Zevende hoofdstuk.

Zevende hoofdstuk.Het was in den morgen van den volgenden dag, dat eenige ruiters den Bezuidenhoutschen weg opreden, en eindelijk de laan van het Nieuwe Oosteinde insloegen.—De zon scheen vriendelijk; het landschap leverde een prachtig schouwspel op; de takken der boomen waren allen met rijp bedekt, en de reeds lang gevallen bladeren werden als het ware vervangen door duizenden van flonkerende diamanten. De overstroomde weilanden waren thans met een dichten ijsvloer bedekt, waaruit zich de mede berijpte knotwilgen verhieven, die, aan hun voet met breede ijskragen voorzien, door den helderen bodem waarop zij rustten, werden teruggekaatst. De grond was hard bevroren; helder klonken de hoeven der paarden; in dartele sprongen gaven zij mede door vurig brieschen en snuiven aan dat vrije gevoel lucht, dat èn mensch èn dier op een schoonen winterdag moet bezielen. De ruiters schenen werk te hebben hunne rossen in den atap te houden; sommigen zelfs moesten al hun rijkunst aanwenden om niet uit den zadel gelicht te worden, hetgeen niet weinig schade aan hunne fraaie kleeding, waaraan de meeste zorg was besteed, zou hebben toegebracht.Zij schenen in deze streken onbekend, want een klein schraal mannetje te voet, in wien wij de figuur van Sebastianus Bril herkennen, diende hun ten gids. Van daár dat de ruiters slechts stapvoets konden voorttrekken, doch waardoor ook weder de gesprekken duidelijker gehoord en geregelder konden gevoerd worden. Deze hadden in de Spaansche taal plaats, welke wij echter, om verscheidene redenen, liever in de onze willen mededeelen.“Ik vrees dat die moerasbewoners even onhandelbaar zullen zijn als mijn paard,” zeide Richardot, wiens ros telkens de voorpootenin de lucht wierp, en slechts zeer moeielijk door teugel en spoor in bedwang was te houden: “Zij zullen op de achterpooten gaan staan, en ons wellicht uit den zadel werpen.”“Zoo wij alleen met Maurits en zijne Zeeuwen te doen hadden, ja, dan zou ik dit voorzeker gelooven,” antwoordde de markgraaf Ambrosio Spinola: “doch wij hebben wakkere bevorderaars van onze plannen. Die Oldenbarneveld heeft den meesten invloed, zelfs op den Prins; hem moeten wij vooral te vriend houden.”“Wij spelen een vermakelijk spel,” zeide Don Juan De Mancicidor, die den sprekenden ter zijde was gereden: “Waarachtig! wij handelen over een vrede, welken wij nimmer zullen sluiten, en eten met vrienden, die onze vijanden zijn.”“Dit is niets vreemds,” hernam Spinola: “en was ook hier te berekenen; doch zoo het al geenvredezal zijn,bestandmoet het toch worden.”“Dit kan ik nog geenszins voor zeker houden,” zeide Richardot: “Waar vindt men stijver koppen en onbuigzamer gemoederen dan in dit verwenschte kikkerland!”“Hunne kettersche gevoelens zullen zij nimmer verloochenen,” merkte Pater Jan Neijen aan, die in een gesprek met Verreijken was gewikkeld: “Ik ken hun aard,” vervolgde hij: “dewijl mijn vader, Maarten Neijen, een Zeeuw van geboorte was. Vrijlating van onzen alleen zaligmakenden godsdienst zullen zij nimmer toestaan.”“Dit zal het laatste punt ter behandeling blijven,” antwoordde de toegesprokene. “Doch nog vóór dit, zullen er zich vele zwarigheden opdoen.”“De vrije vaart op de Indiën laten zij zich niet ontnemen,” had Spinola aan Richardot ten antwoord gegeven: “doch dit punt moet met kracht worden volgehouden; er zullen wellicht hevige tooneelen over plaats vinden; doch in weerwil dat de Gemachtigden den Staten tot de handhaving van dit punt hebben aangespoord, begrijpen toch verscheidenen, dat die handel, alleen bijzondere personen betreffende, den door hen verlangden vrede niet behoort tegen te houden.”“Op dat aambeeld moeten wij ten minste dapper slaan,” zeide Richardot: “De Fransche Gezant Jeannin zal tot ons plan medewerken.”“Indien gij dezen weg vervolgt, mijne heeren!” riep nu eensklaps de kleine gids, met een mengelmoes van Spaansche en Hollandsche woorden, die zonderling waren dooreengewerkt, terwijl hij een zijweg aanwees: “dan kunt gij onmogelijk dwalen: eerst hebt gij rechts een pachthoeve, en vervolgens kan u de laan, die op het kasteelden Oldenburghuitloopt, niet ontgaan.”“Dus kunnen wij onzen “Memento Mori” zijn afscheid, en onzen paarden de sporen geven,” zeide Spinola, terwijl hij Bril eenig geld toewierp, hetwelk deze met een tevreden: “Dank mijne heeren!” opraapte, waarna hij zich al groetend stadwaarts wendde, met het vaste voornemen, om dien dag bij niemand anders door te brengen, dan bij Gerrit Aal inden Wijnstok.De kleppers, nu den vrijen teugel gelaten, renden moedig voorwaarts, en weldra verkondigde hun hoefgetrappel den bewoners vanden Oldenburgh, de aankomst der Spaansche gasten.De graaf Van Bergen, als vertrouwde vriend van Maurits, had het zich tot een plicht gerekend, den man aan zijn disch te noodigen, dien hij, evenals zijn Prins, om zijne dapperheid en waarde als veldheer hoogschatte. Noodwendig moesten de overige gezanten hem vergezellen, en vorderde de wellevendheid mede, dat de afgevaardigden van andere vorsten en natiën insgelijks aan zijne tafel genoodigd werden. Prins Maurits, de voornaamste beambten, benevens des graven vrienden en bekenden met hunne vrouwen en dochters, zouden nog bovendien aanwezig zijn, en geenszins was het dus te verwonderen, dat er reeds een paar dagen lang de grootste drukte opden Oldenburghgeheerscht had. Bij zulke gelegenheden was de graaf er bijzonder op gesteld dat niets zou ontbreken. Met de grootste nauwgezetheid had hij zijne bevelen gegeven, en zelfs die schotels, welke hij meende noodzakelijk te zijn, doch welker bestanddeelen op zijn kasteel niet voorhanden waren, uit Den Haag doen ontbieden. De groote of ridderzaal was smaakvol versierd, de lange tafel stond aangerecht, en het opdragen der spijzen wachtte slechts totdat de gasten, die zich nu voltallig in eene belendende zaal bevonden, zouden gezeten zijn.Wij zullen niet breedvoerig gewagen van het middagmaal dat weldra gehouden werd, niet de plaatsen aanwijzen waar elk der gasten gezeten was, niet de verschillende gerechten opsommen die bestemd waren om hun smaak te streelen, en evenmin de tafelgesprekken mededeelen die, in het algemeen, vrij zouteloos konden genoemd worden. Alleen beschouwen wij den graaf, op wiens gelaat dezelfde, zoo niet nog somberder stemming te lezen stond, dan waarin wij hem reeds eenmaal op zijn kasteel ontmoet hebben. Was dat gefronste voorhoofd een teeken dat hij zich gramstorig gevoelde, dewijl niet al zijne bevelen met de gewenschte stiptheid waren ten uitvoer gebracht? Lag er in den minder vriendelijken blik waarmede hij Adelgonde aanzag, voor haar misschien een klein verwijt dat zij niet al het hare had gedaan, om luister aan dit gastmaal bij te zetten, of was het wellicht eene zelf beschuldiging dat hij de mannen aan zijn disch had genoodigd, die hij steeds als vijanden zou blijven beschouwen, dewijl zij het Vaderland reeds sedert veertig jaren hadden geteisterd, en het steeds met wraakgierige oogen zouden aanzien dat Luthers leer, de heerschende dwaalbegrippen uit deze streken verbannende, voor helderder denkbeelden had doen zegevieren? Noch het een, noch het ander kon zulk een ernstige stemming teweegbrengen. Alles was in de ruimste mate aanwezig en met de meeste zorg toebereid, en zelfs de laatste vooronderstelling werd van allen grond ontbloot, wanneer men zag hoe hij, met zijne altijdoprechtehartelijkheid, zijn beker tegen dien van Spinola stiet. Van Bergen zag in zijn edelen gast, niet den Spanjaard, maar den veldheer, den beroemdsten van zijn tijd.Eén was er slechts te midden dier aanzittenden, die zich zeergoed dien somberen blik kon verklaren, die inwendig juichte over het welslagen zijner poging, en een heimelijk genoegen schepte in het misnoegen des graven, hetwelk, zoo het door de andere gasten ware opgemerkt, hun voorzeker tot leedwezen zou verstrekt hebben.Adelgonde, wier treffend lelieblank gelaat aller oogen tot zich trok, was naast den jonker Van Rodenberg gezeten, en schoon zij des jonkers laffe aardigheden slechts luttel beantwoordde, meenden toch velen dat deze jongelieden wel mettertijd een paar zouden worden.Doch hoe moest niet Alonzo te moede zijn, die insgelijks met het gezantschap was medegekomen, en thans schuins tegenover de freule Van Bergen en den, in zijne oogen, nietswaardigen Van Rodenberg gezeten was? Voor de eene brandde hij van vurige liefde, welke hij echter, op haar eigen verzoek, moest verbergen zonder de reden wáárom te weten, en voor den ander blaakte hij van gramschap, en moest niettemin, met schier ongeloofelijke inspanning, zijne bedaardheid bewaren, om aan te zien hoe die ellendeling haar met zijne zoutelooze gesprekken zocht bezig te houden.Nog dienzelfden avond was hij gehouden zich met Van Rodenberg te meten; des morgens reeds vroegtijdig had hij een briefje ontvangen, waarin de jonker hem had gemeld dat zij beiden zich op het kasteel van Van Bergen zouden bevinden, en bij het naar huis rijden, aan het einde der laan van het Nieuwe Oosteinde rechts moesten inslaan om elkander bij den kruisweg, hetSteenen kruisgenaamd, met den degen te ontmoeten.Daar zag hij die twee naast elkander van welke hij de eene met zijn leven tegen elken aanval zou willen verdedigen, terwijl de ander, in zijn oog, niets anders dan den dood verdiende, dewijl hij een blaam op hare afkomst geworpen had, en thans, in weerwil daarvan, zich aanstelde alsof hij werkelijk haar uitverkoren ridder was.Van Rodenberg gevoelde insgelijks zeer wel wát er in het binnenste van Alonzo omging, doch toen hij bemerkte dat de Spaansche jongeling hem van ter zijde gadesloeg, zette hij zijn gruwelijk spel des te wreedaardiger voort.En Adelgonde, wel verre van behagen te scheppen in de woorden des jonkers, zag somwijlen met weemoed naar den schoonen Alonzo; zij maakte vergelijkingen tusschen zijn edel gelaat en dat des jonkers, waar de laagste hartstochten zoo duidelijk op te lezen stonden. Ook zij deed zich geweld aan, ook zij had een hevigen strijd in haar binnenste te voeren, en de eenige troost, dien de minnenden elkander geven konden, was de uitdrukking van hun gemoedsbestaan op hunne gelaatstrekken, hetgeen, hoewel voor anderen onopgemerkt blijvende, door de sympathie hunner zielen duidelijk begrepen werd.“Maar om ’s hemels wil, dierbare jonkvrouw!” zeide Alonzo, toen het middagmaal was ten einde geloopen, en hij, opgestaan, onbespied eenige woorden met Adelgonde kon wisselen: “wie toch heeft mij veroordeeld in uwe nabijheid te zijn, zonder u te mogen toespreken,zonder u te mogen zeggen wat ik mij zelven zoo dikwerf herhaal,—dat ik u bemin? O verklaar mij dat raadsel, wat heb ik misdreven? Ik hoopte op uw liefde. Gij zelve hebt mij die hoop geschonken. O, ontneem ze mij niet langer. Zeg mij één woord! Wie weet of dit niet het laatste zal zijn ...!”’ doch eensklaps hield hij op; greep Adelgondes hand en vervolgde; “Maar neen, dat zal het niet. Ik zal hem straffen,hem, die u....” doch weder zweeg hij stil. Zou hij onkiesch genoeg zijn om dat reine schepsel de blaam te ontdekken, welke slechts de valschheid op hare afkomst kon geworpen hebben? Neen, spoedig veranderde hij van toon en vervolgde zacht smeekend: “Ik bid u! schenk mij in dezen stond het antwoord op de vraag: “Kunt gij mij waarlijk beminnen?”Adelgonde ontwaarde dat sommigen der aanwezenden hen konden bespieden; zij moest een antwoord geven. Snel trok zij hare hand terug en fluisterde zacht: “Alonzo, ik bemin u!” Dadelijk verwijderde zij zich, en liet den jongeling in de zaligste verrukking achter.Het was vrij donker toen de gasten vanden Oldenburghhuiswaarts keerden, en ook de Spaansche gezanten hadden, na den gastheer hun dank te hebben betuigd, den terugtocht aangenomen. Alonzo reed achteraan, en het werd door de overigen niet opgemerkt dat hij, zijn paard gedurig inhoudende, hoe langer hoe meer achterbleef.Aan het einde der laan gekomen, waren zijne gezellen hem omstreeks honderd schreden vooruit, en toen zij links den weg naar ’s-Hage insloegen, reed hij in de tegenovergestelde richting, op het bepaaldeSteenen kruisaan.De jonge Alonzo, hoewel geenszins bevreesd voor de ophanden zijnde ontmoeting, was echter zonderling te moede. Deze dag zou mogelijk de laatste zijn welken hij beleefd had. Meermalen was hij met onverschrokken moed het vijandelijke vuur tegemoet getrokken; meermalen reeds had hij, op last van zijn vorst, aan de zijde zijns dapperen vaders, den vijand bestreden; maar nimmer nog was hij in een donkeren nacht uitgetogen, om zich met een vijand te meten, die bovendien nog de laagste was, dien hij ooit te voren gekend had. De werken der duisternis verafschuwende, en ijzende op het denkbeeld, een mensch, wie het dan ook wezen mocht, zonder getuigen te vermoorden, dit alles deed hem schier tot den terugtocht besluiten. Doch wat zou hem dan te wachten staan? aan welke bespottingen zou hij zich dan prijs geven? zou men hem dan met met den naam van lafhartige bestempelen? Hij kon niet anders. Hij moest voorwaarts! En zoo zijn laatste ure dan eens spoedig had geslagen; indien hij het slachtoffer moest worden van een billijke zaak, wat zou zijn leven dan geweest zijn! Hoe treurig zouden dan al zijne verwachtingen ten eenenmale den bodem zijn ingeslagen. Zijn dierbaar vaderland, het schoone Spanje, het land zijner vaderen, het nog schoonere Italië, zou hij nimmer wederzien. Zijn vader zou hem tevergeefs onder de levenden zoeken; hij zou niet op het veldvan eer zijn gestorven, en nimmer zou hij de zachte woorden: “Alonzo, ik bemin u!” meer hooren. Hij staarde in de duisternis, maar nergens ontwaarde hij eenig licht.Plotseling echter werden zijne overpeinzingen afgebroken door een zijsprong en het hevig steigeren van zijn klepper, die tot dusverre een geregelden stap had gehouden. Alonzo, daarop weinig voorbereid, was bijna uit den zadel gelicht, doch bedwong het verschrikte dier spoedig, en nu naar de oorzaak daarvan zoekende, meende hij iets te ontwaren, dat echter spoedig achter de dichte hoewel dorre struiken verdween.“Wie daar?” riep hij met krachtige stem, doch slechts een nauwelijks hoorbaar geritsel in de dorre bladeren was het bescheid op deze vraag.—Het zal wellicht eenig azend gedierte zijn waarvoor mijn schimmel zich bevreesd maakte, dacht Alonzo, en het beest nu de sporen in de lenden drukkende, galoppeerde hij over den breeden zandweg, gedurig uitziende naar den zijweg waar zich hetSteenen kruisbevinden moest.Doch zonderling kwam het hem voor, dat telkens wanneer er zich aan zijn rechterzijde eene opening in het kreupelhout bevond, een zwarte schim met dezelfde snelheid als zijn ros daar voorbijging. Zijne schaduw kon het onmogelijk wezen, want daarvoor was de schim te zwart en het licht van slechts weinige, door een benevelde sneeuwlucht heendringende sterren te zwak. Weder hield hij zijn paard in, doch bij een volgende opening ophoudende, ten einde te weten wat het eigenlijk was, ontdekte hij niets.—Ben ik dan waarachtig een kind of een jonge vrouw! sprak hij eenigszins verstoord tot zich zelven: dat het bewegen van een blad, of de verbeelding van eene schim te zien, mij vrees zou aanjagen, of ten minste opmerkzaam maken.—“Ik ben Alonzo Spinola!” riep hij eenigszins luid, doch steeds bij zich zelven sprekende, en zocht door deze gedachte alle banden te verbreken, die hem nog aan de bijgeloovigheid konden gekluisterd houden. Doch hoor, was datgrinnikendlachen, hetwelk hij na dien laatsten uitroep vernam, ook een spel zijner opgewekte verbeelding? Hadden zijne ooren hem dan ook nú bedrogen? Weder hield hij zijn paard plotseling stil en luisterde zeer aandachtig; doch—niet het minste geluid trof nu zijne ooren.Men duide het Alonzo niet ten kwade, en beschuldige hem niet van kleinmoedigheid, dat hij, weder voortrijdende, zijn pistool uit den holster trok en de oogen steeds naar de rechterzijde gewend hield, want wie toch zou niet, evenals hij te moede zijn, in het nachtelijk duister, op zulk een eenzamen weg, met zulk een doel voor oogen, en, hetzij dan door de verbeelding of wel in de werkelijkheid, aan dergelijke raadselachtige verschijningen overgegeven.Nog slechts weinige seconden had hij, alzoo gewapend, voortgereden, of hij bemerkte aan de plaats zijner bestemming te zijn gekomen. Van Rodenberg was nog niet aanwezig; en, van zijn paard stappende, bond Alonzo het met den teugel aan den tak van eenboom, die op den hoek van den weg stond. Het was vrij koud en de Noordoostenwind begon eenigermate op te steken; hij sloeg den mantel dichter om zijne leden, en plaatste zich met den rug tegen zijn schimmel, zoodat deze hem eenigszins tegen de koude beschutte. Zoo had hij nauwelijks eenige oogenblikken gestaan, toen een schaterend lachen opnieuw zijne ooren trof.“Gij zijt Alonzo Spinola!” riep eene stem, die den lach opvolgde, welke Alonzo door merg en been had gedrongen; “Zie hier dan—de groete van Van Rodenberg!” en in hetzelfde oogenblik brandde er eene pistool los, welk schot Alonzo den hoed van het hoofd nam. Hoewel wreedaardig verrast, verloor hij echter zijne tegenwoordigheid van geest niet; maar met bliksemsnelheid op de plaats toeschietende, vanwaar hij het vuurgeven had aanschouwd, zag hij er iemand staan, dien hij, zonder een woord te spreken, door een forschen stoot op de borst, achterover in een sloot wierp. De ijskorst, die deze sloot overdekte, tegen zulk een zwaarte niet bestand zijnde, brak, en de gestrafde booswicht met het bovenlijf door het ijs zakkende, ging in water en slijk een gewissen dood te gemoet. Alonzo deed nog alle moeite om den sluipmoordenaar te redden; maar tevergeefs stelde hij al zijne krachten in het werk. Na vele ijdele pogingen gaf hij dezen treurigen arbeid op, en dewijl de verslagene toch geen teeken van leven meer gaf, spoedde hij zich, verkleumd van koude, naar zijn schimmel. Toen hij echter aan de plaats was gekomen waar hij het beest had vastgebonden, ontdekte hij er geen spoor meer van. Zeker had het dier, door het schieten verschrikt, zich losgerukt en was het den weg stadwaarts ingeslagen. Daar stond hij nu alleen op deze akelige plaats. Niets zag of hoorde hij dan het fluiten van den guren wind. Vier wegen liepen hier ineen, en door het akelige tooneel dat er had plaats gegrepen, was hij geheel in het onzekere, welke dier vier wegen naar Den Haag voerde. Zijn paard, op welks instinct hij zich veilig had kunnen verlaten, was hem ontvlucht; niets bleef hem dus over dan op goed geluk een dier wegen te kiezen.Vruchteloos zocht hij eenige oogenblikken naar zijn hoed, doch toen hij dien nergens ontwaarde, hing hij den mantel over het hoofd en sloeg den weg in, welke hem het meest waarschijnlijk de rechte scheen te wezen.Alonzo, alzoo voortstappende, verloor zich in gissingen aangaande den persoon, door wien hij op zulk eene schelmachtige wijze was aangevallen. Zou het Van Rodenberg zelf zijn geweest, of slechts een dienaar zijner ongerechtigheid? Hij wist het niet; doch dankte den hemel, die hem nu reeds twee malen zoo duidelijk beschermd en bewaard had.Verder komende, bemerkte hij hoe langer hoe duidelijker, dat hij een verkeerden weg was ingeslagen; doch wat te doen? Zou hij terugkeeren, om, op den kruisweg gekomen, wellicht nogmaals een verkeerden weg te kiezen? Hij vond het geraden voort te gaan, en hoopte weldra eene woning te vinden, waar hij tegen een ruime belooning, verwarming en nachtverblijf zou kunnen bekomen. Weinigeminuten slechts had hij doorgeloopen, of hij werd aangenaam verrast door te ontwaren, dat hij een kasteel of landhuis naderde. Weldra bevond hij zich werkelijk in deszelfs nabijheid, doch zag nu een groote opgehaalde brug voor zich, die hem den toegang belette.Hier echter kwam hem de winter te stade, en de natuur, der menschen voorzorg bespottende, liet hem den vrijen toegang. Langzaam gleed hij langs de steile helling der gracht naar beneden; wel kraakte het ijs onder zijn lichten tred, doch in weinige vlugge stappen kwam Alonzo behouden aan de overzijde. Met moeite kroop hij weder tegen de gladde helling op; maar—vrij wat moeielijker zou het zijn om nu de zware eikenhouten poort te openen, die van buiten met ijzer was beslagen en van binnen voorzeker niet minder doelmatig zou voorzien zijn.Verscheiden malen deed hij van een: “Doe open!” de lucht weergalmen; doch niemand scheen bereid aan zijn billijk verzoek te voldoen, hetgeen hem echter niet afschrikte, maar aanwakkerde om des te harder te roepen, terwijl hij bovendien zijne stem van duchtige slagen op de zware poort deed vergezeld gaan. Een kwartier uurs mocht hij reeds tevergeefs alle middelen in het werk hebben gesteld, en begon hij de hoop op te geven van binnengelaten te zullen worden, toen hij van binnen ijzeren boomen hoorde wegschuiven, en een slot omdraaien.“Wie daar?” riep eene stem door de geopende reet der poort; on Alonzo, geen reden hebbende om zijn naam te verzwijgen, antwoordde schielijk, in de hoop spoedig zijn doel te bereiken: “Ik ben Alonzo Spinola, zoon van den markgraaf Ambrosio, behoorende tot het Spaansche gezantschap in Den Haag. Op een rit ben ik verdwaald geraakt, en verzoek thans zeer vriendelijk den eigenaar van dit kasteel, mij slechts voor een nacht te willen huisvesten.”“Zijt gij alleen?” vroeg de stem van binnen.“Geheel alleen!” was Alonzo’s antwoord: “zelfs mijn paard heb ik door een samenloop van omstandigheden verloren.” De deur werd nu van binnen weder gegrendeld en geboomd, en daar het scheen dat de onderzoeker zich verwijderde, bleef Alonzo nog steeds aan de koude gure nachtlucht prijsgegeven.Na opnieuw meer dan tien minuten te hebben gewacht, gedurende welken tijd Alonzo, als een schildwacht hard stappende, had op- en neder gegaan, weken de grendels voor goed, en noodigde hem de portier, in naam zijner meesteres, binnen te treden onder voorwaarde echter dat hij zijn degen zou afleggen. Als edelman nooit gewoon zich er van te ontdoen, veel minder nog zich te laten ontwapenen, aarzelde Alonzo eerst en maakte hiertegen eenige bedenkingen; doch de portier had uitdrukkelijken last, en verklaarde, dat men in deze tijden, ondanks den opgegeven naam, de voorzichtigheid niet uit het oog mocht verliezen, en dat dus den vreemdeling geene herbergzaamheid kon verleend worden zoo hij niet aan dezen eisch wilde gehoor geven.Alonzo moest van twee kwaden het minste kiezen. Het verschil tusschen den kouden nacht daar buiten, zonder behoorlijke dekking in een onbekende streek, en den koesterenden haard, een verkwikkende teug, benevens een rustig nachtleger daar binnen, deed hem spoedig tot de overgave van zijn sierlijk wapen besluiten. Nadat dit geschied en de zware poort weder gesloten was, geleidde de portier den van koude rillenden Alonzo over een ruime plaats en daarna eenige trappen op; ontsloot weder eene deur, en, na met hem een klein portaal te zijn binnengetreden, verzocht hij hem daar eenige oogenblikken te wachten. Het duurde echter niet lang of de man kwam terug, en den jongen Spinola weinige schreden vooruitgaande, opende hij hem nogmaals eene deur, en nu trad Alonzo eindelijk een ruim en wél verwarmd vertrek binnen, in welks midden twee personen gezeten waren.Achtste hoofdstuk.De graaf Van Bergen bracht den nacht na het door hem gegeven gastmaal hoogst onrustig door. Geenszins was dit veroorzaakt door een overmatig gebruik der voortreffelijke spijzen of kostelijke wijnen die zijne tafel hadden bedekt; want Van Bergen had een afkeer van alle onmatigheid, en zag steeds met minachting neder op hen, die: “van hun buik,” zooals zijn Verlosser gezegd had: “hun afgod maakten.”—Het waren zielskwellingen die wreedaardig den slaap uit zijne oogen verbanden. Het was een pijnlijk opzien tegen den volgenden morgen, een pijnlijk opzien tegen het ten uitvoer brengen van zijn genomen besluit, entoch,tochkon en mocht hij niet anders handelen.Het was nog niet volkomen dag geworden toen Van Bergen reeds van zijn legerstede sprong, en, na zich in een morgengewaad te hebben gestoken, het raam openstiet.Wel waren de in lood gevatte vensterglazen met sierlijke Februari-bloemen beschilderd; wel was het een koude wind die hem van buiten tegenwoei, doch deze was hem als een zachte zefir, die zijn gloeiende wangen aangenaam verfrischte.“God! wat zijt Gij groot en wat is Uwe schepping schoon!” riep de graaf in verrukking uit, terwijl hij aan den oostelijken gezichteinder de zon uit de kimmen zag verrijzen. “Ja, groot en goedertieren waart Gij,o God! toen op uw machtig woord: “Daar zij licht!” de prachtige hemelbol voor het eerst haar glans over dit aardrijk verspreidde. Groot en goedertieren waart Gij toen reeds, o Hemelsche Vader! en toch zou Uw zon slechts rechtvaardigen beschijnen, slechts zou zij licht en warmte geven aan den mensch, die naar Uw beeld was geschapen. Doch, waart Gij toen reeds een goedertierenen zorgend Vader, hoeveel te meer zijt Gij het thans, nu Gij Uw zon laat opgaan over boozen en goeden, nu Gij zegen schenkt aan rechtvaardigen en onrechtvaardigen....—Ja, genadig God! Gij zegent ook onrechtvaardigen!—Aan Uw gevallen zondig schepsel hebt Gij een Heiland, een Zaligmaker, Uw eeniggeboren Zoon geschonken, opdat een iegelijk in Hem zou gelooven, opdat niemand zou verloren gaan, maar door Zijn schuldeloos vergoten bloed eeuwig zalig zou worden.—O, dank daarvoor, oneindig groot en barmhartig Opperwezen!” ging Van Bergen voort, terwijl hij zijne handen samenvouwde en den blik dankbaar naar den hemel richtte: “Maar dank, driewerf dank bovenal, dat Gij, door een Luther te verwekken, ons hebt bewaard om weder van die reine leer afvallig te worden, dat Gij ons door dien grooten hervormer van bij- en ongeloof hebt willen losmaken, dat Gij ons door hem de woorden van Christus, tot zijn volgelingen gesproken, hebt willen terugschenken, zoodat wij Hem nader leeren kennen en U in Hem. Gij hebt het gezien, o God! wij hebben ons leven voor des Zaligmakers reine Evangeliewoord veil gehad. O, geef dat geen lauwheid voor dat heilige vuur, ’t welk ons bezield heeft, in de plaats trede; dat wij niet inslapen, en onze vijanden gedurende dien slaap, ons datgene weder komen ontnemen, wat slechts alleen in staat is aan onze zielen rust, en aan ons land geluk te schenken, maar geef ons tevens, o Hemelsche Vader! dat wij onze vijanden, hoewel bestraffende en hunne leer verwerpende, niettemin, naar Christus voorbeeld, trachten lief te hebben en te vergeven, gelijk wij steeds van U, liefde en vergeving noodig hebben.”Van Bergen deed, na dit oprecht en geloovig gebed, het vensterraam weder dicht; nam Luthers bijbelvertaling ter hand, en las daarin hoe Christus den lijdenskelk geenszins van de hand gewezen, maar gewillig geledigd had.—Naar dit voorbeeld zal ik handelen, dacht Van Bergen, toen hij het boek weder dicht sloeg: met moed zal ik de moeielijke taak vervullen, dewijl mijn plicht het vordert.Hij floot op zijn zilveren fluitje, en weldra trad zijn oude dienaar Burgman binnen.“Goeden morgen uwe genade!” zeide deze: “dat heet ik vroeg opstaan. Om halfacht al uit de veeren, zonder dat er iets te doen is. De jacht is gesloten en de vijand is uit het veld.”“Burgman, ik wenschte hier wat vuur aan den haard te hebben,” zeide Van Bergen, niet willens de opmerkingen van zijn dienaar te beantwoorden: “Hetontbijtmoet ook hier worden gebracht, en gij zult de freule doen weten, dat ik haar, zoodra zij gekleed zal zijn, op mijne kamer wensch te spreken.”“Zeer wel uwe genade!” antwoordde Burgman, en ging deze bevelen ten uitvoer brengen, niet begrijpende wat de oorzaak mocht wezen dat zijn heer, die anders altijd een praatje voor hem veil had, dezen morgen zoo stug en afgetrokken was.Weldra knapte het vuur aan den haard en stond het ontbijt op de vierkante, met bruin leder bekleede tafel, en niet lang daarna trad Adelgonde het slaapvertrek van haar vader binnen.