XXXIV.

XXXIV.LIST TEGEN LISTDe vlucht van Nathan was door een zonderling toeval ontdekt.De Comanchen zijn evenmin als de andere Indianen gewoon om des nachts patrouille te maken of de posten te bezoeken, al zulke uitvindingen der beschaafde volken zijn in de prairie geheel onbekend. Naar alle waarschijnlijkheid zouden dus de Indianen niet voor de dag aankwam bemerkt hebben dat hun gevangene verdwenen was.Nathan rekende hierop. Hij was met de gebruiken der Indianen te goed bekend om niet te weten waaraan hij zich te dien aanzien te houden had. Maar hij had gerekend buiten den haat, die altijd waakzame schildwacht, die door geen macht is in slaap te wiegen.Een uur ongeveer na de zoo gelukkig volvoerde vlucht van den jongen Squatter, was de Witte-Gazelle hetzij door koude wakker geworden of meer waarschijnlijk uit verlangen om zich te verzekeren of de gevangene wel goed bewaakt werd en onmogelijk zou kunnen ontsnappen, het kamp rond gegaan, hier en daar over de slapende krijgslieden heenstappende en zich zoo goed of kwaad mogelijk in de duisternis een weg banende; want de meeste kampvuren waren reeds uitgedoofd en die nog brandden verspreidden slechts een onzeker licht; maar gedreven door dat gevoel van haat dat zijne noodlottige dienaars vaak maar al te getrouw den weg wijst, had zij zich eindelijk in dit verwarde doolhof thuis gevonden en den boom bereikt waar zij dacht dat de gevangene aan vast gebonden zat.De boom stond verlaten; de touwen die voor Nathan gediend hadden, lagen in stukken gesneden op eenigen afstand.De Witte-Gazelle stond een oogenblik verbijsterd bij dit gezicht, dat zij wel het allerminst had verwacht.»O!” mompelde zij woedend, »het is eene familie van duivels! Maar hoe is hij toch weggekomen? hoe heeft hij kunnen ontvluchten?”Toen ging zij aan ’t zoeken.»Die ellendige rekels slapen gerust,” zeide zij de twee krijgslieden ziende liggen, »terwijl de man dien zij in last hadden te bewaken, hier ver van daan is en hen uitlacht.”Zij schopte hen verachtelijk met den voet.»Luie honden!” riep zij, »wilt ge wel opstaan, de gevangene is voort.”De vermeende slapers verroerden zich niet,»O wee! wat beduidt dat?” riep zij.Zij bukte om hen van naderbij te beschouwen.Nu werd haar alles duidelijk.»Dood!” riep zij; »hij heeft hen vermoord! welk eene duivelsche macht moet dat bandietengeslacht bezitten.”Na een poosje verslagen te hebben staan kijken, richtte zij zichwoedend op, ijlde het kamp door en schreeuwde met een krijschende stem.»Op! op! krijgslieden, ontwaakt! de gevangene is ontsnapt!”Alles was oogenblikkelijk op de been gekomen. De Eenhoorn was een der eersten die zijne wapenen greep en haar te gemoet snelde om naar de oorzaak te vragen van dit ongewone geschreeuw.Met weinig woorden had de Witte-Gazelle hem op de hoogte gebracht en de Eenhoorn, nog woedender dan zij, wekte zijne krijgslieden op en verspreidde hen in alle richtingen om Nathan te vervolgen.Wij weten echter reeds dat de jonge Squatter ten minste vooreerst van hunne ijdele woede niets te duchten had.Deze wonderbare vlucht van een man uit een kamp vol krijgslieden, zonder door de schildwachten te zijn opgemerkt, was iets zoo buitengewoons, dat de Comanchen, bijgeloovig als alle Indianen hier aan eene werkelijke tusschenkomst van den boozen geest moesten denken.Intusschen was het geheele kamp in rep en roer; allen liepen naar alle kanten met brandende fakkels in de hand. De kring werd al grooter en grooter; de krijgslieden door ijver vervoerd, hadden het open kamp verlaten om zich in het bosch te begeven.Op eens verscheurde een doordringende kreet het luchtruim.Allen bleven als door een tooverslag staan.De Eekhoorn stiet nu een even scherpen en langdurigen kreet uit, in antwoord op den zooeven gehoorden; terwijl al de Comanchen zich er ten slotte mede vereenigden.»O! wat is dat?” vroeg de Witte-Gazelle.»Koutonepi! mijn broeder!” antwoordde de Eenhoorn lakoniek, terwijl hij zijn signaal herhaalde.»Snellen wij hem te gemoet!” riep zij uit.»Kom!” zei het opperhoofd.Zij ijlden onmiddellijk voort door een tiental krijgslieden gevolgd, en kwamen weldra onder den boom in welken Valentin en zijne kameraden zich bevonden.De jager zag hen aankomen; toen zij op korten afstand waren riep hij hun toe.»Waar zijt gij?” antwoordde de Eenhoorn.»Boven in dezen ceder!” riep Valentin, »blijf staan en zie!” De Indianen bleven staan en keken naar boven.»Ooah!” riep de Eenhoorn verwonderd, »wat doet mijn broeder daar?”»Ik zal het u zeggen; maar help mij eerst afklimmen; wij zijn hier niet gemakkelijk genoeg geplaatst om te praten, vooral over de zaken die ik u te vertellen heb, hoofdman.”»Goed; ik verwacht mijn broeder.”Valentin sloeg zijne lasso om een der takken en maakte aanstalten om zich naar beneden te laten glijden.Curumilla legde hem de hand op den schouder.»Wat wilt gij, hoofdman?” vroeg de jager.»Gaat mijn broeder naar omlaag?” hernam de Araucaan.»Zooals gij ziet,” riep Valentin hem de lasso wijzende.Curumilla schudde onvoldaan het hoofd.»De Roode-Ceder!” zeide hij.»Canarios!” riep de jager, zich op het voorhoofd kloppende, »daar dacht ik niet meer om! Ben ik dan gek geworden! Pardi! hoofdman, gij zijt een heerlijke vent, gij denkt aan alles; wacht even!”Valentin bukte, zette de handen als een roeper aan weerszijden van den mond.»Hoofdman!” riep hij.»Wat wil mijn broeder?” antwoordde de Eenhoorn.»Kom boven.”»Goed!”De Sachem greep de lasso, klom met krachtige vuisten naar boven en bereikte weldra den tak, waar Valentin en de jager hem ontvingen.»Hier ben ik!” zeide hij.»Welk toeval bracht u hier in het bosch zoo laat in den nacht?” vroeg de jager.De Eenhoorn vertelde hem in weinige woorden wat er gebeurd was.Bij dit verslag fronste Valentin de wenkbrauwen en deed op zijne beurt verslag van zijn wedervaren.»Dat wordt ernstig,” sprak de Eenhoorn hoofdschuddend.»Ja,” antwoordde Valentin; »uit alles blijkt, dat zij die wij zoeken, niet ver van hier kunnen zijn; misschien hooren zij ons zelfs.”»’t Is wel mogelijk,” mompelde de Eenhoorn; »maar wat kunnen wij er tegen doen, ’t is nog diep in den nacht.”»Goed! maar laten wij althans even slim zijn als zij. Hoeveel krijgslieden hebt gij daar beneden?”»Tien, denk ik.”»Goed. Zijn er ook eenigen onder daar gij u op zoudt kunnen verlaten?”»Op allen!” antwoordde de Sachem fier.»Ik spreek niet zoo zeer van hun moed, maar van hunne ervaring.”»Ooah!ik heb den Spinnekop.”»Dan weet ik wat ons te doen staat,” zei Valentin. »Laat hem boven komen en met uwe krijgslieden, over welke gij hem het kommando geeft, onze plaats vervangen; hij moet hier de linie van gemeenschap afsnijden, terwijl ik met mijne kameraden u volgen zal. Ik zou gaarne de plaats willen bezien waar uw gevangene is vastgebonden geweest.”Alles wat Valentin bevolen had werd uitgevoerd.De Spinnekop posteerde zich op de boomen, om met de tienkrijgslieden die hij onder zijn bevel had zorgvuldig wacht te houden; terwijl Valentin, voortaan verzekerd dat hij een onoverkomelijken slagboom tegen den Roode-Ceder had daargesteld, zich gereed maakte om met den Eenhoorn af te klimmen en naar het kamp te gaan.Curumilla hield hem nogmaals terug.»Waarom zoudt gij naar beneden gaan?” zeide hij.De Franschman kende zijn kameraad zoo goed, en was aan zijne wijze van spreken zoo gewoon, dat hij hem met een half woord begreep.»Het is waar,” zeide hij tegen den Eenhoorn, »laten wij liever over de boomen gaan van tak tot tak. Curumilla heeft gelijk; op deze wijze zullen wij den Squatter, zoo hij in dezen omtrek is, onfeilbaar ontdekken.”De Sachem der Comanchen boog ten bewijze van toestemming en zij gingen op marsch.De weg duurde niet lang.Zij marcheerden nauwelijks een half uur, toen Curumilla, die vooraan ging, eensklaps met een gesmoorden uitroep bleef staan.De jagers keken op, en op korten afstand ontwaarden zij eene groote zwarte massa, die onbezorgd heen en weer schommelde.»He!” riep Valentin; »wat is dat?”»Een beer,” antwoordde Curumilla.»Inderdaad,” zei don Pablo; »het is eene prachtige zwarte beer.”»Laten wij hem een kogel toezenden,” zei don Miguel.»Pas op, doe dat niet!” riep don Pablo met drift, »een geweerschot zou ons dadelijk ruchtbaar maken en aan hen die wij zoeken, de plaats verraden waar wij zijn.”»Ik zou hem toch gaarne meester worden,” merkte Valentin aan, »al was het alleen om zijn pels.”»Neen!” riep de Eenhoorn, die tot dusverre gezwegen had; »de beren zijn te