Gelegenheidsstukken.De Reus van Antwerpen.Daar was eens een reus en zijn naam was Druon-Antigoon en zijn gade was een reuzin.En op den schoonen oever van den breeden Schelde-stroom bouwde zich Druon-Antigoon een sterken burg, en de zalen waren vervaarlijk groot en hoog.En als Druon-Antigoon voor het breede burgvenster gezeten was, dan had hij het uitzicht over den voorbijsnellenden vloed, en als de zon op het watervlak speelde, dan zag hij de zilverschubbige bewoners er boven uitspringen, en glanzen in ’t zonnelicht; maar ook, als de wind het lies aan den oever deed ruischen, dan zag hij de schippers met volle zeilen voorbij den burg varen, ha! alsof er geen reus aan de Schelde was!En op een vroegen morgen toen Druon-Antigoon weer voor zijn venster zat, en hij een schipper, laveerende, naar het basalt van den burg den steven zag wenden, toen klonk er uit koperen longen een donderendhaltdoor de lucht, en stak de reus zijn arm uit het venster, en greep er met ijzeren hand den mast van het vaartuig, dat alles er kraakte en schokte.En de visschen met hun zilveren schubben hadden Antigoon gezegd, dat de Schelde hem meer moest geven dan het vleesch van hun graat.En Antigoon bulderde weder: Menschenworm! zijt groot zooals ik, of anders—anders zult ge tol en schatting betalen, tol en schatting aan Druon-Antigoon, den eeuwigen reus in zijn burg!Maar de arme schippers konden niet groot zijn zooals die geweldige burgheer, en ze betaalden hun tol en hun schatting, want—deden zij ’tniet, dan rukte de wreede hen weg van het roer, en hieuw met zijn vreeselijk slagzwaard hun handen van ’t lijf, en wierp ze, och arme! ten aas voor de visschen in ’t diep van den stroom.En gansch het land schreeuwde wraak. Maar Druon-Antigoon bleef rustig zijn tol en schatting heffen—of wel, hij greep de schepen bij hun masten, en hief ze boven den vloed, en deed ze met de kiel een halven cirkel door het luchtruim beschrijven, en—het kappen van der weerspannigen handen, en hetHandwerpenin de Schelde bleef zijn geliefkoosd vermaak.Maar Brabo nadert.Brabo de held, met zijn beitel en lier. En in zijn borst woont de zucht om de bekoorlijke oevers der Schelde van den geweldige te verlossen, om Druon-Antigoon, den reus, te verslaan.En onder het venster van den hechten burg, roept Brabo dat Druon-Antigoon met zijn gade zal uitkomen, want heel het land wenscht de beeltenis van den burgheer en zijn gemalinne te zien, en Brabo zal ze houwen in eeuwentartend graniet.En Antigoon en zijne gade verlaten den burg, en Brabo houwt hun beeltenis met vaste hand. Maar als de kunstenaar arbeidt, dan vallen de oogleen des geweldigen toe,—en de schippers varen ongehinderd voorbij.En Brabo werkt voort, en zingt bijwijlen zijne liederen; maar als de sterke in ’t einde ontwaakt, dan deinst hij terug bij het aanschouwen van een tweede als hij—het beeld nóg grooter dan de Schelde-reus zelf—gewrocht door het genie. En bij het vernemen van de nooit gehoorde zilveren tonen van Brabo’s stemme en lier, rukt hij zich, bevend, het slagzwaard van de zijde, en dreigt er den dwerg te verslaan, den dwerg, die zijn zinnen beheerscht.Maar ziet, Brabo’s stalen beitel snort door de lucht, en treft er den kop des geweldigen; en Druon-Antigoon stort met een rauwen kreet ter aarde, en in zijn val verplet hij de vrouw, die hem zonen zou baren; en die beiden—zijn de laatsten van hun geslacht.Leve de Verwinnaar!En toen de reus, met háár, die hem zonen zou baren, verslagen was, toen stroomde het volk van heinde en verre bijeen, en juichte met blijde klanken den verwinnaar toe, en bouwde met Brabo, den held, een schoone stad op den oever der Schelde—waarvan de reuzenburg de hoeksteen bleef—en schonk haar ter eeuwiger herinnering, den naam van:Antwerpen.En het volk vertelde de geschiedenis van Druon-Antigoon aan zijne kinderen en kleinkinderen, en allen verheugden zich dat kloeke Brabo den woestaard verwon, en aanschouwden zijn werk, en zongen zijne liederen, en juichten: De geweldige is verslagen!Maar toch—toch meent de naneef dat Druon-Antigoon nog somtijds rondwaart door Antwerpens straten; dat hij—ofschoon deheld der beschaving hem versloeg—nog somtijds met zijn reuzenschim komt spoken in den boezem van Antwerpens grooten en kleinen; dat Druon-Antigoon nog immer meewerkt tot den roem van Brabo’s nakroost.Zeg, Genius van Antwerpens bouwkunst! zaagt gij den reus niet in uwe wallen, die er den prachtigen toren uwer hoofdkerk deed verrijzen, en er de achtkante tafel—Antigoons steenen disch—ter zwaarte van tweemaal zesduizend kilo’s, nog hooger dan viermaal honderd voeten optillen dorst....?Spreek, Genius van Antwerpens schilderschole! mocht niet de reus in uw veste als vorst den kunstschepter zwaaien, de reus, wiens name groot klinkt in vijf werelden, en wiens standbeeld gij deedt verrijzen op ’t midden der “groene plaetse”?En gij, Antwerpens stedemaagd! buigt gij het hoofd niet voor den kolos, die de poorten uwer grootsche stad wijd, wijde ontsloot, en gansch het kunstlievend Europa als gast dorst nooden in uwe wallen? De meer dan tienmaal honderd strijders der gedachte1van Noord en van Zuid, het luide welkom, welkom! deed hooren. Die het luidere welkom griffelen deed in ’t eeremetaal, als een blijvend welkom aan allen, die broeders willen zijn in de Kunst, broeders door het onbezoedeld genie, hoogepriesters van den eeuwigen Bouwmeester—door verspreiding van licht en beschaving, in beeld en in schrift?Maar neen, zij buigt het hoofd niet, Antwerpens stedemaagd. Ziet, zij lacht vroolijk.Zeg, fiere maagd, lacht ge dáárom zoo blij, dat de reus der gedachte uw roem heeft gehandhaafd en al die zonen van ’t genie te zaam aan uwen disch deed nederzitten; dat Rus en Italiaan elkaar als broeders van éénen stam met warmte aan ’t harte drukten; dat de zonen van ’t machtige Albion, het kloeke Germanje, en het stoute Frankrijk hun aller moeder een heildronk wijdden; dat Zuid- en Noord-Nederlanders één tale roemden in uw grootsche zaal, en samen juichten ter eere van Antwerpens reus der negentiende eeuw: de zucht naar éénheid voor alle strijders der gedachte, de zucht tot inniger verbroedering voor alle zonen der Kunst....?En vlaggen van allerlei kleur wuifden het Heil U! langs Antwerpens straten; en wapenschilden van velerlei natie riepen u vande gevels der huizen de namen toe van hen, die men er gastvrij ontving; en....Maar stil, daar nadert een breede stoet. Blootshoofds treden zij langzaam voort, de mannen in hun gewijde kleeren en met hun prachtige banieren. Bloem en loof wordt met kwistige hand gestrooid langs den weg dien de stoet heeft te volgen. Zie, dat is het beeld der Lieve Vrouwe, dat men in plechtigen optocht en statig rondvoert.Denker! zult gij het hoofd niet ontblooten; kinderen van denzelfden God! zult ge minachten den hier gehuldigden vorm?Gij, die van den Christus verstaan hebt rechtstreeks tot uw God, als tot uw liefdevollen vader te spreken, zult ge hen veroordeelen, die hier nog kiezen de Lieve Vrouwe tot verteedering van den altijd opnieuw miskenden en heiligen God.Ontbloot vrij uw hoofd. Veracht niet den vorm. Denker! daar zijn vele vormen, doch weet het, daar is slechts ééne waarheid, en die eeuwige waarheid is:Zalig zijn ze die God liefhebben bovenal, en den naaste als zich zelven!Liefde voor God en de menschen!Dát, dát alleen is het hechte fondament voor den heiligen tempel der Kunst.En in dien tempel—Broeders, wij zijn er één! Wij zijn er één, dewijl wij het kunstschoon genieten bij velerlei vorm, ja zelfs bij gebrekkige vormen in beeld of in schrift.En ziet—nu gij de zalen betreedt, waar de voortbrengsels van ’t genie de wanden versieren, ja, nu huivert gij bij ’t aanschouwen van dien slavenroof aan Afrika’s kuste. Uw harte bloedt bij het angstig bespieden van dat afgrijslijk schoon tafreel, waar de blanke duivel ten troon zit en die arme zwarten tot dieren verlaagt.2Zegt, Broeders der Kunst, vraagt gij ook,hoezij haar God zocht te dienen, nu gij die Syrische vrouwe ten prooi van den woesteling ziet, die haar met onzalige vingers den teederen boezem nijpt, en straks haar ten vure zal doemen?3Neen, neen! gij hoort haar angstkreet, haar smeeken, haar kermen. En het bloed stroomt u sneller door de aders; gij wilt haar verlossen, haar scheuren uit de klauwen des verderfs. Broeders! wij zijn één in geloof; dát, dát is de triomf der Kunst—zij wekt ons tot liefde.Arme moeder op uw zoldervertrekje, met uw kruisken in de hand; met uwe arme kinders geknield bij de lijkwa van uw echtvriend, van uw eenigen kostwinner! Arme vrouwe, zie daar staan ze nu, de gereedschappen van uw altijd zoo werkzamen echtvriend; zie, nog kleeft de kalk aan de truffel, die hij zoo kloek kon hanteeren, en dien voegspijker en dat paslood, arme, arme weduw, hij zal ze nimmer, nimmermeer besturen.4Arme vrouwe, wij weten ’t wel, gij zijt met uw smart slechts getooverd op het doek, doch—aller oog is vochtig geworden bij het aanschouwen van uw diep treffend leed, en die traan, ontlokt door de Kunst, heeft gefluisterd van broederliefde, en,—broederliefde en christenzin, zijn die beide niet één.En al verder treedt gij door die rijk versierde zalen, en de Kunst maakt u opmerkzaam, hoe schoon het daar buiten in Gods heerlijke schepping is: Bloeiende velden, lachende heuvels, trotsche bergen, woelende zeeën, tintelende luchten! En—als gij dan den maker prijst van het beeld, dat u weer deed genieten wat ge eens aan den boezem der natuur hebt gesmaakt, dan, dan prijst uw ziel toch bóven dat alles den Schepper van hemel en aarde, den Vader der Liefde!Maar Broeders der Kunst, gij wist het wel dat wij één waren: één door de zucht naar het eeuwige schoon; doch zegt, voelt gij ’t ook hoe gij daar leeraart en predikt met klinkende stemmen;—hoe gij daar vrijheid eischt voor de kinderen Gods, en er afgrijzen wekt voor den slaven- den broedermoord;—hoe ge daar huiveren doet voor godsdiensthaat en voor godsdienstkrijg;—hoe ge daar luide verkondigt: zoekt ze de armen, de weduwen en weezen, en steunt ze met uwe gaven, zij missen zooveel;—hoe ge daar leeraart en predikt: ’t is er zoo goed aan den huiselijken haard, ’t is er zoo schoon in Gods prachtige schepping....?O Broeders der Kunst, Apostelen Gods! wat zijt gij groot! Wat moogt ge nederig fier zijn op uwe roeping. Maar wee! wee over ons, zoo wij die roeping vergeten, het schoone miskennen, het reine onteeren!Verstom naargeestige toon! Op Antwerpens reuzenfeest mag die snare niet trillen. De zonen der gedachte, ze waren er één! en daarom is er geen wanklank vernomen, en dáárom was het schitterend eeremaal in waarheid een broedermaal, en dáárom heeft Demarteau’s lied in den Feërieken lusthof ookallenhet harte getroffen.O Fisscher en Tillez! doet uwe zilverstemmen nogmaals ruischen als in dien heerlijken nacht. Honderden vangen met naamlooze stilte de woorden op dier schoone melodie. Geen blaadje beweegt er; een zee van kunstlicht doet u aanschouwen hoe alles er luistert; en de maan, de volle maan daarboven de statige populieren, zij luistert mee in heur diep diepe blauw.SOLO.Salut, o phalange sacrée,Dont l’aspect nous fait tressailler;Gloire aux soldats de la pensée.Aux pionniers de l’avenir.RÉCITATIF.Fréres en vous comptant, une ivresse profondeS’empare de mon cœur, oui, nous pourrons un jour,Peintres, poétes, penseurs, régénérer le mondePar la foi, le travail, le génie et l’amour.STROPHES.Oui, je voudrais, dans un élan sublime,Vous presser tous sur mon cœur palpitant:Enfants de Dieu qu’un meme zéle anime,Courrez au but, la palme vous attends.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Si le trépas, Fréres venus de France,A parmi vous fait des vides nombreux;Serrez vos rangs, espoir et confiance!Suivez les pas de vos morts glorieux.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Fréres du Nord, Russes, Germains, Bataves,Fils d’Albion, vous qu’entourent les mers,Unissez vous, pour les arts plus d’entraves,Par vos travaux étonnez l’univers!Et vous enfants de la rive bénie,Oú tout rayonne; et la terre et le ciel,Puissent vos maux fimir, l’ItalieProduire encor un nouveau Raphaël.5Et toi, sois fier, o mon pays que j’aime!Qui donc encor t’ose appeler petit?N’es-tu pas grand par eet éclat suprême,Qui de tes fils jusqu’à toi rejaillit?Ce jour t’acquiert une gloire nouvelle,Pays des arts et de la liberté,Tu vas fonderla paixuniverselle,Sur le talent et la fraternité.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .En als het koor dan juichend den aanhef der schoone Cantate herhaalt:Retentissez, chants de victoire,Éveille-toi, noble cité,Fêtons les élus de la gloire,Les fils de l’immortalité....dan—dan heerscht er een diepe stilte; maar als het geëindigd is, dan barst er een oorverdoovend Bravo los, en straks,—straks ook dondert het kunstvuur een alles beheerschend BRAVO in de lucht, en wendt gij den blik dan naar boven, dan ziet gij de booze geesten, hoe ze vuurspuwend met gloeiende sikkels elkaar vernielen. Kanongebulder en vreeselijk musketvuur schokken den bodem waarop gij den voet drukt. Een huivering doortrilt uwe ziel. Maar, victorie! victorie! weer heeft de Kunst hier getooverd!Vrede, vrede op aarde! is de bee, die er opwelt in aller boezem, en ziet: Een reine vuurstraalZUCHTkrachtig naar boven, en schoone duizendkleurige bloemen vlokken naar omlaag en een stemme spreekt zachtkens vanbinnen:Bloemen en gaven zij dalen van Boven:Zoekt met Uw gaven den Gever te loven!En het Te Deum heeft weerklonken in de kruisgewelven van Antwerpens kathedrale.Broeders Protestanten! ook hier zijn vreemde vormen, maar dat Te Deum ia ook voor ons het Godgewijde lied bij uitnemendheid. Ei, stemt dan in stilte:Wij loven U, o God, wij prijzen Uwen naam,U, eeuwig Vader, U verheft al ’t schepsel saam.Zingt Serafs, Eng’len zingt; heft Machten aan en Tronen;Onafgebroken rijze uw lied op hooge tonen,Gij, driewerf heilig zijt Ge, o God der legerscharen,Dat aarde en hemel steeds Uw grootheid openbaren.6En als de volkeren der gansche aarde dat lied verstaan en doorgronden, dan, dan is er geen burgeroorlog en geen bloediger godsdienstkrijg meer te duchten, dan is het:La paix universellePar la foi, le travail, le génie et l’amour.Voorwaarts dan zonen der Kunst. Voorwaarts!En alweder, Antwerpens stedemaagd, hebt gij ons binnen de zalen van uw Kunst-Congres den reus doen aanschouwen, den reus der gedachte, den reus die meer dan duizend mannen, zoo verschillend van geboorte als van genie en ontwikkeling, zoo verscheiden van kunstuiting als van godsdienstvormen, in velerlei tale deed samenspreken; deed samenspreken zonder verstoring van den broederzin; deed samenspreken met warmte tot één eenig doel: de verheffing, de waardeering, de opbouwing van de Kunst. De kunst, die schoone dochter der zucht naar waarheid, der begeerte naar eeuwige wijsheid.Kunst! dochter derWIJSBEGEERTE! Wijsbegeerte, telg der Godheid op aarde!En de reuzengeest, die het denkbeeld van zulk een grootsche wrijving der gedachten in ’t leven riep, heeft getriomfeerd in spijt van veler profetie. De rechten der Kunst, haar doel en hare bestemming zijn levendiger geworden in den boezem dier vergadering. Vonken vuurs zijn er geslagen, en koude harten—ze hebben gegloeid! Stad van den reus, dank, dank voor uwe zegepraal.En als gij ons dan verder uwe Kunsttrezoren hebt getoond en altijd en altijd genieten deedt, welaan, voer hem dan rond door uwe straten het beeld van den kolos, die, ofschoon door de beschaving verslagen, toch immer de grondlegger der grootsche Scheldestad blijft. Ook wij, wij willen het beeld uwer grootheid aanschouwen—den omgang der reuzen en wagens.En ziet, de walvisch—de reus der zeeën—opent den trein. Uit zijne neusgaten blaast hij het water der Schelde ginds en her over het jubelende volk, en hij schijnt er te roepen:Van den oceaan ben ik tot u gekomen. Heerscht over de wateren. Zeeën en Schelde zijn één!Ziet, en achter hem volgen ze reeds; de boden en dienaars van Neptunus, de ranke dolfijnen.En kleine booten klieven alree de golven; en, als de roeiers met kloeke handen de riemen bewegen, dan zien ze:Het schip al volgen, het groote schip in volle zeilen; het schip met het wakkere scheepsvolk aan boord, dat overzeesche schatten brengt aan de oevers der Schelde.Ziet gij ’t wel, op dien wagen met vele rijk getooide paarden bespannen, volgt nu het beeld van Druon-Antigoons gade. Ja, ook deVROUWEmagGROOTzijn, maar dat heur ziele toch rein zij, ziet: rein als het witte kleed dat die gestalte omhult; heur tale zij als het zilver waarmede dat kleed is bestikt, en de roode sjerp, die van den schouder tot op de heupe zwiert, moet haar het beeld zijn der heiligste Liefde.Daar komt hij.... daar komt hij met zijn zwaard en zijn schild, de forschgespierde, de burgheer der Schelde. Ja, ’t is zijn afbeeldsel wel. Fier doet men hem rondzien, en hij blikt er van zijn triumfkar door de hoogste vensters naar binnen, en grimt er in ’t ronde omdat hij nogkleinheidbespeurt, kleinheid, die vlucht voor zijn aanblik: kleinheid, die snel voor hem heengaat. “Weest groot zooals ik!” klonk eertijds zijn stem. Maar thans, hoe zijn beeld er ookrondwaart, hij kan er nietachterzich zien en aanschouwen wat hem volgt op den voet. En ziet, wat hem volgt heeft zijn geroep gehoord, doch—werdgrooter danhij.Brabo’s triumf:Prachtwagen met de zinnebeelden van Antwerpens bloei door beschaving, door zeevaart en handel. Welkom wakkere stedemaagd! Van uw hoogen zetel ziet gij met welgevallen neder op de vele natiën die gij met u voert. Druon-Antigoon is voorbijgegaan, en des geweldigen arm kan den buit niet meer bereiken, en de triton achter uw zetel blaast te luider een driewerf: Houzee!Houzee!En welvaart heerscht er; en Antwerpen is groot onder de steden; en de wagen die volgt toont zijn roem en zijn reuzengeest aan de nakomelingschap, en wijst op de schatten van ’t genie, die zijne wallen omsluit. Wat al mannen van kracht en van geest nemen er hunne plaatsen op in. Schoon en verheven als het prachtige voertuig zelf, klinken de namen van hen, wier nagedachtenis het in bonte mengeling met zich voert.En—wilt ge nóg zien wat Kunst en wat Arbeid in deze oorden gewrocht heeft?Ziet, daar nadert Flora’s zegewagen. Zij nadert, de vriendelijke maagd in haar witte kleeding. Gezeten in haar lommerrijk priëel, omgeven van bloeiende planten uit Noorder- en Zuiderluchten, drukt haar voet het mollige grastapeet dat met bloemen bezaaid is. Akker- en tuinbouw juichen mede ter eere der Kunst, der Kunst die hen voorgaat.Ontwikkeling, welvaart, vrede! Kinderen der hooge wijsbegeerte en der immer voorwaarts strevende Kunst! Fiere maagden! op den laatsten wagen hebt gij met nog meer zusters uwe plaatsen genomen.En—als de stoet voorbij is, dan staart nog het oog op dat achterste blazoen van dien laatsten der wagens, en hoort gij in ’t klokkengelui van den toren alweder den nagalm van ’t lied, het lied dat ook dié omdracht u zong:Voorwaarts zonen der Kunst! voorwaarts kinderen der beschaving! Door U, door U zij er vrede op aarde!En die nagalm, het is een zuivere toon; zuiver, al was het de voorstelling niet van het ongewone, grootsche, maar te vluchtige schouwspel, dat den Noord-Nederlander verrassen en verbazen moest.Onzuiver zij de omtrek, waarmee hij den indruk dier prachtige vertooning zocht te schetsen—de naklank, de naklank er van is zuiver.Zuiver als Artots stem, toen zij daar in die weidsche zale de woorden van het verheffende psalmlied zong:“I cieli immensi narrando del grande Iddio la gloria.”Zuiver als de driehonderd stemmen, door Callaerts kunstschepter beheerscht, die er te zamen herhaalden:I cieli immensi narrando del grande Iddio la gloria.Zuiver is die nagalm, zuiver en rein als Joachims snarengetoover, dat een onafzienbare schare verrukte, ja meer—ook Hollands grootste toonzetters in vervoering bracht.Zuiver, als het kunstgenot dat Antwerpens reuzengeest op dien onvergetelijk en avond aan allen te smaken gaf.En—zuiver maar krachtig blijve het voortruischen, dat thema van Antwerpens Kunstfeest:Vrede! vrede op aarde!En—toen de dag nu aanlichtte, waarop het welkom met een roerend: Vaarwel! werd verwisseld; toen het scheiden van zoovele broeders het harte week maakte, en de Noord-Nederlander nog eens omzag naar de veste, waar de reus der Kunsten ten troon zit, toen welde hem een traan in het oog; maar ook—toen was het hem een heerlijk symbool, dat zich daarginds, in ’t lauwe gras der sterke wallen, een kloeke zoon van Mars ter ruste ging nedervlijen,7en—zijn afscheid was: Vrede!En toen hij daar voortgleed op de wiek van den stoom naar den eeuwig dierbaren geboortegrond, toen, toen bezag hij ook nogmaals den schoonen gedenkpenning aan die onvergetelijke dagen; en—Antwerpens wapen boeide zijn geest.Boven den hechten burg ziet hij die handen naar boven.Neen, dat zijn hem niet meer de handen der arme schippers uit de tijden der sage; dat zijn hem de handen van den Antwerpschen reus dezer eeuw; de handen der vele broeders uit Antwerpens onvergetelijken Kunstkring;8van den dierbaren vriend en de zijnen, in wier woning en harten hij plaatse bekwam. Dat zijn hem de handen van Antwerpens eersten en hoogwaardigen Magistraat, van den edelen Burgervader, den voorzitter van het reusachtige Kunst-Congres.Ziet, en ze wuiven nogmaals: Vaarwel, vaarwel! gij strijders der gedachte. Zij wenken: Komt weder als het u wel was in onzen tempel der Kunst! En hij, de broeder van ’t Noord, de broeder der zelfde tale bovendien, hij drukt ze nog eens met verrukking die handen—ja, ook de hoog edelsten dáár ze schamen ’t zich niet.—Vaarwel! roept hij mede. Dank, dank! stamelt zijn stem; God zegene u allen! God zegene u, heerlijk lustoord der Kunst! en—zij er een grens tusschen ’t Zuid en het Noord; in het rijk der Kunst bestaan geene grenzen: Broeders voorwaarts! Eenheid, Vooruitgang, blijve de leuze; en thans voor het laatst:Uw kunst werke mee tot den vrede op aarde!1“Soldats de la pensée.” Le triomphe des arts.Feest-Cantate van G. Demarteau.2Schilderij van Biard.3Schilderij van Cermak.4Schilderij van De Bruycker.5De zanger wijzigde aldus de woorden van Demarteau’s Cantate, die oorspronkelijk luidden:Produire encordes NouveauxRaphaël.6Het Te Deum—3de der Nederd. Evang. gezangen.7Naar het leven.8Cercle Artistique.Te Wolfhezen.Herinnering aan mijn ontslapen vriend, den Kunstschilder P. L. L. Oerder gewijd.Gij zijt niet meer, mijn goede vriend Pieter. De levensvijand tastte u aan, en ofschoon men u ook overwinnaar waande in den heeten kamp, de wonde u toegebracht zij was te geweldig en in de armen van onzen braven leermeester, uw trouwsten vriend en geestverwant, gaaft gij den jongsten snik.Oerder, mijn ontslapen vriend, al is het mij ook als stondt gij daar nog, met uw gul en blozend, trouwhartig gelaat, toch—toch kan ik niet meer tot u spreken zooals voorheen, maar—wanneer ik in vluchtige trekken aan anderen verhalen ga, wat mij vroeger en onlangs het schoone Wolfhezen te zien, te hooren en te gevoelen gaf, dan zal het mij zeker nog dikwijls zijn als sprak ik tot u; en als ik dan tevens, doch ongemerkt, een loover kan neerleggen op uw eenzaam graf, dan heb ik voldaan aan de behoefte van mijn hart, want ook gij mijn vriend—hoezeer wij in geloofsovertuiging van elkander verschilden—ook gij hebt mijn oog helpen richten op de schoonheden van Gods prachtige schepping, en mij,in u zelvenden reinen mensch doen waardeeren, ongeacht den vorm—den immer gebrekkigen vorm zijner Godsvereering op aarde.Daar klonk in de jongste dagen een stem door het land, een stem wier weerklank was: Op, Christenen! dost u in feestgewaad; spoedt u naar Gelderlands lustoord; gij zult er een feest vieren, een nieuw, een heerlijk feest: den heiden ten zegen, uw ziele ten heil, den drieëenigen God ter eere!En de roepstem werd vernomen, en de geest der roependen werd verstaan, en duizenden uit vele oorden des lands, zij maakten zich op, en spoedden zich voort naar het schoone woud.Duizenden! en onder die duizenden zoovelen in het vast geloof, dat de adelbrief der rechtzinnigheid aan hen was verleend, de adelbrief door God zelven geteekend met de pen der genade, en die gedoopt in het dierbaar bloed van Zijn heiligen Zoon.Doch onder die duizenden was er één, één dat weet ik zeker—die zulk een geestelijken adelbrief nog niet had ontvangen, en door iets anders naar dat schoone oord werd getrokken dan die duizenden ginds.Wolfhezen was hem lief. Hoe dikwijls zat hij er neder om boom en blad en ’t klare beekje langs de blanke heuvels in groenen zoom, nauwlettend te bespieden, en ook te schetsen in verven ofschoon met zwakke hand.En niets, niets stoorde dan de plechtige stilte die er heerschte, want zelfs het bijna onhoorbaar gemurmel der beek, het lieflijk gekweel der vogels in ’t ronde, het klagend gekor der woudduif van verre, ’t geritsel door ’t loof van den vallenden eikel, en ’t vluchtig gekrak van het doode takje als het eekhoorntje rondsprong in ’t eikenhout; zij zelfs, de zoetste stemmen der natuur, ze smolten inéén met die plechtige stilte, tot het lieflijkst akkoord.En, als een ander geluid den jeugdigen schilder een enkele reize deed opzien van zijn arbeid, dan was het, wanneer het schokken der kleine met plaggen beladene kar hem wekte, terwijl zij daarginder, door den statig-stappenden rood-bonten os, over het aardige beekbrugje werd voortgetrokken, of ook, wanneer het zachte gekling-klang der klokjes hem trof, als Harm “de scheper” aan gene zijde der beek zijn kudde voorbijdreef, en de schapen—in deze landstreek zoo goed met schilders als schepers bekend—niet aarzelden om ter lessching van hun dorst den beekheuvel af te dalen, terwijl de blanke kiezels hun fijne pootjes reeds vooruit rolden en plassende in den helderen vliet, er parels deden opspatten van vloeiend kristal.Ja, Wolfhezen was hem lief, want de natuur is er heerlijk en schoon!