XXXVI.

XXXVI.Sedert lang werden er, in het land van Damme en in de omstreken, afschuwelijke gruweldaden gepleegd.Meidekens, jonge knapen, oude mannen, die met geld naar Gent, Brugge of andere steden of dorpen van Vlaanderen waren gegaan, werden dood gevonden op den weg, naakt als pieren, den hals doorgebeten met zulke lange en scherpe tanden, dat het nekbeen van allen gebroken was.De geneesheeren en de chirurgijns-baardemakers verklaarden, dat het tanden waren van een grooten wolf.—Dieven waren ongetwijfeld gekomen na den wolf, en hadden den slachtofferen geld en kleederen afgenomen, zeiden zij.Verscheidene aanzienlijke poorters, die zich kloekmoedig zonder geleide op weg hadden begeven, verdwenen zonder dat men wist wat zij geworden waren, behalve dat men nu en dan eens een landbouwer, die ’s morgens naar zijn akker ging, wolvesporen vond in zijn kouter, terwijl zijn hond met de pooten de aarde openkrabde en een armzalig, naakt lijk ontblootte, waarop men, in den nek of onder het oor, de tanden van den wolf zag, en menigwerf ook in de beenen, doch altijd van achteren. En altijd was het nekbeen gebroken.De ontstelde boer ging dan schielijk kennis geven van zijne akelige vondst aan den baljuw, die met zijn griffier-crimineel, twee schepenen en een chirurgijn-baardemaker, ter plaatse kwam, waar het lijk des vermoorden lag. Na een neerstig en zorgvuldig onderzoek, lukte het hun soms, als het gezicht niet afgeknaagd was door de wormen, den stand, zelfs den naam en den toenaam van den verslagene te ontdekken.Doch ze waren ten zeerste verwonderd, dat de wolf, die uit honger slechts menschen aanvalt, nooit het kleinste stuk uit het lijk had gebeten.En die van Damme waren met schrik bevangen en dorsten ’s nachts zonder goed geleide niet meer uitgaan.Eindelijk toch werden verscheidene kloekmoedige soldaten uitgezonden om den wolf op te sporen, met bevel hem te zoeken, bij dag en bij nacht, in het duin, langsheen de zee.Toen waren ze omtrent Heist, in het groot duin. De nacht wasgevallen. Een der soldaten, vol vertrouwen op zijne kracht, wilde hen verlaten, om alleen op zoek te gaan, gewapend met zijne bus. De anderen lieten hem gaan, overtuigd als zij waren dat hij, een kloekmoedig en goed gewapend soldaat, den wolf zou dooden, als deze zich dorst laten zien.Toen hun gezel vertrokken was, staken zij een groot vuur aan, bij hetwelk zij zich zetten te spelen met dobbelsteenen, en brandewijn te drinken.En van tijd tot tijd riepen zij luide:—Nu, kameraad, kom maar terug; de wolf heeft schrik; kom, drink eenen slok.Doch hij antwoordde niet.Eensklaps hoorden zij een grooten schreeuw, als ’t gereutel van een man, die gekeeld wordt, en terstond liepen zij naar den kant van denwelken het geschreeuw kwam.En zij riepen:—Verweer u kloekmoedig, wij komen u ter hulp!Maar ’t duurde tamelijk lang, voordat zij hunnen makker vonden, want sommigen vermeenden, dat de kreet uit het dal, anderen dat hij van de hoogste duin was gekomen.Toen zij dal en duin met hunne lanteernen goed afgezocht hadden, vonden zij eindelijk hunnen gezel, van achteren gebeten in den arm en in het been en met gebroken nek, lijk de andere slachtofferen.Hij lag op den rug, met zijn zweerd in de toegenepen hand; zijne bus lag op het zand. Naast hem waren drie afgesneden vingeren, die de zijne niet waren, en die zij meedroegen. Zijne gordeltasch was hem ontnomen.Zij namen het lijk van hunnen gezel op de schouderen; zijn flink zweerd en zijn dappere bus droegen zij insgelijks mede, en, grammoedig en jammerend, droegen zij het lijk naar het baljuwschap, alwaar de baljuw het ontving, bijgestaan door zijnen griffier-crimineel, door twee schepenen, alsmede door twee chirurgijns.De afgesneden vingeren werden onderzocht en bevonden als zijnde die van eenen ouderling, dewelke van geenerlei ambacht kon zijn, want zij waren dun en fijn, en de nagelen lang, lijk die van rechters en geestelijken.’s Anderen daags gingen de baljuw, de schepenen, de griffier, de chirurgijns en de soldaten naar de plaats, waar de arme doode gebeten was, en zij zagen bloeddroppelen op het gras, en stappen die gingen tot aan de zee, waar zij ophielden.

