XX.Toen waren de Geuzen te Vlissingen, waar Nele koorts vatte. Gedwongen het schip te verlaten, werd zij ingenomen bij Peeters, een hervormde, op de Turfkaai.Uilenspiegel, hoewel treurig, was toch blijde als hij dacht, dat de Spaansche kogels heur niet konden treffen in dat bed, waar zij zeker zou genezen.En, met Lamme, was hij gedurig bij heur, om heur goed en liefdevol te verzorgen. En daar koutten zij met elkander.—Trouwe vriend, zei Uilenspiegel eens, kent gij het nieuws?—Neen, mijn zoon, zei Lamme.—Hebt gij de vlieboot gezien, die laatst onze vloot kwam versterken, en weet gij wie daar alle dagen speelt op de vedel?—Ten gevolge van de laatste verkoudheid, zeide Lamme, tuiten mijne beide ooren en ben ik wat doof. Waarom lacht gij, mijn zoon?Maar Uilenspiegel vervolgde zijn rede en sprak:—Eens hoorde ik heur een Vlaamsch liedeken zingen, en heure stem was zoo zoet als die van een engel.—Laas! zeide Lamme, zij ook speelde op de vedel en zong.—Kent gij de andere tijding? vervolgde Uilenspiegel.—Neen, mijn zoon, antwoordde Lamme.Uilenspiegel antwoordde:—Bevel is ons gegeven, met onze booten de Schelde op te varen tot vóór Antwerpen, om daar vijandelijke schepen te kapen of te verbranden. Maar geen kwartier aan de mannen! Wat denkt gij daarvan, dikzak?—Laas, zeide Lamme, zullen wij in deze droeve landen nooit van anders hooren dan van verbrandingen, verhangingen, verdrinkingen en andere uitroeiingen van ’t arme menschdom? Wanneer zal de gezegende vrede komen, om rustig patrijzen te braden, kiekens te stoven en, te midden van de eieren, de pensen te doen sissen in de braadpan? Ik eet liever de zwarte; de witte zijn wat vet.—Die zoete tijd zal komen, antwoordde Uilenspiegel, als wij, in Vlaanderens boomgaarden, aan de appelaars, pruimelaars en kerselaars, in stede van appels, pruimen en kersen, aan elken tak eenen Spanjaard zien hangen.—Ha, zeide Lamme, kon ik maar mijne vrouw terugvinden, mijn teerbeminde, zeer geliefde, beminnelijke, zoete, trouwe vrouw! Want, weet, mijn zoon, dat ik nooit horens droeg of zal dragen; daarvoor was zij veel te ingetogen van aard; zij vluchtte den omgang met andere mannen; zoo zij van schoone kleederen hield, was het alleen uit vrouwelijke behoefte. Ik was heure keukenmeid, ik beken het volgeerne; waarom ben ik het niet meer! Doch ik was ook haar meester en echtgenoot.—Zwijg toch met uw gesuf, zei Uilenspiegel. Hoort gij den admiraal roepen: „Licht de ankers!” en de kapiteins, die zijn commando herhalen? Wij moeten in zee steken.—Waarom vertrekt gij zoo vroeg? zeide Nele tot Uilenspiegel.—Wij gaan naar de schepen, antwoordde hij.—Zonder mij? sprak zij.—Ja, zei Uilenspiegel.—Bedenkt gij niet, vroeg zij, hoe ongerust ik over u wezen zal?—Liefste, sprak Uilenspiegel, mijn vel is van ijzer.—Gij spot, zeide zij. Ik zie niets dan uw wambuis, dat van laken is, doch geenszins van ijzer; daaronder is uw lijf, dat van vleesch en been is, lijk het mijne. Wie zal u verbinden als gij gekwetst zijt? Moet gij moederziel alleen sterven, te midden van de strijders? Ik zal met u gaan.—Laas, zeide hij, als de lansen, kogels, zweerden, aksten, hamers, mij sparen, maar op uw liefelijk lichaam vallen, wat moet ik, nietdeug, dan doen op de wereld zonder u?Maar Nele zeide:—Ik wil u volgen, er zal geen gevaar zijn; ik zal mij verbergen in de houten schansen, waar de busschutters staan.—Als gij vertrekt, dan blijf ik; en men zal zeggen, dat uw vriend Uilenspiegel lafaard is en verrader; maar luister naar mijn lied:IJzeren is mijn harentuit,Daar schutte natuur mij mede.Lederen is mijn eersten huid,Stalen is mijn tweede.Laat de dood, de leelijke, wreede,Loeren naar een ander buit.Lederen is mijn eerste huid,Stalen is mijn tweede.