XXXVIII.

XXXVIII.In dien tijd genas Katelijne, met kruiden, een os, drie schapen en een verken toebehoorende aan Speelman, doch de koe van Jan Beloen kon ze niet genezen. Jan beschuldigde haar van hekserij en verklaarde, dat zij het dier betooverd had, daar zij, terwijl zij het de geneeskruiden gaf, het gestreeld en aangesproken had, zeker in een duivelsche tale, want een eerlijk christenmensch mag het woord tot geen dier richten.Gemelde Jan Beloen voegde er bij, dat hij gebuur was van Speelman, wiens os, schapen en verken zij genezen had en, zoo zij zijne koe gedood had, het zeker was op het opstoken van Speelman, die jaloersch was, omdat zijne akkers slechter bebouwd waren en minder opbrachten dan de zijne—van Beloen namelijk. Op getuigenis van Pieter Meulemeester, een man van goedgedrag en zeden, en ook van Jan Beloen, die bevestigden dat Katelijne te Damme bekend stond als tooveres, en naar allen schijn de koe gedood had, werd Katelijne aangehouden en veroordeeld om op de pijnbank te worden gelegd totdat zij hare misdaden bekende.Zij werd ondervraagd door een schout, die altijd narrig was, want heel den dag door dronk hij brandewijn. Vóór hem en vóór die van de Vierschaar, deed hij Katelijne op de eerste pijnbank zetten.De beul ontkleedde haar en keek of zij geenerlei hekserij verborgen hield.Hij vond niets, en bond heur met koorden op de pijnbank. Toen zegde zij:—Heilige Moeder Gods, laat mij sterven, dat ik mijne schamelheid aan die mannen niet hoeve te toonen!Toen legde de beul natte doeken op heure borst, heuren buik en heure armen; vervolgens hief hij de bank op en goot hij heet water in heure keel, bij zulke groote hoeveelheid, dat zij gansch opgeblazen scheen. Vervolgens liet hij de bank nedervallen.De schout vroeg aan Katelijne of zij hare misdaad wilde bekennen. Zij schudde het hoofd. Toen goot de beul nog heet water in haren mond, maar Katelijne gaf het allemaal over.Op het oordeel van den heelmeester, werd zij toen losgemaakt. Zij sprak niet, doch klopte op hare borst om te zeggen, dat het heet water haar verbrand had. Toen de schout zag dat zij van haar eerste foltering bekomen was, sprak hij:—Beken, dat gij tooveres zijt en dat gij de koe betooverd hebt.—Ik zal niet bekennen, sprak zij. Zooveel het in de macht van mijn zwak herte ligt, zie ik alle beesten geerne, en ik deed nog liever leed aan mij zelve dan aan hen, daar zij zich niet verdedigen kunnen. Om de koe te helpen, heb ik de geneeskruiden gebruikt, die ik moest.Maar de schout sprak:—Gij hebt vergif gebruikt, want de koe is gestorven.—Heere schout, antwoordde Katelijne, ik ben hier voor u en in uwe macht; en toch durf ik zeggen, dat een dier, evenals een mensch, van ziekte kan sterven, niettegenstaande de hulp van artsen en heelmeesteren. En bij Jezus-Christus, die voor onze zonden op het kruis is gestorven, zweer ik dat ik die koe geenerlei kwaad gewild heb, doch getracht heb ze te genezen met de gebruikelijke kruiden.Woedend sprak toen de schout:—Die tooverkol zal niet blijven afstrijden; men brenge heur op een andere pijnbank!En daarna dronk hij een groot glas brandewijn.De beul deed Katelijne zitten op het deksel eener eiken doodkist, die op pikkels stond. Dat deksel, in den vorm van een dak, was scherp als een mes. Een groot vuur brandde in den schoorsteen, want men was toen in de slachtmaand.Katelijne werd op de doodkist en op een scherpe houten pinne gezet, en men deed haar nieuwlederen schoenen aan die te smal waren. Zóó schoof men heur tegen het vuur. Als zij de snede van de doodkist en de scherpe pinne in heur vleesch voelde dringen, en de hitte van ’t vuur het leder van de schoenen deed krimpen, riep zij uit:—Ik lijd ongemeene smerten! Wie geeft mij zwart vergif?