—Schoon, verheffend schoon, bovenal in den morgen, in den vroegen morgen:Als bij ’t lieflijk voog’len kweelen’t Luchtig morgenkoeltje suist,En bij ’t pooplen van de abeelen,’t Vaarkruid boven ’t beekje ruischt.Als er blauwe nevels dwalen,Ginds waar ’t woud zijn toppen beurt,En de zon met de eerste stralen’t Zilvren web der heide kleurt.Als de boekweit geurt vol zoetheid,En het bijtje u gonst in ’t oor:De aard is vol van ’s Heeren goedheidLooft zijn naam alle eeuwen door!En in zulk een morgen, was het dan vreemd dat er een traan welde in het oog van den jongeling, en dat er een woord, uit den diepsten grond des harten geweld, aan zijn lippen ontvlood, een enkel woord....Pieter, gij hebt dat woord niet vernomen. Dat behoefde ook niet. Maar—wanneer wij wel eens voor een wijlen poozende van den arbeid, het penseel lieten rusten en ik u onwillens verrassen moest, terwijl gij achter een heuvel verscholen neerlaagt op de bruine hei, en er in uw bijbeltje laast, met een zoo ongehuichelde vroomheid op uw goed gelaat, zeg, hebt gij dan ook misschien gebeden voor het zieleheil van uw jongen vriend, den armen verdoolde! die—daarbuiten—niet las in een bijbeltje en niet gelooven wilde wat gij voor eeuwige waarheid hieldt? Ja, ik weet het, gij hebt gebeden, maar ook, en dát, dát was uw waarachtigst gebed: gij hebt gewerkt. Nooit! neen nooit zelfs bij vroolijke scherts, heeft een onrein woord uit uw mond den zuiveren dampkring bezoedeld; altijd hulpvaardig, altijd voorkomend stondt gij den jongeren leerling ter zij, en immer goedaardig en stil, ook dán wanneer gij worsteldet met de kunst die u lief was—de menschen weten niet wat daarmee te worstelen valt—misschien zelfs worsteldet met uw lichaam er bij, heeft hij geen wrevel in u bespeurd, slechts eenmaal uw toorn.... Maar inderdaad, dat was een al te groote, een overdreven ijver, mijn goede Pieter, immers de naam van uw God werd daar niet gelasterd, en toch, ook zelfs voor dientoorn.... ik zou er u gaarne de hand nog voor drukken.En onder de duizenden, die zich opmaakten om het Zendingsfeest te vieren, was er dan één, die niet opging zooals de groote schare, gewekt door geestverwantschap, en in gloed voor het doel—al zou hij wel gaarne het rijk der liefde prediken “beginnende van Jeruzalem” en al vindt hij het denkbeeld verheffend schoon, den Schepper een loflied te zingen in zijn prachtigsten tempel: de reine natuur. Neen, hij maakte zich op en voor ’t grootste deel, om zijn dierbaar Wolfhezen in den vreemden tooi te zien, die aan vervlogene eeuwen herinneren moest, om zich met eigen oogen te overtuigen of dat feest—naar sommiger meening—de plek niet ontwijden zou, die hem immer toelachte als een reine maagd vol onverwelkbare schoonheid.En de nacht wekte hem van zijn leger, en de vroege morgen groette hem, als hij aan den oever van den breeden Maasstroom door het kleine raampje van den spoorwagen heen, de golfjes zich alle in grauwen nevel zag voortspoeden, beden in den nevel; morgen in het glanzende licht der zon: bij stilte of storm, ’t zij grooter of kleiner, ’t zij helder of troebel,—zij alle van denzelfdenoorsprong—vlietende naar dien oorsprong terug, naar den eindeloozen Oceaan....En het werd een schoone—al werd het geenhelderedag.De feesttrein snelde voort, en zijn breede blanke pluim van stoom golfde met hem mee, en wuifde den nieuwsgierigen langs zijn pad een vroolijk “vaarwel” toe.En ik—in mijn hoekske gezeten, terwijl ik mijn oog liet weiden over de bonte rijen van mannen en vrouwen, van jongen en ouden, daar hoorde ik weer in ’t gestoot van den wagen die droevige profetie: “Wat zult gij een huichlende vroomheid zien!”Maar neen—in waarheid hier in den feesttrein zag ik ze niet. Die burgerman met zijn witte das lachte mij vriendelijk groetende toe, en op mijn “Donker luchtje mijnheer,” meende hij: “Dat het nog op kon klaren,” och, doodeenvoudig: dat het nog op kon klaren. En “de lange gezichten”, ik zag ze niet: en de “smachtende blikken ten Hoogen”, neen waarlijk ik bespeurde ze nergens; de vroolijkste verwachting las ik op de meeste aangezichten; ze praatten en lachten, doch stemmig bedaard; ja inderdaad het waren menschen! gewone doch fatsoenlijke menschen.En eensklaps—daar was voorzeker een wenk gegeven—kwam een ernstiger plooi op veler gelaat; de mannen ontblootten het hoofd, de vrouwen zagen stil voor zich heen, en de snorrende dreunende spoorwagen weerklonk van het zuiver aangeheven psalmlied:Looft den Heer want Hij is goed,Looft Hem met een blij gemoed.Want Zijn gunst alom verspreid,Zal bestaan in eeuwigheid.Dat was vreemd nietwaar in den wagen?Pieter, wat zoudtGIJgenoten en helder hebben meegezongen; en gij mijn vriend de profeet, die in uw gelooven zoo hemelsbreed verschilt met de volgelingen der Dordtsche vaderen, ja, ik weet het, waart ge daar tegenwoordig geweest, ook gij zoudt het hoofd ontbloot en wellicht hebben meegestemd in dat lied ter eere van den Eeuwige, van Hem, die wel bij vele namen door Zijne schepselen wordt genoemd, doch voor de uiting van wiens naam alle aardsche taal te arm is, en alle aardsche wijsheid te gering om dien naar eisch te bepalen. Gij stemt het mij toe, slechts sectenhaat of blinde partijzucht zal wrevel gevoelen bij de uiting van eens anders waarachtig godsdienstig gevoel, terwijl alleen een bittere ervaring er toe leiden kan om al aanstonds haar oprechtheid te verdenken, en de lichtzinnige slechtsspottenzal waar door stervelingen,den Formeerder van millioenen werelden, den Voeder van legioenen billioenen schepselen, hoe onvolkomen dan ook, het: Looft, looft Hem! wordt toegebracht.En de trein snelde voort, en een vroolijke maar opgeruimde stemming bleef ongestoord in dien wagen heerschen.Behalve den reeds genoemden burgerman, bestond het klubje, het meest in mijn nabijheid gezeten, uit een paar oude juffrouwen, een zoon uit den ambachtsstand, en een viertal meisjes met stemmige, niet onaardige—ja twee er van zelfs met geestige gezichtjes. En waarlijk, dat klubje het onderscheidde zich door een onderlinge hartelijke gulheid, waarvan ook de vreemden de tastbare bewijzen ontvangen mochten. Ik weet niet wat schatten van proviand ons vriendelijk dringend met een: toe maar! werden aangeboden, en—of ook een wenk voldoende was om daarvoor dank te betuigen, een kleine versnapering mocht niet versmaad maar haastig worden aangenomen.En na het genot, en wat kout over ’t weer en de heerlijke landstreek, waarheen men ons voerde, vervulde opnieuw een psalmlied dentrillendenwagen. En al zag ik ook nu, en straks, en tot den einde bij ieder lied dat weerklonk, de groote blauwe oogen van het blondste der meisjes voortdurend van reine geestdrift schitteren, toch las ik op sommige aangezichten bij het derde of vierde lied een zekere vermoeienis een....Maar gij begrijpt wat ik zeggen wil; de man verstond mij ook toen ik hem opmerkte, dat men dien dag nog zooveel zou moeten zingen en of de stemming, die zij op Wolfhezen wenschten, niet reeds te veel verzwakt zoude zijn indien....?Ja, hij gevoelde dat zeer goed, en—hij zou maar eens een sigaartje opsteken. Weet u, maar ze zongen zoo gaarne, en straks dan zouden ze dit—dit lied eens aanheffen: “Het betere vaderland” dat was zoo schoon, en de wijs: bijzonder!En de vriendelijke man al vond hij het lied ook schoon, hij wilde het toch den vreemde wel toegeven: ja—dat het vaderland voor de ziel toch eigenlijk in de eerste plaats, reeds deaardemoest zijn, en, dat het hijgen en zuchten naar eenbetervaderland inderdaad ondankbaarheid aan den Schepper mocht heeten, aan Hem, die den hemel wel zeker reeds op aarde vestte voor hen die maar goed verstaan, dat de hemel der ziele is:DE VREDE VAN EEN REIN GEMOED.Ja, al vond hij het lied toch schoon, hij wilde wel toestemmen ook, dat het uitzicht der ruste in het Jeruzalem daarboven “de stad voor Gods bruid met de straten van goud” toch eigenlijk geen ruste zou zijn in den zin van aardsche ruste.Neen, ziet u, na dat viermalen: rust, rust! rust, rust! volgde de bepaling:Hemelsche rust!Maar—zoo meende ik weder—of het dan toch niet beter zou zijn, den zin der menschen voor hier en voor eeuwig op te wekken, in stee van tot die hemelsche rust—tot een hemelscheWERKZAAMHEID?Ja—ja, dat kon wel waar wezen, maar toch het was een mooi gedicht dat “betere vaderland” en de wijs! en de meisjes moesten straks maar eens aanheffen, doch—niet te hoog.En het gezang klonk—ofschoon wat eentonig, toch lief, en toen het geëindigd was, toen knikte ik den zangers toe; en de meisjes namen de bijvalsbetuiging gaarne met een zedig glimlachje aan, en de man die haar leermeester was, hij zeide half lachend en hoofdschuddend meteen, dat het toch wel wat hoog was geweest: het blondje stonden er de tranen van in de oogen.Of hij bedoelde dat het lied voor mij, den schijnbaar ongeloovige, teHOOGwas, ik geloof het niet; dat velen het meenen zullen dat weet ik zeker; wij willen er niet over twisten, in den spoorwagen was er ook geen twist, ’t was er harmonie tot den einde toe.De feesttrein doorsneed de laatste steil afgestoken spoorwegheuvels, reeds vroeger door de meesten der Hollandsche feestelingen, met de verrukking der nieuwheid, als hooge bergen begroet. Nog een psalmlied werd gezongen, en het snijdend gefluit van den salamander weerklonk door Wolfhezens dreven.Het is een steeds dalende straatweg, die van het kleine station door de breede, ten deele ontgonnen en golvende heivlakten heen, naar Wolfhezens paradijs voert. Straks zult gij het betreden. Maar nu.... Zie mij die schare eens aan!Hier op dit heuveltje geklommen, ziet ge dien golvenden straatweg met duizenden menschen overdekt, gelijk aan een bontkleurig lint dat voortfladdert naar ginder.... verre.... tot aan het groene woud.Welk een ontzettende menschenmassa op dezen anders zoo stillen weg der groote heerlijkheid. En nog altijd voert de stoom er nieuwe feestelingen aan, die—evenals wij nog kort geleden—er vrienden ontmoeten, waarmee ze zich voortspoeden naar het doel van hun verren morgentocht.En ook ik, mijn dierbaar plekje, ook ik betrad u dan weder, maar nu in ’t midden dier bonte menigte en mijn oog....Maar stil; wat zoudt gij wel gezegd hebben mijn Pieter, indien gij al aanstonds op den oever van het beekje nabij de schoone eiken groep, die voor de hoeve staat, die lange blauwgeverfde broodkraam ontwaard hadt. Ik weet het, gij zoudt verdrietig zijn geworden en den blik hebben afgewend, om liever rechts te turen naar de bruine hei met de schaapskooi op den top, en ’t geboomte van verre, waardoor de beek zich voortspoedt al verder en verder naar het stille dorp, om er het molenrad te doen klepperen. Of wel, gij zoudt den blik voor u uit gericht en u vermeid hebben in het frissche groen van het akkermaalshout, waarin de straatweg zich alslingrend verschuilt. Nietwaar, die houten kraam, gij hadt haar gewis ontwijding van dit schoonste oord genoemd, maar toch, toch zoudt ge de menigte zijn gevolgd, en het ongelukkige voorwerp zijn voorbijgegaan, dat den mensch zoo krachtig aan zijn menschelijkheid herinnert, om mij toe te geven in ’t eind, dat er toch bezwaarlijk een betere plek voor ware te vinden geweest, en dat, waarvele menschenbij elkaar zijn gekomen, zelfs in de schoone natuur, al licht eenwanklankgeboren wordt.Voor u wienWolfhezensschoonste gedeelte nog onbekend is, wil ik er met de pen een flauwen omtrek van schetsen:Op een groot kwartier afstands van de plek, waar wij langs den golvenden straatweg zijn aangekomen, ontspringt in een kleine vallei der heide, op den zoom van een sparrenbosch, het straks genoemde beekje.Door dat sparrenbosch heen—welke plek gij niet zult vergeten—kronkelt het met twee armen, die zich echter al spoedig vereenen, in de diepte voort, van het Oosten naar het Westen; en, als wij blijven op zijn linkeroever—dewijl die oever ten Noorden het schoonste deel der streek en ook het feestterrein bepaalt—dan treden wij op den heuvelrug langs zijn boord het mastbosch door, en grijpen wel eens naar de groene struiken wanneer de voet, bij een golving van den grond dreigt uit te glijden op de mossige hei, zoo mild met dennenaalden bezaaid.Reeds hier is het schoon; doch verder.Steeds volgende het immer kronkelende stroompje ter rechterzijde, is het niet langer een mastbosch dat uw pad beschauwt. Zie, de blanke abeelen ze stoeien dooreen met beuk en met eik, hier opschietende uit het dichtst geblaart, daar met den ruig bemosten voet in den groenen oeverzoom.En dan, terwijl het beekje bij elken kronkel als wegschuilt in slingerend braam- en struikgewas, terwijl het omlaag de breedgewiekte varen kust en dartelt door de biezen heen, dan wordt het woud—ofschoon niet dichter, steeds schooner van vorm en van tooi, en stralen de beekheuvels steeds rijker in kleurenpracht.Zie—het fijne,grauw-blankezand, het breekt en het schertst er al meer en meer door het fulpen tapeet, smalle paadjes zich banende langs den oever, ’t zij hooger of lager, naar boven of onder, vriendelijk lachende tegen het malsche groen der lage plantjes waarin de bosch-bes schuilt; jubelende tegen den zwartbruinen zoom waarboven het paars-rosse heibloempje troont, schaterende waar zijn glinsterende kiezels als stoeien met het goudgele mos; stil zich schamende in ’t eind waar dehel-witteberk zoo slank zich verheft en met de zilveren blaadjes victorie kleppert, hoog—hoog in de blauwe lucht.En—als gij nog altijd voorttreedt met het beekje ter rechterzijde door die prachtige schoone natuur, en nu eens een berk of een beukenstam ontwaart, die door den storm, ’t zij met de kruin in den vliet, ’t zij van gindschen heuvelvoet tegen de helling naar dezen kant werd neergeworpen, dan treft u mede al spoedig—niet ver van een kleine ruimte in het bosch—de zware, nu schier vermolmde abeel, die er reeds vele jaren nederligt.Pieter, wij hebben hem gekend toen hij zich stout verhief op zijn prachtigen stam en de reuzenarmen beschermend uitbreidde in ’t rond, en de schoonste en krachtigste zoon scheen van ’t gansche woud. Gij weet het nog, daar was een verborgen kanker in zijn binnenste, en—toen de storm eens loeide door het bosch, toen smakte hij den schoonen forschen boom ter aarde, en wij kwamen er, en stonden bij den gevallen stam, en zagen elkander droevig aan, maar toch, nietwaar—het was een schoone studie.Ja zeker, zulk een gevallen grootheid is een schoone studie.Met een weemoedigen blik naar den vermolmden boom gaan wij verder, mijn lezer, bij een sterkere kromming der beek de straks genoemde ruimte door—waaraan ik vluchtig herinneren zal—en naderen ongemerkt Wolfhezens bekoorlijkst gedeelte.Nietwaar, bij iedere nieuwe bocht van het beekje vertoont zich als ’t ware een schooner tafreel. De zandheuvels aan beide zijden zijn nog rijker in afwisseling van lijnen en tinten; nu eens steil dan weder zacht-glooiend afdalende naar de beek; ginds—aan de overzij, ten deele gevangen in de schaduw van den prachtigen beukeboom, wiens zware wortels nu eens naar boven worstelen om even het zonlicht te zien en dan weer schuil te gaan in het grauw-blanke zand; hier—de heuvel waarop gij treedt—dartel in het volle licht der stralende zon, de heuvel met zijn sprietjes en takjes en bloempjes die vaak zich al glanzende buigen.... over donkere diepten.En dan, als gij den blik een honderd schreden ver, ter linkerzijde naar den hoogeren heuvel wendt—den heuvel dien wij een berg willen noemen—dan weiden uw oogen door een frissche vallei met een zachte golving naar dien bergrug omhoog, en—gij weet niet wáár gij u ’t allereerst een wijle tot rusten zoudt nedervlijen.... Daarginds, op de helling van den ros-groenen berg, in ’t lommer van eik en van beuk, van berk en den, als de zon er toch spartelt door takken en blaren en gouden glansen strooit in het groene boschbessendal.... Of hier, met het oog langs het aardige beekbrugje heen naar de hoeve in groenen krans gesloten, de hoeve die uit haar witte schouw een teeder rookzuiltje langs het donkere eikenloof doet opkronkelen, ten hoogen hemel.En—schier turens moe naar dat rookzuiltje uit de schouw, zie ik ter linkerzij onder het zwaar geboomte aan het eind van den bergrug, een zonderling tafreel.Met helm en werpspies gewapend, het zwaard in den gordel en den pijlkoker over den schouder; armen en beenen naakt en devoeten ongeschoeid, staan daar forsch gespierde mannen om een steenen altaar in wijden kring geschaard.Zie, meer nabij het altaar daar staan met kaal geschoren kruin in witten tabbaard de priesters van Wodan, de handen ten Hoogen geheven, straks neervallende op de knieën, kreten slakende door de echo’s weerkaatst.En het droevig gekrijt van den zuigeling wordt overstemd door die kreten der priesters en door de Wodan-gewijde liederen hunner heilige barden.En dichte rookwolken stijgen op van het altaar, en dwarrelen voort langs stam en langs takken, en zeulen in het dicht geblaart, en kleuren het morsig grauw. En hoor, een snijdende gil glijdt van den bergtop naar beneden; een jonge vrouw met opgescheurde kleeding, de lange blonde haren wild golvend langs naakte schouders en vollen boezem; een houten kruis in de dreigend gehevene hand, zij staat er en deinst op de helling terug. “Mijn kind! mijn kind!” krijt ze op zielverscheurenden toon: “Op Franken, wraak! Jezus Christus wraak! Wodan zij vervloekt! Zijn priesters vervloekt! Wraak, wraak voor mijn kind!” En zie, dan rijt ze met scherpe nagels heur boezem in bloed en ijlt den bergrug af op priesters en altaar toe en.... Ik zie haar niet meer.Een ander tafreel, en meer van nabij, treft mijnen blik.Een ontelbare schare van mannen en vrouwen, ten deele achter het struikgewas verscholen, ze staan of liggen er in bonte maar vast opeengedrongen groepen, het oog schier allen naar een en hetzelfde punt gericht.Hun kleeding herinnert aan Neerlands roemrijkst verleden; de mannen in dichtgesloten wambuis, in wijde broek en strak om het been geslotene hozen; de vrouwen in haar stemmig gewaad.Sommigen der eersten in rijkeren tooi, den korten mantel van fluweel op den schouder, doch evenals al die mannen de hoofden ontbloot, de eerstgenoemden hun laag ronden hoed in de hand, de laatsten de fulpen baret met golvende pluimen.En daar, nabij den forschen eikeboom, daar staat op een lage vierkante kar een man in zwarte kleeding. Zijn stem bereikt ook den uitersten zoom dier schare waar de jonge moeder nederzit, en—luisterende steeds, haar zuigeling laaft; tot daar, waar de krachtige man den grijze ondersteunt en aan de andere zijde het jongske weerhoudt dat, tastende naar bramen, zich reeds de vingertjes kwetst aan de nijdige prikkels.Een zoete vrucht in scherpe dorens!!Ja, zie maar, die lieden met zinkroer en zijdgeweer, of ook met bus en hellebaard gewapend—op verren afstand ginds en her verspreid, zij houden de wacht, want hoor, die man daar in ’t zwart, hij spreekt er op diep doordringenden toon—van de ure die gekomen is waarin tribulatiën en perikelen dreigen den uitverkorenen Gods, en de Antichrist strijd voert tegen de gezalfden des Heeren. Hoor, hij roept steeds met luider stemme:Mannen broeders! wandelt als kinderen des lichts, vervloekende Satan en zijn ongerechtigheid; wandelt in de liefde onzes Heeren Jesu Christi, maar óók, maar óók omgordende uwe lendenen en heffende het zwaard tegen hen, die afhoereeren van den eenigen God, en valsche goden offeren voor Zijn heilig aangezicht. Mannen broeders! vreest den strijd niet, noch vervolging, noch naaktheid, noch honger, noch dorst, want neen, gij zult niet hongeren noch dorsten in eeuwigheid. En gij vrouwen en jonge dochters! murmureert niet tegen den Heer; wat zoudt gij klagen en weenen, al zaagt gij uw vaders en broeders, uw echtgenooten of ook uw beminden ten mutsaard gesleept. Op! op dan! zijt moedig en fier; ducht de woede der Isebels niet. Hoort, hoort! Israëls bazuine weerschalt langs Jericho’s muren, en Babylon zal vallen voor het woord van den Heer uwen God. Geliefden! broeders en zusters! zingt den Heere in ootmoedigheid uwe psalmen, totdat de ure komt, de ure der persecutie, maar dán ook: strijdt, strijdt....Doch zie, daar wenden zich aller oogen naar den uitgang van ’t woud: musketvuur en wapengekletter weerklinkt er.......... Strijd......!Ha! ’t is voorbij. Dat waren droevige tafreelen. Neen, gedroomd heb ik niet, want het kronkelende rookzuiltje uit de schouw van Wolfhezens hoeve hield ik steeds in het oog. Maar toch is het mij alsof ik.... droom, voortdurend droom. Is dit dan inderdaad het vreedzame plekje, zoo schaars door een menschenvoet betreden, het oord waar de hoorbare stilte u slechts wijst op de oneindige schoonheid dezer prachtige natuur.Ja, mijn dierbaar Wolfhezen, gij zijt het wel. Uw heerlijk bosch, uw bergrug en beekheuvel, ik zie ze, maar nu—en in volle werkelijkheid—met ontelbare menschengroepen gestoffeerd: met duizenden menschen die daar dwalen, ginds en her, mannen en vrouwen, ouden en jongen, aanzienlijken en geringen, zich nu eens neerzetten op de ruwhouten banken voor den feestdag hier opgeslagen, of voor het meerendeel zich scharende alreeds in breeden kring, hier nabij de beek van waar gij het rookzuiltje ziet opgaan van Wolfhezens hoeve.En—evenals ginder onder het dichte geboomte aan het eind van den bergrug—de bergrug die ten Zuiden het feestterrein bepaalt—evenals dáár en in de opene ruimte, waaraan ik u herinneren zou, evenals verder nog nabij den oorsprong van het beekje in het straks genoemde sparrenbosch, evenals dáár staat ook hier op den beekheuvel, met den rug naar den vliet, en tusschen het groen van drie sierlijke beuken, een spreekgestoelte. Van jong gekliefde sparren ineengeslagen, verheft het zich zonder sieraad, en de menigte, die er zich steeds dichter omheen verzamelt, noodt de scharen, die nog ronddwalen of immer nog toestroomen, om er te komen en mee te luisteren naar den man, die aanstonds het woord zal voeren.En zie, daar beklimt hij het gestoelte. Duizenden blikken zijn op den volksman gericht. Gij kent hem, den ijverigen dienaar zijnsHeeren, den stichter van het toevluchtsoord voor gevallen vrouwen, het Steenbeek, dat den spotlach reeds dan zou doen verstommen, wanneer het ook maar één, één enkele ongelukkige uit den zondenpoel had opgericht. Daar staat hij zonder uiterlijk vertoon, terwijl hij den ernstigen blik slechts vluchtig over die duizenden weiden laat. Wat er omgaat in zijne ziel, nu hij het eerst tot die schare zal spreken!!—Daar verheft hij zijn stem.Wolfhezen herneemt zijn plechtige stilte.De bonte schare luistert.Hetwelkom!wordt haar toegebracht. Een mannenkoor door bazuinenklank gesteund, neemt dat welkom over, in een opwekking om eer en lof te geven aan den Schepper, de Levensbron. En de man op het gestoelte neemt nogmaals het woord, en noodigt de gansche schare uit tot het aanheffen van een blijden psalm, den “Rotssteen van ons heil”, den “Koning aller koningen” ter eere. En van het gestoelte wuift een kleine vredevlag, ten teeken dat het orkest zijn koperen stem zal paren aan dien zang.O, wie er dan ook nog meenen mocht, dat het lied in den spoorwagen aangeheven er misplaatst zij geweest, neenniemand,niemandzal van Wolfhezen in zijn woning zijn wedergekeerd, die spotten durft met dát heilige oogenblik, toen daar door die duizenden den Schepper een loflied werd toegebracht—in Zijn schoonsten, Zijn eigenmaakten tempel.En onder welke omstandigheden?Hoor, de redenaar schetst het: De beeke volgende naar heur einde, wijst zij u gedenktekenen der oudheid aan: ginds een heuvel waar in vroegere eeuwen het heidendom de asch zijner dooden begroef; of verder nog den boom, die spreekt van de Christen-kapel—de eerste misschien in deze oorden gesticht. De spreker herinnert aan de Saksen en Franken; hoe woeste horden der eersten, ginds naar de Betuwe afdaalden en er Christen-offers roofden voor hun bloedige altaren; hij wijst op den lateren tijd toen gewetensdwang den fanatieken kop verhief in deze landen, en de arme vervolgden bijeenscholen om in wouden of in velden te hooren naar een prediking waaraan hun ziele behoefte had; hij schetste... Maar genoeg, nu, nú was het een andere tijd; menschen-offers den heidenschen goden, of kerkelijke meeningen gewijd, zij vielen niet meer. Gewetensvrijheid was de zege dezer eeuw; maar toch—toch lagen in ver verwijderde oorden nog millioenen menschen geketend in de banden van het “barbarisme”. En dit, dit plechtige feest, het zou gevierd worden als het feest van den strijd des Christendoms tégen dat “barbarisme”. Een heerlijk, een heilig feest! Terwijl men de schare naar dezen tempel had opgeroepen, dewijl er geen kerkgebouw groot genoeg was om de telken jare grooter wordende menigte te kunnen bevatten, voorzeker, nu zou ook deze reine tempel er toe bijdragen om de stemming der heilige feestvreugde te verhoogen; en biddend, en dankzeggend, en lofzingend en offerend op het altaar der barmhartigheid, zou men in liefde daar bijeen zijn, in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.Wil het mij niet ten kwade duiden, indien ik des sprekers rede in zoo breede trekken hoogst onvolkomen teruggaf. Hij die niet onvatbaar mag heeten voor het schoon van een frisch en bekoorlijk tafreel, hij kon er niethoorenalleen, hij moest er ookzien.’t Was een treffende aanblik die ontelbare menigte aan weerszijden en vóór het spreekgestoelte op den beekheuvel te aanschouwen, afdalende in een wijden—wijden kring naar den bergrug heen.Ja, ik zie ze nog voor mij, die schoone groepen aan de helling van den heuvel. De blonde Geldersche deerne in haar eenvoudig paars jakje, den blik onafgebroken naar den spreker gewend; zij, naast den grijzen burger uit de stad, met zijn zilverwitten steeds ongedekten schedel, en aan zijn arm den zwakken blinden jongen, met het petje in de hand en de matte oogen naar boven gericht.Ik zie haar nog te midden van meerendeels neergezeten mannen en vrouwen, de schoone, blanke Noord-Hollandsche boerin, onwillens op een kleine verhevenheid geraakt, uitstekend boven velen en zichtbaar voor ieders oog. Ik zie haar nog terwijl zij zich wendt en keert, met iets schichtigs in den blik, zich bedroevende misschien, dat ze nú in dezen stond met niets kon vervuld zijn dan—met zich zelve. Men zal u niet hard vallen schoone vrouw, nietwaar, gij stondt daar zoo hoog en hoe hooger men staat....!En straks, zal ik de scharen betrachten terwijl zij zich spoeden naar de ververschings-plaats, waar aan menigeen den wensch ontsnapte: dat hij er hartiger bete mocht vinden dan brood en brood maar alleen? Zal ik de menigte nauwlettender bespieden waar ze ginds en her in schilderachtige groepen zijn neergezeten, de velen, die evenals mijn reisgenooten in den spoorwagen, of de betrekkingen en vrienden die ik te Wolfhezen vond, zich van een ruime proviand hadden voorzien voor den vermoeienden dag? Zal ik later de redenaars hooren op de vier gestoelten in het bosch, en u verhalen wat ze daar leerden en predikten in dien heerlijken tempel?O, ik bid u, verg mij althans dit laatste niet. Ik geloof wel dat daar nog veel waars en veel goeds is gesproken door die vele redenaars; ja, ik zelf heb er menig woord vernomen, dat velen ter stichting en leering heeft kunnen zijn, maar toch—met een smartelijk gevoel heb ik u verlaten, schoon sparrenbosch, toen in weinig gekuischte taal daar een gebed ten Hoogen werd opgezonden, vermengd met: “een reuke des doods ten doode”! Schoon sparrenbosch! waar in uw midden, Gods reine adem slechts trilt en verkwikt.Mijn dierbaar Wolfhezen, een bitter pijnlijken indruk moest ik ontvangen, toen op uw schoonste gedeelte, onder het malsche groen uwer beuken en eiken, al galmend dat woord werd herhaald: Verdoemenis! verdoemenis!!Wilt ge nog even den blik slaan in ’t ronde en menschen zien—al zijn het er weinigen—in Wolfhezens woud?Zie, een aanvallig meisje van twintig jaren omtrent, ginds bukt zij neder in ’t groen en wordt niet moede kleine boschbessen te plukken, “die hier maar zóó in ’t wilde groeien”. Weet ge, zij zal ze meenemen voor haar lieve kleine broertje, die zoo verdrietig was dat zuster van huis ging. En de bessen, wacht, zij zal ze bergen in de kleine flesch, waaruit ze met vader en moeder straks aalbessennat heeft gedronken.En zie, nu parelt er een traan in haar oog. Arm kind, men heeft u gevoelig gekrenkt. Een vrome kennis heeft u verdacht dat ge daar, in de stilte, verboden drank....!Die vrome man! Zeg, hoe kwam hij op zulk een gedachte! Liefde denkt immers geen kwaad en hij.... ginds zit hij nu neder, en zingt met zijn vrienden een statigen psalm.Hebt ge dien man wel gezien, dien leelijken man, met zijn neus als een aardappel, een bruine groote neus met wratten er op? Hij had een lange jas aan, een heel lange jas, waaruit een lang papier naar boven stak; een witte das droeg hij om den gelen hals en een vaalbruine paraplu onder den arm.Dáár hebt gij hem weder. Nu staat hij onder zijn vaalbruine dak, den steel er van tusschen den arm geklemd; in de beide knoesterige handen houdt hij het lange beduimelde papier, en terwijl de eerste regenvlaag de punten van zijn dak tot gootjes maakt, waarvan een knaapje met wijden mond een stroompje opvangt; terwijl hij telkens den blik in ’t ronde werpt om te zien of zich geen nieuwe hoorders komen voegen bij de weinige vrouwen die hem—’t zij met bevreemding of ook met diepe verrukking beschouwen—smakt hij op zalvenden toon het begrafenislied, dat hij dichtte, waarschijnlijk bij den dood van zijn zalige vrouw, op haar, die hij “bekeerd had fijn—om eeuwig leevent te zijn—Gestaan had te midden van een verdoemt geslagt—Door hem en Christie bloed tot de verreizenis gebragd.”’t Was zeker niet beter dat vers, als het niet slechter was.En verder, ik zie daar het oude vrouwtje, zoo moeielijk oprijzende van de houten bank, waarop voor haar eenig kleedingstuk is neergelegd, opstaan om den jongen man dien zij dominee noemt, haar zitplaats aan te bieden. En de jonge man, ik zie hem.... zich nederzetten; maar ook, een aardig meisje zie ik wat verder heel haastig opstaan om het vrouwtje háár plaatsje te gunnen. Was dat mijn blondje uit den spoorwagen niet? Ja wel zij was het, ik kreeg nog een vriendelijk knikje.Doch—waar moest ik eindigen, indien ik de menschen wilde schetsen, de menschen der richting te Wolfhezen het meest vertegenwoordigd, de menschen zoo als zij daar waren: goeden en kwaden, nederigen en hoogmoedigen, vromen en huichelaars, elk met zijn rechter in eigen boezem!Mijn dierbaar Wolfhezen! Ik ga u verlaten. Het feest in uw groene zalen gevierd, ofschoon het ook wanklanken deed hooren, die de spot wel mag treffen, maar liever de ernst toch bestraffenmoet, het heeft zich gekenmerkt door een orde, die de vier dienaren van ’t gerecht, die ik er zag, aan ’t geeuwen bracht.Het was een feestdag waarvan een eenvoudig doch rechtschapen man getuigde, dat het de schoonste zijns levens geweest was, een dag, die hem onvergetelijk zou blijven tot aan zijn jongste ure.Nu ik, mijn Pieter, als ik geen oordeel waag uit te spreken over het al dan niet wenschelijke eener herhaling van zulke feesten in ons dierbaar Nederland—dewijl gij mij toestemt dat men den boom toch eerst aanzijn vruchtenleert kennen—terwijl ik u voor het laatst in gedachten de hand druk, en u langzaam zie verdwijnen in de diepste verte van het straks weer eenzaam en schemerig woud—dan—dan tuur ik ook nóg eens naar het rookzuiltje dat opstijgt uit de schouw als het van lieverlede schuil gaat in den zachten avondsluier.En dan—dan komen ook die dagen mij weder voor den geest, de dagen aan uwe zij in Wolfhezen gesleten, en de wensch wordt vurig in mijne borst: dat Wolfhezen, door zijn edele eigenaars, zoo ongerept als tot heden, voor het nageslacht moge bewaard worden, zij het niet slechts ter wille van den verrukten natuurbeschouwer of den zoon der kunst, maar zelfs—als het zoo wezen moet—om er ook weder vele menschen bijeen te vergaren, menschen steeds edeler en reiner; niet oordeelende en verdoemende, maar één, één in de heiligste Liefde.
