HOOFDSTUK II.

Dood van Francis Garnier.Dood van Francis Garnier.HOOFDSTUK II.DE VEROVERING VAN DEN AARDBOL.Christophorus Columbus schreef op het einde zijner dagen aan den Koning van Castilië; »Van mijn jeugd af voer ik ter zee en ik ben er mee voortgegaan tot heden. Dezen weg moeten zij kiezen, die de geheimen dezer wereld willen leeren kennen.”De groot Genuees had gelijk. De geheimen dezer wereld,de waarheden der wetenschap hebben hun oorsprong in de kennis der natuur. Zoo moeten wij dan in onze herinnering allereerst aan die mannen een eereplaats geven, die hun leven hebben gewijd aan het veroveren van den aardbol.En geen treffender voorbeeld kunnen wij daarvan kiezen dan het voorbeeld van den heldhaftigen man, die ten koste van een hardnekkigen strijd tegen de ongenade van het lot en de vooroordeelen der menschen een gansch halfrond aan onze planeet als toevoegde.Christophoro Colombo werd geboren te Genua omstreeks 1436. Hij was de zoon van een wollenkaarder en had twee broeders, Bartholomeus en Jacob. Na te Genua een degelijke opvoeding ontvangen te hebben, begon hij op zijn veertiende jaar zich als zeeman te bekwamen. Hij deed een tocht naar Tunis en in 1477 een reis naar IJsland. Hij had zich toen reeds te Lissabon gevestigd en trad daar in het huwelijk met Felipa Monis de Palestrello, dedochter van een zeevaarder. Geen plek ter wereld kon hem zoo bekoren als deze, want sedert een eeuw verbaasde Portugal de wereld met zijne ontdekkingstochten. Reeds rijpten stoute plannen in zijn brein. Hij bestudeerde nauwkeurig al de nieuwe wegen die de zeevaarders voor het verkeer geopend hadden en vatte weldra het grootsche voornemen op dier onderneming, die zijn naam de onsterfelijkheid zou geven. Zijn doel was geenszins, zooals men soms heeft gemeend, een nieuwe wereld te vinden; maar wel om, dwars over den Atlantischen Oceaan Indië op te sporen en westwaarts opzeilende het Oosten te ontmoeten.Dit plan dat geenszins nieuw was, vervulde destijds vele gemoederen. De wijze Toscanelli en anderen hadden er al over gedacht, maar Columbus wijdde er zich geheel aan en maakte er zijn onherroepelijk levensdoel van.Columbus was arm en zijn werk onmetelijk. Allereerst wendt hij zich tot zijn vaderstad, maar de stad Genua staat hem de middelen niet toe, die hij van noode heeft, wil hij zijn plan verwezenlijken. Hij draagt zijn plan vervolgens voor aan den koning van Portugal Joan II, die het deed onderzoeken door een commissie van twee beroemde aardrijkskundigen. Deze lieden hielden het denkbeeld van den zeevaarder voor een hersenschim en hemzelven voor een zonderling. De koning echter kon dit oordeel niet billijken en gaf zich een tijd lang over aan den invloed van een man van vooruitgang en kennis, Pierre de Noronha, die te recht begrepen had dat men, om de rijkdommen van Portugal te vermeerderen, zeeën moest oversteken en nieuwe wegen zoeken en nieuwe volken hechten aan de kroon.Maar Joan II, weifelend van aard en zwak van wil, koos weldra de partij van Columbus’ vijanden en wees niet alleen het aanbod af van den kundigen man, die voor Portugal een nieuwen zeeweg zou zoeken, maar pleegde jegens hem het zwartste verraad. De trouwelooze vorst knoopte onderhandelingen met Columbus aan, vroeg zijne kaarten te zien, liet hem zijn plan ontvouwen in tegenwoordigheid van zijne raadslieden, en toen hij al zijne geheimen bezat, ontzag hij zich niet een kleine vloot uit te rusten, die in de door Columbus aangewezen richting den Atlantischen Oceaan opvaren en den argeloozen zeevaarder berooven zou van de vrucht zijner overpeinzingen.Nauwelijks was de kleine vloot vier dagen ver den Oceaan ingevaren of de zeelieden, door storm beloopen, werden door schrik overmand en keerden met schade en schande in de haven terug.Toen besloot Christophorus Columbus een land te verlaten, waar hij niets dan de bitterste teleurstellingen ondervond. Ten tweeden male begaf hij zich naar Genua. Hij hernieuwde er zijne voorstellen, maar vond even weinig gehoor als vroeger. Hij liet zich echterdoor niets ter wereld ontmoedigen. Nog eens klopte hij aan bij de grooten, de hand ophoudende—maar ook het hoofd, als iemand die in ’t belang der menschheid de ontdekking eener nieuwe wereld komt afbedelen.Hij verkeerde nu in den uitersten nood; de groote sollicitant had slechts lompen om zich te kleeden. Daarbij verloor hij zijn gade en moest zelf zijn jongen, een knaap van elf jaren, verzorgen. Eens zwierf hij, in beklagenswaardige omstandigheden, door de omstreken van Palos de Mogues, een stad in Andalousië en kwam bij toeval voor de poort van een Franciscaner klooster. Hij klopt aan en vraagt een weinig brood en water. De prior Juan Perez de Marchena noodt den vreemdeling bij zich, ondervraagt hem, wordt getroffen door de waardigheid van zijn houding en is een en al verbazing, wanneer Columbus hem zijn geschiedenis verhaalt, zijn plannen ontvouwt en zijn verwachtingen mededeelt.De gastvrijheid van den prior ging over in een warme vriendschap en, dank zij dezen machtigen beschermer, kreeg hij toegang tot het hof van Spanje en gehoor bij Ferdinand en Isabella.Columbus begeeft zich nu naar Cordova, waar de koning verblijf houdt en met kracht de vijandelijkheden voorzet tegen de Mooren. Na maanden lang gewacht te hebben, werd hij eindelijk toegelaten. Bescheiden, maar vrijmoedig vertoont hij zich, wetende dat hij een gunstelings des Hemels is, uitverkoren om diens groote doeleinden te verwezenlijken. Ferdinand echter ziet in de plannen van Columbus een middel om ter zee met Portugal te wedijveren en neemt het besluit, bevoegde beoordeelaars over deze plannen te raadplegen.De door den koning in Salamanca samengeroepen raad bestond uit geleerde monniken en grootwaardigheidsbekleeders der Kerk, mannen, niet weinig vooringenomen tegen iemand, die zich verstoutte iets te weten of hun eenige inlichtingen te geven. Deze lieden verwaardigden zich den armen gelukzoeker een willig oor te leenen.Columbus had ten overstaan van deze heeren niet op wetenschappelijke vragen maar op bijbelteksten te antwoorden en op tegenwerpingen als deze: dat de leer der tegenvoeters onvereenigbaar is met het geloof. Waren er aan gene zijde van den Oceaan bewoonde landen, dan, zoo beweerde men, kon men niet langer aannemen dat alle menschen van Adam afstamden; immers hoe zouden diens nakomelingen in zoo oude tijden de zee zijn overgestoken. Men gaf hem te kennen dat, volgens het N. Testament, de aarde plat was en den vorm had van een grooten schijf; men zeide verder dat de aarde, ware zij bolvormig, onbewoonbaar zou zijn beneden de keerkringen, wegens de overmaat van warmte, die daar heerschen zou. Zoo zag Columbus zich opnieuw aan de ellende ten prooi en bovendien zag hij zich behandeld als een gek en een verdoemde.Zich niet latende ontmoedigen, schreef de toekomstige wereldontdekker aan den koning van Engeland; vervolgens in Mei 1489 zocht hij Ferdinand en Isabella weder op, die van hun tocht tegen Malaga naar Cordova teruggekeerd waren. Er was sprake van dat de samenkomsten betreffende Columbus’ plannen zouden hervat worden; maar jaren lang bleef de beslissing uit, totdat eindelijk, in den winter van 1491, de raad van Salamanca een verslag uitbracht, hetwelk het ontwerp van den zeevaarder voor ijdel en onuitvoerbaar verklaarde, terwijl het verder heette: een groot vorst paste het niet op zulke zwakke gronden, als bij deze gelegenheid te berde waren gebracht, zich in zoodanige groote ondernemingen te steken.Wij zullen de verdere stappen van den onvermoeiden man niet volgen; wij willen niet verhalen hoe hij zich ook tot den Franschen koning Karel VIII wilde wenden; liever spoeden wij het oogenblik te gemoet, waarop zijne volharding en zijn ijver ten laatste bekroond werden. In Februari 1492 kreeg Columbus op nieuw gehoor bij koningin Isabella en wel door tusschenkomst van Louis de Saint-Angel, ontvanger der kerkelijke inkomsten van Arragon, tevens een van des zeevaarders warmste aanhangers. Eenige vrienden, die medegekomen waren, bepleitten zijn zaak met zooveel aandrang dat de koningin zich liet overhalen en beloofde zich persoonlijk met de uitvoering te zullen belasten.Zoo dan mocht Columbus eindelijk, na twintig jaren van volhardenden strijd, in zee steken met den titel van admiraal en met de belofte van onderkoning of gouverneur te zullen zijn van al de landen, die hij ontdekken mocht. Drie schepen werden uitgerust, met wakker volk aan boord. ’t Waren zonderling gebouwde schepen, met hooge voor- en achtersteven, gelijk wij ze dikwijls op oude platen hebben gezien. Men ijst bij de gedachte dat met zulke schepen en zulke eenvoudige hulpmiddelen zulk een gewaagde tocht over gansch onbekende zeeën ondernomen werd; maar men voelt dan ook des te meer bewondering voor den man, die op vijftigjarigen leeftijd—een leeftijd, waarop zoo menigeen zijn loopbaan heeft volbracht—de zijne eerst begint en door de ontdekking van een tweede halfrond een nieuw tijdperk zal openen voor de geschiedenis der menschheid.Columbus verliet den 3denAugustus 1492 de haven van Palos, en na zoo lang gestreden te hebben tegen de onkunde der menschen had hij nu te strijden tegen de bijgeloovige vrees der schepelingen, de angsten die de groote Oceaan hun veroorzaakte; en daarbij had hij al de zorgen en moeiten en onzekerheden te torsen van een eerste proefreis.Den 12denOctober 1492, na zeventig dagen varens, bespeurde hij voor de eerste maal land, het kustland van Indië, zooals hij waande. Op een eiland, dat hij San Salvador noemde, trad hij heteerst aan wal. De inboorlingen ontvingen en begroetten hem met vreugdebetuigingen en plechtig nam hij, namens den koning en de koningin van Spanje, het land in bezit. Later ontdekte hij nog drie eilanden. Den 28stenOctober landde hij op Cuba, een maand later op Hispaniola (Haïti). Hij bouwde daar het fortNatividad, waar hij een bevelhebber met eenige manschappen achterliet, en toen keerde hij naar Spanje terug.Deze gedenkwaardige reis en deze gansche onderneming is zeker een der grootste heldendaden, die de menschheid heeft verricht ter ontdekking van nieuwe wegen en ter verovering van nieuwe wereldstreken.De schok, dien deze ontdekking in de harten en op de verbeelding teweegbracht, was verbijsterend. Men rekende er niet meer op dat de drie schepen zouden terugkeeren. Met vele vreezen had men de zeelieden zien vertrekken, die dezen gewaagden tocht hadden ondernomen. De groote Oceaan, die door de Arabieren als de »donkere zee” was aangeduid, had zich niet anders voorgedaan aan den geest, dan als een grenzelooze afgrond. Nauwelijks had men dan ook vernomen dat Columbus weergekeerd was en land gevonden had, of de geestdrift steeg ten top. Toen de admiraal te Barcelona aankwam, waar de koning en de koningin hem opwachtten, zag hij een talrijk en deftig gezantschap naderen, hetwelk hem de stad binnenleidde. Zes Indianen, die Columbus had meegenomen, openden den optocht. Daarna volgde een verzameling levende papegaaien en nog onbekende opgezette dieren van allerlei soort, planten, aan welke men geheime krachten toekende, en gouden kronen, die een denkbeeld moesten geven van den rijkdom der nieuw gevonden wereldstreken. Columbus zelf zat te paard en een soort van eerewacht omstuwde hem. De straten waren opgepropt van menschen, op de balcons en voor de vensters zaten en stonden tal van dames, en de daken zelfs waren bezet. Men voerde den held in een groote zaal, waar hij den koning en de koningin omringd vond van een schitterend gevolg. Toen hij binnentrad stonden Ferdinand en Isabella op. Columbus boog de knie, kuste de vorstelijke handen en deed hun het verhaal van zijn reis. De eerbied en de bewondering, die men voor den edelen man gevoelde, vermochten nauwelijks de aandoening te beteugelen, die het verhaal bij allen opwekte. Toen hij echter zijn verhaal geëindigd had, knielde de gansche vergadering neder en vereenigde zich aller stem tot een plechtigTe Deum.Ook de soberste zielen werden dronken van de zonderlingste en meest overdreven droomen en verwachtingen. Ieder had den mond vol van het ontdekte goudland, ieder droomde van een nieuw paradijs, een wonder- en tooverland. En Columbus zelf hield het er voor dat de schatten dier streken inderdaad onuitputtelijk waren.Hij stond nu op het toppunt van glorie en voorspoed, doch hetgenot, dat hij nu ondervond was ook zoo goed als het eenige loon, dat hem zijn leven lang ten deel viel.Den 25stenSeptember 1493 ondernam hij zijne tweede reis. Hij was nu commandant van zeventien schepen. Een groot aantal edelen maakten de reis mee, en in het geheel bedroeg de bemanning der vloot 1200 koppen. Nu werden Guadeloupe en Jamaica ontdekt en St. Dominique en Cuba doorreisd.Columbus kwam in 1496 in Spanje terug. Hij bracht 225 passagiers en 30 Indianen met zich te huis. Maar deze thuiskomst verschilde veel van de vorige. De Spanjaarden, die met hem wederkeerden, waren ontmoedigd, ter neergeslagen en verbitterd tegen hem. Heengegaan met de onzinnigste verwachtingen en weergekeerd in ziekelijken en ellendigen toestand, hielden zij niet op de bitterste klachten te uiten tegen den man, die hen op zulke groote rijkdommen had doen hopen. Waar was dat tooverland, dat paradijs, dat beloofde land? In plaats van voorspoed hadden de landontdekkers slechts beproevingen gevonden. Zij hadden van niets te gewagen, dan van strijd tegen de inlanders, van moeite en ontbering. Te vergeefs was het dat Columbus de geestdrift trachtte aan te wakkeren; er was nu eenmaal asch gestrooid op den gloed; de bewondering was vervangen door smaad.De Spaansche koning en de koningin begroetten den admiraal met belangstelling, maar tegelijk met zekere koelheid, en toen hij het voorstel deed een derden tocht te ondernemen, werd hij maar al te duidelijk gewaar dat de geheime tegenwerking en de laaghartige ijverzucht zijner vijanden al vruchten begonnen te dragen.Den 30stenMei 1498 vertrok hij weder met zes schepen. Nog eens hadden zijn onvergelijkelijke wilskracht en zijn kloeke en onbedwingbare geest het pleit gewonnen. Hij ontdekte nu Trinidad, betrad het vasteland van Amerika, en vond de golf van Para, de eilanden Conception en Assumption. Maar hij had te strijden met opstand onder degenen, die hij te Sint Dominique had achtergelaten, en onder velerlei moeite en tegenwerking, die hij van de zijde zijner landgenooten ondervond, deed hij vijf schepen naar Spanje vertrekken, en met deze verzond hij brieven aan den koning, in welke hij zijne klachten en grieven blootlegde.Zoowel hij zelf als zijne broeders werden als misdadigers met ketenen beladen. Blz. 16.Zoowel hij zelf als zijne broeders werden als misdadigers met ketenen beladen. Blz. 16.Tengevolge van de kuiperijen aan het hof vaardigde Ferdinand naar St. Dominique geen overheidspersoon en rechter af, zooals Columbus verzocht had, maar een beul, don Francisco de Bobadilla, voorzien van brieven van volmacht, waarin hij tot gouverneur der ontdekte gewesten aangesteld en met een onbeperkt gezag bekleed werd. Te St. Dominique aangekomen trad Bobadilla er als heer en meester op, vestigde zich in het huis van den admiraal en gaf hem een afschrift van de brieven, waarbij hem (Bobadilla) het oppergezag werd verleend. Vervolgens deed hij den admiraal,zonder hem te hooren, in een vesting opsluiten, te gelijk met zijne broeders, die in de nieuwe wereld waren achtergebleven. Aan zekeren Alonzo de Villejo werd de taak opgedragen hem naar Spanje over te brengen. Columbus onderwierp zich, zonder een klacht te slaken; zoowel hij zelf als zijne broeders werden als misdadigers, met ketenen beladen, naar een schip gevoerd, dat spoedig zee koos. Villejo, die medelijden had met zijn gevangene, wilde zijne ketenen los maken, maar de admiraal verzette zich hiertegen. »Ik wil ze dragen,” zeide hij, »als een bewijs van het loon, waarmee men de diensten betaalt, die ik het land bewezen heb.” »Deze boeien,” zoo verhaalt ons Fernando Colombo, »heb ik steeds in mijns vaders kamer zien hangen en hij beval ons dat wij ze bij hem zouden leggen, als hij begraven werd.”Toen de zeereiziger in Spanje aanlandde, gebood de Koning, die zich waarschijnlijk schaamde over Bobadilla’s gedrag, dat de gevangenen vrijgelaten zouden worden.Columbus was nu diep ter neer geslagen. De wereld walgde hem. »De wereld heeft mij meer dan duizendmaal slag geleverd,” schreef hij, »en ik heb altijd weerstand weten te bieden, tot op dezen dag, nu ik mij niet verdedigen kan, noch met de wapenen, noch met beleid. Met welk een uitgezochte barbaarschheid hebben zij mij in de diepte doen nederzinken!” Maar staande gehouden door dien godsdienstigen zin, die het kenmerk uitmaakt zijner eeuw, vervuld van het denkbeeld om later het Heilige Graf te bevrijden, vatte de onvermoeide man het plan op tot een vierde reis, die nu werkelijk, zooals hij meende, Spanje rijk zou maken.Hij vertrok van Cadix op den 9denMaart 1502, vergezeld van zijn broeder Bartholomeus. Op deze reis ontdekte de zes-en-zestig-jarige het eiland Guanaga, zeilde de kusten van Honduras en Mosquito langs, bereikte Porto Bello op de landengte van Panama, zette op Veraguas voet aan wal en ontdekte de rijke goudmijnen dezer gewesten. Hij trachtte verder een volksplanting te vestigen aan de rivier de Belen; maar de meesten van die hij er achterliet werden door de inboorlingen vermoord, en toen hij de overigen ter hulp snelde werden zijne schepen door storm beloopen en zoo goed als uit elkander geslagen.Zijn gestel, door ouderdom, moeite, zorg en lijden ondermijnd, was tegen deze nieuwe beproevingen niet opgewassen. Wel slaagde hij er in de ongelukkigen te bevrijden en streed hij nog een tijd lang tegen geweldige stormen en gedurigen opstand van zijn volk; maar krankte en uitputting wierpen hem neder. Dank zij de tegenwoordigheid van geest, door zijn broeder betoond, ontsnapte hij het gevaar van door zijne eigene schepelingen vermoord te worden. In dien treurigen toestand viel hij te St. Dominique binnen, en den 7denNovember 1505 keerde hij naar Spanje terug. Hij was negen-en-zestig jaren oud.In Spanje aangekomen, vernam Columbus dat zijn »goed gesternte”, de koningin Isabella, overleden was. De koning wilde hem geen recht verschaffen. Doch de dood was niet verre meer. Een wreedaardige krankte sleepte hem onder het lijden van vele martelingen ten grave. Den 20denMei van het jaar 1506 ontsliep hij met de woorden: »Vader, in uwe handen beveel ik mijn geest.”Zoo stierf deze martelaar. Hebben zijn tijdgenooten het hunne gedaan om zijn roem te verkleinen, de toejuiching van het nageslacht heeft reeds lang het brommen van den haat en den nijd gesmoord. Het groet met geestdrift den veroveraar, die den sluier heeft opgelicht, waarachter, duizenden van jaren, een halve wereld in ’t verborgen sluimerde. Humboldt is de tolk van dien geestdrift, waar hij uitroept: »Columbus heeft zich verdienstelijk gemaakt ten opzichte van de gansche menschheid, wijl hij een oneindig aantal nieuwe dingen aan haar nasporing heeft onderworpen. Het menschelijk denken heeft zich door zijn ontdekking uitgebreid. Aan den aanvang van een nieuwen tijdkring, op de grens waar de oude wereld en de nieuwe elkander ontmoeten, staat deze edele en kloeke geest, de eeuw beheerschend, die hem den stoot gaf en die op haar beurt van hem het leven kreeg.”Nu er dan alzoo een begin gemaakt was, ging men ijverig voort den boeg naar de nieuwe wereld heen te wenden, maar nog steeds kostte die voortgaande beweging moeite en verdriet. Welk loon ontving Fernando Cortez voor de uitstekende diensten, die hij bewees? Hetzelfde loon, dat Columbus gewonnen had. De veroveraar van Mexico werd blootgesteld aan al de pijnigingen van een ellendig rechtsgeding. Aan het einde van zijn roemrijke loopbaan, leidt hij aan het hof van Karel den Vijfde een droevig bestaan. Voltaire vertelt dat hij geen gehoor bij den keizer kunnende krijgen en hem toch willende spreken, met geweld door de menigte drong, die het keizerlijke rijtuig omringde. Op de vraag van Karel wie dit mocht zijn, zou hij geantwoord hebben: »Ik ben de man, die u meer koninkrijken heeft geschonken, dan uw voorouders u steden hebben nagelaten.”Nadat Amerika ontdekt was, maakte de Portugees Fernam Magalhaens voor het eerst de reis om de wereld. Ook hij had hierbij veel te strijden, reeds vóór hij uitzeilde. Portugees van geboorte, en door zijn vaderland miskend, had hij in Spanje troost gezocht. Hij vond dien bij Karel V; maar de ambtenaren van het ministerie van koloniën waren kwalijk gezind jegens hem. Den 22stenOctober 1518, toen hij bezig was zijn vloot van het noodige te voorzien, werd het volk tegen hem opgeruid, omdat hij het wapen van Castilië verwijderd en door dat van Portugal vervangen zou hebben, terwijl hij alleen zijn eigen wapenbord aan boord had gebracht. Het scheelde weinig of hij werd gedood.Karel V gaf zijn ongenoegen te kennen over deze bejegening, en zorgde dat de tocht spoedig kon aangevangen worden. Maar onder welke treurige vooruitzichten begon deze eerste reis om de wereld! Magalhaens moest, om aan den wensch van den koning te gemoet te komen, onder zijne schepelingen een man opnemen, die bijna evenveel gezag had als hijzelf. Dit was Juan de Carthagena, die den titel van »Inspecteur Generaal” droeg en gezagvoerder was over het derde schip der vloot. Hij was door een machtig geestelijke aanbevolen en haatte Magalhaens. Nog een ander vijand moest hij aan boord van zijn eigen schip dulden, en wel een landgenoot, Estevan Gomez. Zoo vond de groote zeereiziger zich omringd, niet van trouwe vrienden en medearbeiders, op wie hij rekenen kon, maar van naijverige mededingers, die een stillen wrok tegen hem koesterden.Nauwelijks was de vloot uitgezeild—dit geschiedde den 20stenSeptember 1520—of Juan de Carthagena begon het gezag van den opperbevelhebber te ondermijnen. Hij sprak Magalhaens op vrijpostige wijze, als zijn gelijke, aan en werd van dag tot dag aanmatigender. Eens zelfs waagde hij ’t, in tegenwoordigheid van eenige matrozen, Magalhaens met dreigende woorden aan te vallen. Toen begreep deze dat hij handelen moest. Hij greep zijn tegenstander in de borst en sloeg hem in de boeien, als den minsten matroos.Men was toen nog op de kust van Guinea. Magalhaens stak den Oceaan over, wendde den boeg naar Brazilië en kwam in December 1520 in de baai van Rio de Janeiro. Vervolgens zeilde hij langs de Amerikaansche kust voort, in de hoop van dien doortocht te vinden, dien hij in het Zuiden verwachtte en die later voor altijd zijn naam zou dragen. Het koude seizoen was in aantocht en Magalhaens wilde in de haven van San Julian overwinteren; maar nu begon de bemanning te morren. Te midden van de kale, sombere, koude gewesten, waarin zij zich bevonden, werden velen moedeloos en gaven hun verlangen te kennen, om den boeg naar Spanje te keeren. Magalhaens stond als een rots. Geen bidden, geen dreigen vermochten hem aan het wankelen te brengen. Hij gaf te kennen dat hij liever sterven wilde, dan met schande naar Seville wederkeeren, en met zijn veerkracht en moed wist hij de weerbarstige schepelingen te bedwingen.Het openlijke gemor nam een einde; maar in stilte bleef de tegenwerking woelen en weldra brak zij geweldig los, onder voorgang van een paar officieren, Luiz de Mendoza en Gaspard de Quesada. Een bloedig tooneel volgde. Magalhaens, aan zich zelven overgelaten, moest, zou hij niet als slachtoffer vallen, de oproerigen vellen. Hij besloot tot het laatste, en zond op Luiz de Mendoza een welvertrouwd man af, Gonzalo Givet de Espinoza. Deze overhandigde den officier een brief, waarin de opperbevelhebber hemvoor zich daagde. Luiz de Mendoza weigerde te verschijnen en spotte met dit bevel. Maar toen wierp Espinoza zich op hem en stiet hem zijn dolk in den hals.Magalhaens ging met zooveel kracht, bekwaamheid en stoutheid op den ingeslagen weg voort, dat hij de oproerige bemanning derVictoriaenTrinidadspoedig tot gehoorzaamheid dwong. Gaspard werd onthoofd. De lijken der samenzweerders werden, ten aanschouwen van al het volk, aan wal gebracht, en daar las één der officieren hun vonnis.Toen deze daad van hoog gezag volbracht was—eene daad, die, hoe verdedigbaar ook, de nagedachtenis van den bevelhebber niet tot eere strekt—werd San Julian verlaten. Na den opstand van menschen te hebben doorstaan, had hij met dien der elementen te doen. Met veel moeite en onder groote gevaren bereikte hij Vuurland en ontdekte de zeestraat, die zijn naam draagt en den doortocht, waarvan hij gedroomd had. Den 27stenNovember 1520 zette hij koers naar het Noord-Oosten en dreef in die groote wijde zee, die toen zoo kalm was, dat men hem de Stille Zuidzee noemde. Hier ontdekte hij de Marianen en zette eindelijk op het eiland Zebou voet aan wal, om er de schepen van leeftocht te voorzien. De vorst van dit eiland ontving de vreemdelingen met alle teekenen van toegenegenheid. Magalhaens zocht de inboorlingen tot het Christendom te bekeeren en bouwde zelfs een kerk, maar hij beging de groote fout van den vorst van Zebou aan te stellen tot hoofd en leenheer van al de andere vorsten van het eiland. Deze wilden niets weten van die europeesche aanmatigingen; één van hen, de koning van Mactan, bracht een leger op de been van niet minder dan zesduizend man, en verzette zich daarmee tegen de vreemde indringers.Magelhaens moest nu krijg voeren. Met een handvol volks trok hij tegen den koning van Mactan op; maar vond het gehucht, waar deze zijn residentie had, verlaten en stak het in brand. Nu kwamen de Indianen opzetten en begroetten de Spanjaarden met steenen en pijlen, en dat wel met zooveel hevigheid en met zulk een overmacht, dat Magalhaens den terugtocht aannam en de schepen opzocht. Juist zou hij zich met de zijnen in de sloepen begeven, toen een steenworp hem het been verbrijzelde en hem neervelde. Een Indiaan maakte met een speer een eind aan zijn leven. (27 April 1521.)Zoo stierf Magalhaens; maar zijn taak was volbracht. De groote vraag hoe de reis te maken om de wereld was opgelost.Hoe nader wij komen aan den nieuweren tijd, des te meer zien wij deze ontdekkingen den stoot geven tot nieuwe onderzoekingstochten.Eerst opent Amerika, van het noorden tot het zuiden, der wereldeen breede baan; straks doemt het groote vasteland van Australië op, met de eilanden der Stille Zuidzee, en ook het geheimzinnig Afrika, het groote vraagstuk van zoovele eeuwen, opent zijne poorten voor de beschaafde wereld. Eindelijk zijn het slechts de twee polen, die, ten zuiden en ten noorden door ondoordringbaar ijs versperd, het menschelijk onderzoek tarten.De Poolstreken, die als het ware de spil der aarde aan hare uiteinden omgeven, maken thans een punt uit van volhardend onderzoek. Engeland, Zweden en Nederland stoomen en zeilen er heen om land en zee te onderzoeken. Met name is het de Noordpool die men meer en meer zoekt te naderen. En heeft thans Nordenskjöld een weg gevonden noordwaarts naar China. Eeuwen reeds geleden is deze met zelfverloochening en moed gezocht.De weg, die naar de Noordpool voert, is als omzoomd met de lijken der helden, die gestorven zijn. Moge ook »Nederlands vlag Euroop den doortocht” niet gewezen hebben »door het ijzig Noord naar het zengend Oost,” toch hebben de Nederlanders behoord tot de eerste Noordpoolvaarders, gelijk wij thans gelukkig weder ook behooren tot de laatste. Ook ons volk heeft er zijne helden bij verloren, martelaren voor het vaderland en voor den vooruitgang. Balthazar Moucheron van Middelburg vatte het plan op—een plan reeds door de Engelschen geopperd maar opgegeven—om den noordelijken doortocht te zoeken naar China en Indië. Zijn plan leidde tot het uitrusten van een klein eskader onder Cornelis Cornelisz Nay van Enkhuizen en Willem Barentz. Zij zouden beproeven benoorden Novaja Zemlya een open vaarwater te vinden. De schepen scheidden zich van elkander en Barentz verkende de westkust van het genoemde eiland tot aan Kaap Nassau. Hier stiet hij op het ijs en keerde terug. Nay was voortgedrongen door de zeestraat bezuiden Waigatsj, die hij »Straat Nassau” noemde, zeilde de Kara-Zee in; en meenende dat hij het open vaarwater naar China al gevonden had, keerde hij met blijde tijding naar het vaderland terug, tegelijk met Barentz, dien hij op den terugweg ontmoette. Na een mislukten tocht in 1595, werd in 1596 door de stad Amsterdam een derde tocht uitgerust onder Jacob van Heemskerk, Willem Barentz en Jan Cornelis Rijp. Op dezen tocht ontdekten onze zeevaarders Spitsbergen, ’t welk zij voor Groenland hielden en zeilden westelijk op tot 79° 30′; maar al spoedig gingen de twee schepen elk zijn eigen weg. Rijp wilde rechtstreeks naar het oosten doordringen, Barentz Novaja Zemlya aandoen. Rijp keerde onverrichter zake naar het vaderland terug. Barentz bereikte zijn doel en voer de Westkust van Novaja Zemlya in noordelijke richting langs en de Noordkaap om. Toen hij verder oostwaarts op wilde, werd hij door het drijfijs genoopt aan de Oostkust van het eiland een bocht binnen te loopen, waar hij overwinterde. Hier verduurden de reisgenootende bitterste koude. ’t Was de eerste poolwinter die door Europeanen werd doorgebracht. Eén der tochtgenooten, Gerrit de Veer, heeft al dit lijden beschreven, en niemand zal zonder aandoening het eenvoudig en verheven naieve verhaal dezer overwintering lezen. Zij bouwden zich een houten hut, het zoogenaamde »Behouden Huijs”, sleepten er in, wat hun dienstig kon zijn, rookten er hun pijp, aten er hun smakeloos geworden proviand of de met levensgevaar geschoten beren, maar verloren, onder al hun kommer, hun goeden luim niet, al zaten zij ook acht maanden lang in duisternis en al hoorden zij ook niets dan het doffe, sombere gehuil van den storm. De ontbering klom dag aan dag. Eindelijk, den 14denJuni, braken de reizigers in twee open booten, die zij zelven gebouwd hadden, door het ijs, zeilden de open zee in en ontmoetten Rijp, die in November met hen in het vaderland terugkwam.Den 20stenJuni was Barentz overleden, het oog op de kaart en de plannen van den terugtocht met zijne mannen besprekend. »Mij dunkt, het zal met mij niet lang duren!” Zoo sprak eenige oogenblikken voor zijn dood de moedige man, man niet van woorden, maar van daden, eenvoudig in zijn plichtsbetrachting en in zijn sterven. ’t Leek dit kloeke geslacht volkomen natuurlijk, dat het tot in Juni schip en lading in het ijs bleef bewaken en zijn leven er voor zette. Het sterft niet als een held in melodrama, maar gaat stil daarheen in de groote rust, held door moed, en nog eens held door zijn eenvoud.Bij het vertrek uit het »Behouden Huijs” had Barentz een stuk opgesteld, een klein cedelken, waarop echter meer stond dan in menig boek. Het bevatte het korte verhaal van de lotgevallen der reisgenooten. Men deed het in een kruithoorn en hing het op in den schoorsteen, »op avontuer offer yemant na hen quame, dat dien weten mocht, wat hun bejegent was en hoe ’t hen gegaan hadde.”Barentz’ Behouden Huijs bleef op het strand van de IJshaven niet minder dan 278 jaren verlaten en onopgemerkt staan. Doch den 7denSeptember 1871 kwam er »yemand na hen”,—het was de Noorsche kapitein Carlsen. Hij vond de overblijfselen van het huis nog overeind staan, de slaapplaatsen, de hollandsche klok, hellebaarden, musketten, tafelgereedschap, alles, zooals de Veer het beschreven had. Met eerbied trad de Noor de eenzame hut binnen, waarboven zooveel storm was heengegaan, waarbinnen zulke moedige en trouwe harten geklopt hadden. Carlsen nam eenige zaken mee, die door een Engelschman, later door het Nederlandsche gouvernement, werden overgenomen. Vijf jaren later kwam Charles Gardiner, een Engelschman, op Nova Zemlya en bracht een tweede lading voorwerpen mee, die de edelmoedige vinder aan ons land ten geschenke gaf.Thans prijken deze onwaardeerbare overblijfselen in den Haag, in de modelkamers der koninklijke marine, blijvende lijdens- en zegeteekenen van ons voorgeslacht, blijvende vingerwijzingen voor het nageslacht.In den aanvang van de zeventiende eeuw zeilde een engelsch zeevaarder, Henry Hudson genaamd, met een klein vaartuig de Oostkust van Groenland langs, en kreeg een deel van Spitsbergen, door hem Nieuw-Land genaamd, in het gezicht. In Amerika ontdekte hij de rivier en de baai die thans zijn naam dragen. Ontzettend was zijn levenseinde. Hij was nauwelijks een nieuwe baai van Noord-Amerika ingevaren, of, ten gevolge van den langen duur der reis, begonnen de levensmiddelen te ontbreken. Het scheepsvolk kwam in opstand en de kapitein werd, met zijn zoon en een paar matrozen, in een sloep aan de golven prijs gegeven. Men heeft nimmer iets van de ongelukkigen vernomen, die laaghartig verzaakt en verraden werden.Wie kent den naam niet van John Franklin en ten minste niet eenigszins zijn treurige geschiedenis? In 1800 bij de engelsche marine in dienst getreden, woonde Franklin onder Nelson den zeeslag bij Koppenhagen bij en nam deel aan een onderzoekingstocht in Australië, op welken hij in 1803 bij een schipbreuk dreigde om te komen. Bij Trafalgar streed hij met moed en beleid. In 1804 werd hij gewond bij het beleg van Nieuw-Orleans, hetwelk door Jackson met heldenmoed verdedigd werd. Sinds 1818 wijdde Franklin zich aan de Noordpoolvaart, en in 1819 deed hij, in gezelschap van Richardson, Hood, Back en Hepburn, te voet en onder ongehoorde ellende, een verkenningstocht langs het Noorderstrand van Amerika, en wel over een lengte van niet minder dan 900 kilometers.Facsimilé van het cedelken van Barentz. Blz. 23.Facsimilé van het cedelken van Barentz. Blz. 23.De moedige reizigers vorderden niet dan langzaam over de uitgestrekte sneeuwwoestijnen, die hier en daar door diepe ravijnen doorsneden werden. Zij waren zoo uitgeput, dat sommigen er het bewustzijn bij verloren. Back werd met drie man vooruitgezonden, om de hulp in te roepen van de bezetting van het fort »Enterprise”, bij het Slavenmeer. Ondertusschen toog ook Franklin, die zich hersteld gevoelde, met de rest der tochtgenooten verder voort door de sneeuw. Hij kon daags maar 5 of 6 mijlen