dunkt u er van?—Dat hij liever hier kome, zoo hij durft, antwoordde Lamme.Toen sprak eene vrouw:—Als gij niet wilt voortgaan met uwe armen af, uwe ribben gebroken, uwen snoet aan stukken, laat Sterke Pier dan maar balken zooveel het hem lust.—Hi han! hi han! hi han! balkte de schipper.—Laat hem maar roepen, zei de vrouw, verleden week zagen wij hem eene kar, beladen met zware tonnen bier, op de schouderen nemen, en een andere kar inhouden, waarvoor een sterk Vlaamsch peerd was gespannen. Dáár, sprak zij, naar eene afspanning wijzend, daar inden Blauwen Toren, smeet hij, op twintig stappen afstand, zijn mes door een eiken berd van twaalf duim dik.—Hi han! hi han! ging de schipper voort, terwijl een jongetje van twaalf jaar op het dek van het schip klom en insgelijks begon te balken.Uilenspiegel antwoordde:—Uw Sterke Pier kan ons weinig schelen! Hij mag zoosterk zijn als hij wil, wij zijn sterker dan hij, en mijn vriend Lamme hier, zou er twee van zijne dikte binnenspelen, zonder hikken of blazen.—Wat zegt gij, mijn jongen? vroeg Lamme.—De waarheid, antwoordde Uilenspiegel, gij moet niet loochenen uit zedigheid.En tot de vergaderde menigte vervolgde hij:—Ja, goede mannen, vrouwen en arbeiders, straks zult gij hem zien te werk gaan met de vuisten en dien fameuzen Sterken Pier met zijnen neus in het stof duwen.—Zwijg toch, zei Lamme.—Uwe kracht is gekend, antwoordde Uilenspiegel, gij moet niet loochenen.—Hi han! riep de schipper.—Hi han! kefte het jongetje.Plotseling floot Uilenspiegel opnieuw, welluidend als een kweelende leeuwerik.En de verrukte mannen, vrouwen en arbeiders vroegen hem waar hij dat goddelijk vogelgezang had geleerd.—In het hemelrijk, van waar ik kom, antwoordde Uilenspiegel.Vervolgens sprak hij tot den schipper, die niet ophield met balken en spottend met de vingeren naar hem te wijzen:—Waarom blijft gij daar op uwe boot, nietdeug? Durft gij aan wal komen om met ons en onze ezels te spotten?—Ja, durft gij? vroeg Lamme.—Hi han! hi han! hi han! ging de schipper maar voort. Heeren langooren, ik noodig u op mijne boot.—Doe maar altijd lijk ik, zei Uilenspiegel stille tot Lamme. En den schipper riep hij toe:—Zijt gij Sterke Pier, ik, ik ben Thijl Uilenspiegel. En onze ezelen, Jef en Jan, kunnen beter balken dan gij, want balken is hunne moedertaal. Maar op uwe slecht gevoegde berden komen, daarvoor zullen wij ons wachten. Uwe boot lijkt niet slecht op eene kuip; als een golfslag haar voortstoot, wijkt zij weer achteruit, en zij kan maar vooruit lijk de krabben, zijwaarts.—Ja, lijk de krabben! riep Lamme achterna.Toen sprak de schipper tot Lamme:—Wat mompelt gij daar onverstaanbaar tusschen uwe tanden, spekblok?Lamme, die kwaad werd, riep:—Slechte christen, die mij mijn gebrek verwijt, weet dat mijn vet mijn eigendom is en van voedzame spijzen voortkomt, terwijl gij, oude, roestige nagel, van niets anders leeft dan van uitgemergelde haringen, van keerswieken, van stokvischvellen, te oordeelen naar uw magere beenen, die door uw gescheurde hooze steken.—Die gaan malkander in ’t haar vliegen, zeiden de omstanders, vol ongeduldig genoegen.—Hi han! hi han! riep de schipper.Lamme wilde van zijnen ezel stijgen, om steenen op te rapen en naar den schipper te werpen.—Met geen steenen smijten, zeide Uilenspiegel.De schipper zeide iets in ’t oor van het jongetje, dat naast hem op de boot aan ’t hihannen was.Het knaapje maakte een schuitje los, dat aan de boot vastgemeerd was en bereikte den oever, door middel van eenen haak, dien hij zeer behendig hanteerde.Toen hij dicht bij den wal was, riep hij, fier met het hoofd omhoog:—De komplimenten van mijnen baas en hij vraagt of gij op zijne boot durft komen om tegen hem te vechten met vuisten en voeten. Die mannen en vrouwlieden zullen getuigen zijn.—Zeker, durven wij, zeide Uilenspiegel op waardige wijze.—Wij nemen het gevecht aan, zeide op zijne beurt Lamme, op hoogmoedigen toon.Het was om den middag; de handwerkslieden, dijkwerkers, kasseiers, scheepmakers, de vrouwen met het middageten van heure mannen, de kinderen die op hunne vaders stonden te zien, dewelke boonen aten met gekookt vleesch, allen lachten, klapten in de handen bij de gedachte aan een nakend gevecht en hoopten, met onverholen blijdschap, dat een der strijders zijn kop zou ingeslagen worden, of deerlijk gehavend in de vaart zou vliegen, tot groot genoegen van elkeen.—Mijn jongen, zei Lamme, die minder strijdlustig werd, hij gaat ons in ’t water smijten.—Wel, laat er u in smijten, sprak Uilenspiegel.—De dikzak wordt benauwd, zei de menigte werklieden en vrouwen en kinderen.Lamme, altijd op zijnen ezel gezeten, keerde zich naar hen toe en bekeek ze grammoedig, maar zij jouwden hem uit.—Laat ons op de boot gaan, zei Lamme tot Uilenspiegel, zij zullen eens zien of ik benauwd ben!Op die woorden werd hij opnieuw uitgejouwd en Uilenspiegel sprak:—Laat ons op de boot gaan.Toen zij van hunne ezels gestegen waren, wierpen zij de teugels naar het jongetje, hetwelk de grauwtjes vriendelijk streelde en naar eene plaats leidde, waar distelen groeiden.Vervolgens nam Uilenspiegel een riem, deed Lamme in het schuitje plaats nemen, wrikte naar de boot, en klom er op door middel eener koord.Lamme, zweetend en blazend, volgde hem en klaverde achter hem op de boot.Toen Uilenspiegel op het dek van de bark stond, boog hij zich voorover, alsof hij zijne schoenen wilde toerijgen, en zeide hij eenige woorden tot den schipper, die glimlachte en pinkoogde, terwijl hij naar Lamme keek.Vervolgens zond hij hem allerlei scheldwoorden naar het hoofd, hiet hem deugniet, galgenaas, gevangenisgebroed, papeter, vetbol, en zei:—Dikke walvisch, hoeveel tonnen traan levert gij wel, als men u eenen steek in den buik geeft?Lamme antwoordde niet, doch vloog eensklaps naar hem als een razende stier, wierp hem ten gronde en sloeg op hem uit al zijne macht, doch hij deed hem niet veel zeer, omdat er niet veel kracht in zijne vette armen stak.De schipper gebaarde dat hij zich verweerde, doch liet hem begaan en Uilenspiegel zei op snoevenden toon:—Die nietdeug kan maar zien, dat hij ons te drinken betaalt.De mannen, vrouwlieden, arbeiders, die van den oever het gevecht nagingen, zeiden:—Wie had gedacht dat die dikzak zooveel kracht had?En zij klapten in de handen, terwijl Lamme sloeg gelijk de duivel op Geeraard. Maar de schipper nam geen andere voorzorg dan zijn aangezicht te beschutten.Eensklaps zag men Lamme, met zijne knie op de borst van Sterken Pier, met eene hand hem bij de keel houdend en met de andere omhoog, gereed om te slaan.—Vraag om genade, schreeuwde hij razend, of ik stoot u dwars door de berden uwer modderschuit.De schipper kuchte, om te bedieden, dat hij niet kon spreken, en deed teeken met de hand dat hij om genade vroeg.Lamme hielp grootmoedig zijnen vijand opstaan en, met denrug naar de toeschouwers, stak hij zijne tong uit naar Uilenspiegel, die in een schaterlach uitberstte, toen hij Lamme, met het hoofd omhoog, triomfantelijk met groote stappen op de boot zag over en weer loopen.En de mannen, vrouwlieden, knapen en meidekens, die op den oever stonden, juichten toe om het meest en riepen:—Leve de overwinnaar van Sterken Pier! ’t Is een ijzeren man!En tot elkander zeiden zij:—Hebt gij hem zien slaan met de vuist? Ja, en met een stoot met het hoofd smeet hij den andere ten gronde. Nu gaan zij drinken om pais te maken. Sterke Pier komt boven met wijn en met worsten.Inderdaad, Sterke Pier was twee kroezen en een groote pint witten wijn van de Maas gaan halen. En Lamme en hij gaven elkander de hand tot teeken van vrede.En Lamme, die als in den hemel was, ter wille van zijne zegepraal en ook om den wijn en de worsten, vroeg hem, wijzend naar een groote schouw waaruit een zwarte, dikke rook opsteeg, wat voor stoverije hij maakte in het ruim.