Gelegenheidsstukken.De Reus van Antwerpen.Daar was eens een reus en zijn naam was Druon-Antigoon en zijn gade was een reuzin.En op den schoonen oever van den breeden Schelde-stroom bouwde zich Druon-Antigoon een sterken burg, en de zalen waren vervaarlijk groot en hoog.En als Druon-Antigoon voor het breede burgvenster gezeten was, dan had hij het uitzicht over den voorbijsnellenden vloed, en als de zon op het watervlak speelde, dan zag hij de zilverschubbige bewoners er boven uitspringen, en glanzen in ’t zonnelicht; maar ook, als de wind het lies aan den oever deed ruischen, dan zag hij de schippers met volle zeilen voorbij den burg varen, ha! alsof er geen reus aan de Schelde was!En op een vroegen morgen toen Druon-Antigoon weer voor zijn venster zat, en hij een schipper, laveerende, naar het basalt van den burg den steven zag wenden, toen klonk er uit koperen longen een donderendhaltdoor de lucht, en stak de reus zijn arm uit het venster, en greep er met ijzeren hand den mast van het vaartuig, dat alles er kraakte en schokte.En de visschen met hun zilveren schubben hadden Antigoon gezegd, dat de Schelde hem meer moest geven dan het vleesch van hun graat.En Antigoon bulderde weder: Menschenworm! zijt groot zooals ik, of anders—anders zult ge tol en schatting betalen, tol en schatting aan Druon-Antigoon, den eeuwigen reus in zijn burg!Maar de arme schippers konden niet groot zijn zooals die geweldige burgheer, en ze betaalden hun tol en hun schatting, want—deden zij ’tniet, dan rukte de wreede hen weg van het roer, en hieuw met zijn vreeselijk slagzwaard hun handen van ’t lijf, en wierp ze, och arme! ten aas voor de visschen in ’t diep van den stroom.En gansch het land schreeuwde wraak. Maar Druon-Antigoon bleef rustig zijn tol en schatting heffen—of wel, hij greep de schepen bij hun masten, en hief ze boven den vloed, en deed ze met de kiel een halven cirkel door het luchtruim beschrijven, en—het kappen van der weerspannigen handen, en hetHandwerpenin de Schelde bleef zijn geliefkoosd vermaak.Maar Brabo nadert.Brabo de held, met zijn beitel en lier. En in zijn borst woont de zucht om de bekoorlijke oevers der Schelde van den geweldige te verlossen, om Druon-Antigoon, den reus, te verslaan.En onder het venster van den hechten burg, roept Brabo dat Druon-Antigoon met zijn gade zal uitkomen, want heel het land wenscht de beeltenis van den burgheer en zijn gemalinne te zien, en Brabo zal ze houwen in eeuwentartend graniet.En Antigoon en zijne gade verlaten den burg, en Brabo houwt hun beeltenis met vaste hand. Maar als de kunstenaar arbeidt, dan vallen de oogleen des geweldigen toe,—en de schippers varen ongehinderd voorbij.En Brabo werkt voort, en zingt bijwijlen zijne liederen; maar als de sterke in ’t einde ontwaakt, dan deinst hij terug bij het aanschouwen van een tweede als hij—het beeld nóg grooter dan de Schelde-reus zelf—gewrocht door het genie. En bij het vernemen van de nooit gehoorde zilveren tonen van Brabo’s stemme en lier, rukt hij zich, bevend, het slagzwaard van de zijde, en dreigt er den dwerg te verslaan, den dwerg, die zijn zinnen beheerscht.Maar ziet, Brabo’s stalen beitel snort door de lucht, en treft er den kop des geweldigen; en Druon-Antigoon stort met een rauwen kreet ter aarde, en in zijn val verplet hij de vrouw, die hem zonen zou baren; en die beiden—zijn de laatsten van hun geslacht.Leve de Verwinnaar!En toen de reus, met háár, die hem zonen zou baren, verslagen was, toen stroomde het volk van heinde en verre bijeen, en juichte met blijde klanken den verwinnaar toe, en bouwde met Brabo, den held, een schoone stad op den oever der Schelde—waarvan de reuzenburg de hoeksteen bleef—en schonk haar ter eeuwiger herinnering, den naam van:Antwerpen.En het volk vertelde de geschiedenis van Druon-Antigoon aan zijne kinderen en kleinkinderen, en allen verheugden zich dat kloeke Brabo den woestaard verwon, en aanschouwden zijn werk, en zongen zijne liederen, en juichten: De geweldige is verslagen!Maar toch—toch meent de naneef dat Druon-Antigoon nog somtijds rondwaart door Antwerpens straten; dat hij—ofschoon deheld der beschaving hem versloeg—nog somtijds met zijn reuzenschim komt spoken in den boezem van Antwerpens grooten en kleinen; dat Druon-Antigoon nog immer meewerkt tot den roem van Brabo’s nakroost.Zeg, Genius van Antwerpens bouwkunst! zaagt gij den reus niet in uwe wallen, die er den prachtigen toren uwer hoofdkerk deed verrijzen, en er de achtkante tafel—Antigoons steenen disch—ter zwaarte van tweemaal zesduizend kilo’s, nog hooger dan viermaal honderd voeten optillen dorst....?Spreek, Genius van Antwerpens schilderschole! mocht niet de reus in uw veste als vorst den kunstschepter zwaaien, de reus, wiens name groot klinkt in vijf werelden, en wiens standbeeld gij deedt verrijzen op ’t midden der “groene plaetse”?En gij, Antwerpens stedemaagd! buigt gij het hoofd niet voor den kolos, die de poorten uwer grootsche stad wijd, wijde ontsloot, en gansch het kunstlievend Europa als gast dorst nooden in uwe wallen? De meer dan tienmaal honderd strijders der gedachte1van Noord en van Zuid, het luide welkom, welkom! deed hooren. Die het luidere welkom griffelen deed in ’t eeremetaal, als een blijvend welkom aan allen, die broeders willen zijn in de Kunst, broeders door het onbezoedeld genie, hoogepriesters van den eeuwigen Bouwmeester—door verspreiding van licht en beschaving, in beeld en in schrift?Maar neen, zij buigt het hoofd niet, Antwerpens stedemaagd. Ziet, zij lacht vroolijk.Zeg, fiere maagd, lacht ge dáárom zoo blij, dat de reus der gedachte uw roem heeft gehandhaafd en al die zonen van ’t genie te zaam aan uwen disch deed nederzitten; dat Rus en Italiaan elkaar als broeders van éénen stam met warmte aan ’t harte drukten; dat de zonen van ’t machtige Albion, het kloeke Germanje, en het stoute Frankrijk hun aller moeder een heildronk wijdden; dat Zuid- en Noord-Nederlanders één tale roemden in uw grootsche zaal, en samen juichten ter eere van Antwerpens reus der negentiende eeuw: de zucht naar éénheid voor alle strijders der gedachte, de zucht tot inniger verbroedering voor alle zonen der Kunst....?En vlaggen van allerlei kleur wuifden het Heil U! langs Antwerpens straten; en wapenschilden van velerlei natie riepen u vande gevels der huizen de namen toe van hen, die men er gastvrij ontving; en....Maar stil, daar nadert een breede stoet. Blootshoofds treden zij langzaam voort, de mannen in hun gewijde kleeren en met hun prachtige banieren. Bloem en loof wordt met kwistige hand gestrooid langs den weg dien de stoet heeft te volgen. Zie, dat is het beeld der Lieve Vrouwe, dat men in plechtigen optocht en statig rondvoert.Denker! zult gij het hoofd niet ontblooten; kinderen van denzelfden God! zult ge minachten den hier gehuldigden vorm?Gij, die van den Christus verstaan hebt rechtstreeks tot uw God, als tot uw liefdevollen vader te spreken, zult ge hen veroordeelen, die hier nog kiezen de Lieve Vrouwe tot verteedering van den altijd opnieuw miskenden en heiligen God.Ontbloot vrij uw hoofd. Veracht niet den vorm. Denker! daar zijn vele vormen, doch weet het, daar is slechts ééne waarheid, en die eeuwige waarheid is:Zalig zijn ze die God liefhebben bovenal, en den naaste als zich zelven!Liefde voor God en de menschen!Dát, dát alleen is het hechte fondament voor den heiligen tempel der Kunst.En in dien tempel—Broeders, wij zijn er één! Wij zijn er één, dewijl wij het kunstschoon genieten bij velerlei vorm, ja zelfs bij gebrekkige vormen in beeld of in schrift.En ziet—nu gij de zalen betreedt, waar de voortbrengsels van ’t genie de wanden versieren, ja, nu huivert gij bij ’t aanschouwen van dien slavenroof aan Afrika’s kuste. Uw harte bloedt bij het angstig bespieden van dat afgrijslijk schoon tafreel, waar de blanke duivel ten troon zit en die arme zwarten tot dieren verlaagt.2Zegt, Broeders der Kunst, vraagt gij ook,hoezij haar God zocht te dienen, nu gij die Syrische vrouwe ten prooi van den woesteling ziet, die haar met onzalige vingers den teederen boezem nijpt, en straks haar ten vure zal doemen?3Neen, neen! gij hoort haar angstkreet, haar smeeken, haar kermen. En het bloed stroomt u sneller door de aders; gij wilt haar verlossen, haar scheuren uit de klauwen des verderfs. Broeders! wij zijn één in geloof; dát, dát is de triomf der Kunst—zij wekt ons tot liefde.Arme moeder op uw zoldervertrekje, met uw kruisken in de hand; met uwe arme kinders geknield bij de lijkwa van uw echtvriend, van uw eenigen kostwinner! Arme vrouwe, zie daar staan ze nu, de gereedschappen van uw altijd zoo werkzamen echtvriend; zie, nog kleeft de kalk aan de truffel, die hij zoo kloek kon hanteeren, en dien voegspijker en dat paslood, arme, arme weduw, hij zal ze nimmer, nimmermeer besturen.4Arme vrouwe, wij weten ’t wel, gij zijt met uw smart slechts getooverd op het doek, doch—aller oog is vochtig geworden bij het aanschouwen van uw diep treffend leed, en die traan, ontlokt door de Kunst, heeft gefluisterd van broederliefde, en,—broederliefde en christenzin, zijn die beide niet één.En al verder treedt gij door die rijk versierde zalen, en de Kunst maakt u opmerkzaam, hoe schoon het daar buiten in Gods heerlijke schepping is: Bloeiende velden, lachende heuvels, trotsche bergen, woelende zeeën, tintelende luchten! En—als gij dan den maker prijst van het beeld, dat u weer deed genieten wat ge eens aan den boezem der natuur hebt gesmaakt, dan, dan prijst uw ziel toch bóven dat alles den Schepper van hemel en aarde, den Vader der Liefde!Maar Broeders der Kunst, gij wist het wel dat wij één waren: één door de zucht naar het eeuwige schoon; doch zegt, voelt gij ’t ook hoe gij daar leeraart en predikt met klinkende stemmen;—hoe gij daar vrijheid eischt voor de kinderen Gods, en er afgrijzen wekt voor den slaven- den broedermoord;—hoe ge daar huiveren doet voor godsdiensthaat en voor godsdienstkrijg;—hoe ge daar luide verkondigt: zoekt ze de armen, de weduwen en weezen, en steunt ze met uwe gaven, zij missen zooveel;—hoe ge daar leeraart en predikt: ’t is er zoo goed aan den huiselijken haard, ’t is er zoo schoon in Gods prachtige schepping....?O Broeders der Kunst, Apostelen Gods! wat zijt gij groot! Wat moogt ge nederig fier zijn op uwe roeping. Maar wee! wee over ons, zoo wij die roeping vergeten, het schoone miskennen, het reine onteeren!Verstom naargeestige toon! Op Antwerpens reuzenfeest mag die snare niet trillen. De zonen der gedachte, ze waren er één! en daarom is er geen wanklank vernomen, en dáárom was het schitterend eeremaal in waarheid een broedermaal, en dáárom heeft Demarteau’s lied in den Feërieken lusthof ookallenhet harte getroffen.O Fisscher en Tillez! doet uwe zilverstemmen nogmaals ruischen als in dien heerlijken nacht. Honderden vangen met naamlooze stilte de woorden op dier schoone melodie. Geen blaadje beweegt er; een zee van kunstlicht doet u aanschouwen hoe alles er luistert; en de maan, de volle maan daarboven de statige populieren, zij luistert mee in heur diep diepe blauw.SOLO.Salut, o phalange sacrée,Dont l’aspect nous fait tressailler;Gloire aux soldats de la pensée.Aux pionniers de l’avenir.RÉCITATIF.Fréres en vous comptant, une ivresse profondeS’empare de mon cœur, oui, nous pourrons un jour,Peintres, poétes, penseurs, régénérer le mondePar la foi, le travail, le génie et l’amour.STROPHES.Oui, je voudrais, dans un élan sublime,Vous presser tous sur mon cœur palpitant:Enfants de Dieu qu’un meme zéle anime,Courrez au but, la palme vous attends.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Si le trépas, Fréres venus de France,A parmi vous fait des vides nombreux;Serrez vos rangs, espoir et confiance!Suivez les pas de vos morts glorieux.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Fréres du Nord, Russes, Germains, Bataves,Fils d’Albion, vous qu’entourent les mers,Unissez vous, pour les arts plus d’entraves,Par vos travaux étonnez l’univers!Et vous enfants de la rive bénie,Oú tout rayonne; et la terre et le ciel,Puissent vos maux fimir, l’ItalieProduire encor un nouveau Raphaël.5Et toi, sois fier, o mon pays que j’aime!Qui donc encor t’ose appeler petit?N’es-tu pas grand par eet éclat suprême,Qui de tes fils jusqu’à toi rejaillit?Ce jour t’acquiert une gloire nouvelle,Pays des arts et de la liberté,Tu vas fonderla paixuniverselle,Sur le talent et la fraternité.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .En als het koor dan juichend den aanhef der schoone Cantate herhaalt:Retentissez, chants de victoire,Éveille-toi, noble cité,Fêtons les élus de la gloire,Les fils de l’immortalité....dan—dan heerscht er een diepe stilte; maar als het geëindigd is, dan barst er een oorverdoovend Bravo los, en straks,—straks ook dondert het kunstvuur een alles beheerschend BRAVO in de lucht, en wendt gij den blik dan naar boven, dan ziet gij de booze geesten, hoe ze vuurspuwend met gloeiende sikkels elkaar vernielen. Kanongebulder en vreeselijk musketvuur schokken den bodem waarop gij den voet drukt. Een huivering doortrilt uwe ziel. Maar, victorie! victorie! weer heeft de Kunst hier getooverd!Vrede, vrede op aarde! is de bee, die er opwelt in aller boezem, en ziet: Een reine vuurstraalZUCHTkrachtig naar boven, en schoone duizendkleurige bloemen vlokken naar omlaag en een stemme spreekt zachtkens vanbinnen:Bloemen en gaven zij dalen van Boven:Zoekt met Uw gaven den Gever te loven!En het Te Deum heeft weerklonken in de kruisgewelven van Antwerpens kathedrale.Broeders Protestanten! ook hier zijn vreemde vormen, maar dat Te Deum ia ook voor ons het Godgewijde lied bij uitnemendheid. Ei, stemt dan in stilte:Wij loven U, o God, wij prijzen Uwen naam,U, eeuwig Vader, U verheft al ’t schepsel saam.Zingt Serafs, Eng’len zingt; heft Machten aan en Tronen;Onafgebroken rijze uw lied op hooge tonen,Gij, driewerf heilig zijt Ge, o God der legerscharen,Dat aarde en hemel steeds Uw grootheid openbaren.6En als de volkeren der gansche aarde dat lied verstaan en doorgronden, dan, dan is er geen burgeroorlog en geen bloediger godsdienstkrijg meer te duchten, dan is het:La paix universellePar la foi, le travail, le génie et l’amour.Voorwaarts dan zonen der Kunst. Voorwaarts!En alweder, Antwerpens stedemaagd, hebt gij ons binnen de zalen van uw Kunst-Congres den reus doen aanschouwen, den reus der gedachte, den reus die meer dan duizend mannen, zoo verschillend van geboorte als van genie en ontwikkeling, zoo verscheiden van kunstuiting als van godsdienstvormen, in velerlei tale deed samenspreken; deed samenspreken zonder verstoring van den broederzin; deed samenspreken met warmte tot één eenig doel: de verheffing, de waardeering, de opbouwing van de Kunst. De kunst, die schoone dochter der zucht naar waarheid, der begeerte naar eeuwige wijsheid.Kunst! dochter derWIJSBEGEERTE! Wijsbegeerte, telg der Godheid op aarde!En de reuzengeest, die het denkbeeld van zulk een grootsche wrijving der gedachten in ’t leven riep, heeft getriomfeerd in spijt van veler profetie. De rechten der Kunst, haar doel en hare bestemming zijn levendiger geworden in den boezem dier vergadering. Vonken vuurs zijn er geslagen, en koude harten—ze hebben gegloeid! Stad van den reus, dank, dank voor uwe zegepraal.En als gij ons dan verder uwe Kunsttrezoren hebt getoond en altijd en altijd genieten deedt, welaan, voer hem dan rond door uwe straten het beeld van den kolos, die, ofschoon door de beschaving verslagen, toch immer de grondlegger der grootsche Scheldestad blijft. Ook wij, wij willen het beeld uwer grootheid aanschouwen—den omgang der reuzen en wagens.En ziet, de walvisch—de reus der zeeën—opent den trein. Uit zijne neusgaten blaast hij het water der Schelde ginds en her over het jubelende volk, en hij schijnt er te roepen:Van den oceaan ben ik tot u gekomen. Heerscht over de wateren. Zeeën en Schelde zijn één!Ziet, en achter hem volgen ze reeds; de boden en dienaars van Neptunus, de ranke dolfijnen.En kleine booten klieven alree de golven; en, als de roeiers met kloeke handen de riemen bewegen, dan zien ze:Het schip al volgen, het groote schip in volle zeilen; het schip met het wakkere scheepsvolk aan boord, dat overzeesche schatten brengt aan de oevers der Schelde.Ziet gij ’t wel, op dien wagen met vele rijk getooide paarden bespannen, volgt nu het beeld van Druon-Antigoons gade. Ja, ook deVROUWEmagGROOTzijn, maar dat heur ziele toch rein zij, ziet: rein als het witte kleed dat die gestalte omhult; heur tale zij als het zilver waarmede dat kleed is bestikt, en de roode sjerp, die van den schouder tot op de heupe zwiert, moet haar het beeld zijn der heiligste Liefde.Daar komt hij.... daar komt hij met zijn zwaard en zijn schild, de forschgespierde, de burgheer der Schelde. Ja, ’t is zijn afbeeldsel wel. Fier doet men hem rondzien, en hij blikt er van zijn triumfkar door de hoogste vensters naar binnen, en grimt er in ’t ronde omdat hij nogkleinheidbespeurt, kleinheid, die vlucht voor zijn aanblik: kleinheid, die snel voor hem heengaat. “Weest groot zooals ik!” klonk eertijds zijn stem. Maar thans, hoe zijn beeld er ookrondwaart, hij kan er nietachterzich zien en aanschouwen wat hem volgt op den voet. En ziet, wat hem volgt heeft zijn geroep gehoord, doch—werdgrooter danhij.Brabo’s triumf:Prachtwagen met de zinnebeelden van Antwerpens bloei door beschaving, door zeevaart en handel. Welkom wakkere stedemaagd! Van uw hoogen zetel ziet gij met welgevallen neder op de vele natiën die gij met u voert. Druon-Antigoon is voorbijgegaan, en des geweldigen arm kan den buit niet meer bereiken, en de triton achter uw zetel blaast te luider een driewerf: Houzee!Houzee!En welvaart heerscht er; en Antwerpen is groot onder de steden; en de wagen die volgt toont zijn roem en zijn reuzengeest aan de nakomelingschap, en wijst op de schatten van ’t genie, die zijne wallen omsluit. Wat al mannen van kracht en van geest nemen er hunne plaatsen op in. Schoon en verheven als het prachtige voertuig zelf, klinken de namen van hen, wier nagedachtenis het in bonte mengeling met zich voert.En—wilt ge nóg zien wat Kunst en wat Arbeid in deze oorden gewrocht heeft?Ziet, daar nadert Flora’s zegewagen. Zij nadert, de vriendelijke maagd in haar witte kleeding. Gezeten in haar lommerrijk priëel, omgeven van bloeiende planten uit Noorder- en Zuiderluchten, drukt haar voet het mollige grastapeet dat met bloemen bezaaid is. Akker- en tuinbouw juichen mede ter eere der Kunst, der Kunst die hen voorgaat.Ontwikkeling, welvaart, vrede! Kinderen der hooge wijsbegeerte en der immer voorwaarts strevende Kunst! Fiere maagden! op den laatsten wagen hebt gij met nog meer zusters uwe plaatsen genomen.En—als de stoet voorbij is, dan staart nog het oog op dat achterste blazoen van dien laatsten der wagens, en hoort gij in ’t klokkengelui van den toren alweder den nagalm van ’t lied, het lied dat ook dié omdracht u zong:Voorwaarts zonen der Kunst! voorwaarts kinderen der beschaving! Door U, door U zij er vrede op aarde!En die nagalm, het is een zuivere toon; zuiver, al was het de voorstelling niet van het ongewone, grootsche, maar te vluchtige schouwspel, dat den Noord-Nederlander verrassen en verbazen moest.Onzuiver zij de omtrek, waarmee hij den indruk dier prachtige vertooning zocht te schetsen—de naklank, de naklank er van is zuiver.Zuiver als Artots stem, toen zij daar in die weidsche zale de woorden van het verheffende psalmlied zong:“I cieli immensi narrando del grande Iddio la gloria.”Zuiver als de driehonderd stemmen, door Callaerts kunstschepter beheerscht, die er te zamen herhaalden:I cieli immensi narrando del grande Iddio la gloria.Zuiver is die nagalm, zuiver en rein als Joachims snarengetoover, dat een onafzienbare schare verrukte, ja meer—ook Hollands grootste toonzetters in vervoering bracht.Zuiver, als het kunstgenot dat Antwerpens reuzengeest op dien onvergetelijk en avond aan allen te smaken gaf.En—zuiver maar krachtig blijve het voortruischen, dat thema van Antwerpens Kunstfeest:Vrede! vrede op aarde!En—toen de dag nu aanlichtte, waarop het welkom met een roerend: Vaarwel! werd verwisseld; toen het scheiden van zoovele broeders het harte week maakte, en de Noord-Nederlander nog eens omzag naar de veste, waar de reus der Kunsten ten troon zit, toen welde hem een traan in het oog; maar ook—toen was het hem een heerlijk symbool, dat zich daarginds, in ’t lauwe gras der sterke wallen, een kloeke zoon van Mars ter ruste ging nedervlijen,7en—zijn afscheid was: Vrede!En toen hij daar voortgleed op de wiek van den stoom naar den eeuwig dierbaren geboortegrond, toen, toen bezag hij ook nogmaals den schoonen gedenkpenning aan die onvergetelijke dagen; en—Antwerpens wapen boeide zijn geest.Boven den hechten burg ziet hij die handen naar boven.Neen, dat zijn hem niet meer de handen der arme schippers uit de tijden der sage; dat zijn hem de handen van den Antwerpschen reus dezer eeuw; de handen der vele broeders uit Antwerpens onvergetelijken Kunstkring;8van den dierbaren vriend en de zijnen, in wier woning en harten hij plaatse bekwam. Dat zijn hem de handen van Antwerpens eersten en hoogwaardigen Magistraat, van den edelen Burgervader, den voorzitter van het reusachtige Kunst-Congres.Ziet, en ze wuiven nogmaals: Vaarwel, vaarwel! gij strijders der gedachte. Zij wenken: Komt weder als het u wel was in onzen tempel der Kunst! En hij, de broeder van ’t Noord, de broeder der zelfde tale bovendien, hij drukt ze nog eens met verrukking die handen—ja, ook de hoog edelsten dáár ze schamen ’t zich niet.—Vaarwel! roept hij mede. Dank, dank! stamelt zijn stem; God zegene u allen! God zegene u, heerlijk lustoord der Kunst! en—zij er een grens tusschen ’t Zuid en het Noord; in het rijk der Kunst bestaan geene grenzen: Broeders voorwaarts! Eenheid, Vooruitgang, blijve de leuze; en thans voor het laatst:Uw kunst werke mee tot den vrede op aarde!1“Soldats de la pensée.” Le triomphe des arts.Feest-Cantate van G. Demarteau.2Schilderij van Biard.3Schilderij van Cermak.4Schilderij van De Bruycker.5De zanger wijzigde aldus de woorden van Demarteau’s Cantate, die oorspronkelijk luidden:Produire encordes NouveauxRaphaël.6Het Te Deum—3de der Nederd. Evang. gezangen.7Naar het leven.8Cercle Artistique.Te Wolfhezen.Herinnering aan mijn ontslapen vriend, den Kunstschilder P. L. L. Oerder gewijd.Gij zijt niet meer, mijn goede vriend Pieter. De levensvijand tastte u aan, en ofschoon men u ook overwinnaar waande in den heeten kamp, de wonde u toegebracht zij was te geweldig en in de armen van onzen braven leermeester, uw trouwsten vriend en geestverwant, gaaft gij den jongsten snik.Oerder, mijn ontslapen vriend, al is het mij ook als stondt gij daar nog, met uw gul en blozend, trouwhartig gelaat, toch—toch kan ik niet meer tot u spreken zooals voorheen, maar—wanneer ik in vluchtige trekken aan anderen verhalen ga, wat mij vroeger en onlangs het schoone Wolfhezen te zien, te hooren en te gevoelen gaf, dan zal het mij zeker nog dikwijls zijn als sprak ik tot u; en als ik dan tevens, doch ongemerkt, een loover kan neerleggen op uw eenzaam graf, dan heb ik voldaan aan de behoefte van mijn hart, want ook gij mijn vriend—hoezeer wij in geloofsovertuiging van elkander verschilden—ook gij hebt mijn oog helpen richten op de schoonheden van Gods prachtige schepping, en mij,in u zelvenden reinen mensch doen waardeeren, ongeacht den vorm—den immer gebrekkigen vorm zijner Godsvereering op aarde.Daar klonk in de jongste dagen een stem door het land, een stem wier weerklank was: Op, Christenen! dost u in feestgewaad; spoedt u naar Gelderlands lustoord; gij zult er een feest vieren, een nieuw, een heerlijk feest: den heiden ten zegen, uw ziele ten heil, den drieëenigen God ter eere!En de roepstem werd vernomen, en de geest der roependen werd verstaan, en duizenden uit vele oorden des lands, zij maakten zich op, en spoedden zich voort naar het schoone woud.Duizenden! en onder die duizenden zoovelen in het vast geloof, dat de adelbrief der rechtzinnigheid aan hen was verleend, de adelbrief door God zelven geteekend met de pen der genade, en die gedoopt in het dierbaar bloed van Zijn heiligen Zoon.Doch onder die duizenden was er één, één dat weet ik zeker—die zulk een geestelijken adelbrief nog niet had ontvangen, en door iets anders naar dat schoone oord werd getrokken dan die duizenden ginds.Wolfhezen was hem lief. Hoe dikwijls zat hij er neder om boom en blad en ’t klare beekje langs de blanke heuvels in groenen zoom, nauwlettend te bespieden, en ook te schetsen in verven ofschoon met zwakke hand.En niets, niets stoorde dan de plechtige stilte die er heerschte, want zelfs het bijna onhoorbaar gemurmel der beek, het lieflijk gekweel der vogels in ’t ronde, het klagend gekor der woudduif van verre, ’t geritsel door ’t loof van den vallenden eikel, en ’t vluchtig gekrak van het doode takje als het eekhoorntje rondsprong in ’t eikenhout; zij zelfs, de zoetste stemmen der natuur, ze smolten inéén met die plechtige stilte, tot het lieflijkst akkoord.En, als een ander geluid den jeugdigen schilder een enkele reize deed opzien van zijn arbeid, dan was het, wanneer het schokken der kleine met plaggen beladene kar hem wekte, terwijl zij daarginder, door den statig-stappenden rood-bonten os, over het aardige beekbrugje werd voortgetrokken, of ook, wanneer het zachte gekling-klang der klokjes hem trof, als Harm “de scheper” aan gene zijde der beek zijn kudde voorbijdreef, en de schapen—in deze landstreek zoo goed met schilders als schepers bekend—niet aarzelden om ter lessching van hun dorst den beekheuvel af te dalen, terwijl de blanke kiezels hun fijne pootjes reeds vooruit rolden en plassende in den helderen vliet, er parels deden opspatten van vloeiend kristal.Ja, Wolfhezen was hem lief, want de natuur is er heerlijk en schoon!