“Hebt gij wel geslapen, lieve vader?” vroeg zij, terwijl zij den graaf een hartelijken zoen gaf: “Ik heb mij gehaast aan uw verzoek te voldoen; gij hadt mij, geloof ik, iets te zeggen, nietwaar?” en tevens sloeg zij, licht blozende, hare oogen naar den grond.“Ja lieve Gonne,” antwoordde Van Bergen langzaam, haar met meewarigen blik beschouwende: “ja, ik heb u vele en belangrijke zaken mede te deelen. Zet u hier nevens mij, en wil bedaard zijn zoo ik u over zaken spreek die ik niet langer voor u verbergen mag, zoo ik snaren aanroer die u pijnlijk zullen zijn, en die u wellicht wonden zullen slaan. Mijn plicht gebiedt mij te spreken, en u te openbaren wat ik tot dusverre voor u verborgen hield, maar tevens om u met mijne raadgevingen naar vermogen te ondersteunen.”“Goede hemel! gij doet mij ontstellen, liefste vader!” zeide Adelgonde, die wel gissingen maakte, maar niet kon vermoeden wat zij zou vernemen: “Uw gelaat staat zoo droevig, zoo ernstig; altijd hadt gij mij lief, altijd zijt gij mij bijna meer dan een vader geweest, en thans, in dit vroege morgen uur, ontbiedt gij mij om mij diepe wonden te slaan....? Lieve vader, wat heb ik misdreven? Waaraan heb ik mij schuldig, waardoor mij uwer onwaardig gemaakt? O, zeg het mij met één woord, en ik zal u vergiffenis vragen en alles weder goedmaken.”“Tot dusverre hebt gij niets misdreven, liefste Gonne!” hervatte Van Bergen, die zich geweld moest doen om het aangevangen gesprek te vervolgen: “Gij zijt mij boven alles dierbaar; niets beoog ik dan uw geluk alleen, en daarom bid ik u, wil mij bedaard en kalm aanhooren.” Toen nam hij haar kleine hand een oogenblik in de zijne, en vervolgde, haar liefderijk aanziende, aldus: “Achttien jaren reeds mag ik u mijn lieve dochter noemen; achttien jaren heb ik u als mijn oogappel liefgehad, voor u gezorgd, gewaakt en gebeden. Welk geluk zou grooter voor mij kunnen zijn, dan u verder in dit aardsche, en ook in het toekomende leven gelukkig te zien! Tot dusverre heb ik u niet willen afstaan; de vele aanzoeken om uwe hand heb ik afgewezen; ik had daarvoor vele redenen, welke ik u later zal ontvouwen. Maar thans is het oogenblik gekomen waarin ik u een huwelijk heb voor te slaan. Ik mag u niet langer aan uw bestemming onttrekken, om zelfzuchtig u voor mij alleen te behouden. Een jong edelman biedt u zijn hart en zijn naam aan; hij wil u beminnen en een alleszins waardig echtgenoot voor u zijn.”Adelgonde werd bij deze laatste woorden doodsbleek, zij bevroedde reeds wie haar als echtgenoot zou worden voorgesteld. Zij huiverde op dat denkbeeld, en de vraag: “Hoe is zijn naam?” bestierf haar op de lippen.“Ruim drie en twintig jaren geleden,” ging Van Bergen voort; “stond ik aan het sterfbed van mijn krijgsmakker, den baron Van Rodenberg. Wij hadden lief en leed te zamen gedeeld, en eenmaal zelfs had hij mij het leven gered. Een hevige koorts, door een zware wond veroorzaakt, verhaastte zijn dood; in zijn laatste oogenblikkenstond ik bij hem, hij sprak niet meer; weinige seconden echter voor hij den adem uitblies, stamelde hij nog met bevende lippen den naam van Walter.... En nu, die Walter, de zoon van mijn getrouwen strijdgezel, heeft uwe hand gevraagd. Wat dunkt u Gonne, van den naam Van Rodenberg?”Een luid snikken was het eenige antwoord, dat het lieve meisje gaf.De graaf fronste de wenkbrauwen, zag haar vorschend aan, en ging toen voort: “Zou het dan werkelijk waar zijn wat mij is ter oore gekomen? Zoudt gij inderdaad uw liefde reeds hebben weggeschonken? Zou het dan toch waar zijn dat gij een zondige neiging koestert, en een Spanjaard bemint? Ben ik wel onderricht Adelgonde? Is het waarheid wat ik hoorde maar niet kon gelooven? Wilt gij met den vijand heulen!? Zoudt gij de gade willen worden van een man, die uw geloof verkettert en onze reine leer beschimpt en versmaadt? O, als dat zoo ware, zou ik wenschen u nimmer te hebben gekend! Goddank! dat ik nog tijdig u kan waarschuwen tegen den verderfelijk en strik, dien gij u zelven zoudt gespannen hebben. Bid om kracht Adelgonde! ten einde een hartstocht te bestrijden, die Gode onteerend en uwer onwaardig is.”Nadat Van Bergen deze woorden gesproken had, ontstond er een kleine pauze, welke slechts door een pijnlijk snikken van Adelgonde werd afgebroken. Zij had zulk een plotselinge ontknooping van hare liefelijke droomen en teedere wenschen niet kunnen vermoeden. Wel had zij in de laatste dagen aan het minder vriendelijke gelaat van haar vader meenen te bespeuren dat hem iets in haar mishaagde, doch zij was huiverig geweest om dat minder vriendelijke voorkomen aan de ware oorzaak toe te schrijven, immers zij had het geraden gevonden, om vooralsnog hare liefde zoowel voor hem als voor de wereld geheim te houden, maar nu, geenszins had zij gedacht dat haar in plaats van dien edelen Spanjaard, een man ten huwelijk zou worden aangeboden, dien zij reeds bij een oppervlakkige beschouwing moest minachten.Adelgonde droogde eindelijk hare tranen af, en zeide met eene nauwelijks hoorbare stem, terwijl zij den graaf met hare hemelsche, doch thans natbekretene oogen aanzag: “Is het dan zonde lieve vader, een vijand te beminnen? Heeft Christus ons niet geleerd zelfs zijne vijanden lief te hebben? Kan het mij ten kwade geduid worden dat ik een hemelsbreed onderscheid maak, tusschen den edelen Spinola en den terugstootenden jonker Van Rodenberg. O, zie ze beiden, en veroordeel mij niet.”Van Bergen scheen in strijd met zich zelven. Zou hij spreken, zou hij op den ingeslagen weg voortgaan, en het lieve meisje verder geheel ter neder slaan? Of zou hij dit onderhoud staken, en nogmaals nauwkeurig wikken en wegen hetgeen hij haar te zeggen had? Doch neen, waarom thans verzwegen, ’t geen hij haar toch eenmaal moest openbaren. Zijn medelijdend hart spoorde hem wel tot zwijgen aan, doch zijn verstand gebood hem te spreken.“En zoo het voor uwe eer,” ging Van Bergen voort: “voor uwe en mijne rust eens beter, ja zelfs noodig ware, dat gij uwewenschen liet varen, en Van Rodenberg zocht te beminnen....?”“Voor uw geluk, voor uwe rust!” viel Adelgonde hem snel in de rede: “dierbare vader, daarvoor, ja daarvoor zou ik mijn leven gaarne veil hebben, maar spreek, bid ik u, zeg mij, hoe is het mogelijk dat een toestemmen in dit aanzoek, waarvoor ik terugdeins, ú gelukkig zou kunnen maken en tevens voor mijne eer zou noodig zijn?”“Luister dan, goede Gonne!” hernam Van Bergen, terwijl hij de oogleden op elkander drukte om een opwellenden traan te verbergen: “Luister aandachtig, ik zal u een deel mijner treurige levensgeschiedenis mededeelen.—Twee jaren na den dood van mijn vader, nu omstreeks zes en twintig jaren geleden, leerde ik een jonge schoone kennen. Haar blik had een diepen indruk op mij gemaakt, en dewijl mij niets in den weg stond, besloot ik Clarisse Aduaar tot gade te nemen. Weldra vroeg ik haar ten huwelijk en het duurde geen zes maanden of wij waren echtgenooten. De reinste en teederste liefde heerschte er steeds tusschen ons. Wij leefden voor elkander, en deelden samen des huwelijks lief en leed....” Van Bergen hield eenige oogenblikken stil en staarde strak voor zich neder.“Ga voort lieve vader!” zei Adelgonde: “Gij hebt mij nog nooit van mijne moeder gesproken. O verhaal mij iets van haar, die ik nooit heb mogen kennen.”Van Bergen zag haar met een medelijdenden blik aan, en vervolgde: “Drie jaren hadden wij reeds in liefde met elkander geleefd en tevergeefs om een pand onzer huwelijkstrouw gebeden, toen ons gebed eindelijk werd verhoord, en mijne dierbare Clarissa mij hare hoop openbaarde, van moeder te zullen worden. Onze vreugde was groot, en de tijd harer bevalling naderde. Doch helaas! de Hemel had niet besloten ons geluk te volmaken. Mijne tegenwoordigheid werd in het leger vereischt; ik kon mijne hulp aan het vaderland, zelfs in deze voor mij zoo zorgvolle oogenblikken, niet weigeren. Ik moest mij tot den kamp gereed maken, en mijn beminde vrouw in den bangen stond, die weldra zou aanbreken, aan zich zelve overlaten. Na eene afwezigheid van drie treurige weken keerde ik opden Oldenburghterug. De luiken waren gesloten. Sidderend vroeg ik aan den eersten bediende dien ik ontmoette, wat er was voorgevallen. Mevrouw is veel beter, antwoordde hij. Zij leeft! riep ik vol blijdschap en liep naar haar slaapvertrek. Clarisse lag, hoewel doodsbleek en zwak, gespaard in haar ledikant. Dankbaar drukte ik een kus op haar voorhoofd, en vroeg zacht: En ons kind? Zij sloeg een treurigen blik hemelwaarts, maar antwoordde niet.—Waar is mijn kind? vroeg ik aan de verzorgster mijner vrouw, die mede in het vertrek was. Deze schudde het hoofd en wenkte mij haar te volgen. Is mijn kind dood? vroeg ik weder toen de vrouw mij de blauwe kamer binnenvoerde, die met rouwfloers was bekleed: “Helaas, uwe genade! zeide zij: het lieve kind heeft maar weinige oogenblikken geleefd, nadat mevrouw het met smart had ter wereld gebracht. En, hemel! daar lag werkelijk het zoo vurig van God gebeden kind dood in zijn kistje!”Van Bergen hield weder eenige oogenblikken stil, en vervolgde toen: “Ik nam het lijk van mijn zoontje uit zijn doodsche rustplaats; drukte het aan mijn hart, doch dankte tevens den hemel, dat hij mij nog niet alles had ontnomen, en ik, in Gods wil berustende, de woorden van Job kon nazeggen: De Heere heeft gegeven; de Heere heeft genomen; de naam des Heeren zij geloofd!.... Den volgenden dag bracht ik mijn zoontje naar het stille graf. Clarisse herstelde, en weder sleten wij in elkanders bezit dagen vol zaligheid. Eindelijk scheen God ons het verlorene te willen terugschenken; weder verkeerde mijne nu zalige gade in de blijde verwachting; weder hoopten wij op een spruit onzer min; doch ook tevens weder zou het mij niet vergund worden bij hare moederwording tegenwoordig te zijn. De verderfelijke woelingen der Spanjaarden vereischten opnieuw mijne medewerking. Nogmaals keerde ik behouden uit den strijd terug. Weder kwam ik door hoop en vrees geslingerd opden Oldenburghaan; doch, gerechte hemel! ook nu weder waren de luiken gesloten; een doodsche stilte heerschte rondom mij, en niemand kwam mij met een blijde boodschap te gemoet.—Wat is hier voorgevallen? riep ik den eerste toe dien ik ontmoette: Ach! zijt gij daar, uwe genade, was het antwoord: De goede gravin heeft eene dochter ter wereld gebracht; doch hare genade is kort daarna bezweken....”Van Bergen begon bij de herinnering aan dat verpletterend oogenblik hevig te beven. Krampachtig sloot hij de handen om de armen van zijn leuningstoel, en Adelgonde, diep bewogen met hetgeen haar vader moest lijden, gaf hem een dronk water; sloeg haar arm om zijn hals, en hem vertroostend aanziende, zeide zij zacht:“Maar die goede lieve moeder had u immers eene dochter geschonken? en die dochter heeft u immers lief? Zij wil u immers eenigszins dat gemis vergoeden, en alles doen wat zij kan, om u ...”“Houd op! houd op!” riep Van Bergen op hartverscheurenden toon: “O mijn God! Adelgonde! gij zijt mijne dochter niet. Zij is dood! dood! evenals mijn zoon! evenals mijne Clarisse!.... Dood!”—riep hij nogmaals, en zag toen hoe Adelgonde hare oogen stuipachtig sloot en weder open deed, en eindelijk met een flauwen zucht bewusteloos nederzeeg.“Gonne, liefste Gonne!” smeekte Van Bergen, door dit toeval tot zich zelven gekomen, terwijl hij het bezwijmde meisje op een stoel plaatste: “Lieve dochter, kom tot u zelve! Moest ik u dan de waarheid niet openbaren? Moest ik u niet mededeelen, dat een paar arme doch eerlijke lieden uwe ouders waren; dat zij u aan mij hebben afgestaan, wanneer ik als een vader voor u wilde zorgen, opdat ik door uw bezit, eenigszins voor mijne dierbare verlorene betrekkingen mocht worden schadeloos gesteld? Moest ik u niet zeggen dat Van Rodenberg—door wien weet de hemel—achter de waarheid uwer afkomst gekomen, uw naam wil bekend maken zoo gij zijne gade niet wordt? Gonne! dierbare Gonne! ofschoon ik uw vader niet ben, ik blijf voor u niettemin steeds een liefderijk vader!Adelgonde hoorde hem niet; hare ademhaling was ongeregeld:Een vreeselijke storm had over de teedereHagenleliegewoed!Negende hoofdstuk.“Ik bid om verschooning, edele vrouw!” sprak Alonzo, toen hij het slotvertrek binnengetreden, de vermoedelijke eigenares met een sierlijke buiging naderde: “Ik vraag u zeer om verschooning, dat een ongelukkig toeval mij in de noodzakelijkheid bracht, voor één nacht uwe gastvrijheid te moeten inroepen. De wegen zijn niet veilig, en, onbekend in deze streken, ben ik aan het dwalen geraakt.”“Maak geen complimenten mijnheer!” zeide de dame, met een Fransch accent, terwijl zij opstaande, Alonzo met eene nijging begroette: “Het is mij zeer aangenaam u van dienst te kunnen zijn. Zie hier mijn vriend en trouwen rentmeester Rosio!” vervolgde zij, Alonzo een man voorstellende, die tot dusverre aandachtig in een klein gebedenboek gelezen had.“De vermoeiden zijn ons steeds welkom,” zeide Ambrosio, mede opstaande en nam te gelijk met zijn kleine grijze oogen den nieuw aangekomene, van het hoofd tot de voeten, nauwkeurig in oogenschouw.Weldra zat Alonzo bij het knappende vuur, en moest, op uitnoodiging der dame, verhalen wat hem overkomen en hoe hij in dit late uur, zonder paard, zoover van de stad verdwaald was.Met eenige omzichtigheid deelde hij het gastmaal opden Oldenburghmede; verzweeg de afgesprokene ontmoeting met Van Rodenberg, maar gaf voor, in het naar huis rijden van den rechten weg te zijn afgedwaald; verhaalde voorts dat hij door een straatroover was aangevallen, welken hij ter aarde had geworpen; dat zijn paard hem in dien tusschentijd was ontloopen, en hij, niet wetende waarheen zich te wenden, den weg had ingeslagen, die hem, dank zij de goedheid der edele bewoners, in deze veilige haven had binnengevoerd.“Het is onbegrijpelijk!” sprak de dame, toen Alonzo geëindigd had, terwijl zij steelsgewijze haar rentmeester aanzag: “onbegrijpelijk! dat er op de publieke wegen niet beter voor de veiligheid wordt gewaakt. Den hemel zij echter gedankt,” en zij maakte het teeken des kruises: “dat een zoo schoon en kloek edelman niet het slachtoffer der boosheid geworden is! Een roemer wijn zal u niet onwelkom wezen?” vervolgde zij; “Rosio zal mij wel den dienst willen doen, een goede flesch te gaan halen.”Rosio stond, zonder te antwoorden, van zijne zitplaats op; zag zijne gebiedster vragende aan, en Alonzo, die de spattende vonkengadesloeg, bemerkte niet dat de dame dien vragenden blik met een heimelijk knipoogen beantwoordde.“Gij kent dus den graaf Van Bergen?” vroeg de dame toen Rosio vertrokken was.“Zooals ik u zeide, edele vrouw!” antwoordde Alonzo: “dezen middag was ik zijn gast: evenwel was het mij niet vergund hem meer van nabij te leeren kennen.”“Dan is het al zeer toevallig,” hernam de gravin: “dat gij uw middagmaal bij den zoon hebt gebruikt en een nachtverblijf bij de moeder komt zoeken.”“De graaf Van Bergen is uw zoon?” zeide Alonzo verrast, terwijl hij de dame met een blik beschouwde, die hare eigenliefde streelde: “Voorwaar mevrouw,” ging hij voort: “het geleden ongeval wordt mij thans aangenaam vergoed, dewijl ik daardoor de eer en het genoegen heb, kennis te maken met de moeder van den alom beminden en dapperen graaf Van Bergen.”De douairière glimlachte. “Met recht verdient mijn zoon de eer die ieder hem toekent,” hernam zij: “ook ben ik niet weinig trotsch op hem: hij was de oogappel van zijn zaligen vader. Doch wat dunkt u van zijne dochter Adelgonde?” en bij deze vraag zag zij den jongeling met hare scherpe, meest voor zich nedergeslagen oogen zijdelings aan.Alonzo werd bij deze vraag vuurrood: “De freule is inderdaad zeer schoon,” antwoordde hij, zich herstellende: “nooit te voren, mevrouw, zag ik een gelaat met zooveel uitdrukking als dat van uwe kleindochter.”“Het is de algemeene opinie,” hervatte de gravin: “men kan zeggen, dat hare schoonheid ruimschoots vergoedt hetgeen een onwettige geboorte haar doet missen....”“Een onwettige geboorte?” riep Alonzo, met eene stem, die duidelijk verried, dat zijn hart pijnlijk werd aangedaan: “Is het dan waarheid mevrouw, hetgeen ik veronderstelde, dat slechts een valsch gerucht kon hebben uitgestrooid?”“Gij hebt het niet geloofd mijnheer?” zeide de gravin, terwijl zij haar fraaie kleine hand beschouwde aan welker vingeren verscheidene kostbare ringen staken: “Inderdaad, het is zonderling,” vervolgde zij: “dat mijn zoon aan dit kind eene liefde toekent en haar eveneens behandelt als ware het de dochter zijner overledene gade.”Alonzo sprak niet, maar staarde vóór zich. De gravin had zeer wel den indruk bespeurd, dien hare woorden op den jongen Spanjaard gemaakt hadden; zij liet dit echter niet blijken, maar ging op een beklagenden toon voort: “Ja, het lieve kind is wel medelijdenswaardig! hoe treurig zal het haar eenmaal zijn, als zij verneemt dat een dienstbare van haar vader hare moeder was. Eenmaal toch moet ook haar ter oore komen hetgeen nu reeds ieder weet, en wat zal er dan van haar worden! Wat zal het zijn na den dood van mijn zoon! Vermogen laat hij haar niet na. Zijne goederen zijn bezwaard. Reeds is het schoone kasteelden Oldenburghhet zijne niet meer. Gedurig put ik mij uit, om den zoon van mijn onvergetelijkenechtgenoot in zijn rang en stand staande te houden. Verre is het echter, dat ik daar eenigen roem op zou dragen; ik begeer zelfs geen dank; doch de arme Adelgonde, hoe ongelukkig, hoe ellendig zal zij eenmaal zijn!” en bij deze laatste woorden drukte zij de oogleden op elkaar, en weldra rolden er verscheidene tranen over hare wangen.“Die schoone bloem!” zeide Alonzo met een diepen zucht: “Zoo hemelsch schoon! zoo goed! zoo edel! en toch geschandvlekt voor de wereld!....”“Het eenige middel om haar te redden,” hernam de gravin Van Bergen, “is een goed huwelijk. Meermalen is zij werkelijk reeds, om hare vermaarde schoonheid, bij de jongelingschap in aanmerking gekomen; doch mijn zoon heeft haar helaas! als eene coquette grootgebracht; de freule is niet weinig difficile. Dit komt haar vader echter zeer te stade, want niets wenschte hij vuriger, dan dat zij de gade van een jongen edelman zou worden, aan wien hij, om financieele omstandigheden, de grootste verplichting heeft.—De jonker Van Rodenberg,” vervolgde zij, Alonzo even aanziende, “heeft hem reeds jaren lang op de edelmoedigste wijze met zijn belangrijk vermogen bijgestaan; en deze jonker Van Rodenberg, dien gij wellicht reeds hebt leeren kennen, of anders hebt hooren noemen, heeft, zegt men, tot onuitsprekelijke blijdschap van mijn zoon, ongeacht Adelgondes schandelijke geboorte en Van Bergens treurige omstandigheden, hare hand gevraagd. Zoo Adelgonde dit aanzoek van de hand wijst, is haar vader een verloren man; aanzienlijke sommen is hij dien jonker schuldig, en voorzeker zal deze als de beminde schoonzoon, die schulden grootmoedig kwijtschelden, ja dán zelfs met zijne ondersteuning voortgaan; doch daarentegen ook, als een afgewezen en mistroostig minnaar, een dreigend en vreeselijk schuldeischer worden.”Terwijl de gravin deze laatste woorden sprak, kwam Rosio terug, gevolgd door een bediende, die eenige ververschingen benevens wijn en bekers op de tafel plaatste.“Nu Mechteld dood is,” ving de rentmeester aan, “kan men ternauwernood de meest benoodigde zaken vinden. Aafke is vroom en goed, maar als alle vrouwen Maria’s waren, dan zouden wij mannen, wel Martha’s moeten worden.—Zie hier jonkman!” en hij overhandigde Alonzo een beker wijn.“Ik dank u mijnheer,” zeide Alonzo, als uit een droom ontwakende, en ledigde den hem toegereikten beker in één teug.“Gij zult het weinige, dat wij u kunnen aanbieden, voor lief moeten nemen, edele gast!” zeide de gravin weder op minzamen toon: “Het zou ons niet mogelijk zijn, u zulke schotels voor te zetten, als waarop uw waardige gastheer u dezen middag heeft onthaald.” Een spotachtige glimlach speelde bij deze woorden om hare lippen: “maar,” vervolgde zij: “toch wil ik hopen dat dit weitebrood, die gebakken visch en deze goede Hollandsche kaas, u eenigszins zullen verkwikken.”“Het spijt mij inderdaad,” zeide Alonzo, wiens eetlust, door hetgeenhij gehoord had, ten eenenmale was geweken, “dat deze moeite voor mij is gedaan, dewijl ik zelden des avonds eenige spijze gebruik.”“Het is te wenschen,” hernam de gravin, “dat deze Bourgogne meer genade in uwe oogen zal hebben! Edele Spinola, ik drink het welzijn van uw schoon vaderland! het welzijn van Spanje, dat land der oranjeboomen, dat heerlijke land waar ik de zaligste uren gesmaakt heb!” en terwijl zij haar beker ledigde, tintelden hare oogen van een vuur, dat met haar leeftijd zonderling in weerspraak was.Alonzo, wien het goed deed den lof van zijn vaderland te hooren verkondigen, en die de gastvrijheid welke hij genoot, niet met onheuschheid wilde beantwoorden, deed, hoewel zijne ziel met een geheel andere zaak was vervuld, de gravin op haar uitgebrachten toost bescheid, en dronk op den vrede tusschen Holland en Spanje.Intusschen gaf Alonzo nu al spoedig te kennen dat hij zich zeer vermoeid gevoelde, en dat het hem aangenaam zou zijn indien hij zijn nachtleger mocht opzoeken. Aan dit verzoek werd met veel bereidwilligheid gehoor gegeven. Alvorens te vertrekken moest Alonzo echter nog een beker ledigen; en Rosio, die steeds geschonken had, liet behendig, zonder dat de jongeling dit bemerkte, een poeder in den beker glijden, dien hij vervolgens aan Alonzo overhandigde.“Morgen vroegtijdig wenschte ik weder stadwaarts te gaan,” zeide Alonzo opstaande: “Ik zal dan waarschijnlijk niet het genoegen hebben u nog te zien. Met dezen dronk dank ik u dus edele vrouw, voor de mij betoonde gastvrijheid, en wensch u evenals mijnheer Rosio een goede nachtrust!”Na dezen afscheidsdronk zeide de gravin hem met de meest mogelijke vriendelijkheid vaarwel, en Rosio, den graaf tot aan de deur vergezellende, reikte hem de hand ten afscheid, en gelastte een bediende den graaf Spinola naar zijn slaapvertrek te geleiden.“De duivel gaf het hem in, niet langer te toeven,” zeide de rentmeester, zoodra Alonzo vertrokken was: “Van Rodenberg zit reeds gedurende een half uur in de zijkamer te wachten.—Treed binnen jonker!” riep hij, en opende eene deur, die aan het andere einde der kamer was, en door welke Walter Van Rodenberg werkelijk binnentrad.“Die vervloekte hond is den dans ontsprongen!” zeide hij, zich in een armstoel werpende, zonder de gravin of Rosio te groeten. “De onhandigheid van dien altijd droomenden Casper was mij bijna duur te staan gekomen. Goed dat die lummel naar de eeuwigheid ia verhuisd. Toen ik op de plaats kwam waar ik den Spanjaard in zijn bloed dacht te vinden, ontwaarde ik niets dan de beenen van den roodkop, die uit de sloot omhoog staken. Met behulp van Arends trok ik hem er uit, en waarachtig de onhandige kerel leefde nog. Vervloekt, zeide hij met een flauwe stem; Van Rodenberg heeft mij tot dit schelmstuk overgehaald; toen riep hij den hemel nog om genade aan, maar dewijl het mij niet paste den ezel bijadem te laten, mij later in opspraak te brengen, gaf ik hem den genadeslag. Nu is hij voorgoed bezorgd, en de zaak zal voorzeker niet uitlekken.”“Met dat al hebt gij niets gewonnen,” zeide de gravin: “Uw medeminnaar leeft; hij kan het gebeurde bij het gerecht aangeven. Alle schijn is tegen u, en voorzeker zal Spinola begrijpen dat gij alleen den aanslag hebt gesmeed.”“Voor dien Spaanschen hond ben ik nu in het minst niet meer bevreesd. De grap van dezen avond had zelfs wel geheel achterwege kunnen blijven, want weet, dat ik geen oogenblik twijfel, of de zaak opden Oldenburghheeft zijn beslag. Bij mijne ziel! het was zonderling te zien, welke oogen mijn aanstaande schoonpapa opzette, toen ik hem verhaalde hetgeen hij dacht dat niemand ooit te weten was gekomen. De vrees dat de wereld vernemen zou, wat ik, bij eene weigering, dreigde te openbaren; de vriendschap die de graaf voor mijn vader heeft gehad, en de aanbeveling op diens sterfbed, alles kwam mij te stade. Zelfs was mijne vrees ongegrond dat Alonzo Spinola genade bij den graaf zou gevonden hebben. Hij heeft een afkeer van zijne en uwe Paapsche leer, en haat den vijand sterker dan ik dit eerst geloofde. Het lieve duifje zal den wil van haren vader doen. Ik huw haar; de graaf sterft weldra, en de goederen der Van Bergens worden mijn eigendom.”“En gij zult uw geluk aan mij te danken hebben,” hernam de gravin toen Van Rodenberg geëindigd had. “Doch wat vangen wij thans met Spinola aan?”“Hij slaapt voorzeker reeds als een roos,” zeide Rosio: “Het ware verkeerd geweest indien hij den jonker gezien had, doch mij dunkt....”“Hij moet ongedeerd van hier vertrekken,” viel Van Rodenberg hem in de rede: “Hij kan mij geen kwaad. Ik verwijt hem des noods dat hij lafhartig achterwege is gebleven. Al wilde hij ook het voorgevallene bekend maken, het zal mij niet deren. Hij kan niets tegen mij bewijzen; of.... des noods heefthijeen moord begaan!”Intusschen werd Alonzo, in de hem aangewezen kamer gekomen, door een hevigen slaap overvallen. Zijne oogleden werden hem zoo zwaar als lood, en de ware oorzaak daarvan niet bevroedende, schreef hij dit aan den ouden Bourgogne-wijn toe, waarvan hij misschien wat te veel gedronken had. Snel ontdeed hij zich van zijn wambuis, en wierp zich toen op het groote ledikant.Een diepe slaap maakte zich weldra van hem meester, en benauwende droomen, zonder eenigen samenhang, vervingen elkander met de zonderlingste afwisseling. Nu eens zag hij Adelgonde Van Bergen in een vlammenden wagen gezeten, welke in de lucht door duivelen en saters met woest geschreeuw werd voortgetrokken; dan weder vielen er uit den hemel de schoonste bloemen voor zijne voeten neder, doch veranderden, wanneer hij die wilde oprapen, eensklaps in sissende slangen en venijnige adders. Spooksels en bekende personen dansten te zamen in allerlei vreemde sprongenen met luid misbaar hand aan hand om hem heen. Allen staken den draak met hem, en lachten luidkeels. In ’t eind verscheen er voor zijne oogen een lieftallig kind; het hief de handjes naar hem op en zag hem smeekend aan. Het trok hem met zich voort, al verder en verder, steeds afdalende en al dieper en dieper zinkende. De plaats waar zij kwamen was akelig doodsch; een groote blauwe zerk lag op de aarde; de steen ging langzaam open, en een levend geraamte rees uit de groeve omhoog. “Edele heer! edele heer!” riep het kind angstig smeekend: “edele heer!” riep het nogmaals luider, Alonzo bij den arm trekkende. Alonzo wreef zich de oogen en ontwaakte. Een schemerachtig licht drong reeds door de luikgaten naar binnen, en de slaapdronken Alonzo ontwaarde nu, na zich nogmaals de lichtschuwende oogen gewreven te hebben, dat een jong en bevallig meisje naast zijne legerstede stond. “Edele heer!” zeide zij nogmaals, en schudde den arm van den jongeling met haar kleine hand: “Ontwaak! In ’s hemels naam, wil mij een oogenblik aanhooren.”“Wat verlangt gij van mij?” vroeg hij, zonderling te moede, en sprong nu, tot zich zelven gekomen, van het ledikant.“O verschoon mij,” bad het meisje: “verschoon mij dat ik uw slaapvertrek ben binnen getreden; doch ik moest u spreken. Gij zijt immers een edel en braaf heer?”“Welnu,” zeide Alonzo, zijn wambuis aantrekkende, terwijl hij het lieve kind aandachtig beschouwde, “spreek, wat verlangt gij van mij, of wat hebt gij mij te zeggen?”“Gij zult het straks vernemen,” zeide het meisje: “doch volg mij zonder gedruisch;” en Alonzo voorgaande, bracht zij hem in eene benedenverdieping van het kasteel, en verhaalde aldaar aan haar aandachtigen toehoorder, hetgeen wij, om ons verhaal niet vooruit te loopen, eerst later zullen mededeelen.