vooruitkomen. Twee mannen van Canada bezweken en men deelde onder elkander de schoenzolen. Richardson, een engelsch matroos en een der Iroqueezen, die deel namen aan den tocht, moesten in een tent achterblijven. Franklin zette zijn wanhopigen tocht voort. Eindelijk kreeg men het fort in het gezicht. Helaas! het was ontruimd geworden, en er was niets te vinden. Zoo vervloog alle hoop, op het oogenblik waarop de moedige onderzoekers zich gered waanden. Zij zagen elkander aan en zonder te spreken barstten de helden in tranen uit. Met drie man bleef Franklin in het fort en kookte soepvan eenige beenderen, die onder een hoop vuilnis waren achtergelaten. Twee dagen later zag hij dokter Richardson met den matroos Hepburn naderen, die onder weg vernomen hadden, dat de Iroquees Michel den heer Hood had vermoord en die nu op hun beurt den Iroquees hadden gedood. Zoo voegde zich ook nog de misdaad bij alles wat zij leden: honger, kou, ellende en verlatenheid! Den 1stenNovember stierven nog twee Canadeezen. Eindelijk, op den 7denNovember, terwijl Franklin zich reeds trachtte te gewennen aan het denkbeeld, dat hij met het overblijfsel zijner tochtgenooten van honger zou moeten sterven, zie, daar kwamen Indianen aan, beladen met overvloed van levensmiddelen, gezonden door den heer Back. Men moet in het verslag van Franklin’s reis het eenvoudig en hartverscheurend verhaal en dezen ganschen tocht lezen, om den moed, de grootheid van ziel, de zelfverloochening te bewonderen, bij dit alles toen ten toon gespreid—neen, in het verborgen geofferd. En wil men weten wat deze mannen waagden, dan moet men zich eenigszins een voorstelling kunnen maken van de kusten van Noord-Amerika, zooals die toen ter tijde waren.Een engelsche Maatschappij, ruilhandel willende drijven met de Esquimo’s, had zich in deze gewesten gevestigd, in ellendige houten hutten, boven welke de engelsche vlag woei. De verschillende posten van deze maatschappij bevonden zich hier en daar langs die onmetelijke keten van meren, die zulk een eigenaardig karakter leenen aan dit gedeelte van Noord-Amerika. Sneeuw, koude, al de ongenade van het Noorden, heerschen hier in deze groote ijswoestenijen. Hier hadden Franklin en de zijnen soms niets anders dan watpemmicante eten, een soort van geperst vleesch, dat zij, om den maag te vullen, gebruikten met een soort van mos. Hoe is het mogelijk dat mannen, die eens zulke martelingen hebben ondergaan, zich ten tweedemale aan zulke gevaren wagen! Maar Franklin behoorde tot die menschen, die zich door niets laten afschrikken.In 1825 ondernam Franklin een tweeden en vruchtbaarder tocht. In 1845 waagt hij zich nog eens in de onbekende oorden en raakt verdwaald of gevangen te midden van ijsbergen, die hem den weg versperren. Althans hij is in 1845 voor altijd verdwenen. Men weet met welk een toewijding, welk een bezorgdheid, welk een onvermoeide volharding Lady Franklin, gesteund door haar land, achtereenvolgens een gansche reeks van onderzoekingstochten heeft uitgerust ter nasporing van haar man. Heldhaftige pogingen zijn in het werk gesteld om hem te vinden, maar zij zijn te vergeefs geweest. Eerst in 1857 en 1859 heeft men op Koning Willems Land de lijken en andere overblijfselen van de moedige mannen mogen vinden.Franklin was een man van grooten moed, maar ook van grootegoedheid. Zijn vriend Parry zeide van hem: »’t Was een man die het gevaar nimmer den rug toekeerde en daarbij zulk een week hart had, dat hij geen mug zou dooden.”Op dergelijke wijze is de Franschman Jules de Blosseville verdwenen en omgekomen. In 1833 scheepte hij zich in opla Lilloise, waarmee hij als commandant de reis naar Groenland deed. Hij teekende de kaarten van het zuidelijk gedeelte van dit land, waar hij bovendien belangrijke waarnemingen deed ten opzichte van den magneet. Het laatste wat men van hem vernomen heeft is, dat hij, door het ijs gedwongen, ergens te Vapna Fjord was binnen gevallen. Men heeft noch van hem, noch van zijne bemanning ooit iets vernomen of een spoor gevonden.Van de Noordpoolstreken, met hun eeuwigdurend ijs en sneeuw, met hun eeuwig grijs en wit, hun kou en hun klappertanden, naar Afrika’s tropische gewesten, met hun bonten dos en weelderigen groei en stikkende hitte, is zeker een geduchte overgang. Maar de menschelijke onderzoekingsgeest en moed vinden wij er op gelijke wijze vertegenwoordigd.Een der eersten, die Europa verlaten heeft om de streken van Midden-Afrika te onderzoeken, is René Caillé geweest. Hij werd in 1799 te Maugé, in Frankrijk, geboren. Spoedig wees, werd hij door een oom opgevoed en naar school gezonden. Op vijftienjarigen leeftijd viel hem een exemplaar van Daniël de Foe’s »Robinson Crusoe” in handen, en dit boek wekte zijn verbeeldingskracht in zulk een mate op, dat de zucht naar avonturen en reizen hem geen rust liet. Zijn levensroeping was gevonden, zijn toekomst afgebakend. Hij had hooren zeggen en gezien dat de kaarten van Afrika groote oningevulde vakken toonden, waar landen lagen, die nog ontdekt moesten worden. Hij was 16 jaar, hij had 60 francs op zak—en vertrok.Te Rochefort lagen twee schepen gereed, deLoireen deMedusa, beiden naar Senegal bestemd. Had hij zich op deMedusaingescheept, hij zou met zoovele anderen omgekomen zijn bij een der vreeselijkste tooneelen, die de zee ooit heeft opgeleverd. De schipbreuk derMedusabehoort tot die verschrikkingen, die niet licht uit het geheugen der menschen zullen verdwijnen.Op deLoirekwam Caillé goed en wel te Senegal. Hij trok naar Saint Louis, bezocht Guadaloupe en nam als vrijwilliger deel aan den tocht van Partarrieu door de gewesten van Gjolof, Foutah en Bondoe. Hierna kwam Caillé naar Frankrijk terug, om zich te laten genezen van de koorts. Maar nauwelijks was hij de schade, door zijn ondernemingszucht aan zijn gezondheid toegebracht, te boven, of hij vertrok weder naar Senegal en bood baron Roger zijne diensten aan. Roger was een groot bevorderaar van ontdekkingsreizen.Niet zonder moeite kreeg Caillé eenige koopwaren mede en met dezen begon hij te reizen onder de Mooren van den stam Berâkerah. Al verder dwalende, van kamp tot kamp, kwam hij na 8 maanden meer dan 200 kilometers ten noordwesten van Polos. Nauwelijks was hij te Saint Louis terug of hij ondernam een reis naar Tomboctoe.René Caillé was geen man van aanzien en had evenmin aanbevelingsbrieven in zijn zak. Zijn persoon boezemde het vertrouwen in, dat ieder avonturier zou inboezemen. ’t Was te vergeefs, dat hij om nieuwe koopwaren vroeg. Men weigerde hem zelfs een paspoort naar de engelsche nederzettingen van de Gambie. Van ontmoediging wist deze kloeke volhouder niet. Hij vertrok te voet, bereikte Gorea Sierra Leone en wendde zich tot den gezaghebber van Freetown. Na de vernedering eener nieuwe weigering te hebben ondervonden, werd Caillé nu koopman in indigo, nam het arabisch kostuum aan, gaf zich uit voor een jong Egyptenaar van Alexandrië, en ondernam gansch alleen, zonder hulp, zonder bescherming, zonder andere hulpmiddelen dan die van zijn eigen geestkracht en wil, een tocht, waarvoor zoovele andere reizigers met de beste aanbevelingen en hulpmiddelen waren teruggedeinsd.René Caillé vertrok den 19denApril 1827 van Kakouty en werd spoedig vergeten. Maar omstreeks het midden van het volgende jaar werd de geleerde wereld door een belangrijk feit in beweging gebracht. Een Franschman, die te Toulon ontscheept was, was doorgedrongen in de nog onbezochte en geheimzinnige streken van Midden Afrika. Hij kwam van Tomboctoe. ’t Was Caillé. Zijn aankomst was een ware gebeurtenis. Ieder ondervroeg den reiziger, die geheel op zich zelf dit groote vraagstuk der landontdekking had opgelost, en het Aardrijkskundig Genootschap van Parijs kende hem den prijs toe, bestemd voor den reiziger, die Tomboctoe zou hebben bezocht. Toen men vernam op welke wijze Caillé er in geslaagd was zulke uitkomsten te verkrijgen, werden zijn moed en volharding om het zeerst geroemd—wat zij verdienden. Na het land van Inanke, Touta, Gjalo, Baleija en Amana te zijn doorgetrokken, was hij den Niger overgestoken, wat nog niemand gedaan had, en zoo in onbekende streken gekomen te midden van negerstammen, bij welke hij vijf maanden verblijf hield. Hij leed de vreeselijkste smarten. Het vreemde, ongezonde en karige voedsel, dat hij gebruikte, deed hem scheurbuik en koorts krijgen; hij verloor een paar beenderen uit het verhemelte, doch kwam alleen door zijn groote wilskracht en zijn sterk gestel dit alles te boven. Den 9denJanuari 1828 had Caillé zijn gezondheid herkregen, en zocht nu langs een geheel nieuwen weg den Niger op bij Gjeny. Na een maand lang duizend gevaren te hebben doorgestaan, kwam hij te Tomboctoe aan. Maar om terug te keeren wilde hij de woestijndoor. Ondertusschen tot ellende, ja tot den bedelstaf vervallen, schoot hem niets anders over dan zich bij een karavaan aan te sluiten en een paar maanden lang ten doel te staan aan allerlei smaad en kwade bejegening.In Frankrijk teruggekomen, kreeg hij zijn verdiende loon. Hij werd ridder van het legioen van eer; het verhaal zijner wonderbare reizen werd op last van het gouvernement uitgegeven, en men bezorgde hem een jaargeld en een ambt bij de administratie van het land van den Senegal. Maar zijn rust en glorie duurden kort. De ziekte die hij in Afrika had opgedaan, greep hem met dubbele woede aan en maakte hem tot een martelaar te meer van den grooten arbeid der ontdekking. Hij overleed op negen-en-dertigjarigen leeftijd, op den 17denMei 1838.Wij slaan een paar andere Franschen over, Mage en Quintin, die omstreeks de jaren 1860–1869 zich verdienstelijk gemaakt hebben door hunne onderzoekingen tusschen den Niger en den Senegal, van welke de eerste bij zijn terugkomst schipbreuk leed en met al zijne medeschepelingen in de golven omkwam. Wie verhaalt wat zij te lijden hadden van het klimaat en van de inboorlingen, en welke offers zij gebracht hebben aan hun zucht om het onbekende land te verkennen?Maar grooter mannen wachten ons, mannen, die omdat zij beter geslaagd zijn dan anderen, ook grooter plaats innemen. David Livingstone behoort zeker onder deze gerekend te worden. Hij speelt de hoofdrol op het tooneel der aardrijkskundige onderzoekingen en is tevens een der edelste karakters onzer nieuwe beschaving, een voorbeeld van toewijding zoowel waar het de wetenschap als waar het de menschheid geldt. Livingstone werd den 19denMaart 1813 te Blantyre in Schotland geboren. De beroemde reiziger heeft zelf zijn leven beschreven en spreekt met trots van zijne voorvaderen, die de eer van het geslacht nimmer verzaakten. »Wees eerlijk!” was hun devies en het was het zijne. Maar hij was meer dan het devies van hem eischte: hij was edelmoedig, hij was goedhartig en groot door de kracht van zijn wil. Van zijn tiende jaar af moest David Livingstone met zijn arbeid voorzien in de behoefte van het gezin, waartoe hij behoorde. Hij deed het nederige werk van een arbeider in een katoenfabriek te Blantyre. Des avonds wijdde hij zich aan zijne studiën. Overdag legde hij zijne boeken geopend in zijn nabijheid, en bij het dreunen der machines las hij wat hij er van lezen kon. »Hieraan”, zegt hij, »dank ik het vermogen om mij gansch en al te onttrekken aan al het leven, dat men om mij heen maken mag, en rustig te zitten lezen of schrijven te midden van spelende kinderen of wel van een troep dansende en huilende wilden.”David Livingstone.David Livingstone.Hij was reeds negentien jaar en nog was hij maar wever opeen fabriek. Zijn loon, dat ondertusschen wat verhoogd was, stelde hem in staat, ’s avonds een zekeren cursus van geneeskunst en godsdienst bij te wonen. Hij werd een door en door godsdienstig man, met een kloek, mannelijk, gezond geloof. Zijn vaderland droeg hij een innige liefde toe en niets kwam hem zoo benijdbaar voor als zich toe te wijden aan de leniging van menschelijke ellende. Ondertusschen promoveerde hij, na volhardende studie, in de genees- en heelkunde.Livingstone had deze kennis opgedaan, met het doel haar dienstbaar te maken aan het heil der Chineezen, onder wie hij als zendeling en geneeskundige arbeiden wilde. Hij bood zijne diensten aan bij het zendingsgenootschap te Londen, juist op denzelfden tijd waarop Moffat in Engeland terugkwam, na lange jaren onder de Afrikanen te hebben doorgebracht. Livingstone won goeden raad in bij dezen uitnemenden zendeling, en ondernam op den leeftijd van zeven-en-twintig jaren een zendingstocht naar Afrika.Na een lange zeereis gemaakt te hebben, landde hij aan de Kaap, waar hij eenige jaren doorbracht en met Moffat’s dochter in het huwelijk trad. Een waardiger levensgezellin, een vrouw met meer moed, liefde en toewijding, zou hij nergens gevonden hebben. Livingstone drong tot het land der Bechuranas door, een volkje dat nog door niemand bezocht geworden was. Van den aanvang van zijn nieuwe loopbaan af nam hij zich voor de europeesche levenswijs vaarwel te zeggen en zich tegen alle vermoeienis te verharden. Zoo ondernam hij een reeks van reizen, van meer dan 130 kilometers lengte, ’t zij te voet, ’t zij in een met ossen bespannen wagen. De inboorlingen hadden hem eerst uitgelachen wegens zijn weinig indrukwekkend voorkomen. »Hij is zwak,” zeiden zij, »hij houdt het niet lang uit.” Maar Livingstone, die dit oordeel gehoord had, reisde met versnelden pas voort, en dwong zijne reisgenooten te volgen, die weldra eerbied kregen voor zijne kracht en volharding. Een gevecht met een aantal leeuwen, die voor zijne geweerschoten op de vlucht gingen of gedood werden, maakte bovendien een diepen indruk. Een dezer dieren greep hem bij den bovenarm en verminkte dien zoo, dat het den reiziger na dien tijd steeds moeielijk viel het geweer te schouderen, en na zijn sterven zijn lijk herkend werd aan de sporen, die van de wonden overgebleven waren.Eerst in 1849 besluit Livingstone naar het Noorden van Afrika te trekken. Met de heeren Murray en Oswel volgt hij de Zoega en bereikt het Ngami-meer, na een afstand van 4800 kilometers te voet afgelegd te hebben.In 1851 waagt Livingstone zich in de nog niet doorreisde gewesten van de Mekalodo. Hij trekt door Sebitoane, de hoofdplaats van dit gebied, dringt dieper door en staat versteld van deschoone natuurtooneelen, die zich voordoen aan zijn oog: weelderige landouwen, besproeid door rivieren en stroomen, rijke, vruchtbare dalen en schoone meren, bewoond door een rustige, nijvere bevolking. Nu gaat het van ontdekking tot ontdekking. Na groote gevaren, ongehoorde vermoeienissen, steeds nieuwe krachtsinspanning, komt hij in 1852 aan de Westkust van Afrika, te Saint-Paul de Loanda, een portugeesch station. Hoe voortvarend ook, hier moet hij een tijd lang vertoeven en uitrusten van zijn vermoeienissen. Hij wordt ernstig krank, en maanden lang strijdt hij met den dood. Maar het leven behoudt de overhand, hij herstelt en zijne klachten keeren weder. Maar in plaats van nu zich zelven te sparen en op rust te zinnen, vat hij onmiddellijk zijne oude reisplannen weder op. Hij wil Afrika in zijne gansche breedte doorreizen, vat den tocht moedig aan en komt in 1856 te Quilimane aan Afrika’s Oostkust.Na dezen prachtigen zegetocht komt Livingstone rijk aan ontdekkingen in Londen terug. Overal juicht men hem toe en de gouden eerepenningen van de Aardrijkskundige Genootschappen, zoo van Parijs als van Londen, worden hem toegekend. Het verslag van deze reis heeft Livingstone zelf opgesteld onder den titel van »Zendingsreizen en onderzoekingen van Zuid-Afrika.”Na dit boek afgewerkt te hebben, trekt hij weder naar het Zuiden en gaat op nieuwe ontdekkingen uit. Zijn reis naar de Zambesi zal steeds merkwaardig blijven. Verrassing op verrassing valt den reiziger te beurt bij de talrijke stroomen, die deze rivier voeden, en de merkwaardige streken, die er door worden besproeid. Maar dit vruchtbare land werd voor Livingstone een plaats der beproeving. Hij verloor er zijn trouwe en moedige vrouw, die de kracht en den moed gehad had zijn levensgezellin en reisgenoote te zijn.Na op nieuw naar Engeland te zijn teruggekeerd, wil hij de bronnen van de Zaïre zoeken, en hij verlaat zijn vaderland om het nimmer weder te zien.Weder nieuwe veroveringen! Hij is in geheimzinnige oorden verdwenen, maar wordt door Stanley, den kloeken verslaggever van de New-York Herald te Oudjidji, bij het meer Tanganyika, wedergevonden. Stanley biedt hem de noodige hulp en geeft der wereld bericht aangaande den moedigen onderzoeker. Zijn krachten zijn uitgeput. Toch acht hij zijn taak niet volbracht en wil hij die ten einde toe afwerken. In 1872 verdwijnt hij, en meer dan een jaar verloopt er, voor men iets van hen verneemt. Eindelijk weerklinkt plotseling het bericht dat hij niet meer is, en gansch Europa, dat het oog op hem gevestigd hield, verschrikte bij de mare.Een dezer dieren greep hem bij den bovenarm. Blz. 31.Een dezer dieren greep hem bij den bovenarm. Blz. 31.In het eind van April 1873 was de groote reiziger juist de moerassen doorgetrokken, die de Loeapoela van het bergvlak van Lobisa scheidt, toen de noodzakelijkheid hem dwong aldaar te blijven.Zijn geest was onvermoeid, maar zijn gestel was ondermijnd, zoo door koorts en dyssenterie als door vijfentwintig jaren van afmattenden arbeid en ontbering. Den 4denMei van genoemd jaar blies hij, omringd van eenige getrouwe dienaren, op het bergvlak van Lobisa den laatsten adem uit. Hij was 57 jaren oud.De vierde expeditie die ter opsporing van Livingstone was uitgezonden, kwam ongeveer een maand vóór zijn dood te Zanzibar aan. De luitenants Cameron en Murphy en dokter Dillon, die den tocht leidden, namen zijn lijk in ontvangst. Den 16denApril 1874 werd het op engelschen bodem ontscheept. Naar London overgebracht, werd het door William Fergusson onderzocht en het been van den bovenarm, dat voor dertig jaren door leeuwentanden was gekneusd, stelde den dokter in staat, de indentiteit van de kostbare overblijfselen te bewijzen.Op Zaterdag 18 April 1874 bereikte het lijk, te midden van een ontelbare en eerbiedig gestemde menigte zijn laatste rustplaats, de abdij van Westminster.Wanneer men de vorderingen nagaat, die de wetenschap aan Livingstone dankt, wordt men van bewondering en eerbied vervuld. Vóór hem bestond er in Afrika een gansch onbekende oppervlakte van niet minder dan 3 millioen vierkante kilometers. ’t Was een eenvoudigen jongen werkman van Glascow voorbehouden er de bakens te planten voor de groote wegen der toekomst en er te arbeiden aan de bevrijding der inboorlingen, voor welke hij zoo goed als een profeet en weldoener was.Zijn dood is voor de gansche maatschappij een waar verlies geweest. Niet elken dag ontmoet men zulke uitverkorenen, die alle deugden bezitten en te gelijk alles durven, en maar al te zelden gaat inspanning, strijd, doodsverachting en ontbering gepaard met een toewijding, die alleen het belang van de wetenschap en de menschheid op het oog heeft.Afrika is het tooneel geweest van de grootste zelfopoffering en toewijding op het punt van landontdekking. Daar zijn: Mungo Park, vermoord of verdronken te Bousa aan den Niger, in 1805; Nightingale, overleden aan de koorts, 1841; Duranton, overleden in 1843; Eduard Vogel, verraderlijk vermoord in 1856 door den sultan van Ouadaï; en wij mogen onder degenen, die zich op dit gebied verdienstelijk hebben gemaakt, ook één onzer landgenooten tellen en dat wel een vrouw: de welbekende freule Alexandrina Tinne. Het reizen was van haar kindsheid af haar element. Haar vader bekleedde ambten in Engeland en Suriname, was koopman te Liverpool, en reisde sinds 1842 met zijn vrouw en zijn zevenjarig dochtertje Europa door. Na den dood van den heer Tinne zetten zijn vrouw en haar dochter het reizend leven voort. Zoo trokken zij samen in 1853 naar Spanje, Noorwegen, Italië, Egypte, Palestina en Nubië. Hiervond Freule Tinne het terrein, waarop zij zich te huis gevoelde. Afrika had haar steeds aangetrokken. »Zij vloog er heen als een vlinder in de kaars”, zoo zeide zij. Helaas, zij zou er zich de vleugels zengen. Doch vóór haar dood zou zij eerst den slavenhandel zoeken te keer te gaan en onbekende streken bezoeken, de wetenschap aan menschenliefde parende. Zij doorkruiste het Noorden van Afrika, zij volgde den Nijl; waar was zij niet?Haar moeder bezweek in 1862, maar haar geest hield stand. Eindelijk zou zij een lievelingsdenkbeeld verwezenlijken. Zij zou de Algerijnsche Sahara door, en tot in het hart van Afrika dringen. Daar, waar haar als kind reeds de ledige plek op de kaart zoo gehinderd had, daar wilde zij heen. Eens mislukt de tocht. Zij keert na een zware en moeielijke reis van Marokko naar Alexandrië en Egypte terug. Maar zij geeft het niet op, zij wil naar de Toearegs en Bornoe. Zij trekt er heen met een gezelschap Arabieren, negers, Soedaneezen en twee blanken. De afpersingen der Toearegs deden meer dan eens oneenigheid ontstaan in de karavaan, en toen de eischen der gidsen en der roovers, die zich bij het reisgezelschap aansloten, niet meer konden worden ingewilligd, werden de Hollanders met freule Tinne jammerlijk vermoord. Freule Tinne gaf op al hare reizen blijk van grooten moed, van onvermoeiden onderzoekingsgeest. De eene tocht was nog niet afgeloopen of de andere werd uitgerust. Een werk, »Plantae Tinneanae”, waarin de tropische planten worden beschreven, die zij verzamelde, blijft getuigen van haar wetenschappelijken zin, en in het hart van menige vrijgekochte, ja, bij allen, met wie zij in aanraking kwam, zal zij blijven leven om haar liefde en haar groot karakter.Niet alleen het ijs van de Noordpool en de zandwoestijnen van Afrika, neen, ook andere streken zijn getuigen geweest van wat ondernemingsgeest en dorst naar kennis vermogen. Overal lokt het onbekende den mensch aan, ja het schijnt hem toe te wenken dat hij zal komen en zich zelven zal offeren.Op Aziatischen bodem stierf Francis Garnier. Officier der Fransche marine was hij tevens een der stoutmoedigste voorgangers en wegbereiders in vreemde gewesten.Na van 1866–1868 aan het hoofd eener Fransche expeditie Achter-Indië doorreisd en later bij het beleg van Parijs met zijne mariniers onvergankelijke lauweren te hebben behaald, trok hij op last van het Fransche Gouvernement naar het rijk der Annamieten en wel naar Tong-King, ten einde, zoo mogelijk, de rivier de Bo-Ve van de zee af tot de grenzen van de Yun-Nan voor den franschen handel te openen. Hij had de beschikking over een kanoneerboot met zes en vijftig koppen en dertig infanteristen en mariniers. In October 1873 verliet hij Saigon en kwam in Kua-Kam. De annamitische hoofden en de mandarijnen ontvingen hem met blijkbarentegenzin en namen straks alle mogelijke, ook de leelijkste, middelen te baat, om zich van hen te ontdoen. Garnier begreep dat hij iets doen moest om de Annamieten eerbied in te boezemen en nam met niet meer dan 180 man de Citadel van Ha-Noi in, die door 7000 man werd verdedigd. Dadelijk daarop nam hij het geheele eiland Tong-King in bezit. Eenigen tijd later echter werd hij zelf in de vesting Ha-Noi belegerd en, bij gelegenheid van een uitval, gestruikeld zijnde laaghartig vermoord en onthoofd.De eer van het eerst Australië te hebben betreden, komt aan de Nederlanders toe, die het dan ook Nieuw Holland doopten.In 1642 zeilde Abel Tasman het »groote Zuidland” om, zooals het ook werd geheeten, en ontdekte van Diemens Land, zoo genoemd naar den toenmaligen gouverneur van Neerlands Indië. Eerst in 1770 verscheen er weder een landontdekker van naam, de beroemde Engelsche zeereiziger James Cook. Hij bereikte het eiland aan de oostelijke kust, waar het zoo goed als geheel onbekend was.James Cook werd in 1728 te Morton in Engeland geboren. Hij was de negende spruit van een boerenknecht, werd achtereenvolgens winkelbediende en scheepsjongen en leerde zichzelven de beginselen van het teekenen, de mathesis en de sterrekunde. Drie malen deed hij de reis om de wereld en telkens bracht hij een oogst van nieuwe ontdekkingen mee. Op zijn eerste reis, in 1768, was hij vergezeld van twee geleerden, Banks en Solander, die op Otaiti den doorgang van Venus voorbij de zon zouden gadeslaan, en deed hij een verkenningstocht langs de kust van Nieuw-Zeeland.Cook kwam over de Oost-Indiën naar Europa terug en het Zuiden van Australië omzeilende, dreigde zijn schip, deEndeavour, te stranden. Cook trad echter behouden aan land, nam de kust namens koning George III in bezit en noemde het gebied »Nieuw Wales”.Na zijn tweeden tocht, een reis van drie jaren, volbracht te hebben, werd hem opgedragen een nader onderzoek in te stellen naar de landen van Australië. Twee schepen werden te zijner beschikking gesteld, deResolutionen deAdventure. Hij ontdekte Nieuw-Caledonië, na eerst de Nieuwe Hebriden te hebben bezichtigd, en bracht een aantal belangrijke wetenschappelijke mededeelingen mee over de streken, die hij bezocht en de inwoners, dieren en de planten, die hij er gevonden had.In 1776 zeilde hij voor de derde maal uit. Nu gold het de vraag, of er, door het Noorden van Amerika heen, een weg bestond van Europa naar Azië. Hij maakte een reis om de nieuwe wereld, bereikte de Noordwestkust van Amerika en zocht nu door de Behringstraat de Hudsonsbaai te bereiken; maar een groote ijsvlakte stelde zich in den weg der reizigers, zoodat zij terug moesten keeren. Cook ging weder langs de kust van Amerika, begaf zich naar deSandwich-eilanden, om er te overwinteren, bereikte Owahaï en liet in een der baaien van dat eiland het anker vallen. Helaas, hij zou het er niet weder lichten.Cook en zijne reisgezellen knoopten al spoedig betrekkingen aan met de inboorlingen. Nooit nog, zoo verklaarde de groote zeevaarder, heb ik wilden gevonden, die zoo weinig wantrouwend en zoo vrijmoedig waren als deze. Zij zonden de waren, die zij verkoopen wilden, naar de schepen, en kwamen vervolgens zelven op de schepen om den prijs te bepalen. Ook moet tot hun eer gezegd worden dat zij bij dezen ruilhandel geen enkele maal hebben gepoogd de Engelschen te bedriegen.Maar dit vriendschappelijk verkeer zou spoedig door twist en strijd worden afgebroken. De inboorlingen wapenden zich met steenen en zochten hunne landgenooten te verhinderen de Engelschen, bij het inschepen hunner gevulde watertonnen, bij te staan. Cook liet vuren; maar nu volgde er zulk een jacht van steenen, dat de Engelschen op de vlucht gedreven werden, die al zwemmend zich in veiligheid zochten te brengen, terwijl de eilanders den sloep vermeesterden. Cook, vreezende dat zijn gezag een al te gevoeligen knak zou krijgen, besloot den volgenden dag aan land te gaan en den koning met de voornaamste hoofden des lands gevangen op het schip te brengen en hen als gijzelaars bij zich te houden, zoolang totdat de sloep zou zijn teruggegeven. Nauwelijks echter was hij geland, of hij zag zich met de zijnen van wilden omringd; weder dreigden zij, en Cook schoot er een neer; maar nu volgde een groote verwarring. De wilden gunden de Engelschen den tijd niet hunne geweren te laden, zij vielen op hen aan, zoodat Cook hun ried ordelijk terug te trekken. Hij zelf stelde zich tusschen zijne makkers en den vijand; zoo lang hij hen in het oog hield, durfden zij hem niet aan, want zij hadden een bijgeloovige vrees voor hem; maar nauwelijks had hij zich omgekeerd, om aan de manschappen zijne bevelen te geven, of hij werd met een dolk in den rug getroffen, en zonk neder met het aangezicht in de zee. Nu zetten de eilanders het op een schreeuwen en juichen, en koelden hun woede aan het deerlijk verminkte lijk van den moedigen zeeheld, die stierf op het veld van eer.Na Columbus is Cook zeker de meest gevierde en geliefde zeereiziger. Geen wonder, Cook was als geschapen voor de roeping, die hij volgde. Hij had een herculische lichaamskracht, zijn geest en karakter waren als uit metaal gegoten, en zijn koelbloedigheid evenaarde zijn geestdrift en zijn ijvervuur. Cook had een buitengewone lengte. Hij mat 1 meter en 79 centimeter. Zijn gelaat was streng van uitdrukking. Hij was stilzwijgend, gehard en hardvochtig; maar rechtvaardig in den hoogsten graad.De groote Stille Zuidzee heeft nog meer martelaars aan tewijzen. La Perouse, een fransch zeeofficier, werd omstreeks 1780 door zijn regeering uitgezonden, om de reizen van Cook voort te zetten en een doorvaart te zoeken langs het Noorden van Amerika. Met De Langle zou hij ongekende oorden verkennen, een onderzoek instellen naar de walvischvangst in het Zuiden, en naar de pelterijen in het Noord-Westen van Amerika, de nog weinig bezochte Westkust van dit werelddeel bezoeken, de zeeën van China en Japan bezeilen, Australië aandoen, en in al die streken planten en metalen zoeken, de inboorlingen bestudeeren, handelsverkeer openen.Twee fregatten, deBoussoleen deAstrolabe, lagen te Brest gereed. La Perouse zou over het eerste, De Langle over het andere bevel voeren. La Perouse vaarde kaap Horn om, zeilde noordwaarts op naar den berg van St. Hélie en ontdekte onder anderen de baai van Monti. Verder ging het langs de Sandwich-eilanden naar de Filippijnsche eilanden, naar Japan en de Oostkust van Azië. Daar werd De Langle, wijl hij de schepen van versch regenwater liet voorzien, bij het instappen van den sloep door prauwen met inboorlingen omringd, die hem met knuppelslagen vermoordden. Robert de Paul Lamanon, die als natuurkundige de reis medemaakte, werd met elf matrozen aan zijne zijde gedood.La Perouse verliet dit noodlottig oord en landde den 26stenJanuari 1783 te Botany-baai. Hij schreef een langen brief aan den minister van marine, waarin hij den uitslag zijner ontdekkingstochten en het verlies zijner reisgenooten mededeelde, met bericht dat hij naar Frankrijk onder zeil ging.Dit was la Perouse’s laatste brief. Men hoorde niets, noch omtrent hem zelven, noch omtrent zijne schepen, totdat in 1826 de engelsche zeekapitein Peter Dillon op de klippen der Hebriden de overblijfselen vond der schepen, met een paar kanonnen en ankers. Dit was alles, wat van deAstrolabeen deBoussoleoverig was; maar ’t waren welsprekende getuigen van het vreeselijk einde van dezen roemruchtigen zeetocht.Doch wij willen naar Australië terugkeeren. Een duitsch onderzoeker, Leichardt, vatte in 1848 het plan op de binnenlanden te bezoeken van het vasteland van Australië. Eerst slaagde hij er in, dit onbekende land in noord-westelijke richting te doorsnijden, daarbij een weg afleggende van 3000 kilometers. Hierdoor aangemoedigd, vatte hij het plan op het eiland in zijn grootste breedte, van het Westen naar het Oosten, te doorkruisen. Hij vertrok in het begin van 1848 van Brisbane en bereikte de rivier de Cagoon, die 480 kilometers van de zee ligt. Maar sedert ontving men geen tijding van den moedigen reiziger. Tien jaren later vonden de gebroeders Gregory eenige sporen van deze expeditie bij de rivier Victoria.Omstreeks dienzelfden tijd deed een australisch volkplanter Kennedy zijn best de oostelijke kusten van Carpentaria te verkennen.Hij drong zoolang voort tot zijne levensmiddelen uitgeput raakten. Al zijne reisgenooten verlieten hem, op een inboorling na, die ’t moest aanzien hoe de ongelukkige Kennedy door de afschuwelijke menscheneters der binnenlanden doodgeslagen werd. Zelf ontkwam de getrouwe ter nauwernood, om de treurige tijding over te brengen.Het vreeselijk uiteinde van Kennedy en Leichardt weerhield noch de gebroeders Gregory, noch anderen de woeste binnenlanden te doorkruisen, en onder deze is Burke de eerste geweest, die het vaste land van Australië, van Melbourne tot de golf van Carpentaria, is doorgetrokken. Ook hij heeft dezen roem met zijn leven betaald.De Ier Thomas O’Hara Burke vertrok uit Melbourne, op den 2OstenAugustus 1860, aan het hoofd van een volledig uitgerust gezelschap, waaronder de sterrekundige Wills. Op het einde van September bereikte hij, tusschen 25° en 26° zuiderbreedte, den grooten steenwoestijn, waar vóór 15 jaren de reiziger Start zes maanden in de grootste moeilijkheden had doorgebracht en zijn reismakker Poole van dorst was omgekomen. Burke en de zijnen waren gelukkiger. Zij kwamen ongedeerd aan de andere zijde van de groote woestijn, die door de juist gevallen regenbuien overal meren en oazen vertoonde. De tochtgenooten drongen in de vallei van Yappar door, en hun veerkracht werd niet weinig versterkt toen zij aan gewisse teekenen ontdekten dat de zee niet verre meer wezen kon. Burke en de zijnen hadden nog maar een vlakte door te trekken, en zij waren er, maar ongelukkig was die vlakte met ondoordringbaar struikgewas bezet. De reizigers waren zwak, de paarden en kameelen waren voor het grootste gedeelte gestorven, en die overgebleven waren weigerden verder te gaan. De levensmiddelen begonnen schaars te worden. Onder die omstandigheden terug te keeren was een moeielijke zaak, doch er schoot niets anders over, en bij dezen terugtocht stierven Burke en Wills van vermoeienis en uitputting in de vallei van Cooper.Zij hadden hun weg geteekend. Een kleurling, John Mac Douall Stuart gelukte het, eenigen tijd later, denzelfden tocht tot zijn einddoel voort te zetten en de zee te bereiken, dien Burke alleen van verre had hooren ruischen.Zoowel door deze heldhaftige pogingen, als door zoo menige onderneming van jonger datum en gelukkiger uitslag, zooals die van Landsborough, Mac Kinlay, Hardwicke, Cowle, Gilles, Warburton, begint Nieuw-Holland, evenals Afrika, meer bekend te worden. Toch blijft er nog genoeg te doen over.1Ten Noord-Westen levert het land van Tasman ten Noorden het land van Arnhem,ten Noord-Oosten het land van Carpentaria en het schiereiland van York nog altijd een ruim veld op, waar toekomstige landontdekkers roem behalen en kennis vermeerderen kunnen. Men rekent dat van de 6 353 000 vierkante kilometers, die de oppervlakte van dit eiland uitmaken, een derde gedeelte nog nader onderzocht moet worden. Zoo blijkt wel dat het werk van den enkelen mensch weinig beteekent, en de verovering van den aardbodem een arbeid is voor de eeuwen, die zeker maar langzaam voltooid wordt.1Zoo moet pas onlangs in Australië de hoogste berg der aarde ontdekt zijn.↑

