XXVII.

XXVII.EEN SPOOR IN DE LUCHT.Reizigers en toeristen, die, wat bosschen betreft, niets anders kennen dan het bosch van Fontainebleu en andere dergelijke door menschenhand aangelegde of onderhouden plantages,—die wij, dit zij in ’t voorbijgaan gezegd, daarom niet willen verachten—kunnen zich geen denkbeeld maken van den grootschen en prachtigen aanblik der ongerepte natuurwouden in de Nieuwe Wereld.Daar vindt men geene lanen van vier of vijf ellen breed, met het meetsnoer getrokken, en die zich recht en stijf soms uren ver uitstrekken.Daar is alles afwisselend, afgebrokkeld en woest.Doorzicht bestaat er niet, het is al veel wanneer de blik dertig of veertig schreden in iedere richting kan uitzien.De oorspronkelijke bodem, geheel bedekt met het afgevallen blad of de vermolmde stammen der boomen, door ouderdom gevallen en door regen en zonneschijn tot stof vergaan, is niet te onderkennen.De boomen groeien er in ordelooze vrijheid op, saamgestrengeld door dikke lianenstengels, die zich om den stam en de takken slingeren, de wonderlijkste figuren beschrijven, in alle richtingen zich uitbreiden, soms naar de aarde afdalen om er te wortelen en een voet verder terstond weder op te schieten en de boomen zoo dicht aaneen te vlechten, dat zij vaak uren ver eene dichtgesloten massa vormen.Op sommige plaatsen bieden de bosschen zoo weinig afwisseling, dat de boomen allen van dezelfde soort en schier volkomen aan elkander gelijk schijnen.Wat meer is, onder het geboomte, ter hoogte van vijf of zes voet, verheft zich een droog en dichtgesloten gras, ongeveer als de halmen van een korenveld.Of op eens opent zich onder de voeten van den onbedachtzamen reiziger een onmetelijke poel van bagger of moerasgronden met een groene korst van nauwelijks eenige duimen dikte bedekt, die den vermetele, wanneer hij er den voet op waagt te zetten, in hun stinkenden modder doen verzinken; een eind verder loopt, stil en onbekend, eene rivier, die zich hier en daar, bij snel verval met moeite een weg baant door de afgebrokkelde gronden en de doode boomen, die zij op hare oevers afzet.Na deze korte beschrijving, laat zich lichtelijk begrijpen, dat het niet zoo gemakkelijk gaat als men wel denken zou, om over dit warnet van den eenen boom op den anderen te komen.Overigens, ten einde den lezer volkomen in te lichten, zullen wij hem zeggen wat hij waarschijnlijk nog niet weet: namelijk, dat men in zekere streken der prairie, deze manier van reizen algemeen in praktijkheeft gebracht, niet, zoo als men zou kunnen denken, om aan de hardnekkige vervolging eens vijands te ontkomen, maar eenvoudig om sneller voort te maken, en niet verplicht te zijn zich met de bijl een doortocht te banen, noch gevaar te loopen in een bodemloozen poel te verzinken; te meer daar de boomen zeer hoog en zoo vast aan elkander zijn geweven, dat zij, om zoo te zeggen een golvenden maar toch bruikbaren vloer daarstellen van tachtig en meer voeten boven den beganen grond.Het voorstel van den Roode-Ceder was dus niets buitengewoons, voor mannen namelijk die waarschijnlijk deze manier van wandelen meermalen hadden gebezigd.Evenwel, wat voor onze avonturiers eene zeer lichte zaak zou zijn geweest, was eene vrij ernstige, zoo niet onmogelijke voor een jong meisje als Ellen, die, hoe kloek en behendig anders, geen stap zou kunnen doen zonder gevaar van hals en beenen te breken uithoofde van haar japon, welks ruime plooien zich ieder oogenblik overal aan uitspringende takken of stekels zouden hechten.Men moest dus voor deze onaangename hindernis van hare kleeding naar een voldoend verbeteringsmiddel zoeken.Het was hierop dat de drie mannen zich meer dan een uur stomp dachten, zonder iets te vinden dat hun voldoende scheen en hun de gewenschte zekerheid gaf.Het was hier wederom Ellen die hen te hulp kwam en van deze zorg bevrijdde.»Nu, vader,” vroeg zij, »wat doen wij nog langer hier? waarom vertrekken wij niet? Hebt gij niet gezegd dat wij geen oogenblik te verliezen hadden?”De Roode-Ceder schudde het hoofd.»Dat heb ik wel gezegd, en het is waar ook,” riep hij, »iedere minuut die wij hier verliezen kan ons het leven kosten.”»Maar laten wij dan gaan.”»Dat is nog niet mogelijk, kind, eer ik gevonden heb wat ik zoek.”»Wat zoekt gij dan, vader? zeg het mij, ik zal u helpen zoeken; misschien dat wij het dan spoediger vinden.”»Bah,” riep de Roode-Ceder op eens tot besluit komende, »waarom zou ik er u een geheim van maken, het gaat u even goed aan als ons.”»Maar wat is er dan toch, vader?”»Canarios! het is uw duivelsche japon die het u bepaald onmogelijk zal maken om evenals wij van den eenen tak op den anderen te springen, dat is het.”»En staat gij daarmede alleen zoo verlegen, vader?”»Sakkerloot, ja, dat is het eenige.”»Mijn hemel! waarom hebt gij mij dat niet eerder gezegd, dan zou de zaak dadelijk verholpen en wij reeds lang vertrokken zijn.”»Is ’t waar!” riep de Squatter verheugd.»Gij zult het zien, wacht maar even en stel u gerust.”Het meisje stond op en verdween met een sprong achter de struiken.Na verloop van vijf minuten kwam zij terug; zij had haar japon verschikt en derwijze vastgemaakt dat zij hare leden vrij kon gebruiken, zonder bij het springen belemmerd te worden, en geen ’t minst gevaar meer liep van aan de takken te blijven haken of er zich in te verwarren.»Hier ben ik,” riep zij lachend, »vindt gij mij zoo goed?”»Onverbeterlijk!”»Welnu, dan zullen wij vertrekken, zoodra gij maar wilt.”»Onmiddellijk.”De Roode-Ceder nam nu zijne laatste maatregelen. Zij vorderden niet veel tijd, het was alleen dat hij de sporen van het kampement zoo veel mogelijk wilde uitwisschen.Moeielijker echter was het, te zorgen dat de Comanchen van den Eenhoorn of de partijgangers van den Zoon des Bloeds of Valentin en zijne gezellen, wanneer zij toevallig deze plaats bereikten, niet zouden ontdekken in welke richting de avonturiers vertrokken waren.Ten dien einde nam de Roode-Ceder Ellen op zijne krachtige schouders en trad met haar vooraan, en zoo volgde hij bijna een uur lang denzelfden weg, dien Nathan gekozen had.Daarna keerde hij op zijne stappen terug, even als zijne gezellen, stap voor stap achteruit gaande, en naarmate zij terugtraden telkens hunne voetsporen zorgvuldig uitwisschende, ofschoon niet zoo volkomen, dat deze voor scherpziende blikken onzichtbaar werden, maar toch genoeg om geen vermoeden te wekken, dat zij opzettelijk waren achtergelaten.Na dezen vermoeienden marsch, gedurende welken de avonturiers geen woord hadden gewisseld, twee uren te hebben volgehouden, bereikten zij een klein terras van graniet, waar zij de beste gelegenheid hadden om een poosje uit te rusten, zonder vrees van eenig zichtbaar spoor na te laten, want de rots was te hard om den indruk hunner voetstappen op te nemen.»Oef,” riep Fray Ambrosio hijgende, »ik ben blijde dat ik een weinig adem kan scheppen; wat een hondsche karrewei was dat!”»Zijt gij nu reeds moê,señorpadre?” antwoordde Sutter met een grinnikenden lach, »dat is al te vroeg, ik zou u raden daarmede nog wat te wachten, wat wij tot dusver gedaan hebben is niets in vergelijking van hetgeen gij weldra zien zult.”»Ik twijfel zeer, of de weg dien wij thans te volgen hebben, wel zoo moeielijk zal zijn; duivelsch! dat zou zijn om er van af te zien.”»Nu, als gij misschien liever uw haar aan die vervloekte Comanchen present wilt doen, dat is gemakkelijk genoeg, dan hebt gij maar stilletjes te blijven waar gij zijt, en gij kunt er gerust op zijn dat zij u spoedig vinden zullen; gij moet weten de Roodhuiden hebben veel van Duimpjesreuzen, als er versch menschenvleesch in den wind is, hebben zij er spoedig de lucht van.”»Canarios! ik zou mij nog liever laten braden voor een klein vuur, dan dat ik in handen van die verwenschte heidenen moest vallen.”»Kom! kom!” riep de Roode-Ceder tusschenbeide komende, »dat zijn maar praatjes voor de vaak: wat geschreven staat, staat geschreven, niemand kan zijn lot ontgaan. Om zich zoo met toekomende zaken bezig te houden, is dwaasheid; luister liever naar mij.”»Goed gesproken, Roode-Ceder. Caspita! gij spreekt als een man van groot verstand en ik regel mij volkomen naar uw raad. Wat hebt gij ons te zeggen?”»Ik denk dat wij, dank zij den door ons genomen maatregel, zoo goed geslaagd zijn ons