XXX.Doch de provoost, de rosse Spelle, met zijne roode roede gewapend, reed op zijn mager peerd van de eene naar de andere stad, en overal deed hij schavotten oprichten, brandstapelsaansteken, putten delven om arme vrouwen en meidekens levend te begraven.En de koning erfde.Uilenspiegel zat met Lamme te Meulestede onder eenen boom, en was naargeestig. Het was killig, niettegenstaande het in de Zomermaand was. Uit den hemel, vol grijze wolken, viel een fijne hagel.—Mijn vriend, sprak Lamme, ’t is nu de vierde nacht dat gij op den dril zijt en bij de meidekens loopt. Gij slaapt inden Zoeten Inval; gij zult eindigen lijk de man van het uithangbord, en met uw hoofd voorop in een bijenkorf vallen. Tevergeefs zit ik op u te wachten inden Zwaan, en uw losbandig leven voorspelt niets goeds. Waarom neemt gij geene vrouw in alle eer en deugd?—Lamme, sprak Uilenspiegel, hij voor wien ééne allen is, en voor wien allen ééne zijn, in dien liefelijken strijd die minne heet, kan zoo lichtzinnig en in der haast geene keus doen.—En Nele, denkt gij aan heur niet?—Nele is ver van hier, te Damme, zuchtte Uilenspiegel.Terwijl hij steeds op de hurken zat en de hagel duchtig nederviel, liep een jonge, lieftallige vrouw voorbij, die heuren rok over heur hoofd had geslagen om zich voor den hagel te beschutten.—He, sprak zij, wat zit gij daar onder dien boom te suffen?—Ik vraag mij af, sprak Uilenspiegel, of ik ooit eene vrouw zal vinden, die mij onder het dak van heuren rok zal laten schuilen.—Gij hebt ze gevonden, sprak de vrouw, sta op.Uilenspiegel stond recht en ging naar heur toe.—Gaat gij mij weder alleen laten? vroeg Lamme.—Ja, antwoordde Uilenspiegel, doch ga naarden Zwaan, en eet daar eenen bout, eet hesp en al wat u lust, drink er twaalf pinten bier, en trek vervolgens naar uw bed; zoodoende ben ik van u ontslagen.—In dien raad steekt iets goeds, zei Lamme.Doch Uilenspiegel hoorde hem niet en was reeds bij de vrouw.—Licht mijn rok langs de eenen kant op, sprak zij, ik zal hem langs den anderen kant optillen.Michielken! Heere, ontverm u onzer! (Blz. 315).Michielken! Heere, ontverm u onzer! (Blz. 315).Toen de rok over hunne hoofden geslagen was, zeide zij:—Laat ons nu loopen.—Waarom loopen? vroeg Uilenspiegel.—Om uit Meulestede te vluchten, sprak zij, de provoost Spelle is daar met twee beulsknechten en hij heeft gezworen al de onnutte vrouwen—lijk hij ons heet—te doen geeselen, als zij hem geen vijf gulden willen betalen. Daarom is ’t dat ik loop: kom mede en blijf bij mij om mij te verdedigen.—Lamme, riep Uilenspiegel van verre, Spelle is te Meulestede! Ga in aller ijl naar Destelbergen, inde Drie Koningen.Verschrikt, sprong Lamme schielijk op. Hij hield zijnen buik met de beide handen vast en begon te loopen.—Waar loopt die dikke haas naartoe?—Naar een hol waar ik hem wel zal terugvinden, antwoordde Uilenspiegel.—Laat ons loopen, zeide zij, terwijl zij als een driftige merrie op den grond stampte.—Ik zou deugdzaam willen zijn zonder te loopen, antwoordde Uilenspiegel.—Wat beteekent dat? vroeg zij.Uilenspiegel antwoordde:—Die dikke haas daar wil mij doen verzaken aan den goeden wijn, aan het gerstesap en aan de donzige huid van de vrouwen.Wantrouwig bezag hem de meid.—Gij hebt korten adem, zeide zij, gij zoudt niet slecht doen te rusten.—Rusten, antwoordde Uilenspiegel, rusten? Maar ik zie geenerlei schuilplaats.—Uwe deugd, antwoordde de deerne, zal u tot dekmantel dienen.—Ik verkies uwen rok, zeide hij.—Mijn rok, zeide de deerne, ware onweerdig eenen heilige te dekken, lijk gij beweert te zijn. Ga weg, ik zal alleen voortloopen.—Weet gij dan niet, antwoordde Uilenspiegel, dat een hond op zijn vier pooten sneller loopt dan een mensch op twee? Ziedaar waarom wij, met vier beenen, sneller zullen loopen.—Ge spreekt nog al krachtig voor een deugdzaam mensch.—Ja, zeide hij.—Maar, sprak zij, ik heb altijd gezien dat de deugd een stille, ingesluimerde, dikke en kouwelijke hoedanigheid is, een masker, dat knorrende gezichten verbergt, een fluweelen opperste kleed om een man van graniet. Ik minne die, in welker borst een mannelijk vuur blakert, dat tot lustige en dappere ondernemingen aanzet.—Aldus, zei Uilenspiegel, sprak de schoone duivelin tot den doorluchtigen, heiligen Antonius.Twintig stappen verder lag eene afspanning langs den weg.—Gij hebt goed gesproken, vervolgde Uilenspiegel, nu moet gij goed drinken.—Ik heb nog geen dorst, zei de vrouw.Zij gingen de afspanning binnen.Op eene schapraai, nevens den schoorsteen, stond eene buikflesch.Uilenspiegel sprak tot den baas:—Ziet gij dezen gulden?—Ik zie hem, zei de baas.