XXV.

XXV.In dien tijd kwamen eenige vrouwlieden en meidekens van Damme vragen aan Nele of zij meibruid wilde zijn en zich wilde verbergen in het struikgewas, met den bruidegom dien men voor haar vinden zou; want, zeiden de vrouwen, niet zonder afgunst, geen jongeling van Damme en ’t ronde zou u versmaden; allen zouden willen trouwen met u, die zoo schoon en zoo braaf, zoo jong en zoo frisch blijft: gave van toovernij, gewis.Nele antwoordde:—Zegt tot de jongelieden, die mij tot huisvrouw zouden begeeren, dat Nele’s hert niet hier is, maar verre, bij hem die ronddoolt om den grond der vaderen te verlossen. En zoo ik frisch blijf, lijk gij zegt, is dit geene gave van tooverij, maar van gezondheid.De vrouwen antwoordden:—Katelijne nochtans wordt verdacht.—Hecht geen geloof aan de woorden der boozen, antwoordde Nele. Katelijne is geene tooveres. De heeren der vierschaar hebben werk op heur hoofd verbrand, en God heeft heur met uitzinnigheid geslagen.En Katelijne, die in een hoek op de hurken zat, schuddebolde en sprak:—Doe het vuur uit, hij zal terugkomen, Hansken, mijn liefste.De vrouwen vroegen wie het Hansken was, waarvan Katelijne sprak.Nele antwoordde:—De zoon van Klaas, mijn zoogbroeder, dien zij waant verloren te hebben, sedert God heur zoo wreedelijk trof.En de goede vrouwlieden gaven zilveren oortjes aan Katelijne.En de nieuwe geldstukken die er bij waren, toonde zij eenen, dien niemand zag, zeggende:—Ik ben rijk, ik heb blinkend geld. Kom, Hansken, mijn liefste; ik zal uwe koozerijen betalen.En als de vrouwen henen waren, weende Nele in de eenzame hut. En ze dacht aan Uilenspiegel, die in verre landen doolde en dien ze niet volgen mocht, en ook aan Katelijne, die steende:—Doe het vuur uit! en de beide handen op heure borst drukte, om te bedieden, dat het vuur der uitzinnigheid brandde in heur hoofd en heur lijf.En intusschen verborgen meibruid en meibruidegom zich in het hooge gras.De jongen, die de meibruid vond, was de koning van ’t feest; was het integendeel een meisje dat den bruidegom vond, dan was zij de koningin van het meifeest.Nele hoorde van verre de vreugdekreten van knapen en meidekens, toen de meibruid aan den boord eener gracht, in het hooge gras, werd gevonden.En zij weende als zij dacht aan den zoeten tijd, toen men heur en heuren vriend Uilenspiegel zocht.

XXV.In dien tijd kwamen eenige vrouwlieden en meidekens van Damme vragen aan Nele of zij meibruid wilde zijn en zich wilde verbergen in het struikgewas, met den bruidegom dien men voor haar vinden zou; want, zeiden de vrouwen, niet zonder afgunst, geen jongeling van Damme en ’t ronde zou u versmaden; allen zouden willen trouwen met u, die zoo schoon en zoo braaf, zoo jong en zoo frisch blijft: gave van toovernij, gewis.Nele antwoordde:—Zegt tot de jongelieden, die mij tot huisvrouw zouden begeeren, dat Nele’s hert niet hier is, maar verre, bij hem die ronddoolt om den grond der vaderen te verlossen. En zoo ik frisch blijf, lijk gij zegt, is dit geene gave van tooverij, maar van gezondheid.De vrouwen antwoordden:—Katelijne nochtans wordt verdacht.—Hecht geen geloof aan de woorden der boozen, antwoordde Nele. Katelijne is geene tooveres. De heeren der vierschaar hebben werk op heur hoofd verbrand, en God heeft heur met uitzinnigheid geslagen.En Katelijne, die in een hoek op de hurken zat, schuddebolde en sprak:—Doe het vuur uit, hij zal terugkomen, Hansken, mijn liefste.De vrouwen vroegen wie het Hansken was, waarvan Katelijne sprak.Nele antwoordde:—De zoon van Klaas, mijn zoogbroeder, dien zij waant verloren te hebben, sedert God heur zoo wreedelijk trof.En de goede vrouwlieden gaven zilveren oortjes aan Katelijne.En de nieuwe geldstukken die er bij waren, toonde zij eenen, dien niemand zag, zeggende:—Ik ben rijk, ik heb blinkend geld. Kom, Hansken, mijn liefste; ik zal uwe koozerijen betalen.En als de vrouwen henen waren, weende Nele in de eenzame hut. En ze dacht aan Uilenspiegel, die in verre landen doolde en dien ze niet volgen mocht, en ook aan Katelijne, die steende:—Doe het vuur uit! en de beide handen op heure borst drukte, om te bedieden, dat het vuur der uitzinnigheid brandde in heur hoofd en heur lijf.En intusschen verborgen meibruid en meibruidegom zich in het hooge gras.De jongen, die de meibruid vond, was de koning van ’t feest; was het integendeel een meisje dat den bruidegom vond, dan was zij de koningin van het meifeest.Nele hoorde van verre de vreugdekreten van knapen en meidekens, toen de meibruid aan den boord eener gracht, in het hooge gras, werd gevonden.En zij weende als zij dacht aan den zoeten tijd, toen men heur en heuren vriend Uilenspiegel zocht.