spoor te verbergen, dat niemand, al was het de duivel in eigen persoon, in staat zou zijn om het terug te vinden. Het eerste gedeelte van onze taak is dus zonder tegenspoed afgeloopen, laten wij ons nu maar niet verraden hetzij door onvoorzichtigheid, hetzij door te veel overhaasting. Ik heb u herwaarts gebracht, omdat, zooals gij ziet aan het einde van dit terras het natuurbosch begint Het moeielijkste is nu om den eersten boom te beklimmen zonder eenig spoor achter te laten. Wat de volgende betreft, dat is niets meer dan eene behendigheid; laat mij naar mijne wijze van zien te werk gaan, dan blijf ik u borg dat gij geen reden van klagen zult hebben.”»Dat weet ik wel; wat mij betreft ik laat u geheel naar eigen goedvinden te werk gaan.”»Zeer goed; dan zal ik u zeggen wat wij doen zullen. Ziet gij dien grooten tak wel, die daar zoo wat dertig voet boven onze hoofden over het terras afhangt?”»Ja dien zie ik. Wat meer?”»Ik sla de lasso eerst om het uiteinde van den tak, dan trekken wij hem gezamenlijk naar ons toe tot hij omtrent den grond raakt; daar houden wij hem zoo lang vast tot mijne dochter er is opgeklommen en den stam van den boom en de bovenste takken heeft bereikt; dan volgt gij,señorpadre, dan Sutter, en dan ik zelf; op die wijs zullen wij geen spoor onzer opklimming in de schors achterlaten.”»Uw plan is zeer schrander bedacht en draagt mijne volkomene goedkeuring weg, te meer daar deze manier van beklimming zoo voor uwe dochter als voor mij, vrij gemakkelijk schijnt, zonder twijfel kan Sutter ons even goed volgen. Maar één ding intusschen bekommert mij nog.”»En dat is.”»Zoo lang er hier nog iemand is om dien tak vast te houden begrijp ik wel dat hij gebogen zal blijven, maar als wij drieën boven zijn, hoe zult gij het dan maken om ons te volgen? dat begrijp ik niet, en ik wil u niet ontveinzen dat ik daaromtrent gaarne zou, zijn ingelicht.”De Roode-Ceder schaterde van lachen.»Maak u daar niet ongerust over,señorpadre, ik ben met de gebruiken der wildernis te goed bekend om mijne plannen niet tot in de kleinste bijzonderheden te berekenen.”»Als het er zoo mede gelegen is, spreken wij er niet meer over. Dat ik het deed was alleen om het belang dat ik in u stel.”De Squatter keek hem strak in de oogen.»Hoor eens, Fray Ambrosio,” zeide hij hem de hand ruw op den schouder leggende, »wij kennen elkander sinds lang, niet waar? Houden wij ons dus met geen leugens op, wij zullen elkander nooit kunnen bedriegen; laten wij maar blijven die wij zijn, dat is het beste voor ons beiden. Is dat afgesproken, zeg?”De monnik door deze scherpe terechtwijzing tegen wil en dank uit den zadel gelicht, verloor zijne zelfbeheersching en stotterde eenige woorden zonder samenhang.De Roode-Ceder had zijne lasso reeds genomen, om zijne rechterhand geslingerd, en na er eenige oogenblikken mede boven zijn hoofd te hebben gezwaaid, wierp hij haar uit. Zijn worp was zoo goed berekend, dat de strik juist over het uiteinde van den tak neêrkwam.»Help even!” riep de Squatter, »ieder een handje.”De twee andere mannen liepen toe.Door hunne vereenigde pogingen was de lasso weldra strak aangetrokken, de tak boog zich van lieverlede en na verloop van een paar minuten was hij, gelijk de Roode-Ceder voorspeld had, lang genoeg om den grond van het terras te raken.»Haastig, Ellen, haast u, mijn kind!” riep hij tot zijne dochter.Deze liet het zich geen tweemaal zeggen; stoutmoedig stapte zij op den tak, dien zij vlug over liep, zich links en rechts aan de kleinere takken vasthoudend; in een ommezien was zij bij den stam; toen op bevel van haar vader besteeg zij de hoogere takken, waarin zij spoedig verdween.»Uw beurt! Fray Ambrosio,” zei de Squatter.De monnik vertrok op zijn beurt, kwam spoedig den tak over en was even als het meisje, weldra niet meer te zien.»Op uwe beurt, jongen!” zei de Squatter nog eens.Sutter had zich spoedig bij de vorige klimmers gevoegd.Ofschoon alleen achtergebleven, hield de Squatter, dank zij zijne herculische kracht, den tak lang genoeg gebogen om er zich overlangs onder te plaatsen en er zich met armen en beenen aan vast te klampen.Niet zonder heimelijke vrees zagen zijne kameraden van hun verheven standpunt zijne gevaarlijke manoeuvre. Zoodra de tak niet meer omlaag werd vastgehouden, zweepte hij op eens met een scherp gefluit en met duizelingwekkende snelheid naar boven.De boom trilde tot in zijne wortels, Ellen gaf een schreeuw en deed hare oogen dicht.Toen zij die weder opende, zag zij haar vader schrijlings op hetuiteinde van den tak zitten, reeds bezig met den strik zijner lasso los te maken.Vervolgens stond de Squatter met de meeste bedaardheid op, sloeg de lasso om zijn midden en voegde zich bij zijne kameraden.»Wel!” riep hij, »wat zegt gij er van? Het is gedaan, zooals gij ziet, maar nu moeten wij onzen tocht voortzetten; zijt gij gereed?”»Laat ons vertrekken,” antwoordden zij.Wij herhalen hier, de vreemde houding waarin het geschieden moest daargelaten, was deze manier van marcheeren volstrekt niet gevaarlijk noch moeielijk.Dank zij het dicht gesloten net der lianen, die zich met duizend grillige bochten kruisten en de takken onderling samenvlochten, gingen onze avonturiers als over een stevigen vloer, schier ongemerkt van den eenen tak op den anderen en van den eenen boom tot den anderen over, altoos boven een onzichtbaren afgrond van zestig en somwijlen van tachtig voeten.Onder zich ontwaarden zij nu en dan de wilde dieren die in hunne geheimzinnige nesten en schuilhoeken hen met gestrekten hals en verschrikte oogen onrustig en verwezen aanstaarden, als wisten zij niet wat er boven hen gebeuren moest.Zoo gingen de wandelaars den ganschen dag voort, hielden van tijd tot tijd op om adem te scheppen en vervolgden dan weder onmiddellijk hunnen weg.Zoo passeerden zij zelfs, altijd op hun schommelende brug, een vrij breede rivier en bevonden zij zich weldra in een streek daar het terrein lager werd.Het was bijna vijf uren des avonds, de schuinsche stralen der dalende zon maakten de schaduw der boomen eindeloos lang; de katuilen, door het verschrikt rondvliegen der gestoorde kevers daar zij zoo verlekkerd op zijn, aangetrokken, vlogen reeds door de lucht, een dikke damp steeg uit de aarde op en vormde eene mist rondom onze vier wandelaars die hen bijna onzichtbaar maakte; alles in een woord verkondigde dat de nacht niet lang meer zou uitblijven.De Roode-Ceder liep vooraan en diende den kleinen troep tot gids, ten einde te verhoeden dat zijne metgezellen, die minder goed met het leven der woudloopers bekend waren dan hij, eene verkeerde richting zouden nemen, want op het terrein waar zij zich thans bevonden was ieder spoor van weg of streek verdwenen en zag men niets anders dan eene verwarde massa van dichte boomtakken en samengevlochten lianen en slingerplanten.»Zeg eens, compadre,” riep Fray Ambrosio, die weinig aan lange voetreizen gewoon, en door de vele ontberingen welke hij had moeten doorstaan tamelijk verzwakt, sedert eenigen tijd niet dan met zeer veel moeite marcheerde, »is het haast gedaan? Ik verklaar u dat ik niet langer kan.”De Squatter keerde zich driftig om en legde den monnik zijne groote hand op den mond.»Zwijg!” zeide hij met eene gesmoorde stem, »zwijg, zoo gij uw hoofdhaar behouden wilt.”»Caspita! of ik dat behouden wil!” mompelde de andere blijkbaar verschrikt; »maar wat is er dan nu weer op til?”De Roode-Ceder maakte voorzichtig eene kleine opening in de lianen en wenkte zijn tochtgenoot om er door te zien.»Kijk eens!” zeide hij.Een oogenblik was voldoende om den monnik verbleekt en ontsteld van schrik terug te doen deinzen.»O wee!” riep hij, »ditmaal zijn wij verloren!”Hij wankelde op zijne beenen en zou gevallen zijn zoo de Squatter hem niet met een krachtigen greep ondersteund had.»Wat zullen wij doen,” mompelde Fray Ambrosio.»Wachten,” antwoordde de Roode-Ceder koel, »onze toestand is voor het oogenblik ver van hopeloos; wij zien hen wel, maar zij zien ons niet.”De monnik schudde treurig het hoofd.»Gij hebt ons naar ons verderf geleid,” zeide hij op verwijtenden toon.»Gij zijt een domkop,” antwoordde de Roode-Ceder met minachting. »Waag ik niet evenveel als gij? en heb ik u niet gezegd dat wij van alle zijden omsingeld waren?—Laat mij begaan, zeg ik u.”