—Hoeveel oortjes zoudt gij er wel van afhouden, om die flesch daar met dobbelen klauwaard te vullen?De baas antwoordde:—Met negen mannekens zijt gij er van af.—Dat maakt, zei Uilenspiegel, zes mijten Vlaamsch, dus twee mijten te veel. Om het even, tap ze maar vol.Uilenspiegel schonk de meid eenen beker vol. Daarop stond hij recht; met fiere houding zette hij de flesch aan den mond en goot heel den inhoud door zijn keelgat. En het klonk als ’t gerucht van een bruisenden waterval.De vrouw stond verstomd en vroeg:—Hoe legt gij het aan boord om zulk een dikke flesch in uw mageren buik te gieten?Uilenspiegel antwoordde niet, doch sprak tot den baas:—Breng ons een hammeken met brood, en nog een volle flesch klauwaard, dat wij eten en drinken.Zoo deden zij.Terwijl de vrouw smulde van een stukje zwoord, nam hij heur zoo onverwachts, zoo heimelijk om de lenden, dat zij er verrast en verrukt over was.Toen vroeg zij hem:—Hoe komt het, met al uwe deugd, dat gij dorstig als eene spons, vraatzuchtig als een wolf en ondernemend als een minnaar zijt?Uilenspiegel antwoordde:—Nadat ik op honderd manieren gezondigd had, zwoer ik, lijk gij weet, boetveerdigheid te plegen. Dat heeft wel een groot uur geduurd. Ik dacht tijdens dit uur aan mijn toekomstig leven en zag dezen droeven toestand in ’t verschiet: niets hebben dandroog brood om mijn honger te stillen, niets dan water om mijnen dorst te lesschen, de minne ontvluchten; niet durven verroeren of niet durven niezen, uit vreeze van kwaad te doen; geëerd zijn door allen, gevreesd door een iegelijk; alleen en verlaten als een melaatsche; treurig als een hond, die zijn meester kwijt is, en, na een dergelijk vijftigjarig martelaarsleven, weemoedig op eenen stroozak verrekken. De boete was langdurig genoeg; kus mij, liefste, en laat ons getweeën het vagevuur verlaten.—Ha! zeide zij, bereidwillig gehoorzamend, de deugd is een schoon vendel om aan eenen stok te binden.De tijd verliep met dit dartel minnespel; doch zij moesten opstaan om te vertrekken, want te midden van het blijde gejoel vreesde het meideken steeds den provoost Spelle te zien verschijnen, met zijne beulsknechten.—Sla uwen rok over ons hoofd, sprak Uilenspiegel.En als herten liepen zij naar Destelbergen, naarde Drie Koningen, alwaar zij Lamme aan ’t eten vonden.
XXX.Doch de provoost, de rosse Spelle, met zijne roode roede gewapend, reed op zijn mager peerd van de eene naar de andere stad, en overal deed hij schavotten oprichten, brandstapelsaansteken, putten delven om arme vrouwen en meidekens levend te begraven.En de koning erfde.Uilenspiegel zat met Lamme te Meulestede onder eenen boom, en was naargeestig. Het was killig, niettegenstaande het in de Zomermaand was. Uit den hemel, vol grijze wolken, viel een fijne hagel.—Mijn vriend, sprak Lamme, ’t is nu de vierde nacht dat gij op den dril zijt en bij de meidekens loopt. Gij slaapt inden Zoeten Inval; gij zult eindigen lijk de man van het uithangbord, en met uw hoofd voorop in een bijenkorf vallen. Tevergeefs zit ik op u te wachten inden Zwaan, en uw losbandig leven voorspelt niets goeds. Waarom neemt gij geene vrouw in alle eer en deugd?—Lamme, sprak Uilenspiegel, hij voor wien ééne allen is, en voor wien allen ééne zijn, in dien liefelijken strijd die minne heet, kan zoo lichtzinnig en in der haast geene keus doen.—En Nele, denkt gij aan heur niet?—Nele is ver van hier, te Damme, zuchtte Uilenspiegel.Terwijl hij steeds op de hurken zat en de hagel duchtig nederviel, liep een jonge, lieftallige vrouw voorbij, die heuren rok over heur hoofd had geslagen om zich voor den hagel te beschutten.—He, sprak zij, wat zit gij daar onder dien boom te suffen?—Ik vraag mij af, sprak Uilenspiegel, of ik ooit eene vrouw zal vinden, die mij onder het dak van heuren rok zal laten schuilen.—Gij hebt ze gevonden, sprak de vrouw, sta op.Uilenspiegel stond recht en ging naar heur toe.—Gaat gij mij weder alleen laten? vroeg Lamme.—Ja, antwoordde Uilenspiegel, doch ga naarden Zwaan, en eet daar eenen bout, eet hesp en al wat u lust, drink er twaalf pinten bier, en trek vervolgens naar uw bed; zoodoende ben ik van u ontslagen.—In dien raad steekt iets goeds, zei Lamme.Doch Uilenspiegel hoorde hem niet en was reeds bij de vrouw.—Licht mijn rok langs de eenen kant op, sprak zij, ik zal hem langs den anderen kant optillen.Michielken! Heere, ontverm u onzer! (Blz. 315).Michielken! Heere, ontverm u onzer! (Blz. 315).Toen de rok over hunne hoofden geslagen was, zeide zij:—Laat ons nu loopen.—Waarom loopen? vroeg Uilenspiegel.