„Leven” steekt op mijn vendel uit,Leven in ’t licht der rede.Lederen is mijn eerste huid,Stalen is mijn tweede.En zingend toog hij henen, niet zonder den trillenden mond en de liefelijke oogen te kussen van de koortsachtige Nele, die lachte en weende te gelijk.De Geuzen zijn vóór Antwerpen, zij kapen Alva’s schepen tot in de haven. Zij komen in lichten dag in de stad, verlossen gevangenen en nemen paapschgezinden om tot rantsoen te dienen. Met geweld doen zij de poorters opstaan, en dwingen eenigen hunner hen sprakeloos te volgen, onder doodsbedreiging.Uilenspiegel zeide tot Lamme:—De zoon des admiraals is gevangen bij den schouteet; wij moeten hem verlossen.Zij dringen in het huis van den schout en vinden den jongeling, dien zij zochten, in gezelschap van een dikbuikigen monnik, dewelke hem een grammoedige predikatie hield om hem terug te brengen in den schoot Onzer Moeder, de Heilige Kerk. Maar de jonge snaak vroeg of hij hem niets beters kon aanbieden. Hij gaat henen met Uilenspiegel. Ondertusschen grijpt Lamme den monnik bij zijne kap, en doet hem vóór zich gaan in de straten van Antwerpen, zeggende:—Gij zijt honderd gulden weerd: maak uw pak en ga vóór. Waarom gaat gij zoo traag? Hebt gij lood in uwe schoenen? Wat rapper, spekzak, vleeschbank, soepketel!De monnik antwoordde, in woede ontstoken:—Goed, mijnheer de Geus, ik ga; maar, met al den eerbied, dien ik uwe schietbus verschuldigd ben, veroorloof ik mij te zeggen, dat gij zoo dik zijt als ik.Maar Lamme stiet hem voort en sprak:—Hoe vermeet gij u uw onnut, vadsig kloostervet te vergelijken met mijn Vlamingvet, dat eerlijk gekweekt werd door arbeid, vermoeienis en gevecht? Gauw wat, of ik jaag u voort met eene spoor op de punt van mijnen schoen.Maar de monnik kon niet loopen, hij was gansch buiten adem, en Lamme insgelijks. En zoo kwamen zij op het schip.
XX.Toen waren de Geuzen te Vlissingen, waar Nele koorts vatte. Gedwongen het schip te verlaten, werd zij ingenomen bij Peeters, een hervormde, op de Turfkaai.Uilenspiegel, hoewel treurig, was toch blijde als hij dacht, dat de Spaansche kogels heur niet konden treffen in dat bed, waar zij zeker zou genezen.En, met Lamme, was hij gedurig bij heur, om heur goed en liefdevol te verzorgen. En daar koutten zij met elkander.—Trouwe vriend, zei Uilenspiegel eens, kent gij het nieuws?—Neen, mijn zoon, zei Lamme.—Hebt gij de vlieboot gezien, die laatst onze vloot kwam versterken, en weet gij wie daar alle dagen speelt op de vedel?—Ten gevolge van de laatste verkoudheid, zeide Lamme, tuiten mijne beide ooren en ben ik wat doof. Waarom lacht gij, mijn zoon?Maar Uilenspiegel vervolgde zijn rede en sprak:—Eens hoorde ik heur een Vlaamsch liedeken zingen, en heure stem was zoo zoet als die van een engel.—Laas! zeide Lamme, zij ook speelde op de vedel en zong.—Kent gij de andere tijding? vervolgde Uilenspiegel.—Neen, mijn zoon, antwoordde Lamme.Uilenspiegel antwoordde:—Bevel is ons gegeven, met onze booten de Schelde op te varen tot vóór Antwerpen, om daar vijandelijke schepen te kapen of te verbranden. Maar geen kwartier aan de mannen! Wat denkt gij daarvan, dikzak?—Laas, zeide Lamme, zullen wij in deze droeve landen nooit van anders hooren dan van verbrandingen, verhangingen, verdrinkingen en andere uitroeiingen van ’t arme menschdom? Wanneer zal de gezegende vrede komen, om rustig patrijzen te braden, kiekens te stoven en, te midden van de eieren, de pensen te doen sissen in de braadpan? Ik eet liever de zwarte; de witte zijn wat vet.—Die zoete tijd zal komen, antwoordde Uilenspiegel, als wij, in Vlaanderens boomgaarden, aan de appelaars, pruimelaars en kerselaars, in stede van appels, pruimen en kersen, aan elken tak eenen Spanjaard zien hangen.