Dood van Francis Garnier.Dood van Francis Garnier.HOOFDSTUK II.DE VEROVERING VAN DEN AARDBOL.Christophorus Columbus schreef op het einde zijner dagen aan den Koning van Castilië; »Van mijn jeugd af voer ik ter zee en ik ben er mee voortgegaan tot heden. Dezen weg moeten zij kiezen, die de geheimen dezer wereld willen leeren kennen.”De groot Genuees had gelijk. De geheimen dezer wereld,de waarheden der wetenschap hebben hun oorsprong in de kennis der natuur. Zoo moeten wij dan in onze herinnering allereerst aan die mannen een eereplaats geven, die hun leven hebben gewijd aan het veroveren van den aardbol.En geen treffender voorbeeld kunnen wij daarvan kiezen dan het voorbeeld van den heldhaftigen man, die ten koste van een hardnekkigen strijd tegen de ongenade van het lot en de vooroordeelen der menschen een gansch halfrond aan onze planeet als toevoegde.Christophoro Colombo werd geboren te Genua omstreeks 1436. Hij was de zoon van een wollenkaarder en had twee broeders, Bartholomeus en Jacob. Na te Genua een degelijke opvoeding ontvangen te hebben, begon hij op zijn veertiende jaar zich als zeeman te bekwamen. Hij deed een tocht naar Tunis en in 1477 een reis naar IJsland. Hij had zich toen reeds te Lissabon gevestigd en trad daar in het huwelijk met Felipa Monis de Palestrello, dedochter van een zeevaarder. Geen plek ter wereld kon hem zoo bekoren als deze, want sedert een eeuw verbaasde Portugal de wereld met zijne ontdekkingstochten. Reeds rijpten stoute plannen in zijn brein. Hij bestudeerde nauwkeurig al de nieuwe wegen die de zeevaarders voor het verkeer geopend hadden en vatte weldra het grootsche voornemen op dier onderneming, die zijn naam de onsterfelijkheid zou geven. Zijn doel was geenszins, zooals men soms heeft gemeend, een nieuwe wereld te vinden; maar wel om, dwars over den Atlantischen Oceaan Indië op te sporen en westwaarts opzeilende het Oosten te ontmoeten.Dit plan dat geenszins nieuw was, vervulde destijds vele gemoederen. De wijze Toscanelli en anderen hadden er al over gedacht, maar Columbus wijdde er zich geheel aan en maakte er zijn onherroepelijk levensdoel van.Columbus was arm en zijn werk onmetelijk. Allereerst wendt hij zich tot zijn vaderstad, maar de stad Genua staat hem de middelen niet toe, die hij van noode heeft, wil hij zijn plan verwezenlijken. Hij draagt zijn plan vervolgens voor aan den koning van Portugal Joan II, die het deed onderzoeken door een commissie van twee beroemde aardrijkskundigen. Deze lieden hielden het denkbeeld van den zeevaarder voor een hersenschim en hemzelven voor een zonderling. De koning echter kon dit oordeel niet billijken en gaf zich een tijd lang over aan den invloed van een man van vooruitgang en kennis, Pierre de Noronha, die te recht begrepen had dat men, om de rijkdommen van Portugal te vermeerderen, zeeën moest oversteken en nieuwe wegen zoeken en nieuwe volken hechten aan de kroon.Maar Joan II, weifelend van aard en zwak van wil, koos weldra de partij van Columbus’ vijanden en wees niet alleen het aanbod af van den kundigen man, die voor Portugal een nieuwen zeeweg zou zoeken, maar pleegde jegens hem het zwartste verraad. De trouwelooze vorst knoopte onderhandelingen met Columbus aan, vroeg zijne kaarten te zien, liet hem zijn plan ontvouwen in tegenwoordigheid van zijne raadslieden, en toen hij al zijne geheimen bezat, ontzag hij zich niet een kleine vloot uit te rusten, die in de door Columbus aangewezen richting den Atlantischen Oceaan opvaren en den argeloozen zeevaarder berooven zou van de vrucht zijner overpeinzingen.Nauwelijks was de kleine vloot vier dagen ver den Oceaan ingevaren of de zeelieden, door storm beloopen, werden door schrik overmand en keerden met schade en schande in de haven terug.Toen besloot Christophorus Columbus een land te verlaten, waar hij niets dan de bitterste teleurstellingen ondervond. Ten tweeden male begaf hij zich naar Genua. Hij hernieuwde er zijne voorstellen, maar vond even weinig gehoor als vroeger. Hij liet zich echterdoor niets ter wereld ontmoedigen. Nog eens klopte hij aan bij de grooten, de hand ophoudende—maar ook het hoofd, als iemand die in ’t belang der menschheid de ontdekking eener nieuwe wereld komt afbedelen.Hij verkeerde nu in den uitersten nood; de groote sollicitant had slechts lompen om zich te kleeden. Daarbij verloor hij zijn gade en moest zelf zijn jongen, een knaap van elf jaren, verzorgen. Eens zwierf hij, in beklagenswaardige omstandigheden, door de omstreken van Palos de Mogues, een stad in Andalousië en kwam bij toeval voor de poort van een Franciscaner klooster. Hij klopt aan en vraagt een weinig brood en water. De prior Juan Perez de Marchena noodt den vreemdeling bij zich, ondervraagt hem, wordt getroffen door de waardigheid van zijn houding en is een en al verbazing, wanneer Columbus hem zijn geschiedenis verhaalt, zijn plannen ontvouwt en zijn verwachtingen mededeelt.De gastvrijheid van den prior ging over in een warme vriendschap en, dank zij dezen machtigen beschermer, kreeg hij toegang tot het hof van Spanje en gehoor bij Ferdinand en Isabella.Columbus begeeft zich nu naar Cordova, waar de koning verblijf houdt en met kracht de vijandelijkheden voorzet tegen de Mooren. Na maanden lang gewacht te hebben, werd hij eindelijk toegelaten. Bescheiden, maar vrijmoedig vertoont hij zich, wetende dat hij een gunstelings des Hemels is, uitverkoren om diens groote doeleinden te verwezenlijken. Ferdinand echter ziet in de plannen van Columbus een middel om ter zee met Portugal te wedijveren en neemt het besluit, bevoegde beoordeelaars over deze plannen te raadplegen.De door den koning in Salamanca samengeroepen raad bestond uit geleerde monniken en grootwaardigheidsbekleeders der Kerk, mannen, niet weinig vooringenomen tegen iemand, die zich verstoutte iets te weten of hun eenige inlichtingen te geven. Deze lieden verwaardigden zich den armen gelukzoeker een willig oor te leenen.Columbus had ten overstaan van deze heeren niet op wetenschappelijke vragen maar op bijbelteksten te antwoorden en op tegenwerpingen als deze: dat de leer der tegenvoeters onvereenigbaar is met het geloof. Waren er aan gene zijde van den Oceaan bewoonde landen, dan, zoo beweerde men, kon men niet langer aannemen dat alle menschen van Adam afstamden; immers hoe zouden diens nakomelingen in zoo oude tijden de zee zijn overgestoken. Men gaf hem te kennen dat, volgens het N. Testament, de aarde plat was en den vorm had van een grooten schijf; men zeide verder dat de aarde, ware zij bolvormig, onbewoonbaar zou zijn beneden de keerkringen, wegens de overmaat van warmte, die daar heerschen zou. Zoo zag Columbus zich opnieuw aan de ellende ten prooi en bovendien zag hij zich behandeld als een gek en een verdoemde.Zich niet latende ontmoedigen, schreef de toekomstige wereldontdekker aan den koning van Engeland; vervolgens in Mei 1489 zocht hij Ferdinand en Isabella weder op, die van hun tocht tegen Malaga naar Cordova teruggekeerd waren. Er was sprake van dat de samenkomsten betreffende Columbus’ plannen zouden hervat worden; maar jaren lang bleef de beslissing uit, totdat eindelijk, in den winter van 1491, de raad van Salamanca een verslag uitbracht, hetwelk het ontwerp van den zeevaarder voor ijdel en onuitvoerbaar verklaarde, terwijl het verder heette: een groot vorst paste het niet op zulke zwakke gronden, als bij deze gelegenheid te berde waren gebracht, zich in zoodanige groote ondernemingen te steken.Wij zullen de verdere stappen van den onvermoeiden man niet volgen; wij willen niet verhalen hoe hij zich ook tot den Franschen koning Karel VIII wilde wenden; liever spoeden wij het oogenblik te gemoet, waarop zijne volharding en zijn ijver ten laatste bekroond werden. In Februari 1492 kreeg Columbus op nieuw gehoor bij koningin Isabella en wel door tusschenkomst van Louis de Saint-Angel, ontvanger der kerkelijke inkomsten van Arragon, tevens een van des zeevaarders warmste aanhangers. Eenige vrienden, die medegekomen waren, bepleitten zijn zaak met zooveel aandrang dat de koningin zich liet overhalen en beloofde zich persoonlijk met de uitvoering te zullen belasten.Zoo dan mocht Columbus eindelijk, na twintig jaren van volhardenden strijd, in zee steken met den titel van admiraal en met de belofte van onderkoning of gouverneur te zullen zijn van al de landen, die hij ontdekken mocht. Drie schepen werden uitgerust, met wakker volk aan boord. ’t Waren zonderling gebouwde schepen, met hooge voor- en achtersteven, gelijk wij ze dikwijls op oude platen hebben gezien. Men ijst bij de gedachte dat met zulke schepen en zulke eenvoudige hulpmiddelen zulk een gewaagde tocht over gansch onbekende zeeën ondernomen werd; maar men voelt dan ook des te meer bewondering voor den man, die op vijftigjarigen leeftijd—een leeftijd, waarop zoo menigeen zijn loopbaan heeft volbracht—de zijne eerst begint en door de ontdekking van een tweede halfrond een nieuw tijdperk zal openen voor de geschiedenis der menschheid.Columbus verliet den 3denAugustus 1492 de haven van Palos, en na zoo lang gestreden te hebben tegen de onkunde der menschen had hij nu te strijden tegen de bijgeloovige vrees der schepelingen, de angsten die de groote Oceaan hun veroorzaakte; en daarbij had hij al de zorgen en moeiten en onzekerheden te torsen van een eerste proefreis.Den 12denOctober 1492, na zeventig dagen varens, bespeurde hij voor de eerste maal land, het kustland van Indië, zooals hij waande. Op een eiland, dat hij San Salvador noemde, trad hij heteerst aan wal. De inboorlingen ontvingen en begroetten hem met vreugdebetuigingen en plechtig nam hij, namens den koning en de koningin van Spanje, het land in bezit. Later ontdekte hij nog drie eilanden. Den 28stenOctober landde hij op Cuba, een maand later op Hispaniola (Haïti). Hij bouwde daar het fortNatividad, waar hij een bevelhebber met eenige manschappen achterliet, en toen keerde hij naar Spanje terug.Deze gedenkwaardige reis en deze gansche onderneming is zeker een der grootste heldendaden, die de menschheid heeft verricht ter ontdekking van nieuwe wegen en ter verovering van nieuwe wereldstreken.De schok, dien deze ontdekking in de harten en op de verbeelding teweegbracht, was verbijsterend. Men rekende er niet meer op dat de drie schepen zouden terugkeeren. Met vele vreezen had men de zeelieden zien vertrekken, die dezen gewaagden tocht hadden ondernomen. De groote Oceaan, die door de Arabieren als de »donkere zee” was aangeduid, had zich niet anders voorgedaan aan den geest, dan als een grenzelooze afgrond. Nauwelijks had men dan ook vernomen dat Columbus weergekeerd was en land gevonden had, of de geestdrift steeg ten top. Toen de admiraal te Barcelona aankwam, waar de koning en de koningin hem opwachtten, zag hij een talrijk en deftig gezantschap naderen, hetwelk hem de stad binnenleidde. Zes Indianen, die Columbus had meegenomen, openden den optocht. Daarna volgde een verzameling levende papegaaien en nog onbekende opgezette dieren van allerlei soort, planten, aan welke men geheime krachten toekende, en gouden kronen, die een denkbeeld moesten geven van den rijkdom der nieuw gevonden wereldstreken. Columbus zelf zat te paard en een soort van eerewacht omstuwde hem. De straten waren opgepropt van menschen, op de balcons en voor de vensters zaten en stonden tal van dames, en de daken zelfs waren bezet. Men voerde den held in een groote zaal, waar hij den koning en de koningin omringd vond van een schitterend gevolg. Toen hij binnentrad stonden Ferdinand en Isabella op. Columbus boog de knie, kuste de vorstelijke handen en deed hun het verhaal van zijn reis. De eerbied en de bewondering, die men voor den edelen man gevoelde, vermochten nauwelijks de aandoening te beteugelen, die het verhaal bij allen opwekte. Toen hij echter zijn verhaal geëindigd had, knielde de gansche vergadering neder en vereenigde zich aller stem tot een plechtigTe Deum.Ook de soberste zielen werden dronken van de zonderlingste en meest overdreven droomen en verwachtingen. Ieder had den mond vol van het ontdekte goudland, ieder droomde van een nieuw paradijs, een wonder- en tooverland. En Columbus zelf hield het er voor dat de schatten dier streken inderdaad onuitputtelijk waren.Hij stond nu op het toppunt van glorie en voorspoed, doch hetgenot, dat hij nu ondervond was ook zoo goed als het eenige loon, dat hem zijn leven lang ten deel viel.Den 25stenSeptember 1493 ondernam hij zijne tweede reis. Hij was nu commandant van zeventien schepen. Een groot aantal edelen maakten de reis mee, en in het geheel bedroeg de bemanning der vloot 1200 koppen. Nu werden Guadeloupe en Jamaica ontdekt en St. Dominique en Cuba doorreisd.Columbus kwam in 1496 in Spanje terug. Hij bracht 225 passagiers en 30 Indianen met zich te huis. Maar deze thuiskomst verschilde veel van de vorige. De Spanjaarden, die met hem wederkeerden, waren ontmoedigd, ter neergeslagen en verbitterd tegen hem. Heengegaan met de onzinnigste verwachtingen en weergekeerd in ziekelijken en ellendigen toestand, hielden zij niet op de bitterste klachten te uiten tegen den man, die hen op zulke groote rijkdommen had doen hopen. Waar was dat tooverland, dat paradijs, dat beloofde land? In plaats van voorspoed hadden de landontdekkers slechts beproevingen gevonden. Zij hadden van niets te gewagen, dan van strijd tegen de inlanders, van moeite en ontbering. Te vergeefs was het dat Columbus de geestdrift trachtte aan te wakkeren; er was nu eenmaal asch gestrooid op den gloed; de bewondering was vervangen door smaad.De Spaansche koning en de koningin begroetten den admiraal met belangstelling, maar tegelijk met zekere koelheid, en toen hij het voorstel deed een derden tocht te ondernemen, werd hij maar al te duidelijk gewaar dat de geheime tegenwerking en de laaghartige ijverzucht zijner vijanden al vruchten begonnen te dragen.Den 30stenMei 1498 vertrok hij weder met zes schepen. Nog eens hadden zijn onvergelijkelijke wilskracht en zijn kloeke en onbedwingbare geest het pleit gewonnen. Hij ontdekte nu Trinidad, betrad het vasteland van Amerika, en vond de golf van Para, de eilanden Conception en Assumption. Maar hij had te strijden met opstand onder degenen, die hij te Sint Dominique had achtergelaten, en onder velerlei moeite en tegenwerking, die hij van de zijde zijner landgenooten ondervond, deed hij vijf schepen naar Spanje vertrekken, en met deze verzond hij brieven aan den koning, in welke hij zijne klachten en grieven blootlegde.Zoowel hij zelf als zijne broeders werden als misdadigers met ketenen beladen. Blz. 16.Zoowel hij zelf als zijne broeders werden als misdadigers met ketenen beladen. Blz. 16.Tengevolge van de kuiperijen aan het hof vaardigde Ferdinand naar St. Dominique geen overheidspersoon en rechter af, zooals Columbus verzocht had, maar een beul, don Francisco de Bobadilla, voorzien van brieven van volmacht, waarin hij tot gouverneur der ontdekte gewesten aangesteld en met een onbeperkt gezag bekleed werd. Te St. Dominique aangekomen trad Bobadilla er als heer en meester op, vestigde zich in het huis van den admiraal en gaf hem een afschrift van de brieven, waarbij hem (Bobadilla) het oppergezag werd verleend. Vervolgens deed hij den admiraal,zonder hem te hooren, in een vesting opsluiten, te gelijk met zijne broeders, die in de nieuwe wereld waren achtergebleven. Aan zekeren Alonzo de Villejo werd de taak opgedragen hem naar Spanje over te brengen. Columbus onderwierp zich, zonder een klacht te slaken; zoowel hij zelf als zijne broeders werden als misdadigers, met ketenen beladen, naar een schip gevoerd, dat spoedig zee koos. Villejo, die medelijden had met zijn gevangene, wilde zijne ketenen los maken, maar de admiraal verzette zich hiertegen. »Ik wil ze dragen,” zeide hij, »als een bewijs van het loon, waarmee men de diensten betaalt, die ik het land bewezen heb.” »Deze boeien,” zoo verhaalt ons Fernando Colombo, »heb ik steeds in mijns vaders kamer zien hangen en hij beval ons dat wij ze bij hem zouden leggen, als hij begraven werd.”Toen de zeereiziger in Spanje aanlandde, gebood de Koning, die zich waarschijnlijk schaamde over Bobadilla’s gedrag, dat de gevangenen vrijgelaten zouden worden.Columbus was nu diep ter neer geslagen. De wereld walgde hem. »De wereld heeft mij meer dan duizendmaal slag geleverd,” schreef hij, »en ik heb altijd weerstand weten te bieden, tot op dezen dag, nu ik mij niet verdedigen kan, noch met de wapenen, noch met beleid. Met welk een uitgezochte barbaarschheid hebben zij mij in de diepte doen nederzinken!” Maar staande gehouden door dien godsdienstigen zin, die het kenmerk uitmaakt zijner eeuw, vervuld van het denkbeeld om later het Heilige Graf te bevrijden, vatte de onvermoeide man het plan op tot een vierde reis, die nu werkelijk, zooals hij meende, Spanje rijk zou maken.Hij vertrok van Cadix op den 9denMaart 1502, vergezeld van zijn broeder Bartholomeus. Op deze reis ontdekte de zes-en-zestig-jarige het eiland Guanaga, zeilde de kusten van Honduras en Mosquito langs, bereikte Porto Bello op de landengte van Panama, zette op Veraguas voet aan wal en ontdekte de rijke goudmijnen dezer gewesten. Hij trachtte verder een volksplanting te vestigen aan de rivier de Belen; maar de meesten van die hij er achterliet werden door de inboorlingen vermoord, en toen hij de overigen ter hulp snelde werden zijne schepen door storm beloopen en zoo goed als uit elkander geslagen.Zijn gestel, door ouderdom, moeite, zorg en lijden ondermijnd, was tegen deze nieuwe beproevingen niet opgewassen. Wel slaagde hij er in de ongelukkigen te bevrijden en streed hij nog een tijd lang tegen geweldige stormen en gedurigen opstand van zijn volk; maar krankte en uitputting wierpen hem neder. Dank zij de tegenwoordigheid van geest, door zijn broeder betoond, ontsnapte hij het gevaar van door zijne eigene schepelingen vermoord te worden. In dien treurigen toestand viel hij te St. Dominique binnen, en den 7denNovember 1505 keerde hij naar Spanje terug. Hij was negen-en-zestig jaren oud.In Spanje aangekomen, vernam Columbus dat zijn »goed gesternte”, de koningin Isabella, overleden was. De koning wilde hem geen recht verschaffen. Doch de dood was niet verre meer. Een wreedaardige krankte sleepte hem onder het lijden van vele martelingen ten grave. Den 20denMei van het jaar 1506 ontsliep hij met de woorden: »Vader, in uwe handen beveel ik mijn geest.”Zoo stierf deze martelaar. Hebben zijn tijdgenooten het hunne gedaan om zijn roem te verkleinen, de toejuiching van het nageslacht heeft reeds lang het brommen van den haat en den nijd gesmoord. Het groet met geestdrift den veroveraar, die den sluier heeft opgelicht, waarachter, duizenden van jaren, een halve wereld in ’t verborgen sluimerde. Humboldt is de tolk van dien geestdrift, waar hij uitroept: »Columbus heeft zich verdienstelijk gemaakt ten opzichte van de gansche menschheid, wijl hij een oneindig aantal nieuwe dingen aan haar nasporing heeft onderworpen. Het menschelijk denken heeft zich door zijn ontdekking uitgebreid. Aan den aanvang van een nieuwen tijdkring, op de grens waar de oude wereld en de nieuwe elkander ontmoeten, staat deze edele en kloeke geest, de eeuw beheerschend, die hem den stoot gaf en die op haar beurt van hem het leven kreeg.”Nu er dan alzoo een begin gemaakt was, ging men ijverig voort den boeg naar de nieuwe wereld heen te wenden, maar nog steeds kostte die voortgaande beweging moeite en verdriet. Welk loon ontving Fernando Cortez voor de uitstekende diensten, die hij bewees? Hetzelfde loon, dat Columbus gewonnen had. De veroveraar van Mexico werd blootgesteld aan al de pijnigingen van een ellendig rechtsgeding. Aan het einde van zijn roemrijke loopbaan, leidt hij aan het hof van Karel den Vijfde een droevig bestaan. Voltaire vertelt dat hij geen gehoor bij den keizer kunnende krijgen en hem toch willende spreken, met geweld door de menigte drong, die het keizerlijke rijtuig omringde. Op de vraag van Karel wie dit mocht zijn, zou hij geantwoord hebben: »Ik ben de man, die u meer koninkrijken heeft geschonken, dan uw voorouders u steden hebben nagelaten.”Nadat Amerika ontdekt was, maakte de Portugees Fernam Magalhaens voor het eerst de reis om de wereld. Ook hij had hierbij veel te strijden, reeds vóór hij uitzeilde. Portugees van geboorte, en door zijn vaderland miskend, had hij in Spanje troost gezocht. Hij vond dien bij Karel V; maar de ambtenaren van het ministerie van koloniën waren kwalijk gezind jegens hem. Den 22stenOctober 1518, toen hij bezig was zijn vloot van het noodige te voorzien, werd het volk tegen hem opgeruid, omdat hij het wapen van Castilië verwijderd en door dat van Portugal vervangen zou hebben, terwijl hij alleen zijn eigen wapenbord aan boord had gebracht. Het scheelde weinig of hij werd gedood.Karel V gaf zijn ongenoegen te kennen over deze bejegening, en zorgde dat de tocht spoedig kon aangevangen worden. Maar onder welke treurige vooruitzichten begon deze eerste reis om de wereld! Magalhaens moest, om aan den wensch van den koning te gemoet te komen, onder zijne schepelingen een man opnemen, die bijna evenveel gezag had als hijzelf. Dit was Juan de Carthagena, die den titel van »Inspecteur Generaal” droeg en gezagvoerder was over het derde schip der vloot. Hij was door een machtig geestelijke aanbevolen en haatte Magalhaens. Nog een ander vijand moest hij aan boord van zijn eigen schip dulden, en wel een landgenoot, Estevan Gomez. Zoo vond de groote zeereiziger zich omringd, niet van trouwe vrienden en medearbeiders, op wie hij rekenen kon, maar van naijverige mededingers, die een stillen wrok tegen hem koesterden.Nauwelijks was de vloot uitgezeild—dit geschiedde den 20stenSeptember 1520—of Juan de Carthagena begon het gezag van den opperbevelhebber te ondermijnen. Hij sprak Magalhaens op vrijpostige wijze, als zijn gelijke, aan en werd van dag tot dag aanmatigender. Eens zelfs waagde hij ’t, in tegenwoordigheid van eenige matrozen, Magalhaens met dreigende woorden aan te vallen. Toen begreep deze dat hij handelen moest. Hij greep zijn tegenstander in de borst en sloeg hem in de boeien, als den minsten matroos.Men was toen nog op de kust van Guinea. Magalhaens stak den Oceaan over, wendde den boeg naar Brazilië en kwam in December 1520 in de baai van Rio de Janeiro. Vervolgens zeilde hij langs de Amerikaansche kust voort, in de hoop van dien doortocht te vinden, dien hij in het Zuiden verwachtte en die later voor altijd zijn naam zou dragen. Het koude seizoen was in aantocht en Magalhaens wilde in de haven van San Julian overwinteren; maar nu begon de bemanning te morren. Te midden van de kale, sombere, koude gewesten, waarin zij zich bevonden, werden velen moedeloos en gaven hun verlangen te kennen, om den boeg naar Spanje te keeren. Magalhaens stond als een rots. Geen bidden, geen dreigen vermochten hem aan het wankelen te brengen. Hij gaf te kennen dat hij liever sterven wilde, dan met schande naar Seville wederkeeren, en met zijn veerkracht en moed wist hij de weerbarstige schepelingen te bedwingen.Het openlijke gemor nam een einde; maar in stilte bleef de tegenwerking woelen en weldra brak zij geweldig los, onder voorgang van een paar officieren, Luiz de Mendoza en Gaspard de Quesada. Een bloedig tooneel volgde. Magalhaens, aan zich zelven overgelaten, moest, zou hij niet als slachtoffer vallen, de oproerigen vellen. Hij besloot tot het laatste, en zond op Luiz de Mendoza een welvertrouwd man af, Gonzalo Givet de Espinoza. Deze overhandigde den officier een brief, waarin de opperbevelhebber hemvoor zich daagde. Luiz de Mendoza weigerde te verschijnen en spotte met dit bevel. Maar toen wierp Espinoza zich op hem en stiet hem zijn dolk in den hals.Magalhaens ging met zooveel kracht, bekwaamheid en stoutheid op den ingeslagen weg voort, dat hij de oproerige bemanning derVictoriaenTrinidadspoedig tot gehoorzaamheid dwong. Gaspard werd onthoofd. De lijken der samenzweerders werden, ten aanschouwen van al het volk, aan wal gebracht, en daar las één der officieren hun vonnis.Toen deze daad van hoog gezag volbracht was—eene daad, die, hoe verdedigbaar ook, de nagedachtenis van den bevelhebber niet tot eere strekt—werd San Julian verlaten. Na den opstand van menschen te hebben doorstaan, had hij met dien der elementen te doen. Met veel moeite en onder groote gevaren bereikte hij Vuurland en ontdekte de zeestraat, die zijn naam draagt en den doortocht, waarvan hij gedroomd had. Den 27stenNovember 1520 zette hij koers naar het Noord-Oosten en dreef in die groote wijde zee, die toen zoo kalm was, dat men hem de Stille Zuidzee noemde. Hier ontdekte hij de Marianen en zette eindelijk op het eiland Zebou voet aan wal, om er de schepen van leeftocht te voorzien. De vorst van dit eiland ontving de vreemdelingen met alle teekenen van toegenegenheid. Magalhaens zocht de inboorlingen tot het Christendom te bekeeren en bouwde zelfs een kerk, maar hij beging de groote fout van den vorst van Zebou aan te stellen tot hoofd en leenheer van al de andere vorsten van het eiland. Deze wilden niets weten van die europeesche aanmatigingen; één van hen, de koning van Mactan, bracht een leger op de been van niet minder dan zesduizend man, en verzette zich daarmee tegen de vreemde indringers.Magelhaens moest nu krijg voeren. Met een handvol volks trok hij tegen den koning van Mactan op; maar vond het gehucht, waar deze zijn residentie had, verlaten en stak het in brand. Nu kwamen de Indianen opzetten en begroetten de Spanjaarden met steenen en pijlen, en dat wel met zooveel hevigheid en met zulk een overmacht, dat Magalhaens den terugtocht aannam en de schepen opzocht. Juist zou hij zich met de zijnen in de sloepen begeven, toen een steenworp hem het been verbrijzelde en hem neervelde. Een Indiaan maakte met een speer een eind aan zijn leven. (27 April 1521.)Zoo stierf Magalhaens; maar zijn taak was volbracht. De groote vraag hoe de reis te maken om de wereld was opgelost.Hoe nader wij komen aan den nieuweren tijd, des te meer zien wij deze ontdekkingen den stoot geven tot nieuwe onderzoekingstochten.Eerst opent Amerika, van het noorden tot het zuiden, der wereldeen breede baan; straks doemt het groote vasteland van Australië op, met de eilanden der Stille Zuidzee, en ook het geheimzinnig Afrika, het groote vraagstuk van zoovele eeuwen, opent zijne poorten voor de beschaafde wereld. Eindelijk zijn het slechts de twee polen, die, ten zuiden en ten noorden door ondoordringbaar ijs versperd, het menschelijk onderzoek tarten.De Poolstreken, die als het ware de spil der aarde aan hare uiteinden omgeven, maken thans een punt uit van volhardend onderzoek. Engeland, Zweden en Nederland stoomen en zeilen er heen om land en zee te onderzoeken. Met name is het de Noordpool die men meer en meer zoekt te naderen. En heeft thans Nordenskjöld een weg gevonden noordwaarts naar China. Eeuwen reeds geleden is deze met zelfverloochening en moed gezocht.De weg, die naar de Noordpool voert, is als omzoomd met de lijken der helden, die gestorven zijn. Moge ook »Nederlands vlag Euroop den doortocht” niet gewezen hebben »door het ijzig Noord naar het zengend Oost,” toch hebben de Nederlanders behoord tot de eerste Noordpoolvaarders, gelijk wij thans gelukkig weder ook behooren tot de laatste. Ook ons volk heeft er zijne helden bij verloren, martelaren voor het vaderland en voor den vooruitgang. Balthazar Moucheron van Middelburg vatte het plan op—een plan reeds door de Engelschen geopperd maar opgegeven—om den noordelijken doortocht te zoeken naar China en Indië. Zijn plan leidde tot het uitrusten van een klein eskader onder Cornelis Cornelisz Nay van Enkhuizen en Willem Barentz. Zij zouden beproeven benoorden Novaja Zemlya een open vaarwater te vinden. De schepen scheidden zich van elkander en Barentz verkende de westkust van het genoemde eiland tot aan Kaap Nassau. Hier stiet hij op het ijs en keerde terug. Nay was voortgedrongen door de zeestraat bezuiden Waigatsj, die hij »Straat Nassau” noemde, zeilde de Kara-Zee in; en meenende dat hij het open vaarwater naar China al gevonden had, keerde hij met blijde tijding naar het vaderland terug, tegelijk met Barentz, dien hij op den terugweg ontmoette. Na een mislukten tocht in 1595, werd in 1596 door de stad Amsterdam een derde tocht uitgerust onder Jacob van Heemskerk, Willem Barentz en Jan Cornelis Rijp. Op dezen tocht ontdekten onze zeevaarders Spitsbergen, ’t welk zij voor Groenland hielden en zeilden westelijk op tot 79° 30′; maar al spoedig gingen de twee schepen elk zijn eigen weg. Rijp wilde rechtstreeks naar het oosten doordringen, Barentz Novaja Zemlya aandoen. Rijp keerde onverrichter zake naar het vaderland terug. Barentz bereikte zijn doel en voer de Westkust van Novaja Zemlya in noordelijke richting langs en de Noordkaap om. Toen hij verder oostwaarts op wilde, werd hij door het drijfijs genoopt aan de Oostkust van het eiland een bocht binnen te loopen, waar hij overwinterde. Hier verduurden de reisgenootende bitterste koude. ’t Was de eerste poolwinter die door Europeanen werd doorgebracht. Eén der tochtgenooten, Gerrit de Veer, heeft al dit lijden beschreven, en niemand zal zonder aandoening het eenvoudig en verheven naieve verhaal dezer overwintering lezen. Zij bouwden zich een houten hut, het zoogenaamde »Behouden Huijs”, sleepten er in, wat hun dienstig kon zijn, rookten er hun pijp, aten er hun smakeloos geworden proviand of de met levensgevaar geschoten beren, maar verloren, onder al hun kommer, hun goeden luim niet, al zaten zij ook acht maanden lang in duisternis en al hoorden zij ook niets dan het doffe, sombere gehuil van den storm. De ontbering klom dag aan dag. Eindelijk, den 14denJuni, braken de reizigers in twee open booten, die zij zelven gebouwd hadden, door het ijs, zeilden de open zee in en ontmoetten Rijp, die in November met hen in het vaderland terugkwam.Den 20stenJuni was Barentz overleden, het oog op de kaart en de plannen van den terugtocht met zijne mannen besprekend. »Mij dunkt, het zal met mij niet lang duren!” Zoo sprak eenige oogenblikken voor zijn dood de moedige man, man niet van woorden, maar van daden, eenvoudig in zijn plichtsbetrachting en in zijn sterven. ’t Leek dit kloeke geslacht volkomen natuurlijk, dat het tot in Juni schip en lading in het ijs bleef bewaken en zijn leven er voor zette. Het sterft niet als een held in melodrama, maar gaat stil daarheen in de groote rust, held door moed, en nog eens held door zijn eenvoud.Bij het vertrek uit het »Behouden Huijs” had Barentz een stuk opgesteld, een klein cedelken, waarop echter meer stond dan in menig boek. Het bevatte het korte verhaal van de lotgevallen der reisgenooten. Men deed het in een kruithoorn en hing het op in den schoorsteen, »op avontuer offer yemant na hen quame, dat dien weten mocht, wat hun bejegent was en hoe ’t hen gegaan hadde.”Barentz’ Behouden Huijs bleef op het strand van de IJshaven niet minder dan 278 jaren verlaten en onopgemerkt staan. Doch den 7denSeptember 1871 kwam er »yemand na hen”,—het was de Noorsche kapitein Carlsen. Hij vond de overblijfselen van het huis nog overeind staan, de slaapplaatsen, de hollandsche klok, hellebaarden, musketten, tafelgereedschap, alles, zooals de Veer het beschreven had. Met eerbied trad de Noor de eenzame hut binnen, waarboven zooveel storm was heengegaan, waarbinnen zulke moedige en trouwe harten geklopt hadden. Carlsen nam eenige zaken mee, die door een Engelschman, later door het Nederlandsche gouvernement, werden overgenomen. Vijf jaren later kwam Charles Gardiner, een Engelschman, op Nova Zemlya en bracht een tweede lading voorwerpen mee, die de edelmoedige vinder aan ons land ten geschenke gaf.Thans prijken deze onwaardeerbare overblijfselen in den Haag, in de modelkamers der koninklijke marine, blijvende lijdens- en zegeteekenen van ons voorgeslacht, blijvende vingerwijzingen voor het nageslacht.In den aanvang van de zeventiende eeuw zeilde een engelsch zeevaarder, Henry Hudson genaamd, met een klein vaartuig de Oostkust van Groenland langs, en kreeg een deel van Spitsbergen, door hem Nieuw-Land genaamd, in het gezicht. In Amerika ontdekte hij de rivier en de baai die thans zijn naam dragen. Ontzettend was zijn levenseinde. Hij was nauwelijks een nieuwe baai van Noord-Amerika ingevaren, of, ten gevolge van den langen duur der reis, begonnen de levensmiddelen te ontbreken. Het scheepsvolk kwam in opstand en de kapitein werd, met zijn zoon en een paar matrozen, in een sloep aan de golven prijs gegeven. Men heeft nimmer iets van de ongelukkigen vernomen, die laaghartig verzaakt en verraden werden.Wie kent den naam niet van John Franklin en ten minste niet eenigszins zijn treurige geschiedenis? In 1800 bij de engelsche marine in dienst getreden, woonde Franklin onder Nelson den zeeslag bij Koppenhagen bij en nam deel aan een onderzoekingstocht in Australië, op welken hij in 1803 bij een schipbreuk dreigde om te komen. Bij Trafalgar streed hij met moed en beleid. In 1804 werd hij gewond bij het beleg van Nieuw-Orleans, hetwelk door Jackson met heldenmoed verdedigd werd. Sinds 1818 wijdde Franklin zich aan de Noordpoolvaart, en in 1819 deed hij, in gezelschap van Richardson, Hood, Back en Hepburn, te voet en onder ongehoorde ellende, een verkenningstocht langs het Noorderstrand van Amerika, en wel over een lengte van niet minder dan 900 kilometers.Facsimilé van het cedelken van Barentz. Blz. 23.Facsimilé van het cedelken van Barentz. Blz. 23.De moedige reizigers vorderden niet dan langzaam over de uitgestrekte sneeuwwoestijnen, die hier en daar door diepe ravijnen doorsneden werden. Zij waren zoo uitgeput, dat sommigen er het bewustzijn bij verloren. Back werd met drie man vooruitgezonden, om de hulp in te roepen van de bezetting van het fort »Enterprise”, bij het Slavenmeer. Ondertusschen toog ook Franklin, die zich hersteld gevoelde, met de rest der tochtgenooten verder voort door de sneeuw. Hij kon daags maar 5 of 6 mijlen vooruitkomen. Twee