Zevende hoofdstuk.Het was in den morgen van den volgenden dag, dat eenige ruiters den Bezuidenhoutschen weg opreden, en eindelijk de laan van het Nieuwe Oosteinde insloegen.—De zon scheen vriendelijk; het landschap leverde een prachtig schouwspel op; de takken der boomen waren allen met rijp bedekt, en de reeds lang gevallen bladeren werden als het ware vervangen door duizenden van flonkerende diamanten. De overstroomde weilanden waren thans met een dichten ijsvloer bedekt, waaruit zich de mede berijpte knotwilgen verhieven, die, aan hun voet met breede ijskragen voorzien, door den helderen bodem waarop zij rustten, werden teruggekaatst. De grond was hard bevroren; helder klonken de hoeven der paarden; in dartele sprongen gaven zij mede door vurig brieschen en snuiven aan dat vrije gevoel lucht, dat èn mensch èn dier op een schoonen winterdag moet bezielen. De ruiters schenen werk te hebben hunne rossen in den atap te houden; sommigen zelfs moesten al hun rijkunst aanwenden om niet uit den zadel gelicht te worden, hetgeen niet weinig schade aan hunne fraaie kleeding, waaraan de meeste zorg was besteed, zou hebben toegebracht.Zij schenen in deze streken onbekend, want een klein schraal mannetje te voet, in wien wij de figuur van Sebastianus Bril herkennen, diende hun ten gids. Van daár dat de ruiters slechts stapvoets konden voorttrekken, doch waardoor ook weder de gesprekken duidelijker gehoord en geregelder konden gevoerd worden. Deze hadden in de Spaansche taal plaats, welke wij echter, om verscheidene redenen, liever in de onze willen mededeelen.“Ik vrees dat die moerasbewoners even onhandelbaar zullen zijn als mijn paard,” zeide Richardot, wiens ros telkens de voorpootenin de lucht wierp, en slechts zeer moeielijk door teugel en spoor in bedwang was te houden: “Zij zullen op de achterpooten gaan staan, en ons wellicht uit den zadel werpen.”“Zoo wij alleen met Maurits en zijne Zeeuwen te doen hadden, ja, dan zou ik dit voorzeker gelooven,” antwoordde de markgraaf Ambrosio Spinola: “doch wij hebben wakkere bevorderaars van onze plannen. Die Oldenbarneveld heeft den meesten invloed, zelfs op den Prins; hem moeten wij vooral te vriend houden.”“Wij spelen een vermakelijk spel,” zeide Don Juan De Mancicidor, die den sprekenden ter zijde was gereden: “Waarachtig! wij handelen over een vrede, welken wij nimmer zullen sluiten, en eten met vrienden, die onze vijanden zijn.”“Dit is niets vreemds,” hernam Spinola: “en was ook hier te berekenen; doch zoo het al geenvredezal zijn,bestandmoet het toch worden.”“Dit kan ik nog geenszins voor zeker houden,” zeide Richardot: “Waar vindt men stijver koppen en onbuigzamer gemoederen dan in dit verwenschte kikkerland!”“Hunne kettersche gevoelens zullen zij nimmer verloochenen,” merkte Pater Jan Neijen aan, die in een gesprek met Verreijken was gewikkeld: “Ik ken hun aard,” vervolgde hij: “dewijl mijn vader, Maarten Neijen, een Zeeuw van geboorte was. Vrijlating van onzen alleen zaligmakenden godsdienst zullen zij nimmer toestaan.”“Dit zal het laatste punt ter behandeling blijven,” antwoordde de toegesprokene. “Doch nog vóór dit, zullen er zich vele zwarigheden opdoen.”“De vrije vaart op de Indiën laten zij zich niet ontnemen,” had Spinola aan Richardot ten antwoord gegeven: “doch dit punt moet met kracht worden volgehouden; er zullen wellicht hevige tooneelen over plaats vinden; doch in weerwil dat de Gemachtigden den Staten tot de handhaving van dit punt hebben aangespoord, begrijpen toch verscheidenen, dat die handel, alleen bijzondere personen betreffende, den door hen verlangden vrede niet behoort tegen te houden.”“Op dat aambeeld moeten wij ten minste dapper slaan,” zeide Richardot: “De Fransche Gezant Jeannin zal tot ons plan medewerken.”“Indien gij dezen weg vervolgt, mijne heeren!” riep nu eensklaps de kleine gids, met een mengelmoes van Spaansche en Hollandsche woorden, die zonderling waren dooreengewerkt, terwijl hij een zijweg aanwees: “dan kunt gij onmogelijk dwalen: eerst hebt gij rechts een pachthoeve, en vervolgens kan u de laan, die op het kasteelden Oldenburghuitloopt, niet ontgaan.”“Dus kunnen wij onzen “Memento Mori” zijn afscheid, en onzen paarden de sporen geven,” zeide Spinola, terwijl hij Bril eenig geld toewierp, hetwelk deze met een tevreden: “Dank mijne heeren!” opraapte, waarna hij zich al groetend stadwaarts wendde, met het vaste voornemen, om dien dag bij niemand anders door te brengen, dan bij Gerrit Aal inden Wijnstok.De kleppers, nu den vrijen teugel gelaten, renden moedig voorwaarts, en weldra verkondigde hun hoefgetrappel den bewoners vanden Oldenburgh, de aankomst der Spaansche gasten.De graaf Van Bergen, als vertrouwde vriend van Maurits, had het zich tot een plicht gerekend, den man aan zijn disch te noodigen, dien hij, evenals zijn Prins, om zijne dapperheid en waarde als veldheer hoogschatte. Noodwendig moesten de overige gezanten hem vergezellen, en vorderde de wellevendheid mede, dat de afgevaardigden van andere vorsten en natiën insgelijks aan zijne tafel genoodigd werden. Prins Maurits, de voornaamste beambten, benevens des graven vrienden en bekenden met hunne vrouwen en dochters, zouden nog bovendien aanwezig zijn, en geenszins was het dus te verwonderen, dat er reeds een paar dagen lang de grootste drukte opden Oldenburghgeheerscht had. Bij zulke gelegenheden was de graaf er bijzonder op gesteld dat niets zou ontbreken. Met de grootste nauwgezetheid had hij zijne bevelen gegeven, en zelfs die schotels, welke hij meende noodzakelijk te zijn, doch welker bestanddeelen op zijn kasteel niet voorhanden waren, uit Den Haag doen ontbieden. De groote of ridderzaal was smaakvol versierd, de lange tafel stond aangerecht, en het opdragen der spijzen wachtte slechts totdat de gasten, die zich nu voltallig in eene belendende zaal bevonden, zouden gezeten zijn.Wij zullen niet breedvoerig gewagen van het middagmaal dat weldra gehouden werd, niet de plaatsen aanwijzen waar elk der gasten gezeten was, niet de verschillende gerechten opsommen die bestemd waren om hun smaak te streelen, en evenmin de tafelgesprekken mededeelen die, in het algemeen, vrij zouteloos konden genoemd worden. Alleen beschouwen wij den graaf, op wiens gelaat dezelfde, zoo niet nog somberder stemming te lezen stond, dan waarin wij hem reeds eenmaal op zijn kasteel ontmoet hebben. Was dat gefronste voorhoofd een teeken dat hij zich gramstorig gevoelde, dewijl niet al zijne bevelen met de gewenschte stiptheid waren ten uitvoer gebracht? Lag er in den minder vriendelijken blik waarmede hij Adelgonde aanzag, voor haar misschien een klein verwijt dat zij niet al het hare had gedaan, om luister aan dit gastmaal bij te zetten, of was het wellicht eene zelf beschuldiging dat hij de mannen aan zijn disch had genoodigd, die hij steeds als vijanden zou blijven beschouwen, dewijl zij het Vaderland reeds sedert veertig jaren hadden geteisterd, en het steeds met wraakgierige oogen zouden aanzien dat Luthers leer, de heerschende dwaalbegrippen uit deze streken verbannende, voor helderder denkbeelden had doen zegevieren? Noch het een, noch het ander kon zulk een ernstige stemming teweegbrengen. Alles was in de ruimste mate aanwezig en met de meeste zorg toebereid, en zelfs de laatste vooronderstelling werd van allen grond ontbloot, wanneer men zag hoe hij, met zijne altijdoprechtehartelijkheid, zijn beker tegen dien van Spinola stiet. Van Bergen zag in zijn edelen gast, niet den Spanjaard, maar den veldheer, den beroemdsten van zijn tijd.Eén was er slechts te midden dier aanzittenden, die zich zeergoed dien somberen blik kon verklaren, die inwendig juichte over het welslagen zijner poging, en een heimelijk genoegen schepte in het misnoegen des graven, hetwelk, zoo het door de andere gasten ware opgemerkt, hun voorzeker tot leedwezen zou verstrekt hebben.Adelgonde, wier treffend lelieblank gelaat aller oogen tot zich trok, was naast den jonker Van Rodenberg gezeten, en schoon zij des jonkers laffe aardigheden slechts luttel beantwoordde, meenden toch velen dat deze jongelieden wel mettertijd een paar zouden worden.Doch hoe moest niet Alonzo te moede zijn, die insgelijks met het gezantschap was medegekomen, en thans schuins tegenover de freule Van Bergen en den, in zijne oogen, nietswaardigen Van Rodenberg gezeten was? Voor de eene brandde hij van vurige liefde, welke hij echter, op haar eigen verzoek, moest verbergen zonder de reden wáárom te weten, en voor den ander blaakte hij van gramschap, en moest niettemin, met schier ongeloofelijke inspanning, zijne bedaardheid bewaren, om aan te zien hoe die ellendeling haar met zijne zoutelooze gesprekken zocht bezig te houden.Nog dienzelfden avond was hij gehouden zich met Van Rodenberg te meten; des morgens reeds vroegtijdig had hij een briefje ontvangen, waarin de jonker hem had gemeld dat zij beiden zich op het kasteel van Van Bergen zouden bevinden, en bij het naar huis rijden, aan het einde der laan van het Nieuwe Oosteinde rechts moesten inslaan om elkander bij den kruisweg, hetSteenen kruisgenaamd, met den degen te ontmoeten.Daar zag hij die twee naast elkander van welke hij de eene met zijn leven tegen elken aanval zou willen verdedigen, terwijl de ander, in zijn oog, niets anders dan den dood verdiende, dewijl hij een blaam op hare afkomst geworpen had, en thans, in weerwil daarvan, zich aanstelde alsof hij werkelijk haar uitverkoren ridder was.Van Rodenberg gevoelde insgelijks zeer wel wát er in het binnenste van Alonzo omging, doch toen hij bemerkte dat de Spaansche jongeling hem van ter zijde gadesloeg, zette hij zijn gruwelijk spel des te wreedaardiger voort.En Adelgonde, wel verre van behagen te scheppen in de woorden des jonkers, zag somwijlen met weemoed naar den schoonen Alonzo; zij maakte vergelijkingen tusschen zijn edel gelaat en dat des jonkers, waar de laagste hartstochten zoo duidelijk op te lezen stonden. Ook zij deed zich geweld aan, ook zij had een hevigen strijd in haar binnenste te voeren, en de eenige troost, dien de minnenden elkander geven konden, was de uitdrukking van hun gemoedsbestaan op hunne gelaatstrekken, hetgeen, hoewel voor anderen onopgemerkt blijvende, door de sympathie hunner zielen duidelijk begrepen werd.“Maar om ’s hemels wil, dierbare jonkvrouw!” zeide Alonzo, toen het middagmaal was ten einde geloopen, en hij, opgestaan, onbespied eenige woorden met Adelgonde kon wisselen: “wie toch heeft mij veroordeeld in uwe nabijheid te zijn, zonder u te mogen toespreken,zonder u te mogen zeggen wat ik mij zelven zoo dikwerf herhaal,—dat ik u bemin? O verklaar mij dat raadsel, wat heb ik misdreven? Ik hoopte op uw liefde. Gij zelve hebt mij die hoop geschonken. O, ontneem ze mij niet langer. Zeg mij één woord! Wie weet of dit niet het laatste zal zijn ...!”’ doch eensklaps hield hij op; greep Adelgondes hand en vervolgde; “Maar neen, dat zal het niet. Ik zal hem straffen,hem, die u....” doch weder zweeg hij stil. Zou hij onkiesch genoeg zijn om dat reine schepsel de blaam te ontdekken, welke slechts de valschheid op hare afkomst kon geworpen hebben? Neen, spoedig veranderde hij van toon en vervolgde zacht smeekend: “Ik bid u! schenk mij in dezen stond het antwoord op de vraag: “Kunt gij mij waarlijk beminnen?”Adelgonde ontwaarde dat sommigen der aanwezenden hen konden bespieden; zij moest een antwoord geven. Snel trok zij hare hand terug en fluisterde zacht: “Alonzo, ik bemin u!” Dadelijk verwijderde zij zich, en liet den jongeling in de zaligste verrukking achter.Het was vrij donker toen de gasten vanden Oldenburghhuiswaarts keerden, en ook de Spaansche gezanten hadden, na den gastheer hun dank te hebben betuigd, den terugtocht aangenomen. Alonzo reed achteraan, en het werd door de overigen niet opgemerkt dat hij, zijn paard gedurig inhoudende, hoe langer hoe meer achterbleef.Aan het einde der laan gekomen, waren zijne gezellen hem omstreeks honderd schreden vooruit, en toen zij links den weg naar ’s-Hage insloegen, reed hij in de tegenovergestelde richting, op het bepaaldeSteenen kruisaan.De jonge Alonzo, hoewel geenszins bevreesd voor de ophanden zijnde ontmoeting, was echter zonderling te moede. Deze dag zou mogelijk de laatste zijn welken hij beleefd had. Meermalen was hij met onverschrokken moed het vijandelijke vuur tegemoet getrokken; meermalen reeds had hij, op last van zijn vorst, aan de zijde zijns dapperen vaders, den vijand bestreden; maar nimmer nog was hij in een donkeren nacht uitgetogen, om zich met een vijand te meten, die bovendien nog de laagste was, dien hij ooit te voren gekend had. De werken der duisternis verafschuwende, en ijzende op het denkbeeld, een mensch, wie het dan ook wezen mocht, zonder getuigen te vermoorden, dit alles deed hem schier tot den terugtocht besluiten. Doch wat zou hem dan te wachten staan? aan welke bespottingen zou hij zich dan prijs geven? zou men hem dan met met den naam van lafhartige bestempelen? Hij kon niet anders. Hij moest voorwaarts! En zoo zijn laatste ure dan eens spoedig had geslagen; indien hij het slachtoffer moest worden van een billijke zaak, wat zou zijn leven dan geweest zijn! Hoe treurig zouden dan al zijne verwachtingen ten eenenmale den bodem zijn ingeslagen. Zijn dierbaar vaderland, het schoone Spanje, het land zijner vaderen, het nog schoonere Italië, zou hij nimmer wederzien. Zijn vader zou hem tevergeefs onder de levenden zoeken; hij zou niet op het veldvan eer zijn gestorven, en nimmer zou hij de zachte woorden: “Alonzo, ik bemin u!” meer hooren. Hij staarde in de duisternis, maar nergens ontwaarde hij eenig licht.Plotseling echter werden zijne overpeinzingen afgebroken door een zijsprong en het hevig steigeren van zijn klepper, die tot dusverre een geregelden stap had gehouden. Alonzo, daarop weinig voorbereid, was bijna uit den zadel gelicht, doch bedwong het verschrikte dier spoedig, en nu naar de oorzaak daarvan zoekende, meende hij iets te ontwaren, dat echter spoedig achter de dichte hoewel dorre struiken verdween.“Wie daar?” riep hij met krachtige stem, doch slechts een nauwelijks hoorbaar geritsel in de dorre bladeren was het bescheid op deze vraag.—Het zal wellicht eenig azend gedierte zijn waarvoor mijn schimmel zich bevreesd maakte, dacht Alonzo, en het beest nu de sporen in de lenden drukkende, galoppeerde hij over den breeden zandweg, gedurig uitziende naar den zijweg waar zich hetSteenen kruisbevinden moest.Doch zonderling kwam het hem voor, dat telkens wanneer er zich aan zijn rechterzijde eene opening in het kreupelhout bevond, een zwarte schim met dezelfde snelheid als zijn ros daar voorbijging. Zijne schaduw kon het onmogelijk wezen, want daarvoor was de schim te zwart en het licht van slechts weinige, door een benevelde sneeuwlucht heendringende sterren te zwak. Weder hield hij zijn paard in, doch bij een volgende opening ophoudende, ten einde te weten wat het eigenlijk was, ontdekte hij niets.—Ben ik dan waarachtig een kind of een jonge vrouw! sprak hij eenigszins verstoord tot zich zelven: dat het bewegen van een blad, of de verbeelding van eene schim te zien, mij vrees zou aanjagen, of ten minste opmerkzaam maken.—“Ik ben Alonzo Spinola!” riep hij eenigszins luid, doch steeds bij zich zelven sprekende, en zocht door deze gedachte alle banden te verbreken, die hem nog aan de bijgeloovigheid konden gekluisterd houden. Doch hoor, was datgrinnikendlachen, hetwelk hij na dien laatsten uitroep vernam, ook een spel zijner opgewekte verbeelding? Hadden zijne ooren hem dan ook nú bedrogen? Weder hield hij zijn paard plotseling stil en luisterde zeer aandachtig; doch—niet het minste geluid trof nu zijne ooren.Men duide het Alonzo niet ten kwade, en beschuldige hem niet van kleinmoedigheid, dat hij, weder voortrijdende, zijn pistool uit den holster trok en de oogen steeds naar de rechterzijde gewend hield, want wie toch zou niet, evenals hij te moede zijn, in het nachtelijk duister, op zulk een eenzamen weg, met zulk een doel voor oogen, en, hetzij dan door de verbeelding of wel in de werkelijkheid, aan dergelijke raadselachtige verschijningen overgegeven.Nog slechts weinige seconden had hij, alzoo gewapend, voortgereden, of hij bemerkte aan de plaats zijner bestemming te zijn gekomen. Van Rodenberg was nog niet aanwezig; en, van zijn paard stappende, bond Alonzo het met den teugel aan den tak van eenboom, die op den hoek van den weg stond. Het was vrij koud en de Noordoostenwind begon eenigermate op te steken; hij sloeg den mantel dichter om zijne leden, en plaatste zich met den rug tegen zijn schimmel, zoodat deze hem eenigszins tegen de koude beschutte. Zoo had hij nauwelijks eenige oogenblikken gestaan, toen een schaterend lachen opnieuw zijne ooren trof.“Gij zijt Alonzo Spinola!” riep eene stem, die den lach opvolgde, welke Alonzo door merg en been had gedrongen; “Zie hier dan—de groete van Van Rodenberg!” en in hetzelfde oogenblik brandde er eene pistool los, welk schot Alonzo den hoed van het hoofd nam. Hoewel wreedaardig verrast, verloor hij echter zijne tegenwoordigheid van geest niet; maar met bliksemsnelheid op de plaats toeschietende, vanwaar hij het vuurgeven had aanschouwd, zag hij er iemand staan, dien hij, zonder een woord te spreken, door een forschen stoot op de borst, achterover in een sloot wierp. De ijskorst, die deze sloot overdekte, tegen zulk een zwaarte niet bestand zijnde, brak, en de gestrafde booswicht met het bovenlijf door het ijs zakkende, ging in water en slijk een gewissen dood te gemoet. Alonzo deed nog alle moeite om den sluipmoordenaar te redden; maar tevergeefs stelde hij al zijne krachten in het werk. Na vele ijdele pogingen gaf hij dezen treurigen arbeid op, en dewijl de verslagene toch geen teeken van leven meer gaf, spoedde hij zich, verkleumd van koude, naar zijn schimmel. Toen hij echter aan de plaats was gekomen waar hij het beest had vastgebonden, ontdekte hij er geen spoor meer van. Zeker had het dier, door het schieten verschrikt, zich losgerukt en was het den weg stadwaarts ingeslagen. Daar stond hij nu alleen op deze akelige plaats. Niets zag of hoorde hij dan het fluiten van den guren wind. Vier wegen liepen hier ineen, en door het akelige tooneel dat er had plaats gegrepen, was hij geheel in het onzekere, welke dier vier wegen naar Den Haag voerde. Zijn paard, op welks instinct hij zich veilig had kunnen verlaten, was hem ontvlucht; niets bleef hem dus over dan op goed geluk een dier wegen te kiezen.Vruchteloos zocht hij eenige oogenblikken naar zijn hoed, doch toen hij dien nergens ontwaarde, hing hij den mantel over het hoofd en sloeg den weg in, welke hem het meest waarschijnlijk de rechte scheen te wezen.Alonzo, alzoo voortstappende, verloor zich in gissingen aangaande den persoon, door wien hij op zulk eene schelmachtige wijze was aangevallen. Zou het Van Rodenberg zelf zijn geweest, of slechts een dienaar zijner ongerechtigheid? Hij wist het niet; doch dankte den hemel, die hem nu reeds twee malen zoo duidelijk beschermd en bewaard had.Verder komende, bemerkte hij hoe langer hoe duidelijker, dat hij een verkeerden weg was ingeslagen; doch wat te doen? Zou hij terugkeeren, om, op den kruisweg gekomen, wellicht nogmaals een verkeerden weg te kiezen? Hij vond het geraden voort te gaan, en hoopte weldra eene woning te vinden, waar hij tegen een ruime belooning, verwarming en nachtverblijf zou kunnen bekomen. Weinigeminuten slechts had hij doorgeloopen, of hij werd aangenaam verrast door te ontwaren, dat hij een kasteel of landhuis naderde. Weldra bevond hij zich werkelijk in deszelfs nabijheid, doch zag nu een groote opgehaalde brug voor zich, die hem den toegang belette.Hier echter kwam hem de winter te stade, en de natuur, der menschen voorzorg bespottende, liet hem den vrijen toegang. Langzaam gleed hij langs de steile helling der gracht naar beneden; wel kraakte het ijs onder zijn lichten tred, doch in weinige vlugge stappen kwam Alonzo behouden aan de overzijde. Met moeite kroop hij weder tegen de gladde helling op; maar—vrij wat moeielijker zou het zijn om nu de zware eikenhouten poort te openen, die van buiten met ijzer was beslagen en van binnen voorzeker niet minder doelmatig zou voorzien zijn.Verscheiden malen deed hij van een: “Doe open!” de lucht weergalmen; doch niemand scheen bereid aan zijn billijk verzoek te voldoen, hetgeen hem echter niet afschrikte, maar aanwakkerde om des te harder te roepen, terwijl hij bovendien zijne stem van duchtige slagen op de zware poort deed vergezeld gaan. Een kwartier uurs mocht hij reeds tevergeefs alle middelen in het werk hebben gesteld, en begon hij de hoop op te geven van binnengelaten te zullen worden, toen hij van binnen ijzeren boomen hoorde wegschuiven, en een slot omdraaien.“Wie daar?” riep eene stem door de geopende reet der poort; on Alonzo, geen reden hebbende om zijn naam te verzwijgen, antwoordde schielijk, in de hoop spoedig zijn doel te bereiken: “Ik ben Alonzo Spinola, zoon van den markgraaf Ambrosio, behoorende tot het Spaansche gezantschap in Den Haag. Op een rit ben ik verdwaald geraakt, en verzoek thans zeer vriendelijk den eigenaar van dit kasteel, mij slechts voor een nacht te willen huisvesten.”“Zijt gij alleen?” vroeg de stem van binnen.“Geheel alleen!” was Alonzo’s antwoord: “zelfs mijn paard heb ik door een samenloop van omstandigheden verloren.” De deur werd nu van binnen weder gegrendeld en geboomd, en daar het scheen dat de onderzoeker zich verwijderde, bleef Alonzo nog steeds aan de koude gure nachtlucht prijsgegeven.Na opnieuw meer dan tien minuten te hebben gewacht, gedurende welken tijd Alonzo, als een schildwacht hard stappende, had op- en neder gegaan, weken de grendels voor goed, en noodigde hem de portier, in naam zijner meesteres, binnen te treden onder voorwaarde echter dat hij zijn degen zou afleggen. Als edelman nooit gewoon zich er van te ontdoen, veel minder nog zich te laten ontwapenen, aarzelde Alonzo eerst en maakte hiertegen eenige bedenkingen; doch de portier had uitdrukkelijken last, en verklaarde, dat men in deze tijden, ondanks den opgegeven naam, de voorzichtigheid niet uit het oog mocht verliezen, en dat dus den vreemdeling geene herbergzaamheid kon verleend worden zoo hij niet aan dezen eisch wilde gehoor geven.Alonzo moest van twee kwaden het minste kiezen. Het verschil tusschen den kouden nacht daar buiten, zonder behoorlijke dekking in een onbekende streek, en den koesterenden haard, een verkwikkende teug, benevens een rustig nachtleger daar binnen, deed hem spoedig tot de overgave van zijn sierlijk wapen besluiten. Nadat dit geschied en de zware poort weder gesloten was, geleidde de portier den van koude rillenden Alonzo over een ruime plaats en daarna eenige trappen op; ontsloot weder eene deur, en, na met hem een klein portaal te zijn binnengetreden, verzocht hij hem daar eenige oogenblikken te wachten. Het duurde echter niet lang of de man kwam terug, en den jongen Spinola weinige schreden vooruitgaande, opende hij hem nogmaals eene deur, en nu trad Alonzo eindelijk een ruim en wél verwarmd vertrek binnen, in welks midden twee personen gezeten waren.Achtste hoofdstuk.De graaf Van Bergen bracht den nacht na het door hem gegeven gastmaal hoogst onrustig door. Geenszins was dit veroorzaakt door een overmatig gebruik der voortreffelijke spijzen of kostelijke wijnen die zijne tafel hadden bedekt; want Van Bergen had een afkeer van alle onmatigheid, en zag steeds met minachting neder op hen, die: “van hun buik,” zooals zijn Verlosser gezegd had: “hun afgod maakten.”—Het waren zielskwellingen die wreedaardig den slaap uit zijne oogen verbanden. Het was een pijnlijk opzien tegen den volgenden morgen, een pijnlijk opzien tegen het ten uitvoer brengen van zijn genomen besluit, entoch,tochkon en mocht hij niet anders handelen.Het was nog niet volkomen dag geworden toen Van Bergen reeds van zijn legerstede sprong, en, na zich in een morgengewaad te hebben gestoken, het raam openstiet.Wel waren de in lood gevatte vensterglazen met sierlijke Februari-bloemen beschilderd; wel was het een koude wind die hem van buiten tegenwoei, doch deze was hem als een zachte zefir, die zijn gloeiende wangen aangenaam verfrischte.“God! wat zijt Gij groot en wat is Uwe schepping schoon!” riep de graaf in verrukking uit, terwijl hij aan den oostelijken gezichteinder de zon uit de kimmen zag verrijzen. “Ja, groot en goedertieren waart Gij,o God! toen op uw machtig woord: “Daar zij licht!” de prachtige hemelbol voor het eerst haar glans over dit aardrijk verspreidde. Groot en goedertieren waart Gij toen reeds, o Hemelsche Vader! en toch zou Uw zon slechts rechtvaardigen beschijnen, slechts zou zij licht en warmte geven aan den mensch, die naar Uw beeld was geschapen. Doch, waart Gij toen reeds een goedertierenen zorgend Vader, hoeveel te meer zijt Gij het thans, nu Gij Uw zon laat opgaan over boozen en goeden, nu Gij zegen schenkt aan rechtvaardigen en onrechtvaardigen....—Ja, genadig God! Gij zegent ook onrechtvaardigen!—Aan Uw gevallen zondig schepsel hebt Gij een Heiland, een Zaligmaker, Uw eeniggeboren Zoon geschonken, opdat een iegelijk in Hem zou gelooven, opdat niemand zou verloren gaan, maar door Zijn schuldeloos vergoten bloed eeuwig zalig zou worden.—O, dank daarvoor, oneindig groot en barmhartig Opperwezen!” ging Van Bergen voort, terwijl hij zijne handen samenvouwde en den blik dankbaar naar den hemel richtte: “Maar dank, driewerf dank bovenal, dat Gij, door een Luther te verwekken, ons hebt bewaard om weder van die reine leer afvallig te worden, dat Gij ons door dien grooten hervormer van bij- en ongeloof hebt willen losmaken, dat Gij ons door hem de woorden van Christus, tot zijn volgelingen gesproken, hebt willen terugschenken, zoodat wij Hem nader leeren kennen en U in Hem. Gij hebt het gezien, o God! wij hebben ons leven voor des Zaligmakers reine Evangeliewoord veil gehad. O, geef dat geen lauwheid voor dat heilige vuur, ’t welk ons bezield heeft, in de plaats trede; dat wij niet inslapen, en onze vijanden gedurende dien slaap, ons datgene weder komen ontnemen, wat slechts alleen in staat is aan onze zielen rust, en aan ons land geluk te schenken, maar geef ons tevens, o Hemelsche Vader! dat wij onze vijanden, hoewel bestraffende en hunne leer verwerpende, niettemin, naar Christus voorbeeld, trachten lief te hebben en te vergeven, gelijk wij steeds van U, liefde en vergeving noodig hebben.”Van Bergen deed, na dit oprecht en geloovig gebed, het vensterraam weder dicht; nam Luthers bijbelvertaling ter hand, en las daarin hoe Christus den lijdenskelk geenszins van de hand gewezen, maar gewillig geledigd had.—Naar dit voorbeeld zal ik handelen, dacht Van Bergen, toen hij het boek weder dicht sloeg: met moed zal ik de moeielijke taak vervullen, dewijl mijn plicht het vordert.Hij floot op zijn zilveren fluitje, en weldra trad zijn oude dienaar Burgman binnen.“Goeden morgen uwe genade!” zeide deze: “dat heet ik vroeg opstaan. Om halfacht al uit de veeren, zonder dat er iets te doen is. De jacht is gesloten en de vijand is uit het veld.”“Burgman, ik wenschte hier wat vuur aan den haard te hebben,” zeide Van Bergen, niet willens de opmerkingen van zijn dienaar te beantwoorden: “Hetontbijtmoet ook hier worden gebracht, en gij zult de freule doen weten, dat ik haar, zoodra zij gekleed zal zijn, op mijne kamer wensch te spreken.”“Zeer wel uwe genade!” antwoordde Burgman, en ging deze bevelen ten uitvoer brengen, niet begrijpende wat de oorzaak mocht wezen dat zijn heer, die anders altijd een praatje voor hem veil had, dezen morgen zoo stug en afgetrokken was.Weldra knapte het vuur aan den haard en stond het ontbijt op de vierkante, met bruin leder bekleede tafel, en niet lang daarna trad Adelgonde het slaapvertrek van haar vader binnen.“Hebt gij wel geslapen, lieve vader?” vroeg zij, terwijl zij den graaf een hartelijken zoen gaf: “Ik heb mij gehaast aan uw verzoek te voldoen; gij hadt mij, geloof ik, iets te zeggen, nietwaar?” en tevens sloeg zij, licht blozende, hare oogen naar den grond.“Ja lieve Gonne,” antwoordde Van Bergen langzaam, haar met meewarigen blik beschouwende: “ja, ik heb u vele en belangrijke zaken mede te deelen. Zet u hier nevens mij, en wil bedaard zijn zoo ik u over zaken spreek die ik niet langer voor u verbergen mag, zoo ik snaren aanroer die u pijnlijk zullen zijn, en die u wellicht wonden zullen slaan. Mijn plicht gebiedt mij te spreken, en u te openbaren wat ik tot dusverre voor u verborgen hield, maar tevens om u met mijne raadgevingen naar vermogen te ondersteunen.”“Goede hemel! gij doet mij ontstellen, liefste vader!” zeide Adelgonde, die wel gissingen maakte, maar niet kon vermoeden wat zij zou vernemen: “Uw gelaat staat zoo droevig, zoo ernstig; altijd hadt gij mij lief, altijd zijt gij mij bijna meer dan een vader geweest, en thans, in dit vroege morgen uur, ontbiedt gij mij om mij diepe wonden te slaan....? Lieve vader, wat heb ik misdreven? Waaraan heb ik mij schuldig, waardoor mij uwer onwaardig gemaakt? O, zeg het mij met één woord, en ik zal u vergiffenis vragen en alles weder goedmaken.”“Tot dusverre hebt gij niets misdreven, liefste Gonne!” hervatte Van Bergen, die zich geweld moest doen om het aangevangen gesprek te vervolgen: “Gij zijt mij boven alles dierbaar; niets beoog ik dan uw geluk alleen, en daarom bid ik u, wil mij bedaard en kalm aanhooren.” Toen nam hij haar kleine hand een oogenblik in de zijne, en vervolgde, haar liefderijk aanziende, aldus: “Achttien jaren reeds mag ik u mijn lieve dochter noemen; achttien jaren heb ik u als mijn oogappel liefgehad, voor u gezorgd, gewaakt en gebeden. Welk geluk zou grooter voor mij kunnen zijn, dan u verder in dit aardsche, en ook in het toekomende leven gelukkig te zien! Tot dusverre heb ik u niet willen afstaan; de vele aanzoeken om uwe hand heb ik afgewezen; ik had daarvoor vele redenen, welke ik u later zal ontvouwen. Maar thans is het oogenblik gekomen waarin ik u een huwelijk heb voor te slaan. Ik mag u niet langer aan uw bestemming onttrekken, om zelfzuchtig u voor mij alleen te behouden. Een jong edelman biedt u zijn hart en zijn naam aan; hij wil u beminnen en een alleszins waardig echtgenoot voor u zijn.”Adelgonde werd bij deze laatste woorden doodsbleek, zij bevroedde reeds wie haar als echtgenoot zou worden voorgesteld. Zij huiverde op dat denkbeeld, en de vraag: “Hoe is zijn naam?” bestierf haar op de lippen.“Ruim drie en twintig jaren geleden,” ging Van Bergen voort; “stond ik aan het sterfbed van mijn krijgsmakker, den baron Van Rodenberg. Wij hadden lief en leed te zamen gedeeld, en eenmaal zelfs had hij mij het leven gered. Een hevige koorts, door een zware wond veroorzaakt, verhaastte zijn dood; in zijn laatste oogenblikkenstond ik bij hem, hij sprak niet meer; weinige seconden echter voor hij den adem uitblies, stamelde hij nog met bevende lippen den naam van Walter.... En nu, die Walter, de zoon van mijn getrouwen strijdgezel, heeft uwe hand gevraagd. Wat dunkt u Gonne, van den naam Van Rodenberg?”Een luid snikken was het eenige antwoord, dat het lieve meisje gaf.De graaf fronste de wenkbrauwen, zag haar vorschend aan, en ging toen voort: “Zou het dan werkelijk waar zijn wat mij is ter oore gekomen? Zoudt gij inderdaad uw liefde reeds hebben weggeschonken? Zou het dan toch waar zijn dat gij een zondige neiging koestert, en een Spanjaard bemint? Ben ik wel onderricht Adelgonde? Is het waarheid wat ik hoorde maar niet kon gelooven? Wilt gij met den vijand heulen!? Zoudt gij de gade willen worden van een man, die uw geloof verkettert en onze reine leer beschimpt en versmaadt? O, als dat zoo ware, zou ik wenschen u nimmer te hebben gekend! Goddank! dat ik nog tijdig u kan waarschuwen tegen den verderfelijk en strik, dien gij u zelven zoudt gespannen hebben. Bid om kracht Adelgonde! ten einde een hartstocht te bestrijden, die Gode onteerend en uwer onwaardig is.”Nadat Van Bergen deze woorden gesproken had, ontstond er een kleine pauze, welke slechts door een pijnlijk snikken van Adelgonde werd afgebroken. Zij had zulk een plotselinge ontknooping van hare liefelijke droomen en teedere wenschen niet kunnen vermoeden. Wel had zij in de laatste dagen aan het minder vriendelijke gelaat van haar vader meenen te bespeuren dat hem iets in haar mishaagde, doch zij was huiverig geweest om dat minder vriendelijke voorkomen aan de ware oorzaak toe te schrijven, immers zij had het geraden gevonden, om vooralsnog hare liefde zoowel voor hem als voor de wereld geheim te houden, maar nu, geenszins had zij gedacht dat haar in plaats van dien edelen Spanjaard, een man ten huwelijk zou worden aangeboden, dien zij reeds bij een oppervlakkige beschouwing moest minachten.Adelgonde droogde eindelijk hare tranen af, en zeide met eene nauwelijks hoorbare stem, terwijl zij den graaf met hare hemelsche, doch thans natbekretene oogen aanzag: “Is het dan zonde lieve vader, een vijand te beminnen? Heeft Christus ons niet geleerd zelfs zijne vijanden lief te hebben? Kan het mij ten kwade geduid worden dat ik een hemelsbreed onderscheid maak, tusschen den edelen Spinola en den terugstootenden jonker Van Rodenberg. O, zie ze beiden, en veroordeel mij niet.”Van Bergen scheen in strijd met zich zelven. Zou hij spreken, zou hij op den ingeslagen weg voortgaan, en het lieve meisje verder geheel ter neder slaan? Of zou hij dit onderhoud staken, en nogmaals nauwkeurig wikken en wegen hetgeen hij haar te zeggen had? Doch neen, waarom thans verzwegen, ’t geen hij haar toch eenmaal moest openbaren. Zijn medelijdend hart spoorde hem wel tot zwijgen aan, doch zijn verstand gebood hem te spreken.“En zoo het voor uwe eer,” ging Van Bergen voort: “voor uwe en mijne rust eens beter, ja zelfs noodig ware, dat gij uwewenschen liet varen, en Van Rodenberg zocht te beminnen....?”“Voor uw geluk, voor uwe rust!” viel Adelgonde hem snel in de rede: “dierbare vader, daarvoor, ja daarvoor zou ik mijn leven gaarne veil hebben, maar spreek, bid ik u, zeg mij, hoe is het mogelijk dat een toestemmen in dit aanzoek, waarvoor ik terugdeins, ú gelukkig zou kunnen maken en tevens voor mijne eer zou noodig zijn?”“Luister dan, goede Gonne!” hernam Van Bergen, terwijl hij de oogleden op elkander drukte om een opwellenden traan te verbergen: “Luister aandachtig, ik zal u een deel mijner treurige levensgeschiedenis mededeelen.—Twee jaren na den dood van mijn vader, nu omstreeks zes en twintig jaren geleden, leerde ik een jonge schoone kennen. Haar blik had een diepen indruk op mij gemaakt, en dewijl mij niets in den weg stond, besloot ik Clarisse Aduaar tot gade te nemen. Weldra vroeg ik haar ten huwelijk en het duurde geen zes maanden of wij waren echtgenooten. De reinste en teederste liefde heerschte er steeds tusschen ons. Wij leefden voor elkander, en deelden samen des huwelijks lief en leed....” Van Bergen hield eenige oogenblikken stil en staarde strak voor zich neder.“Ga voort lieve vader!” zei Adelgonde: “Gij hebt mij nog nooit van mijne moeder gesproken. O verhaal mij iets van haar, die ik nooit heb mogen kennen.”Van Bergen zag haar met een medelijdenden blik aan, en vervolgde: “Drie jaren hadden wij reeds in liefde met elkander geleefd en tevergeefs om een pand onzer huwelijkstrouw gebeden, toen ons gebed eindelijk werd verhoord, en mijne dierbare Clarissa mij hare hoop openbaarde, van moeder te zullen worden. Onze vreugde was groot, en de tijd harer bevalling naderde. Doch helaas! de Hemel had niet besloten ons geluk te volmaken. Mijne tegenwoordigheid werd in het leger vereischt; ik kon mijne hulp aan het vaderland, zelfs in deze voor mij zoo zorgvolle oogenblikken, niet weigeren. Ik moest mij tot den kamp gereed maken, en mijn beminde vrouw in den bangen stond, die weldra zou aanbreken, aan zich zelve overlaten. Na eene afwezigheid van drie treurige weken keerde ik opden Oldenburghterug. De luiken waren gesloten. Sidderend vroeg ik aan den eersten bediende dien ik ontmoette, wat er was voorgevallen. Mevrouw is veel beter, antwoordde hij. Zij leeft! riep ik vol blijdschap en liep naar haar slaapvertrek. Clarisse lag, hoewel doodsbleek en zwak, gespaard in haar ledikant. Dankbaar drukte ik een kus op haar voorhoofd, en vroeg zacht: En ons kind? Zij sloeg een treurigen blik hemelwaarts, maar antwoordde niet.—Waar is mijn kind? vroeg ik aan de verzorgster mijner vrouw, die mede in het vertrek was. Deze schudde het hoofd en wenkte mij haar te volgen. Is mijn kind dood? vroeg ik weder toen de vrouw mij de blauwe kamer binnenvoerde, die met rouwfloers was bekleed: “Helaas, uwe genade! zeide zij: het lieve kind heeft maar weinige oogenblikken geleefd, nadat mevrouw het met smart had ter wereld gebracht. En, hemel! daar lag werkelijk het zoo vurig van God gebeden kind dood in zijn kistje!”Van Bergen hield weder eenige oogenblikken stil, en vervolgde toen: “Ik nam het lijk van mijn zoontje uit zijn doodsche rustplaats; drukte het aan mijn hart, doch dankte tevens den hemel, dat hij mij nog niet alles had ontnomen, en ik, in Gods wil berustende, de woorden van Job kon nazeggen: De Heere heeft gegeven; de Heere heeft genomen; de naam des Heeren zij geloofd!.... Den volgenden dag bracht ik mijn zoontje naar het stille graf. Clarisse herstelde, en weder sleten wij in elkanders bezit dagen vol zaligheid. Eindelijk scheen God ons het verlorene te willen terugschenken; weder verkeerde mijne nu zalige gade in de blijde verwachting; weder hoopten wij op een spruit onzer min; doch ook tevens weder zou het mij niet vergund worden bij hare moederwording tegenwoordig te zijn. De verderfelijke woelingen der Spanjaarden vereischten opnieuw mijne medewerking. Nogmaals keerde ik behouden uit den strijd terug. Weder kwam ik door hoop en vrees geslingerd opden Oldenburghaan; doch, gerechte hemel! ook nu weder waren de luiken gesloten; een doodsche stilte heerschte rondom mij, en niemand kwam mij met een blijde boodschap te gemoet.—Wat is hier voorgevallen? riep ik den eerste toe dien ik ontmoette: Ach! zijt gij daar, uwe genade, was het antwoord: De goede gravin heeft eene dochter ter wereld gebracht; doch hare genade is kort daarna bezweken....”Van Bergen begon bij de herinnering aan dat verpletterend oogenblik hevig te beven. Krampachtig sloot hij de handen om de armen van zijn leuningstoel, en Adelgonde, diep bewogen met hetgeen haar vader moest lijden, gaf hem een dronk water; sloeg haar arm om zijn hals, en hem vertroostend aanziende, zeide zij zacht:“Maar die goede lieve moeder had u immers eene dochter geschonken? en die dochter heeft u immers lief? Zij wil u immers eenigszins dat gemis vergoeden, en alles doen wat zij kan, om u ...”“Houd op! houd op!” riep Van Bergen op hartverscheurenden toon: “O mijn God! Adelgonde! gij zijt mijne dochter niet. Zij is dood! dood! evenals mijn zoon! evenals mijne Clarisse!.... Dood!”—riep hij nogmaals, en zag toen hoe Adelgonde hare oogen stuipachtig sloot en weder open deed, en eindelijk met een flauwen zucht bewusteloos nederzeeg.“Gonne, liefste Gonne!” smeekte Van Bergen, door dit toeval tot zich zelven gekomen, terwijl hij het bezwijmde meisje op een stoel plaatste: “Lieve dochter, kom tot u zelve! Moest ik u dan de waarheid niet openbaren? Moest ik u niet mededeelen, dat een paar arme doch eerlijke lieden uwe ouders waren; dat zij u aan mij hebben afgestaan, wanneer ik als een vader voor u wilde zorgen, opdat ik door uw bezit, eenigszins voor mijne dierbare verlorene betrekkingen mocht worden schadeloos gesteld? Moest ik u niet zeggen dat Van Rodenberg—door wien weet de hemel—achter de waarheid uwer afkomst gekomen, uw naam wil bekend maken zoo gij zijne gade niet wordt? Gonne! dierbare Gonne! ofschoon ik uw vader niet ben, ik blijf voor u niettemin steeds een liefderijk vader!Adelgonde hoorde hem niet; hare ademhaling was ongeregeld:Een vreeselijke storm had over de teedereHagenleliegewoed!Negende hoofdstuk.“Ik bid om verschooning, edele vrouw!” sprak Alonzo, toen hij het slotvertrek binnengetreden, de vermoedelijke eigenares met een sierlijke buiging naderde: “Ik vraag u zeer om verschooning, dat een ongelukkig toeval mij in de noodzakelijkheid bracht, voor één nacht uwe gastvrijheid te moeten inroepen. De wegen zijn niet veilig, en, onbekend in deze streken, ben ik aan het dwalen geraakt.”“Maak geen complimenten mijnheer!” zeide de dame, met een Fransch accent, terwijl zij opstaande, Alonzo met eene nijging begroette: “Het is mij zeer aangenaam u van dienst te kunnen zijn. Zie hier mijn vriend en trouwen rentmeester Rosio!” vervolgde zij, Alonzo een man voorstellende, die tot dusverre aandachtig in een klein gebedenboek gelezen had.“De vermoeiden zijn ons steeds welkom,” zeide Ambrosio, mede opstaande en nam te gelijk met zijn kleine grijze oogen den nieuw aangekomene, van het hoofd tot de voeten, nauwkeurig in oogenschouw.Weldra zat Alonzo bij het knappende vuur, en moest, op uitnoodiging der dame, verhalen wat hem overkomen en hoe hij in dit late uur, zonder paard, zoover van de stad verdwaald was.Met eenige omzichtigheid deelde hij het gastmaal opden Oldenburghmede; verzweeg de afgesprokene ontmoeting met Van Rodenberg, maar gaf voor, in het naar huis rijden van den rechten weg te zijn afgedwaald; verhaalde voorts dat hij door een straatroover was aangevallen, welken hij ter aarde had geworpen; dat zijn paard hem in dien tusschentijd was ontloopen, en hij, niet wetende waarheen zich te wenden, den weg had ingeslagen, die hem, dank zij de goedheid der edele bewoners, in deze veilige haven had binnengevoerd.“Het is onbegrijpelijk!” sprak de dame, toen Alonzo geëindigd had, terwijl zij steelsgewijze haar rentmeester aanzag: “onbegrijpelijk! dat er op de publieke wegen niet beter voor de veiligheid wordt gewaakt. Den hemel zij echter gedankt,” en zij maakte het teeken des kruises: “dat een zoo schoon en kloek edelman niet het slachtoffer der boosheid geworden is! Een roemer wijn zal u niet onwelkom wezen?” vervolgde zij; “Rosio zal mij wel den dienst willen doen, een goede flesch te gaan halen.”Rosio stond, zonder te antwoorden, van zijne zitplaats op; zag zijne gebiedster vragende aan, en Alonzo, die de spattende vonkengadesloeg, bemerkte niet dat de dame dien vragenden blik met een heimelijk knipoogen beantwoordde.“Gij kent dus den graaf Van Bergen?” vroeg de dame toen Rosio vertrokken was.“Zooals ik u zeide, edele vrouw!” antwoordde Alonzo: “dezen middag was ik zijn gast: evenwel was het mij niet vergund hem meer van nabij te leeren kennen.”“Dan is het al zeer toevallig,” hernam de gravin: “dat gij uw middagmaal bij den zoon hebt gebruikt en een nachtverblijf bij de moeder komt zoeken.”“De graaf Van Bergen is uw zoon?” zeide Alonzo verrast, terwijl hij de dame met een blik beschouwde, die hare eigenliefde streelde: “Voorwaar mevrouw,” ging hij voort: “het geleden ongeval wordt mij thans aangenaam vergoed, dewijl ik daardoor de eer en het genoegen heb, kennis te maken met de moeder van den alom beminden en dapperen graaf Van Bergen.”De douairière glimlachte. “Met recht verdient mijn zoon de eer die ieder hem toekent,” hernam zij: “ook ben ik niet weinig trotsch op hem: hij was de oogappel van zijn zaligen vader. Doch wat dunkt u van zijne dochter Adelgonde?” en bij deze vraag zag zij den jongeling met hare scherpe, meest voor zich nedergeslagen oogen zijdelings aan.Alonzo werd bij deze vraag vuurrood: “De freule is inderdaad zeer schoon,” antwoordde hij, zich herstellende: “nooit te voren, mevrouw, zag ik een gelaat met zooveel uitdrukking als dat van uwe kleindochter.”“Het is de algemeene opinie,” hervatte de gravin: “men kan zeggen, dat hare schoonheid ruimschoots vergoedt hetgeen een onwettige geboorte haar doet missen....”“Een onwettige geboorte?” riep Alonzo, met eene stem, die duidelijk verried, dat zijn hart pijnlijk werd aangedaan: “Is het dan waarheid mevrouw, hetgeen ik veronderstelde, dat slechts een valsch gerucht kon hebben uitgestrooid?”“Gij hebt het niet geloofd mijnheer?” zeide de gravin, terwijl zij haar fraaie kleine hand beschouwde aan welker vingeren verscheidene kostbare ringen staken: “Inderdaad, het is zonderling,” vervolgde zij: “dat mijn zoon aan dit kind eene liefde toekent en haar eveneens behandelt als ware het de dochter zijner overledene gade.”Alonzo sprak niet, maar staarde vóór zich. De gravin had zeer wel den indruk bespeurd, dien hare woorden op den jongen Spanjaard gemaakt hadden; zij liet dit echter niet blijken, maar ging op een beklagenden toon voort: “Ja, het lieve kind is wel medelijdenswaardig! hoe treurig zal het haar eenmaal zijn, als zij verneemt dat een dienstbare van haar vader hare moeder was. Eenmaal toch moet ook haar ter oore komen hetgeen nu reeds ieder weet, en wat zal er dan van haar worden! Wat zal het zijn na den dood van mijn zoon! Vermogen laat hij haar niet na. Zijne goederen zijn bezwaard. Reeds is het schoone kasteelden Oldenburghhet zijne niet meer. Gedurig put ik mij uit, om den zoon van mijn onvergetelijkenechtgenoot in zijn rang en stand staande te houden. Verre is het echter, dat ik daar eenigen roem op zou dragen; ik begeer zelfs geen dank; doch de arme Adelgonde, hoe ongelukkig, hoe ellendig zal zij eenmaal zijn!” en bij deze laatste woorden drukte zij de oogleden op elkaar, en weldra rolden er verscheidene tranen over hare wangen.“Die schoone bloem!” zeide Alonzo met een diepen zucht: “Zoo hemelsch schoon! zoo goed! zoo edel! en toch geschandvlekt voor de wereld!....”“Het eenige middel om haar te redden,” hernam de gravin Van Bergen, “is een goed huwelijk. Meermalen is zij werkelijk reeds, om hare vermaarde schoonheid, bij de jongelingschap in aanmerking gekomen; doch mijn zoon heeft haar helaas! als eene coquette grootgebracht; de freule is niet weinig difficile. Dit komt haar vader echter zeer te stade, want niets wenschte hij vuriger, dan dat zij de gade van een jongen edelman zou worden, aan wien hij, om financieele omstandigheden, de grootste verplichting heeft.—De jonker Van Rodenberg,” vervolgde zij, Alonzo even aanziende, “heeft hem reeds jaren lang op de edelmoedigste wijze met zijn belangrijk vermogen bijgestaan; en deze jonker Van Rodenberg, dien gij wellicht reeds hebt leeren kennen, of anders hebt hooren noemen, heeft, zegt men, tot onuitsprekelijke blijdschap van mijn zoon, ongeacht Adelgondes schandelijke geboorte en Van Bergens treurige omstandigheden, hare hand gevraagd. Zoo Adelgonde dit aanzoek van de hand wijst, is haar vader een verloren man; aanzienlijke sommen is hij dien jonker schuldig, en voorzeker zal deze als de beminde schoonzoon, die schulden grootmoedig kwijtschelden, ja dán zelfs met zijne ondersteuning voortgaan; doch daarentegen ook, als een afgewezen en mistroostig minnaar, een dreigend en vreeselijk schuldeischer worden.”Terwijl de gravin deze laatste woorden sprak, kwam Rosio terug, gevolgd door een bediende, die eenige ververschingen benevens wijn en bekers op de tafel plaatste.“Nu Mechteld dood is,” ving de rentmeester aan, “kan men ternauwernood de meest benoodigde zaken vinden. Aafke is vroom en goed, maar als alle vrouwen Maria’s waren, dan zouden wij mannen, wel Martha’s moeten worden.—Zie hier jonkman!” en hij overhandigde Alonzo een beker wijn.“Ik dank u mijnheer,” zeide Alonzo, als uit een droom ontwakende, en ledigde den hem toegereikten beker in één teug.“Gij zult het weinige, dat wij u kunnen aanbieden, voor lief moeten nemen, edele gast!” zeide de gravin weder op minzamen toon: “Het zou ons niet mogelijk zijn, u zulke schotels voor te zetten, als waarop uw waardige gastheer u dezen middag heeft onthaald.” Een spotachtige glimlach speelde bij deze woorden om hare lippen: “maar,” vervolgde zij: “toch wil ik hopen dat dit weitebrood, die gebakken visch en deze goede Hollandsche kaas, u eenigszins zullen verkwikken.”“Het spijt mij inderdaad,” zeide Alonzo, wiens eetlust, door hetgeenhij gehoord had, ten eenenmale was geweken, “dat deze moeite voor mij is gedaan, dewijl ik zelden des avonds eenige spijze gebruik.”“Het is te wenschen,” hernam de gravin, “dat deze Bourgogne meer genade in uwe oogen zal hebben! Edele Spinola, ik drink het welzijn van uw schoon vaderland! het welzijn van Spanje, dat land der oranjeboomen, dat heerlijke land waar ik de zaligste uren gesmaakt heb!” en terwijl zij haar beker ledigde, tintelden hare oogen van een vuur, dat met haar leeftijd zonderling in weerspraak was.Alonzo, wien het goed deed den lof van zijn vaderland te hooren verkondigen, en die de gastvrijheid welke hij genoot, niet met onheuschheid wilde beantwoorden, deed, hoewel zijne ziel met een geheel andere zaak was vervuld, de gravin op haar uitgebrachten toost bescheid, en dronk op den vrede tusschen Holland en Spanje.Intusschen gaf Alonzo nu al spoedig te kennen dat hij zich zeer vermoeid gevoelde, en dat het hem aangenaam zou zijn indien hij zijn nachtleger mocht opzoeken. Aan dit verzoek werd met veel bereidwilligheid gehoor gegeven. Alvorens te vertrekken moest Alonzo echter nog een beker ledigen; en Rosio, die steeds geschonken had, liet behendig, zonder dat de jongeling dit bemerkte, een poeder in den beker glijden, dien hij vervolgens aan Alonzo overhandigde.“Morgen vroegtijdig wenschte ik weder stadwaarts te gaan,” zeide Alonzo opstaande: “Ik zal dan waarschijnlijk niet het genoegen hebben u nog te zien. Met dezen dronk dank ik u dus edele vrouw, voor de mij betoonde gastvrijheid, en wensch u evenals mijnheer Rosio een goede nachtrust!”Na dezen afscheidsdronk zeide de gravin hem met de meest mogelijke vriendelijkheid vaarwel, en Rosio, den graaf tot aan de deur vergezellende, reikte hem de hand ten afscheid, en gelastte een bediende den graaf Spinola naar zijn slaapvertrek te geleiden.“De duivel gaf het hem in, niet langer te toeven,” zeide de rentmeester, zoodra Alonzo vertrokken was: “Van Rodenberg zit reeds gedurende een half uur in de zijkamer te wachten.—Treed binnen jonker!” riep hij, en opende eene deur, die aan het andere einde der kamer was, en door welke Walter Van Rodenberg werkelijk binnentrad.“Die vervloekte hond is den dans ontsprongen!” zeide hij, zich in een armstoel werpende, zonder de gravin of Rosio te groeten. “De onhandigheid van dien altijd droomenden Casper was mij bijna duur te staan gekomen. Goed dat die lummel naar de eeuwigheid ia verhuisd. Toen ik op de plaats kwam waar ik den Spanjaard in zijn bloed dacht te vinden, ontwaarde ik niets dan de beenen van den roodkop, die uit de sloot omhoog staken. Met behulp van Arends trok ik hem er uit, en waarachtig de onhandige kerel leefde nog. Vervloekt, zeide hij met een flauwe stem; Van Rodenberg heeft mij tot dit schelmstuk overgehaald; toen riep hij den hemel nog om genade aan, maar dewijl het mij niet paste den ezel bijadem te laten, mij later in opspraak te brengen, gaf ik hem den genadeslag. Nu is hij voorgoed bezorgd, en de zaak zal voorzeker niet uitlekken.”“Met dat al hebt gij niets gewonnen,” zeide de gravin: “Uw medeminnaar leeft; hij kan het gebeurde bij het gerecht aangeven. Alle schijn is tegen u, en voorzeker zal Spinola begrijpen dat gij alleen den aanslag hebt gesmeed.”“Voor dien Spaanschen hond ben ik nu in het minst niet meer bevreesd. De grap van dezen avond had zelfs wel geheel achterwege kunnen blijven, want weet, dat ik geen oogenblik twijfel, of de zaak opden Oldenburghheeft zijn beslag. Bij mijne ziel! het was zonderling te zien, welke oogen mijn aanstaande schoonpapa opzette, toen ik hem verhaalde hetgeen hij dacht dat niemand ooit te weten was gekomen. De vrees dat de wereld vernemen zou, wat ik, bij eene weigering, dreigde te openbaren; de vriendschap die de graaf voor mijn vader heeft gehad, en de aanbeveling op diens sterfbed, alles kwam mij te stade. Zelfs was mijne vrees ongegrond dat Alonzo Spinola genade bij den graaf zou gevonden hebben. Hij heeft een afkeer van zijne en uwe Paapsche leer, en haat den vijand sterker dan ik dit eerst geloofde. Het lieve duifje zal den wil van haren vader doen. Ik huw haar; de graaf sterft weldra, en de goederen der Van Bergens worden mijn eigendom.”“En gij zult uw geluk aan mij te danken hebben,” hernam de gravin toen Van Rodenberg geëindigd had. “Doch wat vangen wij thans met Spinola aan?”“Hij slaapt voorzeker reeds als een roos,” zeide Rosio: “Het ware verkeerd geweest indien hij den jonker gezien had, doch mij dunkt....”“Hij moet ongedeerd van hier vertrekken,” viel Van Rodenberg hem in de rede: “Hij kan mij geen kwaad. Ik verwijt hem des noods dat hij lafhartig achterwege is gebleven. Al wilde hij ook het voorgevallene bekend maken, het zal mij niet deren. Hij kan niets tegen mij bewijzen; of.... des noods heefthijeen moord begaan!”Intusschen werd Alonzo, in de hem aangewezen kamer gekomen, door een hevigen slaap overvallen. Zijne oogleden werden hem zoo zwaar als lood, en de ware oorzaak daarvan niet bevroedende, schreef hij dit aan den ouden Bourgogne-wijn toe, waarvan hij misschien wat te veel gedronken had. Snel ontdeed hij zich van zijn wambuis, en wierp zich toen op het groote ledikant.Een diepe slaap maakte zich weldra van hem meester, en benauwende droomen, zonder eenigen samenhang, vervingen elkander met de zonderlingste afwisseling. Nu eens zag hij Adelgonde Van Bergen in een vlammenden wagen gezeten, welke in de lucht door duivelen en saters met woest geschreeuw werd voortgetrokken; dan weder vielen er uit den hemel de schoonste bloemen voor zijne voeten neder, doch veranderden, wanneer hij die wilde oprapen, eensklaps in sissende slangen en venijnige adders. Spooksels en bekende personen dansten te zamen in allerlei vreemde sprongenen met luid misbaar hand aan hand om hem heen. Allen staken den draak met hem, en lachten luidkeels. In ’t eind verscheen er voor zijne oogen een lieftallig kind; het hief de handjes naar hem op en zag hem smeekend aan. Het trok hem met zich voort, al verder en verder, steeds afdalende en al dieper en dieper zinkende. De plaats waar zij kwamen was akelig doodsch; een groote blauwe zerk lag op de aarde; de steen ging langzaam open, en een levend geraamte rees uit de groeve omhoog. “Edele heer! edele heer!” riep het kind angstig smeekend: “edele heer!” riep het nogmaals luider, Alonzo bij den arm trekkende. Alonzo wreef zich de oogen en ontwaakte. Een schemerachtig licht drong reeds door de luikgaten naar binnen, en de slaapdronken Alonzo ontwaarde nu, na zich nogmaals de lichtschuwende oogen gewreven te hebben, dat een jong en bevallig meisje naast zijne legerstede stond. “Edele heer!” zeide zij nogmaals, en schudde den arm van den jongeling met haar kleine hand: “Ontwaak! In ’s hemels naam, wil mij een oogenblik aanhooren.”“Wat verlangt gij van mij?” vroeg hij, zonderling te moede, en sprong nu, tot zich zelven gekomen, van het ledikant.“O verschoon mij,” bad het meisje: “verschoon mij dat ik uw slaapvertrek ben binnen getreden; doch ik moest u spreken. Gij zijt immers een edel en braaf heer?”“Welnu,” zeide Alonzo, zijn wambuis aantrekkende, terwijl hij het lieve kind aandachtig beschouwde, “spreek, wat verlangt gij van mij, of wat hebt gij mij te zeggen?”“Gij zult het straks vernemen,” zeide het meisje: “doch volg mij zonder gedruisch;” en Alonzo voorgaande, bracht zij hem in eene benedenverdieping van het kasteel, en verhaalde aldaar aan haar aandachtigen toehoorder, hetgeen wij, om ons verhaal niet vooruit te loopen, eerst later zullen mededeelen.