—Ha, zeide Lamme, kon ik maar mijne vrouw terugvinden, mijn teerbeminde, zeer geliefde, beminnelijke, zoete, trouwe vrouw! Want, weet, mijn zoon, dat ik nooit horens droeg of zal dragen; daarvoor was zij veel te ingetogen van aard; zij vluchtte den omgang met andere mannen; zoo zij van schoone kleederen hield, was het alleen uit vrouwelijke behoefte. Ik was heure keukenmeid, ik beken het volgeerne; waarom ben ik het niet meer! Doch ik was ook haar meester en echtgenoot.—Zwijg toch met uw gesuf, zei Uilenspiegel. Hoort gij den admiraal roepen: „Licht de ankers!” en de kapiteins, die zijn commando herhalen? Wij moeten in zee steken.—Waarom vertrekt gij zoo vroeg? zeide Nele tot Uilenspiegel.—Wij gaan naar de schepen, antwoordde hij.—Zonder mij? sprak zij.—Ja, zei Uilenspiegel.—Bedenkt gij niet, vroeg zij, hoe ongerust ik over u wezen zal?—Liefste, sprak Uilenspiegel, mijn vel is van ijzer.—Gij spot, zeide zij. Ik zie niets dan uw wambuis, dat van laken is, doch geenszins van ijzer; daaronder is uw lijf, dat van vleesch en been is, lijk het mijne. Wie zal u verbinden als gij gekwetst zijt? Moet gij moederziel alleen sterven, te midden van de strijders? Ik zal met u gaan.—Laas, zeide hij, als de lansen, kogels, zweerden, aksten, hamers, mij sparen, maar op uw liefelijk lichaam vallen, wat moet ik, nietdeug, dan doen op de wereld zonder u?Maar Nele zeide:—Ik wil u volgen, er zal geen gevaar zijn; ik zal mij verbergen in de houten schansen, waar de busschutters staan.—Als gij vertrekt, dan blijf ik; en men zal zeggen, dat uw vriend Uilenspiegel lafaard is en verrader; maar luister naar mijn lied:IJzeren is mijn harentuit,Daar schutte natuur mij mede.Lederen is mijn eersten huid,Stalen is mijn tweede.Laat de dood, de leelijke, wreede,Loeren naar een ander buit.Lederen is mijn eerste huid,Stalen is mijn tweede.„Leven” steekt op mijn vendel uit,Leven in ’t licht der rede.Lederen is mijn eerste huid,Stalen is mijn tweede.En zingend toog hij henen, niet zonder den trillenden mond en de liefelijke oogen te kussen van de koortsachtige Nele, die lachte en weende te gelijk.De Geuzen zijn vóór Antwerpen, zij kapen Alva’s schepen tot in de haven. Zij komen in lichten dag in de stad, verlossen gevangenen en nemen paapschgezinden om tot rantsoen te dienen. Met geweld doen zij de poorters opstaan, en dwingen eenigen hunner hen sprakeloos te volgen, onder doodsbedreiging.Uilenspiegel zeide tot Lamme:—De zoon des admiraals is gevangen bij den schouteet; wij moeten hem verlossen.Zij dringen in het huis van den schout en vinden den jongeling, dien zij zochten, in gezelschap van een dikbuikigen monnik, dewelke hem een grammoedige predikatie hield om hem terug te brengen in den schoot Onzer Moeder, de Heilige Kerk. Maar de jonge snaak vroeg of hij hem niets beters kon aanbieden. Hij gaat henen met Uilenspiegel. Ondertusschen grijpt Lamme den monnik bij zijne kap, en doet hem vóór zich gaan in de straten van Antwerpen, zeggende:—Gij zijt honderd gulden weerd: maak uw pak en ga vóór. Waarom gaat gij zoo traag? Hebt gij lood in uwe schoenen? Wat rapper, spekzak, vleeschbank, soepketel!De monnik antwoordde, in woede ontstoken:—Goed, mijnheer de Geus, ik ga; maar, met al den eerbied, dien ik uwe schietbus verschuldigd ben, veroorloof ik mij te zeggen, dat gij zoo dik zijt als ik.Maar Lamme stiet hem voort en sprak:—Hoe vermeet gij u uw onnut, vadsig kloostervet te vergelijken met mijn Vlamingvet, dat eerlijk gekweekt werd door arbeid, vermoeienis en gevecht? Gauw wat, of ik jaag u voort met eene spoor op de punt van mijnen schoen.Maar de monnik kon niet loopen, hij was gansch buiten adem, en Lamme insgelijks. En zoo kwamen zij op het schip.
