Vijftiende hoofdstuk.

Vijftiende hoofdstuk.De mare van den schrikkelijken brand was den graaf Van Bergen spoedig ter oore gekomen.Met het krieken van den dag steeg hij te paard en reed naarden Blankert, om de verwoesting in oogenschouw te nemen.Het groote kasteel was schier geheel in een puinhoop veranderd De linkervleugel slechts was nog gedeeltelijk in wezen.Op verscheidene plaatsen stegen dikke rookwolken uit de smeulende puinhoopen omhoog. Het was een droevig tooneel, die schouwplaats der vergankelijkheid.—O God! wat is bestendig hier beneden! sprak Van Bergen bij zich zelven: Wat is toch de aarde met al wat daarop is! Slechts stof, niets dan stof, aan verderf en vernietiging ter prooi! Statig en fier verhief zich nog gisteren dit kasteel op zijne fondamenten, en heden? heden duiden slechts ruwe steenklompen de plek aan, waar het nog weinige uren geleden stond.—Omstreeks twee eeuwen lang hebben stormen en onweders er boven gewoed, en thans, één vuurstraal van Uwe almacht o God! en zie, het zware gebouw stort ineen. Stof, niets dan stof is het wat daarvan overblijft!Met betraande oogen bleef de graaf in het rookende puin staren. In dat kasteel had hij het eerste daglicht aanschouwd; dáár had hij de dagen zijner zorgelooze jeugd gesleten, en de jaren zijner jongelingschap in kommerlooze vreugde doorgebracht; dáár was het dat een goede moeder hem de eerste schreden op het pad der deugd had leeren zetten; dáár was het ook, dat hem die dierbare moeder zoo vroeg reeds door den dood was ontrukt.—Vergankelijkheid! vergankelijkheid! ja, dat predikt Uwe schepping! zoo eindigde Van Bergen, den blik naar den hemel richtende: Hier beneden is het niet; daar boven, bij U, bij U alleen, is onvergankelijkheid! Bij U leven de reine zielen zonder ophouden. Bij U zijn mijne dierbare dooden. Bij U zal ik hen wedervinden. Bij U, o liefderijk Vader! die door Jezus Christus ook mijne ziel van het eeuwig verderf hebt vrijgemaakt.Met zulke gedachten vervuld, was Van Bergen aan de zuidzijde van het kasteel gekomen. Te midden der bouwvallen ontwaarde hij nu een man, die met ingespannen krachten de opeengehoopte steenklompen zocht weg te ruimen.“Mijne dochter! mijne lieve dochter! waar zijt gij?” kermde de ongelukkige hovenier: “Mijn Aafke! mijn kind! zijt gij levend onderdat puin begraven? Hoort gij uw vader niet? Geef antwoord, lieve dochter! O God! waarom hebt Gij mij mijn kind ontnomen?”Zoo jammerde de beklagenswaardige vader, terwijl hij zijne krachten verdubbelde, ten einde zijn lieveling levend of dood weder te vinden.“Mist gij uwe dochter?” riep de graaf den vruchteloos zoekende toe: “Is uw kind het offer van dezen brand geworden? Schep moed, brave Rijnveld, ik zal u mannen zenden, die u behulpzaam kunnen zijn.”De aangesprokene had bij de deelnemende toespraak des graven zijn arbeid voor een oogenblik gestaakt.“O, het valt hard, uw genade, zijn oogappel, zijn dierbaar kind te verliezen!” antwoordde hij met een tranenvloed: “Zij was zoo schoon, zoo braaf, zoo rein; en nu... dood.... in de lente haars levens! Gerechte God! wat heb ik misdaan, dat Gij mij zoo zwaar kastijdt?”Van Bergen gevoelde innig wat die ongelukkige vader moest lijden. Ook hij was dikwerf en bang beproefd.“Gods wegen zijn onnaspeurlijk,” hernam hij op vertroostenden toon: “De Heer bezoekt het meest zijne uitverkorenen. Wat God doet is welgedaan!”Na deze woorden reed de graaf de achterzijde van het kasteel langs, en kwam weldra weder aan den linkervleugel.Daar heerschte een buitengewone drukte. Onderscheidene meubelen lagen op het binnenplein, dat de poort van het kasteel scheidde, in de grootste verwarring dooreen. Alles wat aan de vlammen ontkomen was, bevond zich op deze plaats. Als een troep hongerige wolven aasden de dienstbaren der gravin Van Bergen op buit. Voorwerpen van waarde of goeden smaak, waren reeds alle door hen prijs gemaakt. Het was een volstrekte plundering waarvan de graaf hier ooggetuige was.“Ellendig volk!” riep hij den roofzuchtigen toe: “Slechts op eigen voordeel bedacht, zoekt gij een laag gewin, terwijl wellicht ongelukkigen, onder het brandend puin bedolven, om uwe hulp smeeken, en God bidden, dat Hij u ter hunner redding zendt. Toef hier niet langer. “Gij zult niet stelen,” zegt de Heer. Ga!—Rijnveld zoekt zijn kind. Help hem zijne dochter, zoo zij nog leeft, terugvinden. Voorwaar, uw loon zal groot zijn, grooter dan het vergankelijke wat gij hier zoekt.”De gebiedende toon, waarop Van Bergen gesproken had, maakte een gewenschten indruk. Eenige mannen begaven zich onmiddellijk naar de plaats, waar de hovenier zijne nasporingen voortzette.“Is de gravin aan het gevaar ontkomen?” vroeg de graaf aan een knaap, die weinige schreden van hem stond.“Zij is gered uw genade,” antwoordde deze: “doch één oogenblik later, en het ware te laat geweest. Voorzeker moet de gravin uit het venster in de gracht zijn gesprongen. Toen wij op haar noodgeschrei afkwamen, hield zij zich aan den rand der boot boven water. Nu ligt hare genade in de woning van Rijnveld, maar het al te bezien staan of zij den schrik te boven komt.”Van Bergen stapte van zijn paard, en na het aan de zorg van den knaap te hebben toevertrouwd, begaf hij zich naar de kleine woning van den hovenier. Hier verbeidde hem een nog akeliger tooneel dan hetgeen hij daarbuiten aanschouwd had. Zijn rampzalige stiefmoeder lag in een ijlende koorts op een bos stroo ter neder. Hare oogen waren diep in hunne kassen verscholen, en sluik lagen de natte grijze haren langs haar bleeke kaken. Nauwelijks was Van Bergen het kleine vertrek binnengetreden, of de gravin richtte zich in hare legerstede overeind.“Ha, zijt gij daar, verrader!” riep zij hem toe: “Gij zijt het, gij alleen die de hel boven mijn hoofd hebt ontstoken. In de vlammen hebt gij mij geworpen. In het water hebt gij mij gestort. Gij hebt gesidderd voor mijne wraak. Ja! zie, gij rilt nog. Gij zijt bevreesd voor mijn toorn.—Vergif zal u doen kwijnen: evenals uw vader. Waar toeft gij, Rosio?” ging zij, strak voor zich uitziende, voort: “Waarom aarzelt gij: Dien toe;—uw middel werkt langzaam maar zeker. Zie, hij kwijnt, zijn einde is nabij.—Hij sterft!—Wraak Van Bergen!—Wraak over u!—Mijn zoon zal leven!—Mijn zoon, mijn Walter.—Ja, Walter, ik ben uwe moeder.—O God! gij gelooft het niet.—Gij verstoot mij omdat gij een bastaard zijt, gij werpt mij van u af?—Gij laat mij aan de vlammen ter prooi—O God! ik brand! Ik verga! Water, water!”Met onleschbaren dorst dronk de gravin een haar toegereikte kom met water ledig.Voor een oogenblik scheen haar dit eenige rust te verschaffen, doch zoodra zij den graaf weder ontwaarde, ving zij opnieuw met woorden zonder samenhang aan.“Ik versta uw blik, Van Bergen! Ja, ik weet wat gij van mij verlangt. Gij wilt úw kind, úw zoon aan mijne macht ontrukken. Gij verbleekt. Het baat u niet. Uw zoon was wel bewaard. In een diepen kerker. Dáár, dáár in uw kasteel.—Wraak voor mijn zoon! Wraak voor de schande mij aangedaan!”Een koude rilling ging Van Bergen bij het hooren dezer woorden door de leden. Met angstige gejaagdheid had hij elken klank opgevangen. God! zouden deze woorden eenige beteekenis hebben, of slechts door een verhitte verbeelding zijn voortgebracht?“Vrouw! wat zegt gij?” riep hij met een van aandoening verkropte stem: “Herhaal uwe woorden. Zijt gij bij uwe zinnen? Spreek, wát is er van mijn zoon?”“Ha! daar staat de fiere graaf!” riep de ijlende vrouw, akelig lachende: “Uw zoon?—Brand! brand! vlammen! vuur! Gij hebt het zelf ontstoken. Hij is bedolven. Dáár onder puin en asch. Daar in dien vuurpoel ligt hij te branden. Hou vast Rosio! laat niet los; neen, hij mag ons niet ontkomen!”Van Bergen stond als aan den grond genageld. Het was hem niet mogelijk deze verwarde woorden tot een geheel te vormen en op zichzelven toe te passen. Hij doorgrondde het fijne weefsel van menschelijke boosheid niet.Zijn zoon?—En echter had hij zijn eerstgeborene levenloos aanzijn borst gedrukt. Hij had zijn zoontje zelf naar het stille graf gebracht. En toch, een vreeselijk vermoeden rees er in zijn binnenste op. “Hemel! zou het mogelijk zijn!?” riep hij uit: “Spoed! spoed! misschien bestaat er nog kans op redding!”Met het vaste voornemen om alles in het werk te stellen ten einde zekerheid te bekomen, snelde hij voort, en had juist de klink der deur gegrepen, toen deze van buiten geopend werd. Eene burrie werd door twee mannen het vertrek binnengedragen. Een jeugdig meisje lag er op. Aan haar voorhoofd gaapte een breede wond, en hare haren waren met bloed bevlekt.Het was Aafke, Rijnvelds brave dochter, die door vereende krachten aan een brandend graf was ontrukt.De smart des vaders grensde aan wanhoop.Die schoone maagd, die dierbare trouwe dochter lag daar verminkt en zieltogend ter neder!De vader had zijn kind wedergevonden, maar helaas, in een toestand, om het spoedig voor altijd te verliezen.Van Bergen was door dit roerend tooneel een oogenblik in zijn voornemen gestuit. Met innige deelneming beschouwde hij de smartelijke wonde, en reinigde die eigenhandig zooveel hem dit mogelijk was.Het ongelukkige meisje slaakte een diepen zucht; even sloeg zij de reeds brekende oogen op, en zag haren liefderijken helper aan. Een lichte blos verspreidde zich over haar gelaat; er scheen iets buitengewoons in haar binnenste om te gaan; zij wilde spreken, doch hare krachten schoten te kort.“Wat wilt gij, lief kind?” vroeg Van Bergen, die haar in den arm genomen en een weinig overeind had gezet.Nogmaals wendde het meisje een uiterste poging tot spreken aan. Hare lippen bewogen zich, en schier onhoorbaar lispte zij de woorden: “Hij is gered.... uw zoon.... uit den kerker.... Bewijs.... dáár.... in mijn keurslijf.”Geen engeltonen hadden den graaf met hemelscher wellust kunnen vervullen, dan die woorden van het stervende meisje. Aan deze sponde der smart ontwaakte een ongekende zaligheid in zijne borst. De mond der boosheid had hem een zoon en diens verderf aangekondigd, de stem der onschuld meldde hem de redding van dat kind, van welks bestaan hij tot heden onbewust was gebleven.Zou dat kleine stuk papier, ’t welk daar uit haar keursje steekt, inderdaad het bedoelde bewijs bevatten?Zonder aarzelen trok hij het behoedzaam te voorschijn. Met sidderende hand ontvouwde hij het papier, en las de volgende woorden:“Edel meisje! Met Gods hulp is het ons gelukt den armen gekerkerde te bevrijden. Daartoe zijt gij, in Gods hand, het middel geweest. Nog weet gij niet wie het was die jaren achtereen in dezen kerker versmachtte. De ongelukkige Adel is niemand anders dan de eenige zoon des graven Van Bergen. Hem hebt gij bevrijd. Leef gelukkig, edel meisje! Smaak de vruchten van uw goede daad,en zoo gij hier beneden daarvoor niet vergolden wordt, dan zal God u in Zijn hoogen hemel ruimschoots vergelden, wat gij aan een zijner ongelukkige schepselen hebt gedaan.A. S......”“Ja, God zal u vergelden wat geen sterveling u meer vergelden kan!” sprak Van Bergen met een onbeschrijfbaar gevoel, terwijl hij de gestorven redster van zijn kind, met schier vaderlijke liefde een zoen op het voorhoofd drukte. Ja, bij Hem zult gij het loon voor uw edele daad ontvangen!”“Laat af! laat af!” riep de gravin Van Bergen met stervende stem: “Weg, weg van mij, gij helsche folteringen! Ik wil niet sterven! Mijn Zoon! mijn Walter!—Mijn Walter!” herhaalde zij, nauwelijks hoorbaar. Nog één snik, nog ééne trekking der zenuwen en zij was niet meer.In hetzelfde oogenblik verschenen twee onsterfelijke zielen voor den rechterstoel des Allerhoogsten.De eene was blank en rein, de andere met de zonden dezer wereld besmet.De eerste ging in ter rechterzijde.De andere?.... Oordeel niet. God alleen mag oordeelen. De Heer is rechtvaardig—maar genadig.Zestiende hoofdstuk.De kleine stoet, dien wij in het voorlaatste hoofdstukden Blankertzagen verlaten, naderde hoe langer hoe meer de plaats zijner bestemming.Langs den noordelijken zoom van het Haagsche bosch, waar zich de oude eiken ter rechter- en de naakte duinen ter linkerzijde verhieven, voerde een breed zandspoor naar een eenvoudige pachthoeve.Hier gaf Alonzo het teeken om stand te houden.“De Heilige Maagd zij geloofd!” sprak hij tot Maarten, nadat deze hem behulpzaam was geweest om den ongelukkigen Adel de nederige woning binnen te dragen: “Hier zal de ondeugd haar slachtoffer niet zoeken. Morgen zal zij dit niet meer vermogen; doch tot zóólang is voorzichtigheid noodzakelijk.Ten einde de bevrijding in geenen deele te belemmeren, had Aafke den gekerkerden jongeling, op bevel van haren hoogen bondgenoot—den jongen graaf Spinola—een toereikend slaapmiddel ingegeven. Door de macht van den slaap geketend, wasniets in staat geweest hem aan die banden te ontrukken. In weerwil van de geweldige donderslagen en de vele bezwaren, die zijne ontvoering vergezelden, had hij zijne oogen niet geopend, en, wellicht van zijne beulen droomende, vermoedde hij niet dat God Zijne engelen had gezonden om voor zijn leven te waken; dat een paar goede geesten hem beschermden en hem de vrijheid terug schonken.De hoeve, welke door Alonzo tot nachtverblijf voor den bevrijde was gekozen, behoorde tot de goederen van den graaf Van Bergen en werd bewoond door Maartens grootvader.Met de meeste schroomvalligheid had de oude man het verzoek van zijn kleinzoon toegestaan. Het was hem gansch niet aangenaam de hand te leenen in eene zaak, die hem hoe langer hoe meer verdacht voorkwam.—Wie was de Spaansche vreemdeling, die hem voor zijne herbergzaamheid zoo ruimschoots wilde beloonen? Welk voornemen had deze met den ongelukkige, die daar thans slapende in de bedstee lag? Waarom juist bij hem, in deze afgelegene woning, eene schuilplaats gezocht? Deze en vele dergelijke vragen bestormden en verontrustten den zwakken grijsaard. Hij werd zeer bevreesd, en alles wél overwegende, vermoedde hij in den slapende niets minder dan een Spaanschen prins, die, de hemel wist om welke staatsintriges, in een vreemd land moest worden om hals gebracht.Hij huiverde bij het denkbeeld, dat zijn vreedzame woning het schouwtooneel van een vorstenmoord zou worden, en dat hij zelf, in stede van zijne dagen in rust en kalmte te eindigen, als medeplichtige, een schandelijken dood zou moeten ondergaan.—Wat hun voornemen ook zijn moge, zoo dacht hij: ik zal zorg dragen, dat den jongen vorst op deze hoeve geen leed geschiede. Den nacht zal ik wakend doorbrengen, en morgen, met het krieken van den dag, begeef ik mij naarden Oldenburgh, ten einde den graaf van alles te onderrichten.Inmiddels was Alonzo met Maarten naar buiten gegaan. De lucht, door het onweder gezuiverd, was met de liefelijkste geuren vervuld. Even verruimd en verlucht als de natuur, gevoelde zich ook Alonzo na de wél volbrachte taak.Met het voornemen om zelf naar Den Haag terug te keeren, gaf hij aangaande Adels bewaking nog eenige bevelen aan Maarten, en zich toen tot den grijsaard wendende, die in de halfgeopende huisdeur met achterdochtige blikken de twee samenzweerders of vorstendooders had trachten te beluisteren, zeide hij op minzamen toon: “En gij, oude man, die zoo liefderijk een ongelukkige hebt willen opnemen, het geldelijk loon dat u daarvoor toekomt, zal niet kunnen opwegen tegen de dankbaarheid, die u in veler hart een eerste plaats zal doen bekleeden. Vaarwel! morgen hoop ik u weer te zien.” Na deze woorden wierp Alonzo zich in den zadel, en links het bosch in galoppeerende bereikte hij weldra de stad.Het was den volgenden morgen, weinige minuten nadat wij den graaf Van Bergen naarden Blankertzagen vertrekken, dat eenoud man, ademloos de binnenplaats van het kasteelden Oldenburghbetrad.De oude Burgman was juist bezig de verspreide fazanten, kalkoenen en kippen, met zijn: “Tuk tuk tuk!” tot hun ontbijt bijeen te roepen, terwijl hij tevens naar het geschikte oogenblik zocht om zich van de drie bonte haantjes meester te maken, die bestemd waren hun laatste levensdagen in overdaad door te brengen.“Wel Esser, wat voert u zoo vroeg naar het kasteel?” riep de fungeerende pluimgraaf den nieuwaangekomene toe: “Gij schijnt haast te hebben.—Proe! slokhals! gunt ge dien anderen niets?—Wacht! jaag me die kleine zwartkuif eens even hier op aan.—Kip ik heb je!” riep Burgman, terwijl hij het kakelend diertje dat, voor Essers opgeheven stok verschrikt, zijn waar verderf was te gemoet gesneld, in een overdekte mand plaatste: “Ziezoo; gij komt alsof gij geroepen waart. Hoe gaat het in ’t duin?—Proe! proe! die grijze is een vlugge rakkert.—Houdt tegen! houdt tegen!—Mis baas! je dacht me te ontsnappen. Nou stil maar, je zult goede dagen hebben; daar, zwartje! daar heb je een kameraad!” en de tweede gevangene gleed bij de eerste in de overdekte mand.“Maar Burgman,” ving Esser aan, die de vroege wandeling niet had ondernomen om den ouden dienaar in het haantjesvangen behulpzaam te zijn: “ik moet den graaf spreken. Is zijn genade al bij de hand? Ik bid u, ga hem terstond om een oogenblik onderhoud verzoeken. Het is van groot belang. Ik kan mijn tijd niet verbeuzelen.”“Ja, indien gij den graaf moet spreken dan hadt gij maar vroeger moeten opstaan,” antwoordde Burgman verstoord, dewijl Esser het haantjesvangen “zijn tijd te verbeuzelen” had genoemd: “De graaf is reeds lang vertrokken, maar indien gij zoo iets belangrijks hebt mee te deelen,—daar komt de freule, die u misschien te woord zal willen staan.”Esser trad met den hoed in de hand op Adelgonde toe, terwijl de gekrenkte Burgman met een langzaam vleiend: “Kip!—kip!—kip!” zijn derde slachtoffer zocht meester te worden, dat hij ook weldra bij de anderen in de mand liet glijden, om ze vervolgens naar de mestkooi te brengen.“Hetgeen gij mij daar zegt is zeer vreemd,” zeide Adelgonde, die aandachtig naar den oude geluisterd had: “Ik ben niet bevoegd om u in dezen raad te geven, doch naar het mij toeschijnt, zal uw kleinzoon zijn grijzen grootvader toch niet aan gevaren blootstellen. Maarten is mij bekend, hij is oppassend en braaf. Gij zult toch niet veronderstellen dat hij zich, om geldelijk voordeel, in eene zaak zou mengen, die gij zoo zwart hebt afgeteekend?”De oude man schudde het hoofd. “Hij is zoo gesloten als een pot, genadige freule!” hernam hij. “Hoe dikwerf heb ik hem niet gevraagd, wie en wat dan eigenlijk die jongeling was.—Grootvader, was steeds zijn bescheid: een ongelukkige dien wij aan de handen zijner beulen hebben ontrukt, en dien gij, herbergzaamheid schenkende, een grooten dienst bewijst. Zie, genadige freule, “aan de handen zijner beulen ontrukt” dat klinkt verdacht. Waarom dennaam verzwegen? Wat mij betreft, ik ben van mijne jeugd af aan steeds rond voor mijne zaken uitgekomen, ik heb nimmer iets verzwegen; neen, een goede zaak schuwt het daglicht niet.”—Deze, in de meeste opzichten voortreffelijke hoedanigheid van dien grijsaard, heeft zeker voor Maarten de stilzwijgendheid noodzakelijk gemaakt, dacht Adelgonde. “Intusschen, oude man,” vervolgde zij tot Esser: “zal ik den graaf bij zijne terugkomst dadelijk met de zaak bekend maken. Verontrust u niet; reken op de deugd van uw kleinzoon. Ga u eerst in de keuken wat ververschen, en keer dan welgemoed naar uwe hoeve terug.”Esser schudde nogmaals het hoofd.—Zoo stapt de zorglooze jeugd met luchtigen tred over de gewichtigste zaken heen! dacht hij: “De ondervinding leert ons voorzichtigheid,” zeide hij luid: “en al heb ik mij ditmaal door de schoonklinkende woorden van Maarten laten in slaap wiegen, mijne oogen zijn nu geopend, en voorzeker zal de genadige graaf, door een tijdige overkomst, een vorstenzoon van den dood redden, diens moordenaars aan het gerecht in handen leveren, en mijn grijze kruin voor schande en ellende behoeden. De hemel beware u, genadige freule! thans keer ik onmiddellijk naar ’t duin terug. In mijne afwezigheid heeft niemand kunnen ontsnappen. Het vertrek waar de prins ligt, is geheel afgesloten. Met ongeduld zal ik de komst van den genadigen graaf te gemoet zien. God zij met u!”Na deze woorden boog zich de oude man, en verliet de binnenplaats zoo snel als zijn wankelende tred zulks toeliet, om den terugtocht naar zijne woning aan te nemen.Adelgonde, nu aan zich zelve overgelaten, zette hare morgenwandeling voort. Het was dien dag juist vier maanden geleden dat zij den edelen Spanjaard voor het eerst had gezien. Hoe veel was er in dien korten tijd, ook voor haar, veranderd!—O, dacht zij, terwijl een traan bij haar opwelde: hoe ras zijn die schoone dagen van vreugde en zorgeloosheid vervlogen! Hoe trotsch was ik, mij eene dochter van dien alom beminden en goeden graaf te kunnen noemen. Met welk een onuitsprekelijke, ja, meer dan kinderlijke liefde hing ik hem aan; en hij—hij noemde mij zijn lieve dochter. Helaas! ik was zijne dochter niet. En thans—dezelfde liefde blijft hij mij bewijzen! voortdurend noemt hij mij zijn lieve kind; maar ach! hoe schoon, hoe liefelijk mij voorheen die naam ook in de ooren klonk, thans rijt zij gruwzaam de mij toegebrachte diepe wond telkens weer open.—En gij Alonzo, o waarom drong de liefde voor u mijn harte binnen? waarom moest die wensch om u te bezitten, voor mij de dierbaarste worden? waarom heb ik u bemind, daar ik u nimmer kon toebehooren!?Het schoone doch ongelukkige meisje slaakte een diepen zucht. Doch, een nieuwe gedachte rees bij haar op: Wellicht leefden haar arme ouders nog!—Moest het hun tot eene misdaad worden gerekend, dat zij hun kind hadden afgestaan om het in ruimer omstandigheden te doen opvoeden? Gewis, zij hadden uit liefde voor dat kind zich die opoffering getroost.—Ach, niets kwamAdelgonde nu wenschelijker voor, dan in den stand harer ouders terug te keeren, hopende bij hen de rust voor haar gemoed te zullen wedervinden. Voorzeker, haar waardige pleegvader zou haar in dit besluit geenszins hinderlijk willen zijn. Hij zag het immers, hoe zij, na het vernemen dier treurige waarheid, hare dagen in droefheid had doorgebracht; hoe zij niet meer dartel liefkoozend, maar schuchter zijne goedheden had beantwoord; hij zag het immers, hoe zij steeds alle bezoeken zocht te ontvlieden; hoe zij schroomvallig de oogen nedersloeg wanneer een dienstbode haar met eerbied naderde, en hoe dikwerf een donker rood hare wangen kleurde wanneer een adellijk bezoeker, al schertsend, den mindere in zijne handelingen bespottelijk zocht voor te stellen.—Neen! besloot het teergevoelige meisje: neen, het is niet mogelijk mij langer achter een valsch masker te verbergen. Ik kan, ik mag niet langer schijnen wat ik niet ben; eenmaal toch zal de wereld mijne afkomst vernemen: waar zal ik dan vluchten om hare verachting te ontgaan! waar zal ik schuilen om haar smadende blikken te ontvlieden!?”Aan een zodenbank gekomen, nam zij plaats, en staarde met bekretene oogen voor zich neder. Weldra trof een zeer bekende stem hare ooren.“Alweer in tranen liefste Gonne?” riep Van Bergen zijne pleegdochter toe: “ik had zoo innig gehoopt een vroolijk lachje als welkomst te zullen ontvangen.—Hier, Burgman, neem mij Wakker eens mede: het goede dier is doornat en verlangt naar een welgevulde ruif.”Nadat Burgman den hinnikenden bruin met zich had genomen, nam Van Bergen naast Adelgonde plaats.Den, in de oefenschool der ondervinding volleerden,man was het niet aan te zien dat hem dien morgen reeds zoo vele aandoeningen hadden bestormd. Wel had zijn vaderhart hoorbaar geklopt; wel was een vluchtige schim van hoop hem voorbij gesneld, doch hij waagde het niet die hemelplant in zijn binnenste te doen wortelen: Wat toch was zijn leven anders geweest dan een aaneenschakeling van teleurstellingen! Dikwerf was de zon helder voor zijne oogen verrezen, doch maar al te dikwerf ook was zij spoedig weder achter donkere wolken schuilgegaan.Met eenige omzichtigheid verhaalde nu de graaf zijne ontmoetingen van dien morgen: hoe zijn rampzalige stiefmoeder was gestorven, en hoe hem toevallig was ter oore gekomen, dat een knaap, jaren lang door die ontaarde vrouw gekerkerd, weinige oogenblikken vóór den schrikkelijken brand, door een reddende hand was verlost.Bij deze laatste woorden schoot Adelgonde de geschiedenis van den ouden Esser te binnen; met weinige woorden deelde zij haren pleegvader den inhoud van Essers verhaal en diens angstige bezorgdheid mede; besluitende met haar natuurlijk vermoeden: dat de gewaande prins niemand anders dan de geredde knaap zou zijn.—Nauwelijks had Adelgonde geëindigd, of zij bespeurde ophet gelaat des graven eene voor haar onbegrijpelijke uitdrukking van verrukking. Zijne oogen waren naar boven gericht; het was alsof een stroom van innige dankbaarheid zijn halfgeopenden mond ontvlood, alsof een hemelbode hem de zekerheid des eeuwigen levens had aangekondigd.Vragend zag Adelgonde haren pleegvader aan. Hij echter waagde het niet zijne blijdschap in woorden lucht te geven; doch eindelijk de hand van Adelgonde vattende, drukte hij die aan zijn hart en riep: “O Gonne! liefste Gonne! wat er ook verandere, vergeet nooit dat ik u als een vader bemin.”Na deze woorden rees bij Adelgonde een flauw vermoeden der waarheid.—Zwijgend zag zij voor zich neder; zwijgend nam zij den aangeboden arm van haren pleegvader; zwijgend trad zij met hem de groote poort van het kasteel binnen, en begaf zich, in diepe gedachten verzonken, naar hare kamer.“Reeds een geruimen tijd heb ik op uwe terugkomst gewacht lieve freule!” zeide Adelgondes kamenier, die hare gebiedster op den drempel te gemoet trad: “Zooeven heeft een boerenknaapje mij dit briefje voor u overhandigd. Het opschrift komt mij eenigszins bekend voor, en ik twijfel niet of het zal u aangenaam zijn.”“Het is wél, Anne, doch laat mij nu alleen,” zeide Adelgonde, en de deur van binnen gesloten hebbende, las zij Alonzo’s brief, wiens zonderlinge inhoud haar voorhoofd deed gloeien, haar boezem jagen, en haar gemoed aan honderden aandoeningen ter prooi gaf.Van Bergen had zich insgelijks naar zijne kamer begeven. Dáár gekomen, was het hem een behoefte zich dankende voor de voeten van zijn God neder te werpen. O, hoe duidelijk ontwaarde hij in den samenloop der omstandigheden, den leidenden vinger Gods. Hoe treffend was het, dat de achterdocht eens grijsaards hem reeds zoo spoedig de plaats moest wijzen waar hij den zoon uit de handen zijner bevrijders kon terug erlangen: “O God, sterk mij wanneer ik mijn ongelukkig kind zal wederzien,” bad hij eindelijk: “Geef Gij mij kracht, want zóó—zóó heeft een vader nog nooit zijn kind teruggevonden.”Langzaam rees hij op; gaf bevel om terstond zijn paard te zadelen; besteeg het weinige oogenblikken later, en het dier in den stap dwingende, sloeg hij den weg in, die hem naar de woning van Esser zou voeren.Reeds had de zon de grootste helft van haar dagelijkschen loop volbracht, toen Alonzo, uit Den Haag in de hoeve aan het duin terugkeerde.De bezorgde oude zat voor Adels legerstede, en had niet gedoogd dat Maarten hem uit zijn—nog steeds voortdurenden slaap opwekte. Alonzo, die geenszins had bevroed welke ongerijmde vermoedens de grijsaard koesterde, schudde hem trouwhartig de hand. “Gij zijt een zorgvuldig wachter!” zeide hij vriendelijk: “Uw kleinzoon heeft uw goedheid niet ijdel geroemd. Zet nog een oogenblik uw waakzaamheid voort. Plaats u voor den ingang uwer woning,en zorg dat niemand er binnen treedt terwijl wij den slapende wekken, hem van zijne onreinheid zuiveren en een voegzamer kleeding zullen aantrekken.”Esser scheen besluiteloos. Des vreemdelings open oog en minzame toon hadden wel voor een oogenblik de stem der achterdocht in zijn binnenste doen zwijgen, doch zijne vrees voor moord of mishandeling was nog geenszins verdwenen. Wat stond hem, zwakken grijsaard, te doen? hij toch kon zich niet tegen twee krachtvolle mannen verzetten.