Een woord aan mijn Landgenooten.1

Een woord aan mijn Landgenooten.1’t Was een prachtige zomeravond.Aan ’t eind van den grooten dorpstuin met het uitzicht langs den wegkronkelenden zandweg, over de golvende korenvelden, dáár, onder het lommerrijk geboomte, hield hij mij staande.“Gij moet mij helpen,” sprak hij met warmte.Ik zag hem vragend aan.—Wij hadden over den toestand van het ongelukkige fabriekskind gesproken. Hij was er mee bekend: immers zijn ambt bracht hem gedurig in de stoomfabrieken van ons vaderland.“Zouiku helpen?Ik?”“Ja, met de gave die God u schonk. Schets een verhaal uit de werkelijkheid waarvan ik u sprak, en niet slechts zult ge de harten uwer lezers treffen, maar ook hen opwekken om ter redding dier arme wezens de handen inéén te slaan.Had ik hem goed begrepen? Wenschte hij een verhaal, een vertelling over den toestand van het fabriekskind in ons vaderland!? ’t Was mij alsof ik voor den ingang eener duistere, mij geheel onbekende groeve stond, en men ’t verzoek tot mij richtte om er als gids in vooruit te gaan.Zonder antwoord te geven staarde ik in het dommelig verschiet.Hij begreep dat zwijgen.“Je hebt kinderen, nietwaar?” hernam hij ernstig: “welnu, ga dan de kinderen zien, die in de fabrieken werken; keer naar huis terug, en—schrijf.”De nijgende zon wierp gouden glansen over de golvende korenvelden.—Ik drukte hem de hand. Wij hadden in Gods prachtigen tempel ons verbond gesloten.En, Landgenooten, de schrijver dezer regelen ging, en zag. En toen hij thuis kwam, en zijn eigen kinderen liefkoosde en kuste—ach, hij wist niet waarom zoo anders dan gewoonlijk—toen hij daar verhalen moest van die bleeke holoogige dwergjes, die men fabriekskinderen noemt; en de zijnen daar dwong om te eten, neen, om slechts een enkele kruimel te proeven van den erbarmelijken kalkmeel-poffer, die het leven dier arme kleinen moet rekken voor een geestdoodenden arbeid van 12–15 uren daags. Toen, ja waarachtig, toen wist hij ’t wel wat hij schrijven zou; hij zou zijn stem voegen bij die van Coronel2, van Le Poole3en anderen, en de uitkomst moest leeren of de eenvoudige vertelling4inderdaad eenig gewicht zou kunnen leggen in de schaal der menschelijkheid.Landgenooten! ’t Is u bekend wat er sedert dien tijd geschied is.In 1863 benoemde de Minister Thorbecke een commissie, die belast werd met het onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken; en de man, wiens hart op dien zomeravond zoo warm had gesproken, hij mocht de voldoening smaken zich aan het hoofd der commissie gekozen te zien.Zeven jaren zijn voorbijgegaan.Zeven!Waarom leg ik zulk een nadruk op dat woord?Zal het een verwijt zijn aan de commissie van onderzoek, omdat zij zeven lange jaren behoefde voor haar moeilijke taak?—Neen! beschuldiging zou miskenning kunnen worden, en misschien slechts terugkaatsen op den Minister, die tot leden dier commissie mannen koos, van wier kunde en trouw hij was verzekerd, doch wier maatschappelijke stand hun slechts luttel tijds voor het gewichtig onderzoek gunde.Neen Landgenooten, wij beschuldigen niet, maar ik leg een sterken klemtoon op dat getal, omdat menig hart in dien langen tusschentijd heeft gebloed bij ’t bedenken: En terwijl men nu past en meet en weegt, kwijnen en lijden en ontberen die armen maar altijd voort, en sterven van uitputting vóór dat ze geleefd hebben.Nederlanders, ’k zal u de stemmen niet herhalen, die voor zeven jaren, ’t zij uit onwetendheid, ’t zij uit een kwalijk begrepen eigenbelang, te midden uwer verontwaardiging klonken, en den “novellendichter” wat al te gemakkelijk van overdrijving beschuldigden. Ze zullen thans niet zoo licht herhaald worden; immers, landgenooten,de commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken, heeft in haar rapport een veroordeelend votum uitgebracht.Van de vele woorden en cijfers, in de laatste dagen namens haar in ’t licht gegeven, neem ik slechts de volgende volzinnen over:“Men bevindt dat het fabriekskind in ontwikkeling ten achteren is bij andere kinderen, die niet in de fabrieken arbeiden. Men bevindt dat die achterlijkheid ten deele ook het gevolg is van te vroegen en te langdurig voortgezetten arbeid.”Dit te vernemen is ons genoeg. Dit slechts wilden we door die mannen bevestigd zien.Men kan zich bedriegen; maar wanneer bij een aandachtige lezing van het bedoelde rapport, de overtuiging zich schier op elke bladzij aan ons opdringt: dat men tot een slotsom geraakte, geheel in strijd met een vooropgestelde of vroeger gevestigde meening, dan juist heeft die uitspraak, terwijl ze mede ’t bewijs is van oprechte trouw, de grootste waarde.“Wij zullen zien!” sprak een hooggeleerd lid der commissie, toen hij voor zeven jaren zijn taak zou beginnen; doch, na zijn eerste onderzoekingen klonk het reeds zachter: “’t Is erger dan ik dacht. Er moet wat aan gedaan worden.”En dat laatste woord van dien hooggeachten geleerde, is nu, Gode zij dank, de uitspraak der geheele commissie: Er moet wat aan gedaan worden.En wat is dan haar voorstel; welke wet wenscht zij dan als “de beste voorbehoeding tegen onredelijke exploitatie van het kind”, en om het “de gelegenheid tot behoorlijke ontwikkeling van lichaam en geest te verzekeren?” Hoort:Het eenige middel waarvan zij een goede uitkomst verwacht, is: Een algemeen verplichtend schoolonderwijs.Verplicht schoolonderwijs? Ja, ja waarlijk, zoo klonken er stemmen: niet slechts voor die arme fabriekskinderen, maar voor alle onwetende kleinen moet de wetgever zorgen. Zie Duitschland, zie....Stil! Weet gij ’t niet Nederlanders, dat de man, die mij tot het schrijven van een verhaal bewoog, dat de president der genoemde commissie bij het gezamenlijk onderteekend rapport, een afzonderlijken brief heeft gevoegd?“Mijn voorstel,” zoo schrijft hij aan den Minister: “moet een geheel ander zijn dan U door haar—de commissie—wordt aangeboden. Ik acht,” zoo gaat hij wat verder voort: “dat een wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs, als in strijd met den volksgeest hier te lande, niet gemakkelijk tot stand zou komen, en beschouw, op dien grond, het voorstel der commissie zoogoed als een voorstel om den bevonden slechten toestand te laten zooals hij is. Enz.”get. A. A. C. De Vries Robbé.Den toestand te laten zooals zij is! Maar Nederlanders, landgenooten! die uw kinderen liefhebt, dat wilt ge niet! Hebben ZIJ dan geen kinderen, de overige leden dier commissie? O, indien zij ze hadden, ze zouden bedacht hebben dat hun raad, het begraven was eener zaak, die niet slechts eenonderzoekvorderde, maar nu ’tallereerstbeteugeling van het kwaad, terwijl dat kwaad als werkelijk bestaande werd aan ’t licht gebracht.Of meent gij nog dat een wet, als door de commissie begeerd, geenszins in strijd is met den Nederlandschen volksgeest en nog bovendien wenschelijk zou zijn?Leest dan Landgenooten, het uitmuntende hoofdartikel in de Nos. van 6, 7, 8 en 9 Nov. 1869, derNieuwe Rotterdamsche Courant. Mij dunkt de voorstanders van een algemeen verplicht schoolonderwijs, ze moeten na de lezing er van wel in tegenstanders veranderen, of althans erkennen dat het voorstel der commissie ten behoeve van het fabriekskind, inderdaad—maar zeker ter goeder trouw—een voorstel is geweest om denbevonden slechten toestandte laten zooals hij is.Maar wat dan?—Zou men blind willen zijn voor de eerlijke en dikwijls niet geheel ongegronde bezwaren tegen een wettelijke regeling van den arbeid der kinderen in de fabrieken? Zal men het oor sluiten voor de waarschuwende stemmen, als ze daar spreken van de gevaren waaraan men het kind gaat blootstellen, erger misschien dan waaraan men het te ontrukken wenscht? Zal men doof zijn voor de eischen der vrijheid in ons eenig en dierbaar Nederland!?Neen, voorzeker neen! Immers juist eerst dán wanneer men al die bezwaren goed heeft doorzien, eerst dan zal de wetgever kunnen optreden om ook devrijheid te waarborgen van het mishandelde kind.En sprekenmoethij. Zou Nederland nog langer dralen om het voorbeeld van het grootste deel der Europeesche naties te volgen, en de stem der menschelijkheid te doen klinken?Nog eens: de toestand is slecht. Dit is een bestaande zekerheid. Hierin te voorzien is plicht. De gevolgen, die men van een wettelijke regelingvreest, zijn onbewezenmogelijkheden!Zal men den uitgehongerde een maaltijd weigeren, uit vrees dat hij door overmatig gebruik zijn leven in gevaar zou brengen!? Zou men ook nu in Nederland weer nalaten het goede te doen, omdat men het betere, het volmaakte niet aanstonds bereiken zal?Wat wij dan willen?Nederlanders, wij willen een verstandige wettelijke regeling van den arbeid der kinderen in de fabrieken, zoo mogelijk gepaard aan verplicht schoolonderwijs. Wij willen dat de wet ook zal straffen wanneer onmeedoogende ouders niet zelden beulen voor hun kinderen blijken te zijn.5Wij willen dat de wet zal straffen wanneer de industrie—’t zij dan moedwillig of uit gewoonte en sleur—menschenlevens verwoest, en alzoo werkelijk “verrotting brengt in den Staat.”Wij willen dat er een wet kome:omdat wij gelooven dat inmenging der Regeering hier evenzeer noodzakelijk is, als waar zij elders optreedt als beschermster van het kind en met straf bedreigt wie “zijn bestaan in gevaar brengt”;6omdat wij gelooven dat een wet, én voor die arme schepsels én voor de industrie zelve, van onberekenbaar nut zal worden indien zijniet te veelwil, doch wat ze gebiedt metgestrengheid zal handhaven.Of zou men zich toch laten afschrikken door den kreet: Maar om Godswil, wat moet er dan van den arbeid worden! wie zal de ontbrekende en zoo noodige handjes aanvullen, wie....!?Nieuwe toestanden, nieuwe hulpbronnen! Bekreunt zich deIJzeren-baanom ’t verval langs denstraatweg!—En immers, wanneer een machine naait of breit, dan zullen ijzeren raders ook wel spoedig die arme levende raderen kunnen vervangen.En wat vreest men dan weder dat er ouders zullen zijn, die hun niet verdienende kinderen binnenshuis op nog zwaarder proef zullen stellen! Neen, wanneer die arme verdierlijkte onmondige ouders de zekerheid hebben dat er een toezicht bestaat, en dat als gevolg er van het publiek en vooral ook de armbesturen het oog op hen gevestigd houden, dan wagen zij het niet, en zullen wellicht in ’t eind nog beseffen dat men dit strenge toezicht tot hun waarachtig welzijn in ’t leven riep.Landgenooten! in een zitting der Tweede Kamer onzer Staten-Generaal, heeft de Minister Fock in antwoord op een interpellatie van den heer Van der Maesen de Sombreff gezegd, dat hij omtrent het toezicht op de fabriekskinderen nog geen wetsontwerp wilde voorstellen:Eerst moest de openbare meening zich krachtiger uitspreken.Nuzult gij ’t weten waarom ik u schrijf.Landgenooten, mannen en vrouwen, ouden en jongen, ’t is omdat ik wensch dat gij als één man zult opstaan en uw bee voegen bij de mijne; dat gij tot den Koning een adres zult richten ’t zij in den volgenden of in een beteren vorm:Sire!“Nu de toestand der kinderen, werkende in de fabrieken, is geblekenslecht te zijn tengevolge van een te vroegen en te langdurig voortgezetten arbeid, nu naderen wij Uwe Majesteit met eerbiedig verzoek, dat het Uwer Majesteit zal behagen met Uwer Majesteits regeering eenwet in ’t leven te roepen, die het arme fabriekskind tegen eenonredelijke exploitatiebeschermen, en het zoo mogelijkde gelegenheid tot een behoorlijke ontwikkeling van lichaam en geest verzekeren zal.Uwer Majesteits getrouwe onderdanen, enz. enz.Ik weet het, Landgenooten, waar ’t een werk der liefde geldt, en mede in ’t waarachtig belang der Nederlandsche Industrie, daar zult gij niet achterblijven.En wanneer dan te midden dier vele namen, ook hier en daar de namen zullen prijken van hen, die aanstonds bereid zijn om oogenblikkelijk voordeel prijs te geven, nu zij de waarheid moesten hooren van hen die hard schenen omdat de Concurrentie hen tot hardheid dwong of de sleur hen verblindde; ja, dan zullen die namen der edele Nederlandsche industriëelen, als diamanten schitteren in den band der liefde dien wij te zamen mochten vlechten.God geve dat geen enkele hunner ontbreken zal!Ruim zeven jaren zijn er voorbijgegaan sedert den schoonen zomeravond, toen de ondergaande zon haar gouden glansen over de golvende graanakkers wierp; zeven lange jaren sedert den stond dat mij het woord in de ooren klonk: Welnu, ga dan de kinderenziendie in de fabrieken arbeiden. Ga zezien!En nu nóg werken en slaven ze, en grijpen als raderen mee in de groote machine, van 12 tot 15 uren daags. Nog bloeden ze, en schreien ze, en roepen om hulp.Spoedt u dan Landgenooten! Gij hebt het gehoord:De openbare meening moet zich krachtiger uitspreken.Zoudt gij nog aarzelen? Neen, zie, daar staat uw eigen dierbaar kind; het ziet u liefdevol aan; het vliegt u in den arm, en smeekt u om zijnentwil, dat ge gaan zult, haastig gaan, ter bescherming van die arme gemartelde natuurgenootjes.1Het Vaderland, No. 44, 1870.2Zie o. a. zijn meesterlijk stuk, getiteld:In ’t Gooi, Maart en April Nos. van de Gids.3Economist, enz.4Fabriekskinderen. Een bede, doch niet om geld.5Een der edeldenkendste fabrikanten in Twente verhaalde mij nog onlangs, dat er o. a. ouders zijn die—om de arme schepseltjes ’s winters heel vroeg wakker te doen worden, ze uit de warme bedstee nemen en met de bloote voetjes op den ijskouden haardsteen zetten!6Wetboek van Strafrecht. Zesde Afdeeling.Openbare brief aan Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken.1870.Ick bidde U Indien Gij heden geen gelegenen Tijt hebt om desen Epistel te lesen, doet het Morgen; maer by Uwe veele drockten, vergeet denselven niet.Excellentie!In de hoop dat dit schrijven in ’t belang der arme fabriekskinderen mijn laatste zal kunnen zijn, richt ik het tot U, Excellentie, Minister van Binnenlandsche Zaken!Ik doe het metvertrouwen, wel wetende dat het lot dier armen U ter harte gaat, al wordt ook de brief van den Haarlemschen burgemeester,1tot nog toe, vruchteloos gezocht in het anders zoo volledige Rapport der “Commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen arbeidende in de fabrieken”.Excellentie! ’t Is U bekend: in ’t jaar 1863 ontving de genoemde Commissie van den Minister Thorbecke haar mandaat.Zij arbeidde zeven jaren.Eindelijk ziet haar uitspraak het licht.En zij constateert dat.... zwart zwart is.Nochtans, de Commissie ging verder. In strijd met haar vroegere meening—volgens den president dier commissie, mede blijkbaar uit haar ingediend Rapport—heeft zij eenvoorstel van wetgedaan, en wel, om het fabriekskind voor zooveel mogelijk tegeneen onredelijke exploitatie te beschermen, door eenewettot Algemeen Verplicht Schoolonderwijs.De president der Commissie teekent in een afzonderlijk schrijven hiertegen protest aan, met de woorden“Ik acht dat eene wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs, als in strijd met den volksgeest hier te lande, niet gemakkelijk zal tot stand komen, en beschouw op dien grond het voorstel der Commissie, zoogoed als een voorstel om denbevonden slechtentoestand te laten zooals zij is.”Er verloopen vele dagen.—De Nieuwe Rotterdamsche Courant maakt er gebruik van, en neemt de woorden van dien president tot motto, om al vast het weinig populaire commissie-voorstel met kracht te bestrijden.En toen?Men wachtte op U, Excellentie.—Nietwaar: De arme kinderen hadden al zooveeljarengewacht.Ha! Daar wordt weer een stem gehoord. De heer Van der Maesen de Sombreff—de volksvertegenwoordiger—vraagt U in ’s lands vergaderzaal:“Minister van Binnenlandsche Zaken, wat zult Gij doen?”En uw antwoord klinkt:“De openbare meening moet zich krachtiger uitspreken.”Neen, men had geen recht om Uw woorden in een oneigenlijken zin te verklaren:Volgens mijne opvatting verstaat men door deopenbare meening:Het overwegend volksoordeel gegrond in zijn nationaliteit, en met zijn eigenaardige begrippen van recht en onrecht.—Neen, zij is geen: “op redenen en argumenten steunende, met cijfers gestaafde, overtuiging”. En bovendien, zou dan Uwe Exc., na ’t ontvangen van het Rapport der Commissie, dat Rapport—inderdaad nietzondercijfers—als van nul en geener waarde hebben ter zijde gelegd, om nu eens een meer algemeene, op redenen en argumenten steunende, en met cijfers gestaafdeovertuigingte vragen aan—de openbare meening!Genoeg, Gij hebt deVolksstemwillen hooren.—“Mannen van energie,” zegt een hoogbegaafd Nederlandsch geleerde: “zijn de Staatslieden, die acht weten te geven op de publieke opinie”.Toen, overtuigd dat slechts zeer weinigen in den lande, de vele cijfers zouden narekenen, die de Commissie U nog had aan te bieden: toen, na het “hooren en wederhooren” der Commissie en haren president; maar tevens na rijp beraad en ernstig onderzoek, heb ik mijn landgenooten toegeroepen:“Nederlanders, hoort ge ’t wel? De Minister vraagt U dat gij krachtiger spreken zult.”En de openbare meening heeft zich verklaard.En in dien tusschentijd zijn de vogels teruggekeerd uit het warme Zuiden, en hebben hun nestjes gebouwd; en de boomen zijn groen geworden; en.... men heeft kermis gevierd in de Residentie; en—die kinderen in de fabrieken hebben gewacht en geleden.Heeft Uwe Exc. misschien nog te weinig stemmen gehoord; te weinig vooral in evenredigheid van Neerlands bevolking?’t Is zeer waarschijnlijk!—Maar ik herinner U, dat men met het bedoelde kwaad, over ’t algemeen slechts in fabriekplaatsen, en dikwijls zelfs dáár nog maar ten deele bekend is. Ik herinner U, dat het petitioneeren niet in den Nederlandschen volksgeest ligt; maar tevens en vooral:Dat de namen van onze nobele Industriëelen, zoowel uit Twente als uit andere streken van ons Vaderland—die zelfs met hunne firma’s op de adressen aan den Koning prijken—een overwegende beteekenis hebben; dat zij te zamen een stem vormen reeds van veel grooter kracht dan de geheele en toch kloeke stem der openbare meening; en, dat men althans voordezenamen alleen, gerust de duizenden kan missen van hen, die—wel zeker gaarne in ’t belang van arme kindertjes datstuk aan den Koningzouden teekenen, wanneer men ’t hun maar voorleggen wilde, doch die, na het uitbrengen van hun stem zullen vragen: “En wat is nu eigenlijk de zaak?” of, tastende in den zak: “En, hoeveel kost dat nu?”Excellentie, de volksgeest wilverbetering van ’t lot der fabriekskinderen. Immers van welke richting of begrippen ook, er is geen Nederlander, die een toestemmend antwoord zal geven op de vraag:Vindt gij ’t waarachtig goed dat jonge kinderen zoo boven hunne krachten werken, en zoo ellendig onwetend blijven?Goddank! geen Nederlander wil dat in ernst. Die ’t feit dulden, ze zijn verblind. Ja, meelijdend kunnen ze zijn. Ze geven aalmoezen gaarne,—misschien meer dan goed is—maar spreekt men van de ongelukkige kinderen die hen dienen, dan spreekt men van een werkkracht. Van eenwerkkracht. ’t Is niet anders.—Wij hebben ’t vroeger gezegd: raderen zijn het, anders niet.Excellentie! Men heeft aan uw wensch voldaan.Men heeft van vele zijden gesproken:Ten 1ste. De Commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken, heeft u voorgesteld om het kind tegen eenonredelijke exploitatie te beschermen, door eene wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs.Ten 2de. Reeds voorlang teekendendertigLeidsche fabrikanten een adres, met verzoek om dien arbeid te regelen bij de wet.Ten 3de. De Maatschappij van Nijverheid deed hare stem hooren.Ten 4de. De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen kon in ’t einde niet zwijgen.Ten 5de. Een adres derTwentsche Vereeniging van Handel en Industriekwam U in handen.Ten 6de. Zoo mede een legio van dag- en weekbladen, ’t welk artikels wijdde in ’t belang eener wettelijke regeling; en ook het kleine getal dat, tegen die regeling gestemd, nochtans het bestaande kwaad volmondig erkent, terwijl het zich daarna invrome wenschenvoor de toekomst verliest, en zijn redeneeringen besluit met een: “O mochten eerlang....!” of: “Wij hopen van harte...!!”Maar Exc., niet alle Nederlanders—al erkennenallendat de toestand van het fabriekskind verbetering behoeft—wenschen, zooals wij, dat de arbeid dier kinderen zal worden geregeld door eene wet.Ten 1ste. In ’t vrije Nederland willen sommigen geen inmenging der regeering in zaken van Handel en Nijverheid. Handel en Nijverheid moeten zichvrijontwikkelen en bewegen.Ten 2de. Het middel—zoo vreest men—zal erger zijn dan de kwaal: Wanneer de kinderhanden voor een groot deel aan den fabrieksarbeid worden ontnomen, dan zal de fabrikant een grooter getal kinderen moeten aan ’t werk zetten; het getal fabriekskinderen wordt dan misschien wel verdubbeld, en—zooveel te meer ellendigen zullen er zijn.Ten 3de. Bij minder verdienste der kinderen zal de armoede der gezinnen nog grooter worden.Ten 4de. Het ten deele vrijgestelde kind zal misschien door onmenschelijke ouders elders tot het verrichten van nog zwaarder arbeid worden genoodzaakt.Ten 5de. De wet in Engeland, die men in substantie hier te lande zou willen volgen, werkt—zoo beweert men—òf slecht òf gebrekkig.Ten 6de. Al kon er zulk een wet tot stand komen, hoe zal men, zondergrooteen voor den Staat zeer drukkendelasten, die wet naar behoorengestrengkunnen handhaven?Uwe Excellentie zal toestemmen dat de bezwaren niet door mij worden voorbijgezien.Mag ik—zoo kort mogelijk—een antwoord geven?Ten 1ste.Geen inmenging der regeering.—De grootste voorstander van denvrijen handel, de Engelschman, wiens naam door de gansche wereld klinkt, Macaulay, toont met onweerlegbare klaarheid aan,2dat juist in ’t belang van Volk en Nijverheid,de wetgever moet ingrijpen, waar men ’t kind ten behoeve der industrie, op onredelijke wijze exploiteert en ongeschikt maakt om ooit een denkend werkman te worden.Wie Macaulay in dezen niet gehoord heeft, dien zal Uwe Exc. naar ik vertrouw, het recht van spreken, zoo niet ontzeggen, dantoch voorzeker niet toekennen. En, als de groote Macaulay het woord heeft, dan mag de Nederlandsche auteur gevoeglijk zwijgen, om nochtans, indien er tóch weder van het “aan banden leggen der vrije Industrie” mocht sprake zijn, den onnadenkende nogmaals toe te roepen: De fabrieksnijverheidhier, ligt inderdaad door den kinderarbeid gebonden.Ten 2de. Gesteld dat hetgetal fabriekskindereninderdaadwerd verdubbeld—’t geen niet het geval behoefde te worden—dan nog zou dat dubbel getaleen minder geëxploiteerd, en zeker een beter onderwezen cijfer uitmaken.Ten 3de. Men zegt:Bij mindere verdiensten zal de armoede nog grooter worden.Ik vraag Uwe Exc.: wanneer een onzer eerste en edelste fabrikanten, die in zijn fabriek de kinderen reeds vrijwillig in plaats van 12–16 uren daags, slechts 8 uren werken laat en 2 uren onderwijs geven, wanneer deze verklaart, dat hij hunne verdiensten nagegaan, en bevonden heeft:dat de kinderen in 8 uren tijds juist hetzelfde verdienden als vroeger in een zooveel langeren tijd; wanneer de uitkomsten elders—zoomede in Engeland—dit eveneens aantoonen, dán mag men de sombere voorstelling van grootere armoede, inderdaad met schouderophalen begroeten. Immers ’t is een gezonde redeneering: Het kind dat minder werkt, werkt beter. Waar het product in waarde rijst, daar kan het werkloon grooter worden. Maar zelfs in het ergste geval—aangenomen dat de loonsvermindering plaats had—waarin men toch zou kunnen voorzien—dan zal ze slechts tijdelijk en een gevolg zijn van den eersten schok. En, ware het niet de grootste onredelijkheid om de volgende geslachten fabriekskinderen, ja, de nu reeds ter exploitatie aangewezen maar nog wat al te jeugdige wurmen, meedoogenloos op te offeren voor demogelijke, maar stellig ras voorbijgaande gevolgen van dien eersten schok!Ten 4de.Dat de kinderen nog meer zullen te lijden krijgenis alweder een onjuiste voorstelling. Indien de kinderen van 8–13 jaren, voortaan bijvoorbeeldzevenuren per dag zouden werken, endrieuren schoolgaan, wanneer ze zóó,tien uren per dag zullen bezig zijn; dan immers wordt de vrees, de sombere voorstelling tamelijk ongegrond, dat de ouders, ’t zij in hunne woningen ’t zij er buiten, nog een geschikte gelegenheid zullen vinden of scheppen, om hun kroost aan eenigen geregelden winstgevenden arbeid te zetten. Bovendien, wanneer het den Staat ernst is met Zijn toezicht, dan zal hij in verband met gemeente-,kerk- of armbesturen, ook daartegen maatregelen kunnen nemen.Ten 5de.De Engelsche wet—zoo beweert men—werkt slecht of gebrekkig. Volmaakt doet ze het zeker niet, hoe zou dat mogelijk zijn. Maar wie beweren durft dat zeslechtwerkt, ik vraag het UweExcellentie: Zou eenEngelsch Minister van Binnenlandsche Zaken, zou een Bruce, heden eene wet voordragen ter regeling van den arbeid der kinderendie in de mijnen arbeiden—eene wet in den geest van die op den arbeid der kinderen in de fabrieken, indien de laatstgenoemde bevonden werd slecht te zijn. Mij dunkt dit kan volstaan.Of is die man krankzinnig misschien!Ten 6de.De wet, zoo zij tot stand zal komen, moet gestreng gehandhaafd worden, en, het toezicht zal voor de schatkist alweder een drukkende lastpost zijn.Voorzeker, gestreng en met de beste krachten zal zij moeten gehandhaafd worden.En de middelen...? Excellentie! indien hetgelddan werkelijk een bezwaar—ofschoon toch in veler oogen zeer zeker een allerlaatste bezwaar kan wezen, welnu, dan neem ik de vrijheid om, als equivalent voor ’t geen de arme fabriekskinderen den Staat zullen kosten, UExc. het denkbeeld aan de hand te doen van eenandere kinderwet er tegenover.Ik zou dan voorstellen, dat de Regeering eenebelastingwetop devóór-ofdoopnamenin ’t leven riep.Mijne bedoeling is deze:De eerste vóórnaam zalvrijzijn; doch de tweede met vijf gulden belast, en de volgenden met een steeds klimmende taxe, zoodat men voor een zesden naam een som van twee honderd gulden of meer, bij de geboorte-aangifte zou moeten voldoen.Deze belasting—UExc. zal ’t gereedelijk toestemmen—ware er eene die niemand zal drukken: die, naar mijne berekening, jaarlijks een bedrag van ƒ 200,000 aan ’s Rijks schatkist kon opleveren, en waarschijnlijk veel meer, aangezien het zwak voor namen bij de gegoede standen er zeker niet op verminderen zou. ’t Ware een luxe-belasting in ’t belang der armen.“In ’t belang der armen?” vraagt nóg de tegenstander, die in weerwil van de uitkomst door den genoemden fabrikant verkregen, beweren blijft dat de armoede der fabrieksgezinnen—althans in den aanvang bij het in werking treden eener wet—grooter zal worden dan zij reeds was.“In ’tbelangder armen!?”—UExc. vergunne mij nog eens te antwoorden:Aangenomen voor een oogenblik dat door bijzondere locale oorzaken, die armoede bij den eersten schok inderdaad hier en daar zal toenemen, dán juist zou die tweede kinderwet in den nood kunnen voorzien.—Men roept reeds met luide stem: Welk een misgreep! De Staat kan geen philanthropie uitoefenen.Ik weet het. Doch wie zal het philanthropie kunnen noemen wanneer men iemand een hem toegebrachte schade vergoedt? Indien de Staat dan werkelijk met het uitvaardigen eener wet individuën benadeelt, dan zal hij dit uit de aangewezen gelden kunnen vergoeden. Wat de Staat onteigent ten algemeene nutte, dat betaalt hij, en ruim. Waar de Staat zijn onderdanen in ’t belang van Volk en Nijverheid—gesteld dan!—verdiensten ontneemt,dáár moet hij tegemoetkomen. Ja zelfs, aan de kleine fabrikanten, die door ’t begeeren van eene schadeloosstelling, blijk zouden geven van onvermogen, kon hij in den aanvang een vast te stellen vergoeding schenken, naar evenredigheid van ’t aantal kinderen, ’t welk hem door de wet zou worden ontnomen. Indien de Staat op deze wijze, uit de baten der tweede kinderwet, de gevreesde gevolgen der eerste—volgens die sombere beschouwingen—hielp verijdelen, dan oefende hij zeker nóg minder philanthropie uit, dan wanneer hij gratificaties aan weduwen en weezen verstrekt, voor diensten door echtgenooten of vaders aan den lande bewezen.Mijn laatste voorstel zal echter, naar ik vertrouw,—ofschoon het m. i. uitvoerbaar is—niet ten uitvoer behoeven gebracht te worden. De mededeeling er van moest UExc. slechts bewijzen, dat de gewichtige zaak wel degelijk van alle zijden door mij werd bezien, aleer ik onze Landgenooten opwekte om aan Uw roepstem gehoor te geven.—Wat den eisch van sommigen betreft, dat ik aan UExc. een concept-wet ter regeling van den arbeid der kinderen in de fabrieken zou moeten aanbieden; de Nederlandsche auteur, meent zijn roeping niet te mogen voorbijzien; het was zijn plicht om telkens mede op de wond te wijzen, die zoo dringend genezing behoeft; doch geneesmiddelen voor te schrijven, of desgevorderd het lancet in ’t zieke vleesch te zetten.... dát is de roeping en taak derNederlandsche Regeering.Excellentie, de zaak “der gemartelde natuurgenootjes”, is er eene van het allergrootste gewicht. Zal men in den naam eener valsch begrepen vrijheid, de marteling dier kinderen meedoogenloos doen voortduren; de wonde al meer en meer doen inkankeren? Zal men, voor het hoogvereerde beeld der vrijheid geknield, wonderen van die vrijheid verwachten, en slechts biddende zuchten, zonder de handen met kracht aan ’t werk te slaan!?“Vrijheid, vrijheid in Nederland!” roept men ons toe: “Vrijheid inALLES!”—Welzeker! inalles! Loopt dan met revolvers gewapend, gij mannen dier vrijheid, en schiet uw tegenstander overhoop. Laat de spoortreinen vertrekken zonder regel of orde, en tegen elkander instormen als ’t u vermaken kan. Bergt vrij petroleüm of buskruit in uw pakhuizen, en steekt den rommel in brand, dat het dreunt en dondert in ’t rond, indien ge ruimte wilt, ruimte voor uw vrijheid!Maar Exc., de zaak is te ernstig voor zulke dwaze consequenties.Immers, ’t geldt devrijheid, derechtendier arme kinderen.—Ik weet dat UExc. het gevoelt: ’t Geldt hier hetlevenvan aankomende Nederlanders, van toekomstige burgers, ’t welk in de fabrieken physiek en moreel wordt verwoest.Neen, UExc. wil die marteling niet straffeloos doen voortduren, maar bestrijden—ook in ’t belang der Nederlandsche Industrie. De volksstem heeft gesproken en zijn wensch tot den Koning gericht. Gij hebt dien wensch vernomen; en, wanneer Gij nu in des Konings naam, de handen aan ’t werk slaat, ik bid U, vergeet dantoch de vele stemmen onzer eerste Industriëelen niet, en vergeet Macaulay niet, en vooral niet dat de behandeling dezer volkszaak, na zoovele jaren wachtens, spoed vereischt, grooten spoed, want de verdrukking van die ellendige kleinen moet een eind nemen in ons vrije dierbare Nederland.Excellentie, Minister van Binnenlandsche Zaken, men wacht op U.Met de meeste hoogachting teeken ik mij,Uwer Excellentie’s Dw. Dienaar:J. J. Cremer.En men heeft op den Minister gewacht, totdat nog drie jaren later, de eerste wet ter regeling van den kinderarbeid in de fabrieken, door een nieuwe regeering bekrachtigd werd.1De Haarlemsche burgemeester, die mede geklaagd had over den toestand der lijdende Fabriekskinderen werd later Minister van B. Z., en tot hém werd dit schrijven gericht.2Thomas Babington Macaulay’s redevoering over den arbeid der kinderen in de fabrieken, gehouden 22 Mei 1846.Brief van Jan Stukadoor.Metselaar.Onder toezicht gesteld van zijn neef den hulponderwijzer B.Aan den lezer.De neef van den werkman door wien mij het nevensgaande opstel in handen kwam, zal het mij—zoo min als de Lezer—ten kwade duiden, dat ik een aantal van zijne verbeteringen, zoowel in stijl als taal, tot het oorspronkelijke heb teruggebracht, ja zelfs dat eenige door hem geschrapte woorden—waarin de schrijver niets vreemds had gevonden—door mij op hun plaats zijn hersteld.Dat de Nederlandsche werklieden de veelal zeer juiste beschouwingen van den wakkeren Jan met een Bravo! zullen begroeten, en, beter nog, ter harte willen nemen, is de wensch van:J. J. C.Aan alle Nederlandsche WerkliedenLeden en geen-leden der Internationale.Vrienden, laat ik je zeggen, dat je gefopt wordt, op mijn woord van eer. Ik zeg niet, dat ze het niet goed met je meenen; neen, maar dan foppen ze zich zelf. Ik ben zooveel als handwerksman of metselaar, en versta mijn vak zoogoed als mijn baas, daar durf ik me op beroemen, en ofschoon de roem is uitgesloten, ik zeg het, omdat hetwaaris, en ik een hekel aan praatjes heb.In den laatsten tijd hoorde ik gedurig van de kameraden dat ze armoe hadden, geen eten genoeg, omdat ze te weinig verdienden. Dat is waar, vooral als ze—zooals Jan Van End—een vrouwhebben die vijfmaal in de kleine zes jaren een kind krijgt, en op den koop toe een slons is.Weet je wat ik verdien in de week? Gemiddeld, winter en zomer, negen gulden. En daar moet ik van leven met mijne vrouw, vijf kinderen—God weet of het er bij blijven zal—en, behalve een kanarievogeltje van Jans, mijne oude halfblinde moeder. Bedeeling zou ze kunnen krijgen, maar ik zeg: eer zullen ze me doodschoppen, eer dat ze mijne arme moeder van den arme zullen bedeelen.Is negen gulden te veel met zijn achten, als ik de kanarie van Jans meereken?Dat weet jelui wel beter; en toch Goddank jongens, ik heb nog nooit honger geleden. Dat zit hem hierin, dat ik geen drank gebruik. Of ik geen borrel lust? Nou, daar mot je om kommen! Als ik hem zie, dan komt me het water over’t hart; maar ik zeg, neen baas, je zult me niet pieren, want ik heb er een kennis aan dood; dien stond het schuim op den mond toen hij de eeuwigheid inging, en was zoo zwart van binnen als een schoorsteen. Nou, als je vanklarezwartwordt, dan zit er toch de duivel in, al heeft hij geen bokspooten of kettings aan.Ik zei dan dat ik nooit honger heb geleden, en daar geef ik je mijn woord van eer op. Maar weet je wie daar ook de schuld van is, dat is mijne vrouw. Als je ze zag—ze zit hier bij me terwijl ik dezen brief schrijf, want de meester zei: schrijf jij gerust Jan, jij weet het goed uit te leggen, en ik, zeidie, zal je wel met de taal en de spelling helpen—ik zeg dan, als je mijn vrouw zag dan zou je zeggen: een knap wijf, en ik zeg een goed wijf ook; die het anders zei, die heeft er geen verstand van of is jaloersch; zooals de vrouw van P.