XX.Toen waren de Geuzen te Vlissingen, waar Nele koorts vatte. Gedwongen het schip te verlaten, werd zij ingenomen bij Peeters, een hervormde, op de Turfkaai.Uilenspiegel, hoewel treurig, was toch blijde als hij dacht, dat de Spaansche kogels heur niet konden treffen in dat bed, waar zij zeker zou genezen.En, met Lamme, was hij gedurig bij heur, om heur goed en liefdevol te verzorgen. En daar koutten zij met elkander.—Trouwe vriend, zei Uilenspiegel eens, kent gij het nieuws?—Neen, mijn zoon, zei Lamme.—Hebt gij de vlieboot gezien, die laatst onze vloot kwam versterken, en weet gij wie daar alle dagen speelt op de vedel?—Ten gevolge van de laatste verkoudheid, zeide Lamme, tuiten mijne beide ooren en ben ik wat doof. Waarom lacht gij, mijn zoon?Maar Uilenspiegel vervolgde zijn rede en sprak:—Eens hoorde ik heur een Vlaamsch liedeken zingen, en heure stem was zoo zoet als die van een engel.—Laas! zeide Lamme, zij ook speelde op de vedel en zong.—Kent gij de andere tijding? vervolgde Uilenspiegel.—Neen, mijn zoon, antwoordde Lamme.Uilenspiegel antwoordde:—Bevel is ons gegeven, met onze booten de Schelde op te varen tot vóór Antwerpen, om daar vijandelijke schepen te kapen of te verbranden. Maar geen kwartier aan de mannen! Wat denkt gij daarvan, dikzak?—Laas, zeide Lamme, zullen wij in deze droeve landen nooit van anders hooren dan van verbrandingen, verhangingen, verdrinkingen en andere uitroeiingen van ’t arme menschdom? Wanneer zal de gezegende vrede komen, om rustig patrijzen te braden, kiekens te stoven en, te midden van de eieren, de pensen te doen sissen in de braadpan? Ik eet liever de zwarte; de witte zijn wat vet.—Die zoete tijd zal komen, antwoordde Uilenspiegel, als wij, in Vlaanderens boomgaarden, aan de appelaars, pruimelaars en kerselaars, in stede van appels, pruimen en kersen, aan elken tak eenen Spanjaard zien hangen.—Ha, zeide Lamme, kon ik maar mijne vrouw terugvinden, mijn teerbeminde, zeer geliefde, beminnelijke, zoete, trouwe vrouw! Want, weet, mijn zoon, dat ik nooit horens droeg of zal dragen; daarvoor was zij veel te ingetogen van aard; zij vluchtte den omgang met andere mannen; zoo zij van schoone kleederen hield, was het alleen uit vrouwelijke behoefte. Ik was heure keukenmeid, ik beken het volgeerne; waarom ben ik het niet meer! Doch ik was ook haar meester en echtgenoot.—Zwijg toch met uw gesuf, zei Uilenspiegel. Hoort gij den admiraal roepen: „Licht de ankers!” en de kapiteins, die zijn commando herhalen? Wij moeten in zee steken.—Waarom vertrekt gij zoo vroeg? zeide Nele tot Uilenspiegel.—Wij gaan naar de schepen, antwoordde hij.—Zonder mij? sprak zij.—Ja, zei Uilenspiegel.—Bedenkt gij niet, vroeg zij, hoe ongerust ik over u wezen zal?—Liefste, sprak Uilenspiegel, mijn vel is van ijzer.—Gij spot, zeide zij. Ik zie niets dan uw wambuis, dat van laken is, doch geenszins van ijzer; daaronder is uw lijf, dat van vleesch en been is, lijk het mijne. Wie zal u verbinden als gij gekwetst zijt? Moet gij moederziel alleen sterven, te midden van de strijders? Ik zal met u gaan.—Laas, zeide hij, als de lansen, kogels, zweerden, aksten, hamers, mij sparen, maar op uw liefelijk lichaam vallen, wat moet ik, nietdeug, dan doen op de wereld zonder u?Maar Nele zeide:—Ik wil u volgen, er zal geen gevaar zijn; ik zal mij verbergen in de houten schansen, waar de busschutters staan.—Als gij vertrekt, dan blijf ik; en men zal zeggen, dat uw vriend Uilenspiegel lafaard is en verrader; maar luister naar mijn lied:IJzeren is mijn harentuit,Daar schutte natuur mij mede.Lederen is mijn eersten huid,Stalen is mijn tweede.Laat de dood, de leelijke, wreede,Loeren naar een ander buit.Lederen is mijn eerste huid,Stalen is mijn tweede.