XXXIV.

XXXIV.De beide wandelaars kwamen voorbij het Petegemsche bosch; het was snikkend heet. Lamme sprak tot Uilenspiegel:—Ik braad; laat ons de schaduw opzoeken.—’t Kan mij niet schelen, antwoordde Uilenspiegel.Zij zetten zich neer in het bosch, op het gras, en zagen eenen troep herten voorbijrennen.—Kijk goed, Lamme, zei Uilenspiegel, die den haan zijner Duitsche bus overtrok. Daar zijn groote, oude herten, die hun gewei met negen takken fier in de lucht dragen; lieve reebokjes, die hunne schildknapen zijn, huppelen aan hunne zijde, bereid om hun van dienst te zijn met hun puntige horens. Zij gaan naar hun leger. Trek het rad van uwe bus over, lijk ik. Schiet. Het oude hert is gewond. Een reebokje is getroffen aan de bil; het vlucht. Laten wij het volgen totdat het valt. Doe lijk ik, loop, spring, vlieg....—Mijn gekke vriend is wederom bezig, sprak Lamme, hij wil de herten te voet achternazetten. Beproef niet te vliegen zonder vleugelen, ’t is verloren moeite. Gij zult ze niet krijgen. Ha! wat wreedaardige gezel! Meent gij, dat ik zoo vlug ben als gij? Ik zweet, mijn vriend; ik zweet en ik ga vallen van vermoeidheid. Als de houtvester u pakt, wordt gij gehangen. Herten zijn koningswild; laat ze loopen, mijn zoon, gij kunt ze toch niet krijgen.—Kom, sprak Uilenspiegel. Hoort gij het gerucht van zijn gewei in de bladeren? ’t Is als eene hoos, die voorbijvliegt. Zie eens deze gebroken takken, de bladeren, waarmede de grond teenemaal bedekt is. Nu heeft het een nieuwen kogel in de bil; fluks eten wij het op.—Het is nog niet gebraden, zeide Lamme. Laat die arme dieren maar loopen. He! wat is het warm! Ge moogt mij gelooven: ik ga er bij vallen om nimmermeer op te staan.Doch eensklaps kwamen armzalig gekleede mannen, die wapenen droegen, te allen kanten te voorschijn uit het bosch. Blaffende honden renden de herten achterna. Vier mannen met woest uitzicht kwamen rond Lamme en Uilenspiegel staan en leidden hen naar eene plaats, te midden in het dichtst begroeide deel van het woud.Daar zagen zij vrouwen en kinderen, die daar gelegerd waren, en ook een groot getal mannen, allen op verschillende wijze gewapend met zweerden, met bussen, met voetbogen, met lansen, met spiesen, met ruiterspistolen.Toen Uilenspiegel hen zag, zei hij tot hen:—Gij schijnt hier in gemeenschap te leven om de vervolging te ontvluchten; zijt gij soms de Broeders van het Woud?—Wij zijn de Broeders van het Woud, antwoordde een grijsaard, die bij het vuur zat en eenige vogelen in eene braadpan liet bakken. Maar gij, wie zijt gij?—Ik ben uit het schoone Vlaanderenland vandaan, antwoordde Uilenspiegel, en ben schilder, boer, edelman, beeldhouwer, alles te gelijk. En door de wereld ga ik aldus, om het goede en het schoone te prijzen, en luidkeels te lachen en te spotten met alles wat dwaas en verkeerd is.—Als gij zoovele landen bereisd hebt, sprak de oude man, moet gijSchild en Vriendkunnen uitspreken, naar de wijs van de Gentenaren; zoo niet, zijt gij een valsche Vlaming en moet gij u tot sterven bereiden.Uilenspiegel sprak:—Schild en Vriend.—En gij, dikzak? vroeg de oude man tot Lamme, welk bedrijf voert gij uit?Lamme antwoordde:—Mijne landerijen, pachthoeven, cijnzen en messeniën opeten, mijn echtelijke vrouw zoeken, en mijn vriend Uilenspiegel in alle oorden en plaatsen opvolgen.—Als gij ook zooveel gereisd hebt, sprak de oude man, moet gij weten hoe die van Weert, in Limburg, worden geheeten?—Ik weet het niet, was ’t antwoord van Lamme, maar kunt gij mij den naam niet zeggen van den ellendigen deugniet, die mijne vrouw overreede heur huis te verlaten? Zeg mij zijn naam, en dadelijk ga ik hem vermoorden.De oude man antwoordde:—In deze wereld bestaan twee dingen, die nimmermeer wederkomen, eens dat zij weg zijn: te weten het verteerde geld, en de onverschillig geworden vrouw, die den huize ontvlucht is.Toen wendde de oude man zich tot Uilenspiegel en stelde hij hem ook deze vraag:—En gij, weet gij niet hoe die van Weert, in Limburg, worden geheeten?—De rogstekers, wat in hunne streek onttooveraars van roggen bediedt.—Kunt gij ook zeggen waarom?—Een levende rog, gevallen uit de kar van een vischverkooper, lag zoodanig te spartelen op den weg, dat eenige oude wijven ze voor den duivel namen. „Laat ons den parochiepaap halen om den duivel uit de rog te verbannen”, zeiden zij. De pastoor bezweerde de rog, en nam ze mede naar huis, alwaar hij ze kookte, ter eere van die van Weert. Mocht het Gode behagen hetzelfde lot te bescheren aan den bloedigen koning!Intusschen hoorde men, in het bosch, ’t geblaf van de honden weerklinken. De gewapende mannen liepen het woud in, en riepen luidkeels om het wild schrik aan te jagen.—Het zijn de dieren, die ik achternagezet heb, zeide Uilenspiegel.—Wij zullen ze opeten, sprak de oude man. Maar zeg mij nog: hoe noemt men die van Eindhoven, in Limburg?—De pinnemakers, antwoordde Uilenspiegel. Eens was de vijand vóór de poort hunner stede, en zij grendelden die vastmet eenen wortel. De ganzen kwamen en begonnen gulzig in den wortel te pikken, en de vijand rukte Eindhoven binnen. Maar ijzeren bekken zullen het wezen, die de pinnen zullen vaneen pikken, achter dewelke men het vrije geweten wil kerkeren.—Als God met ons is, wie kan tegen ons zijn? antwoordde de oude man.De geneesheeren en chirurgijns-baardemakers verklaarden, dat het tanden waren van een grooten wolf. (Blz. 340).De geneesheeren en chirurgijns-baardemakers verklaarden, dat het tanden waren van een grooten wolf. (Blz. 340).Uilenspiegel sprak:—Hondengeblaf, mannengeschreeuw en gebroken takken: het stormt in het woud.—Is hertenvleesch lekkere spijze? vroeg Lamme, terwijl hij de stoverije bekeek.—Het geroep der drijvers komt nader en nader, zei Uilenspiegel tot Lamme; de honden zijn nabij. Wat gedonder! Het hert! het hert! uit den weg, mijn vriend! Foei! wat leelijk beest, het heeft mijn dikken vriend ten gronde geworpen, te midden van potten, pannen, mooren, ketels en stoverije. Waanzinnig van schrik, gaan de vrouwen en meidekens op den loop. Maar gij bloedt, mijn vriend?—Gij lacht, nietdeug, sprak Lamme. Ja, ik bloed, het dier heeft mij met de horens eenen stoot op mijn achterste gegeven. Zie, mijne hooze is gescheurd, en mijn vel insgelijks, en al die lekkere stoverije ten gronde! Zie, ik verlies zooveel bloed, dat mijne kous er gansch mee besmeurd is.