XXIV.EEN KAMP IN DE BERGEN.Bij zijn vertrek uit de jacal had de Roode-Ceder zijn koers naar de bergen genomen.De Squatter had te lang in de prairie gewoond en gezworven om er niet al de schuilhoeken en listen van te kennen.Na de weinige woorden hem door pater Seraphin toegevoegd en de haast waarmede hij kwam waarschuwen, had de Roode-Ceder begrepen dat het hier om een strijd zonder genade op leven en dood te doen was, in welken zijne vijanden al hunne ondervinding en bekwaamheid zouden in ’t werk stellen om het eindelijk met hem voor goed uit te maken.Hij was gelukkig genoeg om in tijds de Sierra de los Comanches te bereiken, en geen spoor van zijn doortocht achter te laten.Daarop was gedurende eene maand lang tusschen hem en Valentin een wedstrijd van ongehoord overleg en behendigheid gevolgd, waarin ieder op zijne beurt alles wat zijn schrander en vernuftig brein aan listen en streken aanbood ten toon spreidde om zijn tegenstander te verschalken en de loef af te steken.Zooals het gemeenlijk in dergelijke omstandigheden gaat: had de Roode-Ceder, die aanvankelijk tegen wil en dank den nieuwen, hem opgedrongen strijd aanvaardde, langzamerhand zijn oude drift als woudlooper in zich voelen ontwaken; daarbij kwam de hoogmoed in ’t spel, wetende dat hij met Valentin Guillois, dat is, met den stoutsten kampvechter der prairiën te doen had, en van toen af was de lust tot dezen strijd bij hem een hartstocht geworden en legde hij een genie aan den dag daar hij zelf zich over verwonderde, ten einde zijn geduchten tegenstander te toonen dat hij zijns niet geheel onwaardig was.Reeds eene maand lang hadden de twee partijen tegen elkander gemanoeuvreerd, zonder kamp te geven, binnen een omtrek van niet minder dan tien mijlen gestadig om elkander heendraaiend, en vaak niet verder van elkander gescheiden dan door een strook dichtgebladerd kreupelhout of door een hollen weg.De Roode-Ceder begreep wel dat deze strijd vroeg of laat eindigen moest, en daar hij niet meer door dezelfde hartstochten gesteund werd, die hem vroeger in al zijn doen aanvuurden, begonhij er weldra moedeloos onder te worden, te meer nu hij, behalve door zielskwellingen, sedert eenige dagen ook door lichamelijk lijden gedrukt werd en alles scheen samen te loopen om hem den laatsten slag toe te brengen.Dat is zoo wat ongeveer de toestand waarin wij den Squatter wedervinden op het oogenblik dat de loop van ons verhaal ons verplicht om tot hem terug te keeren.Het was bijna acht ure des avonds, drie mannen en een jong meisje zaten rondom een sober vuur van bisonsmest zich te warmen en wierpen nu en dan een matten en droevigen blik op de donkere toegangen der bergen in het rond. Deze vier personen waren Nathan, Sutter, Fray Ambrosio en Ellen.De plaats waar zij zich bevonden was een dier enge ravijnen of holle wegen, de verloren bedding van een uitgedroogden bergstroom, zoo als men die in de Sierra de los Comanches in menigte aantreft.Aan de zijden der ravijn links en rechts verhieven zich dichte kreupelbosschen, als voorposten van een somber maagdelijk woud, uit welks geheimzinnige diepte men bij tusschenpoozen het rauw gehuil der wilde dieren hoorde opstijgen.De toestand der vluchtelingen was zeer hachelijk, om niet te zeggen hopeloos.Sedert meer dan eene maand in deze dorstige bergstreek opgesloten, van alle kanten omsingeld, waren zij aan de aanslagen hunner vervolgers niet anders ontsnapt dan door groote ontberingen en vooral door de ongehoorde behendigheid van den Roode-Ceder.De drift waarmede zij vervolgd werden was zoo groot, dat zij gedurig op het punt waren van door hunne vijanden overvallen te worden, en het niet hadden durven wagen om nu en dan te schieten op het schaarsche wild, dat, als om hen te bespotten, soms geen tien passen van hen af opsprong.Een enkel geweerschot, daar het de plaats van hun verblijf dadelijk zou hebben verraden, zou voldoende zijn geweest om hen ten val te brengen.Intusschen waren de weinige levensmiddelen die zij bij het verlaten der jacal hadden medegenomen, spoedig verteerd, ondanks de spaarzaamheid waarmede zij in hunne maaltijden te werk gingen.Toen werden honger en vooral dorst hunne ergste vijanden; van alle plagen die den ongelukkigen reiziger kunnen treffen is dorst zeker een der ondragelijkste.Honger kan men een zekeren tijd doorstaan zonder groote hindernis, zelfs verscheidene dagen achtereen, maar dorst veroorzaakt de onlijdelijkste smarten, die in weinig tijd tot een soort van razernij overslaan, het verhemelte wordt droog, de keel brandt als vuur, de oogen zijn bloedig rood en de ongelukkige lijder, aan eene gruwzame ijlhoofdigheid ten prooi, die hem overal het zoozeer begeerdewater doet zien, sterft eindelijk onder de wreedste folteringen.Nadat de levensvoorraad was uitgeput had men zich andere moeten verschaffen; in de bergen was dit bijna onmogelijk, vooral wanneer men, zoo als deze vluchtelingen, in de noodige vrijheid om te handelen belemmerd werd.Intusschen gelukte het hun, zich gedurende eenige dagen met wortelen te voeden en met eenig klein wild, dat met den strik gevangen werd.Ongelukkigerwijze nam de koude met iederen dag in hevigheid toe, de vogels verwijderden zich naar minder onherbergzame streken; dus ontbrak hun ook deze hulpbron.De geringe hoeveelheid water die zij nog over hadden, moest met onderling goedvinden voor Ellen bespaard blijven.Het jonge meisje had deze opoffering in ’t eerst bepaald geweigerd; maar de dorst werd hand over hand sterker en door de gebeden harer tochtgenooten overwonnen, eindigde zij met toe te geven.De bandieten vonden geen ander middel om hun onlijdelijken dorst te lesschen dan hunne paarden een snede in het oor te geven en er het bloed uit te zuigen.Vervolgens hadden zij een paard geslacht. De arme dieren hadden toch evenmin voedsel als hunne meesters en leden niet minder van dorst dan deze. Met het gebraden vleesch van dit paard waren zij zoo goed mogelijk, althans eenige dagen rondgekomen.Kortom, de vier paarden werden het een na het ander gedood, geslacht en verslonden.Thans hadden de avonturiers niets meer over. En niet alleen dit, maar sedert de twee laatste dagen hadden zij niets te eten gehad.Zij bewaarden dus eene sombere stilte, wierpen nu en dan een verstolen blik in het rond en verzonken meer en meer in treurige beschouwingen.Maar de gedachten die zij in hun brein voelden wervelen begonnen hun allengs te ontsnappen en eene stomme razernij maakte zich van hen meester; reeds voelden zij het oogenblik naderen dat zij geheel van hun verstand beroofd, eindelijk zouden moeten bezwijken voor de heete koorts die hunne hoofdslapen reeds samenkneep als in een schroef en die voor hunne oogen allerlei bange schrikbeelden deed zweven.Het was een hartbrekend schouwspel, in die barre en sombere woestijn, rondom dit uitstervende vuur, deze drie mannen te zien liggen, zonder kracht en zonder moed, naast dat tengere meisje, dat met gevouwen handen en neêrgeslagen oogen in stilte zat te bidden.De tijd verliep, de wind huilde klagend door de quebradas; de maan, die telkens achter dikke wolken schuil ging, gaf slechts nu en dan een bleek schijnsel en doopte met haar fantastisch en onzeker licht dit tooneel van verlatenheid, welks akelige stilte slechtsenkele malen verbroken werd door een gesmoorde verwensching of een afgeperste verzuchting.Ellen beurde het hoofd op en staarde hare gezellen meewarig aan.»Houdt moed,” murmelde zij met hare altijd zachte stem, »houdt moed, broeders! God zal ons zoo niet verlaten.”Een zenuwachtig gegrinnik was het eenige antwoord dat zij ontving.»Helaas!” vervolgde zij, »waarom geeft gij u zoo aan de wanhoop over, broeders; waarom bidt gij niet liever? het bidden vertroost, het geeft kracht en houdt de hoop staande.”»Kan het ook dien verdoemden dorst lesschen die mij de keel toeschroeit?” antwoordde de monnik brutaal, terwijl hij zich met moeite op den elleboog oprichtte en haar woest aanzag; »houd u stil, dwaas kind, zoo gij geen andere baat voor ons weet dan zulke onnoozele, afgezaagde praatjes.”»Houd gij u stil! verdoemde monnik,” bromde Sutter, hem aanziende met een dreigenden blik, »bespot mijne zuster niet! zij alleen kan ons misschien nog redden, want als God zich onzer erbarmt is het om harentwil.”»Ah! ha!” riep de monnik met een afzichtelijken grijns, »begint gij nu aan God te gelooven, vriend? Gij moet u wel dicht bij uw dood gevoelen, dat gij zoo bang wordt. Gij mocht eer blijde zijn dat er geen God was, dan Hem te hulp roepen, want zoo Hij werkelijk bestond, zou Hij u reeds lang