FRANS NETSCHER

[Illustratie: FRANS NETSCHER]

"Misschien weet u, dat ik in mijn jonge jaren nogal wat te danken heb gehad aan Jan ten Brink, die toen mijn leeraar was aan de H.B.S. in den Haag. Eerst ging ik school te Gorkum, en toen ik daar in de derde klas van de H.B.S. zat begon ik te schrijven. Van dat echte Hollandsche polderland, dat ik daar in den omtrek te zien kreeg, heb ik zoo een dingetje gemaakt en ik was heel blij, toen dat als feuilleton werd opgenomen in een plaatselijk blaadje, "De Gorkumsche Courant", hiette dat, geloof ik.

"Maar op de H.B.S. in den Haag dan, daar werden Ten Brink en A.W. Stellwagen de mannen, van wie ik leerde. Couperus was daar gelijk met mij; wij woonden dicht bij elkander, onze famieljes gingen met elkaar om en wij liepen 's middags na schooltijd met z'n twee in de Boschjes. Daar kwamen we Vosmaer nog al eens tegen,—die had toen juist zijn "Amazone" geschreven. En ook Emants, die we van aanzien kenden. We wisten zoo, dat 't Emants was, he? Die "wandelde" altijd alsof hij heel haastig ergens naar toe moest.—"

"Goed! De man nu, die ons 't eerst er toe bracht, wat meer na te denken over kunst en zoo, dat was mijn neef Kolff, die niet erg bekend is, maar enorm veel heeft gedaan. Hij was de eerste, die—in "Het Vaderland"—De Bock, Maris en Mauve dorst verdedigen, die op de tentoonstellingen werden uitgelachen. Ook nam hij 't op voor Wagner, en was een van de eerste pelgrims naar Bayreuth. Hij las Zola al, voordat iemand bij ons er aan dacht, en ik bewaar nog altijd een pak brieven die Zola hem heeft gestuurd. Nu, die man dan dineerde eens in de week bij ons en dan kwam 't gesprek vanzelf op allerlei nieuwe dingen in literatuur en kunst. We zaten toen ook in een club "'t Vlondertje" hiette die; daar zaten dezelfde lui in als in de "Nederlandsche Spectator-Club", die bij Nijhoff vergaderde; je had daar ook Willem Maris, Boele van Hensbroek … enfin een massa lui uit dien tijd. Die club kwam bijeen in een bierhuisje in de Kettingstraat, daar schonken ze heel lekker Duitsch bier. En naderhand verhuisden we naar Linken, een koffiehuis in de Spuistraat. In de pauze zag je daar dan ook de kamerleden komen om hun bittertje te drinken. Ik herinner mij nog levendig, dat Schaepman er dikwijls verscheen: een man als een boom; en een ander bekend Kamerlid, nogal klein van stuk en schraal, hoor ik met een dun stemmetje vragen: "Wat zult u gebruiken? meneer Schaepman"; en die reus bromde dan met zijn zware stem: "Geef me nog maar een grokkie!—""

Mijn moeder vertelde dat Zola zoo gemeen was en mijn neef Kolff sprak dat tegen. Dat wekte mij op, hem ook eens te gaan lezen…. Toevallig vond ik zoo den schrijver, die uitte wat ik onbewust in me had…. Ja, die collectie brieven, daar heb ik nog eens een gedeelte van willen publiceeren, met aanteekeningen, in "De Gids"—die waar de geschiedenis van zijn romans inkomt. Maar Van Hall zei: "Doe 't niet, want Van Hamel gaat er een studie over schrijven".

Op die wijze, en ook door Ten Brink, ben ik aan 't lezen van Zola gegaan en van zelf kwam ik toen op Flaubert, Balzac, de Goncourt's, Huysman en de heele cenacle van Medan.

Ik ging toen op de cursus van Steger, bij de stenographische inrichting van de Staten-Generaal, want ik zocht een bijbaantje…. Keller en Johan Gram waren ook stenograaf geweest en ik dacht: schrijven en stenograaf-zijn gaat heel goed samen. Toen de cursus was afgeloopen, kreeg ik verlof om mij verder te oefenen op de tribune, en terwijl ik daar zat bedacht ik de schets: "Een woelige dag in de Kamer": het eerste stuk van mij dat de aandacht trok.

Ten Brink werd door minister Heemskerk tot professor benoemd en ook te Leiden ben ik hem blijven volgen. Samen met Schimmel was hij redacteur van "Nederland" en toen hij mijn stukje had gelezen, zei hij: "Geef mij dat voor "Nederland", maar zet er je naam niet bij, anders krijg je last met de menschen in de Kamer". En het verscheen onder 't pseudoniemH. van den Berg.

In dien tijd, bij Linken, had ik ook Ary Prins leeren kennen en die zei op een goeie dag: "Hei-je dat gelezen in 't "Amsterdammer Weekblad?"" (dat hiette toen nog niet "De Groene".) Daar stond een stuk in van Van Deyssel, die met mijn schets in "Nederland" heel ingenomen was.

Mijn eerste bundel schetsen kwam nu spoedig bijeen. Ik schreef er nog meer "Studies naar het naakt model," naturalistisch, eenvoudig, waarin ik trachtte in voor 't oog onbeduidende menschen het interessante te zien. Die waren bij Mouton in den Haag verschenen, en Josselin de Jong had er teekeningen bij gemaakt…. Curieus is, dat ik een exemplaar met inscriptie, aan Jan ten Brink ten geschenke gegeven, twee jaar geleden weer in handen kreeg. Henri Dekking snuffelde in Rotterdam in 't stalletje van een boekenjood en vond daar 't boekje, met aanteekeningen van Ten Brink voorzien.—Daarin vindt u ook een jodenschetsje: "Wat zal er van worden?…" Bij de Nieuwe Kerk in den Haag zat in mijn jongen tijd een oud vrouwtje, met vijgenen zoo; ik kwam daar dikwijls voorbij en moest dan denken aan een klein meisje, dat met haar zat. Zoo kwam dat schetsje in de wereld. Ik weet dat Israels daar verschrikkelijk mee was ingenomen. Jaren nadien zei hij me. "Ik heb nog eens zoo'n mooi ding van je gelezen."

Die bundel, de eerste van dat genre in ons land, was in twee, drie weken heelemaal uitverkocht, en onmiddellijk daarop kwam de tweede druk. En daar werd me Van Deyssel ineens wakker. Hij schreef een geweldigen aanval tegen me—een van de mooiste dingen, die hij ooit gemaakt heeft.

In de Kamer zat ik nog steeds op de tribune en maakte onder de hand mijn "Parlementaire portretten". Ik had tot buurman den toenmaligen hoofd-redacteur van "Het Vaderland", nu een van de directeuren van de Rijksverzekeringsbank. "Wil u dat misschien voor uw blad hebben?" vroeg ik 'm. Nu, hij vond 't stuk wel aardig, maar een beetje persoonlijk, en hij wou er liever niet aan. Toen ging ik er mee naar Jan C. de Vos, indertijd Hoofd-redacteur van de "Haagsche Courant" en, met Van Nouhuys, redacteur van "De Lantaren". "Jan C.", zeg 'k tegen 'm, "daar heb ik een dingetje gemaakt en dat willen ze aan 't Vaderland niet hebben". En Jan C., zooals die geschapen was, stoof op en riep: "Godv…. wat een flauwe kul is dat nu!" En hij drukt op een belletje. "He-je 't bij je?"—"Ja".—"Hier" zeid'-ie tegen den zetter, "onmiddellijk zetten."—"Moet je 't niet eerst lezen?"—"Nee, 't zal wel goed zijn."—Het is toen verschenen in "De Lantaren" en vanaf de tribune zag ik de geachte afgevaardigden zitten met een nummer waar 't in stond. "Het Vaderland" drukte 't toen toch af, met "Overgenomen uit "De Lantaren."" er bij. Nu was-ie gedekt!

Daarna zijn er nog andere parlementaire portretten gekomen en in 1889 gaf Warendorff den eersten bundel "In en om de Tweede Kamer" uit, waarvan hetzelfde jaar een tweede druk verscheen.

Intusschen werd de "Nieuwe Gids" opgericht. Paap was een vriend van me en in Amsterdam, op de Stadhouderskade geloof ik, heb ik bij hem gelogeerd. Daar maakte ik kennis met Van Eeden en Van Deyssel … o … o! dat was een vreemde tijd … we waren nog jong … jong en woelig, zal ik maar zeggen.