—ik wil zijn naam geen schande aandoen, maar die is jaloersch. Jongens, je moest ook eens kunnen zien wat een helder wijf of ik heb. Toen ze voor de vierde keer—in de negen jaren een kleintje had, toen was Wouter, de lieve schreeuwer met zijn mooie oogjes, nog geen tien uren oud, of ze had alweer vier wollen sokken gestopt, en, nog al geen gaten!—Neen, zooals mijn beste wijf den boel bij elkaar houdt, daar weet je niet van; enikzeg, als ze van kapitaal spreken: daar zit kapitaal in de armen van Jans. En toch geen houten, waarachtig niet: mollig als boter. Als alleman zoo’n vrouw had, dan was er geen armoe. Van één gulden maakt zij er twee; ook omdat zij van twee uren er vier maakt. Vroolijk is ze altoos; en als ze pruttelt, dan is het alleen over de belasting op de zeep.Maar alleman kan zoo’n vrouw niet krijgen, dat weet ik wel; dáárom en ook met dien ellendigen drank heeft er menigeen veel meer noodig dan ik. Maar, is het misschien door ziektens of dingsigheden dat je armoe hebt, terwijl je werkt zooveel en zoogoed als je kunt, en den boel niet vergooit of verzwendelt, dán zeg ik: jongens, zoekt, als je loon te laag is en je met al je werken niet te eten hebt, in de redelijkheiddat je wat meer krijgt.Ikzegin de redelijkheid, want of wij elkaar een loer willen draaien of niet,—anders draai je je zelf den hals om, en daar heb je niks geen plezier van.Onze kleine Albert was krek een jaar—ik weet het nog, omdat de vrouw toen op suiker bij de koffie trakteerde, en dat is een heele ekstra—toen kwam Van Vlot bij ons inloopen. Ik begreep hem niet, want hij zei den heelen tijd zoo’n Fransch woord. Nou ken ik het; ’t was deInternationale.—Meester heeft het me voorgespeld. Als ik daar lid van werd, dan kregen we mettertijd net zoogoed te vreten—dat waren met permissie zijn eigen woorden—als de rijkdom en al de grootheid in eigen persoon. Wis en waarachtig, zei Van Vlot, hier bij ons in ’t land zijn we wel gek om ons eigen dood te werken voor dat rijkelui’svolk, en voor de bazen, die van ons zweet en bloed mooi weer spelen. De Internationale, zoo zei die, wil met orde en recht onzen toestand verbeteren. We zullen een tijd beleven Jan, zoo zei die, dat al die wind van groote huizen en van de swietmesjeus met hun mooie dametjes uit is, alleman egaal, jij net gelijk met je baas, en je baas net gelijk met den grootsten baron of ginneraal uit het Voorhout. Allemaal glad weg van één slag, en allemaal krek evenveel centen op zak. Ook de centen van den koning moeten we verdeelen, en van de prinsen. Alle grootheid naar de weerlich, zei die; dat was nou hetcommunismus. Dit laatste woord heb ik zelf onthouwen, want dat ding leek me een slaadje als het goed was. Nou, zei Van Vlot, als je niet tegen je eigen vleesch bent, dan moet je ook lid van die Internationale worden, daar staan pieten aan ’t hoofd, en ze hebben in andere landen al zooveel jongens en centen bijeen, dat ze ons best den mond kunnen openhouwen als wij alvast de weerlich van ’t werk geven.Toen Van Vlot niks meer zei, toen zei ik: Maar dan zul jij er zeker al wel dadelijk uitscheien Piet, want aan werken daar heeft hij in den regel kaas aan. Neen nog niet Jan, zeidie toen, want die Internationale stuurt geen kind om een boodschap. Zoo gauw als wij van onzen stand hier te lande zoo goed als allemaal lid van die vereeniging zijn, en de kans schoon staat om onzen slag te slaan, dan beginnen we dat vetje; dan gooien we—’t waren zijn eigen woorden—bij al dat groote volk lekkertjes de glazen in, en houwen acht dagen vetpot, en dan: naar den grond met al de rijkelui’shuizen, en, verdeeling van de dubbeltjes in de Maliebaan! Wil je lid worden? zei Piet er bot bovenop. En ik zei: Wat kost het? Zooveel, zei Piet.—Ik keek Jans aan, en Jans zei niks, maar ik zei: Ik zou je danken. ’k Wil er eerst over prakkezeeren.Toen Van Vlot weg was—eerst zanikte hij nog wel een uur lang, en ’t meest over dat pleziertje in de Maliebaan—toen zei ik tegen Jans: Wat dunkt je?Jans zei: Wat wil dat zeggen,Inter?Dat weet ik niet, zei ik. Toen dadelijk naar meester.Meester zei dat Internationale zooveel beduidt als een verbond tusschen alle naties of volken; en dat het hier dus de vereeniging was van al de werklieden over de geheele wereld.Dat zoodje zou ik wel eens bijeen willen zien, zei ik tegen Jans toen ik weer thuis kwam—’t was Zondag.Ik niet, zei Jans: vooral vandaag niet, want dan staan de meesten niet vast op hun beenen.Demeesten, dat was onredelijk. Nu moet ik zeggen dat Jans alleen op dát punt onredelijk is. Maar ik dank er God voor, want als Jans het niet geweest was, wie weet of ik tóch niet van tijd tot tijd bij Nol op den hoek er eentje zou gepakt hebben. Ééns is geens zegt het spreekwoord, en zoo kom je op een kouwen avond tottienmaal éénsistienmaal geens; en dan heb je veertig centen aan je broek, en je kijkt als een vijfcents pekelharing of een schar zonder kop.Maar jongens, nou moet ik je zeggen, dat ik al een maand aan het denken ben geweest over die woorden van Van Vlot of eigenlijk over die Internationale. Ik zei tegen Jans: Ja maar, als we nu toch waarachtig door dat lid worden, in het huis van V. B.... konden komen (meester zei dat ik den naam hier weg moest laten) nou, in dat mooie groote huis met al die meubels en gordijnen, me dunkt....Me dankt, zei Jans, dat je je verstand moest gebruiken. Van Vlot zei dat zeALde huizen zouden afbreken, en dus kwam jij dan tóch niet in het groote huis van V. B....Dáár had ze gelijk in, en ja, als we allemaal precies gelijk zouden worden, dan moest eigenlijk—na dat pleiziertje in de Maliebaan—de heele stad voor den grond worden gesmeten, om ook de steenen en het houtmateriaal gelijk te verdeelen. Ja wel, elk voor zich kon dan zijn portie meenemen om naar goedvinden op een—óók eerlijk gedeeld stuk grond, zijn huisje te kunnen zetten.Maar zie je jongens, toen ik daar goed over prakkezeerde, toen begon het me te draaien voor de oogen. Wie drommel zou eerst de stadafbreken? Verbranden was nog zonde, want wat weg is is weg.—De voorname lui? Och goeje hemel, als ze een halven dag aan ’t steenbikken waren geweest, bij voorbeeld de graaf van.... (weer geen naam zei meester) afijn dan lee ie voor mirakel; daar zit geen pit in die vingers.En ik zelf? Als ik mijn portie beet had, wat deed ik er mee? Metselen is mijn vak, ja wel, maar al zat ik op water en brood, om een huis te bouwen, zoo’n beetje behoorlijk, ik zou er geen kanstoezien.Maar, zei Jans toen, al kon jij als metselaar, net zoo wel als Hein van ’t fabriek van Enthoven, en de baron van Die en Die, en de grutter naast ons hofje, en Hannes de diender en allemaal die nooit gemetseld of gezaagd hebben, je eigen huis bouwen, wat moesten dan de zieke weduwvrouwen beginnen?Ben je gek Jans, zei ik, dat verdeelen en zelf opbouwen da’s onmogelijk, da’s larie!Ik moest er om lachen, en Jans begon ook te lachen, zoodat kleine Anneke, die de borst kreeg, losliet. Toen lachten we allebei dat we schudden. Denkt eens jongens, hoe de molenaars en de ministers en de slachters en de boekverkoopers en de notarissen en de vroedvrouwen en de dominee’s en pastoors, afijn de heele werelddie van ’t bouwen niks wisten, in de knoei zouden zitten. Wat zou je zien gebeuren—dat zei ik tegen Van Vlot op een avond dat hij mij weer den kop kwam gekmaken: Laten we nou veronderstellen, zei ik, dat er op de vijftig huishouwens die bouwen moesten, veertig er zelf niet kapabel toe waren, en dat elk driehonderd gulden vrij geld in de Maliebaan had gebeurd; nietwaar, dan zou de een—al was het geen verplichting, toch alweer tegen den ander zeggen: Och vrind of burger-commun, help jij me een handje, want mijn moeder is rhumatiek of aamborstig en kan toch niet zoo tusschen ’t afbraak blijven zitten.—Neen, zou die zeggen: Ieder voor zich.—Dan zou die ander hem bijvoorbeeld drie rijksdaalders onder den neus kunnen houwen. Was de persoon die rook, geresolveerd, dan zei ie: Akkoord! Was hij een schrok, dan zei ie: Voorzesrijksdaalders; en was hij een luie kerel dan zei ie neen, en ging op zijn eigen afbraak liggen.Nou vraag ik jou, Van Vlot, of er dienzelfden dag alweer geen verschil van stand zou wezen, want die hielp, had de rijksdaalders van den ander. Zie je, zoo’n stad van gelijkheid is onmogelijk. Maar zei ik, verondersteld dat je zoo’n stad kondt hebben, dan zet ik het jou om me te zeggen hoe de magere kranten-Hannes met zijn zuster Letje—de strijkster-zwavelstok—aan den kost moesten komen? We zouden alleszelfmoeten doen, want maatjes egaal, alles gelijk, nietwaar? Op onzen lap grond, zaaien en oogsten; koren dorschen en malen; meel kneden, brood bakken,—vee fokken, slachten, natuurlijk alles!Maar toen viel Jans me in de rede, en zei: Kom schei toch uit met die gekkenpraat; waar wil jij mee ploegen als je geen ploegen kunt koopen, hoe wil je dorschen zonder vlegel, malen zonder molen, slachten zonder mes. Waar moet dat alles vandaan komen en wie zal dat maken alsiedereenzaaien en maaien en dorschen en bakken en slachten moet?Waar de machines vandaan moeten komen? zei Van Vlot: wel, net als de messen en allerlei meer tegenwoordig: uit Engeland.Zie je jongens, nu zijn we wel dom, maar toen lachten ik en de vrouw toch nog ééns zoo hard. Wij dachten dat dié Internationale over de heele wereld, voor alle landen was. Meende Van Vlot dan dat ze in Engeland toch wel ten pleziere van ons Hollanders aan ’t werk zouden blijven.Van Vlot werd nijdig om ’t lachen en liep de deur uit. ’s Nachts om éen uur kwam hij stomdronken in vergissing bij ons aankloppen, en toen vroeg ik: wie—ná dat vetje in de Maliebaan—den jenever voor hem zou stoken? En toen zeidie met een smoorvloek erg door den neus: Dat doet de.... de Inter....nation....ale.... voor den duivel!—Nou, als die Internationale de likeurstoker voor den duivel is, zei ik, dan blijf je me met dat ding van mijn lijf af, en ik bracht den lap in zijn huis, want ik had met z’n arme vrouw te doen.Toen jongens, zijn er een paar maanden voorbijgegaan, en ik heb druk werk gehad in ’t voorjaar, zoodat ik van dat ding niet meerhoorde. Maar op een avond dat ik naar huis ga zeit Pietersen tegen me—met een knoop er op: Waarom ben jij nog geen lid van de Internationale? We moeten er hier kerels als jou bij hebben.Waarom Pietersen? vroeg ik.Omdat jij een knappe kerel bent, zeidie: Van Vlot en zijn soort kunnen we missen. Dronken volk geeft geen fedusie, en het ding is goed—voor den donder!Als het ding goed voor den donder is Pietersen, zei ik, dan is het toch ergens goed voor.Ergens! zei Pietersen: wou jij zeggen dat het niet heelemaal goed was? Moet de eene mensch slaven en zweeten, terwijl de ander, God beter ’t, als een lui varken in zijn stoel leit? Kijk—zie, daar heb je weer zoo’n schandaal! die mooie mesjeu in dat open rijtuig leit er als een beest. En wat doet ie? Niemendal!—Ik zeg je: er uit moeten ze! dat volk! ’t Is vanonsgestolen!Nou wist ik toevallig dat de heer in dat rijtuig—want er kwam ons een rijtuig voorbij—een dokter was die zich niet geneert om bij de kwaadaardigste ziekten in de grootste achtergaten te gaan. Cholera of pokken daar maalt hij niet om; en ook dat hij niet alleen met de gift, maar niet minder om zijn taal voor de armsten als een vader is.Wou jij zeggen Pietersen, dat dokter V. van jou gestolen heeft? zei ik.Ja, G. v. d.! riep Pietersen. We zullen ze wel krijgen G. v. d.!Toen jongens, wier ik er koud van, maar ik zweeg. Dat zwijgen beviel Pietersen niet. Hij begon lastig te worden en grof als riviergrind, ’t Liep zoo graveelig dat hij zijn gezegde van “knappe kerel” weerom nam; ik was een...... (het woord was te smerig zei meester, ik moest maar titteltjes zetten.) Best; maar dat andere woord was eigenlijk nog gemeener hoewel het niet zoo vuil was: ik was een verraderlijke Pietjak.—Wat Pietjak is dat weet ik nog niet.—Zulke kerels, die de goeje zaak tegenhielden moesten goddorie, zei Pietersen, al vooruit op d’r ziel hebben, en als hij mij ’t avond of morgen bij den kraag kon krijgen, dan zou hij zijn eigen daarop trakteeren.De kameraads wilden het bijleggen, maar ik zei dat er van bijleggen geen spraak was, omdat er niets bij te leggen viel. Maar toen we ’t politie-bureau voorbijkwamen, toen zei ik, hard genoeg dat ie ’t hooren kon: Zoolang als de eene werkman den ander nog bedreigt, is het goed dat ze dáár wacht houwen, en dat de heeren op ’t Binnenhof ook nog recht en gerechtigheid spreken.Nou vraag ik je jongens, als alles maatjes egaal-commun was, hoe zou je danhulpkrijgen als je ziek lei, enrechtkrijgen als een gemeene rakker je bij avond of ontijd een loer had gedraaid?Toen heb ik gaan zitten nadenken, en hoe langer ik nadacht en met meester en Jans er over sprak—de meester is nog een neef van mijn vrouwskant,—hulponderwijzer—hoe meer ik begreep dat die heele broederschap en alles maatjes gelijk, net zoo onmogelijk is als met de hand aan den hemel te reiken. De meester zei, en daar had hij gelijk in: Moeten de kinderen dan voortaan nietmeer leeren op school? Om kinderen te kunnen onderwijzen moet je met je hoofd en niet met je handen werken. Om dokter en rechter en profester te worden, is het allemaal met den kop werken. Nu moeten die lui toch op stoelen zitten als ze hun hersens inspannen om de wijsheid uit de boeken te halen. Zie je, en dáárom kunnen ze ’t ruwe weer zoo niet verdragen; en als het werkvolk grof werk doet met de handen, dan doen zij fijn werk met het hoofd. En, werken met de handen, dat kun je vrij wat langer volhouden als met den kop. Laat Pietersen of Van Vlot eens een klein briefje schrijven, zei Jans, dan zul je eens zien hoe’n spul ze daarmee hebben. Wil je wel gelooven jongens, dat ik zelf over dit opstel al meer als een verreljaar doende ben; alle Zaterdag avonden, en soms Zondags een beetje. Maarikzeg je dat ik er menig zweetje op gehaald heb, en dat ik ’t al lang had laten steken als meester en Jans niet zeien dat ik ’t doen moest, en meester niet altijd hielp met overschrijven. Wat betreft dat ik jelui wil zeggen wat ik denk, ik dank God dat ik het doen kan, want, nóg eens jongens, die Internationale die piert ons met open oogen. Ik zeg niet uit wreedheid of slechtheid, maar omdat ze niet zien kan.Ik zeg tegen Jans, hoe moeten al de brieven door ’t land komen, en van Oost en West—waar ik nog een broer bij ’t Zevende heb—als je geen heeren hadt, die al die landen en plaatsen van de wereld kennen en zooveel als de direktie verstaan? Als je alles zoo naprakkezeert, dan moeten er heeren zijn op ’t kantoor, die een boel meer weten als de bestellers, die alleen maar ’t adres hoeven te lezen.—Larie dat maatjes-egaal van de commun. Larie, dat zei ik al een half jaar geleden. En nou? Jongens, lees jelui de krant niet?—Ei, zeg ik tegen Van Vlot—want tegen Pietersen daar spreek ik niet meer tegen—ze hebben zich mooi laten kijken in Parijs, die oppersten van de maatjes-egaals. Toen ze in de knoei kwamen en hun lijf moesten bergen, toen werden ze gevonden met duizenden franken—dat zijn zooveel als halve guldens bij ons—hun kleeren genaaid aan specie en papier. Zie je, dat waren de lui die krek regeerden als alle andere regeerders, maar onder een schijn van maatjes-egaal. Ze aten en dronken van de bovenste plank, en verlakten het werkvolk, waar de meesten van hen, vroegerzelftoe behoorden. Begrepen jongens: één zeit er bij voorbeeld tegen je: Vooruit mannen, er onder met de rijken! Dan denken jelui: Vooruit naar den vetpot, nietwaar? Maar hij die je aanvoerder is, komt het eerst bij het laadje, en als jelui dan aan ’t vechten bent en in de konkels raken, dan pakt hij zijn biezen naar Noord- of Zuid-Amerika, en jelui—je wordt in de doos gestopt. Heb je ’t niet gelezen? Neen, in de doos niet alleen, je wordt als krengen in de kalk verbrand, levendig, net als een slak waar je zout op doet. Maar—dat is degerechtigheid. Ja zoo waarachtig als God leeft, jongens, ik zeg met de volle overtuiging: dat is de gerechtigheid! Als ik er niet zoogoed over geprakkezeerd had, dan zou ik zeggen: ik weet het niet. Maar nou, ik heb goed nagedacht en—ik begrijp er alles van!Ja kameraden, God heeft groot en klein verordineerd in de wereld: daar heb je een vlooi en een olifant, nietwaar? een keisteentje en een hooge berg, een grasscheutje en een eik in ’t bosch. Notabene! Maatjes-egaal in de wereld! Jans en zelfs Van Vlot, toen ie goed nuchter was, we hebben weer geschaterd van ’t lachen: dan moesten de vrouwen ook maar een broek aantrekken, en de kinderen hun vader en moeder de les lezen. Neen, Van Vlot, zei ik, God heeft kleine sterren en groote zonnen gemaakt, en zoo denk ik dat Hij ’t met de menschen ook gewild heeft. Neem jij één stand uit de wereld weg—ik meen van wat goed of noodig is—en de heele boel leit op z’n....—Als de opstekers van ’t gas ’s winters bij donkeren avond, hun werk niet deden, dan ging jij en ik bij Janssens op den hoek, met een fortuintje ’t water in; en—als ze commun waren, dan verdikten ze ’t zeker om voor jan en alleman ’t gas aan te steken.—Nog eens, die zijn hersens bijeen houdt, die is wel stekeblind als hij niet ziet dat die heele Internationale, misschien met een goeden aard en bedoeling begonnen, eindelijk den ondergang van den werkman achter de mouw heeft. Lees de krant jongens, als je lezen kunt: geen mooie praatjes van vetpot, maar van daadwerkelijke zaken. Staat maar op tegen de wet van God of de natuur, en je krijgt het voorgoed op den kop. Nu liggen al de mannen, die al weer op den vetpot te Parijs rekenden, en die al met het omverhalen van rijkelui’s huizen en verbranden zijn begonnen, voor goed onder den grond.—Heb jelui daar pleizier in, ga dan je gang; maar ik zou je danken. Ik zeg tegen Jans—of eigenlijk ik heb het eergisteravond gezeid, toen we samen in de bedstee leien: God geef dat onze Hollandsche jongens zich niet door die vreemde poespas in de draaierij laten brengen. Ik zeg maar: als je je best doet, zooals wij, nietwaar, dan ben je misschien geen haar minder gelukkig dan bijvoorbeeld de baron van (ik schrijf den naam niet, want dat geeft weer spul met den meester) afijn, ik zeg geen haar minder. Of zijn bed zooveel mooier is, daar ziet hij niks van als ie slaapt; en als de rijke lui graag op die weeke spullen van bedden en donsen liggen, ik voor mijn part, ....’k zeg tegen Jans, kunnen ze nou beter slapen dan wij met zijn beiden?—En dan de pot? Jans heeft twee diensten gehad, de laatste als keukenmeid. Maar denk jelui, jongens, dat ze dien pot toen we getrouwd waren, een halven dag heeft gemist? Jans zeit dat het met lekker eten net gaat als met alles, wat je alle dagen hebt, daar gaat het raar van af. Ze zeit dat haar volk—groote lui hoor—altijd aan hun vrienden vertellen van een reisje, toen ze ergens—ik weet niet waar—geen lozies konden krijgen; toen ze zich op een zolderkamertje in een bedstee behelpen moesten, en twee dagen niks als zwart brood en melk en een eindje worst konden krijgen, en dat ze daar altijd met zoo’n schik en behei van vertelden alsof dat nou de pleizierigste tijd van hun leven was geweest.—Ja, zul jelui zeggen, maar ’t rijkelui’s smullen is toch niet kinderachtig, en ik wou toch liever aan hun tafels zitten dan voor onzen schralen kost. Ik zei het ook, maar meester gaf me laatst een goed bescheid: Dat moetje nog niet zeggen, zei die. Alles heeft zijn mooi en zijn leelijk. God is rechtvaardig, zei meester, en let jij nou eens op, zei die tegen me, of de rijke lui over het algemeen niet ongezonder zijn, en bleeker en lang zoo sterk niet als de werkman. En wat de sterkte betreft, dat is vreemd genoeg, want de grooten kunnen toch alle dagen hun vleesch krijgen en eiers en al wat ze lusten; en neef, zei die, de rijke die altijd lekker volop heeft, kent geen honger. Alle lusten hebben hun lasten, en alle lasten hun lusten, want God is rechtvaardig, al schijnt het zoo niet. Het liedje zegt:“Rijken altijd volle maag.Armen steeds in ’t eten graag.Honger maakt blauwboonen zoet.Vet de maag bederven doet.”Ik zeg ja, wij zijn sterk, ja wel, maar als de ziektens komen, dan maaien ze toch altijd ’t meest inonzebuurten.Dat komt omdat de mindere man niet zindelijk is, zei meester. Toen wier Jans giftig; want Jans is als een brand. Maar toen zeit meester: Zoo hebbenjeluidan ook de cholera in 66 en nou de pokken gehad? Watblief? Neen, zei Jans.—Akkoord, zei meester, dat komt omdat jij van geen smerigheid houdt, en omdat jelui je zelf en de kinders verstandig hebt laten inenten, en geen kwezels bent, die van Godslasterlijk jammeren als God zelf het medicijnmiddel aan de hand geeft. Zie je jongens, ik ben Griffermeerd van mijn geloof; wat jelui bent dat kan me niet schelen, want ik zeg altijd, de secties en de pletons maken toch maar één schutterij, is ’t nietwaar; en of je onzen lieven Heer al wegcijfert, dat gaat er net mee als met de ginneraal of kornel. Jij kunt wel zeggen: ik lach er wat in; maar je zult tóch aantreeën en marcheeren en ekserseeren, zooals hij verkiest, net zoogoed als de korperaals en de sergeants en de luitenants en de heele schutterij.—Nou jongens—en daar heb je het alweer—wat zou de heele schutterij doen—of laten we nou de heele militaare macht nemen—als ergeenonderscheid van stand was? Wat waren de soldaten zonder onder- en boven-officieren? Over de stommigheid van Pietersen moest ik lachen. Die zei dat ze die luie bl.... bovenop hun paarden mettertijd ook wel ’tloopenzouden leeren. Nou vraag ik, wat wou een leger beginnen, als ze geen hoofdofficiers hadden, die uit de hoogte alles afkeken en meer overleg in één uur moeten hebben als een gewoon soldaat in een heel jaar?Weet jelui wat ik zeg—en ik blijf er bij—al dat maatjes-egaal-commun, dat is de kooi waar de vreemden ons in willen vangen. Ik heb er over geprakkezeerd, en zeg: als je goed werkt, en niet den luiaard uithangt; als je je geld niet aan klare spendeert en ook niet door je vrouwen aan allerlei mutsen en linten en snoeperijen laat verknoeien; als je dan in de redelijkheid niet genoeg voor je vrouw en kinders te eten hebt,zegt het, en klaagt er over in de redelijkheid, en zonder dreigementen, dát isvan Gods wege ons recht; maar laat je niet pieren door mooie praatjes van de Internationale.—Weet je wat die heele Internationale is, zei meester: dat is de domme goeje eend die een haviksei uitbroeide en later door zijn kuiken werd opgegeten; of anders zei meester: ’t is de vos, die de kat de kastanjes uit het vuur laat halen.—Jongens als jelui lid er van wordt, dan ben je niks wijzer als die eend of die kat, en daar ben je te goed voor.Weet je wat ik zeg tegen Jans, ik zeg: Jans, een varken eet afval, een koe gras en hooi, en ’t roofgedierte verslindt de krengen. Maar de mensch eet wat gebakken of gekookt is, nietwaar? Alweer ieder naar zijn aard van mensch of dier. Maar als een mensch zich verlaagt tot een roofdier, dan moet hij ook krengen verslinden zeg ik.Ik zeg nóg eens, dat ik geen enkelen groote ken, noch van het Voorhout noch van de Vijverberg, die gestolen heeft, zooals ze vertellen, want ze zeggen: Bezitting is diefstal. Neen, als bezitting diefstal is, dan, zeg ik tegen Jans, kunnen ze jou gouwe bellen, die ik eens met een ekstra verdiende, ook wel diefstal noemen; dan kunnen ze onzen baas die als opperman is begonnen, maar die van den morgen tot den avond gewerkt heeft en nog van alles geleerd tot in den nacht toe, dan kunnen ze hém, omdat hij een kop voor tien had, óók wel een dief noemen. Als ik onze baas was en ze noemden me een dief omdat ik met Gods hulp gelukkig gewerkt had, dan zou ik óf de tranen in de oogen krijgen óf liederlijk kwaad worden misschien.Neen jongens, de standen in de stad en overal, dat zit hem inde verscheidenheid van hersens en het maaksel van de menschen. Net als er geen twee blaren aan de rozestruik dáár in den pot, egaal van maat zijn, en evenmin als er twee menschen zijn die je niet van elkaar kunt onderscheiden—ten minste altijd nog wat in ’t een of ander—even zoomin kunnen er twee menschen bestaan die precies even knap zijn, of evenveel verstand en ook evenveel geld en goed in de wereld hebben. Dat is niet anders.—Of ik niet liever, als ik het voor ’t kiezen had, een menister als metselaar zou zijn? Waarachtig wel, maar al dat gezanik, dat zoo’n man heeft en in de kranten en veel niet genoeg, dat is ook geen slaadje, zeit meester.—Als ik ’s avonds met Jans en de twee oudste kinders de boteram met koffie gebruik, dan zeg ik altijd: Goddank!—Vraag maar aan Jans of ’t waar is of niet, en dat doe ik uit mijn hart en mijn ziel, want waarachtig jongens, als je tevreden bent, dan heb je niks meer van noode;Meeris larie;LEKKERis ook larie, aanMEERheb je niks anders als oppassen en bewaren en uit het bederf houwen, enLEKKERis..... koffie met roggebrood als je honger hebt, veel meer dan taart met wijn als je nooit honger en zelfs geen tijd of werk genoeg hebt om honger te krijgen.—Maar, zeg je, wijn is toch een andere smaak, en versterkend.—Versterkend? zeit meester,nikszeit ie: de rijken drinken het om de maag, die nooit trek heeft wat grager te maken; en lekker? meester had eens op een trouwerij het spelletje gezien, dat ze met de oogen dicht geen onderscheid tusschen wijn en water konden proeven,dat had ie zelf mee ondervonden, en nu zeg ik: als dátje lekkeris, dan komt er toch ook voor een stooter verbeelding bij.Weet je wat het is jongens? Wij moeten voor ons eigen zien dat we, net als de voorvaders van onze rijke lui, doorwerkenen goed oppassen vooruit komen. Als de rijke luiTEKORT KOMEN TEGEN ONS, DAT MOETEN ZIJ VOOR GOD EN HUN GEWETEN VERANTWOORDEN; ja, dan moeten ze ’t met hun krachtelooze en zieke lichamen maar boeten ook! God is rechtvaardig;maarwij hebben niks van hen te reclameeren als alleen dat zegoed werknaar den eischbetalen. Rijden ze in mooie wagens, daar leven de wagenmakers van, en de lijstenmaker van ’t verguldsel. Als je zeggen zoudt dat de groote kapitalen—zooals ze tegenwoordig op den winkel praten—ons den dood doen, en dat die de wereld uit moeten, en ook verdeeld moeten worden, net als alles in de Maliebaan, of ievers anders, dan, zeit meester,—en ik mot zeggen dat was het naadje van de kous—dan, zeit ie, als die kapitalen er niet meer waren, dan zou je nooit van zijn leven een groot werk zien tot stand komen. Zie je jongens, nu begrijp ik het ook: die heele rijke lui zitten met den aap, en spikkeleeren daarmee in wijsheid of domheid, net zoolang totdat ze bij voorbeeld een spoorweg moeten aanleggen, of een Haarlemmermeer moeten leegmalen—nog al geen kleinigheid—of totdat ze op groote schaal werkmanswoningen gaan bouwen.—Nou wat zeg je. Als we neen zeggen dan bennen we onredelijk. Onder de grooten zijn er tegenwoordig meer als genoeg, die toonen dat ze ons jandoosie beter lozies gunnen dan in ’t gevangenhuis of in de ongebluschte kalk.—Pas op, jongens, laat je niet foppen. We moeten vooruit, dát is sekuur. Ons villen mag er geen een, dáárom moeten we lid van een goede werkmansvereeniging worden, waar we onseigenbelang naar wet en recht kunnen bespikkuleeren. Die vereeniging of vereenigingen kunnen we de Nationalen noemen, dan hebben we met geen Pruisen en Fransoozen te maken (ze zeggen dat het voornamelijk Engelschen en Italianen zijn, maar wat raken ons de Engelschen of Italianen!) Ik geef je den raad jongens, werkt, en drinkt niet, en laat je vrouw de kinders den neus afvegen, en verzuimt niet om ze naar school te sturen. Als ze goed geleerd hebben dan kunnen ze (als ze van God de hersens er voor kregen)bazen worden, van niemendal op, en zelfs welginneraalof alles wat hoogheid is. Meester heeft uit een boek daarvan voorgelezen, maar Jans en ik sloegen de handen er van ineen. Nou van De Ruyter dat weet jelui allemaal.En als je nou zegt dat je toch geen loon genoeg krijgt, en datikwel schrijven kan, maar dat je daar niet van eten kunt, dan—dat zei Jans—lees dan eerst dit alles nog eens na, of laat het je voorlezen; en nog eens: wordt lid van eenNationale. Ga bij de lui, die hetzekergoed met je meenen, omdat ze de menschen niet ontevreden met Gods bestier maar tevreden willen maken. Ik zeg, laten wij niet met de Fransoos of de Pruis konkelen, dieliggentoch al op de loer, maar laten we echte Hollandsche jongens blijven—meester zeit echteNeerlandschejongens blijven—en ons aansluiten bij die vaderlandsche vereenigingen, die het goede en de verbetering van onzen stand in de redelijkheid bedoelen. In Utrecht daar hebben de bazen en het werkvolk het allereerst een voorbeeld gegeven. Daar gaven zij die Internationale een schop, en hebben ze zich vereenigd met de spreuk:Orde,vrijheidenrecht.—Ordein de hut, dat is de baas!Vrijheidbestig, als je in vrijheid maar geen kwaad doet. Vrijheid is een wonder ding. Als ik bij voorbeeld mijn vrijheid wou gebruiken om mijn moeder dood te slaan, of om te luilakken, of mij zelf te bedrinken en ons zoodoende aan lager wal te brengen, dan zeg ik, vrouw, als het noodig mocht zijn—wie weet waar een mensch toe komen kan—hou mijn arm vast; sluit de deur, of blaas de lamp uit. Ja de vrijheid is een wonder ding, want daar heb je de kanarie van Jans, als die los in de kamer vliegt dan gaat ie strijk en zet vanzelf de kooi weer in; en nietwaar als een vogel, die voor de vrije lucht is geschapen dan tevreden in een kooi is! Ik geloof jongens dat tevreden zijn met je staat, terwijl je toch werkt om het beter te krijgen, al de rechte vrijheid is.—En dan vanRechtgesproken: akkoord! Recht moeten we hebben, niet meer en niet minder. Ik zeg: met God in de gerechtigheid, vooruit!Meen jelui dat wij zelf toch niet meer zoover kunnen komen, dan zeg ik: jongens laten we dan toch zorgen dat ze van onze kinders pieten maken. Zonder leeren komen er geen knappe bazen in de wereld. Naar de school moeten ze! als wij dan oud zijn dan lachen we nog in ons vuistje, want zij zullen ’t beter hebben dan wij tegenwoordig in het algemeen.—Of ze dan allemaal bazen zullen worden? Nou zoo gek ben je ook niet! Maar aldat de roem is uitgesloten, omdat ik zelf maar werkman ben, en kapabel genoeg om dit verhaal te schrijven, zoo ben ik daardoor juist in een tevreden humeur, en heb er pleizier in; en dat komt omdat ik op de school zoowat haantje op de voorste bank was, en voor het bouwkundig teekenen kreeg ik de medaille.Maar nu denk je, Jan gaat zijn eigen opvijzelen. Neen, ik wou nog van de bazen spreken. Pas op jongens, je hebt van die zoogenaamde royale bazen die je laten verdienen in de drukke maanden, maar je dan naar huis sturen; of ook die je meer loon geven als een andere baas, omdat zij slecht werk leveren; ik zeg je, dat je dan de heler van den steler bent. Laten de bazen eerlijk blijven, en zoodoende geen brave bazen het brood uit den mond stooten. De groote lui kunnen best betalen. Wat ze niet betalen kunnen daar moeten ze maar afblijven; dat is soms beter ook, want Jans haar eerste dienst was bij zoogenaamde groote lui, en daar heeft ze een armoe bijgewoond misschien nog erger dan bij ons. Want ze moesten nog mooi weer spelen ook. En er zijn er zoo een boel: van boven bont en van onderen.... Meester wou niet hebben dat ik het laatste woord zou zetten; maar hetiszoo.Nou, als je merkt dat de bazen slecht werk leveren en je dáárdoor meer betalen, verlaagt je dan niet om dat bedrog, een handjete helpen. Tegen de gerechtigheid in, dat komt toch altijd neer op je zelf, want als die bedrieger-baas genoeg van je heeft, dan smijt hij je weg als een afgekloven bot en dan komen de honden en knauwen je kapot. Dat rijmt wel, maar dat vleit niet.Luistert toch naar me, kameraden, als ik zeg:zoekt hooger loon en verbetering van je stand in de gerechtigheid,—misschien was het ook niet kwaad, als het kon, door een aandeeltje in de winst van de bazen?—want op mijn woord, in de verhooging van loon alleen zit de voorspoed nog niet. Als wij, zal ik veronderstellen, het loon te hoog opdrijven, dan moet bij voorbeeld de winkelier het huis, dat hij laat bouwen, ook duurder betalen; en, om dát er uit te halen, smeert hij ons de katoen en pilo en petten en koloniale waren ook weer duurder aan, en zie je, dan kom je met al dat hooger toch aan geen beter kantoor. Hebben de bazen al nietvrijwilligin de laatste jaren de loonen met 20 à 30 percent verhoogd? En is het er beter om?En zoodoende zal ik met goed fatsoen besluiten, want nu kan ik je die vereenigingen in ons land—dieNationale Werkmansvereenigingenvan orde, vrijheid en recht aanrecommandeeren. Als je daar lid van wordt, en ik geloof dat je dat maar twaalf stuivers of twintig borrels voor je heele huishouwen in het jaar kost, dan kun je klagen, en in redelijkheid zooveel recht krijgen als je wilt.Maar jongens, denkt niet dat je er dadelijk geld mee winnen zult en vet van worden. Larie! Werk je niet dan eet je niet, en werk je niet en eet je tóch, dan ben je een dief, en je eindigt in de kast, of erger, zooals dat arme opgehitste werkvolk te Parijs.Jongens, de standen zijn van God verordineerd. Nog eens: laat je vrouw de kinders wasschen, en stuurt ze naar school, dat is heel wat voordeeliger op den duur dan dat ze zoo vroeg worden afgebeuld om bloedgeld voor jelui te verdienen. Jabloedgeldmannen! Zoo denken ikke en Jans.En alzoo, laat het vreemde ding loopen; sluit je niet bij dieInter- maar bij een echtNationale Werkmansvereenigingaan, en toont dat je wijzer bent dan de eend die—je weet wel—door zijn eigen kuiken werd opgegeten.Nou weten jelui er alles van, en blijf ik niet met de pen maar met het hart,Jelui Kameraad,Jan Stukadoor,Metselaar.