hebben neergebliksemd,”»Goed gesproken, monnik,” riep Nathan. »En houd gij u stil, zuster! Als wij hier als honden moeten sterven, laten wij dan ten minste met rust sterven, dat is toch niet te veel gevergd zou ik denken.”»O! wat heb ik het benauwd!” mompelde Sutter, terwijl hij zich kromde als een slang en woest over den grond kroop.Ellen stond op.Zij trad stil naar hem toe en zette hem de tuit van den leêren zak aan de lippen, waarin nog wat water was dat voor haar bewaard werd.»Drink,” zeide zij.De jongman greep met drift naar den lederen zak, alsof hij drinken zou, maar stiet dien oogenblikkelijk terug en schudde weigerachtig het hoofd.»Neen,” riep hij treurig, »behoud dat maar, zuster; het is uw leven dat gij mij biedt.”»Drink, zeg ik u,” hernam zij gebiedend.»Neen,” antwoordde hij halsstarrig, »dat zou lafhartig zijn! O! ik ben immers een man, zuster; ik kan wei lijden.”Ellen zag wel dat haar aanhouden niet baten zou; zij wist hoe afgodisch hare broeders haar lief hadden en keerde zwijgend naar het vuur terug.Toen zij daar weder zat nam zij drie buffelhoornen napjes,die hun tot drinkbekers dienden, vulde ze met water en zette ze voor hen neêr, daarop nam zij een lang en scherp mes, hield de punt tegen den waterzak en wendde zich naar de drie mannen, die al hare bewegingen nieuwsgierig aanstaarden, maar er niets van begrepen.»Daar staat water voor u,” zeide zij, »drink het. Ik zweer u, als gij het niet doet, dat ik dan oogenblikkelijk met het mes den zak open snijd, en al het overige water er uit laat loopen dat er nog in is, dan is het verloren, en dan zal ik evenzeer dorst lijden als gij.”Hare lotgenoot en gaven geen antwoord, maar staarden elkander twijfelend aan.»Ik vraag u voor ’t laatst, of gij wilt drinken, ja dan neen?” zeide zij terwijl zij het mes stout tegen den waterzak drukte.»Houd op!” schreeuwde de monnik schielijk opstaande en naar haar toeijlende. »Demonios! zij zou het doen ook.”Hij nam den beker en ledigde dien in één teug.Zijne kameraden volgden zijn voorbeeld.Deze teug water, want de bekers waren zeer klein, was echter toereikend om de drie uitgedorste mannen tot bedaren te brengen; het vuur dat hen verteerde was voor het oogenblik gebluscht, zij haalden vrijer adem, slaakten een ach! van genoegen en vlijden zich weêr op den grond neder.Een engelachtige glimlach verhelderde het gelaat van Ellen.»Nu ziet gij immers,” hervatte zij, »dat alles nog niet verloren is!”»Kom kom, nina,” antwoordde de monnik woest, »waartoe zouden wij ons met eene dwaze hoop vleien? Die droppel water dien gij ons geeft kan maar voor eene korte poos ons lijden verzachten; over een uur misschien keert onze dorst brandender en onlijdelijker terug dan ooit.”»Wie zegt u,” riep zij lieftallig, »wat de hemel voor ons doen zal eer wij een uur verder zijn? Eene lafenis hoe gering ook, is in uwe omstandigheden veel waard,—gij wilt alles van de toekomst hebben en vergeet voor het tegenwoordig oogenblik te danken.”»Goed, goed, wij willen niet met u twisten na de dienst die gij ons bewezen hebt, nina, maar toch, alles schijnt u tegen te spreken.”»Hoe dat?”»Wel?Caspita!wat ik zeg is toch zoo moeielijk niet om te begrijpen, ik behoef niet verder te gaan dan dat uw vader, die ons beloofd had dat hij ons nooit zou verlaten.….”»Welnu?”»Waar is hij? Sedert dezen morgen vroeg, is hij vertrokken, de duivel weet waar heen; de heele dag is voorbij gegaan en de nacht reeds lang gedaald, en gij ziet, hij is nog niet terug.”»Wat bewijst dat?”»Canarios! dat bewijst zooveel dat hij weg is, niets minder.”»Denkt gij dat?” riep Ellen.»Zeg maar dat ik het zeker weet, nina.”Ellen keek hem minachtend aan.»Señor,” antwoordde zij fier, »dan kent gij mijn vader nog niet, als gij denkt dat hij tot eene lafhartigheid in staat is.”»Hm! in zulk een positie als wij thans zijn, zou ik het bijna verschoonbaar vinden.”»Misschien ja, zou hij het werkelijk gedaan hebben,” hernam zij levendig, »als hij geen ander gezelschap achterliet dan u, caballero; maar dat hij hier zijne dochter en zijne zonen in den nood zou laten zitten, daar is mijn vader de man niet voor.”»Dat ’s waar,” zei de monnik min of meer beschaamd, »daar dacht ik niet aan; neem mij niet kwalijk, nina, maar gij zult mij toch veroorloven u te zeggen dat uw vader buitengewoon lang uitblijft.”»Wel!señor,” riep het meisje in vuur gerakend, »gij, die zoo gereed zijt om een vriend te verdenken, die u zoo lang en zooveel ondubbelzinnige bewijzen van trouw gegeven heeft! weet gij dan nu, of hij niet juist zoo lang uitblijft om voor uw en ons behoud te zorgen?”»Goed gesproken, bij God!” riep eene ruwe stem; »ik dank u, mijne dochter.”De avonturiers ontstelden en keken onwillekeurig om.Op hetzelfde oogenblik werden de struiken door eene krachtige hand uit elkander gerukt, een zware stap klonk op den rotsigen bodem en er verscheen een man.Het was de Roode-Ceder.Hij droeg een damhert op zijn schouder.Toen hij in de door het vuur verlichte ruimte kwam wierp hij zijn vracht neêr, zette zijn geweer op de steenen dat het klonk, kruiste de handen op de tromp en keek met een bitteren grijns om zich heen.»Ik merk het al, ik geloof dat ik juist van pas kom,señorpadre,” grinnikte hij. »Vive Dios!ik geloof dat gij hier aardig te werk gaat als ik er niet ben; is het op die manier dat gij uw christelijken plicht begrijpt! Carai! dan zal ik er u geen kompliment over maken.”De monnik, door deze plotselinge verschijning en ruwe terechtwijzing tot zwijgen gebracht, had geen woord meer te zeggen.De Roode-Ceder vervolgde:»Bij God! ik ben beter kameraad dan gij, want ik breng u te eten, en ik durf zweren dat het mij vrij wat moeite heeft gekost om dat verwenschte dier onder schot te krijgen. Kom, haast u wat en braad er een vierdepart van!”Sutter en Nathan hadden huns vaders bevel niet afgewacht, en waren reeds lang bezig om het damhert te villen.»Maar,” zei Nathan, »om dat wild te braden zullen wij ons vuur zoo groot moeten maken, dat onze vervolgers het zien zullen.”»Daar hebben wij kans op,” antwoordde de Squatter, »overleg dus of gij er dit aan wagen wilt.”»Hoe denkt gij er over?” vroeg de monnik.»Ik? Mij is het geheel onverschillig; een ding moet ik u eens en vooral zeggen, het is, dat ik innig overtuigd ben, dat wij te avond of morgen onzen vervolgers in handen vallen, en dat het mij weinig schelen kan, of het van daag is of over een week.”»Duivelsch! ik vind u alles behalve vertroostend, compadre,” riep Fray Ambrosio. »Zou de moed u reeds ontzinken, of hebt gij misschien sporen gezien?”»Aan moed ontbreekt het mij nooit; ik weet welk lot mij beschoren is; mijn besluit is dus genomen. En wat sporen aangaat, zoo als gij wel zegt, zou men blind moeten zijn om ze niet te zien.”»Derhalve geen hoop meer!” riepen de drie mannen met kwalijk ontveinsden schrik.»O hé! neen, ik denk het niet; maar,” vervolgde hij op luchtiger toon, »waarom sammelt gij zoo met dat hert; maak toch voort, dat het gebraden komt; gij moet dunkt mij half dood zijn van honger.”»Dat is wel waar, maar wat gij zegt maakt ons zoo benauwd, dat de lust om te eten ons vergaat,” riep Fray Ambrosio neerslachtig.Ellen stond op, trad naar den Squatter, legde hem zacht de hand op den schouder en bracht haar gezicht dicht bij het zijne.De bandiet lachte haar toe.»Wat wilt gij van mij, mijne dochter?” vroeg hij vriendelijk.»Ik wou, vadertje, dat gij ons kondt redden,” antwoordde zij op vleienden toon.»U redden, arm kind!” riep hij treurig het hoofd schuddend; »ik vrees, helaas! dat dit onmogelijk is.”»Dus zult gij mij in handen onzer vijanden laten vallen?” hervatte zij.De Squatter sidderde.»O! zeg dat toch niet, Ellen!” riep hij met eene halfgesmoorde stem.»Intusschen, vader, als gij ons niet kunt laten ontkomen.….”De Squatter wischte met den rug van zijn vereelte hand het paarlend zweet van zijn voorhoofd.»Hoor eens,” zeide hij een oogenblik daarna, »misschien is er nog een middel.”»Welk? welk?” riepen allen zich om hem heen dringend.»Het is wel zeer gevaarlijk, en misschien gelukt het ook niet.”»Zeg het ons toch maar,” riep de monnik dringend.»Ja, ja! spreek, vader!” hervatte Ellen.»Wilt gij het volstrekt?”»Ja, ja!”»Nu, hoort mij dan aandachtig, want het middel dat ik u ga voorstellen, hoe vreemd en ongerijmd het u vooreerst schijnen mag, biedt eenige kansen om te slagen, die in onzen hopeloozen toestand niet te versmaden zijn.”»Maar spreek, spreek dan toch!” riep de monnik ongeduldig.De Roode-Ceder keek hem aan met een grijns.»Gij zijt wel haastig,” zeide hij; »misschien zult gij het straks niet meer zijn.”