In een van de eerste afleveringen van "De Nieuwe Gids" schreef ik de schets "Herfst in 't woud". Dat was toen iets! Er stond in … de boomen, daar loopt van dat sap langs, he? Nu, dat had ik "snotterig" genoemd. Verbeel' je! Smit Kleine schreef daar een parodie op: "Voorjaar in 't woud".

Daarna kwam "Miss Nelly", de beschrijving van een Engelsche meid, zooals die stond te zingen in een tingel-tangel … met al dat licht en die sigarenrook … "Wip-billend" en "wieg-heupend" had ik daarin gezet … dat waren toen nieuwe woorden. Ik heb toen voor 't eerst die malle woorden gebruikt, en daar is een storm van lol over opgegaan. Ik geloof dat 't toen Prof. Kalff is geweest, die daar met een ernstig gezicht een betoog over heeft gehouden. Moet dat niet zijn: "bil-wippend" en "heup-wiegend?" "Neen," zei ik, "dan ken je je taal niet, want je gebruikt toch zonder blikken of blozen woorden als "knipoogend."" Dat heb ik hem onder zijn neus gedauwd. Natuurlijk kwamen er weer allerlei parodieen … maar tegenwoordig vindt men niets byzonders meer in die manier van schrijven.

In die dagen was het Justus van Maurik voor en Justus van Maurik na. En toen heb ik een critiek geschreven op het valsche sentiment van dien man, die het volk heelemaal niet kende, en het evenmin teekende als Cremer boertjes teekende. Hij speculeerde op de goedkoope tranen van de burgerlui. En nu is een aardige byzonderheid wel deze: In den Haag daar had je en 't bestaat nog, het genootschap "Oefening kweekt kennis", waar allerlei professoren in gezeten hebben. Daar hielden ze in eere de gewoonte van "Het servetje": als er een spreker geweest was, werd er een soupee'tje gehouden, en meneeren die al 25 jaar in de club zaten, kwamen daar om 12 uur 's nachts borden erwtesoep en zware biefstukken met zware potten bier gebruiken. Nu zeiden wij: "Nee, hoor is, je artisten moet je goed betalen en eten dat moet je thuis doen." Maar er kwam geen verandering en de heeren kozen telkens dezelfde lui in 't bestuur. Toen besloten wij revolutie te maken. Op een mooien avond kwamen wij met z'n tachtigen ter vergadering. Dat overrompelde als 't ware het bestuur. En al de lui die 25 jaar lang zware biefstukken hadden genuttigd, die gingen d'r pardoes uit en ik kwam er o.a. in. Ik was een-en-twintig. Ik herinner mij nog dat de heele zaal opstond om mij achter den spreker te zien binnenkomen. Nu dan, Justus zou komen spreken en net was die critiek van mij verschenen. En hij schreef aan Campbell, directeur van de Koninkl. Bibliotheek, of die niet kon maken, dat ik wegbleef, want anders wou hij niet komen. Kinderachtig, he? Zoo waren de menschen toen. Ik kwam er achter en toen heb ik hem een brieffie gestuurd, dat als ie alleen kwam voor die vijf-en-twintig pop, ik me wel niet zou vertoonen, die avond.

Daar valt me nog een avontuur in: Van Eeden zou komen spreken en hij dineerde in Den Haag bij mijn moeder en mij.

—"Kan ik zoo naar "Oefening" gaan?" vroeg ie. Hij was als student gekleed in een gewoon colbertje. "Ben je mal, kerel? Ze lachen je uit!" Van Eeden natuurlijk ten einde raad, en het slot was dat hij mijn gekleede-jas zoolang aan kreeg. Nu ageerden wij in dien tijd nog tegen "het servetje" en als ik een spreker te pakken kon krijgen, dan stookte ik hem altijd op om niet mee te soupeeren. Maar 't gekke was, dat Van Eeden erg hield van lekker eten en na afloop had-ie zoo'n trek, dat-ie toch wou gaan. "Ho jonge", zei ik, "da's niet afgesproken. Wil jij zware biefstukke nuttigen, ga dan je gang. Maar dan ook op staande voet mijn gekleede-jas terug!"

Met mijn tweeden bundel, "Menschen om ons" heb ik een naar avontuur beleefd. Kort na de verschijning ging de uitgever failliet. Voor de "Witte" in den Haag stonden ze met zoo'n open handwagentje te venten. Een kwartje een heel boek. Het is dan ook nooit herdrukt. Jammer, sommige van mijn beste dingen stonden er in.

Dan heb ik nog geschreven een brochure tegen Van der Goes. Die had Ten Brink aangevallen en ik betoogde dat er in Ten Brink, bij al zijn fouten, veel was dat ik kon waardeeren, dat hij in veel zaken onze voorganger was.

U moet weten dat ik stam uit een oude ambtenaars-famieje en dat mijn vader resident is geweest in Indie. Nu, mijn moeder werd hier ongesteld en moest voor haar gezondheid terug, naar Indie, he? Ik heb haar weggebracht over Parijs en toen ik daar eenmaal was, heb ik geprofiteerd van de gelegenheid om kennis te maken met de naturalistische beweging, en o.a. met Zola, daar ik jarenlang mee had gecorrespondeerd (ik heb nog al zijn boeken met inschriften van zijn hand), met Huysmans en Paul Marguerite. Net in dien tijd was van Zola's "Germinal" een tooneelstuk gemaakt,—U weet—die verschillende bewerkingen gebeurden onder zijn toezicht. Maar met "Germinal" was hij niets ingenomen. "Och," zei hij, "ga er niet heen, je hebt er niets aan."

Huysmans,—ja dat is een goeie mop,—die was ambtenaar aan een ministerie, en daar had-ie de afdeeling: "Slachtoffers van de coup d'etat van 1852". Ik kwam hem eens van zijn bureau halen: we zouden saam dineeren. En toen ik binnenkwam, zag ik dat ie haastig iets wegmoffelde onder een buvard. "O, ben jij 't", zeid'-ie, "neem me niet kwalijk, ik zat juist voor me zelf te werken".—

"Heb je dan zoo weinig te doen?"

—"Weinig? M'n chef hier naastaan zit kalm te werken aan de"Dictionnaire Larousse.""

Ik heb van Huysmans in dien tijd veel geleerd. Ik ging toen ook aan de studie van psychologie, en ik las vooral Claude Bernard. Dat was onze man. Of die wetenschap mij later te pas is gekomen, en mij geholpen heeft de menschen beter te begrijpen, dat zou ik niet kunnen zeggen. Misschien is mijn inzicht ook wel altijd intuitief geweest.

Op een goeie dag ontdekte ik in een boekwinkel een werk van George Moore, den Engelschen Zola. Ik trad met hem in correspondentie en schreef in de ouwe "Gids" een artikel over hem, dat nogal opgang maakte. Curieus is wel,—de boekhandelaar vertelde me dat,—dat naar aanleiding van mijn Gids-artikel iemand uit 't Koninklijk Paleis,—U weet, zoo'n mosterdman met een enorme beremuts,—die was komen vragen naar de werken van Moore. Het naturalisme werd dus ook wel in hoogere kringen gelezen.

Laat ik u nog even wijzen op mijn tooneelkritiek in "De Amsterdammer" en mijn raadsverslagen in de "Haagsche Crt." toen Jan C. daar in zat. U in uw werkkring kent misschien ook wel de zoogenaamde "bedstee" die in de raadszaal van onze residentie voor perstribune dient. Daar heb ik ook … gebruik van gemaakt. En dan noem ik U nog een bundel schetsen: "Uit ons Parlement".

Toen ben ik begonnen aan mijn eersten roman: "Egoisme", een Haagsch verhaal in twee deelen, dat in 1893 verscheen. Wat die roman in had, kan ik u in een paar woorden zeggen: Als je wat ouwer wordt, he? en je hebt bovendien wat studie van 't onderwerp gemaakt, dan ga je 't leven wat ernstiger beschouwen, je gaat je vragen stellen, en dan voel je vooral die eene vraag telkens in je opkomen: "Hoe moet je eigenlijk het geluk in 't leven vinden?" Misschien zou ik daar nu een ander antwoord op hebben dan toen,… ik weet niet … later durf je die vraag zoo niet meer stellen … maar al komt er veel deceptie in je leven … een kern moet er toch blijven waar je onder alle omstandigheden je geluk in zoekt. Dat thema heb ik in mijn roman behandeld: Een jong, mooi vrouwtje—trouwt met een succesman—heeft allerlei teleurstellingen—en komt tot deze conclusie: dat je 't geluk niet van buiten af kunt verwachten: dat je 't in je zelf moet zoeken.