—Welaan! sprak hij tot zich zelven: ik zal mij voor den ingang mijner woning plaatsen; van dáár zal ik door het venster de verrichtingen daar binnen kunnen gadeslaan; bij de minste beweging, die mij verdacht voorkomt, zal ik om hulp kunnen roepen. God moge den ongelukkige beschermen, en, zoo het noodig moest zijn, tijdige hulp doen opdagen.Nog steeds hield de graaf Van Bergen zijn vurig ros in den stap. Met bedaardheid wilde hij het gewichtige oogenblik te gemoet gaan. Nu eens had hij, om zijn geest tot kalmte te stemmen, een danken smeekgebed tot God opgezonden, dan weder had hij de natuur in hare duizendvoudige schoonheid gadegeslagen.De weg dien hij volgde, doorsneed, van den Bezuidenhoutschen weg, het schoone Haagsche bosch in een schuine richting. Reeds was hij het einde van zijn tocht nabij, reeds zag hij door de uiterste stammen aan de noordzijde de zilveren duinen blinken, en ontwaarde hij zijn hoeve, welke door den ouden Esser bewoond werd.Nog slechts weinige schreden was hij van de woning verwijderd toen de oude pachter zijn heer ontdekte.“Goddank, genadige graaf!” riep hij in verrukking uit: “Goddank dat gij gekomen zijt, want zij staan gereed met hem te vertrekken, en zonder dat ik zulks verhinderen kon. O, nu zal de boosheid verijdeld worden! Voor uw paard zal ik zorg dragen genadige heer,” vervolgde hij, terwijl hij den graaf in het afstijgen behulpzaam was: “O, uwe komst geeft mij waarlijk het leven terug!” en den graaf op die plaats achterlatende, verwijderde hij zich met den klepper ten einde hem in de achterwoning op stal te zetten.Daar stond nu Van Bergen: slechts weinige schreden nog en hij zou, indien God het wilde, zijn kind in de armen drukken. Was het dan werkelijk geen heerlijke droom die zijne zinnen verrukte? Met beide handen bedekte hij het voorhoofd als zocht hij allen schijn te verbannen, en, toen hij nu, met helderen blik voor zich uitziende, den tempel zijns heils wilde binnentreden, toen ontvlood een kreet van tienvoudige aandoening zijne borst, zoodat hij onwillekeurig gedrongen werd eenige schreden achterwaarts te doen.Wij vermogen niet de waarde van het oogenblik te schetsen, toen de verrukte Adel, door zijn beide redders ondersteund, de kleine woning verlatende, voor de eerste maal Gods heerlijke schepping binnentrad.Welk sterveling is er die zich de hemelsche gelukzaligheid nieteens op deze of gene zinnelijke wijze heeft voorgesteld? Die niet het hemelsche paradijs heeft meenen te aanschouwen, zoo schoon, zoo heerlijk in tegenstelling met dit aardsche tranendal?Zoo ook had Adel in zijn droevig kerkerhol van den hemel hooren spreken. Ook hij had zich een gelukkige wereld daarbuiten voorgesteld; ook hij had, door zijn liefderijke verzorgster, een God, een Verlosser leeren aanroepen; ook hij was met de heerlijkheid van een eeuwig leven bekend geworden.En nu—uit een diepen slaap ontwaakt,—uit nacht en banden verlost, gereinigd,—in een schoone kleeding,—als met een nieuw lichaam begiftigd,—door zijn bevrijder en diens dienaar ondersteund,—zóó die heerlijke schepping aanschouwende, wat was natuurlijker dan dat de langgemartelde jongeling waande Gods hoogen hemel zelven binnen te gaan.En Van Bergen—roerloos en als aan den grond genageld stond hij daar. Hij kon niet spreken. Dat bleeke, dat uitgeteerde gelaat! Ja!—ja! het waren de trekken van zijn dierbare, zijn zalige Clarisse; nu kon hij veilig de waarheid vertrouwen, en met een van aandoening schier angstverwekkende stem riep hij: “Mijn zoon, mijn kind, hier is uw vader!”Bij deze ontboezeming voer den zwakken knaap eene rilling door de leden.“Gij—God!—mijn hemelsche Vader!?” zeide hij op doffen toon, terwijl hij den sierlijk gekleeden man met angstige oogen beschouwde; en terstond indachtig aan het hem door Aafke geleerde gebed, vervolgde hij: “Wil mij verlossen goede God! Amen!”Van Bergen sprak niet; met grenzenlooze blijdschap drukte hij zijn kind aan het hart; de tolken der dankbaarheid vloeiden hem langs de kaken, en den blik naar Alonzo wendende, verstond deze daaruit alles—wat het overkropte gemoed van dien vader niet in woorden kon brengen.Zeventiende hoofdstuk.De klokken van het naburig ’s-Gravenhage verkondigden het negende uur na den middag, toen een ruiter in eene zijlaan van het kasteelden Oldenburghlangzaam op en neer stapte. Met ongeduld scheen hij iemands komst te verbeiden, en gedurig blikte hij naar de kleine achterpoort, waaruit de gewacht wordende moest te voorschijn komen.Het duurde dan ook werkelijk maar weinige minuten, of de bedoelde poort werd geopend, en eene in het wit gekleede gedaante trad er uit. Met langzamen doch lichten tred ging zij over de smalleslotbrug, en was reeds op weinige schreden na aan de zijlaan gekomen, toen zij stand hield en, zich omkeerende, de oogen naar het kasteel wendde. Eensklaps, als tot andere gedachten gekomen, keerde zij eenige schreden terug; schijnbaar besluiteloos echter bleef zij ook nu weder staan; strekte de armen naar de reeds in schemerlicht gehulde muren van het kasteel uit; wuifde het een laatst vaarwel toe; keerde toen nogmaals op haar voorgenomen pad terug, en bevond zich weldra in de nabijheid des ruiters. Deze, inmiddels van het paard gestegen, had den hoed dieper in de oogen gedrukt, en de snikkende jonkvrouw behoedzaam naderende, zeide hij met een zachte doch gemaakte stem: “Ik wachtte u reeds, dierbare Adelgonde. Het in mij gestelde vertrouwen zal ik op waardige wijze beloonen.”Een koude huivering deed Adelgonde het bloed in de aderen stollen.“Laat af! laat af!” gilde zij, zich verwerende,—doch tevergeefs; een stevige arm hield haar omkneld. “Help! help!” riep zij nogmaals, doch ook die kreten werden gesmoord. De vreemdeling had haar een wijden mantel over het hoofd geworpen, en bewusteloos zeeg zij in de armen van haren roover, die haar vóór zich op het ros plaatste, en in gestrekten ren met haar den weg naar Leiden insloeg.In teugellooze vaart ging het steeds voorwaarts. De ruiter hield het meisje omkneld. Loerende sloeg hij gedurig de oogen om zich heen en waande in iederen boom, ja in zijn eigen schaduw, woedende vervolgers te ontdekken, die hem den geroofden buit wilden betwisten.—Geen vrees! sprak hij bij zich zelven: Wij zijn ons doel nabij. De stoute daad wordt ruimschoots beloond, en waarom zou ik dralen indien bergen van blinkend goud mij vriendelijk tegenlachen?Na een rit van nauwelijks drie kwartuurs, hield de ruiter voor de ellendige herberg stil, waar een roemer op het vergane uithangbord prijkte.Vrouw Barbara had den hoefslag en het stilhouden van een paard gehoord. Met eene lantaarn in de hand trad zij naar buiten en begroette den nieuw aangekomene.“Gij hebt goed doorgereden,” zeide zij: “minstens had ik u een half uur later gewacht.—Doch,” ging zij fluisterende voort: “wij zijn niet alleen; vriend Rosio is zooeven aangekomen. Door den brand, dieden Blankertgisteravond verwoestte, is hij van dáár verjaagd, en nu, van een goeden buit voorzien, is hij voornemens zich morgen naar Frankrijk op reis te begeven.Des vreemdelings oogen schitterden:“’t Is wel,” zeide hij, en de nog steeds bewustelooze Adelgonde op zijne armen nemende, trad hij de woning binnen; beklom met haar hetzelfde kamertje, waar wij den ongelukkigen kunstenaar, eenigen tijd geleden, zijn nachtverblijf zagen nemen, en legde haar op het bed, ’t welk vrouw Barbara te dien einde in gereedheid had gebracht.De vreemdeling, in wien wij reeds den jonker Walter Van Rodenberg hebben herkend, brandde nu van verlangen om te weten welke kostbaarheden door de ontvoering van Adelgonde in zijn bezit waren gekomen.Met de verregaandste onkieschheid doorzocht hij de kleederen der schooneHagenlelie, die daar als een marmeren beeld ter neer lag.Een klein pakje benevens eenige oude brieven, was het eenige wat hij bij haar vond.Zijn hooge verwachting werd door den inhoud van dat pakje bitter teleurgesteld.Behalve een klein rolletje goud—Adelgondes bespaarde penningen—bevatte het niets dan een vierkant doosje, waarin het portret van den graaf Van Bergen lag, en dat, in een zilveren medaillon gevat, met juweelen en paarlen was omzet.—Is dit dan alles wat de deerne heeft meegenomen! dacht Van Rodenberg met van woede bevende lippen: Heb ik dan voor niets de armoede harer ouders zoo sterk geteekend! Maar, bij den hemel! ik zal mij weten schadeloos te stellen. De losprijs zal naar deze teleurstelling geëvenredigd zijn!Na de gevonden voorwerpen bij zich te hebben gestoken, ging hij het kelderluik af en trad de gelagkamer binnen, alwaar Rosio, als reizende koopman vermomd, zijn avondmaal zat te nuttigen.“Goedenavond, mijn brave heer,” zeide Van Rodenberg spottend, terwijl hij een glurenden blik naar eenige op elkander gestapelde pakken sloeg: “Uw vermomming is voortreffelijk. Zie, bij den eersten aanblik herken ik u dadelijk. Ei ei! gij zijt dus van uwe waardigheid ontslagen! Heeft de genadige gravin uw alvermogende hulp niet meer noodig? Gij zijt wel diep te beklagen, want zeker moet gij thans met eenigen kleinhandel uw dagelijksch brood zuur verdienen, en boer of edelman om een dak om Godswil aanspreken!”“Wij kennen elkander!” sprak Rosio, die zeer wel begreep, dat Van Rodenberg den draak met hem stak: “Maar bij het heil mijner ziel!” vervolgde hij: “hetgeen gij zegt is waar: slechts weinige oude boeken en geschriften, behalve hetgeen mij toebehoorde, heb ik uit den hevigen brand kunnen redden. Gij weet het immers, jonker, datde Blankerteen prooi der vlammen is geworden?”“Als ik mij niet vergis,” antwoordde Van Rodenberg, “dan was ik bij die grap tegenwoordig. Het had mij bijna het leven gekost. Doch genoeg daarvan. De edele gravin is....”“Leeft de gravin nog?” viel hem Rosio haastig in de rede, terwijl hij zijn bezorgdheid en vrees daarvoor achter een masker van levendige belangstelling zocht te verbergen.“Stel u gerust,” hernam Van Rodenberg glimlachend: “ik heb dezen middag vernomen, dat zij de vuurproef moedig heeft doorstaan, doch dat de waterproef haar minder goed is bekomen. Dezen morgen is zij bezweken, en heeft in haar laatste oogenblikken nog met de meeste liefde van u gesproken.“De Heer hebbe hare ziel!” zuchtte Rosio.“Of de duivel!” hernam Van Rodenberg: “Om ’t even. Gij weetniet,” ging hij langzaam voort, terwijl hij met zijne vingers op de tafel trommelde en Rosio met halfgeslotene oogen doordringend aanzag: “Gij weet niet wie de eenige erfgenaam mijner lieve moeder is?”“Uwer moeder?” riep Rosio in de grootste verwarring: “Wie—de gravin? wie heeft u gezegd....?”“Eilieve, Barbara, wees zoo goed en ga mijn schoonen buit eens opzoeken,” zeide Van Rodenberg tot de waardin, die reeds voor eenige oogenblikken de kamer was binnengekomen: “Ik geloof,” vervolgde hij: “dat het fijne ding wat opwekkingsmiddelen zal noodig hebben; gedurende den geheelen tocht is zij buiten kennis geweest.”Barbara had zich reeds op dit bevel voorbereid; doch hare nieuwsgierigheid was door het gesprek der heeren gaande gemaakt, en gaarne had zij nog een oogenblik willen toeven; nu evenwel voldeed zij aan Van Rodenbergs verlangen, en zich met eene lamp naar het opkamertje begevende, verloor zij den draad van het gesprek, ’t welk hare belangstelling zoozeer had opgewekt.—Men heeft mij toch niet te veel van hare schoonheid verhaald, dacht de waardin, toen zij Adelgondes fijne trekken aanschouwde: Het arme kind moet dan schrikkelijk zijn ontsteld. “Kom hier mijn duifje! ruik eens,” sprak zij, terwijl zij Adelgonde een fleschje met geestrijk vocht onder het kleine neusje drukte: “dit zal u goed doen.”Werkelijk opende Adelgonde weinige oogenblikken later de oogen. “Waar ben ik?” vroeg zij met een angstige stem, terwijl zij de waardin bevreesd aanzag.“Bij wie anders dan bij Barbara?” antwoordde de vrouw: “Nu, ik wil wel gelooven, mijn hartje, dat gij mij niet herkent,” vervolgde zij: “want toen ik u de laatste maal verliet, waart ge nog slechts een nuchter wicht: ’t is heel wat tijd geleden!”Adelgonde kon zich,—uit haar bezwijming ontwaakt, geen duidelijk denkbeeld vormen van hetgeen er met haar was voorgevallen. Wèl herinnerde zij zich Alonzo’s brief, waarin deze haar had gemeld, dat hare ouders nog leefden; dat hij haar, zoo zij dit begeerde, in de armen dier ouders wilde terugvoeren; dat die goede lieden in den bittersten nood verkeerden, en zij derhalve zooveel als haar mogelijk zou zijn, moest medenemen om hen, aan wie zij het leven verschuldigd was, met het hare te ondersteunen; en eindelijk dat hij zich had voorgenomen, om haar aan hare wettige ouders ten huwelijk te vragen, dewijl rang noch geboorte hem zouden beletten haar als zijne vrouw te beminnen. Insgelijks herinnerde zij zich den tweestrijd, welke haar binnenste bij het lezen dier letteren had vervuld; hoe zij nu eens besloten, dan weder gewankeld had; hoe innige dankbaarheid aan haren pleegvader haar aanden Oldenburghhad geboeid, maar kinderliefde en teedere min haar nochtans tot den voorgeslagen stap hadden doen besluiten.—Doch, wat er met haar was voorgevallen nadat de stem van Van Rodenberg haar als een donderslag in de ooren was gedrongen.... ditkon zij zich niet te binnenbrengen, en nogmaals de waardin vragend aanziende, zeide zij: “En Alonzo?”“Wel, die heeft u hier gebracht, mijn torteltje!” was het antwoord: “Hij heeft u alleen gelaten om u eenige rust te doen genieten. Het is een mooi knap heer.”Adelgonde schudde ongeloovig het hoofd. “Maar gij?” zeide zij, de waardin weder vragend beschouwende: “Wie zijt gij?”“Wie ik ben?” hervatte vrouw Barbara: “Wel, wie ben ik anders dan uwe moeder. Kunt gij het dan aan uw hartje niet voelen dat gij uw eerste voedsel aan mijne borst genoten hebt?—Maar zie, toen waart gij pas zóó groot,” vervolgde zij, bespeurende dat Adelgonde zich geweld deed om hetgeen zij hoorde te gelooven: “en op dien leeftijd zien de oogen nog niet verder dan de neus lang is. Wacht, mijn torteltje, ik zal u wat eten halen. Ik neem het u niet kwalijk dat gij mij niet hebt herkend.”Zoodra vrouw Barbara vertrokken was, richtte Adelgonde zich overeind, en bij het schijnsel der achtergelatene lamp, doorzag zij nu het kleine naargeestige vertrek, dat somber en droevig afstak bij de groote zalen en ruime kamers waarin zij was opgevoed.—Dus is die vrouw mijne moeder, dacht Adelgonde: Zoo zijn die ruwe gelaatstrekken dan de trekken van haar, die ik mij in mijn kindsche dagen schier als een heilige had voorgesteld!Onwillekeurig werd het teedere meisje zeer bevreesd. Alles kwam haar zoo vreemd, zoo zonderling voor. Was het dan niet Van Rodenberg die haar, in stede van Alonzo, had weggevoerd?—O God! wat wil men van mij, wat heeft men met mij voor? dacht zij voort: Neen ik had niet zoo moeten handelen, men heeft mij in een valstrik gelokt, ik ben bedrogen! Goede God, red mij! Wat zal er van mij worden!Een luidruchtig gesprek, dat in de gelagkamer werd gevoerd, boeide eensklaps hare opmerkzaamheid. Duidelijk onderscheidde zij de stem van den man, die haar steeds den meesten afschuw had ingeboezemd. Er bestond geen twijfel meer, het was Van Rodenberg, die in hevigen twist met een ander was geraakt.Hare legerstede verlatende, naderde zij behoedzaam de deur, en zocht nu eenige woorden op te vangen. Doch tevergeefs, de twistenden schenen zich verstaan te hebben, en niets vernam zij verder dan het stooten van twee kroezen tegen elkander, waarop er nog eenige woorden werden gewisseld, totdat eindelijk een der mannen zijn afscheid nam, en zich te paard van de woning verwijderde.Adelgonde voelde haar gemoed niet weinig verruimd toen zij in den aftrekkende, haren vijand vermoedde. Met het vaste voornemen om moedig de waarheid te onderzoeken, en zich in Gods hand veilig te vertrouwen, zette zij zich op een kleine bank, die voor een vermolmde eikenhouten tafel stond.Vrouw Barbara trad kort daarop het kamertje weder binnen. In de eene hand hield zij eenige sneden grof brood, in de andere een kan met zoete melk gevuld.“Zie zoo mijn duifje!” riep zij Adelgonde toe: “zoo is het goed,nu zijt gij toch van den schrik bekomen. Eet en drink nu maar eens naar hartelust, het is u volkomen gegund.”Hoewel Adelgonde niet den minsten eetlust gevoelde, zoo verkwikte haar toch de aangebodene melk, en vrouw Barbara voor hare zorgen dank zeggende, gaf zij tevens haar wensch te kennen om, alleen gelaten, zich ter rust te kunnen begeven.“Allerbest mijn hartje!” zeide Barbara: “Gij zijt hier zoo vrij als op het kasteel. Morgen zal mijnheer Van Ro.... mijnheer Spinola, wil ik zeggen, u wel eens komen bezoeken. Ik weet niet, maar ik heb hem zoo wat van trouwen hooren prevelen. Hé, dat zou u lijken, geloof ik. Het is een knap man, daar blijf ik bij. Nu, mijn aardig torteltje, ik wensch u een goeden nacht,” en het onaangeroerde brood weder met zich nemende, verliet de waardin het vertrek.Daar zat nu het schoone doch zwakke meisje, aan de somberste gedachten ter prooi gelaten. Hoe was het haar mogelijk te gelooven dat de edele Alonzo, den verachtelijksten der mannen, in zijn belang zou hebben genomen! Doch die brief! was die dan niet van de hand des geliefden? Nogmaals wilde zij die letteren herlezen, om allen twijfel te verbannen; zich nogmaals overtuigen dat zij door Alonzo geschreven, en niet door een andere hand kunstig waren nagebootst; doch hoe klom haar heimelijke vrees tot de vernietigendste bezorgdheid, toen zij het pakje miste, hetwelk Van Rodenberg haar in haar bezwijming had ontvreemd.Nu eerst begreep Adelgonde ten volle dat de lage man een vreemd en schandelijk spel met haar speelde. Hier in dit huis bevond zij zich in zijne macht; ondanks de mogelijkheid zelfs dat die vrouw hare moeder was, durfde zij van dien kant niet op hulp en bescherming rekenen. Wat stond haar te doen!? Niets bleef haar in dit bange oogenblik over dan een spoedige vlucht, en in weerwil der moeielijkheden aan deze ontkoming en den nachtelijken tocht verbonden, nam zij het kloekmoedig besluit, al hare krachten bijeen te zamelen, en, als een berouwvolle dochter, smeekend in de armen van haar liefderijken pleegvader terug te keeren.Nog eenige oogenblikken luisterde Adelgonde aandachtig, om zich te overtuigen dat er in het aangrenzende vertrek geen personen meer aanwezig waren. Alles was stil. De bewoners schenen zich ter rust te hebben begeven.Hierop trad zij behoedzaam naar het kleine venster, en zocht met haar fijne handen den grendel weg te schuiven, die in het omvatsel zat vast geroest. Zij verdubbelde hare krachten; en werkelijk bereikte zij gelukkig haar doel.Het venster nu geopend zijnde, kostte het haar geringe moeite de schier vergane vensterluiken insgelijks naar buiten open te stooten, doch hoorbaar klopte haar hart toen zij bemerkte dat het venster, waaruit zij den sprong moest wagen, ruim zeven voet boven den vlakken grond verheven was.—God zal mij behoeden! dacht Adelgonde: Hij weet dat ik met goede bedoelingen den dwazen stap heb gewaagd. Hij zal mij vergeven,gelijk de edele en goede graaf mij weder met liefde in zijne armen zal opnemen.Een zacht geritsel aan de buitenzijde der deur wekte eensklaps hare aandacht. Adelgonde sidderde. Het raam weder dicht te trekken en de nog brandende lamp uit te blazen, was het werk van een oogenblik. Nauwelijks was dit verricht, of de deur werd geopend, en een man trad het kamertje binnen, wiens trekken, verlicht door het schijnsel eener lantaarn welke hij in de hand hield, Adelgonde zich niet herinnerde vroeger te hebben gezien.“Vrees niet!” sprak de man op fluisterenden toon: “Gij behoeft voor mij niet te beven. Zonder u te kennen, schoone jonkvrouw, ben ik uw vriend. Gij zijt in arglistige handen, doch ik kom u redden; ik zal u aan de handen van Van Rodenberg ontrukken.”Adelgonde wist niet wat zij van deze plotselinge verschijning moest denken. Wel waren de gesprokene woorden geschikt om haar vrees te verbannen; doch in die glurende kleine oogen las zij iets meer dan belangelooze welwillendheid; in dien naar boven getrokken mond lag iets anders dan zuivere deelneming in het lot van een belaagd onschuldig meisje.“En waarvoor zou ik vreezen?” zeide Adelgonde, terwijl het haar was aan te zien, dat haar gemoedstoestand zonderling met hare woorden in tegenspraak was. “Ik heb hier niets te duchten. Vertrek van hier, mijnheer, als ik u bidden mag. Ik ben hier veilig,hier, in de woning mijner ouders.”“En evenwel hebt gij dat venster geopend?” hernam de vreemdeling: “Zie maar, het is door de tocht weer opengegaan. Doch vertrouw op mij, schoone jonkvrouw,” vervolgde hij, haar langzaam naderende: “ik weet nauwkeurig wat men met u voor heeft; geloof mij, ik ken de netten welke u gespreid worden.”“Mensch! wat wilt gij van mij?” riep Adelgonde met bevende stem, terwijl haar het angstzweet op het voorhoofd parelde: “Wie geeft u het recht mijn slaapvertrek binnen te treden!? Verwijder u van hier, zoo gij het wél met mij meent.”“Het schijnt mij toe, dat ik u slechts afkeer kan inboezemen,” hernam de vreemdeling, die niemand anders dan Rosio was: “Is mijn gelaat dan zoo afschuwelijk? Doch ik versta u,” ging hij voort, terwijl hij de tot ter dood ontstelde Adelgonde hoe langer hoe meer naderde: “ik versta die angstige bezorgdheid: “Een Spaansch edelman wordt door de zedige schoone in het nachtelijk uur ten harent gewacht. Het venster is reeds geopend; de lamp is uitgedoofd. Ha ha! laat den knaap nog een oogenblik smachten. Zie, schoonste bloem, de vlam der liefde heeft ook mijn hart voor u doen branden. Waarom moetikdoor dat vuur verkwijnen terwijl een ander....”“Laat af,—laat af!” riep de engelreine Adelgonde, terwijl zij zich met schier bovennatuurlijke krachten uit den arm zocht los te rukken, dien de ellendeling reeds om haar slanke leest geslagen had: “Heilige Vader! sta mij bij!” gilde zij, zich krachtdadig verwerende. Doch, haar schier waanzinnige pogingen waren vruchteloos; Rosio’s ijzeren arm hield haar omkneld, en grinnikend lachtehet onmensch, toen hij de angstkreten der onschuld met een dikken doek had gesmoord, en alzoo de zege over het zwakke reine schepsel had bevochten.Dáár echter, waar de nood tot aan de lippen is geklommen en de sterveling aan Gods reddende macht begint te wanhopen, is Zijn reddende hand hem vaak het dichtst nabij. Weet dan de grijze booswicht niet, dat hij weldra zijn breeden en effen weg zal hebben afgehold? Weet hij niet dat de wijde poort hem wacht, doch dat een diepe poel aan het eind dier baan is gedolven? Hij weet dit, en evenzeer ziet hij dat menig zijpad hem nog op den moeielijken doch rechten weg kan terugvoeren. Hij wil het niet; welnu, een ander, die achter hem komt, zal hem in zijn vaart nog sneller tot het einde voeren; nog ééne schrede, en hij stort in den afgrond. Doch zelfs ook dán, in dien laatsten stond, dan nog wankelt hij een oogenblik; dan zelfs ziet hij nog aan de rechterzijde van dien poel, een doornig en rotsachtig pad, ’t welk steil naar boven gaat; dan nog kan hij keeren; dan nog trekt hem een stem naar boven. Schep moed! roept deze hem vriendelijk toe: de weg is moeielijk, doch toef niet, hier in het Huis des Heeren rusten de geloovigen van hun kommervollen tocht, en zijn zij vroolijk als de gasten op een bruiloftsfeest.God is rechtvaardig: vroeg of laat treft Hij den zondaar; hier of in Zijn eeuwig rijk loont Hij den moedigen strijder.Zoo daagde er dan ook voor Adelgonde, in het jammervolle oogenblik toen men haar het kostbaarste wat zij bezat, schandelijk wilde ontrooven, onverwachte hulp en redding.De krachtige arm, waarmede Rosio zijne prooi hield omvat, werd eensklaps verlamd. Een doodsche kleur overtoog zijn gelaat, en de hevigste pijnen dreigden zijn ingewanden vaneen te rijten.Met het vreeselijkst misbaar liep de snoode ellendeling nu het kleine vertrek rond; krampachtig wrong hij de handen, en, zich nu eens over den vloer wentelende, dan weder onstuimig opspringende, kermde hij nu zelf om redding en hulp, terwijl hij even te voren, op onmeedoogende wijze, die kreten bij zijn onschuldig slachtoffer had zoeken te smoren.Daar lag nu de grijze deugdvertreder; daar wentelde hij zich aan den rand van de kolk, waar geween en eeuwige duisternis heerscht. De geldzucht van een medereiziger op het breede spoor, had hem eenige oogenblikken vroeger aan het einde van zijn loopbaan gebracht. God had den verleider getroffen, en de onschuld wonderbaar gered. Met stomme verbazing, met innige dankbaarheid, doch met deernis in het lot van haren vijand tevens, aanschouwde Adelgonde dat droeve tooneel.“Ik ben vergeven! vergeven!” brulde Rosio, terwijl hij zich wanhopend de grijze haren uit den schedel trok: “Is er dan geen tegengift? Melk! melk!” kermde hij: “Een monster verscheurt mij van binnen.”“Doe uw vijand wél!” sprak eene stem in Adelgondes boezem. Gehoorzaam aan het bevel van haar grooten Meester, nam zij denog schier gevulde kan met melk; reikte die den lijdende toe, en zag hoe hij die in ééne teug ledigde.Naderende voetstappen deden haar vrouw Barbara’s komst vermoeden. Nog een oogenblik aarzelde zij. De moed ontbrak haar om langer in die onheilspellende woning te vertoeven. Hoewel het leven aan die vrouw verschuldigd, zou zij háár, door misdaad en schande omgeven, toch nimmer als eene moeder kunnen beminnen. Zou zij dien sprong uit het venster wagen? Voelde zij zich sterk genoeg, om eenzaam in het nachtelijk duister, op onbekende wegen rond te dolen?—God zij mijn staf! dacht het schoone meisje; en juist werd de deur van het opkamertje door de waardin geopend, toen Adelgonde behouden aan de andere zijde van het venster in het mulle zand ter nederkwam.Door angst voor achtervolging gedreven, snelde Adelgonde met de vlugheid eener hinde voorwaarts. Door een gunstig toeval geleid, had zij, zonder te weten waarheen, den weg gekozen, welke naar den viersprong bij het meergemeldeSteenen kruisvoerde.Nauwelijks een paar honderd schreden van de herberg verwijderd, hield zij ademloos stand, en wilde een oogenblik rusten om nieuwe krachten te verzamelen, toen de krijschende stem van vrouw Barbara haar in de ooren klonk, die haar de laagste scheldnamen nazond, en haar dreigend vermaande om terug te keeren.Door den angst nogmaals gesterkt, toefde Adelgonde niet langer, en diep ademhalende, vervolgde zij haar nachtelijke vlucht.

