HOOFDSTUK XI.

Het volk dat het grove werk doet. Bladz. 164.Het volk dat het grove werk doet. Bladz. 164.HOOFDSTUK XI.DE GEWONE SOLDAAT.Wij hebben in de voorgaande bladzijden de hoofdofficieren bewonderd van het groote leger van den arbeid en den vooruitgang, strijdend tegen sleur en behoud. Telkens drong het leger verder door, het rijk der duisternis veroverend, zijne regeerders trotseerend, overwinnend. Telkens zagen wij hoe de vijand dien voortgang stuiten wilde, zich in allerlei vestingen verschanste, uitvallen deed, zich terugtrok en nieuwe vestingen opzocht, die hij met hand en tand verdedigde, en hoe ondertusschen de kleine maar edele keurbende, gewond en vermoeid, met heldenmoed voortschreed en telkens nieuwe steden en provinciën aan het rijk des lichts toevoegde.Zeker, de hoofden van dien strijd hebben veel te verduren gehad. Zij stonden op de gevaarlijkste punten en op hen waren de kogels gericht. Zij gingen de gelederen voor, en het punt, waar hun pluim wapperde, was des vijands mikpunt. Zij zijn gewond weggedragen, zij zijn gesneuveld, zij zijn bij den weg neergezegen; maar zij zijn niet de eenige offers geweest, die de arbeid, die de vooruitgang gekost heeft. We willen ten slotte nog een woord spreken over de arme soldaten, de eenvoudige fuseliers, op wie niemand gelet heeft, die niet bij personen, maar bij tien- of honderdtallen geteld worden, die opkomen bij massa en in massa worden weggemaaid, zonder dat hunne namen beroemd of ook maar bekend worden.Toch is men aan dit leger even goed de overwinning verplicht, als aan den overste. ’t Is waar—zonder overste zou het een hoop zijn, een reddelooze troep. Het genie wijst den weg, ordent, schept uit den chaos des volks regimenten en compagnieën, stelt onderofficieren aan, leidt den aanval, kiest de wapenen; maar wat zou het genie zijn zonder de gehoorzaamheid, den goeden wil, den goeden geest, de kracht, den gezamenlijken arbeid van het volk? Soms is het oproerig en dreigt het de Jacquards te water te werpen, maar, leidzaam en klein tegenover hem die weet te gebieden, laat het, hoe machtig ook door zijn aantal, van zijn voornemen af, wanneer een paar kloeke mannen, zijne meerderen in adel en moed, zich tusschenbeiden werpen en werken op zijn edelmoedigheid en zijne betere gezindheden.Eere dat groote leger, eere den grooten hoop, zonder epauletten en kwasten en strepen, marcheerend met doorgeloopen voeten, zwetend onder zware ransels, wadend door plassen, staande op sombere, stille, gevaarlijke, vervelende posten, op den roep zijner hoofden vaardig, oprukkend met een lied op de lippen, al is het geen krijgsklaroen, maar een prozaische fabrieksbel die hen roept!Want met de soldaten van de wetenschap hebben wij te doen, met het volk dat het grove werk doet, dat in tropische gewesten bij de heete ovens en machines onzer mailbooten staat, dat zijne uren in de verzengende droogkamers der fabrieken doorbrengt, dat tusschen dreigende raderen en hamers doorwandelt en, bij een pand van zijn kleed gegrepen, weggeslingerd of verpletterd wordt. Het kucht van het stof, hetwelk het inademt, en dat in de messenfabrieken de longen vult met moordend ijzervijlsel; het wordt vergiftigd door den dampkring waarin het leeft; martelaar voor dezelfde zaak, waarvoor de hoofden stierven. Waar ketels springen, waar tunnels storten, waar steigers vallen, waar dynamiet ontploft, zij zijn er bij. Toch gaan zij voort. Doen zij ook geen ontdekkingen, zij brengen er toch het hunne toe bij. Zij brengen haar in werking, en waar het noodig is, weten ook zij te lijden en te