"Nu, ik hoop, dat je in je huwelijk even gelukkig zult zijn als ik,… dat is mijn beste, allerbeste wensch."

"En terwijl zij zich afwendt, om op haar beurt plaats te maken voor een anderen bezoeker met een anderen wensch, glimmen in haar ooghoeken twee smartelijke tranen, zooals jagers zeggen wel eens in de lieve oogen van een aangeschoten hert te hebben gezien."

Deze roman is uitverkocht. Niet meer te krijgen.

En verder is het met mij gegaan zooals met ieder ander schrijver: Je blijft doorwerken, doorwerken, doorwerken. Ik moest er natuurlijk wat anders bij doen—mijn journalistieke arbeid. Daarmee zijn we nu zoowat gekomen tot de oprichting van de "Hollandsche Revue."

Dat ging heel eigenaardig: Ik reisde naar Engeland toe en op de boot ontmoette ik Vincent Loosjes, den Haarlemschen uitgever, die een kennis van mij was. Daar zat ik 's avonds mee in de rookkamer,—en hoe het nu precies geloopen is weet ik niet, maar uit het gesprek dat we toen voerden is ontstaan het plan voor de "Revue". Hij kende mijn werk in de richting van figuurteekening en karakteranalyse, mijn parlementaire portretten. Iets dergelijks zijn deKarakterschetsen, die ik iedere maand geef. Ik ben met dat woord "karakterschets" niet erg ingenomen: de menschen hechten er een veel te geleerde beteekenis aan; een diepgaande psychologische ontleding was mijn bedoeling niet…. We hadden goed gedaan daar een anderen titel voor te bedenken, maar dat merk je later pas. Mijn bedoeling is, te laten zien dat er overal om ons heen menschen leven die op een of ander gebied uitmunten, en hoe zwaar hun strijd is om hun mooie denkbeelden te verwezenlijken. Leg dus meer nadruk op "schets" dan op "karakter", dan komt u er misschien. Ik geloof dat 't Kerdijk was, die de Revue een "maandelijksche encyclopaedie" heeft genoemd. Dat mag ik hooren! Ik durf gerust zeggen, dat ik met dat tijdschrift iets nieuws gaf, al lijkt 't tegenwoordig gewoontjes. Het idee om de menschen te kieken in hun interieur was nieuw in mijn tijd. Mijn eerste karakterschets was die van Dr. A. Kuyper. Ik heb ernstig getrachtobjectiefen volkomen getrouw weer te geven wat ik van hem te weten kwam. En vergeet niet: Kuyper is van een heel andere richting dan ik—bovendien verkeerde ik zelf nog in een twijfel-periode. Kuyper heeft die zaak nog al aardig opgevat: hij had er schik in en bij wijze van souvenir, heeft hij me een cadeau gestuurd: Zijn "Encyclopaedie van de heilige Godgeleerdheid" in drie deelen. Hier staan ze.

Ja, op een heel kleine uitzondering na heb ik dit heelemaal alleen gemaakt … al die dertien jaargangen, die u daar ziet. En ik mag wel zeggen: het is een geluk dat ik al die dertien jaar nooit ziek ben geweest, zoodat ik nooit een ding heb moeten verzuimen,—wat een wonder is.

Ik heb dikwijls het voorrecht gehad op menschen te mogen wijzen, waar men eigenlijk niets van wist. Zoo bv. op Mevrouw Kempers, de soldaten-moeder; dat beste brave mensch dat zoo ongelukkig was. Jonker Graafland, de held van Atjeh … Nelly van Kol … Ja, dat was wel aardig. In 1898, toen de Koningin aan de regeering kwam. Ik gaf een mooi portret van Koningin Wilhelmina, en sprak de hoop uit, dat ik later een Koningin in haar zou mogen huldigen. Dat ze 't was moest ze nog toonen; maar kon ik nog geen hulde brengen aan het "Kind-Koningin," ik verheugde mij er in, te mogen wijzen op onze "koningin der kinderen," op Nelly…. Later, toen zij afscheid nam van haar tijdschrift "De Vrouw", heeft zij gememoreerd, dat de groote opgang van dat blad dagteekende van mijn artikel.

Die "Revue" is een enorm stuk werk, een stuk leven bijna. En daar hij mij in aanraking heeft gebracht met menschen van allerlei richting, hoop ik dat hij mijn blik heeft verruimd.

In 1904 heb ik nog uitgegeven "Uit de snijkamer", waarin de meest verschillende zijden van mijn kunnen zijn vertegenwoordigd. Hoe ik aan dien naam kom? Heel eenvoudig: De snijkamer is de plaats waar je de menschen open maakt en kijkt wat er van binnen in zit. Ik tracht ze psychisch van binnen te bekijken, ik opereer ze, om te zien wat er in ze is omgegaan. En sedert 1 Januari ben ik in de redactie van de "Nieuwe Gids" gekomen.

Wat mijn meening over de schrijvers van den laatsten tijd betreft: Van Deyssel en Kloos zijn voor mij wel twee van de meest byzondere figuren die we hebben. Alleen betreur ik het, dat van Deyssel terecht is gekomen in de "Kleinmalerei", dat hij niet 't groote werk heeft gemaakt,hetboek van de eeuw,demoderne roman, die ik jarenlang van hem verwachtte. Ook vind ik 't groot jammer, dat Kloos zich heeft opgesloten in een byzondere levensuiting….

Dat hangt samen daarmee: dat ik behoefte heb gevoeld, mij te bewegen in allerlei richtingen.

Een artist moet als 't ware wortelen in 't maatschappelijke leven … ik geloof,—als ik die plantkundige taal nog even mag gebruiken,—dat de improductiviteit van veel artisten hieruit te verklaren is, dat zij al 't voedsel uit de lucht willen halen en niets uit de aarde. De enorme productiviteit van Zola, die ons verbaast, van Balzac, die honderd deelen heeft nagelaten, danken wij aan de omstandigheid dat die mannen altijd voeling hebben gehouden met wat buiten de kunst gebeurt. En dat hebben zij als artist verwerkt. Ja, een dichter die "versjes" wil maken, die mag op zijn kamer blijven zitten. Maar wil je een groot man worden, dan moet je leven midden in den strijd van je geslacht. Al weet je voor 't oogenblik niet altijd wat je er uit haalt, later zie je, dat je ervaringen zich van zelf door je werk hebben gevlochten. Als Van Deyssel dat gedaan had, dan zou hij de heerlijke, weelderige productiviteit van een Balzac bezitten … dat is je ware! Ik ben een aanbidder van veel werken, van 'n massa werken. Ik heb alle eerbied voor Flaubert die dertig jaar aan een boek werkte … maar wat heeft hij nagelaten? zes, zeven boeken. En kijk nu die andere menschen eens … wat een geweldige produktie … dat zijn de reuzeboomen in 't bosch geworden.

Ik heb mij daarom ook in de politiek willen bewegen, dat is menschenplicht … als je in de gemeenschap leeft, dan moet je geen kloosterleven leiden, al ben je artist. In de laatste 15 jaren treed ik regelmatig op als spreker, ik was meermalen candidaat voor de Tweede Kamer en ik ben hier in Santpoort tot lid van den Raad gekozen,—op de eerste vergadering die ik bijwoonde werd ik tot Wethouder benoemd. In een interessante gemeente, een gemeente waar iets te werken valt.—Ik heb hier o.a. de afdeeling Onderwijs, die nog al in mijn richting ligt. Ik heb getracht de positie van onze onderwijzers zooveel mogelijk te verbeteren, en, naar men zegt, voldoet de regeling die ik heb ontworpen aan billijke eischen.—Ik behoor tot de vrijz. democratische partij; in 1901 was ik bij degenen die een oproep in de kranten plaatsten om ons af te scheiden van de liberalen,—u weet 't ging toen om de urgentie van 't kiesrecht.

In 1903 heb ik hier 't mijne gedaan om de eerste staking van 't spoor- en tramwegpersoneel te doen slagen. En toen de tweede staking uitbrak, heb ik de menschen met raad en daad bijgestaan, al kon ik hun optreden niet meer goedkeuren. Later ben ik bemiddelaar geweest tusschen personeel en directie.

Ik werk ook veel voor den Bond voor Staatspensioneering. Ik ben nu uitgenoodigd om met Ds. Van Krevelen naar Denemarken te gaan, teneinde 't Deensche stelsel te bestudeeren. Met nog een paar heeren ben ik uitgenoodigd, een wetsontwerp op het Staatspensioen te maken … voor de Bond natuurlijk.