Vijftiende hoofdstuk.De mare van den schrikkelijken brand was den graaf Van Bergen spoedig ter oore gekomen.Met het krieken van den dag steeg hij te paard en reed naarden Blankert, om de verwoesting in oogenschouw te nemen.Het groote kasteel was schier geheel in een puinhoop veranderd De linkervleugel slechts was nog gedeeltelijk in wezen.Op verscheidene plaatsen stegen dikke rookwolken uit de smeulende puinhoopen omhoog. Het was een droevig tooneel, die schouwplaats der vergankelijkheid.—O God! wat is bestendig hier beneden! sprak Van Bergen bij zich zelven: Wat is toch de aarde met al wat daarop is! Slechts stof, niets dan stof, aan verderf en vernietiging ter prooi! Statig en fier verhief zich nog gisteren dit kasteel op zijne fondamenten, en heden? heden duiden slechts ruwe steenklompen de plek aan, waar het nog weinige uren geleden stond.—Omstreeks twee eeuwen lang hebben stormen en onweders er boven gewoed, en thans, één vuurstraal van Uwe almacht o God! en zie, het zware gebouw stort ineen. Stof, niets dan stof is het wat daarvan overblijft!Met betraande oogen bleef de graaf in het rookende puin staren. In dat kasteel had hij het eerste daglicht aanschouwd; dáár had hij de dagen zijner zorgelooze jeugd gesleten, en de jaren zijner jongelingschap in kommerlooze vreugde doorgebracht; dáár was het dat een goede moeder hem de eerste schreden op het pad der deugd had leeren zetten; dáár was het ook, dat hem die dierbare moeder zoo vroeg reeds door den dood was ontrukt.—Vergankelijkheid! vergankelijkheid! ja, dat predikt Uwe schepping! zoo eindigde Van Bergen, den blik naar den hemel richtende: Hier beneden is het niet; daar boven, bij U, bij U alleen, is onvergankelijkheid! Bij U leven de reine zielen zonder ophouden. Bij U zijn mijne dierbare dooden. Bij U zal ik hen wedervinden. Bij U, o liefderijk Vader! die door Jezus Christus ook mijne ziel van het eeuwig verderf hebt vrijgemaakt.Met zulke gedachten vervuld, was Van Bergen aan de zuidzijde van het kasteel gekomen. Te midden der bouwvallen ontwaarde hij nu een man, die met ingespannen krachten de opeengehoopte steenklompen zocht weg te ruimen.“Mijne dochter! mijne lieve dochter! waar zijt gij?” kermde de ongelukkige hovenier: “Mijn Aafke! mijn kind! zijt gij levend onderdat puin begraven? Hoort gij uw vader niet? Geef antwoord, lieve dochter! O God! waarom hebt Gij mij mijn kind ontnomen?”Zoo jammerde de beklagenswaardige vader, terwijl hij zijne krachten verdubbelde, ten einde zijn lieveling levend of dood weder te vinden.“Mist gij uwe dochter?” riep de graaf den vruchteloos zoekende toe: “Is uw kind het offer van dezen brand geworden? Schep moed, brave Rijnveld, ik zal u mannen zenden, die u behulpzaam kunnen zijn.”De aangesprokene had bij de deelnemende toespraak des graven zijn arbeid voor een oogenblik gestaakt.“O, het valt hard, uw genade, zijn oogappel, zijn dierbaar kind te verliezen!” antwoordde hij met een tranenvloed: “Zij was zoo schoon, zoo braaf, zoo rein; en nu... dood.... in de lente haars levens! Gerechte God! wat heb ik misdaan, dat Gij mij zoo zwaar kastijdt?”Van Bergen gevoelde innig wat die ongelukkige vader moest lijden. Ook hij was dikwerf en bang beproefd.“Gods wegen zijn onnaspeurlijk,” hernam hij op vertroostenden toon: “De Heer bezoekt het meest zijne uitverkorenen. Wat God doet is welgedaan!”Na deze woorden reed de graaf de achterzijde van het kasteel langs, en kwam weldra weder aan den linkervleugel.Daar heerschte een buitengewone drukte. Onderscheidene meubelen lagen op het binnenplein, dat de poort van het kasteel scheidde, in de grootste verwarring dooreen. Alles wat aan de vlammen ontkomen was, bevond zich op deze plaats. Als een troep hongerige wolven aasden de dienstbaren der gravin Van Bergen op buit. Voorwerpen van waarde of goeden smaak, waren reeds alle door hen prijs gemaakt. Het was een volstrekte plundering waarvan de graaf hier ooggetuige was.“Ellendig volk!” riep hij den roofzuchtigen toe: “Slechts op eigen voordeel bedacht, zoekt gij een laag gewin, terwijl wellicht ongelukkigen, onder het brandend puin bedolven, om uwe hulp smeeken, en God bidden, dat Hij u ter hunner redding zendt. Toef hier niet langer. “Gij zult niet stelen,” zegt de Heer. Ga!—Rijnveld zoekt zijn kind. Help hem zijne dochter, zoo zij nog leeft, terugvinden. Voorwaar, uw loon zal groot zijn, grooter dan het vergankelijke wat gij hier zoekt.”De gebiedende toon, waarop Van Bergen gesproken had, maakte een gewenschten indruk. Eenige mannen begaven zich onmiddellijk naar de plaats, waar de hovenier zijne nasporingen voortzette.“Is de gravin aan het gevaar ontkomen?” vroeg de graaf aan een knaap, die weinige schreden van hem stond.“Zij is gered uw genade,” antwoordde deze: “doch één oogenblik later, en het ware te laat geweest. Voorzeker moet de gravin uit het venster in de gracht zijn gesprongen. Toen wij op haar noodgeschrei afkwamen, hield zij zich aan den rand der boot boven water. Nu ligt hare genade in de woning van Rijnveld, maar het al te bezien staan of zij den schrik te boven komt.”Van Bergen stapte van zijn paard, en na het aan de zorg van den knaap te hebben toevertrouwd, begaf hij zich naar de kleine woning van den hovenier. Hier verbeidde hem een nog akeliger tooneel dan hetgeen hij daarbuiten aanschouwd had. Zijn rampzalige stiefmoeder lag in een ijlende koorts op een bos stroo ter neder. Hare oogen waren diep in hunne kassen verscholen, en sluik lagen de natte grijze haren langs haar bleeke kaken. Nauwelijks was Van Bergen het kleine vertrek binnengetreden, of de gravin richtte zich in hare legerstede overeind.“Ha, zijt gij daar, verrader!” riep zij hem toe: “Gij zijt het, gij alleen die de hel boven mijn hoofd hebt ontstoken. In de vlammen hebt gij mij geworpen. In het water hebt gij mij gestort. Gij hebt gesidderd voor mijne wraak. Ja! zie, gij rilt nog. Gij zijt bevreesd voor mijn toorn.—Vergif zal u doen kwijnen: evenals uw vader. Waar toeft gij, Rosio?” ging zij, strak voor zich uitziende, voort: “Waarom aarzelt gij: Dien toe;—uw middel werkt langzaam maar zeker. Zie, hij kwijnt, zijn einde is nabij.—Hij sterft!—Wraak Van Bergen!—Wraak over u!—Mijn zoon zal leven!—Mijn zoon, mijn Walter.—Ja, Walter, ik ben uwe moeder.—O God! gij gelooft het niet.—Gij verstoot mij omdat gij een bastaard zijt, gij werpt mij van u af?—Gij laat mij aan de vlammen ter prooi—O God! ik brand! Ik verga! Water, water!”Met onleschbaren dorst dronk de gravin een haar toegereikte kom met water ledig.Voor een oogenblik scheen haar dit eenige rust te verschaffen, doch zoodra zij den graaf weder ontwaarde, ving zij opnieuw met woorden zonder samenhang aan.“Ik versta uw blik, Van Bergen! Ja, ik weet wat gij van mij verlangt. Gij wilt úw kind, úw zoon aan mijne macht ontrukken. Gij verbleekt. Het baat u niet. Uw zoon was wel bewaard. In een diepen kerker. Dáár, dáár in uw kasteel.—Wraak voor mijn zoon! Wraak voor de schande mij aangedaan!”Een koude rilling ging Van Bergen bij het hooren dezer woorden door de leden. Met angstige gejaagdheid had hij elken klank opgevangen. God! zouden deze woorden eenige beteekenis hebben, of slechts door een verhitte verbeelding zijn voortgebracht?“Vrouw! wat zegt gij?” riep hij met een van aandoening verkropte stem: “Herhaal uwe woorden. Zijt gij bij uwe zinnen? Spreek, wát is er van mijn zoon?”“Ha! daar staat de fiere graaf!” riep de ijlende vrouw, akelig lachende: “Uw zoon?—Brand! brand! vlammen! vuur! Gij hebt het zelf ontstoken. Hij is bedolven. Dáár onder puin en asch. Daar in dien vuurpoel ligt hij te branden. Hou vast Rosio! laat niet los; neen, hij mag ons niet ontkomen!”Van Bergen stond als aan den grond genageld. Het was hem niet mogelijk deze verwarde woorden tot een geheel te vormen en op zichzelven toe te passen. Hij doorgrondde het fijne weefsel van menschelijke boosheid niet.Zijn zoon?—En echter had hij zijn eerstgeborene levenloos aanzijn borst gedrukt. Hij had zijn zoontje zelf naar het stille graf gebracht. En toch, een vreeselijk vermoeden rees er in zijn binnenste op. “Hemel! zou het mogelijk zijn!?” riep hij uit: “Spoed! spoed! misschien bestaat er nog kans op redding!”Met het vaste voornemen om alles in het werk te stellen ten einde zekerheid te bekomen, snelde hij voort, en had juist de klink der deur gegrepen, toen deze van buiten geopend werd. Eene burrie werd door twee mannen het vertrek binnengedragen. Een jeugdig meisje lag er op. Aan haar voorhoofd gaapte een breede wond, en hare haren waren met bloed bevlekt.Het was Aafke, Rijnvelds brave dochter, die door vereende krachten aan een brandend graf was ontrukt.De smart des vaders grensde aan wanhoop.Die schoone maagd, die dierbare trouwe dochter lag daar verminkt en zieltogend ter neder!De vader had zijn kind wedergevonden, maar helaas, in een toestand, om het spoedig voor altijd te verliezen.Van Bergen was door dit roerend tooneel een oogenblik in zijn voornemen gestuit. Met innige deelneming beschouwde hij de smartelijke wonde, en reinigde die eigenhandig zooveel hem dit mogelijk was.Het ongelukkige meisje slaakte een diepen zucht; even sloeg zij de reeds brekende oogen op, en zag haren liefderijken helper aan. Een lichte blos verspreidde zich over haar gelaat; er scheen iets buitengewoons in haar binnenste om te gaan; zij wilde spreken, doch hare krachten schoten te kort.“Wat wilt gij, lief kind?” vroeg Van Bergen, die haar in den arm genomen en een weinig overeind had gezet.Nogmaals wendde het meisje een uiterste poging tot spreken aan. Hare lippen bewogen zich, en schier onhoorbaar lispte zij de woorden: “Hij is gered.... uw zoon.... uit den kerker.... Bewijs.... dáár.... in mijn keurslijf.”Geen engeltonen hadden den graaf met hemelscher wellust kunnen vervullen, dan die woorden van het stervende meisje. Aan deze sponde der smart ontwaakte een ongekende zaligheid in zijne borst. De mond der boosheid had hem een zoon en diens verderf aangekondigd, de stem der onschuld meldde hem de redding van dat kind, van welks bestaan hij tot heden onbewust was gebleven.Zou dat kleine stuk papier, ’t welk daar uit haar keursje steekt, inderdaad het bedoelde bewijs bevatten?Zonder aarzelen trok hij het behoedzaam te voorschijn. Met sidderende hand ontvouwde hij het papier, en las de volgende woorden:“Edel meisje! Met Gods hulp is het ons gelukt den armen gekerkerde te bevrijden. Daartoe zijt gij, in Gods hand, het middel geweest. Nog weet gij niet wie het was die jaren achtereen in dezen kerker versmachtte. De ongelukkige Adel is niemand anders dan de eenige zoon des graven Van Bergen. Hem hebt gij bevrijd. Leef gelukkig, edel meisje! Smaak de vruchten van uw goede daad,en zoo gij hier beneden daarvoor niet vergolden wordt, dan zal God u in Zijn hoogen hemel ruimschoots vergelden, wat gij aan een zijner ongelukkige schepselen hebt gedaan.A. S......”“Ja, God zal u vergelden wat geen sterveling u meer vergelden kan!” sprak Van Bergen met een onbeschrijfbaar gevoel, terwijl hij de gestorven redster van zijn kind, met schier vaderlijke liefde een zoen op het voorhoofd drukte. Ja, bij Hem zult gij het loon voor uw edele daad ontvangen!”“Laat af! laat af!” riep de gravin Van Bergen met stervende stem: “Weg, weg van mij, gij helsche folteringen! Ik wil niet sterven! Mijn Zoon! mijn Walter!—Mijn Walter!” herhaalde zij, nauwelijks hoorbaar. Nog één snik, nog ééne trekking der zenuwen en zij was niet meer.In hetzelfde oogenblik verschenen twee onsterfelijke zielen voor den rechterstoel des Allerhoogsten.De eene was blank en rein, de andere met de zonden dezer wereld besmet.De eerste ging in ter rechterzijde.De andere?.... Oordeel niet. God alleen mag oordeelen. De Heer is rechtvaardig—maar genadig.Zestiende hoofdstuk.De kleine stoet, dien wij in het voorlaatste hoofdstukden Blankertzagen verlaten, naderde hoe langer hoe meer de plaats zijner bestemming.Langs den noordelijken zoom van het Haagsche bosch, waar zich de oude eiken ter rechter- en de naakte duinen ter linkerzijde verhieven, voerde een breed zandspoor naar een eenvoudige pachthoeve.Hier gaf Alonzo het teeken om stand te houden.“De Heilige Maagd zij geloofd!” sprak hij tot Maarten, nadat deze hem behulpzaam was geweest om den ongelukkigen Adel de nederige woning binnen te dragen: “Hier zal de ondeugd haar slachtoffer niet zoeken. Morgen zal zij dit niet meer vermogen; doch tot zóólang is voorzichtigheid noodzakelijk.Ten einde de bevrijding in geenen deele te belemmeren, had Aafke den gekerkerden jongeling, op bevel van haren hoogen bondgenoot—den jongen graaf Spinola—een toereikend slaapmiddel ingegeven. Door de macht van den slaap geketend, wasniets in staat geweest hem aan die banden te ontrukken. In weerwil van de geweldige donderslagen en de vele bezwaren, die zijne ontvoering vergezelden, had hij zijne oogen niet geopend, en, wellicht van zijne beulen droomende, vermoedde hij niet dat God Zijne engelen had gezonden om voor zijn leven te waken; dat een paar goede geesten hem beschermden en hem de vrijheid terug schonken.De hoeve, welke door Alonzo tot nachtverblijf voor den bevrijde was gekozen, behoorde tot de goederen van den graaf Van Bergen en werd bewoond door Maartens grootvader.Met de meeste schroomvalligheid had de oude man het verzoek van zijn kleinzoon toegestaan. Het was hem gansch niet aangenaam de hand te leenen in eene zaak, die hem hoe langer hoe meer verdacht voorkwam.—Wie was de Spaansche vreemdeling, die hem voor zijne herbergzaamheid zoo ruimschoots wilde beloonen? Welk voornemen had deze met den ongelukkige, die daar thans slapende in de bedstee lag? Waarom juist bij hem, in deze afgelegene woning, eene schuilplaats gezocht? Deze en vele dergelijke vragen bestormden en verontrustten den zwakken grijsaard. Hij werd zeer bevreesd, en alles wél overwegende, vermoedde hij in den slapende niets minder dan een Spaanschen prins, die, de hemel wist om welke staatsintriges, in een vreemd land moest worden om hals gebracht.Hij huiverde bij het denkbeeld, dat zijn vreedzame woning het schouwtooneel van een vorstenmoord zou worden, en dat hij zelf, in stede van zijne dagen in rust en kalmte te eindigen, als medeplichtige, een schandelijken dood zou moeten ondergaan.—Wat hun voornemen ook zijn moge, zoo dacht hij: ik zal zorg dragen, dat den jongen vorst op deze hoeve geen leed geschiede. Den nacht zal ik wakend doorbrengen, en morgen, met het krieken van den dag, begeef ik mij naarden Oldenburgh, ten einde den graaf van alles te onderrichten.Inmiddels was Alonzo met Maarten naar buiten gegaan. De lucht, door het onweder gezuiverd, was met de liefelijkste geuren vervuld. Even verruimd en verlucht als de natuur, gevoelde zich ook Alonzo na de wél volbrachte taak.Met het voornemen om zelf naar Den Haag terug te keeren, gaf hij aangaande Adels bewaking nog eenige bevelen aan Maarten, en zich toen tot den grijsaard wendende, die in de halfgeopende huisdeur met achterdochtige blikken de twee samenzweerders of vorstendooders had trachten te beluisteren, zeide hij op minzamen toon: “En gij, oude man, die zoo liefderijk een ongelukkige hebt willen opnemen, het geldelijk loon dat u daarvoor toekomt, zal niet kunnen opwegen tegen de dankbaarheid, die u in veler hart een eerste plaats zal doen bekleeden. Vaarwel! morgen hoop ik u weer te zien.” Na deze woorden wierp Alonzo zich in den zadel, en links het bosch in galoppeerende bereikte hij weldra de stad.Het was den volgenden morgen, weinige minuten nadat wij den graaf Van Bergen naarden Blankertzagen vertrekken, dat eenoud man, ademloos de binnenplaats van het kasteelden Oldenburghbetrad.De oude Burgman was juist bezig de verspreide fazanten, kalkoenen en kippen, met zijn: “Tuk tuk tuk!” tot hun ontbijt bijeen te roepen, terwijl hij tevens naar het geschikte oogenblik zocht om zich van de drie bonte haantjes meester te maken, die bestemd waren hun laatste levensdagen in overdaad door te brengen.“Wel Esser, wat voert u zoo vroeg naar het kasteel?” riep de fungeerende pluimgraaf den nieuwaangekomene toe: “Gij schijnt haast te hebben.—Proe! slokhals! gunt ge dien anderen niets?—Wacht! jaag me die kleine zwartkuif eens even hier op aan.—Kip ik heb je!” riep Burgman, terwijl hij het kakelend diertje dat, voor Essers opgeheven stok verschrikt, zijn waar verderf was te gemoet gesneld, in een overdekte mand plaatste: “Ziezoo; gij komt alsof gij geroepen waart. Hoe gaat het in ’t duin?—Proe! proe! die grijze is een vlugge rakkert.—Houdt tegen! houdt tegen!—Mis baas! je dacht me te ontsnappen. Nou stil maar, je zult goede dagen hebben; daar, zwartje! daar heb je een kameraad!” en de tweede gevangene gleed bij de eerste in de overdekte mand.“Maar Burgman,” ving Esser aan, die de vroege wandeling niet had ondernomen om den ouden dienaar in het haantjesvangen behulpzaam te zijn: “ik moet den graaf spreken. Is zijn genade al bij de hand? Ik bid u, ga hem terstond om een oogenblik onderhoud verzoeken. Het is van groot belang. Ik kan mijn tijd niet verbeuzelen.”“Ja, indien gij den graaf moet spreken dan hadt gij maar vroeger moeten opstaan,” antwoordde Burgman verstoord, dewijl Esser het haantjesvangen “zijn tijd te verbeuzelen” had genoemd: “De graaf is reeds lang vertrokken, maar indien gij zoo iets belangrijks hebt mee te deelen,—daar komt de freule, die u misschien te woord zal willen staan.”Esser trad met den hoed in de hand op Adelgonde toe, terwijl de gekrenkte Burgman met een langzaam vleiend: “Kip!—kip!—kip!” zijn derde slachtoffer zocht meester te worden, dat hij ook weldra bij de anderen in de mand liet glijden, om ze vervolgens naar de mestkooi te brengen.“Hetgeen gij mij daar zegt is zeer vreemd,” zeide Adelgonde, die aandachtig naar den oude geluisterd had: “Ik ben niet bevoegd om u in dezen raad te geven, doch naar het mij toeschijnt, zal uw kleinzoon zijn grijzen grootvader toch niet aan gevaren blootstellen. Maarten is mij bekend, hij is oppassend en braaf. Gij zult toch niet veronderstellen dat hij zich, om geldelijk voordeel, in eene zaak zou mengen, die gij zoo zwart hebt afgeteekend?”De oude man schudde het hoofd. “Hij is zoo gesloten als een pot, genadige freule!” hernam hij. “Hoe dikwerf heb ik hem niet gevraagd, wie en wat dan eigenlijk die jongeling was.—Grootvader, was steeds zijn bescheid: een ongelukkige dien wij aan de handen zijner beulen hebben ontrukt, en dien gij, herbergzaamheid schenkende, een grooten dienst bewijst. Zie, genadige freule, “aan de handen zijner beulen ontrukt” dat klinkt verdacht. Waarom dennaam verzwegen? Wat mij betreft, ik ben van mijne jeugd af aan steeds rond voor mijne zaken uitgekomen, ik heb nimmer iets verzwegen; neen, een goede zaak schuwt het daglicht niet.”—Deze, in de meeste opzichten voortreffelijke hoedanigheid van dien grijsaard, heeft zeker voor Maarten de stilzwijgendheid noodzakelijk gemaakt, dacht Adelgonde. “Intusschen, oude man,” vervolgde zij tot Esser: “zal ik den graaf bij zijne terugkomst dadelijk met de zaak bekend maken. Verontrust u niet; reken op de deugd van uw kleinzoon. Ga u eerst in de keuken wat ververschen, en keer dan welgemoed naar uwe hoeve terug.”Esser schudde nogmaals het hoofd.—Zoo stapt de zorglooze jeugd met luchtigen tred over de gewichtigste zaken heen! dacht hij: “De ondervinding leert ons voorzichtigheid,” zeide hij luid: “en al heb ik mij ditmaal door de schoonklinkende woorden van Maarten laten in slaap wiegen, mijne oogen zijn nu geopend, en voorzeker zal de genadige graaf, door een tijdige overkomst, een vorstenzoon van den dood redden, diens moordenaars aan het gerecht in handen leveren, en mijn grijze kruin voor schande en ellende behoeden. De hemel beware u, genadige freule! thans keer ik onmiddellijk naar ’t duin terug. In mijne afwezigheid heeft niemand kunnen ontsnappen. Het vertrek waar de prins ligt, is geheel afgesloten. Met ongeduld zal ik de komst van den genadigen graaf te gemoet zien. God zij met u!”Na deze woorden boog zich de oude man, en verliet de binnenplaats zoo snel als zijn wankelende tred zulks toeliet, om den terugtocht naar zijne woning aan te nemen.Adelgonde, nu aan zich zelve overgelaten, zette hare morgenwandeling voort. Het was dien dag juist vier maanden geleden dat zij den edelen Spanjaard voor het eerst had gezien. Hoe veel was er in dien korten tijd, ook voor haar, veranderd!—O, dacht zij, terwijl een traan bij haar opwelde: hoe ras zijn die schoone dagen van vreugde en zorgeloosheid vervlogen! Hoe trotsch was ik, mij eene dochter van dien alom beminden en goeden graaf te kunnen noemen. Met welk een onuitsprekelijke, ja, meer dan kinderlijke liefde hing ik hem aan; en hij—hij noemde mij zijn lieve dochter. Helaas! ik was zijne dochter niet. En thans—dezelfde liefde blijft hij mij bewijzen! voortdurend noemt hij mij zijn lieve kind; maar ach! hoe schoon, hoe liefelijk mij voorheen die naam ook in de ooren klonk, thans rijt zij gruwzaam de mij toegebrachte diepe wond telkens weer open.—En gij Alonzo, o waarom drong de liefde voor u mijn harte binnen? waarom moest die wensch om u te bezitten, voor mij de dierbaarste worden? waarom heb ik u bemind, daar ik u nimmer kon toebehooren!?Het schoone doch ongelukkige meisje slaakte een diepen zucht. Doch, een nieuwe gedachte rees bij haar op: Wellicht leefden haar arme ouders nog!—Moest het hun tot eene misdaad worden gerekend, dat zij hun kind hadden afgestaan om het in ruimer omstandigheden te doen opvoeden? Gewis, zij hadden uit liefde voor dat kind zich die opoffering getroost.—Ach, niets kwamAdelgonde nu wenschelijker voor, dan in den stand harer ouders terug te keeren, hopende bij hen de rust voor haar gemoed te zullen wedervinden. Voorzeker, haar waardige pleegvader zou haar in dit besluit geenszins hinderlijk willen zijn. Hij zag het immers, hoe zij, na het vernemen dier treurige waarheid, hare dagen in droefheid had doorgebracht; hoe zij niet meer dartel liefkoozend, maar schuchter zijne goedheden had beantwoord; hij zag het immers, hoe zij steeds alle bezoeken zocht te ontvlieden; hoe zij schroomvallig de oogen nedersloeg wanneer een dienstbode haar met eerbied naderde, en hoe dikwerf een donker rood hare wangen kleurde wanneer een adellijk bezoeker, al schertsend, den mindere in zijne handelingen bespottelijk zocht voor te stellen.—Neen! besloot het teergevoelige meisje: neen, het is niet mogelijk mij langer achter een valsch masker te verbergen. Ik kan, ik mag niet langer schijnen wat ik niet ben; eenmaal toch zal de wereld mijne afkomst vernemen: waar zal ik dan vluchten om hare verachting te ontgaan! waar zal ik schuilen om haar smadende blikken te ontvlieden!?”Aan een zodenbank gekomen, nam zij plaats, en staarde met bekretene oogen voor zich neder. Weldra trof een zeer bekende stem hare ooren.“Alweer in tranen liefste Gonne?” riep Van Bergen zijne pleegdochter toe: “ik had zoo innig gehoopt een vroolijk lachje als welkomst te zullen ontvangen.—Hier, Burgman, neem mij Wakker eens mede: het goede dier is doornat en verlangt naar een welgevulde ruif.”Nadat Burgman den hinnikenden bruin met zich had genomen, nam Van Bergen naast Adelgonde plaats.Den, in de oefenschool der ondervinding volleerden,man was het niet aan te zien dat hem dien morgen reeds zoo vele aandoeningen hadden bestormd. Wel had zijn vaderhart hoorbaar geklopt; wel was een vluchtige schim van hoop hem voorbij gesneld, doch hij waagde het niet die hemelplant in zijn binnenste te doen wortelen: Wat toch was zijn leven anders geweest dan een aaneenschakeling van teleurstellingen! Dikwerf was de zon helder voor zijne oogen verrezen, doch maar al te dikwerf ook was zij spoedig weder achter donkere wolken schuilgegaan.Met eenige omzichtigheid verhaalde nu de graaf zijne ontmoetingen van dien morgen: hoe zijn rampzalige stiefmoeder was gestorven, en hoe hem toevallig was ter oore gekomen, dat een knaap, jaren lang door die ontaarde vrouw gekerkerd, weinige oogenblikken vóór den schrikkelijken brand, door een reddende hand was verlost.Bij deze laatste woorden schoot Adelgonde de geschiedenis van den ouden Esser te binnen; met weinige woorden deelde zij haren pleegvader den inhoud van Essers verhaal en diens angstige bezorgdheid mede; besluitende met haar natuurlijk vermoeden: dat de gewaande prins niemand anders dan de geredde knaap zou zijn.—Nauwelijks had Adelgonde geëindigd, of zij bespeurde ophet gelaat des graven eene voor haar onbegrijpelijke uitdrukking van verrukking. Zijne oogen waren naar boven gericht; het was alsof een stroom van innige dankbaarheid zijn halfgeopenden mond ontvlood, alsof een hemelbode hem de zekerheid des eeuwigen levens had aangekondigd.Vragend zag Adelgonde haren pleegvader aan. Hij echter waagde het niet zijne blijdschap in woorden lucht te geven; doch eindelijk de hand van Adelgonde vattende, drukte hij die aan zijn hart en riep: “O Gonne! liefste Gonne! wat er ook verandere, vergeet nooit dat ik u als een vader bemin.”Na deze woorden rees bij Adelgonde een flauw vermoeden der waarheid.—Zwijgend zag zij voor zich neder; zwijgend nam zij den aangeboden arm van haren pleegvader; zwijgend trad zij met hem de groote poort van het kasteel binnen, en begaf zich, in diepe gedachten verzonken, naar hare kamer.“Reeds een geruimen tijd heb ik op uwe terugkomst gewacht lieve freule!” zeide Adelgondes kamenier, die hare gebiedster op den drempel te gemoet trad: “Zooeven heeft een boerenknaapje mij dit briefje voor u overhandigd. Het opschrift komt mij eenigszins bekend voor, en ik twijfel niet of het zal u aangenaam zijn.”“Het is wél, Anne, doch laat mij nu alleen,” zeide Adelgonde, en de deur van binnen gesloten hebbende, las zij Alonzo’s brief, wiens zonderlinge inhoud haar voorhoofd deed gloeien, haar boezem jagen, en haar gemoed aan honderden aandoeningen ter prooi gaf.Van Bergen had zich insgelijks naar zijne kamer begeven. Dáár gekomen, was het hem een behoefte zich dankende voor de voeten van zijn God neder te werpen. O, hoe duidelijk ontwaarde hij in den samenloop der omstandigheden, den leidenden vinger Gods. Hoe treffend was het, dat de achterdocht eens grijsaards hem reeds zoo spoedig de plaats moest wijzen waar hij den zoon uit de handen zijner bevrijders kon terug erlangen: “O God, sterk mij wanneer ik mijn ongelukkig kind zal wederzien,” bad hij eindelijk: “Geef Gij mij kracht, want zóó—zóó heeft een vader nog nooit zijn kind teruggevonden.”Langzaam rees hij op; gaf bevel om terstond zijn paard te zadelen; besteeg het weinige oogenblikken later, en het dier in den stap dwingende, sloeg hij den weg in, die hem naar de woning van Esser zou voeren.Reeds had de zon de grootste helft van haar dagelijkschen loop volbracht, toen Alonzo, uit Den Haag in de hoeve aan het duin terugkeerde.De bezorgde oude zat voor Adels legerstede, en had niet gedoogd dat Maarten hem uit zijn—nog steeds voortdurenden slaap opwekte. Alonzo, die geenszins had bevroed welke ongerijmde vermoedens de grijsaard koesterde, schudde hem trouwhartig de hand. “Gij zijt een zorgvuldig wachter!” zeide hij vriendelijk: “Uw kleinzoon heeft uw goedheid niet ijdel geroemd. Zet nog een oogenblik uw waakzaamheid voort. Plaats u voor den ingang uwer woning,en zorg dat niemand er binnen treedt terwijl wij den slapende wekken, hem van zijne onreinheid zuiveren en een voegzamer kleeding zullen aantrekken.”Esser scheen besluiteloos. Des vreemdelings open oog en minzame toon hadden wel voor een oogenblik de stem der achterdocht in zijn binnenste doen zwijgen, doch zijne vrees voor moord of mishandeling was nog geenszins verdwenen. Wat stond hem, zwakken grijsaard, te doen? hij toch kon zich niet tegen twee krachtvolle mannen verzetten.—Welaan! sprak hij tot zich zelven: ik zal mij voor den ingang mijner woning plaatsen; van dáár zal ik door het venster de verrichtingen daar binnen kunnen gadeslaan; bij de minste beweging, die mij verdacht voorkomt, zal ik om hulp kunnen roepen. God moge den ongelukkige beschermen, en, zoo het noodig moest zijn, tijdige hulp doen opdagen.Nog steeds hield de graaf Van Bergen zijn vurig ros in den stap. Met bedaardheid wilde hij het gewichtige oogenblik te gemoet gaan. Nu eens had hij, om zijn geest tot kalmte te stemmen, een danken smeekgebed tot God opgezonden, dan weder had hij de natuur in hare duizendvoudige schoonheid gadegeslagen.De weg dien hij volgde, doorsneed, van den Bezuidenhoutschen weg, het schoone Haagsche bosch in een schuine richting. Reeds was hij het einde van zijn tocht nabij, reeds zag hij door de uiterste stammen aan de noordzijde de zilveren duinen blinken, en ontwaarde hij zijn hoeve, welke door den ouden Esser bewoond werd.Nog slechts weinige schreden was hij van de woning verwijderd toen de oude pachter zijn heer ontdekte.“Goddank, genadige graaf!” riep hij in verrukking uit: “Goddank dat gij gekomen zijt, want zij staan gereed met hem te vertrekken, en zonder dat ik zulks verhinderen kon. O, nu zal de boosheid verijdeld worden! Voor uw paard zal ik zorg dragen genadige heer,” vervolgde hij, terwijl hij den graaf in het afstijgen behulpzaam was: “O, uwe komst geeft mij waarlijk het leven terug!” en den graaf op die plaats achterlatende, verwijderde hij zich met den klepper ten einde hem in de achterwoning op stal te zetten.Daar stond nu Van Bergen: slechts weinige schreden nog en hij zou, indien God het wilde, zijn kind in de armen drukken. Was het dan werkelijk geen heerlijke droom die zijne zinnen verrukte? Met beide handen bedekte hij het voorhoofd als zocht hij allen schijn te verbannen, en, toen hij nu, met helderen blik voor zich uitziende, den tempel zijns heils wilde binnentreden, toen ontvlood een kreet van tienvoudige aandoening zijne borst, zoodat hij onwillekeurig gedrongen werd eenige schreden achterwaarts te doen.Wij vermogen niet de waarde van het oogenblik te schetsen, toen de verrukte Adel, door zijn beide redders ondersteund, de kleine woning verlatende, voor de eerste maal Gods heerlijke schepping binnentrad.Welk sterveling is er die zich de hemelsche gelukzaligheid nieteens op deze of gene zinnelijke wijze heeft voorgesteld? Die niet het hemelsche paradijs heeft meenen te aanschouwen, zoo schoon, zoo heerlijk in tegenstelling met dit aardsche tranendal?Zoo ook had Adel in zijn droevig kerkerhol van den hemel hooren spreken. Ook hij had zich een gelukkige wereld daarbuiten voorgesteld; ook hij had, door zijn liefderijke verzorgster, een God, een Verlosser leeren aanroepen; ook hij was met de heerlijkheid van een eeuwig leven bekend geworden.En nu—uit een diepen slaap ontwaakt,—uit nacht en banden verlost, gereinigd,—in een schoone kleeding,—als met een nieuw lichaam begiftigd,—door zijn bevrijder en diens dienaar ondersteund,—zóó die heerlijke schepping aanschouwende, wat was natuurlijker dan dat de langgemartelde jongeling waande Gods hoogen hemel zelven binnen te gaan.En Van Bergen—roerloos en als aan den grond genageld stond hij daar. Hij kon niet spreken. Dat bleeke, dat uitgeteerde gelaat! Ja!—ja! het waren de trekken van zijn dierbare, zijn zalige Clarisse; nu kon hij veilig de waarheid vertrouwen, en met een van aandoening schier angstverwekkende stem riep hij: “Mijn zoon, mijn kind, hier is uw vader!”Bij deze ontboezeming voer den zwakken knaap eene rilling door de leden.“Gij—God!—mijn hemelsche Vader!?” zeide hij op doffen toon, terwijl hij den sierlijk gekleeden man met angstige oogen beschouwde; en terstond indachtig aan het hem door Aafke geleerde gebed, vervolgde hij: “Wil mij verlossen goede God! Amen!”Van Bergen sprak niet; met grenzenlooze blijdschap drukte hij zijn kind aan het hart; de tolken der dankbaarheid vloeiden hem langs de kaken, en den blik naar Alonzo wendende, verstond deze daaruit alles—wat het overkropte gemoed van dien vader niet in woorden kon brengen.Zeventiende hoofdstuk.De klokken van het naburig ’s-Gravenhage verkondigden het negende uur na den middag, toen een ruiter in eene zijlaan van het kasteelden Oldenburghlangzaam op en neer stapte. Met ongeduld scheen hij iemands komst te verbeiden, en gedurig blikte hij naar de kleine achterpoort, waaruit de gewacht wordende moest te voorschijn komen.Het duurde dan ook werkelijk maar weinige minuten, of de bedoelde poort werd geopend, en eene in het wit gekleede gedaante trad er uit. Met langzamen doch lichten tred ging zij over de smalleslotbrug, en was reeds op weinige schreden na aan de zijlaan gekomen, toen zij stand hield en, zich omkeerende, de oogen naar het kasteel wendde. Eensklaps, als tot andere gedachten gekomen, keerde zij eenige schreden terug; schijnbaar besluiteloos echter bleef zij ook nu weder staan; strekte de armen naar de reeds in schemerlicht gehulde muren van het kasteel uit; wuifde het een laatst vaarwel toe; keerde toen nogmaals op haar voorgenomen pad terug, en bevond zich weldra in de nabijheid des ruiters. Deze, inmiddels van het paard gestegen, had den hoed dieper in de oogen gedrukt, en de snikkende jonkvrouw behoedzaam naderende, zeide hij met een zachte doch gemaakte stem: “Ik wachtte u reeds, dierbare Adelgonde. Het in mij gestelde vertrouwen zal ik op waardige wijze beloonen.”Een koude huivering deed Adelgonde het bloed in de aderen stollen.“Laat af! laat af!” gilde zij, zich verwerende,—doch tevergeefs; een stevige arm hield haar omkneld. “Help! help!” riep zij nogmaals, doch ook die kreten werden gesmoord. De vreemdeling had haar een wijden mantel over het hoofd geworpen, en bewusteloos zeeg zij in de armen van haren roover, die haar vóór zich op het ros plaatste, en in gestrekten ren met haar den weg naar Leiden insloeg.In teugellooze vaart ging het steeds voorwaarts. De ruiter hield het meisje omkneld. Loerende sloeg hij gedurig de oogen om zich heen en waande in iederen boom, ja in zijn eigen schaduw, woedende vervolgers te ontdekken, die hem den geroofden buit wilden betwisten.—Geen vrees! sprak hij bij zich zelven: Wij zijn ons doel nabij. De stoute daad wordt ruimschoots beloond, en waarom zou ik dralen indien bergen van blinkend goud mij vriendelijk tegenlachen?Na een rit van nauwelijks drie kwartuurs, hield de ruiter voor de ellendige herberg stil, waar een roemer op het vergane uithangbord prijkte.Vrouw Barbara had den hoefslag en het stilhouden van een paard gehoord. Met eene lantaarn in de hand trad zij naar buiten en begroette den nieuw aangekomene.“Gij hebt goed doorgereden,” zeide zij: “minstens had ik u een half uur later gewacht.—Doch,” ging zij fluisterende voort: “wij zijn niet alleen; vriend Rosio is zooeven aangekomen. Door den brand, dieden Blankertgisteravond verwoestte, is hij van dáár verjaagd, en nu, van een goeden buit voorzien, is hij voornemens zich morgen naar Frankrijk op reis te begeven.Des vreemdelings oogen schitterden:“’t Is wel,” zeide hij, en de nog steeds bewustelooze Adelgonde op zijne armen nemende, trad hij de woning binnen; beklom met haar hetzelfde kamertje, waar wij den ongelukkigen kunstenaar, eenigen tijd geleden, zijn nachtverblijf zagen nemen, en legde haar op het bed, ’t welk vrouw Barbara te dien einde in gereedheid had gebracht.De vreemdeling, in wien wij reeds den jonker Walter Van Rodenberg hebben herkend, brandde nu van verlangen om te weten welke kostbaarheden door de ontvoering van Adelgonde in zijn bezit waren gekomen.Met de verregaandste onkieschheid doorzocht hij de kleederen der schooneHagenlelie, die daar als een marmeren beeld ter neer lag.Een klein pakje benevens eenige oude brieven, was het eenige wat hij bij haar vond.Zijn hooge verwachting werd door den inhoud van dat pakje bitter teleurgesteld.Behalve een klein rolletje goud—Adelgondes bespaarde penningen—bevatte het niets dan een vierkant doosje, waarin het portret van den graaf Van Bergen lag, en dat, in een zilveren medaillon gevat, met juweelen en paarlen was omzet.—Is dit dan alles wat de deerne heeft meegenomen! dacht Van Rodenberg met van woede bevende lippen: Heb ik dan voor niets de armoede harer ouders zoo sterk geteekend! Maar, bij den hemel! ik zal mij weten schadeloos te stellen. De losprijs zal naar deze teleurstelling geëvenredigd zijn!Na de gevonden voorwerpen bij zich te hebben gestoken, ging hij het kelderluik af en trad de gelagkamer binnen, alwaar Rosio, als reizende koopman vermomd, zijn avondmaal zat te nuttigen.“Goedenavond, mijn brave heer,” zeide Van Rodenberg spottend, terwijl hij een glurenden blik naar eenige op elkander gestapelde pakken sloeg: “Uw vermomming is voortreffelijk. Zie, bij den eersten aanblik herken ik u dadelijk. Ei ei! gij zijt dus van uwe waardigheid ontslagen! Heeft de genadige gravin uw alvermogende hulp niet meer noodig? Gij zijt wel diep te beklagen, want zeker moet gij thans met eenigen kleinhandel uw dagelijksch brood zuur verdienen, en boer of edelman om een dak om Godswil aanspreken!”“Wij kennen elkander!” sprak Rosio, die zeer wel begreep, dat Van Rodenberg den draak met hem stak: “Maar bij het heil mijner ziel!” vervolgde hij: “hetgeen gij zegt is waar: slechts weinige oude boeken en geschriften, behalve hetgeen mij toebehoorde, heb ik uit den hevigen brand kunnen redden. Gij weet het immers, jonker, datde Blankerteen prooi der vlammen is geworden?”“Als ik mij niet vergis,” antwoordde Van Rodenberg, “dan was ik bij die grap tegenwoordig. Het had mij bijna het leven gekost. Doch genoeg daarvan. De edele gravin is....”“Leeft de gravin nog?” viel hem Rosio haastig in de rede, terwijl hij zijn bezorgdheid en vrees daarvoor achter een masker van levendige belangstelling zocht te verbergen.“Stel u gerust,” hernam Van Rodenberg glimlachend: “ik heb dezen middag vernomen, dat zij de vuurproef moedig heeft doorstaan, doch dat de waterproef haar minder goed is bekomen. Dezen morgen is zij bezweken, en heeft in haar laatste oogenblikken nog met de meeste liefde van u gesproken.“De Heer hebbe hare ziel!” zuchtte Rosio.“Of de duivel!” hernam Van Rodenberg: “Om ’t even. Gij weetniet,” ging hij langzaam voort, terwijl hij met zijne vingers op de tafel trommelde en Rosio met halfgeslotene oogen doordringend aanzag: “Gij weet niet wie de eenige erfgenaam mijner lieve moeder is?”“Uwer moeder?” riep Rosio in de grootste verwarring: “Wie—de gravin? wie heeft u gezegd....?”“Eilieve, Barbara, wees zoo goed en ga mijn schoonen buit eens opzoeken,” zeide Van Rodenberg tot de waardin, die reeds voor eenige oogenblikken de kamer was binnengekomen: “Ik geloof,” vervolgde hij: “dat het fijne ding wat opwekkingsmiddelen zal noodig hebben; gedurende den geheelen tocht is zij buiten kennis geweest.”Barbara had zich reeds op dit bevel voorbereid; doch hare nieuwsgierigheid was door het gesprek der heeren gaande gemaakt, en gaarne had zij nog een oogenblik willen toeven; nu evenwel voldeed zij aan Van Rodenbergs verlangen, en zich met eene lamp naar het opkamertje begevende, verloor zij den draad van het gesprek, ’t welk hare belangstelling zoozeer had opgewekt.—Men heeft mij toch niet te veel van hare schoonheid verhaald, dacht de waardin, toen zij Adelgondes fijne trekken aanschouwde: Het arme kind moet dan schrikkelijk zijn ontsteld. “Kom hier mijn duifje! ruik eens,” sprak zij, terwijl zij Adelgonde een fleschje met geestrijk vocht onder het kleine neusje drukte: “dit zal u goed doen.”Werkelijk opende Adelgonde weinige oogenblikken later de oogen. “Waar ben ik?” vroeg zij met een angstige stem, terwijl zij de waardin bevreesd aanzag.“Bij wie anders dan bij Barbara?” antwoordde de vrouw: “Nu, ik wil wel gelooven, mijn hartje, dat gij mij niet herkent,” vervolgde zij: “want toen ik u de laatste maal verliet, waart ge nog slechts een nuchter wicht: ’t is heel wat tijd geleden!”Adelgonde kon zich,—uit haar bezwijming ontwaakt, geen duidelijk denkbeeld vormen van hetgeen er met haar was voorgevallen. Wèl herinnerde zij zich Alonzo’s brief, waarin deze haar had gemeld, dat hare ouders nog leefden; dat hij haar, zoo zij dit begeerde, in de armen dier ouders wilde terugvoeren; dat die goede lieden in den bittersten nood verkeerden, en zij derhalve zooveel als haar mogelijk zou zijn, moest medenemen om hen, aan wie zij het leven verschuldigd was, met het hare te ondersteunen; en eindelijk dat hij zich had voorgenomen, om haar aan hare wettige ouders ten huwelijk te vragen, dewijl rang noch geboorte hem zouden beletten haar als zijne vrouw te beminnen. Insgelijks herinnerde zij zich den tweestrijd, welke haar binnenste bij het lezen dier letteren had vervuld; hoe zij nu eens besloten, dan weder gewankeld had; hoe innige dankbaarheid aan haren pleegvader haar aanden Oldenburghhad geboeid, maar kinderliefde en teedere min haar nochtans tot den voorgeslagen stap hadden doen besluiten.—Doch, wat er met haar was voorgevallen nadat de stem van Van Rodenberg haar als een donderslag in de ooren was gedrongen.... ditkon zij zich niet te binnenbrengen, en nogmaals de waardin vragend aanziende, zeide zij: “En Alonzo?”“Wel, die heeft u hier gebracht, mijn torteltje!” was het antwoord: “Hij heeft u alleen gelaten om u eenige rust te doen genieten. Het is een mooi knap heer.”Adelgonde schudde ongeloovig het hoofd. “Maar gij?” zeide zij, de waardin weder vragend beschouwende: “Wie zijt gij?”“Wie ik ben?” hervatte vrouw Barbara: “Wel, wie ben ik anders dan uwe moeder. Kunt gij het dan aan uw hartje niet voelen dat gij uw eerste voedsel aan mijne borst genoten hebt?—Maar zie, toen waart gij pas zóó groot,” vervolgde zij, bespeurende dat Adelgonde zich geweld deed om hetgeen zij hoorde te gelooven: “en op dien leeftijd zien de oogen nog niet verder dan de neus lang is. Wacht, mijn torteltje, ik zal u wat eten halen. Ik neem het u niet kwalijk dat gij mij niet hebt herkend.”Zoodra vrouw Barbara vertrokken was, richtte Adelgonde zich overeind, en bij het schijnsel der achtergelatene lamp, doorzag zij nu het kleine naargeestige vertrek, dat somber en droevig afstak bij de groote zalen en ruime kamers waarin zij was opgevoed.—Dus is die vrouw mijne moeder, dacht Adelgonde: Zoo zijn die ruwe gelaatstrekken dan de trekken van haar, die ik mij in mijn kindsche dagen schier als een heilige had voorgesteld!Onwillekeurig werd het teedere meisje zeer bevreesd. Alles kwam haar zoo vreemd, zoo zonderling voor. Was het dan niet Van Rodenberg die haar, in stede van Alonzo, had weggevoerd?—O God! wat wil men van mij, wat heeft men met mij voor? dacht zij voort: Neen ik had niet zoo moeten handelen, men heeft mij in een valstrik gelokt, ik ben bedrogen! Goede God, red mij! Wat zal er van mij worden!Een luidruchtig gesprek, dat in de gelagkamer werd gevoerd, boeide eensklaps hare opmerkzaamheid. Duidelijk onderscheidde zij de stem van den man, die haar steeds den meesten afschuw had ingeboezemd. Er bestond geen twijfel meer, het was Van Rodenberg, die in hevigen twist met een ander was geraakt.Hare legerstede verlatende, naderde zij behoedzaam de deur, en zocht nu eenige woorden op te vangen. Doch tevergeefs, de twistenden schenen zich verstaan te hebben, en niets vernam zij verder dan het stooten van twee kroezen tegen elkander, waarop er nog eenige woorden werden gewisseld, totdat eindelijk een der mannen zijn afscheid nam, en zich te paard van de woning verwijderde.Adelgonde voelde haar gemoed niet weinig verruimd toen zij in den aftrekkende, haren vijand vermoedde. Met het vaste voornemen om moedig de waarheid te onderzoeken, en zich in Gods hand veilig te vertrouwen, zette zij zich op een kleine bank, die voor een vermolmde eikenhouten tafel stond.Vrouw Barbara trad kort daarop het kamertje weder binnen. In de eene hand hield zij eenige sneden grof brood, in de andere een kan met zoete melk gevuld.“Zie zoo mijn duifje!” riep zij Adelgonde toe: “zoo is het goed,nu zijt gij toch van den schrik bekomen. Eet en drink nu maar eens naar hartelust, het is u volkomen gegund.”Hoewel Adelgonde niet den minsten eetlust gevoelde, zoo verkwikte haar toch de aangebodene melk, en vrouw Barbara voor hare zorgen dank zeggende, gaf zij tevens haar wensch te kennen om, alleen gelaten, zich ter rust te kunnen begeven.“Allerbest mijn hartje!” zeide Barbara: “Gij zijt hier zoo vrij als op het kasteel. Morgen zal mijnheer Van Ro.... mijnheer Spinola, wil ik zeggen, u wel eens komen bezoeken. Ik weet niet, maar ik heb hem zoo wat van trouwen hooren prevelen. Hé, dat zou u lijken, geloof ik. Het is een knap man, daar blijf ik bij. Nu, mijn aardig torteltje, ik wensch u een goeden nacht,” en het onaangeroerde brood weder met zich nemende, verliet de waardin het vertrek.Daar zat nu het schoone doch zwakke meisje, aan de somberste gedachten ter prooi gelaten. Hoe was het haar mogelijk te gelooven dat de edele Alonzo, den verachtelijksten der mannen, in zijn belang zou hebben genomen! Doch die brief! was die dan niet van de hand des geliefden? Nogmaals wilde zij die letteren herlezen, om allen twijfel te verbannen; zich nogmaals overtuigen dat zij door Alonzo geschreven, en niet door een andere hand kunstig waren nagebootst; doch hoe klom haar heimelijke vrees tot de vernietigendste bezorgdheid, toen zij het pakje miste, hetwelk Van Rodenberg haar in haar bezwijming had ontvreemd.Nu eerst begreep Adelgonde ten volle dat de lage man een vreemd en schandelijk spel met haar speelde. Hier in dit huis bevond zij zich in zijne macht; ondanks de mogelijkheid zelfs dat die vrouw hare moeder was, durfde zij van dien kant niet op hulp en bescherming rekenen. Wat stond haar te doen!? Niets bleef haar in dit bange oogenblik over dan een spoedige vlucht, en in weerwil der moeielijkheden aan deze ontkoming en den nachtelijken tocht verbonden, nam zij het kloekmoedig besluit, al hare krachten bijeen te zamelen, en, als een berouwvolle dochter, smeekend in de armen van haar liefderijken pleegvader terug te keeren.Nog eenige oogenblikken luisterde Adelgonde aandachtig, om zich te overtuigen dat er in het aangrenzende vertrek geen personen meer aanwezig waren. Alles was stil. De bewoners schenen zich ter rust te hebben begeven.Hierop trad zij behoedzaam naar het kleine venster, en zocht met haar fijne handen den grendel weg te schuiven, die in het omvatsel zat vast geroest. Zij verdubbelde hare krachten; en werkelijk bereikte zij gelukkig haar doel.Het venster nu geopend zijnde, kostte het haar geringe moeite de schier vergane vensterluiken insgelijks naar buiten open te stooten, doch hoorbaar klopte haar hart toen zij bemerkte dat het venster, waaruit zij den sprong moest wagen, ruim zeven voet boven den vlakken grond verheven was.—God zal mij behoeden! dacht Adelgonde: Hij weet dat ik met goede bedoelingen den dwazen stap heb gewaagd. Hij zal mij vergeven,gelijk de edele en goede graaf mij weder met liefde in zijne armen zal opnemen.Een zacht geritsel aan de buitenzijde der deur wekte eensklaps hare aandacht. Adelgonde sidderde. Het raam weder dicht te trekken en de nog brandende lamp uit te blazen, was het werk van een oogenblik. Nauwelijks was dit verricht, of de deur werd geopend, en een man trad het kamertje binnen, wiens trekken, verlicht door het schijnsel eener lantaarn welke hij in de hand hield, Adelgonde zich niet herinnerde vroeger te hebben gezien.“Vrees niet!” sprak de man op fluisterenden toon: “Gij behoeft voor mij niet te beven. Zonder u te kennen, schoone jonkvrouw, ben ik uw vriend. Gij zijt in arglistige handen, doch ik kom u redden; ik zal u aan de handen van Van Rodenberg ontrukken.”Adelgonde wist niet wat zij van deze plotselinge verschijning moest denken. Wel waren de gesprokene woorden geschikt om haar vrees te verbannen; doch in die glurende kleine oogen las zij iets meer dan belangelooze welwillendheid; in dien naar boven getrokken mond lag iets anders dan zuivere deelneming in het lot van een belaagd onschuldig meisje.“En waarvoor zou ik vreezen?” zeide Adelgonde, terwijl het haar was aan te zien, dat haar gemoedstoestand zonderling met hare woorden in tegenspraak was. “Ik heb hier niets te duchten. Vertrek van hier, mijnheer, als ik u bidden mag. Ik ben hier veilig,hier, in de woning mijner ouders.”“En evenwel hebt gij dat venster geopend?” hernam de vreemdeling: “Zie maar, het is door de tocht weer opengegaan. Doch vertrouw op mij, schoone jonkvrouw,” vervolgde hij, haar langzaam naderende: “ik weet nauwkeurig wat men met u voor heeft; geloof mij, ik ken de netten welke u gespreid worden.”“Mensch! wat wilt gij van mij?” riep Adelgonde met bevende stem, terwijl haar het angstzweet op het voorhoofd parelde: “Wie geeft u het recht mijn slaapvertrek binnen te treden!? Verwijder u van hier, zoo gij het wél met mij meent.”“Het schijnt mij toe, dat ik u slechts afkeer kan inboezemen,” hernam de vreemdeling, die niemand anders dan Rosio was: “Is mijn gelaat dan zoo afschuwelijk? Doch ik versta u,” ging hij voort, terwijl hij de tot ter dood ontstelde Adelgonde hoe langer hoe meer naderde: “ik versta die angstige bezorgdheid: “Een Spaansch edelman wordt door de zedige schoone in het nachtelijk uur ten harent gewacht. Het venster is reeds geopend; de lamp is uitgedoofd. Ha ha! laat den knaap nog een oogenblik smachten. Zie, schoonste bloem, de vlam der liefde heeft ook mijn hart voor u doen branden. Waarom moetikdoor dat vuur verkwijnen terwijl een ander....”“Laat af,—laat af!” riep de engelreine Adelgonde, terwijl zij zich met schier bovennatuurlijke krachten uit den arm zocht los te rukken, dien de ellendeling reeds om haar slanke leest geslagen had: “Heilige Vader! sta mij bij!” gilde zij, zich krachtdadig verwerende. Doch, haar schier waanzinnige pogingen waren vruchteloos; Rosio’s ijzeren arm hield haar omkneld, en grinnikend lachtehet onmensch, toen hij de angstkreten der onschuld met een dikken doek had gesmoord, en alzoo de zege over het zwakke reine schepsel had bevochten.Dáár echter, waar de nood tot aan de lippen is geklommen en de sterveling aan Gods reddende macht begint te wanhopen, is Zijn reddende hand hem vaak het dichtst nabij. Weet dan de grijze booswicht niet, dat hij weldra zijn breeden en effen weg zal hebben afgehold? Weet hij niet dat de wijde poort hem wacht, doch dat een diepe poel aan het eind dier baan is gedolven? Hij weet dit, en evenzeer ziet hij dat menig zijpad hem nog op den moeielijken doch rechten weg kan terugvoeren. Hij wil het niet; welnu, een ander, die achter hem komt, zal hem in zijn vaart nog sneller tot het einde voeren; nog ééne schrede, en hij stort in den afgrond. Doch zelfs ook dán, in dien laatsten stond, dan nog wankelt hij een oogenblik; dan zelfs ziet hij nog aan de rechterzijde van dien poel, een doornig en rotsachtig pad, ’t welk steil naar boven gaat; dan nog kan hij keeren; dan nog trekt hem een stem naar boven. Schep moed! roept deze hem vriendelijk toe: de weg is moeielijk, doch toef niet, hier in het Huis des Heeren rusten de geloovigen van hun kommervollen tocht, en zijn zij vroolijk als de gasten op een bruiloftsfeest.God is rechtvaardig: vroeg of laat treft Hij den zondaar; hier of in Zijn eeuwig rijk loont Hij den moedigen strijder.Zoo daagde er dan ook voor Adelgonde, in het jammervolle oogenblik toen men haar het kostbaarste wat zij bezat, schandelijk wilde ontrooven, onverwachte hulp en redding.De krachtige arm, waarmede Rosio zijne prooi hield omvat, werd eensklaps verlamd. Een doodsche kleur overtoog zijn gelaat, en de hevigste pijnen dreigden zijn ingewanden vaneen te rijten.Met het vreeselijkst misbaar liep de snoode ellendeling nu het kleine vertrek rond; krampachtig wrong hij de handen, en, zich nu eens over den vloer wentelende, dan weder onstuimig opspringende, kermde hij nu zelf om redding en hulp, terwijl hij even te voren, op onmeedoogende wijze, die kreten bij zijn onschuldig slachtoffer had zoeken te smoren.Daar lag nu de grijze deugdvertreder; daar wentelde hij zich aan den rand van de kolk, waar geween en eeuwige duisternis heerscht. De geldzucht van een medereiziger op het breede spoor, had hem eenige oogenblikken vroeger aan het einde van zijn loopbaan gebracht. God had den verleider getroffen, en de onschuld wonderbaar gered. Met stomme verbazing, met innige dankbaarheid, doch met deernis in het lot van haren vijand tevens, aanschouwde Adelgonde dat droeve tooneel.“Ik ben vergeven! vergeven!” brulde Rosio, terwijl hij zich wanhopend de grijze haren uit den schedel trok: “Is er dan geen tegengift? Melk! melk!” kermde hij: “Een monster verscheurt mij van binnen.”“Doe uw vijand wél!” sprak eene stem in Adelgondes boezem. Gehoorzaam aan het bevel van haar grooten Meester, nam zij denog schier gevulde kan met melk; reikte die den lijdende toe, en zag hoe hij die in ééne teug ledigde.Naderende voetstappen deden haar vrouw Barbara’s komst vermoeden. Nog een oogenblik aarzelde zij. De moed ontbrak haar om langer in die onheilspellende woning te vertoeven. Hoewel het leven aan die vrouw verschuldigd, zou zij háár, door misdaad en schande omgeven, toch nimmer als eene moeder kunnen beminnen. Zou zij dien sprong uit het venster wagen? Voelde zij zich sterk genoeg, om eenzaam in het nachtelijk duister, op onbekende wegen rond te dolen?—God zij mijn staf! dacht het schoone meisje; en juist werd de deur van het opkamertje door de waardin geopend, toen Adelgonde behouden aan de andere zijde van het venster in het mulle zand ter nederkwam.Door angst voor achtervolging gedreven, snelde Adelgonde met de vlugheid eener hinde voorwaarts. Door een gunstig toeval geleid, had zij, zonder te weten waarheen, den weg gekozen, welke naar den viersprong bij het meergemeldeSteenen kruisvoerde.Nauwelijks een paar honderd schreden van de herberg verwijderd, hield zij ademloos stand, en wilde een oogenblik rusten om nieuwe krachten te verzamelen, toen de krijschende stem van vrouw Barbara haar in de ooren klonk, die haar de laagste scheldnamen nazond, en haar dreigend vermaande om terug te keeren.Door den angst nogmaals gesterkt, toefde Adelgonde niet langer, en diep ademhalende, vervolgde zij haar nachtelijke vlucht.