—Breng haar dichter bij ’t vuur, sprak de schout.Toen ondervroeg hij Katelijne.—Hoe dikwijls, sprak hij, reedt gij op een bezemsteel naar den heksensabbat? Hoe dikwijls deedt gij het koren in de aar, de vrucht op den boom, het kind in den schoot vergaan? Hoe dikwijls zaaidet gij haat en nijd in de herten van broeders en zusters?Katelijne wilde spreken, maar zij kon niet, en zij zwaaide met hare handen als om „neen” te bedieden. Toen zegde de schout:—Zij zal niet spreken vooraleer zij al heur heksenvet zal voelen smelten. Breng haar nog dichter bij het vuur.Katelijne schreeuwde. De schout zegde heur:—Bid Satan dat hij u verfrissching bezorge.Met het gezicht vol smerte, wees zij naar heure schoenen, die rookten ten gevolge van de hitte des vuurs.—Bid Satan, dat hij ze uitdoe, sprak de schout.Tien uren sloeg de klok, dit was het etensuur van den wreedaard; hij vertrok met zijn schrijver, den beul en zijn knechten, en liet Katelijne alleen bij ’t vuur, in de folterkamer.Te elf uren kwamen zij terug, en zij vonden Katelijne stijf en onbeweeglijk zitten. De schrijver sprak:—Ik geloof, dat zij dood is.De schout beval Katelijne van de doodkist te nemen en heure schoenen uit te doen. De beul moest ze vaneen snijden en Katelijne’s voeten waren rood en bloedden.En de schout, die aan zijn maaltijd dacht, bezag ze, doch uitte geen woord; doch weldra kwam ze tot heur zelve terug; zij viel ten gronde zonder zich te kunnen oprichten ondanks al heure krachtsinspanning, en sprak tot den schout:—Vroeger wildet gij mij voor echtgenoote, maar nu zult gij mij niet meer hebben. Viermaal drie is een heilig getal, en de dertiende is de echtgenoot.Vervolgens, daar de schout wilde spreken, zegde zij tot hem:—Zwijg stille: hij hoort beter dan de aartsengel, die in den hemel de hertkloppingen der rechtvaardigen telt. Waarom komt gij zoo spa? Viermaal drie is een heilig getal; het doodt de ellendelingen, die mij willen vervolgen.De schout sprak:—Zij ontvangt den duivel in heur bedde.—Zij is uitzinnig, ten gevolge van de smerten der foltering, sprak de schrijver.Katelijne werd terug naar ’t gevang gebracht. Drie dagen nadien kwamen de schepenen in de Vierschaar bijeen en, na rijpe beraadslaging, werd Katelijne veroordeeld tot de straffe des vuurs.De beul en zijne knechten brachten heur naar de Groote Markt van Damme, alwaar een schavot opgericht was, hetwelk zij beklom. Op de Markt stonden de provoost, de heraut en de rechters.Driemaal klonken de bazuinen van den stadsheraut en deze sprak tot het volk:—De magistraat van Damme, medelijden gekregen hebbende met vrouwe Katelijne, heeft haar niet willen straffen volgens al de strengheid van de wet van de stede, maar tot teeken dat zij tooveres is, zal heur haar verbrand worden; verder zal zij twintig gouden karolussen boete betalen en voor drie jaar gebannen worden uit de stede van Damme, op verbeurte van een lid.En het volk juichte die barbaarsche goedertierenheid toe.De beul bond Katelijne toen aan eenen paal, legde op heur geschoren hoofd eene pruik van werk en stak die in brand. En het werk brandde lang, en Katelijne schreeuwde en huilde van pijn.Eindelijk werd zij losgemaakt; zij werd op eene kar buiten het grondgebied van Damme gebracht, want heure voeten waren verbrand.