—’t Is oorlogskeuken, antwoordde Sterke Pier met een glimlach.De menigte werklieden, vrouwen en kinderen was uiteengegaan om zich naar den arbeid of naar huis te begeven, en van mond tot mond verspreidde zich het gerucht dat een dik man, op eenen ezel gezeten en vergezeld van een kleinen pelgrim, sterker dan Samson was en dat men zich wachten moest hem scheef te bezien.Lamme at en dronk, en bezag zegevierend den schipper.Deze zeide eensklaps:—Uwe ezelen vervelen zich ginder.Daarop bracht hij de boot tegen de kaai, ging aan wal, nam een der ezelen bij de voorpooten en de achterpooten en, het dier dragende gelijk het kindeken Jezus het lammeken droeg, zette hij het neer op het dek van de boot.Vervolgens deed hij, zonder hijgen, hetzelfde met den anderen ezel, waarna hij zeide:—Laat ons drinken!Het jongetje sprong op het dek.En zij dronken.Lamme stond verstomd; hij wist niet goed of hij het wel was, geboortig uit Damme, welke dien sterken, gespierden man afgerosthad, en dorst hem nog slechts ter sluips bezien en zonder den minsten hoogmoed, want hij vreesde dat de schipper lust kreeg hem op te pakken gelijk hij de ezelen opgenomen had, en hem levend in de Maas te smijten, uit weerwraak.Maar glimlachend noodde de schipper hem nogmaals tot drinken, en Lamme herstelde zich van zijne vrees en bezag hem opnieuw met zegevierend zelfvertrouwen.En de schipper en Uilenspiegel bekeken elkander en schoten in een luiden schaterlach.Intusschen hadden de ezelen, verwonderd zich op een plankenvloer te gevoelen (iets aan hetwelk zij geenszins gewend waren) den kop gebogen en de ooren gestreken; zij dorsten niet drinken van schrik.De schipper ging een van de maatjes haver halen, welke hij gaf aan de peerden die zijne boot voorttrokken, want hij kocht zijne haver zelf, om door de voerlieden niet bestolen te worden op den prijs van het voeder.Toen de ezelen het maatje haver zagen, prevelden zij binnensmonds paternosters van vraatzucht, terwijl zij weemoedig den vloer van de boot bekeken, want uit vreeze van uit te glijden, dorsten zij geen stap verzetten.Daarop zei de schipper tot Uilenspiegel en tot zijnen vriend Lamme Goedzak:—Laat ons naar de keuken gaan.—’t Is oorlogskeuken, zei Lamme ongerust.—Ja, ’t is oorlogskeuken, maar zonder vrees moogt gij beneden komen, mijn overwinnaar.—Ik ben niet bevreesd, sprak Lamme, en ten blijke daarvan zal ik u volgen.Het jongetje ging naar het roer.Toen zij beneden kwamen, zagen zij overal zakken graan, boonen, erwten, kool, wortelen en andere groenten.De schipper opende de deur eener smidse en zei:—Vermits gij mannen zijt met kloekmoedig hert, die het gezang kent van den leeuwerik, die het zinnebeeld der vrijheid is, en het dappere gekraai van den haan, en ’t gebalk van den ezel, dien zachtmoedigen werker, wil ik u mijne oorlogskeuken toonen. Deze kleine smidse vindt men in de meeste booten, die op de Maas varen. Ze kan niet verdacht voorkomen, want zij dient om het ijzerwerk aan boord te herstellen; doch alle schepen hebben den schoonen voorraad niet, die steekt in deze kasten.Toen schoof hij eenige steenen weg, die het onderste scheepsruim bedekten; hij hief eenige planken op en haalde er een dikken bundel geweerloopen uit, stak dien omhoog als een pluimken en legde hem toen weder op zijne plaats.Vervolgens toonde hij hun lanspunten, hellebaardijzers, zweerdklingen, zakjes kogels en kruit.—Leve de geus! sprak hij, hier zijn de boonen en de saus; de kolven zijn de bouten, de hellebaardijzers zijn de salade, en die geweerloopen de osseschinkels voor de vrijheidssoep!... Leve de Geus! Waar moet ik al die spijzen brengen? vroeg hij aan Uilenspiegel.Deze antwoordde:—Naar Nijmegen, waar gij zult binnenvaren met uwe boot nog zwaarder beladen met echte groenten, die de boeren u brengen te Elsen, te Stevensweert en te Roermond. En die ook zullen zingen lijk de leeuwerik, zinnebeeld der vrije mannen, en gij zult ook antwoorden met een dapper hanengekraai. Gij zult bij dokter Pontus gaan, die omtrent de Nieuwe Waal woont, hem zeggen, dat gij in de stad komt met groenten, doch dat gij droogte vreest. Terwijl de boeren met de groenten naar de markt gaan en ze zoo duur zullen te koop stellen dat niemand ze koopen wil, zal dokter Pontus u zeggen wat gij met uwe lading wapenen doen moet. Maar ik denk dat hij u eene zending zal opleggen die niet zonder gevaar is, en u bevelen de Waal, de Maas of den Rijn af te varen, uwe groenten te ruilen tegen netten en naar de visschersschuiten te gaan te Harlingen, alwaar vele matrozen het gezang des leeuweriks kennen, vervolgens door de wadden, langsheen de kust, naar de Lauwerzee te varen, de netten te ruilen tegen ijzer en lood, aan uwe boeren kleederen te geven naar de dracht van de eilanden Marken, Vlieland of Ameland, een weinig van de kust af te blijven, te visschen en uwe vangst in te zouten, niet om ze te verkoopen, doch om ze te bewaren, want zout eten en een goeden pot drinken is geoorloofd in oorlogstijd.—Als het zoo is, sprak de schipper, laat ons drinken!En zij gingen terug naar het dek.Doch Lamme was vol weemoed.—Mijnheer de schipper, sprak hij, gij hebt daar in uwe smidse een zoo blakerend vuurtje, dat men daar voorzeker den smakelijksten hutsepot zou koken, dien men droomen kan. Mijn keelgat smeekt luide om soep.—Ik zal u ververschen, sprak de man.En weldra bracht hij een vette soep op, waarin een dikke snee gezouten hesp was gekookt.Als Lamme eenige lepelen gegeten had, wendde hij zich naar den schipper en sprak:—Mijne keel is verschroeid, mijne tong brandt af; dat is geen hutsepot dàt.—Zout eten en dapper drinken is geoorloofd in oorlogstijd, zoo staat er geschreven, antwoordde Uilenspiegel.De schipper vulde de bekers en sprak:—Ik drink op den leeuwerik, het zinnebeeld der vrijheid!Uilenspiegel sprak:—Ik drink op den haan, die oorlog kraait!Lamme sprak:—Ik drink op de gezondheid mijner vrouw; mocht dorst de welbeminde nooit kwellen!—Gij gaat langs de Noordzee naar Emden, zei Uilenspiegel tot den schipper. Emden is eene schuilplaats voor ons.—De zee is groot, sprak de schipper.—Groot voor ’t gevecht, antwoordde Uilenspiegel.—God is met ons, zei de schipper.—Wie dan kan tegen ons zijn? hernam Uilenspiegel.—Wanneer vertrekt gij? vroeg Sterke Pier.—Dadelijk, antwoordde Uilenspiegel.—Goede reis en den wind van achteren. Neem dit kruit en deze kogelen.De schipper gaf hun den afscheidskus en deed hun uitgeleide, nadat hij de beide ezelen als lammekens op zijne schouders aan wal had gebracht.Die mannen werden later aan de Nieuwe Galge uit hoofde van ketterij gehangen. (Blz. 303).Die mannen werden later aan de Nieuwe Galge uit hoofde van ketterij gehangen. (Blz. 303).Lamme en Uilenspiegel stegen op hunne grauwtjes en begaven zich op weg.Zij reden naar Luik.