XXXVI.Sedert lang werden er, in het land van Damme en in de omstreken, afschuwelijke gruweldaden gepleegd.Meidekens, jonge knapen, oude mannen, die met geld naar Gent, Brugge of andere steden of dorpen van Vlaanderen waren gegaan, werden dood gevonden op den weg, naakt als pieren, den hals doorgebeten met zulke lange en scherpe tanden, dat het nekbeen van allen gebroken was.De geneesheeren en de chirurgijns-baardemakers verklaarden, dat het tanden waren van een grooten wolf.—Dieven waren ongetwijfeld gekomen na den wolf, en hadden den slachtofferen geld en kleederen afgenomen, zeiden zij.Verscheidene aanzienlijke poorters, die zich kloekmoedig zonder geleide op weg hadden begeven, verdwenen zonder dat men wist wat zij geworden waren, behalve dat men nu en dan eens een landbouwer, die ’s morgens naar zijn akker ging, wolvesporen vond in zijn kouter, terwijl zijn hond met de pooten de aarde openkrabde en een armzalig, naakt lijk ontblootte, waarop men, in den nek of onder het oor, de tanden van den wolf zag, en menigwerf ook in de beenen, doch altijd van achteren. En altijd was het nekbeen gebroken.De ontstelde boer ging dan schielijk kennis geven van zijne akelige vondst aan den baljuw, die met zijn griffier-crimineel, twee schepenen en een chirurgijn-baardemaker, ter plaatse kwam, waar het lijk des vermoorden lag. Na een neerstig en zorgvuldig onderzoek, lukte het hun soms, als het gezicht niet afgeknaagd was door de wormen, den stand, zelfs den naam en den toenaam van den verslagene te ontdekken.Doch ze waren ten zeerste verwonderd, dat de wolf, die uit honger slechts menschen aanvalt, nooit het kleinste stuk uit het lijk had gebeten.En die van Damme waren met schrik bevangen en dorsten ’s nachts zonder goed geleide niet meer uitgaan.Eindelijk toch werden verscheidene kloekmoedige soldaten uitgezonden om den wolf op te sporen, met bevel hem te zoeken, bij dag en bij nacht, in het duin, langsheen de zee.Toen waren ze omtrent Heist, in het groot duin. De nacht wasgevallen. Een der soldaten, vol vertrouwen op zijne kracht, wilde hen verlaten, om alleen op zoek te gaan, gewapend met zijne bus. De anderen lieten hem gaan, overtuigd als zij waren dat hij, een kloekmoedig en goed gewapend soldaat, den wolf zou dooden, als deze zich dorst laten zien.Toen hun gezel vertrokken was, staken zij een groot vuur aan, bij hetwelk zij zich zetten te spelen met dobbelsteenen, en brandewijn te drinken.En van tijd tot tijd riepen zij luide:—Nu, kameraad, kom maar terug; de wolf heeft schrik; kom, drink eenen slok.Doch hij antwoordde niet.Eensklaps hoorden zij een grooten schreeuw, als ’t gereutel van een man, die gekeeld wordt, en terstond liepen zij naar den kant van denwelken het geschreeuw kwam.En zij riepen:—Verweer u kloekmoedig, wij komen u ter hulp!Maar ’t duurde tamelijk lang, voordat zij hunnen makker vonden, want sommigen vermeenden, dat de kreet uit het dal, anderen dat hij van de hoogste duin was gekomen.Toen zij dal en duin met hunne lanteernen goed afgezocht hadden, vonden zij eindelijk hunnen gezel, van achteren gebeten in den arm en in het been en met gebroken nek, lijk de andere slachtofferen.Hij lag op den rug, met zijn zweerd in de toegenepen hand; zijne bus lag op het zand. Naast hem waren drie afgesneden vingeren, die de zijne niet waren, en die zij meedroegen. Zijne gordeltasch was hem ontnomen.Zij namen het lijk van hunnen gezel op de schouderen; zijn flink zweerd en zijn dappere bus droegen zij insgelijks mede, en, grammoedig en jammerend, droegen zij het lijk naar het baljuwschap, alwaar de baljuw het ontving, bijgestaan door zijnen griffier-crimineel, door twee schepenen, alsmede door twee chirurgijns.De afgesneden vingeren werden onderzocht en bevonden als zijnde die van eenen ouderling, dewelke van geenerlei ambacht kon zijn, want zij waren dun en fijn, en de nagelen lang, lijk die van rechters en geestelijken.’s Anderen daags gingen de baljuw, de schepenen, de griffier, de chirurgijns en de soldaten naar de plaats, waar de arme doode gebeten was, en zij zagen bloeddroppelen op het gras, en stappen die gingen tot aan de zee, waar zij ophielden.