XXXVIII.In dien tijd genas Katelijne, met kruiden, een os, drie schapen en een verken toebehoorende aan Speelman, doch de koe van Jan Beloen kon ze niet genezen. Jan beschuldigde haar van hekserij en verklaarde, dat zij het dier betooverd had, daar zij, terwijl zij het de geneeskruiden gaf, het gestreeld en aangesproken had, zeker in een duivelsche tale, want een eerlijk christenmensch mag het woord tot geen dier richten.Gemelde Jan Beloen voegde er bij, dat hij gebuur was van Speelman, wiens os, schapen en verken zij genezen had en, zoo zij zijne koe gedood had, het zeker was op het opstoken van Speelman, die jaloersch was, omdat zijne akkers slechter bebouwd waren en minder opbrachten dan de zijne—van Beloen namelijk. Op getuigenis van Pieter Meulemeester, een man van goedgedrag en zeden, en ook van Jan Beloen, die bevestigden dat Katelijne te Damme bekend stond als tooveres, en naar allen schijn de koe gedood had, werd Katelijne aangehouden en veroordeeld om op de pijnbank te worden gelegd totdat zij hare misdaden bekende.Zij werd ondervraagd door een schout, die altijd narrig was, want heel den dag door dronk hij brandewijn. Vóór hem en vóór die van de Vierschaar, deed hij Katelijne op de eerste pijnbank zetten.De beul ontkleedde haar en keek of zij geenerlei hekserij verborgen hield.Hij vond niets, en bond heur met koorden op de pijnbank. Toen zegde zij:—Heilige Moeder Gods, laat mij sterven, dat ik mijne schamelheid aan die mannen niet hoeve te toonen!Toen legde de beul natte doeken op heure borst, heuren buik en heure armen; vervolgens hief hij de bank op en goot hij heet water in heure keel, bij zulke groote hoeveelheid, dat zij gansch opgeblazen scheen. Vervolgens liet hij de bank nedervallen.De schout vroeg aan Katelijne of zij hare misdaad wilde bekennen. Zij schudde het hoofd. Toen goot de beul nog heet water in haren mond, maar Katelijne gaf het allemaal over.Op het oordeel van den heelmeester, werd zij toen losgemaakt. Zij sprak niet, doch klopte op hare borst om te zeggen, dat het heet water haar verbrand had. Toen de schout zag dat zij van haar eerste foltering bekomen was, sprak hij:—Beken, dat gij tooveres zijt en dat gij de koe betooverd hebt.—Ik zal niet bekennen, sprak zij. Zooveel het in de macht van mijn zwak herte ligt, zie ik alle beesten geerne, en ik deed nog liever leed aan mij zelve dan aan hen, daar zij zich niet verdedigen kunnen. Om de koe te helpen, heb ik de geneeskruiden gebruikt, die ik moest.Maar de schout sprak:—Gij hebt vergif gebruikt, want de koe is gestorven.—Heere schout, antwoordde Katelijne, ik ben hier voor u en in uwe macht; en toch durf ik zeggen, dat een dier, evenals een mensch, van ziekte kan sterven, niettegenstaande de hulp van artsen en heelmeesteren. En bij Jezus-Christus, die voor onze zonden op het kruis is gestorven, zweer ik dat ik die koe geenerlei kwaad gewild heb, doch getracht heb ze te genezen met de gebruikelijke kruiden.Woedend sprak toen de schout:—Die tooverkol zal niet blijven afstrijden; men brenge heur op een andere pijnbank!En daarna dronk hij een groot glas brandewijn.De beul deed Katelijne zitten op het deksel eener eiken doodkist, die op pikkels stond. Dat deksel, in den vorm van een dak, was scherp als een mes. Een groot vuur brandde in den schoorsteen, want men was toen in de slachtmaand.Katelijne werd op de doodkist en op een scherpe houten pinne gezet, en men deed haar nieuwlederen schoenen aan die te smal waren. Zóó schoof men heur tegen het vuur. Als zij de snede van de doodkist en de scherpe pinne in heur vleesch voelde dringen, en de hitte van ’t vuur het leder van de schoenen deed krimpen, riep zij uit:—Ik lijd ongemeene smerten! Wie geeft mij zwart vergif?—Breng haar dichter bij ’t vuur, sprak de schout.Toen ondervroeg hij Katelijne.—Hoe dikwijls, sprak hij, reedt gij op een bezemsteel naar den heksensabbat? Hoe dikwijls deedt gij het koren in de aar, de vrucht op den boom, het kind in den schoot vergaan? Hoe dikwijls zaaidet gij haat en nijd in de herten van broeders en zusters?Katelijne wilde spreken, maar zij kon niet, en zij zwaaide met hare handen als om „neen” te bedieden. Toen zegde de schout:—Zij zal niet spreken vooraleer zij al heur heksenvet zal voelen smelten. Breng haar nog dichter bij het vuur.Katelijne schreeuwde. De schout zegde heur:—Bid Satan dat hij u verfrissching bezorge.Met het gezicht vol smerte, wees zij naar heure schoenen, die rookten ten gevolge van de hitte des vuurs.—Bid Satan, dat hij ze uitdoe, sprak de schout.Tien uren sloeg de klok, dit was het etensuur van den wreedaard; hij vertrok met zijn schrijver, den beul en zijn knechten, en liet Katelijne alleen bij ’t vuur, in de folterkamer.Te elf uren kwamen zij terug, en zij vonden Katelijne stijf en onbeweeglijk zitten. De schrijver sprak:—Ik geloof, dat zij dood is.De schout beval Katelijne van de doodkist te nemen en heure schoenen uit te doen. De beul moest ze vaneen snijden en Katelijne’s voeten waren rood en bloedden.En de schout, die aan zijn maaltijd dacht, bezag ze, doch uitte geen woord; doch weldra kwam ze tot heur zelve terug; zij viel ten gronde zonder zich te kunnen oprichten ondanks al heure krachtsinspanning, en sprak tot den schout:—Vroeger wildet gij mij voor echtgenoote, maar nu zult gij mij niet meer hebben. Viermaal drie is een heilig getal, en de dertiende is de echtgenoot.Vervolgens, daar de schout wilde spreken, zegde zij tot hem:—Zwijg stille: hij hoort beter dan de aartsengel, die in den hemel de hertkloppingen der rechtvaardigen telt. Waarom komt gij zoo spa? Viermaal drie is een heilig getal; het doodt de ellendelingen, die mij willen vervolgen.De schout sprak:—Zij ontvangt den duivel in heur bedde.—Zij is uitzinnig, ten gevolge van de smerten der foltering, sprak de schrijver.Katelijne werd terug naar ’t gevang gebracht. Drie dagen nadien kwamen de schepenen in de Vierschaar bijeen en, na rijpe beraadslaging, werd Katelijne veroordeeld tot de straffe des vuurs.De beul en zijne knechten brachten heur naar de Groote Markt van Damme, alwaar een schavot opgericht was, hetwelk zij beklom. Op de Markt stonden de provoost, de heraut en de rechters.Driemaal klonken de bazuinen van den stadsheraut en deze sprak tot het volk:—De magistraat van Damme, medelijden gekregen hebbende met vrouwe Katelijne, heeft haar niet willen straffen volgens al de strengheid van de wet van de stede, maar tot teeken dat zij tooveres is, zal heur haar verbrand worden; verder zal zij twintig gouden karolussen boete betalen en voor drie jaar gebannen worden uit de stede van Damme, op verbeurte van een lid.En het volk juichte die barbaarsche goedertierenheid toe.De beul bond Katelijne toen aan eenen paal, legde op heur geschoren hoofd eene pruik van werk en stak die in brand. En het werk brandde lang, en Katelijne schreeuwde en huilde van pijn.Eindelijk werd zij losgemaakt; zij werd op eene kar buiten het grondgebied van Damme gebracht, want heure voeten waren verbrand.