—Dat hert is een knap chirurgijn, het heeft U van eene geraaktheid gered, antwoordde Uilenspiegel.—Foei, hertelooze deugniet die ge zijt, sprak Lamme verwijtend. Doch ik zal U niet meer volgen. Hier blijf ik, te midden van deze goede mannen en vrouwen. Hoe kunt ge toch zoo schaamteloos wezen, ongevoelig te zijn voor mijne smerten, alswanneer ik u volg op de hielen, als een hondje, door sneeuw, door vorst, door hagel en wind en, als het heet is, mijne ziel door mijn vel zweet?—Wees gerust, ’t is niet erg. Leg een oliekoekje op uwe wonde, het zal een gebakken pleister zijn, antwoordde Uilenspiegel. Maar weet gij hoe die van Leuven worden geheeten? Gij weet het niet, mijn arme vriend? Hewel, ik zal het u zeggen, maar gij moogt niet meer schreien. Men heet ze de koeienschieters: want eens waren ze zoo onnoozel naar weerlooze koeien te schieten, die zij voor vijandelijke soldaten aanzagen. Wat ons betreft, wij schieten naar de Spaansche bokken, hunvleesch stinkt als de pest, maar hun vel is goed om trommelen van te maken. En die van Thienen? Weet gij het? Ook al niet? Zij hebben den glorierijken naam van kwekkers. Want bij hen vliegt, op Sinksen, in de groote kerk, een eendvogel van het oksaal naar het autaar, en dat is de beeltenis van hunnen Heiligen Geest. Leg eenen heete koek op uwe wonde. Het zal niet erg zijn, want ik zie dat gij, zonder een woord te vertellen, de mooren en stoverije opraapt, die het hert omver gesmeten heeft. Uw moed behoort vooral thuis in de keuken. Gij steekt het vuur opnieuw aan, brengt den soepketel terug op zijne drie palen, en houdt u zorgvuldig bezig met de kook. Weet gij waarom er vier wonderen te Leuven zijn? Neen? Ik zal het u zeggen. Ten eerste, omdat de levenden er onder de dooden gaan, want St.-Michielskerk is gebouwd dicht bij de poort van de stad. Haar kerkhof ligt op den berm der wallen; ten tweede, omdat de klokken er buiten de torens hangen, gelijk men aan St.-Jacobskerk ziet, waar een groote klok en een kleine klok zijn; daar de kleine in den toren niet meer kon geplaatst worden, heeft men ze buiten gehangen. Ten derde, omdat de autaren buiten de kerk staan, want de gevel van St.-Jacobskerk lijkt op een autaar. Ten vierde, ter oorzake van den Toren-zonder-Nagels, omdat de torenspits van Ste-Geertrui van steen gemaakt is en niet van hout, en dat men in steenen geene nagelen slaat, behalve in het hert van den bloedigen koning, dat ik boven aan de groote poort van Brussel zou willen spijkeren. Maar, gij luistert niet. Hebt gij zout in het eten gedaan? Weet gij waarom die van Dendermonde de vuurpannen heeten? Omdat, toen eens een jonge prins in de afspanningde Wapens van Vlaanderenmoest komen vernachten, de baas niet wist hoe hij het bed warm zou krijgen, want hij had geene vuurpan. Hij deed het bed verwarmen door zijne dochter, die, zoodra zij den prins hoorde bovenkomen, ijlings de vlucht nam, en de prins vroeg waarom men de pan uit het bed had genomen. God believe dat koning Philippus, in een gloeienden ijzeren trommel gestoken, tot vuurpan diene voor het leger van Astarte.—Laat mij gerust, zeide Lamme; ik lach met u, met uwe vuurpannen, met uwen Toren-zonder-Nagels, met uwe Astarte en met al de flauwe kul, die gij verkoopt. Trek mij niet af van mijne sausen.—Pas op, sprak Uilenspiegel. Het geblaf houdt niet op, het komt dichter en dichter, de honden huilen, de trompetten weerschallen. Pas op voor het hert.Op die woorden nam Lamme de vlucht, en Uilenspiegel riep hem nog achterna:—Hoort gij de jachthorens?—’t Is niets, Lamme, kom terug bij uwe stoverije, sprak de oude man. ’t Zijn de honden, die hun deel van het wild krijgen; het hert is dood.—Dat zal ons een lekkeren maaltijd bezorgen, sprak Lamme. Ik hoop wel dat gij mij zult nooden, ter oorzake van de moeite, die ik mij geef voor ulieden. De saus van de vogelen zal lekker zijn, maar ze kraakt toch een weinig. Dat kan ook niet missen, want de vogelen zijn in het zand gevallen, als die groote duivel van een hert op mij kwam gestormd, en mijn wambuis en mijn vel al te zamen aan stukken trok. Maar zeg eens, vreest gij de houtvesters niet?—Wij zijn al te talrijk, sprak de oude man; zij zijn bevreesd en verontrusten ons niet. Ook de serjanten, beulsknechten en rechters laten ons met vrede. De inwoners van de steden zien ons geerne, want wij doen hun geen kwaad. Wij zullen hier nog eenigen tijd leven in vrede, ten ware het Spaansche leger ons omsingelde. Mocht dat gebeuren, zoo zouden wij, grijsaards, jonge mannen, vrouwen, dochteren, knapen en meidekens, ons leven duur verkoopen, en liever nog doodden wij elkander, dan duizend folteringen te lijden door de hand van den bloedigen hertog.Uilenspiegel sprak:De tijd is voorbij, dat men den gruwzamen beul te lande bestreed. ’t Is op zee, dat wij zijne macht moeten fnuiken. Gaat naar den kant van de Zeeuwsche eilanden, over Brugge, Heist en Knokke, langs het duin.—Wij bezitten geen duit, spraken zij.Uilenspiegel antwoordde:—Hier zijn duizend karolussen vanwege den prins. Gaat voort langsheen de waterloopen, vaarten, stroomen en rivieren; als gij schepen ziet met het merk J-H-S, dat een uwer het gezang des leeuweriks nabootse. Een hanengekraai zal U antwoorden. En gij zult wezen bij vrienden, bij soldaten van ’t vrije geweten.—Wij zullen het doen, zeiden de mannen.De jagers, gevolgd door de honden, verschenen weldra, en trokken met koorden het doode hert achter zich.Toen zetten allen zich neer rond het vuur.Zij waren wel zestig in getal, mannen, vrouwen en kinderen.Het brood werd uit de weitasschen gehaald, de messen uit de scheeden getrokken. Het hert werd aan stukken gesneden, gestroopt, geruimd, en met het kleinere wild aan het braadspit gestoken.En, na den maaltijd, zag men Lamme tegen eenen boom zitten snorken, met het hoofd op de borst.Toen de avond gevallen was, trokken de Broeders van het Woud in holen onder den grond om te slapen, en Lamme en Uilenspiegel deden hetzelfde.Gewapende mannen hielden de wacht rond het kamp. En Uilenspiegel hoorde de drogebladerenonder hunne voeten kraken.En ’s anderen daags morgens ging hij henen met Lamme, terwijl die van het kamp zeiden tot hem:—God zegene u; wij gaan naar de zee.