XXXVI.Sedert lang werden er, in het land van Damme en in de omstreken, afschuwelijke gruweldaden gepleegd.Meidekens, jonge knapen, oude mannen, die met geld naar Gent, Brugge of andere steden of dorpen van Vlaanderen waren gegaan, werden dood gevonden op den weg, naakt als pieren, den hals doorgebeten met zulke lange en scherpe tanden, dat het nekbeen van allen gebroken was.De geneesheeren en de chirurgijns-baardemakers verklaarden, dat het tanden waren van een grooten wolf.—Dieven waren ongetwijfeld gekomen na den wolf, en hadden den slachtofferen geld en kleederen afgenomen, zeiden zij.Verscheidene aanzienlijke poorters, die zich kloekmoedig zonder geleide op weg hadden begeven, verdwenen zonder dat men wist wat zij geworden waren, behalve dat men nu en dan eens een landbouwer, die ’s morgens naar zijn akker ging, wolvesporen vond in zijn kouter, terwijl zijn hond met de pooten de aarde openkrabde en een armzalig, naakt lijk ontblootte, waarop men, in den nek of onder het oor, de tanden van den wolf zag, en menigwerf ook in de beenen, doch altijd van achteren. En altijd was het nekbeen gebroken.De ontstelde boer ging dan schielijk kennis geven van zijne akelige vondst aan den baljuw, die met zijn griffier-crimineel, twee schepenen en een chirurgijn-baardemaker, ter plaatse kwam, waar het lijk des vermoorden lag. Na een neerstig en zorgvuldig onderzoek, lukte het hun soms, als het gezicht niet afgeknaagd was door de wormen, den stand, zelfs den naam en den toenaam van den verslagene te ontdekken.Doch ze waren ten zeerste verwonderd, dat de wolf, die uit honger slechts menschen aanvalt, nooit het kleinste stuk uit het lijk had gebeten.En die van Damme waren met schrik bevangen en dorsten ’s nachts zonder goed geleide niet meer uitgaan.Eindelijk toch werden verscheidene kloekmoedige soldaten uitgezonden om den wolf op te sporen, met bevel hem te zoeken, bij dag en bij nacht, in het duin, langsheen de zee.Toen waren ze omtrent Heist, in het groot duin. De nacht wasgevallen. Een der soldaten, vol vertrouwen op zijne kracht, wilde hen verlaten, om alleen op zoek te gaan, gewapend met zijne bus. De anderen lieten hem gaan, overtuigd als zij waren dat hij, een kloekmoedig en goed gewapend soldaat, den wolf zou dooden, als deze zich dorst laten zien.Toen hun gezel vertrokken was, staken zij een groot vuur aan, bij hetwelk zij zich zetten te spelen met dobbelsteenen, en brandewijn te drinken.En van tijd tot tijd riepen zij luide:—Nu, kameraad, kom maar terug; de wolf heeft schrik; kom, drink eenen slok.Doch hij antwoordde niet.Eensklaps hoorden zij een grooten schreeuw, als ’t gereutel van een man, die gekeeld wordt, en terstond liepen zij naar den kant van denwelken het geschreeuw kwam.En zij riepen:—Verweer u kloekmoedig, wij komen u ter hulp!Maar ’t duurde tamelijk lang, voordat zij hunnen makker vonden, want sommigen vermeenden, dat de kreet uit het dal, anderen dat hij van de hoogste duin was gekomen.Toen zij dal en duin met hunne lanteernen goed afgezocht hadden, vonden zij eindelijk hunnen gezel, van achteren gebeten in den arm en in het been en met gebroken nek, lijk de andere slachtofferen.Hij lag op den rug, met zijn zweerd in de toegenepen hand; zijne bus lag op het zand. Naast hem waren drie afgesneden vingeren, die de zijne niet waren, en die zij meedroegen. Zijne gordeltasch was hem ontnomen.Zij namen het lijk van hunnen gezel op de schouderen; zijn flink zweerd en zijn dappere bus droegen zij insgelijks mede, en, grammoedig en jammerend, droegen zij het lijk naar het baljuwschap, alwaar de baljuw het ontving, bijgestaan door zijnen griffier-crimineel, door twee schepenen, alsmede door twee chirurgijns.De afgesneden vingeren werden onderzocht en bevonden als zijnde die van eenen ouderling, dewelke van geenerlei ambacht kon zijn, want zij waren dun en fijn, en de nagelen lang, lijk die van rechters en geestelijken.’s Anderen daags gingen de baljuw, de schepenen, de griffier, de chirurgijns en de soldaten naar de plaats, waar de arme doode gebeten was, en zij zagen bloeddroppelen op het gras, en stappen die gingen tot aan de zee, waar zij ophielden.