XXIV.EEN KAMP IN DE BERGEN.Bij zijn vertrek uit de jacal had de Roode-Ceder zijn koers naar de bergen genomen.De Squatter had te lang in de prairie gewoond en gezworven om er niet al de schuilhoeken en listen van te kennen.Na de weinige woorden hem door pater Seraphin toegevoegd en de haast waarmede hij kwam waarschuwen, had de Roode-Ceder begrepen dat het hier om een strijd zonder genade op leven en dood te doen was, in welken zijne vijanden al hunne ondervinding en bekwaamheid zouden in ’t werk stellen om het eindelijk met hem voor goed uit te maken.Hij was gelukkig genoeg om in tijds de Sierra de los Comanches te bereiken, en geen spoor van zijn doortocht achter te laten.Daarop was gedurende eene maand lang tusschen hem en Valentin een wedstrijd van ongehoord overleg en behendigheid gevolgd, waarin ieder op zijne beurt alles wat zijn schrander en vernuftig brein aan listen en streken aanbood ten toon spreidde om zijn tegenstander te verschalken en de loef af te steken.Zooals het gemeenlijk in dergelijke omstandigheden gaat: had de Roode-Ceder, die aanvankelijk tegen wil en dank den nieuwen, hem opgedrongen strijd aanvaardde, langzamerhand zijn oude drift als woudlooper in zich voelen ontwaken; daarbij kwam de hoogmoed in ’t spel, wetende dat hij met Valentin Guillois, dat is, met den stoutsten kampvechter der prairiën te doen had, en van toen af was de lust tot dezen strijd bij hem een hartstocht geworden en legde hij een genie aan den dag daar hij zelf zich over verwonderde, ten einde zijn geduchten tegenstander te toonen dat hij zijns niet geheel onwaardig was.Reeds eene maand lang hadden de twee partijen tegen elkander gemanoeuvreerd, zonder kamp te geven, binnen een omtrek van niet minder dan tien mijlen gestadig om elkander heendraaiend, en vaak niet verder van elkander gescheiden dan door een strook dichtgebladerd kreupelhout of door een hollen weg.De Roode-Ceder begreep wel dat deze strijd vroeg of laat eindigen moest, en daar hij niet meer door dezelfde hartstochten gesteund werd, die hem vroeger in al zijn doen aanvuurden, begonhij er weldra moedeloos onder te worden, te meer nu hij, behalve door zielskwellingen, sedert eenige dagen ook door lichamelijk lijden gedrukt werd en alles scheen samen te loopen om hem den laatsten slag toe te brengen.Dat is zoo wat ongeveer de toestand waarin wij den Squatter wedervinden op het oogenblik dat de loop van ons verhaal ons verplicht om tot hem terug te keeren.Het was bijna acht ure des avonds, drie mannen en een jong meisje zaten rondom een sober vuur van bisonsmest zich te warmen en wierpen nu en dan een matten en droevigen blik op de donkere toegangen der bergen in het rond. Deze vier personen waren Nathan, Sutter, Fray Ambrosio en Ellen.De plaats waar zij zich bevonden was een dier enge ravijnen of holle wegen, de verloren bedding van een uitgedroogden bergstroom, zoo als men die in de Sierra de los Comanches in menigte aantreft.Aan de zijden der ravijn links en rechts verhieven zich dichte kreupelbosschen, als voorposten van een somber maagdelijk woud, uit welks geheimzinnige diepte men bij tusschenpoozen het rauw gehuil der wilde dieren hoorde opstijgen.De toestand der vluchtelingen was zeer hachelijk, om niet te zeggen hopeloos.Sedert meer dan eene maand in deze dorstige bergstreek opgesloten, van alle kanten omsingeld, waren zij aan de aanslagen hunner vervolgers niet anders ontsnapt dan door groote ontberingen en vooral door de ongehoorde behendigheid van den Roode-Ceder.De drift waarmede zij vervolgd werden was zoo groot, dat zij gedurig op het punt waren van door hunne vijanden overvallen te worden, en het niet hadden durven wagen om nu en dan te schieten op het schaarsche wild, dat, als om hen te bespotten, soms geen tien passen van hen af opsprong.Een enkel geweerschot, daar het de plaats van hun verblijf dadelijk zou hebben verraden, zou voldoende zijn geweest om hen ten val te brengen.Intusschen waren de weinige levensmiddelen die zij bij het verlaten der jacal hadden medegenomen, spoedig verteerd, ondanks de spaarzaamheid waarmede zij in hunne maaltijden te werk gingen.Toen werden honger en vooral dorst hunne ergste vijanden; van alle plagen die den ongelukkigen reiziger kunnen treffen is dorst zeker een der ondragelijkste.Honger kan men een zekeren tijd doorstaan zonder groote hindernis, zelfs verscheidene dagen achtereen, maar dorst veroorzaakt de onlijdelijkste smarten, die in weinig tijd tot een soort van razernij overslaan, het verhemelte wordt droog, de keel brandt als vuur, de oogen zijn bloedig rood en de ongelukkige lijder, aan eene gruwzame ijlhoofdigheid ten prooi, die hem overal het zoozeer begeerdewater doet zien, sterft eindelijk onder de wreedste folteringen.Nadat de levensvoorraad was uitgeput had men zich andere moeten verschaffen; in de bergen was dit bijna onmogelijk, vooral wanneer men, zoo als deze vluchtelingen, in de noodige vrijheid om te handelen belemmerd werd.Intusschen gelukte het hun, zich gedurende eenige dagen met wortelen te voeden en met eenig klein wild, dat met den strik gevangen werd.Ongelukkigerwijze nam de koude met iederen dag in hevigheid toe, de vogels verwijderden zich naar minder onherbergzame streken; dus ontbrak hun ook deze hulpbron.De geringe hoeveelheid water die zij nog over hadden, moest met onderling goedvinden voor Ellen bespaard blijven.Het jonge meisje had deze opoffering in ’t eerst bepaald geweigerd; maar de dorst werd hand over hand sterker en door de gebeden harer tochtgenooten overwonnen, eindigde zij met toe te geven.De bandieten vonden geen ander middel om hun onlijdelijken dorst te lesschen dan hunne paarden een snede in het oor te geven en er het bloed uit te zuigen.Vervolgens hadden zij een paard geslacht. De arme dieren hadden toch evenmin voedsel als hunne meesters en leden niet minder van dorst dan deze. Met het gebraden vleesch van dit paard waren zij zoo goed mogelijk, althans eenige dagen rondgekomen.Kortom, de vier paarden werden het een na het ander gedood, geslacht en verslonden.Thans hadden de avonturiers niets meer over. En niet alleen dit, maar sedert de twee laatste dagen hadden zij niets te eten gehad.Zij bewaarden dus eene sombere stilte, wierpen nu en dan een verstolen blik in het rond en verzonken meer en meer in treurige beschouwingen.Maar de gedachten die zij in hun brein voelden wervelen begonnen hun allengs te ontsnappen en eene stomme razernij maakte zich van hen meester; reeds voelden zij het oogenblik naderen dat zij geheel van hun verstand beroofd, eindelijk zouden moeten bezwijken voor de heete koorts die hunne hoofdslapen reeds samenkneep als in een schroef en die voor hunne oogen allerlei bange schrikbeelden deed zweven.Het was een hartbrekend schouwspel, in die barre en sombere woestijn, rondom dit uitstervende vuur, deze drie mannen te zien liggen, zonder kracht en zonder moed, naast dat tengere meisje, dat met gevouwen handen en neêrgeslagen oogen in stilte zat te bidden.De tijd verliep, de wind huilde klagend door de quebradas; de maan, die telkens achter dikke wolken schuil ging, gaf slechts nu en dan een bleek schijnsel en doopte met haar fantastisch en onzeker licht dit tooneel van verlatenheid, welks akelige stilte slechtsenkele malen verbroken werd door een gesmoorde verwensching of een afgeperste verzuchting.Ellen beurde het hoofd op en staarde hare gezellen meewarig aan.»Houdt moed,” murmelde zij met hare altijd zachte stem, »houdt moed, broeders! God zal ons zoo niet verlaten.”Een zenuwachtig gegrinnik was het eenige antwoord dat zij ontving.»Helaas!” vervolgde zij, »waarom geeft gij u zoo aan de wanhoop over, broeders; waarom bidt gij niet liever? het bidden vertroost, het geeft kracht en houdt de hoop staande.”»Kan het ook dien verdoemden dorst lesschen die mij de keel toeschroeit?” antwoordde de monnik brutaal, terwijl hij zich met moeite op den elleboog oprichtte en haar woest aanzag; »houd u stil, dwaas kind, zoo gij geen andere baat voor ons weet dan zulke onnoozele, afgezaagde praatjes.”»Houd gij u stil! verdoemde monnik,” bromde Sutter, hem aanziende met een dreigenden blik, »bespot mijne zuster niet! zij alleen kan ons misschien nog redden, want als God zich onzer erbarmt is het om harentwil.”»Ah! ha!” riep de monnik met een afzichtelijken grijns, »begint gij nu aan God te gelooven, vriend? Gij moet u wel dicht bij uw dood gevoelen, dat gij zoo bang wordt. Gij mocht eer blijde zijn dat er geen God was, dan Hem te hulp roepen, want zoo Hij werkelijk bestond, zou Hij u reeds lang hebben