Zevende hoofdstuk.Het was in den morgen van den volgenden dag, dat eenige ruiters den Bezuidenhoutschen weg opreden, en eindelijk de laan van het Nieuwe Oosteinde insloegen.—De zon scheen vriendelijk; het landschap leverde een prachtig schouwspel op; de takken der boomen waren allen met rijp bedekt, en de reeds lang gevallen bladeren werden als het ware vervangen door duizenden van flonkerende diamanten. De overstroomde weilanden waren thans met een dichten ijsvloer bedekt, waaruit zich de mede berijpte knotwilgen verhieven, die, aan hun voet met breede ijskragen voorzien, door den helderen bodem waarop zij rustten, werden teruggekaatst. De grond was hard bevroren; helder klonken de hoeven der paarden; in dartele sprongen gaven zij mede door vurig brieschen en snuiven aan dat vrije gevoel lucht, dat èn mensch èn dier op een schoonen winterdag moet bezielen. De ruiters schenen werk te hebben hunne rossen in den atap te houden; sommigen zelfs moesten al hun rijkunst aanwenden om niet uit den zadel gelicht te worden, hetgeen niet weinig schade aan hunne fraaie kleeding, waaraan de meeste zorg was besteed, zou hebben toegebracht.Zij schenen in deze streken onbekend, want een klein schraal mannetje te voet, in wien wij de figuur van Sebastianus Bril herkennen, diende hun ten gids. Van daár dat de ruiters slechts stapvoets konden voorttrekken, doch waardoor ook weder de gesprekken duidelijker gehoord en geregelder konden gevoerd worden. Deze hadden in de Spaansche taal plaats, welke wij echter, om verscheidene redenen, liever in de onze willen mededeelen.“Ik vrees dat die moerasbewoners even onhandelbaar zullen zijn als mijn paard,” zeide Richardot, wiens ros telkens de voorpootenin de lucht wierp, en slechts zeer moeielijk door teugel en spoor in bedwang was te houden: “Zij zullen op de achterpooten gaan staan, en ons wellicht uit den zadel werpen.”“Zoo wij alleen met Maurits en zijne Zeeuwen te doen hadden, ja, dan zou ik dit voorzeker gelooven,” antwoordde de markgraaf Ambrosio Spinola: “doch wij hebben wakkere bevorderaars van onze plannen. Die Oldenbarneveld heeft den meesten invloed, zelfs op den Prins; hem moeten wij vooral te vriend houden.”“Wij spelen een vermakelijk spel,” zeide Don Juan De Mancicidor, die den sprekenden ter zijde was gereden: “Waarachtig! wij handelen over een vrede, welken wij nimmer zullen sluiten, en eten met vrienden, die onze vijanden zijn.”“Dit is niets vreemds,” hernam Spinola: “en was ook hier te berekenen; doch zoo het al geenvredezal zijn,bestandmoet het toch worden.”“Dit kan ik nog geenszins voor zeker houden,” zeide Richardot: “Waar vindt men stijver koppen en onbuigzamer gemoederen dan in dit verwenschte kikkerland!”“Hunne kettersche gevoelens zullen zij nimmer verloochenen,” merkte Pater Jan Neijen aan, die in een gesprek met Verreijken was gewikkeld: “Ik ken hun aard,” vervolgde hij: “dewijl mijn vader, Maarten Neijen, een Zeeuw van geboorte was. Vrijlating van onzen alleen zaligmakenden godsdienst zullen zij nimmer toestaan.”“Dit zal het laatste punt ter behandeling blijven,” antwoordde de toegesprokene. “Doch nog vóór dit, zullen er zich vele zwarigheden opdoen.”“De vrije vaart op de Indiën laten zij zich niet ontnemen,” had Spinola aan Richardot ten antwoord gegeven: “doch dit punt moet met kracht worden volgehouden; er zullen wellicht hevige tooneelen over plaats vinden; doch in weerwil dat de Gemachtigden den Staten tot de handhaving van dit punt hebben aangespoord, begrijpen toch verscheidenen, dat die handel, alleen bijzondere personen betreffende, den door hen verlangden vrede niet behoort tegen te houden.”“Op dat aambeeld moeten wij ten minste dapper slaan,” zeide Richardot: “De Fransche Gezant Jeannin zal tot ons plan medewerken.”“Indien gij dezen weg vervolgt, mijne heeren!” riep nu eensklaps de kleine gids, met een mengelmoes van Spaansche en Hollandsche woorden, die zonderling waren dooreengewerkt, terwijl hij een zijweg aanwees: “dan kunt gij onmogelijk dwalen: eerst hebt gij rechts een pachthoeve, en vervolgens kan u de laan, die op het kasteelden Oldenburghuitloopt, niet ontgaan.”“Dus kunnen wij onzen “Memento Mori” zijn afscheid, en onzen paarden de sporen geven,” zeide Spinola, terwijl hij Bril eenig geld toewierp, hetwelk deze met een tevreden: “Dank mijne heeren!” opraapte, waarna hij zich al groetend stadwaarts wendde, met het vaste voornemen, om dien dag bij niemand anders door te brengen, dan bij Gerrit Aal inden Wijnstok.De kleppers, nu den vrijen teugel gelaten, renden moedig voorwaarts, en weldra verkondigde hun hoefgetrappel den bewoners vanden Oldenburgh, de aankomst der Spaansche gasten.De graaf Van Bergen, als vertrouwde vriend van Maurits, had het zich tot een plicht gerekend, den man aan zijn disch te noodigen, dien hij, evenals zijn Prins, om zijne dapperheid en waarde als veldheer hoogschatte. Noodwendig moesten de overige gezanten hem vergezellen, en vorderde de wellevendheid mede, dat de afgevaardigden van andere vorsten en natiën insgelijks aan zijne tafel genoodigd werden. Prins Maurits, de voornaamste beambten, benevens des graven vrienden en bekenden met hunne vrouwen en dochters, zouden nog bovendien aanwezig zijn, en geenszins was het dus te verwonderen, dat er reeds een paar dagen lang de grootste drukte opden Oldenburghgeheerscht had. Bij zulke gelegenheden was de graaf er bijzonder op gesteld dat niets zou ontbreken. Met de grootste nauwgezetheid had hij zijne bevelen gegeven, en zelfs die schotels, welke hij meende noodzakelijk te zijn, doch welker bestanddeelen op zijn kasteel niet voorhanden waren, uit Den Haag doen ontbieden. De groote of ridderzaal was smaakvol versierd, de lange tafel stond aangerecht, en het opdragen der spijzen wachtte slechts totdat de gasten, die zich nu voltallig in eene belendende zaal bevonden, zouden gezeten zijn.Wij zullen niet breedvoerig gewagen van het middagmaal dat weldra gehouden werd, niet de plaatsen aanwijzen waar elk der gasten gezeten was, niet de verschillende gerechten opsommen die bestemd waren om hun smaak te streelen, en evenmin de tafelgesprekken mededeelen die, in het algemeen, vrij zouteloos konden genoemd worden. Alleen beschouwen wij den graaf, op wiens gelaat dezelfde, zoo niet nog somberder stemming te lezen stond, dan waarin wij hem reeds eenmaal op zijn kasteel ontmoet hebben. Was dat gefronste voorhoofd een teeken dat hij zich gramstorig gevoelde, dewijl niet al zijne bevelen met de gewenschte stiptheid waren ten uitvoer gebracht? Lag er in den minder vriendelijken blik waarmede hij Adelgonde aanzag, voor haar misschien een klein verwijt dat zij niet al het hare had gedaan, om luister aan dit gastmaal bij te zetten, of was het wellicht eene zelf beschuldiging dat hij de mannen aan zijn disch had genoodigd, die hij steeds als vijanden zou blijven beschouwen, dewijl zij het Vaderland reeds sedert veertig jaren hadden geteisterd, en het steeds met wraakgierige oogen zouden aanzien dat Luthers leer, de heerschende dwaalbegrippen uit deze streken verbannende, voor helderder denkbeelden had doen zegevieren? Noch het een, noch het ander kon zulk een ernstige stemming teweegbrengen. Alles was in de ruimste mate aanwezig en met de meeste zorg toebereid, en zelfs de laatste vooronderstelling werd van allen grond ontbloot, wanneer men zag hoe hij, met zijne altijdoprechtehartelijkheid, zijn beker tegen dien van Spinola stiet. Van Bergen zag in zijn edelen gast, niet den Spanjaard, maar den veldheer, den beroemdsten van zijn tijd.Eén was er slechts te midden dier aanzittenden, die zich zeergoed dien somberen blik kon verklaren, die inwendig juichte over het welslagen zijner poging, en een heimelijk genoegen schepte in het misnoegen des graven, hetwelk, zoo het door de andere gasten ware opgemerkt, hun voorzeker tot leedwezen zou verstrekt hebben.Adelgonde, wier treffend lelieblank gelaat aller oogen tot zich trok, was naast den jonker Van Rodenberg gezeten, en schoon zij des jonkers laffe aardigheden slechts luttel beantwoordde, meenden toch velen dat deze jongelieden wel mettertijd een paar zouden worden.Doch hoe moest niet Alonzo te moede zijn, die insgelijks met het gezantschap was medegekomen, en thans schuins tegenover de freule Van Bergen en den, in zijne oogen, nietswaardigen Van Rodenberg gezeten was? Voor de eene brandde hij van vurige liefde, welke hij echter, op haar eigen verzoek, moest verbergen zonder de reden wáárom te weten, en voor den ander blaakte hij van gramschap, en moest niettemin, met schier ongeloofelijke inspanning, zijne bedaardheid bewaren, om aan te zien hoe die ellendeling haar met zijne zoutelooze gesprekken zocht bezig te houden.Nog dienzelfden avond was hij gehouden zich met Van Rodenberg te meten; des morgens reeds vroegtijdig had hij een briefje ontvangen, waarin de jonker hem had gemeld dat zij beiden zich op het kasteel van Van Bergen zouden bevinden, en bij het naar huis rijden, aan het einde der laan van het Nieuwe Oosteinde rechts moesten inslaan om elkander bij den kruisweg, hetSteenen kruisgenaamd, met den degen te ontmoeten.Daar zag hij die twee naast elkander van welke hij de eene met zijn leven tegen elken aanval zou willen verdedigen, terwijl de ander, in zijn oog, niets anders dan den dood verdiende, dewijl hij een blaam op hare afkomst geworpen had, en thans, in weerwil daarvan, zich aanstelde alsof hij werkelijk haar uitverkoren ridder was.Van Rodenberg gevoelde insgelijks zeer wel wát er in het binnenste van Alonzo omging, doch toen hij bemerkte dat de Spaansche jongeling hem van ter zijde gadesloeg, zette hij zijn gruwelijk spel des te wreedaardiger voort.En Adelgonde, wel verre van behagen te scheppen in de woorden des jonkers, zag somwijlen met weemoed naar den schoonen Alonzo; zij maakte vergelijkingen tusschen zijn edel gelaat en dat des jonkers, waar de laagste hartstochten zoo duidelijk op te lezen stonden. Ook zij deed zich geweld aan, ook zij had een hevigen strijd in haar binnenste te voeren, en de eenige troost, dien de minnenden elkander geven konden, was de uitdrukking van hun gemoedsbestaan op hunne gelaatstrekken, hetgeen, hoewel voor anderen onopgemerkt blijvende, door de sympathie hunner zielen duidelijk begrepen werd.“Maar om ’s hemels wil, dierbare jonkvrouw!” zeide Alonzo, toen het middagmaal was ten einde geloopen, en hij, opgestaan, onbespied eenige woorden met Adelgonde kon wisselen: “wie toch heeft mij veroordeeld in uwe nabijheid te zijn, zonder u te mogen toespreken,zonder u te mogen zeggen wat ik mij zelven zoo dikwerf herhaal,—dat ik u bemin? O verklaar mij dat raadsel, wat heb ik misdreven? Ik hoopte op uw liefde. Gij zelve hebt mij die hoop geschonken. O, ontneem ze mij niet langer. Zeg mij één woord! Wie weet of dit niet het laatste zal zijn ...!”’ doch eensklaps hield hij op; greep Adelgondes hand en vervolgde; “Maar neen, dat zal het niet. Ik zal hem straffen,hem, die u....” doch weder zweeg hij stil. Zou hij onkiesch genoeg zijn om dat reine schepsel de blaam te ontdekken, welke slechts de valschheid op hare afkomst kon geworpen hebben? Neen, spoedig veranderde hij van toon en vervolgde zacht smeekend: “Ik bid u! schenk mij in dezen stond het antwoord op de vraag: “Kunt gij mij waarlijk beminnen?”Adelgonde ontwaarde dat sommigen der aanwezenden hen konden bespieden; zij moest een antwoord geven. Snel trok zij hare hand terug en fluisterde zacht: “Alonzo, ik bemin u!” Dadelijk verwijderde zij zich, en liet den jongeling in de zaligste verrukking achter.Het was vrij donker toen de gasten vanden Oldenburghhuiswaarts keerden, en ook de Spaansche gezanten hadden, na den gastheer hun dank te hebben betuigd, den terugtocht aangenomen. Alonzo reed achteraan, en het werd door de overigen niet opgemerkt dat hij, zijn paard gedurig inhoudende, hoe langer hoe meer achterbleef.Aan het einde der laan gekomen, waren zijne gezellen hem omstreeks honderd schreden vooruit, en toen zij links den weg naar ’s-Hage insloegen, reed hij in de tegenovergestelde richting, op het bepaaldeSteenen kruisaan.De jonge Alonzo, hoewel geenszins bevreesd voor de ophanden zijnde ontmoeting, was echter zonderling te moede. Deze dag zou mogelijk de laatste zijn welken hij beleefd had. Meermalen was hij met onverschrokken moed het vijandelijke vuur tegemoet getrokken; meermalen reeds had hij, op last van zijn vorst, aan de zijde zijns dapperen vaders, den vijand bestreden; maar nimmer nog was hij in een donkeren nacht uitgetogen, om zich met een vijand te meten, die bovendien nog de laagste was, dien hij ooit te voren gekend had. De werken der duisternis verafschuwende, en ijzende op het denkbeeld, een mensch, wie het dan ook wezen mocht, zonder getuigen te vermoorden, dit alles deed hem schier tot den terugtocht besluiten. Doch wat zou hem dan te wachten staan? aan welke bespottingen zou hij zich dan prijs geven? zou men hem dan met met den naam van lafhartige bestempelen? Hij kon niet anders. Hij moest voorwaarts! En zoo zijn laatste ure dan eens spoedig had geslagen; indien hij het slachtoffer moest worden van een billijke zaak, wat zou zijn leven dan geweest zijn! Hoe treurig zouden dan al zijne verwachtingen ten eenenmale den bodem zijn ingeslagen. Zijn dierbaar vaderland, het schoone Spanje, het land zijner vaderen, het nog schoonere Italië, zou hij nimmer wederzien. Zijn vader zou hem tevergeefs onder de levenden zoeken; hij zou niet op het veldvan eer zijn gestorven, en nimmer zou hij de zachte woorden: “Alonzo, ik bemin u!” meer hooren. Hij staarde in de duisternis, maar nergens ontwaarde hij eenig licht.Plotseling echter werden zijne overpeinzingen afgebroken door een zijsprong en het hevig steigeren van zijn klepper, die tot dusverre een geregelden stap had gehouden. Alonzo, daarop weinig voorbereid, was bijna uit den zadel gelicht, doch bedwong het verschrikte dier spoedig, en nu naar de oorzaak daarvan zoekende, meende hij iets te ontwaren, dat echter spoedig achter de dichte hoewel dorre struiken verdween.“Wie daar?” riep hij met krachtige stem, doch slechts een nauwelijks hoorbaar geritsel in de dorre bladeren was het bescheid op deze vraag.—Het zal wellicht eenig azend gedierte zijn waarvoor mijn schimmel zich bevreesd maakte, dacht Alonzo, en het beest nu de sporen in de lenden drukkende, galoppeerde hij over den breeden zandweg, gedurig uitziende naar den zijweg waar zich hetSteenen kruisbevinden moest.Doch zonderling kwam het hem voor, dat telkens wanneer er zich aan zijn rechterzijde eene opening in het kreupelhout bevond, een zwarte schim met dezelfde snelheid als zijn ros daar voorbijging. Zijne schaduw kon het onmogelijk wezen, want daarvoor was de schim te zwart en het licht van slechts weinige, door een benevelde sneeuwlucht heendringende sterren te zwak. Weder hield hij zijn paard in, doch bij een volgende opening ophoudende, ten einde te weten wat het eigenlijk was, ontdekte hij niets.—Ben ik dan waarachtig een kind of een jonge vrouw! sprak hij eenigszins verstoord tot zich zelven: dat het bewegen van een blad, of de verbeelding van eene schim te zien, mij vrees zou aanjagen, of ten minste opmerkzaam maken.—“Ik ben Alonzo Spinola!” riep hij eenigszins luid, doch steeds bij zich zelven sprekende, en zocht door deze gedachte alle banden te verbreken, die hem nog aan de bijgeloovigheid konden gekluisterd houden. Doch hoor, was datgrinnikendlachen, hetwelk hij na dien laatsten uitroep vernam, ook een spel zijner opgewekte verbeelding? Hadden zijne ooren hem dan ook nú bedrogen? Weder hield hij zijn paard plotseling stil en luisterde zeer aandachtig; doch—niet het minste geluid trof nu zijne ooren.Men duide het Alonzo niet ten kwade, en beschuldige hem niet van kleinmoedigheid, dat hij, weder voortrijdende, zijn pistool uit den holster trok en de oogen steeds naar de rechterzijde gewend hield, want wie toch zou niet, evenals hij te moede zijn, in het nachtelijk duister, op zulk een eenzamen weg, met zulk een doel voor oogen, en, hetzij dan door de verbeelding of wel in de werkelijkheid, aan dergelijke raadselachtige verschijningen overgegeven.Nog slechts weinige seconden had hij, alzoo gewapend, voortgereden, of hij bemerkte aan de plaats zijner bestemming te zijn gekomen. Van Rodenberg was nog niet aanwezig; en, van zijn paard stappende, bond Alonzo het met den teugel aan den tak van eenboom, die op den hoek van den weg stond. Het was vrij koud en de Noordoostenwind begon eenigermate op te steken; hij sloeg den mantel dichter om zijne leden, en plaatste zich met den rug tegen zijn schimmel, zoodat deze hem eenigszins tegen de koude beschutte. Zoo had hij nauwelijks eenige oogenblikken gestaan, toen een schaterend lachen opnieuw zijne ooren trof.“Gij zijt Alonzo Spinola!” riep eene stem, die den lach opvolgde, welke Alonzo door merg en been had gedrongen; “Zie hier dan—de groete van Van Rodenberg!” en in hetzelfde oogenblik brandde er eene pistool los, welk schot Alonzo den hoed van het hoofd nam. Hoewel wreedaardig verrast, verloor hij echter zijne tegenwoordigheid van geest niet; maar met bliksemsnelheid op de plaats toeschietende, vanwaar hij het vuurgeven had aanschouwd, zag hij er iemand staan, dien hij, zonder een woord te spreken, door een forschen stoot op de borst, achterover in een sloot wierp. De ijskorst, die deze sloot overdekte, tegen zulk een zwaarte niet bestand zijnde, brak, en de gestrafde booswicht met het bovenlijf door het ijs zakkende, ging in water en slijk een gewissen dood te gemoet. Alonzo deed nog alle moeite om den sluipmoordenaar te redden; maar tevergeefs stelde hij al zijne krachten in het werk. Na vele ijdele pogingen gaf hij dezen treurigen arbeid op, en dewijl de verslagene toch geen teeken van leven meer gaf, spoedde hij zich, verkleumd van koude, naar zijn schimmel. Toen hij echter aan de plaats was gekomen waar hij het beest had vastgebonden, ontdekte hij er geen spoor meer van. Zeker had het dier, door het schieten verschrikt, zich losgerukt en was het den weg stadwaarts ingeslagen. Daar stond hij nu alleen op deze akelige plaats. Niets zag of hoorde hij dan het fluiten van den guren wind. Vier wegen liepen hier ineen, en door het akelige tooneel dat er had plaats gegrepen, was hij geheel in het onzekere, welke dier vier wegen naar Den Haag voerde. Zijn paard, op welks instinct hij zich veilig had kunnen verlaten, was hem ontvlucht; niets bleef hem dus over dan op goed geluk een dier wegen te kiezen.Vruchteloos zocht hij eenige oogenblikken naar zijn hoed, doch toen hij dien nergens ontwaarde, hing hij den mantel over het hoofd en sloeg den weg in, welke hem het meest waarschijnlijk de rechte scheen te wezen.Alonzo, alzoo voortstappende, verloor zich in gissingen aangaande den persoon, door wien hij op zulk eene schelmachtige wijze was aangevallen. Zou het Van Rodenberg zelf zijn geweest, of slechts een dienaar zijner ongerechtigheid? Hij wist het niet; doch dankte den hemel, die hem nu reeds twee malen zoo duidelijk beschermd en bewaard had.Verder komende, bemerkte hij hoe langer hoe duidelijker, dat hij een verkeerden weg was ingeslagen; doch wat te doen? Zou hij terugkeeren, om, op den kruisweg gekomen, wellicht nogmaals een verkeerden weg te kiezen? Hij vond het geraden voort te gaan, en hoopte weldra eene woning te vinden, waar hij tegen een ruime belooning, verwarming en nachtverblijf zou kunnen bekomen. Weinigeminuten slechts had hij doorgeloopen, of hij werd aangenaam verrast door te ontwaren, dat hij een kasteel of landhuis naderde. Weldra bevond hij zich werkelijk in deszelfs nabijheid, doch zag nu een groote opgehaalde brug voor zich, die hem den toegang belette.Hier echter kwam hem de winter te stade, en de natuur, der menschen voorzorg bespottende, liet hem den vrijen toegang. Langzaam gleed hij langs de steile helling der gracht naar beneden; wel kraakte het ijs onder zijn lichten tred, doch in weinige vlugge stappen kwam Alonzo behouden aan de overzijde. Met moeite kroop hij weder tegen de gladde helling op; maar—vrij wat moeielijker zou het zijn om nu de zware eikenhouten poort te openen, die van buiten met ijzer was beslagen en van binnen voorzeker niet minder doelmatig zou voorzien zijn.Verscheiden malen deed hij van een: “Doe open!” de lucht weergalmen; doch niemand scheen bereid aan zijn billijk verzoek te voldoen, hetgeen hem echter niet afschrikte, maar aanwakkerde om des te harder te roepen, terwijl hij bovendien zijne stem van duchtige slagen op de zware poort deed vergezeld gaan. Een kwartier uurs mocht hij reeds tevergeefs alle middelen in het werk hebben gesteld, en begon hij de hoop op te geven van binnengelaten te zullen worden, toen hij van binnen ijzeren boomen hoorde wegschuiven, en een slot omdraaien.“Wie daar?” riep eene stem door de geopende reet der poort; on Alonzo, geen reden hebbende om zijn naam te verzwijgen, antwoordde schielijk, in de hoop spoedig zijn doel te bereiken: “Ik ben Alonzo Spinola, zoon van den markgraaf Ambrosio, behoorende tot het Spaansche gezantschap in Den Haag. Op een rit ben ik verdwaald geraakt, en verzoek thans zeer vriendelijk den eigenaar van dit kasteel, mij slechts voor een nacht te willen huisvesten.”“Zijt gij alleen?” vroeg de stem van binnen.“Geheel alleen!” was Alonzo’s antwoord: “zelfs mijn paard heb ik door een samenloop van omstandigheden verloren.” De deur werd nu van binnen weder gegrendeld en geboomd, en daar het scheen dat de onderzoeker zich verwijderde, bleef Alonzo nog steeds aan de koude gure nachtlucht prijsgegeven.Na opnieuw meer dan tien minuten te hebben gewacht, gedurende welken tijd Alonzo, als een schildwacht hard stappende, had op- en neder gegaan, weken de grendels voor goed, en noodigde hem de portier, in naam zijner meesteres, binnen te treden onder voorwaarde echter dat hij zijn degen zou afleggen. Als edelman nooit gewoon zich er van te ontdoen, veel minder nog zich te laten ontwapenen, aarzelde Alonzo eerst en maakte hiertegen eenige bedenkingen; doch de portier had uitdrukkelijken last, en verklaarde, dat men in deze tijden, ondanks den opgegeven naam, de voorzichtigheid niet uit het oog mocht verliezen, en dat dus den vreemdeling geene herbergzaamheid kon verleend worden zoo hij niet aan dezen eisch wilde gehoor geven.Alonzo moest van twee kwaden het minste kiezen. Het verschil tusschen den kouden nacht daar buiten, zonder behoorlijke dekking in een onbekende streek, en den koesterenden haard, een verkwikkende teug, benevens een rustig nachtleger daar binnen, deed hem spoedig tot de overgave van zijn sierlijk wapen besluiten. Nadat dit geschied en de zware poort weder gesloten was, geleidde de portier den van koude rillenden Alonzo over een ruime plaats en daarna eenige trappen op; ontsloot weder eene deur, en, na met hem een klein portaal te zijn binnengetreden, verzocht hij hem daar eenige oogenblikken te wachten. Het duurde echter niet lang of de man kwam terug, en den jongen Spinola weinige schreden vooruitgaande, opende hij hem nogmaals eene deur, en nu trad Alonzo eindelijk een ruim en wél verwarmd vertrek binnen, in welks midden twee personen gezeten waren.