goede neefjes van mijne familie.”»Dat is iets anders,” riep de jager, terwijl hij met moeite een spotachtigen lach smoorde.De Indianen in de prairie, wij meenen dit reeds gezegd te hebben, zijn zeer bijgeloovig. Onder andere stellen zij algemeen, dat zij uit zekere dieren afkomstig zijn, voor welke zij bij gevolg grooten eerbied koesteren; dit belet hen wel is waar niet om ze nu en dan, in geval van hongersnood, te dooden, maar tot eer van de Roodhuiden moeten wij zeggen dat zij op dit punt zeer bijzonder te werk gaan en hunne vermeende voorzaten nooit zullen neerschieten, zonder hun vooral duizendmaal verschooning gevraagd en met zoovele woorden gezegd te hebben, dat alleen gebrek aan voedsel hen noodzaakte om van dit uiterste middel tot levensonderhoud gebruik te maken.De Eenhoorn had echter op dit oogenblik geen levensmiddelennoodig, daar zijn kamp er ruim van voorzien was; hij ging dus jegens zijn neef den beer met de loffelijkste beleefdheid en eerbied te werk.Vooreerst boog hij voor hem en sprak hem eenige minuten lang op de vriendelijkste wijze toe. Intusschen bleef de beer onophoudelijk balanceeren zonder groot gewicht of aandacht aan zijn toespraak te schenken, integendeel scheen hij zich meer te vervelen dan gevleid te gevoelen door de komplimenten van zijn neef.De Sachem belgde zich weldra over deze ongemanierde onverschilligheid, wenkte den beer een laatste afscheid toe en ging verder.De kleine troep zette den tocht eenigen tijd in stilte voort.»Het maakt niet veel uit,” zei Valentin op eens; »maar zonder juist te weten waarom, zou ik de pels van uw neef gaarne gehad hebben, hoofdman.”»Ooah!” antwoordde de Eenhoorn, »er is overvloed van bisons in het kamp.”»Canarios! dat weet ik zeer goed,” riep de jager; »maar dat is hier de vraag niet.”»Wat dan?”»Ik weet het niet, maar die beer zag er min of meer verdacht uit; hij scheen mij niet van de goede soort.”»Spot mijn broeder er meê?”»Op mijn woord van eer niet, hoofdman; ik zweer u dat die knaap daar mij niet echt voorkomt; ik zou mij geen oogenblik bedenken om dadelijk terug te keeren en er het mijne van te hebben.”»Denkt mijn broeder dan dat de Eenhoorn een kind is en niet zou kunnen zien of hij een dier voor zich heeft of niet?” riep de Sachem hooghartig.»Pardi! ik zal mij wel wachten zoo iets te denken, hoofdman! ik weet gij zijt een krijgsman van groote ondervinding, maar de slimste kan zich wel eens bedriegen.”»Ooah!En wat denkt mijn broeder dan?”»Zal ik u mijn gevoelen ronduit zeggen?”»Ja, mijn broeder spreke vrijuit, hij is een groot jager, zijne kennis is onbeperkt.”»Welnu! en wat denkt gij dan van dien beer,” vroeg don Miguel.»Dat het de Roode-Ceder of een zijner zoons is,” antwoordde Valentin met drift.»Waarom veronderstelt gij dat?”»Vooreerst, omdat de beren op dit uur gewoonlijk naar de rivier gaan; maar gesteld dat deze er reeds geweest is, dan zult gij toch wel weten dat alle wilde dieren den mensch ontvluchten; dus zou hij, door het schitterend licht en het vervaarlijk geschreeuw in het anders altijd zoo stille bosch verschrikt, zich volgens zijn instinct, veeleer hebben zoeken te redden, hetgeen hij gemakkelijk had kunnen doen, dan hier voor onze oogen onbezorgd te staan dansen,bijna honderd voeten hoog in de lucht; des te meer daar de beren veel te slimme en zelfzuchtige dieren zijn om hun waard een kostelijke pels zoo dwaselijk op een takkenvloer te wagen zoo zwak en oneffen als waar hij stond te dribbelen; hoe meer ik er dus over denk, hoe meer ik mij overtuigd houd dat deze beer geen dier maar een mensch is.”De jagers en de Eenhoorn zelf, die met de meeste aandacht naar het gezegde geluisterd had, waren getroffen door de waarheid en juistheid zijner opmerkingen; duizend kleine bijzonderheden die zij anders nooit zouden hebben opgemerkt, kwamen hun thans in de gedachten en versterkten de vermoedens van den Franschman.»Het is zeer mogelijk,” riep don Miguel, »en wat mij betreft zou ik het bijna gelooven.”»Mijn hemel!” hervatte Valentin, »gij begrijpt dat men zich, ondanks zijne ondervinding, zeer gemakkelijk kan bedriegen in een nacht zoo donker als deze, vooral bij den vrij verren afstand waarop het dier zich bevond en door ons moest worden waargenomen; alleen hebben wij eene groote onvoorzichtigheid begaan, en ik wel het meest, dat wij ons niet nader van hem zochten te vergewissen.”»Ach! wat spreekt mijn broeder waar en goed,” riep de Indiaan, »hij heeft volkomen gelijk, de wijsheid woont in hem.”»Thans zal het te laat zijn om terug te keeren, de knaap zal nu wel vertrokken zijn zonder zijn deel te vragen,” zei Valentin nadenkend; »maar,” vervolgde hij terstond met een bespiedenden blik om zich heen, »waar is Curumilla?”Op hetzelfde oogenblik hoorden de jagers niet ver van hen af een sterk gekraak in de takken, gevolgd door een gesmoorden schreeuw.»Oho!” riep Valentin, »zou dat de beer kunnen zijn die zijne zaken doet?”Op eens hoorde men het geschreeuw van den ekster.»Dat is het signaal van Curumilla,” zei Valentin; »wat duivel of hij te doen heeft?”»Dat dienen wij te weten, en daarom onmiddellijk terug te keeren,” beweerde don Miguel.»Pardi! denkt gij dan dat ik mijn ouden kameraad ooit in den steek zou laten?” riep Valentin terstond antwoord gevende met een dergelijk signaal als dat van den Ulmen.»Gaan wij!” hernam don Miguel.De jagers keerden op hunne stappen terug, zoo snel als de smalle en gevaarlijke weg hun toeliet.Curumilla zat op zijn grootste gemak, in een dichten warklomp van takken en lianen, geheel onzichtbaar voor ieder die hem van beneden had willen bespieden, en lachte in zich zelven dat het schaterde.Curumilla te hooren lachen was iets zoo ongewoons en scheen op zulk een uur zoo ongerijmd, dat Valentin er van schrikte en in de eerste oogenblikken niet anders dacht dan dat zijn vriend waanzinnig was geworden.»Zeg eens, hoofdman,” riep hij, omzichtig naar alle kanten rondziende, »wilt gij mij ook zeggen waarom gij zoo lacht? Al is het niet om daarin uw voorbeeld te volgen, zou ik er toch gaarne de reden van weten.”Curumilla keek zijn vriend met een strakken en verstandigen blik aan en antwoordde op welvoldanen toon:»De Ulmen is vergenoegd.”»Dat zie ik wel,” hernam Valentin, »maar ik weet nog niet waarom, en dat maakt mij nieuwsgierig.”»Curumilla heeft den beer gedood,” zei de Araucaan deftig.»Zoo!” riep Valentin verwonderd.»Mijn broeder zie slechts, daar is de neef van den Sachem.”De Eenhoorn trok een ontevreden gezicht.Valentin en zijne vrienden volgden met belangstellende blikken de richting die de Araucaan hun aanwees.De lasso van Curumilla, stevig vastgemaakt aan den tak waarop de jagers stonden, hing in de ruimte beneden hen; aan het onderste einde balanceerde eene zwarte vormlooze massa.Dit was het lijk van den beer.Gedurende het gesprek dat de Eenhoorn straks met zijn vermeenden neef hield, had hij aandachtig de bewegingen van den dansenden beer bespied: even als Valentin de grimassen van het dier niet natuurlijk vond, had ook hij willen weten wat hij er van gelooven moest; bij gevolg had hij gewacht tot zijn vrienden zich verwijderden, alstoen het eene eind van zijne lasso aan een dikken tak vastgemaakt, en terwijl de beer, in den waan dat hij reeds van zijne vijanden ontslagen was, achteloos van zijn standpunt afdaalde, had de Indiaan hem allerbehendigst gelasseerd. Bij dezen onverhoedschen aanval had de beer gewankeld en het evenwicht verloren; kortom, hij was naar beneden gestort en ten slotte tusschen hemel en aarde blijven hangen, dank zij den loopenden knoop die hem om den hals zat, en die hem wel is waar belet had de beenen te breken, maar daarentegen binnen weinige sekonden had doen stikken.De jagers haastten zich om de lasso op te trekken.Allen brandden van verlangen om te weten of zij zich bedrogen hadden.Na eenige inspanning hadden zij het lijk van den beer naar boven gehaald.Valentin bukte met drift om hem te bekijken, maar rees oogenblikkelijk weder op.»Ik dacht het wel,” zeide hij met minachting.Hij schopte tegen het berenhoofd, de huid liet los en viel naar beneden, alleen het misvormd en loodblauw gelaat van Nathan achter zich latende.»O!” riepen zij, »Nathan!”»Ja,” hernam Valentin, »de oudste zoon van den Roode-Ceder.”»Dat iséén!”.… zei don Miguel somber.De arme Nathan was niet gelukkig met zijne maskerades; met de eerste ontkwam hij ter nauwernood den brandstapel; met de tweede werd hij gehangen.