—Om uit Meulestede te vluchten, sprak zij, de provoost Spelle is daar met twee beulsknechten en hij heeft gezworen al de onnutte vrouwen—lijk hij ons heet—te doen geeselen, als zij hem geen vijf gulden willen betalen. Daarom is ’t dat ik loop: kom mede en blijf bij mij om mij te verdedigen.—Lamme, riep Uilenspiegel van verre, Spelle is te Meulestede! Ga in aller ijl naar Destelbergen, inde Drie Koningen.Verschrikt, sprong Lamme schielijk op. Hij hield zijnen buik met de beide handen vast en begon te loopen.—Waar loopt die dikke haas naartoe?—Naar een hol waar ik hem wel zal terugvinden, antwoordde Uilenspiegel.—Laat ons loopen, zeide zij, terwijl zij als een driftige merrie op den grond stampte.—Ik zou deugdzaam willen zijn zonder te loopen, antwoordde Uilenspiegel.—Wat beteekent dat? vroeg zij.Uilenspiegel antwoordde:—Die dikke haas daar wil mij doen verzaken aan den goeden wijn, aan het gerstesap en aan de donzige huid van de vrouwen.Wantrouwig bezag hem de meid.—Gij hebt korten adem, zeide zij, gij zoudt niet slecht doen te rusten.—Rusten, antwoordde Uilenspiegel, rusten? Maar ik zie geenerlei schuilplaats.—Uwe deugd, antwoordde de deerne, zal u tot dekmantel dienen.—Ik verkies uwen rok, zeide hij.—Mijn rok, zeide de deerne, ware onweerdig eenen heilige te dekken, lijk gij beweert te zijn. Ga weg, ik zal alleen voortloopen.—Weet gij dan niet, antwoordde Uilenspiegel, dat een hond op zijn vier pooten sneller loopt dan een mensch op twee? Ziedaar waarom wij, met vier beenen, sneller zullen loopen.—Ge spreekt nog al krachtig voor een deugdzaam mensch.—Ja, zeide hij.—Maar, sprak zij, ik heb altijd gezien dat de deugd een stille, ingesluimerde, dikke en kouwelijke hoedanigheid is, een masker, dat knorrende gezichten verbergt, een fluweelen opperste kleed om een man van graniet. Ik minne die, in welker borst een mannelijk vuur blakert, dat tot lustige en dappere ondernemingen aanzet.—Aldus, zei Uilenspiegel, sprak de schoone duivelin tot den doorluchtigen, heiligen Antonius.Twintig stappen verder lag eene afspanning langs den weg.—Gij hebt goed gesproken, vervolgde Uilenspiegel, nu moet gij goed drinken.—Ik heb nog geen dorst, zei de vrouw.Zij gingen de afspanning binnen.Op eene schapraai, nevens den schoorsteen, stond eene buikflesch.Uilenspiegel sprak tot den baas:—Ziet gij dezen gulden?—Ik zie hem, zei de baas.—Hoeveel oortjes zoudt gij er wel van afhouden, om die flesch daar met dobbelen klauwaard te vullen?De baas antwoordde:—Met negen mannekens zijt gij er van af.—Dat maakt, zei Uilenspiegel, zes mijten Vlaamsch, dus twee mijten te veel. Om het even, tap ze maar vol.Uilenspiegel schonk de meid eenen beker vol. Daarop stond hij recht; met fiere houding zette hij de flesch aan den mond en goot heel den inhoud door zijn keelgat. En het klonk als ’t gerucht van een bruisenden waterval.De vrouw stond verstomd en vroeg:—Hoe legt gij het aan boord om zulk een dikke flesch in uw mageren buik te gieten?Uilenspiegel antwoordde niet, doch sprak tot den baas:—Breng ons een hammeken met brood, en nog een volle flesch klauwaard, dat wij eten en drinken.Zoo deden zij.Terwijl de vrouw smulde van een stukje zwoord, nam hij heur zoo onverwachts, zoo heimelijk om de lenden, dat zij er verrast en verrukt over was.Toen vroeg zij hem:—Hoe komt het, met al uwe deugd, dat gij dorstig als eene spons, vraatzuchtig als een wolf en ondernemend als een minnaar zijt?Uilenspiegel antwoordde:—Nadat ik op honderd manieren gezondigd had, zwoer ik, lijk gij weet, boetveerdigheid te plegen. Dat heeft wel een groot uur geduurd. Ik dacht tijdens dit uur aan mijn toekomstig leven en zag dezen droeven toestand in ’t verschiet: niets hebben dandroog brood om mijn honger te stillen, niets dan water om mijnen dorst te lesschen, de minne ontvluchten; niet durven verroeren of niet durven niezen, uit vreeze van kwaad te doen; geëerd zijn door allen, gevreesd door een iegelijk; alleen en verlaten als een melaatsche; treurig als een hond, die zijn meester kwijt is, en, na een dergelijk vijftigjarig martelaarsleven, weemoedig op eenen stroozak verrekken. De boete was langdurig genoeg; kus mij, liefste, en laat ons getweeën het vagevuur verlaten.—Ha! zeide zij, bereidwillig gehoorzamend, de deugd is een schoon vendel om aan eenen stok te binden.De tijd verliep met dit dartel minnespel; doch zij moesten opstaan om te vertrekken, want te midden van het blijde gejoel vreesde het meideken steeds den provoost Spelle te zien verschijnen, met zijne beulsknechten.—Sla uwen rok over ons hoofd, sprak Uilenspiegel.En als herten liepen zij naar Destelbergen, naarde Drie Koningen, alwaar zij Lamme aan ’t eten vonden.