Het was in den morgen van den volgenden dag, dat eenige ruiters den Bezuidenhoutschen weg opreden, en eindelijk de laan van het Nieuwe Oosteinde insloegen.—De zon scheen vriendelijk; het landschap leverde een prachtig schouwspel op; de takken der boomen waren allen met rijp bedekt, en de reeds lang gevallen bladeren werden als het ware vervangen door duizenden van flonkerende diamanten. De overstroomde weilanden waren thans met een dichten ijsvloer bedekt, waaruit zich de mede berijpte knotwilgen verhieven, die, aan hun voet met breede ijskragen voorzien, door den helderen bodem waarop zij rustten, werden teruggekaatst. De grond was hard bevroren; helder klonken de hoeven der paarden; in dartele sprongen gaven zij mede door vurig brieschen en snuiven aan dat vrije gevoel lucht, dat èn mensch èn dier op een schoonen winterdag moet bezielen. De ruiters schenen werk te hebben hunne rossen in den atap te houden; sommigen zelfs moesten al hun rijkunst aanwenden om niet uit den zadel gelicht te worden, hetgeen niet weinig schade aan hunne fraaie kleeding, waaraan de meeste zorg was besteed, zou hebben toegebracht.

Zij schenen in deze streken onbekend, want een klein schraal mannetje te voet, in wien wij de figuur van Sebastianus Bril herkennen, diende hun ten gids. Van daár dat de ruiters slechts stapvoets konden voorttrekken, doch waardoor ook weder de gesprekken duidelijker gehoord en geregelder konden gevoerd worden. Deze hadden in de Spaansche taal plaats, welke wij echter, om verscheidene redenen, liever in de onze willen mededeelen.

“Ik vrees dat die moerasbewoners even onhandelbaar zullen zijn als mijn paard,” zeide Richardot, wiens ros telkens de voorpootenin de lucht wierp, en slechts zeer moeielijk door teugel en spoor in bedwang was te houden: “Zij zullen op de achterpooten gaan staan, en ons wellicht uit den zadel werpen.”

“Zoo wij alleen met Maurits en zijne Zeeuwen te doen hadden, ja, dan zou ik dit voorzeker gelooven,” antwoordde de markgraaf Ambrosio Spinola: “doch wij hebben wakkere bevorderaars van onze plannen. Die Oldenbarneveld heeft den meesten invloed, zelfs op den Prins; hem moeten wij vooral te vriend houden.”

“Wij spelen een vermakelijk spel,” zeide Don Juan De Mancicidor, die den sprekenden ter zijde was gereden: “Waarachtig! wij handelen over een vrede, welken wij nimmer zullen sluiten, en eten met vrienden, die onze vijanden zijn.”

“Dit is niets vreemds,” hernam Spinola: “en was ook hier te berekenen; doch zoo het al geenvredezal zijn,bestandmoet het toch worden.”

“Dit kan ik nog geenszins voor zeker houden,” zeide Richardot: “Waar vindt men stijver koppen en onbuigzamer gemoederen dan in dit verwenschte kikkerland!”

“Hunne kettersche gevoelens zullen zij nimmer verloochenen,” merkte Pater Jan Neijen aan, die in een gesprek met Verreijken was gewikkeld: “Ik ken hun aard,” vervolgde hij: “dewijl mijn vader, Maarten Neijen, een Zeeuw van geboorte was. Vrijlating van onzen alleen zaligmakenden godsdienst zullen zij nimmer toestaan.”

“Dit zal het laatste punt ter behandeling blijven,” antwoordde de toegesprokene. “Doch nog vóór dit, zullen er zich vele zwarigheden opdoen.”

“De vrije vaart op de Indiën laten zij zich niet ontnemen,” had Spinola aan Richardot ten antwoord gegeven: “doch dit punt moet met kracht worden volgehouden; er zullen wellicht hevige tooneelen over plaats vinden; doch in weerwil dat de Gemachtigden den Staten tot de handhaving van dit punt hebben aangespoord, begrijpen toch verscheidenen, dat die handel, alleen bijzondere personen betreffende, den door hen verlangden vrede niet behoort tegen te houden.”

“Op dat aambeeld moeten wij ten minste dapper slaan,” zeide Richardot: “De Fransche Gezant Jeannin zal tot ons plan medewerken.”

“Indien gij dezen weg vervolgt, mijne heeren!” riep nu eensklaps de kleine gids, met een mengelmoes van Spaansche en Hollandsche woorden, die zonderling waren dooreengewerkt, terwijl hij een zijweg aanwees: “dan kunt gij onmogelijk dwalen: eerst hebt gij rechts een pachthoeve, en vervolgens kan u de laan, die op het kasteelden Oldenburghuitloopt, niet ontgaan.”

“Dus kunnen wij onzen “Memento Mori” zijn afscheid, en onzen paarden de sporen geven,” zeide Spinola, terwijl hij Bril eenig geld toewierp, hetwelk deze met een tevreden: “Dank mijne heeren!” opraapte, waarna hij zich al groetend stadwaarts wendde, met het vaste voornemen, om dien dag bij niemand anders door te brengen, dan bij Gerrit Aal inden Wijnstok.

De kleppers, nu den vrijen teugel gelaten, renden moedig voorwaarts, en weldra verkondigde hun hoefgetrappel den bewoners vanden Oldenburgh, de aankomst der Spaansche gasten.