sterven.De geschiedenis der mijnwerkers zou alleen reeds een voldoend aantal voorbeelden kunnen opleveren van moed en toewijding. Zij bevat zoo menig hartverscheurend drama. Wij hebben ze voor het grijpen.Den 11denApril 1877 werd de put Tynewidd door een groote ramp bezocht. Zij ligt in het graafschap Glamorgan, dat van alle districten van Wales het rijkst is in steenkool en ijzer. De werklieden maakten zich juist gereed naar boven te stijgen, toen er een vervaarlijk gedruisch in de mijn werd gehoord. Door een lek stortte het water van de rivier de Ronde de gangen binnen en vulde ze met vreeselijke snelheid. IJlings liep het volk naar de manden, waarin het zou worden omhoog getrokken, doch bij de monsteringmistemen veertien man. Als een geweldige wind stroomde de opgestuwde lucht uit den mond van de put en van binnen werd nog altijd het gedruisch van het water vernomen. Er was weinig kans dat de veertien man behouden gebleven zouden zijn. Ze moesten door het water in den afgrond gesleurd of in de nauwe zich vullende gangen verdronken zijn. Doch eenige vrijwilligers wilden dan ten minste de lijken der ongelukkige slachtoffers zien te redden—een vroom en edel gebruik, waarvan de mijnwerker zich niet laat afbrengen, al moet het hem zijn leven kosten.Terwijl zij samen overlegden welke maatregelen zij treffen zouden, hoorden zij, onder den bodem waarop zij stonden, een herhaald kloppen. Daar moesten eenige werklieden gevangen zitten onder een kolenlaag van een tiental meters dikte. De lucht was door den aandrang van het water samengeperst geworden, de saamgeperste lucht had in de doodloopende gang of de kamer het water tegengehouden, en zoo zaten de ongelukkigen daar als in een duikerklok opgesloten.De kloeke redders begonnen met de noodseinen der gevangenen te beantwoorden en insgelijks hard te kloppen. Vervolgens trachtten zij een opening te maken, waardoor licht en leven zou binnenstroomen. Na vierentwintig uren gewerkt te hebben, bleef er slechts een dunne laag over. Onder degenen, die met den meesten ijver in den zwarten scheidsmuur hakten, behoort William Morgan. Hoe verder hij komt, hoe krachtiger hij toeslaat. Eindelijk scheurt het laatste gedeelte onder zijn houweel in stukken, en de ongelukkigen zijn gered; maar de samengeperste lucht breekt tegelijk, met al het geweld eener ontploffing, uit haar kerker los, en werpt den ijverigen redder dood voor den grond, op het oogenblik waarop hij zijn makkers in vrijheid stelt.Nauwelijks is dit geschied, of nieuwe noodseinen worden gegeven. In een ander gedeelte van de mijn zitten er nog meer gevangen. De dood van Morgan schrikte niemand af. Dagen verstrijken bij den aanhoudenden arbeid. Twee helden, Isaac Pride en Happy Dodd, houden vol. Na negen dagen arbeidens hebben zij een gat geopend, waardoor zij, te midden van een fellen luchtstroom en opspuitend water, vijf man levend naar boven brengen. Zij hadden negen dagen in dien ellendigen toestand, half in het water, doorgebracht, zonder voedsel, zonder versche lucht. Zij hadden een kind bij zich, dat zij, in weerwil van hun uitputting, aanhoudend in de handen omhoog geheven hadden, om het boven het wassend water te houden.Loopen de mijnen vol, zij storten ook in, of het mijngas ontploft en richt in de schachten en gangen geweldige vernielingen aan.Den 17denApril van het jaar 1879 had er een ontploffing van mijngas plaats in de put No. 2 van Agrappe, bij het spoorwegstationvan Frameries, in de nabijheid van Mons (België). Alle voorzorgen waren genomen en wel met de meeste nauwkeurigheid, en ’s morgens