—Schoon, verheffend schoon, bovenal in den morgen, in den vroegen morgen:Als bij ’t lieflijk voog’len kweelen’t Luchtig morgenkoeltje suist,En bij ’t pooplen van de abeelen,’t Vaarkruid boven ’t beekje ruischt.Als er blauwe nevels dwalen,Ginds waar ’t woud zijn toppen beurt,En de zon met de eerste stralen’t Zilvren web der heide kleurt.Als de boekweit geurt vol zoetheid,En het bijtje u gonst in ’t oor:De aard is vol van ’s Heeren goedheidLooft zijn naam alle eeuwen door!En in zulk een morgen, was het dan vreemd dat er een traan welde in het oog van den jongeling, en dat er een woord, uit den diepsten grond des harten geweld, aan zijn lippen ontvlood, een enkel woord....Pieter, gij hebt dat woord niet vernomen. Dat behoefde ook niet. Maar—wanneer wij wel eens voor een wijlen poozende van den arbeid, het penseel lieten rusten en ik u onwillens verrassen moest, terwijl gij achter een heuvel verscholen neerlaagt op de bruine hei, en er in uw bijbeltje laast, met een zoo ongehuichelde vroomheid op uw goed gelaat, zeg, hebt gij dan ook misschien gebeden voor het zieleheil van uw jongen vriend, den armen verdoolde! die—daarbuiten—niet las in een bijbeltje en niet gelooven wilde wat gij voor eeuwige waarheid hieldt? Ja, ik weet het, gij hebt gebeden, maar ook, en dát, dát was uw waarachtigst gebed: gij hebt gewerkt. Nooit! neen nooit zelfs bij vroolijke scherts, heeft een onrein woord uit uw mond den zuiveren dampkring bezoedeld; altijd hulpvaardig, altijd voorkomend stondt gij den jongeren leerling ter zij, en immer goedaardig en stil, ook dán wanneer gij worsteldet met de kunst die u lief was—de menschen weten niet wat daarmee te worstelen valt—misschien zelfs worsteldet met uw lichaam er bij, heeft hij geen wrevel in u bespeurd, slechts eenmaal uw toorn.... Maar inderdaad, dat was een al te groote, een overdreven ijver, mijn goede Pieter, immers de naam van uw God werd daar niet gelasterd, en toch, ook zelfs voor dientoorn.... ik zou er u gaarne de hand nog voor drukken.En onder de duizenden, die zich opmaakten om het Zendingsfeest te vieren, was er dan één, die niet opging zooals de groote schare, gewekt door geestverwantschap, en in gloed voor het doel—al zou hij wel gaarne het rijk der liefde prediken “beginnende van Jeruzalem” en al vindt hij het denkbeeld verheffend schoon, den Schepper een loflied te zingen in zijn prachtigsten tempel: de reine natuur. Neen, hij maakte zich op en voor ’t grootste deel, om zijn dierbaar Wolfhezen in den vreemden tooi te zien, die aan vervlogene eeuwen herinneren moest, om zich met eigen oogen te overtuigen of dat feest—naar sommiger meening—de plek niet ontwijden zou, die hem immer toelachte als een reine maagd vol onverwelkbare schoonheid.En de nacht wekte hem van zijn leger, en de vroege morgen groette hem, als hij aan den oever van den breeden Maasstroom door het kleine raampje van den spoorwagen heen, de golfjes zich alle in grauwen nevel zag voortspoeden, beden in den nevel; morgen in het glanzende licht der zon: bij stilte of storm, ’t zij grooter of kleiner, ’t zij helder of troebel,—zij alle van denzelfdenoorsprong—vlietende naar dien oorsprong terug, naar den eindeloozen Oceaan....En het werd een schoone—al werd het geenhelderedag.De feesttrein snelde voort, en zijn breede blanke pluim van stoom golfde met hem mee, en wuifde den nieuwsgierigen langs zijn pad een vroolijk “vaarwel” toe.En ik—in mijn hoekske gezeten, terwijl ik mijn oog liet weiden over de bonte rijen van mannen en vrouwen, van jongen en ouden, daar hoorde ik weer in ’t gestoot van den wagen die droevige profetie: “Wat zult gij een huichlende vroomheid zien!”Maar neen—in waarheid hier in den feesttrein zag ik ze niet. Die burgerman met zijn witte das lachte mij vriendelijk groetende toe, en op mijn “Donker luchtje mijnheer,” meende hij: “Dat het nog op kon klaren,” och, doodeenvoudig: dat het nog op kon klaren. En “de lange gezichten”, ik zag ze niet: en de “smachtende blikken ten Hoogen”, neen waarlijk ik bespeurde ze nergens; de vroolijkste verwachting las ik op de meeste aangezichten; ze praatten en lachten, doch stemmig bedaard; ja inderdaad het waren menschen! gewone doch fatsoenlijke menschen.En eensklaps—daar was voorzeker een wenk gegeven—kwam een ernstiger plooi op veler gelaat; de mannen ontblootten het hoofd, de vrouwen zagen stil voor zich heen, en de snorrende dreunende spoorwagen weerklonk van het zuiver aangeheven psalmlied:Looft den Heer want Hij is goed,Looft Hem met een blij gemoed.Want Zijn gunst alom verspreid,Zal bestaan in eeuwigheid.Dat was vreemd nietwaar in den wagen?Pieter, wat zoudtGIJgenoten en helder hebben meegezongen; en gij mijn vriend de profeet, die in uw gelooven zoo hemelsbreed verschilt met de volgelingen der Dordtsche vaderen, ja, ik weet het, waart ge daar tegenwoordig geweest, ook gij zoudt het hoofd ontbloot en wellicht hebben meegestemd in dat lied ter eere van den Eeuwige, van Hem, die wel bij vele namen door Zijne schepselen wordt genoemd, doch voor de uiting van wiens naam alle aardsche taal te arm is, en alle aardsche wijsheid te gering om dien naar eisch te bepalen. Gij stemt het mij toe, slechts sectenhaat of blinde partijzucht zal wrevel gevoelen bij de uiting van eens anders waarachtig godsdienstig gevoel, terwijl alleen een bittere ervaring er toe leiden kan om al aanstonds haar oprechtheid te verdenken, en de lichtzinnige slechtsspottenzal waar door stervelingen,den Formeerder van millioenen werelden, den Voeder van legioenen billioenen schepselen, hoe onvolkomen dan ook, het: Looft, looft Hem! wordt toegebracht.En de trein snelde voort, en een vroolijke maar opgeruimde stemming bleef ongestoord in dien wagen heerschen.Behalve den reeds genoemden burgerman, bestond het klubje, het meest in mijn nabijheid gezeten, uit een paar oude juffrouwen, een zoon uit den ambachtsstand, en een viertal meisjes met stemmige, niet onaardige—ja twee er van zelfs met geestige gezichtjes. En waarlijk, dat klubje het onderscheidde zich door een onderlinge hartelijke gulheid, waarvan ook de vreemden de tastbare bewijzen ontvangen mochten. Ik weet niet wat schatten van proviand ons vriendelijk dringend met een: toe maar! werden aangeboden, en—of ook een wenk voldoende was om daarvoor dank te betuigen, een kleine versnapering mocht niet versmaad maar haastig worden aangenomen.En na het genot, en wat kout over ’t weer en de heerlijke landstreek, waarheen men ons voerde, vervulde opnieuw een psalmlied dentrillendenwagen. En al zag ik ook nu, en straks, en tot den einde bij ieder lied dat weerklonk, de groote blauwe oogen van het blondste der meisjes voortdurend van reine geestdrift schitteren, toch las ik op sommige aangezichten bij het derde of vierde lied een zekere vermoeienis een....Maar gij begrijpt wat ik zeggen wil; de man verstond mij ook toen ik hem opmerkte, dat men dien dag nog zooveel zou moeten zingen en of de stemming, die zij op Wolfhezen wenschten, niet reeds te veel verzwakt zoude zijn indien....?Ja, hij gevoelde dat zeer goed, en—hij zou maar eens een sigaartje opsteken. Weet u, maar ze zongen zoo gaarne, en straks dan zouden ze dit—dit lied eens aanheffen: “Het betere vaderland” dat was zoo schoon, en de wijs: bijzonder!En de vriendelijke man al vond hij het lied ook schoon, hij wilde het toch den vreemde wel toegeven: ja—dat het vaderland voor de ziel toch eigenlijk in de eerste plaats, reeds deaardemoest zijn, en, dat het hijgen en zuchten naar eenbetervaderland inderdaad ondankbaarheid aan den Schepper mocht heeten, aan Hem, die den hemel wel zeker reeds op aarde vestte voor hen die maar goed verstaan, dat de hemel der ziele is:DE VREDE VAN EEN REIN GEMOED.Ja, al vond hij het lied toch schoon, hij wilde wel toestemmen ook, dat het uitzicht der ruste in het Jeruzalem daarboven “de stad voor Gods bruid met de straten van goud” toch eigenlijk geen ruste zou zijn in den zin van aardsche ruste.Neen, ziet u, na dat viermalen: rust, rust! rust, rust! volgde de bepaling:Hemelsche rust!Maar—zoo meende ik weder—of het dan toch niet beter zou zijn, den zin der menschen voor hier en voor eeuwig op te wekken, in stee van tot die hemelsche rust—tot een hemelscheWERKZAAMHEID?Ja—ja, dat kon wel waar wezen, maar toch het was een mooi gedicht dat “betere vaderland” en de wijs! en de meisjes moesten straks maar eens aanheffen, doch—niet te hoog.En het gezang klonk—ofschoon wat eentonig, toch lief, en toen het geëindigd was, toen knikte ik den zangers toe; en de meisjes namen de bijvalsbetuiging gaarne met een zedig glimlachje aan, en de man die haar leermeester was, hij zeide half lachend en hoofdschuddend meteen, dat het toch wel wat hoog was geweest: het blondje stonden er de tranen van in de oogen.Of hij bedoelde dat het lied voor mij, den schijnbaar ongeloovige, teHOOGwas, ik geloof het niet; dat velen het meenen zullen dat weet ik zeker; wij willen er niet over twisten, in den spoorwagen was er ook geen twist, ’t was er harmonie tot den einde toe.De feesttrein doorsneed de laatste steil afgestoken spoorwegheuvels, reeds vroeger door de meesten der Hollandsche feestelingen, met de verrukking der nieuwheid, als hooge bergen begroet. Nog een psalmlied werd gezongen, en het snijdend gefluit van den salamander weerklonk door Wolfhezens dreven.Het is een steeds dalende straatweg, die van het kleine station door de breede, ten deele ontgonnen en golvende heivlakten heen, naar Wolfhezens paradijs voert. Straks zult gij het betreden. Maar nu.... Zie mij die schare eens aan!Hier op dit heuveltje geklommen, ziet ge dien golvenden straatweg met duizenden menschen overdekt, gelijk aan een bontkleurig lint dat voortfladdert naar ginder.... verre.... tot aan het groene woud.Welk een ontzettende menschenmassa op dezen anders zoo stillen weg der groote heerlijkheid. En nog altijd voert de stoom er nieuwe feestelingen aan, die—evenals wij nog kort geleden—er vrienden ontmoeten, waarmee ze zich voortspoeden naar het doel van hun verren morgentocht.En ook ik, mijn dierbaar plekje, ook ik betrad u dan weder, maar nu in ’t midden dier bonte menigte en mijn oog....Maar stil; wat zoudt gij wel gezegd hebben mijn Pieter, indien gij al aanstonds op den oever van het beekje nabij de schoone eiken groep, die voor de hoeve staat, die lange blauwgeverfde broodkraam ontwaard hadt. Ik weet het, gij zoudt verdrietig zijn geworden en den blik hebben afgewend, om liever rechts te turen naar de bruine hei met de schaapskooi op den top, en ’t geboomte van verre, waardoor de beek zich voortspoedt al verder en verder naar het stille dorp, om er het molenrad te doen klepperen. Of wel, gij zoudt den blik voor u uit gericht en u vermeid hebben in het frissche groen van het akkermaalshout, waarin de straatweg zich alslingrend verschuilt. Nietwaar, die houten kraam, gij hadt haar gewis ontwijding van dit schoonste oord genoemd, maar toch, toch zoudt ge de menigte zijn gevolgd, en het ongelukkige voorwerp zijn voorbijgegaan, dat den mensch zoo krachtig aan zijn menschelijkheid herinnert, om mij toe te geven in ’t eind, dat er toch bezwaarlijk een betere plek voor ware te vinden geweest, en dat, waarvele menschenbij elkaar zijn gekomen, zelfs in de schoone natuur, al licht eenwanklankgeboren wordt.Voor u wienWolfhezensschoonste gedeelte nog onbekend is, wil ik er met de pen een flauwen omtrek van schetsen:Op een groot kwartier afstands van de plek, waar wij langs den golvenden straatweg zijn aangekomen, ontspringt in een kleine vallei der heide, op den zoom van een sparrenbosch, het straks genoemde beekje.Door dat sparrenbosch heen—welke plek gij niet zult vergeten—kronkelt het met twee armen, die zich echter al spoedig vereenen, in de diepte voort, van het Oosten naar het Westen; en, als wij blijven op zijn linkeroever—dewijl die oever ten Noorden het schoonste deel der streek en ook het feestterrein bepaalt—dan treden wij op den heuvelrug langs zijn boord het mastbosch door, en grijpen wel eens naar de groene struiken wanneer de voet, bij een golving van den grond dreigt uit te glijden op de mossige hei, zoo mild met dennenaalden bezaaid.Reeds hier is het schoon; doch verder.Steeds volgende het immer kronkelende stroompje ter rechterzijde, is het niet langer een mastbosch dat uw pad beschauwt. Zie, de blanke abeelen ze stoeien dooreen met beuk en met eik, hier opschietende uit het dichtst geblaart, daar met den ruig bemosten voet in den groenen oeverzoom.En dan, terwijl het beekje bij elken kronkel als wegschuilt in slingerend braam- en struikgewas, terwijl het omlaag de breedgewiekte varen kust en dartelt door de biezen heen, dan wordt het woud—ofschoon niet dichter, steeds schooner van vorm en van tooi, en stralen de beekheuvels steeds rijker in kleurenpracht.Zie—het fijne,grauw-blankezand, het breekt en het schertst er al meer en meer door het fulpen tapeet, smalle paadjes zich banende langs den oever, ’t zij hooger of lager, naar boven of onder, vriendelijk lachende tegen het malsche groen der lage plantjes waarin de bosch-bes schuilt; jubelende tegen den zwartbruinen zoom waarboven het paars-rosse heibloempje troont, schaterende waar zijn glinsterende kiezels als stoeien met het goudgele mos; stil zich schamende in ’t eind waar dehel-witteberk zoo slank zich verheft en met de zilveren blaadjes victorie kleppert, hoog—hoog in de blauwe lucht.En—als gij nog altijd voorttreedt met het beekje ter rechterzijde door die prachtige schoone natuur, en nu eens een berk of een beukenstam ontwaart, die door den storm, ’t zij met de kruin in den vliet, ’t zij van gindschen heuvelvoet tegen de helling naar dezen kant werd neergeworpen, dan treft u mede al spoedig—niet ver van een kleine ruimte in het bosch—de zware, nu schier vermolmde abeel, die er reeds vele jaren nederligt.Pieter, wij hebben hem gekend toen hij zich stout verhief op zijn prachtigen stam en de reuzenarmen beschermend uitbreidde in ’t rond, en de schoonste en krachtigste zoon scheen van ’t gansche woud. Gij weet het nog, daar was een verborgen kanker in zijn binnenste, en—toen de storm eens loeide door het bosch, toen smakte hij den schoonen forschen boom ter aarde, en wij kwamen er, en stonden bij den gevallen stam, en zagen elkander droevig aan, maar toch, nietwaar—het was een schoone studie.Ja zeker, zulk een gevallen grootheid is een schoone studie.Met een weemoedigen blik naar den vermolmden boom gaan wij verder, mijn lezer, bij een sterkere kromming der beek de straks genoemde ruimte door—waaraan ik vluchtig herinneren zal—en naderen ongemerkt Wolfhezens bekoorlijkst gedeelte.Nietwaar, bij iedere nieuwe bocht van het beekje vertoont zich als ’t ware een schooner tafreel. De zandheuvels aan beide zijden zijn nog rijker in afwisseling van lijnen en tinten; nu eens steil dan weder zacht-glooiend afdalende naar de beek; ginds—aan de overzij, ten deele gevangen in de schaduw van den prachtigen beukeboom, wiens zware wortels nu eens naar boven worstelen om even het zonlicht te zien en dan weer schuil te gaan in het grauw-blanke zand; hier—de heuvel waarop gij treedt—dartel in het volle licht der stralende zon, de heuvel met zijn sprietjes en takjes en bloempjes die vaak zich al glanzende buigen.... over donkere diepten.En dan, als gij den blik een honderd schreden ver, ter linkerzijde naar den hoogeren heuvel wendt—den heuvel dien wij een berg willen noemen—dan weiden uw oogen door een frissche vallei met een zachte golving naar dien bergrug omhoog, en—gij weet niet wáár gij u ’t allereerst een wijle tot rusten zoudt nedervlijen.... Daarginds, op de helling van den ros-groenen berg, in ’t lommer van eik en van beuk, van berk en den, als de zon er toch spartelt door takken en blaren en gouden glansen strooit in het groene boschbessendal.... Of hier, met het oog langs het aardige beekbrugje heen naar de hoeve in groenen krans gesloten, de hoeve die uit haar witte schouw een teeder rookzuiltje langs het donkere eikenloof doet opkronkelen, ten hoogen hemel.En—schier turens moe naar dat rookzuiltje uit de schouw, zie ik ter linkerzij onder het zwaar geboomte aan het eind van den bergrug, een zonderling tafreel.Met helm en werpspies gewapend, het zwaard in den gordel en den pijlkoker over den schouder; armen en beenen naakt en devoeten ongeschoeid, staan daar forsch gespierde mannen om een steenen altaar in wijden kring geschaard.Zie, meer nabij het altaar daar staan met kaal geschoren kruin in witten tabbaard de priesters van Wodan, de handen ten Hoogen geheven, straks neervallende op de knieën, kreten slakende door de echo’s weerkaatst.En het droevig gekrijt van den zuigeling wordt overstemd door die kreten der priesters en door de Wodan-gewijde liederen hunner heilige barden.En dichte rookwolken stijgen op van het altaar, en dwarrelen voort langs stam en langs takken, en zeulen in het dicht geblaart, en kleuren het morsig grauw. En hoor, een snijdende gil glijdt van den bergtop naar beneden; een jonge vrouw met opgescheurde kleeding, de lange blonde haren wild golvend langs naakte schouders en vollen boezem; een houten kruis in de dreigend gehevene hand, zij staat er en deinst op de helling terug. “Mijn kind! mijn kind!” krijt ze op zielverscheurenden toon: “Op Franken, wraak! Jezus Christus wraak! Wodan zij vervloekt! Zijn priesters vervloekt! Wraak, wraak voor mijn kind!” En zie, dan rijt ze met scherpe nagels heur boezem in bloed en ijlt den bergrug af op priesters en altaar toe en.... Ik zie haar niet meer.Een ander tafreel, en meer van nabij, treft mijnen blik.Een ontelbare schare van mannen en vrouwen, ten deele achter het struikgewas verscholen, ze staan of liggen er in bonte maar vast opeengedrongen groepen, het oog schier allen naar een en hetzelfde punt gericht.Hun kleeding herinnert aan Neerlands roemrijkst verleden; de mannen in dichtgesloten wambuis, in wijde broek en strak om het been geslotene hozen; de vrouwen in haar stemmig gewaad.Sommigen der eersten in rijkeren tooi, den korten mantel van fluweel op den schouder, doch evenals al die mannen de hoofden ontbloot, de eerstgenoemden hun laag ronden hoed in de hand, de laatsten de fulpen baret met golvende pluimen.En daar, nabij den forschen eikeboom, daar staat op een lage vierkante kar een man in zwarte kleeding. Zijn stem bereikt ook den uitersten zoom dier schare waar de jonge moeder nederzit, en—luisterende steeds, haar zuigeling laaft; tot daar, waar de krachtige man den grijze ondersteunt en aan de andere zijde het jongske weerhoudt dat, tastende naar bramen, zich reeds de vingertjes kwetst aan de nijdige prikkels.Een zoete vrucht in scherpe dorens!!Ja, zie maar, die lieden met zinkroer en zijdgeweer, of ook met bus en hellebaard gewapend—op verren afstand ginds en her verspreid, zij houden de wacht, want hoor, die man daar in ’t zwart, hij spreekt er op diep doordringenden toon—van de ure die gekomen is waarin tribulatiën en perikelen dreigen den uitverkorenen Gods, en de Antichrist strijd voert tegen de gezalfden des Heeren. Hoor, hij roept steeds met luider stemme:Mannen broeders! wandelt als kinderen des lichts, vervloekende Satan en zijn ongerechtigheid; wandelt in de liefde onzes Heeren Jesu Christi, maar óók, maar óók omgordende uwe lendenen en heffende het zwaard tegen hen, die afhoereeren van den eenigen God, en valsche goden offeren voor Zijn heilig aangezicht. Mannen broeders! vreest den strijd niet, noch vervolging, noch naaktheid, noch honger, noch dorst, want neen, gij zult niet hongeren noch dorsten in eeuwigheid. En gij vrouwen en jonge dochters! murmureert niet tegen den Heer; wat zoudt gij klagen en weenen, al zaagt gij uw vaders en broeders, uw echtgenooten of ook uw beminden ten mutsaard gesleept. Op! op dan! zijt moedig en fier; ducht de woede der Isebels niet. Hoort, hoort! Israëls bazuine weerschalt langs Jericho’s muren, en Babylon zal vallen voor het woord van den Heer uwen God. Geliefden! broeders en zusters! zingt den Heere in ootmoedigheid uwe psalmen, totdat de ure komt, de ure der persecutie, maar dán ook: strijdt, strijdt....Doch zie, daar wenden zich aller oogen naar den uitgang van ’t woud: musketvuur en wapengekletter weerklinkt er.......... Strijd......!Ha! ’t is voorbij. Dat waren droevige tafreelen. Neen, gedroomd heb ik niet, want het kronkelende rookzuiltje uit de schouw van Wolfhezens hoeve hield ik steeds in het oog. Maar toch is het mij alsof ik.... droom, voortdurend droom. Is dit dan inderdaad het vreedzame plekje, zoo schaars door een menschenvoet betreden, het oord waar de hoorbare stilte u slechts wijst op de oneindige schoonheid dezer prachtige natuur.Ja, mijn dierbaar Wolfhezen, gij zijt het wel. Uw heerlijk bosch, uw bergrug en beekheuvel, ik zie ze, maar nu—en in volle werkelijkheid—met ontelbare menschengroepen gestoffeerd: met duizenden menschen die daar dwalen, ginds en her, mannen en vrouwen, ouden en jongen, aanzienlijken en geringen, zich nu eens neerzetten op de ruwhouten banken voor den feestdag hier opgeslagen, of voor het meerendeel zich scharende alreeds in breeden kring, hier nabij de beek van waar gij het rookzuiltje ziet opgaan van Wolfhezens hoeve.En—evenals ginder onder het dichte geboomte aan het eind van den bergrug—de bergrug die ten Zuiden het feestterrein bepaalt—evenals dáár en in de opene ruimte, waaraan ik u herinneren zou, evenals verder nog nabij den oorsprong van het beekje in het straks genoemde sparrenbosch, evenals dáár staat ook hier op den beekheuvel, met den rug naar den vliet, en tusschen het groen van drie sierlijke beuken, een spreekgestoelte. Van jong gekliefde sparren ineengeslagen, verheft het zich zonder sieraad, en de menigte, die er zich steeds dichter omheen verzamelt, noodt de scharen, die nog ronddwalen of immer nog toestroomen, om er te komen en mee te luisteren naar den man, die aanstonds het woord zal voeren.En zie, daar beklimt hij het gestoelte. Duizenden blikken zijn op den volksman gericht. Gij kent hem, den ijverigen dienaar zijnsHeeren, den stichter van het toevluchtsoord voor gevallen vrouwen, het Steenbeek, dat den spotlach reeds dan zou doen verstommen, wanneer het ook maar één, één enkele ongelukkige uit den zondenpoel had opgericht. Daar staat hij zonder uiterlijk vertoon, terwijl hij den ernstigen blik slechts vluchtig over die duizenden weiden laat. Wat er omgaat in zijne ziel, nu hij het eerst tot die schare zal spreken!!—Daar verheft hij zijn stem.Wolfhezen herneemt zijn plechtige stilte.De bonte schare luistert.Hetwelkom!wordt haar toegebracht. Een mannenkoor door bazuinenklank gesteund, neemt dat welkom over, in een opwekking om eer en lof te geven aan den Schepper, de Levensbron. En de man op het gestoelte neemt nogmaals het woord, en noodigt de gansche schare uit tot het aanheffen van een blijden psalm, den “Rotssteen van ons heil”, den “Koning aller koningen” ter eere. En van het gestoelte wuift een kleine vredevlag, ten teeken dat het orkest zijn koperen stem zal paren aan dien zang.O, wie er dan ook nog meenen mocht, dat het lied in den spoorwagen aangeheven er misplaatst zij geweest, neenniemand,niemandzal van Wolfhezen in zijn woning zijn wedergekeerd, die spotten durft met dát heilige oogenblik, toen daar door die duizenden den Schepper een loflied werd toegebracht—in Zijn schoonsten, Zijn eigenmaakten tempel.En onder welke omstandigheden?Hoor, de redenaar schetst het: De beeke volgende naar heur einde, wijst zij u gedenktekenen der oudheid aan: ginds een heuvel waar in vroegere eeuwen het heidendom de asch zijner dooden begroef; of verder nog den boom, die spreekt van de Christen-kapel—de eerste misschien in deze oorden gesticht. De spreker herinnert aan de Saksen en Franken; hoe woeste horden der eersten, ginds naar de Betuwe afdaalden en er Christen-offers roofden voor hun bloedige altaren; hij wijst op den lateren tijd toen gewetensdwang den fanatieken kop verhief in deze landen, en de arme vervolgden bijeenscholen om in wouden of in velden te hooren naar een prediking waaraan hun ziele behoefte had; hij schetste... Maar genoeg, nu, nú was het een andere tijd; menschen-offers den heidenschen goden, of kerkelijke meeningen gewijd, zij vielen niet meer. Gewetensvrijheid was de zege dezer eeuw; maar toch—toch lagen in ver verwijderde oorden nog millioenen menschen geketend in de banden van het “barbarisme”. En dit, dit plechtige feest, het zou gevierd worden als het feest van den strijd des Christendoms tégen dat “barbarisme”. Een heerlijk, een heilig feest! Terwijl men de schare naar dezen tempel had opgeroepen, dewijl er geen kerkgebouw groot genoeg was om de telken jare grooter wordende menigte te kunnen bevatten, voorzeker, nu zou ook deze reine tempel er toe bijdragen om de stemming der heilige feestvreugde te verhoogen; en biddend, en dankzeggend, en lofzingend en offerend op het altaar der barmhartigheid, zou men in liefde daar bijeen zijn, in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.Wil het mij niet ten kwade duiden, indien ik des sprekers rede in zoo breede trekken hoogst onvolkomen teruggaf. Hij die niet onvatbaar mag heeten voor het schoon van een frisch en bekoorlijk tafreel, hij kon er niethoorenalleen, hij moest er ookzien.’t Was een treffende aanblik die ontelbare menigte aan weerszijden en vóór het spreekgestoelte op den beekheuvel te aanschouwen, afdalende in een wijden—wijden kring naar den bergrug heen.Ja, ik zie ze nog voor mij, die schoone groepen aan de helling van den heuvel. De blonde Geldersche deerne in haar eenvoudig paars jakje, den blik onafgebroken naar den spreker gewend; zij, naast den grijzen burger uit de stad, met zijn zilverwitten steeds ongedekten schedel, en aan zijn arm den zwakken blinden jongen, met het petje in de hand en de matte oogen naar boven gericht.Ik zie haar nog te midden van meerendeels neergezeten mannen en vrouwen, de schoone, blanke Noord-Hollandsche boerin, onwillens op een kleine verhevenheid geraakt, uitstekend boven velen en zichtbaar voor ieders oog. Ik zie haar nog terwijl zij zich wendt en keert, met iets schichtigs in den blik, zich bedroevende misschien, dat ze nú in dezen stond met niets kon vervuld zijn dan—met zich zelve. Men zal u niet hard vallen schoone vrouw, nietwaar, gij stondt daar zoo hoog en hoe hooger men staat....!En straks, zal ik de scharen betrachten terwijl zij zich spoeden naar de ververschings-plaats, waar aan menigeen den wensch ontsnapte: dat hij er hartiger bete mocht vinden dan brood en brood maar alleen? Zal ik de menigte nauwlettender bespieden waar ze ginds en her in schilderachtige groepen zijn neergezeten, de velen, die evenals mijn reisgenooten in den spoorwagen, of de betrekkingen en vrienden die ik te Wolfhezen vond, zich van een ruime proviand hadden voorzien voor den vermoeienden dag? Zal ik later de redenaars hooren op de vier gestoelten in het bosch, en u verhalen wat ze daar leerden en predikten in dien heerlijken tempel?O, ik bid u, verg mij althans dit laatste niet. Ik geloof wel dat daar nog veel waars en veel goeds is gesproken door die vele redenaars; ja, ik zelf heb er menig woord vernomen, dat velen ter stichting en leering heeft kunnen zijn, maar toch—met een smartelijk gevoel heb ik u verlaten, schoon sparrenbosch, toen in weinig gekuischte taal daar een gebed ten Hoogen werd opgezonden, vermengd met: “een reuke des doods ten doode”! Schoon sparrenbosch! waar in uw midden, Gods reine adem slechts trilt en verkwikt.Mijn dierbaar Wolfhezen, een bitter pijnlijken indruk moest ik ontvangen, toen op uw schoonste gedeelte, onder het malsche groen uwer beuken en eiken, al galmend dat woord werd herhaald: Verdoemenis! verdoemenis!!Wilt ge nog even den blik slaan in ’t ronde en menschen zien—al zijn het er weinigen—in Wolfhezens woud?Zie, een aanvallig meisje van twintig jaren omtrent, ginds bukt zij neder in ’t groen en wordt niet moede kleine boschbessen te plukken, “die hier maar zóó in ’t wilde groeien”. Weet ge, zij zal ze meenemen voor haar lieve kleine broertje, die zoo verdrietig was dat zuster van huis ging. En de bessen, wacht, zij zal ze bergen in de kleine flesch, waaruit ze met vader en moeder straks aalbessennat heeft gedronken.En zie, nu parelt er een traan in haar oog. Arm kind, men heeft u gevoelig gekrenkt. Een vrome kennis heeft u verdacht dat ge daar, in de stilte, verboden drank....!Die vrome man! Zeg, hoe kwam hij op zulk een gedachte! Liefde denkt immers geen kwaad en hij.... ginds zit hij nu neder, en zingt met zijn vrienden een statigen psalm.Hebt ge dien man wel gezien, dien leelijken man, met zijn neus als een aardappel, een bruine groote neus met wratten er op? Hij had een lange jas aan, een heel lange jas, waaruit een lang papier naar boven stak; een witte das droeg hij om den gelen hals en een vaalbruine paraplu onder den arm.Dáár hebt gij hem weder. Nu staat hij onder zijn vaalbruine dak, den steel er van tusschen den arm geklemd; in de beide knoesterige handen houdt hij het lange beduimelde papier, en terwijl de eerste regenvlaag de punten van zijn dak tot gootjes maakt, waarvan een knaapje met wijden mond een stroompje opvangt; terwijl hij telkens den blik in ’t ronde werpt om te zien of zich geen nieuwe hoorders komen voegen bij de weinige vrouwen die hem—’t zij met bevreemding of ook met diepe verrukking beschouwen—smakt hij op zalvenden toon het begrafenislied, dat hij dichtte, waarschijnlijk bij den dood van zijn zalige vrouw, op haar, die hij “bekeerd had fijn—om eeuwig leevent te zijn—Gestaan had te midden van een verdoemt geslagt—Door hem en Christie bloed tot de verreizenis gebragd.”’t Was zeker niet beter dat vers, als het niet slechter was.En verder, ik zie daar het oude vrouwtje, zoo moeielijk oprijzende van de houten bank, waarop voor haar eenig kleedingstuk is neergelegd, opstaan om den jongen man dien zij dominee noemt, haar zitplaats aan te bieden. En de jonge man, ik zie hem.... zich nederzetten; maar ook, een aardig meisje zie ik wat verder heel haastig opstaan om het vrouwtje háár plaatsje te gunnen. Was dat mijn blondje uit den spoorwagen niet? Ja wel zij was het, ik kreeg nog een vriendelijk knikje.Doch—waar moest ik eindigen, indien ik de menschen wilde schetsen, de menschen der richting te Wolfhezen het meest vertegenwoordigd, de menschen zoo als zij daar waren: goeden en kwaden, nederigen en hoogmoedigen, vromen en huichelaars, elk met zijn rechter in eigen boezem!Mijn dierbaar Wolfhezen! Ik ga u verlaten. Het feest in uw groene zalen gevierd, ofschoon het ook wanklanken deed hooren, die de spot wel mag treffen, maar liever de ernst toch bestraffenmoet, het heeft zich gekenmerkt door een orde, die de vier dienaren van ’t gerecht, die ik er zag, aan ’t geeuwen bracht.Het was een feestdag waarvan een eenvoudig doch rechtschapen man getuigde, dat het de schoonste zijns levens geweest was, een dag, die hem onvergetelijk zou blijven tot aan zijn jongste ure.Nu ik, mijn Pieter, als ik geen oordeel waag uit te spreken over het al dan niet wenschelijke eener herhaling van zulke feesten in ons dierbaar Nederland—dewijl gij mij toestemt dat men den boom toch eerst aanzijn vruchtenleert kennen—terwijl ik u voor het laatst in gedachten de hand druk, en u langzaam zie verdwijnen in de diepste verte van het straks weer eenzaam en schemerig woud—dan—dan tuur ik ook nóg eens naar het rookzuiltje dat opstijgt uit de schouw als het van lieverlede schuil gaat in den zachten avondsluier.En dan—dan komen ook die dagen mij weder voor den geest, de dagen aan uwe zij in Wolfhezen gesleten, en de wensch wordt vurig in mijne borst: dat Wolfhezen, door zijn edele eigenaars, zoo ongerept als tot heden, voor het nageslacht moge bewaard worden, zij het niet slechts ter wille van den verrukten natuurbeschouwer of den zoon der kunst, maar zelfs—als het zoo wezen moet—om er ook weder vele menschen bijeen te vergaren, menschen steeds edeler en reiner; niet oordeelende en verdoemende, maar één, één in de heiligste Liefde.