Een woord aan mijn Landgenooten.1’t Was een prachtige zomeravond.Aan ’t eind van den grooten dorpstuin met het uitzicht langs den wegkronkelenden zandweg, over de golvende korenvelden, dáár, onder het lommerrijk geboomte, hield hij mij staande.“Gij moet mij helpen,” sprak hij met warmte.Ik zag hem vragend aan.—Wij hadden over den toestand van het ongelukkige fabriekskind gesproken. Hij was er mee bekend: immers zijn ambt bracht hem gedurig in de stoomfabrieken van ons vaderland.“Zouiku helpen?Ik?”“Ja, met de gave die God u schonk. Schets een verhaal uit de werkelijkheid waarvan ik u sprak, en niet slechts zult ge de harten uwer lezers treffen, maar ook hen opwekken om ter redding dier arme wezens de handen inéén te slaan.Had ik hem goed begrepen? Wenschte hij een verhaal, een vertelling over den toestand van het fabriekskind in ons vaderland!? ’t Was mij alsof ik voor den ingang eener duistere, mij geheel onbekende groeve stond, en men ’t verzoek tot mij richtte om er als gids in vooruit te gaan.Zonder antwoord te geven staarde ik in het dommelig verschiet.Hij begreep dat zwijgen.“Je hebt kinderen, nietwaar?” hernam hij ernstig: “welnu, ga dan de kinderen zien, die in de fabrieken werken; keer naar huis terug, en—schrijf.”De nijgende zon wierp gouden glansen over de golvende korenvelden.—Ik drukte hem de hand. Wij hadden in Gods prachtigen tempel ons verbond gesloten.En, Landgenooten, de schrijver dezer regelen ging, en zag. En toen hij thuis kwam, en zijn eigen kinderen liefkoosde en kuste—ach, hij wist niet waarom zoo anders dan gewoonlijk—toen hij daar verhalen moest van die bleeke holoogige dwergjes, die men fabriekskinderen noemt; en de zijnen daar dwong om te eten, neen, om slechts een enkele kruimel te proeven van den erbarmelijken kalkmeel-poffer, die het leven dier arme kleinen moet rekken voor een geestdoodenden arbeid van 12–15 uren daags. Toen, ja waarachtig, toen wist hij ’t wel wat hij schrijven zou; hij zou zijn stem voegen bij die van Coronel2, van Le Poole3en anderen, en de uitkomst moest leeren of de eenvoudige vertelling4inderdaad eenig gewicht zou kunnen leggen in de schaal der menschelijkheid.Landgenooten! ’t Is u bekend wat er sedert dien tijd geschied is.In 1863 benoemde de Minister Thorbecke een commissie, die belast werd met het onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken; en de man, wiens hart op dien zomeravond zoo warm had gesproken, hij mocht de voldoening smaken zich aan het hoofd der commissie gekozen te zien.Zeven jaren zijn voorbijgegaan.Zeven!Waarom leg ik zulk een nadruk op dat woord?Zal het een verwijt zijn aan de commissie van onderzoek, omdat zij zeven lange jaren behoefde voor haar moeilijke taak?—Neen! beschuldiging zou miskenning kunnen worden, en misschien slechts terugkaatsen op den Minister, die tot leden dier commissie mannen koos, van wier kunde en trouw hij was verzekerd, doch wier maatschappelijke stand hun slechts luttel tijds voor het gewichtig onderzoek gunde.Neen Landgenooten, wij beschuldigen niet, maar ik leg een sterken klemtoon op dat getal, omdat menig hart in dien langen tusschentijd heeft gebloed bij ’t bedenken: En terwijl men nu past en meet en weegt, kwijnen en lijden en ontberen die armen maar altijd voort, en sterven van uitputting vóór dat ze geleefd hebben.Nederlanders, ’k zal u de stemmen niet herhalen, die voor zeven jaren, ’t zij uit onwetendheid, ’t zij uit een kwalijk begrepen eigenbelang, te midden uwer verontwaardiging klonken, en den “novellendichter” wat al te gemakkelijk van overdrijving beschuldigden. Ze zullen thans niet zoo licht herhaald worden; immers, landgenooten,de commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken, heeft in haar rapport een veroordeelend votum uitgebracht.Van de vele woorden en cijfers, in de laatste dagen namens haar in ’t licht gegeven, neem ik slechts de volgende volzinnen over:“Men bevindt dat het fabriekskind in ontwikkeling ten achteren is bij andere kinderen, die niet in de fabrieken arbeiden. Men bevindt dat die achterlijkheid ten deele ook het gevolg is van te vroegen en te langdurig voortgezetten arbeid.”Dit te vernemen is ons genoeg. Dit slechts wilden we door die mannen bevestigd zien.Men kan zich bedriegen; maar wanneer bij een aandachtige lezing van het bedoelde rapport, de overtuiging zich schier op elke bladzij aan ons opdringt: dat men tot een slotsom geraakte, geheel in strijd met een vooropgestelde of vroeger gevestigde meening, dan juist heeft die uitspraak, terwijl ze mede ’t bewijs is van oprechte trouw, de grootste waarde.“Wij zullen zien!” sprak een hooggeleerd lid der commissie, toen hij voor zeven jaren zijn taak zou beginnen; doch, na zijn eerste onderzoekingen klonk het reeds zachter: “’t Is erger dan ik dacht. Er moet wat aan gedaan worden.”En dat laatste woord van dien hooggeachten geleerde, is nu, Gode zij dank, de uitspraak der geheele commissie: Er moet wat aan gedaan worden.En wat is dan haar voorstel; welke wet wenscht zij dan als “de beste voorbehoeding tegen onredelijke exploitatie van het kind”, en om het “de gelegenheid tot behoorlijke ontwikkeling van lichaam en geest te verzekeren?” Hoort:Het eenige middel waarvan zij een goede uitkomst verwacht, is: Een algemeen verplichtend schoolonderwijs.Verplicht schoolonderwijs? Ja, ja waarlijk, zoo klonken er stemmen: niet slechts voor die arme fabriekskinderen, maar voor alle onwetende kleinen moet de wetgever zorgen. Zie Duitschland, zie....Stil! Weet gij ’t niet Nederlanders, dat de man, die mij tot het schrijven van een verhaal bewoog, dat de president der genoemde commissie bij het gezamenlijk onderteekend rapport, een afzonderlijken brief heeft gevoegd?“Mijn voorstel,” zoo schrijft hij aan den Minister: “moet een geheel ander zijn dan U door haar—de commissie—wordt aangeboden. Ik acht,” zoo gaat hij wat verder voort: “dat een wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs, als in strijd met den volksgeest hier te lande, niet gemakkelijk tot stand zou komen, en beschouw, op dien grond, het voorstel der commissie zoogoed als een voorstel om den bevonden slechten toestand te laten zooals hij is. Enz.”get. A. A. C. De Vries Robbé.Den toestand te laten zooals zij is! Maar Nederlanders, landgenooten! die uw kinderen liefhebt, dat wilt ge niet! Hebben ZIJ dan geen kinderen, de overige leden dier commissie? O, indien zij ze hadden, ze zouden bedacht hebben dat hun raad, het begraven was eener zaak, die niet slechts eenonderzoekvorderde, maar nu ’tallereerstbeteugeling van het kwaad, terwijl dat kwaad als werkelijk bestaande werd aan ’t licht gebracht.Of meent gij nog dat een wet, als door de commissie begeerd, geenszins in strijd is met den Nederlandschen volksgeest en nog bovendien wenschelijk zou zijn?Leest dan Landgenooten, het uitmuntende hoofdartikel in de Nos. van 6, 7, 8 en 9 Nov. 1869, derNieuwe Rotterdamsche Courant. Mij dunkt de voorstanders van een algemeen verplicht schoolonderwijs, ze moeten na de lezing er van wel in tegenstanders veranderen, of althans erkennen dat het voorstel der commissie ten behoeve van het fabriekskind, inderdaad—maar zeker ter goeder trouw—een voorstel is geweest om denbevonden slechten toestandte laten zooals hij is.Maar wat dan?—Zou men blind willen zijn voor de eerlijke en dikwijls niet geheel ongegronde bezwaren tegen een wettelijke regeling van den arbeid der kinderen in de fabrieken? Zal men het oor sluiten voor de waarschuwende stemmen, als ze daar spreken van de gevaren waaraan men het kind gaat blootstellen, erger misschien dan waaraan men het te ontrukken wenscht? Zal men doof zijn voor de eischen der vrijheid in ons eenig en dierbaar Nederland!?Neen, voorzeker neen! Immers juist eerst dán wanneer men al die bezwaren goed heeft doorzien, eerst dan zal de wetgever kunnen optreden om ook devrijheid te waarborgen van het mishandelde kind.En sprekenmoethij. Zou Nederland nog langer dralen om het voorbeeld van het grootste deel der Europeesche naties te volgen, en de stem der menschelijkheid te doen klinken?Nog eens: de toestand is slecht. Dit is een bestaande zekerheid. Hierin te voorzien is plicht. De gevolgen, die men van een wettelijke regelingvreest, zijn onbewezenmogelijkheden!Zal men den uitgehongerde een maaltijd weigeren, uit vrees dat hij door overmatig gebruik zijn leven in gevaar zou brengen!? Zou men ook nu in Nederland weer nalaten het goede te doen, omdat men het betere, het volmaakte niet aanstonds bereiken zal?Wat wij dan willen?Nederlanders, wij willen een verstandige wettelijke regeling van den arbeid der kinderen in de fabrieken, zoo mogelijk gepaard aan verplicht schoolonderwijs. Wij willen dat de wet ook zal straffen wanneer onmeedoogende ouders niet zelden beulen voor hun kinderen blijken te zijn.5Wij willen dat de wet zal straffen wanneer de industrie—’t zij dan moedwillig of uit gewoonte en sleur—menschenlevens verwoest, en alzoo werkelijk “verrotting brengt in den Staat.”Wij willen dat er een wet kome:omdat wij gelooven dat inmenging der Regeering hier evenzeer noodzakelijk is, als waar zij elders optreedt als beschermster van het kind en met straf bedreigt wie “zijn bestaan in gevaar brengt”;6omdat wij gelooven dat een wet, én voor die arme schepsels én voor de industrie zelve, van onberekenbaar nut zal worden indien zijniet te veelwil, doch wat ze gebiedt metgestrengheid zal handhaven.Of zou men zich toch laten afschrikken door den kreet: Maar om Godswil, wat moet er dan van den arbeid worden! wie zal de ontbrekende en zoo noodige handjes aanvullen, wie....!?Nieuwe toestanden, nieuwe hulpbronnen! Bekreunt zich deIJzeren-baanom ’t verval langs denstraatweg!—En immers, wanneer een machine naait of breit, dan zullen ijzeren raders ook wel spoedig die arme levende raderen kunnen vervangen.En wat vreest men dan weder dat er ouders zullen zijn, die hun niet verdienende kinderen binnenshuis op nog zwaarder proef zullen stellen! Neen, wanneer die arme verdierlijkte onmondige ouders de zekerheid hebben dat er een toezicht bestaat, en dat als gevolg er van het publiek en vooral ook de armbesturen het oog op hen gevestigd houden, dan wagen zij het niet, en zullen wellicht in ’t eind nog beseffen dat men dit strenge toezicht tot hun waarachtig welzijn in ’t leven riep.Landgenooten! in een zitting der Tweede Kamer onzer Staten-Generaal, heeft de Minister Fock in antwoord op een interpellatie van den heer Van der Maesen de Sombreff gezegd, dat hij omtrent het toezicht op de fabriekskinderen nog geen wetsontwerp wilde voorstellen:Eerst moest de openbare meening zich krachtiger uitspreken.Nuzult gij ’t weten waarom ik u schrijf.Landgenooten, mannen en vrouwen, ouden en jongen, ’t is omdat ik wensch dat gij als één man zult opstaan en uw bee voegen bij de mijne; dat gij tot den Koning een adres zult richten ’t zij in den volgenden of in een beteren vorm:Sire!“Nu de toestand der kinderen, werkende in de fabrieken, is geblekenslecht te zijn tengevolge van een te vroegen en te langdurig voortgezetten arbeid, nu naderen wij Uwe Majesteit met eerbiedig verzoek, dat het Uwer Majesteit zal behagen met Uwer Majesteits regeering eenwet in ’t leven te roepen, die het arme fabriekskind tegen eenonredelijke exploitatiebeschermen, en het zoo mogelijkde gelegenheid tot een behoorlijke ontwikkeling van lichaam en geest verzekeren zal.Uwer Majesteits getrouwe onderdanen, enz. enz.Ik weet het, Landgenooten, waar ’t een werk der liefde geldt, en mede in ’t waarachtig belang der Nederlandsche Industrie, daar zult gij niet achterblijven.En wanneer dan te midden dier vele namen, ook hier en daar de namen zullen prijken van hen, die aanstonds bereid zijn om oogenblikkelijk voordeel prijs te geven, nu zij de waarheid moesten hooren van hen die hard schenen omdat de Concurrentie hen tot hardheid dwong of de sleur hen verblindde; ja, dan zullen die namen der edele Nederlandsche industriëelen, als diamanten schitteren in den band der liefde dien wij te zamen mochten vlechten.God geve dat geen enkele hunner ontbreken zal!Ruim zeven jaren zijn er voorbijgegaan sedert den schoonen zomeravond, toen de ondergaande zon haar gouden glansen over de golvende graanakkers wierp; zeven lange jaren sedert den stond dat mij het woord in de ooren klonk: Welnu, ga dan de kinderenziendie in de fabrieken arbeiden. Ga zezien!En nu nóg werken en slaven ze, en grijpen als raderen mee in de groote machine, van 12 tot 15 uren daags. Nog bloeden ze, en schreien ze, en roepen om hulp.Spoedt u dan Landgenooten! Gij hebt het gehoord:De openbare meening moet zich krachtiger uitspreken.Zoudt gij nog aarzelen? Neen, zie, daar staat uw eigen dierbaar kind; het ziet u liefdevol aan; het vliegt u in den arm, en smeekt u om zijnentwil, dat ge gaan zult, haastig gaan, ter bescherming van die arme gemartelde natuurgenootjes.1Het Vaderland, No. 44, 1870.2Zie o. a. zijn meesterlijk stuk, getiteld:In ’t Gooi, Maart en April Nos. van de Gids.3Economist, enz.4Fabriekskinderen. Een bede, doch niet om geld.5Een der edeldenkendste fabrikanten in Twente verhaalde mij nog onlangs, dat er o. a. ouders zijn die—om de arme schepseltjes ’s winters heel vroeg wakker te doen worden, ze uit de warme bedstee nemen en met de bloote voetjes op den ijskouden haardsteen zetten!6Wetboek van Strafrecht. Zesde Afdeeling.Openbare brief aan Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken.1870.Ick bidde U Indien Gij heden geen gelegenen Tijt hebt om desen Epistel te lesen, doet het Morgen; maer by Uwe veele drockten, vergeet denselven niet.Excellentie!In de hoop dat dit schrijven in ’t belang der arme fabriekskinderen mijn laatste zal kunnen zijn, richt ik het tot U, Excellentie, Minister van Binnenlandsche Zaken!Ik doe het metvertrouwen, wel wetende dat het lot dier armen U ter harte gaat, al wordt ook de brief van den Haarlemschen burgemeester,1tot nog toe, vruchteloos gezocht in het anders zoo volledige Rapport der “Commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen arbeidende in de fabrieken”.Excellentie! ’t Is U bekend: in ’t jaar 1863 ontving de genoemde Commissie van den Minister Thorbecke haar mandaat.Zij arbeidde zeven jaren.Eindelijk ziet haar uitspraak het licht.En zij constateert dat.... zwart zwart is.Nochtans, de Commissie ging verder. In strijd met haar vroegere meening—volgens den president dier commissie, mede blijkbaar uit haar ingediend Rapport—heeft zij eenvoorstel van wetgedaan, en wel, om het fabriekskind voor zooveel mogelijk tegeneen onredelijke exploitatie te beschermen, door eenewettot Algemeen Verplicht Schoolonderwijs.De president der Commissie teekent in een afzonderlijk schrijven hiertegen protest aan, met de woorden“Ik acht dat eene wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs, als in strijd met den volksgeest hier te lande, niet gemakkelijk zal tot stand komen, en beschouw op dien grond het voorstel der Commissie, zoogoed als een voorstel om denbevonden slechtentoestand te laten zooals zij is.”Er verloopen vele dagen.—De Nieuwe Rotterdamsche Courant maakt er gebruik van, en neemt de woorden van dien president tot motto, om al vast het weinig populaire commissie-voorstel met kracht te bestrijden.En toen?Men wachtte op U, Excellentie.—Nietwaar: De arme kinderen hadden al zooveeljarengewacht.Ha! Daar wordt weer een stem gehoord. De heer Van der Maesen de Sombreff—de volksvertegenwoordiger—vraagt U in ’s lands vergaderzaal:“Minister van Binnenlandsche Zaken, wat zult Gij doen?”En uw antwoord klinkt:“De openbare meening moet zich krachtiger uitspreken.”Neen, men had geen recht om Uw woorden in een oneigenlijken zin te verklaren:Volgens mijne opvatting verstaat men door deopenbare meening:Het overwegend volksoordeel gegrond in zijn nationaliteit, en met zijn eigenaardige begrippen van recht en onrecht.—Neen, zij is geen: “op redenen en argumenten steunende, met cijfers gestaafde, overtuiging”. En bovendien, zou dan Uwe Exc., na ’t ontvangen van het Rapport der Commissie, dat Rapport—inderdaad nietzondercijfers—als van nul en geener waarde hebben ter zijde gelegd, om nu eens een meer algemeene, op redenen en argumenten steunende, en met cijfers gestaafdeovertuigingte vragen aan—de openbare meening!Genoeg, Gij hebt deVolksstemwillen hooren.—“Mannen van energie,” zegt een hoogbegaafd Nederlandsch geleerde: “zijn de Staatslieden, die acht weten te geven op de publieke opinie”.Toen, overtuigd dat slechts zeer weinigen in den lande, de vele cijfers zouden narekenen, die de Commissie U nog had aan te bieden: toen, na het “hooren en wederhooren” der Commissie en haren president; maar tevens na rijp beraad en ernstig onderzoek, heb ik mijn landgenooten toegeroepen:“Nederlanders, hoort ge ’t wel? De Minister vraagt U dat gij krachtiger spreken zult.”En de openbare meening heeft zich verklaard.En in dien tusschentijd zijn de vogels teruggekeerd uit het warme Zuiden, en hebben hun nestjes gebouwd; en de boomen zijn groen geworden; en.... men heeft kermis gevierd in de Residentie; en—die kinderen in de fabrieken hebben gewacht en geleden.Heeft Uwe Exc. misschien nog te weinig stemmen gehoord; te weinig vooral in evenredigheid van Neerlands bevolking?’t Is zeer waarschijnlijk!—Maar ik herinner U, dat men met het bedoelde kwaad, over ’t algemeen slechts in fabriekplaatsen, en dikwijls zelfs dáár nog maar ten deele bekend is. Ik herinner U, dat het petitioneeren niet in den Nederlandschen volksgeest ligt; maar tevens en vooral:Dat de namen van onze nobele Industriëelen, zoowel uit Twente als uit andere streken van ons Vaderland—die zelfs met hunne firma’s op de adressen aan den Koning prijken—een overwegende beteekenis hebben; dat zij te zamen een stem vormen reeds van veel grooter kracht dan de geheele en toch kloeke stem der openbare meening; en, dat men althans voordezenamen alleen, gerust de duizenden kan missen van hen, die—wel zeker gaarne in ’t belang van arme kindertjes datstuk aan den Koningzouden teekenen, wanneer men ’t hun maar voorleggen wilde, doch die, na het uitbrengen van hun stem zullen vragen: “En wat is nu eigenlijk de zaak?” of, tastende in den zak: “En, hoeveel kost dat nu?”Excellentie, de volksgeest wilverbetering van ’t lot der fabriekskinderen. Immers van welke richting of begrippen ook, er is geen Nederlander, die een toestemmend antwoord zal geven op de vraag:Vindt gij ’t waarachtig goed dat jonge kinderen zoo boven hunne krachten werken, en zoo ellendig onwetend blijven?Goddank! geen Nederlander wil dat in ernst. Die ’t feit dulden, ze zijn verblind. Ja, meelijdend kunnen ze zijn. Ze geven aalmoezen gaarne,—misschien meer dan goed is—maar spreekt men van de ongelukkige kinderen die hen dienen, dan spreekt men van een werkkracht. Van eenwerkkracht. ’t Is niet anders.—Wij hebben ’t vroeger gezegd: raderen zijn het, anders niet.Excellentie! Men heeft aan uw wensch voldaan.Men heeft van vele zijden gesproken:Ten 1ste. De Commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken, heeft u voorgesteld om het kind tegen eenonredelijke exploitatie te beschermen, door eene wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs.Ten 2de. Reeds voorlang teekendendertigLeidsche fabrikanten een adres, met verzoek om dien arbeid te regelen bij de wet.Ten 3de. De Maatschappij van Nijverheid deed hare stem hooren.Ten 4de. De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen kon in ’t einde niet zwijgen.Ten 5de. Een adres derTwentsche Vereeniging van Handel en Industriekwam U in handen.Ten 6de. Zoo mede een legio van dag- en weekbladen, ’t welk artikels wijdde in ’t belang eener wettelijke regeling; en ook het kleine getal dat, tegen die regeling gestemd, nochtans het bestaande kwaad volmondig erkent, terwijl het zich daarna invrome wenschenvoor de toekomst verliest, en zijn redeneeringen besluit met een: “O mochten eerlang....!” of: “Wij hopen van harte...!!”Maar Exc., niet alle Nederlanders—al erkennenallendat de toestand van het fabriekskind verbetering behoeft—wenschen, zooals wij, dat de arbeid dier kinderen zal worden geregeld door eene wet.Ten 1ste. In ’t vrije Nederland willen sommigen geen inmenging der regeering in zaken van Handel en Nijverheid. Handel en Nijverheid moeten zichvrijontwikkelen en bewegen.Ten 2de. Het middel—zoo vreest men—zal erger zijn dan de kwaal: Wanneer de kinderhanden voor een groot deel aan den fabrieksarbeid worden ontnomen, dan zal de fabrikant een grooter getal kinderen moeten aan ’t werk zetten; het getal fabriekskinderen wordt dan misschien wel verdubbeld, en—zooveel te meer ellendigen zullen er zijn.Ten 3de. Bij minder verdienste der kinderen zal de armoede der gezinnen nog grooter worden.Ten 4de. Het ten deele vrijgestelde kind zal misschien door onmenschelijke ouders elders tot het verrichten van nog zwaarder arbeid worden genoodzaakt.Ten 5de. De wet in Engeland, die men in substantie hier te lande zou willen volgen, werkt—zoo beweert men—òf slecht òf gebrekkig.Ten 6de. Al kon er zulk een wet tot stand komen, hoe zal men, zondergrooteen voor den Staat zeer drukkendelasten, die wet naar behoorengestrengkunnen handhaven?Uwe Excellentie zal toestemmen dat de bezwaren niet door mij worden voorbijgezien.Mag ik—zoo kort mogelijk—een antwoord geven?Ten 1ste.Geen inmenging der regeering.—De grootste voorstander van denvrijen handel, de Engelschman, wiens naam door de gansche wereld klinkt, Macaulay, toont met onweerlegbare klaarheid aan,2dat juist in ’t belang van Volk en Nijverheid,de wetgever moet ingrijpen, waar men ’t kind ten behoeve der industrie, op onredelijke wijze exploiteert en ongeschikt maakt om ooit een denkend werkman te worden.Wie Macaulay in dezen niet gehoord heeft, dien zal Uwe Exc. naar ik vertrouw, het recht van spreken, zoo niet ontzeggen, dantoch voorzeker niet toekennen. En, als de groote Macaulay het woord heeft, dan mag de Nederlandsche auteur gevoeglijk zwijgen, om nochtans, indien er tóch weder van het “aan banden leggen der vrije Industrie” mocht sprake zijn, den onnadenkende nogmaals toe te roepen: De fabrieksnijverheidhier, ligt inderdaad door den kinderarbeid gebonden.Ten 2de. Gesteld dat hetgetal fabriekskindereninderdaadwerd verdubbeld—’t geen niet het geval behoefde te worden—dan nog zou dat dubbel getaleen minder geëxploiteerd, en zeker een beter onderwezen cijfer uitmaken.Ten 3de. Men zegt:Bij mindere verdiensten zal de armoede nog grooter worden.Ik vraag Uwe Exc.: wanneer een onzer eerste en edelste fabrikanten, die in zijn fabriek de kinderen reeds vrijwillig in plaats van 12–16 uren daags, slechts 8 uren werken laat en 2 uren onderwijs geven, wanneer deze verklaart, dat hij hunne verdiensten nagegaan, en bevonden heeft:dat de kinderen in 8 uren tijds juist hetzelfde verdienden als vroeger in een zooveel langeren tijd; wanneer de uitkomsten elders—zoomede in Engeland—dit eveneens aantoonen, dán mag men de sombere voorstelling van grootere armoede, inderdaad met schouderophalen begroeten. Immers ’t is een gezonde redeneering: Het kind dat minder werkt, werkt beter. Waar het product in waarde rijst, daar kan het werkloon grooter worden. Maar zelfs in het ergste geval—aangenomen dat de loonsvermindering plaats had—waarin men toch zou kunnen voorzien—dan zal ze slechts tijdelijk en een gevolg zijn van den eersten schok. En, ware het niet de grootste onredelijkheid om de volgende geslachten fabriekskinderen, ja, de nu reeds ter exploitatie aangewezen maar nog wat al te jeugdige wurmen, meedoogenloos op te offeren voor demogelijke, maar stellig ras voorbijgaande gevolgen van dien eersten schok!Ten 4de.Dat de kinderen nog meer zullen te lijden krijgenis alweder een onjuiste voorstelling. Indien de kinderen van 8–13 jaren, voortaan bijvoorbeeldzevenuren per dag zouden werken, endrieuren schoolgaan, wanneer ze zóó,tien uren per dag zullen bezig zijn; dan immers wordt de vrees, de sombere voorstelling tamelijk ongegrond, dat de ouders, ’t zij in hunne woningen ’t zij er buiten, nog een geschikte gelegenheid zullen vinden of scheppen, om hun kroost aan eenigen geregelden winstgevenden arbeid te zetten. Bovendien, wanneer het den Staat ernst is met Zijn toezicht, dan zal hij in verband met gemeente-,kerk- of armbesturen, ook daartegen maatregelen kunnen nemen.Ten 5de.De Engelsche wet—zoo beweert men—werkt slecht of gebrekkig. Volmaakt doet ze het zeker niet, hoe zou dat mogelijk zijn. Maar wie beweren durft dat zeslechtwerkt, ik vraag het UweExcellentie: Zou eenEngelsch Minister van Binnenlandsche Zaken, zou een Bruce, heden eene wet voordragen ter regeling van den arbeid der kinderendie in de mijnen arbeiden—eene wet in den geest van die op den arbeid der kinderen in de fabrieken, indien de laatstgenoemde bevonden werd slecht te zijn. Mij dunkt dit kan volstaan.Of is die man krankzinnig misschien!Ten 6de.De wet, zoo zij tot stand zal komen, moet gestreng gehandhaafd worden, en, het toezicht zal voor de schatkist alweder een drukkende lastpost zijn.Voorzeker, gestreng en met de beste krachten zal zij moeten gehandhaafd worden.En de middelen...? Excellentie! indien hetgelddan werkelijk een bezwaar—ofschoon toch in veler oogen zeer zeker een allerlaatste bezwaar kan wezen, welnu, dan neem ik de vrijheid om, als equivalent voor ’t geen de arme fabriekskinderen den Staat zullen kosten, UExc. het denkbeeld aan de hand te doen van eenandere kinderwet er tegenover.Ik zou dan voorstellen, dat de Regeering eenebelastingwetop devóór-ofdoopnamenin ’t leven riep.Mijne bedoeling is deze:De eerste vóórnaam zalvrijzijn; doch de tweede met vijf gulden belast, en de volgenden met een steeds klimmende taxe, zoodat men voor een zesden naam een som van twee honderd gulden of meer, bij de geboorte-aangifte zou moeten voldoen.Deze belasting—UExc. zal ’t gereedelijk toestemmen—ware er eene die niemand zal drukken: die, naar mijne berekening, jaarlijks een bedrag van ƒ 200,000 aan ’s Rijks schatkist kon opleveren, en waarschijnlijk veel meer, aangezien het zwak voor namen bij de gegoede standen er zeker niet op verminderen zou. ’t Ware een luxe-belasting in ’t belang der armen.“In ’t belang der armen?” vraagt nóg de tegenstander, die in weerwil van de uitkomst door den genoemden fabrikant verkregen, beweren blijft dat de armoede der fabrieksgezinnen—althans in den aanvang bij het in werking treden eener wet—grooter zal worden dan zij reeds was.“In ’tbelangder armen!?”—UExc. vergunne mij nog eens te antwoorden:Aangenomen voor een oogenblik dat door bijzondere locale oorzaken, die armoede bij den eersten schok inderdaad hier en daar zal toenemen, dán juist zou die tweede kinderwet in den nood kunnen voorzien.—Men roept reeds met luide stem: Welk een misgreep! De Staat kan geen philanthropie uitoefenen.Ik weet het. Doch wie zal het philanthropie kunnen noemen wanneer men iemand een hem toegebrachte schade vergoedt? Indien de Staat dan werkelijk met het uitvaardigen eener wet individuën benadeelt, dan zal hij dit uit de aangewezen gelden kunnen vergoeden. Wat de Staat onteigent ten algemeene nutte, dat betaalt hij, en ruim. Waar de Staat zijn onderdanen in ’t belang van Volk en Nijverheid—gesteld dan!—verdiensten ontneemt,dáár moet hij tegemoetkomen. Ja zelfs, aan de kleine fabrikanten, die door ’t begeeren van eene schadeloosstelling, blijk zouden geven van onvermogen, kon hij in den aanvang een vast te stellen vergoeding schenken, naar evenredigheid van ’t aantal kinderen, ’t welk hem door de wet zou worden ontnomen. Indien de Staat op deze wijze, uit de baten der tweede kinderwet, de gevreesde gevolgen der eerste—volgens die sombere beschouwingen—hielp verijdelen, dan oefende hij zeker nóg minder philanthropie uit, dan wanneer hij gratificaties aan weduwen en weezen verstrekt, voor diensten door echtgenooten of vaders aan den lande bewezen.Mijn laatste voorstel zal echter, naar ik vertrouw,—ofschoon het m. i. uitvoerbaar is—niet ten uitvoer behoeven gebracht te worden. De mededeeling er van moest UExc. slechts bewijzen, dat de gewichtige zaak wel degelijk van alle zijden door mij werd bezien, aleer ik onze Landgenooten opwekte om aan Uw roepstem gehoor te geven.—Wat den eisch van sommigen betreft, dat ik aan UExc. een concept-wet ter regeling van den arbeid der kinderen in de fabrieken zou moeten aanbieden; de Nederlandsche auteur, meent zijn roeping niet te mogen voorbijzien; het was zijn plicht om telkens mede op de wond te wijzen, die zoo dringend genezing behoeft; doch geneesmiddelen voor te schrijven, of desgevorderd het lancet in ’t zieke vleesch te zetten.... dát is de roeping en taak derNederlandsche Regeering.Excellentie, de zaak “der gemartelde natuurgenootjes”, is er eene van het allergrootste gewicht. Zal men in den naam eener valsch begrepen vrijheid, de marteling dier kinderen meedoogenloos doen voortduren; de wonde al meer en meer doen inkankeren? Zal men, voor het hoogvereerde beeld der vrijheid geknield, wonderen van die vrijheid verwachten, en slechts biddende zuchten, zonder de handen met kracht aan ’t werk te slaan!?“Vrijheid, vrijheid in Nederland!” roept men ons toe: “Vrijheid inALLES!”—Welzeker! inalles! Loopt dan met revolvers gewapend, gij mannen dier vrijheid, en schiet uw tegenstander overhoop. Laat de spoortreinen vertrekken zonder regel of orde, en tegen elkander instormen als ’t u vermaken kan. Bergt vrij petroleüm of buskruit in uw pakhuizen, en steekt den rommel in brand, dat het dreunt en dondert in ’t rond, indien ge ruimte wilt, ruimte voor uw vrijheid!Maar Exc., de zaak is te ernstig voor zulke dwaze consequenties.Immers, ’t geldt devrijheid, derechtendier arme kinderen.—Ik weet dat UExc. het gevoelt: ’t Geldt hier hetlevenvan aankomende Nederlanders, van toekomstige burgers, ’t welk in de fabrieken physiek en moreel wordt verwoest.Neen, UExc. wil die marteling niet straffeloos doen voortduren, maar bestrijden—ook in ’t belang der Nederlandsche Industrie. De volksstem heeft gesproken en zijn wensch tot den Koning gericht. Gij hebt dien wensch vernomen; en, wanneer Gij nu in des Konings naam, de handen aan ’t werk slaat, ik bid U, vergeet dantoch de vele stemmen onzer eerste Industriëelen niet, en vergeet Macaulay niet, en vooral niet dat de behandeling dezer volkszaak, na zoovele jaren wachtens, spoed vereischt, grooten spoed, want de verdrukking van die ellendige kleinen moet een eind nemen in ons vrije dierbare Nederland.Excellentie, Minister van Binnenlandsche Zaken, men wacht op U.Met de meeste hoogachting teeken ik mij,Uwer Excellentie’s Dw. Dienaar:J. J. Cremer.En men heeft op den Minister gewacht, totdat nog drie jaren later, de eerste wet ter regeling van den kinderarbeid in de fabrieken, door een nieuwe regeering bekrachtigd werd.1De Haarlemsche burgemeester, die mede geklaagd had over den toestand der lijdende Fabriekskinderen werd later Minister van B. Z., en tot hém werd dit schrijven gericht.2Thomas Babington Macaulay’s redevoering over den arbeid der kinderen in de fabrieken, gehouden 22 Mei 1846.Brief van Jan Stukadoor.Metselaar.Onder toezicht gesteld van zijn neef den hulponderwijzer B.Aan den lezer.De neef van den werkman door wien mij het nevensgaande opstel in handen kwam, zal het mij—zoo min als de Lezer—ten kwade duiden, dat ik een aantal van zijne verbeteringen, zoowel in stijl als taal, tot het oorspronkelijke heb teruggebracht, ja zelfs dat eenige door hem geschrapte woorden—waarin de schrijver niets vreemds had gevonden—door mij op hun plaats zijn hersteld.Dat de Nederlandsche werklieden de veelal zeer juiste beschouwingen van den wakkeren Jan met een Bravo! zullen begroeten, en, beter nog, ter harte willen nemen, is de wensch van:J. J. C.Aan alle Nederlandsche WerkliedenLeden en geen-leden der Internationale.Vrienden, laat ik je zeggen, dat je gefopt wordt, op mijn woord van eer. Ik zeg niet, dat ze het niet goed met je meenen; neen, maar dan foppen ze zich zelf. Ik ben zooveel als handwerksman of metselaar, en versta mijn vak zoogoed als mijn baas, daar durf ik me op beroemen, en ofschoon de roem is uitgesloten, ik zeg het, omdat hetwaaris, en ik een hekel aan praatjes heb.In den laatsten tijd hoorde ik gedurig van de kameraden dat ze armoe hadden, geen eten genoeg, omdat ze te weinig verdienden. Dat is waar, vooral als ze—zooals Jan Van End—een vrouwhebben die vijfmaal in de kleine zes jaren een kind krijgt, en op den koop toe een slons is.Weet je wat ik verdien in de week? Gemiddeld, winter en zomer, negen gulden. En daar moet ik van leven met mijne vrouw, vijf kinderen—God weet of het er bij blijven zal—en, behalve een kanarievogeltje van Jans, mijne oude halfblinde moeder. Bedeeling zou ze kunnen krijgen, maar ik zeg: eer zullen ze me doodschoppen, eer dat ze mijne arme moeder van den arme zullen bedeelen.Is negen gulden te veel met zijn achten, als ik de kanarie van Jans meereken?Dat weet jelui wel beter; en toch Goddank jongens, ik heb nog nooit honger geleden. Dat zit hem hierin, dat ik geen drank gebruik. Of ik geen borrel lust? Nou, daar mot je om kommen! Als ik hem zie, dan komt me het water over’t hart; maar ik zeg, neen baas, je zult me niet pieren, want ik heb er een kennis aan dood; dien stond het schuim op den mond toen hij de eeuwigheid inging, en was zoo zwart van binnen als een schoorsteen. Nou, als je vanklarezwartwordt, dan zit er toch de duivel in, al heeft hij geen bokspooten of kettings aan.Ik zei dan dat ik nooit honger heb geleden, en daar geef ik je mijn woord van eer op. Maar weet je wie daar ook de schuld van is, dat is mijne vrouw. Als je ze zag—ze zit hier bij me terwijl ik dezen brief schrijf, want de meester zei: schrijf jij gerust Jan, jij weet het goed uit te leggen, en ik, zeidie, zal je wel met de taal en de spelling helpen—ik zeg dan, als je mijn vrouw zag dan zou je zeggen: een knap wijf, en ik zeg een goed wijf ook; die het anders zei, die heeft er geen verstand van of is jaloersch; zooals de vrouw van P.—ik wil zijn naam geen schande aandoen, maar die is jaloersch. Jongens, je moest ook eens kunnen zien wat een helder wijf of ik heb. Toen ze voor de vierde keer—in de negen jaren een kleintje had, toen was Wouter, de lieve schreeuwer met zijn mooie oogjes, nog geen tien uren oud, of ze had alweer vier wollen sokken gestopt, en, nog al geen gaten!—Neen, zooals mijn beste wijf den boel bij elkaar houdt, daar weet je niet van; enikzeg, als ze van kapitaal spreken: daar zit kapitaal in de armen van Jans. En toch geen houten, waarachtig niet: mollig als boter. Als alleman zoo’n vrouw had, dan was er geen armoe. Van één gulden maakt zij er twee; ook omdat zij van twee uren er vier maakt. Vroolijk is ze altoos; en als ze pruttelt, dan is het alleen over de belasting op de zeep.Maar alleman kan zoo’n vrouw niet krijgen, dat weet ik wel; dáárom en ook met dien ellendigen drank heeft er menigeen veel meer noodig dan ik. Maar, is het misschien door ziektens of dingsigheden dat je armoe hebt, terwijl je werkt zooveel en zoogoed als je kunt, en den boel niet vergooit of verzwendelt, dán zeg ik: jongens, zoekt, als je loon te laag is en je met al je werken niet te eten hebt, in de redelijkheiddat je wat meer krijgt.Ikzegin de redelijkheid, want of wij elkaar een loer willen draaien of niet,—anders draai je je zelf den hals om, en daar heb je niks geen plezier van.Onze kleine Albert was krek een jaar—ik weet het nog, omdat de vrouw toen op suiker bij de koffie trakteerde, en dat is een heele ekstra—toen kwam Van Vlot bij ons inloopen. Ik begreep hem niet, want hij zei den heelen tijd zoo’n Fransch woord. Nou ken ik het; ’t was deInternationale.—Meester heeft het me voorgespeld. Als ik daar lid van werd, dan kregen we mettertijd net zoogoed te vreten—dat waren met permissie zijn eigen woorden—als de rijkdom en al de grootheid in eigen persoon. Wis en waarachtig, zei Van Vlot, hier bij ons in ’t land zijn we wel gek om ons eigen dood te werken voor dat rijkelui’svolk, en voor de bazen, die van ons zweet en bloed mooi weer spelen. De Internationale, zoo zei die, wil met orde en recht onzen toestand verbeteren. We zullen een tijd beleven Jan, zoo zei die, dat al die wind van groote huizen en van de swietmesjeus met hun mooie dametjes uit is, alleman egaal, jij net gelijk met je baas, en je baas net gelijk met den grootsten baron of ginneraal uit het Voorhout. Allemaal glad weg van één slag, en allemaal krek evenveel centen op zak. Ook de centen van den koning moeten we verdeelen, en van de prinsen. Alle grootheid naar de weerlich, zei die; dat was nou hetcommunismus. Dit laatste woord heb ik zelf onthouwen, want dat ding leek me een slaadje als het goed was. Nou, zei Van Vlot, als je niet tegen je eigen vleesch bent, dan moet je ook lid van die Internationale worden, daar staan pieten aan ’t hoofd, en ze hebben in andere landen al zooveel jongens en centen bijeen, dat ze ons best den mond kunnen openhouwen als wij alvast de weerlich van ’t werk geven.Toen Van Vlot niks meer zei, toen zei ik: Maar dan zul jij er zeker al wel dadelijk uitscheien Piet, want aan werken daar heeft hij in den regel kaas aan. Neen nog niet Jan, zeidie toen, want die Internationale stuurt geen kind om een boodschap. Zoo gauw als wij van onzen stand hier te lande zoo goed als allemaal lid van die vereeniging zijn, en de kans schoon staat om onzen slag te slaan, dan beginnen we dat vetje; dan gooien we—’t waren zijn eigen woorden—bij al dat groote volk lekkertjes de glazen in, en houwen acht dagen vetpot, en dan: naar den grond met al de rijkelui’shuizen, en, verdeeling van de dubbeltjes in de Maliebaan! Wil je lid worden? zei Piet er bot bovenop. En ik zei: Wat kost het? Zooveel, zei Piet.—Ik keek Jans aan, en Jans zei niks, maar ik zei: Ik zou je danken. ’k Wil er eerst over prakkezeeren.Toen Van Vlot weg was—eerst zanikte hij nog wel een uur lang, en ’t meest over dat pleziertje in de Maliebaan—toen zei ik tegen Jans: Wat dunkt je?Jans zei: Wat wil dat zeggen,Inter?Dat weet ik niet, zei ik. Toen dadelijk naar meester.Meester zei dat Internationale zooveel beduidt als een verbond tusschen alle naties of volken; en dat het hier dus de vereeniging was van al de werklieden over de geheele wereld.Dat zoodje zou ik wel eens bijeen willen zien, zei ik tegen Jans toen ik weer thuis kwam—’t was Zondag.Ik niet, zei Jans: vooral vandaag niet, want dan staan de meesten niet vast op hun beenen.Demeesten, dat was onredelijk. Nu moet ik zeggen dat Jans alleen op dát punt onredelijk is. Maar ik dank er God voor, want als Jans het niet geweest was, wie weet of ik tóch niet van tijd tot tijd bij Nol op den hoek er eentje zou gepakt hebben. Ééns is geens zegt het spreekwoord, en zoo kom je op een kouwen avond tottienmaal éénsistienmaal geens; en dan heb je veertig centen aan je broek, en je kijkt als een vijfcents pekelharing of een schar zonder kop.Maar jongens, nou moet ik je zeggen, dat ik al een maand aan het denken ben geweest over die woorden van Van Vlot of eigenlijk over die Internationale. Ik zei tegen Jans: Ja maar, als we nu toch waarachtig door dat lid worden, in het huis van V. B.... konden komen (meester zei dat ik den naam hier weg moest laten) nou, in dat mooie groote huis met al die meubels en gordijnen, me dunkt....Me dankt, zei Jans, dat je je verstand moest gebruiken. Van Vlot zei dat zeALde huizen zouden afbreken, en dus kwam jij dan tóch niet in het groote huis van V. B....Dáár had ze gelijk in, en ja, als we allemaal precies gelijk zouden worden, dan moest eigenlijk—na dat pleiziertje in de Maliebaan—de heele stad voor den grond worden gesmeten, om ook de steenen en het houtmateriaal gelijk te verdeelen. Ja wel, elk voor zich kon dan zijn portie meenemen om naar goedvinden op een—óók eerlijk gedeeld stuk grond, zijn huisje te kunnen zetten.Maar zie je jongens, toen ik daar goed over prakkezeerde, toen begon het me te draaien voor de oogen. Wie drommel zou eerst de stadafbreken? Verbranden was nog zonde, want wat weg is is weg.—De voorname lui? Och goeje hemel, als ze een halven dag aan ’t steenbikken waren geweest, bij voorbeeld de graaf van.... (weer geen naam zei meester) afijn dan lee ie voor mirakel; daar zit geen pit in die vingers.En ik zelf? Als ik mijn portie beet had, wat deed ik er mee? Metselen is mijn vak, ja wel, maar al zat ik op water en brood, om een huis te bouwen, zoo’n beetje behoorlijk, ik zou er geen kanstoezien.Maar, zei Jans toen, al kon jij als metselaar, net zoo wel als Hein van ’t fabriek van Enthoven, en de baron van Die en Die, en de grutter naast ons hofje, en Hannes de diender en allemaal die nooit gemetseld of gezaagd hebben, je eigen huis bouwen, wat moesten dan de zieke weduwvrouwen beginnen?Ben je gek Jans, zei ik, dat verdeelen en zelf opbouwen da’s onmogelijk, da’s larie!Ik moest er om lachen, en Jans begon ook te lachen, zoodat kleine Anneke, die de borst kreeg, losliet. Toen lachten we allebei dat we schudden. Denkt eens jongens, hoe de molenaars en de ministers en de slachters en de boekverkoopers en de notarissen en de vroedvrouwen en de dominee’s en pastoors, afijn de heele werelddie van ’t bouwen niks wisten, in de knoei zouden zitten. Wat zou je zien gebeuren—dat zei ik tegen Van Vlot op een avond dat hij mij weer den kop kwam gekmaken: Laten we nou veronderstellen, zei ik, dat er op de vijftig huishouwens die bouwen moesten, veertig er zelf niet kapabel toe waren, en dat elk driehonderd gulden vrij geld in de Maliebaan had gebeurd; nietwaar, dan zou de een—al was het geen verplichting, toch alweer tegen den ander zeggen: Och vrind of burger-commun, help jij me een handje, want mijn moeder is rhumatiek of aamborstig en kan toch niet zoo tusschen ’t afbraak blijven zitten.—Neen, zou die zeggen: Ieder voor zich.—Dan zou die ander hem bijvoorbeeld drie rijksdaalders onder den neus kunnen houwen. Was de persoon die rook, geresolveerd, dan zei ie: Akkoord! Was hij een schrok, dan zei ie: Voorzesrijksdaalders; en was hij een luie kerel dan zei ie neen, en ging op zijn eigen afbraak liggen.Nou vraag ik jou, Van Vlot, of er dienzelfden dag alweer geen verschil van stand zou wezen, want die hielp, had de rijksdaalders van den ander. Zie je, zoo’n stad van gelijkheid is onmogelijk. Maar zei ik, verondersteld dat je zoo’n stad kondt hebben, dan zet ik het jou om me te zeggen hoe de magere kranten-Hannes met zijn zuster Letje—de strijkster-zwavelstok—aan den kost moesten komen? We zouden alleszelfmoeten doen, want maatjes egaal, alles gelijk, nietwaar? Op onzen lap grond, zaaien en oogsten; koren dorschen en malen; meel kneden, brood bakken,—vee fokken, slachten, natuurlijk alles!Maar toen viel Jans me in de rede, en zei: Kom schei toch uit met die gekkenpraat; waar wil jij mee ploegen als je geen ploegen kunt koopen, hoe wil je dorschen zonder vlegel, malen zonder molen, slachten zonder mes. Waar moet dat alles vandaan komen en wie zal dat maken alsiedereenzaaien en maaien en dorschen en bakken en slachten moet?Waar de machines vandaan moeten komen? zei Van Vlot: wel, net als de messen en allerlei meer tegenwoordig: uit Engeland.Zie je jongens, nu zijn we wel dom, maar toen lachten ik en de vrouw toch nog ééns zoo hard. Wij dachten dat dié Internationale over de heele wereld, voor alle landen was. Meende Van Vlot dan dat ze in Engeland toch wel ten pleziere van ons Hollanders aan ’t werk zouden blijven.Van Vlot werd nijdig om ’t lachen en liep de deur uit. ’s Nachts om éen uur kwam hij stomdronken in vergissing bij ons aankloppen, en toen vroeg ik: wie—ná dat vetje in de Maliebaan—den jenever voor hem zou stoken? En toen zeidie met een smoorvloek erg door den neus: Dat doet de.... de Inter....nation....ale.... voor den duivel!—Nou, als die Internationale de likeurstoker voor den duivel is, zei ik, dan blijf je me met dat ding van mijn lijf af, en ik bracht den lap in zijn huis, want ik had met z’n arme vrouw te doen.Toen jongens, zijn er een paar maanden voorbijgegaan, en ik heb druk werk gehad in ’t voorjaar, zoodat ik van dat ding niet meerhoorde. Maar op een avond dat ik naar huis ga zeit Pietersen tegen me—met een knoop er op: Waarom ben jij nog geen lid van de Internationale? We moeten er hier kerels als jou bij hebben.Waarom Pietersen? vroeg ik.Omdat jij een knappe kerel bent, zeidie: Van Vlot en zijn soort kunnen we missen. Dronken volk geeft geen fedusie, en het ding is goed—voor den donder!Als het ding goed voor den donder is Pietersen, zei ik, dan is het toch ergens goed voor.Ergens! zei Pietersen: wou jij zeggen dat het niet heelemaal goed was? Moet de eene mensch slaven en zweeten, terwijl de ander, God beter ’t, als een lui varken in zijn stoel leit? Kijk—zie, daar heb je weer zoo’n schandaal! die mooie mesjeu in dat open rijtuig leit er als een beest. En wat doet ie? Niemendal!—Ik zeg je: er uit moeten ze! dat volk! ’t Is vanonsgestolen!Nou wist ik toevallig dat de heer in dat rijtuig—want er kwam ons een rijtuig voorbij—een dokter was die zich niet geneert om bij de kwaadaardigste ziekten in de grootste achtergaten te gaan. Cholera of pokken daar maalt hij niet om; en ook dat hij niet alleen met de gift, maar niet minder om zijn taal voor de armsten als een vader is.Wou jij zeggen Pietersen, dat dokter V. van jou gestolen heeft? zei ik.Ja, G. v. d.! riep Pietersen. We zullen ze wel krijgen G. v. d.!Toen jongens, wier ik er koud van, maar ik zweeg. Dat zwijgen beviel Pietersen niet. Hij begon lastig te worden en grof als riviergrind, ’t Liep zoo graveelig dat hij zijn gezegde van “knappe kerel” weerom nam; ik was een...... (het woord was te smerig zei meester, ik moest maar titteltjes zetten.) Best; maar dat andere woord was eigenlijk nog gemeener hoewel het niet zoo vuil was: ik was een verraderlijke Pietjak.—Wat Pietjak is dat weet ik nog niet.—Zulke kerels, die de goeje zaak tegenhielden moesten goddorie, zei Pietersen, al vooruit op d’r ziel hebben, en als hij mij ’t avond of morgen bij den kraag kon krijgen, dan zou hij zijn eigen daarop trakteeren.De kameraads wilden het bijleggen, maar ik zei dat er van bijleggen geen spraak was, omdat er niets bij te leggen viel. Maar toen we ’t politie-bureau voorbijkwamen, toen zei ik, hard genoeg dat ie ’t hooren kon: Zoolang als de eene werkman den ander nog bedreigt, is het goed dat ze dáár wacht houwen, en dat de heeren op ’t Binnenhof ook nog recht en gerechtigheid spreken.Nou vraag ik je jongens, als alles maatjes egaal-commun was, hoe zou je danhulpkrijgen als je ziek lei, enrechtkrijgen als een gemeene rakker je bij avond of ontijd een loer had gedraaid?Toen heb ik gaan zitten nadenken, en hoe langer ik nadacht en met meester en Jans er over sprak—de meester is nog een neef van mijn vrouwskant,—hulponderwijzer—hoe meer ik begreep dat die heele broederschap en alles maatjes gelijk, net zoo onmogelijk is als met de hand aan den hemel te reiken. De meester zei, en daar had hij gelijk in: Moeten de kinderen dan voortaan nietmeer leeren op school? Om kinderen te kunnen onderwijzen moet je met je hoofd en niet met je handen werken. Om dokter en rechter en profester te worden, is het allemaal met den kop werken. Nu moeten die lui toch op stoelen zitten als ze hun hersens inspannen om de wijsheid uit de boeken te halen. Zie je, en dáárom kunnen ze ’t ruwe weer zoo niet verdragen; en als het werkvolk grof werk doet met de handen, dan doen zij fijn werk met het hoofd. En, werken met de handen, dat kun je vrij wat langer volhouden als met den kop. Laat Pietersen of Van Vlot eens een klein briefje schrijven, zei Jans, dan zul je eens zien hoe’n spul ze daarmee hebben. Wil je wel gelooven jongens, dat ik zelf over dit opstel al meer als een verreljaar doende ben; alle Zaterdag avonden, en soms Zondags een beetje. Maarikzeg je dat ik er menig zweetje op gehaald heb, en dat ik ’t al lang had laten steken als meester en Jans niet zeien dat ik ’t doen moest, en meester niet altijd hielp met overschrijven. Wat betreft dat ik jelui wil zeggen wat ik denk, ik dank God dat ik het doen kan, want, nóg eens jongens, die Internationale die piert ons met open oogen. Ik zeg niet uit wreedheid of slechtheid, maar omdat ze niet zien kan.Ik zeg tegen Jans, hoe moeten al de brieven door ’t land komen, en van Oost en West—waar ik nog een broer bij ’t Zevende heb—als je geen heeren hadt, die al die landen en plaatsen van de wereld kennen en zooveel als de direktie verstaan? Als je alles zoo naprakkezeert, dan moeten er heeren zijn op ’t kantoor, die een boel meer weten als de bestellers, die alleen maar ’t adres hoeven te lezen.—Larie dat maatjes-egaal van de commun. Larie, dat zei ik al een half jaar geleden. En nou? Jongens, lees jelui de krant niet?—Ei, zeg ik tegen Van Vlot—want tegen Pietersen daar spreek ik niet meer tegen—ze hebben zich mooi laten kijken in Parijs, die oppersten van de maatjes-egaals. Toen ze in de knoei kwamen en hun lijf moesten bergen, toen werden ze gevonden met duizenden franken—dat zijn zooveel als halve guldens bij ons—hun kleeren genaaid aan specie en papier. Zie je, dat waren de lui die krek regeerden als alle andere regeerders, maar onder een schijn van maatjes-egaal. Ze aten en dronken van de bovenste plank, en verlakten het werkvolk, waar de meesten van hen, vroegerzelftoe behoorden. Begrepen jongens: één zeit er bij voorbeeld tegen je: Vooruit mannen, er onder met de rijken! Dan denken jelui: Vooruit naar den vetpot, nietwaar? Maar hij die je aanvoerder is, komt het eerst bij het laadje, en als jelui dan aan ’t vechten bent en in de konkels raken, dan pakt hij zijn biezen naar Noord- of Zuid-Amerika, en jelui—je wordt in de doos gestopt. Heb je ’t niet gelezen? Neen, in de doos niet alleen, je wordt als krengen in de kalk verbrand, levendig, net als een slak waar je zout op doet. Maar—dat is degerechtigheid. Ja zoo waarachtig als God leeft, jongens, ik zeg met de volle overtuiging: dat is de gerechtigheid! Als ik er niet zoogoed over geprakkezeerd had, dan zou ik zeggen: ik weet het niet. Maar nou, ik heb goed nagedacht en—ik begrijp er alles van!Ja kameraden, God heeft groot en klein verordineerd in de wereld: daar heb je een vlooi en een olifant, nietwaar? een keisteentje en een hooge berg, een grasscheutje en een eik in ’t bosch. Notabene! Maatjes-egaal in de wereld! Jans en zelfs Van Vlot, toen ie goed nuchter was, we hebben weer geschaterd van ’t lachen: dan moesten de vrouwen ook maar een broek aantrekken, en de kinderen hun vader en moeder de les lezen. Neen, Van Vlot, zei ik, God heeft kleine sterren en groote zonnen gemaakt, en zoo denk ik dat Hij ’t met de menschen ook gewild heeft. Neem jij één stand uit de wereld weg—ik meen van wat goed of noodig is—en de heele boel leit op z’n....—Als de opstekers van ’t gas ’s winters bij donkeren avond, hun werk niet deden, dan ging jij en ik bij Janssens op den hoek, met een fortuintje ’t water in; en—als ze commun waren, dan verdikten ze ’t zeker om voor jan en alleman ’t gas aan te steken.—Nog eens, die zijn hersens bijeen houdt, die is wel stekeblind als hij niet ziet dat die heele Internationale, misschien met een goeden aard en bedoeling begonnen, eindelijk den ondergang van den werkman achter de mouw heeft. Lees de krant jongens, als je lezen kunt: geen mooie praatjes van vetpot, maar van daadwerkelijke zaken. Staat maar op tegen de wet van God of de natuur, en je krijgt het voorgoed op den kop. Nu liggen al de mannen, die al weer op den vetpot te Parijs rekenden, en die al met het omverhalen van rijkelui’s huizen en verbranden zijn begonnen, voor goed onder den grond.—Heb jelui daar pleizier in, ga dan je gang; maar ik zou je danken. Ik zeg tegen Jans—of eigenlijk ik heb het eergisteravond gezeid, toen we samen in de bedstee leien: God geef dat onze Hollandsche jongens zich niet door die vreemde poespas in de draaierij laten brengen. Ik zeg maar: als je je best doet, zooals wij, nietwaar, dan ben je misschien geen haar minder gelukkig dan bijvoorbeeld de baron van (ik schrijf den naam niet, want dat geeft weer spul met den meester) afijn, ik zeg geen haar minder. Of zijn bed zooveel mooier is, daar ziet hij niks van als ie slaapt; en als de rijke lui graag op die weeke spullen van bedden en donsen liggen, ik voor mijn part, ....’k zeg tegen Jans, kunnen ze nou beter slapen dan wij met zijn beiden?—En dan de pot? Jans heeft twee diensten gehad, de laatste als keukenmeid. Maar denk jelui, jongens, dat ze dien pot toen we getrouwd waren, een halven dag heeft gemist? Jans zeit dat het met lekker eten net gaat als met alles, wat je alle dagen hebt, daar gaat het raar van af. Ze zeit dat haar volk—groote lui hoor—altijd aan hun vrienden vertellen van een reisje, toen ze ergens—ik weet niet waar—geen lozies konden krijgen; toen ze zich op een zolderkamertje in een bedstee behelpen moesten, en twee dagen niks als zwart brood en melk en een eindje worst konden krijgen, en dat ze daar altijd met zoo’n schik en behei van vertelden alsof dat nou de pleizierigste tijd van hun leven was geweest.—Ja, zul jelui zeggen, maar ’t rijkelui’s smullen is toch niet kinderachtig, en ik wou toch liever aan hun tafels zitten dan voor onzen schralen kost. Ik zei het ook, maar meester gaf me laatst een goed bescheid: Dat moetje nog niet zeggen, zei die. Alles heeft zijn mooi en zijn leelijk. God is rechtvaardig, zei meester, en let jij nou eens op, zei die tegen me, of de rijke lui over het algemeen niet ongezonder zijn, en bleeker en lang zoo sterk niet als de werkman. En wat de sterkte betreft, dat is vreemd genoeg, want de grooten kunnen toch alle dagen hun vleesch krijgen en eiers en al wat ze lusten; en neef, zei die, de rijke die altijd lekker volop heeft, kent geen honger. Alle lusten hebben hun lasten, en alle lasten hun lusten, want God is rechtvaardig, al schijnt het zoo niet. Het liedje zegt:“Rijken altijd volle maag.Armen steeds in ’t eten graag.Honger maakt blauwboonen zoet.Vet de maag bederven doet.”Ik zeg ja, wij zijn sterk, ja wel, maar als de ziektens komen, dan maaien ze toch altijd ’t meest inonzebuurten.Dat komt omdat de mindere man niet zindelijk is, zei meester. Toen wier Jans giftig; want Jans is als een brand. Maar toen zeit meester: Zoo hebbenjeluidan ook de cholera in 66 en nou de pokken gehad? Watblief? Neen, zei Jans.—Akkoord, zei meester, dat komt omdat jij van geen smerigheid houdt, en omdat jelui je zelf en de kinders verstandig hebt laten inenten, en geen kwezels bent, die van Godslasterlijk jammeren als God zelf het medicijnmiddel aan de hand geeft. Zie je jongens, ik ben Griffermeerd van mijn geloof; wat jelui bent dat kan me niet schelen, want ik zeg altijd, de secties en de pletons maken toch maar één schutterij, is ’t nietwaar; en of je onzen lieven Heer al wegcijfert, dat gaat er net mee als met de ginneraal of kornel. Jij kunt wel zeggen: ik lach er wat in; maar je zult tóch aantreeën en marcheeren en ekserseeren, zooals hij verkiest, net zoogoed als de korperaals en de sergeants en de luitenants en de heele schutterij.—Nou jongens—en daar heb je het alweer—wat zou de heele schutterij doen—of laten we nou de heele militaare macht nemen—als ergeenonderscheid van stand was? Wat waren de soldaten zonder onder- en boven-officieren? Over de stommigheid van Pietersen moest ik lachen. Die zei dat ze die luie bl.... bovenop hun paarden mettertijd ook wel ’tloopenzouden leeren. Nou vraag ik, wat wou een leger beginnen, als ze geen hoofdofficiers hadden, die uit de hoogte alles afkeken en meer overleg in één uur moeten hebben als een gewoon soldaat in een heel jaar?Weet jelui wat ik zeg—en ik blijf er bij—al dat maatjes-egaal-commun, dat is de kooi waar de vreemden ons in willen vangen. Ik heb er over geprakkezeerd, en zeg: als je goed werkt, en niet den luiaard uithangt; als je je geld niet aan klare spendeert en ook niet door je vrouwen aan allerlei mutsen en linten en snoeperijen laat verknoeien; als je dan in de redelijkheid niet genoeg voor je vrouw en kinders te eten hebt,zegt het, en klaagt er over in de redelijkheid, en zonder dreigementen, dát isvan Gods wege ons recht; maar laat je niet pieren door mooie praatjes van de Internationale.—Weet je wat die heele Internationale is, zei meester: dat is de domme goeje eend die een haviksei uitbroeide en later door zijn kuiken werd opgegeten; of anders zei meester: ’t is de vos, die de kat de kastanjes uit het vuur laat halen.—Jongens als jelui lid er van wordt, dan ben je niks wijzer als die eend of die kat, en daar ben je te goed voor.Weet je wat ik zeg tegen Jans, ik zeg: Jans, een varken eet afval, een koe gras en hooi, en ’t roofgedierte verslindt de krengen. Maar de mensch eet wat gebakken of gekookt is, nietwaar? Alweer ieder naar zijn aard van mensch of dier. Maar als een mensch zich verlaagt tot een roofdier, dan moet hij ook krengen verslinden zeg ik.Ik zeg nóg eens, dat ik geen enkelen groote ken, noch van het Voorhout noch van de Vijverberg, die gestolen heeft, zooals ze vertellen, want ze zeggen: Bezitting is diefstal. Neen, als bezitting diefstal is, dan, zeg ik tegen Jans, kunnen ze jou gouwe bellen, die ik eens met een ekstra verdiende, ook wel diefstal noemen; dan kunnen ze onzen baas die als opperman is begonnen, maar die van den morgen tot den avond gewerkt heeft en nog van alles geleerd tot in den nacht toe, dan kunnen ze hém, omdat hij een kop voor tien had, óók wel een dief noemen. Als ik onze baas was en ze noemden me een dief omdat ik met Gods hulp gelukkig gewerkt had, dan zou ik óf de tranen in de oogen krijgen óf liederlijk kwaad worden misschien.Neen jongens, de standen in de stad en overal, dat zit hem inde verscheidenheid van hersens en het maaksel van de menschen. Net als er geen twee blaren aan de rozestruik dáár in den pot, egaal van maat zijn, en evenmin als er twee menschen zijn die je niet van elkaar kunt onderscheiden—ten minste altijd nog wat in ’t een of ander—even zoomin kunnen er twee menschen bestaan die precies even knap zijn, of evenveel verstand en ook evenveel geld en goed in de wereld hebben. Dat is niet anders.—Of ik niet liever, als ik het voor ’t kiezen had, een menister als metselaar zou zijn? Waarachtig wel, maar al dat gezanik, dat zoo’n man heeft en in de kranten en veel niet genoeg, dat is ook geen slaadje, zeit meester.—Als ik ’s avonds met Jans en de twee oudste kinders de boteram met koffie gebruik, dan zeg ik altijd: Goddank!—Vraag maar aan Jans of ’t waar is of niet, en dat doe ik uit mijn hart en mijn ziel, want waarachtig jongens, als je tevreden bent, dan heb je niks meer van noode;Meeris larie;LEKKERis ook larie, aanMEERheb je niks anders als oppassen en bewaren en uit het bederf houwen, enLEKKERis..... koffie met roggebrood als je honger hebt, veel meer dan taart met wijn als je nooit honger en zelfs geen tijd of werk genoeg hebt om honger te krijgen.—Maar, zeg je, wijn is toch een andere smaak, en versterkend.—Versterkend? zeit meester,nikszeit ie: de rijken drinken het om de maag, die nooit trek heeft wat grager te maken; en lekker? meester had eens op een trouwerij het spelletje gezien, dat ze met de oogen dicht geen onderscheid tusschen wijn en water konden proeven,dat had ie zelf mee ondervonden, en nu zeg ik: als dátje lekkeris, dan komt er toch ook voor een stooter verbeelding bij.Weet je wat het is jongens? Wij moeten voor ons eigen zien dat we, net als de voorvaders van onze rijke lui, doorwerkenen goed oppassen vooruit komen. Als de rijke luiTEKORT KOMEN TEGEN ONS, DAT MOETEN ZIJ VOOR GOD EN HUN GEWETEN VERANTWOORDEN; ja, dan moeten ze ’t met hun krachtelooze en zieke lichamen maar boeten ook! God is rechtvaardig;maarwij hebben niks van hen te reclameeren als alleen dat zegoed werknaar den eischbetalen. Rijden ze in mooie wagens, daar leven de wagenmakers van, en de lijstenmaker van ’t verguldsel. Als je zeggen zoudt dat de groote kapitalen—zooals ze tegenwoordig op den winkel praten—ons den dood doen, en dat die de wereld uit moeten, en ook verdeeld moeten worden, net als alles in de Maliebaan, of ievers anders, dan, zeit meester,—en ik mot zeggen dat was het naadje van de kous—dan, zeit ie, als die kapitalen er niet meer waren, dan zou je nooit van zijn leven een groot werk zien tot stand komen. Zie je jongens, nu begrijp ik het ook: die heele rijke lui zitten met den aap, en spikkeleeren daarmee in wijsheid of domheid, net zoolang totdat ze bij voorbeeld een spoorweg moeten aanleggen, of een Haarlemmermeer moeten leegmalen—nog al geen kleinigheid—of totdat ze op groote schaal werkmanswoningen gaan bouwen.—Nou wat zeg je. Als we neen zeggen dan bennen we onredelijk. Onder de grooten zijn er tegenwoordig meer als genoeg, die toonen dat ze ons jandoosie beter lozies gunnen dan in ’t gevangenhuis of in de ongebluschte kalk.—Pas op, jongens, laat je niet foppen. We moeten vooruit, dát is sekuur. Ons villen mag er geen een, dáárom moeten we lid van een goede werkmansvereeniging worden, waar we onseigenbelang naar wet en recht kunnen bespikkuleeren. Die vereeniging of vereenigingen kunnen we de Nationalen noemen, dan hebben we met geen Pruisen en Fransoozen te maken (ze zeggen dat het voornamelijk Engelschen en Italianen zijn, maar wat raken ons de Engelschen of Italianen!) Ik geef je den raad jongens, werkt, en drinkt niet, en laat je vrouw de kinders den neus afvegen, en verzuimt niet om ze naar school te sturen. Als ze goed geleerd hebben dan kunnen ze (als ze van God de hersens er voor kregen)bazen worden, van niemendal op, en zelfs welginneraalof alles wat hoogheid is. Meester heeft uit een boek daarvan voorgelezen, maar Jans en ik sloegen de handen er van ineen. Nou van De Ruyter dat weet jelui allemaal.En als je nou zegt dat je toch geen loon genoeg krijgt, en datikwel schrijven kan, maar dat je daar niet van eten kunt, dan—dat zei Jans—lees dan eerst dit alles nog eens na, of laat het je voorlezen; en nog eens: wordt lid van eenNationale. Ga bij de lui, die hetzekergoed met je meenen, omdat ze de menschen niet ontevreden met Gods bestier maar tevreden willen maken. Ik zeg, laten wij niet met de Fransoos of de Pruis konkelen, dieliggentoch al op de loer, maar laten we echte Hollandsche jongens blijven—meester zeit echteNeerlandschejongens blijven—en ons aansluiten bij die vaderlandsche vereenigingen, die het goede en de verbetering van onzen stand in de redelijkheid bedoelen. In Utrecht daar hebben de bazen en het werkvolk het allereerst een voorbeeld gegeven. Daar gaven zij die Internationale een schop, en hebben ze zich vereenigd met de spreuk:Orde,vrijheidenrecht.—Ordein de hut, dat is de baas!Vrijheidbestig, als je in vrijheid maar geen kwaad doet. Vrijheid is een wonder ding. Als ik bij voorbeeld mijn vrijheid wou gebruiken om mijn moeder dood te slaan, of om te luilakken, of mij zelf te bedrinken en ons zoodoende aan lager wal te brengen, dan zeg ik, vrouw, als het noodig mocht zijn—wie weet waar een mensch toe komen kan—hou mijn arm vast; sluit de deur, of blaas de lamp uit. Ja de vrijheid is een wonder ding, want daar heb je de kanarie van Jans, als die los in de kamer vliegt dan gaat ie strijk en zet vanzelf de kooi weer in; en nietwaar als een vogel, die voor de vrije lucht is geschapen dan tevreden in een kooi is! Ik geloof jongens dat tevreden zijn met je staat, terwijl je toch werkt om het beter te krijgen, al de rechte vrijheid is.—En dan vanRechtgesproken: akkoord! Recht moeten we hebben, niet meer en niet minder. Ik zeg: met God in de gerechtigheid, vooruit!Meen jelui dat wij zelf toch niet meer zoover kunnen komen, dan zeg ik: jongens laten we dan toch zorgen dat ze van onze kinders pieten maken. Zonder leeren komen er geen knappe bazen in de wereld. Naar de school moeten ze! als wij dan oud zijn dan lachen we nog in ons vuistje, want zij zullen ’t beter hebben dan wij tegenwoordig in het algemeen.—Of ze dan allemaal bazen zullen worden? Nou zoo gek ben je ook niet! Maar aldat de roem is uitgesloten, omdat ik zelf maar werkman ben, en kapabel genoeg om dit verhaal te schrijven, zoo ben ik daardoor juist in een tevreden humeur, en heb er pleizier in; en dat komt omdat ik op de school zoowat haantje op de voorste bank was, en voor het bouwkundig teekenen kreeg ik de medaille.Maar nu denk je, Jan gaat zijn eigen opvijzelen. Neen, ik wou nog van de bazen spreken. Pas op jongens, je hebt van die zoogenaamde royale bazen die je laten verdienen in de drukke maanden, maar je dan naar huis sturen; of ook die je meer loon geven als een andere baas, omdat zij slecht werk leveren; ik zeg je, dat je dan de heler van den steler bent. Laten de bazen eerlijk blijven, en zoodoende geen brave bazen het brood uit den mond stooten. De groote lui kunnen best betalen. Wat ze niet betalen kunnen daar moeten ze maar afblijven; dat is soms beter ook, want Jans haar eerste dienst was bij zoogenaamde groote lui, en daar heeft ze een armoe bijgewoond misschien nog erger dan bij ons. Want ze moesten nog mooi weer spelen ook. En er zijn er zoo een boel: van boven bont en van onderen.... Meester wou niet hebben dat ik het laatste woord zou zetten; maar hetiszoo.Nou, als je merkt dat de bazen slecht werk leveren en je dáárdoor meer betalen, verlaagt je dan niet om dat bedrog, een handjete helpen. Tegen de gerechtigheid in, dat komt toch altijd neer op je zelf, want als die bedrieger-baas genoeg van je heeft, dan smijt hij je weg als een afgekloven bot en dan komen de honden en knauwen je kapot. Dat rijmt wel, maar dat vleit niet.Luistert toch naar me, kameraden, als ik zeg:zoekt hooger loon en verbetering van je stand in de gerechtigheid,—misschien was het ook niet kwaad, als het kon, door een aandeeltje in de winst van de bazen?—want op mijn woord, in de verhooging van loon alleen zit de voorspoed nog niet. Als wij, zal ik veronderstellen, het loon te hoog opdrijven, dan moet bij voorbeeld de winkelier het huis, dat hij laat bouwen, ook duurder betalen; en, om dát er uit te halen, smeert hij ons de katoen en pilo en petten en koloniale waren ook weer duurder aan, en zie je, dan kom je met al dat hooger toch aan geen beter kantoor. Hebben de bazen al nietvrijwilligin de laatste jaren de loonen met 20 à 30 percent verhoogd? En is het er beter om?En zoodoende zal ik met goed fatsoen besluiten, want nu kan ik je die vereenigingen in ons land—dieNationale Werkmansvereenigingenvan orde, vrijheid en recht aanrecommandeeren. Als je daar lid van wordt, en ik geloof dat je dat maar twaalf stuivers of twintig borrels voor je heele huishouwen in het jaar kost, dan kun je klagen, en in redelijkheid zooveel recht krijgen als je wilt.Maar jongens, denkt niet dat je er dadelijk geld mee winnen zult en vet van worden. Larie! Werk je niet dan eet je niet, en werk je niet en eet je tóch, dan ben je een dief, en je eindigt in de kast, of erger, zooals dat arme opgehitste werkvolk te Parijs.Jongens, de standen zijn van God verordineerd. Nog eens: laat je vrouw de kinders wasschen, en stuurt ze naar school, dat is heel wat voordeeliger op den duur dan dat ze zoo vroeg worden afgebeuld om bloedgeld voor jelui te verdienen. Jabloedgeldmannen! Zoo denken ikke en Jans.En alzoo, laat het vreemde ding loopen; sluit je niet bij dieInter- maar bij een echtNationale Werkmansvereenigingaan, en toont dat je wijzer bent dan de eend die—je weet wel—door zijn eigen kuiken werd opgegeten.Nou weten jelui er alles van, en blijf ik niet met de pen maar met het hart,Jelui Kameraad,Jan Stukadoor,Metselaar.