neergebliksemd,”»Goed gesproken, monnik,” riep Nathan. »En houd gij u stil, zuster! Als wij hier als honden moeten sterven, laten wij dan ten minste met rust sterven, dat is toch niet te veel gevergd zou ik denken.”»O! wat heb ik het benauwd!” mompelde Sutter, terwijl hij zich kromde als een slang en woest over den grond kroop.Ellen stond op.Zij trad stil naar hem toe en zette hem de tuit van den leêren zak aan de lippen, waarin nog wat water was dat voor haar bewaard werd.»Drink,” zeide zij.De jongman greep met drift naar den lederen zak, alsof hij drinken zou, maar stiet dien oogenblikkelijk terug en schudde weigerachtig het hoofd.»Neen,” riep hij treurig, »behoud dat maar, zuster; het is uw leven dat gij mij biedt.”»Drink, zeg ik u,” hernam zij gebiedend.»Neen,” antwoordde hij halsstarrig, »dat zou lafhartig zijn! O! ik ben immers een man, zuster; ik kan wei lijden.”Ellen zag wel dat haar aanhouden niet baten zou; zij wist hoe afgodisch hare broeders haar lief hadden en keerde zwijgend naar het vuur terug.Toen zij daar weder zat nam zij drie buffelhoornen napjes,die hun tot drinkbekers dienden, vulde ze met water en zette ze voor hen neêr, daarop nam zij een lang en scherp mes, hield de punt tegen den waterzak en wendde zich naar de drie mannen, die al hare bewegingen nieuwsgierig aanstaarden, maar er niets van begrepen.»Daar staat water voor u,” zeide zij, »drink het. Ik zweer u, als gij het niet doet, dat ik dan oogenblikkelijk met het mes den zak open snijd, en al het overige water er uit laat loopen dat er nog in is, dan is het verloren, en dan zal ik evenzeer dorst lijden als gij.”Hare lotgenoot en gaven geen antwoord, maar staarden elkander twijfelend aan.»Ik vraag u voor ’t laatst, of gij wilt drinken, ja dan neen?” zeide zij terwijl zij het mes stout tegen den waterzak drukte.»Houd op!” schreeuwde de monnik schielijk opstaande en naar haar toeijlende. »Demonios! zij zou het doen ook.”Hij nam den beker en ledigde dien in één teug.Zijne kameraden volgden zijn voorbeeld.Deze teug water, want de bekers waren zeer klein, was echter toereikend om de drie uitgedorste mannen tot bedaren te brengen; het vuur dat hen verteerde was voor het oogenblik gebluscht, zij haalden vrijer adem, slaakten een ach! van genoegen en vlijden zich weêr op den grond neder.Een engelachtige glimlach verhelderde het gelaat van Ellen.»Nu ziet gij immers,” hervatte zij, »dat alles nog niet verloren is!”»Kom kom, nina,” antwoordde de monnik woest, »waartoe zouden wij ons met eene dwaze hoop vleien? Die droppel water dien gij ons geeft kan maar voor eene korte poos ons lijden verzachten; over een uur misschien keert onze dorst brandender en onlijdelijker terug dan ooit.”»Wie zegt u,” riep zij lieftallig, »wat de hemel voor ons doen zal eer wij een uur verder zijn? Eene lafenis hoe gering ook, is in uwe omstandigheden veel waard,—gij wilt alles van de toekomst hebben en vergeet voor het tegenwoordig oogenblik te danken.”»Goed, goed, wij willen niet met u twisten na de dienst die gij ons bewezen hebt, nina, maar toch, alles schijnt u tegen te spreken.”»Hoe dat?”»Wel?Caspita!wat ik zeg is toch zoo moeielijk niet om te begrijpen, ik behoef niet verder te gaan dan dat uw vader, die ons beloofd had dat hij ons nooit zou verlaten.….”»Welnu?”»Waar is hij? Sedert dezen morgen vroeg, is hij vertrokken, de duivel weet waar heen; de heele dag is voorbij gegaan en de nacht reeds lang gedaald, en gij ziet, hij is nog niet terug.”»Wat bewijst dat?”»Canarios! dat bewijst zooveel dat hij weg is, niets minder.”»Denkt gij dat?” riep Ellen.»Zeg maar dat ik het zeker weet, nina.”Ellen keek hem minachtend aan.»Señor,” antwoordde zij fier, »dan kent gij mijn vader nog niet, als gij denkt dat hij tot eene lafhartigheid in staat is.”»Hm! in zulk een positie als wij thans zijn, zou ik het bijna verschoonbaar vinden.”»Misschien ja, zou hij het werkelijk gedaan hebben,” hernam zij levendig, »als hij geen ander gezelschap achterliet dan u, caballero; maar dat hij hier zijne dochter en zijne zonen in den nood zou laten zitten, daar is mijn vader de man niet voor.”»Dat ’s waar,” zei de monnik min of meer beschaamd, »daar dacht ik niet aan; neem mij niet kwalijk, nina, maar gij zult mij toch veroorloven u te zeggen dat uw vader buitengewoon lang uitblijft.”»Wel!señor,” riep het meisje in vuur gerakend, »gij, die zoo gereed zijt om een vriend te verdenken, die u zoo lang en zooveel ondubbelzinnige bewijzen van trouw gegeven heeft! weet gij dan nu, of hij niet juist zoo lang uitblijft om voor uw en ons behoud te zorgen?”»Goed gesproken, bij God!” riep eene ruwe stem; »ik dank u, mijne dochter.”De avonturiers ontstelden en keken onwillekeurig om.Op hetzelfde oogenblik werden de struiken door eene krachtige hand uit elkander gerukt, een zware stap klonk op den rotsigen bodem en er verscheen een man.Het was de Roode-Ceder.Hij droeg een damhert op zijn schouder.Toen hij in de door het vuur verlichte ruimte kwam wierp hij zijn vracht neêr, zette zijn geweer op de steenen dat het klonk, kruiste de handen op de tromp en keek met een bitteren grijns om zich heen.»Ik merk het al, ik geloof dat ik juist van pas kom,señorpadre,” grinnikte hij. »Vive Dios!ik geloof dat gij hier aardig te werk gaat als ik er niet ben; is het op die manier dat gij uw christelijken plicht begrijpt! Carai! dan zal ik er u geen kompliment over maken.”De monnik, door deze plotselinge verschijning en ruwe terechtwijzing tot zwijgen gebracht, had geen woord meer te zeggen.De Roode-Ceder vervolgde:»Bij God! ik ben beter kameraad dan gij, want ik breng u te eten, en ik durf zweren dat het mij vrij wat moeite heeft gekost om dat verwenschte dier onder schot te krijgen. Kom, haast u wat en braad er een vierdepart van!”Sutter en Nathan hadden huns vaders bevel niet afgewacht, en waren reeds lang bezig om het damhert te villen.»Maar,” zei Nathan, »om dat wild te braden zullen wij ons vuur zoo groot moeten maken, dat onze vervolgers het zien zullen.”»Daar hebben wij kans op,” antwoordde de Squatter, »overleg dus of gij er dit aan wagen wilt.”»Hoe denkt gij er over?” vroeg de monnik.»Ik? Mij is het geheel onverschillig; een ding moet ik u eens en vooral zeggen, het is, dat ik innig overtuigd ben, dat wij te avond of morgen onzen vervolgers in handen vallen, en dat het mij weinig schelen kan, of het van daag is of over een week.”»Duivelsch! ik vind u alles behalve vertroostend, compadre,” riep Fray Ambrosio. »Zou de moed u reeds ontzinken, of hebt gij misschien sporen gezien?”»Aan moed ontbreekt het mij nooit; ik weet welk lot mij beschoren is; mijn besluit is dus genomen. En wat sporen aangaat, zoo als gij wel zegt, zou men blind moeten zijn om ze niet te zien.”»Derhalve geen hoop meer!” riepen de drie mannen met kwalijk ontveinsden schrik.»O hé! neen, ik denk het niet; maar,” vervolgde hij op luchtiger toon, »waarom sammelt gij zoo met dat hert; maak toch voort, dat het gebraden komt; gij moet dunkt mij half dood zijn van honger.”»Dat is wel waar, maar wat gij zegt maakt ons zoo benauwd, dat de lust om te eten ons vergaat,” riep Fray Ambrosio neerslachtig.Ellen stond op, trad naar den Squatter, legde hem zacht de hand op den schouder en bracht haar gezicht dicht bij het zijne.De bandiet lachte haar toe.»Wat wilt gij van mij, mijne dochter?” vroeg hij vriendelijk.»Ik wou, vadertje, dat gij ons kondt redden,” antwoordde zij op vleienden toon.»U redden, arm kind!” riep hij treurig het hoofd schuddend; »ik vrees, helaas! dat dit onmogelijk is.”»Dus zult gij mij in handen onzer vijanden laten vallen?” hervatte zij.De Squatter sidderde.»O! zeg dat toch niet, Ellen!” riep hij met eene halfgesmoorde stem.»Intusschen, vader, als gij ons niet kunt laten ontkomen.….”De Squatter wischte met den rug van zijn vereelte hand het paarlend zweet van zijn voorhoofd.»Hoor eens,” zeide hij een oogenblik daarna, »misschien is er nog een middel.”»Welk? welk?” riepen allen zich om hem heen dringend.»Het is wel zeer gevaarlijk, en misschien gelukt het ook niet.”»Zeg het ons toch maar,” riep de monnik dringend.»Ja, ja! spreek, vader!” hervatte Ellen.»Wilt gij het volstrekt?”»Ja, ja!”»Nu, hoort mij dan aandachtig, want het middel dat ik u ga voorstellen, hoe vreemd en ongerijmd het u vooreerst schijnen mag, biedt eenige kansen om te slagen, die in onzen hopeloozen toestand niet te versmaden zijn.”»Maar spreek, spreek dan toch!” riep de monnik ongeduldig.De Roode-Ceder keek hem aan met een grijns.»Gij zijt wel haastig,” zeide hij; »misschien zult gij het straks niet meer zijn.”
XXIV.EEN KAMP IN DE BERGEN.