waren 200 werklieden in de mijn nedergedaald. Ten half acht ure maakte men de opmerking dat een vuile reuk uit de schacht oprees, en men zond den mijn-ingenieur een ijlbode om hem met dit ongewoon verschijnsel bekend te maken. Immers moest de schacht dienen om de versche lucht binnen te laten. Maar voordat eenige hulp kon geboden worden, was de werkplaats van den machinist met mijngas gevuld. Onmiddellijk volgde er een ontploffing, waarbij tien personen het leven verloren. Te gelijkertijd vlogen de vlammen uit de mijnschacht naar het houten getimmerte op, dat terstond in brand geraakte, en die ontzettende gasvlam, van 3.60 M. in omtrek, bleef twee uren lang branden, zonder dat het vuur zich aan de diepte mededeelde. Er werd dan ook in al dien tijd geen ontploffing vernomen. Ten half tien ure evenwel was het vuur gedaald en hoorde men onder den grond het gedreun eener ontploffing. Van kwartier tot kwartier herhaalde zich dit, en ten elf ure had de negende, de laatste, maar tevens de geweldigste losbarsting plaats. Wat was er ondertusschen in de diepte van de mijnwerkers geworden? De mijn was ontoegankelijk, de gloeiende, vlammende, rokende balken vielen in en op den luchtkoker en op den ingang neer. Ten half vier ure had men den luchtkoker, een put met ladders, vrij gemaakt van het brandend hout. Men redde 87 arbeiders, en vernam met ontsteltenis, dat de anderen naar de benedenste gangen waren nedergedaald. Zij moesten daar allen zijn omgekomen. Den 4denMei had er te Frameries een eigenaardige plechtigheid plaats. Aan elf mijnwerkers werd de Leopoldsorde uitgereikt, tot een belooning voor hun edelmoedig gedrag bij het redden hunner makkers.Overal ontmoet men zulke martelaars voor eer en plicht. Zij maken geen naam, ook niet bij een dankbaar nageslacht, maar behooren niettemin tot degenen, die begrijpen wat het leven is, wat het vordert.Zoo een enkele maal dit boek het gemoed heeft bewogen en geroerd; zoo al deze edele daden en voorbeelden den lezer eerbied hebben ingeboezemd; zoo zij de gedachte hebben verlevendigd, dat zijn plicht te vervullen en te arbeiden het hoogste is en blijft, en alle offers waard is, dan is dit werk niet te vergeefs geweest. Want dit boek moge meer zijn dan een verzameling curiositeiten: het is een prediking. Zoovele namen hier schitteren, zoovele getuigen hebben wij opgeroepen voor de grootheid van een leven van strijd en zelfopoffering en toewijding. Al deze mannen hadden een burgerlijk bestaan kunnen vinden, hadden geld kunnen verdienen, schade en vervolging kunnen ontloopen: zij hebben het niet gedaan. In hun binnenste brandde de liefde voor de waarheid. Ook toenzij werden tegengehouden, toen de wereld zeide: »gij zult de sleur volgen, of anders zullen wij u wel dwingen uwe pogingen te staken,” ook toen zijn zij voortgegaan, ja, de tegenstand prikkelde hen, en naarmate zij meer offers brachten, hebben zij de zaak, waaraan zij zich wijdden, meer lief gekregen. Onpraktisch vaak en niet wijs naar de wereld, hebben zij anderen het voordeel gegund of moeten afstaan van hun arbeid, terwijl zij tevreden waren met de blijdschap hunner vinding. Welgedane en gegoede menschen van zaken zien op hen neder en halen de schouders op; en in een tijd van geld maken en fraaie kleederen dragen moeten deze helden, die vrijwillig ontbering en armoede geleden hebben, wel dwazen gelijken. Maar de genius der menschheid kroont hen. Zij hebben geleefd voor een denkbeeld, voor een schoon plan, voor eene waarheid en zich rijk gevoeld. Met hunne eigene gedachten hebben zij verkeerd, verheven boven