XXXVI.

Sedert lang werden er, in het land van Damme en in de omstreken, afschuwelijke gruweldaden gepleegd.Meidekens, jonge knapen, oude mannen, die met geld naar Gent, Brugge of andere steden of dorpen van Vlaanderen waren gegaan, werden dood gevonden op den weg, naakt als pieren, den hals doorgebeten met zulke lange en scherpe tanden, dat het nekbeen van allen gebroken was.De geneesheeren en de chirurgijns-baardemakers verklaarden, dat het tanden waren van een grooten wolf.—Dieven waren ongetwijfeld gekomen na den wolf, en hadden den slachtofferen geld en kleederen afgenomen, zeiden zij.Verscheidene aanzienlijke poorters, die zich kloekmoedig zonder geleide op weg hadden begeven, verdwenen zonder dat men wist wat zij geworden waren, behalve dat men nu en dan eens een landbouwer, die ’s morgens naar zijn akker ging, wolvesporen vond in zijn kouter, terwijl zijn hond met de pooten de aarde openkrabde en een armzalig, naakt lijk ontblootte, waarop men, in den nek of onder het oor, de tanden van den wolf zag, en menigwerf ook in de beenen, doch altijd van achteren. En altijd was het nekbeen gebroken.De ontstelde boer ging dan schielijk kennis geven van zijne akelige vondst aan den baljuw, die met zijn griffier-crimineel, twee schepenen en een chirurgijn-baardemaker, ter plaatse kwam, waar het lijk des vermoorden lag. Na een neerstig en zorgvuldig onderzoek, lukte het hun soms, als het gezicht niet afgeknaagd was door de wormen, den stand, zelfs den naam en den toenaam van den verslagene te ontdekken.Doch ze waren ten zeerste verwonderd, dat de wolf, die uit honger slechts menschen aanvalt, nooit het kleinste stuk uit het lijk had gebeten.En die van Damme waren met schrik bevangen en dorsten ’s nachts zonder goed geleide niet meer uitgaan.Eindelijk toch werden verscheidene kloekmoedige soldaten uitgezonden om den wolf op te sporen, met bevel hem te zoeken, bij dag en bij nacht, in het duin, langsheen de zee.Toen waren ze omtrent Heist, in het groot duin. De nacht wasgevallen. Een der soldaten, vol vertrouwen op zijne kracht, wilde hen verlaten, om alleen op zoek te gaan, gewapend met zijne bus. De anderen lieten hem gaan, overtuigd als zij waren dat hij, een kloekmoedig en goed gewapend soldaat, den wolf zou dooden, als deze zich dorst laten zien.Toen hun gezel vertrokken was, staken zij een groot vuur aan, bij hetwelk zij