XXXIV.LIST TEGEN LISTDe vlucht van Nathan was door een zonderling toeval ontdekt.De Comanchen zijn evenmin als de andere Indianen gewoon om des nachts patrouille te maken of de posten te bezoeken, al zulke uitvindingen der beschaafde volken zijn in de prairie geheel onbekend. Naar alle waarschijnlijkheid zouden dus de Indianen niet voor de dag aankwam bemerkt hebben dat hun gevangene verdwenen was.Nathan rekende hierop. Hij was met de gebruiken der Indianen te goed bekend om niet te weten waaraan hij zich te dien aanzien te houden had. Maar hij had gerekend buiten den haat, die altijd waakzame schildwacht, die door geen macht is in slaap te wiegen.Een uur ongeveer na de zoo gelukkig volvoerde vlucht van den jongen Squatter, was de Witte-Gazelle hetzij door koude wakker geworden of meer waarschijnlijk uit verlangen om zich te verzekeren of de gevangene wel goed bewaakt werd en onmogelijk zou kunnen ontsnappen, het kamp rond gegaan, hier en daar over de slapende krijgslieden heenstappende en zich zoo goed of kwaad mogelijk in de duisternis een weg banende; want de meeste kampvuren waren reeds uitgedoofd en die nog brandden verspreidden slechts een onzeker licht; maar gedreven door dat gevoel van haat dat zijne noodlottige dienaars vaak maar al te getrouw den weg wijst, had zij zich eindelijk in dit verwarde doolhof thuis gevonden en den boom bereikt waar zij dacht dat de gevangene aan vast gebonden zat.De boom stond verlaten; de touwen die voor Nathan gediend hadden, lagen in stukken gesneden op eenigen afstand.De Witte-Gazelle stond een oogenblik verbijsterd bij dit gezicht, dat zij wel het allerminst had verwacht.»O!” mompelde zij woedend, »het is eene familie van duivels! Maar hoe is hij toch weggekomen? hoe heeft hij kunnen ontvluchten?”Toen ging zij aan ’t zoeken.»Die ellendige rekels slapen gerust,” zeide zij de twee krijgslieden ziende liggen, »terwijl de man dien zij in last hadden te bewaken, hier ver van daan is en hen uitlacht.”Zij schopte hen verachtelijk met den voet.»Luie honden!” riep zij, »wilt ge wel opstaan, de gevangene is voort.”De vermeende slapers verroerden zich niet,»O wee! wat beduidt dat?” riep zij.Zij bukte om hen van naderbij te beschouwen.Nu werd haar alles duidelijk.»Dood!” riep zij; »hij heeft hen vermoord! welk eene duivelsche macht moet dat bandietengeslacht bezitten.”Na een poosje verslagen te hebben staan kijken, richtte zij zichwoedend op, ijlde het kamp door en schreeuwde met een krijschende stem.»Op! op! krijgslieden, ontwaakt! de gevangene is ontsnapt!”Alles was oogenblikkelijk op de been gekomen. De Eenhoorn was een der eersten die zijne wapenen greep en haar te gemoet snelde om naar de oorzaak te vragen van dit ongewone geschreeuw.Met weinig woorden had de Witte-Gazelle hem op de hoogte gebracht en de Eenhoorn, nog woedender dan zij, wekte zijne krijgslieden op en verspreidde hen in alle richtingen om Nathan te vervolgen.Wij weten echter reeds dat de jonge Squatter ten minste vooreerst van hunne ijdele woede niets te duchten had.Deze wonderbare vlucht van een man uit een kamp vol krijgslieden, zonder door de schildwachten te zijn opgemerkt, was iets zoo buitengewoons, dat de Comanchen, bijgeloovig als alle Indianen hier aan eene werkelijke tusschenkomst van den boozen geest moesten denken.Intusschen was het geheele kamp in rep en roer; allen liepen naar alle kanten met brandende fakkels in de hand. De kring werd al grooter en grooter; de krijgslieden door ijver vervoerd, hadden het open kamp verlaten om zich in het bosch te begeven.Op eens verscheurde een doordringende kreet het luchtruim.Allen bleven als door een tooverslag staan.De Eekhoorn stiet nu een even scherpen en langdurigen kreet uit, in antwoord op den zooeven gehoorden; terwijl al de Comanchen zich er ten slotte mede vereenigden.»O! wat is dat?” vroeg de Witte-Gazelle.»Koutonepi! mijn broeder!” antwoordde de Eenhoorn lakoniek, terwijl hij zijn signaal herhaalde.»Snellen wij hem te gemoet!” riep zij uit.»Kom!” zei het opperhoofd.Zij ijlden onmiddellijk voort door een tiental krijgslieden gevolgd, en kwamen weldra onder den boom in welken Valentin en zijne kameraden zich bevonden.De jager zag hen aankomen; toen zij op korten afstand waren riep hij hun toe.»Waar zijt gij?” antwoordde de Eenhoorn.»Boven in dezen ceder!” riep Valentin, »blijf staan en zie!” De Indianen bleven staan en keken naar boven.»Ooah!” riep de Eenhoorn verwonderd, »wat doet mijn broeder daar?”»Ik zal het u zeggen; maar help mij eerst afklimmen; wij zijn hier niet gemakkelijk genoeg geplaatst om te praten, vooral over de zaken die ik u te vertellen heb, hoofdman.”»Goed; ik verwacht mijn broeder.”Valentin sloeg zijne lasso om een der takken en maakte aanstalten om zich naar beneden te laten glijden.Curumilla legde hem de hand op den schouder.»Wat wilt gij, hoofdman?” vroeg de jager.»Gaat mijn broeder naar omlaag?” hernam de Araucaan.»Zooals gij ziet,” riep Valentin hem de lasso wijzende.Curumilla schudde onvoldaan het hoofd.»De Roode-Ceder!” zeide hij.»Canarios!” riep de jager, zich op het voorhoofd kloppende, »daar dacht ik niet meer om! Ben ik dan gek geworden! Pardi! hoofdman, gij zijt een heerlijke vent, gij denkt aan alles; wacht even!”Valentin bukte, zette de handen als een roeper aan weerszijden van den mond.»Hoofdman!” riep hij.»Wat wil mijn broeder?” antwoordde de Eenhoorn.»Kom boven.”»Goed!”De Sachem greep de lasso, klom met krachtige vuisten naar boven en bereikte weldra den tak, waar Valentin en de jager hem ontvingen.»Hier ben ik!” zeide hij.»Welk toeval bracht u hier in het bosch zoo laat in den nacht?” vroeg de jager.De Eenhoorn vertelde hem in weinige woorden wat er gebeurd was.Bij dit verslag fronste Valentin de wenkbrauwen en deed op zijne beurt verslag van zijn wedervaren.»Dat wordt ernstig,” sprak de Eenhoorn hoofdschuddend.»Ja,” antwoordde Valentin; »uit alles blijkt, dat zij die wij zoeken, niet ver van hier kunnen zijn; misschien hooren zij ons zelfs.”»’t Is wel mogelijk,” mompelde de Eenhoorn; »maar wat kunnen wij er tegen doen, ’t is nog diep in den nacht.”»Goed! maar laten wij althans even slim zijn als zij. Hoeveel krijgslieden hebt gij daar beneden?”»Tien, denk ik.”»Goed. Zijn er ook eenigen onder daar gij u op zoudt kunnen verlaten?”»Op allen!” antwoordde de Sachem fier.»Ik spreek niet zoo zeer van hun moed, maar van hunne ervaring.”»Ooah!ik heb den Spinnekop.”»Dan weet ik wat ons te doen staat,” zei Valentin. »Laat hem boven komen en met uwe krijgslieden, over welke gij hem het kommando geeft, onze plaats vervangen; hij moet hier de linie van gemeenschap afsnijden, terwijl ik met mijne kameraden u volgen zal. Ik zou gaarne de plaats willen bezien waar uw gevangene is vastgebonden geweest.”Alles wat Valentin bevolen had werd uitgevoerd.De Spinnekop posteerde zich op de boomen, om met de tienkrijgslieden die hij onder zijn bevel had zorgvuldig wacht te houden; terwijl Valentin, voortaan verzekerd dat hij een onoverkomelijken slagboom tegen den Roode-Ceder had daargesteld, zich gereed maakte om met den Eenhoorn af te klimmen en naar het kamp te gaan.Curumilla hield hem nogmaals terug.»Waarom zoudt gij naar beneden gaan?” zeide hij.De Franschman kende zijn kameraad zoo goed, en was aan zijne wijze van spreken zoo gewoon, dat hij hem met een half woord begreep.»Het is waar,” zeide hij tegen den Eenhoorn, »laten wij liever over de boomen gaan van tak tot tak. Curumilla heeft gelijk; op deze wijze zullen wij den Squatter, zoo hij in dezen omtrek is, onfeilbaar ontdekken.”De Sachem der Comanchen boog ten bewijze van toestemming en zij gingen op marsch.De weg duurde niet lang.Zij marcheerden nauwelijks een half uur, toen Curumilla, die vooraan ging, eensklaps met een gesmoorden uitroep bleef staan.De jagers keken op, en op korten afstand ontwaarden zij eene groote zwarte massa, die onbezorgd heen en weer schommelde.»He!” riep Valentin; »wat is dat?”»Een beer,” antwoordde Curumilla.»Inderdaad,” zei don Pablo; »het is eene prachtige zwarte beer.”»Laten wij hem een kogel toezenden,” zei don Miguel.»Pas op, doe dat niet!” riep don Pablo met drift, »een geweerschot zou ons dadelijk ruchtbaar maken en aan hen die wij zoeken, de plaats verraden waar wij zijn.”»Ik zou hem toch gaarne meester worden,” merkte Valentin aan, »al was het alleen om zijn pels.”»Neen!” riep de Eenhoorn, die tot dusverre gezwegen had; »de beren zijn te goede