XXVII.EEN SPOOR IN DE LUCHT.Reizigers en toeristen, die, wat bosschen betreft, niets anders kennen dan het bosch van Fontainebleu en andere dergelijke door menschenhand aangelegde of onderhouden plantages,—die wij, dit zij in ’t voorbijgaan gezegd, daarom niet willen verachten—kunnen zich geen denkbeeld maken van den grootschen en prachtigen aanblik der ongerepte natuurwouden in de Nieuwe Wereld.Daar vindt men geene lanen van vier of vijf ellen breed, met het meetsnoer getrokken, en die zich recht en stijf soms uren ver uitstrekken.Daar is alles afwisselend, afgebrokkeld en woest.Doorzicht bestaat er niet, het is al veel wanneer de blik dertig of veertig schreden in iedere richting kan uitzien.De oorspronkelijke bodem, geheel bedekt met het afgevallen blad of de vermolmde stammen der boomen, door ouderdom gevallen en door regen en zonneschijn tot stof vergaan, is niet te onderkennen.De boomen groeien er in ordelooze vrijheid op, saamgestrengeld door dikke lianenstengels, die zich om den stam en de takken slingeren, de wonderlijkste figuren beschrijven, in alle richtingen zich uitbreiden, soms naar de aarde afdalen om er te wortelen en een voet verder terstond weder op te schieten en de boomen zoo dicht aaneen te vlechten, dat zij vaak uren ver eene dichtgesloten massa vormen.Op sommige plaatsen bieden de bosschen zoo weinig afwisseling, dat de boomen allen van dezelfde soort en schier volkomen aan elkander gelijk schijnen.Wat meer is, onder het geboomte, ter hoogte van vijf of zes voet, verheft zich een droog en dichtgesloten gras, ongeveer als de halmen van een korenveld.Of op eens opent zich onder de voeten van den onbedachtzamen reiziger een onmetelijke poel van bagger of moerasgronden met een groene korst van nauwelijks eenige duimen dikte bedekt, die den vermetele, wanneer hij er den voet op waagt te zetten, in hun stinkenden modder doen verzinken; een eind verder loopt, stil en onbekend, eene rivier, die zich hier en daar, bij snel verval met moeite een weg baant door de afgebrokkelde gronden en de doode boomen, die zij op hare oevers afzet.Na deze korte beschrijving, laat zich lichtelijk begrijpen, dat het niet zoo gemakkelijk gaat als men wel denken zou, om over dit warnet van den eenen boom op den anderen te komen.Overigens, ten einde den lezer volkomen in te lichten, zullen wij hem zeggen wat hij waarschijnlijk nog niet weet: namelijk, dat men in zekere streken der prairie, deze manier van reizen algemeen in praktijkheeft gebracht, niet, zoo als men zou kunnen denken, om aan de hardnekkige vervolging eens vijands te ontkomen, maar eenvoudig om sneller voort te maken, en niet verplicht te zijn zich met de bijl een doortocht te banen, noch gevaar te loopen in een bodemloozen poel te verzinken; te meer daar de boomen zeer hoog en zoo vast aan elkander zijn geweven, dat zij, om zoo te zeggen een golvenden maar toch bruikbaren vloer daarstellen van tachtig en meer voeten boven den beganen grond.Het voorstel van den Roode-Ceder was dus niets buitengewoons, voor mannen namelijk die waarschijnlijk deze manier van wandelen meermalen hadden gebezigd.Evenwel, wat voor onze avonturiers eene zeer lichte zaak zou zijn geweest, was eene vrij ernstige, zoo niet onmogelijke voor een jong meisje als Ellen, die, hoe kloek en behendig anders, geen stap zou kunnen doen zonder gevaar van hals en beenen te breken uithoofde van haar japon, welks ruime plooien zich ieder oogenblik overal aan uitspringende takken of stekels zouden hechten.Men moest dus voor deze onaangename hindernis van hare kleeding naar een voldoend verbeteringsmiddel zoeken.Het was hierop dat de drie mannen zich meer dan een uur stomp dachten, zonder iets te vinden dat hun voldoende scheen en hun de gewenschte zekerheid gaf.Het was hier wederom Ellen die hen te hulp kwam en van deze zorg bevrijdde.»Nu, vader,” vroeg zij, »wat doen wij nog langer hier? waarom vertrekken wij niet? Hebt gij niet gezegd dat wij geen oogenblik te verliezen hadden?”De Roode-Ceder schudde het hoofd.»Dat heb ik wel gezegd, en het is waar ook,” riep hij, »iedere minuut die wij hier verliezen kan ons het leven kosten.”»Maar laten wij dan gaan.”»Dat is nog niet mogelijk, kind, eer ik gevonden heb wat ik zoek.”»Wat zoekt gij dan, vader? zeg het mij, ik zal u helpen zoeken; misschien dat wij het dan spoediger vinden.”»Bah,” riep de Roode-Ceder op eens tot besluit komende, »waarom zou ik er u een geheim van maken, het gaat u even goed aan als ons.”»Maar wat is er dan toch, vader?”»Canarios! het is uw duivelsche japon die het u bepaald onmogelijk zal maken om evenals wij van den eenen tak op den anderen te springen, dat is het.”»En staat gij daarmede alleen zoo verlegen, vader?”»Sakkerloot, ja, dat is het eenige.”»Mijn hemel! waarom hebt gij mij dat niet eerder gezegd, dan zou de zaak dadelijk verholpen en wij reeds lang vertrokken zijn.”»Is ’t waar!” riep de Squatter verheugd.»Gij zult het zien, wacht maar even en stel u gerust.”Het meisje stond op en verdween met een sprong achter de struiken.Na verloop van vijf minuten kwam zij terug; zij had haar japon verschikt en derwijze vastgemaakt dat zij hare leden vrij kon gebruiken, zonder bij het springen belemmerd te worden, en geen ’t minst gevaar meer liep van aan de takken te blijven haken of er zich in te verwarren.»Hier ben ik,” riep zij lachend, »vindt gij mij zoo goed?”»Onverbeterlijk!”»Welnu, dan zullen wij vertrekken, zoodra gij maar wilt.”»Onmiddellijk.”De Roode-Ceder nam nu zijne laatste maatregelen. Zij vorderden niet veel tijd, het was alleen dat hij de sporen van het kampement zoo veel mogelijk wilde uitwisschen.Moeielijker echter was het, te zorgen dat de Comanchen van den Eenhoorn of de partijgangers van den Zoon des Bloeds of Valentin en zijne gezellen, wanneer zij toevallig deze plaats bereikten, niet zouden ontdekken in welke richting de avonturiers vertrokken waren.Ten dien einde nam de Roode-Ceder Ellen op zijne krachtige schouders en trad met haar vooraan, en zoo volgde hij bijna een uur lang denzelfden weg, dien Nathan gekozen had.Daarna keerde hij op zijne stappen terug, even als zijne gezellen, stap voor stap achteruit gaande, en naarmate zij terugtraden telkens hunne voetsporen zorgvuldig uitwisschende, ofschoon niet zoo volkomen, dat deze voor scherpziende blikken onzichtbaar werden, maar toch genoeg om geen vermoeden te wekken, dat zij opzettelijk waren achtergelaten.Na dezen vermoeienden marsch, gedurende welken de avonturiers geen woord hadden gewisseld, twee uren te hebben volgehouden, bereikten zij een klein terras van graniet, waar zij de beste gelegenheid hadden om een poosje uit te rusten, zonder vrees van eenig zichtbaar spoor na te laten, want de rots was te hard om den indruk hunner voetstappen op te nemen.»Oef,” riep Fray Ambrosio hijgende, »ik ben blijde dat ik een weinig adem kan scheppen; wat een hondsche karrewei was dat!”»Zijt gij nu reeds moê,señorpadre?” antwoordde Sutter met een grinnikenden lach, »dat is al te vroeg, ik zou u raden daarmede nog wat te wachten, wat wij tot dusver gedaan hebben is niets in vergelijking van hetgeen gij weldra zien zult.”»Ik twijfel zeer, of de weg dien wij thans te volgen hebben, wel zoo moeielijk zal zijn; duivelsch! dat zou zijn om er van af te zien.”»Nu, als gij misschien liever uw haar aan die vervloekte Comanchen present wilt doen, dat is gemakkelijk genoeg, dan hebt gij maar stilletjes te blijven waar gij zijt, en gij kunt er gerust op zijn dat zij u spoedig vinden zullen; gij moet weten de Roodhuiden hebben veel van Duimpjesreuzen, als er versch menschenvleesch in den wind is, hebben zij er spoedig de lucht van.”»Canarios! ik zou mij nog liever laten braden voor een klein vuur, dan dat ik in handen van die verwenschte heidenen moest vallen.”»Kom! kom!” riep de Roode-Ceder tusschenbeide komende, »dat zijn maar praatjes voor de vaak: wat geschreven staat, staat geschreven, niemand kan zijn lot ontgaan. Om zich zoo met toekomende zaken bezig te houden, is dwaasheid; luister liever naar mij.”»Goed gesproken, Roode-Ceder. Caspita! gij spreekt als een man van groot verstand en ik regel mij volkomen naar uw raad. Wat hebt gij ons te zeggen?”»Ik denk dat wij, dank zij den door ons genomen maatregel, zoo goed geslaagd zijn ons