De graaf Van Bergen, als vertrouwde vriend van Maurits, had het zich tot een plicht gerekend, den man aan zijn disch te noodigen, dien hij, evenals zijn Prins, om zijne dapperheid en waarde als veldheer hoogschatte. Noodwendig moesten de overige gezanten hem vergezellen, en vorderde de wellevendheid mede, dat de afgevaardigden van andere vorsten en natiën insgelijks aan zijne tafel genoodigd werden. Prins Maurits, de voornaamste beambten, benevens des graven vrienden en bekenden met hunne vrouwen en dochters, zouden nog bovendien aanwezig zijn, en geenszins was het dus te verwonderen, dat er reeds een paar dagen lang de grootste drukte opden Oldenburghgeheerscht had. Bij zulke gelegenheden was de graaf er bijzonder op gesteld dat niets zou ontbreken. Met de grootste nauwgezetheid had hij zijne bevelen gegeven, en zelfs die schotels, welke hij meende noodzakelijk te zijn, doch welker bestanddeelen op zijn kasteel niet voorhanden waren, uit Den Haag doen ontbieden. De groote of ridderzaal was smaakvol versierd, de lange tafel stond aangerecht, en het opdragen der spijzen wachtte slechts totdat de gasten, die zich nu voltallig in eene belendende zaal bevonden, zouden gezeten zijn.

Wij zullen niet breedvoerig gewagen van het middagmaal dat weldra gehouden werd, niet de plaatsen aanwijzen waar elk der gasten gezeten was, niet de verschillende gerechten opsommen die bestemd waren om hun smaak te streelen, en evenmin de tafelgesprekken mededeelen die, in het algemeen, vrij zouteloos konden genoemd worden. Alleen beschouwen wij den graaf, op wiens gelaat dezelfde, zoo niet nog somberder stemming te lezen stond, dan waarin wij hem reeds eenmaal op zijn kasteel ontmoet hebben. Was dat gefronste voorhoofd een teeken dat hij zich gramstorig gevoelde, dewijl niet al zijne bevelen met de gewenschte stiptheid waren ten uitvoer gebracht? Lag er in den minder vriendelijken blik waarmede hij Adelgonde aanzag, voor haar misschien een klein verwijt dat zij niet al het hare had gedaan, om luister aan dit gastmaal bij te zetten, of was het wellicht eene zelf beschuldiging dat hij de mannen aan zijn disch had genoodigd, die hij steeds als vijanden zou blijven beschouwen, dewijl zij het Vaderland reeds sedert veertig jaren hadden geteisterd, en het steeds met wraakgierige oogen zouden aanzien dat Luthers leer, de heerschende dwaalbegrippen uit deze streken verbannende, voor helderder denkbeelden had doen zegevieren? Noch het een, noch het ander kon zulk een ernstige stemming teweegbrengen. Alles was in de ruimste mate aanwezig en met de meeste zorg toebereid, en zelfs de laatste vooronderstelling werd van allen grond ontbloot, wanneer men zag hoe hij, met zijne altijdoprechtehartelijkheid, zijn beker tegen dien van Spinola stiet. Van Bergen zag in zijn edelen gast, niet den Spanjaard, maar den veldheer, den beroemdsten van zijn tijd.

Eén was er slechts te midden dier aanzittenden, die zich zeergoed dien somberen blik kon verklaren, die inwendig juichte over het welslagen zijner poging, en een heimelijk genoegen schepte in het misnoegen des graven, hetwelk, zoo het door de andere gasten ware opgemerkt, hun voorzeker tot leedwezen zou verstrekt hebben.

Adelgonde, wier treffend lelieblank gelaat aller oogen tot zich trok, was naast den jonker Van Rodenberg gezeten, en schoon zij des jonkers laffe aardigheden slechts luttel beantwoordde, meenden toch velen dat deze jongelieden wel mettertijd een paar zouden worden.

Doch hoe moest niet Alonzo te moede zijn, die insgelijks met het gezantschap was medegekomen, en thans schuins tegenover de freule Van Bergen en den, in zijne oogen, nietswaardigen Van Rodenberg gezeten was? Voor de eene brandde hij van vurige liefde, welke hij echter, op haar eigen verzoek, moest verbergen zonder de reden wáárom te weten, en voor den ander blaakte hij van gramschap, en moest niettemin, met schier ongeloofelijke inspanning, zijne bedaardheid bewaren, om aan te zien hoe die ellendeling haar met zijne zoutelooze gesprekken zocht bezig te houden.

Nog dienzelfden avond was hij gehouden zich met Van Rodenberg te meten; des morgens reeds vroegtijdig had hij een briefje ontvangen, waarin de jonker hem had gemeld dat zij beiden zich op het kasteel van Van Bergen zouden bevinden, en bij het naar huis rijden, aan het einde der laan van het Nieuwe Oosteinde rechts moesten inslaan om elkander bij den kruisweg, hetSteenen kruisgenaamd, met den degen te ontmoeten.

Daar zag hij die twee naast elkander van welke hij de eene met zijn leven tegen elken aanval zou willen verdedigen, terwijl de ander, in zijn oog, niets anders dan den dood verdiende, dewijl hij een blaam op hare afkomst geworpen had, en thans, in weerwil daarvan, zich aanstelde alsof hij werkelijk haar uitverkoren ridder was.

Van Rodenberg gevoelde insgelijks zeer wel wát er in het binnenste van Alonzo omging, doch toen hij bemerkte dat de Spaansche jongeling hem van ter zijde gadesloeg, zette hij zijn gruwelijk spel des te wreedaardiger voort.

En Adelgonde, wel verre van behagen te scheppen in de woorden des jonkers, zag somwijlen met weemoed naar den schoonen Alonzo; zij maakte vergelijkingen tusschen zijn edel gelaat en dat des jonkers, waar de laagste hartstochten zoo duidelijk op te lezen stonden. Ook zij deed zich geweld aan, ook zij had een hevigen strijd in haar binnenste te voeren, en de eenige troost, dien de minnenden elkander geven konden, was de uitdrukking van hun gemoedsbestaan op hunne gelaatstrekken, hetgeen, hoewel voor anderen onopgemerkt blijvende, door de sympathie hunner zielen duidelijk begrepen werd.

“Maar om ’s hemels wil, dierbare jonkvrouw!” zeide Alonzo, toen het middagmaal was ten einde geloopen, en hij, opgestaan, onbespied eenige woorden met Adelgonde kon wisselen: “wie toch heeft mij veroordeeld in uwe nabijheid te zijn, zonder u te mogen toespreken,zonder u te mogen zeggen wat ik mij zelven zoo dikwerf herhaal,—dat ik u bemin? O verklaar mij dat raadsel, wat heb ik misdreven? Ik hoopte op uw liefde. Gij zelve hebt mij die hoop geschonken. O, ontneem ze mij niet langer. Zeg mij één woord! Wie weet of dit niet het laatste zal zijn ...!”’ doch eensklaps hield hij op; greep Adelgondes hand en vervolgde; “Maar neen, dat zal het niet. Ik zal hem straffen,hem, die u....” doch weder zweeg hij stil. Zou hij onkiesch genoeg zijn om dat reine schepsel de blaam te ontdekken, welke slechts de valschheid op hare afkomst kon geworpen hebben? Neen, spoedig veranderde hij van toon en vervolgde zacht smeekend: “Ik bid u! schenk mij in dezen stond het antwoord op de vraag: “Kunt gij mij waarlijk beminnen?”

Adelgonde ontwaarde dat sommigen der aanwezenden hen konden bespieden; zij moest een antwoord geven. Snel trok zij hare hand terug en fluisterde zacht: “Alonzo, ik bemin u!” Dadelijk verwijderde zij zich, en liet den jongeling in de zaligste verrukking achter.

Het was vrij donker toen de gasten vanden Oldenburghhuiswaarts keerden, en ook de Spaansche gezanten hadden, na den gastheer hun dank te hebben betuigd, den terugtocht aangenomen. Alonzo reed achteraan, en het werd door de overigen niet opgemerkt dat hij, zijn paard gedurig inhoudende, hoe langer hoe meer achterbleef.

Aan het einde der laan gekomen, waren zijne gezellen hem omstreeks honderd schreden vooruit, en toen zij links den weg naar ’s-Hage insloegen, reed hij in de tegenovergestelde richting, op het bepaaldeSteenen kruisaan.

De jonge Alonzo, hoewel geenszins bevreesd voor de ophanden zijnde ontmoeting, was echter zonderling te moede. Deze dag zou mogelijk de laatste zijn welken hij beleefd had. Meermalen was hij met onverschrokken moed het vijandelijke vuur tegemoet getrokken; meermalen reeds had hij, op last van zijn vorst, aan de zijde zijns dapperen vaders, den vijand bestreden; maar nimmer nog was hij in een donkeren nacht uitgetogen, om zich met een vijand te meten, die bovendien nog de laagste was, dien hij ooit te voren gekend had. De werken der duisternis verafschuwende, en ijzende op het denkbeeld, een mensch, wie het dan ook wezen mocht, zonder getuigen te vermoorden, dit alles deed hem schier tot den terugtocht besluiten. Doch wat zou hem dan te wachten staan? aan welke bespottingen zou hij zich dan prijs geven? zou men hem dan met met den naam van lafhartige bestempelen? Hij kon niet anders. Hij moest voorwaarts! En zoo zijn laatste ure dan eens spoedig had geslagen; indien hij het slachtoffer moest worden van een billijke zaak, wat zou zijn leven dan geweest zijn! Hoe treurig zouden dan al zijne verwachtingen ten eenenmale den bodem zijn ingeslagen. Zijn dierbaar vaderland, het schoone Spanje, het land zijner vaderen, het nog schoonere Italië, zou hij nimmer wederzien. Zijn vader zou hem tevergeefs onder de levenden zoeken; hij zou niet op het veldvan eer zijn gestorven, en nimmer zou hij de zachte woorden: “Alonzo, ik bemin u!” meer hooren. Hij staarde in de duisternis, maar nergens ontwaarde hij eenig licht.

Plotseling echter werden zijne overpeinzingen afgebroken door een zijsprong en het hevig steigeren van zijn klepper, die tot dusverre een geregelden stap had gehouden. Alonzo, daarop weinig voorbereid, was bijna uit den zadel gelicht, doch bedwong het verschrikte dier spoedig, en nu naar de oorzaak daarvan zoekende, meende hij iets te ontwaren, dat echter spoedig achter de dichte hoewel dorre struiken verdween.

“Wie daar?” riep hij met krachtige stem, doch slechts een nauwelijks hoorbaar geritsel in de dorre bladeren was het bescheid op deze vraag.

—Het zal wellicht eenig azend gedierte zijn waarvoor mijn schimmel zich bevreesd maakte, dacht Alonzo, en het beest nu de sporen in de lenden drukkende, galoppeerde hij over den breeden zandweg, gedurig uitziende naar den zijweg waar zich hetSteenen kruisbevinden moest.

Doch zonderling kwam het hem voor, dat telkens wanneer er zich aan zijn rechterzijde eene opening in het kreupelhout bevond, een zwarte schim met dezelfde snelheid als zijn ros daar voorbijging. Zijne schaduw kon het onmogelijk wezen, want daarvoor was de schim te zwart en het licht van slechts weinige, door een benevelde sneeuwlucht heendringende sterren te zwak. Weder hield hij zijn paard in, doch bij een volgende opening ophoudende, ten einde te weten wat het eigenlijk was, ontdekte hij niets.

—Ben ik dan waarachtig een kind of een jonge vrouw! sprak hij eenigszins verstoord tot zich zelven: dat het bewegen van een blad, of de verbeelding van eene schim te zien, mij vrees zou aanjagen, of ten minste opmerkzaam maken.—“Ik ben Alonzo Spinola!” riep hij eenigszins luid, doch steeds bij zich zelven sprekende, en zocht door deze gedachte alle banden te verbreken, die hem nog aan de bijgeloovigheid konden gekluisterd houden. Doch hoor, was datgrinnikendlachen, hetwelk hij na dien laatsten uitroep vernam, ook een spel zijner opgewekte verbeelding? Hadden zijne ooren hem dan ook nú bedrogen? Weder hield hij zijn paard plotseling stil en luisterde zeer aandachtig; doch—niet het minste geluid trof nu zijne ooren.

Men duide het Alonzo niet ten kwade, en beschuldige hem niet van kleinmoedigheid, dat hij, weder voortrijdende, zijn pistool uit den holster trok en de oogen steeds naar de rechterzijde gewend hield, want wie toch zou niet, evenals hij te moede zijn, in het nachtelijk duister, op zulk een eenzamen weg, met zulk een doel voor oogen, en, hetzij dan door de verbeelding of wel in de werkelijkheid, aan dergelijke raadselachtige verschijningen overgegeven.

Nog slechts weinige seconden had hij, alzoo gewapend, voortgereden, of hij bemerkte aan de plaats zijner bestemming te zijn gekomen. Van Rodenberg was nog niet aanwezig; en, van zijn paard stappende, bond Alonzo het met den teugel aan den tak van eenboom, die op den hoek van den weg stond. Het was vrij koud en de Noordoostenwind begon eenigermate op te steken; hij sloeg den mantel dichter om zijne leden, en plaatste zich met den rug tegen zijn schimmel, zoodat deze hem eenigszins tegen de koude beschutte. Zoo had hij nauwelijks eenige oogenblikken gestaan, toen een schaterend lachen opnieuw zijne ooren trof.

“Gij zijt Alonzo Spinola!” riep eene stem, die den lach opvolgde, welke Alonzo door merg en been had gedrongen; “Zie hier dan—de groete van Van Rodenberg!” en in hetzelfde oogenblik brandde er eene pistool los, welk schot Alonzo den hoed van het hoofd nam. Hoewel wreedaardig verrast, verloor hij echter zijne tegenwoordigheid van geest niet; maar met bliksemsnelheid op de plaats toeschietende, vanwaar hij het vuurgeven had aanschouwd, zag hij er iemand staan, dien hij, zonder een woord te spreken, door een forschen stoot op de borst, achterover in een sloot wierp. De ijskorst, die deze sloot overdekte, tegen zulk een zwaarte niet bestand zijnde, brak, en de gestrafde booswicht met het bovenlijf door het ijs zakkende, ging in water en slijk een gewissen dood te gemoet. Alonzo deed nog alle moeite om den sluipmoordenaar te redden; maar tevergeefs stelde hij al zijne krachten in het werk. Na vele ijdele pogingen gaf hij dezen treurigen arbeid op, en dewijl de verslagene toch geen teeken van leven meer gaf, spoedde hij zich, verkleumd van koude, naar zijn schimmel. Toen hij echter aan de plaats was gekomen waar hij het beest had vastgebonden, ontdekte hij er geen spoor meer van. Zeker had het dier, door het schieten verschrikt, zich losgerukt en was het den weg stadwaarts ingeslagen. Daar stond hij nu alleen op deze akelige plaats. Niets zag of hoorde hij dan het fluiten van den guren wind. Vier wegen liepen hier ineen, en door het akelige tooneel dat er had plaats gegrepen, was hij geheel in het onzekere, welke dier vier wegen naar Den Haag voerde. Zijn paard, op welks instinct hij zich veilig had kunnen verlaten, was hem ontvlucht; niets bleef hem dus over dan op goed geluk een dier wegen te kiezen.

Vruchteloos zocht hij eenige oogenblikken naar zijn hoed, doch toen hij dien nergens ontwaarde, hing hij den mantel over het hoofd en sloeg den weg in, welke hem het meest waarschijnlijk de rechte scheen te wezen.

Alonzo, alzoo voortstappende, verloor zich in gissingen aangaande den persoon, door wien hij op zulk eene schelmachtige wijze was aangevallen. Zou het Van Rodenberg zelf zijn geweest, of slechts een dienaar zijner ongerechtigheid? Hij wist het niet; doch dankte den hemel, die hem nu reeds twee malen zoo duidelijk beschermd en bewaard had.

Verder komende, bemerkte hij hoe langer hoe duidelijker, dat hij een verkeerden weg was ingeslagen; doch wat te doen? Zou hij terugkeeren, om, op den kruisweg gekomen, wellicht nogmaals een verkeerden weg te kiezen? Hij vond het geraden voort te gaan, en hoopte weldra eene woning te vinden, waar hij tegen een ruime belooning, verwarming en nachtverblijf zou kunnen bekomen. Weinigeminuten slechts had hij doorgeloopen, of hij werd aangenaam verrast door te ontwaren, dat hij een kasteel of landhuis naderde. Weldra bevond hij zich werkelijk in deszelfs nabijheid, doch zag nu een groote opgehaalde brug voor zich, die hem den toegang belette.

Hier echter kwam hem de winter te stade, en de natuur, der menschen voorzorg bespottende, liet hem den vrijen toegang. Langzaam gleed hij langs de steile helling der gracht naar beneden; wel kraakte het ijs onder zijn lichten tred, doch in weinige vlugge stappen kwam Alonzo behouden aan de overzijde. Met moeite kroop hij weder tegen de gladde helling op; maar—vrij wat moeielijker zou het zijn om nu de zware eikenhouten poort te openen, die van buiten met ijzer was beslagen en van binnen voorzeker niet minder doelmatig zou voorzien zijn.

Verscheiden malen deed hij van een: “Doe open!” de lucht weergalmen; doch niemand scheen bereid aan zijn billijk verzoek te voldoen, hetgeen hem echter niet afschrikte, maar aanwakkerde om des te harder te roepen, terwijl hij bovendien zijne stem van duchtige slagen op de zware poort deed vergezeld gaan. Een kwartier uurs mocht hij reeds tevergeefs alle middelen in het werk hebben gesteld, en begon hij de hoop op te geven van binnengelaten te zullen worden, toen hij van binnen ijzeren boomen hoorde wegschuiven, en een slot omdraaien.

“Wie daar?” riep eene stem door de geopende reet der poort; on Alonzo, geen reden hebbende om zijn naam te verzwijgen, antwoordde schielijk, in de hoop spoedig zijn doel te bereiken: “Ik ben Alonzo Spinola, zoon van den markgraaf Ambrosio, behoorende tot het Spaansche gezantschap in Den Haag. Op een rit ben ik verdwaald geraakt, en verzoek thans zeer vriendelijk den eigenaar van dit kasteel, mij slechts voor een nacht te willen huisvesten.”

“Zijt gij alleen?” vroeg de stem van binnen.

“Geheel alleen!” was Alonzo’s antwoord: “zelfs mijn paard heb ik door een samenloop van omstandigheden verloren.” De deur werd nu van binnen weder gegrendeld en geboomd, en daar het scheen dat de onderzoeker zich verwijderde, bleef Alonzo nog steeds aan de koude gure nachtlucht prijsgegeven.

Na opnieuw meer dan tien minuten te hebben gewacht, gedurende welken tijd Alonzo, als een schildwacht hard stappende, had op- en neder gegaan, weken de grendels voor goed, en noodigde hem de portier, in naam zijner meesteres, binnen te treden onder voorwaarde echter dat hij zijn degen zou afleggen. Als edelman nooit gewoon zich er van te ontdoen, veel minder nog zich te laten ontwapenen, aarzelde Alonzo eerst en maakte hiertegen eenige bedenkingen; doch de portier had uitdrukkelijken last, en verklaarde, dat men in deze tijden, ondanks den opgegeven naam, de voorzichtigheid niet uit het oog mocht verliezen, en dat dus den vreemdeling geene herbergzaamheid kon verleend worden zoo hij niet aan dezen eisch wilde gehoor geven.

Alonzo moest van twee kwaden het minste kiezen. Het verschil tusschen den kouden nacht daar buiten, zonder behoorlijke dekking in een onbekende streek, en den koesterenden haard, een verkwikkende teug, benevens een rustig nachtleger daar binnen, deed hem spoedig tot de overgave van zijn sierlijk wapen besluiten. Nadat dit geschied en de zware poort weder gesloten was, geleidde de portier den van koude rillenden Alonzo over een ruime plaats en daarna eenige trappen op; ontsloot weder eene deur, en, na met hem een klein portaal te zijn binnengetreden, verzocht hij hem daar eenige oogenblikken te wachten. Het duurde echter niet lang of de man kwam terug, en den jongen Spinola weinige schreden vooruitgaande, opende hij hem nogmaals eene deur, en nu trad Alonzo eindelijk een ruim en wél verwarmd vertrek binnen, in welks midden twee personen gezeten waren.

Achtste hoofdstuk.De graaf Van Bergen bracht den nacht na het door hem gegeven gastmaal hoogst onrustig door. Geenszins was dit veroorzaakt door een overmatig gebruik der voortreffelijke spijzen of kostelijke wijnen die zijne tafel hadden bedekt; want Van Bergen had een afkeer van alle onmatigheid, en zag steeds met minachting neder op hen, die: “van hun buik,” zooals zijn Verlosser gezegd had: “hun afgod maakten.”—Het waren zielskwellingen die wreedaardig den slaap uit zijne oogen verbanden. Het was een pijnlijk opzien tegen den volgenden morgen, een pijnlijk opzien tegen het ten uitvoer brengen van zijn genomen besluit, entoch,tochkon en mocht hij niet anders handelen.Het was nog niet volkomen dag geworden toen Van Bergen reeds van zijn legerstede sprong, en, na zich in een morgengewaad te hebben gestoken, het raam openstiet.Wel waren de in lood gevatte vensterglazen met sierlijke Februari-bloemen beschilderd; wel was het een koude wind die hem van buiten tegenwoei, doch deze was hem als een zachte zefir, die zijn gloeiende wangen aangenaam verfrischte.“God! wat zijt Gij groot en wat is Uwe schepping schoon!” riep de graaf in verrukking uit, terwijl hij aan den oostelijken gezichteinder de zon uit de kimmen zag verrijzen. “Ja, groot en goedertieren waart Gij,o God! toen op uw machtig woord: “Daar zij licht!” de prachtige hemelbol voor het eerst haar glans over dit aardrijk verspreidde. Groot en goedertieren waart Gij toen reeds, o Hemelsche Vader! en toch zou Uw zon slechts rechtvaardigen beschijnen, slechts zou zij licht en warmte geven aan den mensch, die naar Uw beeld was geschapen. Doch, waart Gij toen reeds een goedertierenen zorgend Vader, hoeveel te meer zijt Gij het thans, nu Gij Uw zon laat opgaan over boozen en goeden, nu Gij zegen schenkt aan rechtvaardigen en onrechtvaardigen....—Ja, genadig God! Gij zegent ook onrechtvaardigen!—Aan Uw gevallen zondig schepsel hebt Gij een Heiland, een Zaligmaker, Uw eeniggeboren Zoon geschonken, opdat een iegelijk in Hem zou gelooven, opdat niemand zou verloren gaan, maar door Zijn schuldeloos vergoten bloed eeuwig zalig zou worden.—O, dank daarvoor, oneindig groot en barmhartig Opperwezen!” ging Van Bergen voort, terwijl hij zijne handen samenvouwde en den blik dankbaar naar den hemel richtte: “Maar dank, driewerf dank bovenal, dat Gij, door een Luther te verwekken, ons hebt bewaard om weder van die reine leer afvallig te worden, dat Gij ons door dien grooten hervormer van bij- en ongeloof hebt willen losmaken, dat Gij ons door hem de woorden van Christus, tot zijn volgelingen gesproken, hebt willen terugschenken, zoodat wij Hem nader leeren kennen en U in Hem. Gij hebt het gezien, o God! wij hebben ons leven voor des Zaligmakers reine Evangeliewoord veil gehad. O, geef dat geen lauwheid voor dat heilige vuur, ’t welk ons bezield heeft, in de plaats trede; dat wij niet inslapen, en onze vijanden gedurende dien slaap, ons datgene weder komen ontnemen, wat slechts alleen in staat is aan onze zielen rust, en aan ons land geluk te schenken, maar geef ons tevens, o Hemelsche Vader! dat wij onze vijanden, hoewel bestraffende en hunne leer verwerpende, niettemin, naar Christus voorbeeld, trachten lief te hebben en te vergeven, gelijk wij steeds van U, liefde en vergeving noodig hebben.”Van Bergen deed, na dit oprecht en geloovig gebed, het vensterraam weder dicht; nam Luthers bijbelvertaling ter hand, en las daarin hoe Christus den lijdenskelk geenszins van de hand gewezen, maar gewillig geledigd had.—Naar dit voorbeeld zal ik handelen, dacht Van Bergen, toen hij het boek weder dicht sloeg: met moed zal ik de moeielijke taak vervullen, dewijl mijn plicht het vordert.Hij floot op zijn zilveren fluitje, en weldra trad zijn oude dienaar Burgman binnen.“Goeden morgen uwe genade!” zeide deze: “dat heet ik vroeg opstaan. Om halfacht al uit de veeren, zonder dat er iets te doen is. De jacht is gesloten en de vijand is uit het veld.”“Burgman, ik wenschte hier wat vuur aan den haard te hebben,” zeide Van Bergen, niet willens de opmerkingen van zijn dienaar te beantwoorden: “Hetontbijtmoet ook hier worden gebracht, en gij zult de freule doen weten, dat ik haar, zoodra zij gekleed zal zijn, op mijne kamer wensch te spreken.”“Zeer wel uwe genade!” antwoordde Burgman, en ging deze bevelen ten uitvoer brengen, niet begrijpende wat de oorzaak mocht wezen dat zijn heer, die anders altijd een praatje voor hem veil had, dezen morgen zoo stug en afgetrokken was.Weldra knapte het vuur aan den haard en stond het ontbijt op de vierkante, met bruin leder bekleede tafel, en niet lang daarna trad Adelgonde het slaapvertrek van haar vader binnen.“Hebt gij wel geslapen, lieve vader?” vroeg zij, terwijl zij den graaf een hartelijken zoen gaf: “Ik heb mij gehaast aan uw verzoek te voldoen; gij hadt mij, geloof ik, iets te zeggen, nietwaar?” en tevens sloeg zij, licht blozende, hare oogen naar den grond.“Ja lieve Gonne,” antwoordde Van Bergen langzaam, haar met meewarigen blik beschouwende: “ja, ik heb u vele en belangrijke zaken mede te deelen. Zet u hier nevens mij, en wil bedaard zijn zoo ik u over zaken spreek die ik niet langer voor u verbergen mag, zoo ik snaren aanroer die u pijnlijk zullen zijn, en die u wellicht wonden zullen slaan. Mijn plicht gebiedt mij te spreken, en u te openbaren wat ik tot dusverre voor u verborgen hield, maar tevens om u met mijne raadgevingen naar vermogen te ondersteunen.”“Goede hemel! gij doet mij ontstellen, liefste vader!” zeide Adelgonde, die wel gissingen maakte, maar niet kon vermoeden wat zij zou vernemen: “Uw gelaat staat zoo droevig, zoo ernstig; altijd hadt gij mij lief, altijd zijt gij mij bijna meer dan een vader geweest, en thans, in dit vroege morgen uur, ontbiedt gij mij om mij diepe wonden te slaan....? Lieve vader, wat heb ik misdreven? Waaraan heb ik mij schuldig, waardoor mij uwer onwaardig gemaakt? O, zeg het mij met één woord, en ik zal u vergiffenis vragen en alles weder goedmaken.”“Tot dusverre hebt gij niets misdreven, liefste Gonne!” hervatte Van Bergen, die zich geweld moest doen om het aangevangen gesprek te vervolgen: “Gij zijt mij boven alles dierbaar; niets beoog ik dan uw geluk alleen, en daarom bid ik u, wil mij bedaard en kalm aanhooren.” Toen nam hij haar kleine hand een oogenblik in de zijne, en vervolgde, haar liefderijk aanziende, aldus: “Achttien jaren reeds mag ik u mijn lieve dochter noemen; achttien jaren heb ik u als mijn oogappel liefgehad, voor u gezorgd, gewaakt en gebeden. Welk geluk zou grooter voor mij kunnen zijn, dan u verder in dit aardsche, en ook in het toekomende leven gelukkig te zien! Tot dusverre heb ik u niet willen afstaan; de vele aanzoeken om uwe hand heb ik afgewezen; ik had daarvoor vele redenen, welke ik u later zal ontvouwen. Maar thans is het oogenblik gekomen waarin ik u een huwelijk heb voor te slaan. Ik mag u niet langer aan uw bestemming onttrekken, om zelfzuchtig u voor mij alleen te behouden. Een jong edelman biedt u zijn hart en zijn naam aan; hij wil u beminnen en een alleszins waardig echtgenoot voor u zijn.”Adelgonde werd bij deze laatste woorden doodsbleek, zij bevroedde reeds wie haar als echtgenoot zou worden voorgesteld. Zij huiverde op dat denkbeeld, en de vraag: “Hoe is zijn naam?” bestierf haar op de lippen.“Ruim drie en twintig jaren geleden,” ging Van Bergen voort; “stond ik aan het sterfbed van mijn krijgsmakker, den baron Van Rodenberg. Wij hadden lief en leed te zamen gedeeld, en eenmaal zelfs had hij mij het leven gered. Een hevige koorts, door een zware wond veroorzaakt, verhaastte zijn dood; in zijn laatste oogenblikkenstond ik bij hem, hij sprak niet meer; weinige seconden echter voor hij den adem uitblies, stamelde hij nog met bevende lippen den naam van Walter.... En nu, die Walter, de zoon van mijn getrouwen strijdgezel, heeft uwe hand gevraagd. Wat dunkt u Gonne, van den naam Van Rodenberg?”Een luid snikken was het eenige antwoord, dat het lieve meisje gaf.De graaf fronste de wenkbrauwen, zag haar vorschend aan, en ging toen voort: “Zou het dan werkelijk waar zijn wat mij is ter oore gekomen? Zoudt gij inderdaad uw liefde reeds hebben weggeschonken? Zou het dan toch waar zijn dat gij een zondige neiging koestert, en een Spanjaard bemint? Ben ik wel onderricht Adelgonde? Is het waarheid wat ik hoorde maar niet kon gelooven? Wilt gij met den vijand heulen!? Zoudt gij de gade willen worden van een man, die uw geloof verkettert en onze reine leer beschimpt en versmaadt? O, als dat zoo ware, zou ik wenschen u nimmer te hebben gekend! Goddank! dat ik nog tijdig u kan waarschuwen tegen den verderfelijk en strik, dien gij u zelven zoudt gespannen hebben. Bid om kracht Adelgonde! ten einde een hartstocht te bestrijden, die Gode onteerend en uwer onwaardig is.”Nadat Van Bergen deze woorden gesproken had, ontstond er een kleine pauze, welke slechts door een pijnlijk snikken van Adelgonde werd afgebroken. Zij had zulk een plotselinge ontknooping van hare liefelijke droomen en teedere wenschen niet kunnen vermoeden. Wel had zij in de laatste dagen aan het minder vriendelijke gelaat van haar vader meenen te bespeuren dat hem iets in haar mishaagde, doch zij was huiverig geweest om dat minder vriendelijke voorkomen aan de ware oorzaak toe te schrijven, immers zij had het geraden gevonden, om vooralsnog hare liefde zoowel voor hem als voor de wereld geheim te houden, maar nu, geenszins had zij gedacht dat haar in plaats van dien edelen Spanjaard, een man ten huwelijk zou worden aangeboden, dien zij reeds bij een oppervlakkige beschouwing moest minachten.Adelgonde droogde eindelijk hare tranen af, en zeide met eene nauwelijks hoorbare stem, terwijl zij den graaf met hare hemelsche, doch thans natbekretene oogen aanzag: “Is het dan zonde lieve vader, een vijand te beminnen? Heeft Christus ons niet geleerd zelfs zijne vijanden lief te hebben? Kan het mij ten kwade geduid worden dat ik een hemelsbreed onderscheid maak, tusschen den edelen Spinola en den terugstootenden jonker Van Rodenberg. O, zie ze beiden, en veroordeel mij niet.”Van Bergen scheen in strijd met zich zelven. Zou hij spreken, zou hij op den ingeslagen weg voortgaan, en het lieve meisje verder geheel ter neder slaan? Of zou hij dit onderhoud staken, en nogmaals nauwkeurig wikken en wegen hetgeen hij haar te zeggen had? Doch neen, waarom thans verzwegen, ’t geen hij haar toch eenmaal moest openbaren. Zijn medelijdend hart spoorde hem wel tot zwijgen aan, doch zijn verstand gebood hem te spreken.“En zoo het voor uwe eer,” ging Van Bergen voort: “voor uwe en mijne rust eens beter, ja zelfs noodig ware, dat gij uwewenschen liet varen, en Van Rodenberg zocht te beminnen....?”“Voor uw geluk, voor uwe rust!” viel Adelgonde hem snel in de rede: “dierbare vader, daarvoor, ja daarvoor zou ik mijn leven gaarne veil hebben, maar spreek, bid ik u, zeg mij, hoe is het mogelijk dat een toestemmen in dit aanzoek, waarvoor ik terugdeins, ú gelukkig zou kunnen maken en tevens voor mijne eer zou noodig zijn?”“Luister dan, goede Gonne!” hernam Van Bergen, terwijl hij de oogleden op elkander drukte om een opwellenden traan te verbergen: “Luister aandachtig, ik zal u een deel mijner treurige levensgeschiedenis mededeelen.—Twee jaren na den dood van mijn vader, nu omstreeks zes en twintig jaren geleden, leerde ik een jonge schoone kennen. Haar blik had een diepen indruk op mij gemaakt, en dewijl mij niets in den weg stond, besloot ik Clarisse Aduaar tot gade te nemen. Weldra vroeg ik haar ten huwelijk en het duurde geen zes maanden of wij waren echtgenooten. De reinste en teederste liefde heerschte er steeds tusschen ons. Wij leefden voor elkander, en deelden samen des huwelijks lief en leed....” Van Bergen hield eenige oogenblikken stil en staarde strak voor zich neder.“Ga voort lieve vader!” zei Adelgonde: “Gij hebt mij nog nooit van mijne moeder gesproken. O verhaal mij iets van haar, die ik nooit heb mogen kennen.”Van Bergen zag haar met een medelijdenden blik aan, en vervolgde: “Drie jaren hadden wij reeds in liefde met elkander geleefd en tevergeefs om een pand onzer huwelijkstrouw gebeden, toen ons gebed eindelijk werd verhoord, en mijne dierbare Clarissa mij hare hoop openbaarde, van moeder te zullen worden. Onze vreugde was groot, en de tijd harer bevalling naderde. Doch helaas! de Hemel had niet besloten ons geluk te volmaken. Mijne tegenwoordigheid werd in het leger vereischt; ik kon mijne hulp aan het vaderland, zelfs in deze voor mij zoo zorgvolle oogenblikken, niet weigeren. Ik moest mij tot den kamp gereed maken, en mijn beminde vrouw in den bangen stond, die weldra zou aanbreken, aan zich zelve overlaten. Na eene afwezigheid van drie treurige weken keerde ik opden Oldenburghterug. De luiken waren gesloten. Sidderend vroeg ik aan den eersten bediende dien ik ontmoette, wat er was voorgevallen. Mevrouw is veel beter, antwoordde hij. Zij leeft! riep ik vol blijdschap en liep naar haar slaapvertrek. Clarisse lag, hoewel doodsbleek en zwak, gespaard in haar ledikant. Dankbaar drukte ik een kus op haar voorhoofd, en vroeg zacht: En ons kind? Zij sloeg een treurigen blik hemelwaarts, maar antwoordde niet.—Waar is mijn kind? vroeg ik aan de verzorgster mijner vrouw, die mede in het vertrek was. Deze schudde het hoofd en wenkte mij haar te volgen. Is mijn kind dood? vroeg ik weder toen de vrouw mij de blauwe kamer binnenvoerde, die met rouwfloers was bekleed: “Helaas, uwe genade! zeide zij: het lieve kind heeft maar weinige oogenblikken geleefd, nadat mevrouw het met smart had ter wereld gebracht. En, hemel! daar lag werkelijk het zoo vurig van God gebeden kind dood in zijn kistje!”Van Bergen hield weder eenige oogenblikken stil, en vervolgde toen: “Ik nam het lijk van mijn zoontje uit zijn doodsche rustplaats; drukte het aan mijn hart, doch dankte tevens den hemel, dat hij mij nog niet alles had ontnomen, en ik, in Gods wil berustende, de woorden van Job kon nazeggen: De Heere heeft gegeven; de Heere heeft genomen; de naam des Heeren zij geloofd!.... Den volgenden dag bracht ik mijn zoontje naar het stille graf. Clarisse herstelde, en weder sleten wij in elkanders bezit dagen vol zaligheid. Eindelijk scheen God ons het verlorene te willen terugschenken; weder verkeerde mijne nu zalige gade in de blijde verwachting; weder hoopten wij op een spruit onzer min; doch ook tevens weder zou het mij niet vergund worden bij hare moederwording tegenwoordig te zijn. De verderfelijke woelingen der Spanjaarden vereischten opnieuw mijne medewerking. Nogmaals keerde ik behouden uit den strijd terug. Weder kwam ik door hoop en vrees geslingerd opden Oldenburghaan; doch, gerechte hemel! ook nu weder waren de luiken gesloten; een doodsche stilte heerschte rondom mij, en niemand kwam mij met een blijde boodschap te gemoet.—Wat is hier voorgevallen? riep ik den eerste toe dien ik ontmoette: Ach! zijt gij daar, uwe genade, was het antwoord: De goede gravin heeft eene dochter ter wereld gebracht; doch hare genade is kort daarna bezweken....”Van Bergen begon bij de herinnering aan dat verpletterend oogenblik hevig te beven. Krampachtig sloot hij de handen om de armen van zijn leuningstoel, en Adelgonde, diep bewogen met hetgeen haar vader moest lijden, gaf hem een dronk water; sloeg haar arm om zijn hals, en hem vertroostend aanziende, zeide zij zacht:“Maar die goede lieve moeder had u immers eene dochter geschonken? en die dochter heeft u immers lief? Zij wil u immers eenigszins dat gemis vergoeden, en alles doen wat zij kan, om u ...”“Houd op! houd op!” riep Van Bergen op hartverscheurenden toon: “O mijn God! Adelgonde! gij zijt mijne dochter niet. Zij is dood! dood! evenals mijn zoon! evenals mijne Clarisse!.... Dood!”—riep hij nogmaals, en zag toen hoe Adelgonde hare oogen stuipachtig sloot en weder open deed, en eindelijk met een flauwen zucht bewusteloos nederzeeg.“Gonne, liefste Gonne!” smeekte Van Bergen, door dit toeval tot zich zelven gekomen, terwijl hij het bezwijmde meisje op een stoel plaatste: “Lieve dochter, kom tot u zelve! Moest ik u dan de waarheid niet openbaren? Moest ik u niet mededeelen, dat een paar arme doch eerlijke lieden uwe ouders waren; dat zij u aan mij hebben afgestaan, wanneer ik als een vader voor u wilde zorgen, opdat ik door uw bezit, eenigszins voor mijne dierbare verlorene betrekkingen mocht worden schadeloos gesteld? Moest ik u niet zeggen dat Van Rodenberg—door wien weet de hemel—achter de waarheid uwer afkomst gekomen, uw naam wil bekend maken zoo gij zijne gade niet wordt? Gonne! dierbare Gonne! ofschoon ik uw vader niet ben, ik blijf voor u niettemin steeds een liefderijk vader!Adelgonde hoorde hem niet; hare ademhaling was ongeregeld:Een vreeselijke storm had over de teedereHagenleliegewoed!