Bij zijn vertrek uit de jacal had de Roode-Ceder zijn koers naar de bergen genomen.De Squatter had te lang in de prairie gewoond en gezworven om er niet al de schuilhoeken en listen van te kennen.Na de weinige woorden hem door pater Seraphin toegevoegd en de haast waarmede hij kwam waarschuwen, had de Roode-Ceder begrepen dat het hier om een strijd zonder genade op leven en dood te doen was, in welken zijne vijanden al hunne ondervinding en bekwaamheid zouden in ’t werk stellen om het eindelijk met hem voor goed uit te maken.Hij was gelukkig genoeg om in tijds de Sierra de los Comanches te bereiken, en geen spoor van zijn doortocht achter te laten.Daarop was gedurende eene maand lang tusschen hem en Valentin een wedstrijd van ongehoord overleg en behendigheid gevolgd, waarin ieder op zijne beurt alles wat zijn schrander en vernuftig brein aan listen en streken aanbood ten toon spreidde om zijn tegenstander te verschalken en de loef af te steken.Zooals het gemeenlijk in dergelijke omstandigheden gaat: had de Roode-Ceder, die aanvankelijk tegen wil en dank den nieuwen, hem opgedrongen strijd aanvaardde, langzamerhand zijn oude drift als woudlooper in zich voelen ontwaken; daarbij kwam de hoogmoed in ’t spel, wetende dat hij met Valentin Guillois, dat is, met den stoutsten kampvechter der prairiën te doen had, en van toen af was de lust tot dezen strijd bij hem een hartstocht geworden en legde hij een genie aan den dag daar hij zelf zich over verwonderde, ten einde zijn geduchten tegenstander te toonen dat hij zijns niet geheel onwaardig was.Reeds eene maand lang hadden de twee partijen tegen elkander gemanoeuvreerd, zonder kamp te geven, binnen een omtrek van niet minder dan tien mijlen gestadig om elkander heendraaiend, en vaak niet verder van elkander gescheiden dan door een strook dichtgebladerd kreupelhout of door een hollen weg.De Roode-Ceder begreep wel dat deze strijd vroeg of laat eindigen moest, en daar hij niet meer door dezelfde hartstochten gesteund werd, die hem vroeger in al zijn doen aanvuurden, begonhij er weldra moedeloos onder te worden, te meer nu hij, behalve door zielskwellingen, sedert eenige dagen ook door lichamelijk lijden gedrukt werd en alles scheen samen te loopen om hem den laatsten slag toe te brengen.Dat is zoo wat ongeveer de toestand waarin wij den Squatter wedervinden op het oogenblik dat de loop van ons verhaal ons verplicht om tot hem terug te keeren.Het was bijna acht ure des avonds, drie mannen en een jong meisje zaten rondom een sober vuur van bisonsmest zich te warmen en wierpen nu en dan een matten en droevigen blik op de donkere toegangen der bergen in het rond. Deze vier personen waren Nathan, Sutter, Fray Ambrosio en Ellen.De plaats waar zij zich bevonden was een dier enge ravijnen of holle wegen, de verloren bedding van een uitgedroogden bergstroom, zoo als men die in de Sierra de los Comanches in menigte aantreft.Aan de zijden der ravijn links en rechts verhieven zich dichte kreupelbosschen, als voorposten van een somber maagdelijk woud, uit welks geheimzinnige diepte men bij tusschenpoozen het rauw gehuil der wilde dieren hoorde opstijgen.De toestand der vluchtelingen was zeer hachelijk, om niet te zeggen hopeloos.Sedert meer dan eene maand in deze dorstige bergstreek opgesloten, van alle kanten omsingeld, waren zij aan de aanslagen hunner vervolgers niet anders ontsnapt dan door groote ontberingen en vooral door de ongehoorde behendigheid van den Roode-Ceder.De drift waarmede zij vervolgd werden was zoo groot, dat zij gedurig op het punt waren van door hunne vijanden overvallen te worden, en het niet hadden durven wagen om nu en dan te schieten op het schaarsche wild, dat, als om hen te bespotten, soms geen tien passen van hen af opsprong.Een enkel geweerschot, daar het de plaats van hun verblijf dadelijk zou hebben verraden, zou voldoende zijn geweest om hen ten val te brengen.Intusschen waren de weinige levensmiddelen die zij bij het verlaten der jacal hadden medegenomen, spoedig verteerd, ondanks de spaarzaamheid waarmede zij in hunne maaltijden te werk gingen.Toen werden honger en vooral dorst hunne ergste vijanden; van alle plagen die den ongelukkigen reiziger kunnen treffen is dorst zeker een der ondragelijkste.Honger kan men een zekeren tijd doorstaan zonder groote hindernis, zelfs verscheidene dagen achtereen, maar dorst veroorzaakt de onlijdelijkste smarten, die in weinig tijd tot een soort van razernij overslaan, het verhemelte wordt droog, de keel brandt als vuur, de oogen zijn bloedig rood en de ongelukkige lijder, aan eene gruwzame ijlhoofdigheid ten prooi, die hem overal het zoozeer begeerdewater doet zien, sterft eindelijk onder de wreedste folteringen.Nadat de levensvoorraad was uitgeput had men zich andere moeten verschaffen; in de bergen was dit bijna onmogelijk, vooral wanneer men, zoo als deze vluchtelingen, in de noodige vrijheid om te handelen belemmerd werd.Intusschen gelukte het hun, zich gedurende eenige dagen met wortelen te voeden en met eenig klein wild, dat met den strik gevangen werd.Ongelukkigerwijze nam de koude met iederen dag in hevigheid toe, de vogels verwijderden zich naar minder onherbergzame streken; dus ontbrak hun ook deze hulpbron.De geringe hoeveelheid water die zij nog over hadden, moest met onderling goedvinden voor Ellen bespaard blijven.Het jonge meisje had deze opoffering in ’t eerst bepaald geweigerd; maar de dorst werd hand over hand sterker en door de gebeden harer tochtgenooten overwonnen, eindigde zij met toe te geven.De bandieten vonden geen ander middel om hun onlijdelijken dorst te lesschen dan hunne paarden een snede in het oor te geven en er het bloed uit te zuigen.Vervolgens hadden zij een paard geslacht. De arme dieren hadden toch evenmin voedsel als hunne meesters en leden niet minder van dorst dan deze. Met het gebraden vleesch van dit paard waren zij zoo goed mogelijk, althans eenige dagen rondgekomen.Kortom, de vier paarden werden het een na het ander gedood, geslacht en verslonden.Thans hadden de avonturiers niets meer over. En niet alleen dit, maar sedert de twee laatste dagen hadden zij niets te eten gehad.Zij bewaarden dus eene sombere stilte, wierpen nu en dan een verstolen blik in het rond en verzonken meer en meer in treurige beschouwingen.Maar de gedachten die zij in hun brein voelden wervelen begonnen hun allengs te ontsnappen en eene stomme razernij maakte zich van hen meester; reeds voelden zij het oogenblik naderen dat zij geheel van hun verstand beroofd, eindelijk zouden moeten bezwijken voor de heete koorts die hunne hoofdslapen reeds samenkneep als in een schroef en die voor hunne oogen allerlei bange schrikbeelden deed zweven.Het was een hartbrekend schouwspel, in die barre en sombere woestijn, rondom dit uitstervende vuur, deze drie mannen te zien liggen, zonder kracht en zonder moed, naast dat tengere meisje, dat met gevouwen handen en neêrgeslagen oogen in stilte zat te bidden.De tijd verliep, de wind huilde klagend door de quebradas; de maan, die telkens achter dikke wolken schuil ging, gaf slechts nu en dan een bleek schijnsel en doopte met haar fantastisch en onzeker licht dit tooneel van verlatenheid, welks akelige stilte slechtsenkele malen verbroken werd door een gesmoorde verwensching of een afgeperste verzuchting.Ellen beurde het hoofd op en staarde hare gezellen meewarig aan.»Houdt moed,” murmelde zij met hare altijd zachte stem, »houdt moed, broeders! God zal ons zoo niet verlaten.”Een zenuwachtig gegrinnik was het eenige antwoord dat zij ontving.»Helaas!” vervolgde zij, »waarom geeft gij u zoo aan de wanhoop over, broeders; waarom bidt gij niet liever? het bidden vertroost, het geeft kracht en houdt de hoop staande.”»Kan het ook dien verdoemden dorst lesschen die mij de keel toeschroeit?” antwoordde de monnik brutaal, terwijl hij zich met moeite op den elleboog oprichtte en haar woest aanzag; »houd u stil, dwaas kind, zoo gij geen andere baat voor ons weet dan zulke onnoozele, afgezaagde praatjes.”»Houd gij u stil! verdoemde monnik,” bromde Sutter, hem aanziende met een dreigenden blik, »bespot mijne zuster niet! zij alleen kan ons misschien nog redden, want als God zich onzer erbarmt is het om harentwil.”»Ah! ha!” riep de monnik met een afzichtelijken grijns, »begint gij nu aan God te gelooven, vriend? Gij moet u wel dicht bij uw dood gevoelen, dat gij zoo bang wordt. Gij mocht eer blijde zijn dat er geen God was, dan Hem te hulp roepen, want zoo Hij werkelijk bestond, zou Hij u reeds lang hebben neergebliksemd,”»Goed gesproken, monnik,” riep Nathan. »En houd gij u stil, zuster! Als wij hier als honden