mannen van Canada bezweken en men deelde onder elkander de schoenzolen. Richardson, een engelsch matroos en een der Iroqueezen, die deel namen aan den tocht, moesten in een tent achterblijven. Franklin zette zijn wanhopigen tocht voort. Eindelijk kreeg men het fort in het gezicht. Helaas! het was ontruimd geworden, en er was niets te vinden. Zoo vervloog alle hoop, op het oogenblik waarop de moedige onderzoekers zich gered waanden. Zij zagen elkander aan en zonder te spreken barstten de helden in tranen uit. Met drie man bleef Franklin in het fort en kookte soepvan eenige beenderen, die onder een hoop vuilnis waren achtergelaten. Twee dagen later zag hij dokter Richardson met den matroos Hepburn naderen, die onder weg vernomen hadden, dat de Iroquees Michel den heer Hood had vermoord en die nu op hun beurt den Iroquees hadden gedood. Zoo voegde zich ook nog de misdaad bij alles wat zij leden: honger, kou, ellende en verlatenheid! Den 1stenNovember stierven nog twee Canadeezen. Eindelijk, op den 7denNovember, terwijl Franklin zich reeds trachtte te gewennen aan het denkbeeld, dat hij met het overblijfsel zijner tochtgenooten van honger zou moeten sterven, zie, daar kwamen Indianen aan, beladen met overvloed van levensmiddelen, gezonden door den heer Back. Men moet in het verslag van Franklin’s reis het eenvoudig en hartverscheurend verhaal en dezen ganschen tocht lezen, om den moed, de grootheid van ziel, de zelfverloochening te bewonderen, bij dit alles toen ten toon gespreid—neen, in het verborgen geofferd. En wil men weten wat deze mannen waagden, dan moet men zich eenigszins een voorstelling kunnen maken van de kusten van Noord-Amerika, zooals die toen ter tijde waren.Een engelsche Maatschappij, ruilhandel willende drijven met de Esquimo’s, had zich in deze gewesten gevestigd, in ellendige houten hutten, boven welke de engelsche vlag woei. De verschillende posten van deze maatschappij bevonden zich hier en daar langs die onmetelijke keten van meren, die zulk een eigenaardig karakter leenen aan dit gedeelte van Noord-Amerika. Sneeuw, koude, al de ongenade van het Noorden, heerschen hier in deze groote ijswoestenijen. Hier hadden Franklin en de zijnen soms niets anders dan watpemmicante eten, een soort van geperst vleesch, dat zij, om den maag te vullen, gebruikten met een soort van mos. Hoe is het mogelijk dat mannen, die eens zulke martelingen hebben ondergaan, zich ten tweedemale aan zulke gevaren wagen! Maar Franklin behoorde tot die menschen, die zich door niets laten afschrikken.In 1825 ondernam Franklin een tweeden en vruchtbaarder tocht. In 1845 waagt hij zich nog eens in de onbekende oorden en raakt verdwaald of gevangen te midden van ijsbergen, die hem den weg versperren. Althans hij is in 1845 voor altijd verdwenen. Men weet met welk een toewijding, welk een bezorgdheid, welk een onvermoeide volharding Lady Franklin, gesteund door haar land, achtereenvolgens een gansche reeks van onderzoekingstochten heeft uitgerust ter nasporing van haar man. Heldhaftige pogingen zijn in het werk gesteld om hem te vinden, maar zij zijn te vergeefs geweest. Eerst in 1857 en 1859 heeft men op Koning Willems Land de lijken en andere overblijfselen van de moedige mannen mogen vinden.Franklin was een man van grooten moed, maar ook van grootegoedheid. Zijn vriend Parry zeide van hem: »’t Was een man die het gevaar nimmer den rug toekeerde en daarbij zulk een week hart had, dat hij geen mug zou dooden.”Op dergelijke wijze is de Franschman Jules de Blosseville verdwenen en omgekomen. In 1833 scheepte hij zich in opla Lilloise, waarmee hij als commandant de reis naar Groenland deed. Hij teekende de kaarten van het zuidelijk gedeelte van dit land, waar hij bovendien belangrijke waarnemingen deed ten opzichte van den magneet. Het laatste wat men van hem vernomen heeft is, dat hij, door het ijs gedwongen, ergens te Vapna Fjord was binnen gevallen. Men heeft noch van hem, noch van zijne bemanning ooit iets vernomen of een spoor gevonden.Van de Noordpoolstreken, met hun eeuwigdurend ijs en sneeuw, met hun eeuwig grijs en wit, hun kou en hun klappertanden, naar Afrika’s tropische gewesten, met hun bonten dos en weelderigen groei en stikkende hitte, is zeker een geduchte overgang. Maar de menschelijke onderzoekingsgeest en moed vinden wij er op gelijke wijze vertegenwoordigd.Een der eersten, die Europa verlaten heeft om de streken van Midden-Afrika te onderzoeken, is René Caillé geweest. Hij werd in 1799 te Maugé, in Frankrijk, geboren. Spoedig wees, werd hij door een oom opgevoed en naar school gezonden. Op vijftienjarigen leeftijd viel hem een exemplaar van Daniël de Foe’s »Robinson Crusoe” in handen, en dit boek wekte zijn verbeeldingskracht in zulk een mate op, dat de zucht naar avonturen en reizen hem geen rust liet. Zijn levensroeping was gevonden, zijn toekomst afgebakend. Hij had hooren zeggen en gezien dat de kaarten van Afrika groote oningevulde vakken toonden, waar landen lagen, die nog ontdekt moesten worden. Hij was 16 jaar, hij had 60 francs op zak—en vertrok.Te Rochefort lagen twee schepen gereed, deLoireen deMedusa, beiden naar Senegal bestemd. Had hij zich op deMedusaingescheept, hij zou met zoovele anderen omgekomen zijn bij een der vreeselijkste tooneelen, die de zee ooit heeft opgeleverd. De schipbreuk derMedusabehoort tot die verschrikkingen, die niet licht uit het geheugen der menschen zullen verdwijnen.Op deLoirekwam Caillé goed en wel te Senegal. Hij trok naar Saint Louis, bezocht Guadaloupe en nam als vrijwilliger deel aan den tocht van Partarrieu door de gewesten van Gjolof, Foutah en Bondoe. Hierna kwam Caillé naar Frankrijk terug, om zich te laten genezen van de koorts. Maar nauwelijks was hij de schade, door zijn ondernemingszucht aan zijn gezondheid toegebracht, te boven, of hij vertrok weder naar Senegal en bood baron Roger zijne diensten aan. Roger was een groot bevorderaar van ontdekkingsreizen.Niet zonder moeite kreeg Caillé eenige koopwaren mede en met dezen begon hij te reizen onder de Mooren van den stam Berâkerah. Al verder dwalende, van kamp tot kamp, kwam hij na 8 maanden meer dan 200 kilometers ten noordwesten van Polos. Nauwelijks was hij te Saint Louis terug of hij ondernam een reis naar Tomboctoe.René Caillé was geen man van aanzien en had evenmin aanbevelingsbrieven in zijn zak. Zijn persoon boezemde het vertrouwen in, dat ieder avonturier zou inboezemen. ’t Was te vergeefs, dat hij om nieuwe koopwaren vroeg. Men weigerde hem zelfs een paspoort naar de engelsche nederzettingen van de Gambie. Van ontmoediging wist deze kloeke volhouder niet. Hij vertrok te voet, bereikte Gorea Sierra Leone en wendde zich tot den gezaghebber van Freetown. Na de vernedering eener nieuwe weigering te hebben ondervonden, werd Caillé nu koopman in indigo, nam het arabisch kostuum aan, gaf zich uit voor een jong Egyptenaar van Alexandrië, en ondernam gansch alleen, zonder hulp, zonder bescherming, zonder andere hulpmiddelen dan die van zijn eigen geestkracht en wil, een tocht, waarvoor zoovele andere reizigers met de beste aanbevelingen en hulpmiddelen waren teruggedeinsd.René Caillé vertrok den 19denApril 1827 van Kakouty en werd spoedig vergeten. Maar omstreeks het midden van het volgende jaar werd de geleerde wereld door een belangrijk feit in beweging gebracht. Een Franschman, die te Toulon ontscheept was, was doorgedrongen in de nog onbezochte en geheimzinnige streken van Midden Afrika. Hij kwam van Tomboctoe. ’t Was Caillé. Zijn aankomst was een ware gebeurtenis. Ieder ondervroeg den reiziger, die geheel op zich zelf dit groote vraagstuk der landontdekking had opgelost, en het Aardrijkskundig Genootschap van Parijs kende hem den prijs toe, bestemd voor den reiziger, die Tomboctoe zou hebben bezocht. Toen men vernam op welke wijze Caillé er in geslaagd was zulke uitkomsten te verkrijgen, werden zijn moed en volharding om het zeerst geroemd—wat zij verdienden. Na het land van Inanke, Touta, Gjalo, Baleija en Amana te zijn doorgetrokken, was hij den Niger overgestoken, wat nog niemand gedaan had, en zoo in onbekende streken gekomen te midden van negerstammen, bij welke hij vijf maanden verblijf hield. Hij leed de vreeselijkste smarten. Het vreemde, ongezonde en karige voedsel, dat hij gebruikte, deed hem scheurbuik en koorts krijgen; hij verloor een paar beenderen uit het verhemelte, doch kwam alleen door zijn groote wilskracht en zijn sterk gestel dit alles te boven. Den 9denJanuari 1828 had Caillé zijn gezondheid herkregen, en zocht nu langs een geheel nieuwen weg den Niger op bij Gjeny. Na een maand lang duizend gevaren te hebben doorgestaan, kwam hij te Tomboctoe aan. Maar om terug te keeren wilde hij de woestijndoor. Ondertusschen tot ellende, ja tot den bedelstaf vervallen, schoot hem niets anders over dan zich bij een karavaan aan te sluiten en een paar maanden lang ten doel te staan aan allerlei smaad en kwade bejegening.In Frankrijk teruggekomen, kreeg hij zijn verdiende loon. Hij werd ridder van het legioen van eer; het verhaal zijner wonderbare reizen werd op last van het gouvernement uitgegeven, en men bezorgde hem een jaargeld en een ambt bij de administratie van het land van den Senegal. Maar zijn rust en glorie duurden kort. De ziekte die hij in Afrika had opgedaan, greep hem met dubbele woede aan en maakte hem tot een martelaar te meer van den grooten arbeid der ontdekking. Hij overleed op negen-en-dertigjarigen leeftijd, op den 17denMei 1838.Wij slaan een paar andere Franschen over, Mage en Quintin, die omstreeks de jaren 1860–1869 zich verdienstelijk gemaakt hebben door hunne onderzoekingen tusschen den Niger en den Senegal, van welke de eerste bij zijn terugkomst schipbreuk leed en met al zijne medeschepelingen in de golven omkwam. Wie verhaalt wat zij te lijden hadden van het klimaat en van de inboorlingen, en welke offers zij gebracht hebben aan hun zucht om het onbekende land te verkennen?Maar grooter mannen wachten ons, mannen, die omdat zij beter geslaagd zijn dan anderen, ook grooter plaats innemen. David Livingstone behoort zeker onder deze gerekend te worden. Hij speelt de hoofdrol op het tooneel der aardrijkskundige onderzoekingen en is tevens een der edelste karakters onzer nieuwe beschaving, een voorbeeld van toewijding zoowel waar het de wetenschap als waar het de menschheid geldt. Livingstone werd den 19denMaart 1813 te Blantyre in Schotland geboren. De beroemde reiziger heeft zelf zijn leven beschreven en spreekt met trots van zijne voorvaderen, die de eer van het geslacht nimmer verzaakten. »Wees eerlijk!” was hun devies en het was het zijne. Maar hij was meer dan het devies van hem eischte: hij was edelmoedig, hij was goedhartig en groot door de kracht van zijn wil. Van zijn tiende jaar af moest David Livingstone met zijn arbeid voorzien in de behoefte van het gezin, waartoe hij behoorde. Hij deed het nederige werk van een arbeider in een katoenfabriek te Blantyre. Des avonds wijdde hij zich aan zijne studiën. Overdag legde hij zijne boeken geopend in zijn nabijheid, en bij het dreunen der machines las hij wat hij er van lezen kon. »Hieraan”, zegt hij, »dank ik het vermogen om mij gansch en al te onttrekken aan al het leven, dat men om mij heen maken mag, en rustig te zitten lezen of schrijven te midden van spelende kinderen of wel van een troep dansende en huilende wilden.”David Livingstone.David Livingstone.Hij was reeds negentien jaar en nog was hij maar wever opeen fabriek. Zijn loon, dat ondertusschen wat verhoogd was, stelde hem in staat, ’s avonds een zekeren cursus van geneeskunst en godsdienst bij te wonen. Hij werd een door en door godsdienstig man, met een kloek, mannelijk, gezond geloof. Zijn vaderland droeg hij een innige liefde toe en niets kwam hem zoo benijdbaar voor als zich toe te wijden aan de leniging van menschelijke ellende. Ondertusschen promoveerde hij, na volhardende studie, in de genees- en heelkunde.Livingstone had deze kennis opgedaan, met het doel haar dienstbaar te maken aan het heil der Chineezen, onder wie hij als zendeling en geneeskundige arbeiden wilde. Hij bood zijne diensten aan bij het zendingsgenootschap te Londen, juist op denzelfden tijd waarop Moffat in Engeland terugkwam, na lange jaren onder de Afrikanen te hebben doorgebracht. Livingstone won goeden raad in bij dezen uitnemenden zendeling, en ondernam op den leeftijd van zeven-en-twintig jaren een zendingstocht naar Afrika.Na een lange zeereis gemaakt te hebben, landde hij aan de Kaap, waar hij eenige jaren doorbracht en met Moffat’s dochter in het huwelijk trad. Een waardiger levensgezellin, een vrouw met meer moed, liefde en toewijding, zou hij nergens gevonden hebben. Livingstone drong tot het land der Bechuranas door, een volkje dat nog door niemand bezocht geworden was. Van den aanvang van zijn nieuwe loopbaan af nam hij zich voor de europeesche levenswijs vaarwel te zeggen en zich tegen alle vermoeienis te verharden. Zoo ondernam hij een reeks van reizen, van meer dan 130 kilometers lengte, ’t zij te voet, ’t zij in een met ossen bespannen wagen. De inboorlingen hadden hem eerst uitgelachen wegens zijn weinig indrukwekkend voorkomen. »Hij is zwak,” zeiden zij, »hij houdt het niet lang uit.” Maar Livingstone, die dit oordeel gehoord had, reisde met versnelden pas voort, en dwong zijne reisgenooten te volgen, die weldra eerbied kregen voor zijne kracht en volharding. Een gevecht met een aantal leeuwen, die voor zijne geweerschoten op de vlucht gingen of gedood werden, maakte bovendien een diepen indruk. Een dezer dieren greep hem bij den bovenarm en verminkte dien zoo, dat het den reiziger na dien tijd steeds moeielijk viel het geweer te schouderen, en na zijn sterven zijn lijk herkend werd aan de sporen, die van de wonden overgebleven waren.Eerst in 1849 besluit Livingstone naar het Noorden van Afrika te trekken. Met de heeren Murray en Oswel volgt hij de Zoega en bereikt het Ngami-meer, na een afstand van 4800 kilometers te voet afgelegd te hebben.In 1851 waagt Livingstone zich in de nog niet doorreisde gewesten van de Mekalodo. Hij trekt door Sebitoane, de hoofdplaats van dit gebied, dringt dieper door en staat versteld van deschoone natuurtooneelen, die zich voordoen aan zijn oog: weelderige landouwen, besproeid door rivieren en stroomen, rijke, vruchtbare dalen en schoone meren, bewoond door een rustige, nijvere bevolking. Nu gaat het van ontdekking tot ontdekking. Na groote gevaren, ongehoorde vermoeienissen, steeds nieuwe krachtsinspanning, komt hij in 1852 aan de Westkust van Afrika, te Saint-Paul de Loanda, een portugeesch station. Hoe voortvarend ook, hier moet hij een tijd lang vertoeven en uitrusten van zijn vermoeienissen. Hij wordt ernstig krank, en maanden lang strijdt hij met den dood. Maar het leven behoudt de overhand, hij herstelt en zijne klachten keeren weder. Maar in plaats van nu zich zelven te sparen en op rust te zinnen, vat hij onmiddellijk zijne oude reisplannen weder op. Hij wil Afrika in zijne gansche breedte doorreizen, vat den tocht moedig aan en komt in 1856 te Quilimane aan Afrika’s Oostkust.Na dezen prachtigen zegetocht komt Livingstone rijk aan ontdekkingen in Londen terug. Overal juicht men hem toe en de gouden eerepenningen van de Aardrijkskundige Genootschappen, zoo van Parijs als van Londen, worden hem toegekend. Het verslag van deze reis heeft Livingstone zelf opgesteld onder den titel van »Zendingsreizen en onderzoekingen van Zuid-Afrika.”Na dit boek afgewerkt te hebben, trekt hij weder naar het Zuiden en gaat op nieuwe ontdekkingen uit. Zijn reis naar de Zambesi zal steeds merkwaardig blijven. Verrassing op verrassing valt den reiziger te beurt bij de talrijke stroomen, die deze rivier voeden, en de merkwaardige streken, die er door worden besproeid. Maar dit vruchtbare land werd voor Livingstone een plaats der beproeving. Hij verloor er zijn trouwe en moedige vrouw, die de kracht en den moed gehad had zijn levensgezellin en reisgenoote te zijn.Na op nieuw naar Engeland te zijn teruggekeerd, wil hij de bronnen van de Zaïre zoeken, en hij verlaat zijn vaderland om het nimmer weder te zien.Weder nieuwe veroveringen! Hij is in geheimzinnige oorden verdwenen, maar wordt door Stanley, den kloeken verslaggever van de New-York Herald te Oudjidji, bij het meer Tanganyika, wedergevonden. Stanley biedt hem de noodige hulp en geeft der wereld bericht aangaande den moedigen onderzoeker. Zijn krachten zijn uitgeput. Toch acht hij zijn taak niet volbracht en wil hij die ten einde toe afwerken. In 1872 verdwijnt hij, en meer dan een jaar verloopt er, voor men iets van hen verneemt. Eindelijk weerklinkt plotseling het bericht dat hij niet meer is, en gansch Europa, dat het oog op hem gevestigd hield, verschrikte bij de mare.Een dezer dieren greep hem bij den bovenarm. Blz. 31.Een dezer dieren greep hem bij den bovenarm. Blz. 31.In het eind van April 1873 was de groote reiziger juist de moerassen doorgetrokken, die de Loeapoela van het bergvlak van Lobisa scheidt, toen de noodzakelijkheid hem dwong aldaar te blijven.Zijn geest was onvermoeid, maar zijn gestel was ondermijnd, zoo door koorts en dyssenterie als door vijfentwintig jaren van afmattenden arbeid en ontbering. Den 4denMei van genoemd jaar blies hij, omringd van eenige getrouwe dienaren, op het bergvlak van Lobisa den laatsten adem uit. Hij was 57 jaren oud.De vierde expeditie die ter opsporing van Livingstone was uitgezonden, kwam ongeveer een maand vóór zijn dood te Zanzibar aan. De luitenants Cameron en Murphy en dokter Dillon, die den tocht leidden, namen zijn lijk in ontvangst. Den 16denApril 1874 werd het op engelschen bodem ontscheept. Naar London overgebracht, werd het door William Fergusson onderzocht en het been van den bovenarm, dat voor dertig jaren door leeuwentanden was gekneusd, stelde den dokter in staat, de indentiteit van de kostbare overblijfselen te bewijzen.Op Zaterdag 18 April 1874 bereikte het lijk, te midden van een ontelbare en eerbiedig gestemde menigte zijn laatste rustplaats, de abdij van Westminster.Wanneer men de vorderingen nagaat, die de wetenschap aan Livingstone dankt, wordt men van bewondering en eerbied vervuld. Vóór hem bestond er in Afrika een gansch onbekende oppervlakte van niet minder dan 3 millioen vierkante kilometers. ’t Was een eenvoudigen jongen werkman van Glascow voorbehouden er de bakens te planten voor de groote wegen der toekomst en er te arbeiden aan de bevrijding der inboorlingen, voor welke hij zoo goed als een profeet en weldoener was.Zijn dood is voor de gansche maatschappij een waar verlies geweest. Niet elken dag ontmoet men zulke uitverkorenen, die alle deugden bezitten en te gelijk alles durven, en maar al te zelden gaat inspanning, strijd, doodsverachting en ontbering gepaard met een toewijding, die alleen het belang van de wetenschap en de menschheid op het oog heeft.Afrika is het tooneel geweest van de grootste zelfopoffering en toewijding op het punt van landontdekking. Daar zijn: Mungo Park, vermoord of verdronken te Bousa aan den Niger, in 1805; Nightingale, overleden aan de koorts, 1841; Duranton, overleden in 1843; Eduard Vogel, verraderlijk vermoord in 1856 door den sultan van Ouadaï; en wij mogen onder degenen, die zich op dit gebied verdienstelijk hebben gemaakt, ook één onzer landgenooten tellen en dat wel een vrouw: de welbekende freule Alexandrina Tinne. Het reizen was van haar kindsheid af haar element. Haar vader bekleedde ambten in Engeland en Suriname, was koopman te Liverpool, en reisde sinds 1842 met zijn vrouw en zijn zevenjarig dochtertje Europa door. Na den dood van den heer Tinne zetten zijn vrouw en haar dochter het reizend leven voort. Zoo trokken zij samen in 1853 naar Spanje, Noorwegen, Italië, Egypte, Palestina en Nubië. Hiervond Freule Tinne het terrein, waarop zij zich te huis gevoelde. Afrika had haar steeds aangetrokken. »Zij vloog er heen als een vlinder in de kaars”, zoo zeide zij. Helaas, zij zou er zich de vleugels zengen. Doch vóór haar dood zou zij eerst den slavenhandel zoeken te keer te gaan en onbekende streken bezoeken, de wetenschap aan menschenliefde parende. Zij doorkruiste het Noorden van Afrika, zij volgde den Nijl; waar was zij niet?Haar moeder bezweek in 1862, maar haar geest hield stand. Eindelijk zou zij een lievelingsdenkbeeld verwezenlijken. Zij zou de Algerijnsche Sahara door, en tot in het hart van Afrika dringen. Daar, waar haar als kind reeds de ledige plek op de kaart zoo gehinderd had, daar wilde zij heen. Eens mislukt de tocht. Zij keert na een zware en moeielijke reis van Marokko naar Alexandrië en Egypte terug. Maar zij geeft het niet op, zij wil naar de Toearegs en Bornoe. Zij trekt er heen met een gezelschap Arabieren, negers, Soedaneezen en twee blanken. De afpersingen der Toearegs deden meer dan eens oneenigheid ontstaan in de karavaan, en toen de eischen der gidsen en der roovers, die zich bij het reisgezelschap aansloten, niet meer konden worden ingewilligd, werden de Hollanders met freule Tinne jammerlijk vermoord. Freule Tinne gaf op al hare reizen blijk van grooten moed, van onvermoeiden onderzoekingsgeest. De eene tocht was nog niet afgeloopen of de andere werd uitgerust. Een werk, »Plantae Tinneanae”, waarin de tropische planten worden beschreven, die zij verzamelde, blijft getuigen van haar wetenschappelijken zin, en in het hart van menige vrijgekochte, ja, bij allen, met wie zij in aanraking kwam, zal zij blijven leven om haar liefde en haar groot karakter.Niet alleen het ijs van de Noordpool en de zandwoestijnen van Afrika, neen, ook andere streken zijn getuigen geweest van wat ondernemingsgeest en dorst naar kennis vermogen. Overal lokt het onbekende den mensch aan, ja het schijnt hem toe te wenken dat hij zal komen en zich zelven zal offeren.Op Aziatischen bodem stierf Francis Garnier. Officier der Fransche marine was hij tevens een der stoutmoedigste voorgangers en wegbereiders in vreemde gewesten.Na van 1866–1868 aan het hoofd eener Fransche expeditie Achter-Indië doorreisd en later bij het beleg van Parijs met zijne mariniers onvergankelijke lauweren te hebben behaald, trok hij op last van het Fransche Gouvernement naar het rijk der Annamieten en wel naar Tong-King, ten einde, zoo mogelijk, de rivier de Bo-Ve van de zee af tot de grenzen van de Yun-Nan voor den franschen handel te openen. Hij had de beschikking over een kanoneerboot met zes en vijftig koppen en dertig infanteristen en mariniers. In October 1873 verliet hij Saigon en kwam in Kua-Kam. De annamitische hoofden en de mandarijnen ontvingen hem met blijkbarentegenzin en namen straks alle mogelijke, ook de leelijkste, middelen te baat, om zich van hen te ontdoen. Garnier begreep dat hij iets doen moest om de Annamieten eerbied in te boezemen en nam met niet meer dan 180 man de Citadel van Ha-Noi in, die door 7000 man werd verdedigd. Dadelijk daarop nam hij het geheele eiland Tong-King in bezit. Eenigen tijd later echter werd hij zelf in de vesting Ha-Noi belegerd en, bij gelegenheid van een uitval, gestruikeld zijnde laaghartig vermoord en onthoofd.De eer van het eerst Australië te hebben betreden, komt aan de Nederlanders toe, die het dan ook Nieuw Holland doopten.In 1642 zeilde Abel Tasman het »groote Zuidland” om, zooals het ook werd geheeten, en ontdekte van Diemens Land, zoo genoemd naar den toenmaligen gouverneur van Neerlands Indië. Eerst in 1770 verscheen er weder een landontdekker van naam, de beroemde Engelsche zeereiziger James Cook. Hij bereikte het eiland aan de oostelijke kust, waar het zoo goed als geheel onbekend was.James Cook werd in 1728 te Morton in Engeland geboren. Hij was de negende spruit van een boerenknecht, werd achtereenvolgens winkelbediende en scheepsjongen en leerde zichzelven de beginselen van het teekenen, de mathesis en de sterrekunde. Drie malen deed hij de reis om de wereld en telkens bracht hij een oogst van nieuwe ontdekkingen mee. Op zijn eerste reis, in 1768, was hij vergezeld van twee geleerden, Banks en Solander, die op Otaiti den doorgang van Venus voorbij de zon zouden gadeslaan, en deed hij een verkenningstocht langs de kust van Nieuw-Zeeland.Cook kwam over de Oost-Indiën naar Europa terug en het Zuiden van Australië omzeilende, dreigde zijn schip, deEndeavour, te stranden. Cook trad echter behouden aan land, nam de kust namens koning George III in bezit en noemde het gebied »Nieuw Wales”.Na zijn tweeden tocht, een reis van drie jaren, volbracht te hebben, werd hem opgedragen een nader onderzoek in te stellen naar de landen van Australië. Twee schepen werden te zijner beschikking gesteld, deResolutionen deAdventure. Hij ontdekte Nieuw-Caledonië, na eerst de Nieuwe Hebriden te hebben bezichtigd, en bracht een aantal belangrijke wetenschappelijke mededeelingen mee over de streken, die hij bezocht en de inwoners, dieren en de planten, die hij er gevonden had.In 1776 zeilde hij voor de derde maal uit. Nu gold het de vraag, of er, door het Noorden van Amerika heen, een weg bestond van Europa naar Azië. Hij maakte een reis om de nieuwe wereld, bereikte de Noordwestkust van Amerika en zocht nu door de Behringstraat de Hudsonsbaai te bereiken; maar een groote ijsvlakte stelde zich in den weg der reizigers, zoodat zij terug moesten keeren. Cook ging weder langs de kust van Amerika, begaf zich naar deSandwich-eilanden, om er te overwinteren, bereikte Owahaï en liet in een der baaien van dat eiland het anker vallen. Helaas, hij zou het er niet weder lichten.Cook en zijne reisgezellen knoopten al spoedig betrekkingen aan met de inboorlingen. Nooit nog, zoo verklaarde de groote zeevaarder, heb ik wilden gevonden, die zoo weinig wantrouwend en zoo vrijmoedig waren als deze. Zij zonden de waren, die zij verkoopen wilden, naar de schepen, en kwamen vervolgens zelven op de schepen om den prijs te bepalen. Ook moet tot hun eer gezegd worden dat zij bij dezen ruilhandel geen enkele maal hebben gepoogd de Engelschen te bedriegen.Maar dit vriendschappelijk verkeer zou spoedig door twist en strijd worden afgebroken. De inboorlingen wapenden zich met steenen en zochten hunne landgenooten te verhinderen de Engelschen, bij het inschepen hunner gevulde watertonnen, bij te staan. Cook liet vuren; maar nu volgde er zulk een jacht van steenen, dat de Engelschen op de vlucht gedreven werden, die al zwemmend zich in veiligheid zochten te brengen, terwijl de eilanders den sloep vermeesterden. Cook, vreezende dat zijn gezag een al te gevoeligen knak zou krijgen, besloot den volgenden dag aan land te gaan en den koning met de voornaamste hoofden des lands gevangen op het schip te brengen en hen als gijzelaars bij zich te houden, zoolang totdat de sloep zou zijn teruggegeven. Nauwelijks echter was hij geland, of hij zag zich met de zijnen van wilden omringd; weder dreigden zij, en Cook schoot er een neer; maar nu volgde een groote verwarring. De wilden gunden de Engelschen den tijd niet hunne geweren te laden, zij vielen op hen aan, zoodat Cook hun ried ordelijk terug te trekken. Hij zelf stelde zich tusschen zijne makkers en den vijand; zoo lang hij hen in het oog hield, durfden zij hem niet aan, want zij hadden een bijgeloovige vrees voor hem; maar nauwelijks had hij zich omgekeerd, om aan de manschappen zijne bevelen te geven, of hij werd met een dolk in den rug getroffen, en zonk neder met het aangezicht in de zee. Nu zetten de eilanders het op een schreeuwen en juichen, en koelden hun woede aan het deerlijk verminkte lijk van den moedigen zeeheld, die stierf op het veld van eer.Na Columbus is Cook zeker de meest gevierde en geliefde zeereiziger. Geen wonder, Cook was als geschapen voor de roeping, die hij volgde. Hij had een herculische lichaamskracht, zijn geest en karakter waren als uit metaal gegoten, en zijn koelbloedigheid evenaarde zijn geestdrift en zijn ijvervuur. Cook had een buitengewone lengte. Hij mat 1 meter en 79 centimeter. Zijn gelaat was streng van uitdrukking. Hij was stilzwijgend, gehard en hardvochtig; maar rechtvaardig in den hoogsten graad.De groote Stille Zuidzee heeft nog meer martelaars aan tewijzen. La Perouse, een fransch zeeofficier, werd omstreeks 1780 door zijn regeering uitgezonden, om de reizen van Cook voort te zetten en een doorvaart te zoeken langs het Noorden van Amerika. Met De Langle zou hij ongekende oorden verkennen, een onderzoek instellen naar de walvischvangst in het Zuiden, en naar de pelterijen in het Noord-Westen van Amerika, de nog weinig bezochte Westkust van dit werelddeel bezoeken, de zeeën van China en Japan bezeilen, Australië aandoen, en in al die streken planten en metalen zoeken, de inboorlingen bestudeeren, handelsverkeer openen.Twee fregatten, deBoussoleen deAstrolabe, lagen te Brest gereed. La Perouse zou over het eerste, De Langle over het andere bevel voeren. La Perouse vaarde kaap Horn om, zeilde noordwaarts op naar den berg van St. Hélie en ontdekte onder anderen de baai van Monti. Verder ging het langs de Sandwich-eilanden naar de Filippijnsche eilanden, naar Japan en de Oostkust van Azië. Daar werd De Langle, wijl hij de schepen van versch regenwater liet voorzien, bij het instappen van den sloep door prauwen met inboorlingen omringd, die hem met knuppelslagen vermoordden. Robert de Paul Lamanon, die als natuurkundige de reis medemaakte, werd met elf matrozen aan zijne zijde gedood.La Perouse verliet dit noodlottig oord en landde den 26stenJanuari 1783 te Botany-baai. Hij schreef een langen brief aan den minister van marine, waarin hij den uitslag zijner ontdekkingstochten en het verlies zijner reisgenooten mededeelde, met bericht dat hij naar Frankrijk onder zeil ging.Dit was la Perouse’s laatste brief. Men hoorde niets, noch omtrent hem zelven, noch omtrent zijne schepen, totdat in 1826 de engelsche zeekapitein Peter Dillon op de klippen der Hebriden de overblijfselen vond der schepen, met een paar kanonnen en ankers. Dit was alles, wat van deAstrolabeen deBoussoleoverig was; maar ’t waren welsprekende getuigen van het vreeselijk einde van dezen roemruchtigen zeetocht.Doch wij willen naar Australië terugkeeren. Een duitsch onderzoeker, Leichardt, vatte in 1848 het plan op de binnenlanden te bezoeken van het vasteland van Australië. Eerst slaagde hij er in, dit onbekende land in noord-westelijke richting te doorsnijden, daarbij een weg afleggende van 3000 kilometers. Hierdoor aangemoedigd, vatte hij het plan op het eiland in zijn grootste breedte, van het Westen naar het Oosten, te doorkruisen. Hij vertrok in het begin van 1848 van Brisbane en bereikte de rivier de Cagoon, die 480 kilometers van de zee ligt. Maar sedert ontving men geen tijding van den moedigen reiziger. Tien jaren later vonden de gebroeders Gregory eenige sporen van deze expeditie bij de rivier Victoria.Omstreeks dienzelfden tijd deed een australisch volkplanter Kennedy zijn best de oostelijke kusten van Carpentaria te verkennen.Hij drong zoolang voort tot zijne levensmiddelen uitgeput raakten. Al zijne reisgenooten verlieten hem, op een inboorling na, die ’t moest aanzien hoe de ongelukkige Kennedy door de afschuwelijke menscheneters der binnenlanden doodgeslagen werd. Zelf ontkwam de getrouwe ter nauwernood, om de treurige tijding over te brengen.Het vreeselijk uiteinde van Kennedy en Leichardt weerhield noch de gebroeders Gregory, noch anderen de woeste binnenlanden te doorkruisen, en onder deze is Burke de eerste geweest, die het vaste land van Australië, van Melbourne tot de golf van Carpentaria, is doorgetrokken. Ook hij heeft dezen roem met zijn leven betaald.De Ier Thomas O’Hara Burke vertrok uit Melbourne, op den 2OstenAugustus 1860, aan het hoofd van een volledig uitgerust gezelschap, waaronder de sterrekundige Wills. Op het einde van September bereikte hij, tusschen 25° en 26° zuiderbreedte, den grooten steenwoestijn, waar vóór 15 jaren de reiziger Start zes maanden in de grootste moeilijkheden had doorgebracht en zijn reismakker Poole van dorst was omgekomen. Burke en de zijnen waren gelukkiger. Zij kwamen ongedeerd aan de andere zijde van de groote woestijn, die door de juist gevallen regenbuien overal meren en oazen vertoonde. De tochtgenooten drongen in de vallei van Yappar door, en hun veerkracht werd niet weinig versterkt toen zij aan gewisse teekenen ontdekten dat de zee niet verre meer wezen kon. Burke en de zijnen hadden nog maar een vlakte door te trekken, en zij waren er, maar ongelukkig was die vlakte met ondoordringbaar struikgewas bezet. De reizigers waren zwak, de paarden en kameelen waren voor het grootste gedeelte gestorven, en die overgebleven waren weigerden verder te gaan. De levensmiddelen begonnen schaars te worden. Onder die omstandigheden terug te keeren was een moeielijke zaak, doch er schoot niets anders over, en bij dezen terugtocht stierven Burke en Wills van vermoeienis en uitputting in de vallei van Cooper.Zij hadden hun weg geteekend. Een kleurling, John Mac Douall Stuart gelukte het, eenigen tijd later, denzelfden tocht tot zijn einddoel voort te zetten en de zee te bereiken, dien Burke alleen van verre had hooren ruischen.Zoowel door deze heldhaftige pogingen, als door zoo menige onderneming van jonger datum en gelukkiger uitslag, zooals die van Landsborough, Mac Kinlay, Hardwicke, Cowle, Gilles, Warburton, begint Nieuw-Holland, evenals Afrika, meer bekend te worden. Toch blijft er nog genoeg te doen over.1Ten Noord-Westen levert het land van Tasman ten Noorden het land van Arnhem,ten Noord-Oosten het land van Carpentaria en het schiereiland van York nog altijd een ruim veld op, waar toekomstige landontdekkers roem behalen en kennis vermeerderen kunnen. Men rekent dat van de 6 353 000 vierkante kilometers, die de oppervlakte van dit eiland uitmaken, een derde gedeelte nog nader onderzocht moet worden. Zoo blijkt wel dat het werk van den enkelen mensch weinig beteekent, en de verovering van den aardbodem een arbeid is voor de eeuwen, die zeker maar langzaam voltooid wordt.1Zoo moet pas onlangs in Australië de hoogste berg der aarde ontdekt zijn.↑