XXXVIII.In dien tijd genas Katelijne, met kruiden, een os, drie schapen en een verken toebehoorende aan Speelman, doch de koe van Jan Beloen kon ze niet genezen. Jan beschuldigde haar van hekserij en verklaarde, dat zij het dier betooverd had, daar zij, terwijl zij het de geneeskruiden gaf, het gestreeld en aangesproken had, zeker in een duivelsche tale, want een eerlijk christenmensch mag het woord tot geen dier richten.Gemelde Jan Beloen voegde er bij, dat hij gebuur was van Speelman, wiens os, schapen en verken zij genezen had en, zoo zij zijne koe gedood had, het zeker was op het opstoken van Speelman, die jaloersch was, omdat zijne akkers slechter bebouwd waren en minder opbrachten dan de zijne—van Beloen namelijk. Op getuigenis van Pieter Meulemeester, een man van goedgedrag en zeden, en ook van Jan Beloen, die bevestigden dat Katelijne te Damme bekend stond als tooveres, en naar allen schijn de koe gedood had, werd Katelijne aangehouden en veroordeeld om op de pijnbank te worden gelegd totdat zij hare misdaden bekende.Zij werd ondervraagd door een schout, die altijd narrig was, want heel den dag door dronk hij brandewijn. Vóór hem en vóór die van de Vierschaar, deed hij Katelijne op de eerste pijnbank zetten.De beul ontkleedde haar en keek of zij geenerlei hekserij verborgen hield.Hij vond niets, en bond heur met koorden op de pijnbank. Toen zegde zij:—Heilige Moeder Gods, laat mij sterven, dat ik mijne schamelheid aan die mannen niet hoeve te toonen!Toen legde de beul natte doeken op heure borst, heuren buik en heure armen; vervolgens hief hij de bank op en goot hij heet water in heure keel, bij zulke groote hoeveelheid, dat zij gansch opgeblazen scheen. Vervolgens liet hij de bank nedervallen.De schout vroeg aan Katelijne of zij hare misdaad wilde bekennen. Zij schudde het hoofd. Toen goot de beul nog heet water in haren mond, maar Katelijne gaf het allemaal over.Op het oordeel van den heelmeester, werd zij toen losgemaakt. Zij sprak niet, doch klopte op hare borst om te zeggen, dat het heet water haar verbrand had. Toen de schout zag dat zij van haar eerste foltering bekomen was, sprak hij:—Beken, dat gij tooveres zijt en dat gij de koe betooverd hebt.—Ik zal niet bekennen, sprak zij. Zooveel het in de macht van mijn zwak herte ligt, zie ik alle beesten geerne, en ik deed nog liever leed aan mij zelve dan aan hen, daar zij zich niet verdedigen kunnen. Om de koe te helpen, heb ik de geneeskruiden gebruikt, die ik moest.Maar de schout sprak:—Gij hebt vergif gebruikt, want de koe is gestorven.—Heere schout, antwoordde Katelijne, ik ben hier voor u en in uwe macht; en toch durf ik zeggen, dat een dier, evenals een mensch, van ziekte kan sterven, niettegenstaande de hulp van artsen en heelmeesteren. En bij Jezus-Christus, die voor onze zonden op het kruis is gestorven, zweer ik dat ik die koe geenerlei kwaad gewild heb, doch getracht heb ze te genezen met de gebruikelijke kruiden.Woedend sprak toen de schout:—Die tooverkol zal niet blijven afstrijden; men brenge heur op een andere pijnbank!En daarna dronk hij een groot glas brandewijn.De beul deed Katelijne zitten op het deksel eener eiken doodkist, die op pikkels stond. Dat deksel, in den vorm van een dak, was scherp als een mes. Een groot vuur brandde in den schoorsteen, want men was toen in de slachtmaand.Katelijne werd op de doodkist en op een scherpe houten pinne gezet, en men deed haar nieuwlederen schoenen aan die te smal waren. Zóó schoof men heur tegen het vuur. Als zij de snede van de doodkist en de scherpe pinne in heur vleesch voelde dringen, en de hitte van ’t vuur het leder van de schoenen deed krimpen, riep zij uit:—Ik lijd ongemeene smerten! Wie geeft mij zwart vergif?—Breng haar dichter bij ’t vuur, sprak de schout.Toen ondervroeg hij Katelijne.—Hoe dikwijls, sprak hij, reedt gij op een bezemsteel naar den heksensabbat? Hoe dikwijls deedt gij het koren in de aar, de vrucht op den boom, het kind in den schoot vergaan? Hoe dikwijls zaaidet gij haat en nijd in de herten van broeders en zusters?Katelijne wilde spreken, maar zij kon niet, en zij zwaaide met hare handen als om „neen” te bedieden. Toen zegde de schout:—Zij zal niet spreken vooraleer zij al heur heksenvet zal voelen smelten. Breng haar nog dichter bij het vuur.Katelijne schreeuwde. De schout zegde heur:—Bid Satan dat hij u verfrissching bezorge.Met het gezicht vol smerte, wees zij naar heure schoenen, die rookten ten gevolge van de hitte des vuurs.—Bid Satan, dat hij ze uitdoe, sprak de schout.Tien uren sloeg de klok, dit was het etensuur van den wreedaard; hij vertrok met zijn schrijver, den beul en zijn knechten, en liet Katelijne alleen bij ’t vuur, in de folterkamer.Te elf uren kwamen zij terug, en zij vonden Katelijne stijf en onbeweeglijk zitten. De schrijver sprak:—Ik geloof, dat zij dood is.De schout beval Katelijne van de doodkist te nemen en heure schoenen uit te doen. De beul moest ze vaneen snijden en Katelijne’s voeten waren rood en bloedden.En de schout, die aan zijn maaltijd dacht, bezag ze, doch uitte geen woord; doch weldra kwam ze tot heur zelve terug; zij viel ten gronde zonder zich te kunnen oprichten ondanks al heure krachtsinspanning, en sprak tot den schout:—Vroeger wildet gij mij voor echtgenoote, maar nu zult gij mij niet meer hebben. Viermaal drie is een heilig getal, en de dertiende is de echtgenoot.Vervolgens, daar de schout wilde spreken, zegde zij tot hem:—Zwijg stille: hij hoort beter dan de aartsengel, die in den hemel de hertkloppingen der rechtvaardigen telt. Waarom komt gij zoo spa? Viermaal drie is een heilig getal; het doodt de ellendelingen, die mij willen vervolgen.De schout sprak:—Zij ontvangt den duivel in heur bedde.—Zij is uitzinnig, ten gevolge van de smerten der foltering, sprak de schrijver.Katelijne werd terug naar ’t gevang gebracht. Drie dagen nadien kwamen de schepenen in de Vierschaar bijeen en, na rijpe beraadslaging, werd Katelijne veroordeeld tot de straffe des vuurs.De beul en zijne knechten brachten heur naar de Groote Markt van Damme, alwaar een schavot opgericht was, hetwelk zij beklom. Op de Markt stonden de provoost, de heraut en de rechters.Driemaal klonken de bazuinen van den stadsheraut en deze sprak tot het volk:—De magistraat van Damme, medelijden gekregen hebbende met vrouwe Katelijne, heeft haar niet willen straffen volgens al de strengheid van de wet van de stede, maar tot teeken dat zij tooveres is, zal heur haar verbrand worden; verder zal zij twintig gouden karolussen boete betalen en voor drie jaar gebannen worden uit de stede van Damme, op verbeurte van een lid.En het volk juichte die barbaarsche goedertierenheid toe.De beul bond Katelijne toen aan eenen paal, legde op heur geschoren hoofd eene pruik van werk en stak die in brand. En het werk brandde lang, en Katelijne schreeuwde en huilde van pijn.Eindelijk werd zij losgemaakt; zij werd op eene kar buiten het grondgebied van Damme gebracht, want heure voeten waren verbrand.