spoor te verbergen, dat niemand, al was het de duivel in eigen persoon, in staat zou zijn om het terug te vinden. Het eerste gedeelte van onze taak is dus zonder tegenspoed afgeloopen, laten wij ons nu maar niet verraden hetzij door onvoorzichtigheid, hetzij door te veel overhaasting. Ik heb u herwaarts gebracht, omdat, zooals gij ziet aan het einde van dit terras het natuurbosch begint Het moeielijkste is nu om den eersten boom te beklimmen zonder eenig spoor achter te laten. Wat de volgende betreft, dat is niets meer dan eene behendigheid; laat mij naar mijne wijze van zien te werk gaan, dan blijf ik u borg dat gij geen reden van klagen zult hebben.”»Dat weet ik wel; wat mij betreft ik laat u geheel naar eigen goedvinden te werk gaan.”»Zeer goed; dan zal ik u zeggen wat wij doen zullen. Ziet gij dien grooten tak wel, die daar zoo wat dertig voet boven onze hoofden over het terras afhangt?”»Ja dien zie ik. Wat meer?”»Ik sla de lasso eerst om het uiteinde van den tak, dan trekken wij hem gezamenlijk naar ons toe tot hij omtrent den grond raakt; daar houden wij hem zoo lang vast tot mijne dochter er is opgeklommen en den stam van den boom en de bovenste takken heeft bereikt; dan volgt gij,señorpadre, dan Sutter, en dan ik zelf; op die wijs zullen wij geen spoor onzer opklimming in de schors achterlaten.”»Uw plan is zeer schrander bedacht en draagt mijne volkomene goedkeuring weg, te meer daar deze manier van beklimming zoo voor uwe dochter als voor mij, vrij gemakkelijk schijnt, zonder twijfel kan Sutter ons even goed volgen. Maar één ding intusschen bekommert mij nog.”»En dat is.”»Zoo lang er hier nog iemand is om dien tak vast te houden begrijp ik wel dat hij gebogen zal blijven, maar als wij drieën boven zijn, hoe zult gij het dan maken om ons te volgen? dat begrijp ik niet, en ik wil u niet ontveinzen dat ik daaromtrent gaarne zou, zijn ingelicht.”De Roode-Ceder schaterde van lachen.»Maak u daar niet ongerust over,señorpadre, ik ben met de gebruiken der wildernis te goed bekend om mijne plannen niet tot in de kleinste bijzonderheden te berekenen.”»Als het er zoo mede gelegen is, spreken wij er niet meer over. Dat ik het deed was alleen om het belang dat ik in u stel.”De Squatter keek hem strak in de oogen.»Hoor eens, Fray Ambrosio,” zeide hij hem de hand ruw op den schouder leggende, »wij kennen elkander sinds lang, niet waar? Houden wij ons dus met geen leugens op, wij zullen elkander nooit kunnen bedriegen; laten wij maar blijven die wij zijn, dat is het beste voor ons beiden. Is dat afgesproken, zeg?”De monnik door deze scherpe terechtwijzing tegen wil en dank uit den zadel gelicht, verloor zijne zelfbeheersching en stotterde eenige woorden zonder samenhang.De Roode-Ceder had zijne lasso reeds genomen, om zijne rechterhand geslingerd, en na er eenige oogenblikken mede boven zijn hoofd te hebben gezwaaid, wierp hij haar uit. Zijn worp was zoo goed berekend, dat de strik juist over het uiteinde van den tak neêrkwam.»Help even!” riep de Squatter, »ieder een handje.”De twee andere mannen liepen toe.Door hunne vereenigde pogingen was de lasso weldra strak aangetrokken, de tak boog zich van lieverlede en na verloop van een paar minuten was hij, gelijk de Roode-Ceder voorspeld had, lang genoeg om den grond van het terras te raken.»Haastig, Ellen, haast u, mijn kind!” riep hij tot zijne dochter.Deze liet het zich geen tweemaal zeggen; stoutmoedig stapte zij op den tak, dien zij vlug over liep, zich links en rechts aan de kleinere takken vasthoudend; in een ommezien was zij bij den stam; toen op bevel van haar vader besteeg zij de hoogere takken, waarin zij spoedig verdween.»Uw beurt! Fray Ambrosio,” zei de Squatter.De monnik vertrok op zijn beurt, kwam spoedig den tak over en was even als het meisje, weldra niet meer te zien.»Op uwe beurt, jongen!” zei de Squatter nog eens.Sutter had zich spoedig bij de vorige klimmers gevoegd.Ofschoon alleen achtergebleven, hield de Squatter, dank zij zijne herculische kracht, den tak lang genoeg gebogen om er zich overlangs onder te plaatsen en er zich met armen en beenen aan vast te klampen.Niet zonder heimelijke vrees zagen zijne kameraden van hun verheven standpunt zijne gevaarlijke manoeuvre. Zoodra de tak niet meer omlaag werd vastgehouden, zweepte hij op eens met een scherp gefluit en met duizelingwekkende snelheid naar boven.De boom trilde tot in zijne wortels, Ellen gaf een schreeuw en deed hare oogen dicht.Toen zij die weder opende, zag zij haar vader schrijlings op hetuiteinde van den tak zitten, reeds bezig met den strik zijner lasso los te maken.Vervolgens stond de Squatter met de meeste bedaardheid op, sloeg de lasso om zijn midden en voegde zich bij zijne kameraden.»Wel!” riep hij, »wat zegt gij er van? Het is gedaan, zooals gij ziet, maar nu moeten wij onzen tocht voortzetten; zijt gij gereed?”»Laat ons vertrekken,” antwoordden zij.Wij herhalen hier, de vreemde houding waarin het geschieden moest daargelaten, was deze manier van marcheeren volstrekt niet gevaarlijk noch moeielijk.Dank zij het dicht gesloten net der lianen, die zich met duizend grillige bochten kruisten en de takken onderling samenvlochten, gingen onze avonturiers als over een stevigen vloer, schier ongemerkt van den eenen tak op den anderen en van den eenen boom tot den anderen over, altoos boven een onzichtbaren afgrond van zestig en somwijlen van tachtig voeten.Onder zich ontwaarden zij nu en dan de wilde dieren die in hunne geheimzinnige nesten en schuilhoeken hen met gestrekten hals en verschrikte oogen onrustig en verwezen aanstaarden, als wisten zij niet wat er boven hen gebeuren moest.Zoo gingen de wandelaars den ganschen dag voort, hielden van tijd tot tijd op om adem te scheppen en vervolgden dan weder onmiddellijk hunnen weg.Zoo passeerden zij zelfs, altijd op hun schommelende brug, een vrij breede rivier en bevonden zij zich weldra in een streek daar het terrein lager werd.Het was bijna vijf uren des avonds, de schuinsche stralen der dalende zon maakten de schaduw der boomen eindeloos lang; de katuilen, door het verschrikt rondvliegen der gestoorde kevers daar zij zoo verlekkerd op zijn, aangetrokken, vlogen reeds door de lucht, een dikke damp steeg uit de aarde op en vormde eene mist rondom onze vier wandelaars die hen bijna onzichtbaar maakte; alles in een woord verkondigde dat de nacht niet lang meer zou uitblijven.De Roode-Ceder liep vooraan en diende den kleinen troep tot gids, ten einde te verhoeden dat zijne metgezellen, die minder goed met het leven der woudloopers bekend waren dan hij, eene verkeerde richting zouden nemen, want op het terrein waar zij zich thans bevonden was ieder spoor van weg of streek verdwenen en zag men niets anders dan eene verwarde massa van dichte boomtakken en samengevlochten lianen en slingerplanten.»Zeg eens, compadre,” riep Fray Ambrosio, die weinig aan lange voetreizen gewoon, en door de vele ontberingen welke hij had moeten doorstaan tamelijk verzwakt, sedert eenigen tijd niet dan met zeer veel moeite marcheerde, »is het haast gedaan? Ik verklaar u dat ik niet langer kan.”De Squatter keerde zich driftig om en legde den monnik zijne groote hand op den mond.»Zwijg!” zeide hij met eene gesmoorde stem, »zwijg, zoo gij uw hoofdhaar behouden wilt.”»Caspita! of ik dat behouden wil!” mompelde de andere blijkbaar verschrikt; »maar wat is er dan nu weer op til?”De Roode-Ceder maakte voorzichtig eene kleine opening in de lianen en wenkte zijn tochtgenoot om er door te zien.»Kijk eens!” zeide hij.Een oogenblik was voldoende om den monnik verbleekt en ontsteld van schrik terug te doen deinzen.»O wee!” riep hij, »ditmaal zijn wij verloren!”Hij wankelde op zijne beenen en zou gevallen zijn zoo de Squatter hem niet met een krachtigen greep ondersteund had.»Wat zullen wij doen,” mompelde Fray Ambrosio.»Wachten,” antwoordde de Roode-Ceder koel, »onze toestand is voor het oogenblik ver van hopeloos; wij zien hen wel, maar zij zien ons niet.”De monnik schudde treurig het hoofd.»Gij hebt ons naar ons verderf geleid,” zeide hij op verwijtenden toon.»Gij zijt een domkop,” antwoordde de Roode-Ceder met minachting. »Waag ik niet evenveel als gij? en heb ik u niet gezegd dat wij van alle zijden omsingeld waren?—Laat mij begaan, zeg ik u.”