XXX.Doch de provoost, de rosse Spelle, met zijne roode roede gewapend, reed op zijn mager peerd van de eene naar de andere stad, en overal deed hij schavotten oprichten, brandstapelsaansteken, putten delven om arme vrouwen en meidekens levend te begraven.En de koning erfde.Uilenspiegel zat met Lamme te Meulestede onder eenen boom, en was naargeestig. Het was killig, niettegenstaande het in de Zomermaand was. Uit den hemel, vol grijze wolken, viel een fijne hagel.—Mijn vriend, sprak Lamme, ’t is nu de vierde nacht dat gij op den dril zijt en bij de meidekens loopt. Gij slaapt inden Zoeten Inval; gij zult eindigen lijk de man van het uithangbord, en met uw hoofd voorop in een bijenkorf vallen. Tevergeefs zit ik op u te wachten inden Zwaan, en uw losbandig leven voorspelt niets goeds. Waarom neemt gij geene vrouw in alle eer en deugd?—Lamme, sprak Uilenspiegel, hij voor wien ééne allen is, en voor wien allen ééne zijn, in dien liefelijken strijd die minne heet, kan zoo lichtzinnig en in der haast geene keus doen.—En Nele, denkt gij aan heur niet?—Nele is ver van hier, te Damme, zuchtte Uilenspiegel.Terwijl hij steeds op de hurken zat en de hagel duchtig nederviel, liep een jonge, lieftallige vrouw voorbij, die heuren rok over heur hoofd had geslagen om zich voor den hagel te beschutten.—He, sprak zij, wat zit gij daar onder dien boom te suffen?—Ik vraag mij af, sprak Uilenspiegel, of ik ooit eene vrouw zal vinden, die mij onder het dak van heuren rok zal laten schuilen.—Gij hebt ze gevonden, sprak de vrouw, sta op.Uilenspiegel stond recht en ging naar heur toe.—Gaat gij mij weder alleen laten? vroeg Lamme.—Ja, antwoordde Uilenspiegel, doch ga naarden Zwaan, en eet daar eenen bout, eet hesp en al wat u lust, drink er twaalf pinten bier, en trek vervolgens naar uw bed; zoodoende ben ik van u ontslagen.—In dien raad steekt iets goeds, zei Lamme.Doch Uilenspiegel hoorde hem niet en was reeds bij de vrouw.—Licht mijn rok langs de eenen kant op, sprak zij, ik zal hem langs den anderen kant optillen.Michielken! Heere, ontverm u onzer! (Blz. 315).Michielken! Heere, ontverm u onzer! (Blz. 315).Toen de rok over hunne hoofden geslagen was, zeide zij:—Laat ons nu loopen.—Waarom loopen? vroeg Uilenspiegel.—Om uit Meulestede te vluchten, sprak zij, de provoost Spelle is daar met twee beulsknechten en hij heeft gezworen al de onnutte vrouwen—lijk hij ons heet—te doen geeselen, als zij hem geen vijf gulden willen betalen. Daarom is ’t dat ik loop: kom mede en blijf bij mij om mij te verdedigen.—Lamme, riep Uilenspiegel van verre, Spelle is te Meulestede! Ga in aller ijl naar Destelbergen, inde Drie Koningen.Verschrikt, sprong Lamme schielijk op. Hij hield zijnen buik met de beide handen vast en begon te loopen.—Waar loopt die dikke haas naartoe?—Naar een hol waar ik hem wel zal terugvinden, antwoordde Uilenspiegel.—Laat ons loopen, zeide zij, terwijl zij als een driftige merrie op den grond stampte.—Ik zou deugdzaam willen zijn zonder te loopen, antwoordde Uilenspiegel.—Wat beteekent dat? vroeg zij.Uilenspiegel antwoordde:—Die dikke haas daar wil mij doen verzaken aan den goeden wijn, aan het gerstesap en aan de donzige huid van de vrouwen.Wantrouwig bezag hem de meid.—Gij hebt korten adem, zeide zij, gij zoudt niet slecht doen te rusten.—Rusten, antwoordde Uilenspiegel, rusten? Maar ik zie geenerlei schuilplaats.—Uwe deugd, antwoordde de deerne, zal u tot dekmantel dienen.—Ik verkies uwen rok, zeide hij.