De Reus van Antwerpen.Daar was eens een reus en zijn naam was Druon-Antigoon en zijn gade was een reuzin.En op den schoonen oever van den breeden Schelde-stroom bouwde zich Druon-Antigoon een sterken burg, en de zalen waren vervaarlijk groot en hoog.En als Druon-Antigoon voor het breede burgvenster gezeten was, dan had hij het uitzicht over den voorbijsnellenden vloed, en als de zon op het watervlak speelde, dan zag hij de zilverschubbige bewoners er boven uitspringen, en glanzen in ’t zonnelicht; maar ook, als de wind het lies aan den oever deed ruischen, dan zag hij de schippers met volle zeilen voorbij den burg varen, ha! alsof er geen reus aan de Schelde was!En op een vroegen morgen toen Druon-Antigoon weer voor zijn venster zat, en hij een schipper, laveerende, naar het basalt van den burg den steven zag wenden, toen klonk er uit koperen longen een donderendhaltdoor de lucht, en stak de reus zijn arm uit het venster, en greep er met ijzeren hand den mast van het vaartuig, dat alles er kraakte en schokte.En de visschen met hun zilveren schubben hadden Antigoon gezegd, dat de Schelde hem meer moest geven dan het vleesch van hun graat.En Antigoon bulderde weder: Menschenworm! zijt groot zooals ik, of anders—anders zult ge tol en schatting betalen, tol en schatting aan Druon-Antigoon, den eeuwigen reus in zijn burg!Maar de arme schippers konden niet groot zijn zooals die geweldige burgheer, en ze betaalden hun tol en hun schatting, want—deden zij ’tniet, dan rukte de wreede hen weg van het roer, en hieuw met zijn vreeselijk slagzwaard hun handen van ’t lijf, en wierp ze, och arme! ten aas voor de visschen in ’t diep van den stroom.En gansch het land schreeuwde wraak. Maar Druon-Antigoon bleef rustig zijn tol en schatting heffen—of wel, hij greep de schepen bij hun masten, en hief ze boven den vloed, en deed ze met de kiel een halven cirkel door het luchtruim beschrijven, en—het kappen van der weerspannigen handen, en hetHandwerpenin de Schelde bleef zijn geliefkoosd vermaak.Maar Brabo nadert.Brabo de held, met zijn beitel en lier. En in zijn borst woont de zucht om de bekoorlijke oevers der Schelde van den geweldige te verlossen, om Druon-Antigoon, den reus, te verslaan.En onder het venster van den hechten burg, roept Brabo dat Druon-Antigoon met zijn gade zal uitkomen, want heel het land wenscht de beeltenis van den burgheer en zijn gemalinne te zien, en Brabo zal ze houwen in eeuwentartend graniet.En Antigoon en zijne gade verlaten den burg, en Brabo houwt hun beeltenis met vaste hand. Maar als de kunstenaar arbeidt, dan vallen de oogleen des geweldigen toe,—en de schippers varen ongehinderd voorbij.En Brabo werkt voort, en zingt bijwijlen zijne liederen; maar als de sterke in ’t einde ontwaakt, dan deinst hij terug bij het aanschouwen van een tweede als hij—het beeld nóg grooter dan de Schelde-reus zelf—gewrocht door het genie. En bij het vernemen van de nooit gehoorde zilveren tonen van Brabo’s stemme en lier, rukt hij zich, bevend, het slagzwaard van de zijde, en dreigt er den dwerg te verslaan, den dwerg, die zijn zinnen beheerscht.Maar ziet, Brabo’s stalen beitel snort door de lucht, en treft er den kop des geweldigen; en Druon-Antigoon stort met een rauwen kreet ter aarde, en in zijn val verplet hij de vrouw, die hem zonen zou baren; en die beiden—zijn de laatsten van hun geslacht.Leve de Verwinnaar!En toen de reus, met háár, die hem zonen zou baren, verslagen was, toen stroomde het volk van heinde en verre bijeen, en juichte met blijde klanken den verwinnaar toe, en bouwde met Brabo, den held, een schoone stad op den oever der Schelde—waarvan de reuzenburg de hoeksteen bleef—en schonk haar ter eeuwiger herinnering, den naam van:Antwerpen.En het volk vertelde de geschiedenis van Druon-Antigoon aan zijne kinderen en kleinkinderen, en allen verheugden zich dat kloeke Brabo den woestaard verwon, en aanschouwden zijn werk, en zongen zijne liederen, en juichten: De geweldige is verslagen!Maar toch—toch meent de naneef dat Druon-Antigoon nog somtijds rondwaart door Antwerpens straten; dat hij—ofschoon deheld der beschaving hem versloeg—nog somtijds met zijn reuzenschim komt spoken in den boezem van Antwerpens grooten en kleinen; dat Druon-Antigoon nog immer meewerkt tot den roem van Brabo’s nakroost.Zeg, Genius van Antwerpens bouwkunst! zaagt gij den reus niet in uwe wallen, die er den prachtigen toren uwer hoofdkerk deed verrijzen, en er de achtkante tafel—Antigoons steenen disch—ter zwaarte van tweemaal zesduizend kilo’s, nog hooger dan viermaal honderd voeten optillen dorst....?Spreek, Genius van Antwerpens schilderschole! mocht niet de reus in uw veste als vorst den kunstschepter zwaaien, de reus, wiens name groot klinkt in vijf werelden, en wiens standbeeld gij deedt verrijzen op ’t midden der “groene plaetse”?En gij, Antwerpens stedemaagd! buigt gij het hoofd niet voor den kolos, die de poorten uwer grootsche stad wijd, wijde ontsloot, en gansch het kunstlievend Europa als gast dorst nooden in uwe wallen? De meer dan tienmaal honderd strijders der gedachte1van Noord en van Zuid, het luide welkom, welkom! deed hooren. Die het luidere welkom griffelen deed in ’t eeremetaal, als een blijvend welkom aan allen, die broeders willen zijn in de Kunst, broeders door het onbezoedeld genie, hoogepriesters van den eeuwigen Bouwmeester—door verspreiding van licht en beschaving, in beeld en in schrift?Maar neen, zij buigt het hoofd niet, Antwerpens stedemaagd. Ziet, zij lacht vroolijk.Zeg, fiere maagd, lacht ge dáárom zoo blij, dat de reus der gedachte uw roem heeft gehandhaafd en al die zonen van ’t genie te zaam aan uwen disch deed nederzitten; dat Rus en Italiaan elkaar als broeders van éénen stam met warmte aan ’t harte drukten; dat de zonen van ’t machtige Albion, het kloeke Germanje, en het stoute Frankrijk hun aller moeder een heildronk wijdden; dat Zuid- en Noord-Nederlanders één tale roemden in uw grootsche zaal, en samen juichten ter eere van Antwerpens reus der negentiende eeuw: de zucht naar éénheid voor alle strijders der gedachte, de zucht tot inniger verbroedering voor alle zonen der Kunst....?En vlaggen van allerlei kleur wuifden het Heil U! langs Antwerpens straten; en wapenschilden van velerlei natie riepen u vande gevels der huizen de namen toe van hen, die men er gastvrij ontving; en....Maar stil, daar nadert een breede stoet. Blootshoofds treden zij langzaam voort, de mannen in hun gewijde kleeren en met hun prachtige banieren. Bloem en loof wordt met kwistige hand gestrooid langs den weg dien de stoet heeft te volgen. Zie, dat is het beeld der Lieve Vrouwe, dat men in plechtigen optocht en statig rondvoert.Denker! zult gij het hoofd niet ontblooten; kinderen van denzelfden God! zult ge minachten den hier gehuldigden vorm?Gij, die van den Christus verstaan hebt rechtstreeks tot uw God, als tot uw liefdevollen vader te spreken, zult ge hen veroordeelen, die hier nog kiezen de Lieve Vrouwe tot verteedering van den altijd opnieuw miskenden en heiligen God.Ontbloot vrij uw hoofd. Veracht niet den vorm. Denker! daar zijn vele vormen, doch weet het, daar is slechts ééne waarheid, en die eeuwige waarheid is:Zalig zijn ze die God liefhebben bovenal, en den naaste als zich zelven!Liefde voor God en de menschen!Dát, dát alleen is het hechte fondament voor den heiligen tempel der Kunst.En in dien tempel—Broeders, wij zijn er één! Wij zijn er één, dewijl wij het kunstschoon genieten bij velerlei vorm, ja zelfs bij gebrekkige vormen in beeld of in schrift.En ziet—nu gij de zalen betreedt, waar de voortbrengsels van ’t genie de wanden versieren, ja, nu huivert gij bij ’t aanschouwen van dien slavenroof aan Afrika’s kuste. Uw harte bloedt bij het angstig bespieden van dat afgrijslijk schoon tafreel, waar de blanke duivel ten troon zit en die arme zwarten tot dieren verlaagt.2Zegt, Broeders der Kunst, vraagt gij ook,hoezij haar God zocht te dienen, nu gij die Syrische vrouwe ten prooi van den woesteling ziet, die haar met onzalige vingers den teederen boezem nijpt, en straks haar ten vure zal doemen?3Neen, neen! gij hoort haar angstkreet, haar smeeken, haar kermen. En het bloed stroomt u sneller door de aders; gij wilt haar verlossen, haar scheuren uit de klauwen des verderfs. Broeders! wij zijn één in geloof; dát, dát is de triomf der Kunst—zij wekt ons tot liefde.Arme moeder op uw zoldervertrekje, met uw kruisken in de hand; met uwe arme kinders geknield bij de lijkwa van uw echtvriend, van uw eenigen kostwinner! Arme vrouwe, zie daar staan ze nu, de gereedschappen van uw altijd zoo werkzamen echtvriend; zie, nog kleeft de kalk aan de truffel, die hij zoo kloek kon hanteeren, en dien voegspijker en dat paslood, arme, arme weduw, hij zal ze nimmer, nimmermeer besturen.4Arme vrouwe, wij weten ’t wel, gij zijt met uw smart slechts getooverd op het doek, doch—aller oog is vochtig geworden bij het aanschouwen van uw diep treffend leed, en die traan, ontlokt door de Kunst, heeft gefluisterd van broederliefde, en,—broederliefde en christenzin, zijn die beide niet één.En al verder treedt gij door die rijk versierde zalen, en de Kunst maakt u opmerkzaam, hoe schoon het daar buiten in Gods heerlijke schepping is: Bloeiende velden, lachende heuvels, trotsche bergen, woelende zeeën, tintelende luchten! En—als gij dan den maker prijst van het beeld, dat u weer deed genieten wat ge eens aan den boezem der natuur hebt gesmaakt, dan, dan prijst uw ziel toch bóven dat alles den Schepper van hemel en aarde, den Vader der Liefde!Maar Broeders der Kunst, gij wist het wel dat wij één waren: één door de zucht naar het eeuwige schoon; doch zegt, voelt gij ’t ook hoe gij daar leeraart en predikt met klinkende stemmen;—hoe gij daar vrijheid eischt voor de kinderen Gods, en er afgrijzen wekt voor den slaven- den broedermoord;—hoe ge daar huiveren doet voor godsdiensthaat en voor godsdienstkrijg;—hoe ge daar luide verkondigt: zoekt ze de armen, de weduwen en weezen, en steunt ze met uwe gaven, zij missen zooveel;—hoe ge daar leeraart en predikt: ’t is er zoo goed aan den huiselijken haard, ’t is er zoo schoon in Gods prachtige schepping....?O Broeders der Kunst, Apostelen Gods! wat zijt gij groot! Wat moogt ge nederig fier zijn op uwe roeping. Maar wee! wee over ons, zoo wij die roeping vergeten, het schoone miskennen, het reine onteeren!Verstom naargeestige toon! Op Antwerpens reuzenfeest mag die snare niet trillen. De zonen der gedachte, ze waren er één! en daarom is er geen wanklank vernomen, en dáárom was het schitterend eeremaal in waarheid een broedermaal, en dáárom heeft Demarteau’s lied in den Feërieken lusthof ookallenhet harte getroffen.O Fisscher en Tillez! doet uwe zilverstemmen nogmaals ruischen als in dien heerlijken nacht. Honderden vangen met naamlooze stilte de woorden op dier schoone melodie. Geen blaadje beweegt er; een zee van kunstlicht doet u aanschouwen hoe alles er luistert; en de maan, de volle maan daarboven de statige populieren, zij luistert mee in heur diep diepe blauw.SOLO.Salut, o phalange sacrée,Dont l’aspect nous fait tressailler;Gloire aux soldats de la pensée.Aux pionniers de l’avenir.RÉCITATIF.Fréres en vous comptant, une ivresse profondeS’empare de mon cœur, oui, nous pourrons un jour,Peintres, poétes, penseurs, régénérer le mondePar la foi, le travail, le génie et l’amour.STROPHES.Oui, je voudrais, dans un élan sublime,Vous presser tous sur mon cœur palpitant:Enfants de Dieu qu’un meme zéle anime,Courrez au but, la palme vous attends.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Si le trépas, Fréres venus de France,A parmi vous fait des vides nombreux;Serrez vos rangs, espoir et confiance!Suivez les pas de vos morts glorieux.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Fréres du Nord, Russes, Germains, Bataves,Fils d’Albion, vous qu’entourent les mers,Unissez vous, pour les arts plus d’entraves,Par vos travaux étonnez l’univers!Et vous enfants de la rive bénie,Oú tout rayonne; et la terre et le ciel,Puissent vos maux fimir, l’ItalieProduire encor un nouveau Raphaël.5Et toi, sois fier, o mon pays que j’aime!Qui donc encor t’ose appeler petit?N’es-tu pas grand par eet éclat suprême,Qui de tes fils jusqu’à toi rejaillit?Ce jour t’acquiert une gloire nouvelle,Pays des arts et de la liberté,Tu vas fonderla paixuniverselle,Sur le talent et la fraternité.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .En als het koor dan juichend den aanhef der schoone Cantate herhaalt:Retentissez, chants de victoire,Éveille-toi, noble cité,Fêtons les élus de la gloire,Les fils de l’immortalité....dan—dan heerscht er een diepe stilte; maar als het geëindigd is, dan barst er een oorverdoovend Bravo los, en straks,—straks ook dondert het kunstvuur een alles beheerschend BRAVO in de lucht, en wendt gij den blik dan naar boven, dan ziet gij de booze geesten, hoe ze vuurspuwend met gloeiende sikkels elkaar vernielen. Kanongebulder en vreeselijk musketvuur schokken den bodem waarop gij den voet drukt. Een huivering doortrilt uwe ziel. Maar, victorie! victorie! weer heeft de Kunst hier getooverd!Vrede, vrede op aarde! is de bee, die er opwelt in aller boezem, en ziet: Een reine vuurstraalZUCHTkrachtig naar boven, en schoone duizendkleurige bloemen vlokken naar omlaag en een stemme spreekt zachtkens vanbinnen:Bloemen en gaven zij dalen van Boven:Zoekt met Uw gaven den Gever te loven!En het Te Deum heeft weerklonken in de kruisgewelven van Antwerpens kathedrale.Broeders Protestanten! ook hier zijn vreemde vormen, maar dat Te Deum ia ook voor ons het Godgewijde lied bij uitnemendheid. Ei, stemt dan in stilte:Wij loven U, o God, wij prijzen Uwen naam,U, eeuwig Vader, U verheft al ’t schepsel saam.Zingt Serafs, Eng’len zingt; heft Machten aan en Tronen;Onafgebroken rijze uw lied op hooge tonen,Gij, driewerf heilig zijt Ge, o God der legerscharen,Dat aarde en hemel steeds Uw grootheid openbaren.6En als de volkeren der gansche aarde dat lied verstaan en doorgronden, dan, dan is er geen burgeroorlog en geen bloediger godsdienstkrijg meer te duchten, dan is het:La paix universellePar la foi, le travail, le génie et l’amour.Voorwaarts dan zonen der Kunst. Voorwaarts!En alweder, Antwerpens stedemaagd, hebt gij ons binnen de zalen van uw Kunst-Congres den reus doen aanschouwen, den reus der gedachte, den reus die meer dan duizend mannen, zoo verschillend van geboorte als van genie en ontwikkeling, zoo verscheiden van kunstuiting als van godsdienstvormen, in velerlei tale deed samenspreken; deed samenspreken zonder verstoring van den broederzin; deed samenspreken met warmte tot één eenig doel: de verheffing, de waardeering, de opbouwing van de Kunst. De kunst, die schoone dochter der zucht naar waarheid, der begeerte naar eeuwige wijsheid.Kunst! dochter derWIJSBEGEERTE! Wijsbegeerte, telg der Godheid op aarde!En de reuzengeest, die het denkbeeld van zulk een grootsche wrijving der gedachten in ’t leven riep, heeft getriomfeerd in spijt van veler profetie. De rechten der Kunst, haar doel en hare bestemming zijn levendiger geworden in den boezem dier vergadering. Vonken vuurs zijn er geslagen, en koude harten—ze hebben gegloeid! Stad van den reus, dank, dank voor uwe zegepraal.En als gij ons dan verder uwe Kunsttrezoren hebt getoond en altijd en altijd genieten deedt, welaan, voer hem dan rond door uwe straten het beeld van den kolos, die, ofschoon door de beschaving verslagen, toch immer de grondlegger der grootsche Scheldestad blijft. Ook wij, wij willen het beeld uwer grootheid aanschouwen—den omgang der reuzen en wagens.En ziet, de walvisch—de reus der zeeën—opent den trein. Uit zijne neusgaten blaast hij het water der Schelde ginds en her over het jubelende volk, en hij schijnt er te roepen:Van den oceaan ben ik tot u gekomen. Heerscht over de wateren. Zeeën en Schelde zijn één!Ziet, en achter hem volgen ze reeds; de boden en dienaars van Neptunus, de ranke dolfijnen.En kleine booten klieven alree de golven; en, als de roeiers met kloeke handen de riemen bewegen, dan zien ze:Het schip al volgen, het groote schip in volle zeilen; het schip met het wakkere scheepsvolk aan boord, dat overzeesche schatten brengt aan de oevers der Schelde.Ziet gij ’t wel, op dien wagen met vele rijk getooide paarden bespannen, volgt nu het beeld van Druon-Antigoons gade. Ja, ook deVROUWEmagGROOTzijn, maar dat heur ziele toch rein zij, ziet: rein als het witte kleed dat die gestalte omhult; heur tale zij als het zilver waarmede dat kleed is bestikt, en de roode sjerp, die van den schouder tot op de heupe zwiert, moet haar het beeld zijn der heiligste Liefde.Daar komt hij.... daar komt hij met zijn zwaard en zijn schild, de forschgespierde, de burgheer der Schelde. Ja, ’t is zijn afbeeldsel wel. Fier doet men hem rondzien, en hij blikt er van zijn triumfkar door de hoogste vensters naar binnen, en grimt er in ’t ronde omdat hij nogkleinheidbespeurt, kleinheid, die vlucht voor zijn aanblik: kleinheid, die snel voor hem heengaat. “Weest groot zooals ik!” klonk eertijds zijn stem. Maar thans, hoe zijn beeld er ookrondwaart, hij kan er nietachterzich zien en aanschouwen wat hem volgt op den voet. En ziet, wat hem volgt heeft zijn geroep gehoord, doch—werdgrooter danhij.Brabo’s triumf:Prachtwagen met de zinnebeelden van Antwerpens bloei door beschaving, door zeevaart en handel. Welkom wakkere stedemaagd! Van uw hoogen zetel ziet gij met welgevallen neder op de vele natiën die gij met u voert. Druon-Antigoon is voorbijgegaan, en des geweldigen arm kan den buit niet meer bereiken, en de triton achter uw zetel blaast te luider een driewerf: Houzee!Houzee!En welvaart heerscht er; en Antwerpen is groot onder de steden; en de wagen die volgt toont zijn roem en zijn reuzengeest aan de nakomelingschap, en wijst op de schatten van ’t genie, die zijne wallen omsluit. Wat al mannen van kracht en van geest nemen er hunne plaatsen op in. Schoon en verheven als het prachtige voertuig zelf, klinken de namen van hen, wier nagedachtenis het in bonte mengeling met zich voert.En—wilt ge nóg zien wat Kunst en wat Arbeid in deze oorden gewrocht heeft?Ziet, daar nadert Flora’s zegewagen. Zij nadert, de vriendelijke maagd in haar witte kleeding. Gezeten in haar lommerrijk priëel, omgeven van bloeiende planten uit Noorder- en Zuiderluchten, drukt haar voet het mollige grastapeet dat met bloemen bezaaid is. Akker- en tuinbouw juichen mede ter eere der Kunst, der Kunst die hen voorgaat.Ontwikkeling, welvaart, vrede! Kinderen der hooge wijsbegeerte en der immer voorwaarts strevende Kunst! Fiere maagden! op den laatsten wagen hebt gij met nog meer zusters uwe plaatsen genomen.En—als de stoet voorbij is, dan staart nog het oog op dat achterste blazoen van dien laatsten der wagens, en hoort gij in ’t klokkengelui van den toren alweder den nagalm van ’t lied, het lied dat ook dié omdracht u zong:Voorwaarts zonen der Kunst! voorwaarts kinderen der beschaving! Door U, door U zij er vrede op aarde!En die nagalm, het is een zuivere toon; zuiver, al was het de voorstelling niet van het ongewone, grootsche, maar te vluchtige schouwspel, dat den Noord-Nederlander verrassen en verbazen moest.Onzuiver zij de omtrek, waarmee hij den indruk dier prachtige vertooning zocht te schetsen—de naklank, de naklank er van is zuiver.Zuiver als Artots stem, toen zij daar in die weidsche zale de woorden van het verheffende psalmlied zong:“I cieli immensi narrando del grande Iddio la gloria.”Zuiver als de driehonderd stemmen, door Callaerts kunstschepter beheerscht, die er te zamen herhaalden:I cieli immensi narrando del grande Iddio la gloria.Zuiver is die nagalm, zuiver en rein als Joachims snarengetoover, dat een onafzienbare schare verrukte, ja meer—ook Hollands grootste toonzetters in vervoering bracht.Zuiver, als het kunstgenot dat Antwerpens reuzengeest op dien onvergetelijk en avond aan allen te smaken gaf.En—zuiver maar krachtig blijve het voortruischen, dat thema van Antwerpens Kunstfeest:Vrede! vrede op aarde!En—toen de dag nu aanlichtte, waarop het welkom met een roerend: Vaarwel! werd verwisseld; toen het scheiden van zoovele broeders het harte week maakte, en de Noord-Nederlander nog eens omzag naar de veste, waar de reus der Kunsten ten troon zit, toen welde hem een traan in het oog; maar ook—toen was het hem een heerlijk symbool, dat zich daarginds, in ’t lauwe gras der sterke wallen, een kloeke zoon van Mars ter ruste ging nedervlijen,7en—zijn afscheid was: Vrede!En toen hij daar voortgleed op de wiek van den stoom naar den eeuwig dierbaren geboortegrond, toen, toen bezag hij ook nogmaals den schoonen gedenkpenning aan die onvergetelijke dagen; en—Antwerpens wapen boeide zijn geest.Boven den hechten burg ziet hij die handen naar boven.Neen, dat zijn hem niet meer de handen der arme schippers uit de tijden der sage; dat zijn hem de handen van den Antwerpschen reus dezer eeuw; de handen der vele broeders uit Antwerpens onvergetelijken Kunstkring;8van den dierbaren vriend en de zijnen, in wier woning en harten hij plaatse bekwam. Dat zijn hem de handen van Antwerpens eersten en hoogwaardigen Magistraat, van den edelen Burgervader, den voorzitter van het reusachtige Kunst-Congres.Ziet, en ze wuiven nogmaals: Vaarwel, vaarwel! gij strijders der gedachte. Zij wenken: Komt weder als het u wel was in onzen tempel der Kunst! En hij, de broeder van ’t Noord, de broeder der zelfde tale bovendien, hij drukt ze nog eens met verrukking die handen—ja, ook de hoog edelsten dáár ze schamen ’t zich niet.—Vaarwel! roept hij mede. Dank, dank! stamelt zijn stem; God zegene u allen! God zegene u, heerlijk lustoord der Kunst! en—zij er een grens tusschen ’t Zuid en het Noord; in het rijk der Kunst bestaan geene grenzen: Broeders voorwaarts! Eenheid, Vooruitgang, blijve de leuze; en thans voor het laatst:Uw kunst werke mee tot den vrede op aarde!1“Soldats de la pensée.” Le triomphe des arts.Feest-Cantate van G. Demarteau.2Schilderij van Biard.3Schilderij van Cermak.4Schilderij van De Bruycker.5De zanger wijzigde aldus de woorden van Demarteau’s Cantate, die oorspronkelijk luidden:Produire encordes NouveauxRaphaël.6Het Te Deum—3de der Nederd. Evang. gezangen.7Naar het leven.8Cercle Artistique.
Daar was eens een reus en zijn naam was Druon-Antigoon en zijn gade was een reuzin.
En op den schoonen oever van den breeden Schelde-stroom bouwde zich Druon-Antigoon een sterken burg, en de zalen waren vervaarlijk groot en hoog.
En als Druon-Antigoon voor het breede burgvenster gezeten was, dan had hij het uitzicht over den voorbijsnellenden vloed, en als de zon op het watervlak speelde, dan zag hij de zilverschubbige bewoners er boven uitspringen, en glanzen in ’t zonnelicht; maar ook, als de wind het lies aan den oever deed ruischen, dan zag hij de schippers met volle zeilen voorbij den burg varen, ha! alsof er geen reus aan de Schelde was!
En op een vroegen morgen toen Druon-Antigoon weer voor zijn venster zat, en hij een schipper, laveerende, naar het basalt van den burg den steven zag wenden, toen klonk er uit koperen longen een donderendhaltdoor de lucht, en stak de reus zijn arm uit het venster, en greep er met ijzeren hand den mast van het vaartuig, dat alles er kraakte en schokte.
En de visschen met hun zilveren schubben hadden Antigoon gezegd, dat de Schelde hem meer moest geven dan het vleesch van hun graat.
En Antigoon bulderde weder: Menschenworm! zijt groot zooals ik, of anders—anders zult ge tol en schatting betalen, tol en schatting aan Druon-Antigoon, den eeuwigen reus in zijn burg!
Maar de arme schippers konden niet groot zijn zooals die geweldige burgheer, en ze betaalden hun tol en hun schatting, want—deden zij ’tniet, dan rukte de wreede hen weg van het roer, en hieuw met zijn vreeselijk slagzwaard hun handen van ’t lijf, en wierp ze, och arme! ten aas voor de visschen in ’t diep van den stroom.
En gansch het land schreeuwde wraak. Maar Druon-Antigoon bleef rustig zijn tol en schatting heffen—of wel, hij greep de schepen bij hun masten, en hief ze boven den vloed, en deed ze met de kiel een halven cirkel door het luchtruim beschrijven, en—het kappen van der weerspannigen handen, en hetHandwerpenin de Schelde bleef zijn geliefkoosd vermaak.
Maar Brabo nadert.
Brabo de held, met zijn beitel en lier. En in zijn borst woont de zucht om de bekoorlijke oevers der Schelde van den geweldige te verlossen, om Druon-Antigoon, den reus, te verslaan.
En onder het venster van den hechten burg, roept Brabo dat Druon-Antigoon met zijn gade zal uitkomen, want heel het land wenscht de beeltenis van den burgheer en zijn gemalinne te zien, en Brabo zal ze houwen in eeuwentartend graniet.
En Antigoon en zijne gade verlaten den burg, en Brabo houwt hun beeltenis met vaste hand. Maar als de kunstenaar arbeidt, dan vallen de oogleen des geweldigen toe,—en de schippers varen ongehinderd voorbij.
En Brabo werkt voort, en zingt bijwijlen zijne liederen; maar als de sterke in ’t einde ontwaakt, dan deinst hij terug bij het aanschouwen van een tweede als hij—het beeld nóg grooter dan de Schelde-reus zelf—gewrocht door het genie. En bij het vernemen van de nooit gehoorde zilveren tonen van Brabo’s stemme en lier, rukt hij zich, bevend, het slagzwaard van de zijde, en dreigt er den dwerg te verslaan, den dwerg, die zijn zinnen beheerscht.
Maar ziet, Brabo’s stalen beitel snort door de lucht, en treft er den kop des geweldigen; en Druon-Antigoon stort met een rauwen kreet ter aarde, en in zijn val verplet hij de vrouw, die hem zonen zou baren; en die beiden—zijn de laatsten van hun geslacht.
Leve de Verwinnaar!
En toen de reus, met háár, die hem zonen zou baren, verslagen was, toen stroomde het volk van heinde en verre bijeen, en juichte met blijde klanken den verwinnaar toe, en bouwde met Brabo, den held, een schoone stad op den oever der Schelde—waarvan de reuzenburg de hoeksteen bleef—en schonk haar ter eeuwiger herinnering, den naam van:
Antwerpen.
En het volk vertelde de geschiedenis van Druon-Antigoon aan zijne kinderen en kleinkinderen, en allen verheugden zich dat kloeke Brabo den woestaard verwon, en aanschouwden zijn werk, en zongen zijne liederen, en juichten: De geweldige is verslagen!
Maar toch—toch meent de naneef dat Druon-Antigoon nog somtijds rondwaart door Antwerpens straten; dat hij—ofschoon deheld der beschaving hem versloeg—nog somtijds met zijn reuzenschim komt spoken in den boezem van Antwerpens grooten en kleinen; dat Druon-Antigoon nog immer meewerkt tot den roem van Brabo’s nakroost.
Zeg, Genius van Antwerpens bouwkunst! zaagt gij den reus niet in uwe wallen, die er den prachtigen toren uwer hoofdkerk deed verrijzen, en er de achtkante tafel—Antigoons steenen disch—ter zwaarte van tweemaal zesduizend kilo’s, nog hooger dan viermaal honderd voeten optillen dorst....?
Spreek, Genius van Antwerpens schilderschole! mocht niet de reus in uw veste als vorst den kunstschepter zwaaien, de reus, wiens name groot klinkt in vijf werelden, en wiens standbeeld gij deedt verrijzen op ’t midden der “groene plaetse”?
En gij, Antwerpens stedemaagd! buigt gij het hoofd niet voor den kolos, die de poorten uwer grootsche stad wijd, wijde ontsloot, en gansch het kunstlievend Europa als gast dorst nooden in uwe wallen? De meer dan tienmaal honderd strijders der gedachte1van Noord en van Zuid, het luide welkom, welkom! deed hooren. Die het luidere welkom griffelen deed in ’t eeremetaal, als een blijvend welkom aan allen, die broeders willen zijn in de Kunst, broeders door het onbezoedeld genie, hoogepriesters van den eeuwigen Bouwmeester—door verspreiding van licht en beschaving, in beeld en in schrift?
Maar neen, zij buigt het hoofd niet, Antwerpens stedemaagd. Ziet, zij lacht vroolijk.
Zeg, fiere maagd, lacht ge dáárom zoo blij, dat de reus der gedachte uw roem heeft gehandhaafd en al die zonen van ’t genie te zaam aan uwen disch deed nederzitten; dat Rus en Italiaan elkaar als broeders van éénen stam met warmte aan ’t harte drukten; dat de zonen van ’t machtige Albion, het kloeke Germanje, en het stoute Frankrijk hun aller moeder een heildronk wijdden; dat Zuid- en Noord-Nederlanders één tale roemden in uw grootsche zaal, en samen juichten ter eere van Antwerpens reus der negentiende eeuw: de zucht naar éénheid voor alle strijders der gedachte, de zucht tot inniger verbroedering voor alle zonen der Kunst....?
En vlaggen van allerlei kleur wuifden het Heil U! langs Antwerpens straten; en wapenschilden van velerlei natie riepen u vande gevels der huizen de namen toe van hen, die men er gastvrij ontving; en....
Maar stil, daar nadert een breede stoet. Blootshoofds treden zij langzaam voort, de mannen in hun gewijde kleeren en met hun prachtige banieren. Bloem en loof wordt met kwistige hand gestrooid langs den weg dien de stoet heeft te volgen. Zie, dat is het beeld der Lieve Vrouwe, dat men in plechtigen optocht en statig rondvoert.
Denker! zult gij het hoofd niet ontblooten; kinderen van denzelfden God! zult ge minachten den hier gehuldigden vorm?
Gij, die van den Christus verstaan hebt rechtstreeks tot uw God, als tot uw liefdevollen vader te spreken, zult ge hen veroordeelen, die hier nog kiezen de Lieve Vrouwe tot verteedering van den altijd opnieuw miskenden en heiligen God.
Ontbloot vrij uw hoofd. Veracht niet den vorm. Denker! daar zijn vele vormen, doch weet het, daar is slechts ééne waarheid, en die eeuwige waarheid is:
Zalig zijn ze die God liefhebben bovenal, en den naaste als zich zelven!
Liefde voor God en de menschen!
Dát, dát alleen is het hechte fondament voor den heiligen tempel der Kunst.
En in dien tempel—Broeders, wij zijn er één! Wij zijn er één, dewijl wij het kunstschoon genieten bij velerlei vorm, ja zelfs bij gebrekkige vormen in beeld of in schrift.
En ziet—nu gij de zalen betreedt, waar de voortbrengsels van ’t genie de wanden versieren, ja, nu huivert gij bij ’t aanschouwen van dien slavenroof aan Afrika’s kuste. Uw harte bloedt bij het angstig bespieden van dat afgrijslijk schoon tafreel, waar de blanke duivel ten troon zit en die arme zwarten tot dieren verlaagt.2
Zegt, Broeders der Kunst, vraagt gij ook,hoezij haar God zocht te dienen, nu gij die Syrische vrouwe ten prooi van den woesteling ziet, die haar met onzalige vingers den teederen boezem nijpt, en straks haar ten vure zal doemen?3Neen, neen! gij hoort haar angstkreet, haar smeeken, haar kermen. En het bloed stroomt u sneller door de aders; gij wilt haar verlossen, haar scheuren uit de klauwen des verderfs. Broeders! wij zijn één in geloof; dát, dát is de triomf der Kunst—zij wekt ons tot liefde.