XXVII.EEN SPOOR IN DE LUCHT.

Reizigers en toeristen, die, wat bosschen betreft, niets anders kennen dan het bosch van Fontainebleu en andere dergelijke door menschenhand aangelegde of onderhouden plantages,—die wij, dit zij in ’t voorbijgaan gezegd, daarom niet willen verachten—kunnen zich geen denkbeeld maken van den grootschen en prachtigen aanblik der ongerepte natuurwouden in de Nieuwe Wereld.Daar vindt men geene lanen van vier of vijf ellen breed, met het meetsnoer getrokken, en die zich recht en stijf soms uren ver uitstrekken.Daar is alles afwisselend, afgebrokkeld en woest.Doorzicht bestaat er niet, het is al veel wanneer de blik dertig of veertig schreden in iedere richting kan uitzien.De oorspronkelijke bodem, geheel bedekt met het afgevallen blad of de vermolmde stammen der boomen, door ouderdom gevallen en door regen en zonneschijn tot stof vergaan, is niet te onderkennen.De boomen groeien er in ordelooze vrijheid op, saamgestrengeld door dikke lianenstengels, die zich om den stam en de takken slingeren, de wonderlijkste figuren beschrijven, in alle richtingen zich uitbreiden, soms naar de aarde afdalen om er te wortelen en een voet verder terstond weder op te schieten en de boomen zoo dicht aaneen te vlechten, dat zij vaak uren ver eene dichtgesloten massa vormen.Op sommige plaatsen bieden de bosschen zoo weinig afwisseling, dat de boomen allen van dezelfde soort en schier volkomen aan elkander gelijk schijnen.Wat meer is, onder het geboomte, ter hoogte van vijf of zes voet, verheft zich een droog en dichtgesloten gras, ongeveer als de halmen van een korenveld.Of op eens opent zich onder de voeten van den onbedachtzamen reiziger een onmetelijke poel van bagger of moerasgronden met een groene korst van nauwelijks eenige duimen dikte bedekt, die den vermetele, wanneer hij er den voet op waagt te zetten, in hun stinkenden modder doen verzinken; een eind verder loopt, stil en onbekend, eene rivier, die zich hier en daar, bij snel verval met moeite een weg baant door de afgebrokkelde gronden en de doode boomen, die zij op hare oevers afzet.Na deze korte beschrijving, laat zich lichtelijk begrijpen, dat het niet zoo gemakkelijk gaat als men wel denken zou, om over dit warnet van den eenen boom op den anderen te komen.Overigens, ten einde den lezer volkomen in te lichten, zullen wij hem zeggen wat hij waarschijnlijk nog niet weet: namelijk, dat men in zekere streken der prairie, deze manier van reizen algemeen in praktijkheeft gebracht, niet, zoo als men zou kunnen denken, om aan de hardnekkige vervolging eens vijands te ontkomen, maar eenvoudig om sneller voort te maken, en niet verplicht te zijn zich met de bijl een doortocht te banen, noch gevaar te loopen in een bodemloozen poel te verzinken; te meer daar de boomen zeer hoog en zoo vast aan elkander zijn geweven, dat zij, om zoo te zeggen een golvenden maar toch bruikbaren vloer daarstellen van tachtig en meer voeten boven den beganen grond.Het voorstel van den Roode-Ceder was dus niets buitengewoons, voor mannen namelijk die waarschijnlijk deze manier van wandelen meermalen hadden gebezigd.Evenwel, wat voor onze avonturiers eene zeer lichte zaak zou zijn geweest, was eene vrij ernstige, zoo niet onmogelijke voor een jong meisje als Ellen, die, hoe kloek en behendig anders, geen stap zou kunnen doen zonder gevaar van hals en beenen te breken uithoofde van haar japon, welks ruime plooien zich ieder oogenblik overal aan uitspringende takken of stekels zouden hechten.Men moest dus voor deze onaangename hindernis van hare kleeding naar een voldoend verbeteringsmiddel zoeken.Het was hierop dat de drie mannen zich meer dan een uur stomp dachten, zonder iets te vinden dat hun voldoende scheen en hun de gewenschte zekerheid gaf.Het was hier wederom Ellen die hen te hulp kwam en van deze zorg bevrijdde.»Nu, vader,” vroeg zij, »wat doen wij nog langer hier? waarom vertrekken wij niet? Hebt gij niet gezegd dat wij geen oogenblik te verliezen hadden?”De Roode-Ceder schudde het hoofd.»Dat heb ik wel gezegd, en het is waar ook,” riep hij, »iedere minuut die wij hier verliezen kan ons het leven kosten.”»Maar laten wij dan gaan.”»Dat is nog niet mogelijk, kind, eer ik gevonden heb wat ik zoek.”»Wat zoekt gij dan, vader? zeg het mij, ik zal u helpen zoeken; misschien dat wij het dan spoediger vinden.”»Bah,” riep de Roode-Ceder op eens tot besluit komende, »waarom zou ik er u een geheim van maken, het gaat u even goed aan als ons.”»Maar wat is er dan toch, vader?”»Canarios! het is uw duivelsche japon die het u bepaald onmogelijk zal maken om evenals wij van den eenen tak op den anderen te springen, dat is het.”»En staat gij daarmede alleen zoo verlegen, vader?”»Sakkerloot, ja, dat is het eenige.”»Mijn hemel! waarom hebt gij mij dat niet eerder gezegd, dan zou de zaak dadelijk verholpen en wij reeds lang vertrokken zijn.”»Is ’t waar!” riep de Squatter verheugd.»Gij zult het zien, wacht maar even en stel u gerust.”Het meisje stond op en verdween met een sprong achter de struiken.Na verloop van vijf minuten kwam zij terug; zij had haar japon verschikt en derwijze vastgemaakt dat zij hare leden vrij kon gebruiken, zonder bij het springen belemmerd te worden, en geen ’t minst gevaar meer liep van aan de takken te blijven haken of er zich in te verwarren.»Hier ben ik,” riep zij lachend, »vindt gij mij zoo goed?”»Onverbeterlijk!”»Welnu, dan zullen wij vertrekken, zoodra gij maar wilt.”»Onmiddellijk.”De Roode-Ceder nam nu zijne laatste maatregelen. Zij vorderden niet veel tijd, het was alleen dat hij de sporen van het kampement zoo veel mogelijk wilde uitwisschen.Moeielijker echter was het, te zorgen dat de Comanchen van den Eenhoorn of de partijgangers van den Zoon des Bloeds of Valentin en zijne gezellen, wanneer zij toevallig deze plaats bereikten, niet zouden ontdekken in welke richting de avonturiers vertrokken waren.Ten dien einde nam de Roode-Ceder Ellen op zijne krachtige schouders en trad met haar vooraan, en zoo volgde hij bijna een uur lang denzelfden weg, dien Nathan gekozen had.Daarna keerde hij op zijne stappen terug, even als zijne gezellen, stap voor stap achteruit gaande, en naarmate zij terugtraden telkens hunne voetsporen zorgvuldig uitwisschende, ofschoon niet zoo volkomen, dat deze voor scherpziende blikken onzichtbaar werden, maar toch genoeg om geen vermoeden te wekken, dat zij opzettelijk waren achtergelaten.Na dezen vermoeienden marsch, gedurende welken de avonturiers geen woord hadden gewisseld, twee uren te hebben volgehouden, bereikten zij een klein terras van graniet, waar zij de beste gelegenheid hadden om een poosje uit te rusten, zonder vrees van eenig zichtbaar spoor na te laten, want de rots was te hard om den indruk hunner voetstappen op te nemen.»Oef,” riep Fray Ambrosio hijgende, »ik ben blijde dat ik een weinig adem kan scheppen; wat een hondsche karrewei was dat!”»Zijt gij nu reeds moê,señorpadre?” antwoordde Sutter met een grinnikenden lach, »dat is al te vroeg, ik zou u raden daarmede nog wat te wachten, wat wij tot dusver gedaan hebben is niets in vergelijking van hetgeen gij weldra zien zult.”»Ik twijfel zeer, of de weg dien wij thans te volgen hebben, wel zoo moeielijk zal zijn; duivelsch! dat zou zijn om er van af te zien.”»Nu, als gij misschien liever uw haar aan die vervloekte Comanchen present wilt doen, dat is gemakkelijk genoeg, dan hebt gij maar stilletjes te blijven waar gij zijt, en gij kunt er gerust op zijn dat zij u spoedig vinden zullen; gij moet weten de Roodhuiden hebben veel van Duimpjesreuzen, als er versch menschenvleesch in den wind is, hebben zij er spoedig de lucht van.”»Canarios! ik zou mij nog liever laten braden voor een klein vuur, dan dat ik in handen van die verwenschte heidenen moest vallen.”»Kom! kom!” riep de Roode-Ceder tusschenbeide komende, »dat zijn maar praatjes voor de vaak: wat geschreven staat, staat geschreven, niemand kan zijn lot ontgaan. Om zich zoo met toekomende zaken bezig te houden, is dwaasheid; luister liever naar mij.”»Goed gesproken, Roode-Ceder. Caspita! gij spreekt als een man van groot verstand en ik regel mij volkomen naar uw raad. Wat hebt gij ons te zeggen?”»Ik denk dat wij, dank zij den door ons genomen maatregel, zoo goed geslaagd zijn ons