—Mijn rok, zeide de deerne, ware onweerdig eenen heilige te dekken, lijk gij beweert te zijn. Ga weg, ik zal alleen voortloopen.—Weet gij dan niet, antwoordde Uilenspiegel, dat een hond op zijn vier pooten sneller loopt dan een mensch op twee? Ziedaar waarom wij, met vier beenen, sneller zullen loopen.—Ge spreekt nog al krachtig voor een deugdzaam mensch.—Ja, zeide hij.—Maar, sprak zij, ik heb altijd gezien dat de deugd een stille, ingesluimerde, dikke en kouwelijke hoedanigheid is, een masker, dat knorrende gezichten verbergt, een fluweelen opperste kleed om een man van graniet. Ik minne die, in welker borst een mannelijk vuur blakert, dat tot lustige en dappere ondernemingen aanzet.—Aldus, zei Uilenspiegel, sprak de schoone duivelin tot den doorluchtigen, heiligen Antonius.Twintig stappen verder lag eene afspanning langs den weg.—Gij hebt goed gesproken, vervolgde Uilenspiegel, nu moet gij goed drinken.—Ik heb nog geen dorst, zei de vrouw.Zij gingen de afspanning binnen.Op eene schapraai, nevens den schoorsteen, stond eene buikflesch.Uilenspiegel sprak tot den baas:—Ziet gij dezen gulden?—Ik zie hem, zei de baas.—Hoeveel oortjes zoudt gij er wel van afhouden, om die flesch daar met dobbelen klauwaard te vullen?De baas antwoordde:—Met negen mannekens zijt gij er van af.—Dat maakt, zei Uilenspiegel, zes mijten Vlaamsch, dus twee mijten te veel. Om het even, tap ze maar vol.Uilenspiegel schonk de meid eenen beker vol. Daarop stond hij recht; met fiere houding zette hij de flesch aan den mond en goot heel den inhoud door zijn keelgat. En het klonk als ’t gerucht van een bruisenden waterval.De vrouw stond verstomd en vroeg:—Hoe legt gij het aan boord om zulk een dikke flesch in uw mageren buik te gieten?Uilenspiegel antwoordde niet, doch sprak tot den baas:—Breng ons een hammeken met brood, en nog een volle flesch klauwaard, dat wij eten en drinken.Zoo deden zij.Terwijl de vrouw smulde van een stukje zwoord, nam hij heur zoo onverwachts, zoo heimelijk om de lenden, dat zij er verrast en verrukt over was.Toen vroeg zij hem:—Hoe komt het, met al uwe deugd, dat gij dorstig als eene spons, vraatzuchtig als een wolf en ondernemend als een minnaar zijt?Uilenspiegel antwoordde:—Nadat ik op honderd manieren gezondigd had, zwoer ik, lijk gij weet, boetveerdigheid te plegen. Dat heeft wel een groot uur geduurd. Ik dacht tijdens dit uur aan mijn toekomstig leven en zag dezen droeven toestand in ’t verschiet: niets hebben dandroog brood om mijn honger te stillen, niets dan water om mijnen dorst te lesschen, de minne ontvluchten; niet durven verroeren of niet durven niezen, uit vreeze van kwaad te doen; geëerd zijn door allen, gevreesd door een iegelijk; alleen en verlaten als een melaatsche; treurig als een hond, die zijn meester kwijt is, en, na een dergelijk vijftigjarig martelaarsleven, weemoedig op eenen stroozak verrekken. De boete was langdurig genoeg; kus mij, liefste, en laat ons getweeën het vagevuur verlaten.—Ha! zeide zij, bereidwillig gehoorzamend, de deugd is een schoon vendel om aan eenen stok te binden.De tijd verliep met dit dartel minnespel; doch zij moesten opstaan om te vertrekken, want te midden van het blijde gejoel vreesde het meideken steeds den provoost Spelle te zien verschijnen, met zijne beulsknechten.—Sla uwen rok over ons hoofd, sprak Uilenspiegel.En als herten liepen zij naar Destelbergen, naarde Drie Koningen, alwaar zij Lamme aan ’t eten vonden.
XXX.