de kleinheid der wereld, zelfgenoegzaam en in vrede met zich zelven. Stil en nederig zijn zij hun weg gegaan, trouw en goed; want opmerkelijk is het, hoeveel adel des harten zich aan den adel des geestes paart. Anderen eindelijk hebben zij den weg gewezen, de wereld hebben zij verder gebracht, en terugziende op de wolk van getuigen, zullen wij niet meer zeggen, dat zijn voordeel te bejagen en ’t er van te nemen het hoogste en het beste is.Aan niemand kan worden aangetoond dat een leven voor een schoon doel het ware, echte leven is, al wordt het ook slecht beloond. Maar licht zal de grootheid van ziel, licht zal de deugd op deze bladzijden voor zichzelve spreken, waar zij zich in haar eenvoud en schoonheid openbaart. Een praktische zin is zeker geen geringe gave. Maar is niet de kunst, de vinding, de ontdekking, het openen van nieuwe wegen, het voorgaan langs het nieuwe spoor de hoogste, de beste praktijk? Waren zij niet in de hoogste mate praktisch, onze martelaars, waar zij in hun geestdrift en liefde zulk een kloeken greep deden in het leven, dat de wereld er den schok van gevoelde en door hen veranderd en verbeterd werd?Zoo laat ons dan een open oog houden om deze dingen te bevorderen, een hart om deze mannen te vereeren, om hun liefde, opoffering en volharding in het goede te verstaan en na te volgen!

Het volk dat het grove werk doet. Bladz. 164.Het volk dat het grove werk doet. Bladz. 164.HOOFDSTUK XI.DE GEWONE SOLDAAT.Wij hebben in de voorgaande bladzijden de hoofdofficieren bewonderd van het groote leger van den arbeid en den vooruitgang, strijdend tegen sleur en behoud. Telkens drong het leger verder door, het rijk der duisternis veroverend, zijne regeerders trotseerend, overwinnend. Telkens zagen wij hoe de vijand dien voortgang stuiten wilde, zich in allerlei vestingen verschanste, uitvallen deed, zich terugtrok en nieuwe vestingen opzocht, die hij met hand en tand verdedigde, en hoe ondertusschen de kleine maar edele keurbende, gewond en vermoeid, met heldenmoed voortschreed en telkens nieuwe steden en provinciën aan het rijk des lichts toevoegde.Zeker, de hoofden van dien strijd hebben veel te verduren gehad. Zij stonden op de gevaarlijkste punten en op hen waren de kogels gericht. Zij gingen de gelederen voor, en het punt, waar hun pluim wapperde, was des vijands mikpunt. Zij zijn gewond weggedragen, zij zijn gesneuveld, zij zijn bij den weg neergezegen; maar zij zijn niet de eenige offers geweest, die de arbeid, die de vooruitgang gekost heeft. We willen ten slotte nog een woord spreken over de arme soldaten, de eenvoudige fuseliers, op wie niemand gelet heeft, die niet bij personen, maar bij tien- of honderdtallen geteld worden, die opkomen bij massa en in massa worden weggemaaid, zonder dat hunne namen beroemd of ook maar bekend worden.Toch is men aan dit leger even goed de overwinning verplicht, als aan den overste. ’t Is waar—zonder overste zou het een hoop zijn, een reddelooze troep. Het genie wijst den weg, ordent, schept uit den chaos des volks regimenten en compagnieën, stelt onderofficieren aan, leidt den aanval, kiest de wapenen; maar wat zou het genie zijn zonder de gehoorzaamheid, den goeden wil, den goeden geest, de kracht, den gezamenlijken arbeid van het volk? Soms is het oproerig en dreigt het de Jacquards te water te werpen, maar, leidzaam en klein tegenover hem die weet te gebieden, laat het, hoe machtig ook door zijn aantal, van zijn voornemen af, wanneer een paar kloeke mannen, zijne meerderen in adel en moed, zich tusschenbeiden werpen en werken op zijn edelmoedigheid