XXXVIII.

In dien tijd genas Katelijne, met kruiden, een os, drie schapen en een verken toebehoorende aan Speelman, doch de koe van Jan Beloen kon ze niet genezen. Jan beschuldigde haar van hekserij en verklaarde, dat zij het dier betooverd had, daar zij, terwijl zij het de geneeskruiden gaf, het gestreeld en aangesproken had, zeker in een duivelsche tale, want een eerlijk christenmensch mag het woord tot geen dier richten.Gemelde Jan Beloen voegde er bij, dat hij gebuur was van Speelman, wiens os, schapen en verken zij genezen had en, zoo zij zijne koe gedood had, het zeker was op het opstoken van Speelman, die jaloersch was, omdat zijne akkers slechter bebouwd waren en minder opbrachten dan de zijne—van Beloen namelijk. Op getuigenis van Pieter Meulemeester, een man van goedgedrag en zeden, en ook van Jan Beloen, die bevestigden dat Katelijne te Damme bekend stond als tooveres, en naar allen schijn de koe gedood had, werd Katelijne aangehouden en veroordeeld om op de pijnbank te worden gelegd totdat zij hare misdaden bekende.Zij werd ondervraagd door een schout, die altijd narrig was, want heel den dag door dronk hij brandewijn. Vóór hem en vóór die van de Vierschaar, deed hij Katelijne op de eerste pijnbank zetten.De beul ontkleedde haar en keek of zij geenerlei hekserij verborgen hield.Hij vond niets, en bond heur met koorden op de pijnbank. Toen zegde zij:—Heilige Moeder Gods, laat mij sterven, dat ik mijne schamelheid aan die mannen niet hoeve te toonen!Toen legde de beul natte doeken op heure borst, heuren buik en heure armen; vervolgens hief hij de bank op en goot hij heet water in heure keel, bij zulke groote hoeveelheid, dat zij gansch opgeblazen scheen. Vervolgens liet hij de bank nedervallen.De schout vroeg aan Katelijne of zij hare misdaad wilde bekennen. Zij schudde het hoofd. Toen goot de beul nog heet water in haren mond, maar Katelijne gaf het allemaal over.Op het oordeel van den heelmeester, werd zij toen losgemaakt. Zij sprak niet, doch klopte op hare borst om te zeggen, dat het heet water haar verbrand had. Toen de schout zag dat zij van haar eerste foltering bekomen was, sprak hij:—Beken, dat gij tooveres zijt en dat gij de koe betooverd hebt.—Ik zal niet bekennen, sprak zij. Zooveel het in de macht van mijn zwak herte ligt, zie ik alle beesten geerne, en ik deed nog liever leed aan mij zelve dan aan hen, daar zij zich niet verdedigen kunnen. Om de koe te helpen, heb ik de geneeskruiden gebruikt, die ik moest.Maar de schout sprak:—Gij hebt vergif gebruikt, want de koe is gestorven.—Heere schout, antwoordde Katelijne, ik ben hier voor u en in uwe macht; en toch durf ik zeggen, dat een dier, evenals een mensch, van ziekte kan sterven, niettegenstaande de hulp van artsen en heelmeesteren. En bij Jezus-Christus, die voor onze zonden op het kruis is gestorven, zweer ik dat ik die koe geenerlei kwaad gewild heb, doch getracht heb ze te genezen met de gebruikelijke kruiden.Woedend sprak toen de schout:—Die tooverkol zal niet blijven afstrijden; men brenge heur op een andere pijnbank!En daarna dronk hij een groot glas brandewijn.De beul deed Katelijne zitten op het deksel eener eiken doodkist, die op pikkels stond. Dat deksel, in den vorm van een dak, was scherp als een mes. Een groot vuur brandde in den schoorsteen, want men was toen in de slachtmaand.Katelijne werd op de doodkist en op een scherpe houten pinne gezet, en men deed haar nieuwlederen schoenen aan die te smal waren. Zóó schoof men heur tegen het vuur. Als zij de snede van de doodkist en de scherpe pinne in heur vleesch voelde dringen, en de hitte van ’t vuur het leder van de schoenen deed krimpen, riep zij uit:—Ik lijd ongemeene smerten! Wie geeft mij zwart vergif?