spoor te verbergen, dat niemand, al was het de duivel in eigen persoon, in staat zou zijn om het terug te vinden. Het eerste gedeelte van onze taak is dus zonder tegenspoed afgeloopen, laten wij ons nu maar niet verraden hetzij door onvoorzichtigheid, hetzij door te veel overhaasting. Ik heb u herwaarts gebracht, omdat, zooals gij ziet aan het einde van dit terras het natuurbosch begint Het moeielijkste is nu om den eersten boom te beklimmen zonder eenig spoor achter te laten. Wat de volgende betreft, dat is niets meer dan eene behendigheid; laat mij naar mijne wijze van zien te werk gaan, dan blijf ik u borg dat gij geen reden van klagen zult hebben.”»Dat weet ik wel; wat mij betreft ik laat u geheel naar eigen goedvinden te werk gaan.”»Zeer goed; dan zal ik u zeggen wat wij doen zullen. Ziet gij dien grooten tak wel, die daar zoo wat dertig voet boven onze hoofden over het terras afhangt?”»Ja dien zie ik. Wat meer?”»Ik sla de lasso eerst om het uiteinde van den tak, dan trekken wij hem gezamenlijk naar ons toe tot hij omtrent den grond raakt; daar houden wij hem zoo lang vast tot mijne dochter er is opgeklommen en den stam van den boom en de bovenste takken heeft bereikt; dan volgt gij,señorpadre, dan Sutter, en dan ik zelf; op die wijs zullen wij geen spoor onzer opklimming in de schors achterlaten.”»Uw plan is zeer schrander bedacht en draagt mijne volkomene goedkeuring weg, te meer daar deze manier van beklimming zoo voor uwe dochter als voor mij, vrij gemakkelijk schijnt, zonder twijfel kan Sutter ons even goed volgen. Maar één ding intusschen bekommert mij nog.”»En dat is.”»Zoo lang er hier nog iemand is om dien tak vast te houden begrijp ik wel dat hij gebogen zal blijven, maar als wij drieën boven zijn, hoe zult gij het dan maken om ons te volgen? dat begrijp ik niet, en ik wil u niet ontveinzen dat ik daaromtrent gaarne zou, zijn ingelicht.”De Roode-Ceder schaterde van lachen.»Maak u daar niet ongerust over,señorpadre, ik ben met de gebruiken der wildernis te goed bekend om mijne plannen niet tot in de kleinste bijzonderheden te berekenen.”»Als het er zoo mede gelegen is, spreken wij er niet meer over. Dat ik het deed was alleen om het belang dat ik in u stel.”De Squatter keek hem strak in de oogen.»Hoor eens, Fray Ambrosio,” zeide hij hem de hand ruw op den schouder leggende, »wij kennen elkander sinds lang, niet waar? Houden wij ons dus met geen leugens op, wij zullen elkander nooit kunnen bedriegen; laten wij maar blijven die wij zijn, dat is het beste voor ons beiden. Is dat afgesproken, zeg?”De monnik door deze scherpe terechtwijzing tegen wil en dank uit den zadel gelicht, verloor zijne zelfbeheersching en stotterde eenige woorden zonder samenhang.De Roode-Ceder had zijne lasso reeds genomen, om zijne rechterhand geslingerd, en na er eenige oogenblikken mede boven zijn hoofd te hebben gezwaaid, wierp hij haar uit. Zijn worp was zoo goed berekend, dat de strik juist over het uiteinde van den tak neêrkwam.»Help even!” riep de Squatter, »ieder een handje.”De twee andere mannen liepen toe.Door hunne vereenigde pogingen was de lasso weldra strak aangetrokken, de tak boog zich van lieverlede en na verloop van een paar minuten was hij, gelijk de Roode-Ceder voorspeld had, lang genoeg om den grond van het terras te raken.»Haastig, Ellen, haast u, mijn kind!” riep hij tot zijne dochter.Deze liet het zich geen tweemaal zeggen; stoutmoedig stapte zij op den tak, dien zij vlug over liep, zich links en rechts aan de kleinere takken vasthoudend; in een ommezien was zij bij den stam; toen op bevel van haar vader besteeg zij de hoogere takken, waarin zij spoedig verdween.»Uw beurt! Fray Ambrosio,” zei de Squatter.De monnik vertrok op zijn beurt, kwam spoedig den tak over en was even als het meisje, weldra niet meer te zien.»Op uwe beurt, jongen!” zei de Squatter nog eens.Sutter had zich spoedig bij de vorige klimmers gevoegd.Ofschoon alleen achtergebleven, hield de Squatter, dank zij zijne herculische kracht, den tak lang genoeg gebogen om er zich overlangs onder te plaatsen en er zich met armen en beenen aan vast te klampen.Niet zonder heimelijke vrees zagen zijne kameraden van hun verheven standpunt zijne gevaarlijke manoeuvre. Zoodra de tak niet meer omlaag werd vastgehouden, zweepte hij op eens met een scherp gefluit en met duizelingwekkende snelheid naar boven.De boom trilde tot in zijne wortels, Ellen gaf een schreeuw en deed hare oogen dicht.Toen zij die weder opende, zag zij haar vader schrijlings op hetuiteinde van den tak zitten, reeds bezig met den strik zijner lasso los te maken.Vervolgens stond de Squatter met de meeste bedaardheid op, sloeg de lasso om zijn midden en voegde zich bij zijne kameraden.»Wel!” riep hij, »wat zegt gij er van? Het is gedaan, zooals gij ziet, maar nu moeten wij onzen tocht voortzetten; zijt gij gereed?”»Laat ons vertrekken,” antwoordden zij.Wij herhalen hier, de vreemde houding waarin het geschieden moest daargelaten, was deze manier van marcheeren volstrekt niet gevaarlijk noch moeielijk.Dank zij het dicht gesloten net der lianen, die zich met duizend grillige bochten kruisten en de takken onderling samenvlochten, gingen onze avonturiers als over een stevigen vloer, schier ongemerkt van den eenen tak op den anderen en van den eenen boom tot den anderen over, altoos boven een onzichtbaren afgrond van zestig en somwijlen van tachtig voeten.Onder zich ontwaarden zij nu en dan de wilde dieren die in hunne geheimzinnige nesten en schuilhoeken hen met gestrekten hals en verschrikte oogen onrustig en verwezen aanstaarden, als wisten zij niet wat er boven hen gebeuren moest.Zoo gingen de wandelaars den ganschen dag voort, hielden van tijd tot tijd op om adem te scheppen en vervolgden dan weder onmiddellijk hunnen weg.Zoo passeerden zij zelfs, altijd op hun schommelende brug, een vrij breede rivier en bevonden zij zich weldra in een streek daar het terrein lager werd.Het was bijna vijf uren des avonds, de schuinsche stralen der dalende zon maakten de schaduw der boomen eindeloos lang; de katuilen, door het verschrikt rondvliegen der gestoorde kevers daar zij zoo verlekkerd op zijn, aangetrokken, vlogen reeds door de lucht, een dikke damp steeg uit de aarde op en vormde eene mist rondom onze vier wandelaars die hen bijna onzichtbaar maakte; alles in een woord verkondigde dat de nacht niet lang meer zou uitblijven.De Roode-Ceder liep vooraan en diende den kleinen troep tot gids, ten einde te verhoeden dat zijne metgezellen, die minder goed met het leven der woudloopers bekend waren dan hij, eene verkeerde richting zouden nemen, want op het terrein waar zij zich thans bevonden was ieder spoor van weg of streek verdwenen en zag men niets anders dan eene verwarde massa van dichte boomtakken en samengevlochten lianen en slingerplanten.»Zeg eens, compadre,” riep Fray Ambrosio, die weinig aan lange voetreizen gewoon, en door de vele ontberingen welke hij had moeten doorstaan tamelijk verzwakt, sedert eenigen tijd niet dan met zeer veel moeite marcheerde, »is het haast gedaan? Ik verklaar u dat ik niet langer kan.”De Squatter keerde zich driftig om en legde den monnik zijne groote hand op den mond.»Zwijg!” zeide hij met eene gesmoorde stem, »zwijg, zoo gij uw hoofdhaar behouden wilt.”»Caspita! of ik dat behouden wil!” mompelde de andere blijkbaar verschrikt; »maar wat is er dan nu weer op til?”De Roode-Ceder maakte voorzichtig eene kleine opening in de lianen en wenkte zijn tochtgenoot om er door te zien.»Kijk eens!” zeide hij.Een oogenblik was voldoende om den monnik verbleekt en ontsteld van schrik terug te doen deinzen.»O wee!” riep hij, »ditmaal zijn wij verloren!”Hij wankelde op zijne beenen en zou gevallen zijn zoo de Squatter hem niet met een krachtigen greep ondersteund had.»Wat zullen wij doen,” mompelde Fray Ambrosio.»Wachten,” antwoordde de Roode-Ceder koel, »onze toestand is voor het oogenblik ver van hopeloos; wij zien hen wel, maar zij zien ons niet.”De monnik schudde treurig het hoofd.»Gij hebt ons naar ons verderf geleid,” zeide hij op verwijtenden toon.»Gij zijt een domkop,” antwoordde de Roode-Ceder met minachting. »Waag ik niet evenveel als gij? en heb ik u niet gezegd dat wij van alle zijden omsingeld waren?—Laat mij begaan, zeg ik u.”