Dood van Francis Garnier.Dood van Francis Garnier.HOOFDSTUK II.DE VEROVERING VAN DEN AARDBOL.

Dood van Francis Garnier.Dood van Francis Garnier.

Dood van Francis Garnier.

Christophorus Columbus schreef op het einde zijner dagen aan den Koning van Castilië; »Van mijn jeugd af voer ik ter zee en ik ben er mee voortgegaan tot heden. Dezen weg moeten zij kiezen, die de geheimen dezer wereld willen leeren kennen.”De groot Genuees had gelijk. De geheimen dezer wereld,de waarheden der wetenschap hebben hun oorsprong in de kennis der natuur. Zoo moeten wij dan in onze herinnering allereerst aan die mannen een eereplaats geven, die hun leven hebben gewijd aan het veroveren van den aardbol.En geen treffender voorbeeld kunnen wij daarvan kiezen dan het voorbeeld van den heldhaftigen man, die ten koste van een hardnekkigen strijd tegen de ongenade van het lot en de vooroordeelen der menschen een gansch halfrond aan onze planeet als toevoegde.Christophoro Colombo werd geboren te Genua omstreeks 1436. Hij was de zoon van een wollenkaarder en had twee broeders, Bartholomeus en Jacob. Na te Genua een degelijke opvoeding ontvangen te hebben, begon hij op zijn veertiende jaar zich als zeeman te bekwamen. Hij deed een tocht naar Tunis en in 1477 een reis naar IJsland. Hij had zich toen reeds te Lissabon gevestigd en trad daar in het huwelijk met Felipa Monis de Palestrello, dedochter van een zeevaarder. Geen plek ter wereld kon hem zoo bekoren als deze, want sedert een eeuw verbaasde Portugal de wereld met zijne ontdekkingstochten. Reeds rijpten stoute plannen in zijn brein. Hij bestudeerde nauwkeurig al de nieuwe wegen die de zeevaarders voor het verkeer geopend hadden en vatte weldra het grootsche voornemen op dier onderneming, die zijn naam de onsterfelijkheid zou geven. Zijn doel was geenszins, zooals men soms heeft gemeend, een nieuwe wereld te vinden; maar wel om, dwars over den Atlantischen Oceaan Indië op te sporen en westwaarts opzeilende het Oosten te ontmoeten.Dit plan dat geenszins nieuw was, vervulde destijds vele gemoederen. De wijze Toscanelli en anderen hadden er al over gedacht, maar Columbus wijdde er zich geheel aan en maakte er zijn onherroepelijk levensdoel van.Columbus was arm en zijn werk onmetelijk. Allereerst wendt hij zich tot zijn vaderstad, maar de stad Genua staat hem de middelen niet toe, die hij van noode heeft, wil hij zijn plan verwezenlijken. Hij draagt zijn plan vervolgens voor aan den koning van Portugal Joan II, die het deed onderzoeken door een commissie van twee beroemde aardrijkskundigen. Deze lieden hielden het denkbeeld van den zeevaarder voor een hersenschim en hemzelven voor een zonderling. De koning echter kon dit oordeel niet billijken en gaf zich een tijd lang over aan den invloed van een man van vooruitgang en kennis, Pierre de Noronha, die te recht begrepen had dat men, om de rijkdommen van Portugal te vermeerderen, zeeën moest oversteken en nieuwe wegen zoeken en nieuwe volken hechten aan de kroon.Maar Joan II, weifelend van aard en zwak van wil, koos weldra de partij van Columbus’ vijanden en wees niet alleen het aanbod af van den kundigen man, die voor Portugal een nieuwen zeeweg zou zoeken, maar pleegde jegens hem het zwartste verraad. De trouwelooze vorst knoopte onderhandelingen met Columbus aan, vroeg zijne kaarten te zien, liet hem zijn plan ontvouwen in tegenwoordigheid van zijne raadslieden, en toen hij al zijne geheimen bezat, ontzag hij zich niet een kleine vloot uit te rusten, die in de door Columbus aangewezen richting den Atlantischen Oceaan opvaren en den argeloozen zeevaarder berooven zou van de vrucht zijner overpeinzingen.Nauwelijks was de kleine vloot vier dagen ver den Oceaan ingevaren of de zeelieden, door storm beloopen, werden door schrik overmand en keerden met schade en schande in de haven terug.Toen besloot Christophorus Columbus een land te verlaten, waar hij niets dan de bitterste teleurstellingen ondervond. Ten tweeden male begaf hij zich naar Genua. Hij hernieuwde er zijne voorstellen, maar vond even weinig gehoor als vroeger. Hij liet zich echterdoor niets ter wereld ontmoedigen. Nog eens klopte hij aan bij de grooten, de hand ophoudende—maar ook het hoofd, als iemand die in ’t belang der menschheid de ontdekking eener nieuwe wereld komt afbedelen.Hij verkeerde nu in den uitersten nood; de groote sollicitant had slechts lompen om zich te kleeden. Daarbij verloor hij zijn gade en moest zelf zijn jongen, een knaap van elf jaren, verzorgen. Eens zwierf hij, in beklagenswaardige omstandigheden, door de omstreken van Palos de Mogues, een stad in Andalousië en kwam bij toeval voor de poort van een Franciscaner klooster. Hij klopt aan en vraagt een weinig brood en water. De prior Juan Perez de Marchena noodt den vreemdeling bij zich, ondervraagt hem, wordt getroffen door de waardigheid van zijn houding en is een en al verbazing, wanneer Columbus hem zijn geschiedenis verhaalt, zijn plannen ontvouwt en zijn verwachtingen mededeelt.De gastvrijheid van den prior ging over in een warme vriendschap en, dank zij dezen machtigen beschermer, kreeg hij toegang tot het hof van Spanje en gehoor bij Ferdinand en Isabella.Columbus begeeft zich nu naar Cordova, waar de koning verblijf houdt en met kracht de vijandelijkheden voorzet tegen de Mooren. Na maanden lang gewacht te hebben, werd hij eindelijk toegelaten. Bescheiden, maar vrijmoedig vertoont hij zich, wetende dat hij een gunstelings des Hemels is, uitverkoren om diens groote doeleinden te verwezenlijken. Ferdinand echter ziet in de plannen van Columbus een middel om ter zee met Portugal te wedijveren en neemt het besluit, bevoegde beoordeelaars over deze plannen te raadplegen.De door den koning in Salamanca samengeroepen raad bestond uit geleerde monniken en grootwaardigheidsbekleeders der Kerk, mannen, niet weinig vooringenomen tegen iemand, die zich verstoutte iets te weten of hun eenige inlichtingen te geven. Deze lieden verwaardigden zich den armen gelukzoeker een willig oor te leenen.Columbus had ten overstaan van deze heeren niet op wetenschappelijke vragen maar op bijbelteksten te antwoorden en op tegenwerpingen als deze: dat de leer der tegenvoeters onvereenigbaar is met het geloof. Waren er aan gene zijde van den Oceaan bewoonde landen, dan, zoo beweerde men, kon men niet langer aannemen dat alle menschen van Adam afstamden; immers hoe zouden diens nakomelingen in zoo oude tijden de zee zijn overgestoken. Men gaf hem te kennen dat, volgens het N. Testament, de aarde plat was en den vorm had van een grooten schijf; men zeide verder dat de aarde, ware zij bolvormig, onbewoonbaar zou zijn beneden de keerkringen, wegens de overmaat van warmte, die daar heerschen zou. Zoo zag Columbus zich opnieuw aan de ellende ten prooi en bovendien zag hij zich behandeld als een gek en een verdoemde.Zich niet latende ontmoedigen, schreef de toekomstige wereldontdekker aan den koning van Engeland; vervolgens in Mei 1489 zocht hij Ferdinand en Isabella weder op, die van hun tocht tegen Malaga naar Cordova teruggekeerd waren. Er was sprake van dat de samenkomsten betreffende Columbus’ plannen zouden hervat worden; maar jaren lang bleef de beslissing uit, totdat eindelijk, in den winter van 1491, de raad van Salamanca een verslag uitbracht, hetwelk het ontwerp van den zeevaarder voor ijdel en onuitvoerbaar verklaarde, terwijl het verder heette: een groot vorst paste het niet op zulke zwakke gronden, als bij deze gelegenheid te berde waren gebracht, zich in zoodanige groote ondernemingen te steken.Wij zullen de verdere stappen van den onvermoeiden man niet volgen; wij willen niet verhalen hoe hij zich ook tot den Franschen koning Karel VIII wilde wenden; liever spoeden wij het oogenblik te gemoet, waarop zijne volharding en zijn ijver ten laatste bekroond werden. In Februari 1492 kreeg Columbus op nieuw gehoor bij koningin Isabella en wel door tusschenkomst van Louis de Saint-Angel, ontvanger der kerkelijke inkomsten van Arragon, tevens een van des zeevaarders warmste aanhangers. Eenige vrienden, die medegekomen waren, bepleitten zijn zaak met zooveel aandrang dat de koningin zich liet overhalen en beloofde zich persoonlijk met de uitvoering te zullen belasten.Zoo dan mocht Columbus eindelijk, na twintig jaren van volhardenden strijd, in zee steken met den titel van admiraal en met de belofte van onderkoning of gouverneur te zullen zijn van al de landen, die hij ontdekken mocht. Drie schepen werden uitgerust, met wakker volk aan boord. ’t Waren zonderling gebouwde schepen, met hooge voor- en achtersteven, gelijk wij ze dikwijls op oude platen hebben gezien. Men ijst bij de gedachte dat met zulke schepen en zulke eenvoudige hulpmiddelen zulk een gewaagde tocht over gansch onbekende zeeën ondernomen werd; maar men voelt dan ook des te meer bewondering voor den man, die op vijftigjarigen leeftijd—een leeftijd, waarop zoo menigeen zijn loopbaan heeft volbracht—de zijne eerst begint en door de ontdekking van een tweede halfrond een nieuw tijdperk zal openen voor de geschiedenis der menschheid.Columbus verliet den 3denAugustus 1492 de haven van Palos, en na zoo lang gestreden te hebben tegen de onkunde der menschen had hij nu te strijden tegen de bijgeloovige vrees der schepelingen, de angsten die de groote Oceaan hun veroorzaakte; en daarbij had hij al de zorgen en moeiten en onzekerheden te torsen van een eerste proefreis.Den 12denOctober 1492, na zeventig dagen varens, bespeurde hij voor de eerste maal land, het kustland van Indië, zooals hij waande. Op een eiland, dat hij San Salvador noemde, trad hij heteerst aan wal. De inboorlingen ontvingen en begroetten hem met vreugdebetuigingen en plechtig nam hij, namens den koning en de koningin van Spanje, het land in bezit. Later ontdekte hij nog drie eilanden. Den 28stenOctober landde hij op Cuba, een maand later op Hispaniola (Haïti). Hij bouwde daar het fortNatividad, waar hij een bevelhebber met eenige manschappen achterliet, en toen keerde hij naar Spanje terug.Deze gedenkwaardige reis en deze gansche onderneming is zeker een der grootste heldendaden, die de menschheid heeft verricht ter ontdekking van nieuwe wegen en ter verovering van nieuwe wereldstreken.De schok, dien deze ontdekking in de harten en op de verbeelding teweegbracht, was verbijsterend. Men rekende er niet meer op dat de drie schepen zouden terugkeeren. Met vele vreezen had men de zeelieden zien vertrekken, die dezen gewaagden tocht hadden ondernomen. De groote Oceaan, die door de Arabieren als de »donkere zee” was aangeduid, had zich niet anders voorgedaan aan den geest, dan als een grenzelooze afgrond. Nauwelijks had men dan ook vernomen dat Columbus weergekeerd was en land gevonden had, of de geestdrift steeg ten top. Toen de admiraal te Barcelona aankwam, waar de koning en de koningin hem opwachtten, zag hij een talrijk en deftig gezantschap naderen, hetwelk hem de stad binnenleidde. Zes Indianen, die Columbus had meegenomen, openden den optocht. Daarna volgde een verzameling levende papegaaien en nog onbekende opgezette dieren van allerlei soort, planten, aan welke men geheime krachten toekende, en gouden kronen, die een denkbeeld moesten geven van den rijkdom der nieuw gevonden wereldstreken. Columbus zelf zat te paard en een soort van eerewacht omstuwde hem. De straten waren opgepropt van menschen, op de balcons en voor de vensters zaten en stonden tal van dames, en de daken zelfs waren bezet. Men voerde den held in een groote zaal, waar hij den koning en de koningin omringd vond van een schitterend gevolg. Toen hij binnentrad stonden Ferdinand en Isabella op. Columbus boog de knie, kuste de vorstelijke handen en deed hun het verhaal van zijn reis. De eerbied en de bewondering, die men voor den edelen man gevoelde, vermochten nauwelijks de aandoening te beteugelen, die het verhaal bij allen opwekte. Toen hij echter zijn verhaal geëindigd had, knielde de gansche vergadering neder en vereenigde zich aller stem tot een plechtigTe Deum.Ook de soberste zielen werden dronken van de zonderlingste en meest overdreven droomen en verwachtingen. Ieder had den mond vol van het ontdekte goudland, ieder droomde van een nieuw paradijs, een wonder- en tooverland. En Columbus zelf hield het er voor dat de schatten dier streken inderdaad onuitputtelijk waren.Hij stond nu op het toppunt van glorie en voorspoed, doch hetgenot, dat hij nu ondervond was ook zoo goed als het eenige loon, dat hem zijn leven lang ten deel viel.Den 25stenSeptember 1493 ondernam hij zijne tweede reis. Hij was nu commandant van zeventien schepen. Een groot aantal edelen maakten de reis mee, en in het geheel bedroeg de bemanning der vloot 1200 koppen. Nu werden Guadeloupe en Jamaica ontdekt en St. Dominique en Cuba doorreisd.Columbus kwam in 1496 in Spanje terug. Hij bracht 225 passagiers en 30 Indianen met zich te huis. Maar deze thuiskomst verschilde veel van de vorige. De Spanjaarden, die met hem wederkeerden, waren ontmoedigd, ter neergeslagen en verbitterd tegen hem. Heengegaan met de onzinnigste verwachtingen en weergekeerd in ziekelijken en ellendigen toestand, hielden zij niet op de bitterste klachten te uiten tegen den man, die hen op zulke groote rijkdommen had doen hopen. Waar was dat tooverland, dat paradijs, dat beloofde land? In plaats van voorspoed hadden de landontdekkers slechts beproevingen gevonden. Zij hadden van niets te gewagen, dan van strijd tegen de inlanders, van moeite en ontbering. Te vergeefs was het dat Columbus de geestdrift trachtte aan te wakkeren; er was nu eenmaal asch gestrooid op den gloed; de bewondering was vervangen door smaad.De Spaansche koning en de koningin begroetten den admiraal met belangstelling, maar tegelijk met zekere koelheid, en toen hij het voorstel deed een derden tocht te ondernemen, werd hij maar al te duidelijk gewaar dat de geheime tegenwerking en de laaghartige ijverzucht zijner vijanden al vruchten begonnen te dragen.Den 30stenMei 1498 vertrok hij weder met zes schepen. Nog eens hadden zijn onvergelijkelijke wilskracht en zijn kloeke en onbedwingbare geest het pleit gewonnen. Hij ontdekte nu Trinidad, betrad het vasteland van Amerika, en vond de golf van Para, de eilanden Conception en Assumption. Maar hij had te strijden met opstand onder degenen, die hij te Sint Dominique had achtergelaten, en onder velerlei moeite en tegenwerking, die hij van de zijde zijner landgenooten ondervond, deed hij vijf schepen naar Spanje vertrekken, en met deze verzond hij brieven aan den koning, in welke hij zijne klachten en grieven blootlegde.Zoowel hij zelf als zijne broeders werden als misdadigers met ketenen beladen. Blz. 16.Zoowel hij zelf als zijne broeders werden als misdadigers met ketenen beladen. Blz. 16.Tengevolge van de kuiperijen aan het hof vaardigde Ferdinand naar St. Dominique geen overheidspersoon en rechter af, zooals Columbus verzocht had, maar een beul, don Francisco de Bobadilla, voorzien van brieven van volmacht, waarin hij tot gouverneur der ontdekte gewesten aangesteld en met een onbeperkt gezag bekleed werd. Te St. Dominique aangekomen trad Bobadilla er als heer en meester op, vestigde zich in het huis van den admiraal en gaf hem een afschrift van de brieven, waarbij hem (Bobadilla) het oppergezag werd verleend. Vervolgens deed hij den admiraal,zonder hem te hooren, in een vesting opsluiten, te gelijk met zijne broeders, die in de nieuwe wereld waren achtergebleven. Aan zekeren Alonzo de Villejo werd de taak opgedragen hem naar Spanje over te brengen. Columbus onderwierp zich, zonder een klacht te slaken; zoowel hij zelf als zijne broeders werden als misdadigers, met ketenen beladen, naar een schip gevoerd, dat spoedig zee koos. Villejo, die medelijden had met zijn gevangene, wilde zijne ketenen los maken, maar de admiraal verzette zich hiertegen. »Ik wil ze dragen,” zeide hij, »als een bewijs van het loon, waarmee men de diensten betaalt, die ik het land bewezen heb.” »Deze boeien,” zoo verhaalt ons Fernando Colombo, »heb ik steeds in mijns vaders kamer zien hangen en hij beval ons dat wij ze bij hem zouden leggen, als hij begraven werd.”Toen de zeereiziger in Spanje aanlandde, gebood de Koning, die zich waarschijnlijk schaamde over Bobadilla’s gedrag, dat de gevangenen vrijgelaten zouden worden.Columbus was nu diep ter neer geslagen. De wereld walgde hem. »De wereld heeft mij meer dan duizendmaal slag geleverd,” schreef hij, »en ik heb altijd weerstand weten te bieden, tot op dezen dag, nu ik mij niet verdedigen kan, noch met de wapenen, noch met beleid. Met welk een uitgezochte barbaarschheid hebben zij mij in de diepte doen nederzinken!” Maar staande gehouden door dien godsdienstigen zin, die het kenmerk uitmaakt zijner eeuw, vervuld van het denkbeeld om later het Heilige Graf te bevrijden, vatte de onvermoeide man het plan op tot een vierde reis, die nu werkelijk, zooals hij meende, Spanje rijk zou maken.Hij vertrok van Cadix op den 9denMaart 1502, vergezeld van zijn broeder Bartholomeus. Op deze reis ontdekte de zes-en-zestig-jarige het eiland Guanaga, zeilde de kusten van Honduras en Mosquito langs, bereikte Porto Bello op de landengte van Panama, zette op Veraguas voet aan wal en ontdekte de rijke goudmijnen dezer gewesten. Hij trachtte verder een volksplanting te vestigen aan de rivier de Belen; maar de meesten van die hij er achterliet werden door de inboorlingen vermoord, en toen hij de overigen ter hulp snelde werden zijne schepen door storm beloopen en zoo goed als uit elkander geslagen.Zijn gestel, door ouderdom, moeite, zorg en lijden ondermijnd, was tegen deze nieuwe beproevingen niet opgewassen. Wel slaagde hij er in de ongelukkigen te bevrijden en streed hij nog een tijd lang tegen geweldige stormen en gedurigen opstand van zijn volk; maar krankte en uitputting wierpen hem neder. Dank zij de tegenwoordigheid van geest, door zijn broeder betoond, ontsnapte hij het gevaar van door zijne eigene schepelingen vermoord te worden. In dien treurigen toestand viel hij te St. Dominique binnen, en den 7denNovember 1505 keerde hij naar Spanje terug. Hij was negen-en-zestig jaren oud.In Spanje aangekomen, vernam Columbus dat zijn »goed gesternte”, de koningin Isabella, overleden was. De koning wilde hem geen recht verschaffen. Doch de dood was niet verre meer. Een wreedaardige krankte sleepte hem onder het lijden van vele martelingen ten grave. Den 20denMei van het jaar 1506 ontsliep hij met de woorden: »Vader, in uwe handen beveel ik mijn geest.”Zoo stierf deze martelaar. Hebben zijn tijdgenooten het hunne gedaan om zijn roem te verkleinen, de toejuiching van het nageslacht heeft reeds lang het brommen van den haat en den nijd gesmoord. Het groet met geestdrift den veroveraar, die den sluier heeft opgelicht, waarachter, duizenden van jaren, een halve wereld in ’t verborgen sluimerde. Humboldt is de tolk van dien geestdrift, waar hij uitroept: »Columbus heeft zich verdienstelijk gemaakt ten opzichte van de gansche menschheid, wijl hij een oneindig aantal nieuwe dingen aan haar nasporing heeft onderworpen. Het menschelijk denken heeft zich door zijn ontdekking uitgebreid. Aan den aanvang van een nieuwen tijdkring, op de grens waar de oude wereld en de nieuwe elkander ontmoeten, staat deze edele en kloeke geest, de eeuw beheerschend, die hem den stoot gaf en die op haar beurt van hem het leven kreeg.”Nu er dan alzoo een begin gemaakt was, ging men ijverig voort den boeg naar de nieuwe wereld heen te wenden, maar nog steeds kostte die voortgaande beweging moeite en verdriet. Welk loon ontving Fernando Cortez voor de uitstekende diensten, die hij bewees? Hetzelfde loon, dat Columbus gewonnen had. De veroveraar van Mexico werd blootgesteld aan al de pijnigingen van een ellendig rechtsgeding. Aan het einde van zijn roemrijke loopbaan, leidt hij aan het hof van Karel den Vijfde een droevig bestaan. Voltaire vertelt dat hij geen gehoor bij den keizer kunnende krijgen en hem toch willende spreken, met geweld door de menigte drong, die het keizerlijke rijtuig omringde. Op de vraag van Karel wie dit mocht zijn, zou hij geantwoord hebben: »Ik ben de man, die u meer koninkrijken heeft geschonken, dan uw voorouders u steden hebben nagelaten.”Nadat Amerika ontdekt was, maakte de Portugees Fernam Magalhaens voor het eerst de reis om de wereld. Ook hij had hierbij veel te strijden, reeds vóór hij uitzeilde. Portugees van geboorte, en door zijn vaderland miskend, had hij in Spanje troost gezocht. Hij vond dien bij Karel V; maar de ambtenaren van het ministerie van koloniën waren kwalijk gezind jegens hem. Den 22stenOctober 1518, toen hij bezig was zijn vloot van het noodige te voorzien, werd het volk tegen hem opgeruid, omdat hij het wapen van Castilië verwijderd en door dat van Portugal vervangen zou hebben, terwijl hij alleen zijn eigen wapenbord aan boord had gebracht. Het scheelde weinig of hij werd gedood.Karel V gaf zijn ongenoegen te kennen over deze bejegening, en zorgde dat de tocht spoedig kon aangevangen worden. Maar onder welke treurige vooruitzichten begon deze eerste reis om de wereld! Magalhaens moest, om aan den wensch van den koning te gemoet te komen, onder zijne schepelingen een man opnemen, die bijna evenveel gezag had als hijzelf. Dit was Juan de Carthagena, die den titel van »Inspecteur Generaal” droeg en gezagvoerder was over het derde schip der vloot. Hij was door een machtig geestelijke aanbevolen en haatte Magalhaens. Nog een ander vijand moest hij aan boord van zijn eigen schip dulden, en wel een landgenoot, Estevan Gomez. Zoo vond de groote zeereiziger zich omringd, niet van trouwe vrienden en medearbeiders, op wie hij rekenen kon, maar van naijverige mededingers, die een stillen wrok tegen hem koesterden.Nauwelijks was de vloot uitgezeild—dit geschiedde den 20stenSeptember 1520—of Juan de Carthagena begon het gezag van den opperbevelhebber te ondermijnen. Hij sprak Magalhaens op vrijpostige wijze, als zijn gelijke, aan en werd van dag tot dag aanmatigender. Eens zelfs waagde hij ’t, in tegenwoordigheid van eenige matrozen, Magalhaens met dreigende woorden aan te vallen. Toen begreep deze dat hij handelen moest. Hij greep zijn tegenstander in de borst en sloeg hem in de boeien, als den minsten matroos.Men was toen nog op de kust van Guinea. Magalhaens stak den Oceaan over, wendde den boeg naar Brazilië en kwam in December 1520 in de baai van Rio de Janeiro. Vervolgens zeilde hij langs de Amerikaansche kust voort, in de hoop van dien doortocht te vinden, dien hij in het Zuiden verwachtte en die later voor altijd zijn naam zou dragen. Het koude seizoen was in aantocht en Magalhaens wilde in de haven van San Julian overwinteren; maar nu begon de bemanning te morren. Te midden van de kale, sombere, koude gewesten, waarin zij zich bevonden, werden velen moedeloos en gaven hun verlangen te kennen, om den boeg naar Spanje te keeren. Magalhaens stond als een rots. Geen bidden, geen dreigen vermochten hem aan het wankelen te brengen. Hij gaf te kennen dat hij liever sterven wilde, dan met schande naar Seville wederkeeren, en met zijn veerkracht en moed wist hij de weerbarstige schepelingen te bedwingen.Het openlijke gemor nam een einde; maar in stilte bleef de tegenwerking woelen en weldra brak zij geweldig los, onder voorgang van een paar officieren, Luiz de Mendoza en Gaspard de Quesada. Een bloedig tooneel volgde. Magalhaens, aan zich zelven overgelaten, moest, zou hij niet als slachtoffer vallen, de oproerigen vellen. Hij besloot tot het laatste, en zond op Luiz de Mendoza een welvertrouwd man af, Gonzalo Givet de Espinoza. Deze overhandigde den officier een brief, waarin de opperbevelhebber hemvoor zich daagde. Luiz de Mendoza weigerde te verschijnen en spotte met dit bevel. Maar toen wierp Espinoza zich op hem en stiet hem zijn dolk in den hals.Magalhaens ging met zooveel kracht, bekwaamheid en stoutheid op den ingeslagen weg voort, dat hij de oproerige bemanning derVictoriaenTrinidadspoedig tot gehoorzaamheid dwong. Gaspard werd onthoofd. De lijken der samenzweerders werden, ten aanschouwen van al het volk, aan wal gebracht, en daar las één der officieren hun vonnis.Toen deze daad van hoog gezag volbracht was—eene daad, die, hoe verdedigbaar ook, de nagedachtenis van den bevelhebber niet tot eere strekt—werd San Julian verlaten. Na den opstand van menschen te hebben doorstaan, had hij met dien der elementen te doen. Met veel moeite en onder groote gevaren bereikte hij Vuurland en ontdekte de zeestraat, die zijn naam draagt en den doortocht, waarvan hij gedroomd had. Den 27stenNovember 1520 zette hij koers naar het Noord-Oosten en dreef in die groote wijde zee, die toen zoo kalm was, dat men hem de Stille Zuidzee noemde. Hier ontdekte hij de Marianen en zette eindelijk op het eiland Zebou voet aan wal, om er de schepen van leeftocht te voorzien. De vorst van dit eiland ontving de vreemdelingen met alle teekenen van toegenegenheid. Magalhaens zocht de inboorlingen tot het Christendom te bekeeren en bouwde zelfs een kerk, maar hij beging de groote fout van den vorst van Zebou aan te stellen tot hoofd en leenheer van al de andere vorsten van het eiland. Deze wilden niets weten van die europeesche aanmatigingen; één van hen, de koning van Mactan, bracht een leger op de been van niet minder dan zesduizend man, en verzette zich daarmee tegen de vreemde indringers.Magelhaens moest nu krijg voeren. Met een handvol volks trok hij tegen den koning van Mactan op; maar vond het gehucht, waar deze zijn residentie had, verlaten en stak het in brand. Nu kwamen de Indianen opzetten en begroetten de Spanjaarden met steenen en pijlen, en dat wel met zooveel hevigheid en met zulk een overmacht, dat Magalhaens den terugtocht aannam en de schepen opzocht. Juist zou hij zich met de zijnen in de sloepen begeven, toen een steenworp hem het been verbrijzelde en hem neervelde. Een Indiaan maakte met een speer een eind aan zijn leven. (27 April 1521.)Zoo stierf Magalhaens; maar zijn taak was volbracht. De groote vraag hoe de reis te maken om de wereld was opgelost.Hoe nader wij komen aan den nieuweren tijd, des te meer zien wij deze ontdekkingen den stoot geven tot nieuwe onderzoekingstochten.Eerst opent Amerika, van het noorden tot het zuiden, der wereldeen breede baan; straks doemt het groote vasteland van Australië op, met de eilanden der Stille Zuidzee, en ook het geheimzinnig Afrika, het groote vraagstuk van zoovele eeuwen, opent zijne poorten voor de beschaafde wereld. Eindelijk zijn het slechts de twee polen, die, ten zuiden en ten noorden door ondoordringbaar ijs versperd, het menschelijk onderzoek tarten.De Poolstreken, die als het ware de spil der aarde aan hare uiteinden omgeven, maken thans een punt uit van volhardend onderzoek. Engeland, Zweden en Nederland stoomen en zeilen er heen om land en zee te onderzoeken. Met name is het de Noordpool die men meer en meer zoekt te naderen. En heeft thans Nordenskjöld een weg gevonden noordwaarts naar China. Eeuwen reeds geleden is deze met zelfverloochening en moed gezocht.De weg, die naar de Noordpool voert, is als omzoomd met de lijken der helden, die gestorven zijn. Moge ook »Nederlands vlag Euroop den doortocht” niet gewezen hebben »door het ijzig Noord naar het zengend Oost,” toch hebben de Nederlanders behoord tot de eerste Noordpoolvaarders, gelijk wij thans gelukkig weder ook behooren tot de laatste. Ook ons volk heeft er zijne helden bij verloren, martelaren voor het vaderland en voor den vooruitgang. Balthazar Moucheron van Middelburg vatte het plan op—een plan reeds door de Engelschen geopperd maar opgegeven—om den noordelijken doortocht te zoeken naar China en Indië. Zijn plan leidde tot het uitrusten van een klein eskader onder Cornelis Cornelisz Nay van Enkhuizen en Willem Barentz. Zij zouden beproeven benoorden Novaja Zemlya een open vaarwater te vinden. De schepen scheidden zich van elkander en Barentz verkende de westkust van het genoemde eiland tot aan Kaap Nassau. Hier stiet hij op het ijs en keerde terug. Nay was voortgedrongen door de zeestraat bezuiden Waigatsj, die hij »Straat Nassau” noemde, zeilde de Kara-Zee in; en meenende dat hij het open vaarwater naar China al gevonden had, keerde hij met blijde tijding naar het vaderland terug, tegelijk met Barentz, dien hij op den terugweg ontmoette. Na een mislukten tocht in 1595, werd in 1596 door de stad Amsterdam een derde tocht uitgerust onder Jacob van Heemskerk, Willem Barentz en Jan Cornelis Rijp. Op dezen tocht ontdekten onze zeevaarders Spitsbergen, ’t welk zij voor Groenland hielden en zeilden westelijk op tot 79° 30′; maar al spoedig gingen de twee schepen elk zijn eigen weg. Rijp wilde rechtstreeks naar het oosten doordringen, Barentz Novaja Zemlya aandoen. Rijp keerde onverrichter zake naar het vaderland terug. Barentz bereikte zijn doel en voer de Westkust van Novaja Zemlya in noordelijke richting langs en de Noordkaap om. Toen hij verder oostwaarts op wilde, werd hij door het drijfijs genoopt aan de Oostkust van het eiland een bocht binnen te loopen, waar hij overwinterde. Hier verduurden de reisgenootende bitterste koude. ’t Was de eerste poolwinter die door Europeanen werd doorgebracht. Eén der tochtgenooten, Gerrit de Veer, heeft al dit lijden beschreven, en niemand zal zonder aandoening het eenvoudig en verheven naieve verhaal dezer overwintering lezen. Zij bouwden zich een houten hut, het zoogenaamde »Behouden Huijs”, sleepten er in, wat hun dienstig kon zijn, rookten er hun pijp, aten er hun smakeloos geworden proviand of de met levensgevaar geschoten beren, maar verloren, onder al hun kommer, hun goeden luim niet, al zaten zij ook acht maanden lang in duisternis en al hoorden zij ook niets dan het doffe, sombere gehuil van den storm. De ontbering klom dag aan dag. Eindelijk, den 14denJuni, braken de reizigers in twee open booten, die zij zelven gebouwd hadden, door het ijs, zeilden de open zee in en ontmoetten Rijp, die in November met hen in het vaderland terugkwam.Den 20stenJuni was Barentz overleden, het oog op de kaart en de plannen van den terugtocht met zijne mannen besprekend. »Mij dunkt, het zal met mij niet lang duren!” Zoo sprak eenige oogenblikken voor zijn dood de moedige man, man niet van woorden, maar van daden, eenvoudig in zijn plichtsbetrachting en in zijn sterven. ’t Leek dit kloeke geslacht volkomen natuurlijk, dat het tot in Juni schip en lading in het ijs bleef bewaken en zijn leven er voor zette. Het sterft niet als een held in melodrama, maar gaat stil daarheen in de groote rust, held door moed, en nog eens held door zijn eenvoud.Bij het vertrek uit het »Behouden Huijs” had Barentz een stuk opgesteld, een klein cedelken, waarop echter meer stond dan in menig boek. Het bevatte het korte verhaal van de lotgevallen der reisgenooten. Men deed het in een kruithoorn en hing het op in den schoorsteen, »op avontuer offer yemant na hen quame, dat dien weten mocht, wat hun bejegent was en hoe ’t hen gegaan hadde.”Barentz’ Behouden Huijs bleef op het strand van de IJshaven niet minder dan 278 jaren verlaten en onopgemerkt staan. Doch den 7denSeptember 1871 kwam er »yemand na hen”,—het was de Noorsche kapitein Carlsen. Hij vond de overblijfselen van het huis nog overeind staan, de slaapplaatsen, de hollandsche klok, hellebaarden, musketten, tafelgereedschap, alles, zooals de Veer het beschreven had. Met eerbied trad de Noor de eenzame hut binnen, waarboven zooveel storm was heengegaan, waarbinnen zulke moedige en trouwe harten geklopt hadden. Carlsen nam eenige zaken mee, die door een Engelschman, later door het Nederlandsche gouvernement, werden overgenomen. Vijf jaren later kwam Charles Gardiner, een Engelschman, op Nova Zemlya en bracht een tweede lading voorwerpen mee, die de edelmoedige vinder aan ons land ten geschenke gaf.Thans prijken deze onwaardeerbare overblijfselen in den Haag, in de modelkamers der koninklijke marine, blijvende lijdens- en zegeteekenen van ons voorgeslacht, blijvende vingerwijzingen voor het nageslacht.In den aanvang van de zeventiende eeuw zeilde een engelsch zeevaarder, Henry Hudson genaamd, met een klein vaartuig de Oostkust van Groenland langs, en kreeg een deel van Spitsbergen, door hem Nieuw-Land genaamd, in het gezicht. In Amerika ontdekte hij de rivier en de baai die thans zijn naam dragen. Ontzettend was zijn levenseinde. Hij was nauwelijks een nieuwe baai van Noord-Amerika ingevaren, of, ten gevolge van den langen duur der reis, begonnen de levensmiddelen te ontbreken. Het scheepsvolk kwam in opstand en de kapitein werd, met zijn zoon en een paar matrozen, in een sloep aan de golven prijs gegeven. Men heeft nimmer iets van de ongelukkigen vernomen, die laaghartig verzaakt en verraden werden.Wie kent den naam niet van John Franklin en ten minste niet eenigszins zijn treurige geschiedenis? In 1800 bij de engelsche marine in dienst getreden, woonde Franklin onder Nelson den zeeslag bij Koppenhagen bij en nam deel aan een onderzoekingstocht in Australië, op welken hij in 1803 bij een schipbreuk dreigde om te komen. Bij Trafalgar streed hij met moed en beleid. In 1804 werd hij gewond bij het beleg van Nieuw-Orleans, hetwelk door Jackson met heldenmoed verdedigd werd. Sinds 1818 wijdde Franklin zich aan de Noordpoolvaart, en in 1819 deed hij, in gezelschap van Richardson, Hood, Back en Hepburn, te voet en onder ongehoorde ellende, een verkenningstocht langs het Noorderstrand van Amerika, en wel over een lengte van niet minder dan 900 kilometers.Facsimilé van het cedelken van Barentz. Blz. 23.Facsimilé van het cedelken van Barentz. Blz. 23.De moedige reizigers vorderden niet dan langzaam over de uitgestrekte sneeuwwoestijnen, die hier en daar door diepe ravijnen doorsneden werden. Zij waren zoo uitgeput, dat sommigen er het bewustzijn bij verloren. Back werd met drie man vooruitgezonden, om de hulp in te roepen van de bezetting van het fort »Enterprise”, bij het Slavenmeer. Ondertusschen toog ook Franklin, die zich hersteld gevoelde, met de rest der tochtgenooten