XXXIV.De beide wandelaars kwamen voorbij het Petegemsche bosch; het was snikkend heet. Lamme sprak tot Uilenspiegel:—Ik braad; laat ons de schaduw opzoeken.—’t Kan mij niet schelen, antwoordde Uilenspiegel.Zij zetten zich neer in het bosch, op het gras, en zagen eenen troep herten voorbijrennen.—Kijk goed, Lamme, zei Uilenspiegel, die den haan zijner Duitsche bus overtrok. Daar zijn groote, oude herten, die hun gewei met negen takken fier in de lucht dragen; lieve reebokjes, die hunne schildknapen zijn, huppelen aan hunne zijde, bereid om hun van dienst te zijn met hun puntige horens. Zij gaan naar hun leger. Trek het rad van uwe bus over, lijk ik. Schiet. Het oude hert is gewond. Een reebokje is getroffen aan de bil; het vlucht. Laten wij het volgen totdat het valt. Doe lijk ik, loop, spring, vlieg....—Mijn gekke vriend is wederom bezig, sprak Lamme, hij wil de herten te voet achternazetten. Beproef niet te vliegen zonder vleugelen, ’t is verloren moeite. Gij zult ze niet krijgen. Ha! wat wreedaardige gezel! Meent gij, dat ik zoo vlug ben als gij? Ik zweet, mijn vriend; ik zweet en ik ga vallen van vermoeidheid. Als de houtvester u pakt, wordt gij gehangen. Herten zijn koningswild; laat ze loopen, mijn zoon, gij kunt ze toch niet krijgen.—Kom, sprak Uilenspiegel. Hoort gij het gerucht van zijn gewei in de bladeren? ’t Is als eene hoos, die voorbijvliegt. Zie eens deze gebroken takken, de bladeren, waarmede de grond teenemaal bedekt is. Nu heeft het een nieuwen kogel in de bil; fluks eten wij het op.—Het is nog niet gebraden, zeide Lamme. Laat die arme dieren maar loopen. He! wat is het warm! Ge moogt mij gelooven: ik ga er bij vallen om nimmermeer op te staan.Doch eensklaps kwamen armzalig gekleede mannen, die wapenen droegen, te allen kanten te voorschijn uit het bosch. Blaffende honden renden de herten achterna. Vier mannen met woest uitzicht kwamen rond Lamme en Uilenspiegel staan en leidden hen naar eene plaats, te midden in het dichtst begroeide deel van het woud.Daar zagen zij vrouwen en kinderen, die daar gelegerd waren, en ook een groot getal mannen, allen op verschillende wijze gewapend met zweerden, met bussen, met voetbogen, met lansen, met spiesen, met ruiterspistolen.Toen Uilenspiegel hen zag, zei hij tot hen:—Gij schijnt hier in gemeenschap te leven om de vervolging te ontvluchten; zijt gij soms de Broeders van het Woud?—Wij zijn de Broeders van het Woud, antwoordde een grijsaard, die bij het vuur zat en eenige vogelen in eene braadpan liet bakken. Maar gij, wie zijt gij?—Ik ben uit het schoone Vlaanderenland vandaan, antwoordde Uilenspiegel, en ben schilder, boer, edelman, beeldhouwer, alles te gelijk. En door de wereld ga ik aldus, om het goede en het schoone te prijzen, en luidkeels te lachen en te spotten met alles wat dwaas en verkeerd is.—Als gij zoovele landen bereisd hebt, sprak de oude man, moet gijSchild en Vriendkunnen uitspreken, naar de wijs van de Gentenaren; zoo niet, zijt gij een valsche Vlaming en moet gij u tot sterven bereiden.Uilenspiegel sprak:—Schild en Vriend.—En gij, dikzak? vroeg de oude man tot Lamme, welk bedrijf voert gij uit?Lamme antwoordde:—Mijne landerijen, pachthoeven, cijnzen en messeniën opeten, mijn echtelijke vrouw zoeken, en mijn vriend Uilenspiegel in alle oorden en plaatsen opvolgen.—Als gij ook zooveel gereisd hebt, sprak de oude man, moet gij weten hoe die van Weert, in Limburg, worden geheeten?—Ik weet het niet, was ’t antwoord van Lamme, maar kunt gij mij den naam niet zeggen van den ellendigen deugniet, die mijne vrouw overreede heur huis te verlaten? Zeg mij zijn naam, en dadelijk ga ik hem vermoorden.De oude man antwoordde:—In deze wereld bestaan twee dingen, die nimmermeer wederkomen, eens dat zij weg zijn: te weten het verteerde geld, en de onverschillig geworden vrouw, die den huize ontvlucht is.Toen wendde de oude man zich tot Uilenspiegel en stelde hij hem ook deze vraag:—En gij, weet gij niet hoe die van Weert, in Limburg, worden geheeten?—De rogstekers, wat in hunne streek onttooveraars van roggen bediedt.—Kunt gij ook zeggen waarom?—Een levende rog, gevallen uit de kar van een vischverkooper, lag zoodanig te spartelen op den weg, dat eenige oude wijven ze voor den duivel namen. „Laat ons den parochiepaap halen om den duivel uit de rog te verbannen”, zeiden zij. De pastoor bezweerde de rog, en nam ze mede naar huis, alwaar hij ze kookte, ter eere van die van Weert. Mocht het Gode behagen hetzelfde lot te bescheren aan den bloedigen koning!Intusschen hoorde men, in het bosch, ’t geblaf van de honden weerklinken. De gewapende mannen liepen het woud in, en riepen luidkeels om het wild schrik aan te jagen.—Het zijn de dieren, die ik achternagezet heb, zeide Uilenspiegel.—Wij zullen ze opeten, sprak de oude man. Maar zeg mij nog: hoe noemt men die van Eindhoven, in Limburg?—De pinnemakers, antwoordde Uilenspiegel. Eens was de vijand vóór de poort hunner stede, en zij grendelden die vastmet eenen wortel. De ganzen kwamen en begonnen gulzig in den wortel te pikken, en de vijand rukte Eindhoven binnen. Maar ijzeren bekken zullen het wezen, die de pinnen zullen vaneen pikken, achter dewelke men het vrije geweten wil kerkeren.—Als God met ons is, wie kan tegen ons zijn? antwoordde de oude man.De geneesheeren en chirurgijns-baardemakers verklaarden, dat het tanden waren van een grooten wolf. (Blz. 340).De geneesheeren en chirurgijns-baardemakers verklaarden, dat het tanden waren van een grooten wolf. (Blz. 340).Uilenspiegel sprak:—Hondengeblaf, mannengeschreeuw en gebroken takken: het stormt in het woud.—Is hertenvleesch lekkere spijze? vroeg Lamme, terwijl hij de stoverije bekeek.—Het geroep der drijvers komt nader en nader, zei Uilenspiegel tot Lamme; de honden zijn nabij. Wat gedonder! Het hert! het hert! uit den weg, mijn vriend! Foei! wat leelijk beest, het heeft mijn dikken vriend ten gronde geworpen, te midden van potten, pannen, mooren, ketels en stoverije. Waanzinnig van schrik, gaan de vrouwen en meidekens op den loop. Maar gij bloedt, mijn vriend?—Gij lacht, nietdeug, sprak Lamme. Ja, ik bloed, het dier heeft mij met de horens eenen stoot op mijn achterste gegeven. Zie, mijne hooze is gescheurd, en mijn vel insgelijks, en al die lekkere stoverije ten gronde! Zie, ik verlies zooveel bloed, dat mijne kous er gansch mee besmeurd is.—Dat hert is een knap chirurgijn, het heeft U van eene geraaktheid gered, antwoordde Uilenspiegel.—Foei, hertelooze deugniet die ge zijt, sprak Lamme verwijtend. Doch ik zal U niet meer volgen. Hier blijf ik, te midden van deze goede mannen en vrouwen. Hoe kunt ge toch zoo schaamteloos wezen, ongevoelig te zijn voor mijne smerten, alswanneer ik u volg op de hielen, als een hondje, door sneeuw, door vorst, door hagel en wind en, als het heet is, mijne ziel door mijn vel zweet?—Wees gerust, ’t is niet erg. Leg een oliekoekje op uwe wonde, het zal een gebakken pleister zijn, antwoordde Uilenspiegel. Maar weet gij hoe die van Leuven worden geheeten? Gij weet het niet, mijn arme vriend? Hewel, ik zal het u zeggen, maar gij moogt niet meer schreien. Men heet ze de koeienschieters: want eens waren ze zoo onnoozel naar weerlooze koeien te schieten, die zij voor vijandelijke soldaten aanzagen. Wat ons betreft, wij schieten naar de Spaansche bokken, hunvleesch stinkt als de pest, maar hun vel is goed om trommelen van te maken. En die van Thienen? Weet gij het? Ook al niet? Zij hebben den glorierijken naam van kwekkers. Want bij hen vliegt, op Sinksen, in de groote kerk, een eendvogel van het oksaal naar het autaar, en dat is de beeltenis van hunnen Heiligen Geest. Leg eenen heete koek op uwe wonde. Het zal niet erg zijn, want ik zie dat gij, zonder een woord te vertellen, de mooren en stoverije opraapt, die het hert omver gesmeten heeft. Uw moed behoort vooral thuis in de keuken. Gij steekt het vuur opnieuw aan, brengt den soepketel terug op zijne drie palen, en houdt u zorgvuldig bezig met de kook. Weet gij waarom er vier wonderen te Leuven zijn? Neen? Ik zal het u zeggen. Ten eerste, omdat de levenden er onder de dooden gaan, want St.-Michielskerk is gebouwd dicht bij de poort van de stad. Haar kerkhof ligt op den berm der wallen; ten tweede, omdat de klokken er buiten de torens hangen, gelijk men aan St.-Jacobskerk ziet, waar een groote klok en een kleine klok zijn; daar de kleine in den toren niet meer kon geplaatst worden, heeft men ze buiten gehangen. Ten derde, omdat de autaren buiten de kerk staan, want de gevel van St.-Jacobskerk lijkt op een autaar. Ten vierde, ter oorzake van den Toren-zonder-Nagels, omdat de torenspits van Ste-Geertrui van steen gemaakt is en niet van hout, en dat men in steenen geene nagelen slaat, behalve in het hert van den bloedigen koning, dat ik boven aan de groote poort van Brussel zou willen spijkeren. Maar, gij luistert niet. Hebt gij zout in het eten gedaan? Weet gij waarom die van Dendermonde de vuurpannen heeten? Omdat, toen eens een jonge prins in de afspanningde Wapens van Vlaanderenmoest komen vernachten, de baas niet wist hoe hij het bed warm zou krijgen, want hij had geene vuurpan. Hij deed het bed verwarmen door zijne dochter, die, zoodra zij den prins hoorde bovenkomen, ijlings de vlucht nam, en de prins vroeg waarom men de pan uit het bed had genomen. God believe dat koning Philippus, in een gloeienden ijzeren trommel gestoken, tot vuurpan diene voor het leger van Astarte.—Laat mij gerust, zeide Lamme; ik lach met u, met uwe vuurpannen, met uwen Toren-zonder-Nagels, met uwe Astarte en met al de flauwe kul, die gij verkoopt. Trek mij niet af van mijne sausen.—Pas op, sprak Uilenspiegel. Het geblaf houdt niet op, het komt dichter en dichter, de honden huilen, de trompetten weerschallen. Pas op voor het hert.Op die woorden nam Lamme de vlucht, en Uilenspiegel riep hem nog achterna:—Hoort gij de jachthorens?—’t Is niets, Lamme, kom terug bij uwe stoverije, sprak de oude man. ’t Zijn de honden, die hun deel van het wild krijgen; het hert is dood.—Dat zal ons een lekkeren maaltijd bezorgen, sprak Lamme. Ik hoop wel dat gij mij zult nooden, ter oorzake van de moeite, die ik mij geef voor ulieden. De saus van de vogelen zal lekker zijn, maar ze kraakt toch een weinig. Dat kan ook niet missen, want de vogelen zijn in het zand gevallen, als die groote duivel van een hert op mij kwam gestormd, en mijn wambuis en mijn vel al te zamen aan stukken trok. Maar zeg eens, vreest gij de houtvesters niet?—Wij zijn al te talrijk, sprak de oude man; zij zijn bevreesd en verontrusten ons niet. Ook de serjanten, beulsknechten en rechters laten ons met vrede. De inwoners van de steden zien ons geerne, want wij doen hun geen kwaad. Wij zullen hier nog eenigen tijd leven in vrede, ten ware het Spaansche leger ons omsingelde. Mocht dat gebeuren, zoo zouden wij, grijsaards, jonge mannen, vrouwen, dochteren, knapen en meidekens, ons leven duur verkoopen, en liever nog doodden wij elkander, dan duizend folteringen te lijden door de hand van den bloedigen hertog.Uilenspiegel sprak:De tijd is voorbij, dat men den gruwzamen beul te lande bestreed. ’t Is op zee, dat wij zijne macht moeten fnuiken. Gaat naar den kant van de Zeeuwsche eilanden, over Brugge, Heist en Knokke, langs het duin.—Wij bezitten geen duit, spraken zij.Uilenspiegel antwoordde:—Hier zijn duizend karolussen vanwege den prins. Gaat voort langsheen de waterloopen, vaarten, stroomen en rivieren; als gij schepen ziet met het merk J-H-S, dat een uwer het gezang des leeuweriks nabootse. Een hanengekraai zal U antwoorden. En gij zult wezen bij vrienden, bij soldaten van ’t vrije geweten.—Wij zullen het doen, zeiden de mannen.De jagers, gevolgd door de honden, verschenen weldra, en trokken met koorden het doode hert achter zich.Toen zetten allen zich neer rond het vuur.Zij waren wel zestig in getal, mannen, vrouwen en kinderen.Het brood werd uit de weitasschen gehaald, de messen uit de scheeden getrokken. Het hert werd aan stukken gesneden, gestroopt, geruimd, en met het kleinere wild aan het braadspit gestoken.En, na den maaltijd, zag men Lamme tegen eenen boom zitten snorken, met het hoofd op de borst.Toen de avond gevallen was, trokken de Broeders van het Woud in holen onder den grond om te slapen, en Lamme en Uilenspiegel deden hetzelfde.Gewapende mannen hielden de wacht rond het kamp. En Uilenspiegel hoorde de drogebladerenonder hunne voeten kraken.En ’s anderen daags morgens ging hij henen met Lamme, terwijl die van het kamp zeiden tot hem:—God zegene u; wij gaan naar de zee.