Vijftiende hoofdstuk.De mare van den schrikkelijken brand was den graaf Van Bergen spoedig ter oore gekomen.Met het krieken van den dag steeg hij te paard en reed naarden Blankert, om de verwoesting in oogenschouw te nemen.Het groote kasteel was schier geheel in een puinhoop veranderd De linkervleugel slechts was nog gedeeltelijk in wezen.Op verscheidene plaatsen stegen dikke rookwolken uit de smeulende puinhoopen omhoog. Het was een droevig tooneel, die schouwplaats der vergankelijkheid.—O God! wat is bestendig hier beneden! sprak Van Bergen bij zich zelven: Wat is toch de aarde met al wat daarop is! Slechts stof, niets dan stof, aan verderf en vernietiging ter prooi! Statig en fier verhief zich nog gisteren dit kasteel op zijne fondamenten, en heden? heden duiden slechts ruwe steenklompen de plek aan, waar het nog weinige uren geleden stond.—Omstreeks twee eeuwen lang hebben stormen en onweders er boven gewoed, en thans, één vuurstraal van Uwe almacht o God! en zie, het zware gebouw stort ineen. Stof, niets dan stof is het wat daarvan overblijft!Met betraande oogen bleef de graaf in het rookende puin staren. In dat kasteel had hij het eerste daglicht aanschouwd; dáár had hij de dagen zijner zorgelooze jeugd gesleten, en de jaren zijner jongelingschap in kommerlooze vreugde doorgebracht; dáár was het dat een goede moeder hem de eerste schreden op het pad der deugd had leeren zetten; dáár was het ook, dat hem die dierbare moeder zoo vroeg reeds door den dood was ontrukt.—Vergankelijkheid! vergankelijkheid! ja, dat predikt Uwe schepping! zoo eindigde Van Bergen, den blik naar den hemel richtende: Hier beneden is het niet; daar boven, bij U, bij U alleen, is onvergankelijkheid! Bij U leven de reine zielen zonder ophouden. Bij U zijn mijne dierbare dooden. Bij U zal ik hen wedervinden. Bij U, o liefderijk Vader! die door Jezus Christus ook mijne ziel van het eeuwig verderf hebt vrijgemaakt.Met zulke gedachten vervuld, was Van Bergen aan de zuidzijde van het kasteel gekomen. Te midden der bouwvallen ontwaarde hij nu een man, die met ingespannen krachten de opeengehoopte steenklompen zocht weg te ruimen.“Mijne dochter! mijne lieve dochter! waar zijt gij?” kermde de ongelukkige hovenier: “Mijn Aafke! mijn kind! zijt gij levend onderdat puin begraven? Hoort gij uw vader niet? Geef antwoord, lieve dochter! O God! waarom hebt Gij mij mijn kind ontnomen?”Zoo jammerde de beklagenswaardige vader, terwijl hij zijne krachten verdubbelde, ten einde zijn lieveling levend of dood weder te vinden.“Mist gij uwe dochter?” riep de graaf den vruchteloos zoekende toe: “Is uw kind het offer van dezen brand geworden? Schep moed, brave Rijnveld, ik zal u mannen zenden, die u behulpzaam kunnen zijn.”De aangesprokene had bij de deelnemende toespraak des graven zijn arbeid voor een oogenblik gestaakt.“O, het valt hard, uw genade, zijn oogappel, zijn dierbaar kind te verliezen!” antwoordde hij met een tranenvloed: “Zij was zoo schoon, zoo braaf, zoo rein; en nu... dood.... in de lente haars levens! Gerechte God! wat heb ik misdaan, dat Gij mij zoo zwaar kastijdt?”Van Bergen gevoelde innig wat die ongelukkige vader moest lijden. Ook hij was dikwerf en bang beproefd.“Gods wegen zijn onnaspeurlijk,” hernam hij op vertroostenden toon: “De Heer bezoekt het meest zijne uitverkorenen. Wat God doet is welgedaan!”Na deze woorden reed de graaf de achterzijde van het kasteel langs, en kwam weldra weder aan den linkervleugel.Daar heerschte een buitengewone drukte. Onderscheidene meubelen lagen op het binnenplein, dat de poort van het kasteel scheidde, in de grootste verwarring dooreen. Alles wat aan de vlammen ontkomen was, bevond zich op deze plaats. Als een troep hongerige wolven aasden de dienstbaren der gravin Van Bergen op buit. Voorwerpen van waarde of goeden smaak, waren reeds alle door hen prijs gemaakt. Het was een volstrekte plundering waarvan de graaf hier ooggetuige was.“Ellendig volk!” riep hij den roofzuchtigen toe: “Slechts op eigen voordeel bedacht, zoekt gij een laag gewin, terwijl wellicht ongelukkigen, onder het brandend puin bedolven, om uwe hulp smeeken, en God bidden, dat Hij u ter hunner redding zendt. Toef hier niet langer. “Gij zult niet stelen,” zegt de Heer. Ga!—Rijnveld zoekt zijn kind. Help hem zijne dochter, zoo zij nog leeft, terugvinden. Voorwaar, uw loon zal groot zijn, grooter dan het vergankelijke wat gij hier zoekt.”De gebiedende toon, waarop Van Bergen gesproken had, maakte een gewenschten indruk. Eenige mannen begaven zich onmiddellijk naar de plaats, waar de hovenier zijne nasporingen voortzette.“Is de gravin aan het gevaar ontkomen?” vroeg de graaf aan een knaap, die weinige schreden van hem stond.“Zij is gered uw genade,” antwoordde deze: “doch één oogenblik later, en het ware te laat geweest. Voorzeker moet de gravin uit het venster in de gracht zijn gesprongen. Toen wij op haar noodgeschrei afkwamen, hield zij zich aan den rand der boot boven water. Nu ligt hare genade in de woning van Rijnveld, maar het al te bezien staan of zij den schrik te boven komt.”Van Bergen stapte van zijn paard, en na het aan de zorg van den knaap te hebben toevertrouwd, begaf hij zich naar de kleine woning van den hovenier. Hier verbeidde hem een nog akeliger tooneel dan hetgeen hij daarbuiten aanschouwd had. Zijn rampzalige stiefmoeder lag in een ijlende koorts op een bos stroo ter neder. Hare oogen waren diep in hunne kassen verscholen, en sluik lagen de natte grijze haren langs haar bleeke kaken. Nauwelijks was Van Bergen het kleine vertrek binnengetreden, of de gravin richtte zich in hare legerstede overeind.“Ha, zijt gij daar, verrader!” riep zij hem toe: “Gij zijt het, gij alleen die de hel boven mijn hoofd hebt ontstoken. In de vlammen hebt gij mij geworpen. In het water hebt gij mij gestort. Gij hebt gesidderd voor mijne wraak. Ja! zie, gij rilt nog. Gij zijt bevreesd voor mijn toorn.—Vergif zal u doen kwijnen: evenals uw vader. Waar toeft gij, Rosio?” ging zij, strak voor zich uitziende, voort: “Waarom aarzelt gij: Dien toe;—uw middel werkt langzaam maar zeker. Zie, hij kwijnt, zijn einde is nabij.—Hij sterft!—Wraak Van Bergen!—Wraak over u!—Mijn zoon zal leven!—Mijn zoon, mijn Walter.—Ja, Walter, ik ben uwe moeder.—O God! gij gelooft het niet.—Gij verstoot mij omdat gij een bastaard zijt, gij werpt mij van u af?—Gij laat mij aan de vlammen ter prooi—O God! ik brand! Ik verga! Water, water!”Met onleschbaren dorst dronk de gravin een haar toegereikte kom met water ledig.Voor een oogenblik scheen haar dit eenige rust te verschaffen, doch zoodra zij den graaf weder ontwaarde, ving zij opnieuw met woorden zonder samenhang aan.“Ik versta uw blik, Van Bergen! Ja, ik weet wat gij van mij verlangt. Gij wilt úw kind, úw zoon aan mijne macht ontrukken. Gij verbleekt. Het baat u niet. Uw zoon was wel bewaard. In een diepen kerker. Dáár, dáár in uw kasteel.—Wraak voor mijn zoon! Wraak voor de schande mij aangedaan!”Een koude rilling ging Van Bergen bij het hooren dezer woorden door de leden. Met angstige gejaagdheid had hij elken klank opgevangen. God! zouden deze woorden eenige beteekenis hebben, of slechts door een verhitte verbeelding zijn voortgebracht?“Vrouw! wat zegt gij?” riep hij met een van aandoening verkropte stem: “Herhaal uwe woorden. Zijt gij bij uwe zinnen? Spreek, wát is er van mijn zoon?”“Ha! daar staat de fiere graaf!” riep de ijlende vrouw, akelig lachende: “Uw zoon?—Brand! brand! vlammen! vuur! Gij hebt het zelf ontstoken. Hij is bedolven. Dáár onder puin en asch. Daar in dien vuurpoel ligt hij te branden. Hou vast Rosio! laat niet los; neen, hij mag ons niet ontkomen!”Van Bergen stond als aan den grond genageld. Het was hem niet mogelijk deze verwarde woorden tot een geheel te vormen en op zichzelven toe te passen. Hij doorgrondde het fijne weefsel van menschelijke boosheid niet.Zijn zoon?—En echter had hij zijn eerstgeborene levenloos aanzijn borst gedrukt. Hij had zijn zoontje zelf naar het stille graf gebracht. En toch, een vreeselijk vermoeden rees er in zijn binnenste op. “Hemel! zou het mogelijk zijn!?” riep hij uit: “Spoed! spoed! misschien bestaat er nog kans op redding!”Met het vaste voornemen om alles in het werk te stellen ten einde zekerheid te bekomen, snelde hij voort, en had juist de klink der deur gegrepen, toen deze van buiten geopend werd. Eene burrie werd door twee mannen het vertrek binnengedragen. Een jeugdig meisje lag er op. Aan haar voorhoofd gaapte een breede wond, en hare haren waren met bloed bevlekt.Het was Aafke, Rijnvelds brave dochter, die door vereende krachten aan een brandend graf was ontrukt.De smart des vaders grensde aan wanhoop.Die schoone maagd, die dierbare trouwe dochter lag daar verminkt en zieltogend ter neder!De vader had zijn kind wedergevonden, maar helaas, in een toestand, om het spoedig voor altijd te verliezen.Van Bergen was door dit roerend tooneel een oogenblik in zijn voornemen gestuit. Met innige deelneming beschouwde hij de smartelijke wonde, en reinigde die eigenhandig zooveel hem dit mogelijk was.Het ongelukkige meisje slaakte een diepen zucht; even sloeg zij de reeds brekende oogen op, en zag haren liefderijken helper aan. Een lichte blos verspreidde zich over haar gelaat; er scheen iets buitengewoons in haar binnenste om te gaan; zij wilde spreken, doch hare krachten schoten te kort.“Wat wilt gij, lief kind?” vroeg Van Bergen, die haar in den arm genomen en een weinig overeind had gezet.Nogmaals wendde het meisje een uiterste poging tot spreken aan. Hare lippen bewogen zich, en schier onhoorbaar lispte zij de woorden: “Hij is gered.... uw zoon.... uit den kerker.... Bewijs.... dáár.... in mijn keurslijf.”Geen engeltonen hadden den graaf met hemelscher wellust kunnen vervullen, dan die woorden van het stervende meisje. Aan deze sponde der smart ontwaakte een ongekende zaligheid in zijne borst. De mond der boosheid had hem een zoon en diens verderf aangekondigd, de stem der onschuld meldde hem de redding van dat kind, van welks bestaan hij tot heden onbewust was gebleven.Zou dat kleine stuk papier, ’t welk daar uit haar keursje steekt, inderdaad het bedoelde bewijs bevatten?Zonder aarzelen trok hij het behoedzaam te voorschijn. Met sidderende hand ontvouwde hij het papier, en las de volgende woorden:“Edel meisje! Met Gods hulp is het ons gelukt den armen gekerkerde te bevrijden. Daartoe zijt gij, in Gods hand, het middel geweest. Nog weet gij niet wie het was die jaren achtereen in dezen kerker versmachtte. De ongelukkige Adel is niemand anders dan de eenige zoon des graven Van Bergen. Hem hebt gij bevrijd. Leef gelukkig, edel meisje! Smaak de vruchten van uw goede daad,en zoo gij hier beneden daarvoor niet vergolden wordt, dan zal God u in Zijn hoogen hemel ruimschoots vergelden, wat gij aan een zijner ongelukkige schepselen hebt gedaan.A. S......”“Ja, God zal u vergelden wat geen sterveling u meer vergelden kan!” sprak Van Bergen met een onbeschrijfbaar gevoel, terwijl hij de gestorven redster van zijn kind, met schier vaderlijke liefde een zoen op het voorhoofd drukte. Ja, bij Hem zult gij het loon voor uw edele daad ontvangen!”“Laat af! laat af!” riep de gravin Van Bergen met stervende stem: “Weg, weg van mij, gij helsche folteringen! Ik wil niet sterven! Mijn Zoon! mijn Walter!—Mijn Walter!” herhaalde zij, nauwelijks hoorbaar. Nog één snik, nog ééne trekking der zenuwen en zij was niet meer.In hetzelfde oogenblik verschenen twee onsterfelijke zielen voor den rechterstoel des Allerhoogsten.De eene was blank en rein, de andere met de zonden dezer wereld besmet.De eerste ging in ter rechterzijde.De andere?.... Oordeel niet. God alleen mag oordeelen. De Heer is rechtvaardig—maar genadig.