en zijne betere gezindheden.Eere dat groote leger, eere den grooten hoop, zonder epauletten en kwasten en strepen, marcheerend met doorgeloopen voeten, zwetend onder zware ransels, wadend door plassen, staande op sombere, stille, gevaarlijke, vervelende posten, op den roep zijner hoofden vaardig, oprukkend met een lied op de lippen, al is het geen krijgsklaroen, maar een prozaische fabrieksbel die hen roept!Want met de soldaten van de wetenschap hebben wij te doen, met het volk dat het grove werk doet, dat in tropische gewesten bij de heete ovens en machines onzer mailbooten staat, dat zijne uren in de verzengende droogkamers der fabrieken doorbrengt, dat tusschen dreigende raderen en hamers doorwandelt en, bij een pand van zijn kleed gegrepen, weggeslingerd of verpletterd wordt. Het kucht van het stof, hetwelk het inademt, en dat in de messenfabrieken de longen vult met moordend ijzervijlsel; het wordt vergiftigd door den dampkring waarin het leeft; martelaar voor dezelfde zaak, waarvoor de hoofden stierven. Waar ketels springen, waar tunnels storten, waar steigers vallen, waar dynamiet ontploft, zij zijn er bij. Toch gaan zij voort. Doen zij ook geen ontdekkingen, zij brengen er toch het hunne toe bij. Zij brengen haar in werking, en waar het noodig is, weten ook zij te lijden en te sterven.De geschiedenis der mijnwerkers zou alleen reeds een voldoend aantal voorbeelden kunnen opleveren van moed en toewijding. Zij bevat zoo menig hartverscheurend drama. Wij hebben ze voor het grijpen.Den 11denApril 1877 werd de put Tynewidd door een groote ramp bezocht. Zij ligt in het graafschap Glamorgan, dat van alle districten van Wales het rijkst is in steenkool en ijzer. De werklieden maakten zich juist gereed naar boven te stijgen, toen er een vervaarlijk gedruisch in de mijn werd gehoord. Door een lek stortte het water van de rivier de Ronde de gangen binnen en vulde ze met vreeselijke snelheid. IJlings liep het volk naar de manden, waarin het zou worden omhoog getrokken, doch bij de monsteringmistemen veertien man. Als een geweldige wind stroomde de opgestuwde lucht uit den mond van de put en van binnen werd nog altijd het gedruisch van het water vernomen. Er was weinig kans dat de veertien man behouden gebleven zouden zijn. Ze moesten door het water in den afgrond gesleurd of in de nauwe zich vullende gangen verdronken zijn. Doch eenige vrijwilligers wilden dan ten minste de lijken der ongelukkige slachtoffers zien te redden—een vroom en edel gebruik, waarvan de mijnwerker zich niet laat afbrengen, al moet het hem zijn leven kosten.Terwijl zij samen overlegden welke maatregelen zij treffen zouden, hoorden zij, onder den bodem waarop zij stonden, een herhaald kloppen. Daar moesten eenige werklieden gevangen zitten onder een kolenlaag van een tiental meters dikte. De lucht was door den aandrang van het water samengeperst geworden, de saamgeperste lucht had in de doodloopende gang of de kamer het water tegengehouden, en zoo zaten de ongelukkigen daar als in een duikerklok opgesloten.De kloeke redders begonnen met de noodseinen der gevangenen te beantwoorden en insgelijks hard te kloppen. Vervolgens trachtten zij een opening te maken, waardoor licht en leven zou binnenstroomen. Na vierentwintig uren gewerkt te hebben, bleef er slechts een dunne laag over. Onder degenen, die met den meesten ijver in den zwarten scheidsmuur hakten, behoort William Morgan. Hoe verder hij komt, hoe krachtiger hij toeslaat. Eindelijk scheurt het laatste gedeelte onder zijn houweel in stukken, en de ongelukkigen zijn