Een woord aan mijn Landgenooten.1’t Was een prachtige zomeravond.Aan ’t eind van den grooten dorpstuin met het uitzicht langs den wegkronkelenden zandweg, over de golvende korenvelden, dáár, onder het lommerrijk geboomte, hield hij mij staande.“Gij moet mij helpen,” sprak hij met warmte.Ik zag hem vragend aan.—Wij hadden over den toestand van het ongelukkige fabriekskind gesproken. Hij was er mee bekend: immers zijn ambt bracht hem gedurig in de stoomfabrieken van ons vaderland.“Zouiku helpen?Ik?”“Ja, met de gave die God u schonk. Schets een verhaal uit de werkelijkheid waarvan ik u sprak, en niet slechts zult ge de harten uwer lezers treffen, maar ook hen opwekken om ter redding dier arme wezens de handen inéén te slaan.Had ik hem goed begrepen? Wenschte hij een verhaal, een vertelling over den toestand van het fabriekskind in ons vaderland!? ’t Was mij alsof ik voor den ingang eener duistere, mij geheel onbekende groeve stond, en men ’t verzoek tot mij richtte om er als gids in vooruit te gaan.Zonder antwoord te geven staarde ik in het dommelig verschiet.Hij begreep dat zwijgen.“Je hebt kinderen, nietwaar?” hernam hij ernstig: “welnu, ga dan de kinderen zien, die in de fabrieken werken; keer naar huis terug, en—schrijf.”De nijgende zon wierp gouden glansen over de golvende korenvelden.—Ik drukte hem de hand. Wij hadden in Gods prachtigen tempel ons verbond gesloten.En, Landgenooten, de schrijver dezer regelen ging, en zag. En toen hij thuis kwam, en zijn eigen kinderen liefkoosde en kuste—ach, hij wist niet waarom zoo anders dan gewoonlijk—toen hij daar verhalen moest van die bleeke holoogige dwergjes, die men fabriekskinderen noemt; en de zijnen daar dwong om te eten, neen, om slechts een enkele kruimel te proeven van den erbarmelijken kalkmeel-poffer, die het leven dier arme kleinen moet rekken voor een geestdoodenden arbeid van 12–15 uren daags. Toen, ja waarachtig, toen wist hij ’t wel wat hij schrijven zou; hij zou zijn stem voegen bij die van Coronel2, van Le Poole3en anderen, en de uitkomst moest leeren of de eenvoudige vertelling4inderdaad eenig gewicht zou kunnen leggen in de schaal der menschelijkheid.Landgenooten! ’t Is u bekend wat er sedert dien tijd geschied is.In 1863 benoemde de Minister Thorbecke een commissie, die belast werd met het onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken; en de man, wiens hart op dien zomeravond zoo warm had gesproken, hij mocht de voldoening smaken zich aan het hoofd der commissie gekozen te zien.Zeven jaren zijn voorbijgegaan.Zeven!Waarom leg ik zulk een nadruk op dat woord?Zal het een verwijt zijn aan de commissie van onderzoek, omdat zij zeven lange jaren behoefde voor haar moeilijke taak?—Neen! beschuldiging zou miskenning kunnen worden, en misschien slechts terugkaatsen op den Minister, die tot leden dier commissie mannen koos, van wier kunde en trouw hij was verzekerd, doch wier maatschappelijke stand hun slechts luttel tijds voor het gewichtig onderzoek gunde.Neen Landgenooten, wij beschuldigen niet, maar ik leg een sterken klemtoon op dat getal, omdat menig hart in dien langen tusschentijd heeft gebloed bij ’t bedenken: En terwijl men nu past en meet en weegt, kwijnen en lijden en ontberen die armen maar altijd voort, en sterven van uitputting vóór dat ze geleefd hebben.Nederlanders, ’k zal u de stemmen niet herhalen, die voor zeven jaren, ’t zij uit onwetendheid, ’t zij uit een kwalijk begrepen eigenbelang, te midden uwer verontwaardiging klonken, en den “novellendichter” wat al te gemakkelijk van overdrijving beschuldigden. Ze zullen thans niet zoo licht herhaald worden; immers, landgenooten,de commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken, heeft in haar rapport een veroordeelend votum uitgebracht.Van de vele woorden en cijfers, in de laatste dagen namens haar in ’t licht gegeven, neem ik slechts de volgende volzinnen over:“Men bevindt dat het fabriekskind in ontwikkeling ten achteren is bij andere kinderen, die niet in de fabrieken arbeiden. Men bevindt dat die achterlijkheid ten deele ook het gevolg is van te vroegen en te langdurig voortgezetten arbeid.”Dit te vernemen is ons genoeg. Dit slechts wilden we door die mannen bevestigd zien.Men kan zich bedriegen; maar wanneer bij een aandachtige lezing van het bedoelde rapport, de overtuiging zich schier op elke bladzij aan ons opdringt: dat men tot een slotsom geraakte, geheel in strijd met een vooropgestelde of vroeger gevestigde meening, dan juist heeft die uitspraak, terwijl ze mede ’t bewijs is van oprechte trouw, de grootste waarde.“Wij zullen zien!” sprak een hooggeleerd lid der commissie, toen hij voor zeven jaren zijn taak zou beginnen; doch, na zijn eerste onderzoekingen klonk het reeds zachter: “’t Is erger dan ik dacht. Er moet wat aan gedaan worden.”En dat laatste woord van dien hooggeachten geleerde, is nu, Gode zij dank, de uitspraak der geheele commissie: Er moet wat aan gedaan worden.En wat is dan haar voorstel; welke wet wenscht zij dan als “de beste voorbehoeding tegen onredelijke exploitatie van het kind”, en om het “de gelegenheid tot behoorlijke ontwikkeling van lichaam en geest te verzekeren?” Hoort:Het eenige middel waarvan zij een goede uitkomst verwacht, is: Een algemeen verplichtend schoolonderwijs.Verplicht schoolonderwijs? Ja, ja waarlijk, zoo klonken er stemmen: niet slechts voor die arme fabriekskinderen, maar voor alle onwetende kleinen moet de wetgever zorgen. Zie Duitschland, zie....Stil! Weet gij ’t niet Nederlanders, dat de man, die mij tot het schrijven van een verhaal bewoog, dat de president der genoemde commissie bij het gezamenlijk onderteekend rapport, een afzonderlijken brief heeft gevoegd?“Mijn voorstel,” zoo schrijft hij aan den Minister: “moet een geheel ander zijn dan U door haar—de commissie—wordt aangeboden. Ik acht,” zoo gaat hij wat verder voort: “dat een wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs, als in strijd met den volksgeest hier te lande, niet gemakkelijk tot stand zou komen, en beschouw, op dien grond, het voorstel der commissie zoogoed als een voorstel om den bevonden slechten toestand te laten zooals hij is. Enz.”get. A. A. C. De Vries Robbé.Den toestand te laten zooals zij is! Maar Nederlanders, landgenooten! die uw kinderen liefhebt, dat wilt ge niet! Hebben ZIJ dan geen kinderen, de overige leden dier commissie? O, indien zij ze hadden, ze zouden bedacht hebben dat hun raad, het begraven was eener zaak, die niet slechts eenonderzoekvorderde, maar nu ’tallereerstbeteugeling van het kwaad, terwijl dat kwaad als werkelijk bestaande werd aan ’t licht gebracht.Of meent gij nog dat een wet, als door de commissie begeerd, geenszins in strijd is met den Nederlandschen volksgeest en nog bovendien wenschelijk zou zijn?Leest dan Landgenooten, het uitmuntende hoofdartikel in de Nos. van 6, 7, 8 en 9 Nov. 1869, derNieuwe Rotterdamsche Courant. Mij dunkt de voorstanders van een algemeen verplicht schoolonderwijs, ze moeten na de lezing er van wel in tegenstanders veranderen, of althans erkennen dat het voorstel der commissie ten behoeve van het fabriekskind, inderdaad—maar zeker ter goeder trouw—een voorstel is geweest om denbevonden slechten toestandte laten zooals hij is.Maar wat dan?—Zou men blind willen zijn voor de eerlijke en dikwijls niet geheel ongegronde bezwaren tegen een wettelijke regeling van den arbeid der kinderen in de fabrieken? Zal men het oor sluiten voor de waarschuwende stemmen, als ze daar spreken van de gevaren waaraan men het kind gaat blootstellen, erger misschien dan waaraan men het te ontrukken wenscht? Zal men doof zijn voor de eischen der vrijheid in ons eenig en dierbaar Nederland!?Neen, voorzeker neen! Immers juist eerst dán wanneer men al die bezwaren goed heeft doorzien, eerst dan zal de wetgever kunnen optreden om ook devrijheid te waarborgen van het mishandelde kind.En sprekenmoethij. Zou Nederland nog langer dralen om het voorbeeld van het grootste deel der Europeesche naties te volgen, en de stem der menschelijkheid te doen klinken?Nog eens: de toestand is slecht. Dit is een bestaande zekerheid. Hierin te voorzien is plicht. De gevolgen, die men van een wettelijke regelingvreest, zijn onbewezenmogelijkheden!Zal men den uitgehongerde een maaltijd weigeren, uit vrees dat hij door overmatig gebruik zijn leven in gevaar zou brengen!? Zou men ook nu in Nederland weer nalaten het goede te doen, omdat men het betere, het volmaakte niet aanstonds bereiken zal?Wat wij dan willen?Nederlanders, wij willen een verstandige wettelijke regeling van den arbeid der kinderen in de fabrieken, zoo mogelijk gepaard aan verplicht schoolonderwijs. Wij willen dat de wet ook zal straffen wanneer onmeedoogende ouders niet zelden beulen voor hun kinderen blijken te zijn.5Wij willen dat de wet zal straffen wanneer de industrie—’t zij dan moedwillig of uit gewoonte en sleur—menschenlevens verwoest, en alzoo werkelijk “verrotting brengt in den Staat.”Wij willen dat er een wet kome:omdat wij gelooven dat inmenging der Regeering hier evenzeer noodzakelijk is, als waar zij elders optreedt als beschermster van het kind en met straf bedreigt wie “zijn bestaan in gevaar brengt”;6omdat wij gelooven dat een wet, én voor die arme schepsels én voor de industrie zelve, van onberekenbaar nut zal worden indien zijniet te veelwil, doch wat ze gebiedt metgestrengheid zal handhaven.Of zou men zich toch laten afschrikken door den kreet: Maar om Godswil, wat moet er dan van den arbeid worden! wie zal de ontbrekende en zoo noodige handjes aanvullen, wie....!?Nieuwe toestanden, nieuwe hulpbronnen! Bekreunt zich deIJzeren-baanom ’t verval langs denstraatweg!—En immers, wanneer een machine naait of breit, dan zullen ijzeren raders ook wel spoedig die arme levende raderen kunnen vervangen.En wat vreest men dan weder dat er ouders zullen zijn, die hun niet verdienende kinderen binnenshuis op nog zwaarder proef zullen stellen! Neen, wanneer die arme verdierlijkte onmondige ouders de zekerheid hebben dat er een toezicht bestaat, en dat als gevolg er van het publiek en vooral ook de armbesturen het oog op hen gevestigd houden, dan wagen zij het niet, en zullen wellicht in ’t eind nog beseffen dat men dit strenge toezicht tot hun waarachtig welzijn in ’t leven riep.Landgenooten! in een zitting der Tweede Kamer onzer Staten-Generaal, heeft de Minister Fock in antwoord op een interpellatie van den heer Van der Maesen de Sombreff gezegd, dat hij omtrent het toezicht op de fabriekskinderen nog geen wetsontwerp wilde voorstellen:Eerst moest de openbare meening zich krachtiger uitspreken.Nuzult gij ’t weten waarom ik u schrijf.Landgenooten, mannen en vrouwen, ouden en jongen, ’t is omdat ik wensch dat gij als één man zult opstaan en uw bee voegen bij de mijne; dat gij tot den Koning een adres zult richten ’t zij in den volgenden of in een beteren vorm:Sire!“Nu de toestand der kinderen, werkende in de fabrieken, is geblekenslecht te zijn tengevolge van een te vroegen en te langdurig voortgezetten arbeid, nu naderen wij Uwe Majesteit met eerbiedig verzoek, dat het Uwer Majesteit zal behagen met Uwer Majesteits regeering eenwet in ’t leven te roepen, die het arme fabriekskind tegen eenonredelijke exploitatiebeschermen, en het zoo mogelijkde gelegenheid tot een behoorlijke ontwikkeling van lichaam en geest verzekeren zal.Uwer Majesteits getrouwe onderdanen, enz. enz.Ik weet het, Landgenooten, waar ’t een werk der liefde geldt, en mede in ’t waarachtig belang der Nederlandsche Industrie, daar zult gij niet achterblijven.En wanneer dan te midden dier vele namen, ook hier en daar de namen zullen prijken van hen, die aanstonds bereid zijn om oogenblikkelijk voordeel prijs te geven, nu zij de waarheid moesten hooren van hen die hard schenen omdat de Concurrentie hen tot hardheid dwong of de sleur hen verblindde; ja, dan zullen die namen der edele Nederlandsche industriëelen, als diamanten schitteren in den band der liefde dien wij te zamen mochten vlechten.God geve dat geen enkele hunner ontbreken zal!Ruim zeven jaren zijn er voorbijgegaan sedert den schoonen zomeravond, toen de ondergaande zon haar gouden glansen over de golvende graanakkers wierp; zeven lange jaren sedert den stond dat mij het woord in de ooren klonk: Welnu, ga dan de kinderenziendie in de fabrieken arbeiden. Ga zezien!En nu nóg werken en slaven ze, en grijpen als raderen mee in de groote machine, van 12 tot 15 uren daags. Nog bloeden ze, en schreien ze, en roepen om hulp.Spoedt u dan Landgenooten! Gij hebt het gehoord:De openbare meening moet zich krachtiger uitspreken.Zoudt gij nog aarzelen? Neen, zie, daar staat uw eigen dierbaar kind; het ziet u liefdevol aan; het vliegt u in den arm, en smeekt u om zijnentwil, dat ge gaan zult, haastig gaan, ter bescherming van die arme gemartelde natuurgenootjes.1Het Vaderland, No. 44, 1870.2Zie o. a. zijn meesterlijk stuk, getiteld:In ’t Gooi, Maart en April Nos. van de Gids.3Economist, enz.4Fabriekskinderen. Een bede, doch niet om geld.5Een der edeldenkendste fabrikanten in Twente verhaalde mij nog onlangs, dat er o. a. ouders zijn die—om de arme schepseltjes ’s winters heel vroeg wakker te doen worden, ze uit de warme bedstee nemen en met de bloote voetjes op den ijskouden haardsteen zetten!6Wetboek van Strafrecht. Zesde Afdeeling.