neefjes van mijne familie.”»Dat is iets anders,” riep de jager, terwijl hij met moeite een spotachtigen lach smoorde.De Indianen in de prairie, wij meenen dit reeds gezegd te hebben, zijn zeer bijgeloovig. Onder andere stellen zij algemeen, dat zij uit zekere dieren afkomstig zijn, voor welke zij bij gevolg grooten eerbied koesteren; dit belet hen wel is waar niet om ze nu en dan, in geval van hongersnood, te dooden, maar tot eer van de Roodhuiden moeten wij zeggen dat zij op dit punt zeer bijzonder te werk gaan en hunne vermeende voorzaten nooit zullen neerschieten, zonder hun vooral duizendmaal verschooning gevraagd en met zoovele woorden gezegd te hebben, dat alleen gebrek aan voedsel hen noodzaakte om van dit uiterste middel tot levensonderhoud gebruik te maken.De Eenhoorn had echter op dit oogenblik geen levensmiddelennoodig, daar zijn kamp er ruim van voorzien was; hij ging dus jegens zijn neef den beer met de loffelijkste beleefdheid en eerbied te werk.Vooreerst boog hij voor hem en sprak hem eenige minuten lang op de vriendelijkste wijze toe. Intusschen bleef de beer onophoudelijk balanceeren zonder groot gewicht of aandacht aan zijn toespraak te schenken, integendeel scheen hij zich meer te vervelen dan gevleid te gevoelen door de komplimenten van zijn neef.De Sachem belgde zich weldra over deze ongemanierde onverschilligheid, wenkte den beer een laatste afscheid toe en ging verder.De kleine troep zette den tocht eenigen tijd in stilte voort.»Het maakt niet veel uit,” zei Valentin op eens; »maar zonder juist te weten waarom, zou ik de pels van uw neef gaarne gehad hebben, hoofdman.”»Ooah!” antwoordde de Eenhoorn, »er is overvloed van bisons in het kamp.”»Canarios! dat weet ik zeer goed,” riep de jager; »maar dat is hier de vraag niet.”»Wat dan?”»Ik weet het niet, maar die beer zag er min of meer verdacht uit; hij scheen mij niet van de goede soort.”»Spot mijn broeder er meê?”»Op mijn woord van eer niet, hoofdman; ik zweer u dat die knaap daar mij niet echt voorkomt; ik zou mij geen oogenblik bedenken om dadelijk terug te keeren en er het mijne van te hebben.”»Denkt mijn broeder dan dat de Eenhoorn een kind is en niet zou kunnen zien of hij een dier voor zich heeft of niet?” riep de Sachem hooghartig.»Pardi! ik zal mij wel wachten zoo iets te denken, hoofdman! ik weet gij zijt een krijgsman van groote ondervinding, maar de slimste kan zich wel eens bedriegen.”»Ooah!En wat denkt mijn broeder dan?”»Zal ik u mijn gevoelen ronduit zeggen?”»Ja, mijn broeder spreke vrijuit, hij is een groot jager, zijne kennis is onbeperkt.”»Welnu! en wat denkt gij dan van dien beer,” vroeg don Miguel.»Dat het de Roode-Ceder of een zijner zoons is,” antwoordde Valentin met drift.»Waarom veronderstelt gij dat?”»Vooreerst, omdat de beren op dit uur gewoonlijk naar de rivier gaan; maar gesteld dat deze er reeds geweest is, dan zult gij toch wel weten dat alle wilde dieren den mensch ontvluchten; dus zou hij, door het schitterend licht en het vervaarlijk geschreeuw in het anders altijd zoo stille bosch verschrikt, zich volgens zijn instinct, veeleer hebben zoeken te redden, hetgeen hij gemakkelijk had kunnen doen, dan hier voor onze oogen onbezorgd te staan dansen,bijna honderd voeten hoog in de lucht; des te meer daar de beren veel te slimme en zelfzuchtige dieren zijn om hun waard een kostelijke pels zoo dwaselijk op een takkenvloer te wagen zoo zwak en oneffen als waar hij stond te dribbelen; hoe meer ik er dus over denk, hoe meer ik mij overtuigd houd dat deze beer geen dier maar een mensch is.”De jagers en de Eenhoorn zelf, die met de meeste aandacht naar het gezegde geluisterd had, waren getroffen door de waarheid en juistheid zijner opmerkingen; duizend kleine bijzonderheden die zij anders nooit zouden hebben opgemerkt, kwamen hun thans in de gedachten en versterkten de vermoedens van den Franschman.»Het is zeer mogelijk,” riep don Miguel, »en wat mij betreft zou ik het bijna gelooven.”»Mijn hemel!” hervatte Valentin, »gij begrijpt dat men zich, ondanks zijne ondervinding, zeer gemakkelijk kan bedriegen in een nacht zoo donker als deze, vooral bij den vrij verren afstand waarop het dier zich bevond en door ons moest worden waargenomen; alleen hebben wij eene groote onvoorzichtigheid begaan, en ik wel het meest, dat wij ons niet nader van hem zochten te vergewissen.”»Ach! wat spreekt mijn broeder waar en goed,” riep de Indiaan, »hij heeft volkomen gelijk, de wijsheid woont in hem.”»Thans zal het te laat zijn om terug te keeren, de knaap zal nu wel vertrokken zijn zonder zijn deel te vragen,” zei Valentin nadenkend; »maar,” vervolgde hij terstond met een bespiedenden blik om zich heen, »waar is Curumilla?”Op hetzelfde oogenblik hoorden de jagers niet ver van hen af een sterk gekraak in de takken, gevolgd door een gesmoorden schreeuw.»Oho!” riep Valentin, »zou dat de beer kunnen zijn die zijne zaken doet?”Op eens hoorde men het geschreeuw van den ekster.»Dat is het signaal van Curumilla,” zei Valentin; »wat duivel of hij te doen heeft?”»Dat dienen wij te weten, en daarom onmiddellijk terug te keeren,” beweerde don Miguel.»Pardi! denkt gij dan dat ik mijn ouden kameraad ooit in den steek zou laten?” riep Valentin terstond antwoord gevende met een dergelijk signaal als dat van den Ulmen.»Gaan wij!” hernam don Miguel.De jagers keerden op hunne stappen terug, zoo snel als de smalle en gevaarlijke weg hun toeliet.Curumilla zat op zijn grootste gemak, in een dichten warklomp van takken en lianen, geheel onzichtbaar voor ieder die hem van beneden had willen bespieden, en lachte in zich zelven dat het schaterde.Curumilla te hooren lachen was iets zoo ongewoons en scheen op zulk een uur zoo ongerijmd, dat Valentin er van schrikte en in de eerste oogenblikken niet anders dacht dan dat zijn vriend waanzinnig was geworden.»Zeg eens, hoofdman,” riep hij, omzichtig naar alle kanten rondziende, »wilt gij mij ook zeggen waarom gij zoo lacht? Al is het niet om daarin uw voorbeeld te volgen, zou ik er toch gaarne de reden van weten.”Curumilla keek zijn vriend met een strakken en verstandigen blik aan en antwoordde op welvoldanen toon:»De Ulmen is vergenoegd.”»Dat zie ik wel,” hernam Valentin, »maar ik weet nog niet waarom, en dat maakt mij nieuwsgierig.”»Curumilla heeft den beer gedood,” zei de Araucaan deftig.»Zoo!” riep Valentin verwonderd.»Mijn broeder zie slechts, daar is de neef van den Sachem.”De Eenhoorn trok een ontevreden gezicht.Valentin en zijne vrienden volgden met belangstellende blikken de richting die de Araucaan hun aanwees.De lasso van Curumilla, stevig vastgemaakt aan den tak waarop de jagers stonden, hing in de ruimte beneden hen; aan het onderste einde balanceerde eene zwarte vormlooze massa.Dit was het lijk van den beer.Gedurende het gesprek dat de Eenhoorn straks met zijn vermeenden neef hield, had hij aandachtig de bewegingen van den dansenden beer bespied: even als Valentin de grimassen van het dier niet natuurlijk vond, had ook hij willen weten wat hij er van gelooven moest; bij gevolg had hij gewacht tot zijn vrienden zich verwijderden, alstoen het eene eind van zijne lasso aan een dikken tak vastgemaakt, en terwijl de beer, in den waan dat hij reeds van zijne vijanden ontslagen was, achteloos van zijn standpunt afdaalde, had de Indiaan hem allerbehendigst gelasseerd. Bij dezen onverhoedschen aanval had de beer gewankeld en het evenwicht verloren; kortom, hij was naar beneden gestort en ten slotte tusschen hemel en aarde blijven hangen, dank zij den loopenden knoop die hem om den hals zat, en die hem wel is waar belet had de beenen te breken, maar daarentegen binnen weinige sekonden had doen stikken.De jagers haastten zich om de lasso op te trekken.Allen brandden van verlangen om te weten of zij zich bedrogen hadden.Na eenige inspanning hadden zij het lijk van den beer naar boven gehaald.Valentin bukte met drift om hem te bekijken, maar rees oogenblikkelijk weder op.»Ik dacht het wel,” zeide hij met minachting.Hij schopte tegen het berenhoofd, de huid liet los en viel naar beneden, alleen het misvormd en loodblauw gelaat van Nathan achter zich latende.»O!” riepen zij, »Nathan!”»Ja,” hernam Valentin, »de oudste zoon van den Roode-Ceder.”»Dat iséén!”.… zei don Miguel somber.De arme Nathan was niet gelukkig met zijne maskerades; met de eerste ontkwam hij ter nauwernood den brandstapel; met de tweede werd hij gehangen.