En eindelijk ben ik in het hoofdbestuur van de vereeniging tot Bevordering van de Bijenteelt … ik hou' zelf ook bijen … kijk,… hier hebt u een pot van mijn mooiste lindehoning,… straks zal ik u de boomen wijzen waar mijn bijen te gast gaan. Ik interesseer me byzonder voor de bestrijding van 't geknoei met de honig…. O Ja: Voorzitter van de kiesvereeniging hier … van "Vreemdelingenverkeer", tooneelverslaggever aan het Haarlemsch dagblad…. Tot over mijn ooren in 't werk…. Kijk, mijn agenda is goed gevuld … en daarbij, Goddank, altijd gezond.

Het groote ideaal van mijn leven op literair gebied is nog eens een roman te kunnen schrijven over de visschers. We zijn altijd een visschersvolk geweest, en je hebt schilders genoeg die hun onderwerpen in onze zeedorpen zoeken,—maar literair heeft nog niemand daar iets van gemaakt.

Met de visschers in "Op hoop van Zegen" van Heijermans staat 't net als met Cremer's boertjes. Heijermans laat ze bij elkaar komen: visschersvrouwen en de dochter van den reeder en ieder doet op haar beurt een verhaaltje. En dan die nonsens dat die man, als 't schip is vergaan, telephoneert naar de assurantie en ten antwoord krijgt: "Kom morgen 't geld maar halen." Nonsens, zoo is 't leven niet.—Nu heb ik een uitnoodiging gekregen van de trawler-maatschappij in IJmuiden, om een reis naar IJsland mee te maken. Dat heb ik verleden jaar al willen doen, he? maar door allerlei drukte heb ik me toen terug laten houden.

Dan heb ik plan voor een grooten roman die hier in den polder zal spelen, in Sparendam. Een prachtige plaats! 't Echte Hollandsche waterlandschap krijg je daar. In zoo'n mooi, stil Hollandsch dorp wil ik een drama laten gebeuren. Daar heb ik een massa gegevens voor. En dan, maar daar heb ik al iets van klaar liggen: Een roman die zal hietten: "'t Drama op de molen". Een molen die heelemaal alleen in den reusachtigen verlaten winterpolder staat te malen, 'n Paar menschen wonen op die molen: en dan laat ik onder die paar menschen een moordgeschiedenis gebeuren. De molenaar wordt verzopen in de tocht door zijn vrouw en een van z'n knechts, omdat die knecht 't houdt met de vrouw. Dat moet ook echt-Hollandsch worden. Ik ben er nog steeds in mijn hoofd mee bezig.

Nu schrijf ik aan een werk dat ik met graagte op mij heb genomen: Het tweede deel van een boek over ons eigen land, uitgegeven door den A.N.W.B. Die streek hier: Kennemerland, West-Friesland, 't Bloembollenland, de doode steden aan de Zuiderzee; dat typisch- Hollandsche mooi in onze duinstreek en onze waterstreek … dat wil ik in woorden verheerlijken. Als we een mooie dag weer hebben ga ik er nog al eens op uit om rond te kijken … dat moesten meer menschen doen … jonge 't is zoo mooi.

En … (Netscher's sterke hand streek driftig een lucifertje af) en binnenkort moet ik weer de boer op voor de verkiezingen…. Altijd te doen … altijd bezigheden. Dat moet. Dat heb ik noodig. Voor de zuiverheid van je visie is 't noodzakelijk dat je je op ander gebied beweegt; voor de frischheid van je impressie. Mijn werkkring in de gemeente brengt mij met een massa menschen in aanraking, in allerlei omstandigheden waarin je ze niet ontmoet als je gewoon burger bent. Denk eens: je belastingzaken en je onderwijszaken, die ik onderzoeken moet. Dat verrijkt mijn geest nog dagelijks. Vooral dat IJmuiden is prachtig he? Dat stadje, dat in tien jaren iets geworden is, met zijn energieke visschers, die frissche kerels, die nauwelijks hun hand kunnen teekenen, maar toch in staat zijn een groote zaak te leiden.—

En nu meneer ben ik uitgepraat. Wat zou u zeggen van een groote wandeling? Alles staat in de rijp … 't is weer om van te watertanden, hier aan de voet van 't duin. Aangenomen? Vooruit dan maar … Denk er om, ik heb lange beenen. Toen Querido hier was heb ik 'm doodgeloopen, z'n tong hing 'm uit z'n mond. Durft u 't er op wagen?

[Illustratie: MARCELLUS EMANTS Jeugdportret]

[Illustratie: MARCELLUS EMANTS]

Breed, hol patriciershuis, koud van gevel. Degelijke stille dienstbode, die een gewoon-houten deur mij opende. Uit het portaal stond ik bedremmeld in 't schel-gele licht, in de dwelmende atmospheer van een Oostersch cabinet met rijkelijk-getinte tapijten, bizarre uitstallingen van kostbare steenen, naast den kleinen divan een tafeltje met turksche water-pijp, aan de zoldering een lamp van gedreven koper, matgeel. Voor mij aan den wand, achter een sluier ten halve: een vrouwe-kop in enkele trekjes afgebeeld. "Fatma" stond daar onder in erg Europeesche letters, die spotten met de Arabische krul-karakters, welke ik verwachtte. Toen: een tapijt schoof weg, een gewoon-houten deur kwam naakt; de degelijk-ernstige dienstbode riep met gedempte stem mij weer in de gang, waar ik—van jas en hoed ontdaan en aan 't tapijt nog gewend, —gemakkelijk mij bewoog en misbaarlijk-zware stappen patste op de marmerplaten. Een paar breede schouwburg-trappen. De koud-lichte werkkamer, stoelen, tafel, boekenkasten, schrijfbureel en vensternissen, alles van dof-en-donker hout en minutieus besneden. Emants met zijn rug naar 't licht, zoodat ik zijn nuchter gelaat met de gouden bril en de zwarte grijzende sik maar vaagjes onderscheidde … in de witte glansen van 't West-licht.

Wij spraken aanstonds over de temperatuur. Ik was verkleumd. De kamer was "centraal" verwarmd, maar Emants ontstak in de hooge smalle schouw een gashaard voor me, die hij aanstonds moest temperen, zoo gloeide dat kostelijke ding. Centrale verwarming gecombineerd met gashaard, dit werd me dra duidelijk, vormt een byzonder zuinig stook-systeem. Bij Emants moet met genie gestookt en verwarmd worden. Hij lijdt zoo verschrikkelijk aan kouwe-voeten! Alles al geprobeerd. Niets helpt. Netscher heeft goed beschreven, toen hij hem voorstelde: wandelend heel haastig als moest hij ergens heen. Die kouwe voeten plagen hem geweldig. Vergallen hem veel genot: Comedie, vergadering, rijtuig. Hij heeft een neiging, allerlei details uit zijn levensbeschouwing te verklaren met een beroep op zijn kwaal. Maar dat liet ik me niet wel-gevallen,—en aanstonds liep ons gesprek de gewenschte richting in:

"We hebben hier nog niet een leerstoel voor kunstgeschiedenis en dien had ik toen eigenlijk noodig. Natuurlijk begreep ik dat zelf toen niet, maar mijn ouders hadden het voor mij moeten begrijpen. En dat begrepen ze niet: in mijn familie is nooit aan kunst gedaan. De zaak was, dat ik me voor alles interesseerde en nog interesseer. Maar wat me in een of andere loopbaan lokte dat was niet de hoofdzaak maar een van de bijzaken. Eerst wilde ik militair worden. Waarom? Om het mooie pakkie. Later zag ik mijn oom die ingenieur was bruggen bouwen en ik vond dat een mooi en grootsch werk. Ik ging ook naar de polytechnische school, maar dat cijferen beviel me niet. Toen zei mijn papa: Je mag wel van studie veranderen, maar eerst moet je examen doen, anders is het net alsof je daarvoor bent blijven haperen. En toen ging ik in de Rechten studeeren. Maar dat rechtsgefrimel stond me ook niet aan. Al dat gepeuter om uit te maken of een bepaling toepasselijk is op een zeker geval, dat vond ik wel een oogenblik interessant, als alles, maar ik had er gauw genoeg van."