XXV.In dien tijd kwamen eenige vrouwlieden en meidekens van Damme vragen aan Nele of zij meibruid wilde zijn en zich wilde verbergen in het struikgewas, met den bruidegom dien men voor haar vinden zou; want, zeiden de vrouwen, niet zonder afgunst, geen jongeling van Damme en ’t ronde zou u versmaden; allen zouden willen trouwen met u, die zoo schoon en zoo braaf, zoo jong en zoo frisch blijft: gave van toovernij, gewis.Nele antwoordde:—Zegt tot de jongelieden, die mij tot huisvrouw zouden begeeren, dat Nele’s hert niet hier is, maar verre, bij hem die ronddoolt om den grond der vaderen te verlossen. En zoo ik frisch blijf, lijk gij zegt, is dit geene gave van tooverij, maar van gezondheid.De vrouwen antwoordden:—Katelijne nochtans wordt verdacht.—Hecht geen geloof aan de woorden der boozen, antwoordde Nele. Katelijne is geene tooveres. De heeren der vierschaar hebben werk op heur hoofd verbrand, en God heeft heur met uitzinnigheid geslagen.En Katelijne, die in een hoek op de hurken zat, schuddebolde en sprak:—Doe het vuur uit, hij zal terugkomen, Hansken, mijn liefste.De vrouwen vroegen wie het Hansken was, waarvan Katelijne sprak.Nele antwoordde:—De zoon van Klaas, mijn zoogbroeder, dien zij waant verloren te hebben, sedert God heur zoo wreedelijk trof.En de goede vrouwlieden gaven zilveren oortjes aan Katelijne.En de nieuwe geldstukken die er bij waren, toonde zij eenen, dien niemand zag, zeggende:—Ik ben rijk, ik heb blinkend geld. Kom, Hansken, mijn liefste; ik zal uwe koozerijen betalen.En als de vrouwen henen waren, weende Nele in de eenzame hut. En ze dacht aan Uilenspiegel, die in verre landen doolde en dien ze niet volgen mocht, en ook aan Katelijne, die steende:—Doe het vuur uit! en de beide handen op heure borst drukte, om te bedieden, dat het vuur der uitzinnigheid brandde in heur hoofd en heur lijf.En intusschen verborgen meibruid en meibruidegom zich in het hooge gras.De jongen, die de meibruid vond, was de koning van ’t feest; was het integendeel een meisje dat den bruidegom vond, dan was zij de koningin van het meifeest.Nele hoorde van verre de vreugdekreten van knapen en meidekens, toen de meibruid aan den boord eener gracht, in het hooge gras, werd gevonden.En zij weende als zij dacht aan den zoeten tijd, toen men heur en heuren vriend Uilenspiegel zocht.

XXV.