XXXIV.LIST TEGEN LIST

De vlucht van Nathan was door een zonderling toeval ontdekt.De Comanchen zijn evenmin als de andere Indianen gewoon om des nachts patrouille te maken of de posten te bezoeken, al zulke uitvindingen der beschaafde volken zijn in de prairie geheel onbekend. Naar alle waarschijnlijkheid zouden dus de Indianen niet voor de dag aankwam bemerkt hebben dat hun gevangene verdwenen was.Nathan rekende hierop. Hij was met de gebruiken der Indianen te goed bekend om niet te weten waaraan hij zich te dien aanzien te houden had. Maar hij had gerekend buiten den haat, die altijd waakzame schildwacht, die door geen macht is in slaap te wiegen.Een uur ongeveer na de zoo gelukkig volvoerde vlucht van den jongen Squatter, was de Witte-Gazelle hetzij door koude wakker geworden of meer waarschijnlijk uit verlangen om zich te verzekeren of de gevangene wel goed bewaakt werd en onmogelijk zou kunnen ontsnappen, het kamp rond gegaan, hier en daar over de slapende krijgslieden heenstappende en zich zoo goed of kwaad mogelijk in de duisternis een weg banende; want de meeste kampvuren waren reeds uitgedoofd en die nog brandden verspreidden slechts een onzeker licht; maar gedreven door dat gevoel van haat dat zijne noodlottige dienaars vaak maar al te getrouw den weg wijst, had zij zich eindelijk in dit verwarde doolhof thuis gevonden en den boom bereikt waar zij dacht dat de gevangene aan vast gebonden zat.De boom stond verlaten; de touwen die voor Nathan gediend hadden, lagen in stukken gesneden op eenigen afstand.De Witte-Gazelle stond een oogenblik verbijsterd bij dit gezicht, dat zij wel het allerminst had verwacht.»O!” mompelde zij woedend, »het is eene familie van duivels! Maar hoe is hij toch weggekomen? hoe heeft hij kunnen ontvluchten?”Toen ging zij aan ’t zoeken.»Die ellendige rekels slapen gerust,” zeide zij de twee krijgslieden ziende liggen, »terwijl de man dien zij in last hadden te bewaken, hier ver van daan is en hen uitlacht.”Zij schopte hen verachtelijk met den voet.»Luie honden!” riep zij, »wilt ge wel opstaan, de gevangene is voort.”De vermeende slapers verroerden zich niet,»O wee! wat beduidt dat?” riep zij.Zij bukte om hen van naderbij te beschouwen.Nu werd haar alles duidelijk.»Dood!” riep zij; »hij heeft hen vermoord! welk eene duivelsche macht moet dat bandietengeslacht bezitten.”Na een poosje verslagen te hebben staan kijken, richtte zij zichwoedend op, ijlde het kamp door en schreeuwde met een krijschende stem.»Op! op! krijgslieden, ontwaakt! de gevangene is ontsnapt!”Alles was oogenblikkelijk op de been gekomen. De Eenhoorn was een der eersten die zijne wapenen greep en haar te gemoet snelde om naar de oorzaak te vragen van dit ongewone geschreeuw.Met weinig woorden had de Witte-Gazelle hem op de hoogte gebracht en de Eenhoorn, nog woedender dan zij, wekte zijne krijgslieden op en verspreidde hen in alle richtingen om Nathan te vervolgen.Wij weten echter reeds dat de jonge Squatter ten minste vooreerst van hunne ijdele woede niets te duchten had.Deze wonderbare vlucht van een man uit een kamp vol krijgslieden, zonder door de schildwachten te zijn opgemerkt, was iets zoo buitengewoons, dat de Comanchen, bijgeloovig als alle Indianen hier aan eene werkelijke tusschenkomst van den boozen geest moesten denken.Intusschen was het geheele kamp in rep en roer; allen liepen naar alle kanten met brandende fakkels in de hand. De kring werd al grooter en grooter; de krijgslieden door ijver vervoerd, hadden het open kamp verlaten om zich in het bosch te begeven.Op eens verscheurde een doordringende kreet het luchtruim.Allen bleven als door een tooverslag staan.De Eekhoorn stiet nu een even scherpen en langdurigen kreet uit, in antwoord op den zooeven gehoorden; terwijl al de Comanchen zich er ten slotte mede vereenigden.»O! wat is dat?” vroeg de Witte-Gazelle.»Koutonepi! mijn broeder!” antwoordde de Eenhoorn lakoniek, terwijl hij zijn signaal herhaalde.»Snellen wij hem te gemoet!” riep zij uit.»Kom!” zei het opperhoofd.Zij ijlden onmiddellijk voort door een tiental krijgslieden gevolgd, en kwamen weldra onder den boom in welken Valentin en zijne kameraden zich bevonden.De jager zag hen aankomen; toen zij op korten afstand waren riep hij hun toe.»Waar zijt gij?” antwoordde de Eenhoorn.»Boven in dezen ceder!” riep Valentin, »blijf staan en zie!” De Indianen bleven staan en keken naar boven.»Ooah!” riep de Eenhoorn verwonderd, »wat doet mijn broeder daar?”»Ik zal het u zeggen; maar help mij eerst afklimmen; wij zijn hier niet gemakkelijk genoeg geplaatst om te praten, vooral over de zaken die ik u te vertellen heb, hoofdman.”»Goed; ik verwacht mijn broeder.”Valentin sloeg zijne lasso om een der takken en maakte aanstalten om zich naar beneden te laten glijden.Curumilla legde hem de hand op den schouder.»Wat wilt gij, hoofdman?” vroeg de jager.»Gaat mijn broeder naar omlaag?” hernam de Araucaan.»Zooals gij ziet,” riep Valentin hem de lasso wijzende.Curumilla schudde onvoldaan het hoofd.»De Roode-Ceder!” zeide hij.»Canarios!” riep de jager, zich op het voorhoofd kloppende, »daar dacht ik niet meer om! Ben ik dan gek geworden! Pardi! hoofdman, gij zijt een heerlijke vent, gij denkt aan alles; wacht even!”Valentin bukte, zette de handen als een roeper aan weerszijden van den mond.»Hoofdman!” riep hij.»Wat wil mijn broeder?” antwoordde de Eenhoorn.»Kom boven.”»Goed!”De Sachem greep de lasso, klom met krachtige vuisten naar boven en bereikte weldra den tak, waar Valentin en de jager hem ontvingen.»Hier ben ik!” zeide hij.»Welk toeval bracht u hier in het bosch zoo laat in den nacht?” vroeg de jager.De Eenhoorn vertelde hem in weinige woorden wat er gebeurd was.Bij dit verslag fronste Valentin de wenkbrauwen en deed op zijne beurt verslag van zijn wedervaren.»Dat wordt ernstig,” sprak de Eenhoorn hoofdschuddend.»Ja,” antwoordde Valentin; »uit alles blijkt, dat zij die wij zoeken, niet ver van hier kunnen zijn; misschien hooren zij ons zelfs.”»’t Is wel mogelijk,” mompelde de Eenhoorn; »maar wat kunnen wij er tegen doen, ’t is nog diep in den nacht.”»Goed! maar laten wij althans even slim zijn als zij. Hoeveel krijgslieden hebt gij daar beneden?”»Tien, denk ik.”»Goed. Zijn er ook eenigen onder daar gij u op zoudt kunnen verlaten?”»Op allen!” antwoordde de Sachem fier.»Ik spreek niet zoo zeer van hun moed, maar van hunne ervaring.”»Ooah!ik heb den Spinnekop.”»Dan weet ik wat ons te doen staat,” zei Valentin. »Laat hem boven komen en met uwe krijgslieden, over welke gij hem het kommando geeft, onze plaats vervangen; hij moet hier de linie van gemeenschap afsnijden, terwijl ik met mijne kameraden u volgen zal. Ik zou gaarne de plaats willen bezien waar uw gevangene is vastgebonden geweest.”Alles wat Valentin bevolen had werd uitgevoerd.De Spinnekop posteerde zich op de boomen, om met de tienkrijgslieden die hij onder zijn bevel had zorgvuldig wacht te houden; terwijl Valentin, voortaan verzekerd dat hij een onoverkomelijken slagboom tegen den Roode-Ceder had daargesteld, zich gereed maakte om met den Eenhoorn af te klimmen en naar het kamp te gaan.Curumilla hield hem nogmaals terug.»Waarom zoudt gij naar beneden gaan?” zeide hij.De Franschman kende zijn kameraad zoo goed, en was aan zijne wijze van spreken zoo gewoon, dat hij hem met een half woord begreep.»Het is waar,” zeide hij tegen den Eenhoorn, »laten wij liever over de boomen gaan van tak tot tak. Curumilla heeft gelijk; op deze wijze zullen wij den Squatter, zoo hij in dezen omtrek is, onfeilbaar ontdekken.”De Sachem der Comanchen boog ten bewijze van toestemming en zij gingen op marsch.De weg duurde niet lang.Zij marcheerden nauwelijks een half uur, toen Curumilla, die vooraan ging, eensklaps met een gesmoorden uitroep bleef staan.De jagers keken op, en op korten afstand ontwaarden zij eene groote zwarte massa, die onbezorgd heen en weer schommelde.»He!” riep Valentin; »wat is dat?”»Een beer,” antwoordde Curumilla.»Inderdaad,” zei don Pablo; »het is eene prachtige zwarte beer.”»Laten wij hem een kogel toezenden,” zei don Miguel.»Pas op, doe dat niet!” riep don Pablo met drift, »een geweerschot zou ons dadelijk ruchtbaar maken en aan hen die wij zoeken, de plaats verraden waar wij zijn.”»Ik zou hem toch gaarne meester worden,” merkte Valentin aan, »al was het alleen om zijn pels.”»Neen!” riep de Eenhoorn, die tot dusverre gezwegen had; »de beren zijn te goede