„Leven” steekt op mijn vendel uit,Leven in ’t licht der rede.Lederen is mijn eerste huid,Stalen is mijn tweede.En zingend toog hij henen, niet zonder den trillenden mond en de liefelijke oogen te kussen van de koortsachtige Nele, die lachte en weende te gelijk.De Geuzen zijn vóór Antwerpen, zij kapen Alva’s schepen tot in de haven. Zij komen in lichten dag in de stad, verlossen gevangenen en nemen paapschgezinden om tot rantsoen te dienen. Met geweld doen zij de poorters opstaan, en dwingen eenigen hunner hen sprakeloos te volgen, onder doodsbedreiging.Uilenspiegel zeide tot Lamme:—De zoon des admiraals is gevangen bij den schouteet; wij moeten hem verlossen.Zij dringen in het huis van den schout en vinden den jongeling, dien zij zochten, in gezelschap van een dikbuikigen monnik, dewelke hem een grammoedige predikatie hield om hem terug te brengen in den schoot Onzer Moeder, de Heilige Kerk. Maar de jonge snaak vroeg of hij hem niets beters kon aanbieden. Hij gaat henen met Uilenspiegel. Ondertusschen grijpt Lamme den monnik bij zijne kap, en doet hem vóór zich gaan in de straten van Antwerpen, zeggende:—Gij zijt honderd gulden weerd: maak uw pak en ga vóór. Waarom gaat gij zoo traag? Hebt gij lood in uwe schoenen? Wat rapper, spekzak, vleeschbank, soepketel!De monnik antwoordde, in woede ontstoken:—Goed, mijnheer de Geus, ik ga; maar, met al den eerbied, dien ik uwe schietbus verschuldigd ben, veroorloof ik mij te zeggen, dat gij zoo dik zijt als ik.Maar Lamme stiet hem voort en sprak:—Hoe vermeet gij u uw onnut, vadsig kloostervet te vergelijken met mijn Vlamingvet, dat eerlijk gekweekt werd door arbeid, vermoeienis en gevecht? Gauw wat, of ik jaag u voort met eene spoor op de punt van mijnen schoen.Maar de monnik kon niet loopen, hij was gansch buiten adem, en Lamme insgelijks. En zoo kwamen zij op het schip.
XX.
Toen waren de Geuzen te Vlissingen, waar Nele koorts vatte. Gedwongen het schip te verlaten, werd zij ingenomen bij Peeters, een hervormde, op de Turfkaai.Uilenspiegel, hoewel treurig, was toch blijde als hij dacht, dat de Spaansche kogels heur niet konden treffen in dat bed, waar zij zeker zou genezen.En, met Lamme, was hij gedurig bij heur, om heur goed en liefdevol te verzorgen. En daar koutten zij met elkander.—Trouwe vriend, zei Uilenspiegel eens, kent gij het nieuws?—Neen, mijn zoon, zei Lamme.—Hebt gij de vlieboot gezien, die laatst onze vloot kwam versterken, en weet gij wie daar alle dagen speelt op de vedel?—Ten gevolge van de laatste verkoudheid, zeide Lamme, tuiten mijne beide ooren en ben ik wat doof. Waarom lacht gij, mijn zoon?Maar Uilenspiegel vervolgde zijn rede en sprak:—Eens hoorde ik heur een Vlaamsch liedeken zingen, en heure stem was zoo zoet als die van een engel.—Laas! zeide Lamme, zij ook speelde op de vedel en zong.—Kent gij de andere tijding? vervolgde Uilenspiegel.—Neen, mijn zoon, antwoordde Lamme.Uilenspiegel antwoordde:—Bevel is ons gegeven, met onze booten de Schelde op te varen tot vóór Antwerpen, om daar vijandelijke schepen te kapen of te verbranden. Maar geen kwartier aan de mannen! Wat denkt gij daarvan, dikzak?—Laas, zeide Lamme, zullen wij in deze droeve landen nooit van anders hooren dan van verbrandingen, verhangingen, verdrinkingen en andere uitroeiingen van ’t arme menschdom? Wanneer zal de gezegende vrede komen, om rustig patrijzen te braden, kiekens te stoven en, te midden van de eieren, de pensen te doen sissen in de braadpan? Ik eet liever de zwarte; de witte zijn wat vet.—Die zoete tijd zal komen, antwoordde Uilenspiegel, als wij, in Vlaanderens boomgaarden, aan de appelaars, pruimelaars en kerselaars, in stede van appels, pruimen en kersen, aan elken tak eenen Spanjaard zien hangen.