moeten sterven, laten wij dan ten minste met rust sterven, dat is toch niet te veel gevergd zou ik denken.”»O! wat heb ik het benauwd!” mompelde Sutter, terwijl hij zich kromde als een slang en woest over den grond kroop.Ellen stond op.Zij trad stil naar hem toe en zette hem de tuit van den leêren zak aan de lippen, waarin nog wat water was dat voor haar bewaard werd.»Drink,” zeide zij.De jongman greep met drift naar den lederen zak, alsof hij drinken zou, maar stiet dien oogenblikkelijk terug en schudde weigerachtig het hoofd.»Neen,” riep hij treurig, »behoud dat maar, zuster; het is uw leven dat gij mij biedt.”»Drink, zeg ik u,” hernam zij gebiedend.»Neen,” antwoordde hij halsstarrig, »dat zou lafhartig zijn! O! ik ben immers een man, zuster; ik kan wei lijden.”Ellen zag wel dat haar aanhouden niet baten zou; zij wist hoe afgodisch hare broeders haar lief hadden en keerde zwijgend naar het vuur terug.Toen zij daar weder zat nam zij drie buffelhoornen napjes,die hun tot drinkbekers dienden, vulde ze met water en zette ze voor hen neêr, daarop nam zij een lang en scherp mes, hield de punt tegen den waterzak en wendde zich naar de drie mannen, die al hare bewegingen nieuwsgierig aanstaarden, maar er niets van begrepen.»Daar staat water voor u,” zeide zij, »drink het. Ik zweer u, als gij het niet doet, dat ik dan oogenblikkelijk met het mes den zak open snijd, en al het overige water er uit laat loopen dat er nog in is, dan is het verloren, en dan zal ik evenzeer dorst lijden als gij.”Hare lotgenoot en gaven geen antwoord, maar staarden elkander twijfelend aan.»Ik vraag u voor ’t laatst, of gij wilt drinken, ja dan neen?” zeide zij terwijl zij het mes stout tegen den waterzak drukte.»Houd op!” schreeuwde de monnik schielijk opstaande en naar haar toeijlende. »Demonios! zij zou het doen ook.”Hij nam den beker en ledigde dien in één teug.Zijne kameraden volgden zijn voorbeeld.Deze teug water, want de bekers waren zeer klein, was echter toereikend om de drie uitgedorste mannen tot bedaren te brengen; het vuur dat hen verteerde was voor het oogenblik gebluscht, zij haalden vrijer adem, slaakten een ach! van genoegen en vlijden zich weêr op den grond neder.Een engelachtige glimlach verhelderde het gelaat van Ellen.»Nu ziet gij immers,” hervatte zij, »dat alles nog niet verloren is!”»Kom kom, nina,” antwoordde de monnik woest, »waartoe zouden wij ons met eene dwaze hoop vleien? Die droppel water dien gij ons geeft kan maar voor eene korte poos ons lijden verzachten; over een uur misschien keert onze dorst brandender en onlijdelijker terug dan ooit.”»Wie zegt u,” riep zij lieftallig, »wat de hemel voor ons doen zal eer wij een uur verder zijn? Eene lafenis hoe gering ook, is in uwe omstandigheden veel waard,—gij wilt alles van de toekomst hebben en vergeet voor het tegenwoordig oogenblik te danken.”»Goed, goed, wij willen niet met u twisten na de dienst die gij ons bewezen hebt, nina, maar toch, alles schijnt u tegen te spreken.”»Hoe dat?”»Wel?Caspita!wat ik zeg is toch zoo moeielijk niet om te begrijpen, ik behoef niet verder te gaan dan dat uw vader, die ons beloofd had dat hij ons nooit zou verlaten.….”»Welnu?”»Waar is hij? Sedert dezen morgen vroeg, is hij vertrokken, de duivel weet waar heen; de heele dag is voorbij gegaan en de nacht reeds lang gedaald, en gij ziet, hij is nog niet terug.”»Wat bewijst dat?”»Canarios! dat bewijst zooveel dat hij weg is, niets minder.”»Denkt gij dat?” riep Ellen.»Zeg maar dat ik het zeker weet, nina.”Ellen keek hem minachtend aan.»Señor,” antwoordde zij fier, »dan kent gij mijn vader nog niet, als gij denkt dat hij tot eene lafhartigheid in staat is.”»Hm! in zulk een positie als wij thans zijn, zou ik het bijna verschoonbaar vinden.”»Misschien ja, zou hij het werkelijk gedaan hebben,” hernam zij levendig, »als hij geen ander gezelschap achterliet dan u, caballero; maar dat hij hier zijne dochter en zijne zonen in den nood zou laten zitten, daar is mijn vader de man niet voor.”»Dat ’s waar,” zei de monnik min of meer beschaamd, »daar dacht ik niet aan; neem mij niet kwalijk, nina, maar gij zult mij toch veroorloven u te zeggen dat uw vader buitengewoon lang uitblijft.”»Wel!señor,” riep het meisje in vuur gerakend, »gij, die zoo gereed zijt om een vriend te verdenken, die u zoo lang en zooveel ondubbelzinnige bewijzen van trouw gegeven heeft! weet gij dan nu, of hij niet juist zoo lang uitblijft om voor uw en ons behoud te zorgen?”»Goed gesproken, bij God!” riep eene ruwe stem; »ik dank u, mijne dochter.”De avonturiers ontstelden en keken onwillekeurig om.Op hetzelfde oogenblik werden de struiken door eene krachtige hand uit elkander gerukt, een zware stap klonk op den rotsigen bodem en er verscheen een man.Het was de Roode-Ceder.Hij droeg een damhert op zijn schouder.Toen hij in de door het vuur verlichte ruimte kwam wierp hij zijn vracht neêr, zette zijn geweer op de steenen dat het klonk, kruiste de handen op de tromp en keek met een bitteren grijns om zich heen.»Ik merk het al, ik geloof dat ik juist van pas kom,señorpadre,” grinnikte hij. »Vive Dios!ik geloof dat gij hier aardig te werk gaat als ik er niet ben; is het op die manier dat gij uw christelijken plicht begrijpt! Carai! dan zal ik er u geen kompliment over maken.”De monnik, door deze plotselinge verschijning en ruwe terechtwijzing tot zwijgen gebracht, had geen woord meer te zeggen.De Roode-Ceder vervolgde:»Bij God! ik ben beter kameraad dan gij, want ik breng u te eten, en ik durf zweren dat het mij vrij wat moeite heeft gekost om dat verwenschte dier onder schot te krijgen. Kom, haast u wat en braad er een vierdepart van!”Sutter en Nathan hadden huns vaders bevel niet afgewacht, en waren reeds lang bezig om het damhert te villen.»Maar,” zei Nathan, »om dat wild te braden zullen wij ons vuur zoo groot moeten maken, dat onze vervolgers het zien zullen.”»Daar hebben wij kans op,” antwoordde de Squatter, »overleg dus of gij er dit aan wagen wilt.”»Hoe denkt gij er over?” vroeg de monnik.»Ik? Mij is het geheel onverschillig; een ding moet ik u eens en vooral zeggen, het is, dat ik innig overtuigd ben, dat wij te avond of morgen onzen vervolgers in handen vallen, en dat het mij weinig schelen kan, of het van daag is of over een week.”»Duivelsch! ik vind u alles behalve vertroostend, compadre,” riep Fray Ambrosio. »Zou de moed u reeds ontzinken, of hebt gij misschien sporen gezien?”»Aan moed ontbreekt het mij nooit; ik weet welk lot mij beschoren is; mijn besluit is dus genomen. En wat sporen aangaat, zoo als gij wel zegt, zou men blind moeten zijn om ze niet te zien.”»Derhalve geen hoop meer!” riepen de drie mannen met kwalijk ontveinsden schrik.»O hé! neen, ik denk het niet; maar,” vervolgde hij op luchtiger toon, »waarom sammelt gij zoo met dat hert; maak toch voort, dat het gebraden komt; gij moet dunkt mij half dood zijn van honger.”»Dat is wel waar, maar wat gij zegt maakt ons zoo benauwd, dat de lust om te eten ons vergaat,” riep Fray Ambrosio neerslachtig.Ellen stond op, trad naar den Squatter, legde hem zacht de hand op den schouder en bracht haar gezicht dicht bij het zijne.De bandiet lachte haar toe.»Wat wilt gij van mij, mijne dochter?” vroeg hij vriendelijk.»Ik wou, vadertje, dat gij ons kondt redden,” antwoordde zij op vleienden toon.»U redden, arm kind!” riep hij treurig het hoofd schuddend; »ik vrees, helaas! dat dit onmogelijk is.”»Dus zult gij mij in handen onzer vijanden laten vallen?” hervatte zij.De Squatter sidderde.»O! zeg dat toch niet, Ellen!” riep hij met eene halfgesmoorde stem.»Intusschen, vader, als gij ons niet kunt laten ontkomen.….”De Squatter wischte met den rug van zijn vereelte hand het paarlend zweet van zijn voorhoofd.»Hoor eens,” zeide hij een oogenblik daarna, »misschien is er nog een middel.”»Welk? welk?” riepen allen zich om hem heen dringend.»Het is wel zeer gevaarlijk, en misschien gelukt het ook niet.”»Zeg het ons toch maar,” riep de monnik dringend.»Ja, ja! spreek, vader!” hervatte Ellen.»Wilt gij het volstrekt?”»Ja, ja!”»Nu, hoort mij dan aandachtig, want het middel dat ik u ga voorstellen, hoe vreemd en ongerijmd het u vooreerst schijnen mag, biedt eenige kansen om te slagen, die in onzen hopeloozen toestand niet te versmaden zijn.”»Maar spreek, spreek dan toch!” riep de monnik ongeduldig.De Roode-Ceder keek hem aan met een grijns.»Gij zijt wel haastig,” zeide hij; »misschien zult gij het straks niet meer zijn.”
Bij zijn vertrek uit de jacal had de Roode-Ceder zijn koers naar de bergen genomen.
De Squatter had te lang in de prairie gewoond en gezworven om er niet al de schuilhoeken en listen van te kennen.