neefjes van mijne familie.”»Dat is iets anders,” riep de jager, terwijl hij met moeite een spotachtigen lach smoorde.De Indianen in de prairie, wij meenen dit reeds gezegd te hebben, zijn zeer bijgeloovig. Onder andere stellen zij algemeen, dat zij uit zekere dieren afkomstig zijn, voor welke zij bij gevolg grooten eerbied koesteren; dit belet hen wel is waar niet om ze nu en dan, in geval van hongersnood, te dooden, maar tot eer van de Roodhuiden moeten wij zeggen dat zij op dit punt zeer bijzonder te werk gaan en hunne vermeende voorzaten nooit zullen neerschieten, zonder hun vooral duizendmaal verschooning gevraagd en met zoovele woorden gezegd te hebben, dat alleen gebrek aan voedsel hen noodzaakte om van dit uiterste middel tot levensonderhoud gebruik te maken.De Eenhoorn had echter op dit oogenblik geen levensmiddelennoodig, daar zijn kamp er ruim van voorzien was; hij ging dus jegens zijn neef den beer met de loffelijkste beleefdheid en eerbied te werk.Vooreerst boog hij voor hem en sprak hem eenige minuten lang op de vriendelijkste wijze toe. Intusschen bleef de beer onophoudelijk balanceeren zonder groot gewicht of aandacht aan zijn toespraak te schenken, integendeel scheen hij zich meer te vervelen dan gevleid te gevoelen door de komplimenten van zijn neef.De Sachem belgde zich weldra over deze ongemanierde onverschilligheid, wenkte den beer een laatste afscheid toe en ging verder.De kleine troep zette den tocht eenigen tijd in stilte voort.»Het maakt niet veel uit,” zei Valentin op eens; »maar zonder juist te weten waarom, zou ik de pels van uw neef gaarne gehad hebben, hoofdman.”»Ooah!” antwoordde de Eenhoorn, »er is overvloed van bisons in het kamp.”»Canarios! dat weet ik zeer goed,” riep de jager; »maar dat is hier de vraag niet.”»Wat dan?”»Ik weet het niet, maar die beer zag er min of meer verdacht uit; hij scheen mij niet van de goede soort.”»Spot mijn broeder er meê?”»Op mijn woord van eer niet, hoofdman; ik zweer u dat die knaap daar mij niet echt voorkomt; ik zou mij geen oogenblik bedenken om dadelijk terug te keeren en er het mijne van te hebben.”»Denkt mijn broeder dan dat de Eenhoorn een kind is en niet zou kunnen zien of hij een dier voor zich heeft of niet?” riep de Sachem hooghartig.»Pardi! ik zal mij wel wachten zoo iets te denken, hoofdman! ik weet gij zijt een krijgsman van groote ondervinding, maar de slimste kan zich wel eens bedriegen.”»Ooah!En wat denkt mijn broeder dan?”»Zal ik u mijn gevoelen ronduit zeggen?”»Ja, mijn broeder spreke vrijuit, hij is een groot jager, zijne kennis is onbeperkt.”»Welnu! en wat denkt gij dan van dien beer,” vroeg don Miguel.»Dat het de Roode-Ceder of een zijner zoons is,” antwoordde Valentin met drift.»Waarom veronderstelt gij dat?”»Vooreerst, omdat de beren op dit uur gewoonlijk naar de rivier gaan; maar gesteld dat deze er reeds geweest is, dan zult gij toch wel weten dat alle wilde dieren den mensch ontvluchten; dus zou hij, door het schitterend licht en het vervaarlijk geschreeuw in het anders altijd zoo stille bosch verschrikt, zich volgens zijn instinct, veeleer hebben zoeken te redden, hetgeen hij gemakkelijk had kunnen doen, dan hier voor onze oogen onbezorgd te staan dansen,bijna honderd voeten hoog in de lucht; des te meer daar de beren veel te slimme en zelfzuchtige dieren zijn om hun waard een kostelijke pels zoo dwaselijk op een takkenvloer te wagen zoo zwak en oneffen als waar hij stond te dribbelen; hoe meer ik er dus over denk, hoe meer ik mij overtuigd houd dat deze beer geen dier maar een mensch is.”De jagers en de Eenhoorn zelf, die met de meeste aandacht naar het gezegde geluisterd had, waren getroffen door de waarheid en juistheid zijner opmerkingen; duizend kleine bijzonderheden die zij anders nooit zouden hebben opgemerkt, kwamen hun thans in de gedachten en versterkten de vermoedens van den Franschman.»Het is zeer mogelijk,” riep don Miguel, »en wat mij betreft zou ik het bijna gelooven.”»Mijn hemel!” hervatte Valentin, »gij begrijpt dat men zich, ondanks zijne ondervinding, zeer gemakkelijk kan bedriegen in een nacht zoo donker als deze, vooral bij den vrij verren afstand waarop het dier zich bevond en door ons moest worden waargenomen; alleen hebben wij eene groote onvoorzichtigheid begaan, en ik wel het meest, dat wij ons niet nader van hem zochten te vergewissen.”»Ach! wat spreekt mijn broeder waar en goed,” riep de Indiaan, »hij heeft volkomen gelijk, de wijsheid woont in hem.”»Thans zal het te laat zijn om terug te keeren, de knaap zal nu wel vertrokken zijn zonder zijn deel te vragen,” zei Valentin nadenkend; »maar,” vervolgde hij terstond met een bespiedenden blik om zich heen, »waar is Curumilla?”Op hetzelfde oogenblik hoorden de jagers niet ver van hen af een sterk gekraak in de takken, gevolgd door een gesmoorden schreeuw.»Oho!” riep Valentin, »zou dat de beer kunnen zijn die zijne zaken doet?”Op eens hoorde men het geschreeuw van den ekster.»Dat is het signaal van Curumilla,” zei Valentin; »wat duivel of hij te doen heeft?”»Dat dienen wij te weten, en daarom onmiddellijk terug te keeren,” beweerde don Miguel.»Pardi! denkt gij dan dat ik mijn ouden kameraad ooit in den steek zou laten?” riep Valentin terstond antwoord gevende met een dergelijk signaal als dat van den Ulmen.»Gaan wij!” hernam don Miguel.De jagers keerden op hunne stappen terug, zoo snel als de smalle en gevaarlijke weg hun toeliet.Curumilla zat op zijn grootste gemak, in een dichten warklomp van takken en lianen, geheel onzichtbaar voor ieder die hem van beneden had willen bespieden, en lachte in zich zelven dat het schaterde.Curumilla te hooren lachen was iets zoo ongewoons en scheen op zulk een uur zoo ongerijmd, dat Valentin er van schrikte en in de eerste oogenblikken niet anders dacht dan dat zijn vriend waanzinnig was geworden.»Zeg eens, hoofdman,” riep hij, omzichtig naar alle kanten rondziende, »wilt gij mij ook zeggen waarom gij zoo lacht? Al is het niet om daarin uw voorbeeld te volgen, zou ik er toch gaarne de reden van weten.”Curumilla keek zijn vriend met een strakken en verstandigen blik aan en antwoordde op welvoldanen toon:»De Ulmen is vergenoegd.”»Dat zie ik wel,” hernam Valentin, »maar ik weet nog niet waarom, en dat maakt mij nieuwsgierig.”»Curumilla heeft den beer gedood,” zei de Araucaan deftig.»Zoo!” riep Valentin verwonderd.»Mijn broeder zie slechts, daar is de neef van den Sachem.”De Eenhoorn trok een ontevreden gezicht.Valentin en zijne vrienden volgden met belangstellende blikken de richting die de Araucaan hun aanwees.De lasso van Curumilla, stevig vastgemaakt aan den tak waarop de jagers stonden, hing in de ruimte beneden hen; aan het onderste einde balanceerde eene zwarte vormlooze massa.Dit was het lijk van den beer.Gedurende het gesprek dat de Eenhoorn straks met zijn vermeenden neef hield, had hij aandachtig de bewegingen van den dansenden beer bespied: even als Valentin de grimassen van het dier niet natuurlijk vond, had ook hij willen weten wat hij er van gelooven moest; bij gevolg had hij gewacht tot zijn vrienden zich verwijderden, alstoen het eene eind van zijne lasso aan een dikken tak vastgemaakt, en terwijl de beer, in den waan dat hij reeds van zijne vijanden ontslagen was, achteloos van zijn standpunt afdaalde, had de Indiaan hem allerbehendigst gelasseerd. Bij dezen onverhoedschen aanval had de beer gewankeld en het evenwicht verloren; kortom, hij was naar beneden gestort en ten slotte tusschen hemel en aarde blijven hangen, dank zij den loopenden knoop die hem om den hals zat, en die hem wel is waar belet had de beenen te breken, maar daarentegen binnen weinige sekonden had doen stikken.De jagers haastten zich om de lasso op te trekken.Allen brandden van verlangen om te weten of zij zich bedrogen hadden.Na eenige inspanning hadden zij het lijk van den beer naar boven gehaald.Valentin bukte met drift om hem te bekijken, maar rees oogenblikkelijk weder op.»Ik dacht het wel,” zeide hij met minachting.Hij schopte tegen het berenhoofd, de huid liet los en viel naar beneden, alleen het misvormd en loodblauw gelaat van Nathan achter zich latende.»O!” riepen zij, »Nathan!”»Ja,” hernam Valentin, »de oudste zoon van den Roode-Ceder.”»Dat iséén!”.… zei don Miguel somber.De arme Nathan was niet gelukkig met zijne maskerades; met de eerste ontkwam hij ter nauwernood den brandstapel; met de tweede werd hij gehangen.