De graaf Van Bergen bracht den nacht na het door hem gegeven gastmaal hoogst onrustig door. Geenszins was dit veroorzaakt door een overmatig gebruik der voortreffelijke spijzen of kostelijke wijnen die zijne tafel hadden bedekt; want Van Bergen had een afkeer van alle onmatigheid, en zag steeds met minachting neder op hen, die: “van hun buik,” zooals zijn Verlosser gezegd had: “hun afgod maakten.”—Het waren zielskwellingen die wreedaardig den slaap uit zijne oogen verbanden. Het was een pijnlijk opzien tegen den volgenden morgen, een pijnlijk opzien tegen het ten uitvoer brengen van zijn genomen besluit, entoch,tochkon en mocht hij niet anders handelen.

Het was nog niet volkomen dag geworden toen Van Bergen reeds van zijn legerstede sprong, en, na zich in een morgengewaad te hebben gestoken, het raam openstiet.

Wel waren de in lood gevatte vensterglazen met sierlijke Februari-bloemen beschilderd; wel was het een koude wind die hem van buiten tegenwoei, doch deze was hem als een zachte zefir, die zijn gloeiende wangen aangenaam verfrischte.

“God! wat zijt Gij groot en wat is Uwe schepping schoon!” riep de graaf in verrukking uit, terwijl hij aan den oostelijken gezichteinder de zon uit de kimmen zag verrijzen. “Ja, groot en goedertieren waart Gij,o God! toen op uw machtig woord: “Daar zij licht!” de prachtige hemelbol voor het eerst haar glans over dit aardrijk verspreidde. Groot en goedertieren waart Gij toen reeds, o Hemelsche Vader! en toch zou Uw zon slechts rechtvaardigen beschijnen, slechts zou zij licht en warmte geven aan den mensch, die naar Uw beeld was geschapen. Doch, waart Gij toen reeds een goedertierenen zorgend Vader, hoeveel te meer zijt Gij het thans, nu Gij Uw zon laat opgaan over boozen en goeden, nu Gij zegen schenkt aan rechtvaardigen en onrechtvaardigen....—Ja, genadig God! Gij zegent ook onrechtvaardigen!—Aan Uw gevallen zondig schepsel hebt Gij een Heiland, een Zaligmaker, Uw eeniggeboren Zoon geschonken, opdat een iegelijk in Hem zou gelooven, opdat niemand zou verloren gaan, maar door Zijn schuldeloos vergoten bloed eeuwig zalig zou worden.—O, dank daarvoor, oneindig groot en barmhartig Opperwezen!” ging Van Bergen voort, terwijl hij zijne handen samenvouwde en den blik dankbaar naar den hemel richtte: “Maar dank, driewerf dank bovenal, dat Gij, door een Luther te verwekken, ons hebt bewaard om weder van die reine leer afvallig te worden, dat Gij ons door dien grooten hervormer van bij- en ongeloof hebt willen losmaken, dat Gij ons door hem de woorden van Christus, tot zijn volgelingen gesproken, hebt willen terugschenken, zoodat wij Hem nader leeren kennen en U in Hem. Gij hebt het gezien, o God! wij hebben ons leven voor des Zaligmakers reine Evangeliewoord veil gehad. O, geef dat geen lauwheid voor dat heilige vuur, ’t welk ons bezield heeft, in de plaats trede; dat wij niet inslapen, en onze vijanden gedurende dien slaap, ons datgene weder komen ontnemen, wat slechts alleen in staat is aan onze zielen rust, en aan ons land geluk te schenken, maar geef ons tevens, o Hemelsche Vader! dat wij onze vijanden, hoewel bestraffende en hunne leer verwerpende, niettemin, naar Christus voorbeeld, trachten lief te hebben en te vergeven, gelijk wij steeds van U, liefde en vergeving noodig hebben.”

Van Bergen deed, na dit oprecht en geloovig gebed, het vensterraam weder dicht; nam Luthers bijbelvertaling ter hand, en las daarin hoe Christus den lijdenskelk geenszins van de hand gewezen, maar gewillig geledigd had.—Naar dit voorbeeld zal ik handelen, dacht Van Bergen, toen hij het boek weder dicht sloeg: met moed zal ik de moeielijke taak vervullen, dewijl mijn plicht het vordert.

Hij floot op zijn zilveren fluitje, en weldra trad zijn oude dienaar Burgman binnen.

“Goeden morgen uwe genade!” zeide deze: “dat heet ik vroeg opstaan. Om halfacht al uit de veeren, zonder dat er iets te doen is. De jacht is gesloten en de vijand is uit het veld.”

“Burgman, ik wenschte hier wat vuur aan den haard te hebben,” zeide Van Bergen, niet willens de opmerkingen van zijn dienaar te beantwoorden: “Hetontbijtmoet ook hier worden gebracht, en gij zult de freule doen weten, dat ik haar, zoodra zij gekleed zal zijn, op mijne kamer wensch te spreken.”

“Zeer wel uwe genade!” antwoordde Burgman, en ging deze bevelen ten uitvoer brengen, niet begrijpende wat de oorzaak mocht wezen dat zijn heer, die anders altijd een praatje voor hem veil had, dezen morgen zoo stug en afgetrokken was.

Weldra knapte het vuur aan den haard en stond het ontbijt op de vierkante, met bruin leder bekleede tafel, en niet lang daarna trad Adelgonde het slaapvertrek van haar vader binnen.

“Hebt gij wel geslapen, lieve vader?” vroeg zij, terwijl zij den graaf een hartelijken zoen gaf: “Ik heb mij gehaast aan uw verzoek te voldoen; gij hadt mij, geloof ik, iets te zeggen, nietwaar?” en tevens sloeg zij, licht blozende, hare oogen naar den grond.

“Ja lieve Gonne,” antwoordde Van Bergen langzaam, haar met meewarigen blik beschouwende: “ja, ik heb u vele en belangrijke zaken mede te deelen. Zet u hier nevens mij, en wil bedaard zijn zoo ik u over zaken spreek die ik niet langer voor u verbergen mag, zoo ik snaren aanroer die u pijnlijk zullen zijn, en die u wellicht wonden zullen slaan. Mijn plicht gebiedt mij te spreken, en u te openbaren wat ik tot dusverre voor u verborgen hield, maar tevens om u met mijne raadgevingen naar vermogen te ondersteunen.”

“Goede hemel! gij doet mij ontstellen, liefste vader!” zeide Adelgonde, die wel gissingen maakte, maar niet kon vermoeden wat zij zou vernemen: “Uw gelaat staat zoo droevig, zoo ernstig; altijd hadt gij mij lief, altijd zijt gij mij bijna meer dan een vader geweest, en thans, in dit vroege morgen uur, ontbiedt gij mij om mij diepe wonden te slaan....? Lieve vader, wat heb ik misdreven? Waaraan heb ik mij schuldig, waardoor mij uwer onwaardig gemaakt? O, zeg het mij met één woord, en ik zal u vergiffenis vragen en alles weder goedmaken.”

“Tot dusverre hebt gij niets misdreven, liefste Gonne!” hervatte Van Bergen, die zich geweld moest doen om het aangevangen gesprek te vervolgen: “Gij zijt mij boven alles dierbaar; niets beoog ik dan uw geluk alleen, en daarom bid ik u, wil mij bedaard en kalm aanhooren.” Toen nam hij haar kleine hand een oogenblik in de zijne, en vervolgde, haar liefderijk aanziende, aldus: “Achttien jaren reeds mag ik u mijn lieve dochter noemen; achttien jaren heb ik u als mijn oogappel liefgehad, voor u gezorgd, gewaakt en gebeden. Welk geluk zou grooter voor mij kunnen zijn, dan u verder in dit aardsche, en ook in het toekomende leven gelukkig te zien! Tot dusverre heb ik u niet willen afstaan; de vele aanzoeken om uwe hand heb ik afgewezen; ik had daarvoor vele redenen, welke ik u later zal ontvouwen. Maar thans is het oogenblik gekomen waarin ik u een huwelijk heb voor te slaan. Ik mag u niet langer aan uw bestemming onttrekken, om zelfzuchtig u voor mij alleen te behouden. Een jong edelman biedt u zijn hart en zijn naam aan; hij wil u beminnen en een alleszins waardig echtgenoot voor u zijn.”

Adelgonde werd bij deze laatste woorden doodsbleek, zij bevroedde reeds wie haar als echtgenoot zou worden voorgesteld. Zij huiverde op dat denkbeeld, en de vraag: “Hoe is zijn naam?” bestierf haar op de lippen.

“Ruim drie en twintig jaren geleden,” ging Van Bergen voort; “stond ik aan het sterfbed van mijn krijgsmakker, den baron Van Rodenberg. Wij hadden lief en leed te zamen gedeeld, en eenmaal zelfs had hij mij het leven gered. Een hevige koorts, door een zware wond veroorzaakt, verhaastte zijn dood; in zijn laatste oogenblikkenstond ik bij hem, hij sprak niet meer; weinige seconden echter voor hij den adem uitblies, stamelde hij nog met bevende lippen den naam van Walter.... En nu, die Walter, de zoon van mijn getrouwen strijdgezel, heeft uwe hand gevraagd. Wat dunkt u Gonne, van den naam Van Rodenberg?”

Een luid snikken was het eenige antwoord, dat het lieve meisje gaf.

De graaf fronste de wenkbrauwen, zag haar vorschend aan, en ging toen voort: “Zou het dan werkelijk waar zijn wat mij is ter oore gekomen? Zoudt gij inderdaad uw liefde reeds hebben weggeschonken? Zou het dan toch waar zijn dat gij een zondige neiging koestert, en een Spanjaard bemint? Ben ik wel onderricht Adelgonde? Is het waarheid wat ik hoorde maar niet kon gelooven? Wilt gij met den vijand heulen!? Zoudt gij de gade willen worden van een man, die uw geloof verkettert en onze reine leer beschimpt en versmaadt? O, als dat zoo ware, zou ik wenschen u nimmer te hebben gekend! Goddank! dat ik nog tijdig u kan waarschuwen tegen den verderfelijk en strik, dien gij u zelven zoudt gespannen hebben. Bid om kracht Adelgonde! ten einde een hartstocht te bestrijden, die Gode onteerend en uwer onwaardig is.”

Nadat Van Bergen deze woorden gesproken had, ontstond er een kleine pauze, welke slechts door een pijnlijk snikken van Adelgonde werd afgebroken. Zij had zulk een plotselinge ontknooping van hare liefelijke droomen en teedere wenschen niet kunnen vermoeden. Wel had zij in de laatste dagen aan het minder vriendelijke gelaat van haar vader meenen te bespeuren dat hem iets in haar mishaagde, doch zij was huiverig geweest om dat minder vriendelijke voorkomen aan de ware oorzaak toe te schrijven, immers zij had het geraden gevonden, om vooralsnog hare liefde zoowel voor hem als voor de wereld geheim te houden, maar nu, geenszins had zij gedacht dat haar in plaats van dien edelen Spanjaard, een man ten huwelijk zou worden aangeboden, dien zij reeds bij een oppervlakkige beschouwing moest minachten.

Adelgonde droogde eindelijk hare tranen af, en zeide met eene nauwelijks hoorbare stem, terwijl zij den graaf met hare hemelsche, doch thans natbekretene oogen aanzag: “Is het dan zonde lieve vader, een vijand te beminnen? Heeft Christus ons niet geleerd zelfs zijne vijanden lief te hebben? Kan het mij ten kwade geduid worden dat ik een hemelsbreed onderscheid maak, tusschen den edelen Spinola en den terugstootenden jonker Van Rodenberg. O, zie ze beiden, en veroordeel mij niet.”

Van Bergen scheen in strijd met zich zelven. Zou hij spreken, zou hij op den ingeslagen weg voortgaan, en het lieve meisje verder geheel ter neder slaan? Of zou hij dit onderhoud staken, en nogmaals nauwkeurig wikken en wegen hetgeen hij haar te zeggen had? Doch neen, waarom thans verzwegen, ’t geen hij haar toch eenmaal moest openbaren. Zijn medelijdend hart spoorde hem wel tot zwijgen aan, doch zijn verstand gebood hem te spreken.

“En zoo het voor uwe eer,” ging Van Bergen voort: “voor uwe en mijne rust eens beter, ja zelfs noodig ware, dat gij uwewenschen liet varen, en Van Rodenberg zocht te beminnen....?”

“Voor uw geluk, voor uwe rust!” viel Adelgonde hem snel in de rede: “dierbare vader, daarvoor, ja daarvoor zou ik mijn leven gaarne veil hebben, maar spreek, bid ik u, zeg mij, hoe is het mogelijk dat een toestemmen in dit aanzoek, waarvoor ik terugdeins, ú gelukkig zou kunnen maken en tevens voor mijne eer zou noodig zijn?”

“Luister dan, goede Gonne!” hernam Van Bergen, terwijl hij de oogleden op elkander drukte om een opwellenden traan te verbergen: “Luister aandachtig, ik zal u een deel mijner treurige levensgeschiedenis mededeelen.—Twee jaren na den dood van mijn vader, nu omstreeks zes en twintig jaren geleden, leerde ik een jonge schoone kennen. Haar blik had een diepen indruk op mij gemaakt, en dewijl mij niets in den weg stond, besloot ik Clarisse Aduaar tot gade te nemen. Weldra vroeg ik haar ten huwelijk en het duurde geen zes maanden of wij waren echtgenooten. De reinste en teederste liefde heerschte er steeds tusschen ons. Wij leefden voor elkander, en deelden samen des huwelijks lief en leed....” Van Bergen hield eenige oogenblikken stil en staarde strak voor zich neder.

“Ga voort lieve vader!” zei Adelgonde: “Gij hebt mij nog nooit van mijne moeder gesproken. O verhaal mij iets van haar, die ik nooit heb mogen kennen.”

Van Bergen zag haar met een medelijdenden blik aan, en vervolgde: “Drie jaren hadden wij reeds in liefde met elkander geleefd en tevergeefs om een pand onzer huwelijkstrouw gebeden, toen ons gebed eindelijk werd verhoord, en mijne dierbare Clarissa mij hare hoop openbaarde, van moeder te zullen worden. Onze vreugde was groot, en de tijd harer bevalling naderde. Doch helaas! de Hemel had niet besloten ons geluk te volmaken. Mijne tegenwoordigheid werd in het leger vereischt; ik kon mijne hulp aan het vaderland, zelfs in deze voor mij zoo zorgvolle oogenblikken, niet weigeren. Ik moest mij tot den kamp gereed maken, en mijn beminde vrouw in den bangen stond, die weldra zou aanbreken, aan zich zelve overlaten. Na eene afwezigheid van drie treurige weken keerde ik opden Oldenburghterug. De luiken waren gesloten. Sidderend vroeg ik aan den eersten bediende dien ik ontmoette, wat er was voorgevallen. Mevrouw is veel beter, antwoordde hij. Zij leeft! riep ik vol blijdschap en liep naar haar slaapvertrek. Clarisse lag, hoewel doodsbleek en zwak, gespaard in haar ledikant. Dankbaar drukte ik een kus op haar voorhoofd, en vroeg zacht: En ons kind? Zij sloeg een treurigen blik hemelwaarts, maar antwoordde niet.—Waar is mijn kind? vroeg ik aan de verzorgster mijner vrouw, die mede in het vertrek was. Deze schudde het hoofd en wenkte mij haar te volgen. Is mijn kind dood? vroeg ik weder toen de vrouw mij de blauwe kamer binnenvoerde, die met rouwfloers was bekleed: “Helaas, uwe genade! zeide zij: het lieve kind heeft maar weinige oogenblikken geleefd, nadat mevrouw het met smart had ter wereld gebracht. En, hemel! daar lag werkelijk het zoo vurig van God gebeden kind dood in zijn kistje!”

Van Bergen hield weder eenige oogenblikken stil, en vervolgde toen: “Ik nam het lijk van mijn zoontje uit zijn doodsche rustplaats; drukte het aan mijn hart, doch dankte tevens den hemel, dat hij mij nog niet alles had ontnomen, en ik, in Gods wil berustende, de woorden van Job kon nazeggen: De Heere heeft gegeven; de Heere heeft genomen; de naam des Heeren zij geloofd!.... Den volgenden dag bracht ik mijn zoontje naar het stille graf. Clarisse herstelde, en weder sleten wij in elkanders bezit dagen vol zaligheid. Eindelijk scheen God ons het verlorene te willen terugschenken; weder verkeerde mijne nu zalige gade in de blijde verwachting; weder hoopten wij op een spruit onzer min; doch ook tevens weder zou het mij niet vergund worden bij hare moederwording tegenwoordig te zijn. De verderfelijke woelingen der Spanjaarden vereischten opnieuw mijne medewerking. Nogmaals keerde ik behouden uit den strijd terug. Weder kwam ik door hoop en vrees geslingerd opden Oldenburghaan; doch, gerechte hemel! ook nu weder waren de luiken gesloten; een doodsche stilte heerschte rondom mij, en niemand kwam mij met een blijde boodschap te gemoet.—Wat is hier voorgevallen? riep ik den eerste toe dien ik ontmoette: Ach! zijt gij daar, uwe genade, was het antwoord: De goede gravin heeft eene dochter ter wereld gebracht; doch hare genade is kort daarna bezweken....”

Van Bergen begon bij de herinnering aan dat verpletterend oogenblik hevig te beven. Krampachtig sloot hij de handen om de armen van zijn leuningstoel, en Adelgonde, diep bewogen met hetgeen haar vader moest lijden, gaf hem een dronk water; sloeg haar arm om zijn hals, en hem vertroostend aanziende, zeide zij zacht:

“Maar die goede lieve moeder had u immers eene dochter geschonken? en die dochter heeft u immers lief? Zij wil u immers eenigszins dat gemis vergoeden, en alles doen wat zij kan, om u ...”

“Houd op! houd op!” riep Van Bergen op hartverscheurenden toon: “O mijn God! Adelgonde! gij zijt mijne dochter niet. Zij is dood! dood! evenals mijn zoon! evenals mijne Clarisse!.... Dood!”—riep hij nogmaals, en zag toen hoe Adelgonde hare oogen stuipachtig sloot en weder open deed, en eindelijk met een flauwen zucht bewusteloos nederzeeg.

“Gonne, liefste Gonne!” smeekte Van Bergen, door dit toeval tot zich zelven gekomen, terwijl hij het bezwijmde meisje op een stoel plaatste: “Lieve dochter, kom tot u zelve! Moest ik u dan de waarheid niet openbaren? Moest ik u niet mededeelen, dat een paar arme doch eerlijke lieden uwe ouders waren; dat zij u aan mij hebben afgestaan, wanneer ik als een vader voor u wilde zorgen, opdat ik door uw bezit, eenigszins voor mijne dierbare verlorene betrekkingen mocht worden schadeloos gesteld? Moest ik u niet zeggen dat Van Rodenberg—door wien weet de hemel—achter de waarheid uwer afkomst gekomen, uw naam wil bekend maken zoo gij zijne gade niet wordt? Gonne! dierbare Gonne! ofschoon ik uw vader niet ben, ik blijf voor u niettemin steeds een liefderijk vader!

Adelgonde hoorde hem niet; hare ademhaling was ongeregeld:

Een vreeselijke storm had over de teedereHagenleliegewoed!