—Ha, zeide Lamme, kon ik maar mijne vrouw terugvinden, mijn teerbeminde, zeer geliefde, beminnelijke, zoete, trouwe vrouw! Want, weet, mijn zoon, dat ik nooit horens droeg of zal dragen; daarvoor was zij veel te ingetogen van aard; zij vluchtte den omgang met andere mannen; zoo zij van schoone kleederen hield, was het alleen uit vrouwelijke behoefte. Ik was heure keukenmeid, ik beken het volgeerne; waarom ben ik het niet meer! Doch ik was ook haar meester en echtgenoot.—Zwijg toch met uw gesuf, zei Uilenspiegel. Hoort gij den admiraal roepen: „Licht de ankers!” en de kapiteins, die zijn commando herhalen? Wij moeten in zee steken.—Waarom vertrekt gij zoo vroeg? zeide Nele tot Uilenspiegel.—Wij gaan naar de schepen, antwoordde hij.—Zonder mij? sprak zij.—Ja, zei Uilenspiegel.—Bedenkt gij niet, vroeg zij, hoe ongerust ik over u wezen zal?—Liefste, sprak Uilenspiegel, mijn vel is van ijzer.—Gij spot, zeide zij. Ik zie niets dan uw wambuis, dat van laken is, doch geenszins van ijzer; daaronder is uw lijf, dat van vleesch en been is, lijk het mijne. Wie zal u verbinden als gij gekwetst zijt? Moet gij moederziel alleen sterven, te midden van de strijders? Ik zal met u gaan.—Laas, zeide hij, als de lansen, kogels, zweerden, aksten, hamers, mij sparen, maar op uw liefelijk lichaam vallen, wat moet ik, nietdeug, dan doen op de wereld zonder u?Maar Nele zeide:—Ik wil u volgen, er zal geen gevaar zijn; ik zal mij verbergen in de houten schansen, waar de busschutters staan.—Als gij vertrekt, dan blijf ik; en men zal zeggen, dat uw vriend Uilenspiegel lafaard is en verrader; maar luister naar mijn lied:IJzeren is mijn harentuit,Daar schutte natuur mij mede.Lederen is mijn eersten huid,Stalen is mijn tweede.Laat de dood, de leelijke, wreede,Loeren naar een ander buit.Lederen is mijn eerste huid,Stalen is mijn tweede.„Leven” steekt op mijn vendel uit,Leven in ’t licht der rede.Lederen is mijn eerste huid,Stalen is mijn tweede.En zingend toog hij henen, niet zonder den trillenden mond en de liefelijke oogen te kussen van de koortsachtige Nele, die lachte en weende te gelijk.De Geuzen zijn vóór Antwerpen, zij kapen Alva’s schepen tot in de haven. Zij komen in lichten dag in de stad, verlossen gevangenen en nemen paapschgezinden om tot rantsoen te dienen. Met geweld doen zij de poorters opstaan, en dwingen eenigen hunner hen sprakeloos te volgen, onder doodsbedreiging.Uilenspiegel zeide tot Lamme:—De zoon des admiraals is gevangen bij den schouteet; wij moeten hem verlossen.Zij dringen in het huis van den schout en vinden den jongeling, dien zij zochten, in gezelschap van een dikbuikigen monnik, dewelke hem een grammoedige predikatie hield om hem terug te brengen in den schoot Onzer Moeder, de Heilige Kerk. Maar de jonge snaak vroeg of hij hem niets beters kon aanbieden. Hij gaat henen met Uilenspiegel. Ondertusschen grijpt Lamme den monnik bij zijne kap, en doet hem vóór zich gaan in de straten van Antwerpen, zeggende:—Gij zijt honderd gulden weerd: maak uw pak en ga vóór. Waarom gaat gij zoo traag? Hebt gij lood in uwe schoenen? Wat rapper, spekzak, vleeschbank, soepketel!De monnik antwoordde, in woede ontstoken:—Goed, mijnheer de Geus, ik ga; maar, met al den eerbied, dien ik uwe schietbus verschuldigd ben, veroorloof ik mij te zeggen, dat gij zoo dik zijt als ik.Maar Lamme stiet hem voort en sprak:—Hoe vermeet gij u uw onnut, vadsig kloostervet te vergelijken met mijn Vlamingvet, dat eerlijk gekweekt werd door arbeid, vermoeienis en gevecht? Gauw wat, of ik jaag u voort met eene spoor op de punt van mijnen schoen.Maar de monnik kon niet loopen, hij was gansch buiten adem, en Lamme insgelijks. En zoo kwamen zij op het schip.