Bovendien, het studentenleven: nooit heb ik kunnen begrijpen het gezellige daarin, in dat bij elkaar zitten om te drinken, in leelijke tabaksrook … ik kan niet tegen rook en rook ook zelf niet. In Leiden hield ik op een gezellig mensch te zijn. Ja, ik weet 't wel: bij de meeste menschen is het net anders om. Maar mij heeft het student-zijn uit 't leven gejaagd. Die duffe localen van de professoren, dat van den een naar den ander loopen door de vuiligheid en de kou', die aklige kille banken in het academiegebouw, nee! daar kon ik niet tegen. Ik heb dan ook niet afgestudeerd. Ik heb wel mijn candidaats gedaan. Maar toen stierf mijn ouwe heer, mijn moeder vond het niet bepaald noodig dat ik een titel haalde en toen ben ik direct op reis gegaan, de bergen in.

De bergen! dat is altijd mijn hoofdgenot geweest. Ik voel me nergens zoo goed en zoo gezond als in de bergen. Sommige menschen vinden 't op zee zoo prettig. Ik niet. Op zee ben ik altijd beroerd. Maar in de bergen voel ik mij altijd "gehobener Stimmung". Ergens stilletjes te gaan zitten, geen mensch te zien en dan te werken, dat is het grootste genot dat ik kan hebben. Ieder jaar moet ik naar de bergen. Ik kan er om zoo te zeggen geen jaar buiten.

Een maatschappelijke betrekking heb ik nooit gehad, omdat ik die doodeenvoudig nooit noodig had. Ik zou ook nooit geweten hebben, wat ik in zoo'n betrekking doen moest. Maar—ik moet toegeven—ik vind dat verkeerd. Ik vind 't veel beter dat iemand een baantje heeft dat hem gedwongen in aanraking brengt met menschen. Dat hadden mijn ouders voor mij in moeten zien. Later begin je er niet meer aan. Je kunt er wel een soort van plaatsvervanger voor vinden in het vereenigingsleven en ik beweeg me dan ook wel in het Alg. Nederlandsch Verbond, in het Tooneelverbond … maar 't had veel beter geweest als ik een maatschappelijke betrekking—welke dan ook—had aangenomen.

—"Men krijgt wel eens den indruk, dat U bij al wat U schreef bent uitgegaan van ideeen. Is dat zoo?"

—"Ik heb altijd behoefte gehad, om iets dat mij treft—hetzij dat van buitenaf tot mij komt, hetzij dat 't in mijn binnenste ineens opleeft—neer te schrijven, weer te geven, in vorm te brengen."

De dingen die mij treffen presenteeren zich onmiddellijk aan mij als roman of als tooneelstuk. Schrijven wordt dan een soort behoefte voor me. En het eigenaardige is, dat ik daarbij nooit denk aan de uitwerking die het op 't publiek zal hebben, aan de moraliseerende strekking of wat de menschen er bij denken. Het is een zuiver egoistisch weergeven van wat mij treft. Daarom kan ik ook zoo goed begrijpen wat Goethe heeft gezegd … ik weet de woorden niet precies meer … dat iets zoo sterk in je kan zijn, dat het een goddelijke verlichting wordt het te uiten.

—"Maar dan moet ik U toch vragen: waarom stuurt U uw werk toch de wereld in?"

—"Die vraag heb ik mij zelf ook dikwijls gesteld. En een bevredigend antwoord er op geven, dat kan ik eigenlijk niet. Ik weet 't niet. Ik heb eigenlijk niet de behoefte mijn werk de wereld in te sturen. Maar ik heb een zeker gevoel in mij, dat ik er minder aan zou doen, dat ik 't misschien heelemaal niet zou schrijven als 't niet de wereld in ging. Ik zou misschien nog wel beginnen, maar of ik 't af zou maken weet ik niet. Maar toch, ik schrijf ook heel wat dat niet de wereld ingaat. In die kast liggen een heele hoop tooneelstukken die ik nooit aan iemand gegeven heb. En ik ben ook een massa dingen begonnen, die ik nooit heb afgemaakt."

—"Werk van een andere soort misschien?"

—"Nee, dat kan ik niet zeggen. Soms beviel me het niet. Dat kwam b.v. ook wel zoo: dat ik, laat me zeggen een roman, had gemaakt ter wille van een idee, van een enkel hoofdstuk. Later vond ik dat ik het veel beter ergens anders kon gebruiken en dan werkte ik hetzelfde op een andere manier uit."

"Wilt u nog eens op de grond-idee van uw werk terugkomen?"

—"Die ontstaat van zelf. Die is er voordat ik 't weet. Bijvoorbeeld: Mijn vrouw interesseert zich erg voor mijn werk. En juist met haar heb ik 't dikwijls over iets waarvan zij dan zegt: waarom doe je dat toch zoo? dat bevalt 't publiek niet. Dan zeg ik: dat kan ik niet veranderen. Dan moet 't maar geen mensch bevallen. Ik kan dat niet veranderen; dat is onmogelijk. Als ik eenmaal zie dat iets zus of zoo moet zijn, dan heb ik een gevoel van valschheid als ik er nog iets aan verander ter wille van het publiek. Dat kan ik niet. Kort geleden had ik om mijn vrouw een pleizier te doen een optimistisch slot aan een tooneelstuk geschreven. Zij had het schema voor dat slot gemaakt. En een paar dagen later zei ik: hier heb je de stukken er van. Ik heb 't onmiddellijk verscheurd. Ik kon 't niet aanzien!…"

Nou zal daar wel invloed op hebben, dat geloof ik wel, dat ik niet voor geld behoef te schrijven. Ik verbeeld me dat iemand die voor geld moet schrijven vanzelf door de omstandigheden gedwongen wordt veel meer rekening te houden met het publiek dan ik … je behoeft je daarom nog niet te verkoopen! Ik kan begrijpen dat het van zelf in je binnenste zoo gaat. Maar wanneer je van geldzorgen onafhankelijk bent, dan kun je je eigenlijk beter laten gaan dan een ander: dat vind ik zoo duidelijk als twee maal twee vier.

Om nu op mijn richting terug te komen: de richting in mijn werk waarvan ik mij zelf ook bewust ben, dat is mijn pessimisme. Wat ik daarmee bedoel wordt dikwijls verkeerd begrepen. Zij hebben mij dikwijls een Schopenhaueriaan genoemd en dat is in zooverre onjuist, dat ik hem natuurlijk wel een groot man vind … maar waarom heb ik zooveel met hem op?—niet omdat hij mij ideeen heeft gegeven—maar omdat ik in goeien systematischen vorm bij hem terug vond wat ik zelf al had, wat ik als jongen al onduidelijk in mij voelde leven: dat idee dat het verdriet of de slechte afloop of wat men kan noemen het pessimistische in de zaken: sterk overheerscht het optimistische, en dat het goeie een moment is dat toch weer slecht eindigt. Ik had laatst nog een briefwisseling met een dame, die groote bezwaren had tegen wat ik schreef in mijn artikel "Hoe Loki ontstond." Die schreef mij een langen brief waarin ze aankwam met het mooie in het leven…. Dat kon ik hiermee beantwoorden: Stel dat we de balans van het leven opmaken en we vinden een batig saldo aan wat de Duitscher noemtLust, dan vind ik voor dat geval het idee van den ons steeds bedreigenden dood, van het onvermijdelijk moeten scheiden van de "Lust", zoo verschrikkelijk dat dit optimisme me nog pessimistischer lijkt dan mijn pessimisme. Waarom ik verder leef? Ik heb een dwazen instinctieven drang in mij om te leven en daarom ga ik er niet uit. Bij wie wil leven, bij die overheerscht eenvoudig de instinctieve drang en bij wie het verstand overheerscht, die moet inzien dat de kans om ongelukkig te zijn veel grooter is, dan de kans om gelukkig te zijn, dat de zoogenaamde optimistische beschouwing volkomen opweegt tegen wat we pessimisme noemen.

Maar u begrijpt wel, daarmee is niet gezegd dat ik een mopperaar ben. Welnee. Ik ben altijd van zeer opgeruimd humeur geweest. Dat is eenvoudig een je-schikken naar omstandigheden. Maar ik had veel liever niet geleefd. Ik ben er mijn ouders nooit dankbaar voor geweest dat ze mij het leven hebben gegeven.

—"Maar hebt u dan in uw leven niet een groot doel?"