Reizigers en toeristen, die, wat bosschen betreft, niets anders kennen dan het bosch van Fontainebleu en andere dergelijke door menschenhand aangelegde of onderhouden plantages,—die wij, dit zij in ’t voorbijgaan gezegd, daarom niet willen verachten—kunnen zich geen denkbeeld maken van den grootschen en prachtigen aanblik der ongerepte natuurwouden in de Nieuwe Wereld.

Daar vindt men geene lanen van vier of vijf ellen breed, met het meetsnoer getrokken, en die zich recht en stijf soms uren ver uitstrekken.

Daar is alles afwisselend, afgebrokkeld en woest.

Doorzicht bestaat er niet, het is al veel wanneer de blik dertig of veertig schreden in iedere richting kan uitzien.

De oorspronkelijke bodem, geheel bedekt met het afgevallen blad of de vermolmde stammen der boomen, door ouderdom gevallen en door regen en zonneschijn tot stof vergaan, is niet te onderkennen.

De boomen groeien er in ordelooze vrijheid op, saamgestrengeld door dikke lianenstengels, die zich om den stam en de takken slingeren, de wonderlijkste figuren beschrijven, in alle richtingen zich uitbreiden, soms naar de aarde afdalen om er te wortelen en een voet verder terstond weder op te schieten en de boomen zoo dicht aaneen te vlechten, dat zij vaak uren ver eene dichtgesloten massa vormen.

Op sommige plaatsen bieden de bosschen zoo weinig afwisseling, dat de boomen allen van dezelfde soort en schier volkomen aan elkander gelijk schijnen.

Wat meer is, onder het geboomte, ter hoogte van vijf of zes voet, verheft zich een droog en dichtgesloten gras, ongeveer als de halmen van een korenveld.

Of op eens opent zich onder de voeten van den onbedachtzamen reiziger een onmetelijke poel van bagger of moerasgronden met een groene korst van nauwelijks eenige duimen dikte bedekt, die den vermetele, wanneer hij er den voet op waagt te zetten, in hun stinkenden modder doen verzinken; een eind verder loopt, stil en onbekend, eene rivier, die zich hier en daar, bij snel verval met moeite een weg baant door de afgebrokkelde gronden en de doode boomen, die zij op hare oevers afzet.

Na deze korte beschrijving, laat zich lichtelijk begrijpen, dat het niet zoo gemakkelijk gaat als men wel denken zou, om over dit warnet van den eenen boom op den anderen te komen.

Overigens, ten einde den lezer volkomen in te lichten, zullen wij hem zeggen wat hij waarschijnlijk nog niet weet: namelijk, dat men in zekere streken der prairie, deze manier van reizen algemeen in praktijkheeft gebracht, niet, zoo als men zou kunnen denken, om aan de hardnekkige vervolging eens vijands te ontkomen, maar eenvoudig om sneller voort te maken, en niet verplicht te zijn zich met de bijl een doortocht te banen, noch gevaar te loopen in een bodemloozen poel te verzinken; te meer daar de boomen zeer hoog en zoo vast aan elkander zijn geweven, dat zij, om zoo te zeggen een golvenden maar toch bruikbaren vloer daarstellen van tachtig en meer voeten boven den beganen grond.

Het voorstel van den Roode-Ceder was dus niets buitengewoons, voor mannen namelijk die waarschijnlijk deze manier van wandelen meermalen hadden gebezigd.

Evenwel, wat voor onze avonturiers eene zeer lichte zaak zou zijn geweest, was eene vrij ernstige, zoo niet onmogelijke voor een jong meisje als Ellen, die, hoe kloek en behendig anders, geen stap zou kunnen doen zonder gevaar van hals en beenen te breken uithoofde van haar japon, welks ruime plooien zich ieder oogenblik overal aan uitspringende takken of stekels zouden hechten.

Men moest dus voor deze onaangename hindernis van hare kleeding naar een voldoend verbeteringsmiddel zoeken.

Het was hierop dat de drie mannen zich meer dan een uur stomp dachten, zonder iets te vinden dat hun voldoende scheen en hun de gewenschte zekerheid gaf.

Het was hier wederom Ellen die hen te hulp kwam en van deze zorg bevrijdde.

»Nu, vader,” vroeg zij, »wat doen wij nog langer hier? waarom vertrekken wij niet? Hebt gij niet gezegd dat wij geen oogenblik te verliezen hadden?”

De Roode-Ceder schudde het hoofd.

»Dat heb ik wel gezegd, en het is waar ook,” riep hij, »iedere minuut die wij hier verliezen kan ons het leven kosten.”

»Maar laten wij dan gaan.”

»Dat is nog niet mogelijk, kind, eer ik gevonden heb wat ik zoek.”

»Wat zoekt gij dan, vader? zeg het mij, ik zal u helpen zoeken; misschien dat wij het dan spoediger vinden.”

»Bah,” riep de Roode-Ceder op eens tot besluit komende, »waarom zou ik er u een geheim van maken, het gaat u even goed aan als ons.”

»Maar wat is er dan toch, vader?”

»Canarios! het is uw duivelsche japon die het u bepaald onmogelijk zal maken om evenals wij van den eenen tak op den anderen te springen, dat is het.”

»En staat gij daarmede alleen zoo verlegen, vader?”

»Sakkerloot, ja, dat is het eenige.”

»Mijn hemel! waarom hebt gij mij dat niet eerder gezegd, dan zou de zaak dadelijk verholpen en wij reeds lang vertrokken zijn.”

»Is ’t waar!” riep de Squatter verheugd.

»Gij zult het zien, wacht maar even en stel u gerust.”

Het meisje stond op en verdween met een sprong achter de struiken.

Na verloop van vijf minuten kwam zij terug; zij had haar japon verschikt en derwijze vastgemaakt dat zij hare leden vrij kon gebruiken, zonder bij het springen belemmerd te worden, en geen ’t minst gevaar meer liep van aan de takken te blijven haken of er zich in te verwarren.

»Hier ben ik,” riep zij lachend, »vindt gij mij zoo goed?”

»Onverbeterlijk!”

»Welnu, dan zullen wij vertrekken, zoodra gij maar wilt.”

»Onmiddellijk.”

De Roode-Ceder nam nu zijne laatste maatregelen. Zij vorderden niet veel tijd, het was alleen dat hij de sporen van het kampement zoo veel mogelijk wilde uitwisschen.

Moeielijker echter was het, te zorgen dat de Comanchen van den Eenhoorn of de partijgangers van den Zoon des Bloeds of Valentin en zijne gezellen, wanneer zij toevallig deze plaats bereikten, niet zouden ontdekken in welke richting de avonturiers vertrokken waren.

Ten dien einde nam de Roode-Ceder Ellen op zijne krachtige schouders en trad met haar vooraan, en zoo volgde hij bijna een uur lang denzelfden weg, dien Nathan gekozen had.

Daarna keerde hij op zijne stappen terug, even als zijne gezellen, stap voor stap achteruit gaande, en naarmate zij terugtraden telkens hunne voetsporen zorgvuldig uitwisschende, ofschoon niet zoo volkomen, dat deze voor scherpziende blikken onzichtbaar werden, maar toch genoeg om geen vermoeden te wekken, dat zij opzettelijk waren achtergelaten.

Na dezen vermoeienden marsch, gedurende welken de avonturiers geen woord hadden gewisseld, twee uren te hebben volgehouden, bereikten zij een klein terras van graniet, waar zij de beste gelegenheid hadden om een poosje uit te rusten, zonder vrees van eenig zichtbaar spoor na te laten, want de rots was te hard om den indruk hunner voetstappen op te nemen.

»Oef,” riep Fray Ambrosio hijgende, »ik ben blijde dat ik een weinig adem kan scheppen; wat een hondsche karrewei was dat!”

»Zijt gij nu reeds moê,señorpadre?” antwoordde Sutter met een grinnikenden lach, »dat is al te vroeg, ik zou u raden daarmede nog wat te wachten, wat wij tot dusver gedaan hebben is niets in vergelijking van hetgeen gij weldra zien zult.”

»Ik twijfel zeer, of de weg dien wij thans te volgen hebben, wel zoo moeielijk zal zijn; duivelsch! dat zou zijn om er van af te zien.”

»Nu, als gij misschien liever uw haar aan die vervloekte Comanchen present wilt doen, dat is gemakkelijk genoeg, dan hebt gij maar stilletjes te blijven waar gij zijt, en gij kunt er gerust op zijn dat zij u spoedig vinden zullen; gij moet weten de Roodhuiden hebben veel van Duimpjesreuzen, als er versch menschenvleesch in den wind is, hebben zij er spoedig de lucht van.”

»Canarios! ik zou mij nog liever laten braden voor een klein vuur, dan dat ik in handen van die verwenschte heidenen moest vallen.”

»Kom! kom!” riep de Roode-Ceder tusschenbeide komende, »dat zijn maar praatjes voor de vaak: wat geschreven staat, staat geschreven, niemand kan zijn lot ontgaan. Om zich zoo met toekomende zaken bezig te houden, is dwaasheid; luister liever naar mij.”

»Goed gesproken, Roode-Ceder. Caspita! gij spreekt als een man van groot verstand en ik regel mij volkomen naar uw raad. Wat hebt gij ons te zeggen?”