—Breng haar dichter bij ’t vuur, sprak de schout.Toen ondervroeg hij Katelijne.—Hoe dikwijls, sprak hij, reedt gij op een bezemsteel naar den heksensabbat? Hoe dikwijls deedt gij het koren in de aar, de vrucht op den boom, het kind in den schoot vergaan? Hoe dikwijls zaaidet gij haat en nijd in de herten van broeders en zusters?Katelijne wilde spreken, maar zij kon niet, en zij zwaaide met hare handen als om „neen” te bedieden. Toen zegde de schout:—Zij zal niet spreken vooraleer zij al heur heksenvet zal voelen smelten. Breng haar nog dichter bij het vuur.Katelijne schreeuwde. De schout zegde heur:—Bid Satan dat hij u verfrissching bezorge.Met het gezicht vol smerte, wees zij naar heure schoenen, die rookten ten gevolge van de hitte des vuurs.—Bid Satan, dat hij ze uitdoe, sprak de schout.Tien uren sloeg de klok, dit was het etensuur van den wreedaard; hij vertrok met zijn schrijver, den beul en zijn knechten, en liet Katelijne alleen bij ’t vuur, in de folterkamer.Te elf uren kwamen zij terug, en zij vonden Katelijne stijf en onbeweeglijk zitten. De schrijver sprak:—Ik geloof, dat zij dood is.De schout beval Katelijne van de doodkist te nemen en heure schoenen uit te doen. De beul moest ze vaneen snijden en Katelijne’s voeten waren rood en bloedden.En de schout, die aan zijn maaltijd dacht, bezag ze, doch uitte geen woord; doch weldra kwam ze tot heur zelve terug; zij viel ten gronde zonder zich te kunnen oprichten ondanks al heure krachtsinspanning, en sprak tot den schout:—Vroeger wildet gij mij voor echtgenoote, maar nu zult gij mij niet meer hebben. Viermaal drie is een heilig getal, en de dertiende is de echtgenoot.Vervolgens, daar de schout wilde spreken, zegde zij tot hem:—Zwijg stille: hij hoort beter dan de aartsengel, die in den hemel de hertkloppingen der rechtvaardigen telt. Waarom komt gij zoo spa? Viermaal drie is een heilig getal; het doodt de ellendelingen, die mij willen vervolgen.De schout sprak:—Zij ontvangt den duivel in heur bedde.—Zij is uitzinnig, ten gevolge van de smerten der foltering, sprak de schrijver.Katelijne werd terug naar ’t gevang gebracht. Drie dagen nadien kwamen de schepenen in de Vierschaar bijeen en, na rijpe beraadslaging, werd Katelijne veroordeeld tot de straffe des vuurs.De beul en zijne knechten brachten heur naar de Groote Markt van Damme, alwaar een schavot opgericht was, hetwelk zij beklom. Op de Markt stonden de provoost, de heraut en de rechters.Driemaal klonken de bazuinen van den stadsheraut en deze sprak tot het volk:—De magistraat van Damme, medelijden gekregen hebbende met vrouwe Katelijne, heeft haar niet willen straffen volgens al de strengheid van de wet van de stede, maar tot teeken dat zij tooveres is, zal heur haar verbrand worden; verder zal zij twintig gouden karolussen boete betalen en voor drie jaar gebannen worden uit de stede van Damme, op verbeurte van een lid.En het volk juichte die barbaarsche goedertierenheid toe.De beul bond Katelijne toen aan eenen paal, legde op heur geschoren hoofd eene pruik van werk en stak die in brand. En het werk brandde lang, en Katelijne schreeuwde en huilde van pijn.Eindelijk werd zij losgemaakt; zij werd op eene kar buiten het grondgebied van Damme gebracht, want heure voeten waren verbrand.