Arme moeder op uw zoldervertrekje, met uw kruisken in de hand; met uwe arme kinders geknield bij de lijkwa van uw echtvriend, van uw eenigen kostwinner! Arme vrouwe, zie daar staan ze nu, de gereedschappen van uw altijd zoo werkzamen echtvriend; zie, nog kleeft de kalk aan de truffel, die hij zoo kloek kon hanteeren, en dien voegspijker en dat paslood, arme, arme weduw, hij zal ze nimmer, nimmermeer besturen.4
Arme vrouwe, wij weten ’t wel, gij zijt met uw smart slechts getooverd op het doek, doch—aller oog is vochtig geworden bij het aanschouwen van uw diep treffend leed, en die traan, ontlokt door de Kunst, heeft gefluisterd van broederliefde, en,—broederliefde en christenzin, zijn die beide niet één.
En al verder treedt gij door die rijk versierde zalen, en de Kunst maakt u opmerkzaam, hoe schoon het daar buiten in Gods heerlijke schepping is: Bloeiende velden, lachende heuvels, trotsche bergen, woelende zeeën, tintelende luchten! En—als gij dan den maker prijst van het beeld, dat u weer deed genieten wat ge eens aan den boezem der natuur hebt gesmaakt, dan, dan prijst uw ziel toch bóven dat alles den Schepper van hemel en aarde, den Vader der Liefde!
Maar Broeders der Kunst, gij wist het wel dat wij één waren: één door de zucht naar het eeuwige schoon; doch zegt, voelt gij ’t ook hoe gij daar leeraart en predikt met klinkende stemmen;—hoe gij daar vrijheid eischt voor de kinderen Gods, en er afgrijzen wekt voor den slaven- den broedermoord;—hoe ge daar huiveren doet voor godsdiensthaat en voor godsdienstkrijg;—hoe ge daar luide verkondigt: zoekt ze de armen, de weduwen en weezen, en steunt ze met uwe gaven, zij missen zooveel;—hoe ge daar leeraart en predikt: ’t is er zoo goed aan den huiselijken haard, ’t is er zoo schoon in Gods prachtige schepping....?
O Broeders der Kunst, Apostelen Gods! wat zijt gij groot! Wat moogt ge nederig fier zijn op uwe roeping. Maar wee! wee over ons, zoo wij die roeping vergeten, het schoone miskennen, het reine onteeren!
Verstom naargeestige toon! Op Antwerpens reuzenfeest mag die snare niet trillen. De zonen der gedachte, ze waren er één! en daarom is er geen wanklank vernomen, en dáárom was het schitterend eeremaal in waarheid een broedermaal, en dáárom heeft Demarteau’s lied in den Feërieken lusthof ookallenhet harte getroffen.
O Fisscher en Tillez! doet uwe zilverstemmen nogmaals ruischen als in dien heerlijken nacht. Honderden vangen met naamlooze stilte de woorden op dier schoone melodie. Geen blaadje beweegt er; een zee van kunstlicht doet u aanschouwen hoe alles er luistert; en de maan, de volle maan daarboven de statige populieren, zij luistert mee in heur diep diepe blauw.
SOLO.Salut, o phalange sacrée,Dont l’aspect nous fait tressailler;Gloire aux soldats de la pensée.Aux pionniers de l’avenir.
Salut, o phalange sacrée,
Dont l’aspect nous fait tressailler;
Gloire aux soldats de la pensée.
Aux pionniers de l’avenir.
RÉCITATIF.Fréres en vous comptant, une ivresse profondeS’empare de mon cœur, oui, nous pourrons un jour,Peintres, poétes, penseurs, régénérer le mondePar la foi, le travail, le génie et l’amour.
Fréres en vous comptant, une ivresse profonde
S’empare de mon cœur, oui, nous pourrons un jour,
Peintres, poétes, penseurs, régénérer le monde
Par la foi, le travail, le génie et l’amour.
STROPHES.Oui, je voudrais, dans un élan sublime,Vous presser tous sur mon cœur palpitant:Enfants de Dieu qu’un meme zéle anime,Courrez au but, la palme vous attends.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Oui, je voudrais, dans un élan sublime,
Vous presser tous sur mon cœur palpitant:
Enfants de Dieu qu’un meme zéle anime,
Courrez au but, la palme vous attends.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Si le trépas, Fréres venus de France,A parmi vous fait des vides nombreux;Serrez vos rangs, espoir et confiance!Suivez les pas de vos morts glorieux.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Si le trépas, Fréres venus de France,
A parmi vous fait des vides nombreux;
Serrez vos rangs, espoir et confiance!
Suivez les pas de vos morts glorieux.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Fréres du Nord, Russes, Germains, Bataves,Fils d’Albion, vous qu’entourent les mers,Unissez vous, pour les arts plus d’entraves,Par vos travaux étonnez l’univers!Et vous enfants de la rive bénie,Oú tout rayonne; et la terre et le ciel,Puissent vos maux fimir, l’ItalieProduire encor un nouveau Raphaël.5
Fréres du Nord, Russes, Germains, Bataves,
Fils d’Albion, vous qu’entourent les mers,
Unissez vous, pour les arts plus d’entraves,
Par vos travaux étonnez l’univers!
Et vous enfants de la rive bénie,
Oú tout rayonne; et la terre et le ciel,
Puissent vos maux fimir, l’Italie
Produire encor un nouveau Raphaël.5
Et toi, sois fier, o mon pays que j’aime!Qui donc encor t’ose appeler petit?N’es-tu pas grand par eet éclat suprême,Qui de tes fils jusqu’à toi rejaillit?Ce jour t’acquiert une gloire nouvelle,Pays des arts et de la liberté,Tu vas fonderla paixuniverselle,Sur le talent et la fraternité.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Et toi, sois fier, o mon pays que j’aime!
Qui donc encor t’ose appeler petit?
N’es-tu pas grand par eet éclat suprême,
Qui de tes fils jusqu’à toi rejaillit?
Ce jour t’acquiert une gloire nouvelle,
Pays des arts et de la liberté,
Tu vas fonderla paixuniverselle,
Sur le talent et la fraternité.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
En als het koor dan juichend den aanhef der schoone Cantate herhaalt:
Retentissez, chants de victoire,Éveille-toi, noble cité,Fêtons les élus de la gloire,Les fils de l’immortalité....
Retentissez, chants de victoire,
Éveille-toi, noble cité,
Fêtons les élus de la gloire,
Les fils de l’immortalité....
dan—dan heerscht er een diepe stilte; maar als het geëindigd is, dan barst er een oorverdoovend Bravo los, en straks,—straks ook dondert het kunstvuur een alles beheerschend BRAVO in de lucht, en wendt gij den blik dan naar boven, dan ziet gij de booze geesten, hoe ze vuurspuwend met gloeiende sikkels elkaar vernielen. Kanongebulder en vreeselijk musketvuur schokken den bodem waarop gij den voet drukt. Een huivering doortrilt uwe ziel. Maar, victorie! victorie! weer heeft de Kunst hier getooverd!
Vrede, vrede op aarde! is de bee, die er opwelt in aller boezem, en ziet: Een reine vuurstraalZUCHTkrachtig naar boven, en schoone duizendkleurige bloemen vlokken naar omlaag en een stemme spreekt zachtkens vanbinnen:
Bloemen en gaven zij dalen van Boven:Zoekt met Uw gaven den Gever te loven!
Bloemen en gaven zij dalen van Boven:
Zoekt met Uw gaven den Gever te loven!
En het Te Deum heeft weerklonken in de kruisgewelven van Antwerpens kathedrale.
Broeders Protestanten! ook hier zijn vreemde vormen, maar dat Te Deum ia ook voor ons het Godgewijde lied bij uitnemendheid. Ei, stemt dan in stilte:
Wij loven U, o God, wij prijzen Uwen naam,U, eeuwig Vader, U verheft al ’t schepsel saam.Zingt Serafs, Eng’len zingt; heft Machten aan en Tronen;Onafgebroken rijze uw lied op hooge tonen,Gij, driewerf heilig zijt Ge, o God der legerscharen,Dat aarde en hemel steeds Uw grootheid openbaren.6
Wij loven U, o God, wij prijzen Uwen naam,
U, eeuwig Vader, U verheft al ’t schepsel saam.
Zingt Serafs, Eng’len zingt; heft Machten aan en Tronen;
Onafgebroken rijze uw lied op hooge tonen,
Gij, driewerf heilig zijt Ge, o God der legerscharen,
Dat aarde en hemel steeds Uw grootheid openbaren.6
En als de volkeren der gansche aarde dat lied verstaan en doorgronden, dan, dan is er geen burgeroorlog en geen bloediger godsdienstkrijg meer te duchten, dan is het:
La paix universellePar la foi, le travail, le génie et l’amour.
La paix universelle
Par la foi, le travail, le génie et l’amour.
Voorwaarts dan zonen der Kunst. Voorwaarts!
En alweder, Antwerpens stedemaagd, hebt gij ons binnen de zalen van uw Kunst-Congres den reus doen aanschouwen, den reus der gedachte, den reus die meer dan duizend mannen, zoo verschillend van geboorte als van genie en ontwikkeling, zoo verscheiden van kunstuiting als van godsdienstvormen, in velerlei tale deed samenspreken; deed samenspreken zonder verstoring van den broederzin; deed samenspreken met warmte tot één eenig doel: de verheffing, de waardeering, de opbouwing van de Kunst. De kunst, die schoone dochter der zucht naar waarheid, der begeerte naar eeuwige wijsheid.Kunst! dochter derWIJSBEGEERTE! Wijsbegeerte, telg der Godheid op aarde!
En de reuzengeest, die het denkbeeld van zulk een grootsche wrijving der gedachten in ’t leven riep, heeft getriomfeerd in spijt van veler profetie. De rechten der Kunst, haar doel en hare bestemming zijn levendiger geworden in den boezem dier vergadering. Vonken vuurs zijn er geslagen, en koude harten—ze hebben gegloeid! Stad van den reus, dank, dank voor uwe zegepraal.
En als gij ons dan verder uwe Kunsttrezoren hebt getoond en altijd en altijd genieten deedt, welaan, voer hem dan rond door uwe straten het beeld van den kolos, die, ofschoon door de beschaving verslagen, toch immer de grondlegger der grootsche Scheldestad blijft. Ook wij, wij willen het beeld uwer grootheid aanschouwen—den omgang der reuzen en wagens.
En ziet, de walvisch—de reus der zeeën—opent den trein. Uit zijne neusgaten blaast hij het water der Schelde ginds en her over het jubelende volk, en hij schijnt er te roepen:
Van den oceaan ben ik tot u gekomen. Heerscht over de wateren. Zeeën en Schelde zijn één!
Ziet, en achter hem volgen ze reeds; de boden en dienaars van Neptunus, de ranke dolfijnen.
En kleine booten klieven alree de golven; en, als de roeiers met kloeke handen de riemen bewegen, dan zien ze:
Het schip al volgen, het groote schip in volle zeilen; het schip met het wakkere scheepsvolk aan boord, dat overzeesche schatten brengt aan de oevers der Schelde.
Ziet gij ’t wel, op dien wagen met vele rijk getooide paarden bespannen, volgt nu het beeld van Druon-Antigoons gade. Ja, ook deVROUWEmagGROOTzijn, maar dat heur ziele toch rein zij, ziet: rein als het witte kleed dat die gestalte omhult; heur tale zij als het zilver waarmede dat kleed is bestikt, en de roode sjerp, die van den schouder tot op de heupe zwiert, moet haar het beeld zijn der heiligste Liefde.
Daar komt hij.... daar komt hij met zijn zwaard en zijn schild, de forschgespierde, de burgheer der Schelde. Ja, ’t is zijn afbeeldsel wel. Fier doet men hem rondzien, en hij blikt er van zijn triumfkar door de hoogste vensters naar binnen, en grimt er in ’t ronde omdat hij nogkleinheidbespeurt, kleinheid, die vlucht voor zijn aanblik: kleinheid, die snel voor hem heengaat. “Weest groot zooals ik!” klonk eertijds zijn stem. Maar thans, hoe zijn beeld er ookrondwaart, hij kan er nietachterzich zien en aanschouwen wat hem volgt op den voet. En ziet, wat hem volgt heeft zijn geroep gehoord, doch—werdgrooter danhij.
Brabo’s triumf:
Prachtwagen met de zinnebeelden van Antwerpens bloei door beschaving, door zeevaart en handel. Welkom wakkere stedemaagd! Van uw hoogen zetel ziet gij met welgevallen neder op de vele natiën die gij met u voert. Druon-Antigoon is voorbijgegaan, en des geweldigen arm kan den buit niet meer bereiken, en de triton achter uw zetel blaast te luider een driewerf: Houzee!
Houzee!
En welvaart heerscht er; en Antwerpen is groot onder de steden; en de wagen die volgt toont zijn roem en zijn reuzengeest aan de nakomelingschap, en wijst op de schatten van ’t genie, die zijne wallen omsluit. Wat al mannen van kracht en van geest nemen er hunne plaatsen op in. Schoon en verheven als het prachtige voertuig zelf, klinken de namen van hen, wier nagedachtenis het in bonte mengeling met zich voert.
En—wilt ge nóg zien wat Kunst en wat Arbeid in deze oorden gewrocht heeft?
Ziet, daar nadert Flora’s zegewagen. Zij nadert, de vriendelijke maagd in haar witte kleeding. Gezeten in haar lommerrijk priëel, omgeven van bloeiende planten uit Noorder- en Zuiderluchten, drukt haar voet het mollige grastapeet dat met bloemen bezaaid is. Akker- en tuinbouw juichen mede ter eere der Kunst, der Kunst die hen voorgaat.
Ontwikkeling, welvaart, vrede! Kinderen der hooge wijsbegeerte en der immer voorwaarts strevende Kunst! Fiere maagden! op den laatsten wagen hebt gij met nog meer zusters uwe plaatsen genomen.
En—als de stoet voorbij is, dan staart nog het oog op dat achterste blazoen van dien laatsten der wagens, en hoort gij in ’t klokkengelui van den toren alweder den nagalm van ’t lied, het lied dat ook dié omdracht u zong:
Voorwaarts zonen der Kunst! voorwaarts kinderen der beschaving! Door U, door U zij er vrede op aarde!
En die nagalm, het is een zuivere toon; zuiver, al was het de voorstelling niet van het ongewone, grootsche, maar te vluchtige schouwspel, dat den Noord-Nederlander verrassen en verbazen moest.
Onzuiver zij de omtrek, waarmee hij den indruk dier prachtige vertooning zocht te schetsen—de naklank, de naklank er van is zuiver.
Zuiver als Artots stem, toen zij daar in die weidsche zale de woorden van het verheffende psalmlied zong:
“I cieli immensi narrando del grande Iddio la gloria.”
“I cieli immensi narrando del grande Iddio la gloria.”
Zuiver als de driehonderd stemmen, door Callaerts kunstschepter beheerscht, die er te zamen herhaalden:
I cieli immensi narrando del grande Iddio la gloria.
I cieli immensi narrando del grande Iddio la gloria.
Zuiver is die nagalm, zuiver en rein als Joachims snarengetoover, dat een onafzienbare schare verrukte, ja meer—ook Hollands grootste toonzetters in vervoering bracht.
Zuiver, als het kunstgenot dat Antwerpens reuzengeest op dien onvergetelijk en avond aan allen te smaken gaf.
En—zuiver maar krachtig blijve het voortruischen, dat thema van Antwerpens Kunstfeest:
Vrede! vrede op aarde!
Vrede! vrede op aarde!
En—toen de dag nu aanlichtte, waarop het welkom met een roerend: Vaarwel! werd verwisseld; toen het scheiden van zoovele broeders het harte week maakte, en de Noord-Nederlander nog eens omzag naar de veste, waar de reus der Kunsten ten troon zit, toen welde hem een traan in het oog; maar ook—toen was het hem een heerlijk symbool, dat zich daarginds, in ’t lauwe gras der sterke wallen, een kloeke zoon van Mars ter ruste ging nedervlijen,7en—zijn afscheid was: Vrede!
En toen hij daar voortgleed op de wiek van den stoom naar den eeuwig dierbaren geboortegrond, toen, toen bezag hij ook nogmaals den schoonen gedenkpenning aan die onvergetelijke dagen; en—Antwerpens wapen boeide zijn geest.
Boven den hechten burg ziet hij die handen naar boven.
Neen, dat zijn hem niet meer de handen der arme schippers uit de tijden der sage; dat zijn hem de handen van den Antwerpschen reus dezer eeuw; de handen der vele broeders uit Antwerpens onvergetelijken Kunstkring;8van den dierbaren vriend en de zijnen, in wier woning en harten hij plaatse bekwam. Dat zijn hem de handen van Antwerpens eersten en hoogwaardigen Magistraat, van den edelen Burgervader, den voorzitter van het reusachtige Kunst-Congres.Ziet, en ze wuiven nogmaals: Vaarwel, vaarwel! gij strijders der gedachte. Zij wenken: Komt weder als het u wel was in onzen tempel der Kunst! En hij, de broeder van ’t Noord, de broeder der zelfde tale bovendien, hij drukt ze nog eens met verrukking die handen—ja, ook de hoog edelsten dáár ze schamen ’t zich niet.—Vaarwel! roept hij mede. Dank, dank! stamelt zijn stem; God zegene u allen! God zegene u, heerlijk lustoord der Kunst! en—zij er een grens tusschen ’t Zuid en het Noord; in het rijk der Kunst bestaan geene grenzen: Broeders voorwaarts! Eenheid, Vooruitgang, blijve de leuze; en thans voor het laatst:Uw kunst werke mee tot den vrede op aarde!
1“Soldats de la pensée.” Le triomphe des arts.Feest-Cantate van G. Demarteau.2Schilderij van Biard.3Schilderij van Cermak.4Schilderij van De Bruycker.5De zanger wijzigde aldus de woorden van Demarteau’s Cantate, die oorspronkelijk luidden:Produire encordes NouveauxRaphaël.6Het Te Deum—3de der Nederd. Evang. gezangen.7Naar het leven.8Cercle Artistique.
1“Soldats de la pensée.” Le triomphe des arts.Feest-Cantate van G. Demarteau.
2Schilderij van Biard.
3Schilderij van Cermak.
4Schilderij van De Bruycker.
5De zanger wijzigde aldus de woorden van Demarteau’s Cantate, die oorspronkelijk luidden:Produire encordes NouveauxRaphaël.
6Het Te Deum—3de der Nederd. Evang. gezangen.
7Naar het leven.
8Cercle Artistique.
Te Wolfhezen.Herinnering aan mijn ontslapen vriend, den Kunstschilder P. L. L. Oerder gewijd.Gij zijt niet meer, mijn goede vriend Pieter. De levensvijand tastte u aan, en ofschoon men u ook overwinnaar waande in den heeten kamp, de wonde u toegebracht zij was te geweldig en in de armen van onzen braven leermeester, uw trouwsten vriend en geestverwant, gaaft gij den jongsten snik.Oerder, mijn ontslapen vriend, al is het mij ook als stondt gij daar nog, met uw gul en blozend, trouwhartig gelaat, toch—toch kan ik niet meer tot u spreken zooals voorheen, maar—wanneer ik in vluchtige trekken aan anderen verhalen ga, wat mij vroeger en onlangs het schoone Wolfhezen te zien, te hooren en te gevoelen gaf, dan zal het mij zeker nog dikwijls zijn als sprak ik tot u; en als ik dan tevens, doch ongemerkt, een loover kan neerleggen op uw eenzaam graf, dan heb ik voldaan aan de behoefte van mijn hart, want ook gij mijn vriend—hoezeer wij in geloofsovertuiging van elkander verschilden—ook gij hebt mijn oog helpen richten op de schoonheden van Gods prachtige schepping, en mij,in u zelvenden reinen mensch doen waardeeren, ongeacht den vorm—den immer gebrekkigen vorm zijner Godsvereering op aarde.Daar klonk in de jongste dagen een stem door het land, een stem wier weerklank was: Op, Christenen! dost u in feestgewaad; spoedt u naar Gelderlands lustoord; gij zult er een feest vieren, een nieuw, een heerlijk feest: den heiden ten zegen, uw ziele ten heil, den drieëenigen God ter eere!En de roepstem werd vernomen, en de geest der roependen werd verstaan, en duizenden uit vele oorden des lands, zij maakten zich op, en spoedden zich voort naar het schoone woud.Duizenden! en onder die duizenden zoovelen in het vast geloof, dat de adelbrief der rechtzinnigheid aan hen was verleend, de adelbrief door God zelven geteekend met de pen der genade, en die gedoopt in het dierbaar bloed van Zijn heiligen Zoon.Doch onder die duizenden was er één, één dat weet ik zeker—die zulk een geestelijken adelbrief nog niet had ontvangen, en door iets anders naar dat schoone oord werd getrokken dan die duizenden ginds.Wolfhezen was hem lief. Hoe dikwijls zat hij er neder om boom en blad en ’t klare beekje langs de blanke heuvels in groenen zoom, nauwlettend te bespieden, en ook te schetsen in verven ofschoon met zwakke hand.En niets, niets stoorde dan de plechtige stilte die er heerschte, want zelfs het bijna onhoorbaar gemurmel der beek, het lieflijk gekweel der vogels in ’t ronde, het klagend gekor der woudduif van verre, ’t geritsel door ’t loof van den vallenden eikel, en ’t vluchtig gekrak van het doode takje als het eekhoorntje rondsprong in ’t eikenhout; zij zelfs, de zoetste stemmen der natuur, ze smolten inéén met die plechtige stilte, tot het lieflijkst akkoord.En, als een ander geluid den jeugdigen schilder een enkele reize deed opzien van zijn arbeid, dan was het, wanneer het schokken der kleine met plaggen beladene kar hem wekte, terwijl zij daarginder, door den statig-stappenden rood-bonten os, over het aardige beekbrugje werd voortgetrokken, of ook, wanneer het zachte gekling-klang der klokjes hem trof, als Harm “de scheper” aan gene zijde der beek zijn kudde voorbijdreef, en de schapen—in deze landstreek zoo goed met schilders als schepers bekend—niet aarzelden om ter lessching van hun dorst den beekheuvel af te dalen, terwijl de blanke kiezels hun fijne pootjes reeds vooruit rolden en plassende in den helderen vliet, er parels deden opspatten van vloeiend kristal.Ja, Wolfhezen was hem lief, want de natuur is er heerlijk en schoon!—Schoon, verheffend schoon, bovenal in den morgen, in den vroegen morgen:Als bij ’t lieflijk voog’len kweelen’t Luchtig morgenkoeltje suist,En bij ’t pooplen van de abeelen,’t Vaarkruid boven ’t beekje ruischt.Als er blauwe nevels dwalen,Ginds waar ’t woud zijn toppen beurt,En de zon met de eerste stralen’t Zilvren web der heide kleurt.Als de boekweit geurt vol zoetheid,En het bijtje u gonst in ’t oor:De aard is vol van ’s Heeren goedheidLooft zijn naam alle eeuwen door!En in zulk een morgen, was het dan vreemd dat er een traan welde in het oog van den jongeling, en dat er een woord, uit den diepsten grond des harten geweld, aan zijn lippen ontvlood, een enkel woord....Pieter, gij hebt dat woord niet vernomen. Dat behoefde ook niet. Maar—wanneer wij wel eens voor een wijlen poozende van den arbeid, het penseel lieten rusten en ik u onwillens verrassen moest, terwijl gij achter een heuvel verscholen neerlaagt op de bruine hei, en er in uw bijbeltje laast, met een zoo ongehuichelde vroomheid op uw goed gelaat, zeg, hebt gij dan ook misschien gebeden voor het zieleheil van uw jongen vriend, den armen verdoolde! die—daarbuiten—niet las in een bijbeltje en niet gelooven wilde wat gij voor eeuwige waarheid hieldt? Ja, ik weet het, gij hebt gebeden, maar ook, en dát, dát was uw waarachtigst gebed: gij hebt gewerkt. Nooit! neen nooit zelfs bij vroolijke scherts, heeft een onrein woord uit uw mond den zuiveren dampkring bezoedeld; altijd hulpvaardig, altijd voorkomend stondt gij den jongeren leerling ter zij, en immer goedaardig en stil, ook dán wanneer gij worsteldet met de kunst die u lief was—de menschen weten niet wat daarmee te worstelen valt—misschien zelfs worsteldet met uw lichaam er bij, heeft hij geen wrevel in u bespeurd, slechts eenmaal uw toorn.... Maar inderdaad, dat was een al te groote, een overdreven ijver, mijn goede Pieter, immers de naam van uw God werd daar niet gelasterd, en toch, ook zelfs voor dientoorn.... ik zou er u gaarne de hand nog voor drukken.En onder de duizenden, die zich opmaakten om het Zendingsfeest te vieren, was er dan één, die niet opging zooals de groote schare, gewekt door geestverwantschap, en in gloed voor het doel—al zou hij wel gaarne het rijk der liefde prediken “beginnende van Jeruzalem” en al vindt hij het denkbeeld verheffend schoon, den Schepper een loflied te zingen in zijn prachtigsten tempel: de reine natuur. Neen, hij maakte zich op en voor ’t grootste deel, om zijn dierbaar Wolfhezen in den vreemden tooi te zien, die aan vervlogene eeuwen herinneren moest, om zich met eigen oogen te overtuigen of dat feest—naar sommiger meening—de plek niet ontwijden zou, die hem immer toelachte als een reine maagd vol onverwelkbare schoonheid.En de nacht wekte hem van zijn leger, en de vroege morgen groette hem, als hij aan den oever van den breeden Maasstroom door het kleine raampje van den spoorwagen heen, de golfjes zich alle in grauwen nevel zag voortspoeden, beden in den nevel; morgen in het glanzende licht der zon: bij stilte of storm, ’t zij grooter of kleiner, ’t zij helder of troebel,—zij alle van denzelfdenoorsprong—vlietende naar dien oorsprong terug, naar den eindeloozen Oceaan....En het werd een schoone—al werd het geenhelderedag.De feesttrein snelde voort, en zijn breede blanke pluim van stoom golfde met hem mee, en wuifde den nieuwsgierigen langs zijn pad een vroolijk “vaarwel” toe.En ik—in mijn hoekske gezeten, terwijl ik mijn oog liet weiden over de bonte rijen van mannen en vrouwen, van jongen en ouden, daar hoorde ik weer in ’t gestoot van den wagen die droevige profetie: “Wat zult gij een huichlende vroomheid zien!”Maar neen—in waarheid hier in den feesttrein zag ik ze niet. Die burgerman met zijn witte das lachte mij vriendelijk groetende toe, en op mijn “Donker luchtje mijnheer,” meende hij: “Dat het nog op kon klaren,” och, doodeenvoudig: dat het nog op kon klaren. En “de lange gezichten”, ik zag ze niet: en de “smachtende blikken ten Hoogen”, neen waarlijk ik bespeurde ze nergens; de vroolijkste verwachting las ik op de meeste aangezichten; ze praatten en lachten, doch stemmig bedaard; ja inderdaad het waren menschen! gewone doch fatsoenlijke menschen.En eensklaps—daar was voorzeker een wenk gegeven—kwam een ernstiger plooi op veler gelaat; de mannen ontblootten het hoofd, de vrouwen zagen stil voor zich heen, en de snorrende dreunende spoorwagen weerklonk van het zuiver aangeheven psalmlied:Looft den Heer want Hij is goed,Looft Hem met een blij gemoed.Want Zijn gunst alom verspreid,Zal bestaan in eeuwigheid.Dat was vreemd nietwaar in den wagen?Pieter, wat zoudtGIJgenoten en helder hebben meegezongen; en gij mijn vriend de profeet, die in uw gelooven zoo hemelsbreed verschilt met de volgelingen der Dordtsche vaderen, ja, ik weet het, waart ge daar tegenwoordig geweest, ook gij zoudt het hoofd ontbloot en wellicht hebben meegestemd in dat lied ter eere van den Eeuwige, van Hem, die wel bij vele namen door Zijne schepselen wordt genoemd, doch voor de uiting van wiens naam alle aardsche taal te arm is, en alle aardsche wijsheid te gering om dien naar eisch te bepalen. Gij stemt het mij toe, slechts sectenhaat of blinde partijzucht zal wrevel gevoelen bij de uiting van eens anders waarachtig godsdienstig gevoel, terwijl alleen een bittere ervaring er toe leiden kan om al aanstonds haar oprechtheid te verdenken, en de lichtzinnige slechtsspottenzal waar door stervelingen,den Formeerder van millioenen werelden, den Voeder van legioenen billioenen schepselen, hoe onvolkomen dan ook, het: Looft, looft Hem! wordt toegebracht.En de trein snelde voort, en een vroolijke maar opgeruimde stemming bleef ongestoord in dien wagen heerschen.Behalve den reeds genoemden burgerman, bestond het klubje, het meest in mijn nabijheid gezeten, uit een paar oude juffrouwen, een zoon uit den ambachtsstand, en een viertal meisjes met stemmige, niet onaardige—ja twee er van zelfs met geestige gezichtjes. En waarlijk, dat klubje het onderscheidde zich door een onderlinge hartelijke gulheid, waarvan ook de vreemden de tastbare bewijzen ontvangen mochten. Ik weet niet wat schatten van proviand ons vriendelijk dringend met een: toe maar! werden aangeboden, en—of ook een wenk voldoende was om daarvoor dank te betuigen, een kleine versnapering mocht niet versmaad maar haastig worden aangenomen.En na het genot, en wat kout over ’t weer en de heerlijke landstreek, waarheen men ons voerde, vervulde opnieuw een psalmlied dentrillendenwagen. En al zag ik ook nu, en straks, en tot den einde bij ieder lied dat weerklonk, de groote blauwe oogen van het blondste der meisjes voortdurend van reine geestdrift schitteren, toch las ik op sommige aangezichten bij het derde of vierde lied een zekere vermoeienis een....Maar gij begrijpt wat ik zeggen wil; de man verstond mij ook toen ik hem opmerkte, dat men dien dag nog zooveel zou moeten zingen en of de stemming, die zij op Wolfhezen wenschten, niet reeds te veel verzwakt zoude zijn indien....?Ja, hij gevoelde dat zeer goed, en—hij zou maar eens een sigaartje opsteken. Weet u, maar ze zongen zoo gaarne, en straks dan zouden ze dit—dit lied eens aanheffen: “Het betere vaderland” dat was zoo schoon, en de wijs: bijzonder!En de vriendelijke man al vond hij het lied ook schoon, hij wilde het toch den vreemde wel toegeven: ja—dat het vaderland voor de ziel toch eigenlijk in de eerste plaats, reeds deaardemoest zijn, en, dat het hijgen en zuchten naar eenbetervaderland inderdaad ondankbaarheid aan den Schepper mocht heeten, aan Hem, die den hemel wel zeker reeds op aarde vestte voor hen die maar goed verstaan, dat de hemel der ziele is:DE VREDE VAN EEN REIN GEMOED.Ja, al vond hij het lied toch schoon, hij wilde wel toestemmen ook, dat het uitzicht der ruste in het Jeruzalem daarboven “de stad voor Gods bruid met de straten van goud” toch eigenlijk geen ruste zou zijn in den zin van aardsche ruste.Neen, ziet u, na dat viermalen: rust, rust! rust, rust! volgde de bepaling:Hemelsche rust!Maar—zoo meende ik weder—of het dan toch niet beter zou zijn, den zin der menschen voor hier en voor eeuwig op te wekken, in stee van tot die hemelsche rust—tot een hemelscheWERKZAAMHEID?Ja—ja, dat kon wel waar wezen, maar toch het was een mooi gedicht dat “betere vaderland” en de wijs! en de meisjes moesten straks maar eens aanheffen, doch—niet te hoog.En het gezang klonk—ofschoon wat eentonig, toch lief, en toen het geëindigd was, toen knikte ik den zangers toe; en de meisjes namen de bijvalsbetuiging gaarne met een zedig glimlachje aan, en de man die haar leermeester was, hij zeide half lachend en hoofdschuddend meteen, dat het toch wel wat hoog was geweest: het blondje stonden er de tranen van in de oogen.Of hij bedoelde dat het lied voor mij, den schijnbaar ongeloovige, teHOOGwas, ik geloof het niet; dat velen het meenen zullen dat weet ik zeker; wij willen er niet over twisten, in den spoorwagen was er ook geen twist, ’t was er harmonie tot den einde toe.De feesttrein doorsneed de laatste steil afgestoken spoorwegheuvels, reeds vroeger door de meesten der Hollandsche feestelingen, met de verrukking der nieuwheid, als hooge bergen begroet. Nog een psalmlied werd gezongen, en het snijdend gefluit van den salamander weerklonk door Wolfhezens dreven.Het is een steeds dalende straatweg, die van het kleine station door de breede, ten