De mare van den schrikkelijken brand was den graaf Van Bergen spoedig ter oore gekomen.

Met het krieken van den dag steeg hij te paard en reed naarden Blankert, om de verwoesting in oogenschouw te nemen.

Het groote kasteel was schier geheel in een puinhoop veranderd De linkervleugel slechts was nog gedeeltelijk in wezen.

Op verscheidene plaatsen stegen dikke rookwolken uit de smeulende puinhoopen omhoog. Het was een droevig tooneel, die schouwplaats der vergankelijkheid.

—O God! wat is bestendig hier beneden! sprak Van Bergen bij zich zelven: Wat is toch de aarde met al wat daarop is! Slechts stof, niets dan stof, aan verderf en vernietiging ter prooi! Statig en fier verhief zich nog gisteren dit kasteel op zijne fondamenten, en heden? heden duiden slechts ruwe steenklompen de plek aan, waar het nog weinige uren geleden stond.—Omstreeks twee eeuwen lang hebben stormen en onweders er boven gewoed, en thans, één vuurstraal van Uwe almacht o God! en zie, het zware gebouw stort ineen. Stof, niets dan stof is het wat daarvan overblijft!

Met betraande oogen bleef de graaf in het rookende puin staren. In dat kasteel had hij het eerste daglicht aanschouwd; dáár had hij de dagen zijner zorgelooze jeugd gesleten, en de jaren zijner jongelingschap in kommerlooze vreugde doorgebracht; dáár was het dat een goede moeder hem de eerste schreden op het pad der deugd had leeren zetten; dáár was het ook, dat hem die dierbare moeder zoo vroeg reeds door den dood was ontrukt.

—Vergankelijkheid! vergankelijkheid! ja, dat predikt Uwe schepping! zoo eindigde Van Bergen, den blik naar den hemel richtende: Hier beneden is het niet; daar boven, bij U, bij U alleen, is onvergankelijkheid! Bij U leven de reine zielen zonder ophouden. Bij U zijn mijne dierbare dooden. Bij U zal ik hen wedervinden. Bij U, o liefderijk Vader! die door Jezus Christus ook mijne ziel van het eeuwig verderf hebt vrijgemaakt.

Met zulke gedachten vervuld, was Van Bergen aan de zuidzijde van het kasteel gekomen. Te midden der bouwvallen ontwaarde hij nu een man, die met ingespannen krachten de opeengehoopte steenklompen zocht weg te ruimen.

“Mijne dochter! mijne lieve dochter! waar zijt gij?” kermde de ongelukkige hovenier: “Mijn Aafke! mijn kind! zijt gij levend onderdat puin begraven? Hoort gij uw vader niet? Geef antwoord, lieve dochter! O God! waarom hebt Gij mij mijn kind ontnomen?”

Zoo jammerde de beklagenswaardige vader, terwijl hij zijne krachten verdubbelde, ten einde zijn lieveling levend of dood weder te vinden.

“Mist gij uwe dochter?” riep de graaf den vruchteloos zoekende toe: “Is uw kind het offer van dezen brand geworden? Schep moed, brave Rijnveld, ik zal u mannen zenden, die u behulpzaam kunnen zijn.”

De aangesprokene had bij de deelnemende toespraak des graven zijn arbeid voor een oogenblik gestaakt.

“O, het valt hard, uw genade, zijn oogappel, zijn dierbaar kind te verliezen!” antwoordde hij met een tranenvloed: “Zij was zoo schoon, zoo braaf, zoo rein; en nu... dood.... in de lente haars levens! Gerechte God! wat heb ik misdaan, dat Gij mij zoo zwaar kastijdt?”

Van Bergen gevoelde innig wat die ongelukkige vader moest lijden. Ook hij was dikwerf en bang beproefd.

“Gods wegen zijn onnaspeurlijk,” hernam hij op vertroostenden toon: “De Heer bezoekt het meest zijne uitverkorenen. Wat God doet is welgedaan!”

Na deze woorden reed de graaf de achterzijde van het kasteel langs, en kwam weldra weder aan den linkervleugel.

Daar heerschte een buitengewone drukte. Onderscheidene meubelen lagen op het binnenplein, dat de poort van het kasteel scheidde, in de grootste verwarring dooreen. Alles wat aan de vlammen ontkomen was, bevond zich op deze plaats. Als een troep hongerige wolven aasden de dienstbaren der gravin Van Bergen op buit. Voorwerpen van waarde of goeden smaak, waren reeds alle door hen prijs gemaakt. Het was een volstrekte plundering waarvan de graaf hier ooggetuige was.

“Ellendig volk!” riep hij den roofzuchtigen toe: “Slechts op eigen voordeel bedacht, zoekt gij een laag gewin, terwijl wellicht ongelukkigen, onder het brandend puin bedolven, om uwe hulp smeeken, en God bidden, dat Hij u ter hunner redding zendt. Toef hier niet langer. “Gij zult niet stelen,” zegt de Heer. Ga!—Rijnveld zoekt zijn kind. Help hem zijne dochter, zoo zij nog leeft, terugvinden. Voorwaar, uw loon zal groot zijn, grooter dan het vergankelijke wat gij hier zoekt.”

De gebiedende toon, waarop Van Bergen gesproken had, maakte een gewenschten indruk. Eenige mannen begaven zich onmiddellijk naar de plaats, waar de hovenier zijne nasporingen voortzette.

“Is de gravin aan het gevaar ontkomen?” vroeg de graaf aan een knaap, die weinige schreden van hem stond.

“Zij is gered uw genade,” antwoordde deze: “doch één oogenblik later, en het ware te laat geweest. Voorzeker moet de gravin uit het venster in de gracht zijn gesprongen. Toen wij op haar noodgeschrei afkwamen, hield zij zich aan den rand der boot boven water. Nu ligt hare genade in de woning van Rijnveld, maar het al te bezien staan of zij den schrik te boven komt.”

Van Bergen stapte van zijn paard, en na het aan de zorg van den knaap te hebben toevertrouwd, begaf hij zich naar de kleine woning van den hovenier. Hier verbeidde hem een nog akeliger tooneel dan hetgeen hij daarbuiten aanschouwd had. Zijn rampzalige stiefmoeder lag in een ijlende koorts op een bos stroo ter neder. Hare oogen waren diep in hunne kassen verscholen, en sluik lagen de natte grijze haren langs haar bleeke kaken. Nauwelijks was Van Bergen het kleine vertrek binnengetreden, of de gravin richtte zich in hare legerstede overeind.

“Ha, zijt gij daar, verrader!” riep zij hem toe: “Gij zijt het, gij alleen die de hel boven mijn hoofd hebt ontstoken. In de vlammen hebt gij mij geworpen. In het water hebt gij mij gestort. Gij hebt gesidderd voor mijne wraak. Ja! zie, gij rilt nog. Gij zijt bevreesd voor mijn toorn.—Vergif zal u doen kwijnen: evenals uw vader. Waar toeft gij, Rosio?” ging zij, strak voor zich uitziende, voort: “Waarom aarzelt gij: Dien toe;—uw middel werkt langzaam maar zeker. Zie, hij kwijnt, zijn einde is nabij.—Hij sterft!—Wraak Van Bergen!—Wraak over u!—Mijn zoon zal leven!—Mijn zoon, mijn Walter.—Ja, Walter, ik ben uwe moeder.—O God! gij gelooft het niet.—Gij verstoot mij omdat gij een bastaard zijt, gij werpt mij van u af?—Gij laat mij aan de vlammen ter prooi—O God! ik brand! Ik verga! Water, water!”

Met onleschbaren dorst dronk de gravin een haar toegereikte kom met water ledig.

Voor een oogenblik scheen haar dit eenige rust te verschaffen, doch zoodra zij den graaf weder ontwaarde, ving zij opnieuw met woorden zonder samenhang aan.

“Ik versta uw blik, Van Bergen! Ja, ik weet wat gij van mij verlangt. Gij wilt úw kind, úw zoon aan mijne macht ontrukken. Gij verbleekt. Het baat u niet. Uw zoon was wel bewaard. In een diepen kerker. Dáár, dáár in uw kasteel.—Wraak voor mijn zoon! Wraak voor de schande mij aangedaan!”

Een koude rilling ging Van Bergen bij het hooren dezer woorden door de leden. Met angstige gejaagdheid had hij elken klank opgevangen. God! zouden deze woorden eenige beteekenis hebben, of slechts door een verhitte verbeelding zijn voortgebracht?

“Vrouw! wat zegt gij?” riep hij met een van aandoening verkropte stem: “Herhaal uwe woorden. Zijt gij bij uwe zinnen? Spreek, wát is er van mijn zoon?”

“Ha! daar staat de fiere graaf!” riep de ijlende vrouw, akelig lachende: “Uw zoon?—Brand! brand! vlammen! vuur! Gij hebt het zelf ontstoken. Hij is bedolven. Dáár onder puin en asch. Daar in dien vuurpoel ligt hij te branden. Hou vast Rosio! laat niet los; neen, hij mag ons niet ontkomen!”

Van Bergen stond als aan den grond genageld. Het was hem niet mogelijk deze verwarde woorden tot een geheel te vormen en op zichzelven toe te passen. Hij doorgrondde het fijne weefsel van menschelijke boosheid niet.

Zijn zoon?—En echter had hij zijn eerstgeborene levenloos aanzijn borst gedrukt. Hij had zijn zoontje zelf naar het stille graf gebracht. En toch, een vreeselijk vermoeden rees er in zijn binnenste op. “Hemel! zou het mogelijk zijn!?” riep hij uit: “Spoed! spoed! misschien bestaat er nog kans op redding!”

Met het vaste voornemen om alles in het werk te stellen ten einde zekerheid te bekomen, snelde hij voort, en had juist de klink der deur gegrepen, toen deze van buiten geopend werd. Eene burrie werd door twee mannen het vertrek binnengedragen. Een jeugdig meisje lag er op. Aan haar voorhoofd gaapte een breede wond, en hare haren waren met bloed bevlekt.

Het was Aafke, Rijnvelds brave dochter, die door vereende krachten aan een brandend graf was ontrukt.

De smart des vaders grensde aan wanhoop.

Die schoone maagd, die dierbare trouwe dochter lag daar verminkt en zieltogend ter neder!

De vader had zijn kind wedergevonden, maar helaas, in een toestand, om het spoedig voor altijd te verliezen.

Van Bergen was door dit roerend tooneel een oogenblik in zijn voornemen gestuit. Met innige deelneming beschouwde hij de smartelijke wonde, en reinigde die eigenhandig zooveel hem dit mogelijk was.

Het ongelukkige meisje slaakte een diepen zucht; even sloeg zij de reeds brekende oogen op, en zag haren liefderijken helper aan. Een lichte blos verspreidde zich over haar gelaat; er scheen iets buitengewoons in haar binnenste om te gaan; zij wilde spreken, doch hare krachten schoten te kort.

“Wat wilt gij, lief kind?” vroeg Van Bergen, die haar in den arm genomen en een weinig overeind had gezet.

Nogmaals wendde het meisje een uiterste poging tot spreken aan. Hare lippen bewogen zich, en schier onhoorbaar lispte zij de woorden: “Hij is gered.... uw zoon.... uit den kerker.... Bewijs.... dáár.... in mijn keurslijf.”

Geen engeltonen hadden den graaf met hemelscher wellust kunnen vervullen, dan die woorden van het stervende meisje. Aan deze sponde der smart ontwaakte een ongekende zaligheid in zijne borst. De mond der boosheid had hem een zoon en diens verderf aangekondigd, de stem der onschuld meldde hem de redding van dat kind, van welks bestaan hij tot heden onbewust was gebleven.

Zou dat kleine stuk papier, ’t welk daar uit haar keursje steekt, inderdaad het bedoelde bewijs bevatten?

Zonder aarzelen trok hij het behoedzaam te voorschijn. Met sidderende hand ontvouwde hij het papier, en las de volgende woorden:

“Edel meisje! Met Gods hulp is het ons gelukt den armen gekerkerde te bevrijden. Daartoe zijt gij, in Gods hand, het middel geweest. Nog weet gij niet wie het was die jaren achtereen in dezen kerker versmachtte. De ongelukkige Adel is niemand anders dan de eenige zoon des graven Van Bergen. Hem hebt gij bevrijd. Leef gelukkig, edel meisje! Smaak de vruchten van uw goede daad,en zoo gij hier beneden daarvoor niet vergolden wordt, dan zal God u in Zijn hoogen hemel ruimschoots vergelden, wat gij aan een zijner ongelukkige schepselen hebt gedaan.

A. S......”

“Ja, God zal u vergelden wat geen sterveling u meer vergelden kan!” sprak Van Bergen met een onbeschrijfbaar gevoel, terwijl hij de gestorven redster van zijn kind, met schier vaderlijke liefde een zoen op het voorhoofd drukte. Ja, bij Hem zult gij het loon voor uw edele daad ontvangen!”

“Laat af! laat af!” riep de gravin Van Bergen met stervende stem: “Weg, weg van mij, gij helsche folteringen! Ik wil niet sterven! Mijn Zoon! mijn Walter!—Mijn Walter!” herhaalde zij, nauwelijks hoorbaar. Nog één snik, nog ééne trekking der zenuwen en zij was niet meer.

In hetzelfde oogenblik verschenen twee onsterfelijke zielen voor den rechterstoel des Allerhoogsten.

De eene was blank en rein, de andere met de zonden dezer wereld besmet.

De eerste ging in ter rechterzijde.

De andere?.... Oordeel niet. God alleen mag oordeelen. De Heer is rechtvaardig—maar genadig.