In dien tijd genas Katelijne, met kruiden, een os, drie schapen en een verken toebehoorende aan Speelman, doch de koe van Jan Beloen kon ze niet genezen. Jan beschuldigde haar van hekserij en verklaarde, dat zij het dier betooverd had, daar zij, terwijl zij het de geneeskruiden gaf, het gestreeld en aangesproken had, zeker in een duivelsche tale, want een eerlijk christenmensch mag het woord tot geen dier richten.

Gemelde Jan Beloen voegde er bij, dat hij gebuur was van Speelman, wiens os, schapen en verken zij genezen had en, zoo zij zijne koe gedood had, het zeker was op het opstoken van Speelman, die jaloersch was, omdat zijne akkers slechter bebouwd waren en minder opbrachten dan de zijne—van Beloen namelijk. Op getuigenis van Pieter Meulemeester, een man van goedgedrag en zeden, en ook van Jan Beloen, die bevestigden dat Katelijne te Damme bekend stond als tooveres, en naar allen schijn de koe gedood had, werd Katelijne aangehouden en veroordeeld om op de pijnbank te worden gelegd totdat zij hare misdaden bekende.

Zij werd ondervraagd door een schout, die altijd narrig was, want heel den dag door dronk hij brandewijn. Vóór hem en vóór die van de Vierschaar, deed hij Katelijne op de eerste pijnbank zetten.

De beul ontkleedde haar en keek of zij geenerlei hekserij verborgen hield.

Hij vond niets, en bond heur met koorden op de pijnbank. Toen zegde zij:

—Heilige Moeder Gods, laat mij sterven, dat ik mijne schamelheid aan die mannen niet hoeve te toonen!

Toen legde de beul natte doeken op heure borst, heuren buik en heure armen; vervolgens hief hij de bank op en goot hij heet water in heure keel, bij zulke groote hoeveelheid, dat zij gansch opgeblazen scheen. Vervolgens liet hij de bank nedervallen.

De schout vroeg aan Katelijne of zij hare misdaad wilde bekennen. Zij schudde het hoofd. Toen goot de beul nog heet water in haren mond, maar Katelijne gaf het allemaal over.

Op het oordeel van den heelmeester, werd zij toen losgemaakt. Zij sprak niet, doch klopte op hare borst om te zeggen, dat het heet water haar verbrand had. Toen de schout zag dat zij van haar eerste foltering bekomen was, sprak hij:

—Beken, dat gij tooveres zijt en dat gij de koe betooverd hebt.

—Ik zal niet bekennen, sprak zij. Zooveel het in de macht van mijn zwak herte ligt, zie ik alle beesten geerne, en ik deed nog liever leed aan mij zelve dan aan hen, daar zij zich niet verdedigen kunnen. Om de koe te helpen, heb ik de geneeskruiden gebruikt, die ik moest.

Maar de schout sprak:

—Gij hebt vergif gebruikt, want de koe is gestorven.