—"Een doel? Als het leven voor ons een doel heeft, dan is 't een onbekend doel en wat baat dit doel aan het individu? De gemeenschap lijdt niet, de gemeenschap geniet niet. Wat lijdt dat is het individu. En wat is het doel van zelfs de groote individuen petieterig en onbeduidend. Korten tijd na hun dood is al hun werk weer tot niet vergaan. Die dame vond er juist zoo'n voldoening in, te leven voor het geheel, en te kunnen zeggen: ik heb mijn deel gehad. Ik zie daar niets anders in dan dat men zich paait met een inbeelding. Ik zie dat niet anders in. Maar wat de menschen zoo dikwijls denken, dat pessimisme gelijk staat met nurkschheid, melancholie, mopperen … dat is volstrekt onjuist. Integendeel. In mijn schatting kijkt juist een pessimist nuchter en onbevooroordeeld het leven in. Als ik er voor stond en ik moest er nog in, dan zou ik zeggen: ik doe het niet. Maar nu ik er eenmaal in ben zeg ik: laat ik nu zorgen dat ik zoo min mogelijk nadeel doe en mij zoo goed mogelijk schik."

—"Acht u het in dit verband dan niet een voordeel dat men in de gemeenschap zoo min mogelijk slapende honden wakker maakt, en de menschen nooit aan het denken brengt over zulke onderwerpen?"

—"Dat zou ik een voordeel kunnen achten, zeker. Maar als wij dat een voordeel achten, dan komen wij volmaakt in strijd met alle ontwikkeling, en eigenlijk moet je dan wenschen dat de menschen op een laag peil van ontwikkeling blijven. En dan zou je de kerk gelijk kunnen geven. Die houdt de menschen dom en de priesters zeggen: wij weten liet alleen. Maar als de wereld nu eenmaal vooruit moet gaan, dan werk je dat op die manier toch weer tegen. En ik voor mij geloof dat de wereld,—al is het geen vooruitgang,—zich toch geleidelijk ontwikkelt. Werk je die ontwikkeling tegen, dan breekt de wereld zich baan met een revolutie, want op den duur hou' je de ontwikkeling toch niet tegen. Een poosje kan dat lukken en dan komt de groote botsing."

—"Hoe denkt u dan over de groote maatschappelijke stroomingen van onzen tijd?"

—"U bedoelt het socialisme? Ik zie daar een zeer optimistisch getint verschijnsel in—en waarom? omdat de socialisten kunnen vechten tegen bepaalde misbruiken en een ideaal kunnen maken van wat ze willen invoeren. Dat zal nog lang kunnen duren, omdat ze het vooreerst nog niet kunnen invoeren. Maar als ze het eenmaal verwezenlijkt hebben—laten we de eerste periode van strijd nu eens over springen—dan zal de ellende van hun systeem weer even duidelijk worden als de ellende van ons systeem. Wat de fouten van elk systeem zijn, dat weet ik niet. Maar ik neem aan dat het te voorschijn komen van de schaduwzijde onvermijdelijk is … Als mij gevraagd wordt: hoe denk je den ontwikkelingsgang van de menschheid? dan zeg ik: Altijd weer strijden voor nieuwe idealen, totdat ten slotte alle idealen zoo'n beetje uitgeput blijken en dan inzien dat men toch niets bereikt. In het gemeenschaps-leven zie ik wel iets moois. Welk ideaal daarna zal komen, dat weet ik niet en dat hoef ik niet te weten. Maar van elk ideaal zie ik onmiddellijk zich ontwikkelen de schaduwzijde…. Neem bijv. eens het ideaal van de openbaarheid in regeeringszaken, de critiek door de publieke opinie. Na de uitvinding van de boekdrukkunst en van de kranten had je niet meer dat geheime wroeten. De vreedzame strijd kwam in plaats van den bloedigen strijd…. Maar wat een verbazend geknoei krijg je niet met die publieke opinie! Hoe wordt er niet mee gesold! Wat worden de menschen niet voor den gek gehouden! Wat knoeien niet alle gouvernementen om een openbare meening te fabrieken! Daar zet het ideaal zich toch om in zijn tegendeel. En zoo zal het mij niet verwonderen als het socialisme, het ideaal van de gemeenschap, zich ook in zijn tegendeel omzet. Misschien in een gevaarlijke tyrannie, die nu al wordt voorspeld. Ik weet natuurlijk niet of het zoo zal gaan. Maar ten slotte zie ik alle idealen misloopen…. En het eind van alle leven moet dus zijn: het inzicht dat onmogelijk te bereiken is eenig batig saldo in geluk. Daargelaten natuurlijk de quaestie of we niet voor dien tijd in de ijsperiode zijn overgegaan en allemaal bevroren zijn. Want dat kan ook."

—Dan is het misschien wel een beetje voorbarig u de vraag te stellen wat wij menschen tegen dien tijd zullen doen.

—"Als er niets meer te strijden valt—dan worden wij overvallen door de moreele ijsperiode—dat is grenzelooze verveling. Wat blijft er dan anders over dan verveling? En dat is toch wel het ergste wat je zoowat hebben kan."

Tot mijn geluk, waarde lezer, houdt de heer Emants er een byzonder … economisch stook-systeem op na, gelijk ge weet. Dat ik genoegzaam bij mijn positieven bleef om hem mijn volgende vraag te stellen, o lezer, ge hebt het te danken aan de tamelijk volmaakte natuur, die in kwistige harmonie hem met kouwe voeten, mij met een gashaard begiftigde. Ge ziet: niet alleen idealen slaan om in hun tegendeel.

-"En hoe is deze opvatting in uw werk tot uiting gekomen?"

—"Dat is eigenlijk maar tweemaal gebeurd. Eens inLilithen een andermaal inGodenschemering, dat ik later heb veranderd inLoki. In deze twee gedichten ligt een levensbeschouwing. In mijn andere werk niet rechtstreeks. Ze zijn er tenminste niet uit ontstaan. Ik wil graag aannemen dat de levensbeschouwing, die achter in je hoofd zit, invloed heeft op de dingen die je weergeeft als je in de wereld rondkijkt. Maar voor zoover ik weet is al mijn latere werk observatie. Nooit heb ik er meer aan gedacht een persoon te maken tot belichaming van een levensbeschouwing. De menschen beweren wel eens anders. Maar dan vraag ik: waarom zegt die persoon mijn gedachten en die andere niet?"

"Natuurlijk, alles is door mij heen gegaan maar tegen een opzettelijk op den voorgrond springen van mijn persoonlijke gedachten heb ik mij altijd verzet. Er wordt zoo dikwijls gezegd: wanneer iemand een roman schrijft, dan moet hij daarin leggen zijn gevoelens. Ik zeg: die zullen er wel van zelf in komen. Hij moet trachten te geven het gevoel van zijn personage en dat is het zijne niet. Ja, heelemaal objectief kun je niet zijn. Je kan nu eenmaal niet in de huid van een ander kruipen. Maar je moet altijd trachten je personen objectief te zien. Ik zegmeenen, omdat je je subjectiviteit niet weg kan cijferen. Maar je moet er naar streven, als een god boven den boel te zweven. Wil je dat niet, dan moet je komen tot die verschrikkelijke subjectieve werken die alleen als lyrische poezie heel mooi kunnen zijn."

Maar nu de idee vanLilith; ten eerste: de wellust houdt de wereld eigenlijk in stand. Dat is Lilith. En die wellust, de kern van den mensch, betreurt dat hij uit zijn slaap is gewekt en eigenlijk een scheppend god is geworden.

"Godenschemering" is de strijd—dien je in de wereld ook ziet—tusschen gevoel en verstand. Ik vind dat in dit opzicht het intellect zeer verkeerd wordt beschouwd en te veel wordt achteraf gezet, vooral in de kunst en niet alleen daar, maar in het heele leven.[1] Ik vind: de heele ontwikkeling van de menschheid is de ontwikkeling van het intellect. We zijn iets zachter van zeden geworden—ook door het verstand. Maar overigens zie ik niet in, dat de menschen van duizend jaar geleden verschillen van de menschen van nu,—als het niet was door het verstand. Je hoort redeneeren over "het koude verstand" en vrouwen spreken over "die vervloekte logica". Welnu, Loki is voor mijhetverstand.