In dien tijd kwamen eenige vrouwlieden en meidekens van Damme vragen aan Nele of zij meibruid wilde zijn en zich wilde verbergen in het struikgewas, met den bruidegom dien men voor haar vinden zou; want, zeiden de vrouwen, niet zonder afgunst, geen jongeling van Damme en ’t ronde zou u versmaden; allen zouden willen trouwen met u, die zoo schoon en zoo braaf, zoo jong en zoo frisch blijft: gave van toovernij, gewis.Nele antwoordde:—Zegt tot de jongelieden, die mij tot huisvrouw zouden begeeren, dat Nele’s hert niet hier is, maar verre, bij hem die ronddoolt om den grond der vaderen te verlossen. En zoo ik frisch blijf, lijk gij zegt, is dit geene gave van tooverij, maar van gezondheid.De vrouwen antwoordden:—Katelijne nochtans wordt verdacht.—Hecht geen geloof aan de woorden der boozen, antwoordde Nele. Katelijne is geene tooveres. De heeren der vierschaar hebben werk op heur hoofd verbrand, en God heeft heur met uitzinnigheid geslagen.En Katelijne, die in een hoek op de hurken zat, schuddebolde en sprak:—Doe het vuur uit, hij zal terugkomen, Hansken, mijn liefste.De vrouwen vroegen wie het Hansken was, waarvan Katelijne sprak.Nele antwoordde:—De zoon van Klaas, mijn zoogbroeder, dien zij waant verloren te hebben, sedert God heur zoo wreedelijk trof.En de goede vrouwlieden gaven zilveren oortjes aan Katelijne.En de nieuwe geldstukken die er bij waren, toonde zij eenen, dien niemand zag, zeggende:—Ik ben rijk, ik heb blinkend geld. Kom, Hansken, mijn liefste; ik zal uwe koozerijen betalen.En als de vrouwen henen waren, weende Nele in de eenzame hut. En ze dacht aan Uilenspiegel, die in verre landen doolde en dien ze niet volgen mocht, en ook aan Katelijne, die steende:—Doe het vuur uit! en de beide handen op heure borst drukte, om te bedieden, dat het vuur der uitzinnigheid brandde in heur hoofd en heur lijf.En intusschen verborgen meibruid en meibruidegom zich in het hooge gras.De jongen, die de meibruid vond, was de koning van ’t feest; was het integendeel een meisje dat den bruidegom vond, dan was zij de koningin van het meifeest.Nele hoorde van verre de vreugdekreten van knapen en meidekens, toen de meibruid aan den boord eener gracht, in het hooge gras, werd gevonden.En zij weende als zij dacht aan den zoeten tijd, toen men heur en heuren vriend Uilenspiegel zocht.

In dien tijd kwamen eenige vrouwlieden en meidekens van Damme vragen aan Nele of zij meibruid wilde zijn en zich wilde verbergen in het struikgewas, met den bruidegom dien men voor haar vinden zou; want, zeiden de vrouwen, niet zonder afgunst, geen jongeling van Damme en ’t ronde zou u versmaden; allen zouden willen trouwen met u, die zoo schoon en zoo braaf, zoo jong en zoo frisch blijft: gave van toovernij, gewis.

Nele antwoordde:

—Zegt tot de jongelieden, die mij tot huisvrouw zouden begeeren, dat Nele’s hert niet hier is, maar verre, bij hem die ronddoolt om den grond der vaderen te verlossen. En zoo ik frisch blijf, lijk gij zegt, is dit geene gave van tooverij, maar van gezondheid.

De vrouwen antwoordden:

—Katelijne nochtans wordt verdacht.

—Hecht geen geloof aan de woorden der boozen, antwoordde Nele. Katelijne is geene tooveres. De heeren der vierschaar hebben werk op heur hoofd verbrand, en God heeft heur met uitzinnigheid geslagen.

En Katelijne, die in een hoek op de hurken zat, schuddebolde en sprak:

—Doe het vuur uit, hij zal terugkomen, Hansken, mijn liefste.

De vrouwen vroegen wie het Hansken was, waarvan Katelijne sprak.

Nele antwoordde:

—De zoon van Klaas, mijn zoogbroeder, dien zij waant verloren te hebben, sedert God heur zoo wreedelijk trof.

En de goede vrouwlieden gaven zilveren oortjes aan Katelijne.

En de nieuwe geldstukken die er bij waren, toonde zij eenen, dien niemand zag, zeggende:

—Ik ben rijk, ik heb blinkend geld. Kom, Hansken, mijn liefste; ik zal uwe koozerijen betalen.

En als de vrouwen henen waren, weende Nele in de eenzame hut. En ze dacht aan Uilenspiegel, die in verre landen doolde en dien ze niet volgen mocht, en ook aan Katelijne, die steende:—Doe het vuur uit! en de beide handen op heure borst drukte, om te bedieden, dat het vuur der uitzinnigheid brandde in heur hoofd en heur lijf.

En intusschen verborgen meibruid en meibruidegom zich in het hooge gras.

De jongen, die de meibruid vond, was de koning van ’t feest; was het integendeel een meisje dat den bruidegom vond, dan was zij de koningin van het meifeest.

Nele hoorde van verre de vreugdekreten van knapen en meidekens, toen de meibruid aan den boord eener gracht, in het hooge gras, werd gevonden.

En zij weende als zij dacht aan den zoeten tijd, toen men heur en heuren vriend Uilenspiegel zocht.


Back to IndexNext