XXXIV.De beide wandelaars kwamen voorbij het Petegemsche bosch; het was snikkend heet. Lamme sprak tot Uilenspiegel:—Ik braad; laat ons de schaduw opzoeken.—’t Kan mij niet schelen, antwoordde Uilenspiegel.Zij zetten zich neer in het bosch, op het gras, en zagen eenen troep herten voorbijrennen.—Kijk goed, Lamme, zei Uilenspiegel, die den haan zijner Duitsche bus overtrok. Daar zijn groote, oude herten, die hun gewei met negen takken fier in de lucht dragen; lieve reebokjes, die hunne schildknapen zijn, huppelen aan hunne zijde, bereid om hun van dienst te zijn met hun puntige horens. Zij gaan naar hun leger. Trek het rad van uwe bus over, lijk ik. Schiet. Het oude hert is gewond. Een reebokje is getroffen aan de bil; het vlucht. Laten wij het volgen totdat het valt. Doe lijk ik, loop, spring, vlieg....—Mijn gekke vriend is wederom bezig, sprak Lamme, hij wil de herten te voet achternazetten. Beproef niet te vliegen zonder vleugelen, ’t is verloren moeite. Gij zult ze niet krijgen. Ha! wat wreedaardige gezel! Meent gij, dat ik zoo vlug ben als gij? Ik zweet, mijn vriend; ik zweet en ik ga vallen van vermoeidheid. Als de houtvester u pakt, wordt gij gehangen. Herten zijn koningswild; laat ze loopen, mijn zoon, gij kunt ze toch niet krijgen.—Kom, sprak Uilenspiegel. Hoort gij het gerucht van zijn gewei in de bladeren? ’t Is als eene hoos, die voorbijvliegt. Zie eens deze gebroken takken, de bladeren, waarmede de grond teenemaal bedekt is. Nu heeft het een nieuwen kogel in de bil; fluks eten wij het op.—Het is nog niet gebraden, zeide Lamme. Laat die arme dieren maar loopen. He! wat is het warm! Ge moogt mij gelooven: ik ga er bij vallen om nimmermeer op te staan.Doch eensklaps kwamen armzalig gekleede mannen, die wapenen droegen, te allen kanten te voorschijn uit het bosch. Blaffende honden renden de herten achterna. Vier mannen met woest uitzicht kwamen rond Lamme en Uilenspiegel staan en leidden hen naar eene plaats, te midden in het dichtst begroeide deel van het woud.Daar zagen zij vrouwen en kinderen, die daar gelegerd waren, en ook een groot getal mannen, allen op verschillende wijze gewapend met zweerden, met bussen, met voetbogen, met lansen, met spiesen, met ruiterspistolen.Toen Uilenspiegel hen zag, zei hij tot hen:—Gij schijnt hier in gemeenschap te leven om de vervolging te ontvluchten; zijt gij soms de Broeders van het Woud?—Wij zijn de Broeders van het Woud, antwoordde een grijsaard, die bij het vuur zat en eenige vogelen in eene braadpan liet bakken. Maar gij, wie zijt gij?—Ik ben uit het schoone Vlaanderenland vandaan, antwoordde Uilenspiegel, en ben schilder, boer, edelman, beeldhouwer, alles te gelijk. En door de wereld ga ik aldus, om het goede en het schoone te prijzen, en luidkeels te lachen en te spotten met alles wat dwaas en verkeerd is.—Als gij zoovele landen bereisd hebt, sprak de oude man, moet gijSchild en Vriendkunnen uitspreken, naar de wijs van de Gentenaren; zoo niet, zijt gij een valsche Vlaming en moet gij u tot sterven bereiden.Uilenspiegel sprak:—Schild en Vriend.—En gij, dikzak? vroeg de oude man tot Lamme, welk bedrijf voert gij uit?Lamme antwoordde:—Mijne landerijen, pachthoeven, cijnzen en messeniën opeten, mijn echtelijke vrouw zoeken, en mijn vriend Uilenspiegel in alle oorden en plaatsen opvolgen.—Als gij ook zooveel gereisd hebt, sprak de oude man, moet gij weten hoe die van Weert, in Limburg, worden geheeten?—Ik weet het niet, was ’t antwoord van Lamme, maar kunt gij mij den naam niet zeggen van den ellendigen deugniet, die mijne vrouw overreede heur huis te verlaten? Zeg mij zijn naam, en dadelijk ga ik hem vermoorden.De oude man antwoordde:—In deze wereld bestaan twee dingen, die nimmermeer wederkomen, eens dat zij weg zijn: te weten het verteerde geld, en de onverschillig geworden vrouw, die den huize ontvlucht is.Toen wendde de oude man zich tot Uilenspiegel en stelde hij hem ook deze vraag:—En gij, weet gij niet hoe die van Weert, in Limburg, worden geheeten?—De rogstekers, wat in hunne streek onttooveraars van roggen bediedt.—Kunt gij ook zeggen waarom?—Een levende rog, gevallen uit de kar van een vischverkooper, lag zoodanig te spartelen op den weg, dat eenige oude wijven ze voor den duivel namen. „Laat ons den parochiepaap halen om den duivel uit de rog te verbannen”, zeiden zij. De pastoor bezweerde de rog, en nam ze mede naar huis, alwaar hij ze kookte, ter eere van die van Weert. Mocht het Gode behagen hetzelfde lot te bescheren aan den bloedigen koning!Intusschen hoorde men, in het bosch, ’t geblaf van de honden weerklinken. De gewapende mannen liepen het woud in, en riepen luidkeels om het wild schrik aan te jagen.—Het zijn de dieren, die ik achternagezet heb, zeide Uilenspiegel.—Wij zullen ze opeten, sprak de oude man. Maar zeg mij nog: hoe noemt men die van Eindhoven, in Limburg?—De pinnemakers, antwoordde Uilenspiegel. Eens was de vijand vóór de poort hunner stede, en zij grendelden die vastmet eenen wortel. De ganzen kwamen en begonnen gulzig in den wortel te pikken, en de vijand rukte Eindhoven binnen. Maar ijzeren bekken zullen het wezen, die de pinnen zullen vaneen pikken, achter dewelke men het vrije geweten wil kerkeren.—Als God met ons is, wie kan tegen ons zijn? antwoordde de oude man.De geneesheeren en chirurgijns-baardemakers verklaarden, dat het tanden waren van een grooten wolf. (Blz. 340).De geneesheeren en chirurgijns-baardemakers verklaarden, dat het tanden waren van een grooten wolf. (Blz. 340).Uilenspiegel sprak:—Hondengeblaf, mannengeschreeuw en gebroken takken: het stormt in het woud.—Is hertenvleesch lekkere spijze? vroeg Lamme, terwijl hij de stoverije bekeek.—Het geroep der drijvers komt nader en nader, zei Uilenspiegel tot Lamme; de honden zijn nabij. Wat gedonder! Het hert! het hert! uit den weg, mijn vriend! Foei! wat leelijk beest, het heeft mijn dikken vriend ten gronde geworpen, te midden van potten, pannen, mooren, ketels en stoverije. Waanzinnig van schrik, gaan de vrouwen en meidekens op den loop. Maar gij bloedt, mijn vriend?—Gij lacht, nietdeug, sprak Lamme. Ja, ik bloed, het dier heeft mij met de horens eenen stoot op mijn achterste gegeven. Zie, mijne hooze is gescheurd, en mijn vel insgelijks, en al die lekkere stoverije ten gronde! Zie, ik verlies zooveel bloed, dat mijne kous er gansch mee besmeurd is.—Dat hert is een knap chirurgijn, het heeft U van eene geraaktheid gered, antwoordde Uilenspiegel.—Foei, hertelooze deugniet die ge zijt, sprak Lamme verwijtend. Doch ik zal U niet meer volgen. Hier blijf ik, te midden van deze goede mannen en vrouwen. Hoe kunt ge toch zoo schaamteloos wezen, ongevoelig te zijn voor mijne smerten, alswanneer ik u volg op de hielen, als een hondje, door sneeuw, door vorst, door hagel en wind en, als het heet is, mijne ziel door mijn vel zweet?—Wees gerust, ’t is niet erg. Leg een oliekoekje op uwe wonde, het zal een gebakken pleister zijn, antwoordde Uilenspiegel. Maar weet gij hoe die van Leuven worden geheeten? Gij weet het niet, mijn arme vriend? Hewel, ik zal het u zeggen, maar gij moogt niet meer schreien. Men heet ze de koeienschieters: want eens waren ze zoo onnoozel naar weerlooze koeien te schieten, die zij voor vijandelijke soldaten aanzagen. Wat ons betreft, wij schieten naar de Spaansche bokken, hunvleesch stinkt als de pest, maar hun vel is goed om trommelen van te maken. En die van Thienen? Weet gij het? Ook al niet? Zij hebben den glorierijken naam van kwekkers. Want bij hen vliegt, op Sinksen, in de groote kerk, een eendvogel van het oksaal naar het autaar, en dat is de beeltenis van hunnen Heiligen Geest. Leg eenen heete koek op uwe wonde. Het zal niet erg zijn, want ik zie dat gij, zonder een woord te vertellen, de mooren en stoverije opraapt, die het hert omver gesmeten heeft. Uw moed behoort vooral thuis in de keuken. Gij steekt het vuur opnieuw aan, brengt den soepketel terug op zijne drie palen, en houdt u zorgvuldig bezig met de kook. Weet gij waarom er vier wonderen te Leuven zijn? Neen? Ik zal het u zeggen. Ten eerste, omdat de levenden er onder de dooden gaan, want St.-Michielskerk is gebouwd dicht bij de poort van de stad. Haar kerkhof ligt op den berm der wallen; ten tweede, omdat de klokken er buiten de torens hangen, gelijk men aan St.-Jacobskerk ziet, waar een groote klok en een kleine klok zijn; daar de kleine in den toren niet meer kon geplaatst worden, heeft men ze buiten gehangen. Ten derde, omdat de autaren buiten de kerk staan, want de gevel van St.-Jacobskerk lijkt op een autaar. Ten vierde, ter oorzake van den Toren-zonder-Nagels, omdat de torenspits van Ste-Geertrui van steen gemaakt is en niet van hout, en dat men in steenen geene nagelen slaat, behalve in het hert van den bloedigen koning, dat ik boven aan de groote poort van Brussel zou willen spijkeren. Maar, gij luistert niet. Hebt gij zout in het eten gedaan? Weet gij waarom die van Dendermonde de vuurpannen heeten? Omdat, toen eens een jonge prins in de afspanningde Wapens van Vlaanderenmoest komen vernachten, de baas niet wist hoe hij het bed warm zou krijgen, want hij had geene vuurpan. Hij deed het bed verwarmen door zijne dochter, die, zoodra zij den prins hoorde bovenkomen, ijlings de vlucht nam, en de prins vroeg waarom men de pan uit het bed had genomen. God believe dat koning Philippus, in een gloeienden ijzeren trommel gestoken, tot vuurpan diene voor het leger van Astarte.—Laat mij gerust, zeide Lamme; ik lach met u, met uwe vuurpannen, met uwen Toren-zonder-Nagels, met uwe Astarte en met al de flauwe kul, die gij verkoopt. Trek mij niet af van mijne sausen.—Pas op, sprak Uilenspiegel. Het geblaf houdt niet op, het komt dichter en dichter, de honden huilen, de trompetten weerschallen. Pas op voor het hert.Op die woorden nam Lamme de vlucht, en Uilenspiegel riep hem nog achterna:—Hoort gij de jachthorens?—’t Is niets, Lamme, kom terug bij uwe stoverije, sprak de oude man. ’t Zijn de honden, die hun deel van het wild krijgen; het hert is dood.—Dat zal ons een lekkeren maaltijd bezorgen, sprak Lamme. Ik hoop wel dat gij mij zult nooden, ter oorzake van de moeite, die ik mij geef voor ulieden. De saus van de vogelen zal lekker zijn, maar ze kraakt toch een weinig. Dat kan ook niet missen, want de vogelen zijn in het zand gevallen, als die groote duivel van een hert op mij kwam gestormd, en mijn wambuis en mijn vel al te zamen aan stukken trok. Maar zeg eens, vreest gij de houtvesters niet?—Wij zijn al te talrijk, sprak de oude man; zij zijn bevreesd en verontrusten ons niet. Ook de serjanten, beulsknechten en rechters laten ons met vrede. De inwoners van de steden zien ons geerne, want wij doen hun geen kwaad. Wij zullen hier nog eenigen tijd leven in vrede, ten ware het Spaansche leger ons omsingelde. Mocht dat gebeuren, zoo zouden wij, grijsaards, jonge mannen, vrouwen, dochteren, knapen en meidekens, ons leven duur verkoopen, en liever nog doodden wij elkander, dan duizend folteringen te lijden door de hand van den bloedigen hertog.Uilenspiegel sprak:De tijd is voorbij, dat men den gruwzamen beul te lande bestreed. ’t Is op zee, dat wij zijne macht moeten fnuiken. Gaat naar den kant van de Zeeuwsche eilanden, over Brugge, Heist en Knokke, langs het duin.—Wij bezitten geen duit, spraken zij.Uilenspiegel antwoordde:—Hier zijn duizend karolussen vanwege den prins. Gaat voort langsheen de waterloopen, vaarten, stroomen en rivieren; als gij schepen ziet met het merk J-H-S, dat een uwer het gezang des leeuweriks nabootse. Een hanengekraai zal U antwoorden. En gij zult wezen bij vrienden, bij soldaten van ’t vrije geweten.—Wij zullen het doen, zeiden de mannen.De jagers, gevolgd door de honden, verschenen weldra, en trokken met koorden het doode hert achter zich.Toen zetten allen zich neer rond het vuur.Zij waren wel zestig in getal, mannen, vrouwen en kinderen.Het brood werd uit de weitasschen gehaald, de messen uit de scheeden getrokken. Het hert werd aan stukken gesneden, gestroopt, geruimd, en met het kleinere wild aan het braadspit gestoken.En, na den maaltijd, zag men Lamme tegen eenen boom zitten snorken, met het hoofd op de borst.Toen de avond gevallen was, trokken de Broeders van het Woud in holen onder den grond om te slapen, en Lamme en Uilenspiegel deden hetzelfde.Gewapende mannen hielden de wacht rond het kamp. En Uilenspiegel hoorde de drogebladerenonder hunne voeten kraken.En ’s anderen daags morgens ging hij henen met Lamme, terwijl die van het kamp zeiden tot hem:—God zegene u; wij gaan naar de zee.