[1] "Wat trof me in de Edda, terwijl de ergernis, waarvan ik sprak, in mij woelde?—Dat het verstand, in de Noorsche godenwereld belichaamd in Loki, door de goden al net zoo behandeld werd, als 't in onze hedendaagsche samenleving behandeld wordt door de menschen.—Verkeren de goden in nood, Aanstonds roepen ze Loki's hulp aan, begroeten ze hem als hun redder, smeken en vleien ze hem; maar is het gevaar afgewend en willen ze weer onbezorgd van het leven gaan genieten, dan doen ze dadelijk hun best Loki op een afstand te houden. En woedend worden ze als Loki toont hen te doorzien, als hij tal van misslagen, ongerechtigdheden, overtredingen van eigen wetten hun meedogenloos voor de voeten werpt. Dan noemen ze hem lasteraar en zouden ze in hun domheid hem maar liefst op staande voet vermorzelen en vernietigen. Alsof daardoor 't kwaad hersteld zou worden en Loki ongelijk zou krijgen! Levert hij eindelik het bewijs, dat hun onsterfelikheid maar een waan is en dat zelfs het moederhart, zoo hoog door Odien aangeslagen, niets vermag tegen het noodlottig verband van oorzaak en gevolg, dan binden ze hem tot straf met de darmen van zijn zoon aan een rotsblok vast en bevestigen zij boven zijn hoofd een slang, wier brandend vergift voortdurend neerdruipt op zijn hoofd." (Uit "Hoe Loki ontstond" door Marc. Emants, Groot Nederland, October 1908.)

Hadd' ik een symbolisch gedicht willen maken, dan zou ik alle dingen die ik over Loki in de Edda's vond er niet bij hebben gehaald. Maar aangezien ik in Loki vrijwel vond wat ik zocht, heb ik die figuur ook tamelijk wel onveranderd gelaten. Het heeft mij nooit aangelokt: een gedicht te maken van geheel nieuwe personen. Ik geloof niet dat ik het goed zou hebben gedaan. Het is heel wat anders: als je vindt de stof, daarin de atmosfeer te zoeken of te leggen, dan van begin af een heel nieuw verhaal te gaan dichten. Het is te doen natuurlijk, ik zeg niet dat anderen het niet moeten doen, maar het werk heeft mij nooit byzonder aangelokt. En daar heb je nu dezelfde quaestie waar we het straks al over hadden: ik bedenk nooit iets van dien aard. Het komt zoo van zelf bij mij op dat ik die of die stof moet gaan bewerken. Ik heb me nog nooit voorgenomen: nu ga ik dit of dat eens doen. Nee: ineens zie ik de dingen voor me en dan denk ik: he dat kon wel eens zoo. Dat doe ik dan. Ik maak het af, of ik maak het niet af, maar als ik 't doe, dan doe ik het zoo. En dat ik zou zeggen: nu ga ik eens een gedicht maken van de wereldschepping of zoo'n abstract onderwerp, dat is mij nooit gebeurd. Altijd heeft de stof die ik haast klaar voor mij zag zich aan mij opgedrongen.

—"Tegenover de literatuur van uw tijd rekent men uw werk als van een nieuwe richting, niet waar? Hoe zou' u de verhouding tusschen die twee richtingen omschrijven?"

—"Niets heeft mij meer verwonderd dan dat. 't Ging zoo. Ik zette mij aan 't schrijven vooral op aandringen van Smit Kleine. Die wou een nieuw tijdschrift stichten. Ik voelde niet de minste behoefte aan wat nieuws. Ik genoot van dit en van dat, van sommige dingen die ik las, maar ik had heelemaal geen behoefte om zelf iets nieuws te maken. Maar er kwamen dingen die zich aan mij opdrongen. Het eerste wat ik schreef wasBergkristalvan Oberammergau. Ik was daar geweest, had rondgekeken, maar ik was er niet heengegaan met het idee dat ik er later iets van zou maken. En toen zeiden de menschen tot mijn verbazing:dit is iets nieuws. Het trok de aandacht. Ik vond het zoo byzonder niet. Een nieuwe gedachtegang of iets dat zou frappeeren, dat vond ik er niet in Ik zei tegen Smit Kleine: "Ja, god, als zich wat aan me voordoet dan wil ik met alle plezier schrijven, maar om nu zoo'n tijdschrift te gaan vullen … ik heb heelemaal geen lust om geregeld te gaan zitten schrijven." "Da's niets", zei hij, "dat zal ik wel doen. Als jij maar nu en dan een stukje geeft."—Toen ben ik naar Monte-Carlo gegaan en daar heb ik drie novellen van gemaakt—en toen was het weer uit voor een heele poos."

Op een goeie dag heb ik iets gemerkt van de beweging van '80. Die interesseerde me in het begin niet heel erg. Wat ik er van las … nu, het meeste lokte me al heel weinig. Maar naarmate ik er in kwam, trof ik er enkele dingen aan die ik heel mooi vond. Het afbrekende vond ik mooier dan het opbouwende. En daar las ik me opeens dat ik was deJohannes de Doopervan de nieuwere literatuur. Toen heb ik verbaasder gestaan dan ooit. Ik was mij niet bewust, iets nieuws te hebben geprofeteerd of ingeleid. Ik heb doodeenvoudig geschreven wat zich aan mij opdrong. Nooit aan nieuwe richting, zelfs niet aan richting gedacht. Het kan wel zijn dat ze gelijk hadden. Maar bij mij was het dan toch heelemaal onbewust. Naderhand heb ik een gevoel gehad,—en dat heb ik bij alle mogelijke dingen in mijn leven,—dat ik me niet van mij zelf wil laten afbrengen. Ik wil wel uit mij zelf tot een ander gevoelen komen, maar ik wil mij niet laten leiden door den geest van een ander. Ik heb altijd sterk de neiging gehad om mijn eigen zin te volgen, in wat dan ook. Jawel, mijn ideeen zweven ook maar niet vrij op me af, ze ontstaan ook door aanraking met de wereld, maar ze moeten dan ongemerkt die invloeden ondergaan. Ik wil daarom nooit meedoen met een of andere kliek. Wanneer twee, drie, vier, vijf heeren in die kliek een beetje anders denken dan ik, dan moet ik toch weer uit die kliek gaan of mij laten lijmen tot iets dat me niet lokt. Ik heb mij zelf willen blijven ook op het gebied van de literatuur en dat was geen verstandelijke overweging, maar iets dat uit mijn persoonlijkheid opkwam…. Maar een keer van mijn leven heb ik mij werkelijk laten overtuigen, en dat was met de nieuwe spelling. Kollewijn kwam eens bij me, en vroeg me of ik daaraan mee wou doen. Ik bedankte natuurlijk, maar toen heeft hij net zoolang gepraat dat ik volkomen was omgeslagen. Als iemand me ompraat, ziet u, dat is mij wel, maar dan moet ik ten slotte sterk het gevoel hebben dat ik het zelf heelemaal meen, en dat ik die gedachte niet overneem.

—"Maar dan ziet u nu, achteraf, toch wel beter dan toen, wat uw beteekenis is geweest?"

—"Nee, dat zie ik niet in. Met dien verstande: ik wil niet zeggen, dat de mannen van de Nieuwe Gids mij per se hadden moeten afbreken, dat niet. Maar ik kan niet zeggen, waarom men mij als het ware eenigszins tot de hunnen heeft gerekend. Ik vind het wel heel aardig! Ik heb er niets tegen. Ik vond 't toen ook heel aardig. Je hebt natuurlijk liever dat iemand je bijvalt, dan dat hij vijandig tegenover je staat. Maar tusschen dat gevoel van aangenaam vinden en … begrijpen is nogal eenig verschil. Ja, uit een oogpunt zou ik het kunnen begrijpen: ik heb nl. een grooten hekel gehad en dien heb ik nog, aan conventioneele taal en conventioneele woorden. Zoodra ik in een boek vind menschen die met conventioneele phrasen werken, dan haat ik dat boek zoo hard ik maar haten kan. Ik heb altijd gestreefd naar het juiste woord. Daar hecht ik nog aan. Het is mij natuurlijk wel gebeurd dat ik conventioneele woorden gebruikte en dat ik er niet op lette, maar het streven blijft er toch. Van elk woord moet ik weten dat ik dat bepaald bedoel. Zij, die in het begin althans, ook zoo sterk tegen de conventie gekant waren, moeten in mij een medestander hebben gevoeld, daar kan ik wel in komen."

Maar er is toch een opzicht waarin ik heelemaal niet met ze mee kan gaan en dat is de overdreven vereering van de woordkunst, waardoor alles is gereduceerd op klank, rythme en taalschoon. Het middel wordt dan doel. De hoofdzaak is toch maar wat je schrijft en het hoe verdwijnt daarbij dikwijls. Als ik wel eens een schrijver lees, die een grauw armebuurtje op een triestigen dag weer beschrijft, dan kan ik dat heel mooi vinden, maar als ik een auteur ontmoet die niets anders doet dan dat, dan zeg ik: wat vind ik dat toch allemachtig pover!

—"Aan welke schrijvers geeft u dan de voorkeur?"