Negende hoofdstuk.“Ik bid om verschooning, edele vrouw!” sprak Alonzo, toen hij het slotvertrek binnengetreden, de vermoedelijke eigenares met een sierlijke buiging naderde: “Ik vraag u zeer om verschooning, dat een ongelukkig toeval mij in de noodzakelijkheid bracht, voor één nacht uwe gastvrijheid te moeten inroepen. De wegen zijn niet veilig, en, onbekend in deze streken, ben ik aan het dwalen geraakt.”“Maak geen complimenten mijnheer!” zeide de dame, met een Fransch accent, terwijl zij opstaande, Alonzo met eene nijging begroette: “Het is mij zeer aangenaam u van dienst te kunnen zijn. Zie hier mijn vriend en trouwen rentmeester Rosio!” vervolgde zij, Alonzo een man voorstellende, die tot dusverre aandachtig in een klein gebedenboek gelezen had.“De vermoeiden zijn ons steeds welkom,” zeide Ambrosio, mede opstaande en nam te gelijk met zijn kleine grijze oogen den nieuw aangekomene, van het hoofd tot de voeten, nauwkeurig in oogenschouw.Weldra zat Alonzo bij het knappende vuur, en moest, op uitnoodiging der dame, verhalen wat hem overkomen en hoe hij in dit late uur, zonder paard, zoover van de stad verdwaald was.Met eenige omzichtigheid deelde hij het gastmaal opden Oldenburghmede; verzweeg de afgesprokene ontmoeting met Van Rodenberg, maar gaf voor, in het naar huis rijden van den rechten weg te zijn afgedwaald; verhaalde voorts dat hij door een straatroover was aangevallen, welken hij ter aarde had geworpen; dat zijn paard hem in dien tusschentijd was ontloopen, en hij, niet wetende waarheen zich te wenden, den weg had ingeslagen, die hem, dank zij de goedheid der edele bewoners, in deze veilige haven had binnengevoerd.“Het is onbegrijpelijk!” sprak de dame, toen Alonzo geëindigd had, terwijl zij steelsgewijze haar rentmeester aanzag: “onbegrijpelijk! dat er op de publieke wegen niet beter voor de veiligheid wordt gewaakt. Den hemel zij echter gedankt,” en zij maakte het teeken des kruises: “dat een zoo schoon en kloek edelman niet het slachtoffer der boosheid geworden is! Een roemer wijn zal u niet onwelkom wezen?” vervolgde zij; “Rosio zal mij wel den dienst willen doen, een goede flesch te gaan halen.”Rosio stond, zonder te antwoorden, van zijne zitplaats op; zag zijne gebiedster vragende aan, en Alonzo, die de spattende vonkengadesloeg, bemerkte niet dat de dame dien vragenden blik met een heimelijk knipoogen beantwoordde.“Gij kent dus den graaf Van Bergen?” vroeg de dame toen Rosio vertrokken was.“Zooals ik u zeide, edele vrouw!” antwoordde Alonzo: “dezen middag was ik zijn gast: evenwel was het mij niet vergund hem meer van nabij te leeren kennen.”“Dan is het al zeer toevallig,” hernam de gravin: “dat gij uw middagmaal bij den zoon hebt gebruikt en een nachtverblijf bij de moeder komt zoeken.”“De graaf Van Bergen is uw zoon?” zeide Alonzo verrast, terwijl hij de dame met een blik beschouwde, die hare eigenliefde streelde: “Voorwaar mevrouw,” ging hij voort: “het geleden ongeval wordt mij thans aangenaam vergoed, dewijl ik daardoor de eer en het genoegen heb, kennis te maken met de moeder van den alom beminden en dapperen graaf Van Bergen.”De douairière glimlachte. “Met recht verdient mijn zoon de eer die ieder hem toekent,” hernam zij: “ook ben ik niet weinig trotsch op hem: hij was de oogappel van zijn zaligen vader. Doch wat dunkt u van zijne dochter Adelgonde?” en bij deze vraag zag zij den jongeling met hare scherpe, meest voor zich nedergeslagen oogen zijdelings aan.Alonzo werd bij deze vraag vuurrood: “De freule is inderdaad zeer schoon,” antwoordde hij, zich herstellende: “nooit te voren, mevrouw, zag ik een gelaat met zooveel uitdrukking als dat van uwe kleindochter.”“Het is de algemeene opinie,” hervatte de gravin: “men kan zeggen, dat hare schoonheid ruimschoots vergoedt hetgeen een onwettige geboorte haar doet missen....”“Een onwettige geboorte?” riep Alonzo, met eene stem, die duidelijk verried, dat zijn hart pijnlijk werd aangedaan: “Is het dan waarheid mevrouw, hetgeen ik veronderstelde, dat slechts een valsch gerucht kon hebben uitgestrooid?”“Gij hebt het niet geloofd mijnheer?” zeide de gravin, terwijl zij haar fraaie kleine hand beschouwde aan welker vingeren verscheidene kostbare ringen staken: “Inderdaad, het is zonderling,” vervolgde zij: “dat mijn zoon aan dit kind eene liefde toekent en haar eveneens behandelt als ware het de dochter zijner overledene gade.”Alonzo sprak niet, maar staarde vóór zich. De gravin had zeer wel den indruk bespeurd, dien hare woorden op den jongen Spanjaard gemaakt hadden; zij liet dit echter niet blijken, maar ging op een beklagenden toon voort: “Ja, het lieve kind is wel medelijdenswaardig! hoe treurig zal het haar eenmaal zijn, als zij verneemt dat een dienstbare van haar vader hare moeder was. Eenmaal toch moet ook haar ter oore komen hetgeen nu reeds ieder weet, en wat zal er dan van haar worden! Wat zal het zijn na den dood van mijn zoon! Vermogen laat hij haar niet na. Zijne goederen zijn bezwaard. Reeds is het schoone kasteelden Oldenburghhet zijne niet meer. Gedurig put ik mij uit, om den zoon van mijn onvergetelijkenechtgenoot in zijn rang en stand staande te houden. Verre is het echter, dat ik daar eenigen roem op zou dragen; ik begeer zelfs geen dank; doch de arme Adelgonde, hoe ongelukkig, hoe ellendig zal zij eenmaal zijn!” en bij deze laatste woorden drukte zij de oogleden op elkaar, en weldra rolden er verscheidene tranen over hare wangen.“Die schoone bloem!” zeide Alonzo met een diepen zucht: “Zoo hemelsch schoon! zoo goed! zoo edel! en toch geschandvlekt voor de wereld!....”“Het eenige middel om haar te redden,” hernam de gravin Van Bergen, “is een goed huwelijk. Meermalen is zij werkelijk reeds, om hare vermaarde schoonheid, bij de jongelingschap in aanmerking gekomen; doch mijn zoon heeft haar helaas! als eene coquette grootgebracht; de freule is niet weinig difficile. Dit komt haar vader echter zeer te stade, want niets wenschte hij vuriger, dan dat zij de gade van een jongen edelman zou worden, aan wien hij, om financieele omstandigheden, de grootste verplichting heeft.—De jonker Van Rodenberg,” vervolgde zij, Alonzo even aanziende, “heeft hem reeds jaren lang op de edelmoedigste wijze met zijn belangrijk vermogen bijgestaan; en deze jonker Van Rodenberg, dien gij wellicht reeds hebt leeren kennen, of anders hebt hooren noemen, heeft, zegt men, tot onuitsprekelijke blijdschap van mijn zoon, ongeacht Adelgondes schandelijke geboorte en Van Bergens treurige omstandigheden, hare hand gevraagd. Zoo Adelgonde dit aanzoek van de hand wijst, is haar vader een verloren man; aanzienlijke sommen is hij dien jonker schuldig, en voorzeker zal deze als de beminde schoonzoon, die schulden grootmoedig kwijtschelden, ja dán zelfs met zijne ondersteuning voortgaan; doch daarentegen ook, als een afgewezen en mistroostig minnaar, een dreigend en vreeselijk schuldeischer worden.”Terwijl de gravin deze laatste woorden sprak, kwam Rosio terug, gevolgd door een bediende, die eenige ververschingen benevens wijn en bekers op de tafel plaatste.“Nu Mechteld dood is,” ving de rentmeester aan, “kan men ternauwernood de meest benoodigde zaken vinden. Aafke is vroom en goed, maar als alle vrouwen Maria’s waren, dan zouden wij mannen, wel Martha’s moeten worden.—Zie hier jonkman!” en hij overhandigde Alonzo een beker wijn.“Ik dank u mijnheer,” zeide Alonzo, als uit een droom ontwakende, en ledigde den hem toegereikten beker in één teug.“Gij zult het weinige, dat wij u kunnen aanbieden, voor lief moeten nemen, edele gast!” zeide de gravin weder op minzamen toon: “Het zou ons niet mogelijk zijn, u zulke schotels voor te zetten, als waarop uw waardige gastheer u dezen middag heeft onthaald.” Een spotachtige glimlach speelde bij deze woorden om hare lippen: “maar,” vervolgde zij: “toch wil ik hopen dat dit weitebrood, die gebakken visch en deze goede Hollandsche kaas, u eenigszins zullen verkwikken.”“Het spijt mij inderdaad,” zeide Alonzo, wiens eetlust, door hetgeenhij gehoord had, ten eenenmale was geweken, “dat deze moeite voor mij is gedaan, dewijl ik zelden des avonds eenige spijze gebruik.”“Het is te wenschen,” hernam de gravin, “dat deze Bourgogne meer genade in uwe oogen zal hebben! Edele Spinola, ik drink het welzijn van uw schoon vaderland! het welzijn van Spanje, dat land der oranjeboomen, dat heerlijke land waar ik de zaligste uren gesmaakt heb!” en terwijl zij haar beker ledigde, tintelden hare oogen van een vuur, dat met haar leeftijd zonderling in weerspraak was.Alonzo, wien het goed deed den lof van zijn vaderland te hooren verkondigen, en die de gastvrijheid welke hij genoot, niet met onheuschheid wilde beantwoorden, deed, hoewel zijne ziel met een geheel andere zaak was vervuld, de gravin op haar uitgebrachten toost bescheid, en dronk op den vrede tusschen Holland en Spanje.Intusschen gaf Alonzo nu al spoedig te kennen dat hij zich zeer vermoeid gevoelde, en dat het hem aangenaam zou zijn indien hij zijn nachtleger mocht opzoeken. Aan dit verzoek werd met veel bereidwilligheid gehoor gegeven. Alvorens te vertrekken moest Alonzo echter nog een beker ledigen; en Rosio, die steeds geschonken had, liet behendig, zonder dat de jongeling dit bemerkte, een poeder in den beker glijden, dien hij vervolgens aan Alonzo overhandigde.“Morgen vroegtijdig wenschte ik weder stadwaarts te gaan,” zeide Alonzo opstaande: “Ik zal dan waarschijnlijk niet het genoegen hebben u nog te zien. Met dezen dronk dank ik u dus edele vrouw, voor de mij betoonde gastvrijheid, en wensch u evenals mijnheer Rosio een goede nachtrust!”Na dezen afscheidsdronk zeide de gravin hem met de meest mogelijke vriendelijkheid vaarwel, en Rosio, den graaf tot aan de deur vergezellende, reikte hem de hand ten afscheid, en gelastte een bediende den graaf Spinola naar zijn slaapvertrek te geleiden.“De duivel gaf het hem in, niet langer te toeven,” zeide de rentmeester, zoodra Alonzo vertrokken was: “Van Rodenberg zit reeds gedurende een half uur in de zijkamer te wachten.—Treed binnen jonker!” riep hij, en opende eene deur, die aan het andere einde der kamer was, en door welke Walter Van Rodenberg werkelijk binnentrad.“Die vervloekte hond is den dans ontsprongen!” zeide hij, zich in een armstoel werpende, zonder de gravin of Rosio te groeten. “De onhandigheid van dien altijd droomenden Casper was mij bijna duur te staan gekomen. Goed dat die lummel naar de eeuwigheid ia verhuisd. Toen ik op de plaats kwam waar ik den Spanjaard in zijn bloed dacht te vinden, ontwaarde ik niets dan de beenen van den roodkop, die uit de sloot omhoog staken. Met behulp van Arends trok ik hem er uit, en waarachtig de onhandige kerel leefde nog. Vervloekt, zeide hij met een flauwe stem; Van Rodenberg heeft mij tot dit schelmstuk overgehaald; toen riep hij den hemel nog om genade aan, maar dewijl het mij niet paste den ezel bijadem te laten, mij later in opspraak te brengen, gaf ik hem den genadeslag. Nu is hij voorgoed bezorgd, en de zaak zal voorzeker niet uitlekken.”“Met dat al hebt gij niets gewonnen,” zeide de gravin: “Uw medeminnaar leeft; hij kan het gebeurde bij het gerecht aangeven. Alle schijn is tegen u, en voorzeker zal Spinola begrijpen dat gij alleen den aanslag hebt gesmeed.”“Voor dien Spaanschen hond ben ik nu in het minst niet meer bevreesd. De grap van dezen avond had zelfs wel geheel achterwege kunnen blijven, want weet, dat ik geen oogenblik twijfel, of de zaak opden Oldenburghheeft zijn beslag. Bij mijne ziel! het was zonderling te zien, welke oogen mijn aanstaande schoonpapa opzette, toen ik hem verhaalde hetgeen hij dacht dat niemand ooit te weten was gekomen. De vrees dat de wereld vernemen zou, wat ik, bij eene weigering, dreigde te openbaren; de vriendschap die de graaf voor mijn vader heeft gehad, en de aanbeveling op diens sterfbed, alles kwam mij te stade. Zelfs was mijne vrees ongegrond dat Alonzo Spinola genade bij den graaf zou gevonden hebben. Hij heeft een afkeer van zijne en uwe Paapsche leer, en haat den vijand sterker dan ik dit eerst geloofde. Het lieve duifje zal den wil van haren vader doen. Ik huw haar; de graaf sterft weldra, en de goederen der Van Bergens worden mijn eigendom.”“En gij zult uw geluk aan mij te danken hebben,” hernam de gravin toen Van Rodenberg geëindigd had. “Doch wat vangen wij thans met Spinola aan?”“Hij slaapt voorzeker reeds als een roos,” zeide Rosio: “Het ware verkeerd geweest indien hij den jonker gezien had, doch mij dunkt....”“Hij moet ongedeerd van hier vertrekken,” viel Van Rodenberg hem in de rede: “Hij kan mij geen kwaad. Ik verwijt hem des noods dat hij lafhartig achterwege is gebleven. Al wilde hij ook het voorgevallene bekend maken, het zal mij niet deren. Hij kan niets tegen mij bewijzen; of.... des noods heefthijeen moord begaan!”Intusschen werd Alonzo, in de hem aangewezen kamer gekomen, door een hevigen slaap overvallen. Zijne oogleden werden hem zoo zwaar als lood, en de ware oorzaak daarvan niet bevroedende, schreef hij dit aan den ouden Bourgogne-wijn toe, waarvan hij misschien wat te veel gedronken had. Snel ontdeed hij zich van zijn wambuis, en wierp zich toen op het groote ledikant.Een diepe slaap maakte zich weldra van hem meester, en benauwende droomen, zonder eenigen samenhang, vervingen elkander met de zonderlingste afwisseling. Nu eens zag hij Adelgonde Van Bergen in een vlammenden wagen gezeten, welke in de lucht door duivelen en saters met woest geschreeuw werd voortgetrokken; dan weder vielen er uit den hemel de schoonste bloemen voor zijne voeten neder, doch veranderden, wanneer hij die wilde oprapen, eensklaps in sissende slangen en venijnige adders. Spooksels en bekende personen dansten te zamen in allerlei vreemde sprongenen met luid misbaar hand aan hand om hem heen. Allen staken den draak met hem, en lachten luidkeels. In ’t eind verscheen er voor zijne oogen een lieftallig kind; het hief de handjes naar hem op en zag hem smeekend aan. Het trok hem met zich voort, al verder en verder, steeds afdalende en al dieper en dieper zinkende. De plaats waar zij kwamen was akelig doodsch; een groote blauwe zerk lag op de aarde; de steen ging langzaam open, en een levend geraamte rees uit de groeve omhoog. “Edele heer! edele heer!” riep het kind angstig smeekend: “edele heer!” riep het nogmaals luider, Alonzo bij den arm trekkende. Alonzo wreef zich de oogen en ontwaakte. Een schemerachtig licht drong reeds door de luikgaten naar binnen, en de slaapdronken Alonzo ontwaarde nu, na zich nogmaals de lichtschuwende oogen gewreven te hebben, dat een jong en bevallig meisje naast zijne legerstede stond. “Edele heer!” zeide zij nogmaals, en schudde den arm van den jongeling met haar kleine hand: “Ontwaak! In ’s hemels naam, wil mij een oogenblik aanhooren.”“Wat verlangt gij van mij?” vroeg hij, zonderling te moede, en sprong nu, tot zich zelven gekomen, van het ledikant.“O verschoon mij,” bad het meisje: “verschoon mij dat ik uw slaapvertrek ben binnen getreden; doch ik moest u spreken. Gij zijt immers een edel en braaf heer?”“Welnu,” zeide Alonzo, zijn wambuis aantrekkende, terwijl hij het lieve kind aandachtig beschouwde, “spreek, wat verlangt gij van mij, of wat hebt gij mij te zeggen?”“Gij zult het straks vernemen,” zeide het meisje: “doch volg mij zonder gedruisch;” en Alonzo voorgaande, bracht zij hem in eene benedenverdieping van het kasteel, en verhaalde aldaar aan haar aandachtigen toehoorder, hetgeen wij, om ons verhaal niet vooruit te loopen, eerst later zullen mededeelen.

“Ik bid om verschooning, edele vrouw!” sprak Alonzo, toen hij het slotvertrek binnengetreden, de vermoedelijke eigenares met een sierlijke buiging naderde: “Ik vraag u zeer om verschooning, dat een ongelukkig toeval mij in de noodzakelijkheid bracht, voor één nacht uwe gastvrijheid te moeten inroepen. De wegen zijn niet veilig, en, onbekend in deze streken, ben ik aan het dwalen geraakt.”

“Maak geen complimenten mijnheer!” zeide de dame, met een Fransch accent, terwijl zij opstaande, Alonzo met eene nijging begroette: “Het is mij zeer aangenaam u van dienst te kunnen zijn. Zie hier mijn vriend en trouwen rentmeester Rosio!” vervolgde zij, Alonzo een man voorstellende, die tot dusverre aandachtig in een klein gebedenboek gelezen had.

“De vermoeiden zijn ons steeds welkom,” zeide Ambrosio, mede opstaande en nam te gelijk met zijn kleine grijze oogen den nieuw aangekomene, van het hoofd tot de voeten, nauwkeurig in oogenschouw.

Weldra zat Alonzo bij het knappende vuur, en moest, op uitnoodiging der dame, verhalen wat hem overkomen en hoe hij in dit late uur, zonder paard, zoover van de stad verdwaald was.

Met eenige omzichtigheid deelde hij het gastmaal opden Oldenburghmede; verzweeg de afgesprokene ontmoeting met Van Rodenberg, maar gaf voor, in het naar huis rijden van den rechten weg te zijn afgedwaald; verhaalde voorts dat hij door een straatroover was aangevallen, welken hij ter aarde had geworpen; dat zijn paard hem in dien tusschentijd was ontloopen, en hij, niet wetende waarheen zich te wenden, den weg had ingeslagen, die hem, dank zij de goedheid der edele bewoners, in deze veilige haven had binnengevoerd.

“Het is onbegrijpelijk!” sprak de dame, toen Alonzo geëindigd had, terwijl zij steelsgewijze haar rentmeester aanzag: “onbegrijpelijk! dat er op de publieke wegen niet beter voor de veiligheid wordt gewaakt. Den hemel zij echter gedankt,” en zij maakte het teeken des kruises: “dat een zoo schoon en kloek edelman niet het slachtoffer der boosheid geworden is! Een roemer wijn zal u niet onwelkom wezen?” vervolgde zij; “Rosio zal mij wel den dienst willen doen, een goede flesch te gaan halen.”

Rosio stond, zonder te antwoorden, van zijne zitplaats op; zag zijne gebiedster vragende aan, en Alonzo, die de spattende vonkengadesloeg, bemerkte niet dat de dame dien vragenden blik met een heimelijk knipoogen beantwoordde.

“Gij kent dus den graaf Van Bergen?” vroeg de dame toen Rosio vertrokken was.

“Zooals ik u zeide, edele vrouw!” antwoordde Alonzo: “dezen middag was ik zijn gast: evenwel was het mij niet vergund hem meer van nabij te leeren kennen.”

“Dan is het al zeer toevallig,” hernam de gravin: “dat gij uw middagmaal bij den zoon hebt gebruikt en een nachtverblijf bij de moeder komt zoeken.”

“De graaf Van Bergen is uw zoon?” zeide Alonzo verrast, terwijl hij de dame met een blik beschouwde, die hare eigenliefde streelde: “Voorwaar mevrouw,” ging hij voort: “het geleden ongeval wordt mij thans aangenaam vergoed, dewijl ik daardoor de eer en het genoegen heb, kennis te maken met de moeder van den alom beminden en dapperen graaf Van Bergen.”

De douairière glimlachte. “Met recht verdient mijn zoon de eer die ieder hem toekent,” hernam zij: “ook ben ik niet weinig trotsch op hem: hij was de oogappel van zijn zaligen vader. Doch wat dunkt u van zijne dochter Adelgonde?” en bij deze vraag zag zij den jongeling met hare scherpe, meest voor zich nedergeslagen oogen zijdelings aan.

Alonzo werd bij deze vraag vuurrood: “De freule is inderdaad zeer schoon,” antwoordde hij, zich herstellende: “nooit te voren, mevrouw, zag ik een gelaat met zooveel uitdrukking als dat van uwe kleindochter.”

“Het is de algemeene opinie,” hervatte de gravin: “men kan zeggen, dat hare schoonheid ruimschoots vergoedt hetgeen een onwettige geboorte haar doet missen....”

“Een onwettige geboorte?” riep Alonzo, met eene stem, die duidelijk verried, dat zijn hart pijnlijk werd aangedaan: “Is het dan waarheid mevrouw, hetgeen ik veronderstelde, dat slechts een valsch gerucht kon hebben uitgestrooid?”

“Gij hebt het niet geloofd mijnheer?” zeide de gravin, terwijl zij haar fraaie kleine hand beschouwde aan welker vingeren verscheidene kostbare ringen staken: “Inderdaad, het is zonderling,” vervolgde zij: “dat mijn zoon aan dit kind eene liefde toekent en haar eveneens behandelt als ware het de dochter zijner overledene gade.”

Alonzo sprak niet, maar staarde vóór zich. De gravin had zeer wel den indruk bespeurd, dien hare woorden op den jongen Spanjaard gemaakt hadden; zij liet dit echter niet blijken, maar ging op een beklagenden toon voort: “Ja, het lieve kind is wel medelijdenswaardig! hoe treurig zal het haar eenmaal zijn, als zij verneemt dat een dienstbare van haar vader hare moeder was. Eenmaal toch moet ook haar ter oore komen hetgeen nu reeds ieder weet, en wat zal er dan van haar worden! Wat zal het zijn na den dood van mijn zoon! Vermogen laat hij haar niet na. Zijne goederen zijn bezwaard. Reeds is het schoone kasteelden Oldenburghhet zijne niet meer. Gedurig put ik mij uit, om den zoon van mijn onvergetelijkenechtgenoot in zijn rang en stand staande te houden. Verre is het echter, dat ik daar eenigen roem op zou dragen; ik begeer zelfs geen dank; doch de arme Adelgonde, hoe ongelukkig, hoe ellendig zal zij eenmaal zijn!” en bij deze laatste woorden drukte zij de oogleden op elkaar, en weldra rolden er verscheidene tranen over hare wangen.

“Die schoone bloem!” zeide Alonzo met een diepen zucht: “Zoo hemelsch schoon! zoo goed! zoo edel! en toch geschandvlekt voor de wereld!....”

“Het eenige middel om haar te redden,” hernam de gravin Van Bergen, “is een goed huwelijk. Meermalen is zij werkelijk reeds, om hare vermaarde schoonheid, bij de jongelingschap in aanmerking gekomen; doch mijn zoon heeft haar helaas! als eene coquette grootgebracht; de freule is niet weinig difficile. Dit komt haar vader echter zeer te stade, want niets wenschte hij vuriger, dan dat zij de gade van een jongen edelman zou worden, aan wien hij, om financieele omstandigheden, de grootste verplichting heeft.—De jonker Van Rodenberg,” vervolgde zij, Alonzo even aanziende, “heeft hem reeds jaren lang op de edelmoedigste wijze met zijn belangrijk vermogen bijgestaan; en deze jonker Van Rodenberg, dien gij wellicht reeds hebt leeren kennen, of anders hebt hooren noemen, heeft, zegt men, tot onuitsprekelijke blijdschap van mijn zoon, ongeacht Adelgondes schandelijke geboorte en Van Bergens treurige omstandigheden, hare hand gevraagd. Zoo Adelgonde dit aanzoek van de hand wijst, is haar vader een verloren man; aanzienlijke sommen is hij dien jonker schuldig, en voorzeker zal deze als de beminde schoonzoon, die schulden grootmoedig kwijtschelden, ja dán zelfs met zijne ondersteuning voortgaan; doch daarentegen ook, als een afgewezen en mistroostig minnaar, een dreigend en vreeselijk schuldeischer worden.”

Terwijl de gravin deze laatste woorden sprak, kwam Rosio terug, gevolgd door een bediende, die eenige ververschingen benevens wijn en bekers op de tafel plaatste.

“Nu Mechteld dood is,” ving de rentmeester aan, “kan men ternauwernood de meest benoodigde zaken vinden. Aafke is vroom en goed, maar als alle vrouwen Maria’s waren, dan zouden wij mannen, wel Martha’s moeten worden.—Zie hier jonkman!” en hij overhandigde Alonzo een beker wijn.

“Ik dank u mijnheer,” zeide Alonzo, als uit een droom ontwakende, en ledigde den hem toegereikten beker in één teug.

“Gij zult het weinige, dat wij u kunnen aanbieden, voor lief moeten nemen, edele gast!” zeide de gravin weder op minzamen toon: “Het zou ons niet mogelijk zijn, u zulke schotels voor te zetten, als waarop uw waardige gastheer u dezen middag heeft onthaald.” Een spotachtige glimlach speelde bij deze woorden om hare lippen: “maar,” vervolgde zij: “toch wil ik hopen dat dit weitebrood, die gebakken visch en deze goede Hollandsche kaas, u eenigszins zullen verkwikken.”

“Het spijt mij inderdaad,” zeide Alonzo, wiens eetlust, door hetgeenhij gehoord had, ten eenenmale was geweken, “dat deze moeite voor mij is gedaan, dewijl ik zelden des avonds eenige spijze gebruik.”

“Het is te wenschen,” hernam de gravin, “dat deze Bourgogne meer genade in uwe oogen zal hebben! Edele Spinola, ik drink het welzijn van uw schoon vaderland! het welzijn van Spanje, dat land der oranjeboomen, dat heerlijke land waar ik de zaligste uren gesmaakt heb!” en terwijl zij haar beker ledigde, tintelden hare oogen van een vuur, dat met haar leeftijd zonderling in weerspraak was.

Alonzo, wien het goed deed den lof van zijn vaderland te hooren verkondigen, en die de gastvrijheid welke hij genoot, niet met onheuschheid wilde beantwoorden, deed, hoewel zijne ziel met een geheel andere zaak was vervuld, de gravin op haar uitgebrachten toost bescheid, en dronk op den vrede tusschen Holland en Spanje.

Intusschen gaf Alonzo nu al spoedig te kennen dat hij zich zeer vermoeid gevoelde, en dat het hem aangenaam zou zijn indien hij zijn nachtleger mocht opzoeken. Aan dit verzoek werd met veel bereidwilligheid gehoor gegeven. Alvorens te vertrekken moest Alonzo echter nog een beker ledigen; en Rosio, die steeds geschonken had, liet behendig, zonder dat de jongeling dit bemerkte, een poeder in den beker glijden, dien hij vervolgens aan Alonzo overhandigde.

“Morgen vroegtijdig wenschte ik weder stadwaarts te gaan,” zeide Alonzo opstaande: “Ik zal dan waarschijnlijk niet het genoegen hebben u nog te zien. Met dezen dronk dank ik u dus edele vrouw, voor de mij betoonde gastvrijheid, en wensch u evenals mijnheer Rosio een goede nachtrust!”

Na dezen afscheidsdronk zeide de gravin hem met de meest mogelijke vriendelijkheid vaarwel, en Rosio, den graaf tot aan de deur vergezellende, reikte hem de hand ten afscheid, en gelastte een bediende den graaf Spinola naar zijn slaapvertrek te geleiden.

“De duivel gaf het hem in, niet langer te toeven,” zeide de rentmeester, zoodra Alonzo vertrokken was: “Van Rodenberg zit reeds gedurende een half uur in de zijkamer te wachten.—Treed binnen jonker!” riep hij, en opende eene deur, die aan het andere einde der kamer was, en door welke Walter Van Rodenberg werkelijk binnentrad.

“Die vervloekte hond is den dans ontsprongen!” zeide hij, zich in een armstoel werpende, zonder de gravin of Rosio te groeten. “De onhandigheid van dien altijd droomenden Casper was mij bijna duur te staan gekomen. Goed dat die lummel naar de eeuwigheid ia verhuisd. Toen ik op de plaats kwam waar ik den Spanjaard in zijn bloed dacht te vinden, ontwaarde ik niets dan de beenen van den roodkop, die uit de sloot omhoog staken. Met behulp van Arends trok ik hem er uit, en waarachtig de onhandige kerel leefde nog. Vervloekt, zeide hij met een flauwe stem; Van Rodenberg heeft mij tot dit schelmstuk overgehaald; toen riep hij den hemel nog om genade aan, maar dewijl het mij niet paste den ezel bijadem te laten, mij later in opspraak te brengen, gaf ik hem den genadeslag. Nu is hij voorgoed bezorgd, en de zaak zal voorzeker niet uitlekken.”

“Met dat al hebt gij niets gewonnen,” zeide de gravin: “Uw medeminnaar leeft; hij kan het gebeurde bij het gerecht aangeven. Alle schijn is tegen u, en voorzeker zal Spinola begrijpen dat gij alleen den aanslag hebt gesmeed.”

“Voor dien Spaanschen hond ben ik nu in het minst niet meer bevreesd. De grap van dezen avond had zelfs wel geheel achterwege kunnen blijven, want weet, dat ik geen oogenblik twijfel, of de zaak opden Oldenburghheeft zijn beslag. Bij mijne ziel! het was zonderling te zien, welke oogen mijn aanstaande schoonpapa opzette, toen ik hem verhaalde hetgeen hij dacht dat niemand ooit te weten was gekomen. De vrees dat de wereld vernemen zou, wat ik, bij eene weigering, dreigde te openbaren; de vriendschap die de graaf voor mijn vader heeft gehad, en de aanbeveling op diens sterfbed, alles kwam mij te stade. Zelfs was mijne vrees ongegrond dat Alonzo Spinola genade bij den graaf zou gevonden hebben. Hij heeft een afkeer van zijne en uwe Paapsche leer, en haat den vijand sterker dan ik dit eerst geloofde. Het lieve duifje zal den wil van haren vader doen. Ik huw haar; de graaf sterft weldra, en de goederen der Van Bergens worden mijn eigendom.”

“En gij zult uw geluk aan mij te danken hebben,” hernam de gravin toen Van Rodenberg geëindigd had. “Doch wat vangen wij thans met Spinola aan?”

“Hij slaapt voorzeker reeds als een roos,” zeide Rosio: “Het ware verkeerd geweest indien hij den jonker gezien had, doch mij dunkt....”

“Hij moet ongedeerd van hier vertrekken,” viel Van Rodenberg hem in de rede: “Hij kan mij geen kwaad. Ik verwijt hem des noods dat hij lafhartig achterwege is gebleven. Al wilde hij ook het voorgevallene bekend maken, het zal mij niet deren. Hij kan niets tegen mij bewijzen; of.... des noods heefthijeen moord begaan!”

Intusschen werd Alonzo, in de hem aangewezen kamer gekomen, door een hevigen slaap overvallen. Zijne oogleden werden hem zoo zwaar als lood, en de ware oorzaak daarvan niet bevroedende, schreef hij dit aan den ouden Bourgogne-wijn toe, waarvan hij misschien wat te veel gedronken had. Snel ontdeed hij zich van zijn wambuis, en wierp zich toen op het groote ledikant.

Een diepe slaap maakte zich weldra van hem meester, en benauwende droomen, zonder eenigen samenhang, vervingen elkander met de zonderlingste afwisseling. Nu eens zag hij Adelgonde Van Bergen in een vlammenden wagen gezeten, welke in de lucht door duivelen en saters met woest geschreeuw werd voortgetrokken; dan weder vielen er uit den hemel de schoonste bloemen voor zijne voeten neder, doch veranderden, wanneer hij die wilde oprapen, eensklaps in sissende slangen en venijnige adders. Spooksels en bekende personen dansten te zamen in allerlei vreemde sprongenen met luid misbaar hand aan hand om hem heen. Allen staken den draak met hem, en lachten luidkeels. In ’t eind verscheen er voor zijne oogen een lieftallig kind; het hief de handjes naar hem op en zag hem smeekend aan. Het trok hem met zich voort, al verder en verder, steeds afdalende en al dieper en dieper zinkende. De plaats waar zij kwamen was akelig doodsch; een groote blauwe zerk lag op de aarde; de steen ging langzaam open, en een levend geraamte rees uit de groeve omhoog. “Edele heer! edele heer!” riep het kind angstig smeekend: “edele heer!” riep het nogmaals luider, Alonzo bij den arm trekkende. Alonzo wreef zich de oogen en ontwaakte. Een schemerachtig licht drong reeds door de luikgaten naar binnen, en de slaapdronken Alonzo ontwaarde nu, na zich nogmaals de lichtschuwende oogen gewreven te hebben, dat een jong en bevallig meisje naast zijne legerstede stond. “Edele heer!” zeide zij nogmaals, en schudde den arm van den jongeling met haar kleine hand: “Ontwaak! In ’s hemels naam, wil mij een oogenblik aanhooren.”

“Wat verlangt gij van mij?” vroeg hij, zonderling te moede, en sprong nu, tot zich zelven gekomen, van het ledikant.

“O verschoon mij,” bad het meisje: “verschoon mij dat ik uw slaapvertrek ben binnen getreden; doch ik moest u spreken. Gij zijt immers een edel en braaf heer?”

“Welnu,” zeide Alonzo, zijn wambuis aantrekkende, terwijl hij het lieve kind aandachtig beschouwde, “spreek, wat verlangt gij van mij, of wat hebt gij mij te zeggen?”

“Gij zult het straks vernemen,” zeide het meisje: “doch volg mij zonder gedruisch;” en Alonzo voorgaande, bracht zij hem in eene benedenverdieping van het kasteel, en verhaalde aldaar aan haar aandachtigen toehoorder, hetgeen wij, om ons verhaal niet vooruit te loopen, eerst later zullen mededeelen.


Back to IndexNext