XXXIV.

De beide wandelaars kwamen voorbij het Petegemsche bosch; het was snikkend heet. Lamme sprak tot Uilenspiegel:—Ik braad; laat ons de schaduw opzoeken.—’t Kan mij niet schelen, antwoordde Uilenspiegel.Zij zetten zich neer in het bosch, op het gras, en zagen eenen troep herten voorbijrennen.—Kijk goed, Lamme, zei Uilenspiegel, die den haan zijner Duitsche bus overtrok. Daar zijn groote, oude herten, die hun gewei met negen takken fier in de lucht dragen; lieve reebokjes, die hunne schildknapen zijn, huppelen aan hunne zijde, bereid om hun van dienst te zijn met hun puntige horens. Zij gaan naar hun leger. Trek het rad van uwe bus over, lijk ik. Schiet. Het oude hert is gewond. Een reebokje is getroffen aan de bil; het vlucht. Laten wij het volgen totdat het valt. Doe lijk ik, loop, spring, vlieg....—Mijn gekke vriend is wederom bezig, sprak Lamme, hij wil de herten te voet achternazetten. Beproef niet te vliegen zonder vleugelen, ’t is verloren moeite. Gij zult ze niet krijgen. Ha! wat wreedaardige gezel! Meent gij, dat ik zoo vlug ben als gij? Ik zweet, mijn vriend; ik zweet en ik ga vallen van vermoeidheid. Als de houtvester u pakt, wordt gij gehangen. Herten zijn koningswild; laat ze loopen, mijn zoon, gij kunt ze toch niet krijgen.—Kom, sprak Uilenspiegel. Hoort gij het gerucht van zijn gewei in de bladeren? ’t Is als eene hoos, die voorbijvliegt. Zie eens deze gebroken takken, de bladeren, waarmede de grond teenemaal bedekt is. Nu heeft het een nieuwen kogel in de bil; fluks eten wij het op.—Het is nog niet gebraden, zeide Lamme. Laat die arme dieren maar loopen. He! wat is het warm! Ge moogt mij gelooven: ik ga er bij vallen om nimmermeer op te staan.Doch eensklaps kwamen armzalig gekleede mannen, die wapenen droegen, te allen kanten te voorschijn uit het bosch. Blaffende honden renden de herten achterna. Vier mannen met woest uitzicht kwamen rond Lamme en Uilenspiegel staan en leidden hen naar eene plaats, te midden in het dichtst begroeide deel van het woud.Daar zagen zij vrouwen en kinderen, die daar gelegerd waren, en ook een groot getal mannen, allen op verschillende wijze gewapend met zweerden, met bussen, met voetbogen, met lansen, met spiesen, met ruiterspistolen.Toen Uilenspiegel hen zag, zei hij tot hen:—Gij schijnt hier in gemeenschap te leven om de vervolging te ontvluchten; zijt gij soms de Broeders van het Woud?—Wij zijn de Broeders van het Woud, antwoordde een grijsaard, die bij het vuur zat en eenige vogelen in eene braadpan liet bakken. Maar gij, wie zijt gij?—Ik ben uit het schoone Vlaanderenland vandaan, antwoordde Uilenspiegel, en ben schilder, boer, edelman, beeldhouwer, alles te gelijk. En door de wereld ga ik aldus, om het goede en het schoone te prijzen, en luidkeels te lachen en te spotten met alles wat dwaas en verkeerd is.—Als gij zoovele landen bereisd hebt, sprak de oude man, moet gijSchild en Vriendkunnen uitspreken, naar de wijs van de Gentenaren; zoo niet, zijt gij een valsche Vlaming en moet gij u tot sterven bereiden.Uilenspiegel sprak:—Schild en Vriend.—En gij, dikzak? vroeg de oude man tot Lamme, welk bedrijf voert gij uit?Lamme antwoordde:—Mijne landerijen, pachthoeven, cijnzen en messeniën opeten, mijn echtelijke vrouw zoeken, en mijn vriend Uilenspiegel in alle oorden en plaatsen opvolgen.—Als gij ook zooveel gereisd hebt, sprak de oude man, moet gij weten hoe die van Weert, in Limburg, worden geheeten?—Ik weet het niet, was ’t antwoord van Lamme, maar kunt gij mij den naam niet zeggen van den ellendigen deugniet, die mijne vrouw overreede heur huis te verlaten? Zeg mij zijn naam, en dadelijk ga ik hem vermoorden.De oude man antwoordde:—In deze wereld bestaan twee dingen, die nimmermeer wederkomen, eens dat zij weg zijn: te weten het verteerde geld, en de onverschillig geworden vrouw, die den huize ontvlucht is.Toen wendde de oude man zich tot Uilenspiegel en stelde hij hem ook deze vraag:—En gij, weet gij niet hoe die van Weert, in Limburg, worden geheeten?—De rogstekers, wat in hunne streek onttooveraars van roggen bediedt.—Kunt gij ook zeggen waarom?—Een levende rog, gevallen uit de kar van een vischverkooper, lag zoodanig te spartelen op den weg, dat eenige oude wijven ze voor den duivel namen. „Laat ons den parochiepaap halen om den duivel uit de rog te verbannen”, zeiden zij. De pastoor bezweerde de rog, en nam ze mede naar huis, alwaar hij ze kookte, ter eere van die van Weert. Mocht het Gode behagen hetzelfde lot te bescheren aan den bloedigen koning!Intusschen hoorde men, in het bosch, ’t geblaf van de honden weerklinken. De gewapende mannen liepen het woud in, en riepen luidkeels om het wild schrik aan te jagen.—Het zijn de dieren, die ik achternagezet heb, zeide Uilenspiegel.—Wij zullen ze opeten, sprak de oude man. Maar zeg mij nog: hoe noemt men die van Eindhoven, in Limburg?—De pinnemakers, antwoordde Uilenspiegel. Eens was de vijand vóór de poort hunner stede, en zij grendelden die vastmet eenen wortel. De ganzen kwamen en begonnen gulzig in den wortel te pikken, en de vijand rukte Eindhoven binnen. Maar ijzeren bekken zullen het wezen, die de pinnen zullen vaneen pikken, achter dewelke men het vrije geweten wil kerkeren.—Als God met ons is, wie kan tegen ons zijn? antwoordde de oude man.De geneesheeren en chirurgijns-baardemakers verklaarden, dat het tanden waren van een grooten wolf. (Blz. 340).De geneesheeren en chirurgijns-baardemakers verklaarden, dat het tanden waren van een grooten wolf. (Blz. 340).Uilenspiegel sprak:—Hondengeblaf, mannengeschreeuw en gebroken takken: het stormt in het woud.—Is hertenvleesch lekkere spijze? vroeg Lamme, terwijl hij de stoverije bekeek.—Het geroep der drijvers komt nader en nader, zei Uilenspiegel tot Lamme; de honden zijn nabij. Wat gedonder! Het hert! het hert! uit den weg, mijn vriend! Foei! wat leelijk beest, het heeft mijn dikken vriend ten gronde geworpen, te midden van potten, pannen, mooren, ketels en stoverije. Waanzinnig van schrik, gaan de vrouwen en meidekens op den loop. Maar gij bloedt, mijn vriend?—Gij lacht, nietdeug, sprak Lamme. Ja, ik bloed, het dier heeft mij met de horens eenen stoot op mijn achterste gegeven. Zie, mijne hooze is gescheurd, en mijn vel insgelijks, en al die lekkere stoverije ten gronde! Zie, ik verlies zooveel bloed, dat mijne kous er gansch mee besmeurd is.