’t Was een prachtige zomeravond.

Aan ’t eind van den grooten dorpstuin met het uitzicht langs den wegkronkelenden zandweg, over de golvende korenvelden, dáár, onder het lommerrijk geboomte, hield hij mij staande.

“Gij moet mij helpen,” sprak hij met warmte.

Ik zag hem vragend aan.—Wij hadden over den toestand van het ongelukkige fabriekskind gesproken. Hij was er mee bekend: immers zijn ambt bracht hem gedurig in de stoomfabrieken van ons vaderland.

“Zouiku helpen?Ik?”

“Ja, met de gave die God u schonk. Schets een verhaal uit de werkelijkheid waarvan ik u sprak, en niet slechts zult ge de harten uwer lezers treffen, maar ook hen opwekken om ter redding dier arme wezens de handen inéén te slaan.

Had ik hem goed begrepen? Wenschte hij een verhaal, een vertelling over den toestand van het fabriekskind in ons vaderland!? ’t Was mij alsof ik voor den ingang eener duistere, mij geheel onbekende groeve stond, en men ’t verzoek tot mij richtte om er als gids in vooruit te gaan.

Zonder antwoord te geven staarde ik in het dommelig verschiet.

Hij begreep dat zwijgen.

“Je hebt kinderen, nietwaar?” hernam hij ernstig: “welnu, ga dan de kinderen zien, die in de fabrieken werken; keer naar huis terug, en—schrijf.”

De nijgende zon wierp gouden glansen over de golvende korenvelden.—Ik drukte hem de hand. Wij hadden in Gods prachtigen tempel ons verbond gesloten.

En, Landgenooten, de schrijver dezer regelen ging, en zag. En toen hij thuis kwam, en zijn eigen kinderen liefkoosde en kuste—ach, hij wist niet waarom zoo anders dan gewoonlijk—toen hij daar verhalen moest van die bleeke holoogige dwergjes, die men fabriekskinderen noemt; en de zijnen daar dwong om te eten, neen, om slechts een enkele kruimel te proeven van den erbarmelijken kalkmeel-poffer, die het leven dier arme kleinen moet rekken voor een geestdoodenden arbeid van 12–15 uren daags. Toen, ja waarachtig, toen wist hij ’t wel wat hij schrijven zou; hij zou zijn stem voegen bij die van Coronel2, van Le Poole3en anderen, en de uitkomst moest leeren of de eenvoudige vertelling4inderdaad eenig gewicht zou kunnen leggen in de schaal der menschelijkheid.

Landgenooten! ’t Is u bekend wat er sedert dien tijd geschied is.

In 1863 benoemde de Minister Thorbecke een commissie, die belast werd met het onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken; en de man, wiens hart op dien zomeravond zoo warm had gesproken, hij mocht de voldoening smaken zich aan het hoofd der commissie gekozen te zien.

Zeven jaren zijn voorbijgegaan.Zeven!

Waarom leg ik zulk een nadruk op dat woord?

Zal het een verwijt zijn aan de commissie van onderzoek, omdat zij zeven lange jaren behoefde voor haar moeilijke taak?—Neen! beschuldiging zou miskenning kunnen worden, en misschien slechts terugkaatsen op den Minister, die tot leden dier commissie mannen koos, van wier kunde en trouw hij was verzekerd, doch wier maatschappelijke stand hun slechts luttel tijds voor het gewichtig onderzoek gunde.

Neen Landgenooten, wij beschuldigen niet, maar ik leg een sterken klemtoon op dat getal, omdat menig hart in dien langen tusschentijd heeft gebloed bij ’t bedenken: En terwijl men nu past en meet en weegt, kwijnen en lijden en ontberen die armen maar altijd voort, en sterven van uitputting vóór dat ze geleefd hebben.

Nederlanders, ’k zal u de stemmen niet herhalen, die voor zeven jaren, ’t zij uit onwetendheid, ’t zij uit een kwalijk begrepen eigenbelang, te midden uwer verontwaardiging klonken, en den “novellendichter” wat al te gemakkelijk van overdrijving beschuldigden. Ze zullen thans niet zoo licht herhaald worden; immers, landgenooten,de commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken, heeft in haar rapport een veroordeelend votum uitgebracht.

Van de vele woorden en cijfers, in de laatste dagen namens haar in ’t licht gegeven, neem ik slechts de volgende volzinnen over:

“Men bevindt dat het fabriekskind in ontwikkeling ten achteren is bij andere kinderen, die niet in de fabrieken arbeiden. Men bevindt dat die achterlijkheid ten deele ook het gevolg is van te vroegen en te langdurig voortgezetten arbeid.”

Dit te vernemen is ons genoeg. Dit slechts wilden we door die mannen bevestigd zien.

Men kan zich bedriegen; maar wanneer bij een aandachtige lezing van het bedoelde rapport, de overtuiging zich schier op elke bladzij aan ons opdringt: dat men tot een slotsom geraakte, geheel in strijd met een vooropgestelde of vroeger gevestigde meening, dan juist heeft die uitspraak, terwijl ze mede ’t bewijs is van oprechte trouw, de grootste waarde.

“Wij zullen zien!” sprak een hooggeleerd lid der commissie, toen hij voor zeven jaren zijn taak zou beginnen; doch, na zijn eerste onderzoekingen klonk het reeds zachter: “’t Is erger dan ik dacht. Er moet wat aan gedaan worden.”

En dat laatste woord van dien hooggeachten geleerde, is nu, Gode zij dank, de uitspraak der geheele commissie: Er moet wat aan gedaan worden.

En wat is dan haar voorstel; welke wet wenscht zij dan als “de beste voorbehoeding tegen onredelijke exploitatie van het kind”, en om het “de gelegenheid tot behoorlijke ontwikkeling van lichaam en geest te verzekeren?” Hoort:

Het eenige middel waarvan zij een goede uitkomst verwacht, is: Een algemeen verplichtend schoolonderwijs.

Verplicht schoolonderwijs? Ja, ja waarlijk, zoo klonken er stemmen: niet slechts voor die arme fabriekskinderen, maar voor alle onwetende kleinen moet de wetgever zorgen. Zie Duitschland, zie....

Stil! Weet gij ’t niet Nederlanders, dat de man, die mij tot het schrijven van een verhaal bewoog, dat de president der genoemde commissie bij het gezamenlijk onderteekend rapport, een afzonderlijken brief heeft gevoegd?

“Mijn voorstel,” zoo schrijft hij aan den Minister: “moet een geheel ander zijn dan U door haar—de commissie—wordt aangeboden. Ik acht,” zoo gaat hij wat verder voort: “dat een wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs, als in strijd met den volksgeest hier te lande, niet gemakkelijk tot stand zou komen, en beschouw, op dien grond, het voorstel der commissie zoogoed als een voorstel om den bevonden slechten toestand te laten zooals hij is. Enz.”

get. A. A. C. De Vries Robbé.

Den toestand te laten zooals zij is! Maar Nederlanders, landgenooten! die uw kinderen liefhebt, dat wilt ge niet! Hebben ZIJ dan geen kinderen, de overige leden dier commissie? O, indien zij ze hadden, ze zouden bedacht hebben dat hun raad, het begraven was eener zaak, die niet slechts eenonderzoekvorderde, maar nu ’tallereerstbeteugeling van het kwaad, terwijl dat kwaad als werkelijk bestaande werd aan ’t licht gebracht.

Of meent gij nog dat een wet, als door de commissie begeerd, geenszins in strijd is met den Nederlandschen volksgeest en nog bovendien wenschelijk zou zijn?

Leest dan Landgenooten, het uitmuntende hoofdartikel in de Nos. van 6, 7, 8 en 9 Nov. 1869, derNieuwe Rotterdamsche Courant. Mij dunkt de voorstanders van een algemeen verplicht schoolonderwijs, ze moeten na de lezing er van wel in tegenstanders veranderen, of althans erkennen dat het voorstel der commissie ten behoeve van het fabriekskind, inderdaad—maar zeker ter goeder trouw—een voorstel is geweest om denbevonden slechten toestandte laten zooals hij is.

Maar wat dan?—Zou men blind willen zijn voor de eerlijke en dikwijls niet geheel ongegronde bezwaren tegen een wettelijke regeling van den arbeid der kinderen in de fabrieken? Zal men het oor sluiten voor de waarschuwende stemmen, als ze daar spreken van de gevaren waaraan men het kind gaat blootstellen, erger misschien dan waaraan men het te ontrukken wenscht? Zal men doof zijn voor de eischen der vrijheid in ons eenig en dierbaar Nederland!?

Neen, voorzeker neen! Immers juist eerst dán wanneer men al die bezwaren goed heeft doorzien, eerst dan zal de wetgever kunnen optreden om ook devrijheid te waarborgen van het mishandelde kind.

En sprekenmoethij. Zou Nederland nog langer dralen om het voorbeeld van het grootste deel der Europeesche naties te volgen, en de stem der menschelijkheid te doen klinken?

Nog eens: de toestand is slecht. Dit is een bestaande zekerheid. Hierin te voorzien is plicht. De gevolgen, die men van een wettelijke regelingvreest, zijn onbewezenmogelijkheden!

Zal men den uitgehongerde een maaltijd weigeren, uit vrees dat hij door overmatig gebruik zijn leven in gevaar zou brengen!? Zou men ook nu in Nederland weer nalaten het goede te doen, omdat men het betere, het volmaakte niet aanstonds bereiken zal?

Wat wij dan willen?

Nederlanders, wij willen een verstandige wettelijke regeling van den arbeid der kinderen in de fabrieken, zoo mogelijk gepaard aan verplicht schoolonderwijs. Wij willen dat de wet ook zal straffen wanneer onmeedoogende ouders niet zelden beulen voor hun kinderen blijken te zijn.5

Wij willen dat de wet zal straffen wanneer de industrie—’t zij dan moedwillig of uit gewoonte en sleur—menschenlevens verwoest, en alzoo werkelijk “verrotting brengt in den Staat.”

Wij willen dat er een wet kome:

omdat wij gelooven dat inmenging der Regeering hier evenzeer noodzakelijk is, als waar zij elders optreedt als beschermster van het kind en met straf bedreigt wie “zijn bestaan in gevaar brengt”;6

omdat wij gelooven dat een wet, én voor die arme schepsels én voor de industrie zelve, van onberekenbaar nut zal worden indien zijniet te veelwil, doch wat ze gebiedt metgestrengheid zal handhaven.

Of zou men zich toch laten afschrikken door den kreet: Maar om Godswil, wat moet er dan van den arbeid worden! wie zal de ontbrekende en zoo noodige handjes aanvullen, wie....!?

Nieuwe toestanden, nieuwe hulpbronnen! Bekreunt zich deIJzeren-baanom ’t verval langs denstraatweg!—En immers, wanneer een machine naait of breit, dan zullen ijzeren raders ook wel spoedig die arme levende raderen kunnen vervangen.

En wat vreest men dan weder dat er ouders zullen zijn, die hun niet verdienende kinderen binnenshuis op nog zwaarder proef zullen stellen! Neen, wanneer die arme verdierlijkte onmondige ouders de zekerheid hebben dat er een toezicht bestaat, en dat als gevolg er van het publiek en vooral ook de armbesturen het oog op hen gevestigd houden, dan wagen zij het niet, en zullen wellicht in ’t eind nog beseffen dat men dit strenge toezicht tot hun waarachtig welzijn in ’t leven riep.

Landgenooten! in een zitting der Tweede Kamer onzer Staten-Generaal, heeft de Minister Fock in antwoord op een interpellatie van den heer Van der Maesen de Sombreff gezegd, dat hij omtrent het toezicht op de fabriekskinderen nog geen wetsontwerp wilde voorstellen:Eerst moest de openbare meening zich krachtiger uitspreken.

Nuzult gij ’t weten waarom ik u schrijf.

Landgenooten, mannen en vrouwen, ouden en jongen, ’t is omdat ik wensch dat gij als één man zult opstaan en uw bee voegen bij de mijne; dat gij tot den Koning een adres zult richten ’t zij in den volgenden of in een beteren vorm:

Sire!“Nu de toestand der kinderen, werkende in de fabrieken, is geblekenslecht te zijn tengevolge van een te vroegen en te langdurig voortgezetten arbeid, nu naderen wij Uwe Majesteit met eerbiedig verzoek, dat het Uwer Majesteit zal behagen met Uwer Majesteits regeering eenwet in ’t leven te roepen, die het arme fabriekskind tegen eenonredelijke exploitatiebeschermen, en het zoo mogelijkde gelegenheid tot een behoorlijke ontwikkeling van lichaam en geest verzekeren zal.Uwer Majesteits getrouwe onderdanen, enz. enz.

Sire!

“Nu de toestand der kinderen, werkende in de fabrieken, is geblekenslecht te zijn tengevolge van een te vroegen en te langdurig voortgezetten arbeid, nu naderen wij Uwe Majesteit met eerbiedig verzoek, dat het Uwer Majesteit zal behagen met Uwer Majesteits regeering eenwet in ’t leven te roepen, die het arme fabriekskind tegen eenonredelijke exploitatiebeschermen, en het zoo mogelijkde gelegenheid tot een behoorlijke ontwikkeling van lichaam en geest verzekeren zal.

Uwer Majesteits getrouwe onderdanen, enz. enz.

Ik weet het, Landgenooten, waar ’t een werk der liefde geldt, en mede in ’t waarachtig belang der Nederlandsche Industrie, daar zult gij niet achterblijven.

En wanneer dan te midden dier vele namen, ook hier en daar de namen zullen prijken van hen, die aanstonds bereid zijn om oogenblikkelijk voordeel prijs te geven, nu zij de waarheid moesten hooren van hen die hard schenen omdat de Concurrentie hen tot hardheid dwong of de sleur hen verblindde; ja, dan zullen die namen der edele Nederlandsche industriëelen, als diamanten schitteren in den band der liefde dien wij te zamen mochten vlechten.

God geve dat geen enkele hunner ontbreken zal!

Ruim zeven jaren zijn er voorbijgegaan sedert den schoonen zomeravond, toen de ondergaande zon haar gouden glansen over de golvende graanakkers wierp; zeven lange jaren sedert den stond dat mij het woord in de ooren klonk: Welnu, ga dan de kinderenziendie in de fabrieken arbeiden. Ga zezien!

En nu nóg werken en slaven ze, en grijpen als raderen mee in de groote machine, van 12 tot 15 uren daags. Nog bloeden ze, en schreien ze, en roepen om hulp.

Spoedt u dan Landgenooten! Gij hebt het gehoord:De openbare meening moet zich krachtiger uitspreken.

Zoudt gij nog aarzelen? Neen, zie, daar staat uw eigen dierbaar kind; het ziet u liefdevol aan; het vliegt u in den arm, en smeekt u om zijnentwil, dat ge gaan zult, haastig gaan, ter bescherming van die arme gemartelde natuurgenootjes.

1Het Vaderland, No. 44, 1870.2Zie o. a. zijn meesterlijk stuk, getiteld:In ’t Gooi, Maart en April Nos. van de Gids.3Economist, enz.4Fabriekskinderen. Een bede, doch niet om geld.5Een der edeldenkendste fabrikanten in Twente verhaalde mij nog onlangs, dat er o. a. ouders zijn die—om de arme schepseltjes ’s winters heel vroeg wakker te doen worden, ze uit de warme bedstee nemen en met de bloote voetjes op den ijskouden haardsteen zetten!6Wetboek van Strafrecht. Zesde Afdeeling.

1Het Vaderland, No. 44, 1870.

2Zie o. a. zijn meesterlijk stuk, getiteld:In ’t Gooi, Maart en April Nos. van de Gids.

3Economist, enz.

4Fabriekskinderen. Een bede, doch niet om geld.

5Een der edeldenkendste fabrikanten in Twente verhaalde mij nog onlangs, dat er o. a. ouders zijn die—om de arme schepseltjes ’s winters heel vroeg wakker te doen worden, ze uit de warme bedstee nemen en met de bloote voetjes op den ijskouden haardsteen zetten!

6Wetboek van Strafrecht. Zesde Afdeeling.