Doch de provoost, de rosse Spelle, met zijne roode roede gewapend, reed op zijn mager peerd van de eene naar de andere stad, en overal deed hij schavotten oprichten, brandstapelsaansteken, putten delven om arme vrouwen en meidekens levend te begraven.En de koning erfde.Uilenspiegel zat met Lamme te Meulestede onder eenen boom, en was naargeestig. Het was killig, niettegenstaande het in de Zomermaand was. Uit den hemel, vol grijze wolken, viel een fijne hagel.—Mijn vriend, sprak Lamme, ’t is nu de vierde nacht dat gij op den dril zijt en bij de meidekens loopt. Gij slaapt inden Zoeten Inval; gij zult eindigen lijk de man van het uithangbord, en met uw hoofd voorop in een bijenkorf vallen. Tevergeefs zit ik op u te wachten inden Zwaan, en uw losbandig leven voorspelt niets goeds. Waarom neemt gij geene vrouw in alle eer en deugd?—Lamme, sprak Uilenspiegel, hij voor wien ééne allen is, en voor wien allen ééne zijn, in dien liefelijken strijd die minne heet, kan zoo lichtzinnig en in der haast geene keus doen.—En Nele, denkt gij aan heur niet?—Nele is ver van hier, te Damme, zuchtte Uilenspiegel.Terwijl hij steeds op de hurken zat en de hagel duchtig nederviel, liep een jonge, lieftallige vrouw voorbij, die heuren rok over heur hoofd had geslagen om zich voor den hagel te beschutten.—He, sprak zij, wat zit gij daar onder dien boom te suffen?—Ik vraag mij af, sprak Uilenspiegel, of ik ooit eene vrouw zal vinden, die mij onder het dak van heuren rok zal laten schuilen.—Gij hebt ze gevonden, sprak de vrouw, sta op.Uilenspiegel stond recht en ging naar heur toe.—Gaat gij mij weder alleen laten? vroeg Lamme.—Ja, antwoordde Uilenspiegel, doch ga naarden Zwaan, en eet daar eenen bout, eet hesp en al wat u lust, drink er twaalf pinten bier, en trek vervolgens naar uw bed; zoodoende ben ik van u ontslagen.—In dien raad steekt iets goeds, zei Lamme.Doch Uilenspiegel hoorde hem niet en was reeds bij de vrouw.—Licht mijn rok langs de eenen kant op, sprak zij, ik zal hem langs den anderen kant optillen.Michielken! Heere, ontverm u onzer! (Blz. 315).Michielken! Heere, ontverm u onzer! (Blz. 315).Toen de rok over hunne hoofden geslagen was, zeide zij:—Laat ons nu loopen.—Waarom loopen? vroeg Uilenspiegel.—Om uit Meulestede te vluchten, sprak zij, de provoost Spelle is daar met twee beulsknechten en hij heeft gezworen al de onnutte vrouwen—lijk hij ons heet—te doen geeselen, als zij hem geen vijf gulden willen betalen. Daarom is ’t dat ik loop: kom mede en blijf bij mij om mij te verdedigen.—Lamme, riep Uilenspiegel van verre, Spelle is te Meulestede! Ga in aller ijl naar Destelbergen, inde Drie Koningen.Verschrikt, sprong Lamme schielijk op. Hij hield zijnen buik met de beide handen vast en begon te loopen.—Waar loopt die dikke haas naartoe?—Naar een hol waar ik hem wel zal terugvinden, antwoordde Uilenspiegel.—Laat ons loopen, zeide zij, terwijl zij als een driftige merrie op den grond stampte.—Ik zou deugdzaam willen zijn zonder te loopen, antwoordde Uilenspiegel.—Wat beteekent dat? vroeg zij.Uilenspiegel antwoordde:—Die dikke haas daar wil mij doen verzaken aan den goeden wijn, aan het gerstesap en aan de donzige huid van de vrouwen.Wantrouwig bezag hem de meid.—Gij hebt korten adem, zeide zij, gij zoudt niet slecht doen te rusten.—Rusten, antwoordde Uilenspiegel, rusten? Maar ik zie geenerlei schuilplaats.—Uwe deugd, antwoordde de deerne, zal u tot dekmantel dienen.—Ik verkies uwen rok, zeide hij.—Mijn rok, zeide de deerne, ware onweerdig eenen heilige te dekken, lijk gij beweert te zijn. Ga weg, ik zal alleen voortloopen.—Weet gij dan niet, antwoordde Uilenspiegel, dat een hond op zijn vier pooten sneller loopt dan een mensch op twee? Ziedaar waarom wij, met vier beenen, sneller zullen loopen.—Ge spreekt nog al krachtig voor een deugdzaam mensch.—Ja, zeide hij.—Maar, sprak zij, ik heb altijd gezien dat de deugd een stille, ingesluimerde, dikke en kouwelijke hoedanigheid is, een masker, dat knorrende gezichten verbergt, een fluweelen opperste kleed om een man van graniet. Ik minne die, in welker borst een mannelijk vuur blakert, dat tot lustige en dappere ondernemingen aanzet.—Aldus, zei Uilenspiegel, sprak de schoone duivelin tot den doorluchtigen, heiligen Antonius.Twintig stappen verder lag eene afspanning langs den weg.—Gij hebt goed gesproken, vervolgde Uilenspiegel, nu moet gij goed drinken.—Ik heb nog geen dorst, zei de vrouw.Zij gingen de afspanning binnen.Op eene schapraai, nevens den schoorsteen, stond eene buikflesch.Uilenspiegel sprak tot den baas:—Ziet gij dezen gulden?—Ik zie hem, zei de baas.—Hoeveel oortjes zoudt gij er wel van afhouden, om die flesch daar met dobbelen klauwaard te vullen?De baas antwoordde:—Met negen mannekens zijt gij er van af.