—Dat hert is een knap chirurgijn, het heeft U van eene geraaktheid gered, antwoordde Uilenspiegel.—Foei, hertelooze deugniet die ge zijt, sprak Lamme verwijtend. Doch ik zal U niet meer volgen. Hier blijf ik, te midden van deze goede mannen en vrouwen. Hoe kunt ge toch zoo schaamteloos wezen, ongevoelig te zijn voor mijne smerten, alswanneer ik u volg op de hielen, als een hondje, door sneeuw, door vorst, door hagel en wind en, als het heet is, mijne ziel door mijn vel zweet?—Wees gerust, ’t is niet erg. Leg een oliekoekje op uwe wonde, het zal een gebakken pleister zijn, antwoordde Uilenspiegel. Maar weet gij hoe die van Leuven worden geheeten? Gij weet het niet, mijn arme vriend? Hewel, ik zal het u zeggen, maar gij moogt niet meer schreien. Men heet ze de koeienschieters: want eens waren ze zoo onnoozel naar weerlooze koeien te schieten, die zij voor vijandelijke soldaten aanzagen. Wat ons betreft, wij schieten naar de Spaansche bokken, hunvleesch stinkt als de pest, maar hun vel is goed om trommelen van te maken. En die van Thienen? Weet gij het? Ook al niet? Zij hebben den glorierijken naam van kwekkers. Want bij hen vliegt, op Sinksen, in de groote kerk, een eendvogel van het oksaal naar het autaar, en dat is de beeltenis van hunnen Heiligen Geest. Leg eenen heete koek op uwe wonde. Het zal niet erg zijn, want ik zie dat gij, zonder een woord te vertellen, de mooren en stoverije opraapt, die het hert omver gesmeten heeft. Uw moed behoort vooral thuis in de keuken. Gij steekt het vuur opnieuw aan, brengt den soepketel terug op zijne drie palen, en houdt u zorgvuldig bezig met de kook. Weet gij waarom er vier wonderen te Leuven zijn? Neen? Ik zal het u zeggen. Ten eerste, omdat de levenden er onder de dooden gaan, want St.-Michielskerk is gebouwd dicht bij de poort van de stad. Haar kerkhof ligt op den berm der wallen; ten tweede, omdat de klokken er buiten de torens hangen, gelijk men aan St.-Jacobskerk ziet, waar een groote klok en een kleine klok zijn; daar de kleine in den toren niet meer kon geplaatst worden, heeft men ze buiten gehangen. Ten derde, omdat de autaren buiten de kerk staan, want de gevel van St.-Jacobskerk lijkt op een autaar. Ten vierde, ter oorzake van den Toren-zonder-Nagels, omdat de torenspits van Ste-Geertrui van steen gemaakt is en niet van hout, en dat men in steenen geene nagelen slaat, behalve in het hert van den bloedigen koning, dat ik boven aan de groote poort van Brussel zou willen spijkeren. Maar, gij luistert niet. Hebt gij zout in het eten gedaan? Weet gij waarom die van Dendermonde de vuurpannen heeten? Omdat, toen eens een jonge prins in de afspanningde Wapens van Vlaanderenmoest komen vernachten, de baas niet wist hoe hij het bed warm zou krijgen, want hij had geene vuurpan. Hij deed het bed verwarmen door zijne dochter, die, zoodra zij den prins hoorde bovenkomen, ijlings de vlucht nam, en de prins vroeg waarom men de pan uit het bed had genomen. God believe dat koning Philippus, in een gloeienden ijzeren trommel gestoken, tot vuurpan diene voor het leger van Astarte.—Laat mij gerust, zeide Lamme; ik lach met u, met uwe vuurpannen, met uwen Toren-zonder-Nagels, met uwe Astarte en met al de flauwe kul, die gij verkoopt. Trek mij niet af van mijne sausen.—Pas op, sprak Uilenspiegel. Het geblaf houdt niet op, het komt dichter en dichter, de honden huilen, de trompetten weerschallen. Pas op voor het hert.Op die woorden nam Lamme de vlucht, en Uilenspiegel riep hem nog achterna:—Hoort gij de jachthorens?—’t Is niets, Lamme, kom terug bij uwe stoverije, sprak de oude man. ’t Zijn de honden, die hun deel van het wild krijgen; het hert is dood.—Dat zal ons een lekkeren maaltijd bezorgen, sprak Lamme. Ik hoop wel dat gij mij zult nooden, ter oorzake van de moeite, die ik mij geef voor ulieden. De saus van de vogelen zal lekker zijn, maar ze kraakt toch een weinig. Dat kan ook niet missen, want de vogelen zijn in het zand gevallen, als die groote duivel van een hert op mij kwam gestormd, en mijn wambuis en mijn vel al te zamen aan stukken trok. Maar zeg eens, vreest gij de houtvesters niet?—Wij zijn al te talrijk, sprak de oude man; zij zijn bevreesd en verontrusten ons niet. Ook de serjanten, beulsknechten en rechters laten ons met vrede. De inwoners van de steden zien ons geerne, want wij doen hun geen kwaad. Wij zullen hier nog eenigen tijd leven in vrede, ten ware het Spaansche leger ons omsingelde. Mocht dat gebeuren, zoo zouden wij, grijsaards, jonge mannen, vrouwen, dochteren, knapen en meidekens, ons leven duur verkoopen, en liever nog doodden wij elkander, dan duizend folteringen te lijden door de hand van den bloedigen hertog.Uilenspiegel sprak:De tijd is voorbij, dat men den gruwzamen beul te lande bestreed. ’t Is op zee, dat wij zijne macht moeten fnuiken. Gaat naar den kant van de Zeeuwsche eilanden, over Brugge, Heist en Knokke, langs het duin.—Wij bezitten geen duit, spraken zij.Uilenspiegel antwoordde:—Hier zijn duizend karolussen vanwege den prins. Gaat voort langsheen de waterloopen, vaarten, stroomen en rivieren; als gij schepen ziet met het merk J-H-S, dat een uwer het gezang des leeuweriks nabootse. Een hanengekraai zal U antwoorden. En gij zult wezen bij vrienden, bij soldaten van ’t vrije geweten.—Wij zullen het doen, zeiden de mannen.De jagers, gevolgd door de honden, verschenen weldra, en trokken met koorden het doode hert achter zich.Toen zetten allen zich neer rond het vuur.Zij waren wel zestig in getal, mannen, vrouwen en kinderen.Het brood werd uit de weitasschen gehaald, de messen uit de scheeden getrokken. Het hert werd aan stukken gesneden, gestroopt, geruimd, en met het kleinere wild aan het braadspit gestoken.En, na den maaltijd, zag men Lamme tegen eenen boom zitten snorken, met het hoofd op de borst.Toen de avond gevallen was, trokken de Broeders van het Woud in holen onder den grond om te slapen, en Lamme en Uilenspiegel deden hetzelfde.Gewapende mannen hielden de wacht rond het kamp. En Uilenspiegel hoorde de drogebladerenonder hunne voeten kraken.En ’s anderen daags morgens ging hij henen met Lamme, terwijl die van het kamp zeiden tot hem:—God zegene u; wij gaan naar de zee.