—Mijn jongen, vroeg Lamme onderwege aan Uilenspiegel, hoe is het mogelijk, dat een zoo sterke gespierde kerel zich zoo wreedelijk liet afrossen door iemand lijk ik?—Dit deed hij, antwoordde Uilenspiegel, opdat de vreeze u zou voorafgaan in alle oorden, waarheen wij ons zullen begeven. Dat is een veiliger geleide dan twintig landsknechten te zamen. Wie dan zou voortaan nog een minachtend woord durven richten tot Lamme den sterke, tot den zegevierenden Lamme; tot Lamme den stier, die zijn gelijken niet heeft, die, onder eens iegelijksoogen, met eenen stoot met den kop, Sterken Pier nedervelde, Sterken Pier, die ezelen op zijne schouderen draagt alsof het lammekens waren en geheele bierwagens opheft? Iedereen kent u hier reeds. Gij zijt de geduchte Lamme, de onoverwinbare Lamme, en in de schaduw uwer bescherming, rijd ik onbevreesd door. Op den weg, dien wij zullen volgen, zal iedereen u kennen, niemand zal zich durven vermeten u scheef te bezien en, gezien de lafheid der mannen, zult gij nergens op uwen weg iets anders aantreffen dan nederige buigingen, groeten, loftuitingen en de algemeene achting, ter eere van de spierkracht uwer geduchte vuisten.—Gij spreekt goed, mijn jongen, zeide Lamme, die zich stijf in den zadel hield.—En ik spreek waarheid, ging Uilenspiegel voort. Ziet gij die nieuwsgierige gezichten aan de eerste huizen van het dorp? Men toont elkander Lamme, den schrikverwekkenden overwinnaar. Ziet gij die mannen u bekijken met afgunst, en die lafhertige weekelingen hunne muts afnemen voor u? Beantwoord hunne groeten, Lamme; veracht nooit het zwak van het volk. Zie, de kinderen kennen uwen naam en herhalen hem met schrik en met eerbied.En Lamme reed fier voorbij, groette rechts, groette links, als een koning. En de mare zijner dapperheid ging hem vooraf van dorp tot dorp, van stad tot stad, tot Luik, Chokier, la Neuville, Vezin en Namen, welke stad zij lieten liggen, ter oorzake van de drie predikanten.En aldus reden zij langen tijd voort, langs rivieren, stroomen en vaarten. En overal werd het gezang van den leeuwerik beantwoord door ’t gekraai van den haan.En overal werden, voor ’t werk van de vrijheid, wapenen gegoten, gesmeed, geslepen, en vervolgens verscheept.En in tonnen, in kisten, in manden, geraakten zij door, aan de tollen.En overal werden goede lieden gevonden, die ze wilden aanveerden en in verzekerde plaatsen bergen, met het kruit en de kogels, totdat Gods ure zou slaan.En Lamme reed steeds voort met Uilenspiegel, altijd voorafgegaan door zijnen roem van onoverwinbaren vuistvechter, tot dusverre dat hij zelf aan zijn groote kracht begon te gelooven en, hoogmoedig en strijdlustig geworden, zijnen baard liet groeien.En Uilenspiegel noemde hem: Lamme de Leeuw.Doch Lamme bleef niet standvastig in zijn voornemen, want den vierden dag begon zijn baard hem onuitstaanbaar te steken.En hij liet het scheermes over zijn zegevierend gezicht strijken, dat nu weder te voorschijn kwam als de volle maan, met een rooden blos, gestoofd door het lekkere eten.Aldus kwamen zij te Stokhem.
XXVII.
In dien tijd verdeelde de hertog zijn leger in twee afdeelingen: het eerste korps zond hij naar het hertogdom Luxemburg, het ander naar het markgraafschap Namen.—Dat is eene krijgsbeweging waarvan ik de reden niet gis, sprak Uilenspiegel, maar ’t is mij eender, laat ons vol vertrouwen naar Maastricht gaan.Toen zij omtrent de stede langsheen de Maas reden, zag Lamme dat Uilenspiegel aandachtig al de booten bezag, die op den stroom vaarden, en dat hij eindelijk bleef staan voor eene, met een gebeeldhouwde meermin op den achtersteven. En die meermin hield een schild vast, waarop, met gouden letteren op een zwart veld, het teeken I-H-S stond, het teeken dat Onzen Heer Jezus-Christus bediedt.Uilenspiegel deed teeken tot Lamme om stil te staan, en hij begon blijgemoed te fluiten als de leeuwerik.Op de boot kwam een man voor, die kraaide als een haan, vervolgens, toen Uilenspiegel balkte als een ezel en naar het volk wees dat op de kaai bijeengehoopt stond, insgelijks verschrikkelijk begon te balken. Op dat geluid spitsten de beide ezelen van Lamme en Uilenspiegel de ooren en vergezelden zij ’t refrein in hunne moedertaal.Vrouwlieden trokken voorbij en ook mannen die met jaagpeerden opgingen, en Uilenspiegel zei tot Lamme.—Die schipper spot met ons en met onze ezelen. Als wij hem eens eene rammeling gaven op zijne boot? Wat dunkt u er van?—Dat hij liever hier kome, zoo hij durft, antwoordde Lamme.Toen sprak eene vrouw:—Als gij niet wilt voortgaan met uwe armen af, uwe ribben gebroken, uwen snoet aan stukken, laat Sterke Pier dan maar balken zooveel het hem lust.—Hi han! hi han! hi han! balkte de schipper.—Laat hem maar roepen, zei de vrouw, verleden week zagen wij hem eene kar, beladen met zware tonnen bier, op de schouderen nemen, en een andere kar inhouden, waarvoor een sterk Vlaamsch peerd was gespannen. Dáár, sprak zij, naar eene afspanning wijzend, daar inden Blauwen Toren, smeet hij, op twintig stappen afstand, zijn mes door een eiken berd van twaalf duim dik.—Hi han! hi han! ging de schipper voort, terwijl een jongetje van twaalf jaar op het dek van het schip klom en insgelijks begon te balken.Uilenspiegel antwoordde:—Uw Sterke Pier kan ons weinig schelen! Hij mag zoosterk zijn als hij wil, wij zijn sterker dan hij, en mijn vriend Lamme hier, zou er twee van zijne dikte binnenspelen, zonder hikken of blazen.—Wat zegt gij, mijn jongen? vroeg Lamme.—De waarheid, antwoordde Uilenspiegel, gij moet niet loochenen uit zedigheid.En tot de vergaderde menigte vervolgde hij:—Ja, goede mannen, vrouwen en arbeiders, straks zult gij hem zien te werk gaan met de vuisten en dien fameuzen Sterken Pier met zijnen neus in het stof duwen.—Zwijg toch, zei Lamme.—Uwe kracht is gekend, antwoordde Uilenspiegel, gij moet niet loochenen.—Hi han! riep de schipper.—Hi han! kefte het jongetje.Plotseling floot Uilenspiegel opnieuw, welluidend als een kweelende leeuwerik.En de verrukte mannen, vrouwen en arbeiders vroegen hem waar hij dat goddelijk vogelgezang had geleerd.—In het hemelrijk, van waar ik kom, antwoordde Uilenspiegel.Vervolgens sprak hij tot den schipper, die niet ophield met balken en spottend met de vingeren naar hem te wijzen:—Waarom blijft gij daar op uwe boot, nietdeug? Durft gij aan wal komen om met ons en onze ezels te spotten?—Ja, durft gij? vroeg Lamme.—Hi han! hi han! hi han! ging de schipper maar voort. Heeren langooren, ik noodig u op mijne boot.—Doe maar altijd lijk ik, zei Uilenspiegel stille tot Lamme. En den schipper riep hij toe:—Zijt gij Sterke Pier, ik, ik ben Thijl Uilenspiegel. En onze ezelen, Jef en Jan, kunnen beter balken dan gij, want balken is hunne moedertaal. Maar op uwe slecht gevoegde berden komen, daarvoor zullen wij ons wachten. Uwe boot lijkt niet slecht op eene kuip; als een golfslag haar voortstoot, wijkt zij weer achteruit, en zij kan maar vooruit lijk de krabben, zijwaarts.—Ja, lijk de krabben! riep Lamme achterna.Toen sprak de schipper tot Lamme:—Wat mompelt gij daar onverstaanbaar tusschen uwe tanden, spekblok?Lamme, die kwaad werd, riep:—Slechte christen, die mij mijn gebrek verwijt, weet dat mijn vet mijn eigendom is en van voedzame spijzen voortkomt, terwijl gij, oude, roestige nagel, van niets anders leeft dan van uitgemergelde haringen, van keerswieken, van stokvischvellen, te oordeelen naar uw magere beenen, die door uw gescheurde hooze steken.