Zestiende hoofdstuk.De kleine stoet, dien wij in het voorlaatste hoofdstukden Blankertzagen verlaten, naderde hoe langer hoe meer de plaats zijner bestemming.Langs den noordelijken zoom van het Haagsche bosch, waar zich de oude eiken ter rechter- en de naakte duinen ter linkerzijde verhieven, voerde een breed zandspoor naar een eenvoudige pachthoeve.Hier gaf Alonzo het teeken om stand te houden.“De Heilige Maagd zij geloofd!” sprak hij tot Maarten, nadat deze hem behulpzaam was geweest om den ongelukkigen Adel de nederige woning binnen te dragen: “Hier zal de ondeugd haar slachtoffer niet zoeken. Morgen zal zij dit niet meer vermogen; doch tot zóólang is voorzichtigheid noodzakelijk.Ten einde de bevrijding in geenen deele te belemmeren, had Aafke den gekerkerden jongeling, op bevel van haren hoogen bondgenoot—den jongen graaf Spinola—een toereikend slaapmiddel ingegeven. Door de macht van den slaap geketend, wasniets in staat geweest hem aan die banden te ontrukken. In weerwil van de geweldige donderslagen en de vele bezwaren, die zijne ontvoering vergezelden, had hij zijne oogen niet geopend, en, wellicht van zijne beulen droomende, vermoedde hij niet dat God Zijne engelen had gezonden om voor zijn leven te waken; dat een paar goede geesten hem beschermden en hem de vrijheid terug schonken.De hoeve, welke door Alonzo tot nachtverblijf voor den bevrijde was gekozen, behoorde tot de goederen van den graaf Van Bergen en werd bewoond door Maartens grootvader.Met de meeste schroomvalligheid had de oude man het verzoek van zijn kleinzoon toegestaan. Het was hem gansch niet aangenaam de hand te leenen in eene zaak, die hem hoe langer hoe meer verdacht voorkwam.—Wie was de Spaansche vreemdeling, die hem voor zijne herbergzaamheid zoo ruimschoots wilde beloonen? Welk voornemen had deze met den ongelukkige, die daar thans slapende in de bedstee lag? Waarom juist bij hem, in deze afgelegene woning, eene schuilplaats gezocht? Deze en vele dergelijke vragen bestormden en verontrustten den zwakken grijsaard. Hij werd zeer bevreesd, en alles wél overwegende, vermoedde hij in den slapende niets minder dan een Spaanschen prins, die, de hemel wist om welke staatsintriges, in een vreemd land moest worden om hals gebracht.Hij huiverde bij het denkbeeld, dat zijn vreedzame woning het schouwtooneel van een vorstenmoord zou worden, en dat hij zelf, in stede van zijne dagen in rust en kalmte te eindigen, als medeplichtige, een schandelijken dood zou moeten ondergaan.—Wat hun voornemen ook zijn moge, zoo dacht hij: ik zal zorg dragen, dat den jongen vorst op deze hoeve geen leed geschiede. Den nacht zal ik wakend doorbrengen, en morgen, met het krieken van den dag, begeef ik mij naarden Oldenburgh, ten einde den graaf van alles te onderrichten.Inmiddels was Alonzo met Maarten naar buiten gegaan. De lucht, door het onweder gezuiverd, was met de liefelijkste geuren vervuld. Even verruimd en verlucht als de natuur, gevoelde zich ook Alonzo na de wél volbrachte taak.Met het voornemen om zelf naar Den Haag terug te keeren, gaf hij aangaande Adels bewaking nog eenige bevelen aan Maarten, en zich toen tot den grijsaard wendende, die in de halfgeopende huisdeur met achterdochtige blikken de twee samenzweerders of vorstendooders had trachten te beluisteren, zeide hij op minzamen toon: “En gij, oude man, die zoo liefderijk een ongelukkige hebt willen opnemen, het geldelijk loon dat u daarvoor toekomt, zal niet kunnen opwegen tegen de dankbaarheid, die u in veler hart een eerste plaats zal doen bekleeden. Vaarwel! morgen hoop ik u weer te zien.” Na deze woorden wierp Alonzo zich in den zadel, en links het bosch in galoppeerende bereikte hij weldra de stad.Het was den volgenden morgen, weinige minuten nadat wij den graaf Van Bergen naarden Blankertzagen vertrekken, dat eenoud man, ademloos de binnenplaats van het kasteelden Oldenburghbetrad.De oude Burgman was juist bezig de verspreide fazanten, kalkoenen en kippen, met zijn: “Tuk tuk tuk!” tot hun ontbijt bijeen te roepen, terwijl hij tevens naar het geschikte oogenblik zocht om zich van de drie bonte haantjes meester te maken, die bestemd waren hun laatste levensdagen in overdaad door te brengen.“Wel Esser, wat voert u zoo vroeg naar het kasteel?” riep de fungeerende pluimgraaf den nieuwaangekomene toe: “Gij schijnt haast te hebben.—Proe! slokhals! gunt ge dien anderen niets?—Wacht! jaag me die kleine zwartkuif eens even hier op aan.—Kip ik heb je!” riep Burgman, terwijl hij het kakelend diertje dat, voor Essers opgeheven stok verschrikt, zijn waar verderf was te gemoet gesneld, in een overdekte mand plaatste: “Ziezoo; gij komt alsof gij geroepen waart. Hoe gaat het in ’t duin?—Proe! proe! die grijze is een vlugge rakkert.—Houdt tegen! houdt tegen!—Mis baas! je dacht me te ontsnappen. Nou stil maar, je zult goede dagen hebben; daar, zwartje! daar heb je een kameraad!” en de tweede gevangene gleed bij de eerste in de overdekte mand.“Maar Burgman,” ving Esser aan, die de vroege wandeling niet had ondernomen om den ouden dienaar in het haantjesvangen behulpzaam te zijn: “ik moet den graaf spreken. Is zijn genade al bij de hand? Ik bid u, ga hem terstond om een oogenblik onderhoud verzoeken. Het is van groot belang. Ik kan mijn tijd niet verbeuzelen.”“Ja, indien gij den graaf moet spreken dan hadt gij maar vroeger moeten opstaan,” antwoordde Burgman verstoord, dewijl Esser het haantjesvangen “zijn tijd te verbeuzelen” had genoemd: “De graaf is reeds lang vertrokken, maar indien gij zoo iets belangrijks hebt mee te deelen,—daar komt de freule, die u misschien te woord zal willen staan.”Esser trad met den hoed in de hand op Adelgonde toe, terwijl de gekrenkte Burgman met een langzaam vleiend: “Kip!—kip!—kip!” zijn derde slachtoffer zocht meester te worden, dat hij ook weldra bij de anderen in de mand liet glijden, om ze vervolgens naar de mestkooi te brengen.“Hetgeen gij mij daar zegt is zeer vreemd,” zeide Adelgonde, die aandachtig naar den oude geluisterd had: “Ik ben niet bevoegd om u in dezen raad te geven, doch naar het mij toeschijnt, zal uw kleinzoon zijn grijzen grootvader toch niet aan gevaren blootstellen. Maarten is mij bekend, hij is oppassend en braaf. Gij zult toch niet veronderstellen dat hij zich, om geldelijk voordeel, in eene zaak zou mengen, die gij zoo zwart hebt afgeteekend?”De oude man schudde het hoofd. “Hij is zoo gesloten als een pot, genadige freule!” hernam hij. “Hoe dikwerf heb ik hem niet gevraagd, wie en wat dan eigenlijk die jongeling was.—Grootvader, was steeds zijn bescheid: een ongelukkige dien wij aan de handen zijner beulen hebben ontrukt, en dien gij, herbergzaamheid schenkende, een grooten dienst bewijst. Zie, genadige freule, “aan de handen zijner beulen ontrukt” dat klinkt verdacht. Waarom dennaam verzwegen? Wat mij betreft, ik ben van mijne jeugd af aan steeds rond voor mijne zaken uitgekomen, ik heb nimmer iets verzwegen; neen, een goede zaak schuwt het daglicht niet.”—Deze, in de meeste opzichten voortreffelijke hoedanigheid van dien grijsaard, heeft zeker voor Maarten de stilzwijgendheid noodzakelijk gemaakt, dacht Adelgonde. “Intusschen, oude man,” vervolgde zij tot Esser: “zal ik den graaf bij zijne terugkomst dadelijk met de zaak bekend maken. Verontrust u niet; reken op de deugd van uw kleinzoon. Ga u eerst in de keuken wat ververschen, en keer dan welgemoed naar uwe hoeve terug.”Esser schudde nogmaals het hoofd.—Zoo stapt de zorglooze jeugd met luchtigen tred over de gewichtigste zaken heen! dacht hij: “De ondervinding leert ons voorzichtigheid,” zeide hij luid: “en al heb ik mij ditmaal door de schoonklinkende woorden van Maarten laten in slaap wiegen, mijne oogen zijn nu geopend, en voorzeker zal de genadige graaf, door een tijdige overkomst, een vorstenzoon van den dood redden, diens moordenaars aan het gerecht in handen leveren, en mijn grijze kruin voor schande en ellende behoeden. De hemel beware u, genadige freule! thans keer ik onmiddellijk naar ’t duin terug. In mijne afwezigheid heeft niemand kunnen ontsnappen. Het vertrek waar de prins ligt, is geheel afgesloten. Met ongeduld zal ik de komst van den genadigen graaf te gemoet zien. God zij met u!”Na deze woorden boog zich de oude man, en verliet de binnenplaats zoo snel als zijn wankelende tred zulks toeliet, om den terugtocht naar zijne woning aan te nemen.Adelgonde, nu aan zich zelve overgelaten, zette hare morgenwandeling voort. Het was dien dag juist vier maanden geleden dat zij den edelen Spanjaard voor het eerst had gezien. Hoe veel was er in dien korten tijd, ook voor haar, veranderd!—O, dacht zij, terwijl een traan bij haar opwelde: hoe ras zijn die schoone dagen van vreugde en zorgeloosheid vervlogen! Hoe trotsch was ik, mij eene dochter van dien alom beminden en goeden graaf te kunnen noemen. Met welk een onuitsprekelijke, ja, meer dan kinderlijke liefde hing ik hem aan; en hij—hij noemde mij zijn lieve dochter. Helaas! ik was zijne dochter niet. En thans—dezelfde liefde blijft hij mij bewijzen! voortdurend noemt hij mij zijn lieve kind; maar ach! hoe schoon, hoe liefelijk mij voorheen die naam ook in de ooren klonk, thans rijt zij gruwzaam de mij toegebrachte diepe wond telkens weer open.—En gij Alonzo, o waarom drong de liefde voor u mijn harte binnen? waarom moest die wensch om u te bezitten, voor mij de dierbaarste worden? waarom heb ik u bemind, daar ik u nimmer kon toebehooren!?Het schoone doch ongelukkige meisje slaakte een diepen zucht. Doch, een nieuwe gedachte rees bij haar op: Wellicht leefden haar arme ouders nog!—Moest het hun tot eene misdaad worden gerekend, dat zij hun kind hadden afgestaan om het in ruimer omstandigheden te doen opvoeden? Gewis, zij hadden uit liefde voor dat kind zich die opoffering getroost.—Ach, niets kwamAdelgonde nu wenschelijker voor, dan in den stand harer ouders terug te keeren, hopende bij hen de rust voor haar gemoed te zullen wedervinden. Voorzeker, haar waardige pleegvader zou haar in dit besluit geenszins hinderlijk willen zijn. Hij zag het immers, hoe zij, na het vernemen dier treurige waarheid, hare dagen in droefheid had doorgebracht; hoe zij niet meer dartel liefkoozend, maar schuchter zijne goedheden had beantwoord; hij zag het immers, hoe zij steeds alle bezoeken zocht te ontvlieden; hoe zij schroomvallig de oogen nedersloeg wanneer een dienstbode haar met eerbied naderde, en hoe dikwerf een donker rood hare wangen kleurde wanneer een adellijk bezoeker, al schertsend, den mindere in zijne handelingen bespottelijk zocht voor te stellen.—Neen! besloot het teergevoelige meisje: neen, het is niet mogelijk mij langer achter een valsch masker te verbergen. Ik kan, ik mag niet langer schijnen wat ik niet ben; eenmaal toch zal de wereld mijne afkomst vernemen: waar zal ik dan vluchten om hare verachting te ontgaan! waar zal ik schuilen om haar smadende blikken te ontvlieden!?”Aan een zodenbank gekomen, nam zij plaats, en staarde met bekretene oogen voor zich neder. Weldra trof een zeer bekende stem hare ooren.“Alweer in tranen liefste Gonne?” riep Van Bergen zijne pleegdochter toe: “ik had zoo innig gehoopt een vroolijk lachje als welkomst te zullen ontvangen.—Hier, Burgman, neem mij Wakker eens mede: het goede dier is doornat en verlangt naar een welgevulde ruif.”Nadat Burgman den hinnikenden bruin met zich had genomen, nam Van Bergen naast Adelgonde plaats.Den, in de oefenschool der ondervinding volleerden,man was het niet aan te zien dat hem dien morgen reeds zoo vele aandoeningen hadden bestormd. Wel had zijn vaderhart hoorbaar geklopt; wel was een vluchtige schim van hoop hem voorbij gesneld, doch hij waagde het niet die hemelplant in zijn binnenste te doen wortelen: Wat toch was zijn leven anders geweest dan een aaneenschakeling van teleurstellingen! Dikwerf was de zon helder voor zijne oogen verrezen, doch maar al te dikwerf ook was zij spoedig weder achter donkere wolken schuilgegaan.Met eenige omzichtigheid verhaalde nu de graaf zijne ontmoetingen van dien morgen: hoe zijn rampzalige stiefmoeder was gestorven, en hoe hem toevallig was ter oore gekomen, dat een knaap, jaren lang door die ontaarde vrouw gekerkerd, weinige oogenblikken vóór den schrikkelijken brand, door een reddende hand was verlost.Bij deze laatste woorden schoot Adelgonde de geschiedenis van den ouden Esser te binnen; met weinige woorden deelde zij haren pleegvader den inhoud van Essers verhaal en diens angstige bezorgdheid mede; besluitende met haar natuurlijk vermoeden: dat de gewaande prins niemand anders dan de geredde knaap zou zijn.—Nauwelijks had Adelgonde geëindigd, of zij bespeurde ophet gelaat des graven eene voor haar onbegrijpelijke uitdrukking van verrukking. Zijne oogen waren naar boven gericht; het was alsof een stroom van innige dankbaarheid zijn halfgeopenden mond ontvlood, alsof een hemelbode hem de zekerheid des eeuwigen levens had aangekondigd.Vragend zag Adelgonde haren pleegvader aan. Hij echter waagde het niet zijne blijdschap in woorden lucht te geven; doch eindelijk de hand van Adelgonde vattende, drukte hij die aan zijn hart en riep: “O Gonne! liefste Gonne! wat er ook verandere, vergeet nooit dat ik u als een vader bemin.”Na deze woorden rees bij Adelgonde een flauw vermoeden der waarheid.—Zwijgend zag zij voor zich neder; zwijgend nam zij den aangeboden arm van haren pleegvader; zwijgend trad zij met hem de groote poort van het kasteel binnen, en begaf zich, in diepe gedachten verzonken, naar hare kamer.“Reeds een geruimen tijd heb ik op uwe terugkomst gewacht lieve freule!” zeide Adelgondes kamenier, die hare gebiedster op den drempel te gemoet trad: “Zooeven heeft een boerenknaapje mij dit briefje voor u overhandigd. Het opschrift komt mij eenigszins bekend voor, en ik twijfel niet of het zal u aangenaam zijn.”“Het is wél, Anne, doch laat mij nu alleen,” zeide Adelgonde, en de deur van binnen gesloten hebbende, las zij Alonzo’s brief, wiens zonderlinge inhoud haar voorhoofd deed gloeien, haar boezem jagen, en haar gemoed aan honderden aandoeningen ter prooi gaf.Van Bergen had zich insgelijks naar zijne kamer begeven. Dáár gekomen, was het hem een behoefte zich dankende voor de voeten van zijn God neder te werpen. O, hoe duidelijk ontwaarde hij in den samenloop der omstandigheden, den leidenden vinger Gods. Hoe treffend was het, dat de achterdocht eens grijsaards hem reeds zoo spoedig de plaats moest wijzen waar hij den zoon uit de handen zijner bevrijders kon terug erlangen: “O God, sterk mij wanneer ik mijn ongelukkig kind zal wederzien,” bad hij eindelijk: “Geef Gij mij kracht, want zóó—zóó heeft een vader nog nooit zijn kind teruggevonden.”Langzaam rees hij op; gaf bevel om terstond zijn paard te zadelen; besteeg het weinige oogenblikken later, en het dier in den stap dwingende, sloeg hij den weg in, die hem naar de woning van Esser zou voeren.Reeds had de zon de grootste helft van haar dagelijkschen loop volbracht, toen Alonzo, uit Den Haag in de hoeve aan het duin terugkeerde.De bezorgde oude zat voor Adels legerstede, en had niet gedoogd dat Maarten hem uit zijn—nog steeds voortdurenden slaap opwekte. Alonzo, die geenszins had bevroed welke ongerijmde vermoedens de grijsaard koesterde, schudde hem trouwhartig de hand. “Gij zijt een zorgvuldig wachter!” zeide hij vriendelijk: “Uw kleinzoon heeft uw goedheid niet ijdel geroemd. Zet nog een oogenblik uw waakzaamheid voort. Plaats u voor den ingang uwer woning,en zorg dat niemand er binnen treedt terwijl wij den slapende wekken, hem van zijne onreinheid zuiveren en een voegzamer kleeding zullen aantrekken.”Esser scheen besluiteloos. Des vreemdelings open oog en minzame toon hadden wel voor een oogenblik de stem der achterdocht in zijn binnenste doen zwijgen, doch zijne vrees voor moord of mishandeling was nog geenszins verdwenen. Wat stond hem, zwakken grijsaard, te doen? hij toch kon zich niet tegen twee krachtvolle mannen verzetten.—Welaan! sprak hij tot zich zelven: ik zal mij voor den ingang mijner woning plaatsen; van dáár zal ik door het venster de verrichtingen daar binnen kunnen gadeslaan; bij de minste beweging, die mij verdacht voorkomt, zal ik om hulp kunnen roepen. God moge den ongelukkige beschermen, en, zoo het noodig moest zijn, tijdige hulp doen opdagen.Nog steeds hield de graaf Van Bergen zijn vurig ros in den stap. Met bedaardheid wilde hij het gewichtige oogenblik te gemoet gaan. Nu eens had hij, om zijn geest tot kalmte te stemmen, een danken smeekgebed tot God opgezonden, dan weder had hij de natuur in hare duizendvoudige schoonheid gadegeslagen.De weg dien hij volgde, doorsneed, van den Bezuidenhoutschen weg, het schoone Haagsche bosch in een schuine richting. Reeds was hij het einde van zijn tocht nabij, reeds zag hij door de uiterste stammen aan de noordzijde de zilveren duinen blinken, en ontwaarde hij zijn hoeve, welke door den ouden Esser bewoond werd.Nog slechts weinige schreden was hij van de woning verwijderd toen de oude pachter zijn heer ontdekte.“Goddank, genadige graaf!” riep hij in verrukking uit: “Goddank dat gij gekomen zijt, want zij staan gereed met hem te vertrekken, en zonder dat ik zulks verhinderen kon. O, nu zal de boosheid verijdeld worden! Voor uw paard zal ik zorg dragen genadige heer,” vervolgde hij, terwijl hij den graaf in het afstijgen behulpzaam was: “O, uwe komst geeft mij waarlijk het leven terug!” en den graaf op die plaats achterlatende, verwijderde hij zich met den klepper ten einde hem in de achterwoning op stal te zetten.Daar stond nu Van Bergen: slechts weinige schreden nog en hij zou, indien God het wilde, zijn kind in de armen drukken. Was het dan werkelijk geen heerlijke droom die zijne zinnen verrukte? Met beide handen bedekte hij het voorhoofd als zocht hij allen schijn te verbannen, en, toen hij nu, met helderen blik voor zich uitziende, den tempel zijns heils wilde binnentreden, toen ontvlood een kreet van tienvoudige aandoening zijne borst, zoodat hij onwillekeurig gedrongen werd eenige schreden achterwaarts te doen.Wij vermogen niet de waarde van het oogenblik te schetsen, toen de verrukte Adel, door zijn beide redders ondersteund, de kleine woning verlatende, voor de eerste maal Gods heerlijke schepping binnentrad.Welk sterveling is er die zich de hemelsche gelukzaligheid nieteens op deze of gene zinnelijke wijze heeft voorgesteld? Die niet het hemelsche paradijs heeft meenen te aanschouwen, zoo schoon, zoo heerlijk in tegenstelling met dit aardsche tranendal?Zoo ook had Adel in zijn droevig kerkerhol van den hemel hooren spreken. Ook hij had zich een gelukkige wereld daarbuiten voorgesteld; ook hij had, door zijn liefderijke verzorgster, een God, een Verlosser leeren aanroepen; ook hij was met de heerlijkheid van een eeuwig leven bekend geworden.En nu—uit een diepen slaap ontwaakt,—uit nacht en banden verlost, gereinigd,—in een schoone kleeding,—als met een nieuw lichaam begiftigd,—door zijn bevrijder en diens dienaar ondersteund,—zóó die heerlijke schepping aanschouwende, wat was natuurlijker dan dat de langgemartelde jongeling waande Gods hoogen hemel zelven binnen te gaan.En Van Bergen—roerloos en als aan den grond genageld stond hij daar. Hij kon niet spreken. Dat bleeke, dat uitgeteerde gelaat! Ja!—ja! het waren de trekken van zijn dierbare, zijn zalige Clarisse; nu kon hij veilig de waarheid vertrouwen, en met een van aandoening schier angstverwekkende stem riep hij: “Mijn zoon, mijn kind, hier is uw vader!”Bij deze ontboezeming voer den zwakken knaap eene rilling door de leden.“Gij—God!—mijn hemelsche Vader!?” zeide hij op doffen toon, terwijl hij den sierlijk gekleeden man met angstige oogen beschouwde; en terstond indachtig aan het hem door Aafke geleerde gebed, vervolgde hij: “Wil mij verlossen goede God! Amen!”Van Bergen sprak niet; met grenzenlooze blijdschap drukte hij zijn kind aan het hart; de tolken der dankbaarheid vloeiden hem langs de kaken, en den blik naar Alonzo wendende, verstond deze daaruit alles—wat het overkropte gemoed van dien vader niet in woorden kon brengen.

De kleine stoet, dien wij in het voorlaatste hoofdstukden Blankertzagen verlaten, naderde hoe langer hoe meer de plaats zijner bestemming.

Langs den noordelijken zoom van het Haagsche bosch, waar zich de oude eiken ter rechter- en de naakte duinen ter linkerzijde verhieven, voerde een breed zandspoor naar een eenvoudige pachthoeve.

Hier gaf Alonzo het teeken om stand te houden.

“De Heilige Maagd zij geloofd!” sprak hij tot Maarten, nadat deze hem behulpzaam was geweest om den ongelukkigen Adel de nederige woning binnen te dragen: “Hier zal de ondeugd haar slachtoffer niet zoeken. Morgen zal zij dit niet meer vermogen; doch tot zóólang is voorzichtigheid noodzakelijk.

Ten einde de bevrijding in geenen deele te belemmeren, had Aafke den gekerkerden jongeling, op bevel van haren hoogen bondgenoot—den jongen graaf Spinola—een toereikend slaapmiddel ingegeven. Door de macht van den slaap geketend, wasniets in staat geweest hem aan die banden te ontrukken. In weerwil van de geweldige donderslagen en de vele bezwaren, die zijne ontvoering vergezelden, had hij zijne oogen niet geopend, en, wellicht van zijne beulen droomende, vermoedde hij niet dat God Zijne engelen had gezonden om voor zijn leven te waken; dat een paar goede geesten hem beschermden en hem de vrijheid terug schonken.

De hoeve, welke door Alonzo tot nachtverblijf voor den bevrijde was gekozen, behoorde tot de goederen van den graaf Van Bergen en werd bewoond door Maartens grootvader.

Met de meeste schroomvalligheid had de oude man het verzoek van zijn kleinzoon toegestaan. Het was hem gansch niet aangenaam de hand te leenen in eene zaak, die hem hoe langer hoe meer verdacht voorkwam.

—Wie was de Spaansche vreemdeling, die hem voor zijne herbergzaamheid zoo ruimschoots wilde beloonen? Welk voornemen had deze met den ongelukkige, die daar thans slapende in de bedstee lag? Waarom juist bij hem, in deze afgelegene woning, eene schuilplaats gezocht? Deze en vele dergelijke vragen bestormden en verontrustten den zwakken grijsaard. Hij werd zeer bevreesd, en alles wél overwegende, vermoedde hij in den slapende niets minder dan een Spaanschen prins, die, de hemel wist om welke staatsintriges, in een vreemd land moest worden om hals gebracht.

Hij huiverde bij het denkbeeld, dat zijn vreedzame woning het schouwtooneel van een vorstenmoord zou worden, en dat hij zelf, in stede van zijne dagen in rust en kalmte te eindigen, als medeplichtige, een schandelijken dood zou moeten ondergaan.

—Wat hun voornemen ook zijn moge, zoo dacht hij: ik zal zorg dragen, dat den jongen vorst op deze hoeve geen leed geschiede. Den nacht zal ik wakend doorbrengen, en morgen, met het krieken van den dag, begeef ik mij naarden Oldenburgh, ten einde den graaf van alles te onderrichten.

Inmiddels was Alonzo met Maarten naar buiten gegaan. De lucht, door het onweder gezuiverd, was met de liefelijkste geuren vervuld. Even verruimd en verlucht als de natuur, gevoelde zich ook Alonzo na de wél volbrachte taak.

Met het voornemen om zelf naar Den Haag terug te keeren, gaf hij aangaande Adels bewaking nog eenige bevelen aan Maarten, en zich toen tot den grijsaard wendende, die in de halfgeopende huisdeur met achterdochtige blikken de twee samenzweerders of vorstendooders had trachten te beluisteren, zeide hij op minzamen toon: “En gij, oude man, die zoo liefderijk een ongelukkige hebt willen opnemen, het geldelijk loon dat u daarvoor toekomt, zal niet kunnen opwegen tegen de dankbaarheid, die u in veler hart een eerste plaats zal doen bekleeden. Vaarwel! morgen hoop ik u weer te zien.” Na deze woorden wierp Alonzo zich in den zadel, en links het bosch in galoppeerende bereikte hij weldra de stad.

Het was den volgenden morgen, weinige minuten nadat wij den graaf Van Bergen naarden Blankertzagen vertrekken, dat eenoud man, ademloos de binnenplaats van het kasteelden Oldenburghbetrad.

De oude Burgman was juist bezig de verspreide fazanten, kalkoenen en kippen, met zijn: “Tuk tuk tuk!” tot hun ontbijt bijeen te roepen, terwijl hij tevens naar het geschikte oogenblik zocht om zich van de drie bonte haantjes meester te maken, die bestemd waren hun laatste levensdagen in overdaad door te brengen.

“Wel Esser, wat voert u zoo vroeg naar het kasteel?” riep de fungeerende pluimgraaf den nieuwaangekomene toe: “Gij schijnt haast te hebben.—Proe! slokhals! gunt ge dien anderen niets?—Wacht! jaag me die kleine zwartkuif eens even hier op aan.—Kip ik heb je!” riep Burgman, terwijl hij het kakelend diertje dat, voor Essers opgeheven stok verschrikt, zijn waar verderf was te gemoet gesneld, in een overdekte mand plaatste: “Ziezoo; gij komt alsof gij geroepen waart. Hoe gaat het in ’t duin?—Proe! proe! die grijze is een vlugge rakkert.—Houdt tegen! houdt tegen!—Mis baas! je dacht me te ontsnappen. Nou stil maar, je zult goede dagen hebben; daar, zwartje! daar heb je een kameraad!” en de tweede gevangene gleed bij de eerste in de overdekte mand.

“Maar Burgman,” ving Esser aan, die de vroege wandeling niet had ondernomen om den ouden dienaar in het haantjesvangen behulpzaam te zijn: “ik moet den graaf spreken. Is zijn genade al bij de hand? Ik bid u, ga hem terstond om een oogenblik onderhoud verzoeken. Het is van groot belang. Ik kan mijn tijd niet verbeuzelen.”

“Ja, indien gij den graaf moet spreken dan hadt gij maar vroeger moeten opstaan,” antwoordde Burgman verstoord, dewijl Esser het haantjesvangen “zijn tijd te verbeuzelen” had genoemd: “De graaf is reeds lang vertrokken, maar indien gij zoo iets belangrijks hebt mee te deelen,—daar komt de freule, die u misschien te woord zal willen staan.”

Esser trad met den hoed in de hand op Adelgonde toe, terwijl de gekrenkte Burgman met een langzaam vleiend: “Kip!—kip!—kip!” zijn derde slachtoffer zocht meester te worden, dat hij ook weldra bij de anderen in de mand liet glijden, om ze vervolgens naar de mestkooi te brengen.

“Hetgeen gij mij daar zegt is zeer vreemd,” zeide Adelgonde, die aandachtig naar den oude geluisterd had: “Ik ben niet bevoegd om u in dezen raad te geven, doch naar het mij toeschijnt, zal uw kleinzoon zijn grijzen grootvader toch niet aan gevaren blootstellen. Maarten is mij bekend, hij is oppassend en braaf. Gij zult toch niet veronderstellen dat hij zich, om geldelijk voordeel, in eene zaak zou mengen, die gij zoo zwart hebt afgeteekend?”

De oude man schudde het hoofd. “Hij is zoo gesloten als een pot, genadige freule!” hernam hij. “Hoe dikwerf heb ik hem niet gevraagd, wie en wat dan eigenlijk die jongeling was.—Grootvader, was steeds zijn bescheid: een ongelukkige dien wij aan de handen zijner beulen hebben ontrukt, en dien gij, herbergzaamheid schenkende, een grooten dienst bewijst. Zie, genadige freule, “aan de handen zijner beulen ontrukt” dat klinkt verdacht. Waarom dennaam verzwegen? Wat mij betreft, ik ben van mijne jeugd af aan steeds rond voor mijne zaken uitgekomen, ik heb nimmer iets verzwegen; neen, een goede zaak schuwt het daglicht niet.”

—Deze, in de meeste opzichten voortreffelijke hoedanigheid van dien grijsaard, heeft zeker voor Maarten de stilzwijgendheid noodzakelijk gemaakt, dacht Adelgonde. “Intusschen, oude man,” vervolgde zij tot Esser: “zal ik den graaf bij zijne terugkomst dadelijk met de zaak bekend maken. Verontrust u niet; reken op de deugd van uw kleinzoon. Ga u eerst in de keuken wat ververschen, en keer dan welgemoed naar uwe hoeve terug.”

Esser schudde nogmaals het hoofd.—Zoo stapt de zorglooze jeugd met luchtigen tred over de gewichtigste zaken heen! dacht hij: “De ondervinding leert ons voorzichtigheid,” zeide hij luid: “en al heb ik mij ditmaal door de schoonklinkende woorden van Maarten laten in slaap wiegen, mijne oogen zijn nu geopend, en voorzeker zal de genadige graaf, door een tijdige overkomst, een vorstenzoon van den dood redden, diens moordenaars aan het gerecht in handen leveren, en mijn grijze kruin voor schande en ellende behoeden. De hemel beware u, genadige freule! thans keer ik onmiddellijk naar ’t duin terug. In mijne afwezigheid heeft niemand kunnen ontsnappen. Het vertrek waar de prins ligt, is geheel afgesloten. Met ongeduld zal ik de komst van den genadigen graaf te gemoet zien. God zij met u!”

Na deze woorden boog zich de oude man, en verliet de binnenplaats zoo snel als zijn wankelende tred zulks toeliet, om den terugtocht naar zijne woning aan te nemen.

Adelgonde, nu aan zich zelve overgelaten, zette hare morgenwandeling voort. Het was dien dag juist vier maanden geleden dat zij den edelen Spanjaard voor het eerst had gezien. Hoe veel was er in dien korten tijd, ook voor haar, veranderd!—O, dacht zij, terwijl een traan bij haar opwelde: hoe ras zijn die schoone dagen van vreugde en zorgeloosheid vervlogen! Hoe trotsch was ik, mij eene dochter van dien alom beminden en goeden graaf te kunnen noemen. Met welk een onuitsprekelijke, ja, meer dan kinderlijke liefde hing ik hem aan; en hij—hij noemde mij zijn lieve dochter. Helaas! ik was zijne dochter niet. En thans—dezelfde liefde blijft hij mij bewijzen! voortdurend noemt hij mij zijn lieve kind; maar ach! hoe schoon, hoe liefelijk mij voorheen die naam ook in de ooren klonk, thans rijt zij gruwzaam de mij toegebrachte diepe wond telkens weer open.—En gij Alonzo, o waarom drong de liefde voor u mijn harte binnen? waarom moest die wensch om u te bezitten, voor mij de dierbaarste worden? waarom heb ik u bemind, daar ik u nimmer kon toebehooren!?

Het schoone doch ongelukkige meisje slaakte een diepen zucht. Doch, een nieuwe gedachte rees bij haar op: Wellicht leefden haar arme ouders nog!—Moest het hun tot eene misdaad worden gerekend, dat zij hun kind hadden afgestaan om het in ruimer omstandigheden te doen opvoeden? Gewis, zij hadden uit liefde voor dat kind zich die opoffering getroost.—Ach, niets kwamAdelgonde nu wenschelijker voor, dan in den stand harer ouders terug te keeren, hopende bij hen de rust voor haar gemoed te zullen wedervinden. Voorzeker, haar waardige pleegvader zou haar in dit besluit geenszins hinderlijk willen zijn. Hij zag het immers, hoe zij, na het vernemen dier treurige waarheid, hare dagen in droefheid had doorgebracht; hoe zij niet meer dartel liefkoozend, maar schuchter zijne goedheden had beantwoord; hij zag het immers, hoe zij steeds alle bezoeken zocht te ontvlieden; hoe zij schroomvallig de oogen nedersloeg wanneer een dienstbode haar met eerbied naderde, en hoe dikwerf een donker rood hare wangen kleurde wanneer een adellijk bezoeker, al schertsend, den mindere in zijne handelingen bespottelijk zocht voor te stellen.