De vlucht van Nathan was door een zonderling toeval ontdekt.

De Comanchen zijn evenmin als de andere Indianen gewoon om des nachts patrouille te maken of de posten te bezoeken, al zulke uitvindingen der beschaafde volken zijn in de prairie geheel onbekend. Naar alle waarschijnlijkheid zouden dus de Indianen niet voor de dag aankwam bemerkt hebben dat hun gevangene verdwenen was.

Nathan rekende hierop. Hij was met de gebruiken der Indianen te goed bekend om niet te weten waaraan hij zich te dien aanzien te houden had. Maar hij had gerekend buiten den haat, die altijd waakzame schildwacht, die door geen macht is in slaap te wiegen.

Een uur ongeveer na de zoo gelukkig volvoerde vlucht van den jongen Squatter, was de Witte-Gazelle hetzij door koude wakker geworden of meer waarschijnlijk uit verlangen om zich te verzekeren of de gevangene wel goed bewaakt werd en onmogelijk zou kunnen ontsnappen, het kamp rond gegaan, hier en daar over de slapende krijgslieden heenstappende en zich zoo goed of kwaad mogelijk in de duisternis een weg banende; want de meeste kampvuren waren reeds uitgedoofd en die nog brandden verspreidden slechts een onzeker licht; maar gedreven door dat gevoel van haat dat zijne noodlottige dienaars vaak maar al te getrouw den weg wijst, had zij zich eindelijk in dit verwarde doolhof thuis gevonden en den boom bereikt waar zij dacht dat de gevangene aan vast gebonden zat.

De boom stond verlaten; de touwen die voor Nathan gediend hadden, lagen in stukken gesneden op eenigen afstand.

De Witte-Gazelle stond een oogenblik verbijsterd bij dit gezicht, dat zij wel het allerminst had verwacht.

»O!” mompelde zij woedend, »het is eene familie van duivels! Maar hoe is hij toch weggekomen? hoe heeft hij kunnen ontvluchten?”

Toen ging zij aan ’t zoeken.

»Die ellendige rekels slapen gerust,” zeide zij de twee krijgslieden ziende liggen, »terwijl de man dien zij in last hadden te bewaken, hier ver van daan is en hen uitlacht.”

Zij schopte hen verachtelijk met den voet.

»Luie honden!” riep zij, »wilt ge wel opstaan, de gevangene is voort.”

De vermeende slapers verroerden zich niet,

»O wee! wat beduidt dat?” riep zij.

Zij bukte om hen van naderbij te beschouwen.

Nu werd haar alles duidelijk.

»Dood!” riep zij; »hij heeft hen vermoord! welk eene duivelsche macht moet dat bandietengeslacht bezitten.”

Na een poosje verslagen te hebben staan kijken, richtte zij zichwoedend op, ijlde het kamp door en schreeuwde met een krijschende stem.

»Op! op! krijgslieden, ontwaakt! de gevangene is ontsnapt!”

Alles was oogenblikkelijk op de been gekomen. De Eenhoorn was een der eersten die zijne wapenen greep en haar te gemoet snelde om naar de oorzaak te vragen van dit ongewone geschreeuw.

Met weinig woorden had de Witte-Gazelle hem op de hoogte gebracht en de Eenhoorn, nog woedender dan zij, wekte zijne krijgslieden op en verspreidde hen in alle richtingen om Nathan te vervolgen.

Wij weten echter reeds dat de jonge Squatter ten minste vooreerst van hunne ijdele woede niets te duchten had.

Deze wonderbare vlucht van een man uit een kamp vol krijgslieden, zonder door de schildwachten te zijn opgemerkt, was iets zoo buitengewoons, dat de Comanchen, bijgeloovig als alle Indianen hier aan eene werkelijke tusschenkomst van den boozen geest moesten denken.

Intusschen was het geheele kamp in rep en roer; allen liepen naar alle kanten met brandende fakkels in de hand. De kring werd al grooter en grooter; de krijgslieden door ijver vervoerd, hadden het open kamp verlaten om zich in het bosch te begeven.

Op eens verscheurde een doordringende kreet het luchtruim.

Allen bleven als door een tooverslag staan.

De Eekhoorn stiet nu een even scherpen en langdurigen kreet uit, in antwoord op den zooeven gehoorden; terwijl al de Comanchen zich er ten slotte mede vereenigden.

»O! wat is dat?” vroeg de Witte-Gazelle.

»Koutonepi! mijn broeder!” antwoordde de Eenhoorn lakoniek, terwijl hij zijn signaal herhaalde.

»Snellen wij hem te gemoet!” riep zij uit.

»Kom!” zei het opperhoofd.

Zij ijlden onmiddellijk voort door een tiental krijgslieden gevolgd, en kwamen weldra onder den boom in welken Valentin en zijne kameraden zich bevonden.

De jager zag hen aankomen; toen zij op korten afstand waren riep hij hun toe.

»Waar zijt gij?” antwoordde de Eenhoorn.

»Boven in dezen ceder!” riep Valentin, »blijf staan en zie!” De Indianen bleven staan en keken naar boven.

»Ooah!” riep de Eenhoorn verwonderd, »wat doet mijn broeder daar?”

»Ik zal het u zeggen; maar help mij eerst afklimmen; wij zijn hier niet gemakkelijk genoeg geplaatst om te praten, vooral over de zaken die ik u te vertellen heb, hoofdman.”

»Goed; ik verwacht mijn broeder.”

Valentin sloeg zijne lasso om een der takken en maakte aanstalten om zich naar beneden te laten glijden.

Curumilla legde hem de hand op den schouder.

»Wat wilt gij, hoofdman?” vroeg de jager.

»Gaat mijn broeder naar omlaag?” hernam de Araucaan.

»Zooals gij ziet,” riep Valentin hem de lasso wijzende.

Curumilla schudde onvoldaan het hoofd.

»De Roode-Ceder!” zeide hij.

»Canarios!” riep de jager, zich op het voorhoofd kloppende, »daar dacht ik niet meer om! Ben ik dan gek geworden! Pardi! hoofdman, gij zijt een heerlijke vent, gij denkt aan alles; wacht even!”

Valentin bukte, zette de handen als een roeper aan weerszijden van den mond.

»Hoofdman!” riep hij.

»Wat wil mijn broeder?” antwoordde de Eenhoorn.

»Kom boven.”

»Goed!”

De Sachem greep de lasso, klom met krachtige vuisten naar boven en bereikte weldra den tak, waar Valentin en de jager hem ontvingen.

»Hier ben ik!” zeide hij.

»Welk toeval bracht u hier in het bosch zoo laat in den nacht?” vroeg de jager.

De Eenhoorn vertelde hem in weinige woorden wat er gebeurd was.

Bij dit verslag fronste Valentin de wenkbrauwen en deed op zijne beurt verslag van zijn wedervaren.

»Dat wordt ernstig,” sprak de Eenhoorn hoofdschuddend.

»Ja,” antwoordde Valentin; »uit alles blijkt, dat zij die wij zoeken, niet ver van hier kunnen zijn; misschien hooren zij ons zelfs.”

»’t Is wel mogelijk,” mompelde de Eenhoorn; »maar wat kunnen wij er tegen doen, ’t is nog diep in den nacht.”

»Goed! maar laten wij althans even slim zijn als zij. Hoeveel krijgslieden hebt gij daar beneden?”

»Tien, denk ik.”

»Goed. Zijn er ook eenigen onder daar gij u op zoudt kunnen verlaten?”

»Op allen!” antwoordde de Sachem fier.

»Ik spreek niet zoo zeer van hun moed, maar van hunne ervaring.”

»Ooah!ik heb den Spinnekop.”

»Dan weet ik wat ons te doen staat,” zei Valentin. »Laat hem boven komen en met uwe krijgslieden, over welke gij hem het kommando geeft, onze plaats vervangen; hij moet hier de linie van gemeenschap afsnijden, terwijl ik met mijne kameraden u volgen zal. Ik zou gaarne de plaats willen bezien waar uw gevangene is vastgebonden geweest.”

Alles wat Valentin bevolen had werd uitgevoerd.

De Spinnekop posteerde zich op de boomen, om met de tienkrijgslieden die hij onder zijn bevel had zorgvuldig wacht te houden; terwijl Valentin, voortaan verzekerd dat hij een onoverkomelijken slagboom tegen den Roode-Ceder had daargesteld, zich gereed maakte om met den Eenhoorn af te klimmen en naar het kamp te gaan.

Curumilla hield hem nogmaals terug.

»Waarom zoudt gij naar beneden gaan?” zeide hij.

De Franschman kende zijn kameraad zoo goed, en was aan zijne wijze van spreken zoo gewoon, dat hij hem met een half woord begreep.

»Het is waar,” zeide hij tegen den Eenhoorn, »laten wij liever over de boomen gaan van tak tot tak. Curumilla heeft gelijk; op deze wijze zullen wij den Squatter, zoo hij in dezen omtrek is, onfeilbaar ontdekken.”

De Sachem der Comanchen boog ten bewijze van toestemming en zij gingen op marsch.

De weg duurde niet lang.

Zij marcheerden nauwelijks een half uur, toen Curumilla, die vooraan ging, eensklaps met een gesmoorden uitroep bleef staan.

De jagers keken op, en op korten afstand ontwaarden zij eene groote zwarte massa, die onbezorgd heen en weer schommelde.

»He!” riep Valentin; »wat is dat?”

»Een beer,” antwoordde Curumilla.

»Inderdaad,” zei don Pablo; »het is eene prachtige zwarte beer.”

»Laten wij hem een kogel toezenden,” zei don Miguel.

»Pas op, doe dat niet!” riep don Pablo met drift, »een geweerschot zou ons dadelijk ruchtbaar maken en aan hen die wij zoeken, de plaats verraden waar wij zijn.”

»Ik zou hem toch gaarne meester worden,” merkte Valentin aan, »al was het alleen om zijn pels.”

»Neen!” riep de Eenhoorn, die tot dusverre gezwegen had; »de beren zijn te goede neefjes van mijne familie.”