Openbare brief aan Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken.1870.Ick bidde U Indien Gij heden geen gelegenen Tijt hebt om desen Epistel te lesen, doet het Morgen; maer by Uwe veele drockten, vergeet denselven niet.Excellentie!In de hoop dat dit schrijven in ’t belang der arme fabriekskinderen mijn laatste zal kunnen zijn, richt ik het tot U, Excellentie, Minister van Binnenlandsche Zaken!Ik doe het metvertrouwen, wel wetende dat het lot dier armen U ter harte gaat, al wordt ook de brief van den Haarlemschen burgemeester,1tot nog toe, vruchteloos gezocht in het anders zoo volledige Rapport der “Commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen arbeidende in de fabrieken”.Excellentie! ’t Is U bekend: in ’t jaar 1863 ontving de genoemde Commissie van den Minister Thorbecke haar mandaat.Zij arbeidde zeven jaren.Eindelijk ziet haar uitspraak het licht.En zij constateert dat.... zwart zwart is.Nochtans, de Commissie ging verder. In strijd met haar vroegere meening—volgens den president dier commissie, mede blijkbaar uit haar ingediend Rapport—heeft zij eenvoorstel van wetgedaan, en wel, om het fabriekskind voor zooveel mogelijk tegeneen onredelijke exploitatie te beschermen, door eenewettot Algemeen Verplicht Schoolonderwijs.De president der Commissie teekent in een afzonderlijk schrijven hiertegen protest aan, met de woorden“Ik acht dat eene wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs, als in strijd met den volksgeest hier te lande, niet gemakkelijk zal tot stand komen, en beschouw op dien grond het voorstel der Commissie, zoogoed als een voorstel om denbevonden slechtentoestand te laten zooals zij is.”Er verloopen vele dagen.—De Nieuwe Rotterdamsche Courant maakt er gebruik van, en neemt de woorden van dien president tot motto, om al vast het weinig populaire commissie-voorstel met kracht te bestrijden.En toen?Men wachtte op U, Excellentie.—Nietwaar: De arme kinderen hadden al zooveeljarengewacht.Ha! Daar wordt weer een stem gehoord. De heer Van der Maesen de Sombreff—de volksvertegenwoordiger—vraagt U in ’s lands vergaderzaal:“Minister van Binnenlandsche Zaken, wat zult Gij doen?”En uw antwoord klinkt:“De openbare meening moet zich krachtiger uitspreken.”Neen, men had geen recht om Uw woorden in een oneigenlijken zin te verklaren:Volgens mijne opvatting verstaat men door deopenbare meening:Het overwegend volksoordeel gegrond in zijn nationaliteit, en met zijn eigenaardige begrippen van recht en onrecht.—Neen, zij is geen: “op redenen en argumenten steunende, met cijfers gestaafde, overtuiging”. En bovendien, zou dan Uwe Exc., na ’t ontvangen van het Rapport der Commissie, dat Rapport—inderdaad nietzondercijfers—als van nul en geener waarde hebben ter zijde gelegd, om nu eens een meer algemeene, op redenen en argumenten steunende, en met cijfers gestaafdeovertuigingte vragen aan—de openbare meening!Genoeg, Gij hebt deVolksstemwillen hooren.—“Mannen van energie,” zegt een hoogbegaafd Nederlandsch geleerde: “zijn de Staatslieden, die acht weten te geven op de publieke opinie”.Toen, overtuigd dat slechts zeer weinigen in den lande, de vele cijfers zouden narekenen, die de Commissie U nog had aan te bieden: toen, na het “hooren en wederhooren” der Commissie en haren president; maar tevens na rijp beraad en ernstig onderzoek, heb ik mijn landgenooten toegeroepen:“Nederlanders, hoort ge ’t wel? De Minister vraagt U dat gij krachtiger spreken zult.”En de openbare meening heeft zich verklaard.En in dien tusschentijd zijn de vogels teruggekeerd uit het warme Zuiden, en hebben hun nestjes gebouwd; en de boomen zijn groen geworden; en.... men heeft kermis gevierd in de Residentie; en—die kinderen in de fabrieken hebben gewacht en geleden.Heeft Uwe Exc. misschien nog te weinig stemmen gehoord; te weinig vooral in evenredigheid van Neerlands bevolking?’t Is zeer waarschijnlijk!—Maar ik herinner U, dat men met het bedoelde kwaad, over ’t algemeen slechts in fabriekplaatsen, en dikwijls zelfs dáár nog maar ten deele bekend is. Ik herinner U, dat het petitioneeren niet in den Nederlandschen volksgeest ligt; maar tevens en vooral:Dat de namen van onze nobele Industriëelen, zoowel uit Twente als uit andere streken van ons Vaderland—die zelfs met hunne firma’s op de adressen aan den Koning prijken—een overwegende beteekenis hebben; dat zij te zamen een stem vormen reeds van veel grooter kracht dan de geheele en toch kloeke stem der openbare meening; en, dat men althans voordezenamen alleen, gerust de duizenden kan missen van hen, die—wel zeker gaarne in ’t belang van arme kindertjes datstuk aan den Koningzouden teekenen, wanneer men ’t hun maar voorleggen wilde, doch die, na het uitbrengen van hun stem zullen vragen: “En wat is nu eigenlijk de zaak?” of, tastende in den zak: “En, hoeveel kost dat nu?”Excellentie, de volksgeest wilverbetering van ’t lot der fabriekskinderen. Immers van welke richting of begrippen ook, er is geen Nederlander, die een toestemmend antwoord zal geven op de vraag:Vindt gij ’t waarachtig goed dat jonge kinderen zoo boven hunne krachten werken, en zoo ellendig onwetend blijven?Goddank! geen Nederlander wil dat in ernst. Die ’t feit dulden, ze zijn verblind. Ja, meelijdend kunnen ze zijn. Ze geven aalmoezen gaarne,—misschien meer dan goed is—maar spreekt men van de ongelukkige kinderen die hen dienen, dan spreekt men van een werkkracht. Van eenwerkkracht. ’t Is niet anders.—Wij hebben ’t vroeger gezegd: raderen zijn het, anders niet.Excellentie! Men heeft aan uw wensch voldaan.Men heeft van vele zijden gesproken:Ten 1ste. De Commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken, heeft u voorgesteld om het kind tegen eenonredelijke exploitatie te beschermen, door eene wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs.Ten 2de. Reeds voorlang teekendendertigLeidsche fabrikanten een adres, met verzoek om dien arbeid te regelen bij de wet.Ten 3de. De Maatschappij van Nijverheid deed hare stem hooren.Ten 4de. De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen kon in ’t einde niet zwijgen.Ten 5de. Een adres derTwentsche Vereeniging van Handel en Industriekwam U in handen.Ten 6de. Zoo mede een legio van dag- en weekbladen, ’t welk artikels wijdde in ’t belang eener wettelijke regeling; en ook het kleine getal dat, tegen die regeling gestemd, nochtans het bestaande kwaad volmondig erkent, terwijl het zich daarna invrome wenschenvoor de toekomst verliest, en zijn redeneeringen besluit met een: “O mochten eerlang....!” of: “Wij hopen van harte...!!”Maar Exc., niet alle Nederlanders—al erkennenallendat de toestand van het fabriekskind verbetering behoeft—wenschen, zooals wij, dat de arbeid dier kinderen zal worden geregeld door eene wet.Ten 1ste. In ’t vrije Nederland willen sommigen geen inmenging der regeering in zaken van Handel en Nijverheid. Handel en Nijverheid moeten zichvrijontwikkelen en bewegen.Ten 2de. Het middel—zoo vreest men—zal erger zijn dan de kwaal: Wanneer de kinderhanden voor een groot deel aan den fabrieksarbeid worden ontnomen, dan zal de fabrikant een grooter getal kinderen moeten aan ’t werk zetten; het getal fabriekskinderen wordt dan misschien wel verdubbeld, en—zooveel te meer ellendigen zullen er zijn.Ten 3de. Bij minder verdienste der kinderen zal de armoede der gezinnen nog grooter worden.Ten 4de. Het ten deele vrijgestelde kind zal misschien door onmenschelijke ouders elders tot het verrichten van nog zwaarder arbeid worden genoodzaakt.Ten 5de. De wet in Engeland, die men in substantie hier te lande zou willen volgen, werkt—zoo beweert men—òf slecht òf gebrekkig.Ten 6de. Al kon er zulk een wet tot stand komen, hoe zal men, zondergrooteen voor den Staat zeer drukkendelasten, die wet naar behoorengestrengkunnen handhaven?Uwe Excellentie zal toestemmen dat de bezwaren niet door mij worden voorbijgezien.Mag ik—zoo kort mogelijk—een antwoord geven?Ten 1ste.Geen inmenging der regeering.—De grootste voorstander van denvrijen handel, de Engelschman, wiens naam door de gansche wereld klinkt, Macaulay, toont met onweerlegbare klaarheid aan,2dat juist in ’t belang van Volk en Nijverheid,de wetgever moet ingrijpen, waar men ’t kind ten behoeve der industrie, op onredelijke wijze exploiteert en ongeschikt maakt om ooit een denkend werkman te worden.Wie Macaulay in dezen niet gehoord heeft, dien zal Uwe Exc. naar ik vertrouw, het recht van spreken, zoo niet ontzeggen, dantoch voorzeker niet toekennen. En, als de groote Macaulay het woord heeft, dan mag de Nederlandsche auteur gevoeglijk zwijgen, om nochtans, indien er tóch weder van het “aan banden leggen der vrije Industrie” mocht sprake zijn, den onnadenkende nogmaals toe te roepen: De fabrieksnijverheidhier, ligt inderdaad door den kinderarbeid gebonden.Ten 2de. Gesteld dat hetgetal fabriekskindereninderdaadwerd verdubbeld—’t geen niet het geval behoefde te worden—dan nog zou dat dubbel getaleen minder geëxploiteerd, en zeker een beter onderwezen cijfer uitmaken.Ten 3de. Men zegt:Bij mindere verdiensten zal de armoede nog grooter worden.Ik vraag Uwe Exc.: wanneer een onzer eerste en edelste fabrikanten, die in zijn fabriek de kinderen reeds vrijwillig in plaats van 12–16 uren daags, slechts 8 uren werken laat en 2 uren onderwijs geven, wanneer deze verklaart, dat hij hunne verdiensten nagegaan, en bevonden heeft:dat de kinderen in 8 uren tijds juist hetzelfde verdienden als vroeger in een zooveel langeren tijd; wanneer de uitkomsten elders—zoomede in Engeland—dit eveneens aantoonen, dán mag men de sombere voorstelling van grootere armoede, inderdaad met schouderophalen begroeten. Immers ’t is een gezonde redeneering: Het kind dat minder werkt, werkt beter. Waar het product in waarde rijst, daar kan het werkloon grooter worden. Maar zelfs in het ergste geval—aangenomen dat de loonsvermindering plaats had—waarin men toch zou kunnen voorzien—dan zal ze slechts tijdelijk en een gevolg zijn van den eersten schok. En, ware het niet de grootste onredelijkheid om de volgende geslachten fabriekskinderen, ja, de nu reeds ter exploitatie aangewezen maar nog wat al te jeugdige wurmen, meedoogenloos op te offeren voor demogelijke, maar stellig ras voorbijgaande gevolgen van dien eersten schok!Ten 4de.Dat de kinderen nog meer zullen te lijden krijgenis alweder een onjuiste voorstelling. Indien de kinderen van 8–13 jaren, voortaan bijvoorbeeldzevenuren per dag zouden werken, endrieuren schoolgaan, wanneer ze zóó,tien uren per dag zullen bezig zijn; dan immers wordt de vrees, de sombere voorstelling tamelijk ongegrond, dat de ouders, ’t zij in hunne woningen ’t zij er buiten, nog een geschikte gelegenheid zullen vinden of scheppen, om hun kroost aan eenigen geregelden winstgevenden arbeid te zetten. Bovendien, wanneer het den Staat ernst is met Zijn toezicht, dan zal hij in verband met gemeente-,kerk- of armbesturen, ook daartegen maatregelen kunnen nemen.Ten 5de.De Engelsche wet—zoo beweert men—werkt slecht of gebrekkig. Volmaakt doet ze het zeker niet, hoe zou dat mogelijk zijn. Maar wie beweren durft dat zeslechtwerkt, ik vraag het UweExcellentie: Zou eenEngelsch Minister van Binnenlandsche Zaken, zou een Bruce, heden eene wet voordragen ter regeling van den arbeid der kinderendie in de mijnen arbeiden—eene wet in den geest van die op den arbeid der kinderen in de fabrieken, indien de laatstgenoemde bevonden werd slecht te zijn. Mij dunkt dit kan volstaan.Of is die man krankzinnig misschien!Ten 6de.De wet, zoo zij tot stand zal komen, moet gestreng gehandhaafd worden, en, het toezicht zal voor de schatkist alweder een drukkende lastpost zijn.Voorzeker, gestreng en met de beste krachten zal zij moeten gehandhaafd worden.En de middelen...? Excellentie! indien hetgelddan werkelijk een bezwaar—ofschoon toch in veler oogen zeer zeker een allerlaatste bezwaar kan wezen, welnu, dan neem ik de vrijheid om, als equivalent voor ’t geen de arme fabriekskinderen den Staat zullen kosten, UExc. het denkbeeld aan de hand te doen van eenandere kinderwet er tegenover.Ik zou dan voorstellen, dat de Regeering eenebelastingwetop devóór-ofdoopnamenin ’t leven riep.Mijne bedoeling is deze:De eerste vóórnaam zalvrijzijn; doch de tweede met vijf gulden belast, en de volgenden met een steeds klimmende taxe, zoodat men voor een zesden naam een som van twee honderd gulden of meer, bij de geboorte-aangifte zou moeten voldoen.Deze belasting—UExc. zal ’t gereedelijk toestemmen—ware er eene die niemand zal drukken: die, naar mijne berekening, jaarlijks een bedrag van ƒ 200,000 aan ’s Rijks schatkist kon opleveren, en waarschijnlijk veel meer, aangezien het zwak voor namen bij de gegoede standen er zeker niet op verminderen zou. ’t Ware een luxe-belasting in ’t belang der armen.“In ’t belang der armen?” vraagt nóg de tegenstander, die in weerwil van de uitkomst door den genoemden fabrikant verkregen, beweren blijft dat de armoede der fabrieksgezinnen—althans in den aanvang bij het in werking treden eener wet—grooter zal worden dan zij reeds was.“In ’tbelangder armen!?”—UExc. vergunne mij nog eens te antwoorden:Aangenomen voor een oogenblik dat door bijzondere locale oorzaken, die armoede bij den eersten schok inderdaad hier en daar zal toenemen, dán juist zou die tweede kinderwet in den nood kunnen voorzien.—Men roept reeds met luide stem: Welk een misgreep! De Staat kan geen philanthropie uitoefenen.Ik weet het. Doch wie zal het philanthropie kunnen noemen wanneer men iemand een hem toegebrachte schade vergoedt? Indien de Staat dan werkelijk met het uitvaardigen eener wet individuën benadeelt, dan zal hij dit uit de aangewezen gelden kunnen vergoeden. Wat de Staat onteigent ten algemeene nutte, dat betaalt hij, en ruim. Waar de Staat zijn onderdanen in ’t belang van Volk en Nijverheid—gesteld dan!—verdiensten ontneemt,dáár moet hij tegemoetkomen. Ja zelfs, aan de kleine fabrikanten, die door ’t begeeren van eene schadeloosstelling, blijk zouden geven van onvermogen, kon hij in den aanvang een vast te stellen vergoeding schenken, naar evenredigheid van ’t aantal kinderen, ’t welk hem door de wet zou worden ontnomen. Indien de Staat op deze wijze, uit de baten der tweede kinderwet, de gevreesde gevolgen der eerste—volgens die sombere beschouwingen—hielp verijdelen, dan oefende hij zeker nóg minder philanthropie uit, dan wanneer hij gratificaties aan weduwen en weezen verstrekt, voor diensten door echtgenooten of vaders aan den lande bewezen.Mijn laatste voorstel zal echter, naar ik vertrouw,—ofschoon het m. i. uitvoerbaar is—niet ten uitvoer behoeven gebracht te worden. De mededeeling er van moest UExc. slechts bewijzen, dat de gewichtige zaak wel degelijk van alle zijden door mij werd bezien, aleer ik onze Landgenooten opwekte om aan Uw roepstem gehoor te geven.—Wat den eisch van sommigen betreft, dat ik aan UExc. een concept-wet ter regeling van den arbeid der kinderen in de fabrieken zou moeten aanbieden; de Nederlandsche auteur, meent zijn roeping niet te mogen voorbijzien; het was zijn plicht om telkens mede op de wond te wijzen, die zoo dringend genezing behoeft; doch geneesmiddelen voor te schrijven, of desgevorderd het lancet in ’t zieke vleesch te zetten.... dát is de roeping en taak derNederlandsche Regeering.Excellentie, de zaak “der gemartelde natuurgenootjes”, is er eene van het allergrootste gewicht. Zal men in den naam eener valsch begrepen vrijheid, de marteling dier kinderen meedoogenloos doen voortduren; de wonde al meer en meer doen inkankeren? Zal men, voor het hoogvereerde beeld der vrijheid geknield, wonderen van die vrijheid verwachten, en slechts biddende zuchten, zonder de handen met kracht aan ’t werk te slaan!?“Vrijheid, vrijheid in Nederland!” roept men ons toe: “Vrijheid inALLES!”—Welzeker! inalles! Loopt dan met revolvers gewapend, gij mannen dier vrijheid, en schiet uw tegenstander overhoop. Laat de spoortreinen vertrekken zonder regel of orde, en tegen elkander instormen als ’t u vermaken kan. Bergt vrij petroleüm of buskruit in uw pakhuizen, en steekt den rommel in brand, dat het dreunt en dondert in ’t rond, indien ge ruimte wilt, ruimte voor uw vrijheid!Maar Exc., de zaak is te ernstig voor zulke dwaze consequenties.Immers, ’t geldt devrijheid, derechtendier arme kinderen.—Ik weet dat UExc. het gevoelt: ’t Geldt hier hetlevenvan aankomende Nederlanders, van toekomstige burgers, ’t welk in de fabrieken physiek en moreel wordt verwoest.Neen, UExc. wil die marteling niet straffeloos doen voortduren, maar bestrijden—ook in ’t belang der Nederlandsche Industrie. De volksstem heeft gesproken en zijn wensch tot den Koning gericht. Gij hebt dien wensch vernomen; en, wanneer Gij nu in des Konings naam, de handen aan ’t werk slaat, ik bid U, vergeet dantoch de vele stemmen onzer eerste Industriëelen niet, en vergeet Macaulay niet, en vooral niet dat de behandeling dezer volkszaak, na zoovele jaren wachtens, spoed vereischt, grooten spoed, want de verdrukking van die ellendige kleinen moet een eind nemen in ons vrije dierbare Nederland.Excellentie, Minister van Binnenlandsche Zaken, men wacht op U.Met de meeste hoogachting teeken ik mij,Uwer Excellentie’s Dw. Dienaar:J. J. Cremer.En men heeft op den Minister gewacht, totdat nog drie jaren later, de eerste wet ter regeling van den kinderarbeid in de fabrieken, door een nieuwe regeering bekrachtigd werd.1De Haarlemsche burgemeester, die mede geklaagd had over den toestand der lijdende Fabriekskinderen werd later Minister van B. Z., en tot hém werd dit schrijven gericht.2Thomas Babington Macaulay’s redevoering over den arbeid der kinderen in de fabrieken, gehouden 22 Mei 1846.

Ick bidde U Indien Gij heden geen gelegenen Tijt hebt om desen Epistel te lesen, doet het Morgen; maer by Uwe veele drockten, vergeet denselven niet.

Ick bidde U Indien Gij heden geen gelegenen Tijt hebt om desen Epistel te lesen, doet het Morgen; maer by Uwe veele drockten, vergeet denselven niet.

Excellentie!

In de hoop dat dit schrijven in ’t belang der arme fabriekskinderen mijn laatste zal kunnen zijn, richt ik het tot U, Excellentie, Minister van Binnenlandsche Zaken!

Ik doe het metvertrouwen, wel wetende dat het lot dier armen U ter harte gaat, al wordt ook de brief van den Haarlemschen burgemeester,1tot nog toe, vruchteloos gezocht in het anders zoo volledige Rapport der “Commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen arbeidende in de fabrieken”.

Excellentie! ’t Is U bekend: in ’t jaar 1863 ontving de genoemde Commissie van den Minister Thorbecke haar mandaat.

Zij arbeidde zeven jaren.

Eindelijk ziet haar uitspraak het licht.

En zij constateert dat.... zwart zwart is.

Nochtans, de Commissie ging verder. In strijd met haar vroegere meening—volgens den president dier commissie, mede blijkbaar uit haar ingediend Rapport—heeft zij eenvoorstel van wetgedaan, en wel, om het fabriekskind voor zooveel mogelijk tegeneen onredelijke exploitatie te beschermen, door eenewettot Algemeen Verplicht Schoolonderwijs.

De president der Commissie teekent in een afzonderlijk schrijven hiertegen protest aan, met de woorden

“Ik acht dat eene wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs, als in strijd met den volksgeest hier te lande, niet gemakkelijk zal tot stand komen, en beschouw op dien grond het voorstel der Commissie, zoogoed als een voorstel om denbevonden slechtentoestand te laten zooals zij is.”

Er verloopen vele dagen.—De Nieuwe Rotterdamsche Courant maakt er gebruik van, en neemt de woorden van dien president tot motto, om al vast het weinig populaire commissie-voorstel met kracht te bestrijden.

En toen?

Men wachtte op U, Excellentie.—Nietwaar: De arme kinderen hadden al zooveeljarengewacht.

Ha! Daar wordt weer een stem gehoord. De heer Van der Maesen de Sombreff—de volksvertegenwoordiger—vraagt U in ’s lands vergaderzaal:

“Minister van Binnenlandsche Zaken, wat zult Gij doen?”

En uw antwoord klinkt:

“De openbare meening moet zich krachtiger uitspreken.”

Neen, men had geen recht om Uw woorden in een oneigenlijken zin te verklaren:

Volgens mijne opvatting verstaat men door deopenbare meening:Het overwegend volksoordeel gegrond in zijn nationaliteit, en met zijn eigenaardige begrippen van recht en onrecht.—Neen, zij is geen: “op redenen en argumenten steunende, met cijfers gestaafde, overtuiging”. En bovendien, zou dan Uwe Exc., na ’t ontvangen van het Rapport der Commissie, dat Rapport—inderdaad nietzondercijfers—als van nul en geener waarde hebben ter zijde gelegd, om nu eens een meer algemeene, op redenen en argumenten steunende, en met cijfers gestaafdeovertuigingte vragen aan—de openbare meening!

Genoeg, Gij hebt deVolksstemwillen hooren.—“Mannen van energie,” zegt een hoogbegaafd Nederlandsch geleerde: “zijn de Staatslieden, die acht weten te geven op de publieke opinie”.

Toen, overtuigd dat slechts zeer weinigen in den lande, de vele cijfers zouden narekenen, die de Commissie U nog had aan te bieden: toen, na het “hooren en wederhooren” der Commissie en haren president; maar tevens na rijp beraad en ernstig onderzoek, heb ik mijn landgenooten toegeroepen:

“Nederlanders, hoort ge ’t wel? De Minister vraagt U dat gij krachtiger spreken zult.”

En de openbare meening heeft zich verklaard.

En in dien tusschentijd zijn de vogels teruggekeerd uit het warme Zuiden, en hebben hun nestjes gebouwd; en de boomen zijn groen geworden; en.... men heeft kermis gevierd in de Residentie; en—die kinderen in de fabrieken hebben gewacht en geleden.

Heeft Uwe Exc. misschien nog te weinig stemmen gehoord; te weinig vooral in evenredigheid van Neerlands bevolking?

’t Is zeer waarschijnlijk!—Maar ik herinner U, dat men met het bedoelde kwaad, over ’t algemeen slechts in fabriekplaatsen, en dikwijls zelfs dáár nog maar ten deele bekend is. Ik herinner U, dat het petitioneeren niet in den Nederlandschen volksgeest ligt; maar tevens en vooral:

Dat de namen van onze nobele Industriëelen, zoowel uit Twente als uit andere streken van ons Vaderland—die zelfs met hunne firma’s op de adressen aan den Koning prijken—een overwegende beteekenis hebben; dat zij te zamen een stem vormen reeds van veel grooter kracht dan de geheele en toch kloeke stem der openbare meening; en, dat men althans voordezenamen alleen, gerust de duizenden kan missen van hen, die—wel zeker gaarne in ’t belang van arme kindertjes datstuk aan den Koningzouden teekenen, wanneer men ’t hun maar voorleggen wilde, doch die, na het uitbrengen van hun stem zullen vragen: “En wat is nu eigenlijk de zaak?” of, tastende in den zak: “En, hoeveel kost dat nu?”

Excellentie, de volksgeest wilverbetering van ’t lot der fabriekskinderen. Immers van welke richting of begrippen ook, er is geen Nederlander, die een toestemmend antwoord zal geven op de vraag:Vindt gij ’t waarachtig goed dat jonge kinderen zoo boven hunne krachten werken, en zoo ellendig onwetend blijven?

Goddank! geen Nederlander wil dat in ernst. Die ’t feit dulden, ze zijn verblind. Ja, meelijdend kunnen ze zijn. Ze geven aalmoezen gaarne,—misschien meer dan goed is—maar spreekt men van de ongelukkige kinderen die hen dienen, dan spreekt men van een werkkracht. Van eenwerkkracht. ’t Is niet anders.—Wij hebben ’t vroeger gezegd: raderen zijn het, anders niet.

Excellentie! Men heeft aan uw wensch voldaan.

Men heeft van vele zijden gesproken:

Ten 1ste. De Commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken, heeft u voorgesteld om het kind tegen eenonredelijke exploitatie te beschermen, door eene wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs.

Ten 2de. Reeds voorlang teekendendertigLeidsche fabrikanten een adres, met verzoek om dien arbeid te regelen bij de wet.

Ten 3de. De Maatschappij van Nijverheid deed hare stem hooren.

Ten 4de. De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen kon in ’t einde niet zwijgen.

Ten 5de. Een adres derTwentsche Vereeniging van Handel en Industriekwam U in handen.

Ten 6de. Zoo mede een legio van dag- en weekbladen, ’t welk artikels wijdde in ’t belang eener wettelijke regeling; en ook het kleine getal dat, tegen die regeling gestemd, nochtans het bestaande kwaad volmondig erkent, terwijl het zich daarna invrome wenschenvoor de toekomst verliest, en zijn redeneeringen besluit met een: “O mochten eerlang....!” of: “Wij hopen van harte...!!”

Maar Exc., niet alle Nederlanders—al erkennenallendat de toestand van het fabriekskind verbetering behoeft—wenschen, zooals wij, dat de arbeid dier kinderen zal worden geregeld door eene wet.

Ten 1ste. In ’t vrije Nederland willen sommigen geen inmenging der regeering in zaken van Handel en Nijverheid. Handel en Nijverheid moeten zichvrijontwikkelen en bewegen.

Ten 2de. Het middel—zoo vreest men—zal erger zijn dan de kwaal: Wanneer de kinderhanden voor een groot deel aan den fabrieksarbeid worden ontnomen, dan zal de fabrikant een grooter getal kinderen moeten aan ’t werk zetten; het getal fabriekskinderen wordt dan misschien wel verdubbeld, en—zooveel te meer ellendigen zullen er zijn.

Ten 3de. Bij minder verdienste der kinderen zal de armoede der gezinnen nog grooter worden.

Ten 4de. Het ten deele vrijgestelde kind zal misschien door onmenschelijke ouders elders tot het verrichten van nog zwaarder arbeid worden genoodzaakt.

Ten 5de. De wet in Engeland, die men in substantie hier te lande zou willen volgen, werkt—zoo beweert men—òf slecht òf gebrekkig.

Ten 6de. Al kon er zulk een wet tot stand komen, hoe zal men, zondergrooteen voor den Staat zeer drukkendelasten, die wet naar behoorengestrengkunnen handhaven?

Uwe Excellentie zal toestemmen dat de bezwaren niet door mij worden voorbijgezien.

Mag ik—zoo kort mogelijk—een antwoord geven?

Ten 1ste.Geen inmenging der regeering.—De grootste voorstander van denvrijen handel, de Engelschman, wiens naam door de gansche wereld klinkt, Macaulay, toont met onweerlegbare klaarheid aan,2dat juist in ’t belang van Volk en Nijverheid,de wetgever moet ingrijpen, waar men ’t kind ten behoeve der industrie, op onredelijke wijze exploiteert en ongeschikt maakt om ooit een denkend werkman te worden.

Wie Macaulay in dezen niet gehoord heeft, dien zal Uwe Exc. naar ik vertrouw, het recht van spreken, zoo niet ontzeggen, dantoch voorzeker niet toekennen. En, als de groote Macaulay het woord heeft, dan mag de Nederlandsche auteur gevoeglijk zwijgen, om nochtans, indien er tóch weder van het “aan banden leggen der vrije Industrie” mocht sprake zijn, den onnadenkende nogmaals toe te roepen: De fabrieksnijverheidhier, ligt inderdaad door den kinderarbeid gebonden.

Ten 2de. Gesteld dat hetgetal fabriekskindereninderdaadwerd verdubbeld—’t geen niet het geval behoefde te worden—dan nog zou dat dubbel getaleen minder geëxploiteerd, en zeker een beter onderwezen cijfer uitmaken.

Ten 3de. Men zegt:Bij mindere verdiensten zal de armoede nog grooter worden.Ik vraag Uwe Exc.: wanneer een onzer eerste en edelste fabrikanten, die in zijn fabriek de kinderen reeds vrijwillig in plaats van 12–16 uren daags, slechts 8 uren werken laat en 2 uren onderwijs geven, wanneer deze verklaart, dat hij hunne verdiensten nagegaan, en bevonden heeft:dat de kinderen in 8 uren tijds juist hetzelfde verdienden als vroeger in een zooveel langeren tijd; wanneer de uitkomsten elders—zoomede in Engeland—dit eveneens aantoonen, dán mag men de sombere voorstelling van grootere armoede, inderdaad met schouderophalen begroeten. Immers ’t is een gezonde redeneering: Het kind dat minder werkt, werkt beter. Waar het product in waarde rijst, daar kan het werkloon grooter worden. Maar zelfs in het ergste geval—aangenomen dat de loonsvermindering plaats had—waarin men toch zou kunnen voorzien—dan zal ze slechts tijdelijk en een gevolg zijn van den eersten schok. En, ware het niet de grootste onredelijkheid om de volgende geslachten fabriekskinderen, ja, de nu reeds ter exploitatie aangewezen maar nog wat al te jeugdige wurmen, meedoogenloos op te offeren voor demogelijke, maar stellig ras voorbijgaande gevolgen van dien eersten schok!

Ten 4de.Dat de kinderen nog meer zullen te lijden krijgenis alweder een onjuiste voorstelling. Indien de kinderen van 8–13 jaren, voortaan bijvoorbeeldzevenuren per dag zouden werken, endrieuren schoolgaan, wanneer ze zóó,tien uren per dag zullen bezig zijn; dan immers wordt de vrees, de sombere voorstelling tamelijk ongegrond, dat de ouders, ’t zij in hunne woningen ’t zij er buiten, nog een geschikte gelegenheid zullen vinden of scheppen, om hun kroost aan eenigen geregelden winstgevenden arbeid te zetten. Bovendien, wanneer het den Staat ernst is met Zijn toezicht, dan zal hij in verband met gemeente-,kerk- of armbesturen, ook daartegen maatregelen kunnen nemen.

Ten 5de.De Engelsche wet—zoo beweert men—werkt slecht of gebrekkig. Volmaakt doet ze het zeker niet, hoe zou dat mogelijk zijn. Maar wie beweren durft dat zeslechtwerkt, ik vraag het UweExcellentie: Zou eenEngelsch Minister van Binnenlandsche Zaken, zou een Bruce, heden eene wet voordragen ter regeling van den arbeid der kinderendie in de mijnen arbeiden—eene wet in den geest van die op den arbeid der kinderen in de fabrieken, indien de laatstgenoemde bevonden werd slecht te zijn. Mij dunkt dit kan volstaan.

Of is die man krankzinnig misschien!

Ten 6de.De wet, zoo zij tot stand zal komen, moet gestreng gehandhaafd worden, en, het toezicht zal voor de schatkist alweder een drukkende lastpost zijn.

Voorzeker, gestreng en met de beste krachten zal zij moeten gehandhaafd worden.

En de middelen...? Excellentie! indien hetgelddan werkelijk een bezwaar—ofschoon toch in veler oogen zeer zeker een allerlaatste bezwaar kan wezen, welnu, dan neem ik de vrijheid om, als equivalent voor ’t geen de arme fabriekskinderen den Staat zullen kosten, UExc. het denkbeeld aan de hand te doen van eenandere kinderwet er tegenover.

Ik zou dan voorstellen, dat de Regeering eenebelastingwetop devóór-ofdoopnamenin ’t leven riep.

Mijne bedoeling is deze:

De eerste vóórnaam zalvrijzijn; doch de tweede met vijf gulden belast, en de volgenden met een steeds klimmende taxe, zoodat men voor een zesden naam een som van twee honderd gulden of meer, bij de geboorte-aangifte zou moeten voldoen.

Deze belasting—UExc. zal ’t gereedelijk toestemmen—ware er eene die niemand zal drukken: die, naar mijne berekening, jaarlijks een bedrag van ƒ 200,000 aan ’s Rijks schatkist kon opleveren, en waarschijnlijk veel meer, aangezien het zwak voor namen bij de gegoede standen er zeker niet op verminderen zou. ’t Ware een luxe-belasting in ’t belang der armen.

“In ’t belang der armen?” vraagt nóg de tegenstander, die in weerwil van de uitkomst door den genoemden fabrikant verkregen, beweren blijft dat de armoede der fabrieksgezinnen—althans in den aanvang bij het in werking treden eener wet—grooter zal worden dan zij reeds was.

“In ’tbelangder armen!?”—UExc. vergunne mij nog eens te antwoorden:

Aangenomen voor een oogenblik dat door bijzondere locale oorzaken, die armoede bij den eersten schok inderdaad hier en daar zal toenemen, dán juist zou die tweede kinderwet in den nood kunnen voorzien.—Men roept reeds met luide stem: Welk een misgreep! De Staat kan geen philanthropie uitoefenen.

Ik weet het. Doch wie zal het philanthropie kunnen noemen wanneer men iemand een hem toegebrachte schade vergoedt? Indien de Staat dan werkelijk met het uitvaardigen eener wet individuën benadeelt, dan zal hij dit uit de aangewezen gelden kunnen vergoeden. Wat de Staat onteigent ten algemeene nutte, dat betaalt hij, en ruim. Waar de Staat zijn onderdanen in ’t belang van Volk en Nijverheid—gesteld dan!—verdiensten ontneemt,dáár moet hij tegemoetkomen. Ja zelfs, aan de kleine fabrikanten, die door ’t begeeren van eene schadeloosstelling, blijk zouden geven van onvermogen, kon hij in den aanvang een vast te stellen vergoeding schenken, naar evenredigheid van ’t aantal kinderen, ’t welk hem door de wet zou worden ontnomen. Indien de Staat op deze wijze, uit de baten der tweede kinderwet, de gevreesde gevolgen der eerste—volgens die sombere beschouwingen—hielp verijdelen, dan oefende hij zeker nóg minder philanthropie uit, dan wanneer hij gratificaties aan weduwen en weezen verstrekt, voor diensten door echtgenooten of vaders aan den lande bewezen.

Mijn laatste voorstel zal echter, naar ik vertrouw,—ofschoon het m. i. uitvoerbaar is—niet ten uitvoer behoeven gebracht te worden. De mededeeling er van moest UExc. slechts bewijzen, dat de gewichtige zaak wel degelijk van alle zijden door mij werd bezien, aleer ik onze Landgenooten opwekte om aan Uw roepstem gehoor te geven.—Wat den eisch van sommigen betreft, dat ik aan UExc. een concept-wet ter regeling van den arbeid der kinderen in de fabrieken zou moeten aanbieden; de Nederlandsche auteur, meent zijn roeping niet te mogen voorbijzien; het was zijn plicht om telkens mede op de wond te wijzen, die zoo dringend genezing behoeft; doch geneesmiddelen voor te schrijven, of desgevorderd het lancet in ’t zieke vleesch te zetten.... dát is de roeping en taak derNederlandsche Regeering.

Excellentie, de zaak “der gemartelde natuurgenootjes”, is er eene van het allergrootste gewicht. Zal men in den naam eener valsch begrepen vrijheid, de marteling dier kinderen meedoogenloos doen voortduren; de wonde al meer en meer doen inkankeren? Zal men, voor het hoogvereerde beeld der vrijheid geknield, wonderen van die vrijheid verwachten, en slechts biddende zuchten, zonder de handen met kracht aan ’t werk te slaan!?

“Vrijheid, vrijheid in Nederland!” roept men ons toe: “Vrijheid inALLES!”—Welzeker! inalles! Loopt dan met revolvers gewapend, gij mannen dier vrijheid, en schiet uw tegenstander overhoop. Laat de spoortreinen vertrekken zonder regel of orde, en tegen elkander instormen als ’t u vermaken kan. Bergt vrij petroleüm of buskruit in uw pakhuizen, en steekt den rommel in brand, dat het dreunt en dondert in ’t rond, indien ge ruimte wilt, ruimte voor uw vrijheid!

Maar Exc., de zaak is te ernstig voor zulke dwaze consequenties.

Immers, ’t geldt devrijheid, derechtendier arme kinderen.—Ik weet dat UExc. het gevoelt: ’t Geldt hier hetlevenvan aankomende Nederlanders, van toekomstige burgers, ’t welk in de fabrieken physiek en moreel wordt verwoest.

Neen, UExc. wil die marteling niet straffeloos doen voortduren, maar bestrijden—ook in ’t belang der Nederlandsche Industrie. De volksstem heeft gesproken en zijn wensch tot den Koning gericht. Gij hebt dien wensch vernomen; en, wanneer Gij nu in des Konings naam, de handen aan ’t werk slaat, ik bid U, vergeet dantoch de vele stemmen onzer eerste Industriëelen niet, en vergeet Macaulay niet, en vooral niet dat de behandeling dezer volkszaak, na zoovele jaren wachtens, spoed vereischt, grooten spoed, want de verdrukking van die ellendige kleinen moet een eind nemen in ons vrije dierbare Nederland.

Excellentie, Minister van Binnenlandsche Zaken, men wacht op U.

Met de meeste hoogachting teeken ik mij,

Uwer Excellentie’s Dw. Dienaar:

J. J. Cremer.

En men heeft op den Minister gewacht, totdat nog drie jaren later, de eerste wet ter regeling van den kinderarbeid in de fabrieken, door een nieuwe regeering bekrachtigd werd.

En men heeft op den Minister gewacht, totdat nog drie jaren later, de eerste wet ter regeling van den kinderarbeid in de fabrieken, door een nieuwe regeering bekrachtigd werd.

1De Haarlemsche burgemeester, die mede geklaagd had over den toestand der lijdende Fabriekskinderen werd later Minister van B. Z., en tot hém werd dit schrijven gericht.2Thomas Babington Macaulay’s redevoering over den arbeid der kinderen in de fabrieken, gehouden 22 Mei 1846.

1De Haarlemsche burgemeester, die mede geklaagd had over den toestand der lijdende Fabriekskinderen werd later Minister van B. Z., en tot hém werd dit schrijven gericht.

2Thomas Babington Macaulay’s redevoering over den arbeid der kinderen in de fabrieken, gehouden 22 Mei 1846.

Brief van Jan Stukadoor.Metselaar.Onder toezicht gesteld van zijn neef den hulponderwijzer B.Aan den lezer.De neef van den werkman door wien mij het nevensgaande opstel in handen kwam, zal het mij—zoo min als de Lezer—ten kwade duiden, dat ik een aantal van zijne verbeteringen, zoowel in stijl als taal, tot het oorspronkelijke heb teruggebracht, ja zelfs dat eenige door hem geschrapte woorden—waarin de schrijver niets vreemds had gevonden—door mij op hun plaats zijn hersteld.Dat de Nederlandsche werklieden de veelal zeer juiste beschouwingen van den wakkeren Jan met een Bravo! zullen begroeten, en, beter nog, ter harte willen nemen, is de wensch van:J. J. C.

Onder toezicht gesteld van zijn neef den hulponderwijzer B.

Aan den lezer.

De neef van den werkman door wien mij het nevensgaande opstel in handen kwam, zal het mij—zoo min als de Lezer—ten kwade duiden, dat ik een aantal van zijne verbeteringen, zoowel in stijl als taal, tot het oorspronkelijke heb teruggebracht, ja zelfs dat eenige door hem geschrapte woorden—waarin de schrijver niets vreemds had gevonden—door mij op hun plaats zijn hersteld.