»Ik denk dat wij, dank zij den door ons genomen maatregel, zoo goed geslaagd zijn ons spoor te verbergen, dat niemand, al was het de duivel in eigen persoon, in staat zou zijn om het terug te vinden. Het eerste gedeelte van onze taak is dus zonder tegenspoed afgeloopen, laten wij ons nu maar niet verraden hetzij door onvoorzichtigheid, hetzij door te veel overhaasting. Ik heb u herwaarts gebracht, omdat, zooals gij ziet aan het einde van dit terras het natuurbosch begint Het moeielijkste is nu om den eersten boom te beklimmen zonder eenig spoor achter te laten. Wat de volgende betreft, dat is niets meer dan eene behendigheid; laat mij naar mijne wijze van zien te werk gaan, dan blijf ik u borg dat gij geen reden van klagen zult hebben.”

»Dat weet ik wel; wat mij betreft ik laat u geheel naar eigen goedvinden te werk gaan.”

»Zeer goed; dan zal ik u zeggen wat wij doen zullen. Ziet gij dien grooten tak wel, die daar zoo wat dertig voet boven onze hoofden over het terras afhangt?”

»Ja dien zie ik. Wat meer?”

»Ik sla de lasso eerst om het uiteinde van den tak, dan trekken wij hem gezamenlijk naar ons toe tot hij omtrent den grond raakt; daar houden wij hem zoo lang vast tot mijne dochter er is opgeklommen en den stam van den boom en de bovenste takken heeft bereikt; dan volgt gij,señorpadre, dan Sutter, en dan ik zelf; op die wijs zullen wij geen spoor onzer opklimming in de schors achterlaten.”

»Uw plan is zeer schrander bedacht en draagt mijne volkomene goedkeuring weg, te meer daar deze manier van beklimming zoo voor uwe dochter als voor mij, vrij gemakkelijk schijnt, zonder twijfel kan Sutter ons even goed volgen. Maar één ding intusschen bekommert mij nog.”

»En dat is.”

»Zoo lang er hier nog iemand is om dien tak vast te houden begrijp ik wel dat hij gebogen zal blijven, maar als wij drieën boven zijn, hoe zult gij het dan maken om ons te volgen? dat begrijp ik niet, en ik wil u niet ontveinzen dat ik daaromtrent gaarne zou, zijn ingelicht.”

De Roode-Ceder schaterde van lachen.

»Maak u daar niet ongerust over,señorpadre, ik ben met de gebruiken der wildernis te goed bekend om mijne plannen niet tot in de kleinste bijzonderheden te berekenen.”

»Als het er zoo mede gelegen is, spreken wij er niet meer over. Dat ik het deed was alleen om het belang dat ik in u stel.”

De Squatter keek hem strak in de oogen.

»Hoor eens, Fray Ambrosio,” zeide hij hem de hand ruw op den schouder leggende, »wij kennen elkander sinds lang, niet waar? Houden wij ons dus met geen leugens op, wij zullen elkander nooit kunnen bedriegen; laten wij maar blijven die wij zijn, dat is het beste voor ons beiden. Is dat afgesproken, zeg?”

De monnik door deze scherpe terechtwijzing tegen wil en dank uit den zadel gelicht, verloor zijne zelfbeheersching en stotterde eenige woorden zonder samenhang.

De Roode-Ceder had zijne lasso reeds genomen, om zijne rechterhand geslingerd, en na er eenige oogenblikken mede boven zijn hoofd te hebben gezwaaid, wierp hij haar uit. Zijn worp was zoo goed berekend, dat de strik juist over het uiteinde van den tak neêrkwam.

»Help even!” riep de Squatter, »ieder een handje.”

De twee andere mannen liepen toe.

Door hunne vereenigde pogingen was de lasso weldra strak aangetrokken, de tak boog zich van lieverlede en na verloop van een paar minuten was hij, gelijk de Roode-Ceder voorspeld had, lang genoeg om den grond van het terras te raken.

»Haastig, Ellen, haast u, mijn kind!” riep hij tot zijne dochter.

Deze liet het zich geen tweemaal zeggen; stoutmoedig stapte zij op den tak, dien zij vlug over liep, zich links en rechts aan de kleinere takken vasthoudend; in een ommezien was zij bij den stam; toen op bevel van haar vader besteeg zij de hoogere takken, waarin zij spoedig verdween.

»Uw beurt! Fray Ambrosio,” zei de Squatter.

De monnik vertrok op zijn beurt, kwam spoedig den tak over en was even als het meisje, weldra niet meer te zien.

»Op uwe beurt, jongen!” zei de Squatter nog eens.

Sutter had zich spoedig bij de vorige klimmers gevoegd.

Ofschoon alleen achtergebleven, hield de Squatter, dank zij zijne herculische kracht, den tak lang genoeg gebogen om er zich overlangs onder te plaatsen en er zich met armen en beenen aan vast te klampen.

Niet zonder heimelijke vrees zagen zijne kameraden van hun verheven standpunt zijne gevaarlijke manoeuvre. Zoodra de tak niet meer omlaag werd vastgehouden, zweepte hij op eens met een scherp gefluit en met duizelingwekkende snelheid naar boven.

De boom trilde tot in zijne wortels, Ellen gaf een schreeuw en deed hare oogen dicht.

Toen zij die weder opende, zag zij haar vader schrijlings op hetuiteinde van den tak zitten, reeds bezig met den strik zijner lasso los te maken.

Vervolgens stond de Squatter met de meeste bedaardheid op, sloeg de lasso om zijn midden en voegde zich bij zijne kameraden.

»Wel!” riep hij, »wat zegt gij er van? Het is gedaan, zooals gij ziet, maar nu moeten wij onzen tocht voortzetten; zijt gij gereed?”

»Laat ons vertrekken,” antwoordden zij.

Wij herhalen hier, de vreemde houding waarin het geschieden moest daargelaten, was deze manier van marcheeren volstrekt niet gevaarlijk noch moeielijk.

Dank zij het dicht gesloten net der lianen, die zich met duizend grillige bochten kruisten en de takken onderling samenvlochten, gingen onze avonturiers als over een stevigen vloer, schier ongemerkt van den eenen tak op den anderen en van den eenen boom tot den anderen over, altoos boven een onzichtbaren afgrond van zestig en somwijlen van tachtig voeten.

Onder zich ontwaarden zij nu en dan de wilde dieren die in hunne geheimzinnige nesten en schuilhoeken hen met gestrekten hals en verschrikte oogen onrustig en verwezen aanstaarden, als wisten zij niet wat er boven hen gebeuren moest.

Zoo gingen de wandelaars den ganschen dag voort, hielden van tijd tot tijd op om adem te scheppen en vervolgden dan weder onmiddellijk hunnen weg.

Zoo passeerden zij zelfs, altijd op hun schommelende brug, een vrij breede rivier en bevonden zij zich weldra in een streek daar het terrein lager werd.

Het was bijna vijf uren des avonds, de schuinsche stralen der dalende zon maakten de schaduw der boomen eindeloos lang; de katuilen, door het verschrikt rondvliegen der gestoorde kevers daar zij zoo verlekkerd op zijn, aangetrokken, vlogen reeds door de lucht, een dikke damp steeg uit de aarde op en vormde eene mist rondom onze vier wandelaars die hen bijna onzichtbaar maakte; alles in een woord verkondigde dat de nacht niet lang meer zou uitblijven.

De Roode-Ceder liep vooraan en diende den kleinen troep tot gids, ten einde te verhoeden dat zijne metgezellen, die minder goed met het leven der woudloopers bekend waren dan hij, eene verkeerde richting zouden nemen, want op het terrein waar zij zich thans bevonden was ieder spoor van weg of streek verdwenen en zag men niets anders dan eene verwarde massa van dichte boomtakken en samengevlochten lianen en slingerplanten.

»Zeg eens, compadre,” riep Fray Ambrosio, die weinig aan lange voetreizen gewoon, en door de vele ontberingen welke hij had moeten doorstaan tamelijk verzwakt, sedert eenigen tijd niet dan met zeer veel moeite marcheerde, »is het haast gedaan? Ik verklaar u dat ik niet langer kan.”

De Squatter keerde zich driftig om en legde den monnik zijne groote hand op den mond.

»Zwijg!” zeide hij met eene gesmoorde stem, »zwijg, zoo gij uw hoofdhaar behouden wilt.”

»Caspita! of ik dat behouden wil!” mompelde de andere blijkbaar verschrikt; »maar wat is er dan nu weer op til?”

De Roode-Ceder maakte voorzichtig eene kleine opening in de lianen en wenkte zijn tochtgenoot om er door te zien.

»Kijk eens!” zeide hij.

Een oogenblik was voldoende om den monnik verbleekt en ontsteld van schrik terug te doen deinzen.

»O wee!” riep hij, »ditmaal zijn wij verloren!”

Hij wankelde op zijne beenen en zou gevallen zijn zoo de Squatter hem niet met een krachtigen greep ondersteund had.

»Wat zullen wij doen,” mompelde Fray Ambrosio.

»Wachten,” antwoordde de Roode-Ceder koel, »onze toestand is voor het oogenblik ver van hopeloos; wij zien hen wel, maar zij zien ons niet.”

De monnik schudde treurig het hoofd.

»Gij hebt ons naar ons verderf geleid,” zeide hij op verwijtenden toon.

»Gij zijt een domkop,” antwoordde de Roode-Ceder met minachting. »Waag ik niet evenveel als gij? en heb ik u niet gezegd dat wij van alle zijden omsingeld waren?—Laat mij begaan, zeg ik u.”


Back to IndexNext