—Neen! besloot het teergevoelige meisje: neen, het is niet mogelijk mij langer achter een valsch masker te verbergen. Ik kan, ik mag niet langer schijnen wat ik niet ben; eenmaal toch zal de wereld mijne afkomst vernemen: waar zal ik dan vluchten om hare verachting te ontgaan! waar zal ik schuilen om haar smadende blikken te ontvlieden!?”

Aan een zodenbank gekomen, nam zij plaats, en staarde met bekretene oogen voor zich neder. Weldra trof een zeer bekende stem hare ooren.

“Alweer in tranen liefste Gonne?” riep Van Bergen zijne pleegdochter toe: “ik had zoo innig gehoopt een vroolijk lachje als welkomst te zullen ontvangen.—Hier, Burgman, neem mij Wakker eens mede: het goede dier is doornat en verlangt naar een welgevulde ruif.”

Nadat Burgman den hinnikenden bruin met zich had genomen, nam Van Bergen naast Adelgonde plaats.

Den, in de oefenschool der ondervinding volleerden,man was het niet aan te zien dat hem dien morgen reeds zoo vele aandoeningen hadden bestormd. Wel had zijn vaderhart hoorbaar geklopt; wel was een vluchtige schim van hoop hem voorbij gesneld, doch hij waagde het niet die hemelplant in zijn binnenste te doen wortelen: Wat toch was zijn leven anders geweest dan een aaneenschakeling van teleurstellingen! Dikwerf was de zon helder voor zijne oogen verrezen, doch maar al te dikwerf ook was zij spoedig weder achter donkere wolken schuilgegaan.

Met eenige omzichtigheid verhaalde nu de graaf zijne ontmoetingen van dien morgen: hoe zijn rampzalige stiefmoeder was gestorven, en hoe hem toevallig was ter oore gekomen, dat een knaap, jaren lang door die ontaarde vrouw gekerkerd, weinige oogenblikken vóór den schrikkelijken brand, door een reddende hand was verlost.

Bij deze laatste woorden schoot Adelgonde de geschiedenis van den ouden Esser te binnen; met weinige woorden deelde zij haren pleegvader den inhoud van Essers verhaal en diens angstige bezorgdheid mede; besluitende met haar natuurlijk vermoeden: dat de gewaande prins niemand anders dan de geredde knaap zou zijn.—Nauwelijks had Adelgonde geëindigd, of zij bespeurde ophet gelaat des graven eene voor haar onbegrijpelijke uitdrukking van verrukking. Zijne oogen waren naar boven gericht; het was alsof een stroom van innige dankbaarheid zijn halfgeopenden mond ontvlood, alsof een hemelbode hem de zekerheid des eeuwigen levens had aangekondigd.

Vragend zag Adelgonde haren pleegvader aan. Hij echter waagde het niet zijne blijdschap in woorden lucht te geven; doch eindelijk de hand van Adelgonde vattende, drukte hij die aan zijn hart en riep: “O Gonne! liefste Gonne! wat er ook verandere, vergeet nooit dat ik u als een vader bemin.”

Na deze woorden rees bij Adelgonde een flauw vermoeden der waarheid.—Zwijgend zag zij voor zich neder; zwijgend nam zij den aangeboden arm van haren pleegvader; zwijgend trad zij met hem de groote poort van het kasteel binnen, en begaf zich, in diepe gedachten verzonken, naar hare kamer.

“Reeds een geruimen tijd heb ik op uwe terugkomst gewacht lieve freule!” zeide Adelgondes kamenier, die hare gebiedster op den drempel te gemoet trad: “Zooeven heeft een boerenknaapje mij dit briefje voor u overhandigd. Het opschrift komt mij eenigszins bekend voor, en ik twijfel niet of het zal u aangenaam zijn.”

“Het is wél, Anne, doch laat mij nu alleen,” zeide Adelgonde, en de deur van binnen gesloten hebbende, las zij Alonzo’s brief, wiens zonderlinge inhoud haar voorhoofd deed gloeien, haar boezem jagen, en haar gemoed aan honderden aandoeningen ter prooi gaf.

Van Bergen had zich insgelijks naar zijne kamer begeven. Dáár gekomen, was het hem een behoefte zich dankende voor de voeten van zijn God neder te werpen. O, hoe duidelijk ontwaarde hij in den samenloop der omstandigheden, den leidenden vinger Gods. Hoe treffend was het, dat de achterdocht eens grijsaards hem reeds zoo spoedig de plaats moest wijzen waar hij den zoon uit de handen zijner bevrijders kon terug erlangen: “O God, sterk mij wanneer ik mijn ongelukkig kind zal wederzien,” bad hij eindelijk: “Geef Gij mij kracht, want zóó—zóó heeft een vader nog nooit zijn kind teruggevonden.”

Langzaam rees hij op; gaf bevel om terstond zijn paard te zadelen; besteeg het weinige oogenblikken later, en het dier in den stap dwingende, sloeg hij den weg in, die hem naar de woning van Esser zou voeren.

Reeds had de zon de grootste helft van haar dagelijkschen loop volbracht, toen Alonzo, uit Den Haag in de hoeve aan het duin terugkeerde.

De bezorgde oude zat voor Adels legerstede, en had niet gedoogd dat Maarten hem uit zijn—nog steeds voortdurenden slaap opwekte. Alonzo, die geenszins had bevroed welke ongerijmde vermoedens de grijsaard koesterde, schudde hem trouwhartig de hand. “Gij zijt een zorgvuldig wachter!” zeide hij vriendelijk: “Uw kleinzoon heeft uw goedheid niet ijdel geroemd. Zet nog een oogenblik uw waakzaamheid voort. Plaats u voor den ingang uwer woning,en zorg dat niemand er binnen treedt terwijl wij den slapende wekken, hem van zijne onreinheid zuiveren en een voegzamer kleeding zullen aantrekken.”

Esser scheen besluiteloos. Des vreemdelings open oog en minzame toon hadden wel voor een oogenblik de stem der achterdocht in zijn binnenste doen zwijgen, doch zijne vrees voor moord of mishandeling was nog geenszins verdwenen. Wat stond hem, zwakken grijsaard, te doen? hij toch kon zich niet tegen twee krachtvolle mannen verzetten.—Welaan! sprak hij tot zich zelven: ik zal mij voor den ingang mijner woning plaatsen; van dáár zal ik door het venster de verrichtingen daar binnen kunnen gadeslaan; bij de minste beweging, die mij verdacht voorkomt, zal ik om hulp kunnen roepen. God moge den ongelukkige beschermen, en, zoo het noodig moest zijn, tijdige hulp doen opdagen.

Nog steeds hield de graaf Van Bergen zijn vurig ros in den stap. Met bedaardheid wilde hij het gewichtige oogenblik te gemoet gaan. Nu eens had hij, om zijn geest tot kalmte te stemmen, een danken smeekgebed tot God opgezonden, dan weder had hij de natuur in hare duizendvoudige schoonheid gadegeslagen.

De weg dien hij volgde, doorsneed, van den Bezuidenhoutschen weg, het schoone Haagsche bosch in een schuine richting. Reeds was hij het einde van zijn tocht nabij, reeds zag hij door de uiterste stammen aan de noordzijde de zilveren duinen blinken, en ontwaarde hij zijn hoeve, welke door den ouden Esser bewoond werd.

Nog slechts weinige schreden was hij van de woning verwijderd toen de oude pachter zijn heer ontdekte.

“Goddank, genadige graaf!” riep hij in verrukking uit: “Goddank dat gij gekomen zijt, want zij staan gereed met hem te vertrekken, en zonder dat ik zulks verhinderen kon. O, nu zal de boosheid verijdeld worden! Voor uw paard zal ik zorg dragen genadige heer,” vervolgde hij, terwijl hij den graaf in het afstijgen behulpzaam was: “O, uwe komst geeft mij waarlijk het leven terug!” en den graaf op die plaats achterlatende, verwijderde hij zich met den klepper ten einde hem in de achterwoning op stal te zetten.

Daar stond nu Van Bergen: slechts weinige schreden nog en hij zou, indien God het wilde, zijn kind in de armen drukken. Was het dan werkelijk geen heerlijke droom die zijne zinnen verrukte? Met beide handen bedekte hij het voorhoofd als zocht hij allen schijn te verbannen, en, toen hij nu, met helderen blik voor zich uitziende, den tempel zijns heils wilde binnentreden, toen ontvlood een kreet van tienvoudige aandoening zijne borst, zoodat hij onwillekeurig gedrongen werd eenige schreden achterwaarts te doen.

Wij vermogen niet de waarde van het oogenblik te schetsen, toen de verrukte Adel, door zijn beide redders ondersteund, de kleine woning verlatende, voor de eerste maal Gods heerlijke schepping binnentrad.

Welk sterveling is er die zich de hemelsche gelukzaligheid nieteens op deze of gene zinnelijke wijze heeft voorgesteld? Die niet het hemelsche paradijs heeft meenen te aanschouwen, zoo schoon, zoo heerlijk in tegenstelling met dit aardsche tranendal?

Zoo ook had Adel in zijn droevig kerkerhol van den hemel hooren spreken. Ook hij had zich een gelukkige wereld daarbuiten voorgesteld; ook hij had, door zijn liefderijke verzorgster, een God, een Verlosser leeren aanroepen; ook hij was met de heerlijkheid van een eeuwig leven bekend geworden.

En nu—uit een diepen slaap ontwaakt,—uit nacht en banden verlost, gereinigd,—in een schoone kleeding,—als met een nieuw lichaam begiftigd,—door zijn bevrijder en diens dienaar ondersteund,—zóó die heerlijke schepping aanschouwende, wat was natuurlijker dan dat de langgemartelde jongeling waande Gods hoogen hemel zelven binnen te gaan.

En Van Bergen—roerloos en als aan den grond genageld stond hij daar. Hij kon niet spreken. Dat bleeke, dat uitgeteerde gelaat! Ja!—ja! het waren de trekken van zijn dierbare, zijn zalige Clarisse; nu kon hij veilig de waarheid vertrouwen, en met een van aandoening schier angstverwekkende stem riep hij: “Mijn zoon, mijn kind, hier is uw vader!”

Bij deze ontboezeming voer den zwakken knaap eene rilling door de leden.

“Gij—God!—mijn hemelsche Vader!?” zeide hij op doffen toon, terwijl hij den sierlijk gekleeden man met angstige oogen beschouwde; en terstond indachtig aan het hem door Aafke geleerde gebed, vervolgde hij: “Wil mij verlossen goede God! Amen!”

Van Bergen sprak niet; met grenzenlooze blijdschap drukte hij zijn kind aan het hart; de tolken der dankbaarheid vloeiden hem langs de kaken, en den blik naar Alonzo wendende, verstond deze daaruit alles—wat het overkropte gemoed van dien vader niet in woorden kon brengen.

Zeventiende hoofdstuk.De klokken van het naburig ’s-Gravenhage verkondigden het negende uur na den middag, toen een ruiter in eene zijlaan van het kasteelden Oldenburghlangzaam op en neer stapte. Met ongeduld scheen hij iemands komst te verbeiden, en gedurig blikte hij naar de kleine achterpoort, waaruit de gewacht wordende moest te voorschijn komen.Het duurde dan ook werkelijk maar weinige minuten, of de bedoelde poort werd geopend, en eene in het wit gekleede gedaante trad er uit. Met langzamen doch lichten tred ging zij over de smalleslotbrug, en was reeds op weinige schreden na aan de zijlaan gekomen, toen zij stand hield en, zich omkeerende, de oogen naar het kasteel wendde. Eensklaps, als tot andere gedachten gekomen, keerde zij eenige schreden terug; schijnbaar besluiteloos echter bleef zij ook nu weder staan; strekte de armen naar de reeds in schemerlicht gehulde muren van het kasteel uit; wuifde het een laatst vaarwel toe; keerde toen nogmaals op haar voorgenomen pad terug, en bevond zich weldra in de nabijheid des ruiters. Deze, inmiddels van het paard gestegen, had den hoed dieper in de oogen gedrukt, en de snikkende jonkvrouw behoedzaam naderende, zeide hij met een zachte doch gemaakte stem: “Ik wachtte u reeds, dierbare Adelgonde. Het in mij gestelde vertrouwen zal ik op waardige wijze beloonen.”Een koude huivering deed Adelgonde het bloed in de aderen stollen.“Laat af! laat af!” gilde zij, zich verwerende,—doch tevergeefs; een stevige arm hield haar omkneld. “Help! help!” riep zij nogmaals, doch ook die kreten werden gesmoord. De vreemdeling had haar een wijden mantel over het hoofd geworpen, en bewusteloos zeeg zij in de armen van haren roover, die haar vóór zich op het ros plaatste, en in gestrekten ren met haar den weg naar Leiden insloeg.In teugellooze vaart ging het steeds voorwaarts. De ruiter hield het meisje omkneld. Loerende sloeg hij gedurig de oogen om zich heen en waande in iederen boom, ja in zijn eigen schaduw, woedende vervolgers te ontdekken, die hem den geroofden buit wilden betwisten.—Geen vrees! sprak hij bij zich zelven: Wij zijn ons doel nabij. De stoute daad wordt ruimschoots beloond, en waarom zou ik dralen indien bergen van blinkend goud mij vriendelijk tegenlachen?Na een rit van nauwelijks drie kwartuurs, hield de ruiter voor de ellendige herberg stil, waar een roemer op het vergane uithangbord prijkte.Vrouw Barbara had den hoefslag en het stilhouden van een paard gehoord. Met eene lantaarn in de hand trad zij naar buiten en begroette den nieuw aangekomene.“Gij hebt goed doorgereden,” zeide zij: “minstens had ik u een half uur later gewacht.—Doch,” ging zij fluisterende voort: “wij zijn niet alleen; vriend Rosio is zooeven aangekomen. Door den brand, dieden Blankertgisteravond verwoestte, is hij van dáár verjaagd, en nu, van een goeden buit voorzien, is hij voornemens zich morgen naar Frankrijk op reis te begeven.Des vreemdelings oogen schitterden:“’t Is wel,” zeide hij, en de nog steeds bewustelooze Adelgonde op zijne armen nemende, trad hij de woning binnen; beklom met haar hetzelfde kamertje, waar wij den ongelukkigen kunstenaar, eenigen tijd geleden, zijn nachtverblijf zagen nemen, en legde haar op het bed, ’t welk vrouw Barbara te dien einde in gereedheid had gebracht.De vreemdeling, in wien wij reeds den jonker Walter Van Rodenberg hebben herkend, brandde nu van verlangen om te weten welke kostbaarheden door de ontvoering van Adelgonde in zijn bezit waren gekomen.Met de verregaandste onkieschheid doorzocht hij de kleederen der schooneHagenlelie, die daar als een marmeren beeld ter neer lag.Een klein pakje benevens eenige oude brieven, was het eenige wat hij bij haar vond.Zijn hooge verwachting werd door den inhoud van dat pakje bitter teleurgesteld.Behalve een klein rolletje goud—Adelgondes bespaarde penningen—bevatte het niets dan een vierkant doosje, waarin het portret van den graaf Van Bergen lag, en dat, in een zilveren medaillon gevat, met juweelen en paarlen was omzet.—Is dit dan alles wat de deerne heeft meegenomen! dacht Van Rodenberg met van woede bevende lippen: Heb ik dan voor niets de armoede harer ouders zoo sterk geteekend! Maar, bij den hemel! ik zal mij weten schadeloos te stellen. De losprijs zal naar deze teleurstelling geëvenredigd zijn!Na de gevonden voorwerpen bij zich te hebben gestoken, ging hij het kelderluik af en trad de gelagkamer binnen, alwaar Rosio, als reizende koopman vermomd, zijn avondmaal zat te nuttigen.“Goedenavond, mijn brave heer,” zeide Van Rodenberg spottend, terwijl hij een glurenden blik naar eenige op elkander gestapelde pakken sloeg: “Uw vermomming is voortreffelijk. Zie, bij den eersten aanblik herken ik u dadelijk. Ei ei! gij zijt dus van uwe waardigheid ontslagen! Heeft de genadige gravin uw alvermogende hulp niet meer noodig? Gij zijt wel diep te beklagen, want zeker moet gij thans met eenigen kleinhandel uw dagelijksch brood zuur verdienen, en boer of edelman om een dak om Godswil aanspreken!”“Wij kennen elkander!” sprak Rosio, die zeer wel begreep, dat Van Rodenberg den draak met hem stak: “Maar bij het heil mijner ziel!” vervolgde hij: “hetgeen gij zegt is waar: slechts weinige oude boeken en geschriften, behalve hetgeen mij toebehoorde, heb ik uit den hevigen brand kunnen redden. Gij weet het immers, jonker, datde Blankerteen prooi der vlammen is geworden?”“Als ik mij niet vergis,” antwoordde Van Rodenberg, “dan was ik bij die grap tegenwoordig. Het had mij bijna het leven gekost. Doch genoeg daarvan. De edele gravin is....”“Leeft de gravin nog?” viel hem Rosio haastig in de rede, terwijl hij zijn bezorgdheid en vrees daarvoor achter een masker van levendige belangstelling zocht te verbergen.“Stel u gerust,” hernam Van Rodenberg glimlachend: “ik heb dezen middag vernomen, dat zij de vuurproef moedig heeft doorstaan, doch dat de waterproef haar minder goed is bekomen. Dezen morgen is zij bezweken, en heeft in haar laatste oogenblikken nog met de meeste liefde van u gesproken.“De Heer hebbe hare ziel!” zuchtte Rosio.“Of de duivel!” hernam Van Rodenberg: “Om ’t even. Gij weetniet,” ging hij langzaam voort, terwijl hij met zijne vingers op de tafel trommelde en Rosio met halfgeslotene oogen doordringend aanzag: “Gij weet niet wie de eenige erfgenaam mijner lieve moeder is?”“Uwer moeder?” riep Rosio in de grootste verwarring: “Wie—de gravin? wie heeft u gezegd....?”“Eilieve, Barbara, wees zoo goed en ga mijn schoonen buit eens opzoeken,” zeide Van Rodenberg tot de waardin, die reeds voor eenige oogenblikken de kamer was binnengekomen: “Ik geloof,” vervolgde hij: “dat het fijne ding wat opwekkingsmiddelen zal noodig hebben; gedurende den geheelen tocht is zij buiten kennis geweest.”Barbara had zich reeds op dit bevel voorbereid; doch hare nieuwsgierigheid was door het gesprek der heeren gaande gemaakt, en gaarne had zij nog een oogenblik willen toeven; nu evenwel voldeed zij aan Van Rodenbergs verlangen, en zich met eene lamp naar het opkamertje begevende, verloor zij den draad van het gesprek, ’t welk hare belangstelling zoozeer had opgewekt.—Men heeft mij toch niet te veel van hare schoonheid verhaald, dacht de waardin, toen zij Adelgondes fijne trekken aanschouwde: Het arme kind moet dan schrikkelijk zijn ontsteld. “Kom hier mijn duifje! ruik eens,” sprak zij, terwijl zij Adelgonde een fleschje met geestrijk vocht onder het kleine neusje drukte: “dit zal u goed doen.”Werkelijk opende Adelgonde weinige oogenblikken later de oogen. “Waar ben ik?” vroeg zij met een angstige stem, terwijl zij de waardin bevreesd aanzag.“Bij wie anders dan bij Barbara?” antwoordde de vrouw: “Nu, ik wil wel gelooven, mijn hartje, dat gij mij niet herkent,” vervolgde zij: “want toen ik u de laatste maal verliet, waart ge nog slechts een nuchter wicht: ’t is heel wat tijd geleden!”Adelgonde kon zich,—uit haar bezwijming ontwaakt, geen duidelijk denkbeeld vormen van hetgeen er met haar was voorgevallen. Wèl herinnerde zij zich Alonzo’s brief, waarin deze haar had gemeld, dat hare ouders nog leefden; dat hij haar, zoo zij dit begeerde, in de armen dier ouders wilde terugvoeren; dat die goede lieden in den bittersten nood verkeerden, en zij derhalve zooveel als haar mogelijk zou zijn, moest medenemen om hen, aan wie zij het leven verschuldigd was, met het hare te ondersteunen; en eindelijk dat hij zich had voorgenomen, om haar aan hare wettige ouders ten huwelijk te vragen, dewijl rang noch geboorte hem zouden beletten haar als zijne vrouw te beminnen. Insgelijks herinnerde zij zich den tweestrijd, welke haar binnenste bij het lezen dier letteren had vervuld; hoe zij nu eens besloten, dan weder gewankeld had; hoe innige dankbaarheid aan haren pleegvader haar aanden Oldenburghhad geboeid, maar kinderliefde en teedere min haar nochtans tot den voorgeslagen stap hadden doen besluiten.—Doch, wat er met haar was voorgevallen nadat de stem van Van Rodenberg haar als een donderslag in de ooren was gedrongen.... ditkon zij zich niet te binnenbrengen, en nogmaals de waardin vragend aanziende, zeide zij: “En Alonzo?”“Wel, die heeft u hier gebracht, mijn torteltje!” was het antwoord: “Hij heeft u alleen gelaten om u eenige rust te doen genieten. Het is een mooi knap heer.”Adelgonde schudde ongeloovig het hoofd. “Maar gij?” zeide zij, de waardin weder vragend beschouwende: “Wie zijt gij?”“Wie ik ben?” hervatte vrouw Barbara: “Wel, wie ben ik anders dan uwe moeder. Kunt gij het dan aan uw hartje niet voelen dat gij uw eerste voedsel aan mijne borst genoten hebt?—Maar zie, toen waart gij pas zóó groot,” vervolgde zij, bespeurende dat Adelgonde zich geweld deed om hetgeen zij hoorde te gelooven: “en op dien leeftijd zien de oogen nog niet verder dan de neus lang is. Wacht, mijn torteltje, ik zal u wat eten halen. Ik neem het u niet kwalijk dat gij mij niet hebt herkend.”Zoodra vrouw Barbara vertrokken was, richtte Adelgonde zich overeind, en bij het schijnsel der achtergelatene lamp, doorzag zij nu het kleine naargeestige vertrek, dat somber en droevig afstak bij de groote zalen en ruime kamers waarin zij was opgevoed.—Dus is die vrouw mijne moeder, dacht Adelgonde: Zoo zijn die ruwe gelaatstrekken dan de trekken van haar, die ik mij in mijn kindsche dagen schier als een heilige had voorgesteld!Onwillekeurig werd het teedere meisje zeer bevreesd. Alles kwam haar zoo vreemd, zoo zonderling voor. Was het dan niet Van Rodenberg die haar, in stede van Alonzo, had weggevoerd?—O God! wat wil men van mij, wat heeft men met mij voor? dacht zij voort: Neen ik had niet zoo moeten handelen, men heeft mij in een valstrik gelokt, ik ben bedrogen! Goede God, red mij! Wat zal er van mij worden!Een luidruchtig gesprek, dat in de gelagkamer werd gevoerd, boeide eensklaps hare opmerkzaamheid. Duidelijk onderscheidde zij de stem van den man, die haar steeds den meesten afschuw had ingeboezemd. Er bestond geen twijfel meer, het was Van Rodenberg, die in hevigen twist met een ander was geraakt.Hare legerstede verlatende, naderde zij behoedzaam de deur, en zocht nu eenige woorden op te vangen. Doch tevergeefs, de twistenden schenen zich verstaan te hebben, en niets vernam zij verder dan het stooten van twee kroezen tegen elkander, waarop er nog eenige woorden werden gewisseld, totdat eindelijk een der mannen zijn afscheid nam, en zich te paard van de woning verwijderde.Adelgonde voelde haar gemoed niet weinig verruimd toen zij in den aftrekkende, haren vijand vermoedde. Met het vaste voornemen om moedig de waarheid te onderzoeken, en zich in Gods hand veilig te vertrouwen, zette zij zich op een kleine bank, die voor een vermolmde eikenhouten tafel stond.Vrouw Barbara trad kort daarop het kamertje weder binnen. In de eene hand hield zij eenige sneden grof brood, in de andere een kan met zoete melk gevuld.“Zie zoo mijn duifje!” riep zij Adelgonde toe: “zoo is het goed,nu zijt gij toch van den schrik bekomen. Eet en drink nu maar eens naar hartelust, het is u volkomen gegund.”Hoewel Adelgonde niet den minsten eetlust gevoelde, zoo verkwikte haar toch de aangebodene melk, en vrouw Barbara voor hare zorgen dank zeggende, gaf zij tevens haar wensch te kennen om, alleen gelaten, zich ter rust te kunnen begeven.“Allerbest mijn hartje!” zeide Barbara: “Gij zijt hier zoo vrij als op het kasteel. Morgen zal mijnheer Van Ro.... mijnheer Spinola, wil ik zeggen, u wel eens komen bezoeken. Ik weet niet, maar ik heb hem zoo wat van trouwen hooren prevelen. Hé, dat zou u lijken, geloof ik. Het is een knap man, daar blijf ik bij. Nu, mijn aardig torteltje, ik wensch u een goeden nacht,” en het onaangeroerde brood weder met zich nemende, verliet de waardin het vertrek.Daar zat nu het schoone doch zwakke meisje, aan de somberste gedachten ter prooi gelaten. Hoe was het haar mogelijk te gelooven dat de edele Alonzo, den verachtelijksten der mannen, in zijn belang zou hebben genomen! Doch die brief! was die dan niet van de hand des geliefden? Nogmaals wilde zij die letteren herlezen, om allen twijfel te verbannen; zich nogmaals overtuigen dat zij door Alonzo geschreven, en niet door een andere hand kunstig waren nagebootst; doch hoe klom haar heimelijke vrees tot de vernietigendste bezorgdheid, toen zij het pakje miste, hetwelk Van Rodenberg haar in haar bezwijming had ontvreemd.Nu eerst begreep Adelgonde ten volle dat de lage man een vreemd en schandelijk spel met haar speelde. Hier in dit huis bevond zij zich in zijne macht; ondanks de mogelijkheid zelfs dat die vrouw hare moeder was, durfde zij van dien kant niet op hulp en bescherming rekenen. Wat stond haar te doen!? Niets bleef haar in dit bange oogenblik over dan een spoedige vlucht, en in weerwil der moeielijkheden aan deze ontkoming en den nachtelijken tocht verbonden, nam zij het kloekmoedig besluit, al hare krachten bijeen te zamelen, en, als een berouwvolle dochter, smeekend in de armen van haar liefderijken pleegvader terug te keeren.Nog eenige oogenblikken luisterde Adelgonde aandachtig, om zich te overtuigen dat er in het aangrenzende vertrek geen personen meer aanwezig waren. Alles was stil. De bewoners schenen zich ter rust te hebben begeven.Hierop trad zij behoedzaam naar het kleine venster, en zocht met haar fijne handen den grendel weg te schuiven, die in het omvatsel zat vast geroest. Zij verdubbelde hare krachten; en werkelijk bereikte zij gelukkig haar doel.Het venster nu geopend zijnde, kostte het haar geringe moeite de schier vergane vensterluiken insgelijks naar buiten open te stooten, doch hoorbaar klopte haar hart toen zij bemerkte dat het venster, waaruit zij den sprong moest wagen, ruim zeven voet boven den vlakken grond verheven was.—God zal mij behoeden! dacht Adelgonde: Hij weet dat ik met goede bedoelingen den dwazen stap heb gewaagd. Hij zal mij vergeven,gelijk de edele en goede graaf mij weder met liefde in zijne armen zal opnemen.Een zacht geritsel aan de buitenzijde der deur wekte eensklaps hare aandacht. Adelgonde sidderde. Het raam weder dicht te trekken en de nog brandende lamp uit te blazen, was het werk van een oogenblik. Nauwelijks was dit verricht, of de deur werd geopend, en een man trad het kamertje binnen, wiens trekken, verlicht door het schijnsel eener lantaarn welke hij in de hand hield, Adelgonde zich niet herinnerde vroeger te hebben gezien.“Vrees niet!” sprak de man op fluisterenden toon: “Gij behoeft voor mij niet te beven. Zonder u te kennen, schoone jonkvrouw, ben ik uw vriend. Gij zijt in arglistige handen, doch ik kom u redden; ik zal u aan de handen van Van Rodenberg ontrukken.”Adelgonde wist niet wat zij van deze plotselinge verschijning moest denken. Wel waren de gesprokene woorden geschikt om haar vrees te verbannen; doch in die glurende kleine oogen las zij iets meer dan belangelooze welwillendheid; in dien naar boven getrokken mond lag iets anders dan zuivere deelneming in het lot van een belaagd onschuldig meisje.“En waarvoor zou ik vreezen?” zeide Adelgonde, terwijl het haar was aan te zien, dat haar gemoedstoestand zonderling met hare woorden in tegenspraak was. “Ik heb hier niets te duchten. Vertrek van hier, mijnheer, als ik u bidden mag. Ik ben hier veilig,hier, in de woning mijner ouders.”“En evenwel hebt gij dat venster geopend?” hernam de vreemdeling: “Zie maar, het is door de tocht weer opengegaan. Doch vertrouw op mij, schoone jonkvrouw,” vervolgde hij, haar langzaam naderende: “ik weet nauwkeurig wat men met u voor heeft; geloof mij, ik ken de netten welke u gespreid worden.”“Mensch! wat wilt gij van mij?” riep Adelgonde met bevende stem, terwijl haar het angstzweet op het voorhoofd parelde: “Wie geeft u het recht mijn slaapvertrek binnen te treden!? Verwijder u van hier, zoo gij het wél met mij meent.”“Het schijnt mij toe, dat ik u slechts afkeer kan inboezemen,” hernam de vreemdeling, die niemand anders dan Rosio was: “Is mijn gelaat dan zoo afschuwelijk? Doch ik versta u,” ging hij voort, terwijl hij de tot ter dood ontstelde Adelgonde hoe langer hoe meer naderde: “ik versta die angstige bezorgdheid: “Een Spaansch edelman wordt door de zedige schoone in het nachtelijk uur ten harent gewacht. Het venster is reeds geopend; de lamp is uitgedoofd. Ha ha! laat den knaap nog een oogenblik smachten. Zie, schoonste bloem, de vlam der liefde heeft ook mijn hart voor u doen branden. Waarom moetikdoor dat vuur verkwijnen terwijl een ander....”“Laat af,—laat af!” riep de engelreine Adelgonde, terwijl zij zich met schier bovennatuurlijke krachten uit den arm zocht los te rukken, dien de ellendeling reeds om haar slanke leest geslagen had: “Heilige Vader! sta mij bij!” gilde zij, zich krachtdadig verwerende. Doch, haar schier waanzinnige pogingen waren vruchteloos; Rosio’s ijzeren arm hield haar omkneld, en grinnikend lachtehet onmensch, toen hij de angstkreten der onschuld met een dikken doek had gesmoord, en alzoo de zege over het zwakke reine schepsel had bevochten.Dáár echter, waar de nood tot aan de lippen is geklommen en de sterveling aan Gods reddende macht begint te wanhopen, is Zijn reddende hand hem vaak het dichtst nabij. Weet dan de grijze booswicht niet, dat hij weldra zijn breeden en effen weg zal hebben afgehold? Weet hij niet dat de wijde poort hem wacht, doch dat een diepe poel aan het eind dier baan is gedolven? Hij weet dit, en evenzeer ziet hij dat menig zijpad hem nog op den moeielijken doch rechten weg kan terugvoeren. Hij wil het niet; welnu, een ander, die achter hem komt, zal hem in zijn vaart nog sneller tot het einde voeren; nog ééne schrede, en hij stort in den afgrond. Doch zelfs ook dán, in dien laatsten stond, dan nog wankelt hij een oogenblik; dan zelfs ziet hij nog aan de rechterzijde van dien poel, een doornig en rotsachtig pad, ’t welk steil naar boven gaat; dan nog kan hij keeren; dan nog trekt hem een stem naar boven. Schep moed! roept deze hem vriendelijk toe: de weg is moeielijk, doch toef niet, hier in het Huis des Heeren rusten de geloovigen van hun kommervollen tocht, en zijn zij vroolijk als de gasten op een bruiloftsfeest.God is rechtvaardig: vroeg of laat treft Hij den zondaar; hier of in Zijn eeuwig rijk loont Hij den moedigen strijder.Zoo daagde er dan ook voor Adelgonde, in het jammervolle oogenblik toen men haar het kostbaarste wat zij bezat, schandelijk wilde ontrooven, onverwachte hulp en redding.De krachtige arm, waarmede Rosio zijne prooi hield omvat, werd eensklaps verlamd. Een doodsche kleur overtoog zijn gelaat, en de hevigste pijnen dreigden zijn ingewanden vaneen te rijten.Met het vreeselijkst misbaar liep de snoode ellendeling nu het kleine vertrek rond; krampachtig wrong hij de handen, en, zich nu eens over den vloer wentelende, dan weder onstuimig opspringende, kermde hij nu zelf om redding en hulp, terwijl hij even te voren, op onmeedoogende wijze, die kreten bij zijn onschuldig slachtoffer had zoeken te smoren.Daar lag nu de grijze deugdvertreder; daar wentelde hij zich aan den rand van de kolk, waar geween en eeuwige duisternis heerscht. De geldzucht van een medereiziger op het breede spoor, had hem eenige oogenblikken vroeger aan het einde van zijn loopbaan gebracht. God had den verleider getroffen, en de onschuld wonderbaar gered. Met stomme verbazing, met innige dankbaarheid, doch met deernis in het lot van haren vijand tevens, aanschouwde Adelgonde dat droeve tooneel.“Ik ben vergeven! vergeven!” brulde Rosio, terwijl hij zich wanhopend de grijze haren uit den schedel trok: “Is er dan geen tegengift? Melk! melk!” kermde hij: “Een monster verscheurt mij van binnen.”“Doe uw vijand wél!” sprak eene stem in Adelgondes boezem. Gehoorzaam aan het bevel van haar grooten Meester, nam zij denog schier gevulde kan met melk; reikte die den lijdende toe, en zag hoe hij die in ééne teug ledigde.Naderende voetstappen deden haar vrouw Barbara’s komst vermoeden. Nog een oogenblik aarzelde zij. De moed ontbrak haar om langer in die onheilspellende woning te vertoeven. Hoewel het leven aan die vrouw verschuldigd, zou zij háár, door misdaad en schande omgeven, toch nimmer als eene moeder kunnen beminnen. Zou zij dien sprong uit het venster wagen? Voelde zij zich sterk genoeg, om eenzaam in het nachtelijk duister, op onbekende wegen rond te dolen?—God zij mijn staf! dacht het schoone meisje; en juist werd de deur van het opkamertje door de waardin geopend, toen Adelgonde behouden aan de andere zijde van het venster in het mulle zand ter nederkwam.Door angst voor achtervolging gedreven, snelde Adelgonde met de vlugheid eener hinde voorwaarts. Door een gunstig toeval geleid, had zij, zonder te weten waarheen, den weg gekozen, welke naar den viersprong bij het meergemeldeSteenen kruisvoerde.Nauwelijks een paar honderd schreden van de herberg verwijderd, hield zij ademloos stand, en wilde een oogenblik rusten om nieuwe krachten te verzamelen, toen de krijschende stem van vrouw Barbara haar in de ooren klonk, die haar de laagste scheldnamen nazond, en haar dreigend vermaande om terug te keeren.Door den angst nogmaals gesterkt, toefde Adelgonde niet langer, en diep ademhalende, vervolgde zij haar nachtelijke vlucht.