Dat de Nederlandsche werklieden de veelal zeer juiste beschouwingen van den wakkeren Jan met een Bravo! zullen begroeten, en, beter nog, ter harte willen nemen, is de wensch van:

J. J. C.

Aan alle Nederlandsche WerkliedenLeden en geen-leden der Internationale.Vrienden, laat ik je zeggen, dat je gefopt wordt, op mijn woord van eer. Ik zeg niet, dat ze het niet goed met je meenen; neen, maar dan foppen ze zich zelf. Ik ben zooveel als handwerksman of metselaar, en versta mijn vak zoogoed als mijn baas, daar durf ik me op beroemen, en ofschoon de roem is uitgesloten, ik zeg het, omdat hetwaaris, en ik een hekel aan praatjes heb.In den laatsten tijd hoorde ik gedurig van de kameraden dat ze armoe hadden, geen eten genoeg, omdat ze te weinig verdienden. Dat is waar, vooral als ze—zooals Jan Van End—een vrouwhebben die vijfmaal in de kleine zes jaren een kind krijgt, en op den koop toe een slons is.Weet je wat ik verdien in de week? Gemiddeld, winter en zomer, negen gulden. En daar moet ik van leven met mijne vrouw, vijf kinderen—God weet of het er bij blijven zal—en, behalve een kanarievogeltje van Jans, mijne oude halfblinde moeder. Bedeeling zou ze kunnen krijgen, maar ik zeg: eer zullen ze me doodschoppen, eer dat ze mijne arme moeder van den arme zullen bedeelen.Is negen gulden te veel met zijn achten, als ik de kanarie van Jans meereken?Dat weet jelui wel beter; en toch Goddank jongens, ik heb nog nooit honger geleden. Dat zit hem hierin, dat ik geen drank gebruik. Of ik geen borrel lust? Nou, daar mot je om kommen! Als ik hem zie, dan komt me het water over’t hart; maar ik zeg, neen baas, je zult me niet pieren, want ik heb er een kennis aan dood; dien stond het schuim op den mond toen hij de eeuwigheid inging, en was zoo zwart van binnen als een schoorsteen. Nou, als je vanklarezwartwordt, dan zit er toch de duivel in, al heeft hij geen bokspooten of kettings aan.Ik zei dan dat ik nooit honger heb geleden, en daar geef ik je mijn woord van eer op. Maar weet je wie daar ook de schuld van is, dat is mijne vrouw. Als je ze zag—ze zit hier bij me terwijl ik dezen brief schrijf, want de meester zei: schrijf jij gerust Jan, jij weet het goed uit te leggen, en ik, zeidie, zal je wel met de taal en de spelling helpen—ik zeg dan, als je mijn vrouw zag dan zou je zeggen: een knap wijf, en ik zeg een goed wijf ook; die het anders zei, die heeft er geen verstand van of is jaloersch; zooals de vrouw van P.—ik wil zijn naam geen schande aandoen, maar die is jaloersch. Jongens, je moest ook eens kunnen zien wat een helder wijf of ik heb. Toen ze voor de vierde keer—in de negen jaren een kleintje had, toen was Wouter, de lieve schreeuwer met zijn mooie oogjes, nog geen tien uren oud, of ze had alweer vier wollen sokken gestopt, en, nog al geen gaten!—Neen, zooals mijn beste wijf den boel bij elkaar houdt, daar weet je niet van; enikzeg, als ze van kapitaal spreken: daar zit kapitaal in de armen van Jans. En toch geen houten, waarachtig niet: mollig als boter. Als alleman zoo’n vrouw had, dan was er geen armoe. Van één gulden maakt zij er twee; ook omdat zij van twee uren er vier maakt. Vroolijk is ze altoos; en als ze pruttelt, dan is het alleen over de belasting op de zeep.Maar alleman kan zoo’n vrouw niet krijgen, dat weet ik wel; dáárom en ook met dien ellendigen drank heeft er menigeen veel meer noodig dan ik. Maar, is het misschien door ziektens of dingsigheden dat je armoe hebt, terwijl je werkt zooveel en zoogoed als je kunt, en den boel niet vergooit of verzwendelt, dán zeg ik: jongens, zoekt, als je loon te laag is en je met al je werken niet te eten hebt, in de redelijkheiddat je wat meer krijgt.Ikzegin de redelijkheid, want of wij elkaar een loer willen draaien of niet,—anders draai je je zelf den hals om, en daar heb je niks geen plezier van.Onze kleine Albert was krek een jaar—ik weet het nog, omdat de vrouw toen op suiker bij de koffie trakteerde, en dat is een heele ekstra—toen kwam Van Vlot bij ons inloopen. Ik begreep hem niet, want hij zei den heelen tijd zoo’n Fransch woord. Nou ken ik het; ’t was deInternationale.—Meester heeft het me voorgespeld. Als ik daar lid van werd, dan kregen we mettertijd net zoogoed te vreten—dat waren met permissie zijn eigen woorden—als de rijkdom en al de grootheid in eigen persoon. Wis en waarachtig, zei Van Vlot, hier bij ons in ’t land zijn we wel gek om ons eigen dood te werken voor dat rijkelui’svolk, en voor de bazen, die van ons zweet en bloed mooi weer spelen. De Internationale, zoo zei die, wil met orde en recht onzen toestand verbeteren. We zullen een tijd beleven Jan, zoo zei die, dat al die wind van groote huizen en van de swietmesjeus met hun mooie dametjes uit is, alleman egaal, jij net gelijk met je baas, en je baas net gelijk met den grootsten baron of ginneraal uit het Voorhout. Allemaal glad weg van één slag, en allemaal krek evenveel centen op zak. Ook de centen van den koning moeten we verdeelen, en van de prinsen. Alle grootheid naar de weerlich, zei die; dat was nou hetcommunismus. Dit laatste woord heb ik zelf onthouwen, want dat ding leek me een slaadje als het goed was. Nou, zei Van Vlot, als je niet tegen je eigen vleesch bent, dan moet je ook lid van die Internationale worden, daar staan pieten aan ’t hoofd, en ze hebben in andere landen al zooveel jongens en centen bijeen, dat ze ons best den mond kunnen openhouwen als wij alvast de weerlich van ’t werk geven.Toen Van Vlot niks meer zei, toen zei ik: Maar dan zul jij er zeker al wel dadelijk uitscheien Piet, want aan werken daar heeft hij in den regel kaas aan. Neen nog niet Jan, zeidie toen, want die Internationale stuurt geen kind om een boodschap. Zoo gauw als wij van onzen stand hier te lande zoo goed als allemaal lid van die vereeniging zijn, en de kans schoon staat om onzen slag te slaan, dan beginnen we dat vetje; dan gooien we—’t waren zijn eigen woorden—bij al dat groote volk lekkertjes de glazen in, en houwen acht dagen vetpot, en dan: naar den grond met al de rijkelui’shuizen, en, verdeeling van de dubbeltjes in de Maliebaan! Wil je lid worden? zei Piet er bot bovenop. En ik zei: Wat kost het? Zooveel, zei Piet.—Ik keek Jans aan, en Jans zei niks, maar ik zei: Ik zou je danken. ’k Wil er eerst over prakkezeeren.Toen Van Vlot weg was—eerst zanikte hij nog wel een uur lang, en ’t meest over dat pleziertje in de Maliebaan—toen zei ik tegen Jans: Wat dunkt je?Jans zei: Wat wil dat zeggen,Inter?Dat weet ik niet, zei ik. Toen dadelijk naar meester.Meester zei dat Internationale zooveel beduidt als een verbond tusschen alle naties of volken; en dat het hier dus de vereeniging was van al de werklieden over de geheele wereld.Dat zoodje zou ik wel eens bijeen willen zien, zei ik tegen Jans toen ik weer thuis kwam—’t was Zondag.Ik niet, zei Jans: vooral vandaag niet, want dan staan de meesten niet vast op hun beenen.Demeesten, dat was onredelijk. Nu moet ik zeggen dat Jans alleen op dát punt onredelijk is. Maar ik dank er God voor, want als Jans het niet geweest was, wie weet of ik tóch niet van tijd tot tijd bij Nol op den hoek er eentje zou gepakt hebben. Ééns is geens zegt het spreekwoord, en zoo kom je op een kouwen avond tottienmaal éénsistienmaal geens; en dan heb je veertig centen aan je broek, en je kijkt als een vijfcents pekelharing of een schar zonder kop.Maar jongens, nou moet ik je zeggen, dat ik al een maand aan het denken ben geweest over die woorden van Van Vlot of eigenlijk over die Internationale. Ik zei tegen Jans: Ja maar, als we nu toch waarachtig door dat lid worden, in het huis van V. B.... konden komen (meester zei dat ik den naam hier weg moest laten) nou, in dat mooie groote huis met al die meubels en gordijnen, me dunkt....Me dankt, zei Jans, dat je je verstand moest gebruiken. Van Vlot zei dat zeALde huizen zouden afbreken, en dus kwam jij dan tóch niet in het groote huis van V. B....Dáár had ze gelijk in, en ja, als we allemaal precies gelijk zouden worden, dan moest eigenlijk—na dat pleiziertje in de Maliebaan—de heele stad voor den grond worden gesmeten, om ook de steenen en het houtmateriaal gelijk te verdeelen. Ja wel, elk voor zich kon dan zijn portie meenemen om naar goedvinden op een—óók eerlijk gedeeld stuk grond, zijn huisje te kunnen zetten.Maar zie je jongens, toen ik daar goed over prakkezeerde, toen begon het me te draaien voor de oogen. Wie drommel zou eerst de stadafbreken? Verbranden was nog zonde, want wat weg is is weg.—De voorname lui? Och goeje hemel, als ze een halven dag aan ’t steenbikken waren geweest, bij voorbeeld de graaf van.... (weer geen naam zei meester) afijn dan lee ie voor mirakel; daar zit geen pit in die vingers.En ik zelf? Als ik mijn portie beet had, wat deed ik er mee? Metselen is mijn vak, ja wel, maar al zat ik op water en brood, om een huis te bouwen, zoo’n beetje behoorlijk, ik zou er geen kanstoezien.Maar, zei Jans toen, al kon jij als metselaar, net zoo wel als Hein van ’t fabriek van Enthoven, en de baron van Die en Die, en de grutter naast ons hofje, en Hannes de diender en allemaal die nooit gemetseld of gezaagd hebben, je eigen huis bouwen, wat moesten dan de zieke weduwvrouwen beginnen?Ben je gek Jans, zei ik, dat verdeelen en zelf opbouwen da’s onmogelijk, da’s larie!Ik moest er om lachen, en Jans begon ook te lachen, zoodat kleine Anneke, die de borst kreeg, losliet. Toen lachten we allebei dat we schudden. Denkt eens jongens, hoe de molenaars en de ministers en de slachters en de boekverkoopers en de notarissen en de vroedvrouwen en de dominee’s en pastoors, afijn de heele werelddie van ’t bouwen niks wisten, in de knoei zouden zitten. Wat zou je zien gebeuren—dat zei ik tegen Van Vlot op een avond dat hij mij weer den kop kwam gekmaken: Laten we nou veronderstellen, zei ik, dat er op de vijftig huishouwens die bouwen moesten, veertig er zelf niet kapabel toe waren, en dat elk driehonderd gulden vrij geld in de Maliebaan had gebeurd; nietwaar, dan zou de een—al was het geen verplichting, toch alweer tegen den ander zeggen: Och vrind of burger-commun, help jij me een handje, want mijn moeder is rhumatiek of aamborstig en kan toch niet zoo tusschen ’t afbraak blijven zitten.—Neen, zou die zeggen: Ieder voor zich.—Dan zou die ander hem bijvoorbeeld drie rijksdaalders onder den neus kunnen houwen. Was de persoon die rook, geresolveerd, dan zei ie: Akkoord! Was hij een schrok, dan zei ie: Voorzesrijksdaalders; en was hij een luie kerel dan zei ie neen, en ging op zijn eigen afbraak liggen.Nou vraag ik jou, Van Vlot, of er dienzelfden dag alweer geen verschil van stand zou wezen, want die hielp, had de rijksdaalders van den ander. Zie je, zoo’n stad van gelijkheid is onmogelijk. Maar zei ik, verondersteld dat je zoo’n stad kondt hebben, dan zet ik het jou om me te zeggen hoe de magere kranten-Hannes met zijn zuster Letje—de strijkster-zwavelstok—aan den kost moesten komen? We zouden alleszelfmoeten doen, want maatjes egaal, alles gelijk, nietwaar? Op onzen lap grond, zaaien en oogsten; koren dorschen en malen; meel kneden, brood bakken,—vee fokken, slachten, natuurlijk alles!Maar toen viel Jans me in de rede, en zei: Kom schei toch uit met die gekkenpraat; waar wil jij mee ploegen als je geen ploegen kunt koopen, hoe wil je dorschen zonder vlegel, malen zonder molen, slachten zonder mes. Waar moet dat alles vandaan komen en wie zal dat maken alsiedereenzaaien en maaien en dorschen en bakken en slachten moet?Waar de machines vandaan moeten komen? zei Van Vlot: wel, net als de messen en allerlei meer tegenwoordig: uit Engeland.Zie je jongens, nu zijn we wel dom, maar toen lachten ik en de vrouw toch nog ééns zoo hard. Wij dachten dat dié Internationale over de heele wereld, voor alle landen was. Meende Van Vlot dan dat ze in Engeland toch wel ten pleziere van ons Hollanders aan ’t werk zouden blijven.Van Vlot werd nijdig om ’t lachen en liep de deur uit. ’s Nachts om éen uur kwam hij stomdronken in vergissing bij ons aankloppen, en toen vroeg ik: wie—ná dat vetje in de Maliebaan—den jenever voor hem zou stoken? En toen zeidie met een smoorvloek erg door den neus: Dat doet de.... de Inter....nation....ale.... voor den duivel!—Nou, als die Internationale de likeurstoker voor den duivel is, zei ik, dan blijf je me met dat ding van mijn lijf af, en ik bracht den lap in zijn huis, want ik had met z’n arme vrouw te doen.Toen jongens, zijn er een paar maanden voorbijgegaan, en ik heb druk werk gehad in ’t voorjaar, zoodat ik van dat ding niet meerhoorde. Maar op een avond dat ik naar huis ga zeit Pietersen tegen me—met een knoop er op: Waarom ben jij nog geen lid van de Internationale? We moeten er hier kerels als jou bij hebben.Waarom Pietersen? vroeg ik.Omdat jij een knappe kerel bent, zeidie: Van Vlot en zijn soort kunnen we missen. Dronken volk geeft geen fedusie, en het ding is goed—voor den donder!Als het ding goed voor den donder is Pietersen, zei ik, dan is het toch ergens goed voor.Ergens! zei Pietersen: wou jij zeggen dat het niet heelemaal goed was? Moet de eene mensch slaven en zweeten, terwijl de ander, God beter ’t, als een lui varken in zijn stoel leit? Kijk—zie, daar heb je weer zoo’n schandaal! die mooie mesjeu in dat open rijtuig leit er als een beest. En wat doet ie? Niemendal!—Ik zeg je: er uit moeten ze! dat volk! ’t Is vanonsgestolen!Nou wist ik toevallig dat de heer in dat rijtuig—want er kwam ons een rijtuig voorbij—een dokter was die zich niet geneert om bij de kwaadaardigste ziekten in de grootste achtergaten te gaan. Cholera of pokken daar maalt hij niet om; en ook dat hij niet alleen met de gift, maar niet minder om zijn taal voor de armsten als een vader is.Wou jij zeggen Pietersen, dat dokter V. van jou gestolen heeft? zei ik.Ja, G. v. d.! riep Pietersen. We zullen ze wel krijgen G. v. d.!Toen jongens, wier ik er koud van, maar ik zweeg. Dat zwijgen beviel Pietersen niet. Hij begon lastig te worden en grof als riviergrind, ’t Liep zoo graveelig dat hij zijn gezegde van “knappe kerel” weerom nam; ik was een...... (het woord was te smerig zei meester, ik moest maar titteltjes zetten.) Best; maar dat andere woord was eigenlijk nog gemeener hoewel het niet zoo vuil was: ik was een verraderlijke Pietjak.—Wat Pietjak is dat weet ik nog niet.—Zulke kerels, die de goeje zaak tegenhielden moesten goddorie, zei Pietersen, al vooruit op d’r ziel hebben, en als hij mij ’t avond of morgen bij den kraag kon krijgen, dan zou hij zijn eigen daarop trakteeren.De kameraads wilden het bijleggen, maar ik zei dat er van bijleggen geen spraak was, omdat er niets bij te leggen viel. Maar toen we ’t politie-bureau voorbijkwamen, toen zei ik, hard genoeg dat ie ’t hooren kon: Zoolang als de eene werkman den ander nog bedreigt, is het goed dat ze dáár wacht houwen, en dat de heeren op ’t Binnenhof ook nog recht en gerechtigheid spreken.Nou vraag ik je jongens, als alles maatjes egaal-commun was, hoe zou je danhulpkrijgen als je ziek lei, enrechtkrijgen als een gemeene rakker je bij avond of ontijd een loer had gedraaid?Toen heb ik gaan zitten nadenken, en hoe langer ik nadacht en met meester en Jans er over sprak—de meester is nog een neef van mijn vrouwskant,—hulponderwijzer—hoe meer ik begreep dat die heele broederschap en alles maatjes gelijk, net zoo onmogelijk is als met de hand aan den hemel te reiken. De meester zei, en daar had hij gelijk in: Moeten de kinderen dan voortaan nietmeer leeren op school? Om kinderen te kunnen onderwijzen moet je met je hoofd en niet met je handen werken. Om dokter en rechter en profester te worden, is het allemaal met den kop werken. Nu moeten die lui toch op stoelen zitten als ze hun hersens inspannen om de wijsheid uit de boeken te halen. Zie je, en dáárom kunnen ze ’t ruwe weer zoo niet verdragen; en als het werkvolk grof werk doet met de handen, dan doen zij fijn werk met het hoofd. En, werken met de handen, dat kun je vrij wat langer volhouden als met den kop. Laat Pietersen of Van Vlot eens een klein briefje schrijven, zei Jans, dan zul je eens zien hoe’n spul ze daarmee hebben. Wil je wel gelooven jongens, dat ik zelf over dit opstel al meer als een verreljaar doende ben; alle Zaterdag avonden, en soms Zondags een beetje. Maarikzeg je dat ik er menig zweetje op gehaald heb, en dat ik ’t al lang had laten steken als meester en Jans niet zeien dat ik ’t doen moest, en meester niet altijd hielp met overschrijven. Wat betreft dat ik jelui wil zeggen wat ik denk, ik dank God dat ik het doen kan, want, nóg eens jongens, die Internationale die piert ons met open oogen. Ik zeg niet uit wreedheid of slechtheid, maar omdat ze niet zien kan.Ik zeg tegen Jans, hoe moeten al de brieven door ’t land komen, en van Oost en West—waar ik nog een broer bij ’t Zevende heb—als je geen heeren hadt, die al die landen en plaatsen van de wereld kennen en zooveel als de direktie verstaan? Als je alles zoo naprakkezeert, dan moeten er heeren zijn op ’t kantoor, die een boel meer weten als de bestellers, die alleen maar ’t adres hoeven te lezen.—Larie dat maatjes-egaal van de commun. Larie, dat zei ik al een half jaar geleden. En nou? Jongens, lees jelui de krant niet?—Ei, zeg ik tegen Van Vlot—want tegen Pietersen daar spreek ik niet meer tegen—ze hebben zich mooi laten kijken in Parijs, die oppersten van de maatjes-egaals. Toen ze in de knoei kwamen en hun lijf moesten bergen, toen werden ze gevonden met duizenden franken—dat zijn zooveel als halve guldens bij ons—hun kleeren genaaid aan specie en papier. Zie je, dat waren de lui die krek regeerden als alle andere regeerders, maar onder een schijn van maatjes-egaal. Ze aten en dronken van de bovenste plank, en verlakten het werkvolk, waar de meesten van hen, vroegerzelftoe behoorden. Begrepen jongens: één zeit er bij voorbeeld tegen je: Vooruit mannen, er onder met de rijken! Dan denken jelui: Vooruit naar den vetpot, nietwaar? Maar hij die je aanvoerder is, komt het eerst bij het laadje, en als jelui dan aan ’t vechten bent en in de konkels raken, dan pakt hij zijn biezen naar Noord- of Zuid-Amerika, en jelui—je wordt in de doos gestopt. Heb je ’t niet gelezen? Neen, in de doos niet alleen, je wordt als krengen in de kalk verbrand, levendig, net als een slak waar je zout op doet. Maar—dat is degerechtigheid. Ja zoo waarachtig als God leeft, jongens, ik zeg met de volle overtuiging: dat is de gerechtigheid! Als ik er niet zoogoed over geprakkezeerd had, dan zou ik zeggen: ik weet het niet. Maar nou, ik heb goed nagedacht en—ik begrijp er alles van!Ja kameraden, God heeft groot en klein verordineerd in de wereld: daar heb je een vlooi en een olifant, nietwaar? een keisteentje en een hooge berg, een grasscheutje en een eik in ’t bosch. Notabene! Maatjes-egaal in de wereld! Jans en zelfs Van Vlot, toen ie goed nuchter was, we hebben weer geschaterd van ’t lachen: dan moesten de vrouwen ook maar een broek aantrekken, en de kinderen hun vader en moeder de les lezen. Neen, Van Vlot, zei ik, God heeft kleine sterren en groote zonnen gemaakt, en zoo denk ik dat Hij ’t met de menschen ook gewild heeft. Neem jij één stand uit de wereld weg—ik meen van wat goed of noodig is—en de heele boel leit op z’n....—Als de opstekers van ’t gas ’s winters bij donkeren avond, hun werk niet deden, dan ging jij en ik bij Janssens op den hoek, met een fortuintje ’t water in; en—als ze commun waren, dan verdikten ze ’t zeker om voor jan en alleman ’t gas aan te steken.—Nog eens, die zijn hersens bijeen houdt, die is wel stekeblind als hij niet ziet dat die heele Internationale, misschien met een goeden aard en bedoeling begonnen, eindelijk den ondergang van den werkman achter de mouw heeft. Lees de krant jongens, als je lezen kunt: geen mooie praatjes van vetpot, maar van daadwerkelijke zaken. Staat maar op tegen de wet van God of de natuur, en je krijgt het voorgoed op den kop. Nu liggen al de mannen, die al weer op den vetpot te Parijs rekenden, en die al met het omverhalen van rijkelui’s huizen en verbranden zijn begonnen, voor goed onder den grond.—Heb jelui daar pleizier in, ga dan je gang; maar ik zou je danken. Ik zeg tegen Jans—of eigenlijk ik heb het eergisteravond gezeid, toen we samen in de bedstee leien: God geef dat onze Hollandsche jongens zich niet door die vreemde poespas in de draaierij laten brengen. Ik zeg maar: als je je best doet, zooals wij, nietwaar, dan ben je misschien geen haar minder gelukkig dan bijvoorbeeld de baron van (ik schrijf den naam niet, want dat geeft weer spul met den meester) afijn, ik zeg geen haar minder. Of zijn bed zooveel mooier is, daar ziet hij niks van als ie slaapt; en als de rijke lui graag op die weeke spullen van bedden en donsen liggen, ik voor mijn part, ....’k zeg tegen Jans, kunnen ze nou beter slapen dan wij met zijn beiden?—En dan de pot? Jans heeft twee diensten gehad, de laatste als keukenmeid. Maar denk jelui, jongens, dat ze dien pot toen we getrouwd waren, een halven dag heeft gemist? Jans zeit dat het met lekker eten net gaat als met alles, wat je alle dagen hebt, daar gaat het raar van af. Ze zeit dat haar volk—groote lui hoor—altijd aan hun vrienden vertellen van een reisje, toen ze ergens—ik weet niet waar—geen lozies konden krijgen; toen ze zich op een zolderkamertje in een bedstee behelpen moesten, en twee dagen niks als zwart brood en melk en een eindje worst konden krijgen, en dat ze daar altijd met zoo’n schik en behei van vertelden alsof dat nou de pleizierigste tijd van hun leven was geweest.—Ja, zul jelui zeggen, maar ’t rijkelui’s smullen is toch niet kinderachtig, en ik wou toch liever aan hun tafels zitten dan voor onzen schralen kost. Ik zei het ook, maar meester gaf me laatst een goed bescheid: Dat moetje nog niet zeggen, zei die. Alles heeft zijn mooi en zijn leelijk. God is rechtvaardig, zei meester, en let jij nou eens op, zei die tegen me, of de rijke lui over het algemeen niet ongezonder zijn, en bleeker en lang zoo sterk niet als de werkman. En wat de sterkte betreft, dat is vreemd genoeg, want de grooten kunnen toch alle dagen hun vleesch krijgen en eiers en al wat ze lusten; en neef, zei die, de rijke die altijd lekker volop heeft, kent geen honger. Alle lusten hebben hun lasten, en alle lasten hun lusten, want God is rechtvaardig, al schijnt het zoo niet. Het liedje zegt:“Rijken altijd volle maag.Armen steeds in ’t eten graag.Honger maakt blauwboonen zoet.Vet de maag bederven doet.”Ik zeg ja, wij zijn sterk, ja wel, maar als de ziektens komen, dan maaien ze toch altijd ’t meest inonzebuurten.Dat komt omdat de mindere man niet zindelijk is, zei meester. Toen wier Jans giftig; want Jans is als een brand. Maar toen zeit meester: Zoo hebbenjeluidan ook de cholera in 66 en nou de pokken gehad? Watblief? Neen, zei Jans.—Akkoord, zei meester, dat komt omdat jij van geen smerigheid houdt, en omdat jelui je zelf en de kinders verstandig hebt laten inenten, en geen kwezels bent, die van Godslasterlijk jammeren als God zelf het medicijnmiddel aan de hand geeft. Zie je jongens, ik ben Griffermeerd van mijn geloof; wat jelui bent dat kan me niet schelen, want ik zeg altijd, de secties en de pletons maken toch maar één schutterij, is ’t nietwaar; en of je onzen lieven Heer al wegcijfert, dat gaat er net mee als met de ginneraal of kornel. Jij kunt wel zeggen: ik lach er wat in; maar je zult tóch aantreeën en marcheeren en ekserseeren, zooals hij verkiest, net zoogoed als de korperaals en de sergeants en de luitenants en de heele schutterij.—Nou jongens—en daar heb je het alweer—wat zou de heele schutterij doen—of laten we nou de heele militaare macht nemen—als ergeenonderscheid van stand was? Wat waren de soldaten zonder onder- en boven-officieren? Over de stommigheid van Pietersen moest ik lachen. Die zei dat ze die luie bl.... bovenop hun paarden mettertijd ook wel ’tloopenzouden leeren. Nou vraag ik, wat wou een leger beginnen, als ze geen hoofdofficiers hadden, die uit de hoogte alles afkeken en meer overleg in één uur moeten hebben als een gewoon soldaat in een heel jaar?Weet jelui wat ik zeg—en ik blijf er bij—al dat maatjes-egaal-commun, dat is de kooi waar de vreemden ons in willen vangen. Ik heb er over geprakkezeerd, en zeg: als je goed werkt, en niet den luiaard uithangt; als je je geld niet aan klare spendeert en ook niet door je vrouwen aan allerlei mutsen en linten en snoeperijen laat verknoeien; als je dan in de redelijkheid niet genoeg voor je vrouw en kinders te eten hebt,zegt het, en klaagt er over in de redelijkheid, en zonder dreigementen, dát isvan Gods wege ons recht; maar laat je niet pieren door mooie praatjes van de Internationale.—Weet je wat die heele Internationale is, zei meester: dat is de domme goeje eend die een haviksei uitbroeide en later door zijn kuiken werd opgegeten; of anders zei meester: ’t is de vos, die de kat de kastanjes uit het vuur laat halen.—Jongens als jelui lid er van wordt, dan ben je niks wijzer als die eend of die kat, en daar ben je te goed voor.Weet je wat ik zeg tegen Jans, ik zeg: Jans, een varken eet afval, een koe gras en hooi, en ’t roofgedierte verslindt de krengen. Maar de mensch eet wat gebakken of gekookt is, nietwaar? Alweer ieder naar zijn aard van mensch of dier. Maar als een mensch zich verlaagt tot een roofdier, dan moet hij ook krengen verslinden zeg ik.Ik zeg nóg eens, dat ik geen enkelen groote ken, noch van het Voorhout noch van de Vijverberg, die gestolen heeft, zooals ze vertellen, want ze zeggen: Bezitting is diefstal. Neen, als bezitting diefstal is, dan, zeg ik tegen Jans, kunnen ze jou gouwe bellen, die ik eens met een ekstra verdiende, ook wel diefstal noemen; dan kunnen ze onzen baas die als opperman is begonnen, maar die van den morgen tot den avond gewerkt heeft en nog van alles geleerd tot in den nacht toe, dan kunnen ze hém, omdat hij een kop voor tien had, óók wel een dief noemen. Als ik onze baas was en ze noemden me een dief omdat ik met Gods hulp gelukkig gewerkt had, dan zou ik óf de tranen in de oogen krijgen óf liederlijk kwaad worden misschien.Neen jongens, de standen in de stad en overal, dat zit hem inde verscheidenheid van hersens en het maaksel van de menschen. Net als er geen twee blaren aan de rozestruik dáár in den pot, egaal van maat zijn, en evenmin als er twee menschen zijn die je niet van elkaar kunt onderscheiden—ten minste altijd nog wat in ’t een of ander—even zoomin kunnen er twee menschen bestaan die precies even knap zijn, of evenveel verstand en ook evenveel geld en goed in de wereld hebben. Dat is niet anders.—Of ik niet liever, als ik het voor ’t kiezen had, een menister als metselaar zou zijn? Waarachtig wel, maar al dat gezanik, dat zoo’n man heeft en in de kranten en veel niet genoeg, dat is ook geen slaadje, zeit meester.—Als ik ’s avonds met Jans en de twee oudste kinders de boteram met koffie gebruik, dan zeg ik altijd: Goddank!—Vraag maar aan Jans of ’t waar is of niet, en dat doe ik uit mijn hart en mijn ziel, want waarachtig jongens, als je tevreden bent, dan heb je niks meer van noode;Meeris larie;LEKKERis ook larie, aanMEERheb je niks anders als oppassen en bewaren en uit het bederf houwen, enLEKKERis..... koffie met roggebrood als je honger hebt, veel meer dan taart met wijn als je nooit honger en zelfs geen tijd of werk genoeg hebt om honger te krijgen.—Maar, zeg je, wijn is toch een andere smaak, en versterkend.—Versterkend? zeit meester,nikszeit ie: de rijken drinken het om de maag, die nooit trek heeft wat grager te maken; en lekker? meester had eens op een trouwerij het spelletje gezien, dat ze met de oogen dicht geen onderscheid tusschen wijn en water konden proeven,dat had ie zelf mee ondervonden, en nu zeg ik: als dátje lekkeris, dan komt er toch ook voor een stooter verbeelding bij.Weet je wat het is jongens? Wij moeten voor ons eigen zien dat we, net als de voorvaders van onze rijke lui, doorwerkenen goed oppassen vooruit komen. Als de rijke luiTEKORT KOMEN TEGEN ONS, DAT MOETEN ZIJ VOOR GOD EN HUN GEWETEN VERANTWOORDEN; ja, dan moeten ze ’t met hun krachtelooze en zieke lichamen maar boeten ook! God is rechtvaardig;maarwij hebben niks van hen te reclameeren als alleen dat zegoed werknaar den eischbetalen. Rijden ze in mooie wagens, daar leven de wagenmakers van, en de lijstenmaker van ’t verguldsel. Als je zeggen zoudt dat de groote kapitalen—zooals ze tegenwoordig op den winkel praten—ons den dood doen, en dat die de wereld uit moeten, en ook verdeeld moeten worden, net als alles in de Maliebaan, of ievers anders, dan, zeit meester,—en ik mot zeggen dat was het naadje van de kous—dan, zeit ie, als die kapitalen er niet meer waren, dan zou je nooit van zijn leven een groot werk zien tot stand komen. Zie je jongens, nu begrijp ik het ook: die heele rijke lui zitten met den aap, en spikkeleeren daarmee in wijsheid of domheid, net zoolang totdat ze bij voorbeeld een spoorweg moeten aanleggen, of een Haarlemmermeer moeten leegmalen—nog al geen kleinigheid—of totdat ze op groote schaal werkmanswoningen gaan bouwen.—Nou wat zeg je. Als we neen zeggen dan bennen we onredelijk. Onder de grooten zijn er tegenwoordig meer als genoeg, die toonen dat ze ons jandoosie beter lozies gunnen dan in ’t gevangenhuis of in de ongebluschte kalk.—Pas op, jongens, laat je niet foppen. We moeten vooruit, dát is sekuur. Ons villen mag er geen een, dáárom moeten we lid van een goede werkmansvereeniging worden, waar we onseigenbelang naar wet en recht kunnen bespikkuleeren. Die vereeniging of vereenigingen kunnen we de Nationalen noemen, dan hebben we met geen Pruisen en Fransoozen te maken (ze zeggen dat het voornamelijk Engelschen en Italianen zijn, maar wat raken ons de Engelschen of Italianen!) Ik geef je den raad jongens, werkt, en drinkt niet, en laat je vrouw de kinders den neus afvegen, en verzuimt niet om ze naar school te sturen. Als ze goed geleerd hebben dan kunnen ze (als ze van God de hersens er voor kregen)bazen worden, van niemendal op, en zelfs welginneraalof alles wat hoogheid is. Meester heeft uit een boek daarvan voorgelezen, maar Jans en ik sloegen de handen er van ineen. Nou van De Ruyter dat weet jelui allemaal.En als je nou zegt dat je toch geen loon genoeg krijgt, en datikwel schrijven kan, maar dat je daar niet van eten kunt, dan—dat zei Jans—lees dan eerst dit alles nog eens na, of laat het je voorlezen; en nog eens: wordt lid van eenNationale. Ga bij de lui, die hetzekergoed met je meenen, omdat ze de menschen niet ontevreden met Gods bestier maar tevreden willen maken. Ik zeg, laten wij niet met de Fransoos of de Pruis konkelen, dieliggentoch al op de loer, maar laten we echte Hollandsche jongens blijven—meester zeit echteNeerlandschejongens blijven—en ons aansluiten bij die vaderlandsche vereenigingen, die het goede en de verbetering van onzen stand in de redelijkheid bedoelen. In Utrecht daar hebben de bazen en het werkvolk het allereerst een voorbeeld gegeven. Daar gaven zij die Internationale een schop, en hebben ze zich vereenigd met de spreuk:Orde,vrijheidenrecht.—Ordein de hut, dat is de baas!Vrijheidbestig, als je in vrijheid maar geen kwaad doet. Vrijheid is een wonder ding. Als ik bij voorbeeld mijn vrijheid wou gebruiken om mijn moeder dood te slaan, of om te luilakken, of mij zelf te bedrinken en ons zoodoende aan lager wal te brengen, dan zeg ik, vrouw, als het noodig mocht zijn—wie weet waar een mensch toe komen kan—hou mijn arm vast; sluit de deur, of blaas de lamp uit. Ja de vrijheid is een wonder ding, want daar heb je de kanarie van Jans, als die los in de kamer vliegt dan gaat ie strijk en zet vanzelf de kooi weer in; en nietwaar als een vogel, die voor de vrije lucht is geschapen dan tevreden in een kooi is! Ik geloof jongens dat tevreden zijn met je staat, terwijl je toch werkt om het beter te krijgen, al de rechte vrijheid is.—En dan vanRechtgesproken: akkoord! Recht moeten we hebben, niet meer en niet minder. Ik zeg: met God in de gerechtigheid, vooruit!Meen jelui dat wij zelf toch niet meer zoover kunnen komen, dan zeg ik: jongens laten we dan toch zorgen dat ze van onze kinders pieten maken. Zonder leeren komen er geen knappe bazen in de wereld. Naar de school moeten ze! als wij dan oud zijn dan lachen we nog in ons vuistje, want zij zullen ’t beter hebben dan wij tegenwoordig in het algemeen.—Of ze dan allemaal bazen zullen worden? Nou zoo gek ben je ook niet! Maar aldat de roem is uitgesloten, omdat ik zelf maar werkman ben, en kapabel genoeg om dit verhaal te schrijven, zoo ben ik daardoor juist in een tevreden humeur, en heb er pleizier in; en dat komt omdat ik op de school zoowat haantje op de voorste bank was, en voor het bouwkundig teekenen kreeg ik de medaille.Maar nu denk je, Jan gaat zijn eigen opvijzelen. Neen, ik wou nog van de bazen spreken. Pas op jongens, je hebt van die zoogenaamde royale bazen die je laten verdienen in de drukke maanden, maar je dan naar huis sturen; of ook die je meer loon geven als een andere baas, omdat zij slecht werk leveren; ik zeg je, dat je dan de heler van den steler bent. Laten de bazen eerlijk blijven, en zoodoende geen brave bazen het brood uit den mond stooten. De groote lui kunnen best betalen. Wat ze niet betalen kunnen daar moeten ze maar afblijven; dat is soms beter ook, want Jans haar eerste dienst was bij zoogenaamde groote lui, en daar heeft ze een armoe bijgewoond misschien nog erger dan bij ons. Want ze moesten nog mooi weer spelen ook. En er zijn er zoo een boel: van boven bont en van onderen.... Meester wou niet hebben dat ik het laatste woord zou zetten; maar hetiszoo.Nou, als je merkt dat de bazen slecht werk leveren en je dáárdoor meer betalen, verlaagt je dan niet om dat bedrog, een handjete helpen. Tegen de gerechtigheid in, dat komt toch altijd neer op je zelf, want als die bedrieger-baas genoeg van je heeft, dan smijt hij je weg als een afgekloven bot en dan komen de honden en knauwen je kapot. Dat rijmt wel, maar dat vleit niet.Luistert toch naar me, kameraden, als ik zeg:zoekt hooger loon en verbetering van je stand in de gerechtigheid,—misschien was het ook niet kwaad, als het kon, door een aandeeltje in de winst van de bazen?—want op mijn woord, in de verhooging van loon alleen zit de voorspoed nog niet. Als wij, zal ik veronderstellen, het loon te hoog opdrijven, dan moet bij voorbeeld de winkelier het huis, dat hij laat bouwen, ook duurder betalen; en, om dát er uit te halen, smeert hij ons de katoen en pilo en petten en koloniale waren ook weer duurder aan, en zie je, dan kom je met al dat hooger toch aan geen beter kantoor. Hebben de bazen al nietvrijwilligin de laatste jaren de loonen met 20 à 30 percent verhoogd? En is het er beter om?En zoodoende zal ik met goed fatsoen besluiten, want nu kan ik je die vereenigingen in ons land—dieNationale Werkmansvereenigingenvan orde, vrijheid en recht aanrecommandeeren. Als je daar lid van wordt, en ik geloof dat je dat maar twaalf stuivers of twintig borrels voor je heele huishouwen in het jaar kost, dan kun je klagen, en in redelijkheid zooveel recht krijgen als je wilt.Maar jongens, denkt niet dat je er dadelijk geld mee winnen zult en vet van worden. Larie! Werk je niet dan eet je niet, en werk je niet en eet je tóch, dan ben je een dief, en je eindigt in de kast, of erger, zooals dat arme opgehitste werkvolk te Parijs.Jongens, de standen zijn van God verordineerd. Nog eens: laat je vrouw de kinders wasschen, en stuurt ze naar school, dat is heel wat voordeeliger op den duur dan dat ze zoo vroeg worden afgebeuld om bloedgeld voor jelui te verdienen. Jabloedgeldmannen! Zoo denken ikke en Jans.En alzoo, laat het vreemde ding loopen; sluit je niet bij dieInter- maar bij een echtNationale Werkmansvereenigingaan, en toont dat je wijzer bent dan de eend die—je weet wel—door zijn eigen kuiken werd opgegeten.Nou weten jelui er alles van, en blijf ik niet met de pen maar met het hart,Jelui Kameraad,Jan Stukadoor,Metselaar.

Vrienden, laat ik je zeggen, dat je gefopt wordt, op mijn woord van eer. Ik zeg niet, dat ze het niet goed met je meenen; neen, maar dan foppen ze zich zelf. Ik ben zooveel als handwerksman of metselaar, en versta mijn vak zoogoed als mijn baas, daar durf ik me op beroemen, en ofschoon de roem is uitgesloten, ik zeg het, omdat hetwaaris, en ik een hekel aan praatjes heb.

In den laatsten tijd hoorde ik gedurig van de kameraden dat ze armoe hadden, geen eten genoeg, omdat ze te weinig verdienden. Dat is waar, vooral als ze—zooals Jan Van End—een vrouwhebben die vijfmaal in de kleine zes jaren een kind krijgt, en op den koop toe een slons is.

Weet je wat ik verdien in de week? Gemiddeld, winter en zomer, negen gulden. En daar moet ik van leven met mijne vrouw, vijf kinderen—God weet of het er bij blijven zal—en, behalve een kanarievogeltje van Jans, mijne oude halfblinde moeder. Bedeeling zou ze kunnen krijgen, maar ik zeg: eer zullen ze me doodschoppen, eer dat ze mijne arme moeder van den arme zullen bedeelen.

Is negen gulden te veel met zijn achten, als ik de kanarie van Jans meereken?Dat weet jelui wel beter; en toch Goddank jongens, ik heb nog nooit honger geleden. Dat zit hem hierin, dat ik geen drank gebruik. Of ik geen borrel lust? Nou, daar mot je om kommen! Als ik hem zie, dan komt me het water over’t hart; maar ik zeg, neen baas, je zult me niet pieren, want ik heb er een kennis aan dood; dien stond het schuim op den mond toen hij de eeuwigheid inging, en was zoo zwart van binnen als een schoorsteen. Nou, als je vanklarezwartwordt, dan zit er toch de duivel in, al heeft hij geen bokspooten of kettings aan.