Toen waren de Geuzen te Vlissingen, waar Nele koorts vatte. Gedwongen het schip te verlaten, werd zij ingenomen bij Peeters, een hervormde, op de Turfkaai.
Uilenspiegel, hoewel treurig, was toch blijde als hij dacht, dat de Spaansche kogels heur niet konden treffen in dat bed, waar zij zeker zou genezen.
En, met Lamme, was hij gedurig bij heur, om heur goed en liefdevol te verzorgen. En daar koutten zij met elkander.
—Trouwe vriend, zei Uilenspiegel eens, kent gij het nieuws?
—Neen, mijn zoon, zei Lamme.
—Hebt gij de vlieboot gezien, die laatst onze vloot kwam versterken, en weet gij wie daar alle dagen speelt op de vedel?
—Ten gevolge van de laatste verkoudheid, zeide Lamme, tuiten mijne beide ooren en ben ik wat doof. Waarom lacht gij, mijn zoon?
Maar Uilenspiegel vervolgde zijn rede en sprak:
—Eens hoorde ik heur een Vlaamsch liedeken zingen, en heure stem was zoo zoet als die van een engel.
—Laas! zeide Lamme, zij ook speelde op de vedel en zong.
—Kent gij de andere tijding? vervolgde Uilenspiegel.
—Neen, mijn zoon, antwoordde Lamme.
Uilenspiegel antwoordde:
—Bevel is ons gegeven, met onze booten de Schelde op te varen tot vóór Antwerpen, om daar vijandelijke schepen te kapen of te verbranden. Maar geen kwartier aan de mannen! Wat denkt gij daarvan, dikzak?
—Laas, zeide Lamme, zullen wij in deze droeve landen nooit van anders hooren dan van verbrandingen, verhangingen, verdrinkingen en andere uitroeiingen van ’t arme menschdom? Wanneer zal de gezegende vrede komen, om rustig patrijzen te braden, kiekens te stoven en, te midden van de eieren, de pensen te doen sissen in de braadpan? Ik eet liever de zwarte; de witte zijn wat vet.
—Die zoete tijd zal komen, antwoordde Uilenspiegel, als wij, in Vlaanderens boomgaarden, aan de appelaars, pruimelaars en kerselaars, in stede van appels, pruimen en kersen, aan elken tak eenen Spanjaard zien hangen.
—Ha, zeide Lamme, kon ik maar mijne vrouw terugvinden, mijn teerbeminde, zeer geliefde, beminnelijke, zoete, trouwe vrouw! Want, weet, mijn zoon, dat ik nooit horens droeg of zal dragen; daarvoor was zij veel te ingetogen van aard; zij vluchtte den omgang met andere mannen; zoo zij van schoone kleederen hield, was het alleen uit vrouwelijke behoefte. Ik was heure keukenmeid, ik beken het volgeerne; waarom ben ik het niet meer! Doch ik was ook haar meester en echtgenoot.
—Zwijg toch met uw gesuf, zei Uilenspiegel. Hoort gij den admiraal roepen: „Licht de ankers!” en de kapiteins, die zijn commando herhalen? Wij moeten in zee steken.
—Waarom vertrekt gij zoo vroeg? zeide Nele tot Uilenspiegel.
—Wij gaan naar de schepen, antwoordde hij.
—Zonder mij? sprak zij.
—Ja, zei Uilenspiegel.
—Bedenkt gij niet, vroeg zij, hoe ongerust ik over u wezen zal?