De beide wandelaars kwamen voorbij het Petegemsche bosch; het was snikkend heet. Lamme sprak tot Uilenspiegel:

—Ik braad; laat ons de schaduw opzoeken.

—’t Kan mij niet schelen, antwoordde Uilenspiegel.

Zij zetten zich neer in het bosch, op het gras, en zagen eenen troep herten voorbijrennen.

—Kijk goed, Lamme, zei Uilenspiegel, die den haan zijner Duitsche bus overtrok. Daar zijn groote, oude herten, die hun gewei met negen takken fier in de lucht dragen; lieve reebokjes, die hunne schildknapen zijn, huppelen aan hunne zijde, bereid om hun van dienst te zijn met hun puntige horens. Zij gaan naar hun leger. Trek het rad van uwe bus over, lijk ik. Schiet. Het oude hert is gewond. Een reebokje is getroffen aan de bil; het vlucht. Laten wij het volgen totdat het valt. Doe lijk ik, loop, spring, vlieg....

—Mijn gekke vriend is wederom bezig, sprak Lamme, hij wil de herten te voet achternazetten. Beproef niet te vliegen zonder vleugelen, ’t is verloren moeite. Gij zult ze niet krijgen. Ha! wat wreedaardige gezel! Meent gij, dat ik zoo vlug ben als gij? Ik zweet, mijn vriend; ik zweet en ik ga vallen van vermoeidheid. Als de houtvester u pakt, wordt gij gehangen. Herten zijn koningswild; laat ze loopen, mijn zoon, gij kunt ze toch niet krijgen.

—Kom, sprak Uilenspiegel. Hoort gij het gerucht van zijn gewei in de bladeren? ’t Is als eene hoos, die voorbijvliegt. Zie eens deze gebroken takken, de bladeren, waarmede de grond teenemaal bedekt is. Nu heeft het een nieuwen kogel in de bil; fluks eten wij het op.

—Het is nog niet gebraden, zeide Lamme. Laat die arme dieren maar loopen. He! wat is het warm! Ge moogt mij gelooven: ik ga er bij vallen om nimmermeer op te staan.

Doch eensklaps kwamen armzalig gekleede mannen, die wapenen droegen, te allen kanten te voorschijn uit het bosch. Blaffende honden renden de herten achterna. Vier mannen met woest uitzicht kwamen rond Lamme en Uilenspiegel staan en leidden hen naar eene plaats, te midden in het dichtst begroeide deel van het woud.

Daar zagen zij vrouwen en kinderen, die daar gelegerd waren, en ook een groot getal mannen, allen op verschillende wijze gewapend met zweerden, met bussen, met voetbogen, met lansen, met spiesen, met ruiterspistolen.

Toen Uilenspiegel hen zag, zei hij tot hen:

—Gij schijnt hier in gemeenschap te leven om de vervolging te ontvluchten; zijt gij soms de Broeders van het Woud?

—Wij zijn de Broeders van het Woud, antwoordde een grijsaard, die bij het vuur zat en eenige vogelen in eene braadpan liet bakken. Maar gij, wie zijt gij?

—Ik ben uit het schoone Vlaanderenland vandaan, antwoordde Uilenspiegel, en ben schilder, boer, edelman, beeldhouwer, alles te gelijk. En door de wereld ga ik aldus, om het goede en het schoone te prijzen, en luidkeels te lachen en te spotten met alles wat dwaas en verkeerd is.

—Als gij zoovele landen bereisd hebt, sprak de oude man, moet gijSchild en Vriendkunnen uitspreken, naar de wijs van de Gentenaren; zoo niet, zijt gij een valsche Vlaming en moet gij u tot sterven bereiden.

Uilenspiegel sprak:

—Schild en Vriend.

—En gij, dikzak? vroeg de oude man tot Lamme, welk bedrijf voert gij uit?

Lamme antwoordde:

—Mijne landerijen, pachthoeven, cijnzen en messeniën opeten, mijn echtelijke vrouw zoeken, en mijn vriend Uilenspiegel in alle oorden en plaatsen opvolgen.

—Als gij ook zooveel gereisd hebt, sprak de oude man, moet gij weten hoe die van Weert, in Limburg, worden geheeten?

—Ik weet het niet, was ’t antwoord van Lamme, maar kunt gij mij den naam niet zeggen van den ellendigen deugniet, die mijne vrouw overreede heur huis te verlaten? Zeg mij zijn naam, en dadelijk ga ik hem vermoorden.

De oude man antwoordde:

—In deze wereld bestaan twee dingen, die nimmermeer wederkomen, eens dat zij weg zijn: te weten het verteerde geld, en de onverschillig geworden vrouw, die den huize ontvlucht is.

Toen wendde de oude man zich tot Uilenspiegel en stelde hij hem ook deze vraag:

—En gij, weet gij niet hoe die van Weert, in Limburg, worden geheeten?

—De rogstekers, wat in hunne streek onttooveraars van roggen bediedt.

—Kunt gij ook zeggen waarom?

—Een levende rog, gevallen uit de kar van een vischverkooper, lag zoodanig te spartelen op den weg, dat eenige oude wijven ze voor den duivel namen. „Laat ons den parochiepaap halen om den duivel uit de rog te verbannen”, zeiden zij. De pastoor bezweerde de rog, en nam ze mede naar huis, alwaar hij ze kookte, ter eere van die van Weert. Mocht het Gode behagen hetzelfde lot te bescheren aan den bloedigen koning!

Intusschen hoorde men, in het bosch, ’t geblaf van de honden weerklinken. De gewapende mannen liepen het woud in, en riepen luidkeels om het wild schrik aan te jagen.

—Het zijn de dieren, die ik achternagezet heb, zeide Uilenspiegel.

—Wij zullen ze opeten, sprak de oude man. Maar zeg mij nog: hoe noemt men die van Eindhoven, in Limburg?