zich zetten te spelen met dobbelsteenen, en brandewijn te drinken.En van tijd tot tijd riepen zij luide:—Nu, kameraad, kom maar terug; de wolf heeft schrik; kom, drink eenen slok.Doch hij antwoordde niet.Eensklaps hoorden zij een grooten schreeuw, als ’t gereutel van een man, die gekeeld wordt, en terstond liepen zij naar den kant van denwelken het geschreeuw kwam.En zij riepen:—Verweer u kloekmoedig, wij komen u ter hulp!Maar ’t duurde tamelijk lang, voordat zij hunnen makker vonden, want sommigen vermeenden, dat de kreet uit het dal, anderen dat hij van de hoogste duin was gekomen.Toen zij dal en duin met hunne lanteernen goed afgezocht hadden, vonden zij eindelijk hunnen gezel, van achteren gebeten in den arm en in het been en met gebroken nek, lijk de andere slachtofferen.Hij lag op den rug, met zijn zweerd in de toegenepen hand; zijne bus lag op het zand. Naast hem waren drie afgesneden vingeren, die de zijne niet waren, en die zij meedroegen. Zijne gordeltasch was hem ontnomen.Zij namen het lijk van hunnen gezel op de schouderen; zijn flink zweerd en zijn dappere bus droegen zij insgelijks mede, en, grammoedig en jammerend, droegen zij het lijk naar het baljuwschap, alwaar de baljuw het ontving, bijgestaan door zijnen griffier-crimineel, door twee schepenen, alsmede door twee chirurgijns.De afgesneden vingeren werden onderzocht en bevonden als zijnde die van eenen ouderling, dewelke van geenerlei ambacht kon zijn, want zij waren dun en fijn, en de nagelen lang, lijk die van rechters en geestelijken.’s Anderen daags gingen de baljuw, de schepenen, de griffier, de chirurgijns en de soldaten naar de plaats, waar de arme doode gebeten was, en zij zagen bloeddroppelen op het gras, en stappen die gingen tot aan de zee, waar zij ophielden.

Sedert lang werden er, in het land van Damme en in de omstreken, afschuwelijke gruweldaden gepleegd.

Meidekens, jonge knapen, oude mannen, die met geld naar Gent, Brugge of andere steden of dorpen van Vlaanderen waren gegaan, werden dood gevonden op den weg, naakt als pieren, den hals doorgebeten met zulke lange en scherpe tanden, dat het nekbeen van allen gebroken was.

De geneesheeren en de chirurgijns-baardemakers verklaarden, dat het tanden waren van een grooten wolf.

—Dieven waren ongetwijfeld gekomen na den wolf, en hadden den slachtofferen geld en kleederen afgenomen, zeiden zij.