—Die gaan malkander in ’t haar vliegen, zeiden de omstanders, vol ongeduldig genoegen.—Hi han! hi han! riep de schipper.Lamme wilde van zijnen ezel stijgen, om steenen op te rapen en naar den schipper te werpen.—Met geen steenen smijten, zeide Uilenspiegel.De schipper zeide iets in ’t oor van het jongetje, dat naast hem op de boot aan ’t hihannen was.Het knaapje maakte een schuitje los, dat aan de boot vastgemeerd was en bereikte den oever, door middel van eenen haak, dien hij zeer behendig hanteerde.Toen hij dicht bij den wal was, riep hij, fier met het hoofd omhoog:—De komplimenten van mijnen baas en hij vraagt of gij op zijne boot durft komen om tegen hem te vechten met vuisten en voeten. Die mannen en vrouwlieden zullen getuigen zijn.—Zeker, durven wij, zeide Uilenspiegel op waardige wijze.—Wij nemen het gevecht aan, zeide op zijne beurt Lamme, op hoogmoedigen toon.Het was om den middag; de handwerkslieden, dijkwerkers, kasseiers, scheepmakers, de vrouwen met het middageten van heure mannen, de kinderen die op hunne vaders stonden te zien, dewelke boonen aten met gekookt vleesch, allen lachten, klapten in de handen bij de gedachte aan een nakend gevecht en hoopten, met onverholen blijdschap, dat een der strijders zijn kop zou ingeslagen worden, of deerlijk gehavend in de vaart zou vliegen, tot groot genoegen van elkeen.—Mijn jongen, zei Lamme, die minder strijdlustig werd, hij gaat ons in ’t water smijten.—Wel, laat er u in smijten, sprak Uilenspiegel.—De dikzak wordt benauwd, zei de menigte werklieden en vrouwen en kinderen.Lamme, altijd op zijnen ezel gezeten, keerde zich naar hen toe en bekeek ze grammoedig, maar zij jouwden hem uit.—Laat ons op de boot gaan, zei Lamme tot Uilenspiegel, zij zullen eens zien of ik benauwd ben!Op die woorden werd hij opnieuw uitgejouwd en Uilenspiegel sprak:—Laat ons op de boot gaan.Toen zij van hunne ezels gestegen waren, wierpen zij de teugels naar het jongetje, hetwelk de grauwtjes vriendelijk streelde en naar eene plaats leidde, waar distelen groeiden.Vervolgens nam Uilenspiegel een riem, deed Lamme in het schuitje plaats nemen, wrikte naar de boot, en klom er op door middel eener koord.Lamme, zweetend en blazend, volgde hem en klaverde achter hem op de boot.Toen Uilenspiegel op het dek van de bark stond, boog hij zich voorover, alsof hij zijne schoenen wilde toerijgen, en zeide hij eenige woorden tot den schipper, die glimlachte en pinkoogde, terwijl hij naar Lamme keek.Vervolgens zond hij hem allerlei scheldwoorden naar het hoofd, hiet hem deugniet, galgenaas, gevangenisgebroed, papeter, vetbol, en zei:—Dikke walvisch, hoeveel tonnen traan levert gij wel, als men u eenen steek in den buik geeft?Lamme antwoordde niet, doch vloog eensklaps naar hem als een razende stier, wierp hem ten gronde en sloeg op hem uit al zijne macht, doch hij deed hem niet veel zeer, omdat er niet veel kracht in zijne vette armen stak.De schipper gebaarde dat hij zich verweerde, doch liet hem begaan en Uilenspiegel zei op snoevenden toon:—Die nietdeug kan maar zien, dat hij ons te drinken betaalt.De mannen, vrouwlieden, arbeiders, die van den oever het gevecht nagingen, zeiden:—Wie had gedacht dat die dikzak zooveel kracht had?En zij klapten in de handen, terwijl Lamme sloeg gelijk de duivel op Geeraard. Maar de schipper nam geen andere voorzorg dan zijn aangezicht te beschutten.Eensklaps zag men Lamme, met zijne knie op de borst van Sterken Pier, met eene hand hem bij de keel houdend en met de andere omhoog, gereed om te slaan.—Vraag om genade, schreeuwde hij razend, of ik stoot u dwars door de berden uwer modderschuit.De schipper kuchte, om te bedieden, dat hij niet kon spreken, en deed teeken met de hand dat hij om genade vroeg.Lamme hielp grootmoedig zijnen vijand opstaan en, met denrug naar de toeschouwers, stak hij zijne tong uit naar Uilenspiegel, die in een schaterlach uitberstte, toen hij Lamme, met het hoofd omhoog, triomfantelijk met groote stappen op de boot zag over en weer loopen.En de mannen, vrouwlieden, knapen en meidekens, die op den oever stonden, juichten toe om het meest en riepen:—Leve de overwinnaar van Sterken Pier! ’t Is een ijzeren man!En tot elkander zeiden zij:—Hebt gij hem zien slaan met de vuist? Ja, en met een stoot met het hoofd smeet hij den andere ten gronde. Nu gaan zij drinken om pais te maken. Sterke Pier komt boven met wijn en met worsten.Inderdaad, Sterke Pier was twee kroezen en een groote pint witten wijn van de Maas gaan halen. En Lamme en hij gaven elkander de hand tot teeken van vrede.En Lamme, die als in den hemel was, ter wille van zijne zegepraal en ook om den wijn en de worsten, vroeg hem, wijzend naar een groote schouw waaruit een zwarte, dikke rook opsteeg, wat voor stoverije hij maakte in het ruim.—’t Is oorlogskeuken, antwoordde Sterke Pier met een glimlach.De menigte werklieden, vrouwen en kinderen was uiteengegaan om zich naar den arbeid of naar huis te begeven, en van mond tot mond verspreidde zich het gerucht dat een dik man, op eenen ezel gezeten en vergezeld van een kleinen pelgrim, sterker dan Samson was en dat men zich wachten moest hem scheef te bezien.Lamme at en dronk, en bezag zegevierend den schipper.Deze zeide eensklaps:—Uwe ezelen vervelen zich ginder.Daarop bracht hij de boot tegen de kaai, ging aan wal, nam een der ezelen bij de voorpooten en de achterpooten en, het dier dragende gelijk het kindeken Jezus het lammeken droeg, zette hij het neer op het dek van de boot.Vervolgens deed hij, zonder hijgen, hetzelfde met den anderen ezel, waarna hij zeide:—Laat ons drinken!Het jongetje sprong op het dek.En zij dronken.Lamme stond verstomd; hij wist niet goed of hij het wel was, geboortig uit Damme, welke dien sterken, gespierden man afgerosthad, en dorst hem nog slechts ter sluips bezien en zonder den minsten hoogmoed, want hij vreesde dat de schipper lust kreeg hem op te pakken gelijk hij de ezelen opgenomen had, en hem levend in de Maas te smijten, uit weerwraak.Maar glimlachend noodde de schipper hem nogmaals tot drinken, en Lamme herstelde zich van zijne vrees en bezag hem opnieuw met zegevierend zelfvertrouwen.En de schipper en Uilenspiegel bekeken elkander en schoten in een luiden schaterlach.Intusschen hadden de ezelen, verwonderd zich op een plankenvloer te gevoelen (iets aan hetwelk zij geenszins gewend waren) den kop gebogen en de ooren gestreken; zij dorsten niet drinken van schrik.De schipper ging een van de maatjes haver halen, welke hij gaf aan de peerden die zijne boot voorttrokken, want hij kocht zijne haver zelf, om door de voerlieden niet bestolen te worden op den prijs van het voeder.Toen de ezelen het maatje haver zagen, prevelden zij binnensmonds paternosters van vraatzucht, terwijl zij weemoedig den vloer van de boot bekeken, want uit vreeze van uit te glijden, dorsten zij geen stap verzetten.Daarop zei de schipper tot Uilenspiegel en tot zijnen vriend Lamme Goedzak:—Laat ons naar de keuken gaan.—’t Is oorlogskeuken, zei Lamme ongerust.—Ja, ’t is oorlogskeuken, maar zonder vrees moogt gij beneden komen, mijn overwinnaar.