—Liefste, sprak Uilenspiegel, mijn vel is van ijzer.
—Gij spot, zeide zij. Ik zie niets dan uw wambuis, dat van laken is, doch geenszins van ijzer; daaronder is uw lijf, dat van vleesch en been is, lijk het mijne. Wie zal u verbinden als gij gekwetst zijt? Moet gij moederziel alleen sterven, te midden van de strijders? Ik zal met u gaan.
—Laas, zeide hij, als de lansen, kogels, zweerden, aksten, hamers, mij sparen, maar op uw liefelijk lichaam vallen, wat moet ik, nietdeug, dan doen op de wereld zonder u?
Maar Nele zeide:
—Ik wil u volgen, er zal geen gevaar zijn; ik zal mij verbergen in de houten schansen, waar de busschutters staan.
—Als gij vertrekt, dan blijf ik; en men zal zeggen, dat uw vriend Uilenspiegel lafaard is en verrader; maar luister naar mijn lied:
IJzeren is mijn harentuit,Daar schutte natuur mij mede.Lederen is mijn eersten huid,Stalen is mijn tweede.Laat de dood, de leelijke, wreede,Loeren naar een ander buit.Lederen is mijn eerste huid,Stalen is mijn tweede.„Leven” steekt op mijn vendel uit,Leven in ’t licht der rede.Lederen is mijn eerste huid,Stalen is mijn tweede.
IJzeren is mijn harentuit,Daar schutte natuur mij mede.Lederen is mijn eersten huid,Stalen is mijn tweede.
IJzeren is mijn harentuit,
Daar schutte natuur mij mede.
Lederen is mijn eersten huid,
Stalen is mijn tweede.
Laat de dood, de leelijke, wreede,Loeren naar een ander buit.Lederen is mijn eerste huid,Stalen is mijn tweede.
Laat de dood, de leelijke, wreede,
Loeren naar een ander buit.
Lederen is mijn eerste huid,
Stalen is mijn tweede.
„Leven” steekt op mijn vendel uit,Leven in ’t licht der rede.Lederen is mijn eerste huid,Stalen is mijn tweede.
„Leven” steekt op mijn vendel uit,
Leven in ’t licht der rede.
Lederen is mijn eerste huid,
Stalen is mijn tweede.
En zingend toog hij henen, niet zonder den trillenden mond en de liefelijke oogen te kussen van de koortsachtige Nele, die lachte en weende te gelijk.
De Geuzen zijn vóór Antwerpen, zij kapen Alva’s schepen tot in de haven. Zij komen in lichten dag in de stad, verlossen gevangenen en nemen paapschgezinden om tot rantsoen te dienen. Met geweld doen zij de poorters opstaan, en dwingen eenigen hunner hen sprakeloos te volgen, onder doodsbedreiging.
Uilenspiegel zeide tot Lamme:
—De zoon des admiraals is gevangen bij den schouteet; wij moeten hem verlossen.
Zij dringen in het huis van den schout en vinden den jongeling, dien zij zochten, in gezelschap van een dikbuikigen monnik, dewelke hem een grammoedige predikatie hield om hem terug te brengen in den schoot Onzer Moeder, de Heilige Kerk. Maar de jonge snaak vroeg of hij hem niets beters kon aanbieden. Hij gaat henen met Uilenspiegel. Ondertusschen grijpt Lamme den monnik bij zijne kap, en doet hem vóór zich gaan in de straten van Antwerpen, zeggende:
—Gij zijt honderd gulden weerd: maak uw pak en ga vóór. Waarom gaat gij zoo traag? Hebt gij lood in uwe schoenen? Wat rapper, spekzak, vleeschbank, soepketel!
De monnik antwoordde, in woede ontstoken:
—Goed, mijnheer de Geus, ik ga; maar, met al den eerbied, dien ik uwe schietbus verschuldigd ben, veroorloof ik mij te zeggen, dat gij zoo dik zijt als ik.
Maar Lamme stiet hem voort en sprak:
—Hoe vermeet gij u uw onnut, vadsig kloostervet te vergelijken met mijn Vlamingvet, dat eerlijk gekweekt werd door arbeid, vermoeienis en gevecht? Gauw wat, of ik jaag u voort met eene spoor op de punt van mijnen schoen.
Maar de monnik kon niet loopen, hij was gansch buiten adem, en Lamme insgelijks. En zoo kwamen zij op het schip.