—Dat maakt, zei Uilenspiegel, zes mijten Vlaamsch, dus twee mijten te veel. Om het even, tap ze maar vol.Uilenspiegel schonk de meid eenen beker vol. Daarop stond hij recht; met fiere houding zette hij de flesch aan den mond en goot heel den inhoud door zijn keelgat. En het klonk als ’t gerucht van een bruisenden waterval.De vrouw stond verstomd en vroeg:—Hoe legt gij het aan boord om zulk een dikke flesch in uw mageren buik te gieten?Uilenspiegel antwoordde niet, doch sprak tot den baas:—Breng ons een hammeken met brood, en nog een volle flesch klauwaard, dat wij eten en drinken.Zoo deden zij.Terwijl de vrouw smulde van een stukje zwoord, nam hij heur zoo onverwachts, zoo heimelijk om de lenden, dat zij er verrast en verrukt over was.Toen vroeg zij hem:—Hoe komt het, met al uwe deugd, dat gij dorstig als eene spons, vraatzuchtig als een wolf en ondernemend als een minnaar zijt?Uilenspiegel antwoordde:—Nadat ik op honderd manieren gezondigd had, zwoer ik, lijk gij weet, boetveerdigheid te plegen. Dat heeft wel een groot uur geduurd. Ik dacht tijdens dit uur aan mijn toekomstig leven en zag dezen droeven toestand in ’t verschiet: niets hebben dandroog brood om mijn honger te stillen, niets dan water om mijnen dorst te lesschen, de minne ontvluchten; niet durven verroeren of niet durven niezen, uit vreeze van kwaad te doen; geëerd zijn door allen, gevreesd door een iegelijk; alleen en verlaten als een melaatsche; treurig als een hond, die zijn meester kwijt is, en, na een dergelijk vijftigjarig martelaarsleven, weemoedig op eenen stroozak verrekken. De boete was langdurig genoeg; kus mij, liefste, en laat ons getweeën het vagevuur verlaten.—Ha! zeide zij, bereidwillig gehoorzamend, de deugd is een schoon vendel om aan eenen stok te binden.De tijd verliep met dit dartel minnespel; doch zij moesten opstaan om te vertrekken, want te midden van het blijde gejoel vreesde het meideken steeds den provoost Spelle te zien verschijnen, met zijne beulsknechten.—Sla uwen rok over ons hoofd, sprak Uilenspiegel.En als herten liepen zij naar Destelbergen, naarde Drie Koningen, alwaar zij Lamme aan ’t eten vonden.
Doch de provoost, de rosse Spelle, met zijne roode roede gewapend, reed op zijn mager peerd van de eene naar de andere stad, en overal deed hij schavotten oprichten, brandstapelsaansteken, putten delven om arme vrouwen en meidekens levend te begraven.
En de koning erfde.
Uilenspiegel zat met Lamme te Meulestede onder eenen boom, en was naargeestig. Het was killig, niettegenstaande het in de Zomermaand was. Uit den hemel, vol grijze wolken, viel een fijne hagel.
—Mijn vriend, sprak Lamme, ’t is nu de vierde nacht dat gij op den dril zijt en bij de meidekens loopt. Gij slaapt inden Zoeten Inval; gij zult eindigen lijk de man van het uithangbord, en met uw hoofd voorop in een bijenkorf vallen. Tevergeefs zit ik op u te wachten inden Zwaan, en uw losbandig leven voorspelt niets goeds. Waarom neemt gij geene vrouw in alle eer en deugd?
—Lamme, sprak Uilenspiegel, hij voor wien ééne allen is, en voor wien allen ééne zijn, in dien liefelijken strijd die minne heet, kan zoo lichtzinnig en in der haast geene keus doen.
—En Nele, denkt gij aan heur niet?
—Nele is ver van hier, te Damme, zuchtte Uilenspiegel.
Terwijl hij steeds op de hurken zat en de hagel duchtig nederviel, liep een jonge, lieftallige vrouw voorbij, die heuren rok over heur hoofd had geslagen om zich voor den hagel te beschutten.
—He, sprak zij, wat zit gij daar onder dien boom te suffen?
—Ik vraag mij af, sprak Uilenspiegel, of ik ooit eene vrouw zal vinden, die mij onder het dak van heuren rok zal laten schuilen.
—Gij hebt ze gevonden, sprak de vrouw, sta op.
Uilenspiegel stond recht en ging naar heur toe.
—Gaat gij mij weder alleen laten? vroeg Lamme.
—Ja, antwoordde Uilenspiegel, doch ga naarden Zwaan, en eet daar eenen bout, eet hesp en al wat u lust, drink er twaalf pinten bier, en trek vervolgens naar uw bed; zoodoende ben ik van u ontslagen.
—In dien raad steekt iets goeds, zei Lamme.
Doch Uilenspiegel hoorde hem niet en was reeds bij de vrouw.
—Licht mijn rok langs de eenen kant op, sprak zij, ik zal hem langs den anderen kant optillen.
Michielken! Heere, ontverm u onzer! (Blz. 315).Michielken! Heere, ontverm u onzer! (Blz. 315).
Michielken! Heere, ontverm u onzer! (Blz. 315).
Toen de rok over hunne hoofden geslagen was, zeide zij:
—Laat ons nu loopen.
—Waarom loopen? vroeg Uilenspiegel.
—Om uit Meulestede te vluchten, sprak zij, de provoost Spelle is daar met twee beulsknechten en hij heeft gezworen al de onnutte vrouwen—lijk hij ons heet—te doen geeselen, als zij hem geen vijf gulden willen betalen. Daarom is ’t dat ik loop: kom mede en blijf bij mij om mij te verdedigen.
—Lamme, riep Uilenspiegel van verre, Spelle is te Meulestede! Ga in aller ijl naar Destelbergen, inde Drie Koningen.