deele ontgonnen en golvende heivlakten heen, naar Wolfhezens paradijs voert. Straks zult gij het betreden. Maar nu.... Zie mij die schare eens aan!Hier op dit heuveltje geklommen, ziet ge dien golvenden straatweg met duizenden menschen overdekt, gelijk aan een bontkleurig lint dat voortfladdert naar ginder.... verre.... tot aan het groene woud.Welk een ontzettende menschenmassa op dezen anders zoo stillen weg der groote heerlijkheid. En nog altijd voert de stoom er nieuwe feestelingen aan, die—evenals wij nog kort geleden—er vrienden ontmoeten, waarmee ze zich voortspoeden naar het doel van hun verren morgentocht.En ook ik, mijn dierbaar plekje, ook ik betrad u dan weder, maar nu in ’t midden dier bonte menigte en mijn oog....Maar stil; wat zoudt gij wel gezegd hebben mijn Pieter, indien gij al aanstonds op den oever van het beekje nabij de schoone eiken groep, die voor de hoeve staat, die lange blauwgeverfde broodkraam ontwaard hadt. Ik weet het, gij zoudt verdrietig zijn geworden en den blik hebben afgewend, om liever rechts te turen naar de bruine hei met de schaapskooi op den top, en ’t geboomte van verre, waardoor de beek zich voortspoedt al verder en verder naar het stille dorp, om er het molenrad te doen klepperen. Of wel, gij zoudt den blik voor u uit gericht en u vermeid hebben in het frissche groen van het akkermaalshout, waarin de straatweg zich alslingrend verschuilt. Nietwaar, die houten kraam, gij hadt haar gewis ontwijding van dit schoonste oord genoemd, maar toch, toch zoudt ge de menigte zijn gevolgd, en het ongelukkige voorwerp zijn voorbijgegaan, dat den mensch zoo krachtig aan zijn menschelijkheid herinnert, om mij toe te geven in ’t eind, dat er toch bezwaarlijk een betere plek voor ware te vinden geweest, en dat, waarvele menschenbij elkaar zijn gekomen, zelfs in de schoone natuur, al licht eenwanklankgeboren wordt.Voor u wienWolfhezensschoonste gedeelte nog onbekend is, wil ik er met de pen een flauwen omtrek van schetsen:Op een groot kwartier afstands van de plek, waar wij langs den golvenden straatweg zijn aangekomen, ontspringt in een kleine vallei der heide, op den zoom van een sparrenbosch, het straks genoemde beekje.Door dat sparrenbosch heen—welke plek gij niet zult vergeten—kronkelt het met twee armen, die zich echter al spoedig vereenen, in de diepte voort, van het Oosten naar het Westen; en, als wij blijven op zijn linkeroever—dewijl die oever ten Noorden het schoonste deel der streek en ook het feestterrein bepaalt—dan treden wij op den heuvelrug langs zijn boord het mastbosch door, en grijpen wel eens naar de groene struiken wanneer de voet, bij een golving van den grond dreigt uit te glijden op de mossige hei, zoo mild met dennenaalden bezaaid.Reeds hier is het schoon; doch verder.Steeds volgende het immer kronkelende stroompje ter rechterzijde, is het niet langer een mastbosch dat uw pad beschauwt. Zie, de blanke abeelen ze stoeien dooreen met beuk en met eik, hier opschietende uit het dichtst geblaart, daar met den ruig bemosten voet in den groenen oeverzoom.En dan, terwijl het beekje bij elken kronkel als wegschuilt in slingerend braam- en struikgewas, terwijl het omlaag de breedgewiekte varen kust en dartelt door de biezen heen, dan wordt het woud—ofschoon niet dichter, steeds schooner van vorm en van tooi, en stralen de beekheuvels steeds rijker in kleurenpracht.Zie—het fijne,grauw-blankezand, het breekt en het schertst er al meer en meer door het fulpen tapeet, smalle paadjes zich banende langs den oever, ’t zij hooger of lager, naar boven of onder, vriendelijk lachende tegen het malsche groen der lage plantjes waarin de bosch-bes schuilt; jubelende tegen den zwartbruinen zoom waarboven het paars-rosse heibloempje troont, schaterende waar zijn glinsterende kiezels als stoeien met het goudgele mos; stil zich schamende in ’t eind waar dehel-witteberk zoo slank zich verheft en met de zilveren blaadjes victorie kleppert, hoog—hoog in de blauwe lucht.En—als gij nog altijd voorttreedt met het beekje ter rechterzijde door die prachtige schoone natuur, en nu eens een berk of een beukenstam ontwaart, die door den storm, ’t zij met de kruin in den vliet, ’t zij van gindschen heuvelvoet tegen de helling naar dezen kant werd neergeworpen, dan treft u mede al spoedig—niet ver van een kleine ruimte in het bosch—de zware, nu schier vermolmde abeel, die er reeds vele jaren nederligt.Pieter, wij hebben hem gekend toen hij zich stout verhief op zijn prachtigen stam en de reuzenarmen beschermend uitbreidde in ’t rond, en de schoonste en krachtigste zoon scheen van ’t gansche woud. Gij weet het nog, daar was een verborgen kanker in zijn binnenste, en—toen de storm eens loeide door het bosch, toen smakte hij den schoonen forschen boom ter aarde, en wij kwamen er, en stonden bij den gevallen stam, en zagen elkander droevig aan, maar toch, nietwaar—het was een schoone studie.Ja zeker, zulk een gevallen grootheid is een schoone studie.Met een weemoedigen blik naar den vermolmden boom gaan wij verder, mijn lezer, bij een sterkere kromming der beek de straks genoemde ruimte door—waaraan ik vluchtig herinneren zal—en naderen ongemerkt Wolfhezens bekoorlijkst gedeelte.Nietwaar, bij iedere nieuwe bocht van het beekje vertoont zich als ’t ware een schooner tafreel. De zandheuvels aan beide zijden zijn nog rijker in afwisseling van lijnen en tinten; nu eens steil dan weder zacht-glooiend afdalende naar de beek; ginds—aan de overzij, ten deele gevangen in de schaduw van den prachtigen beukeboom, wiens zware wortels nu eens naar boven worstelen om even het zonlicht te zien en dan weer schuil te gaan in het grauw-blanke zand; hier—de heuvel waarop gij treedt—dartel in het volle licht der stralende zon, de heuvel met zijn sprietjes en takjes en bloempjes die vaak zich al glanzende buigen.... over donkere diepten.En dan, als gij den blik een honderd schreden ver, ter linkerzijde naar den hoogeren heuvel wendt—den heuvel dien wij een berg willen noemen—dan weiden uw oogen door een frissche vallei met een zachte golving naar dien bergrug omhoog, en—gij weet niet wáár gij u ’t allereerst een wijle tot rusten zoudt nedervlijen.... Daarginds, op de helling van den ros-groenen berg, in ’t lommer van eik en van beuk, van berk en den, als de zon er toch spartelt door takken en blaren en gouden glansen strooit in het groene boschbessendal.... Of hier, met het oog langs het aardige beekbrugje heen naar de hoeve in groenen krans gesloten, de hoeve die uit haar witte schouw een teeder rookzuiltje langs het donkere eikenloof doet opkronkelen, ten hoogen hemel.En—schier turens moe naar dat rookzuiltje uit de schouw, zie ik ter linkerzij onder het zwaar geboomte aan het eind van den bergrug, een zonderling tafreel.Met helm en werpspies gewapend, het zwaard in den gordel en den pijlkoker over den schouder; armen en beenen naakt en devoeten ongeschoeid, staan daar forsch gespierde mannen om een steenen altaar in wijden kring geschaard.Zie, meer nabij het altaar daar staan met kaal geschoren kruin in witten tabbaard de priesters van Wodan, de handen ten Hoogen geheven, straks neervallende op de knieën, kreten slakende door de echo’s weerkaatst.En het droevig gekrijt van den zuigeling wordt overstemd door die kreten der priesters en door de Wodan-gewijde liederen hunner heilige barden.En dichte rookwolken stijgen op van het altaar, en dwarrelen voort langs stam en langs takken, en zeulen in het dicht geblaart, en kleuren het morsig grauw. En hoor, een snijdende gil glijdt van den bergtop naar beneden; een jonge vrouw met opgescheurde kleeding, de lange blonde haren wild golvend langs naakte schouders en vollen boezem; een houten kruis in de dreigend gehevene hand, zij staat er en deinst op de helling terug. “Mijn kind! mijn kind!” krijt ze op zielverscheurenden toon: “Op Franken, wraak! Jezus Christus wraak! Wodan zij vervloekt! Zijn priesters vervloekt! Wraak, wraak voor mijn kind!” En zie, dan rijt ze met scherpe nagels heur boezem in bloed en ijlt den bergrug af op priesters en altaar toe en.... Ik zie haar niet meer.Een ander tafreel, en meer van nabij, treft mijnen blik.Een ontelbare schare van mannen en vrouwen, ten deele achter het struikgewas verscholen, ze staan of liggen er in bonte maar vast opeengedrongen groepen, het oog schier allen naar een en hetzelfde punt gericht.Hun kleeding herinnert aan Neerlands roemrijkst verleden; de mannen in dichtgesloten wambuis, in wijde broek en strak om het been geslotene hozen; de vrouwen in haar stemmig gewaad.Sommigen der eersten in rijkeren tooi, den korten mantel van fluweel op den schouder, doch evenals al die mannen de hoofden ontbloot, de eerstgenoemden hun laag ronden hoed in de hand, de laatsten de fulpen baret met golvende pluimen.En daar, nabij den forschen eikeboom, daar staat op een lage vierkante kar een man in zwarte kleeding. Zijn stem bereikt ook den uitersten zoom dier schare waar de jonge moeder nederzit, en—luisterende steeds, haar zuigeling laaft; tot daar, waar de krachtige man den grijze ondersteunt en aan de andere zijde het jongske weerhoudt dat, tastende naar bramen, zich reeds de vingertjes kwetst aan de nijdige prikkels.Een zoete vrucht in scherpe dorens!!Ja, zie maar, die lieden met zinkroer en zijdgeweer, of ook met bus en hellebaard gewapend—op verren afstand ginds en her verspreid, zij houden de wacht, want hoor, die man daar in ’t zwart, hij spreekt er op diep doordringenden toon—van de ure die gekomen is waarin tribulatiën en perikelen dreigen den uitverkorenen Gods, en de Antichrist strijd voert tegen de gezalfden des Heeren. Hoor, hij roept steeds met luider stemme:Mannen broeders! wandelt als kinderen des lichts, vervloekende Satan en zijn ongerechtigheid; wandelt in de liefde onzes Heeren Jesu Christi, maar óók, maar óók omgordende uwe lendenen en heffende het zwaard tegen hen, die afhoereeren van den eenigen God, en valsche goden offeren voor Zijn heilig aangezicht. Mannen broeders! vreest den strijd niet, noch vervolging, noch naaktheid, noch honger, noch dorst, want neen, gij zult niet hongeren noch dorsten in eeuwigheid. En gij vrouwen en jonge dochters! murmureert niet tegen den Heer; wat zoudt gij klagen en weenen, al zaagt gij uw vaders en broeders, uw echtgenooten of ook uw beminden ten mutsaard gesleept. Op! op dan! zijt moedig en fier; ducht de woede der Isebels niet. Hoort, hoort! Israëls bazuine weerschalt langs Jericho’s muren, en Babylon zal vallen voor het woord van den Heer uwen God. Geliefden! broeders en zusters! zingt den Heere in ootmoedigheid uwe psalmen, totdat de ure komt, de ure der persecutie, maar dán ook: strijdt, strijdt....Doch zie, daar wenden zich aller oogen naar den uitgang van ’t woud: musketvuur en wapengekletter weerklinkt er.......... Strijd......!Ha! ’t is voorbij. Dat waren droevige tafreelen. Neen, gedroomd heb ik niet, want het kronkelende rookzuiltje uit de schouw van Wolfhezens hoeve hield ik steeds in het oog. Maar toch is het mij alsof ik.... droom, voortdurend droom. Is dit dan inderdaad het vreedzame plekje, zoo schaars door een menschenvoet betreden, het oord waar de hoorbare stilte u slechts wijst op de oneindige schoonheid dezer prachtige natuur.Ja, mijn dierbaar Wolfhezen, gij zijt het wel. Uw heerlijk bosch, uw bergrug en beekheuvel, ik zie ze, maar nu—en in volle werkelijkheid—met ontelbare menschengroepen gestoffeerd: met duizenden menschen die daar dwalen, ginds en her, mannen en vrouwen, ouden en jongen, aanzienlijken en geringen, zich nu eens neerzetten op de ruwhouten banken voor den feestdag hier opgeslagen, of voor het meerendeel zich scharende alreeds in breeden kring, hier nabij de beek van waar gij het rookzuiltje ziet opgaan van Wolfhezens hoeve.En—evenals ginder onder het dichte geboomte aan het eind van den bergrug—de bergrug die ten Zuiden het feestterrein bepaalt—evenals dáár en in de opene ruimte, waaraan ik u herinneren zou, evenals verder nog nabij den oorsprong van het beekje in het straks genoemde sparrenbosch, evenals dáár staat ook hier op den beekheuvel, met den rug naar den vliet, en tusschen het groen van drie sierlijke beuken, een spreekgestoelte. Van jong gekliefde sparren ineengeslagen, verheft het zich zonder sieraad, en de menigte, die er zich steeds dichter omheen verzamelt, noodt de scharen, die nog ronddwalen of immer nog toestroomen, om er te komen en mee te luisteren naar den man, die aanstonds het woord zal voeren.En zie, daar beklimt hij het gestoelte. Duizenden blikken zijn op den volksman gericht. Gij kent hem, den ijverigen dienaar zijnsHeeren, den stichter van het toevluchtsoord voor gevallen vrouwen, het Steenbeek, dat den spotlach reeds dan zou doen verstommen, wanneer het ook maar één, één enkele ongelukkige uit den zondenpoel had opgericht. Daar staat hij zonder uiterlijk vertoon, terwijl hij den ernstigen blik slechts vluchtig over die duizenden weiden laat. Wat er omgaat in zijne ziel, nu hij het eerst tot die schare zal spreken!!—Daar verheft hij zijn stem.Wolfhezen herneemt zijn plechtige stilte.De bonte schare luistert.Hetwelkom!wordt haar toegebracht. Een mannenkoor door bazuinenklank gesteund, neemt dat welkom over, in een opwekking om eer en lof te geven aan den Schepper, de Levensbron. En de man op het gestoelte neemt nogmaals het woord, en noodigt de gansche schare uit tot het aanheffen van een blijden psalm, den “Rotssteen van ons heil”, den “Koning aller koningen” ter eere. En van het gestoelte wuift een kleine vredevlag, ten teeken dat het orkest zijn koperen stem zal paren aan dien zang.O, wie er dan ook nog meenen mocht, dat het lied in den spoorwagen aangeheven er misplaatst zij geweest, neenniemand,niemandzal van Wolfhezen in zijn woning zijn wedergekeerd, die spotten durft met dát heilige oogenblik, toen daar door die duizenden den Schepper een loflied werd toegebracht—in Zijn schoonsten, Zijn eigenmaakten tempel.En onder welke omstandigheden?Hoor, de redenaar schetst het: De beeke volgende naar heur einde, wijst zij u gedenktekenen der oudheid aan: ginds een heuvel waar in vroegere eeuwen het heidendom de asch zijner dooden begroef; of verder nog den boom, die spreekt van de Christen-kapel—de eerste misschien in deze oorden gesticht. De spreker herinnert aan de Saksen en Franken; hoe woeste horden der eersten, ginds naar de Betuwe afdaalden en er Christen-offers roofden voor hun bloedige altaren; hij wijst op den lateren tijd toen gewetensdwang den fanatieken kop verhief in deze landen, en de arme vervolgden bijeenscholen om in wouden of in velden te hooren naar een prediking waaraan hun ziele behoefte had; hij schetste... Maar genoeg, nu, nú was het een andere tijd; menschen-offers den heidenschen goden, of kerkelijke meeningen gewijd, zij vielen niet meer. Gewetensvrijheid was de zege dezer eeuw; maar toch—toch lagen in ver verwijderde oorden nog millioenen menschen geketend in de banden van het “barbarisme”. En dit, dit plechtige feest, het zou gevierd worden als het feest van den strijd des Christendoms tégen dat “barbarisme”. Een heerlijk, een heilig feest! Terwijl men de schare naar dezen tempel had opgeroepen, dewijl er geen kerkgebouw groot genoeg was om de telken jare grooter wordende menigte te kunnen bevatten, voorzeker, nu zou ook deze reine tempel er toe bijdragen om de stemming der heilige feestvreugde te verhoogen; en biddend, en dankzeggend, en lofzingend en offerend op het altaar der barmhartigheid, zou men in liefde daar bijeen zijn, in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.Wil het mij niet ten kwade duiden, indien ik des sprekers rede in zoo breede trekken hoogst onvolkomen teruggaf. Hij die niet onvatbaar mag heeten voor het schoon van een frisch en bekoorlijk tafreel, hij kon er niethoorenalleen, hij moest er ookzien.’t Was een treffende aanblik die ontelbare menigte aan weerszijden en vóór het spreekgestoelte op den beekheuvel te aanschouwen, afdalende in een wijden—wijden kring naar den bergrug heen.Ja, ik zie ze nog voor mij, die schoone groepen aan de helling van den heuvel. De blonde Geldersche deerne in haar eenvoudig paars jakje, den blik onafgebroken naar den spreker gewend; zij, naast den grijzen burger uit de stad, met zijn zilverwitten steeds ongedekten schedel, en aan zijn arm den zwakken blinden jongen, met het petje in de hand en de matte oogen naar boven gericht.Ik zie haar nog te midden van meerendeels neergezeten mannen en vrouwen, de schoone, blanke Noord-Hollandsche boerin, onwillens op een kleine verhevenheid geraakt, uitstekend boven velen en zichtbaar voor ieders oog. Ik zie haar nog terwijl zij zich wendt en keert, met iets schichtigs in den blik, zich bedroevende misschien, dat ze nú in dezen stond met niets kon vervuld zijn dan—met zich zelve. Men zal u niet hard vallen schoone vrouw, nietwaar, gij stondt daar zoo hoog en hoe hooger men staat....!En straks, zal ik de scharen betrachten terwijl zij zich spoeden naar de ververschings-plaats, waar aan menigeen den wensch ontsnapte: dat hij er hartiger bete mocht vinden dan brood en brood maar alleen? Zal ik de menigte nauwlettender bespieden waar ze ginds en her in schilderachtige groepen zijn neergezeten, de velen, die evenals mijn reisgenooten in den spoorwagen, of de betrekkingen en vrienden die ik te Wolfhezen vond, zich van een ruime proviand hadden voorzien voor den vermoeienden dag? Zal ik later de redenaars hooren op de vier gestoelten in het bosch, en u verhalen wat ze daar leerden en predikten in dien heerlijken tempel?O, ik bid u, verg mij althans dit laatste niet. Ik geloof wel dat daar nog veel waars en veel goeds is gesproken door die vele redenaars; ja, ik zelf heb er menig woord vernomen, dat velen ter stichting en leering heeft kunnen zijn, maar toch—met een smartelijk gevoel heb ik u verlaten, schoon sparrenbosch, toen in weinig gekuischte taal daar een gebed ten Hoogen werd opgezonden, vermengd met: “een reuke des doods ten doode”! Schoon sparrenbosch! waar in uw midden, Gods reine adem slechts trilt en verkwikt.Mijn dierbaar Wolfhezen, een bitter pijnlijken indruk moest ik ontvangen, toen op uw schoonste gedeelte, onder het malsche groen uwer beuken en eiken, al galmend dat woord werd herhaald: Verdoemenis! verdoemenis!!Wilt ge nog even den blik slaan in ’t ronde en menschen zien—al zijn het er weinigen—in Wolfhezens woud?Zie, een aanvallig meisje van twintig jaren omtrent, ginds bukt zij neder in ’t groen en wordt niet moede kleine boschbessen te plukken, “die hier maar zóó in ’t wilde groeien”. Weet ge, zij zal ze meenemen voor haar lieve kleine broertje, die zoo verdrietig was dat zuster van huis ging. En de bessen, wacht, zij zal ze bergen in de kleine flesch, waaruit ze met vader en moeder straks aalbessennat heeft gedronken.En zie, nu parelt er een traan in haar oog. Arm kind, men heeft u gevoelig gekrenkt. Een vrome kennis heeft u verdacht dat ge daar, in de stilte, verboden drank....!Die vrome man! Zeg, hoe kwam hij op zulk een gedachte! Liefde denkt immers geen kwaad en hij.... ginds zit hij nu neder, en zingt met zijn vrienden een statigen psalm.Hebt ge dien man wel gezien, dien leelijken man, met zijn neus als een aardappel, een bruine groote neus met wratten er op? Hij had een lange jas aan, een heel lange jas, waaruit een lang papier naar boven stak; een witte das droeg hij om den gelen hals en een vaalbruine paraplu onder den arm.Dáár hebt gij hem weder. Nu staat hij onder zijn vaalbruine dak, den steel er van tusschen den arm geklemd; in de beide knoesterige handen houdt hij het lange beduimelde papier, en terwijl de eerste regenvlaag de punten van zijn dak tot gootjes maakt, waarvan een knaapje met wijden mond een stroompje opvangt; terwijl hij telkens den blik in ’t ronde werpt om te zien of zich geen nieuwe hoorders komen voegen bij de weinige vrouwen die hem—’t zij met bevreemding of ook met diepe verrukking beschouwen—smakt hij op zalvenden toon het begrafenislied, dat hij dichtte, waarschijnlijk bij den dood van zijn zalige vrouw, op haar, die hij “bekeerd had fijn—om eeuwig leevent te zijn—Gestaan had te midden van een verdoemt geslagt—Door hem en Christie bloed tot de verreizenis gebragd.”’t Was zeker niet beter dat vers, als het niet slechter was.En verder, ik zie daar het oude vrouwtje, zoo moeielijk oprijzende van de houten bank, waarop voor haar eenig kleedingstuk is neergelegd, opstaan om den jongen man dien zij dominee noemt, haar zitplaats aan te bieden. En de jonge man, ik zie hem.... zich nederzetten; maar ook, een aardig meisje zie ik wat verder heel haastig opstaan om het vrouwtje háár plaatsje te gunnen. Was dat mijn blondje uit den spoorwagen niet? Ja wel zij was het, ik kreeg nog een vriendelijk knikje.Doch—waar moest ik eindigen, indien ik de menschen wilde schetsen, de menschen der richting te Wolfhezen het meest vertegenwoordigd, de menschen zoo als zij daar waren: goeden en kwaden, nederigen en hoogmoedigen, vromen en huichelaars, elk met zijn rechter in eigen boezem!Mijn dierbaar Wolfhezen! Ik ga u verlaten. Het feest in uw groene zalen gevierd, ofschoon het ook wanklanken deed hooren, die de spot wel mag treffen, maar liever de ernst toch bestraffenmoet, het heeft zich gekenmerkt door een orde, die de vier dienaren van ’t gerecht, die ik er zag, aan ’t geeuwen bracht.Het was een feestdag waarvan een eenvoudig doch rechtschapen man getuigde, dat het de schoonste zijns levens geweest was, een dag, die hem onvergetelijk zou blijven tot aan zijn jongste ure.Nu ik, mijn Pieter, als ik geen oordeel waag uit te spreken over het al dan niet wenschelijke eener herhaling van zulke feesten in ons dierbaar Nederland—dewijl gij mij toestemt dat men den boom toch eerst aanzijn vruchtenleert kennen—terwijl ik u voor het laatst in gedachten de hand druk, en u langzaam zie verdwijnen in de diepste verte van het straks weer eenzaam en schemerig woud—dan—dan tuur ik ook nóg eens naar het rookzuiltje dat opstijgt uit de schouw als het van lieverlede schuil gaat in den zachten avondsluier.En dan—dan komen ook die dagen mij weder voor den geest, de dagen aan uwe zij in Wolfhezen gesleten, en de wensch wordt vurig in mijne borst: dat Wolfhezen, door zijn edele eigenaars, zoo ongerept als tot heden, voor het nageslacht moge bewaard worden, zij het niet slechts ter wille van den verrukten natuurbeschouwer of den zoon der kunst, maar zelfs—als het zoo wezen moet—om er ook weder vele menschen bijeen te vergaren, menschen steeds edeler en reiner; niet oordeelende en verdoemende, maar één, één in de heiligste Liefde.
Herinnering aan mijn ontslapen vriend, den Kunstschilder P. L. L. Oerder gewijd.
Gij zijt niet meer, mijn goede vriend Pieter. De levensvijand tastte u aan, en ofschoon men u ook overwinnaar waande in den heeten kamp, de wonde u toegebracht zij was te geweldig en in de armen van onzen braven leermeester, uw trouwsten vriend en geestverwant, gaaft gij den jongsten snik.
Oerder, mijn ontslapen vriend, al is het mij ook als stondt gij daar nog, met uw gul en blozend, trouwhartig gelaat, toch—toch kan ik niet meer tot u spreken zooals voorheen, maar—wanneer ik in vluchtige trekken aan anderen verhalen ga, wat mij vroeger en onlangs het schoone Wolfhezen te zien, te hooren en te gevoelen gaf, dan zal het mij zeker nog dikwijls zijn als sprak ik tot u; en als ik dan tevens, doch ongemerkt, een loover kan neerleggen op uw eenzaam graf, dan heb ik voldaan aan de behoefte van mijn hart, want ook gij mijn vriend—hoezeer wij in geloofsovertuiging van elkander verschilden—ook gij hebt mijn oog helpen richten op de schoonheden van Gods prachtige schepping, en mij,in u zelvenden reinen mensch doen waardeeren, ongeacht den vorm—den immer gebrekkigen vorm zijner Godsvereering op aarde.
Daar klonk in de jongste dagen een stem door het land, een stem wier weerklank was: Op, Christenen! dost u in feestgewaad; spoedt u naar Gelderlands lustoord; gij zult er een feest vieren, een nieuw, een heerlijk feest: den heiden ten zegen, uw ziele ten heil, den drieëenigen God ter eere!
En de roepstem werd vernomen, en de geest der roependen werd verstaan, en duizenden uit vele oorden des lands, zij maakten zich op, en spoedden zich voort naar het schoone woud.
Duizenden! en onder die duizenden zoovelen in het vast geloof, dat de adelbrief der rechtzinnigheid aan hen was verleend, de adelbrief door God zelven geteekend met de pen der genade, en die gedoopt in het dierbaar bloed van Zijn heiligen Zoon.
Doch onder die duizenden was er één, één dat weet ik zeker—die zulk een geestelijken adelbrief nog niet had ontvangen, en door iets anders naar dat schoone oord werd getrokken dan die duizenden ginds.
Wolfhezen was hem lief. Hoe dikwijls zat hij er neder om boom en blad en ’t klare beekje langs de blanke heuvels in groenen zoom, nauwlettend te bespieden, en ook te schetsen in verven ofschoon met zwakke hand.
En niets, niets stoorde dan de plechtige stilte die er heerschte, want zelfs het bijna onhoorbaar gemurmel der beek, het lieflijk gekweel der vogels in ’t ronde, het klagend gekor der woudduif van verre, ’t geritsel door ’t loof van den vallenden eikel, en ’t vluchtig gekrak van het doode takje als het eekhoorntje rondsprong in ’t eikenhout; zij zelfs, de zoetste stemmen der natuur, ze smolten inéén met die plechtige stilte, tot het lieflijkst akkoord.
En, als een ander geluid den jeugdigen schilder een enkele reize deed opzien van zijn arbeid, dan was het, wanneer het schokken der kleine met plaggen beladene kar hem wekte, terwijl zij daarginder, door den statig-stappenden rood-bonten os, over het aardige beekbrugje werd voortgetrokken, of ook, wanneer het zachte gekling-klang der klokjes hem trof, als Harm “de scheper” aan gene zijde der beek zijn kudde voorbijdreef, en de schapen—in deze landstreek zoo goed met schilders als schepers bekend—niet aarzelden om ter lessching van hun dorst den beekheuvel af te dalen, terwijl de blanke kiezels hun fijne pootjes reeds vooruit rolden en plassende in den helderen vliet, er parels deden opspatten van vloeiend kristal.
Ja, Wolfhezen was hem lief, want de natuur is er heerlijk en schoon!—Schoon, verheffend schoon, bovenal in den morgen, in den vroegen morgen:
Als bij ’t lieflijk voog’len kweelen’t Luchtig morgenkoeltje suist,En bij ’t pooplen van de abeelen,’t Vaarkruid boven ’t beekje ruischt.
Als bij ’t lieflijk voog’len kweelen
’t Luchtig morgenkoeltje suist,
En bij ’t pooplen van de abeelen,
’t Vaarkruid boven ’t beekje ruischt.
Als er blauwe nevels dwalen,Ginds waar ’t woud zijn toppen beurt,En de zon met de eerste stralen’t Zilvren web der heide kleurt.
Als er blauwe nevels dwalen,
Ginds waar ’t woud zijn toppen beurt,
En de zon met de eerste stralen
’t Zilvren web der heide kleurt.
Als de boekweit geurt vol zoetheid,En het bijtje u gonst in ’t oor:De aard is vol van ’s Heeren goedheidLooft zijn naam alle eeuwen door!
Als de boekweit geurt vol zoetheid,
En het bijtje u gonst in ’t oor:
De aard is vol van ’s Heeren goedheid
Looft zijn naam alle eeuwen door!
En in zulk een morgen, was het dan vreemd dat er een traan welde in het oog van den jongeling, en dat er een woord, uit den diepsten grond des harten geweld, aan zijn lippen ontvlood, een enkel woord....
Pieter, gij hebt dat woord niet vernomen. Dat behoefde ook niet. Maar—wanneer wij wel eens voor een wijlen poozende van den arbeid, het penseel lieten rusten en ik u onwillens verrassen moest, terwijl gij achter een heuvel verscholen neerlaagt op de bruine hei, en er in uw bijbeltje laast, met een zoo ongehuichelde vroomheid op uw goed gelaat, zeg, hebt gij dan ook misschien gebeden voor het zieleheil van uw jongen vriend, den armen verdoolde! die—daarbuiten—niet las in een bijbeltje en niet gelooven wilde wat gij voor eeuwige waarheid hieldt? Ja, ik weet het, gij hebt gebeden, maar ook, en dát, dát was uw waarachtigst gebed: gij hebt gewerkt. Nooit! neen nooit zelfs bij vroolijke scherts, heeft een onrein woord uit uw mond den zuiveren dampkring bezoedeld; altijd hulpvaardig, altijd voorkomend stondt gij den jongeren leerling ter zij, en immer goedaardig en stil, ook dán wanneer gij worsteldet met de kunst die u lief was—de menschen weten niet wat daarmee te worstelen valt—misschien zelfs worsteldet met uw lichaam er bij, heeft hij geen wrevel in u bespeurd, slechts eenmaal uw toorn.... Maar inderdaad, dat was een al te groote, een overdreven ijver, mijn goede Pieter, immers de naam van uw God werd daar niet gelasterd, en toch, ook zelfs voor dientoorn.... ik zou er u gaarne de hand nog voor drukken.
En onder de duizenden, die zich opmaakten om het Zendingsfeest te vieren, was er dan één, die niet opging zooals de groote schare, gewekt door geestverwantschap, en in gloed voor het doel—al zou hij wel gaarne het rijk der liefde prediken “beginnende van Jeruzalem” en al vindt hij het denkbeeld verheffend schoon, den Schepper een loflied te zingen in zijn prachtigsten tempel: de reine natuur. Neen, hij maakte zich op en voor ’t grootste deel, om zijn dierbaar Wolfhezen in den vreemden tooi te zien, die aan vervlogene eeuwen herinneren moest, om zich met eigen oogen te overtuigen of dat feest—naar sommiger meening—de plek niet ontwijden zou, die hem immer toelachte als een reine maagd vol onverwelkbare schoonheid.