»Dat is iets anders,” riep de jager, terwijl hij met moeite een spotachtigen lach smoorde.

De Indianen in de prairie, wij meenen dit reeds gezegd te hebben, zijn zeer bijgeloovig. Onder andere stellen zij algemeen, dat zij uit zekere dieren afkomstig zijn, voor welke zij bij gevolg grooten eerbied koesteren; dit belet hen wel is waar niet om ze nu en dan, in geval van hongersnood, te dooden, maar tot eer van de Roodhuiden moeten wij zeggen dat zij op dit punt zeer bijzonder te werk gaan en hunne vermeende voorzaten nooit zullen neerschieten, zonder hun vooral duizendmaal verschooning gevraagd en met zoovele woorden gezegd te hebben, dat alleen gebrek aan voedsel hen noodzaakte om van dit uiterste middel tot levensonderhoud gebruik te maken.

De Eenhoorn had echter op dit oogenblik geen levensmiddelennoodig, daar zijn kamp er ruim van voorzien was; hij ging dus jegens zijn neef den beer met de loffelijkste beleefdheid en eerbied te werk.

Vooreerst boog hij voor hem en sprak hem eenige minuten lang op de vriendelijkste wijze toe. Intusschen bleef de beer onophoudelijk balanceeren zonder groot gewicht of aandacht aan zijn toespraak te schenken, integendeel scheen hij zich meer te vervelen dan gevleid te gevoelen door de komplimenten van zijn neef.

De Sachem belgde zich weldra over deze ongemanierde onverschilligheid, wenkte den beer een laatste afscheid toe en ging verder.

De kleine troep zette den tocht eenigen tijd in stilte voort.

»Het maakt niet veel uit,” zei Valentin op eens; »maar zonder juist te weten waarom, zou ik de pels van uw neef gaarne gehad hebben, hoofdman.”

»Ooah!” antwoordde de Eenhoorn, »er is overvloed van bisons in het kamp.”

»Canarios! dat weet ik zeer goed,” riep de jager; »maar dat is hier de vraag niet.”

»Wat dan?”

»Ik weet het niet, maar die beer zag er min of meer verdacht uit; hij scheen mij niet van de goede soort.”

»Spot mijn broeder er meê?”

»Op mijn woord van eer niet, hoofdman; ik zweer u dat die knaap daar mij niet echt voorkomt; ik zou mij geen oogenblik bedenken om dadelijk terug te keeren en er het mijne van te hebben.”

»Denkt mijn broeder dan dat de Eenhoorn een kind is en niet zou kunnen zien of hij een dier voor zich heeft of niet?” riep de Sachem hooghartig.

»Pardi! ik zal mij wel wachten zoo iets te denken, hoofdman! ik weet gij zijt een krijgsman van groote ondervinding, maar de slimste kan zich wel eens bedriegen.”

»Ooah!En wat denkt mijn broeder dan?”

»Zal ik u mijn gevoelen ronduit zeggen?”

»Ja, mijn broeder spreke vrijuit, hij is een groot jager, zijne kennis is onbeperkt.”

»Welnu! en wat denkt gij dan van dien beer,” vroeg don Miguel.

»Dat het de Roode-Ceder of een zijner zoons is,” antwoordde Valentin met drift.

»Waarom veronderstelt gij dat?”

»Vooreerst, omdat de beren op dit uur gewoonlijk naar de rivier gaan; maar gesteld dat deze er reeds geweest is, dan zult gij toch wel weten dat alle wilde dieren den mensch ontvluchten; dus zou hij, door het schitterend licht en het vervaarlijk geschreeuw in het anders altijd zoo stille bosch verschrikt, zich volgens zijn instinct, veeleer hebben zoeken te redden, hetgeen hij gemakkelijk had kunnen doen, dan hier voor onze oogen onbezorgd te staan dansen,bijna honderd voeten hoog in de lucht; des te meer daar de beren veel te slimme en zelfzuchtige dieren zijn om hun waard een kostelijke pels zoo dwaselijk op een takkenvloer te wagen zoo zwak en oneffen als waar hij stond te dribbelen; hoe meer ik er dus over denk, hoe meer ik mij overtuigd houd dat deze beer geen dier maar een mensch is.”

De jagers en de Eenhoorn zelf, die met de meeste aandacht naar het gezegde geluisterd had, waren getroffen door de waarheid en juistheid zijner opmerkingen; duizend kleine bijzonderheden die zij anders nooit zouden hebben opgemerkt, kwamen hun thans in de gedachten en versterkten de vermoedens van den Franschman.

»Het is zeer mogelijk,” riep don Miguel, »en wat mij betreft zou ik het bijna gelooven.”

»Mijn hemel!” hervatte Valentin, »gij begrijpt dat men zich, ondanks zijne ondervinding, zeer gemakkelijk kan bedriegen in een nacht zoo donker als deze, vooral bij den vrij verren afstand waarop het dier zich bevond en door ons moest worden waargenomen; alleen hebben wij eene groote onvoorzichtigheid begaan, en ik wel het meest, dat wij ons niet nader van hem zochten te vergewissen.”

»Ach! wat spreekt mijn broeder waar en goed,” riep de Indiaan, »hij heeft volkomen gelijk, de wijsheid woont in hem.”

»Thans zal het te laat zijn om terug te keeren, de knaap zal nu wel vertrokken zijn zonder zijn deel te vragen,” zei Valentin nadenkend; »maar,” vervolgde hij terstond met een bespiedenden blik om zich heen, »waar is Curumilla?”

Op hetzelfde oogenblik hoorden de jagers niet ver van hen af een sterk gekraak in de takken, gevolgd door een gesmoorden schreeuw.

»Oho!” riep Valentin, »zou dat de beer kunnen zijn die zijne zaken doet?”

Op eens hoorde men het geschreeuw van den ekster.

»Dat is het signaal van Curumilla,” zei Valentin; »wat duivel of hij te doen heeft?”

»Dat dienen wij te weten, en daarom onmiddellijk terug te keeren,” beweerde don Miguel.

»Pardi! denkt gij dan dat ik mijn ouden kameraad ooit in den steek zou laten?” riep Valentin terstond antwoord gevende met een dergelijk signaal als dat van den Ulmen.

»Gaan wij!” hernam don Miguel.

De jagers keerden op hunne stappen terug, zoo snel als de smalle en gevaarlijke weg hun toeliet.

Curumilla zat op zijn grootste gemak, in een dichten warklomp van takken en lianen, geheel onzichtbaar voor ieder die hem van beneden had willen bespieden, en lachte in zich zelven dat het schaterde.

Curumilla te hooren lachen was iets zoo ongewoons en scheen op zulk een uur zoo ongerijmd, dat Valentin er van schrikte en in de eerste oogenblikken niet anders dacht dan dat zijn vriend waanzinnig was geworden.

»Zeg eens, hoofdman,” riep hij, omzichtig naar alle kanten rondziende, »wilt gij mij ook zeggen waarom gij zoo lacht? Al is het niet om daarin uw voorbeeld te volgen, zou ik er toch gaarne de reden van weten.”

Curumilla keek zijn vriend met een strakken en verstandigen blik aan en antwoordde op welvoldanen toon:

»De Ulmen is vergenoegd.”

»Dat zie ik wel,” hernam Valentin, »maar ik weet nog niet waarom, en dat maakt mij nieuwsgierig.”

»Curumilla heeft den beer gedood,” zei de Araucaan deftig.

»Zoo!” riep Valentin verwonderd.

»Mijn broeder zie slechts, daar is de neef van den Sachem.”

De Eenhoorn trok een ontevreden gezicht.

Valentin en zijne vrienden volgden met belangstellende blikken de richting die de Araucaan hun aanwees.

De lasso van Curumilla, stevig vastgemaakt aan den tak waarop de jagers stonden, hing in de ruimte beneden hen; aan het onderste einde balanceerde eene zwarte vormlooze massa.

Dit was het lijk van den beer.

Gedurende het gesprek dat de Eenhoorn straks met zijn vermeenden neef hield, had hij aandachtig de bewegingen van den dansenden beer bespied: even als Valentin de grimassen van het dier niet natuurlijk vond, had ook hij willen weten wat hij er van gelooven moest; bij gevolg had hij gewacht tot zijn vrienden zich verwijderden, alstoen het eene eind van zijne lasso aan een dikken tak vastgemaakt, en terwijl de beer, in den waan dat hij reeds van zijne vijanden ontslagen was, achteloos van zijn standpunt afdaalde, had de Indiaan hem allerbehendigst gelasseerd. Bij dezen onverhoedschen aanval had de beer gewankeld en het evenwicht verloren; kortom, hij was naar beneden gestort en ten slotte tusschen hemel en aarde blijven hangen, dank zij den loopenden knoop die hem om den hals zat, en die hem wel is waar belet had de beenen te breken, maar daarentegen binnen weinige sekonden had doen stikken.

De jagers haastten zich om de lasso op te trekken.

Allen brandden van verlangen om te weten of zij zich bedrogen hadden.

Na eenige inspanning hadden zij het lijk van den beer naar boven gehaald.

Valentin bukte met drift om hem te bekijken, maar rees oogenblikkelijk weder op.

»Ik dacht het wel,” zeide hij met minachting.

Hij schopte tegen het berenhoofd, de huid liet los en viel naar beneden, alleen het misvormd en loodblauw gelaat van Nathan achter zich latende.

»O!” riepen zij, »Nathan!”

»Ja,” hernam Valentin, »de oudste zoon van den Roode-Ceder.”

»Dat iséén!”.… zei don Miguel somber.

De arme Nathan was niet gelukkig met zijne maskerades; met de eerste ontkwam hij ter nauwernood den brandstapel; met de tweede werd hij gehangen.


Back to IndexNext