verder voort door de sneeuw. Hij kon daags maar 5 of 6 mijlen vooruitkomen. Twee mannen van Canada bezweken en men deelde onder elkander de schoenzolen. Richardson, een engelsch matroos en een der Iroqueezen, die deel namen aan den tocht, moesten in een tent achterblijven. Franklin zette zijn wanhopigen tocht voort. Eindelijk kreeg men het fort in het gezicht. Helaas! het was ontruimd geworden, en er was niets te vinden. Zoo vervloog alle hoop, op het oogenblik waarop de moedige onderzoekers zich gered waanden. Zij zagen elkander aan en zonder te spreken barstten de helden in tranen uit. Met drie man bleef Franklin in het fort en kookte soepvan eenige beenderen, die onder een hoop vuilnis waren achtergelaten. Twee dagen later zag hij dokter Richardson met den matroos Hepburn naderen, die onder weg vernomen hadden, dat de Iroquees Michel den heer Hood had vermoord en die nu op hun beurt den Iroquees hadden gedood. Zoo voegde zich ook nog de misdaad bij alles wat zij leden: honger, kou, ellende en verlatenheid! Den 1stenNovember stierven nog twee Canadeezen. Eindelijk, op den 7denNovember, terwijl Franklin zich reeds trachtte te gewennen aan het denkbeeld, dat hij met het overblijfsel zijner tochtgenooten van honger zou moeten sterven, zie, daar kwamen Indianen aan, beladen met overvloed van levensmiddelen, gezonden door den heer Back. Men moet in het verslag van Franklin’s reis het eenvoudig en hartverscheurend verhaal en dezen ganschen tocht lezen, om den moed, de grootheid van ziel, de zelfverloochening te bewonderen, bij dit alles toen ten toon gespreid—neen, in het verborgen geofferd. En wil men weten wat deze mannen waagden, dan moet men zich eenigszins een voorstelling kunnen maken van de kusten van Noord-Amerika, zooals die toen ter tijde waren.Een engelsche Maatschappij, ruilhandel willende drijven met de Esquimo’s, had zich in deze gewesten gevestigd, in ellendige houten hutten, boven welke de engelsche vlag woei. De verschillende posten van deze maatschappij bevonden zich hier en daar langs die onmetelijke keten van meren, die zulk een eigenaardig karakter leenen aan dit gedeelte van Noord-Amerika. Sneeuw, koude, al de ongenade van het Noorden, heerschen hier in deze groote ijswoestenijen. Hier hadden Franklin en de zijnen soms niets anders dan watpemmicante eten, een soort van geperst vleesch, dat zij, om den maag te vullen, gebruikten met een soort van mos. Hoe is het mogelijk dat mannen, die eens zulke martelingen hebben ondergaan, zich ten tweedemale aan zulke gevaren wagen! Maar Franklin behoorde tot die menschen, die zich door niets laten afschrikken.In 1825 ondernam Franklin een tweeden en vruchtbaarder tocht. In 1845 waagt hij zich nog eens in de onbekende oorden en raakt verdwaald of gevangen te midden van ijsbergen, die hem den weg versperren. Althans hij is in 1845 voor altijd verdwenen. Men weet met welk een toewijding, welk een bezorgdheid, welk een onvermoeide volharding Lady Franklin, gesteund door haar land, achtereenvolgens een gansche reeks van onderzoekingstochten heeft uitgerust ter nasporing van haar man. Heldhaftige pogingen zijn in het werk gesteld om hem te vinden, maar zij zijn te vergeefs geweest. Eerst in 1857 en 1859 heeft men op Koning Willems Land de lijken en andere overblijfselen van de moedige mannen mogen vinden.Franklin was een man van grooten moed, maar ook van grootegoedheid. Zijn vriend Parry zeide van hem: »’t Was een man die het gevaar nimmer den rug toekeerde en daarbij zulk een week hart had, dat hij geen mug zou dooden.”Op dergelijke wijze is de Franschman Jules de Blosseville verdwenen en omgekomen. In 1833 scheepte hij zich in opla Lilloise, waarmee hij als commandant de reis naar Groenland deed. Hij teekende de kaarten van het zuidelijk gedeelte van dit land, waar hij bovendien belangrijke waarnemingen deed ten opzichte van den magneet. Het laatste wat men van hem vernomen heeft is, dat hij, door het ijs gedwongen, ergens te Vapna Fjord was binnen gevallen. Men heeft noch van hem, noch van zijne bemanning ooit iets vernomen of een spoor gevonden.Van de Noordpoolstreken, met hun eeuwigdurend ijs en sneeuw, met hun eeuwig grijs en wit, hun kou en hun klappertanden, naar Afrika’s tropische gewesten, met hun bonten dos en weelderigen groei en stikkende hitte, is zeker een geduchte overgang. Maar de menschelijke onderzoekingsgeest en moed vinden wij er op gelijke wijze vertegenwoordigd.Een der eersten, die Europa verlaten heeft om de streken van Midden-Afrika te onderzoeken, is René Caillé geweest. Hij werd in 1799 te Maugé, in Frankrijk, geboren. Spoedig wees, werd hij door een oom opgevoed en naar school gezonden. Op vijftienjarigen leeftijd viel hem een exemplaar van Daniël de Foe’s »Robinson Crusoe” in handen, en dit boek wekte zijn verbeeldingskracht in zulk een mate op, dat de zucht naar avonturen en reizen hem geen rust liet. Zijn levensroeping was gevonden, zijn toekomst afgebakend. Hij had hooren zeggen en gezien dat de kaarten van Afrika groote oningevulde vakken toonden, waar landen lagen, die nog ontdekt moesten worden. Hij was 16 jaar, hij had 60 francs op zak—en vertrok.Te Rochefort lagen twee schepen gereed, deLoireen deMedusa, beiden naar Senegal bestemd. Had hij zich op deMedusaingescheept, hij zou met zoovele anderen omgekomen zijn bij een der vreeselijkste tooneelen, die de zee ooit heeft opgeleverd. De schipbreuk derMedusabehoort tot die verschrikkingen, die niet licht uit het geheugen der menschen zullen verdwijnen.Op deLoirekwam Caillé goed en wel te Senegal. Hij trok naar Saint Louis, bezocht Guadaloupe en nam als vrijwilliger deel aan den tocht van Partarrieu door de gewesten van Gjolof, Foutah en Bondoe. Hierna kwam Caillé naar Frankrijk terug, om zich te laten genezen van de koorts. Maar nauwelijks was hij de schade, door zijn ondernemingszucht aan zijn gezondheid toegebracht, te boven, of hij vertrok weder naar Senegal en bood baron Roger zijne diensten aan. Roger was een groot bevorderaar van ontdekkingsreizen.Niet zonder moeite kreeg Caillé eenige koopwaren mede en met dezen begon hij te reizen onder de Mooren van den stam Berâkerah. Al verder dwalende, van kamp tot kamp, kwam hij na 8 maanden meer dan 200 kilometers ten noordwesten van Polos. Nauwelijks was hij te Saint Louis terug of hij ondernam een reis naar Tomboctoe.René Caillé was geen man van aanzien en had evenmin aanbevelingsbrieven in zijn zak. Zijn persoon boezemde het vertrouwen in, dat ieder avonturier zou inboezemen. ’t Was te vergeefs, dat hij om nieuwe koopwaren vroeg. Men weigerde hem zelfs een paspoort naar de engelsche nederzettingen van de Gambie. Van ontmoediging wist deze kloeke volhouder niet. Hij vertrok te voet, bereikte Gorea Sierra Leone en wendde zich tot den gezaghebber van Freetown. Na de vernedering eener nieuwe weigering te hebben ondervonden, werd Caillé nu koopman in indigo, nam het arabisch kostuum aan, gaf zich uit voor een jong Egyptenaar van Alexandrië, en ondernam gansch alleen, zonder hulp, zonder bescherming, zonder andere hulpmiddelen dan die van zijn eigen geestkracht en wil, een tocht, waarvoor zoovele andere reizigers met de beste aanbevelingen en hulpmiddelen waren teruggedeinsd.René Caillé vertrok den 19denApril 1827 van Kakouty en werd spoedig vergeten. Maar omstreeks het midden van het volgende jaar werd de geleerde wereld door een belangrijk feit in beweging gebracht. Een Franschman, die te Toulon ontscheept was, was doorgedrongen in de nog onbezochte en geheimzinnige streken van Midden Afrika. Hij kwam van Tomboctoe. ’t Was Caillé. Zijn aankomst was een ware gebeurtenis. Ieder ondervroeg den reiziger, die geheel op zich zelf dit groote vraagstuk der landontdekking had opgelost, en het Aardrijkskundig Genootschap van Parijs kende hem den prijs toe, bestemd voor den reiziger, die Tomboctoe zou hebben bezocht. Toen men vernam op welke wijze Caillé er in geslaagd was zulke uitkomsten te verkrijgen, werden zijn moed en volharding om het zeerst geroemd—wat zij verdienden. Na het land van Inanke, Touta, Gjalo, Baleija en Amana te zijn doorgetrokken, was hij den Niger overgestoken, wat nog niemand gedaan had, en zoo in onbekende streken gekomen te midden van negerstammen, bij welke hij vijf maanden verblijf hield. Hij leed de vreeselijkste smarten. Het vreemde, ongezonde en karige voedsel, dat hij gebruikte, deed hem scheurbuik en koorts krijgen; hij verloor een paar beenderen uit het verhemelte, doch kwam alleen door zijn groote wilskracht en zijn sterk gestel dit alles te boven. Den 9denJanuari 1828 had Caillé zijn gezondheid herkregen, en zocht nu langs een geheel nieuwen weg den Niger op bij Gjeny. Na een maand lang duizend gevaren te hebben doorgestaan, kwam hij te Tomboctoe aan. Maar om terug te keeren wilde hij de woestijndoor. Ondertusschen tot ellende, ja tot den bedelstaf vervallen, schoot hem niets anders over dan zich bij een karavaan aan te sluiten en een paar maanden lang ten doel te staan aan allerlei smaad en kwade bejegening.In Frankrijk teruggekomen, kreeg hij zijn verdiende loon. Hij werd ridder van het legioen van eer; het verhaal zijner wonderbare reizen werd op last van het gouvernement uitgegeven, en men bezorgde hem een jaargeld en een ambt bij de administratie van het land van den Senegal. Maar zijn rust en glorie duurden kort. De ziekte die hij in Afrika had opgedaan, greep hem met dubbele woede aan en maakte hem tot een martelaar te meer van den grooten arbeid der ontdekking. Hij overleed op negen-en-dertigjarigen leeftijd, op den 17denMei 1838.Wij slaan een paar andere Franschen over, Mage en Quintin, die omstreeks de jaren 1860–1869 zich verdienstelijk gemaakt hebben door hunne onderzoekingen tusschen den Niger en den Senegal, van welke de eerste bij zijn terugkomst schipbreuk leed en met al zijne medeschepelingen in de golven omkwam. Wie verhaalt wat zij te lijden hadden van het klimaat en van de inboorlingen, en welke offers zij gebracht hebben aan hun zucht om het onbekende land te verkennen?Maar grooter mannen wachten ons, mannen, die omdat zij beter geslaagd zijn dan anderen, ook grooter plaats innemen. David Livingstone behoort zeker onder deze gerekend te worden. Hij speelt de hoofdrol op het tooneel der aardrijkskundige onderzoekingen en is tevens een der edelste karakters onzer nieuwe beschaving, een voorbeeld van toewijding zoowel waar het de wetenschap als waar het de menschheid geldt. Livingstone werd den 19denMaart 1813 te Blantyre in Schotland geboren. De beroemde reiziger heeft zelf zijn leven beschreven en spreekt met trots van zijne voorvaderen, die de eer van het geslacht nimmer verzaakten. »Wees eerlijk!” was hun devies en het was het zijne. Maar hij was meer dan het devies van hem eischte: hij was edelmoedig, hij was goedhartig en groot door de kracht van zijn wil. Van zijn tiende jaar af moest David Livingstone met zijn arbeid voorzien in de behoefte van het gezin, waartoe hij behoorde. Hij deed het nederige werk van een arbeider in een katoenfabriek te Blantyre. Des avonds wijdde hij zich aan zijne studiën. Overdag legde hij zijne boeken geopend in zijn nabijheid, en bij het dreunen der machines las hij wat hij er van lezen kon. »Hieraan”, zegt hij, »dank ik het vermogen om mij gansch en al te onttrekken aan al het leven, dat men om mij heen maken mag, en rustig te zitten lezen of schrijven te midden van spelende kinderen of wel van een troep dansende en huilende wilden.”David Livingstone.David Livingstone.Hij was reeds negentien jaar en nog was hij maar wever opeen fabriek. Zijn loon, dat ondertusschen wat verhoogd was, stelde hem in staat, ’s avonds een zekeren cursus van geneeskunst en godsdienst bij te wonen. Hij werd een door en door godsdienstig man, met een kloek, mannelijk, gezond geloof. Zijn vaderland droeg hij een innige liefde toe en niets kwam hem zoo benijdbaar voor als zich toe te wijden aan de leniging van menschelijke ellende. Ondertusschen promoveerde hij, na volhardende studie, in de genees- en heelkunde.Livingstone had deze kennis opgedaan, met het doel haar dienstbaar te maken aan het heil der Chineezen, onder wie hij als zendeling en geneeskundige arbeiden wilde. Hij bood zijne diensten aan bij het zendingsgenootschap te Londen, juist op denzelfden tijd waarop Moffat in Engeland terugkwam, na lange jaren onder de Afrikanen te hebben doorgebracht. Livingstone won goeden raad in bij dezen uitnemenden zendeling, en ondernam op den leeftijd van zeven-en-twintig jaren een zendingstocht naar Afrika.Na een lange zeereis gemaakt te hebben, landde hij aan de Kaap, waar hij eenige jaren doorbracht en met Moffat’s dochter in het huwelijk trad. Een waardiger levensgezellin, een vrouw met meer moed, liefde en toewijding, zou hij nergens gevonden hebben. Livingstone drong tot het land der Bechuranas door, een volkje dat nog door niemand bezocht geworden was. Van den aanvang van zijn nieuwe loopbaan af nam hij zich voor de europeesche levenswijs vaarwel te zeggen en zich tegen alle vermoeienis te verharden. Zoo ondernam hij een reeks van reizen, van meer dan 130 kilometers lengte, ’t zij te voet, ’t zij in een met ossen bespannen wagen. De inboorlingen hadden hem eerst uitgelachen wegens zijn weinig indrukwekkend voorkomen. »Hij is zwak,” zeiden zij, »hij houdt het niet lang uit.” Maar Livingstone, die dit oordeel gehoord had, reisde met versnelden pas voort, en dwong zijne reisgenooten te volgen, die weldra eerbied kregen voor zijne kracht en volharding. Een gevecht met een aantal leeuwen, die voor zijne geweerschoten op de vlucht gingen of gedood werden, maakte bovendien een diepen indruk. Een dezer dieren greep hem bij den bovenarm en verminkte dien zoo, dat het den reiziger na dien tijd steeds moeielijk viel het geweer te schouderen, en na zijn sterven zijn lijk herkend werd aan de sporen, die van de wonden overgebleven waren.Eerst in 1849 besluit Livingstone naar het Noorden van Afrika te trekken. Met de heeren Murray en Oswel volgt hij de Zoega en bereikt het Ngami-meer, na een afstand van 4800 kilometers te voet afgelegd te hebben.In 1851 waagt Livingstone zich in de nog niet doorreisde gewesten van de Mekalodo. Hij trekt door Sebitoane, de hoofdplaats van dit gebied, dringt dieper door en staat versteld van deschoone natuurtooneelen, die zich voordoen aan zijn oog: weelderige landouwen, besproeid door rivieren en stroomen, rijke, vruchtbare dalen en schoone meren, bewoond door een rustige, nijvere bevolking. Nu gaat het van ontdekking tot ontdekking. Na groote gevaren, ongehoorde vermoeienissen, steeds nieuwe krachtsinspanning, komt hij in 1852 aan de Westkust van Afrika, te Saint-Paul de Loanda, een portugeesch station. Hoe voortvarend ook, hier moet hij een tijd lang vertoeven en uitrusten van zijn vermoeienissen. Hij wordt ernstig krank, en maanden lang strijdt hij met den dood. Maar het leven behoudt de overhand, hij herstelt en zijne klachten keeren weder. Maar in plaats van nu zich zelven te sparen en op rust te zinnen, vat hij onmiddellijk zijne oude reisplannen weder op. Hij wil Afrika in zijne gansche breedte doorreizen, vat den tocht moedig aan en komt in 1856 te Quilimane aan Afrika’s Oostkust.Na dezen prachtigen zegetocht komt Livingstone rijk aan ontdekkingen in Londen terug. Overal juicht men hem toe en de gouden eerepenningen van de Aardrijkskundige Genootschappen, zoo van Parijs als van Londen, worden hem toegekend. Het verslag van deze reis heeft Livingstone zelf opgesteld onder den titel van »Zendingsreizen en onderzoekingen van Zuid-Afrika.”Na dit boek afgewerkt te hebben, trekt hij weder naar het Zuiden en gaat op nieuwe ontdekkingen uit. Zijn reis naar de Zambesi zal steeds merkwaardig blijven. Verrassing op verrassing valt den reiziger te beurt bij de talrijke stroomen, die deze rivier voeden, en de merkwaardige streken, die er door worden besproeid. Maar dit vruchtbare land werd voor Livingstone een plaats der beproeving. Hij verloor er zijn trouwe en moedige vrouw, die de kracht en den moed gehad had zijn levensgezellin en reisgenoote te zijn.Na op nieuw naar Engeland te zijn teruggekeerd, wil hij de bronnen van de Zaïre zoeken, en hij verlaat zijn vaderland om het nimmer weder te zien.Weder nieuwe veroveringen! Hij is in geheimzinnige oorden verdwenen, maar wordt door Stanley, den kloeken verslaggever van de New-York Herald te Oudjidji, bij het meer Tanganyika, wedergevonden. Stanley biedt hem de noodige hulp en geeft der wereld bericht aangaande den moedigen onderzoeker. Zijn krachten zijn uitgeput. Toch acht hij zijn taak niet volbracht en wil hij die ten einde toe afwerken. In 1872 verdwijnt hij, en meer dan een jaar verloopt er, voor men iets van hen verneemt. Eindelijk weerklinkt plotseling het bericht dat hij niet meer is, en gansch Europa, dat het oog op hem gevestigd hield, verschrikte bij de mare.Een dezer dieren greep hem bij den bovenarm. Blz. 31.Een dezer dieren greep hem bij den bovenarm. Blz. 31.In het eind van April 1873 was de groote reiziger juist de moerassen doorgetrokken, die de Loeapoela van het bergvlak van Lobisa scheidt, toen de noodzakelijkheid hem dwong aldaar te blijven.Zijn geest was onvermoeid, maar zijn gestel was ondermijnd, zoo door koorts en dyssenterie als door vijfentwintig jaren van afmattenden arbeid en ontbering. Den 4denMei van genoemd jaar blies hij, omringd van eenige getrouwe dienaren, op het bergvlak van Lobisa den laatsten adem uit. Hij was 57 jaren oud.De vierde expeditie die ter opsporing van Livingstone was uitgezonden, kwam ongeveer een maand vóór zijn dood te Zanzibar aan. De luitenants Cameron en Murphy en dokter Dillon, die den tocht leidden, namen zijn lijk in ontvangst. Den 16denApril 1874 werd het op engelschen bodem ontscheept. Naar London overgebracht, werd het door William Fergusson onderzocht en het been van den bovenarm, dat voor dertig jaren door leeuwentanden was gekneusd, stelde den dokter in staat, de indentiteit van de kostbare overblijfselen te bewijzen.Op Zaterdag 18 April 1874 bereikte het lijk, te midden van een ontelbare en eerbiedig gestemde menigte zijn laatste rustplaats, de abdij van Westminster.Wanneer men de vorderingen nagaat, die de wetenschap aan Livingstone dankt, wordt men van bewondering en eerbied vervuld. Vóór hem bestond er in Afrika een gansch onbekende oppervlakte van niet minder dan 3 millioen vierkante kilometers. ’t Was een eenvoudigen jongen werkman van Glascow voorbehouden er de bakens te planten voor de groote wegen der toekomst en er te arbeiden aan de bevrijding der inboorlingen, voor welke hij zoo goed als een profeet en weldoener was.Zijn dood is voor de gansche maatschappij een waar verlies geweest. Niet elken dag ontmoet men zulke uitverkorenen, die alle deugden bezitten en te gelijk alles durven, en maar al te zelden gaat inspanning, strijd, doodsverachting en ontbering gepaard met een toewijding, die alleen het belang van de wetenschap en de menschheid op het oog heeft.Afrika is het tooneel geweest van de grootste zelfopoffering en toewijding op het punt van landontdekking. Daar zijn: Mungo Park, vermoord of verdronken te Bousa aan den Niger, in 1805; Nightingale, overleden aan de koorts, 1841; Duranton, overleden in 1843; Eduard Vogel, verraderlijk vermoord in 1856 door den sultan van Ouadaï; en wij mogen onder degenen, die zich op dit gebied verdienstelijk hebben gemaakt, ook één onzer landgenooten tellen en dat wel een vrouw: de welbekende freule Alexandrina Tinne. Het reizen was van haar kindsheid af haar element. Haar vader bekleedde ambten in Engeland en Suriname, was koopman te Liverpool, en reisde sinds 1842 met zijn vrouw en zijn zevenjarig dochtertje Europa door. Na den dood van den heer Tinne zetten zijn vrouw en haar dochter het reizend leven voort. Zoo trokken zij samen in 1853 naar Spanje, Noorwegen, Italië, Egypte, Palestina en Nubië. Hiervond Freule Tinne het terrein, waarop zij zich te huis gevoelde. Afrika had haar steeds aangetrokken. »Zij vloog er heen als een vlinder in de kaars”, zoo zeide zij. Helaas, zij zou er zich de vleugels zengen. Doch vóór haar dood zou zij eerst den slavenhandel zoeken te keer te gaan en onbekende streken bezoeken, de wetenschap aan menschenliefde parende. Zij doorkruiste het Noorden van Afrika, zij volgde den Nijl; waar was zij niet?Haar moeder bezweek in 1862, maar haar geest hield stand. Eindelijk zou zij een lievelingsdenkbeeld verwezenlijken. Zij zou de Algerijnsche Sahara door, en tot in het hart van Afrika dringen. Daar, waar haar als kind reeds de ledige plek op de kaart zoo gehinderd had, daar wilde zij heen. Eens mislukt de tocht. Zij keert na een zware en moeielijke reis van Marokko naar Alexandrië en Egypte terug. Maar zij geeft het niet op, zij wil naar de Toearegs en Bornoe. Zij trekt er heen met een gezelschap Arabieren, negers, Soedaneezen en twee blanken. De afpersingen der Toearegs deden meer dan eens oneenigheid ontstaan in de karavaan, en toen de eischen der gidsen en der roovers, die zich bij het reisgezelschap aansloten, niet meer konden worden ingewilligd, werden de Hollanders met freule Tinne jammerlijk vermoord. Freule Tinne gaf op al hare reizen blijk van grooten moed, van onvermoeiden onderzoekingsgeest. De eene tocht was nog niet afgeloopen of de andere werd uitgerust. Een werk, »Plantae Tinneanae”, waarin de tropische planten worden beschreven, die zij verzamelde, blijft getuigen van haar wetenschappelijken zin, en in het hart van menige vrijgekochte, ja, bij allen, met wie zij in aanraking kwam, zal zij blijven leven om haar liefde en haar groot karakter.Niet alleen het ijs van de Noordpool en de zandwoestijnen van Afrika, neen, ook andere streken zijn getuigen geweest van wat ondernemingsgeest en dorst naar kennis vermogen. Overal lokt het onbekende den mensch aan, ja het schijnt hem toe te wenken dat hij zal komen en zich zelven zal offeren.Op Aziatischen bodem stierf Francis Garnier. Officier der Fransche marine was hij tevens een der stoutmoedigste voorgangers en wegbereiders in vreemde gewesten.Na van 1866–1868 aan het hoofd eener Fransche expeditie Achter-Indië doorreisd en later bij het beleg van Parijs met zijne mariniers onvergankelijke lauweren te hebben behaald, trok hij op last van het Fransche Gouvernement naar het rijk der Annamieten en wel naar Tong-King, ten einde, zoo mogelijk, de rivier de Bo-Ve van de zee af tot de grenzen van de Yun-Nan voor den franschen handel te openen. Hij had de beschikking over een kanoneerboot met zes en vijftig koppen en dertig infanteristen en mariniers. In October 1873 verliet hij Saigon en kwam in Kua-Kam. De annamitische hoofden en de mandarijnen ontvingen hem met blijkbarentegenzin en namen straks alle mogelijke, ook de leelijkste, middelen te baat, om zich van hen te ontdoen. Garnier begreep dat hij iets doen moest om de Annamieten eerbied in te boezemen en nam met niet meer dan 180 man de Citadel van Ha-Noi in, die door 7000 man werd verdedigd. Dadelijk daarop nam hij het geheele eiland Tong-King in bezit. Eenigen tijd later echter werd hij zelf in de vesting Ha-Noi belegerd en, bij gelegenheid van een uitval, gestruikeld zijnde laaghartig vermoord en onthoofd.De eer van het eerst Australië te hebben betreden, komt aan de Nederlanders toe, die het dan ook Nieuw Holland doopten.In 1642 zeilde Abel Tasman het »groote Zuidland” om, zooals het ook werd geheeten, en ontdekte van Diemens Land, zoo genoemd naar den toenmaligen gouverneur van Neerlands Indië. Eerst in 1770 verscheen er weder een landontdekker van naam, de beroemde Engelsche zeereiziger James Cook. Hij bereikte het eiland aan de oostelijke kust, waar het zoo goed als geheel onbekend was.James Cook werd in 1728 te Morton in Engeland geboren. Hij was de negende spruit van een boerenknecht, werd achtereenvolgens winkelbediende en scheepsjongen en leerde zichzelven de beginselen van het teekenen, de mathesis en de sterrekunde. Drie malen deed hij de reis om de wereld en telkens bracht hij een oogst van nieuwe ontdekkingen mee. Op zijn eerste reis, in 1768, was hij vergezeld van twee geleerden, Banks en Solander, die op Otaiti den doorgang van Venus voorbij de zon zouden gadeslaan, en deed hij een verkenningstocht langs de kust van Nieuw-Zeeland.Cook kwam over de Oost-Indiën naar Europa terug en het Zuiden van Australië omzeilende, dreigde zijn schip, deEndeavour, te stranden. Cook trad echter behouden aan land, nam de kust namens koning George III in bezit en noemde het gebied »Nieuw Wales”.Na zijn tweeden tocht, een reis van drie jaren, volbracht te hebben, werd hem opgedragen een nader onderzoek in te stellen naar de landen van Australië. Twee schepen werden te zijner beschikking gesteld, deResolutionen deAdventure. Hij ontdekte Nieuw-Caledonië, na eerst de Nieuwe Hebriden te hebben bezichtigd, en bracht een aantal belangrijke wetenschappelijke mededeelingen mee over de streken, die hij bezocht en de inwoners, dieren en de planten, die hij er gevonden had.In 1776 zeilde hij voor de derde maal uit. Nu gold het de vraag, of er, door het Noorden van Amerika heen, een weg bestond van Europa naar Azië. Hij maakte een reis om de nieuwe wereld, bereikte de Noordwestkust van Amerika en zocht nu door de Behringstraat de Hudsonsbaai te bereiken; maar een groote ijsvlakte stelde zich in den weg der reizigers, zoodat zij terug moesten keeren. Cook ging weder langs de kust van Amerika, begaf zich naar deSandwich-eilanden, om er te overwinteren, bereikte Owahaï en liet in een der baaien van dat eiland het anker vallen. Helaas, hij zou het er niet weder lichten.Cook en zijne reisgezellen knoopten al spoedig betrekkingen aan met de inboorlingen. Nooit nog, zoo verklaarde de groote zeevaarder, heb ik wilden gevonden, die zoo weinig wantrouwend en zoo vrijmoedig waren als deze. Zij zonden de waren, die zij verkoopen wilden, naar de schepen, en kwamen vervolgens zelven op de schepen om den prijs te bepalen. Ook moet tot hun eer gezegd worden dat zij bij dezen ruilhandel geen enkele maal hebben gepoogd de Engelschen te bedriegen.Maar dit vriendschappelijk verkeer zou spoedig door twist en strijd worden afgebroken. De inboorlingen wapenden zich met steenen en zochten hunne landgenooten te verhinderen de Engelschen, bij het inschepen hunner gevulde watertonnen, bij te staan. Cook liet vuren; maar nu volgde er zulk een jacht van steenen, dat de Engelschen op de vlucht gedreven werden, die al zwemmend zich in veiligheid zochten te brengen, terwijl de eilanders den sloep vermeesterden. Cook, vreezende dat zijn gezag een al te gevoeligen knak zou krijgen, besloot den volgenden dag aan land te gaan en den koning met de voornaamste hoofden des lands gevangen op het schip te brengen en hen als gijzelaars bij zich te houden, zoolang totdat de sloep zou zijn teruggegeven. Nauwelijks echter was hij geland, of hij zag zich met de zijnen van wilden omringd; weder dreigden zij, en Cook schoot er een neer; maar nu volgde een groote verwarring. De wilden gunden de Engelschen den tijd niet hunne geweren te laden, zij vielen op hen aan, zoodat Cook hun ried ordelijk terug te trekken. Hij zelf stelde zich tusschen zijne makkers en den vijand; zoo lang hij hen in het oog hield, durfden zij hem niet aan, want zij hadden een bijgeloovige vrees voor hem; maar nauwelijks had hij zich omgekeerd, om aan de manschappen zijne bevelen te geven, of hij werd met een dolk in den rug getroffen, en zonk neder met het aangezicht in de zee. Nu zetten de eilanders het op een schreeuwen en juichen, en koelden hun woede aan het deerlijk verminkte lijk van den moedigen zeeheld, die stierf op het veld van eer.Na Columbus is Cook zeker de meest gevierde en geliefde zeereiziger. Geen wonder, Cook was als geschapen voor de roeping, die hij volgde. Hij had een herculische lichaamskracht, zijn geest en karakter waren als uit metaal gegoten, en zijn koelbloedigheid evenaarde zijn geestdrift en zijn ijvervuur. Cook had een buitengewone lengte. Hij mat 1 meter en 79 centimeter. Zijn gelaat was streng van uitdrukking. Hij was stilzwijgend, gehard en hardvochtig; maar rechtvaardig in den hoogsten graad.De groote Stille Zuidzee heeft nog meer martelaars aan tewijzen. La Perouse, een fransch zeeofficier, werd omstreeks 1780 door zijn regeering uitgezonden, om de reizen van Cook voort te zetten en een doorvaart te zoeken langs het Noorden van Amerika. Met De Langle zou hij ongekende oorden verkennen, een onderzoek instellen naar de walvischvangst in het Zuiden, en naar de pelterijen in het Noord-Westen van Amerika, de nog weinig bezochte Westkust van dit werelddeel bezoeken, de zeeën van China en Japan bezeilen, Australië aandoen, en in al die streken planten en metalen zoeken, de inboorlingen bestudeeren, handelsverkeer openen.Twee fregatten, deBoussoleen deAstrolabe, lagen te Brest gereed. La Perouse zou over het eerste, De Langle over het andere bevel voeren. La Perouse vaarde kaap Horn om, zeilde noordwaarts op naar den berg van St. Hélie en ontdekte onder anderen de baai van Monti. Verder ging het langs de Sandwich-eilanden naar de Filippijnsche eilanden, naar Japan en de Oostkust van Azië. Daar werd De Langle, wijl hij de schepen van versch regenwater liet voorzien, bij het instappen van den sloep door prauwen met inboorlingen omringd, die hem met knuppelslagen vermoordden. Robert de Paul Lamanon, die als natuurkundige de reis medemaakte, werd met elf matrozen aan zijne zijde gedood.La Perouse verliet dit noodlottig oord en landde den 26stenJanuari 1783 te Botany-baai. Hij schreef een langen brief aan den minister van marine, waarin hij den uitslag zijner ontdekkingstochten en het verlies zijner reisgenooten mededeelde, met bericht dat hij naar Frankrijk onder zeil ging.Dit was la Perouse’s laatste brief. Men hoorde niets, noch omtrent hem zelven, noch omtrent zijne schepen, totdat in 1826 de engelsche zeekapitein Peter Dillon op de klippen der Hebriden de overblijfselen vond der schepen, met een paar kanonnen en ankers. Dit was alles, wat van deAstrolabeen deBoussoleoverig was; maar ’t waren welsprekende getuigen van het vreeselijk einde van dezen roemruchtigen zeetocht.Doch wij willen naar Australië terugkeeren. Een duitsch onderzoeker, Leichardt, vatte in 1848 het plan op de binnenlanden te bezoeken van het vasteland van Australië. Eerst slaagde hij er in, dit onbekende land in noord-westelijke richting te doorsnijden, daarbij een weg afleggende van 3000 kilometers. Hierdoor aangemoedigd, vatte hij het plan op het eiland in zijn grootste breedte, van het Westen naar het Oosten, te doorkruisen. Hij vertrok in het begin van 1848 van Brisbane en bereikte de rivier de Cagoon, die 480 kilometers van de zee ligt. Maar sedert ontving men geen tijding van den moedigen reiziger. Tien jaren later vonden de gebroeders Gregory eenige sporen van deze expeditie bij de rivier Victoria.Omstreeks dienzelfden tijd deed een australisch volkplanter Kennedy zijn best de oostelijke kusten van Carpentaria te verkennen.Hij drong zoolang voort tot zijne levensmiddelen uitgeput raakten. Al zijne reisgenooten verlieten hem, op een inboorling na, die ’t moest aanzien hoe de ongelukkige Kennedy door de afschuwelijke menscheneters der binnenlanden doodgeslagen werd. Zelf ontkwam de getrouwe ter nauwernood, om de treurige tijding over te brengen.Het vreeselijk uiteinde van Kennedy en Leichardt weerhield noch de gebroeders Gregory, noch anderen de woeste binnenlanden te doorkruisen, en onder deze is Burke de eerste geweest, die het vaste land van Australië, van Melbourne tot de golf van Carpentaria, is doorgetrokken. Ook hij heeft dezen roem met zijn leven betaald.De Ier Thomas O’Hara Burke vertrok uit Melbourne, op den 2OstenAugustus 1860, aan het hoofd van een volledig uitgerust gezelschap, waaronder de sterrekundige Wills. Op het einde van September bereikte hij, tusschen 25° en 26° zuiderbreedte, den grooten steenwoestijn, waar vóór 15 jaren de reiziger Start zes maanden in de grootste moeilijkheden had doorgebracht en zijn reismakker Poole van dorst was omgekomen. Burke en de zijnen waren gelukkiger. Zij kwamen ongedeerd aan de andere zijde van de groote woestijn, die door de juist gevallen regenbuien overal meren en oazen vertoonde. De tochtgenooten drongen in de vallei van Yappar door, en hun veerkracht werd niet weinig versterkt toen zij aan gewisse teekenen ontdekten dat de zee niet verre meer wezen kon. Burke en de zijnen hadden nog maar een vlakte door te trekken, en zij waren er, maar ongelukkig was die vlakte met ondoordringbaar struikgewas bezet. De reizigers waren zwak, de paarden en kameelen waren voor het grootste gedeelte gestorven, en die overgebleven waren weigerden verder te gaan. De levensmiddelen begonnen schaars te worden. Onder die omstandigheden terug te keeren was een moeielijke zaak, doch er schoot niets anders over, en bij dezen terugtocht stierven Burke en Wills van vermoeienis en uitputting in de vallei van Cooper.Zij hadden hun weg geteekend. Een kleurling, John Mac Douall Stuart gelukte het, eenigen tijd later, denzelfden tocht tot zijn einddoel voort te zetten en de zee te bereiken, dien Burke alleen van verre had hooren ruischen.Zoowel door deze heldhaftige pogingen, als door zoo menige onderneming van jonger datum en gelukkiger uitslag, zooals die van Landsborough, Mac Kinlay, Hardwicke, Cowle, Gilles, Warburton, begint Nieuw-Holland, evenals Afrika, meer bekend te worden. Toch blijft er nog genoeg te doen over.1Ten Noord-Westen levert het land van Tasman ten Noorden het land van Arnhem,ten Noord-Oosten het land van Carpentaria en het schiereiland van York nog altijd een ruim veld op, waar toekomstige landontdekkers roem behalen en kennis vermeerderen kunnen. Men rekent dat van de 6 353 000 vierkante kilometers, die de oppervlakte van dit eiland uitmaken, een derde gedeelte nog nader onderzocht moet worden. Zoo blijkt wel dat het werk van den enkelen mensch weinig beteekent, en de verovering van den aardbodem een arbeid is voor de eeuwen, die zeker maar langzaam voltooid wordt.