—Ik ben niet bevreesd, sprak Lamme, en ten blijke daarvan zal ik u volgen.Het jongetje ging naar het roer.Toen zij beneden kwamen, zagen zij overal zakken graan, boonen, erwten, kool, wortelen en andere groenten.De schipper opende de deur eener smidse en zei:—Vermits gij mannen zijt met kloekmoedig hert, die het gezang kent van den leeuwerik, die het zinnebeeld der vrijheid is, en het dappere gekraai van den haan, en ’t gebalk van den ezel, dien zachtmoedigen werker, wil ik u mijne oorlogskeuken toonen. Deze kleine smidse vindt men in de meeste booten, die op de Maas varen. Ze kan niet verdacht voorkomen, want zij dient om het ijzerwerk aan boord te herstellen; doch alle schepen hebben den schoonen voorraad niet, die steekt in deze kasten.Toen schoof hij eenige steenen weg, die het onderste scheepsruim bedekten; hij hief eenige planken op en haalde er een dikken bundel geweerloopen uit, stak dien omhoog als een pluimken en legde hem toen weder op zijne plaats.Vervolgens toonde hij hun lanspunten, hellebaardijzers, zweerdklingen, zakjes kogels en kruit.—Leve de geus! sprak hij, hier zijn de boonen en de saus; de kolven zijn de bouten, de hellebaardijzers zijn de salade, en die geweerloopen de osseschinkels voor de vrijheidssoep!... Leve de Geus! Waar moet ik al die spijzen brengen? vroeg hij aan Uilenspiegel.Deze antwoordde:—Naar Nijmegen, waar gij zult binnenvaren met uwe boot nog zwaarder beladen met echte groenten, die de boeren u brengen te Elsen, te Stevensweert en te Roermond. En die ook zullen zingen lijk de leeuwerik, zinnebeeld der vrije mannen, en gij zult ook antwoorden met een dapper hanengekraai. Gij zult bij dokter Pontus gaan, die omtrent de Nieuwe Waal woont, hem zeggen, dat gij in de stad komt met groenten, doch dat gij droogte vreest. Terwijl de boeren met de groenten naar de markt gaan en ze zoo duur zullen te koop stellen dat niemand ze koopen wil, zal dokter Pontus u zeggen wat gij met uwe lading wapenen doen moet. Maar ik denk dat hij u eene zending zal opleggen die niet zonder gevaar is, en u bevelen de Waal, de Maas of den Rijn af te varen, uwe groenten te ruilen tegen netten en naar de visschersschuiten te gaan te Harlingen, alwaar vele matrozen het gezang des leeuweriks kennen, vervolgens door de wadden, langsheen de kust, naar de Lauwerzee te varen, de netten te ruilen tegen ijzer en lood, aan uwe boeren kleederen te geven naar de dracht van de eilanden Marken, Vlieland of Ameland, een weinig van de kust af te blijven, te visschen en uwe vangst in te zouten, niet om ze te verkoopen, doch om ze te bewaren, want zout eten en een goeden pot drinken is geoorloofd in oorlogstijd.—Als het zoo is, sprak de schipper, laat ons drinken!En zij gingen terug naar het dek.Doch Lamme was vol weemoed.—Mijnheer de schipper, sprak hij, gij hebt daar in uwe smidse een zoo blakerend vuurtje, dat men daar voorzeker den smakelijksten hutsepot zou koken, dien men droomen kan. Mijn keelgat smeekt luide om soep.—Ik zal u ververschen, sprak de man.En weldra bracht hij een vette soep op, waarin een dikke snee gezouten hesp was gekookt.Als Lamme eenige lepelen gegeten had, wendde hij zich naar den schipper en sprak:—Mijne keel is verschroeid, mijne tong brandt af; dat is geen hutsepot dàt.—Zout eten en dapper drinken is geoorloofd in oorlogstijd, zoo staat er geschreven, antwoordde Uilenspiegel.De schipper vulde de bekers en sprak:—Ik drink op den leeuwerik, het zinnebeeld der vrijheid!Uilenspiegel sprak:—Ik drink op den haan, die oorlog kraait!Lamme sprak:—Ik drink op de gezondheid mijner vrouw; mocht dorst de welbeminde nooit kwellen!—Gij gaat langs de Noordzee naar Emden, zei Uilenspiegel tot den schipper. Emden is eene schuilplaats voor ons.—De zee is groot, sprak de schipper.—Groot voor ’t gevecht, antwoordde Uilenspiegel.—God is met ons, zei de schipper.—Wie dan kan tegen ons zijn? hernam Uilenspiegel.—Wanneer vertrekt gij? vroeg Sterke Pier.—Dadelijk, antwoordde Uilenspiegel.—Goede reis en den wind van achteren. Neem dit kruit en deze kogelen.De schipper gaf hun den afscheidskus en deed hun uitgeleide, nadat hij de beide ezelen als lammekens op zijne schouders aan wal had gebracht.Die mannen werden later aan de Nieuwe Galge uit hoofde van ketterij gehangen. (Blz. 303).Die mannen werden later aan de Nieuwe Galge uit hoofde van ketterij gehangen. (Blz. 303).Lamme en Uilenspiegel stegen op hunne grauwtjes en begaven zich op weg.Zij reden naar Luik.—Mijn jongen, vroeg Lamme onderwege aan Uilenspiegel, hoe is het mogelijk, dat een zoo sterke gespierde kerel zich zoo wreedelijk liet afrossen door iemand lijk ik?—Dit deed hij, antwoordde Uilenspiegel, opdat de vreeze u zou voorafgaan in alle oorden, waarheen wij ons zullen begeven. Dat is een veiliger geleide dan twintig landsknechten te zamen. Wie dan zou voortaan nog een minachtend woord durven richten tot Lamme den sterke, tot den zegevierenden Lamme; tot Lamme den stier, die zijn gelijken niet heeft, die, onder eens iegelijksoogen, met eenen stoot met den kop, Sterken Pier nedervelde, Sterken Pier, die ezelen op zijne schouderen draagt alsof het lammekens waren en geheele bierwagens opheft? Iedereen kent u hier reeds. Gij zijt de geduchte Lamme, de onoverwinbare Lamme, en in de schaduw uwer bescherming, rijd ik onbevreesd door. Op den weg, dien wij zullen volgen, zal iedereen u kennen, niemand zal zich durven vermeten u scheef te bezien en, gezien de lafheid der mannen, zult gij nergens op uwen weg iets anders aantreffen dan nederige buigingen, groeten, loftuitingen en de algemeene achting, ter eere van de spierkracht uwer geduchte vuisten.—Gij spreekt goed, mijn jongen, zeide Lamme, die zich stijf in den zadel hield.—En ik spreek waarheid, ging Uilenspiegel voort. Ziet gij die nieuwsgierige gezichten aan de eerste huizen van het dorp? Men toont elkander Lamme, den schrikverwekkenden overwinnaar. Ziet gij die mannen u bekijken met afgunst, en die lafhertige weekelingen hunne muts afnemen voor u? Beantwoord hunne groeten, Lamme; veracht nooit het zwak van het volk. Zie, de kinderen kennen uwen naam en herhalen hem met schrik en met eerbied.En Lamme reed fier voorbij, groette rechts, groette links, als een koning. En de mare zijner dapperheid ging hem vooraf van dorp tot dorp, van stad tot stad, tot Luik, Chokier, la Neuville, Vezin en Namen, welke stad zij lieten liggen, ter oorzake van de drie predikanten.En aldus reden zij langen tijd voort, langs rivieren, stroomen en vaarten. En overal werd het gezang van den leeuwerik beantwoord door ’t gekraai van den haan.En overal werden, voor ’t werk van de vrijheid, wapenen gegoten, gesmeed, geslepen, en vervolgens verscheept.En in tonnen, in kisten, in manden, geraakten zij door, aan de tollen.En overal werden goede lieden gevonden, die ze wilden aanveerden en in verzekerde plaatsen bergen, met het kruit en de kogels, totdat Gods ure zou slaan.En Lamme reed steeds voort met Uilenspiegel, altijd voorafgegaan door zijnen roem van onoverwinbaren vuistvechter, tot dusverre dat hij zelf aan zijn groote kracht begon te gelooven en, hoogmoedig en strijdlustig geworden, zijnen baard liet groeien.En Uilenspiegel noemde hem: Lamme de Leeuw.Doch Lamme bleef niet standvastig in zijn voornemen, want den vierden dag begon zijn baard hem onuitstaanbaar te steken.En hij liet het scheermes over zijn zegevierend gezicht strijken, dat nu weder te voorschijn kwam als de volle maan, met een rooden blos, gestoofd door het lekkere eten.Aldus kwamen zij te Stokhem.