Verschrikt, sprong Lamme schielijk op. Hij hield zijnen buik met de beide handen vast en begon te loopen.
—Waar loopt die dikke haas naartoe?
—Naar een hol waar ik hem wel zal terugvinden, antwoordde Uilenspiegel.
—Laat ons loopen, zeide zij, terwijl zij als een driftige merrie op den grond stampte.
—Ik zou deugdzaam willen zijn zonder te loopen, antwoordde Uilenspiegel.
—Wat beteekent dat? vroeg zij.
Uilenspiegel antwoordde:
—Die dikke haas daar wil mij doen verzaken aan den goeden wijn, aan het gerstesap en aan de donzige huid van de vrouwen.
Wantrouwig bezag hem de meid.
—Gij hebt korten adem, zeide zij, gij zoudt niet slecht doen te rusten.
—Rusten, antwoordde Uilenspiegel, rusten? Maar ik zie geenerlei schuilplaats.
—Uwe deugd, antwoordde de deerne, zal u tot dekmantel dienen.
—Ik verkies uwen rok, zeide hij.
—Mijn rok, zeide de deerne, ware onweerdig eenen heilige te dekken, lijk gij beweert te zijn. Ga weg, ik zal alleen voortloopen.
—Weet gij dan niet, antwoordde Uilenspiegel, dat een hond op zijn vier pooten sneller loopt dan een mensch op twee? Ziedaar waarom wij, met vier beenen, sneller zullen loopen.
—Ge spreekt nog al krachtig voor een deugdzaam mensch.
—Ja, zeide hij.
—Maar, sprak zij, ik heb altijd gezien dat de deugd een stille, ingesluimerde, dikke en kouwelijke hoedanigheid is, een masker, dat knorrende gezichten verbergt, een fluweelen opperste kleed om een man van graniet. Ik minne die, in welker borst een mannelijk vuur blakert, dat tot lustige en dappere ondernemingen aanzet.
—Aldus, zei Uilenspiegel, sprak de schoone duivelin tot den doorluchtigen, heiligen Antonius.
Twintig stappen verder lag eene afspanning langs den weg.
—Gij hebt goed gesproken, vervolgde Uilenspiegel, nu moet gij goed drinken.
—Ik heb nog geen dorst, zei de vrouw.
Zij gingen de afspanning binnen.
Op eene schapraai, nevens den schoorsteen, stond eene buikflesch.
Uilenspiegel sprak tot den baas:
—Ziet gij dezen gulden?
—Ik zie hem, zei de baas.
—Hoeveel oortjes zoudt gij er wel van afhouden, om die flesch daar met dobbelen klauwaard te vullen?
De baas antwoordde:
—Met negen mannekens zijt gij er van af.
—Dat maakt, zei Uilenspiegel, zes mijten Vlaamsch, dus twee mijten te veel. Om het even, tap ze maar vol.
Uilenspiegel schonk de meid eenen beker vol. Daarop stond hij recht; met fiere houding zette hij de flesch aan den mond en goot heel den inhoud door zijn keelgat. En het klonk als ’t gerucht van een bruisenden waterval.
De vrouw stond verstomd en vroeg:
—Hoe legt gij het aan boord om zulk een dikke flesch in uw mageren buik te gieten?
Uilenspiegel antwoordde niet, doch sprak tot den baas:
—Breng ons een hammeken met brood, en nog een volle flesch klauwaard, dat wij eten en drinken.
Zoo deden zij.
Terwijl de vrouw smulde van een stukje zwoord, nam hij heur zoo onverwachts, zoo heimelijk om de lenden, dat zij er verrast en verrukt over was.
Toen vroeg zij hem:
—Hoe komt het, met al uwe deugd, dat gij dorstig als eene spons, vraatzuchtig als een wolf en ondernemend als een minnaar zijt?
Uilenspiegel antwoordde:
—Nadat ik op honderd manieren gezondigd had, zwoer ik, lijk gij weet, boetveerdigheid te plegen. Dat heeft wel een groot uur geduurd. Ik dacht tijdens dit uur aan mijn toekomstig leven en zag dezen droeven toestand in ’t verschiet: niets hebben dandroog brood om mijn honger te stillen, niets dan water om mijnen dorst te lesschen, de minne ontvluchten; niet durven verroeren of niet durven niezen, uit vreeze van kwaad te doen; geëerd zijn door allen, gevreesd door een iegelijk; alleen en verlaten als een melaatsche; treurig als een hond, die zijn meester kwijt is, en, na een dergelijk vijftigjarig martelaarsleven, weemoedig op eenen stroozak verrekken. De boete was langdurig genoeg; kus mij, liefste, en laat ons getweeën het vagevuur verlaten.
—Ha! zeide zij, bereidwillig gehoorzamend, de deugd is een schoon vendel om aan eenen stok te binden.
De tijd verliep met dit dartel minnespel; doch zij moesten opstaan om te vertrekken, want te midden van het blijde gejoel vreesde het meideken steeds den provoost Spelle te zien verschijnen, met zijne beulsknechten.
—Sla uwen rok over ons hoofd, sprak Uilenspiegel.
En als herten liepen zij naar Destelbergen, naarde Drie Koningen, alwaar zij Lamme aan ’t eten vonden.