Na de weinige woorden hem door pater Seraphin toegevoegd en de haast waarmede hij kwam waarschuwen, had de Roode-Ceder begrepen dat het hier om een strijd zonder genade op leven en dood te doen was, in welken zijne vijanden al hunne ondervinding en bekwaamheid zouden in ’t werk stellen om het eindelijk met hem voor goed uit te maken.
Hij was gelukkig genoeg om in tijds de Sierra de los Comanches te bereiken, en geen spoor van zijn doortocht achter te laten.
Daarop was gedurende eene maand lang tusschen hem en Valentin een wedstrijd van ongehoord overleg en behendigheid gevolgd, waarin ieder op zijne beurt alles wat zijn schrander en vernuftig brein aan listen en streken aanbood ten toon spreidde om zijn tegenstander te verschalken en de loef af te steken.
Zooals het gemeenlijk in dergelijke omstandigheden gaat: had de Roode-Ceder, die aanvankelijk tegen wil en dank den nieuwen, hem opgedrongen strijd aanvaardde, langzamerhand zijn oude drift als woudlooper in zich voelen ontwaken; daarbij kwam de hoogmoed in ’t spel, wetende dat hij met Valentin Guillois, dat is, met den stoutsten kampvechter der prairiën te doen had, en van toen af was de lust tot dezen strijd bij hem een hartstocht geworden en legde hij een genie aan den dag daar hij zelf zich over verwonderde, ten einde zijn geduchten tegenstander te toonen dat hij zijns niet geheel onwaardig was.
Reeds eene maand lang hadden de twee partijen tegen elkander gemanoeuvreerd, zonder kamp te geven, binnen een omtrek van niet minder dan tien mijlen gestadig om elkander heendraaiend, en vaak niet verder van elkander gescheiden dan door een strook dichtgebladerd kreupelhout of door een hollen weg.
De Roode-Ceder begreep wel dat deze strijd vroeg of laat eindigen moest, en daar hij niet meer door dezelfde hartstochten gesteund werd, die hem vroeger in al zijn doen aanvuurden, begonhij er weldra moedeloos onder te worden, te meer nu hij, behalve door zielskwellingen, sedert eenige dagen ook door lichamelijk lijden gedrukt werd en alles scheen samen te loopen om hem den laatsten slag toe te brengen.
Dat is zoo wat ongeveer de toestand waarin wij den Squatter wedervinden op het oogenblik dat de loop van ons verhaal ons verplicht om tot hem terug te keeren.
Het was bijna acht ure des avonds, drie mannen en een jong meisje zaten rondom een sober vuur van bisonsmest zich te warmen en wierpen nu en dan een matten en droevigen blik op de donkere toegangen der bergen in het rond. Deze vier personen waren Nathan, Sutter, Fray Ambrosio en Ellen.
De plaats waar zij zich bevonden was een dier enge ravijnen of holle wegen, de verloren bedding van een uitgedroogden bergstroom, zoo als men die in de Sierra de los Comanches in menigte aantreft.
Aan de zijden der ravijn links en rechts verhieven zich dichte kreupelbosschen, als voorposten van een somber maagdelijk woud, uit welks geheimzinnige diepte men bij tusschenpoozen het rauw gehuil der wilde dieren hoorde opstijgen.
De toestand der vluchtelingen was zeer hachelijk, om niet te zeggen hopeloos.
Sedert meer dan eene maand in deze dorstige bergstreek opgesloten, van alle kanten omsingeld, waren zij aan de aanslagen hunner vervolgers niet anders ontsnapt dan door groote ontberingen en vooral door de ongehoorde behendigheid van den Roode-Ceder.
De drift waarmede zij vervolgd werden was zoo groot, dat zij gedurig op het punt waren van door hunne vijanden overvallen te worden, en het niet hadden durven wagen om nu en dan te schieten op het schaarsche wild, dat, als om hen te bespotten, soms geen tien passen van hen af opsprong.
Een enkel geweerschot, daar het de plaats van hun verblijf dadelijk zou hebben verraden, zou voldoende zijn geweest om hen ten val te brengen.
Intusschen waren de weinige levensmiddelen die zij bij het verlaten der jacal hadden medegenomen, spoedig verteerd, ondanks de spaarzaamheid waarmede zij in hunne maaltijden te werk gingen.
Toen werden honger en vooral dorst hunne ergste vijanden; van alle plagen die den ongelukkigen reiziger kunnen treffen is dorst zeker een der ondragelijkste.
Honger kan men een zekeren tijd doorstaan zonder groote hindernis, zelfs verscheidene dagen achtereen, maar dorst veroorzaakt de onlijdelijkste smarten, die in weinig tijd tot een soort van razernij overslaan, het verhemelte wordt droog, de keel brandt als vuur, de oogen zijn bloedig rood en de ongelukkige lijder, aan eene gruwzame ijlhoofdigheid ten prooi, die hem overal het zoozeer begeerdewater doet zien, sterft eindelijk onder de wreedste folteringen.
Nadat de levensvoorraad was uitgeput had men zich andere moeten verschaffen; in de bergen was dit bijna onmogelijk, vooral wanneer men, zoo als deze vluchtelingen, in de noodige vrijheid om te handelen belemmerd werd.
Intusschen gelukte het hun, zich gedurende eenige dagen met wortelen te voeden en met eenig klein wild, dat met den strik gevangen werd.
Ongelukkigerwijze nam de koude met iederen dag in hevigheid toe, de vogels verwijderden zich naar minder onherbergzame streken; dus ontbrak hun ook deze hulpbron.
De geringe hoeveelheid water die zij nog over hadden, moest met onderling goedvinden voor Ellen bespaard blijven.
Het jonge meisje had deze opoffering in ’t eerst bepaald geweigerd; maar de dorst werd hand over hand sterker en door de gebeden harer tochtgenooten overwonnen, eindigde zij met toe te geven.
De bandieten vonden geen ander middel om hun onlijdelijken dorst te lesschen dan hunne paarden een snede in het oor te geven en er het bloed uit te zuigen.
Vervolgens hadden zij een paard geslacht. De arme dieren hadden toch evenmin voedsel als hunne meesters en leden niet minder van dorst dan deze. Met het gebraden vleesch van dit paard waren zij zoo goed mogelijk, althans eenige dagen rondgekomen.
Kortom, de vier paarden werden het een na het ander gedood, geslacht en verslonden.
Thans hadden de avonturiers niets meer over. En niet alleen dit, maar sedert de twee laatste dagen hadden zij niets te eten gehad.
Zij bewaarden dus eene sombere stilte, wierpen nu en dan een verstolen blik in het rond en verzonken meer en meer in treurige beschouwingen.
Maar de gedachten die zij in hun brein voelden wervelen begonnen hun allengs te ontsnappen en eene stomme razernij maakte zich van hen meester; reeds voelden zij het oogenblik naderen dat zij geheel van hun verstand beroofd, eindelijk zouden moeten bezwijken voor de heete koorts die hunne hoofdslapen reeds samenkneep als in een schroef en die voor hunne oogen allerlei bange schrikbeelden deed zweven.
Het was een hartbrekend schouwspel, in die barre en sombere woestijn, rondom dit uitstervende vuur, deze drie mannen te zien liggen, zonder kracht en zonder moed, naast dat tengere meisje, dat met gevouwen handen en neêrgeslagen oogen in stilte zat te bidden.
De tijd verliep, de wind huilde klagend door de quebradas; de maan, die telkens achter dikke wolken schuil ging, gaf slechts nu en dan een bleek schijnsel en doopte met haar fantastisch en onzeker licht dit tooneel van verlatenheid, welks akelige stilte slechtsenkele malen verbroken werd door een gesmoorde verwensching of een afgeperste verzuchting.
Ellen beurde het hoofd op en staarde hare gezellen meewarig aan.
»Houdt moed,” murmelde zij met hare altijd zachte stem, »houdt moed, broeders! God zal ons zoo niet verlaten.”
Een zenuwachtig gegrinnik was het eenige antwoord dat zij ontving.
»Helaas!” vervolgde zij, »waarom geeft gij u zoo aan de wanhoop over, broeders; waarom bidt gij niet liever? het bidden vertroost, het geeft kracht en houdt de hoop staande.”
»Kan het ook dien verdoemden dorst lesschen die mij de keel toeschroeit?” antwoordde de monnik brutaal, terwijl hij zich met moeite op den elleboog oprichtte en haar woest aanzag; »houd u stil, dwaas kind, zoo gij geen andere baat voor ons weet dan zulke onnoozele, afgezaagde praatjes.”
»Houd gij u stil! verdoemde monnik,” bromde Sutter, hem aanziende met een dreigenden blik, »bespot mijne zuster niet! zij alleen kan ons misschien nog redden, want als God zich onzer erbarmt is het om harentwil.”
»Ah! ha!” riep de monnik met een afzichtelijken grijns, »begint gij nu aan God te gelooven, vriend? Gij moet u wel dicht bij uw dood gevoelen, dat gij zoo bang wordt. Gij mocht eer blijde zijn dat er geen God was, dan Hem te hulp roepen, want zoo Hij werkelijk bestond, zou Hij u reeds lang hebben neergebliksemd,”
»Goed gesproken, monnik,” riep Nathan. »En houd gij u stil, zuster! Als wij hier als honden moeten sterven, laten wij dan ten minste met rust sterven, dat is toch niet te veel gevergd zou ik denken.”
»O! wat heb ik het benauwd!” mompelde Sutter, terwijl hij zich kromde als een slang en woest over den grond kroop.
Ellen stond op.
Zij trad stil naar hem toe en zette hem de tuit van den leêren zak aan de lippen, waarin nog wat water was dat voor haar bewaard werd.