In dien tijd verdeelde de hertog zijn leger in twee afdeelingen: het eerste korps zond hij naar het hertogdom Luxemburg, het ander naar het markgraafschap Namen.
—Dat is eene krijgsbeweging waarvan ik de reden niet gis, sprak Uilenspiegel, maar ’t is mij eender, laat ons vol vertrouwen naar Maastricht gaan.
Toen zij omtrent de stede langsheen de Maas reden, zag Lamme dat Uilenspiegel aandachtig al de booten bezag, die op den stroom vaarden, en dat hij eindelijk bleef staan voor eene, met een gebeeldhouwde meermin op den achtersteven. En die meermin hield een schild vast, waarop, met gouden letteren op een zwart veld, het teeken I-H-S stond, het teeken dat Onzen Heer Jezus-Christus bediedt.
Uilenspiegel deed teeken tot Lamme om stil te staan, en hij begon blijgemoed te fluiten als de leeuwerik.
Op de boot kwam een man voor, die kraaide als een haan, vervolgens, toen Uilenspiegel balkte als een ezel en naar het volk wees dat op de kaai bijeengehoopt stond, insgelijks verschrikkelijk begon te balken. Op dat geluid spitsten de beide ezelen van Lamme en Uilenspiegel de ooren en vergezelden zij ’t refrein in hunne moedertaal.
Vrouwlieden trokken voorbij en ook mannen die met jaagpeerden opgingen, en Uilenspiegel zei tot Lamme.
—Die schipper spot met ons en met onze ezelen. Als wij hem eens eene rammeling gaven op zijne boot? Wat dunkt u er van?
—Dat hij liever hier kome, zoo hij durft, antwoordde Lamme.
Toen sprak eene vrouw:
—Als gij niet wilt voortgaan met uwe armen af, uwe ribben gebroken, uwen snoet aan stukken, laat Sterke Pier dan maar balken zooveel het hem lust.
—Hi han! hi han! hi han! balkte de schipper.
—Laat hem maar roepen, zei de vrouw, verleden week zagen wij hem eene kar, beladen met zware tonnen bier, op de schouderen nemen, en een andere kar inhouden, waarvoor een sterk Vlaamsch peerd was gespannen. Dáár, sprak zij, naar eene afspanning wijzend, daar inden Blauwen Toren, smeet hij, op twintig stappen afstand, zijn mes door een eiken berd van twaalf duim dik.
—Hi han! hi han! ging de schipper voort, terwijl een jongetje van twaalf jaar op het dek van het schip klom en insgelijks begon te balken.
Uilenspiegel antwoordde:
—Uw Sterke Pier kan ons weinig schelen! Hij mag zoosterk zijn als hij wil, wij zijn sterker dan hij, en mijn vriend Lamme hier, zou er twee van zijne dikte binnenspelen, zonder hikken of blazen.
—Wat zegt gij, mijn jongen? vroeg Lamme.
—De waarheid, antwoordde Uilenspiegel, gij moet niet loochenen uit zedigheid.
En tot de vergaderde menigte vervolgde hij:
—Ja, goede mannen, vrouwen en arbeiders, straks zult gij hem zien te werk gaan met de vuisten en dien fameuzen Sterken Pier met zijnen neus in het stof duwen.
—Zwijg toch, zei Lamme.
—Uwe kracht is gekend, antwoordde Uilenspiegel, gij moet niet loochenen.
—Hi han! riep de schipper.
—Hi han! kefte het jongetje.
Plotseling floot Uilenspiegel opnieuw, welluidend als een kweelende leeuwerik.
En de verrukte mannen, vrouwen en arbeiders vroegen hem waar hij dat goddelijk vogelgezang had geleerd.
—In het hemelrijk, van waar ik kom, antwoordde Uilenspiegel.
Vervolgens sprak hij tot den schipper, die niet ophield met balken en spottend met de vingeren naar hem te wijzen:
—Waarom blijft gij daar op uwe boot, nietdeug? Durft gij aan wal komen om met ons en onze ezels te spotten?
—Ja, durft gij? vroeg Lamme.
—Hi han! hi han! hi han! ging de schipper maar voort. Heeren langooren, ik noodig u op mijne boot.
—Doe maar altijd lijk ik, zei Uilenspiegel stille tot Lamme. En den schipper riep hij toe:
—Zijt gij Sterke Pier, ik, ik ben Thijl Uilenspiegel. En onze ezelen, Jef en Jan, kunnen beter balken dan gij, want balken is hunne moedertaal. Maar op uwe slecht gevoegde berden komen, daarvoor zullen wij ons wachten. Uwe boot lijkt niet slecht op eene kuip; als een golfslag haar voortstoot, wijkt zij weer achteruit, en zij kan maar vooruit lijk de krabben, zijwaarts.
—Ja, lijk de krabben! riep Lamme achterna.
Toen sprak de schipper tot Lamme:
—Wat mompelt gij daar onverstaanbaar tusschen uwe tanden, spekblok?
Lamme, die kwaad werd, riep:
—Slechte christen, die mij mijn gebrek verwijt, weet dat mijn vet mijn eigendom is en van voedzame spijzen voortkomt, terwijl gij, oude, roestige nagel, van niets anders leeft dan van uitgemergelde haringen, van keerswieken, van stokvischvellen, te oordeelen naar uw magere beenen, die door uw gescheurde hooze steken.
—Die gaan malkander in ’t haar vliegen, zeiden de omstanders, vol ongeduldig genoegen.
—Hi han! hi han! riep de schipper.
Lamme wilde van zijnen ezel stijgen, om steenen op te rapen en naar den schipper te werpen.
—Met geen steenen smijten, zeide Uilenspiegel.
De schipper zeide iets in ’t oor van het jongetje, dat naast hem op de boot aan ’t hihannen was.
Het knaapje maakte een schuitje los, dat aan de boot vastgemeerd was en bereikte den oever, door middel van eenen haak, dien hij zeer behendig hanteerde.
Toen hij dicht bij den wal was, riep hij, fier met het hoofd omhoog:
—De komplimenten van mijnen baas en hij vraagt of gij op zijne boot durft komen om tegen hem te vechten met vuisten en voeten. Die mannen en vrouwlieden zullen getuigen zijn.
—Zeker, durven wij, zeide Uilenspiegel op waardige wijze.