Christophorus Columbus schreef op het einde zijner dagen aan den Koning van Castilië; »Van mijn jeugd af voer ik ter zee en ik ben er mee voortgegaan tot heden. Dezen weg moeten zij kiezen, die de geheimen dezer wereld willen leeren kennen.”

De groot Genuees had gelijk. De geheimen dezer wereld,de waarheden der wetenschap hebben hun oorsprong in de kennis der natuur. Zoo moeten wij dan in onze herinnering allereerst aan die mannen een eereplaats geven, die hun leven hebben gewijd aan het veroveren van den aardbol.

En geen treffender voorbeeld kunnen wij daarvan kiezen dan het voorbeeld van den heldhaftigen man, die ten koste van een hardnekkigen strijd tegen de ongenade van het lot en de vooroordeelen der menschen een gansch halfrond aan onze planeet als toevoegde.

Christophoro Colombo werd geboren te Genua omstreeks 1436. Hij was de zoon van een wollenkaarder en had twee broeders, Bartholomeus en Jacob. Na te Genua een degelijke opvoeding ontvangen te hebben, begon hij op zijn veertiende jaar zich als zeeman te bekwamen. Hij deed een tocht naar Tunis en in 1477 een reis naar IJsland. Hij had zich toen reeds te Lissabon gevestigd en trad daar in het huwelijk met Felipa Monis de Palestrello, dedochter van een zeevaarder. Geen plek ter wereld kon hem zoo bekoren als deze, want sedert een eeuw verbaasde Portugal de wereld met zijne ontdekkingstochten. Reeds rijpten stoute plannen in zijn brein. Hij bestudeerde nauwkeurig al de nieuwe wegen die de zeevaarders voor het verkeer geopend hadden en vatte weldra het grootsche voornemen op dier onderneming, die zijn naam de onsterfelijkheid zou geven. Zijn doel was geenszins, zooals men soms heeft gemeend, een nieuwe wereld te vinden; maar wel om, dwars over den Atlantischen Oceaan Indië op te sporen en westwaarts opzeilende het Oosten te ontmoeten.

Dit plan dat geenszins nieuw was, vervulde destijds vele gemoederen. De wijze Toscanelli en anderen hadden er al over gedacht, maar Columbus wijdde er zich geheel aan en maakte er zijn onherroepelijk levensdoel van.

Columbus was arm en zijn werk onmetelijk. Allereerst wendt hij zich tot zijn vaderstad, maar de stad Genua staat hem de middelen niet toe, die hij van noode heeft, wil hij zijn plan verwezenlijken. Hij draagt zijn plan vervolgens voor aan den koning van Portugal Joan II, die het deed onderzoeken door een commissie van twee beroemde aardrijkskundigen. Deze lieden hielden het denkbeeld van den zeevaarder voor een hersenschim en hemzelven voor een zonderling. De koning echter kon dit oordeel niet billijken en gaf zich een tijd lang over aan den invloed van een man van vooruitgang en kennis, Pierre de Noronha, die te recht begrepen had dat men, om de rijkdommen van Portugal te vermeerderen, zeeën moest oversteken en nieuwe wegen zoeken en nieuwe volken hechten aan de kroon.

Maar Joan II, weifelend van aard en zwak van wil, koos weldra de partij van Columbus’ vijanden en wees niet alleen het aanbod af van den kundigen man, die voor Portugal een nieuwen zeeweg zou zoeken, maar pleegde jegens hem het zwartste verraad. De trouwelooze vorst knoopte onderhandelingen met Columbus aan, vroeg zijne kaarten te zien, liet hem zijn plan ontvouwen in tegenwoordigheid van zijne raadslieden, en toen hij al zijne geheimen bezat, ontzag hij zich niet een kleine vloot uit te rusten, die in de door Columbus aangewezen richting den Atlantischen Oceaan opvaren en den argeloozen zeevaarder berooven zou van de vrucht zijner overpeinzingen.

Nauwelijks was de kleine vloot vier dagen ver den Oceaan ingevaren of de zeelieden, door storm beloopen, werden door schrik overmand en keerden met schade en schande in de haven terug.

Toen besloot Christophorus Columbus een land te verlaten, waar hij niets dan de bitterste teleurstellingen ondervond. Ten tweeden male begaf hij zich naar Genua. Hij hernieuwde er zijne voorstellen, maar vond even weinig gehoor als vroeger. Hij liet zich echterdoor niets ter wereld ontmoedigen. Nog eens klopte hij aan bij de grooten, de hand ophoudende—maar ook het hoofd, als iemand die in ’t belang der menschheid de ontdekking eener nieuwe wereld komt afbedelen.

Hij verkeerde nu in den uitersten nood; de groote sollicitant had slechts lompen om zich te kleeden. Daarbij verloor hij zijn gade en moest zelf zijn jongen, een knaap van elf jaren, verzorgen. Eens zwierf hij, in beklagenswaardige omstandigheden, door de omstreken van Palos de Mogues, een stad in Andalousië en kwam bij toeval voor de poort van een Franciscaner klooster. Hij klopt aan en vraagt een weinig brood en water. De prior Juan Perez de Marchena noodt den vreemdeling bij zich, ondervraagt hem, wordt getroffen door de waardigheid van zijn houding en is een en al verbazing, wanneer Columbus hem zijn geschiedenis verhaalt, zijn plannen ontvouwt en zijn verwachtingen mededeelt.

De gastvrijheid van den prior ging over in een warme vriendschap en, dank zij dezen machtigen beschermer, kreeg hij toegang tot het hof van Spanje en gehoor bij Ferdinand en Isabella.

Columbus begeeft zich nu naar Cordova, waar de koning verblijf houdt en met kracht de vijandelijkheden voorzet tegen de Mooren. Na maanden lang gewacht te hebben, werd hij eindelijk toegelaten. Bescheiden, maar vrijmoedig vertoont hij zich, wetende dat hij een gunstelings des Hemels is, uitverkoren om diens groote doeleinden te verwezenlijken. Ferdinand echter ziet in de plannen van Columbus een middel om ter zee met Portugal te wedijveren en neemt het besluit, bevoegde beoordeelaars over deze plannen te raadplegen.

De door den koning in Salamanca samengeroepen raad bestond uit geleerde monniken en grootwaardigheidsbekleeders der Kerk, mannen, niet weinig vooringenomen tegen iemand, die zich verstoutte iets te weten of hun eenige inlichtingen te geven. Deze lieden verwaardigden zich den armen gelukzoeker een willig oor te leenen.

Columbus had ten overstaan van deze heeren niet op wetenschappelijke vragen maar op bijbelteksten te antwoorden en op tegenwerpingen als deze: dat de leer der tegenvoeters onvereenigbaar is met het geloof. Waren er aan gene zijde van den Oceaan bewoonde landen, dan, zoo beweerde men, kon men niet langer aannemen dat alle menschen van Adam afstamden; immers hoe zouden diens nakomelingen in zoo oude tijden de zee zijn overgestoken. Men gaf hem te kennen dat, volgens het N. Testament, de aarde plat was en den vorm had van een grooten schijf; men zeide verder dat de aarde, ware zij bolvormig, onbewoonbaar zou zijn beneden de keerkringen, wegens de overmaat van warmte, die daar heerschen zou. Zoo zag Columbus zich opnieuw aan de ellende ten prooi en bovendien zag hij zich behandeld als een gek en een verdoemde.

Zich niet latende ontmoedigen, schreef de toekomstige wereldontdekker aan den koning van Engeland; vervolgens in Mei 1489 zocht hij Ferdinand en Isabella weder op, die van hun tocht tegen Malaga naar Cordova teruggekeerd waren. Er was sprake van dat de samenkomsten betreffende Columbus’ plannen zouden hervat worden; maar jaren lang bleef de beslissing uit, totdat eindelijk, in den winter van 1491, de raad van Salamanca een verslag uitbracht, hetwelk het ontwerp van den zeevaarder voor ijdel en onuitvoerbaar verklaarde, terwijl het verder heette: een groot vorst paste het niet op zulke zwakke gronden, als bij deze gelegenheid te berde waren gebracht, zich in zoodanige groote ondernemingen te steken.

Wij zullen de verdere stappen van den onvermoeiden man niet volgen; wij willen niet verhalen hoe hij zich ook tot den Franschen koning Karel VIII wilde wenden; liever spoeden wij het oogenblik te gemoet, waarop zijne volharding en zijn ijver ten laatste bekroond werden. In Februari 1492 kreeg Columbus op nieuw gehoor bij koningin Isabella en wel door tusschenkomst van Louis de Saint-Angel, ontvanger der kerkelijke inkomsten van Arragon, tevens een van des zeevaarders warmste aanhangers. Eenige vrienden, die medegekomen waren, bepleitten zijn zaak met zooveel aandrang dat de koningin zich liet overhalen en beloofde zich persoonlijk met de uitvoering te zullen belasten.

Zoo dan mocht Columbus eindelijk, na twintig jaren van volhardenden strijd, in zee steken met den titel van admiraal en met de belofte van onderkoning of gouverneur te zullen zijn van al de landen, die hij ontdekken mocht. Drie schepen werden uitgerust, met wakker volk aan boord. ’t Waren zonderling gebouwde schepen, met hooge voor- en achtersteven, gelijk wij ze dikwijls op oude platen hebben gezien. Men ijst bij de gedachte dat met zulke schepen en zulke eenvoudige hulpmiddelen zulk een gewaagde tocht over gansch onbekende zeeën ondernomen werd; maar men voelt dan ook des te meer bewondering voor den man, die op vijftigjarigen leeftijd—een leeftijd, waarop zoo menigeen zijn loopbaan heeft volbracht—de zijne eerst begint en door de ontdekking van een tweede halfrond een nieuw tijdperk zal openen voor de geschiedenis der menschheid.

Columbus verliet den 3denAugustus 1492 de haven van Palos, en na zoo lang gestreden te hebben tegen de onkunde der menschen had hij nu te strijden tegen de bijgeloovige vrees der schepelingen, de angsten die de groote Oceaan hun veroorzaakte; en daarbij had hij al de zorgen en moeiten en onzekerheden te torsen van een eerste proefreis.

Den 12denOctober 1492, na zeventig dagen varens, bespeurde hij voor de eerste maal land, het kustland van Indië, zooals hij waande. Op een eiland, dat hij San Salvador noemde, trad hij heteerst aan wal. De inboorlingen ontvingen en begroetten hem met vreugdebetuigingen en plechtig nam hij, namens den koning en de koningin van Spanje, het land in bezit. Later ontdekte hij nog drie eilanden. Den 28stenOctober landde hij op Cuba, een maand later op Hispaniola (Haïti). Hij bouwde daar het fortNatividad, waar hij een bevelhebber met eenige manschappen achterliet, en toen keerde hij naar Spanje terug.

Deze gedenkwaardige reis en deze gansche onderneming is zeker een der grootste heldendaden, die de menschheid heeft verricht ter ontdekking van nieuwe wegen en ter verovering van nieuwe wereldstreken.

De schok, dien deze ontdekking in de harten en op de verbeelding teweegbracht, was verbijsterend. Men rekende er niet meer op dat de drie schepen zouden terugkeeren. Met vele vreezen had men de zeelieden zien vertrekken, die dezen gewaagden tocht hadden ondernomen. De groote Oceaan, die door de Arabieren als de »donkere zee” was aangeduid, had zich niet anders voorgedaan aan den geest, dan als een grenzelooze afgrond. Nauwelijks had men dan ook vernomen dat Columbus weergekeerd was en land gevonden had, of de geestdrift steeg ten top. Toen de admiraal te Barcelona aankwam, waar de koning en de koningin hem opwachtten, zag hij een talrijk en deftig gezantschap naderen, hetwelk hem de stad binnenleidde. Zes Indianen, die Columbus had meegenomen, openden den optocht. Daarna volgde een verzameling levende papegaaien en nog onbekende opgezette dieren van allerlei soort, planten, aan welke men geheime krachten toekende, en gouden kronen, die een denkbeeld moesten geven van den rijkdom der nieuw gevonden wereldstreken. Columbus zelf zat te paard en een soort van eerewacht omstuwde hem. De straten waren opgepropt van menschen, op de balcons en voor de vensters zaten en stonden tal van dames, en de daken zelfs waren bezet. Men voerde den held in een groote zaal, waar hij den koning en de koningin omringd vond van een schitterend gevolg. Toen hij binnentrad stonden Ferdinand en Isabella op. Columbus boog de knie, kuste de vorstelijke handen en deed hun het verhaal van zijn reis. De eerbied en de bewondering, die men voor den edelen man gevoelde, vermochten nauwelijks de aandoening te beteugelen, die het verhaal bij allen opwekte. Toen hij echter zijn verhaal geëindigd had, knielde de gansche vergadering neder en vereenigde zich aller stem tot een plechtigTe Deum.

Ook de soberste zielen werden dronken van de zonderlingste en meest overdreven droomen en verwachtingen. Ieder had den mond vol van het ontdekte goudland, ieder droomde van een nieuw paradijs, een wonder- en tooverland. En Columbus zelf hield het er voor dat de schatten dier streken inderdaad onuitputtelijk waren.

Hij stond nu op het toppunt van glorie en voorspoed, doch hetgenot, dat hij nu ondervond was ook zoo goed als het eenige loon, dat hem zijn leven lang ten deel viel.

Den 25stenSeptember 1493 ondernam hij zijne tweede reis. Hij was nu commandant van zeventien schepen. Een groot aantal edelen maakten de reis mee, en in het geheel bedroeg de bemanning der vloot 1200 koppen. Nu werden Guadeloupe en Jamaica ontdekt en St. Dominique en Cuba doorreisd.

Columbus kwam in 1496 in Spanje terug. Hij bracht 225 passagiers en 30 Indianen met zich te huis. Maar deze thuiskomst verschilde veel van de vorige. De Spanjaarden, die met hem wederkeerden, waren ontmoedigd, ter neergeslagen en verbitterd tegen hem. Heengegaan met de onzinnigste verwachtingen en weergekeerd in ziekelijken en ellendigen toestand, hielden zij niet op de bitterste klachten te uiten tegen den man, die hen op zulke groote rijkdommen had doen hopen. Waar was dat tooverland, dat paradijs, dat beloofde land? In plaats van voorspoed hadden de landontdekkers slechts beproevingen gevonden. Zij hadden van niets te gewagen, dan van strijd tegen de inlanders, van moeite en ontbering. Te vergeefs was het dat Columbus de geestdrift trachtte aan te wakkeren; er was nu eenmaal asch gestrooid op den gloed; de bewondering was vervangen door smaad.

De Spaansche koning en de koningin begroetten den admiraal met belangstelling, maar tegelijk met zekere koelheid, en toen hij het voorstel deed een derden tocht te ondernemen, werd hij maar al te duidelijk gewaar dat de geheime tegenwerking en de laaghartige ijverzucht zijner vijanden al vruchten begonnen te dragen.

Den 30stenMei 1498 vertrok hij weder met zes schepen. Nog eens hadden zijn onvergelijkelijke wilskracht en zijn kloeke en onbedwingbare geest het pleit gewonnen. Hij ontdekte nu Trinidad, betrad het vasteland van Amerika, en vond de golf van Para, de eilanden Conception en Assumption. Maar hij had te strijden met opstand onder degenen, die hij te Sint Dominique had achtergelaten, en onder velerlei moeite en tegenwerking, die hij van de zijde zijner landgenooten ondervond, deed hij vijf schepen naar Spanje vertrekken, en met deze verzond hij brieven aan den koning, in welke hij zijne klachten en grieven blootlegde.

Zoowel hij zelf als zijne broeders werden als misdadigers met ketenen beladen. Blz. 16.Zoowel hij zelf als zijne broeders werden als misdadigers met ketenen beladen. Blz. 16.

Zoowel hij zelf als zijne broeders werden als misdadigers met ketenen beladen. Blz. 16.

Tengevolge van de kuiperijen aan het hof vaardigde Ferdinand naar St. Dominique geen overheidspersoon en rechter af, zooals Columbus verzocht had, maar een beul, don Francisco de Bobadilla, voorzien van brieven van volmacht, waarin hij tot gouverneur der ontdekte gewesten aangesteld en met een onbeperkt gezag bekleed werd. Te St. Dominique aangekomen trad Bobadilla er als heer en meester op, vestigde zich in het huis van den admiraal en gaf hem een afschrift van de brieven, waarbij hem (Bobadilla) het oppergezag werd verleend. Vervolgens deed hij den admiraal,zonder hem te hooren, in een vesting opsluiten, te gelijk met zijne broeders, die in de nieuwe wereld waren achtergebleven. Aan zekeren Alonzo de Villejo werd de taak opgedragen hem naar Spanje over te brengen. Columbus onderwierp zich, zonder een klacht te slaken; zoowel hij zelf als zijne broeders werden als misdadigers, met ketenen beladen, naar een schip gevoerd, dat spoedig zee koos. Villejo, die medelijden had met zijn gevangene, wilde zijne ketenen los maken, maar de admiraal verzette zich hiertegen. »Ik wil ze dragen,” zeide hij, »als een bewijs van het loon, waarmee men de diensten betaalt, die ik het land bewezen heb.” »Deze boeien,” zoo verhaalt ons Fernando Colombo, »heb ik steeds in mijns vaders kamer zien hangen en hij beval ons dat wij ze bij hem zouden leggen, als hij begraven werd.”

Toen de zeereiziger in Spanje aanlandde, gebood de Koning, die zich waarschijnlijk schaamde over Bobadilla’s gedrag, dat de gevangenen vrijgelaten zouden worden.

Columbus was nu diep ter neer geslagen. De wereld walgde hem. »De wereld heeft mij meer dan duizendmaal slag geleverd,” schreef hij, »en ik heb altijd weerstand weten te bieden, tot op dezen dag, nu ik mij niet verdedigen kan, noch met de wapenen, noch met beleid. Met welk een uitgezochte barbaarschheid hebben zij mij in de diepte doen nederzinken!” Maar staande gehouden door dien godsdienstigen zin, die het kenmerk uitmaakt zijner eeuw, vervuld van het denkbeeld om later het Heilige Graf te bevrijden, vatte de onvermoeide man het plan op tot een vierde reis, die nu werkelijk, zooals hij meende, Spanje rijk zou maken.

Hij vertrok van Cadix op den 9denMaart 1502, vergezeld van zijn broeder Bartholomeus. Op deze reis ontdekte de zes-en-zestig-jarige het eiland Guanaga, zeilde de kusten van Honduras en Mosquito langs, bereikte Porto Bello op de landengte van Panama, zette op Veraguas voet aan wal en ontdekte de rijke goudmijnen dezer gewesten. Hij trachtte verder een volksplanting te vestigen aan de rivier de Belen; maar de meesten van die hij er achterliet werden door de inboorlingen vermoord, en toen hij de overigen ter hulp snelde werden zijne schepen door storm beloopen en zoo goed als uit elkander geslagen.

Zijn gestel, door ouderdom, moeite, zorg en lijden ondermijnd, was tegen deze nieuwe beproevingen niet opgewassen. Wel slaagde hij er in de ongelukkigen te bevrijden en streed hij nog een tijd lang tegen geweldige stormen en gedurigen opstand van zijn volk; maar krankte en uitputting wierpen hem neder. Dank zij de tegenwoordigheid van geest, door zijn broeder betoond, ontsnapte hij het gevaar van door zijne eigene schepelingen vermoord te worden. In dien treurigen toestand viel hij te St. Dominique binnen, en den 7denNovember 1505 keerde hij naar Spanje terug. Hij was negen-en-zestig jaren oud.

In Spanje aangekomen, vernam Columbus dat zijn »goed gesternte”, de koningin Isabella, overleden was. De koning wilde hem geen recht verschaffen. Doch de dood was niet verre meer. Een wreedaardige krankte sleepte hem onder het lijden van vele martelingen ten grave. Den 20denMei van het jaar 1506 ontsliep hij met de woorden: »Vader, in uwe handen beveel ik mijn geest.”

Zoo stierf deze martelaar. Hebben zijn tijdgenooten het hunne gedaan om zijn roem te verkleinen, de toejuiching van het nageslacht heeft reeds lang het brommen van den haat en den nijd gesmoord. Het groet met geestdrift den veroveraar, die den sluier heeft opgelicht, waarachter, duizenden van jaren, een halve wereld in ’t verborgen sluimerde. Humboldt is de tolk van dien geestdrift, waar hij uitroept: »Columbus heeft zich verdienstelijk gemaakt ten opzichte van de gansche menschheid, wijl hij een oneindig aantal nieuwe dingen aan haar nasporing heeft onderworpen. Het menschelijk denken heeft zich door zijn ontdekking uitgebreid. Aan den aanvang van een nieuwen tijdkring, op de grens waar de oude wereld en de nieuwe elkander ontmoeten, staat deze edele en kloeke geest, de eeuw beheerschend, die hem den stoot gaf en die op haar beurt van hem het leven kreeg.”

Nu er dan alzoo een begin gemaakt was, ging men ijverig voort den boeg naar de nieuwe wereld heen te wenden, maar nog steeds kostte die voortgaande beweging moeite en verdriet. Welk loon ontving Fernando Cortez voor de uitstekende diensten, die hij bewees? Hetzelfde loon, dat Columbus gewonnen had. De veroveraar van Mexico werd blootgesteld aan al de pijnigingen van een ellendig rechtsgeding. Aan het einde van zijn roemrijke loopbaan, leidt hij aan het hof van Karel den Vijfde een droevig bestaan. Voltaire vertelt dat hij geen gehoor bij den keizer kunnende krijgen en hem toch willende spreken, met geweld door de menigte drong, die het keizerlijke rijtuig omringde. Op de vraag van Karel wie dit mocht zijn, zou hij geantwoord hebben: »Ik ben de man, die u meer koninkrijken heeft geschonken, dan uw voorouders u steden hebben nagelaten.”

Nadat Amerika ontdekt was, maakte de Portugees Fernam Magalhaens voor het eerst de reis om de wereld. Ook hij had hierbij veel te strijden, reeds vóór hij uitzeilde. Portugees van geboorte, en door zijn vaderland miskend, had hij in Spanje troost gezocht. Hij vond dien bij Karel V; maar de ambtenaren van het ministerie van koloniën waren kwalijk gezind jegens hem. Den 22stenOctober 1518, toen hij bezig was zijn vloot van het noodige te voorzien, werd het volk tegen hem opgeruid, omdat hij het wapen van Castilië verwijderd en door dat van Portugal vervangen zou hebben, terwijl hij alleen zijn eigen wapenbord aan boord had gebracht. Het scheelde weinig of hij werd gedood.

Karel V gaf zijn ongenoegen te kennen over deze bejegening, en zorgde dat de tocht spoedig kon aangevangen worden. Maar onder welke treurige vooruitzichten begon deze eerste reis om de wereld! Magalhaens moest, om aan den wensch van den koning te gemoet te komen, onder zijne schepelingen een man opnemen, die bijna evenveel gezag had als hijzelf. Dit was Juan de Carthagena, die den titel van »Inspecteur Generaal” droeg en gezagvoerder was over het derde schip der vloot. Hij was door een machtig geestelijke aanbevolen en haatte Magalhaens. Nog een ander vijand moest hij aan boord van zijn eigen schip dulden, en wel een landgenoot, Estevan Gomez. Zoo vond de groote zeereiziger zich omringd, niet van trouwe vrienden en medearbeiders, op wie hij rekenen kon, maar van naijverige mededingers, die een stillen wrok tegen hem koesterden.

Nauwelijks was de vloot uitgezeild—dit geschiedde den 20stenSeptember 1520—of Juan de Carthagena begon het gezag van den opperbevelhebber te ondermijnen. Hij sprak Magalhaens op vrijpostige wijze, als zijn gelijke, aan en werd van dag tot dag aanmatigender. Eens zelfs waagde hij ’t, in tegenwoordigheid van eenige matrozen, Magalhaens met dreigende woorden aan te vallen. Toen begreep deze dat hij handelen moest. Hij greep zijn tegenstander in de borst en sloeg hem in de boeien, als den minsten matroos.

Men was toen nog op de kust van Guinea. Magalhaens stak den Oceaan over, wendde den boeg naar Brazilië en kwam in December 1520 in de baai van Rio de Janeiro. Vervolgens zeilde hij langs de Amerikaansche kust voort, in de hoop van dien doortocht te vinden, dien hij in het Zuiden verwachtte en die later voor altijd zijn naam zou dragen. Het koude seizoen was in aantocht en Magalhaens wilde in de haven van San Julian overwinteren; maar nu begon de bemanning te morren. Te midden van de kale, sombere, koude gewesten, waarin zij zich bevonden, werden velen moedeloos en gaven hun verlangen te kennen, om den boeg naar Spanje te keeren. Magalhaens stond als een rots. Geen bidden, geen dreigen vermochten hem aan het wankelen te brengen. Hij gaf te kennen dat hij liever sterven wilde, dan met schande naar Seville wederkeeren, en met zijn veerkracht en moed wist hij de weerbarstige schepelingen te bedwingen.

Het openlijke gemor nam een einde; maar in stilte bleef de tegenwerking woelen en weldra brak zij geweldig los, onder voorgang van een paar officieren, Luiz de Mendoza en Gaspard de Quesada. Een bloedig tooneel volgde. Magalhaens, aan zich zelven overgelaten, moest, zou hij niet als slachtoffer vallen, de oproerigen vellen. Hij besloot tot het laatste, en zond op Luiz de Mendoza een welvertrouwd man af, Gonzalo Givet de Espinoza. Deze overhandigde den officier een brief, waarin de opperbevelhebber hemvoor zich daagde. Luiz de Mendoza weigerde te verschijnen en spotte met dit bevel. Maar toen wierp Espinoza zich op hem en stiet hem zijn dolk in den hals.

Magalhaens ging met zooveel kracht, bekwaamheid en stoutheid op den ingeslagen weg voort, dat hij de oproerige bemanning derVictoriaenTrinidadspoedig tot gehoorzaamheid dwong. Gaspard werd onthoofd. De lijken der samenzweerders werden, ten aanschouwen van al het volk, aan wal gebracht, en daar las één der officieren hun vonnis.

Toen deze daad van hoog gezag volbracht was—eene daad, die, hoe verdedigbaar ook, de nagedachtenis van den bevelhebber niet tot eere strekt—werd San Julian verlaten. Na den opstand van menschen te hebben doorstaan, had hij met dien der elementen te doen. Met veel moeite en onder groote gevaren bereikte hij Vuurland en ontdekte de zeestraat, die zijn naam draagt en den doortocht, waarvan hij gedroomd had. Den 27stenNovember 1520 zette hij koers naar het Noord-Oosten en dreef in die groote wijde zee, die toen zoo kalm was, dat men hem de Stille Zuidzee noemde. Hier ontdekte hij de Marianen en zette eindelijk op het eiland Zebou voet aan wal, om er de schepen van leeftocht te voorzien. De vorst van dit eiland ontving de vreemdelingen met alle teekenen van toegenegenheid. Magalhaens zocht de inboorlingen tot het Christendom te bekeeren en bouwde zelfs een kerk, maar hij beging de groote fout van den vorst van Zebou aan te stellen tot hoofd en leenheer van al de andere vorsten van het eiland. Deze wilden niets weten van die europeesche aanmatigingen; één van hen, de koning van Mactan, bracht een leger op de been van niet minder dan zesduizend man, en verzette zich daarmee tegen de vreemde indringers.

Magelhaens moest nu krijg voeren. Met een handvol volks trok hij tegen den koning van Mactan op; maar vond het gehucht, waar deze zijn residentie had, verlaten en stak het in brand. Nu kwamen de Indianen opzetten en begroetten de Spanjaarden met steenen en pijlen, en dat wel met zooveel hevigheid en met zulk een overmacht, dat Magalhaens den terugtocht aannam en de schepen opzocht. Juist zou hij zich met de zijnen in de sloepen begeven, toen een steenworp hem het been verbrijzelde en hem neervelde. Een Indiaan maakte met een speer een eind aan zijn leven. (27 April 1521.)

Zoo stierf Magalhaens; maar zijn taak was volbracht. De groote vraag hoe de reis te maken om de wereld was opgelost.

Hoe nader wij komen aan den nieuweren tijd, des te meer zien wij deze ontdekkingen den stoot geven tot nieuwe onderzoekingstochten.

Eerst opent Amerika, van het noorden tot het zuiden, der wereldeen breede baan; straks doemt het groote vasteland van Australië op, met de eilanden der Stille Zuidzee, en ook het geheimzinnig Afrika, het groote vraagstuk van zoovele eeuwen, opent zijne poorten voor de beschaafde wereld. Eindelijk zijn het slechts de twee polen, die, ten zuiden en ten noorden door ondoordringbaar ijs versperd, het menschelijk onderzoek tarten.

De Poolstreken, die als het ware de spil der aarde aan hare uiteinden omgeven, maken thans een punt uit van volhardend onderzoek. Engeland, Zweden en Nederland stoomen en zeilen er heen om land en zee te onderzoeken. Met name is het de Noordpool die men meer en meer zoekt te naderen. En heeft thans Nordenskjöld een weg gevonden noordwaarts naar China. Eeuwen reeds geleden is deze met zelfverloochening en moed gezocht.

De weg, die naar de Noordpool voert, is als omzoomd met de lijken der helden, die gestorven zijn. Moge ook »Nederlands vlag Euroop den doortocht” niet gewezen hebben »door het ijzig Noord naar het zengend Oost,” toch hebben de Nederlanders behoord tot de eerste Noordpoolvaarders, gelijk wij thans gelukkig weder ook behooren tot de laatste. Ook ons volk heeft er zijne helden bij verloren, martelaren voor het vaderland en voor den vooruitgang. Balthazar Moucheron van Middelburg vatte het plan op—een plan reeds door de Engelschen geopperd maar opgegeven—om den noordelijken doortocht te zoeken naar China en Indië. Zijn plan leidde tot het uitrusten van een klein eskader onder Cornelis Cornelisz Nay van Enkhuizen en Willem Barentz. Zij zouden beproeven benoorden Novaja Zemlya een open vaarwater te vinden. De schepen scheidden zich van elkander en Barentz verkende de westkust van het genoemde eiland tot aan Kaap Nassau. Hier stiet hij op het ijs en keerde terug. Nay was voortgedrongen door de zeestraat bezuiden Waigatsj, die hij »Straat Nassau” noemde, zeilde de Kara-Zee in; en meenende dat hij het open vaarwater naar China al gevonden had, keerde hij met blijde tijding naar het vaderland terug, tegelijk met Barentz, dien hij op den terugweg ontmoette. Na een mislukten tocht in 1595, werd in 1596 door de stad Amsterdam een derde tocht uitgerust onder Jacob van Heemskerk, Willem Barentz en Jan Cornelis Rijp. Op dezen tocht ontdekten onze zeevaarders Spitsbergen, ’t welk zij voor Groenland hielden en zeilden westelijk op tot 79° 30′; maar al spoedig gingen de twee schepen elk zijn eigen weg. Rijp wilde rechtstreeks naar het oosten doordringen, Barentz Novaja Zemlya aandoen. Rijp keerde onverrichter zake naar het vaderland terug. Barentz bereikte zijn doel en voer de Westkust van Novaja Zemlya in noordelijke richting langs en de Noordkaap om. Toen hij verder oostwaarts op wilde, werd hij door het drijfijs genoopt aan de Oostkust van het eiland een bocht binnen te loopen, waar hij overwinterde. Hier verduurden de reisgenootende bitterste koude. ’t Was de eerste poolwinter die door Europeanen werd doorgebracht. Eén der tochtgenooten, Gerrit de Veer, heeft al dit lijden beschreven, en niemand zal zonder aandoening het eenvoudig en verheven naieve verhaal dezer overwintering lezen. Zij bouwden zich een houten hut, het zoogenaamde »Behouden Huijs”, sleepten er in, wat hun dienstig kon zijn, rookten er hun pijp, aten er hun smakeloos geworden proviand of de met levensgevaar geschoten beren, maar verloren, onder al hun kommer, hun goeden luim niet, al zaten zij ook acht maanden lang in duisternis en al hoorden zij ook niets dan het doffe, sombere gehuil van den storm. De ontbering klom dag aan dag. Eindelijk, den 14denJuni, braken de reizigers in twee open booten, die zij zelven gebouwd hadden, door het ijs, zeilden de open zee in en ontmoetten Rijp, die in November met hen in het vaderland terugkwam.

Den 20stenJuni was Barentz overleden, het oog op de kaart en de plannen van den terugtocht met zijne mannen besprekend. »Mij dunkt, het zal met mij niet lang duren!” Zoo sprak eenige oogenblikken voor zijn dood de moedige man, man niet van woorden, maar van daden, eenvoudig in zijn plichtsbetrachting en in zijn sterven. ’t Leek dit kloeke geslacht volkomen natuurlijk, dat het tot in Juni schip en lading in het ijs bleef bewaken en zijn leven er voor zette. Het sterft niet als een held in melodrama, maar gaat stil daarheen in de groote rust, held door moed, en nog eens held door zijn eenvoud.

Bij het vertrek uit het »Behouden Huijs” had Barentz een stuk opgesteld, een klein cedelken, waarop echter meer stond dan in menig boek. Het bevatte het korte verhaal van de lotgevallen der reisgenooten. Men deed het in een kruithoorn en hing het op in den schoorsteen, »op avontuer offer yemant na hen quame, dat dien weten mocht, wat hun bejegent was en hoe ’t hen gegaan hadde.”

Barentz’ Behouden Huijs bleef op het strand van de IJshaven niet minder dan 278 jaren verlaten en onopgemerkt staan. Doch den 7denSeptember 1871 kwam er »yemand na hen”,—het was de Noorsche kapitein Carlsen. Hij vond de overblijfselen van het huis nog overeind staan, de slaapplaatsen, de hollandsche klok, hellebaarden, musketten, tafelgereedschap, alles, zooals de Veer het beschreven had. Met eerbied trad de Noor de eenzame hut binnen, waarboven zooveel storm was heengegaan, waarbinnen zulke moedige en trouwe harten geklopt hadden. Carlsen nam eenige zaken mee, die door een Engelschman, later door het Nederlandsche gouvernement, werden overgenomen. Vijf jaren later kwam Charles Gardiner, een Engelschman, op Nova Zemlya en bracht een tweede lading voorwerpen mee, die de edelmoedige vinder aan ons land ten geschenke gaf.Thans prijken deze onwaardeerbare overblijfselen in den Haag, in de modelkamers der koninklijke marine, blijvende lijdens- en zegeteekenen van ons voorgeslacht, blijvende vingerwijzingen voor het nageslacht.

In den aanvang van de zeventiende eeuw zeilde een engelsch zeevaarder, Henry Hudson genaamd, met een klein vaartuig de Oostkust van Groenland langs, en kreeg een deel van Spitsbergen, door hem Nieuw-Land genaamd, in het gezicht. In Amerika ontdekte hij de rivier en de baai die thans zijn naam dragen. Ontzettend was zijn levenseinde. Hij was nauwelijks een nieuwe baai van Noord-Amerika ingevaren, of, ten gevolge van den langen duur der reis, begonnen de levensmiddelen te ontbreken. Het scheepsvolk kwam in opstand en de kapitein werd, met zijn zoon en een paar matrozen, in een sloep aan de golven prijs gegeven. Men heeft nimmer iets van de ongelukkigen vernomen, die laaghartig verzaakt en verraden werden.

Wie kent den naam niet van John Franklin en ten minste niet eenigszins zijn treurige geschiedenis? In 1800 bij de engelsche marine in dienst getreden, woonde Franklin onder Nelson den zeeslag bij Koppenhagen bij en nam deel aan een onderzoekingstocht in Australië, op welken hij in 1803 bij een schipbreuk dreigde om te komen. Bij Trafalgar streed hij met moed en beleid. In 1804 werd hij gewond bij het beleg van Nieuw-Orleans, hetwelk door Jackson met heldenmoed verdedigd werd. Sinds 1818 wijdde Franklin zich aan de Noordpoolvaart, en in 1819 deed hij, in gezelschap van Richardson, Hood, Back en Hepburn, te voet en onder ongehoorde ellende, een verkenningstocht langs het Noorderstrand van Amerika, en wel over een lengte van niet minder dan 900 kilometers.

Facsimilé van het cedelken van Barentz. Blz. 23.Facsimilé van het cedelken van Barentz. Blz. 23.

Facsimilé van het cedelken van Barentz. Blz. 23.