»Drink,” zeide zij.
De jongman greep met drift naar den lederen zak, alsof hij drinken zou, maar stiet dien oogenblikkelijk terug en schudde weigerachtig het hoofd.
»Neen,” riep hij treurig, »behoud dat maar, zuster; het is uw leven dat gij mij biedt.”
»Drink, zeg ik u,” hernam zij gebiedend.
»Neen,” antwoordde hij halsstarrig, »dat zou lafhartig zijn! O! ik ben immers een man, zuster; ik kan wei lijden.”
Ellen zag wel dat haar aanhouden niet baten zou; zij wist hoe afgodisch hare broeders haar lief hadden en keerde zwijgend naar het vuur terug.
Toen zij daar weder zat nam zij drie buffelhoornen napjes,die hun tot drinkbekers dienden, vulde ze met water en zette ze voor hen neêr, daarop nam zij een lang en scherp mes, hield de punt tegen den waterzak en wendde zich naar de drie mannen, die al hare bewegingen nieuwsgierig aanstaarden, maar er niets van begrepen.
»Daar staat water voor u,” zeide zij, »drink het. Ik zweer u, als gij het niet doet, dat ik dan oogenblikkelijk met het mes den zak open snijd, en al het overige water er uit laat loopen dat er nog in is, dan is het verloren, en dan zal ik evenzeer dorst lijden als gij.”
Hare lotgenoot en gaven geen antwoord, maar staarden elkander twijfelend aan.
»Ik vraag u voor ’t laatst, of gij wilt drinken, ja dan neen?” zeide zij terwijl zij het mes stout tegen den waterzak drukte.
»Houd op!” schreeuwde de monnik schielijk opstaande en naar haar toeijlende. »Demonios! zij zou het doen ook.”
Hij nam den beker en ledigde dien in één teug.
Zijne kameraden volgden zijn voorbeeld.
Deze teug water, want de bekers waren zeer klein, was echter toereikend om de drie uitgedorste mannen tot bedaren te brengen; het vuur dat hen verteerde was voor het oogenblik gebluscht, zij haalden vrijer adem, slaakten een ach! van genoegen en vlijden zich weêr op den grond neder.
Een engelachtige glimlach verhelderde het gelaat van Ellen.
»Nu ziet gij immers,” hervatte zij, »dat alles nog niet verloren is!”
»Kom kom, nina,” antwoordde de monnik woest, »waartoe zouden wij ons met eene dwaze hoop vleien? Die droppel water dien gij ons geeft kan maar voor eene korte poos ons lijden verzachten; over een uur misschien keert onze dorst brandender en onlijdelijker terug dan ooit.”
»Wie zegt u,” riep zij lieftallig, »wat de hemel voor ons doen zal eer wij een uur verder zijn? Eene lafenis hoe gering ook, is in uwe omstandigheden veel waard,—gij wilt alles van de toekomst hebben en vergeet voor het tegenwoordig oogenblik te danken.”
»Goed, goed, wij willen niet met u twisten na de dienst die gij ons bewezen hebt, nina, maar toch, alles schijnt u tegen te spreken.”
»Hoe dat?”
»Wel?Caspita!wat ik zeg is toch zoo moeielijk niet om te begrijpen, ik behoef niet verder te gaan dan dat uw vader, die ons beloofd had dat hij ons nooit zou verlaten.….”
»Welnu?”
»Waar is hij? Sedert dezen morgen vroeg, is hij vertrokken, de duivel weet waar heen; de heele dag is voorbij gegaan en de nacht reeds lang gedaald, en gij ziet, hij is nog niet terug.”
»Wat bewijst dat?”
»Canarios! dat bewijst zooveel dat hij weg is, niets minder.”
»Denkt gij dat?” riep Ellen.
»Zeg maar dat ik het zeker weet, nina.”
Ellen keek hem minachtend aan.
»Señor,” antwoordde zij fier, »dan kent gij mijn vader nog niet, als gij denkt dat hij tot eene lafhartigheid in staat is.”
»Hm! in zulk een positie als wij thans zijn, zou ik het bijna verschoonbaar vinden.”
»Misschien ja, zou hij het werkelijk gedaan hebben,” hernam zij levendig, »als hij geen ander gezelschap achterliet dan u, caballero; maar dat hij hier zijne dochter en zijne zonen in den nood zou laten zitten, daar is mijn vader de man niet voor.”
»Dat ’s waar,” zei de monnik min of meer beschaamd, »daar dacht ik niet aan; neem mij niet kwalijk, nina, maar gij zult mij toch veroorloven u te zeggen dat uw vader buitengewoon lang uitblijft.”
»Wel!señor,” riep het meisje in vuur gerakend, »gij, die zoo gereed zijt om een vriend te verdenken, die u zoo lang en zooveel ondubbelzinnige bewijzen van trouw gegeven heeft! weet gij dan nu, of hij niet juist zoo lang uitblijft om voor uw en ons behoud te zorgen?”
»Goed gesproken, bij God!” riep eene ruwe stem; »ik dank u, mijne dochter.”
De avonturiers ontstelden en keken onwillekeurig om.
Op hetzelfde oogenblik werden de struiken door eene krachtige hand uit elkander gerukt, een zware stap klonk op den rotsigen bodem en er verscheen een man.
Het was de Roode-Ceder.
Hij droeg een damhert op zijn schouder.
Toen hij in de door het vuur verlichte ruimte kwam wierp hij zijn vracht neêr, zette zijn geweer op de steenen dat het klonk, kruiste de handen op de tromp en keek met een bitteren grijns om zich heen.
»Ik merk het al, ik geloof dat ik juist van pas kom,señorpadre,” grinnikte hij. »Vive Dios!ik geloof dat gij hier aardig te werk gaat als ik er niet ben; is het op die manier dat gij uw christelijken plicht begrijpt! Carai! dan zal ik er u geen kompliment over maken.”
De monnik, door deze plotselinge verschijning en ruwe terechtwijzing tot zwijgen gebracht, had geen woord meer te zeggen.
De Roode-Ceder vervolgde:
»Bij God! ik ben beter kameraad dan gij, want ik breng u te eten, en ik durf zweren dat het mij vrij wat moeite heeft gekost om dat verwenschte dier onder schot te krijgen. Kom, haast u wat en braad er een vierdepart van!”
Sutter en Nathan hadden huns vaders bevel niet afgewacht, en waren reeds lang bezig om het damhert te villen.
»Maar,” zei Nathan, »om dat wild te braden zullen wij ons vuur zoo groot moeten maken, dat onze vervolgers het zien zullen.”
»Daar hebben wij kans op,” antwoordde de Squatter, »overleg dus of gij er dit aan wagen wilt.”
»Hoe denkt gij er over?” vroeg de monnik.
»Ik? Mij is het geheel onverschillig; een ding moet ik u eens en vooral zeggen, het is, dat ik innig overtuigd ben, dat wij te avond of morgen onzen vervolgers in handen vallen, en dat het mij weinig schelen kan, of het van daag is of over een week.”
»Duivelsch! ik vind u alles behalve vertroostend, compadre,” riep Fray Ambrosio. »Zou de moed u reeds ontzinken, of hebt gij misschien sporen gezien?”
»Aan moed ontbreekt het mij nooit; ik weet welk lot mij beschoren is; mijn besluit is dus genomen. En wat sporen aangaat, zoo als gij wel zegt, zou men blind moeten zijn om ze niet te zien.”
»Derhalve geen hoop meer!” riepen de drie mannen met kwalijk ontveinsden schrik.
»O hé! neen, ik denk het niet; maar,” vervolgde hij op luchtiger toon, »waarom sammelt gij zoo met dat hert; maak toch voort, dat het gebraden komt; gij moet dunkt mij half dood zijn van honger.”
»Dat is wel waar, maar wat gij zegt maakt ons zoo benauwd, dat de lust om te eten ons vergaat,” riep Fray Ambrosio neerslachtig.
Ellen stond op, trad naar den Squatter, legde hem zacht de hand op den schouder en bracht haar gezicht dicht bij het zijne.
De bandiet lachte haar toe.
»Wat wilt gij van mij, mijne dochter?” vroeg hij vriendelijk.
»Ik wou, vadertje, dat gij ons kondt redden,” antwoordde zij op vleienden toon.
»U redden, arm kind!” riep hij treurig het hoofd schuddend; »ik vrees, helaas! dat dit onmogelijk is.”
»Dus zult gij mij in handen onzer vijanden laten vallen?” hervatte zij.
De Squatter sidderde.
»O! zeg dat toch niet, Ellen!” riep hij met eene halfgesmoorde stem.
»Intusschen, vader, als gij ons niet kunt laten ontkomen.….”
De Squatter wischte met den rug van zijn vereelte hand het paarlend zweet van zijn voorhoofd.
»Hoor eens,” zeide hij een oogenblik daarna, »misschien is er nog een middel.”
»Welk? welk?” riepen allen zich om hem heen dringend.
»Het is wel zeer gevaarlijk, en misschien gelukt het ook niet.”
»Zeg het ons toch maar,” riep de monnik dringend.
»Ja, ja! spreek, vader!” hervatte Ellen.
»Wilt gij het volstrekt?”
»Ja, ja!”
»Nu, hoort mij dan aandachtig, want het middel dat ik u ga voorstellen, hoe vreemd en ongerijmd het u vooreerst schijnen mag, biedt eenige kansen om te slagen, die in onzen hopeloozen toestand niet te versmaden zijn.”
»Maar spreek, spreek dan toch!” riep de monnik ongeduldig.
De Roode-Ceder keek hem aan met een grijns.
»Gij zijt wel haastig,” zeide hij; »misschien zult gij het straks niet meer zijn.”