—Heere schout, antwoordde Katelijne, ik ben hier voor u en in uwe macht; en toch durf ik zeggen, dat een dier, evenals een mensch, van ziekte kan sterven, niettegenstaande de hulp van artsen en heelmeesteren. En bij Jezus-Christus, die voor onze zonden op het kruis is gestorven, zweer ik dat ik die koe geenerlei kwaad gewild heb, doch getracht heb ze te genezen met de gebruikelijke kruiden.

Woedend sprak toen de schout:

—Die tooverkol zal niet blijven afstrijden; men brenge heur op een andere pijnbank!

En daarna dronk hij een groot glas brandewijn.

De beul deed Katelijne zitten op het deksel eener eiken doodkist, die op pikkels stond. Dat deksel, in den vorm van een dak, was scherp als een mes. Een groot vuur brandde in den schoorsteen, want men was toen in de slachtmaand.

Katelijne werd op de doodkist en op een scherpe houten pinne gezet, en men deed haar nieuwlederen schoenen aan die te smal waren. Zóó schoof men heur tegen het vuur. Als zij de snede van de doodkist en de scherpe pinne in heur vleesch voelde dringen, en de hitte van ’t vuur het leder van de schoenen deed krimpen, riep zij uit:

—Ik lijd ongemeene smerten! Wie geeft mij zwart vergif?

—Breng haar dichter bij ’t vuur, sprak de schout.

Toen ondervroeg hij Katelijne.

—Hoe dikwijls, sprak hij, reedt gij op een bezemsteel naar den heksensabbat? Hoe dikwijls deedt gij het koren in de aar, de vrucht op den boom, het kind in den schoot vergaan? Hoe dikwijls zaaidet gij haat en nijd in de herten van broeders en zusters?

Katelijne wilde spreken, maar zij kon niet, en zij zwaaide met hare handen als om „neen” te bedieden. Toen zegde de schout:

—Zij zal niet spreken vooraleer zij al heur heksenvet zal voelen smelten. Breng haar nog dichter bij het vuur.

Katelijne schreeuwde. De schout zegde heur:

—Bid Satan dat hij u verfrissching bezorge.

Met het gezicht vol smerte, wees zij naar heure schoenen, die rookten ten gevolge van de hitte des vuurs.

—Bid Satan, dat hij ze uitdoe, sprak de schout.

Tien uren sloeg de klok, dit was het etensuur van den wreedaard; hij vertrok met zijn schrijver, den beul en zijn knechten, en liet Katelijne alleen bij ’t vuur, in de folterkamer.

Te elf uren kwamen zij terug, en zij vonden Katelijne stijf en onbeweeglijk zitten. De schrijver sprak:

—Ik geloof, dat zij dood is.

De schout beval Katelijne van de doodkist te nemen en heure schoenen uit te doen. De beul moest ze vaneen snijden en Katelijne’s voeten waren rood en bloedden.

En de schout, die aan zijn maaltijd dacht, bezag ze, doch uitte geen woord; doch weldra kwam ze tot heur zelve terug; zij viel ten gronde zonder zich te kunnen oprichten ondanks al heure krachtsinspanning, en sprak tot den schout:

—Vroeger wildet gij mij voor echtgenoote, maar nu zult gij mij niet meer hebben. Viermaal drie is een heilig getal, en de dertiende is de echtgenoot.

Vervolgens, daar de schout wilde spreken, zegde zij tot hem:

—Zwijg stille: hij hoort beter dan de aartsengel, die in den hemel de hertkloppingen der rechtvaardigen telt. Waarom komt gij zoo spa? Viermaal drie is een heilig getal; het doodt de ellendelingen, die mij willen vervolgen.

De schout sprak:

—Zij ontvangt den duivel in heur bedde.

—Zij is uitzinnig, ten gevolge van de smerten der foltering, sprak de schrijver.

Katelijne werd terug naar ’t gevang gebracht. Drie dagen nadien kwamen de schepenen in de Vierschaar bijeen en, na rijpe beraadslaging, werd Katelijne veroordeeld tot de straffe des vuurs.

De beul en zijne knechten brachten heur naar de Groote Markt van Damme, alwaar een schavot opgericht was, hetwelk zij beklom. Op de Markt stonden de provoost, de heraut en de rechters.

Driemaal klonken de bazuinen van den stadsheraut en deze sprak tot het volk:

—De magistraat van Damme, medelijden gekregen hebbende met vrouwe Katelijne, heeft haar niet willen straffen volgens al de strengheid van de wet van de stede, maar tot teeken dat zij tooveres is, zal heur haar verbrand worden; verder zal zij twintig gouden karolussen boete betalen en voor drie jaar gebannen worden uit de stede van Damme, op verbeurte van een lid.

En het volk juichte die barbaarsche goedertierenheid toe.

De beul bond Katelijne toen aan eenen paal, legde op heur geschoren hoofd eene pruik van werk en stak die in brand. En het werk brandde lang, en Katelijne schreeuwde en huilde van pijn.

Eindelijk werd zij losgemaakt; zij werd op eene kar buiten het grondgebied van Damme gebracht, want heure voeten waren verbrand.


Back to IndexNext