—"De man die het meeste invloed heeft gehad op mijn denken is Heine, Heinrich Heine. Die had ik altijd open op mijn schrijftafel liggen. En daarvan heb ik een ding altijd over gehouden: dat ik een haat heb aan al wat ze noemen "onschuldige scherts". "Der Witz muss schlagen!" dat is er bij mij altijd in gebleven. En dat heeft mij de heerlijkste voldoening gegeven. Mijn moeder kon kort voor haar sterven zeggen: "Als Marcellus eens een geestigheid wil vertellen dan is niets hem te heilig.""

Als ik denk aan die eigenschap van mij—die ik weet!—dan denk ik daarbij altijd aan Heine. Daarom heb ik ook nooit kunnen verdragen wat ze noemen luim of boert. Dat zijn van die onschuldige grappen die de menschen heel aardig vinden—maar ik zit er met een ijskoud gezicht bij. Als ik zoo'n grap van af het tooneel hoor, dan geniet ik absoluut niet meer van het heele stuk. Verleden Maandag nog: toen werd er in "Oefening" een monoloog van mij voorgedragen, ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan. Ik dacht dat ik 't nog al schikkelijk had gemaakt, maar "God wat ben je weer hatelijk geweest!" zei een dame naast me. Ja, zelfs bij een feestelijke gelegenheid heb ik me niet in kunnen houden. Maar den volgenden dag stond er in het "Vaderland" dat de monoloog was geestig geweest, maar "uiterst goedmoedig". En dat klapte me nog meer om m'n ooren dan die dame met haar "hatelijk".

Wat Hollandsche boeken betreft heb ik erg veel van de Camera Obscura gehouden. Indertijd, ziet u? Nu is 't weer anders geworden. Indertijd was 't een zeer beteekenend werk. Dat is 't trouwens nog. Maar eigenlijk is het toch ook wel een beetje goedmoedig en daardoor ben ik misschien wat terug gekomen op mijn eerste oordeel. Dat oordeel dateert trouwens uit den tijd dat ik de boeken nog niet critisch genoeg beschouwde. Mijn haat tegen dat goedmoedige is ook de reden dat ik nooit van Dickens heb kunnen houden. Ik heb veel van 'm gelezen en 't amuseerde mij wel, maar tegelijkertijd hinderde 't mij. Dikwijls had ik lust om te zeggen: Jasses, schei toch uit met je flauwiteiten: we weten 't nu wel! Ik vind Dickens flauw, met hier en daar een mooi trekje, en dat apprecieer ik ook wel.

—En houdt U u ook op de hoogte van onze moderne schrijvers? Mij dunkt,U moet over sommigen er van een eigenaardig oordeel hebben.

—"Voor zoover dat bij te houden is! Ik wil uit de andere landen ook wel eens wat lezen.

"Ik lees graag over Philosophie, over Spiritisme. Maar er zijn onder onze moderne auteurs een paar waar ik erg veel van hou'. Zoo bv. van Mevrouw Boudier-Bakker; van Heijermans heb ik ook veel gelezen; van Querido ook het een en ander; er is trouwens bijna geen een of ik ken er wel een werk of wat van. Maar een boek dat mij erg lief is, is "Een zwakke" van Coenen."

—"Vindt u het uit maatschappij-oogpunt wel te verdedigen dat zulke zwaarmoedige boeken openbaar worden gemaakt?"

"Ik heb me dikwijls afgevraagd of het uit maatschappij-oogpunt misschien niet beter was dat er heelemaal geen literatuur bestond. Ik weet niet of 't lezen van romans de menschen wel goed doet. Ik heb ook nooit iets gezien van den veredelenden invloed van de kunst, waar de menschen het soms over hebben. Is een kunstenaar dan zoo'n nobel mensch? daar heb ik nooit iets van kunnen zien. Ik stel den kunstenaar volstrekt niet hoog—mij zelf er bij. Maar de goeie werking die je van boeken kunt waarnemen dat is tweeerlei. De eerste werking zou kunnen zijn dat de menschen in hun leegen tijd misschien allerlei kwaad uitvoerden en nu op een niet-kwade manier hun leegen tijd doorbrengen.

"En de tweede werking heeft meer betrekking op flinke, ware boeken, en die is: dat de menschen er het leven uit leeren kennen. Ik bedoel volstrekt niet alleen realistische boeken: sprookjes kunnen ook waar zijn. Alleen: het werk mag niet gefabriekt zijn voor den smaak van het publiek. Het moeten zijn boeken waarin de schrijver onbewimpeld geeft zijn eigen opvatting van het leven: zoo zie ik 't! Waarbij niets wordt weggelaten uit angst om de menschen te kwetsen, waarbij niets wordt ingevoegd om de menschen te leeren of te prikkelen. Alleen zeggen: zoo zie ik de menschen, moet de kunstenaar. Maar dan moet hij ook lezers treffen die de stof weten te verteren, niet oppervlakkig lezen, geen verkeerde gevolgtrekkingen maken, wat toch zooveel gebeurt. Maar in dat geval kun je spreken van nuttige werking van kunst."

—"Om nu op mijn vraag terug te komen: denkt u dat het goed is, speciaal in onzen tijd, boeken uit te geven die niet alleen pessimistisch maar bovendien nog melancholisch zijn?"

—"Ja, ik kan aannemen dat dat niet goed werkt op de menschen. Maar daarom zou ik om den drommel niet willen dat Coenen zijn mond hield. Dat is misschien heel egoistisch van me. Best mogelijk. Ik heb weinig gevoel voor de gemeenschap in het algemeen."

Laat ik u nu eens vertellen van mijn boek "Een nagelaten bekentenis". Dat is de geschiedenis van; een degenere, die eindigt met zijn vrouw te vermoorden. Het boek begint met de woorden: "ik heb mijn vrouw vermoord", en dan ontwikkelt hij zijn levensgeschiedenis: hoe hij tot die daad is gekomen. Het boek is goed gerecenseerd, maar het publiek vindt het verschrikkelijk, afschuwelijk, dat weet ik wel. Van Nouhuys haalde het onlangs weer aan, toen hij sprak over het Dagboek van een Hypochonder, van Everts. Dat is volgens hem minder doorvoeld. Dit boek is als je wil pessimistisch, hoewel op een andere manier dan het werk van Frans Coenen: Het is minder een stemmingsboek. Het is meer: die man doorkeken tot in zijn binnenste: gekeken hoe hij tot zoo'n ellendige daad komt. En nu kunt u niet weten: hoeveel brieven ik heb gekregen van menschen die zeggen: ik ben net zoo. Nog geen drie maanden geleden kreeg ik een brief uit Amsterdam: u weet niet hoe dankbaar of ik ben, dat ik dat boek heb gelezen. Ook kreeg ik een brief van een dame, die had een neef, en die neef was ook zoo. Of ik een vereeniging wou stichten die dergelijke degenere's onder haar hoede nam en door het leven leidde. Dat was natuurlijk niets voor mij … Maar aan den anderen kant hoorde ik van een dame, die had daar haar eigen man in herkend, en die man had zich zelf herkend en nu kwamen al die zenuwverschijnselen weer bij 'm terug. Tusschen twee haakjes: die man was heelemaal niet mijn model geweest. Maar dat ziet u nu wel in: van een eigenlijke bepaalde werking van een boek kun je moeilijk spreken: dat hangt zooveel af van je individuen. Ik bijvoorbeeld heb die neiging tot melancholie in me gehad en een boek van Coenen zal me beroerder maken dan ik ben, doordat ik meen iets te herkennen dat ik ook in mijn binnenste voel. Ik leef verschrikkelijk onder den invloed van atmospheer. Komt er een zonnestraaltje binnen dan ben ik een ander mensch. Maar nu komt er zoo'n akelige regendag, somber, luguber, kil … dan ben ik te ellendig om te denken. Maar dat is geen pessimisme. Dat is melancholische stemming. Ik kan slecht tegen donker weer in ons klimaat. Daarom heb ik zoo'n heerlijk gevoel in de bergen. Daar mag 't zoo hard regenen als 't wil, die beroerde stemmingen die ik hier soms heb krijg ik daar niet. Zoo kan ik ook niet tegen een groote stad. Als ik in Parijs of in Berlijn ben, dan loop ik er zoo gauw mogelijk weer uit. Ik zou nooit in een stad willen wonen die meer dan 500.000 inwoners heeft. Dat is voor mij het maximum. Ik geef je alle mooie dingen die er zijn cadeau: ik kan er haast niet van genieten, zoo drukt mij een groote stad. Ik geniet er het meest van als ik er weer uit ben.


Back to IndexNext