—Wij nemen het gevecht aan, zeide op zijne beurt Lamme, op hoogmoedigen toon.
Het was om den middag; de handwerkslieden, dijkwerkers, kasseiers, scheepmakers, de vrouwen met het middageten van heure mannen, de kinderen die op hunne vaders stonden te zien, dewelke boonen aten met gekookt vleesch, allen lachten, klapten in de handen bij de gedachte aan een nakend gevecht en hoopten, met onverholen blijdschap, dat een der strijders zijn kop zou ingeslagen worden, of deerlijk gehavend in de vaart zou vliegen, tot groot genoegen van elkeen.
—Mijn jongen, zei Lamme, die minder strijdlustig werd, hij gaat ons in ’t water smijten.
—Wel, laat er u in smijten, sprak Uilenspiegel.
—De dikzak wordt benauwd, zei de menigte werklieden en vrouwen en kinderen.
Lamme, altijd op zijnen ezel gezeten, keerde zich naar hen toe en bekeek ze grammoedig, maar zij jouwden hem uit.
—Laat ons op de boot gaan, zei Lamme tot Uilenspiegel, zij zullen eens zien of ik benauwd ben!
Op die woorden werd hij opnieuw uitgejouwd en Uilenspiegel sprak:
—Laat ons op de boot gaan.
Toen zij van hunne ezels gestegen waren, wierpen zij de teugels naar het jongetje, hetwelk de grauwtjes vriendelijk streelde en naar eene plaats leidde, waar distelen groeiden.
Vervolgens nam Uilenspiegel een riem, deed Lamme in het schuitje plaats nemen, wrikte naar de boot, en klom er op door middel eener koord.
Lamme, zweetend en blazend, volgde hem en klaverde achter hem op de boot.
Toen Uilenspiegel op het dek van de bark stond, boog hij zich voorover, alsof hij zijne schoenen wilde toerijgen, en zeide hij eenige woorden tot den schipper, die glimlachte en pinkoogde, terwijl hij naar Lamme keek.
Vervolgens zond hij hem allerlei scheldwoorden naar het hoofd, hiet hem deugniet, galgenaas, gevangenisgebroed, papeter, vetbol, en zei:
—Dikke walvisch, hoeveel tonnen traan levert gij wel, als men u eenen steek in den buik geeft?
Lamme antwoordde niet, doch vloog eensklaps naar hem als een razende stier, wierp hem ten gronde en sloeg op hem uit al zijne macht, doch hij deed hem niet veel zeer, omdat er niet veel kracht in zijne vette armen stak.
De schipper gebaarde dat hij zich verweerde, doch liet hem begaan en Uilenspiegel zei op snoevenden toon:
—Die nietdeug kan maar zien, dat hij ons te drinken betaalt.
De mannen, vrouwlieden, arbeiders, die van den oever het gevecht nagingen, zeiden:
—Wie had gedacht dat die dikzak zooveel kracht had?
En zij klapten in de handen, terwijl Lamme sloeg gelijk de duivel op Geeraard. Maar de schipper nam geen andere voorzorg dan zijn aangezicht te beschutten.
Eensklaps zag men Lamme, met zijne knie op de borst van Sterken Pier, met eene hand hem bij de keel houdend en met de andere omhoog, gereed om te slaan.
—Vraag om genade, schreeuwde hij razend, of ik stoot u dwars door de berden uwer modderschuit.
De schipper kuchte, om te bedieden, dat hij niet kon spreken, en deed teeken met de hand dat hij om genade vroeg.
Lamme hielp grootmoedig zijnen vijand opstaan en, met denrug naar de toeschouwers, stak hij zijne tong uit naar Uilenspiegel, die in een schaterlach uitberstte, toen hij Lamme, met het hoofd omhoog, triomfantelijk met groote stappen op de boot zag over en weer loopen.
En de mannen, vrouwlieden, knapen en meidekens, die op den oever stonden, juichten toe om het meest en riepen:
—Leve de overwinnaar van Sterken Pier! ’t Is een ijzeren man!
En tot elkander zeiden zij:
—Hebt gij hem zien slaan met de vuist? Ja, en met een stoot met het hoofd smeet hij den andere ten gronde. Nu gaan zij drinken om pais te maken. Sterke Pier komt boven met wijn en met worsten.
Inderdaad, Sterke Pier was twee kroezen en een groote pint witten wijn van de Maas gaan halen. En Lamme en hij gaven elkander de hand tot teeken van vrede.
En Lamme, die als in den hemel was, ter wille van zijne zegepraal en ook om den wijn en de worsten, vroeg hem, wijzend naar een groote schouw waaruit een zwarte, dikke rook opsteeg, wat voor stoverije hij maakte in het ruim.
—’t Is oorlogskeuken, antwoordde Sterke Pier met een glimlach.
De menigte werklieden, vrouwen en kinderen was uiteengegaan om zich naar den arbeid of naar huis te begeven, en van mond tot mond verspreidde zich het gerucht dat een dik man, op eenen ezel gezeten en vergezeld van een kleinen pelgrim, sterker dan Samson was en dat men zich wachten moest hem scheef te bezien.
Lamme at en dronk, en bezag zegevierend den schipper.
Deze zeide eensklaps:
—Uwe ezelen vervelen zich ginder.
Daarop bracht hij de boot tegen de kaai, ging aan wal, nam een der ezelen bij de voorpooten en de achterpooten en, het dier dragende gelijk het kindeken Jezus het lammeken droeg, zette hij het neer op het dek van de boot.
Vervolgens deed hij, zonder hijgen, hetzelfde met den anderen ezel, waarna hij zeide:
—Laat ons drinken!
Het jongetje sprong op het dek.
En zij dronken.
Lamme stond verstomd; hij wist niet goed of hij het wel was, geboortig uit Damme, welke dien sterken, gespierden man afgerosthad, en dorst hem nog slechts ter sluips bezien en zonder den minsten hoogmoed, want hij vreesde dat de schipper lust kreeg hem op te pakken gelijk hij de ezelen opgenomen had, en hem levend in de Maas te smijten, uit weerwraak.
Maar glimlachend noodde de schipper hem nogmaals tot drinken, en Lamme herstelde zich van zijne vrees en bezag hem opnieuw met zegevierend zelfvertrouwen.
En de schipper en Uilenspiegel bekeken elkander en schoten in een luiden schaterlach.
Intusschen hadden de ezelen, verwonderd zich op een plankenvloer te gevoelen (iets aan hetwelk zij geenszins gewend waren) den kop gebogen en de ooren gestreken; zij dorsten niet drinken van schrik.
De schipper ging een van de maatjes haver halen, welke hij gaf aan de peerden die zijne boot voorttrokken, want hij kocht zijne haver zelf, om door de voerlieden niet bestolen te worden op den prijs van het voeder.
Toen de ezelen het maatje haver zagen, prevelden zij binnensmonds paternosters van vraatzucht, terwijl zij weemoedig den vloer van de boot bekeken, want uit vreeze van uit te glijden, dorsten zij geen stap verzetten.
Daarop zei de schipper tot Uilenspiegel en tot zijnen vriend Lamme Goedzak:
—Laat ons naar de keuken gaan.
—’t Is oorlogskeuken, zei Lamme ongerust.
—Ja, ’t is oorlogskeuken, maar zonder vrees moogt gij beneden komen, mijn overwinnaar.
—Ik ben niet bevreesd, sprak Lamme, en ten blijke daarvan zal ik u volgen.
Het jongetje ging naar het roer.
Toen zij beneden kwamen, zagen zij overal zakken graan, boonen, erwten, kool, wortelen en andere groenten.
De schipper opende de deur eener smidse en zei:
—Vermits gij mannen zijt met kloekmoedig hert, die het gezang kent van den leeuwerik, die het zinnebeeld der vrijheid is, en het dappere gekraai van den haan, en ’t gebalk van den ezel, dien zachtmoedigen werker, wil ik u mijne oorlogskeuken toonen. Deze kleine smidse vindt men in de meeste booten, die op de Maas varen. Ze kan niet verdacht voorkomen, want zij dient om het ijzerwerk aan boord te herstellen; doch alle schepen hebben den schoonen voorraad niet, die steekt in deze kasten.