En de nacht wekte hem van zijn leger, en de vroege morgen groette hem, als hij aan den oever van den breeden Maasstroom door het kleine raampje van den spoorwagen heen, de golfjes zich alle in grauwen nevel zag voortspoeden, beden in den nevel; morgen in het glanzende licht der zon: bij stilte of storm, ’t zij grooter of kleiner, ’t zij helder of troebel,—zij alle van denzelfdenoorsprong—vlietende naar dien oorsprong terug, naar den eindeloozen Oceaan....
En het werd een schoone—al werd het geenhelderedag.
De feesttrein snelde voort, en zijn breede blanke pluim van stoom golfde met hem mee, en wuifde den nieuwsgierigen langs zijn pad een vroolijk “vaarwel” toe.
En ik—in mijn hoekske gezeten, terwijl ik mijn oog liet weiden over de bonte rijen van mannen en vrouwen, van jongen en ouden, daar hoorde ik weer in ’t gestoot van den wagen die droevige profetie: “Wat zult gij een huichlende vroomheid zien!”
Maar neen—in waarheid hier in den feesttrein zag ik ze niet. Die burgerman met zijn witte das lachte mij vriendelijk groetende toe, en op mijn “Donker luchtje mijnheer,” meende hij: “Dat het nog op kon klaren,” och, doodeenvoudig: dat het nog op kon klaren. En “de lange gezichten”, ik zag ze niet: en de “smachtende blikken ten Hoogen”, neen waarlijk ik bespeurde ze nergens; de vroolijkste verwachting las ik op de meeste aangezichten; ze praatten en lachten, doch stemmig bedaard; ja inderdaad het waren menschen! gewone doch fatsoenlijke menschen.
En eensklaps—daar was voorzeker een wenk gegeven—kwam een ernstiger plooi op veler gelaat; de mannen ontblootten het hoofd, de vrouwen zagen stil voor zich heen, en de snorrende dreunende spoorwagen weerklonk van het zuiver aangeheven psalmlied:
Looft den Heer want Hij is goed,Looft Hem met een blij gemoed.Want Zijn gunst alom verspreid,Zal bestaan in eeuwigheid.
Looft den Heer want Hij is goed,
Looft Hem met een blij gemoed.
Want Zijn gunst alom verspreid,
Zal bestaan in eeuwigheid.
Dat was vreemd nietwaar in den wagen?
Pieter, wat zoudtGIJgenoten en helder hebben meegezongen; en gij mijn vriend de profeet, die in uw gelooven zoo hemelsbreed verschilt met de volgelingen der Dordtsche vaderen, ja, ik weet het, waart ge daar tegenwoordig geweest, ook gij zoudt het hoofd ontbloot en wellicht hebben meegestemd in dat lied ter eere van den Eeuwige, van Hem, die wel bij vele namen door Zijne schepselen wordt genoemd, doch voor de uiting van wiens naam alle aardsche taal te arm is, en alle aardsche wijsheid te gering om dien naar eisch te bepalen. Gij stemt het mij toe, slechts sectenhaat of blinde partijzucht zal wrevel gevoelen bij de uiting van eens anders waarachtig godsdienstig gevoel, terwijl alleen een bittere ervaring er toe leiden kan om al aanstonds haar oprechtheid te verdenken, en de lichtzinnige slechtsspottenzal waar door stervelingen,den Formeerder van millioenen werelden, den Voeder van legioenen billioenen schepselen, hoe onvolkomen dan ook, het: Looft, looft Hem! wordt toegebracht.
En de trein snelde voort, en een vroolijke maar opgeruimde stemming bleef ongestoord in dien wagen heerschen.
Behalve den reeds genoemden burgerman, bestond het klubje, het meest in mijn nabijheid gezeten, uit een paar oude juffrouwen, een zoon uit den ambachtsstand, en een viertal meisjes met stemmige, niet onaardige—ja twee er van zelfs met geestige gezichtjes. En waarlijk, dat klubje het onderscheidde zich door een onderlinge hartelijke gulheid, waarvan ook de vreemden de tastbare bewijzen ontvangen mochten. Ik weet niet wat schatten van proviand ons vriendelijk dringend met een: toe maar! werden aangeboden, en—of ook een wenk voldoende was om daarvoor dank te betuigen, een kleine versnapering mocht niet versmaad maar haastig worden aangenomen.
En na het genot, en wat kout over ’t weer en de heerlijke landstreek, waarheen men ons voerde, vervulde opnieuw een psalmlied dentrillendenwagen. En al zag ik ook nu, en straks, en tot den einde bij ieder lied dat weerklonk, de groote blauwe oogen van het blondste der meisjes voortdurend van reine geestdrift schitteren, toch las ik op sommige aangezichten bij het derde of vierde lied een zekere vermoeienis een....
Maar gij begrijpt wat ik zeggen wil; de man verstond mij ook toen ik hem opmerkte, dat men dien dag nog zooveel zou moeten zingen en of de stemming, die zij op Wolfhezen wenschten, niet reeds te veel verzwakt zoude zijn indien....?
Ja, hij gevoelde dat zeer goed, en—hij zou maar eens een sigaartje opsteken. Weet u, maar ze zongen zoo gaarne, en straks dan zouden ze dit—dit lied eens aanheffen: “Het betere vaderland” dat was zoo schoon, en de wijs: bijzonder!
En de vriendelijke man al vond hij het lied ook schoon, hij wilde het toch den vreemde wel toegeven: ja—dat het vaderland voor de ziel toch eigenlijk in de eerste plaats, reeds deaardemoest zijn, en, dat het hijgen en zuchten naar eenbetervaderland inderdaad ondankbaarheid aan den Schepper mocht heeten, aan Hem, die den hemel wel zeker reeds op aarde vestte voor hen die maar goed verstaan, dat de hemel der ziele is:DE VREDE VAN EEN REIN GEMOED.
Ja, al vond hij het lied toch schoon, hij wilde wel toestemmen ook, dat het uitzicht der ruste in het Jeruzalem daarboven “de stad voor Gods bruid met de straten van goud” toch eigenlijk geen ruste zou zijn in den zin van aardsche ruste.
Neen, ziet u, na dat viermalen: rust, rust! rust, rust! volgde de bepaling:Hemelsche rust!
Maar—zoo meende ik weder—of het dan toch niet beter zou zijn, den zin der menschen voor hier en voor eeuwig op te wekken, in stee van tot die hemelsche rust—tot een hemelscheWERKZAAMHEID?
Ja—ja, dat kon wel waar wezen, maar toch het was een mooi gedicht dat “betere vaderland” en de wijs! en de meisjes moesten straks maar eens aanheffen, doch—niet te hoog.
En het gezang klonk—ofschoon wat eentonig, toch lief, en toen het geëindigd was, toen knikte ik den zangers toe; en de meisjes namen de bijvalsbetuiging gaarne met een zedig glimlachje aan, en de man die haar leermeester was, hij zeide half lachend en hoofdschuddend meteen, dat het toch wel wat hoog was geweest: het blondje stonden er de tranen van in de oogen.
Of hij bedoelde dat het lied voor mij, den schijnbaar ongeloovige, teHOOGwas, ik geloof het niet; dat velen het meenen zullen dat weet ik zeker; wij willen er niet over twisten, in den spoorwagen was er ook geen twist, ’t was er harmonie tot den einde toe.
De feesttrein doorsneed de laatste steil afgestoken spoorwegheuvels, reeds vroeger door de meesten der Hollandsche feestelingen, met de verrukking der nieuwheid, als hooge bergen begroet. Nog een psalmlied werd gezongen, en het snijdend gefluit van den salamander weerklonk door Wolfhezens dreven.
Het is een steeds dalende straatweg, die van het kleine station door de breede, ten deele ontgonnen en golvende heivlakten heen, naar Wolfhezens paradijs voert. Straks zult gij het betreden. Maar nu.... Zie mij die schare eens aan!
Hier op dit heuveltje geklommen, ziet ge dien golvenden straatweg met duizenden menschen overdekt, gelijk aan een bontkleurig lint dat voortfladdert naar ginder.... verre.... tot aan het groene woud.
Welk een ontzettende menschenmassa op dezen anders zoo stillen weg der groote heerlijkheid. En nog altijd voert de stoom er nieuwe feestelingen aan, die—evenals wij nog kort geleden—er vrienden ontmoeten, waarmee ze zich voortspoeden naar het doel van hun verren morgentocht.
En ook ik, mijn dierbaar plekje, ook ik betrad u dan weder, maar nu in ’t midden dier bonte menigte en mijn oog....
Maar stil; wat zoudt gij wel gezegd hebben mijn Pieter, indien gij al aanstonds op den oever van het beekje nabij de schoone eiken groep, die voor de hoeve staat, die lange blauwgeverfde broodkraam ontwaard hadt. Ik weet het, gij zoudt verdrietig zijn geworden en den blik hebben afgewend, om liever rechts te turen naar de bruine hei met de schaapskooi op den top, en ’t geboomte van verre, waardoor de beek zich voortspoedt al verder en verder naar het stille dorp, om er het molenrad te doen klepperen. Of wel, gij zoudt den blik voor u uit gericht en u vermeid hebben in het frissche groen van het akkermaalshout, waarin de straatweg zich alslingrend verschuilt. Nietwaar, die houten kraam, gij hadt haar gewis ontwijding van dit schoonste oord genoemd, maar toch, toch zoudt ge de menigte zijn gevolgd, en het ongelukkige voorwerp zijn voorbijgegaan, dat den mensch zoo krachtig aan zijn menschelijkheid herinnert, om mij toe te geven in ’t eind, dat er toch bezwaarlijk een betere plek voor ware te vinden geweest, en dat, waarvele menschenbij elkaar zijn gekomen, zelfs in de schoone natuur, al licht eenwanklankgeboren wordt.
Voor u wienWolfhezensschoonste gedeelte nog onbekend is, wil ik er met de pen een flauwen omtrek van schetsen:
Op een groot kwartier afstands van de plek, waar wij langs den golvenden straatweg zijn aangekomen, ontspringt in een kleine vallei der heide, op den zoom van een sparrenbosch, het straks genoemde beekje.
Door dat sparrenbosch heen—welke plek gij niet zult vergeten—kronkelt het met twee armen, die zich echter al spoedig vereenen, in de diepte voort, van het Oosten naar het Westen; en, als wij blijven op zijn linkeroever—dewijl die oever ten Noorden het schoonste deel der streek en ook het feestterrein bepaalt—dan treden wij op den heuvelrug langs zijn boord het mastbosch door, en grijpen wel eens naar de groene struiken wanneer de voet, bij een golving van den grond dreigt uit te glijden op de mossige hei, zoo mild met dennenaalden bezaaid.
Reeds hier is het schoon; doch verder.
Steeds volgende het immer kronkelende stroompje ter rechterzijde, is het niet langer een mastbosch dat uw pad beschauwt. Zie, de blanke abeelen ze stoeien dooreen met beuk en met eik, hier opschietende uit het dichtst geblaart, daar met den ruig bemosten voet in den groenen oeverzoom.
En dan, terwijl het beekje bij elken kronkel als wegschuilt in slingerend braam- en struikgewas, terwijl het omlaag de breedgewiekte varen kust en dartelt door de biezen heen, dan wordt het woud—ofschoon niet dichter, steeds schooner van vorm en van tooi, en stralen de beekheuvels steeds rijker in kleurenpracht.
Zie—het fijne,grauw-blankezand, het breekt en het schertst er al meer en meer door het fulpen tapeet, smalle paadjes zich banende langs den oever, ’t zij hooger of lager, naar boven of onder, vriendelijk lachende tegen het malsche groen der lage plantjes waarin de bosch-bes schuilt; jubelende tegen den zwartbruinen zoom waarboven het paars-rosse heibloempje troont, schaterende waar zijn glinsterende kiezels als stoeien met het goudgele mos; stil zich schamende in ’t eind waar dehel-witteberk zoo slank zich verheft en met de zilveren blaadjes victorie kleppert, hoog—hoog in de blauwe lucht.
En—als gij nog altijd voorttreedt met het beekje ter rechterzijde door die prachtige schoone natuur, en nu eens een berk of een beukenstam ontwaart, die door den storm, ’t zij met de kruin in den vliet, ’t zij van gindschen heuvelvoet tegen de helling naar dezen kant werd neergeworpen, dan treft u mede al spoedig—niet ver van een kleine ruimte in het bosch—de zware, nu schier vermolmde abeel, die er reeds vele jaren nederligt.
Pieter, wij hebben hem gekend toen hij zich stout verhief op zijn prachtigen stam en de reuzenarmen beschermend uitbreidde in ’t rond, en de schoonste en krachtigste zoon scheen van ’t gansche woud. Gij weet het nog, daar was een verborgen kanker in zijn binnenste, en—toen de storm eens loeide door het bosch, toen smakte hij den schoonen forschen boom ter aarde, en wij kwamen er, en stonden bij den gevallen stam, en zagen elkander droevig aan, maar toch, nietwaar—het was een schoone studie.
Ja zeker, zulk een gevallen grootheid is een schoone studie.
Met een weemoedigen blik naar den vermolmden boom gaan wij verder, mijn lezer, bij een sterkere kromming der beek de straks genoemde ruimte door—waaraan ik vluchtig herinneren zal—en naderen ongemerkt Wolfhezens bekoorlijkst gedeelte.
Nietwaar, bij iedere nieuwe bocht van het beekje vertoont zich als ’t ware een schooner tafreel. De zandheuvels aan beide zijden zijn nog rijker in afwisseling van lijnen en tinten; nu eens steil dan weder zacht-glooiend afdalende naar de beek; ginds—aan de overzij, ten deele gevangen in de schaduw van den prachtigen beukeboom, wiens zware wortels nu eens naar boven worstelen om even het zonlicht te zien en dan weer schuil te gaan in het grauw-blanke zand; hier—de heuvel waarop gij treedt—dartel in het volle licht der stralende zon, de heuvel met zijn sprietjes en takjes en bloempjes die vaak zich al glanzende buigen.... over donkere diepten.
En dan, als gij den blik een honderd schreden ver, ter linkerzijde naar den hoogeren heuvel wendt—den heuvel dien wij een berg willen noemen—dan weiden uw oogen door een frissche vallei met een zachte golving naar dien bergrug omhoog, en—gij weet niet wáár gij u ’t allereerst een wijle tot rusten zoudt nedervlijen.... Daarginds, op de helling van den ros-groenen berg, in ’t lommer van eik en van beuk, van berk en den, als de zon er toch spartelt door takken en blaren en gouden glansen strooit in het groene boschbessendal.... Of hier, met het oog langs het aardige beekbrugje heen naar de hoeve in groenen krans gesloten, de hoeve die uit haar witte schouw een teeder rookzuiltje langs het donkere eikenloof doet opkronkelen, ten hoogen hemel.
En—schier turens moe naar dat rookzuiltje uit de schouw, zie ik ter linkerzij onder het zwaar geboomte aan het eind van den bergrug, een zonderling tafreel.
Met helm en werpspies gewapend, het zwaard in den gordel en den pijlkoker over den schouder; armen en beenen naakt en devoeten ongeschoeid, staan daar forsch gespierde mannen om een steenen altaar in wijden kring geschaard.
Zie, meer nabij het altaar daar staan met kaal geschoren kruin in witten tabbaard de priesters van Wodan, de handen ten Hoogen geheven, straks neervallende op de knieën, kreten slakende door de echo’s weerkaatst.
En het droevig gekrijt van den zuigeling wordt overstemd door die kreten der priesters en door de Wodan-gewijde liederen hunner heilige barden.
En dichte rookwolken stijgen op van het altaar, en dwarrelen voort langs stam en langs takken, en zeulen in het dicht geblaart, en kleuren het morsig grauw. En hoor, een snijdende gil glijdt van den bergtop naar beneden; een jonge vrouw met opgescheurde kleeding, de lange blonde haren wild golvend langs naakte schouders en vollen boezem; een houten kruis in de dreigend gehevene hand, zij staat er en deinst op de helling terug. “Mijn kind! mijn kind!” krijt ze op zielverscheurenden toon: “Op Franken, wraak! Jezus Christus wraak! Wodan zij vervloekt! Zijn priesters vervloekt! Wraak, wraak voor mijn kind!” En zie, dan rijt ze met scherpe nagels heur boezem in bloed en ijlt den bergrug af op priesters en altaar toe en.... Ik zie haar niet meer.
Een ander tafreel, en meer van nabij, treft mijnen blik.
Een ontelbare schare van mannen en vrouwen, ten deele achter het struikgewas verscholen, ze staan of liggen er in bonte maar vast opeengedrongen groepen, het oog schier allen naar een en hetzelfde punt gericht.
Hun kleeding herinnert aan Neerlands roemrijkst verleden; de mannen in dichtgesloten wambuis, in wijde broek en strak om het been geslotene hozen; de vrouwen in haar stemmig gewaad.
Sommigen der eersten in rijkeren tooi, den korten mantel van fluweel op den schouder, doch evenals al die mannen de hoofden ontbloot, de eerstgenoemden hun laag ronden hoed in de hand, de laatsten de fulpen baret met golvende pluimen.
En daar, nabij den forschen eikeboom, daar staat op een lage vierkante kar een man in zwarte kleeding. Zijn stem bereikt ook den uitersten zoom dier schare waar de jonge moeder nederzit, en—luisterende steeds, haar zuigeling laaft; tot daar, waar de krachtige man den grijze ondersteunt en aan de andere zijde het jongske weerhoudt dat, tastende naar bramen, zich reeds de vingertjes kwetst aan de nijdige prikkels.
Een zoete vrucht in scherpe dorens!!
Ja, zie maar, die lieden met zinkroer en zijdgeweer, of ook met bus en hellebaard gewapend—op verren afstand ginds en her verspreid, zij houden de wacht, want hoor, die man daar in ’t zwart, hij spreekt er op diep doordringenden toon—van de ure die gekomen is waarin tribulatiën en perikelen dreigen den uitverkorenen Gods, en de Antichrist strijd voert tegen de gezalfden des Heeren. Hoor, hij roept steeds met luider stemme:
Mannen broeders! wandelt als kinderen des lichts, vervloekende Satan en zijn ongerechtigheid; wandelt in de liefde onzes Heeren Jesu Christi, maar óók, maar óók omgordende uwe lendenen en heffende het zwaard tegen hen, die afhoereeren van den eenigen God, en valsche goden offeren voor Zijn heilig aangezicht. Mannen broeders! vreest den strijd niet, noch vervolging, noch naaktheid, noch honger, noch dorst, want neen, gij zult niet hongeren noch dorsten in eeuwigheid. En gij vrouwen en jonge dochters! murmureert niet tegen den Heer; wat zoudt gij klagen en weenen, al zaagt gij uw vaders en broeders, uw echtgenooten of ook uw beminden ten mutsaard gesleept. Op! op dan! zijt moedig en fier; ducht de woede der Isebels niet. Hoort, hoort! Israëls bazuine weerschalt langs Jericho’s muren, en Babylon zal vallen voor het woord van den Heer uwen God. Geliefden! broeders en zusters! zingt den Heere in ootmoedigheid uwe psalmen, totdat de ure komt, de ure der persecutie, maar dán ook: strijdt, strijdt....
Doch zie, daar wenden zich aller oogen naar den uitgang van ’t woud: musketvuur en wapengekletter weerklinkt er.......... Strijd......!
Ha! ’t is voorbij. Dat waren droevige tafreelen. Neen, gedroomd heb ik niet, want het kronkelende rookzuiltje uit de schouw van Wolfhezens hoeve hield ik steeds in het oog. Maar toch is het mij alsof ik.... droom, voortdurend droom. Is dit dan inderdaad het vreedzame plekje, zoo schaars door een menschenvoet betreden, het oord waar de hoorbare stilte u slechts wijst op de oneindige schoonheid dezer prachtige natuur.
Ja, mijn dierbaar Wolfhezen, gij zijt het wel. Uw heerlijk bosch, uw bergrug en beekheuvel, ik zie ze, maar nu—en in volle werkelijkheid—met ontelbare menschengroepen gestoffeerd: met duizenden menschen die daar dwalen, ginds en her, mannen en vrouwen, ouden en jongen, aanzienlijken en geringen, zich nu eens neerzetten op de ruwhouten banken voor den feestdag hier opgeslagen, of voor het meerendeel zich scharende alreeds in breeden kring, hier nabij de beek van waar gij het rookzuiltje ziet opgaan van Wolfhezens hoeve.
En—evenals ginder onder het dichte geboomte aan het eind van den bergrug—de bergrug die ten Zuiden het feestterrein bepaalt—evenals dáár en in de opene ruimte, waaraan ik u herinneren zou, evenals verder nog nabij den oorsprong van het beekje in het straks genoemde sparrenbosch, evenals dáár staat ook hier op den beekheuvel, met den rug naar den vliet, en tusschen het groen van drie sierlijke beuken, een spreekgestoelte. Van jong gekliefde sparren ineengeslagen, verheft het zich zonder sieraad, en de menigte, die er zich steeds dichter omheen verzamelt, noodt de scharen, die nog ronddwalen of immer nog toestroomen, om er te komen en mee te luisteren naar den man, die aanstonds het woord zal voeren.
En zie, daar beklimt hij het gestoelte. Duizenden blikken zijn op den volksman gericht. Gij kent hem, den ijverigen dienaar zijnsHeeren, den stichter van het toevluchtsoord voor gevallen vrouwen, het Steenbeek, dat den spotlach reeds dan zou doen verstommen, wanneer het ook maar één, één enkele ongelukkige uit den zondenpoel had opgericht. Daar staat hij zonder uiterlijk vertoon, terwijl hij den ernstigen blik slechts vluchtig over die duizenden weiden laat. Wat er omgaat in zijne ziel, nu hij het eerst tot die schare zal spreken!!—Daar verheft hij zijn stem.
Wolfhezen herneemt zijn plechtige stilte.
De bonte schare luistert.
Hetwelkom!wordt haar toegebracht. Een mannenkoor door bazuinenklank gesteund, neemt dat welkom over, in een opwekking om eer en lof te geven aan den Schepper, de Levensbron. En de man op het gestoelte neemt nogmaals het woord, en noodigt de gansche schare uit tot het aanheffen van een blijden psalm, den “Rotssteen van ons heil”, den “Koning aller koningen” ter eere. En van het gestoelte wuift een kleine vredevlag, ten teeken dat het orkest zijn koperen stem zal paren aan dien zang.
O, wie er dan ook nog meenen mocht, dat het lied in den spoorwagen aangeheven er misplaatst zij geweest, neenniemand,niemandzal van Wolfhezen in zijn woning zijn wedergekeerd, die spotten durft met dát heilige oogenblik, toen daar door die duizenden den Schepper een loflied werd toegebracht—in Zijn schoonsten, Zijn eigenmaakten tempel.
En onder welke omstandigheden?
Hoor, de redenaar schetst het: De beeke volgende naar heur einde, wijst zij u gedenktekenen der oudheid aan: ginds een heuvel waar in vroegere eeuwen het heidendom de asch zijner dooden begroef; of verder nog den boom, die spreekt van de Christen-kapel—de eerste misschien in deze oorden gesticht. De spreker herinnert aan de Saksen en Franken; hoe woeste horden der eersten, ginds naar de Betuwe afdaalden en er Christen-offers roofden voor hun bloedige altaren; hij wijst op den lateren tijd toen gewetensdwang den fanatieken kop verhief in deze landen, en de arme vervolgden bijeenscholen om in wouden of in velden te hooren naar een prediking waaraan hun ziele behoefte had; hij schetste... Maar genoeg, nu, nú was het een andere tijd; menschen-offers den heidenschen goden, of kerkelijke meeningen gewijd, zij vielen niet meer. Gewetensvrijheid was de zege dezer eeuw; maar toch—toch lagen in ver verwijderde oorden nog millioenen menschen geketend in de banden van het “barbarisme”. En dit, dit plechtige feest, het zou gevierd worden als het feest van den strijd des Christendoms tégen dat “barbarisme”. Een heerlijk, een heilig feest! Terwijl men de schare naar dezen tempel had opgeroepen, dewijl er geen kerkgebouw groot genoeg was om de telken jare grooter wordende menigte te kunnen bevatten, voorzeker, nu zou ook deze reine tempel er toe bijdragen om de stemming der heilige feestvreugde te verhoogen; en biddend, en dankzeggend, en lofzingend en offerend op het altaar der barmhartigheid, zou men in liefde daar bijeen zijn, in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.
Wil het mij niet ten kwade duiden, indien ik des sprekers rede in zoo breede trekken hoogst onvolkomen teruggaf. Hij die niet onvatbaar mag heeten voor het schoon van een frisch en bekoorlijk tafreel, hij kon er niethoorenalleen, hij moest er ookzien.
’t Was een treffende aanblik die ontelbare menigte aan weerszijden en vóór het spreekgestoelte op den beekheuvel te aanschouwen, afdalende in een wijden—wijden kring naar den bergrug heen.
Ja, ik zie ze nog voor mij, die schoone groepen aan de helling van den heuvel. De blonde Geldersche deerne in haar eenvoudig paars jakje, den blik onafgebroken naar den spreker gewend; zij, naast den grijzen burger uit de stad, met zijn zilverwitten steeds ongedekten schedel, en aan zijn arm den zwakken blinden jongen, met het petje in de hand en de matte oogen naar boven gericht.
Ik zie haar nog te midden van meerendeels neergezeten mannen en vrouwen, de schoone, blanke Noord-Hollandsche boerin, onwillens op een kleine verhevenheid geraakt, uitstekend boven velen en zichtbaar voor ieders oog. Ik zie haar nog terwijl zij zich wendt en keert, met iets schichtigs in den blik, zich bedroevende misschien, dat ze nú in dezen stond met niets kon vervuld zijn dan—met zich zelve. Men zal u niet hard vallen schoone vrouw, nietwaar, gij stondt daar zoo hoog en hoe hooger men staat....!
En straks, zal ik de scharen betrachten terwijl zij zich spoeden naar de ververschings-plaats, waar aan menigeen den wensch ontsnapte: dat hij er hartiger bete mocht vinden dan brood en brood maar alleen? Zal ik de menigte nauwlettender bespieden waar ze ginds en her in schilderachtige groepen zijn neergezeten, de velen, die evenals mijn reisgenooten in den spoorwagen, of de betrekkingen en vrienden die ik te Wolfhezen vond, zich van een ruime proviand hadden voorzien voor den vermoeienden dag? Zal ik later de redenaars hooren op de vier gestoelten in het bosch, en u verhalen wat ze daar leerden en predikten in dien heerlijken tempel?
O, ik bid u, verg mij althans dit laatste niet. Ik geloof wel dat daar nog veel waars en veel goeds is gesproken door die vele redenaars; ja, ik zelf heb er menig woord vernomen, dat velen ter stichting en leering heeft kunnen zijn, maar toch—met een smartelijk gevoel heb ik u verlaten, schoon sparrenbosch, toen in weinig gekuischte taal daar een gebed ten Hoogen werd opgezonden, vermengd met: “een reuke des doods ten doode”! Schoon sparrenbosch! waar in uw midden, Gods reine adem slechts trilt en verkwikt.
Mijn dierbaar Wolfhezen, een bitter pijnlijken indruk moest ik ontvangen, toen op uw schoonste gedeelte, onder het malsche groen uwer beuken en eiken, al galmend dat woord werd herhaald: Verdoemenis! verdoemenis!!
Wilt ge nog even den blik slaan in ’t ronde en menschen zien—al zijn het er weinigen—in Wolfhezens woud?
Zie, een aanvallig meisje van twintig jaren omtrent, ginds bukt zij neder in ’t groen en wordt niet moede kleine boschbessen te plukken, “die hier maar zóó in ’t wilde groeien”. Weet ge, zij zal ze meenemen voor haar lieve kleine broertje, die zoo verdrietig was dat zuster van huis ging. En de bessen, wacht, zij zal ze bergen in de kleine flesch, waaruit ze met vader en moeder straks aalbessennat heeft gedronken.
En zie, nu parelt er een traan in haar oog. Arm kind, men heeft u gevoelig gekrenkt. Een vrome kennis heeft u verdacht dat ge daar, in de stilte, verboden drank....!
Die vrome man! Zeg, hoe kwam hij op zulk een gedachte! Liefde denkt immers geen kwaad en hij.... ginds zit hij nu neder, en zingt met zijn vrienden een statigen psalm.
Hebt ge dien man wel gezien, dien leelijken man, met zijn neus als een aardappel, een bruine groote neus met wratten er op? Hij had een lange jas aan, een heel lange jas, waaruit een lang papier naar boven stak; een witte das droeg hij om den gelen hals en een vaalbruine paraplu onder den arm.
Dáár hebt gij hem weder. Nu staat hij onder zijn vaalbruine dak, den steel er van tusschen den arm geklemd; in de beide knoesterige handen houdt hij het lange beduimelde papier, en terwijl de eerste regenvlaag de punten van zijn dak tot gootjes maakt, waarvan een knaapje met wijden mond een stroompje opvangt; terwijl hij telkens den blik in ’t ronde werpt om te zien of zich geen nieuwe hoorders komen voegen bij de weinige vrouwen die hem—’t zij met bevreemding of ook met diepe verrukking beschouwen—smakt hij op zalvenden toon het begrafenislied, dat hij dichtte, waarschijnlijk bij den dood van zijn zalige vrouw, op haar, die hij “bekeerd had fijn—om eeuwig leevent te zijn—Gestaan had te midden van een verdoemt geslagt—Door hem en Christie bloed tot de verreizenis gebragd.”
’t Was zeker niet beter dat vers, als het niet slechter was.
En verder, ik zie daar het oude vrouwtje, zoo moeielijk oprijzende van de houten bank, waarop voor haar eenig kleedingstuk is neergelegd, opstaan om den jongen man dien zij dominee noemt, haar zitplaats aan te bieden. En de jonge man, ik zie hem.... zich nederzetten; maar ook, een aardig meisje zie ik wat verder heel haastig opstaan om het vrouwtje háár plaatsje te gunnen. Was dat mijn blondje uit den spoorwagen niet? Ja wel zij was het, ik kreeg nog een vriendelijk knikje.
Doch—waar moest ik eindigen, indien ik de menschen wilde schetsen, de menschen der richting te Wolfhezen het meest vertegenwoordigd, de menschen zoo als zij daar waren: goeden en kwaden, nederigen en hoogmoedigen, vromen en huichelaars, elk met zijn rechter in eigen boezem!
Mijn dierbaar Wolfhezen! Ik ga u verlaten. Het feest in uw groene zalen gevierd, ofschoon het ook wanklanken deed hooren, die de spot wel mag treffen, maar liever de ernst toch bestraffenmoet, het heeft zich gekenmerkt door een orde, die de vier dienaren van ’t gerecht, die ik er zag, aan ’t geeuwen bracht.
Het was een feestdag waarvan een eenvoudig doch rechtschapen man getuigde, dat het de schoonste zijns levens geweest was, een dag, die hem onvergetelijk zou blijven tot aan zijn jongste ure.
Nu ik, mijn Pieter, als ik geen oordeel waag uit te spreken over het al dan niet wenschelijke eener herhaling van zulke feesten in ons dierbaar Nederland—dewijl gij mij toestemt dat men den boom toch eerst aanzijn vruchtenleert kennen—terwijl ik u voor het laatst in gedachten de hand druk, en u langzaam zie verdwijnen in de diepste verte van het straks weer eenzaam en schemerig woud—dan—dan tuur ik ook nóg eens naar het rookzuiltje dat opstijgt uit de schouw als het van lieverlede schuil gaat in den zachten avondsluier.
En dan—dan komen ook die dagen mij weder voor den geest, de dagen aan uwe zij in Wolfhezen gesleten, en de wensch wordt vurig in mijne borst: dat Wolfhezen, door zijn edele eigenaars, zoo ongerept als tot heden, voor het nageslacht moge bewaard worden, zij het niet slechts ter wille van den verrukten natuurbeschouwer of den zoon der kunst, maar zelfs—als het zoo wezen moet—om er ook weder vele menschen bijeen te vergaren, menschen steeds edeler en reiner; niet oordeelende en verdoemende, maar één, één in de heiligste Liefde.