Ik zei dan dat ik nooit honger heb geleden, en daar geef ik je mijn woord van eer op. Maar weet je wie daar ook de schuld van is, dat is mijne vrouw. Als je ze zag—ze zit hier bij me terwijl ik dezen brief schrijf, want de meester zei: schrijf jij gerust Jan, jij weet het goed uit te leggen, en ik, zeidie, zal je wel met de taal en de spelling helpen—ik zeg dan, als je mijn vrouw zag dan zou je zeggen: een knap wijf, en ik zeg een goed wijf ook; die het anders zei, die heeft er geen verstand van of is jaloersch; zooals de vrouw van P.—ik wil zijn naam geen schande aandoen, maar die is jaloersch. Jongens, je moest ook eens kunnen zien wat een helder wijf of ik heb. Toen ze voor de vierde keer—in de negen jaren een kleintje had, toen was Wouter, de lieve schreeuwer met zijn mooie oogjes, nog geen tien uren oud, of ze had alweer vier wollen sokken gestopt, en, nog al geen gaten!—Neen, zooals mijn beste wijf den boel bij elkaar houdt, daar weet je niet van; enikzeg, als ze van kapitaal spreken: daar zit kapitaal in de armen van Jans. En toch geen houten, waarachtig niet: mollig als boter. Als alleman zoo’n vrouw had, dan was er geen armoe. Van één gulden maakt zij er twee; ook omdat zij van twee uren er vier maakt. Vroolijk is ze altoos; en als ze pruttelt, dan is het alleen over de belasting op de zeep.

Maar alleman kan zoo’n vrouw niet krijgen, dat weet ik wel; dáárom en ook met dien ellendigen drank heeft er menigeen veel meer noodig dan ik. Maar, is het misschien door ziektens of dingsigheden dat je armoe hebt, terwijl je werkt zooveel en zoogoed als je kunt, en den boel niet vergooit of verzwendelt, dán zeg ik: jongens, zoekt, als je loon te laag is en je met al je werken niet te eten hebt, in de redelijkheiddat je wat meer krijgt.Ikzegin de redelijkheid, want of wij elkaar een loer willen draaien of niet,—anders draai je je zelf den hals om, en daar heb je niks geen plezier van.

Onze kleine Albert was krek een jaar—ik weet het nog, omdat de vrouw toen op suiker bij de koffie trakteerde, en dat is een heele ekstra—toen kwam Van Vlot bij ons inloopen. Ik begreep hem niet, want hij zei den heelen tijd zoo’n Fransch woord. Nou ken ik het; ’t was deInternationale.—Meester heeft het me voorgespeld. Als ik daar lid van werd, dan kregen we mettertijd net zoogoed te vreten—dat waren met permissie zijn eigen woorden—als de rijkdom en al de grootheid in eigen persoon. Wis en waarachtig, zei Van Vlot, hier bij ons in ’t land zijn we wel gek om ons eigen dood te werken voor dat rijkelui’svolk, en voor de bazen, die van ons zweet en bloed mooi weer spelen. De Internationale, zoo zei die, wil met orde en recht onzen toestand verbeteren. We zullen een tijd beleven Jan, zoo zei die, dat al die wind van groote huizen en van de swietmesjeus met hun mooie dametjes uit is, alleman egaal, jij net gelijk met je baas, en je baas net gelijk met den grootsten baron of ginneraal uit het Voorhout. Allemaal glad weg van één slag, en allemaal krek evenveel centen op zak. Ook de centen van den koning moeten we verdeelen, en van de prinsen. Alle grootheid naar de weerlich, zei die; dat was nou hetcommunismus. Dit laatste woord heb ik zelf onthouwen, want dat ding leek me een slaadje als het goed was. Nou, zei Van Vlot, als je niet tegen je eigen vleesch bent, dan moet je ook lid van die Internationale worden, daar staan pieten aan ’t hoofd, en ze hebben in andere landen al zooveel jongens en centen bijeen, dat ze ons best den mond kunnen openhouwen als wij alvast de weerlich van ’t werk geven.

Toen Van Vlot niks meer zei, toen zei ik: Maar dan zul jij er zeker al wel dadelijk uitscheien Piet, want aan werken daar heeft hij in den regel kaas aan. Neen nog niet Jan, zeidie toen, want die Internationale stuurt geen kind om een boodschap. Zoo gauw als wij van onzen stand hier te lande zoo goed als allemaal lid van die vereeniging zijn, en de kans schoon staat om onzen slag te slaan, dan beginnen we dat vetje; dan gooien we—’t waren zijn eigen woorden—bij al dat groote volk lekkertjes de glazen in, en houwen acht dagen vetpot, en dan: naar den grond met al de rijkelui’shuizen, en, verdeeling van de dubbeltjes in de Maliebaan! Wil je lid worden? zei Piet er bot bovenop. En ik zei: Wat kost het? Zooveel, zei Piet.—Ik keek Jans aan, en Jans zei niks, maar ik zei: Ik zou je danken. ’k Wil er eerst over prakkezeeren.

Toen Van Vlot weg was—eerst zanikte hij nog wel een uur lang, en ’t meest over dat pleziertje in de Maliebaan—toen zei ik tegen Jans: Wat dunkt je?

Jans zei: Wat wil dat zeggen,Inter?

Dat weet ik niet, zei ik. Toen dadelijk naar meester.

Meester zei dat Internationale zooveel beduidt als een verbond tusschen alle naties of volken; en dat het hier dus de vereeniging was van al de werklieden over de geheele wereld.

Dat zoodje zou ik wel eens bijeen willen zien, zei ik tegen Jans toen ik weer thuis kwam—’t was Zondag.

Ik niet, zei Jans: vooral vandaag niet, want dan staan de meesten niet vast op hun beenen.

Demeesten, dat was onredelijk. Nu moet ik zeggen dat Jans alleen op dát punt onredelijk is. Maar ik dank er God voor, want als Jans het niet geweest was, wie weet of ik tóch niet van tijd tot tijd bij Nol op den hoek er eentje zou gepakt hebben. Ééns is geens zegt het spreekwoord, en zoo kom je op een kouwen avond tottienmaal éénsistienmaal geens; en dan heb je veertig centen aan je broek, en je kijkt als een vijfcents pekelharing of een schar zonder kop.

Maar jongens, nou moet ik je zeggen, dat ik al een maand aan het denken ben geweest over die woorden van Van Vlot of eigenlijk over die Internationale. Ik zei tegen Jans: Ja maar, als we nu toch waarachtig door dat lid worden, in het huis van V. B.... konden komen (meester zei dat ik den naam hier weg moest laten) nou, in dat mooie groote huis met al die meubels en gordijnen, me dunkt....

Me dankt, zei Jans, dat je je verstand moest gebruiken. Van Vlot zei dat zeALde huizen zouden afbreken, en dus kwam jij dan tóch niet in het groote huis van V. B....

Dáár had ze gelijk in, en ja, als we allemaal precies gelijk zouden worden, dan moest eigenlijk—na dat pleiziertje in de Maliebaan—de heele stad voor den grond worden gesmeten, om ook de steenen en het houtmateriaal gelijk te verdeelen. Ja wel, elk voor zich kon dan zijn portie meenemen om naar goedvinden op een—óók eerlijk gedeeld stuk grond, zijn huisje te kunnen zetten.

Maar zie je jongens, toen ik daar goed over prakkezeerde, toen begon het me te draaien voor de oogen. Wie drommel zou eerst de stadafbreken? Verbranden was nog zonde, want wat weg is is weg.—De voorname lui? Och goeje hemel, als ze een halven dag aan ’t steenbikken waren geweest, bij voorbeeld de graaf van.... (weer geen naam zei meester) afijn dan lee ie voor mirakel; daar zit geen pit in die vingers.

En ik zelf? Als ik mijn portie beet had, wat deed ik er mee? Metselen is mijn vak, ja wel, maar al zat ik op water en brood, om een huis te bouwen, zoo’n beetje behoorlijk, ik zou er geen kanstoezien.

Maar, zei Jans toen, al kon jij als metselaar, net zoo wel als Hein van ’t fabriek van Enthoven, en de baron van Die en Die, en de grutter naast ons hofje, en Hannes de diender en allemaal die nooit gemetseld of gezaagd hebben, je eigen huis bouwen, wat moesten dan de zieke weduwvrouwen beginnen?

Ben je gek Jans, zei ik, dat verdeelen en zelf opbouwen da’s onmogelijk, da’s larie!

Ik moest er om lachen, en Jans begon ook te lachen, zoodat kleine Anneke, die de borst kreeg, losliet. Toen lachten we allebei dat we schudden. Denkt eens jongens, hoe de molenaars en de ministers en de slachters en de boekverkoopers en de notarissen en de vroedvrouwen en de dominee’s en pastoors, afijn de heele werelddie van ’t bouwen niks wisten, in de knoei zouden zitten. Wat zou je zien gebeuren—dat zei ik tegen Van Vlot op een avond dat hij mij weer den kop kwam gekmaken: Laten we nou veronderstellen, zei ik, dat er op de vijftig huishouwens die bouwen moesten, veertig er zelf niet kapabel toe waren, en dat elk driehonderd gulden vrij geld in de Maliebaan had gebeurd; nietwaar, dan zou de een—al was het geen verplichting, toch alweer tegen den ander zeggen: Och vrind of burger-commun, help jij me een handje, want mijn moeder is rhumatiek of aamborstig en kan toch niet zoo tusschen ’t afbraak blijven zitten.—Neen, zou die zeggen: Ieder voor zich.—Dan zou die ander hem bijvoorbeeld drie rijksdaalders onder den neus kunnen houwen. Was de persoon die rook, geresolveerd, dan zei ie: Akkoord! Was hij een schrok, dan zei ie: Voorzesrijksdaalders; en was hij een luie kerel dan zei ie neen, en ging op zijn eigen afbraak liggen.

Nou vraag ik jou, Van Vlot, of er dienzelfden dag alweer geen verschil van stand zou wezen, want die hielp, had de rijksdaalders van den ander. Zie je, zoo’n stad van gelijkheid is onmogelijk. Maar zei ik, verondersteld dat je zoo’n stad kondt hebben, dan zet ik het jou om me te zeggen hoe de magere kranten-Hannes met zijn zuster Letje—de strijkster-zwavelstok—aan den kost moesten komen? We zouden alleszelfmoeten doen, want maatjes egaal, alles gelijk, nietwaar? Op onzen lap grond, zaaien en oogsten; koren dorschen en malen; meel kneden, brood bakken,—vee fokken, slachten, natuurlijk alles!

Maar toen viel Jans me in de rede, en zei: Kom schei toch uit met die gekkenpraat; waar wil jij mee ploegen als je geen ploegen kunt koopen, hoe wil je dorschen zonder vlegel, malen zonder molen, slachten zonder mes. Waar moet dat alles vandaan komen en wie zal dat maken alsiedereenzaaien en maaien en dorschen en bakken en slachten moet?

Waar de machines vandaan moeten komen? zei Van Vlot: wel, net als de messen en allerlei meer tegenwoordig: uit Engeland.

Zie je jongens, nu zijn we wel dom, maar toen lachten ik en de vrouw toch nog ééns zoo hard. Wij dachten dat dié Internationale over de heele wereld, voor alle landen was. Meende Van Vlot dan dat ze in Engeland toch wel ten pleziere van ons Hollanders aan ’t werk zouden blijven.

Van Vlot werd nijdig om ’t lachen en liep de deur uit. ’s Nachts om éen uur kwam hij stomdronken in vergissing bij ons aankloppen, en toen vroeg ik: wie—ná dat vetje in de Maliebaan—den jenever voor hem zou stoken? En toen zeidie met een smoorvloek erg door den neus: Dat doet de.... de Inter....nation....ale.... voor den duivel!—Nou, als die Internationale de likeurstoker voor den duivel is, zei ik, dan blijf je me met dat ding van mijn lijf af, en ik bracht den lap in zijn huis, want ik had met z’n arme vrouw te doen.

Toen jongens, zijn er een paar maanden voorbijgegaan, en ik heb druk werk gehad in ’t voorjaar, zoodat ik van dat ding niet meerhoorde. Maar op een avond dat ik naar huis ga zeit Pietersen tegen me—met een knoop er op: Waarom ben jij nog geen lid van de Internationale? We moeten er hier kerels als jou bij hebben.

Waarom Pietersen? vroeg ik.

Omdat jij een knappe kerel bent, zeidie: Van Vlot en zijn soort kunnen we missen. Dronken volk geeft geen fedusie, en het ding is goed—voor den donder!

Als het ding goed voor den donder is Pietersen, zei ik, dan is het toch ergens goed voor.

Ergens! zei Pietersen: wou jij zeggen dat het niet heelemaal goed was? Moet de eene mensch slaven en zweeten, terwijl de ander, God beter ’t, als een lui varken in zijn stoel leit? Kijk—zie, daar heb je weer zoo’n schandaal! die mooie mesjeu in dat open rijtuig leit er als een beest. En wat doet ie? Niemendal!—Ik zeg je: er uit moeten ze! dat volk! ’t Is vanonsgestolen!

Nou wist ik toevallig dat de heer in dat rijtuig—want er kwam ons een rijtuig voorbij—een dokter was die zich niet geneert om bij de kwaadaardigste ziekten in de grootste achtergaten te gaan. Cholera of pokken daar maalt hij niet om; en ook dat hij niet alleen met de gift, maar niet minder om zijn taal voor de armsten als een vader is.

Wou jij zeggen Pietersen, dat dokter V. van jou gestolen heeft? zei ik.

Ja, G. v. d.! riep Pietersen. We zullen ze wel krijgen G. v. d.!

Toen jongens, wier ik er koud van, maar ik zweeg. Dat zwijgen beviel Pietersen niet. Hij begon lastig te worden en grof als riviergrind, ’t Liep zoo graveelig dat hij zijn gezegde van “knappe kerel” weerom nam; ik was een...... (het woord was te smerig zei meester, ik moest maar titteltjes zetten.) Best; maar dat andere woord was eigenlijk nog gemeener hoewel het niet zoo vuil was: ik was een verraderlijke Pietjak.—Wat Pietjak is dat weet ik nog niet.—Zulke kerels, die de goeje zaak tegenhielden moesten goddorie, zei Pietersen, al vooruit op d’r ziel hebben, en als hij mij ’t avond of morgen bij den kraag kon krijgen, dan zou hij zijn eigen daarop trakteeren.

De kameraads wilden het bijleggen, maar ik zei dat er van bijleggen geen spraak was, omdat er niets bij te leggen viel. Maar toen we ’t politie-bureau voorbijkwamen, toen zei ik, hard genoeg dat ie ’t hooren kon: Zoolang als de eene werkman den ander nog bedreigt, is het goed dat ze dáár wacht houwen, en dat de heeren op ’t Binnenhof ook nog recht en gerechtigheid spreken.

Nou vraag ik je jongens, als alles maatjes egaal-commun was, hoe zou je danhulpkrijgen als je ziek lei, enrechtkrijgen als een gemeene rakker je bij avond of ontijd een loer had gedraaid?

Toen heb ik gaan zitten nadenken, en hoe langer ik nadacht en met meester en Jans er over sprak—de meester is nog een neef van mijn vrouwskant,—hulponderwijzer—hoe meer ik begreep dat die heele broederschap en alles maatjes gelijk, net zoo onmogelijk is als met de hand aan den hemel te reiken. De meester zei, en daar had hij gelijk in: Moeten de kinderen dan voortaan nietmeer leeren op school? Om kinderen te kunnen onderwijzen moet je met je hoofd en niet met je handen werken. Om dokter en rechter en profester te worden, is het allemaal met den kop werken. Nu moeten die lui toch op stoelen zitten als ze hun hersens inspannen om de wijsheid uit de boeken te halen. Zie je, en dáárom kunnen ze ’t ruwe weer zoo niet verdragen; en als het werkvolk grof werk doet met de handen, dan doen zij fijn werk met het hoofd. En, werken met de handen, dat kun je vrij wat langer volhouden als met den kop. Laat Pietersen of Van Vlot eens een klein briefje schrijven, zei Jans, dan zul je eens zien hoe’n spul ze daarmee hebben. Wil je wel gelooven jongens, dat ik zelf over dit opstel al meer als een verreljaar doende ben; alle Zaterdag avonden, en soms Zondags een beetje. Maarikzeg je dat ik er menig zweetje op gehaald heb, en dat ik ’t al lang had laten steken als meester en Jans niet zeien dat ik ’t doen moest, en meester niet altijd hielp met overschrijven. Wat betreft dat ik jelui wil zeggen wat ik denk, ik dank God dat ik het doen kan, want, nóg eens jongens, die Internationale die piert ons met open oogen. Ik zeg niet uit wreedheid of slechtheid, maar omdat ze niet zien kan.

Ik zeg tegen Jans, hoe moeten al de brieven door ’t land komen, en van Oost en West—waar ik nog een broer bij ’t Zevende heb—als je geen heeren hadt, die al die landen en plaatsen van de wereld kennen en zooveel als de direktie verstaan? Als je alles zoo naprakkezeert, dan moeten er heeren zijn op ’t kantoor, die een boel meer weten als de bestellers, die alleen maar ’t adres hoeven te lezen.—Larie dat maatjes-egaal van de commun. Larie, dat zei ik al een half jaar geleden. En nou? Jongens, lees jelui de krant niet?—Ei, zeg ik tegen Van Vlot—want tegen Pietersen daar spreek ik niet meer tegen—ze hebben zich mooi laten kijken in Parijs, die oppersten van de maatjes-egaals. Toen ze in de knoei kwamen en hun lijf moesten bergen, toen werden ze gevonden met duizenden franken—dat zijn zooveel als halve guldens bij ons—hun kleeren genaaid aan specie en papier. Zie je, dat waren de lui die krek regeerden als alle andere regeerders, maar onder een schijn van maatjes-egaal. Ze aten en dronken van de bovenste plank, en verlakten het werkvolk, waar de meesten van hen, vroegerzelftoe behoorden. Begrepen jongens: één zeit er bij voorbeeld tegen je: Vooruit mannen, er onder met de rijken! Dan denken jelui: Vooruit naar den vetpot, nietwaar? Maar hij die je aanvoerder is, komt het eerst bij het laadje, en als jelui dan aan ’t vechten bent en in de konkels raken, dan pakt hij zijn biezen naar Noord- of Zuid-Amerika, en jelui—je wordt in de doos gestopt. Heb je ’t niet gelezen? Neen, in de doos niet alleen, je wordt als krengen in de kalk verbrand, levendig, net als een slak waar je zout op doet. Maar—dat is degerechtigheid. Ja zoo waarachtig als God leeft, jongens, ik zeg met de volle overtuiging: dat is de gerechtigheid! Als ik er niet zoogoed over geprakkezeerd had, dan zou ik zeggen: ik weet het niet. Maar nou, ik heb goed nagedacht en—ik begrijp er alles van!

Ja kameraden, God heeft groot en klein verordineerd in de wereld: daar heb je een vlooi en een olifant, nietwaar? een keisteentje en een hooge berg, een grasscheutje en een eik in ’t bosch. Notabene! Maatjes-egaal in de wereld! Jans en zelfs Van Vlot, toen ie goed nuchter was, we hebben weer geschaterd van ’t lachen: dan moesten de vrouwen ook maar een broek aantrekken, en de kinderen hun vader en moeder de les lezen. Neen, Van Vlot, zei ik, God heeft kleine sterren en groote zonnen gemaakt, en zoo denk ik dat Hij ’t met de menschen ook gewild heeft. Neem jij één stand uit de wereld weg—ik meen van wat goed of noodig is—en de heele boel leit op z’n....—Als de opstekers van ’t gas ’s winters bij donkeren avond, hun werk niet deden, dan ging jij en ik bij Janssens op den hoek, met een fortuintje ’t water in; en—als ze commun waren, dan verdikten ze ’t zeker om voor jan en alleman ’t gas aan te steken.—Nog eens, die zijn hersens bijeen houdt, die is wel stekeblind als hij niet ziet dat die heele Internationale, misschien met een goeden aard en bedoeling begonnen, eindelijk den ondergang van den werkman achter de mouw heeft. Lees de krant jongens, als je lezen kunt: geen mooie praatjes van vetpot, maar van daadwerkelijke zaken. Staat maar op tegen de wet van God of de natuur, en je krijgt het voorgoed op den kop. Nu liggen al de mannen, die al weer op den vetpot te Parijs rekenden, en die al met het omverhalen van rijkelui’s huizen en verbranden zijn begonnen, voor goed onder den grond.—Heb jelui daar pleizier in, ga dan je gang; maar ik zou je danken. Ik zeg tegen Jans—of eigenlijk ik heb het eergisteravond gezeid, toen we samen in de bedstee leien: God geef dat onze Hollandsche jongens zich niet door die vreemde poespas in de draaierij laten brengen. Ik zeg maar: als je je best doet, zooals wij, nietwaar, dan ben je misschien geen haar minder gelukkig dan bijvoorbeeld de baron van (ik schrijf den naam niet, want dat geeft weer spul met den meester) afijn, ik zeg geen haar minder. Of zijn bed zooveel mooier is, daar ziet hij niks van als ie slaapt; en als de rijke lui graag op die weeke spullen van bedden en donsen liggen, ik voor mijn part, ....’k zeg tegen Jans, kunnen ze nou beter slapen dan wij met zijn beiden?—En dan de pot? Jans heeft twee diensten gehad, de laatste als keukenmeid. Maar denk jelui, jongens, dat ze dien pot toen we getrouwd waren, een halven dag heeft gemist? Jans zeit dat het met lekker eten net gaat als met alles, wat je alle dagen hebt, daar gaat het raar van af. Ze zeit dat haar volk—groote lui hoor—altijd aan hun vrienden vertellen van een reisje, toen ze ergens—ik weet niet waar—geen lozies konden krijgen; toen ze zich op een zolderkamertje in een bedstee behelpen moesten, en twee dagen niks als zwart brood en melk en een eindje worst konden krijgen, en dat ze daar altijd met zoo’n schik en behei van vertelden alsof dat nou de pleizierigste tijd van hun leven was geweest.—Ja, zul jelui zeggen, maar ’t rijkelui’s smullen is toch niet kinderachtig, en ik wou toch liever aan hun tafels zitten dan voor onzen schralen kost. Ik zei het ook, maar meester gaf me laatst een goed bescheid: Dat moetje nog niet zeggen, zei die. Alles heeft zijn mooi en zijn leelijk. God is rechtvaardig, zei meester, en let jij nou eens op, zei die tegen me, of de rijke lui over het algemeen niet ongezonder zijn, en bleeker en lang zoo sterk niet als de werkman. En wat de sterkte betreft, dat is vreemd genoeg, want de grooten kunnen toch alle dagen hun vleesch krijgen en eiers en al wat ze lusten; en neef, zei die, de rijke die altijd lekker volop heeft, kent geen honger. Alle lusten hebben hun lasten, en alle lasten hun lusten, want God is rechtvaardig, al schijnt het zoo niet. Het liedje zegt:

“Rijken altijd volle maag.Armen steeds in ’t eten graag.Honger maakt blauwboonen zoet.Vet de maag bederven doet.”

“Rijken altijd volle maag.

Armen steeds in ’t eten graag.

Honger maakt blauwboonen zoet.

Vet de maag bederven doet.”

Ik zeg ja, wij zijn sterk, ja wel, maar als de ziektens komen, dan maaien ze toch altijd ’t meest inonzebuurten.

Dat komt omdat de mindere man niet zindelijk is, zei meester. Toen wier Jans giftig; want Jans is als een brand. Maar toen zeit meester: Zoo hebbenjeluidan ook de cholera in 66 en nou de pokken gehad? Watblief? Neen, zei Jans.—Akkoord, zei meester, dat komt omdat jij van geen smerigheid houdt, en omdat jelui je zelf en de kinders verstandig hebt laten inenten, en geen kwezels bent, die van Godslasterlijk jammeren als God zelf het medicijnmiddel aan de hand geeft. Zie je jongens, ik ben Griffermeerd van mijn geloof; wat jelui bent dat kan me niet schelen, want ik zeg altijd, de secties en de pletons maken toch maar één schutterij, is ’t nietwaar; en of je onzen lieven Heer al wegcijfert, dat gaat er net mee als met de ginneraal of kornel. Jij kunt wel zeggen: ik lach er wat in; maar je zult tóch aantreeën en marcheeren en ekserseeren, zooals hij verkiest, net zoogoed als de korperaals en de sergeants en de luitenants en de heele schutterij.—Nou jongens—en daar heb je het alweer—wat zou de heele schutterij doen—of laten we nou de heele militaare macht nemen—als ergeenonderscheid van stand was? Wat waren de soldaten zonder onder- en boven-officieren? Over de stommigheid van Pietersen moest ik lachen. Die zei dat ze die luie bl.... bovenop hun paarden mettertijd ook wel ’tloopenzouden leeren. Nou vraag ik, wat wou een leger beginnen, als ze geen hoofdofficiers hadden, die uit de hoogte alles afkeken en meer overleg in één uur moeten hebben als een gewoon soldaat in een heel jaar?

Weet jelui wat ik zeg—en ik blijf er bij—al dat maatjes-egaal-commun, dat is de kooi waar de vreemden ons in willen vangen. Ik heb er over geprakkezeerd, en zeg: als je goed werkt, en niet den luiaard uithangt; als je je geld niet aan klare spendeert en ook niet door je vrouwen aan allerlei mutsen en linten en snoeperijen laat verknoeien; als je dan in de redelijkheid niet genoeg voor je vrouw en kinders te eten hebt,zegt het, en klaagt er over in de redelijkheid, en zonder dreigementen, dát isvan Gods wege ons recht; maar laat je niet pieren door mooie praatjes van de Internationale.—Weet je wat die heele Internationale is, zei meester: dat is de domme goeje eend die een haviksei uitbroeide en later door zijn kuiken werd opgegeten; of anders zei meester: ’t is de vos, die de kat de kastanjes uit het vuur laat halen.—Jongens als jelui lid er van wordt, dan ben je niks wijzer als die eend of die kat, en daar ben je te goed voor.

Weet je wat ik zeg tegen Jans, ik zeg: Jans, een varken eet afval, een koe gras en hooi, en ’t roofgedierte verslindt de krengen. Maar de mensch eet wat gebakken of gekookt is, nietwaar? Alweer ieder naar zijn aard van mensch of dier. Maar als een mensch zich verlaagt tot een roofdier, dan moet hij ook krengen verslinden zeg ik.

Ik zeg nóg eens, dat ik geen enkelen groote ken, noch van het Voorhout noch van de Vijverberg, die gestolen heeft, zooals ze vertellen, want ze zeggen: Bezitting is diefstal. Neen, als bezitting diefstal is, dan, zeg ik tegen Jans, kunnen ze jou gouwe bellen, die ik eens met een ekstra verdiende, ook wel diefstal noemen; dan kunnen ze onzen baas die als opperman is begonnen, maar die van den morgen tot den avond gewerkt heeft en nog van alles geleerd tot in den nacht toe, dan kunnen ze hém, omdat hij een kop voor tien had, óók wel een dief noemen. Als ik onze baas was en ze noemden me een dief omdat ik met Gods hulp gelukkig gewerkt had, dan zou ik óf de tranen in de oogen krijgen óf liederlijk kwaad worden misschien.

Neen jongens, de standen in de stad en overal, dat zit hem inde verscheidenheid van hersens en het maaksel van de menschen. Net als er geen twee blaren aan de rozestruik dáár in den pot, egaal van maat zijn, en evenmin als er twee menschen zijn die je niet van elkaar kunt onderscheiden—ten minste altijd nog wat in ’t een of ander—even zoomin kunnen er twee menschen bestaan die precies even knap zijn, of evenveel verstand en ook evenveel geld en goed in de wereld hebben. Dat is niet anders.—Of ik niet liever, als ik het voor ’t kiezen had, een menister als metselaar zou zijn? Waarachtig wel, maar al dat gezanik, dat zoo’n man heeft en in de kranten en veel niet genoeg, dat is ook geen slaadje, zeit meester.—Als ik ’s avonds met Jans en de twee oudste kinders de boteram met koffie gebruik, dan zeg ik altijd: Goddank!—Vraag maar aan Jans of ’t waar is of niet, en dat doe ik uit mijn hart en mijn ziel, want waarachtig jongens, als je tevreden bent, dan heb je niks meer van noode;Meeris larie;LEKKERis ook larie, aanMEERheb je niks anders als oppassen en bewaren en uit het bederf houwen, enLEKKERis..... koffie met roggebrood als je honger hebt, veel meer dan taart met wijn als je nooit honger en zelfs geen tijd of werk genoeg hebt om honger te krijgen.—Maar, zeg je, wijn is toch een andere smaak, en versterkend.—Versterkend? zeit meester,nikszeit ie: de rijken drinken het om de maag, die nooit trek heeft wat grager te maken; en lekker? meester had eens op een trouwerij het spelletje gezien, dat ze met de oogen dicht geen onderscheid tusschen wijn en water konden proeven,dat had ie zelf mee ondervonden, en nu zeg ik: als dátje lekkeris, dan komt er toch ook voor een stooter verbeelding bij.

Weet je wat het is jongens? Wij moeten voor ons eigen zien dat we, net als de voorvaders van onze rijke lui, doorwerkenen goed oppassen vooruit komen. Als de rijke luiTEKORT KOMEN TEGEN ONS, DAT MOETEN ZIJ VOOR GOD EN HUN GEWETEN VERANTWOORDEN; ja, dan moeten ze ’t met hun krachtelooze en zieke lichamen maar boeten ook! God is rechtvaardig;maarwij hebben niks van hen te reclameeren als alleen dat zegoed werknaar den eischbetalen. Rijden ze in mooie wagens, daar leven de wagenmakers van, en de lijstenmaker van ’t verguldsel. Als je zeggen zoudt dat de groote kapitalen—zooals ze tegenwoordig op den winkel praten—ons den dood doen, en dat die de wereld uit moeten, en ook verdeeld moeten worden, net als alles in de Maliebaan, of ievers anders, dan, zeit meester,—en ik mot zeggen dat was het naadje van de kous—dan, zeit ie, als die kapitalen er niet meer waren, dan zou je nooit van zijn leven een groot werk zien tot stand komen. Zie je jongens, nu begrijp ik het ook: die heele rijke lui zitten met den aap, en spikkeleeren daarmee in wijsheid of domheid, net zoolang totdat ze bij voorbeeld een spoorweg moeten aanleggen, of een Haarlemmermeer moeten leegmalen—nog al geen kleinigheid—of totdat ze op groote schaal werkmanswoningen gaan bouwen.—Nou wat zeg je. Als we neen zeggen dan bennen we onredelijk. Onder de grooten zijn er tegenwoordig meer als genoeg, die toonen dat ze ons jandoosie beter lozies gunnen dan in ’t gevangenhuis of in de ongebluschte kalk.—Pas op, jongens, laat je niet foppen. We moeten vooruit, dát is sekuur. Ons villen mag er geen een, dáárom moeten we lid van een goede werkmansvereeniging worden, waar we onseigenbelang naar wet en recht kunnen bespikkuleeren. Die vereeniging of vereenigingen kunnen we de Nationalen noemen, dan hebben we met geen Pruisen en Fransoozen te maken (ze zeggen dat het voornamelijk Engelschen en Italianen zijn, maar wat raken ons de Engelschen of Italianen!) Ik geef je den raad jongens, werkt, en drinkt niet, en laat je vrouw de kinders den neus afvegen, en verzuimt niet om ze naar school te sturen. Als ze goed geleerd hebben dan kunnen ze (als ze van God de hersens er voor kregen)bazen worden, van niemendal op, en zelfs welginneraalof alles wat hoogheid is. Meester heeft uit een boek daarvan voorgelezen, maar Jans en ik sloegen de handen er van ineen. Nou van De Ruyter dat weet jelui allemaal.

En als je nou zegt dat je toch geen loon genoeg krijgt, en datikwel schrijven kan, maar dat je daar niet van eten kunt, dan—dat zei Jans—lees dan eerst dit alles nog eens na, of laat het je voorlezen; en nog eens: wordt lid van eenNationale. Ga bij de lui, die hetzekergoed met je meenen, omdat ze de menschen niet ontevreden met Gods bestier maar tevreden willen maken. Ik zeg, laten wij niet met de Fransoos of de Pruis konkelen, dieliggentoch al op de loer, maar laten we echte Hollandsche jongens blijven—meester zeit echteNeerlandschejongens blijven—en ons aansluiten bij die vaderlandsche vereenigingen, die het goede en de verbetering van onzen stand in de redelijkheid bedoelen. In Utrecht daar hebben de bazen en het werkvolk het allereerst een voorbeeld gegeven. Daar gaven zij die Internationale een schop, en hebben ze zich vereenigd met de spreuk:Orde,vrijheidenrecht.—Ordein de hut, dat is de baas!Vrijheidbestig, als je in vrijheid maar geen kwaad doet. Vrijheid is een wonder ding. Als ik bij voorbeeld mijn vrijheid wou gebruiken om mijn moeder dood te slaan, of om te luilakken, of mij zelf te bedrinken en ons zoodoende aan lager wal te brengen, dan zeg ik, vrouw, als het noodig mocht zijn—wie weet waar een mensch toe komen kan—hou mijn arm vast; sluit de deur, of blaas de lamp uit. Ja de vrijheid is een wonder ding, want daar heb je de kanarie van Jans, als die los in de kamer vliegt dan gaat ie strijk en zet vanzelf de kooi weer in; en nietwaar als een vogel, die voor de vrije lucht is geschapen dan tevreden in een kooi is! Ik geloof jongens dat tevreden zijn met je staat, terwijl je toch werkt om het beter te krijgen, al de rechte vrijheid is.—En dan vanRechtgesproken: akkoord! Recht moeten we hebben, niet meer en niet minder. Ik zeg: met God in de gerechtigheid, vooruit!

Meen jelui dat wij zelf toch niet meer zoover kunnen komen, dan zeg ik: jongens laten we dan toch zorgen dat ze van onze kinders pieten maken. Zonder leeren komen er geen knappe bazen in de wereld. Naar de school moeten ze! als wij dan oud zijn dan lachen we nog in ons vuistje, want zij zullen ’t beter hebben dan wij tegenwoordig in het algemeen.—Of ze dan allemaal bazen zullen worden? Nou zoo gek ben je ook niet! Maar aldat de roem is uitgesloten, omdat ik zelf maar werkman ben, en kapabel genoeg om dit verhaal te schrijven, zoo ben ik daardoor juist in een tevreden humeur, en heb er pleizier in; en dat komt omdat ik op de school zoowat haantje op de voorste bank was, en voor het bouwkundig teekenen kreeg ik de medaille.

Maar nu denk je, Jan gaat zijn eigen opvijzelen. Neen, ik wou nog van de bazen spreken. Pas op jongens, je hebt van die zoogenaamde royale bazen die je laten verdienen in de drukke maanden, maar je dan naar huis sturen; of ook die je meer loon geven als een andere baas, omdat zij slecht werk leveren; ik zeg je, dat je dan de heler van den steler bent. Laten de bazen eerlijk blijven, en zoodoende geen brave bazen het brood uit den mond stooten. De groote lui kunnen best betalen. Wat ze niet betalen kunnen daar moeten ze maar afblijven; dat is soms beter ook, want Jans haar eerste dienst was bij zoogenaamde groote lui, en daar heeft ze een armoe bijgewoond misschien nog erger dan bij ons. Want ze moesten nog mooi weer spelen ook. En er zijn er zoo een boel: van boven bont en van onderen.... Meester wou niet hebben dat ik het laatste woord zou zetten; maar hetiszoo.

Nou, als je merkt dat de bazen slecht werk leveren en je dáárdoor meer betalen, verlaagt je dan niet om dat bedrog, een handjete helpen. Tegen de gerechtigheid in, dat komt toch altijd neer op je zelf, want als die bedrieger-baas genoeg van je heeft, dan smijt hij je weg als een afgekloven bot en dan komen de honden en knauwen je kapot. Dat rijmt wel, maar dat vleit niet.

Luistert toch naar me, kameraden, als ik zeg:zoekt hooger loon en verbetering van je stand in de gerechtigheid,—misschien was het ook niet kwaad, als het kon, door een aandeeltje in de winst van de bazen?—want op mijn woord, in de verhooging van loon alleen zit de voorspoed nog niet. Als wij, zal ik veronderstellen, het loon te hoog opdrijven, dan moet bij voorbeeld de winkelier het huis, dat hij laat bouwen, ook duurder betalen; en, om dát er uit te halen, smeert hij ons de katoen en pilo en petten en koloniale waren ook weer duurder aan, en zie je, dan kom je met al dat hooger toch aan geen beter kantoor. Hebben de bazen al nietvrijwilligin de laatste jaren de loonen met 20 à 30 percent verhoogd? En is het er beter om?

En zoodoende zal ik met goed fatsoen besluiten, want nu kan ik je die vereenigingen in ons land—dieNationale Werkmansvereenigingenvan orde, vrijheid en recht aanrecommandeeren. Als je daar lid van wordt, en ik geloof dat je dat maar twaalf stuivers of twintig borrels voor je heele huishouwen in het jaar kost, dan kun je klagen, en in redelijkheid zooveel recht krijgen als je wilt.

Maar jongens, denkt niet dat je er dadelijk geld mee winnen zult en vet van worden. Larie! Werk je niet dan eet je niet, en werk je niet en eet je tóch, dan ben je een dief, en je eindigt in de kast, of erger, zooals dat arme opgehitste werkvolk te Parijs.

Jongens, de standen zijn van God verordineerd. Nog eens: laat je vrouw de kinders wasschen, en stuurt ze naar school, dat is heel wat voordeeliger op den duur dan dat ze zoo vroeg worden afgebeuld om bloedgeld voor jelui te verdienen. Jabloedgeldmannen! Zoo denken ikke en Jans.

En alzoo, laat het vreemde ding loopen; sluit je niet bij dieInter- maar bij een echtNationale Werkmansvereenigingaan, en toont dat je wijzer bent dan de eend die—je weet wel—door zijn eigen kuiken werd opgegeten.

Nou weten jelui er alles van, en blijf ik niet met de pen maar met het hart,

Jelui Kameraad,

Jan Stukadoor,

Metselaar.


Back to IndexNext