—De pinnemakers, antwoordde Uilenspiegel. Eens was de vijand vóór de poort hunner stede, en zij grendelden die vastmet eenen wortel. De ganzen kwamen en begonnen gulzig in den wortel te pikken, en de vijand rukte Eindhoven binnen. Maar ijzeren bekken zullen het wezen, die de pinnen zullen vaneen pikken, achter dewelke men het vrije geweten wil kerkeren.

—Als God met ons is, wie kan tegen ons zijn? antwoordde de oude man.

De geneesheeren en chirurgijns-baardemakers verklaarden, dat het tanden waren van een grooten wolf. (Blz. 340).De geneesheeren en chirurgijns-baardemakers verklaarden, dat het tanden waren van een grooten wolf. (Blz. 340).

De geneesheeren en chirurgijns-baardemakers verklaarden, dat het tanden waren van een grooten wolf. (Blz. 340).

Uilenspiegel sprak:

—Hondengeblaf, mannengeschreeuw en gebroken takken: het stormt in het woud.

—Is hertenvleesch lekkere spijze? vroeg Lamme, terwijl hij de stoverije bekeek.

—Het geroep der drijvers komt nader en nader, zei Uilenspiegel tot Lamme; de honden zijn nabij. Wat gedonder! Het hert! het hert! uit den weg, mijn vriend! Foei! wat leelijk beest, het heeft mijn dikken vriend ten gronde geworpen, te midden van potten, pannen, mooren, ketels en stoverije. Waanzinnig van schrik, gaan de vrouwen en meidekens op den loop. Maar gij bloedt, mijn vriend?

—Gij lacht, nietdeug, sprak Lamme. Ja, ik bloed, het dier heeft mij met de horens eenen stoot op mijn achterste gegeven. Zie, mijne hooze is gescheurd, en mijn vel insgelijks, en al die lekkere stoverije ten gronde! Zie, ik verlies zooveel bloed, dat mijne kous er gansch mee besmeurd is.

—Dat hert is een knap chirurgijn, het heeft U van eene geraaktheid gered, antwoordde Uilenspiegel.

—Foei, hertelooze deugniet die ge zijt, sprak Lamme verwijtend. Doch ik zal U niet meer volgen. Hier blijf ik, te midden van deze goede mannen en vrouwen. Hoe kunt ge toch zoo schaamteloos wezen, ongevoelig te zijn voor mijne smerten, alswanneer ik u volg op de hielen, als een hondje, door sneeuw, door vorst, door hagel en wind en, als het heet is, mijne ziel door mijn vel zweet?

—Wees gerust, ’t is niet erg. Leg een oliekoekje op uwe wonde, het zal een gebakken pleister zijn, antwoordde Uilenspiegel. Maar weet gij hoe die van Leuven worden geheeten? Gij weet het niet, mijn arme vriend? Hewel, ik zal het u zeggen, maar gij moogt niet meer schreien. Men heet ze de koeienschieters: want eens waren ze zoo onnoozel naar weerlooze koeien te schieten, die zij voor vijandelijke soldaten aanzagen. Wat ons betreft, wij schieten naar de Spaansche bokken, hunvleesch stinkt als de pest, maar hun vel is goed om trommelen van te maken. En die van Thienen? Weet gij het? Ook al niet? Zij hebben den glorierijken naam van kwekkers. Want bij hen vliegt, op Sinksen, in de groote kerk, een eendvogel van het oksaal naar het autaar, en dat is de beeltenis van hunnen Heiligen Geest. Leg eenen heete koek op uwe wonde. Het zal niet erg zijn, want ik zie dat gij, zonder een woord te vertellen, de mooren en stoverije opraapt, die het hert omver gesmeten heeft. Uw moed behoort vooral thuis in de keuken. Gij steekt het vuur opnieuw aan, brengt den soepketel terug op zijne drie palen, en houdt u zorgvuldig bezig met de kook. Weet gij waarom er vier wonderen te Leuven zijn? Neen? Ik zal het u zeggen. Ten eerste, omdat de levenden er onder de dooden gaan, want St.-Michielskerk is gebouwd dicht bij de poort van de stad. Haar kerkhof ligt op den berm der wallen; ten tweede, omdat de klokken er buiten de torens hangen, gelijk men aan St.-Jacobskerk ziet, waar een groote klok en een kleine klok zijn; daar de kleine in den toren niet meer kon geplaatst worden, heeft men ze buiten gehangen. Ten derde, omdat de autaren buiten de kerk staan, want de gevel van St.-Jacobskerk lijkt op een autaar. Ten vierde, ter oorzake van den Toren-zonder-Nagels, omdat de torenspits van Ste-Geertrui van steen gemaakt is en niet van hout, en dat men in steenen geene nagelen slaat, behalve in het hert van den bloedigen koning, dat ik boven aan de groote poort van Brussel zou willen spijkeren. Maar, gij luistert niet. Hebt gij zout in het eten gedaan? Weet gij waarom die van Dendermonde de vuurpannen heeten? Omdat, toen eens een jonge prins in de afspanningde Wapens van Vlaanderenmoest komen vernachten, de baas niet wist hoe hij het bed warm zou krijgen, want hij had geene vuurpan. Hij deed het bed verwarmen door zijne dochter, die, zoodra zij den prins hoorde bovenkomen, ijlings de vlucht nam, en de prins vroeg waarom men de pan uit het bed had genomen. God believe dat koning Philippus, in een gloeienden ijzeren trommel gestoken, tot vuurpan diene voor het leger van Astarte.

—Laat mij gerust, zeide Lamme; ik lach met u, met uwe vuurpannen, met uwen Toren-zonder-Nagels, met uwe Astarte en met al de flauwe kul, die gij verkoopt. Trek mij niet af van mijne sausen.

—Pas op, sprak Uilenspiegel. Het geblaf houdt niet op, het komt dichter en dichter, de honden huilen, de trompetten weerschallen. Pas op voor het hert.

Op die woorden nam Lamme de vlucht, en Uilenspiegel riep hem nog achterna:

—Hoort gij de jachthorens?

—’t Is niets, Lamme, kom terug bij uwe stoverije, sprak de oude man. ’t Zijn de honden, die hun deel van het wild krijgen; het hert is dood.

—Dat zal ons een lekkeren maaltijd bezorgen, sprak Lamme. Ik hoop wel dat gij mij zult nooden, ter oorzake van de moeite, die ik mij geef voor ulieden. De saus van de vogelen zal lekker zijn, maar ze kraakt toch een weinig. Dat kan ook niet missen, want de vogelen zijn in het zand gevallen, als die groote duivel van een hert op mij kwam gestormd, en mijn wambuis en mijn vel al te zamen aan stukken trok. Maar zeg eens, vreest gij de houtvesters niet?

—Wij zijn al te talrijk, sprak de oude man; zij zijn bevreesd en verontrusten ons niet. Ook de serjanten, beulsknechten en rechters laten ons met vrede. De inwoners van de steden zien ons geerne, want wij doen hun geen kwaad. Wij zullen hier nog eenigen tijd leven in vrede, ten ware het Spaansche leger ons omsingelde. Mocht dat gebeuren, zoo zouden wij, grijsaards, jonge mannen, vrouwen, dochteren, knapen en meidekens, ons leven duur verkoopen, en liever nog doodden wij elkander, dan duizend folteringen te lijden door de hand van den bloedigen hertog.

Uilenspiegel sprak:

De tijd is voorbij, dat men den gruwzamen beul te lande bestreed. ’t Is op zee, dat wij zijne macht moeten fnuiken. Gaat naar den kant van de Zeeuwsche eilanden, over Brugge, Heist en Knokke, langs het duin.

—Wij bezitten geen duit, spraken zij.

Uilenspiegel antwoordde:

—Hier zijn duizend karolussen vanwege den prins. Gaat voort langsheen de waterloopen, vaarten, stroomen en rivieren; als gij schepen ziet met het merk J-H-S, dat een uwer het gezang des leeuweriks nabootse. Een hanengekraai zal U antwoorden. En gij zult wezen bij vrienden, bij soldaten van ’t vrije geweten.

—Wij zullen het doen, zeiden de mannen.

De jagers, gevolgd door de honden, verschenen weldra, en trokken met koorden het doode hert achter zich.

Toen zetten allen zich neer rond het vuur.

Zij waren wel zestig in getal, mannen, vrouwen en kinderen.

Het brood werd uit de weitasschen gehaald, de messen uit de scheeden getrokken. Het hert werd aan stukken gesneden, gestroopt, geruimd, en met het kleinere wild aan het braadspit gestoken.

En, na den maaltijd, zag men Lamme tegen eenen boom zitten snorken, met het hoofd op de borst.

Toen de avond gevallen was, trokken de Broeders van het Woud in holen onder den grond om te slapen, en Lamme en Uilenspiegel deden hetzelfde.

Gewapende mannen hielden de wacht rond het kamp. En Uilenspiegel hoorde de drogebladerenonder hunne voeten kraken.

En ’s anderen daags morgens ging hij henen met Lamme, terwijl die van het kamp zeiden tot hem:

—God zegene u; wij gaan naar de zee.


Back to IndexNext