De klokken van het naburig ’s-Gravenhage verkondigden het negende uur na den middag, toen een ruiter in eene zijlaan van het kasteelden Oldenburghlangzaam op en neer stapte. Met ongeduld scheen hij iemands komst te verbeiden, en gedurig blikte hij naar de kleine achterpoort, waaruit de gewacht wordende moest te voorschijn komen.

Het duurde dan ook werkelijk maar weinige minuten, of de bedoelde poort werd geopend, en eene in het wit gekleede gedaante trad er uit. Met langzamen doch lichten tred ging zij over de smalleslotbrug, en was reeds op weinige schreden na aan de zijlaan gekomen, toen zij stand hield en, zich omkeerende, de oogen naar het kasteel wendde. Eensklaps, als tot andere gedachten gekomen, keerde zij eenige schreden terug; schijnbaar besluiteloos echter bleef zij ook nu weder staan; strekte de armen naar de reeds in schemerlicht gehulde muren van het kasteel uit; wuifde het een laatst vaarwel toe; keerde toen nogmaals op haar voorgenomen pad terug, en bevond zich weldra in de nabijheid des ruiters. Deze, inmiddels van het paard gestegen, had den hoed dieper in de oogen gedrukt, en de snikkende jonkvrouw behoedzaam naderende, zeide hij met een zachte doch gemaakte stem: “Ik wachtte u reeds, dierbare Adelgonde. Het in mij gestelde vertrouwen zal ik op waardige wijze beloonen.”

Een koude huivering deed Adelgonde het bloed in de aderen stollen.

“Laat af! laat af!” gilde zij, zich verwerende,—doch tevergeefs; een stevige arm hield haar omkneld. “Help! help!” riep zij nogmaals, doch ook die kreten werden gesmoord. De vreemdeling had haar een wijden mantel over het hoofd geworpen, en bewusteloos zeeg zij in de armen van haren roover, die haar vóór zich op het ros plaatste, en in gestrekten ren met haar den weg naar Leiden insloeg.

In teugellooze vaart ging het steeds voorwaarts. De ruiter hield het meisje omkneld. Loerende sloeg hij gedurig de oogen om zich heen en waande in iederen boom, ja in zijn eigen schaduw, woedende vervolgers te ontdekken, die hem den geroofden buit wilden betwisten.

—Geen vrees! sprak hij bij zich zelven: Wij zijn ons doel nabij. De stoute daad wordt ruimschoots beloond, en waarom zou ik dralen indien bergen van blinkend goud mij vriendelijk tegenlachen?

Na een rit van nauwelijks drie kwartuurs, hield de ruiter voor de ellendige herberg stil, waar een roemer op het vergane uithangbord prijkte.

Vrouw Barbara had den hoefslag en het stilhouden van een paard gehoord. Met eene lantaarn in de hand trad zij naar buiten en begroette den nieuw aangekomene.

“Gij hebt goed doorgereden,” zeide zij: “minstens had ik u een half uur later gewacht.—Doch,” ging zij fluisterende voort: “wij zijn niet alleen; vriend Rosio is zooeven aangekomen. Door den brand, dieden Blankertgisteravond verwoestte, is hij van dáár verjaagd, en nu, van een goeden buit voorzien, is hij voornemens zich morgen naar Frankrijk op reis te begeven.

Des vreemdelings oogen schitterden:

“’t Is wel,” zeide hij, en de nog steeds bewustelooze Adelgonde op zijne armen nemende, trad hij de woning binnen; beklom met haar hetzelfde kamertje, waar wij den ongelukkigen kunstenaar, eenigen tijd geleden, zijn nachtverblijf zagen nemen, en legde haar op het bed, ’t welk vrouw Barbara te dien einde in gereedheid had gebracht.

De vreemdeling, in wien wij reeds den jonker Walter Van Rodenberg hebben herkend, brandde nu van verlangen om te weten welke kostbaarheden door de ontvoering van Adelgonde in zijn bezit waren gekomen.

Met de verregaandste onkieschheid doorzocht hij de kleederen der schooneHagenlelie, die daar als een marmeren beeld ter neer lag.

Een klein pakje benevens eenige oude brieven, was het eenige wat hij bij haar vond.

Zijn hooge verwachting werd door den inhoud van dat pakje bitter teleurgesteld.

Behalve een klein rolletje goud—Adelgondes bespaarde penningen—bevatte het niets dan een vierkant doosje, waarin het portret van den graaf Van Bergen lag, en dat, in een zilveren medaillon gevat, met juweelen en paarlen was omzet.—Is dit dan alles wat de deerne heeft meegenomen! dacht Van Rodenberg met van woede bevende lippen: Heb ik dan voor niets de armoede harer ouders zoo sterk geteekend! Maar, bij den hemel! ik zal mij weten schadeloos te stellen. De losprijs zal naar deze teleurstelling geëvenredigd zijn!

Na de gevonden voorwerpen bij zich te hebben gestoken, ging hij het kelderluik af en trad de gelagkamer binnen, alwaar Rosio, als reizende koopman vermomd, zijn avondmaal zat te nuttigen.

“Goedenavond, mijn brave heer,” zeide Van Rodenberg spottend, terwijl hij een glurenden blik naar eenige op elkander gestapelde pakken sloeg: “Uw vermomming is voortreffelijk. Zie, bij den eersten aanblik herken ik u dadelijk. Ei ei! gij zijt dus van uwe waardigheid ontslagen! Heeft de genadige gravin uw alvermogende hulp niet meer noodig? Gij zijt wel diep te beklagen, want zeker moet gij thans met eenigen kleinhandel uw dagelijksch brood zuur verdienen, en boer of edelman om een dak om Godswil aanspreken!”

“Wij kennen elkander!” sprak Rosio, die zeer wel begreep, dat Van Rodenberg den draak met hem stak: “Maar bij het heil mijner ziel!” vervolgde hij: “hetgeen gij zegt is waar: slechts weinige oude boeken en geschriften, behalve hetgeen mij toebehoorde, heb ik uit den hevigen brand kunnen redden. Gij weet het immers, jonker, datde Blankerteen prooi der vlammen is geworden?”

“Als ik mij niet vergis,” antwoordde Van Rodenberg, “dan was ik bij die grap tegenwoordig. Het had mij bijna het leven gekost. Doch genoeg daarvan. De edele gravin is....”

“Leeft de gravin nog?” viel hem Rosio haastig in de rede, terwijl hij zijn bezorgdheid en vrees daarvoor achter een masker van levendige belangstelling zocht te verbergen.

“Stel u gerust,” hernam Van Rodenberg glimlachend: “ik heb dezen middag vernomen, dat zij de vuurproef moedig heeft doorstaan, doch dat de waterproef haar minder goed is bekomen. Dezen morgen is zij bezweken, en heeft in haar laatste oogenblikken nog met de meeste liefde van u gesproken.

“De Heer hebbe hare ziel!” zuchtte Rosio.

“Of de duivel!” hernam Van Rodenberg: “Om ’t even. Gij weetniet,” ging hij langzaam voort, terwijl hij met zijne vingers op de tafel trommelde en Rosio met halfgeslotene oogen doordringend aanzag: “Gij weet niet wie de eenige erfgenaam mijner lieve moeder is?”

“Uwer moeder?” riep Rosio in de grootste verwarring: “Wie—de gravin? wie heeft u gezegd....?”

“Eilieve, Barbara, wees zoo goed en ga mijn schoonen buit eens opzoeken,” zeide Van Rodenberg tot de waardin, die reeds voor eenige oogenblikken de kamer was binnengekomen: “Ik geloof,” vervolgde hij: “dat het fijne ding wat opwekkingsmiddelen zal noodig hebben; gedurende den geheelen tocht is zij buiten kennis geweest.”

Barbara had zich reeds op dit bevel voorbereid; doch hare nieuwsgierigheid was door het gesprek der heeren gaande gemaakt, en gaarne had zij nog een oogenblik willen toeven; nu evenwel voldeed zij aan Van Rodenbergs verlangen, en zich met eene lamp naar het opkamertje begevende, verloor zij den draad van het gesprek, ’t welk hare belangstelling zoozeer had opgewekt.

—Men heeft mij toch niet te veel van hare schoonheid verhaald, dacht de waardin, toen zij Adelgondes fijne trekken aanschouwde: Het arme kind moet dan schrikkelijk zijn ontsteld. “Kom hier mijn duifje! ruik eens,” sprak zij, terwijl zij Adelgonde een fleschje met geestrijk vocht onder het kleine neusje drukte: “dit zal u goed doen.”

Werkelijk opende Adelgonde weinige oogenblikken later de oogen. “Waar ben ik?” vroeg zij met een angstige stem, terwijl zij de waardin bevreesd aanzag.

“Bij wie anders dan bij Barbara?” antwoordde de vrouw: “Nu, ik wil wel gelooven, mijn hartje, dat gij mij niet herkent,” vervolgde zij: “want toen ik u de laatste maal verliet, waart ge nog slechts een nuchter wicht: ’t is heel wat tijd geleden!”

Adelgonde kon zich,—uit haar bezwijming ontwaakt, geen duidelijk denkbeeld vormen van hetgeen er met haar was voorgevallen. Wèl herinnerde zij zich Alonzo’s brief, waarin deze haar had gemeld, dat hare ouders nog leefden; dat hij haar, zoo zij dit begeerde, in de armen dier ouders wilde terugvoeren; dat die goede lieden in den bittersten nood verkeerden, en zij derhalve zooveel als haar mogelijk zou zijn, moest medenemen om hen, aan wie zij het leven verschuldigd was, met het hare te ondersteunen; en eindelijk dat hij zich had voorgenomen, om haar aan hare wettige ouders ten huwelijk te vragen, dewijl rang noch geboorte hem zouden beletten haar als zijne vrouw te beminnen. Insgelijks herinnerde zij zich den tweestrijd, welke haar binnenste bij het lezen dier letteren had vervuld; hoe zij nu eens besloten, dan weder gewankeld had; hoe innige dankbaarheid aan haren pleegvader haar aanden Oldenburghhad geboeid, maar kinderliefde en teedere min haar nochtans tot den voorgeslagen stap hadden doen besluiten.—Doch, wat er met haar was voorgevallen nadat de stem van Van Rodenberg haar als een donderslag in de ooren was gedrongen.... ditkon zij zich niet te binnenbrengen, en nogmaals de waardin vragend aanziende, zeide zij: “En Alonzo?”

“Wel, die heeft u hier gebracht, mijn torteltje!” was het antwoord: “Hij heeft u alleen gelaten om u eenige rust te doen genieten. Het is een mooi knap heer.”

Adelgonde schudde ongeloovig het hoofd. “Maar gij?” zeide zij, de waardin weder vragend beschouwende: “Wie zijt gij?”

“Wie ik ben?” hervatte vrouw Barbara: “Wel, wie ben ik anders dan uwe moeder. Kunt gij het dan aan uw hartje niet voelen dat gij uw eerste voedsel aan mijne borst genoten hebt?—Maar zie, toen waart gij pas zóó groot,” vervolgde zij, bespeurende dat Adelgonde zich geweld deed om hetgeen zij hoorde te gelooven: “en op dien leeftijd zien de oogen nog niet verder dan de neus lang is. Wacht, mijn torteltje, ik zal u wat eten halen. Ik neem het u niet kwalijk dat gij mij niet hebt herkend.”

Zoodra vrouw Barbara vertrokken was, richtte Adelgonde zich overeind, en bij het schijnsel der achtergelatene lamp, doorzag zij nu het kleine naargeestige vertrek, dat somber en droevig afstak bij de groote zalen en ruime kamers waarin zij was opgevoed.

—Dus is die vrouw mijne moeder, dacht Adelgonde: Zoo zijn die ruwe gelaatstrekken dan de trekken van haar, die ik mij in mijn kindsche dagen schier als een heilige had voorgesteld!

Onwillekeurig werd het teedere meisje zeer bevreesd. Alles kwam haar zoo vreemd, zoo zonderling voor. Was het dan niet Van Rodenberg die haar, in stede van Alonzo, had weggevoerd?

—O God! wat wil men van mij, wat heeft men met mij voor? dacht zij voort: Neen ik had niet zoo moeten handelen, men heeft mij in een valstrik gelokt, ik ben bedrogen! Goede God, red mij! Wat zal er van mij worden!

Een luidruchtig gesprek, dat in de gelagkamer werd gevoerd, boeide eensklaps hare opmerkzaamheid. Duidelijk onderscheidde zij de stem van den man, die haar steeds den meesten afschuw had ingeboezemd. Er bestond geen twijfel meer, het was Van Rodenberg, die in hevigen twist met een ander was geraakt.

Hare legerstede verlatende, naderde zij behoedzaam de deur, en zocht nu eenige woorden op te vangen. Doch tevergeefs, de twistenden schenen zich verstaan te hebben, en niets vernam zij verder dan het stooten van twee kroezen tegen elkander, waarop er nog eenige woorden werden gewisseld, totdat eindelijk een der mannen zijn afscheid nam, en zich te paard van de woning verwijderde.

Adelgonde voelde haar gemoed niet weinig verruimd toen zij in den aftrekkende, haren vijand vermoedde. Met het vaste voornemen om moedig de waarheid te onderzoeken, en zich in Gods hand veilig te vertrouwen, zette zij zich op een kleine bank, die voor een vermolmde eikenhouten tafel stond.

Vrouw Barbara trad kort daarop het kamertje weder binnen. In de eene hand hield zij eenige sneden grof brood, in de andere een kan met zoete melk gevuld.

“Zie zoo mijn duifje!” riep zij Adelgonde toe: “zoo is het goed,nu zijt gij toch van den schrik bekomen. Eet en drink nu maar eens naar hartelust, het is u volkomen gegund.”

Hoewel Adelgonde niet den minsten eetlust gevoelde, zoo verkwikte haar toch de aangebodene melk, en vrouw Barbara voor hare zorgen dank zeggende, gaf zij tevens haar wensch te kennen om, alleen gelaten, zich ter rust te kunnen begeven.

“Allerbest mijn hartje!” zeide Barbara: “Gij zijt hier zoo vrij als op het kasteel. Morgen zal mijnheer Van Ro.... mijnheer Spinola, wil ik zeggen, u wel eens komen bezoeken. Ik weet niet, maar ik heb hem zoo wat van trouwen hooren prevelen. Hé, dat zou u lijken, geloof ik. Het is een knap man, daar blijf ik bij. Nu, mijn aardig torteltje, ik wensch u een goeden nacht,” en het onaangeroerde brood weder met zich nemende, verliet de waardin het vertrek.

Daar zat nu het schoone doch zwakke meisje, aan de somberste gedachten ter prooi gelaten. Hoe was het haar mogelijk te gelooven dat de edele Alonzo, den verachtelijksten der mannen, in zijn belang zou hebben genomen! Doch die brief! was die dan niet van de hand des geliefden? Nogmaals wilde zij die letteren herlezen, om allen twijfel te verbannen; zich nogmaals overtuigen dat zij door Alonzo geschreven, en niet door een andere hand kunstig waren nagebootst; doch hoe klom haar heimelijke vrees tot de vernietigendste bezorgdheid, toen zij het pakje miste, hetwelk Van Rodenberg haar in haar bezwijming had ontvreemd.

Nu eerst begreep Adelgonde ten volle dat de lage man een vreemd en schandelijk spel met haar speelde. Hier in dit huis bevond zij zich in zijne macht; ondanks de mogelijkheid zelfs dat die vrouw hare moeder was, durfde zij van dien kant niet op hulp en bescherming rekenen. Wat stond haar te doen!? Niets bleef haar in dit bange oogenblik over dan een spoedige vlucht, en in weerwil der moeielijkheden aan deze ontkoming en den nachtelijken tocht verbonden, nam zij het kloekmoedig besluit, al hare krachten bijeen te zamelen, en, als een berouwvolle dochter, smeekend in de armen van haar liefderijken pleegvader terug te keeren.

Nog eenige oogenblikken luisterde Adelgonde aandachtig, om zich te overtuigen dat er in het aangrenzende vertrek geen personen meer aanwezig waren. Alles was stil. De bewoners schenen zich ter rust te hebben begeven.

Hierop trad zij behoedzaam naar het kleine venster, en zocht met haar fijne handen den grendel weg te schuiven, die in het omvatsel zat vast geroest. Zij verdubbelde hare krachten; en werkelijk bereikte zij gelukkig haar doel.

Het venster nu geopend zijnde, kostte het haar geringe moeite de schier vergane vensterluiken insgelijks naar buiten open te stooten, doch hoorbaar klopte haar hart toen zij bemerkte dat het venster, waaruit zij den sprong moest wagen, ruim zeven voet boven den vlakken grond verheven was.

—God zal mij behoeden! dacht Adelgonde: Hij weet dat ik met goede bedoelingen den dwazen stap heb gewaagd. Hij zal mij vergeven,gelijk de edele en goede graaf mij weder met liefde in zijne armen zal opnemen.

Een zacht geritsel aan de buitenzijde der deur wekte eensklaps hare aandacht. Adelgonde sidderde. Het raam weder dicht te trekken en de nog brandende lamp uit te blazen, was het werk van een oogenblik. Nauwelijks was dit verricht, of de deur werd geopend, en een man trad het kamertje binnen, wiens trekken, verlicht door het schijnsel eener lantaarn welke hij in de hand hield, Adelgonde zich niet herinnerde vroeger te hebben gezien.

“Vrees niet!” sprak de man op fluisterenden toon: “Gij behoeft voor mij niet te beven. Zonder u te kennen, schoone jonkvrouw, ben ik uw vriend. Gij zijt in arglistige handen, doch ik kom u redden; ik zal u aan de handen van Van Rodenberg ontrukken.”

Adelgonde wist niet wat zij van deze plotselinge verschijning moest denken. Wel waren de gesprokene woorden geschikt om haar vrees te verbannen; doch in die glurende kleine oogen las zij iets meer dan belangelooze welwillendheid; in dien naar boven getrokken mond lag iets anders dan zuivere deelneming in het lot van een belaagd onschuldig meisje.

“En waarvoor zou ik vreezen?” zeide Adelgonde, terwijl het haar was aan te zien, dat haar gemoedstoestand zonderling met hare woorden in tegenspraak was. “Ik heb hier niets te duchten. Vertrek van hier, mijnheer, als ik u bidden mag. Ik ben hier veilig,hier, in de woning mijner ouders.”

“En evenwel hebt gij dat venster geopend?” hernam de vreemdeling: “Zie maar, het is door de tocht weer opengegaan. Doch vertrouw op mij, schoone jonkvrouw,” vervolgde hij, haar langzaam naderende: “ik weet nauwkeurig wat men met u voor heeft; geloof mij, ik ken de netten welke u gespreid worden.”

“Mensch! wat wilt gij van mij?” riep Adelgonde met bevende stem, terwijl haar het angstzweet op het voorhoofd parelde: “Wie geeft u het recht mijn slaapvertrek binnen te treden!? Verwijder u van hier, zoo gij het wél met mij meent.”

“Het schijnt mij toe, dat ik u slechts afkeer kan inboezemen,” hernam de vreemdeling, die niemand anders dan Rosio was: “Is mijn gelaat dan zoo afschuwelijk? Doch ik versta u,” ging hij voort, terwijl hij de tot ter dood ontstelde Adelgonde hoe langer hoe meer naderde: “ik versta die angstige bezorgdheid: “Een Spaansch edelman wordt door de zedige schoone in het nachtelijk uur ten harent gewacht. Het venster is reeds geopend; de lamp is uitgedoofd. Ha ha! laat den knaap nog een oogenblik smachten. Zie, schoonste bloem, de vlam der liefde heeft ook mijn hart voor u doen branden. Waarom moetikdoor dat vuur verkwijnen terwijl een ander....”

“Laat af,—laat af!” riep de engelreine Adelgonde, terwijl zij zich met schier bovennatuurlijke krachten uit den arm zocht los te rukken, dien de ellendeling reeds om haar slanke leest geslagen had: “Heilige Vader! sta mij bij!” gilde zij, zich krachtdadig verwerende. Doch, haar schier waanzinnige pogingen waren vruchteloos; Rosio’s ijzeren arm hield haar omkneld, en grinnikend lachtehet onmensch, toen hij de angstkreten der onschuld met een dikken doek had gesmoord, en alzoo de zege over het zwakke reine schepsel had bevochten.

Dáár echter, waar de nood tot aan de lippen is geklommen en de sterveling aan Gods reddende macht begint te wanhopen, is Zijn reddende hand hem vaak het dichtst nabij. Weet dan de grijze booswicht niet, dat hij weldra zijn breeden en effen weg zal hebben afgehold? Weet hij niet dat de wijde poort hem wacht, doch dat een diepe poel aan het eind dier baan is gedolven? Hij weet dit, en evenzeer ziet hij dat menig zijpad hem nog op den moeielijken doch rechten weg kan terugvoeren. Hij wil het niet; welnu, een ander, die achter hem komt, zal hem in zijn vaart nog sneller tot het einde voeren; nog ééne schrede, en hij stort in den afgrond. Doch zelfs ook dán, in dien laatsten stond, dan nog wankelt hij een oogenblik; dan zelfs ziet hij nog aan de rechterzijde van dien poel, een doornig en rotsachtig pad, ’t welk steil naar boven gaat; dan nog kan hij keeren; dan nog trekt hem een stem naar boven. Schep moed! roept deze hem vriendelijk toe: de weg is moeielijk, doch toef niet, hier in het Huis des Heeren rusten de geloovigen van hun kommervollen tocht, en zijn zij vroolijk als de gasten op een bruiloftsfeest.

God is rechtvaardig: vroeg of laat treft Hij den zondaar; hier of in Zijn eeuwig rijk loont Hij den moedigen strijder.

Zoo daagde er dan ook voor Adelgonde, in het jammervolle oogenblik toen men haar het kostbaarste wat zij bezat, schandelijk wilde ontrooven, onverwachte hulp en redding.

De krachtige arm, waarmede Rosio zijne prooi hield omvat, werd eensklaps verlamd. Een doodsche kleur overtoog zijn gelaat, en de hevigste pijnen dreigden zijn ingewanden vaneen te rijten.

Met het vreeselijkst misbaar liep de snoode ellendeling nu het kleine vertrek rond; krampachtig wrong hij de handen, en, zich nu eens over den vloer wentelende, dan weder onstuimig opspringende, kermde hij nu zelf om redding en hulp, terwijl hij even te voren, op onmeedoogende wijze, die kreten bij zijn onschuldig slachtoffer had zoeken te smoren.

Daar lag nu de grijze deugdvertreder; daar wentelde hij zich aan den rand van de kolk, waar geween en eeuwige duisternis heerscht. De geldzucht van een medereiziger op het breede spoor, had hem eenige oogenblikken vroeger aan het einde van zijn loopbaan gebracht. God had den verleider getroffen, en de onschuld wonderbaar gered. Met stomme verbazing, met innige dankbaarheid, doch met deernis in het lot van haren vijand tevens, aanschouwde Adelgonde dat droeve tooneel.

“Ik ben vergeven! vergeven!” brulde Rosio, terwijl hij zich wanhopend de grijze haren uit den schedel trok: “Is er dan geen tegengift? Melk! melk!” kermde hij: “Een monster verscheurt mij van binnen.”

“Doe uw vijand wél!” sprak eene stem in Adelgondes boezem. Gehoorzaam aan het bevel van haar grooten Meester, nam zij denog schier gevulde kan met melk; reikte die den lijdende toe, en zag hoe hij die in ééne teug ledigde.

Naderende voetstappen deden haar vrouw Barbara’s komst vermoeden. Nog een oogenblik aarzelde zij. De moed ontbrak haar om langer in die onheilspellende woning te vertoeven. Hoewel het leven aan die vrouw verschuldigd, zou zij háár, door misdaad en schande omgeven, toch nimmer als eene moeder kunnen beminnen. Zou zij dien sprong uit het venster wagen? Voelde zij zich sterk genoeg, om eenzaam in het nachtelijk duister, op onbekende wegen rond te dolen?—God zij mijn staf! dacht het schoone meisje; en juist werd de deur van het opkamertje door de waardin geopend, toen Adelgonde behouden aan de andere zijde van het venster in het mulle zand ter nederkwam.

Door angst voor achtervolging gedreven, snelde Adelgonde met de vlugheid eener hinde voorwaarts. Door een gunstig toeval geleid, had zij, zonder te weten waarheen, den weg gekozen, welke naar den viersprong bij het meergemeldeSteenen kruisvoerde.

Nauwelijks een paar honderd schreden van de herberg verwijderd, hield zij ademloos stand, en wilde een oogenblik rusten om nieuwe krachten te verzamelen, toen de krijschende stem van vrouw Barbara haar in de ooren klonk, die haar de laagste scheldnamen nazond, en haar dreigend vermaande om terug te keeren.

Door den angst nogmaals gesterkt, toefde Adelgonde niet langer, en diep ademhalende, vervolgde zij haar nachtelijke vlucht.


Back to IndexNext