Verscheidene aanzienlijke poorters, die zich kloekmoedig zonder geleide op weg hadden begeven, verdwenen zonder dat men wist wat zij geworden waren, behalve dat men nu en dan eens een landbouwer, die ’s morgens naar zijn akker ging, wolvesporen vond in zijn kouter, terwijl zijn hond met de pooten de aarde openkrabde en een armzalig, naakt lijk ontblootte, waarop men, in den nek of onder het oor, de tanden van den wolf zag, en menigwerf ook in de beenen, doch altijd van achteren. En altijd was het nekbeen gebroken.

De ontstelde boer ging dan schielijk kennis geven van zijne akelige vondst aan den baljuw, die met zijn griffier-crimineel, twee schepenen en een chirurgijn-baardemaker, ter plaatse kwam, waar het lijk des vermoorden lag. Na een neerstig en zorgvuldig onderzoek, lukte het hun soms, als het gezicht niet afgeknaagd was door de wormen, den stand, zelfs den naam en den toenaam van den verslagene te ontdekken.

Doch ze waren ten zeerste verwonderd, dat de wolf, die uit honger slechts menschen aanvalt, nooit het kleinste stuk uit het lijk had gebeten.

En die van Damme waren met schrik bevangen en dorsten ’s nachts zonder goed geleide niet meer uitgaan.

Eindelijk toch werden verscheidene kloekmoedige soldaten uitgezonden om den wolf op te sporen, met bevel hem te zoeken, bij dag en bij nacht, in het duin, langsheen de zee.

Toen waren ze omtrent Heist, in het groot duin. De nacht wasgevallen. Een der soldaten, vol vertrouwen op zijne kracht, wilde hen verlaten, om alleen op zoek te gaan, gewapend met zijne bus. De anderen lieten hem gaan, overtuigd als zij waren dat hij, een kloekmoedig en goed gewapend soldaat, den wolf zou dooden, als deze zich dorst laten zien.

Toen hun gezel vertrokken was, staken zij een groot vuur aan, bij hetwelk zij zich zetten te spelen met dobbelsteenen, en brandewijn te drinken.

En van tijd tot tijd riepen zij luide:

—Nu, kameraad, kom maar terug; de wolf heeft schrik; kom, drink eenen slok.

Doch hij antwoordde niet.

Eensklaps hoorden zij een grooten schreeuw, als ’t gereutel van een man, die gekeeld wordt, en terstond liepen zij naar den kant van denwelken het geschreeuw kwam.

En zij riepen:

—Verweer u kloekmoedig, wij komen u ter hulp!

Maar ’t duurde tamelijk lang, voordat zij hunnen makker vonden, want sommigen vermeenden, dat de kreet uit het dal, anderen dat hij van de hoogste duin was gekomen.

Toen zij dal en duin met hunne lanteernen goed afgezocht hadden, vonden zij eindelijk hunnen gezel, van achteren gebeten in den arm en in het been en met gebroken nek, lijk de andere slachtofferen.

Hij lag op den rug, met zijn zweerd in de toegenepen hand; zijne bus lag op het zand. Naast hem waren drie afgesneden vingeren, die de zijne niet waren, en die zij meedroegen. Zijne gordeltasch was hem ontnomen.

Zij namen het lijk van hunnen gezel op de schouderen; zijn flink zweerd en zijn dappere bus droegen zij insgelijks mede, en, grammoedig en jammerend, droegen zij het lijk naar het baljuwschap, alwaar de baljuw het ontving, bijgestaan door zijnen griffier-crimineel, door twee schepenen, alsmede door twee chirurgijns.

De afgesneden vingeren werden onderzocht en bevonden als zijnde die van eenen ouderling, dewelke van geenerlei ambacht kon zijn, want zij waren dun en fijn, en de nagelen lang, lijk die van rechters en geestelijken.

’s Anderen daags gingen de baljuw, de schepenen, de griffier, de chirurgijns en de soldaten naar de plaats, waar de arme doode gebeten was, en zij zagen bloeddroppelen op het gras, en stappen die gingen tot aan de zee, waar zij ophielden.


Back to IndexNext