Toen schoof hij eenige steenen weg, die het onderste scheepsruim bedekten; hij hief eenige planken op en haalde er een dikken bundel geweerloopen uit, stak dien omhoog als een pluimken en legde hem toen weder op zijne plaats.
Vervolgens toonde hij hun lanspunten, hellebaardijzers, zweerdklingen, zakjes kogels en kruit.
—Leve de geus! sprak hij, hier zijn de boonen en de saus; de kolven zijn de bouten, de hellebaardijzers zijn de salade, en die geweerloopen de osseschinkels voor de vrijheidssoep!
... Leve de Geus! Waar moet ik al die spijzen brengen? vroeg hij aan Uilenspiegel.
Deze antwoordde:
—Naar Nijmegen, waar gij zult binnenvaren met uwe boot nog zwaarder beladen met echte groenten, die de boeren u brengen te Elsen, te Stevensweert en te Roermond. En die ook zullen zingen lijk de leeuwerik, zinnebeeld der vrije mannen, en gij zult ook antwoorden met een dapper hanengekraai. Gij zult bij dokter Pontus gaan, die omtrent de Nieuwe Waal woont, hem zeggen, dat gij in de stad komt met groenten, doch dat gij droogte vreest. Terwijl de boeren met de groenten naar de markt gaan en ze zoo duur zullen te koop stellen dat niemand ze koopen wil, zal dokter Pontus u zeggen wat gij met uwe lading wapenen doen moet. Maar ik denk dat hij u eene zending zal opleggen die niet zonder gevaar is, en u bevelen de Waal, de Maas of den Rijn af te varen, uwe groenten te ruilen tegen netten en naar de visschersschuiten te gaan te Harlingen, alwaar vele matrozen het gezang des leeuweriks kennen, vervolgens door de wadden, langsheen de kust, naar de Lauwerzee te varen, de netten te ruilen tegen ijzer en lood, aan uwe boeren kleederen te geven naar de dracht van de eilanden Marken, Vlieland of Ameland, een weinig van de kust af te blijven, te visschen en uwe vangst in te zouten, niet om ze te verkoopen, doch om ze te bewaren, want zout eten en een goeden pot drinken is geoorloofd in oorlogstijd.
—Als het zoo is, sprak de schipper, laat ons drinken!
En zij gingen terug naar het dek.
Doch Lamme was vol weemoed.
—Mijnheer de schipper, sprak hij, gij hebt daar in uwe smidse een zoo blakerend vuurtje, dat men daar voorzeker den smakelijksten hutsepot zou koken, dien men droomen kan. Mijn keelgat smeekt luide om soep.
—Ik zal u ververschen, sprak de man.
En weldra bracht hij een vette soep op, waarin een dikke snee gezouten hesp was gekookt.
Als Lamme eenige lepelen gegeten had, wendde hij zich naar den schipper en sprak:
—Mijne keel is verschroeid, mijne tong brandt af; dat is geen hutsepot dàt.
—Zout eten en dapper drinken is geoorloofd in oorlogstijd, zoo staat er geschreven, antwoordde Uilenspiegel.
De schipper vulde de bekers en sprak:
—Ik drink op den leeuwerik, het zinnebeeld der vrijheid!
Uilenspiegel sprak:
—Ik drink op den haan, die oorlog kraait!
Lamme sprak:
—Ik drink op de gezondheid mijner vrouw; mocht dorst de welbeminde nooit kwellen!
—Gij gaat langs de Noordzee naar Emden, zei Uilenspiegel tot den schipper. Emden is eene schuilplaats voor ons.
—De zee is groot, sprak de schipper.
—Groot voor ’t gevecht, antwoordde Uilenspiegel.
—God is met ons, zei de schipper.
—Wie dan kan tegen ons zijn? hernam Uilenspiegel.
—Wanneer vertrekt gij? vroeg Sterke Pier.
—Dadelijk, antwoordde Uilenspiegel.
—Goede reis en den wind van achteren. Neem dit kruit en deze kogelen.
De schipper gaf hun den afscheidskus en deed hun uitgeleide, nadat hij de beide ezelen als lammekens op zijne schouders aan wal had gebracht.
Die mannen werden later aan de Nieuwe Galge uit hoofde van ketterij gehangen. (Blz. 303).Die mannen werden later aan de Nieuwe Galge uit hoofde van ketterij gehangen. (Blz. 303).
Die mannen werden later aan de Nieuwe Galge uit hoofde van ketterij gehangen. (Blz. 303).
Lamme en Uilenspiegel stegen op hunne grauwtjes en begaven zich op weg.
Zij reden naar Luik.
—Mijn jongen, vroeg Lamme onderwege aan Uilenspiegel, hoe is het mogelijk, dat een zoo sterke gespierde kerel zich zoo wreedelijk liet afrossen door iemand lijk ik?
—Dit deed hij, antwoordde Uilenspiegel, opdat de vreeze u zou voorafgaan in alle oorden, waarheen wij ons zullen begeven. Dat is een veiliger geleide dan twintig landsknechten te zamen. Wie dan zou voortaan nog een minachtend woord durven richten tot Lamme den sterke, tot den zegevierenden Lamme; tot Lamme den stier, die zijn gelijken niet heeft, die, onder eens iegelijksoogen, met eenen stoot met den kop, Sterken Pier nedervelde, Sterken Pier, die ezelen op zijne schouderen draagt alsof het lammekens waren en geheele bierwagens opheft? Iedereen kent u hier reeds. Gij zijt de geduchte Lamme, de onoverwinbare Lamme, en in de schaduw uwer bescherming, rijd ik onbevreesd door. Op den weg, dien wij zullen volgen, zal iedereen u kennen, niemand zal zich durven vermeten u scheef te bezien en, gezien de lafheid der mannen, zult gij nergens op uwen weg iets anders aantreffen dan nederige buigingen, groeten, loftuitingen en de algemeene achting, ter eere van de spierkracht uwer geduchte vuisten.
—Gij spreekt goed, mijn jongen, zeide Lamme, die zich stijf in den zadel hield.
—En ik spreek waarheid, ging Uilenspiegel voort. Ziet gij die nieuwsgierige gezichten aan de eerste huizen van het dorp? Men toont elkander Lamme, den schrikverwekkenden overwinnaar. Ziet gij die mannen u bekijken met afgunst, en die lafhertige weekelingen hunne muts afnemen voor u? Beantwoord hunne groeten, Lamme; veracht nooit het zwak van het volk. Zie, de kinderen kennen uwen naam en herhalen hem met schrik en met eerbied.
En Lamme reed fier voorbij, groette rechts, groette links, als een koning. En de mare zijner dapperheid ging hem vooraf van dorp tot dorp, van stad tot stad, tot Luik, Chokier, la Neuville, Vezin en Namen, welke stad zij lieten liggen, ter oorzake van de drie predikanten.
En aldus reden zij langen tijd voort, langs rivieren, stroomen en vaarten. En overal werd het gezang van den leeuwerik beantwoord door ’t gekraai van den haan.
En overal werden, voor ’t werk van de vrijheid, wapenen gegoten, gesmeed, geslepen, en vervolgens verscheept.
En in tonnen, in kisten, in manden, geraakten zij door, aan de tollen.
En overal werden goede lieden gevonden, die ze wilden aanveerden en in verzekerde plaatsen bergen, met het kruit en de kogels, totdat Gods ure zou slaan.
En Lamme reed steeds voort met Uilenspiegel, altijd voorafgegaan door zijnen roem van onoverwinbaren vuistvechter, tot dusverre dat hij zelf aan zijn groote kracht begon te gelooven en, hoogmoedig en strijdlustig geworden, zijnen baard liet groeien.
En Uilenspiegel noemde hem: Lamme de Leeuw.
Doch Lamme bleef niet standvastig in zijn voornemen, want den vierden dag begon zijn baard hem onuitstaanbaar te steken.
En hij liet het scheermes over zijn zegevierend gezicht strijken, dat nu weder te voorschijn kwam als de volle maan, met een rooden blos, gestoofd door het lekkere eten.
Aldus kwamen zij te Stokhem.