De moedige reizigers vorderden niet dan langzaam over de uitgestrekte sneeuwwoestijnen, die hier en daar door diepe ravijnen doorsneden werden. Zij waren zoo uitgeput, dat sommigen er het bewustzijn bij verloren. Back werd met drie man vooruitgezonden, om de hulp in te roepen van de bezetting van het fort »Enterprise”, bij het Slavenmeer. Ondertusschen toog ook Franklin, die zich hersteld gevoelde, met de rest der tochtgenooten verder voort door de sneeuw. Hij kon daags maar 5 of 6 mijlen vooruitkomen. Twee mannen van Canada bezweken en men deelde onder elkander de schoenzolen. Richardson, een engelsch matroos en een der Iroqueezen, die deel namen aan den tocht, moesten in een tent achterblijven. Franklin zette zijn wanhopigen tocht voort. Eindelijk kreeg men het fort in het gezicht. Helaas! het was ontruimd geworden, en er was niets te vinden. Zoo vervloog alle hoop, op het oogenblik waarop de moedige onderzoekers zich gered waanden. Zij zagen elkander aan en zonder te spreken barstten de helden in tranen uit. Met drie man bleef Franklin in het fort en kookte soepvan eenige beenderen, die onder een hoop vuilnis waren achtergelaten. Twee dagen later zag hij dokter Richardson met den matroos Hepburn naderen, die onder weg vernomen hadden, dat de Iroquees Michel den heer Hood had vermoord en die nu op hun beurt den Iroquees hadden gedood. Zoo voegde zich ook nog de misdaad bij alles wat zij leden: honger, kou, ellende en verlatenheid! Den 1stenNovember stierven nog twee Canadeezen. Eindelijk, op den 7denNovember, terwijl Franklin zich reeds trachtte te gewennen aan het denkbeeld, dat hij met het overblijfsel zijner tochtgenooten van honger zou moeten sterven, zie, daar kwamen Indianen aan, beladen met overvloed van levensmiddelen, gezonden door den heer Back. Men moet in het verslag van Franklin’s reis het eenvoudig en hartverscheurend verhaal en dezen ganschen tocht lezen, om den moed, de grootheid van ziel, de zelfverloochening te bewonderen, bij dit alles toen ten toon gespreid—neen, in het verborgen geofferd. En wil men weten wat deze mannen waagden, dan moet men zich eenigszins een voorstelling kunnen maken van de kusten van Noord-Amerika, zooals die toen ter tijde waren.

Een engelsche Maatschappij, ruilhandel willende drijven met de Esquimo’s, had zich in deze gewesten gevestigd, in ellendige houten hutten, boven welke de engelsche vlag woei. De verschillende posten van deze maatschappij bevonden zich hier en daar langs die onmetelijke keten van meren, die zulk een eigenaardig karakter leenen aan dit gedeelte van Noord-Amerika. Sneeuw, koude, al de ongenade van het Noorden, heerschen hier in deze groote ijswoestenijen. Hier hadden Franklin en de zijnen soms niets anders dan watpemmicante eten, een soort van geperst vleesch, dat zij, om den maag te vullen, gebruikten met een soort van mos. Hoe is het mogelijk dat mannen, die eens zulke martelingen hebben ondergaan, zich ten tweedemale aan zulke gevaren wagen! Maar Franklin behoorde tot die menschen, die zich door niets laten afschrikken.

In 1825 ondernam Franklin een tweeden en vruchtbaarder tocht. In 1845 waagt hij zich nog eens in de onbekende oorden en raakt verdwaald of gevangen te midden van ijsbergen, die hem den weg versperren. Althans hij is in 1845 voor altijd verdwenen. Men weet met welk een toewijding, welk een bezorgdheid, welk een onvermoeide volharding Lady Franklin, gesteund door haar land, achtereenvolgens een gansche reeks van onderzoekingstochten heeft uitgerust ter nasporing van haar man. Heldhaftige pogingen zijn in het werk gesteld om hem te vinden, maar zij zijn te vergeefs geweest. Eerst in 1857 en 1859 heeft men op Koning Willems Land de lijken en andere overblijfselen van de moedige mannen mogen vinden.

Franklin was een man van grooten moed, maar ook van grootegoedheid. Zijn vriend Parry zeide van hem: »’t Was een man die het gevaar nimmer den rug toekeerde en daarbij zulk een week hart had, dat hij geen mug zou dooden.”

Op dergelijke wijze is de Franschman Jules de Blosseville verdwenen en omgekomen. In 1833 scheepte hij zich in opla Lilloise, waarmee hij als commandant de reis naar Groenland deed. Hij teekende de kaarten van het zuidelijk gedeelte van dit land, waar hij bovendien belangrijke waarnemingen deed ten opzichte van den magneet. Het laatste wat men van hem vernomen heeft is, dat hij, door het ijs gedwongen, ergens te Vapna Fjord was binnen gevallen. Men heeft noch van hem, noch van zijne bemanning ooit iets vernomen of een spoor gevonden.

Van de Noordpoolstreken, met hun eeuwigdurend ijs en sneeuw, met hun eeuwig grijs en wit, hun kou en hun klappertanden, naar Afrika’s tropische gewesten, met hun bonten dos en weelderigen groei en stikkende hitte, is zeker een geduchte overgang. Maar de menschelijke onderzoekingsgeest en moed vinden wij er op gelijke wijze vertegenwoordigd.

Een der eersten, die Europa verlaten heeft om de streken van Midden-Afrika te onderzoeken, is René Caillé geweest. Hij werd in 1799 te Maugé, in Frankrijk, geboren. Spoedig wees, werd hij door een oom opgevoed en naar school gezonden. Op vijftienjarigen leeftijd viel hem een exemplaar van Daniël de Foe’s »Robinson Crusoe” in handen, en dit boek wekte zijn verbeeldingskracht in zulk een mate op, dat de zucht naar avonturen en reizen hem geen rust liet. Zijn levensroeping was gevonden, zijn toekomst afgebakend. Hij had hooren zeggen en gezien dat de kaarten van Afrika groote oningevulde vakken toonden, waar landen lagen, die nog ontdekt moesten worden. Hij was 16 jaar, hij had 60 francs op zak—en vertrok.

Te Rochefort lagen twee schepen gereed, deLoireen deMedusa, beiden naar Senegal bestemd. Had hij zich op deMedusaingescheept, hij zou met zoovele anderen omgekomen zijn bij een der vreeselijkste tooneelen, die de zee ooit heeft opgeleverd. De schipbreuk derMedusabehoort tot die verschrikkingen, die niet licht uit het geheugen der menschen zullen verdwijnen.

Op deLoirekwam Caillé goed en wel te Senegal. Hij trok naar Saint Louis, bezocht Guadaloupe en nam als vrijwilliger deel aan den tocht van Partarrieu door de gewesten van Gjolof, Foutah en Bondoe. Hierna kwam Caillé naar Frankrijk terug, om zich te laten genezen van de koorts. Maar nauwelijks was hij de schade, door zijn ondernemingszucht aan zijn gezondheid toegebracht, te boven, of hij vertrok weder naar Senegal en bood baron Roger zijne diensten aan. Roger was een groot bevorderaar van ontdekkingsreizen.Niet zonder moeite kreeg Caillé eenige koopwaren mede en met dezen begon hij te reizen onder de Mooren van den stam Berâkerah. Al verder dwalende, van kamp tot kamp, kwam hij na 8 maanden meer dan 200 kilometers ten noordwesten van Polos. Nauwelijks was hij te Saint Louis terug of hij ondernam een reis naar Tomboctoe.

René Caillé was geen man van aanzien en had evenmin aanbevelingsbrieven in zijn zak. Zijn persoon boezemde het vertrouwen in, dat ieder avonturier zou inboezemen. ’t Was te vergeefs, dat hij om nieuwe koopwaren vroeg. Men weigerde hem zelfs een paspoort naar de engelsche nederzettingen van de Gambie. Van ontmoediging wist deze kloeke volhouder niet. Hij vertrok te voet, bereikte Gorea Sierra Leone en wendde zich tot den gezaghebber van Freetown. Na de vernedering eener nieuwe weigering te hebben ondervonden, werd Caillé nu koopman in indigo, nam het arabisch kostuum aan, gaf zich uit voor een jong Egyptenaar van Alexandrië, en ondernam gansch alleen, zonder hulp, zonder bescherming, zonder andere hulpmiddelen dan die van zijn eigen geestkracht en wil, een tocht, waarvoor zoovele andere reizigers met de beste aanbevelingen en hulpmiddelen waren teruggedeinsd.

René Caillé vertrok den 19denApril 1827 van Kakouty en werd spoedig vergeten. Maar omstreeks het midden van het volgende jaar werd de geleerde wereld door een belangrijk feit in beweging gebracht. Een Franschman, die te Toulon ontscheept was, was doorgedrongen in de nog onbezochte en geheimzinnige streken van Midden Afrika. Hij kwam van Tomboctoe. ’t Was Caillé. Zijn aankomst was een ware gebeurtenis. Ieder ondervroeg den reiziger, die geheel op zich zelf dit groote vraagstuk der landontdekking had opgelost, en het Aardrijkskundig Genootschap van Parijs kende hem den prijs toe, bestemd voor den reiziger, die Tomboctoe zou hebben bezocht. Toen men vernam op welke wijze Caillé er in geslaagd was zulke uitkomsten te verkrijgen, werden zijn moed en volharding om het zeerst geroemd—wat zij verdienden. Na het land van Inanke, Touta, Gjalo, Baleija en Amana te zijn doorgetrokken, was hij den Niger overgestoken, wat nog niemand gedaan had, en zoo in onbekende streken gekomen te midden van negerstammen, bij welke hij vijf maanden verblijf hield. Hij leed de vreeselijkste smarten. Het vreemde, ongezonde en karige voedsel, dat hij gebruikte, deed hem scheurbuik en koorts krijgen; hij verloor een paar beenderen uit het verhemelte, doch kwam alleen door zijn groote wilskracht en zijn sterk gestel dit alles te boven. Den 9denJanuari 1828 had Caillé zijn gezondheid herkregen, en zocht nu langs een geheel nieuwen weg den Niger op bij Gjeny. Na een maand lang duizend gevaren te hebben doorgestaan, kwam hij te Tomboctoe aan. Maar om terug te keeren wilde hij de woestijndoor. Ondertusschen tot ellende, ja tot den bedelstaf vervallen, schoot hem niets anders over dan zich bij een karavaan aan te sluiten en een paar maanden lang ten doel te staan aan allerlei smaad en kwade bejegening.

In Frankrijk teruggekomen, kreeg hij zijn verdiende loon. Hij werd ridder van het legioen van eer; het verhaal zijner wonderbare reizen werd op last van het gouvernement uitgegeven, en men bezorgde hem een jaargeld en een ambt bij de administratie van het land van den Senegal. Maar zijn rust en glorie duurden kort. De ziekte die hij in Afrika had opgedaan, greep hem met dubbele woede aan en maakte hem tot een martelaar te meer van den grooten arbeid der ontdekking. Hij overleed op negen-en-dertigjarigen leeftijd, op den 17denMei 1838.

Wij slaan een paar andere Franschen over, Mage en Quintin, die omstreeks de jaren 1860–1869 zich verdienstelijk gemaakt hebben door hunne onderzoekingen tusschen den Niger en den Senegal, van welke de eerste bij zijn terugkomst schipbreuk leed en met al zijne medeschepelingen in de golven omkwam. Wie verhaalt wat zij te lijden hadden van het klimaat en van de inboorlingen, en welke offers zij gebracht hebben aan hun zucht om het onbekende land te verkennen?

Maar grooter mannen wachten ons, mannen, die omdat zij beter geslaagd zijn dan anderen, ook grooter plaats innemen. David Livingstone behoort zeker onder deze gerekend te worden. Hij speelt de hoofdrol op het tooneel der aardrijkskundige onderzoekingen en is tevens een der edelste karakters onzer nieuwe beschaving, een voorbeeld van toewijding zoowel waar het de wetenschap als waar het de menschheid geldt. Livingstone werd den 19denMaart 1813 te Blantyre in Schotland geboren. De beroemde reiziger heeft zelf zijn leven beschreven en spreekt met trots van zijne voorvaderen, die de eer van het geslacht nimmer verzaakten. »Wees eerlijk!” was hun devies en het was het zijne. Maar hij was meer dan het devies van hem eischte: hij was edelmoedig, hij was goedhartig en groot door de kracht van zijn wil. Van zijn tiende jaar af moest David Livingstone met zijn arbeid voorzien in de behoefte van het gezin, waartoe hij behoorde. Hij deed het nederige werk van een arbeider in een katoenfabriek te Blantyre. Des avonds wijdde hij zich aan zijne studiën. Overdag legde hij zijne boeken geopend in zijn nabijheid, en bij het dreunen der machines las hij wat hij er van lezen kon. »Hieraan”, zegt hij, »dank ik het vermogen om mij gansch en al te onttrekken aan al het leven, dat men om mij heen maken mag, en rustig te zitten lezen of schrijven te midden van spelende kinderen of wel van een troep dansende en huilende wilden.”

David Livingstone.David Livingstone.

David Livingstone.

Hij was reeds negentien jaar en nog was hij maar wever opeen fabriek. Zijn loon, dat ondertusschen wat verhoogd was, stelde hem in staat, ’s avonds een zekeren cursus van geneeskunst en godsdienst bij te wonen. Hij werd een door en door godsdienstig man, met een kloek, mannelijk, gezond geloof. Zijn vaderland droeg hij een innige liefde toe en niets kwam hem zoo benijdbaar voor als zich toe te wijden aan de leniging van menschelijke ellende. Ondertusschen promoveerde hij, na volhardende studie, in de genees- en heelkunde.

Livingstone had deze kennis opgedaan, met het doel haar dienstbaar te maken aan het heil der Chineezen, onder wie hij als zendeling en geneeskundige arbeiden wilde. Hij bood zijne diensten aan bij het zendingsgenootschap te Londen, juist op denzelfden tijd waarop Moffat in Engeland terugkwam, na lange jaren onder de Afrikanen te hebben doorgebracht. Livingstone won goeden raad in bij dezen uitnemenden zendeling, en ondernam op den leeftijd van zeven-en-twintig jaren een zendingstocht naar Afrika.

Na een lange zeereis gemaakt te hebben, landde hij aan de Kaap, waar hij eenige jaren doorbracht en met Moffat’s dochter in het huwelijk trad. Een waardiger levensgezellin, een vrouw met meer moed, liefde en toewijding, zou hij nergens gevonden hebben. Livingstone drong tot het land der Bechuranas door, een volkje dat nog door niemand bezocht geworden was. Van den aanvang van zijn nieuwe loopbaan af nam hij zich voor de europeesche levenswijs vaarwel te zeggen en zich tegen alle vermoeienis te verharden. Zoo ondernam hij een reeks van reizen, van meer dan 130 kilometers lengte, ’t zij te voet, ’t zij in een met ossen bespannen wagen. De inboorlingen hadden hem eerst uitgelachen wegens zijn weinig indrukwekkend voorkomen. »Hij is zwak,” zeiden zij, »hij houdt het niet lang uit.” Maar Livingstone, die dit oordeel gehoord had, reisde met versnelden pas voort, en dwong zijne reisgenooten te volgen, die weldra eerbied kregen voor zijne kracht en volharding. Een gevecht met een aantal leeuwen, die voor zijne geweerschoten op de vlucht gingen of gedood werden, maakte bovendien een diepen indruk. Een dezer dieren greep hem bij den bovenarm en verminkte dien zoo, dat het den reiziger na dien tijd steeds moeielijk viel het geweer te schouderen, en na zijn sterven zijn lijk herkend werd aan de sporen, die van de wonden overgebleven waren.

Eerst in 1849 besluit Livingstone naar het Noorden van Afrika te trekken. Met de heeren Murray en Oswel volgt hij de Zoega en bereikt het Ngami-meer, na een afstand van 4800 kilometers te voet afgelegd te hebben.

In 1851 waagt Livingstone zich in de nog niet doorreisde gewesten van de Mekalodo. Hij trekt door Sebitoane, de hoofdplaats van dit gebied, dringt dieper door en staat versteld van deschoone natuurtooneelen, die zich voordoen aan zijn oog: weelderige landouwen, besproeid door rivieren en stroomen, rijke, vruchtbare dalen en schoone meren, bewoond door een rustige, nijvere bevolking. Nu gaat het van ontdekking tot ontdekking. Na groote gevaren, ongehoorde vermoeienissen, steeds nieuwe krachtsinspanning, komt hij in 1852 aan de Westkust van Afrika, te Saint-Paul de Loanda, een portugeesch station. Hoe voortvarend ook, hier moet hij een tijd lang vertoeven en uitrusten van zijn vermoeienissen. Hij wordt ernstig krank, en maanden lang strijdt hij met den dood. Maar het leven behoudt de overhand, hij herstelt en zijne klachten keeren weder. Maar in plaats van nu zich zelven te sparen en op rust te zinnen, vat hij onmiddellijk zijne oude reisplannen weder op. Hij wil Afrika in zijne gansche breedte doorreizen, vat den tocht moedig aan en komt in 1856 te Quilimane aan Afrika’s Oostkust.

Na dezen prachtigen zegetocht komt Livingstone rijk aan ontdekkingen in Londen terug. Overal juicht men hem toe en de gouden eerepenningen van de Aardrijkskundige Genootschappen, zoo van Parijs als van Londen, worden hem toegekend. Het verslag van deze reis heeft Livingstone zelf opgesteld onder den titel van »Zendingsreizen en onderzoekingen van Zuid-Afrika.”

Na dit boek afgewerkt te hebben, trekt hij weder naar het Zuiden en gaat op nieuwe ontdekkingen uit. Zijn reis naar de Zambesi zal steeds merkwaardig blijven. Verrassing op verrassing valt den reiziger te beurt bij de talrijke stroomen, die deze rivier voeden, en de merkwaardige streken, die er door worden besproeid. Maar dit vruchtbare land werd voor Livingstone een plaats der beproeving. Hij verloor er zijn trouwe en moedige vrouw, die de kracht en den moed gehad had zijn levensgezellin en reisgenoote te zijn.

Na op nieuw naar Engeland te zijn teruggekeerd, wil hij de bronnen van de Zaïre zoeken, en hij verlaat zijn vaderland om het nimmer weder te zien.

Weder nieuwe veroveringen! Hij is in geheimzinnige oorden verdwenen, maar wordt door Stanley, den kloeken verslaggever van de New-York Herald te Oudjidji, bij het meer Tanganyika, wedergevonden. Stanley biedt hem de noodige hulp en geeft der wereld bericht aangaande den moedigen onderzoeker. Zijn krachten zijn uitgeput. Toch acht hij zijn taak niet volbracht en wil hij die ten einde toe afwerken. In 1872 verdwijnt hij, en meer dan een jaar verloopt er, voor men iets van hen verneemt. Eindelijk weerklinkt plotseling het bericht dat hij niet meer is, en gansch Europa, dat het oog op hem gevestigd hield, verschrikte bij de mare.

Een dezer dieren greep hem bij den bovenarm. Blz. 31.Een dezer dieren greep hem bij den bovenarm. Blz. 31.

Een dezer dieren greep hem bij den bovenarm. Blz. 31.

In het eind van April 1873 was de groote reiziger juist de moerassen doorgetrokken, die de Loeapoela van het bergvlak van Lobisa scheidt, toen de noodzakelijkheid hem dwong aldaar te blijven.Zijn geest was onvermoeid, maar zijn gestel was ondermijnd, zoo door koorts en dyssenterie als door vijfentwintig jaren van afmattenden arbeid en ontbering. Den 4denMei van genoemd jaar blies hij, omringd van eenige getrouwe dienaren, op het bergvlak van Lobisa den laatsten adem uit. Hij was 57 jaren oud.

De vierde expeditie die ter opsporing van Livingstone was uitgezonden, kwam ongeveer een maand vóór zijn dood te Zanzibar aan. De luitenants Cameron en Murphy en dokter Dillon, die den tocht leidden, namen zijn lijk in ontvangst. Den 16denApril 1874 werd het op engelschen bodem ontscheept. Naar London overgebracht, werd het door William Fergusson onderzocht en het been van den bovenarm, dat voor dertig jaren door leeuwentanden was gekneusd, stelde den dokter in staat, de indentiteit van de kostbare overblijfselen te bewijzen.

Op Zaterdag 18 April 1874 bereikte het lijk, te midden van een ontelbare en eerbiedig gestemde menigte zijn laatste rustplaats, de abdij van Westminster.

Wanneer men de vorderingen nagaat, die de wetenschap aan Livingstone dankt, wordt men van bewondering en eerbied vervuld. Vóór hem bestond er in Afrika een gansch onbekende oppervlakte van niet minder dan 3 millioen vierkante kilometers. ’t Was een eenvoudigen jongen werkman van Glascow voorbehouden er de bakens te planten voor de groote wegen der toekomst en er te arbeiden aan de bevrijding der inboorlingen, voor welke hij zoo goed als een profeet en weldoener was.

Zijn dood is voor de gansche maatschappij een waar verlies geweest. Niet elken dag ontmoet men zulke uitverkorenen, die alle deugden bezitten en te gelijk alles durven, en maar al te zelden gaat inspanning, strijd, doodsverachting en ontbering gepaard met een toewijding, die alleen het belang van de wetenschap en de menschheid op het oog heeft.

Afrika is het tooneel geweest van de grootste zelfopoffering en toewijding op het punt van landontdekking. Daar zijn: Mungo Park, vermoord of verdronken te Bousa aan den Niger, in 1805; Nightingale, overleden aan de koorts, 1841; Duranton, overleden in 1843; Eduard Vogel, verraderlijk vermoord in 1856 door den sultan van Ouadaï; en wij mogen onder degenen, die zich op dit gebied verdienstelijk hebben gemaakt, ook één onzer landgenooten tellen en dat wel een vrouw: de welbekende freule Alexandrina Tinne. Het reizen was van haar kindsheid af haar element. Haar vader bekleedde ambten in Engeland en Suriname, was koopman te Liverpool, en reisde sinds 1842 met zijn vrouw en zijn zevenjarig dochtertje Europa door. Na den dood van den heer Tinne zetten zijn vrouw en haar dochter het reizend leven voort. Zoo trokken zij samen in 1853 naar Spanje, Noorwegen, Italië, Egypte, Palestina en Nubië. Hiervond Freule Tinne het terrein, waarop zij zich te huis gevoelde. Afrika had haar steeds aangetrokken. »Zij vloog er heen als een vlinder in de kaars”, zoo zeide zij. Helaas, zij zou er zich de vleugels zengen. Doch vóór haar dood zou zij eerst den slavenhandel zoeken te keer te gaan en onbekende streken bezoeken, de wetenschap aan menschenliefde parende. Zij doorkruiste het Noorden van Afrika, zij volgde den Nijl; waar was zij niet?

Haar moeder bezweek in 1862, maar haar geest hield stand. Eindelijk zou zij een lievelingsdenkbeeld verwezenlijken. Zij zou de Algerijnsche Sahara door, en tot in het hart van Afrika dringen. Daar, waar haar als kind reeds de ledige plek op de kaart zoo gehinderd had, daar wilde zij heen. Eens mislukt de tocht. Zij keert na een zware en moeielijke reis van Marokko naar Alexandrië en Egypte terug. Maar zij geeft het niet op, zij wil naar de Toearegs en Bornoe. Zij trekt er heen met een gezelschap Arabieren, negers, Soedaneezen en twee blanken. De afpersingen der Toearegs deden meer dan eens oneenigheid ontstaan in de karavaan, en toen de eischen der gidsen en der roovers, die zich bij het reisgezelschap aansloten, niet meer konden worden ingewilligd, werden de Hollanders met freule Tinne jammerlijk vermoord. Freule Tinne gaf op al hare reizen blijk van grooten moed, van onvermoeiden onderzoekingsgeest. De eene tocht was nog niet afgeloopen of de andere werd uitgerust. Een werk, »Plantae Tinneanae”, waarin de tropische planten worden beschreven, die zij verzamelde, blijft getuigen van haar wetenschappelijken zin, en in het hart van menige vrijgekochte, ja, bij allen, met wie zij in aanraking kwam, zal zij blijven leven om haar liefde en haar groot karakter.

Niet alleen het ijs van de Noordpool en de zandwoestijnen van Afrika, neen, ook andere streken zijn getuigen geweest van wat ondernemingsgeest en dorst naar kennis vermogen. Overal lokt het onbekende den mensch aan, ja het schijnt hem toe te wenken dat hij zal komen en zich zelven zal offeren.

Op Aziatischen bodem stierf Francis Garnier. Officier der Fransche marine was hij tevens een der stoutmoedigste voorgangers en wegbereiders in vreemde gewesten.

Na van 1866–1868 aan het hoofd eener Fransche expeditie Achter-Indië doorreisd en later bij het beleg van Parijs met zijne mariniers onvergankelijke lauweren te hebben behaald, trok hij op last van het Fransche Gouvernement naar het rijk der Annamieten en wel naar Tong-King, ten einde, zoo mogelijk, de rivier de Bo-Ve van de zee af tot de grenzen van de Yun-Nan voor den franschen handel te openen. Hij had de beschikking over een kanoneerboot met zes en vijftig koppen en dertig infanteristen en mariniers. In October 1873 verliet hij Saigon en kwam in Kua-Kam. De annamitische hoofden en de mandarijnen ontvingen hem met blijkbarentegenzin en namen straks alle mogelijke, ook de leelijkste, middelen te baat, om zich van hen te ontdoen. Garnier begreep dat hij iets doen moest om de Annamieten eerbied in te boezemen en nam met niet meer dan 180 man de Citadel van Ha-Noi in, die door 7000 man werd verdedigd. Dadelijk daarop nam hij het geheele eiland Tong-King in bezit. Eenigen tijd later echter werd hij zelf in de vesting Ha-Noi belegerd en, bij gelegenheid van een uitval, gestruikeld zijnde laaghartig vermoord en onthoofd.

De eer van het eerst Australië te hebben betreden, komt aan de Nederlanders toe, die het dan ook Nieuw Holland doopten.

In 1642 zeilde Abel Tasman het »groote Zuidland” om, zooals het ook werd geheeten, en ontdekte van Diemens Land, zoo genoemd naar den toenmaligen gouverneur van Neerlands Indië. Eerst in 1770 verscheen er weder een landontdekker van naam, de beroemde Engelsche zeereiziger James Cook. Hij bereikte het eiland aan de oostelijke kust, waar het zoo goed als geheel onbekend was.

James Cook werd in 1728 te Morton in Engeland geboren. Hij was de negende spruit van een boerenknecht, werd achtereenvolgens winkelbediende en scheepsjongen en leerde zichzelven de beginselen van het teekenen, de mathesis en de sterrekunde. Drie malen deed hij de reis om de wereld en telkens bracht hij een oogst van nieuwe ontdekkingen mee. Op zijn eerste reis, in 1768, was hij vergezeld van twee geleerden, Banks en Solander, die op Otaiti den doorgang van Venus voorbij de zon zouden gadeslaan, en deed hij een verkenningstocht langs de kust van Nieuw-Zeeland.

Cook kwam over de Oost-Indiën naar Europa terug en het Zuiden van Australië omzeilende, dreigde zijn schip, deEndeavour, te stranden. Cook trad echter behouden aan land, nam de kust namens koning George III in bezit en noemde het gebied »Nieuw Wales”.

Na zijn tweeden tocht, een reis van drie jaren, volbracht te hebben, werd hem opgedragen een nader onderzoek in te stellen naar de landen van Australië. Twee schepen werden te zijner beschikking gesteld, deResolutionen deAdventure. Hij ontdekte Nieuw-Caledonië, na eerst de Nieuwe Hebriden te hebben bezichtigd, en bracht een aantal belangrijke wetenschappelijke mededeelingen mee over de streken, die hij bezocht en de inwoners, dieren en de planten, die hij er gevonden had.

In 1776 zeilde hij voor de derde maal uit. Nu gold het de vraag, of er, door het Noorden van Amerika heen, een weg bestond van Europa naar Azië. Hij maakte een reis om de nieuwe wereld, bereikte de Noordwestkust van Amerika en zocht nu door de Behringstraat de Hudsonsbaai te bereiken; maar een groote ijsvlakte stelde zich in den weg der reizigers, zoodat zij terug moesten keeren. Cook ging weder langs de kust van Amerika, begaf zich naar deSandwich-eilanden, om er te overwinteren, bereikte Owahaï en liet in een der baaien van dat eiland het anker vallen. Helaas, hij zou het er niet weder lichten.

Cook en zijne reisgezellen knoopten al spoedig betrekkingen aan met de inboorlingen. Nooit nog, zoo verklaarde de groote zeevaarder, heb ik wilden gevonden, die zoo weinig wantrouwend en zoo vrijmoedig waren als deze. Zij zonden de waren, die zij verkoopen wilden, naar de schepen, en kwamen vervolgens zelven op de schepen om den prijs te bepalen. Ook moet tot hun eer gezegd worden dat zij bij dezen ruilhandel geen enkele maal hebben gepoogd de Engelschen te bedriegen.

Maar dit vriendschappelijk verkeer zou spoedig door twist en strijd worden afgebroken. De inboorlingen wapenden zich met steenen en zochten hunne landgenooten te verhinderen de Engelschen, bij het inschepen hunner gevulde watertonnen, bij te staan. Cook liet vuren; maar nu volgde er zulk een jacht van steenen, dat de Engelschen op de vlucht gedreven werden, die al zwemmend zich in veiligheid zochten te brengen, terwijl de eilanders den sloep vermeesterden. Cook, vreezende dat zijn gezag een al te gevoeligen knak zou krijgen, besloot den volgenden dag aan land te gaan en den koning met de voornaamste hoofden des lands gevangen op het schip te brengen en hen als gijzelaars bij zich te houden, zoolang totdat de sloep zou zijn teruggegeven. Nauwelijks echter was hij geland, of hij zag zich met de zijnen van wilden omringd; weder dreigden zij, en Cook schoot er een neer; maar nu volgde een groote verwarring. De wilden gunden de Engelschen den tijd niet hunne geweren te laden, zij vielen op hen aan, zoodat Cook hun ried ordelijk terug te trekken. Hij zelf stelde zich tusschen zijne makkers en den vijand; zoo lang hij hen in het oog hield, durfden zij hem niet aan, want zij hadden een bijgeloovige vrees voor hem; maar nauwelijks had hij zich omgekeerd, om aan de manschappen zijne bevelen te geven, of hij werd met een dolk in den rug getroffen, en zonk neder met het aangezicht in de zee. Nu zetten de eilanders het op een schreeuwen en juichen, en koelden hun woede aan het deerlijk verminkte lijk van den moedigen zeeheld, die stierf op het veld van eer.

Na Columbus is Cook zeker de meest gevierde en geliefde zeereiziger. Geen wonder, Cook was als geschapen voor de roeping, die hij volgde. Hij had een herculische lichaamskracht, zijn geest en karakter waren als uit metaal gegoten, en zijn koelbloedigheid evenaarde zijn geestdrift en zijn ijvervuur. Cook had een buitengewone lengte. Hij mat 1 meter en 79 centimeter. Zijn gelaat was streng van uitdrukking. Hij was stilzwijgend, gehard en hardvochtig; maar rechtvaardig in den hoogsten graad.

De groote Stille Zuidzee heeft nog meer martelaars aan tewijzen. La Perouse, een fransch zeeofficier, werd omstreeks 1780 door zijn regeering uitgezonden, om de reizen van Cook voort te zetten en een doorvaart te zoeken langs het Noorden van Amerika. Met De Langle zou hij ongekende oorden verkennen, een onderzoek instellen naar de walvischvangst in het Zuiden, en naar de pelterijen in het Noord-Westen van Amerika, de nog weinig bezochte Westkust van dit werelddeel bezoeken, de zeeën van China en Japan bezeilen, Australië aandoen, en in al die streken planten en metalen zoeken, de inboorlingen bestudeeren, handelsverkeer openen.

Twee fregatten, deBoussoleen deAstrolabe, lagen te Brest gereed. La Perouse zou over het eerste, De Langle over het andere bevel voeren. La Perouse vaarde kaap Horn om, zeilde noordwaarts op naar den berg van St. Hélie en ontdekte onder anderen de baai van Monti. Verder ging het langs de Sandwich-eilanden naar de Filippijnsche eilanden, naar Japan en de Oostkust van Azië. Daar werd De Langle, wijl hij de schepen van versch regenwater liet voorzien, bij het instappen van den sloep door prauwen met inboorlingen omringd, die hem met knuppelslagen vermoordden. Robert de Paul Lamanon, die als natuurkundige de reis medemaakte, werd met elf matrozen aan zijne zijde gedood.

La Perouse verliet dit noodlottig oord en landde den 26stenJanuari 1783 te Botany-baai. Hij schreef een langen brief aan den minister van marine, waarin hij den uitslag zijner ontdekkingstochten en het verlies zijner reisgenooten mededeelde, met bericht dat hij naar Frankrijk onder zeil ging.

Dit was la Perouse’s laatste brief. Men hoorde niets, noch omtrent hem zelven, noch omtrent zijne schepen, totdat in 1826 de engelsche zeekapitein Peter Dillon op de klippen der Hebriden de overblijfselen vond der schepen, met een paar kanonnen en ankers. Dit was alles, wat van deAstrolabeen deBoussoleoverig was; maar ’t waren welsprekende getuigen van het vreeselijk einde van dezen roemruchtigen zeetocht.

Doch wij willen naar Australië terugkeeren. Een duitsch onderzoeker, Leichardt, vatte in 1848 het plan op de binnenlanden te bezoeken van het vasteland van Australië. Eerst slaagde hij er in, dit onbekende land in noord-westelijke richting te doorsnijden, daarbij een weg afleggende van 3000 kilometers. Hierdoor aangemoedigd, vatte hij het plan op het eiland in zijn grootste breedte, van het Westen naar het Oosten, te doorkruisen. Hij vertrok in het begin van 1848 van Brisbane en bereikte de rivier de Cagoon, die 480 kilometers van de zee ligt. Maar sedert ontving men geen tijding van den moedigen reiziger. Tien jaren later vonden de gebroeders Gregory eenige sporen van deze expeditie bij de rivier Victoria.

Omstreeks dienzelfden tijd deed een australisch volkplanter Kennedy zijn best de oostelijke kusten van Carpentaria te verkennen.Hij drong zoolang voort tot zijne levensmiddelen uitgeput raakten. Al zijne reisgenooten verlieten hem, op een inboorling na, die ’t moest aanzien hoe de ongelukkige Kennedy door de afschuwelijke menscheneters der binnenlanden doodgeslagen werd. Zelf ontkwam de getrouwe ter nauwernood, om de treurige tijding over te brengen.

Het vreeselijk uiteinde van Kennedy en Leichardt weerhield noch de gebroeders Gregory, noch anderen de woeste binnenlanden te doorkruisen, en onder deze is Burke de eerste geweest, die het vaste land van Australië, van Melbourne tot de golf van Carpentaria, is doorgetrokken. Ook hij heeft dezen roem met zijn leven betaald.

De Ier Thomas O’Hara Burke vertrok uit Melbourne, op den 2OstenAugustus 1860, aan het hoofd van een volledig uitgerust gezelschap, waaronder de sterrekundige Wills. Op het einde van September bereikte hij, tusschen 25° en 26° zuiderbreedte, den grooten steenwoestijn, waar vóór 15 jaren de reiziger Start zes maanden in de grootste moeilijkheden had doorgebracht en zijn reismakker Poole van dorst was omgekomen. Burke en de zijnen waren gelukkiger. Zij kwamen ongedeerd aan de andere zijde van de groote woestijn, die door de juist gevallen regenbuien overal meren en oazen vertoonde. De tochtgenooten drongen in de vallei van Yappar door, en hun veerkracht werd niet weinig versterkt toen zij aan gewisse teekenen ontdekten dat de zee niet verre meer wezen kon. Burke en de zijnen hadden nog maar een vlakte door te trekken, en zij waren er, maar ongelukkig was die vlakte met ondoordringbaar struikgewas bezet. De reizigers waren zwak, de paarden en kameelen waren voor het grootste gedeelte gestorven, en die overgebleven waren weigerden verder te gaan. De levensmiddelen begonnen schaars te worden. Onder die omstandigheden terug te keeren was een moeielijke zaak, doch er schoot niets anders over, en bij dezen terugtocht stierven Burke en Wills van vermoeienis en uitputting in de vallei van Cooper.

Zij hadden hun weg geteekend. Een kleurling, John Mac Douall Stuart gelukte het, eenigen tijd later, denzelfden tocht tot zijn einddoel voort te zetten en de zee te bereiken, dien Burke alleen van verre had hooren ruischen.

Zoowel door deze heldhaftige pogingen, als door zoo menige onderneming van jonger datum en gelukkiger uitslag, zooals die van Landsborough, Mac Kinlay, Hardwicke, Cowle, Gilles, Warburton, begint Nieuw-Holland, evenals Afrika, meer bekend te worden. Toch blijft er nog genoeg te doen over.1Ten Noord-Westen levert het land van Tasman ten Noorden het land van Arnhem,ten Noord-Oosten het land van Carpentaria en het schiereiland van York nog altijd een ruim veld op, waar toekomstige landontdekkers roem behalen en kennis vermeerderen kunnen. Men rekent dat van de 6 353 000 vierkante kilometers, die de oppervlakte van dit eiland uitmaken, een derde gedeelte nog nader onderzocht moet worden. Zoo blijkt wel dat het werk van den enkelen mensch weinig beteekent, en de verovering van den aardbodem een arbeid is voor de eeuwen, die zeker maar langzaam voltooid wordt.

1Zoo moet pas onlangs in Australië de hoogste berg der aarde ontdekt zijn.↑

1Zoo moet pas onlangs in Australië de hoogste berg der aarde ontdekt zijn.↑

1Zoo moet pas onlangs in Australië de hoogste berg der aarde ontdekt zijn.↑


Back to IndexNext