gered; maar de samengeperste lucht breekt tegelijk, met al het geweld eener ontploffing, uit haar kerker los, en werpt den ijverigen redder dood voor den grond, op het oogenblik waarop hij zijn makkers in vrijheid stelt.Nauwelijks is dit geschied, of nieuwe noodseinen worden gegeven. In een ander gedeelte van de mijn zitten er nog meer gevangen. De dood van Morgan schrikte niemand af. Dagen verstrijken bij den aanhoudenden arbeid. Twee helden, Isaac Pride en Happy Dodd, houden vol. Na negen dagen arbeidens hebben zij een gat geopend, waardoor zij, te midden van een fellen luchtstroom en opspuitend water, vijf man levend naar boven brengen. Zij hadden negen dagen in dien ellendigen toestand, half in het water, doorgebracht, zonder voedsel, zonder versche lucht. Zij hadden een kind bij zich, dat zij, in weerwil van hun uitputting, aanhoudend in de handen omhoog geheven hadden, om het boven het wassend water te houden.Loopen de mijnen vol, zij storten ook in, of het mijngas ontploft en richt in de schachten en gangen geweldige vernielingen aan.Den 17denApril van het jaar 1879 had er een ontploffing van mijngas plaats in de put No. 2 van Agrappe, bij het spoorwegstationvan Frameries, in de nabijheid van Mons (België). Alle voorzorgen waren genomen en wel met de meeste nauwkeurigheid, en ’s morgens waren 200 werklieden in de mijn nedergedaald. Ten half acht ure maakte men de opmerking dat een vuile reuk uit de schacht oprees, en men zond den mijn-ingenieur een ijlbode om hem met dit ongewoon verschijnsel bekend te maken. Immers moest de schacht dienen om de versche lucht binnen te laten. Maar voordat eenige hulp kon geboden worden, was de werkplaats van den machinist met mijngas gevuld. Onmiddellijk volgde er een ontploffing, waarbij tien personen het leven verloren. Te gelijkertijd vlogen de vlammen uit de mijnschacht naar het houten getimmerte op, dat terstond in brand geraakte, en die ontzettende gasvlam, van 3.60 M. in omtrek, bleef twee uren lang branden, zonder dat het vuur zich aan de diepte mededeelde. Er werd dan ook in al dien tijd geen ontploffing vernomen. Ten half tien ure evenwel was het vuur gedaald en hoorde men onder den grond het gedreun eener ontploffing. Van kwartier tot kwartier herhaalde zich dit, en ten elf ure had de negende, de laatste, maar tevens de geweldigste losbarsting plaats. Wat was er ondertusschen in de diepte van de mijnwerkers geworden? De mijn was ontoegankelijk, de gloeiende, vlammende, rokende balken vielen in en op den luchtkoker en op den ingang neer. Ten half vier ure had men den luchtkoker, een put met ladders, vrij gemaakt van het brandend hout. Men redde 87 arbeiders, en vernam met ontsteltenis, dat de anderen naar de benedenste gangen waren nedergedaald. Zij moesten daar allen zijn omgekomen. Den 4denMei had er te Frameries een eigenaardige plechtigheid plaats. Aan elf mijnwerkers werd de Leopoldsorde uitgereikt, tot een belooning voor hun edelmoedig gedrag bij het redden hunner makkers.Overal ontmoet men zulke martelaars voor eer en plicht. Zij maken geen naam, ook niet bij een dankbaar nageslacht, maar behooren niettemin tot degenen, die begrijpen wat het leven is, wat het vordert.Zoo een enkele maal dit boek het gemoed heeft bewogen en geroerd; zoo al deze edele daden en voorbeelden den lezer eerbied hebben ingeboezemd; zoo zij de gedachte hebben verlevendigd, dat zijn plicht te vervullen en te arbeiden het hoogste is en blijft, en alle offers waard is, dan is dit werk niet te vergeefs geweest. Want dit boek moge meer zijn dan een verzameling curiositeiten: het is een prediking. Zoovele namen hier schitteren, zoovele getuigen hebben wij opgeroepen voor de grootheid van een leven van strijd en zelfopoffering en toewijding. Al deze mannen hadden een burgerlijk bestaan kunnen vinden, hadden geld kunnen verdienen, schade en vervolging kunnen ontloopen: zij hebben het niet gedaan. In hun binnenste brandde de liefde voor de waarheid. Ook toenzij werden tegengehouden, toen de wereld zeide: »gij zult de sleur volgen, of anders zullen wij u wel dwingen uwe pogingen te staken,” ook toen zijn zij voortgegaan, ja, de tegenstand prikkelde hen, en naarmate zij meer offers brachten, hebben zij de zaak, waaraan zij zich wijdden, meer lief gekregen. Onpraktisch vaak en niet wijs naar de wereld, hebben zij anderen het voordeel gegund of moeten afstaan van hun arbeid, terwijl zij tevreden waren met de blijdschap hunner vinding. Welgedane en gegoede menschen van zaken zien op hen neder en halen de schouders op; en in een tijd van geld maken en fraaie kleederen dragen moeten deze helden, die vrijwillig ontbering en armoede geleden hebben, wel dwazen gelijken. Maar de genius der menschheid kroont hen. Zij hebben geleefd voor een denkbeeld, voor een schoon plan, voor eene waarheid en zich rijk gevoeld. Met hunne eigene gedachten hebben zij verkeerd, verheven boven de kleinheid der wereld, zelfgenoegzaam en in vrede met zich zelven. Stil en nederig zijn zij hun weg gegaan, trouw en goed; want opmerkelijk is het, hoeveel adel des harten zich aan den adel des geestes paart. Anderen eindelijk hebben zij den weg gewezen, de wereld hebben zij verder gebracht, en terugziende op de wolk van getuigen, zullen wij niet meer zeggen, dat zijn voordeel te bejagen en ’t er van te nemen het hoogste en het beste is.Aan niemand kan worden aangetoond dat een leven voor een schoon doel het ware, echte leven is, al wordt het ook slecht beloond. Maar licht zal de grootheid van ziel, licht zal de deugd op deze bladzijden voor zichzelve spreken, waar zij zich in haar eenvoud en schoonheid openbaart. Een praktische zin is zeker geen geringe gave. Maar is niet de kunst, de vinding, de ontdekking, het openen van nieuwe wegen, het voorgaan langs het nieuwe spoor de hoogste, de beste praktijk? Waren zij niet in de hoogste mate praktisch, onze martelaars, waar zij in hun geestdrift en liefde zulk een kloeken greep deden in het leven, dat de wereld er den schok van gevoelde en door hen veranderd en verbeterd werd?Zoo laat ons dan een open oog houden om deze dingen te bevorderen, een hart om deze mannen te vereeren, om hun liefde, opoffering en volharding in het goede te verstaan en na te volgen!

Het volk dat het grove werk doet. Bladz. 164.Het volk dat het grove werk doet. Bladz. 164.HOOFDSTUK XI.DE GEWONE SOLDAAT.

Het volk dat het grove werk doet. Bladz. 164.Het volk dat het grove werk doet. Bladz. 164.

Het volk dat het grove werk doet. Bladz. 164.

Wij hebben in de voorgaande bladzijden de hoofdofficieren bewonderd van het groote leger van den arbeid en den vooruitgang, strijdend tegen sleur en behoud. Telkens drong het leger verder door, het rijk der duisternis veroverend, zijne regeerders trotseerend, overwinnend. Telkens zagen wij hoe de vijand dien voortgang stuiten wilde, zich in allerlei vestingen verschanste, uitvallen deed, zich terugtrok en nieuwe vestingen opzocht, die hij met hand en tand verdedigde, en hoe ondertusschen de kleine maar edele keurbende, gewond en vermoeid, met heldenmoed voortschreed en telkens nieuwe steden en provinciën aan het rijk des lichts toevoegde.Zeker, de hoofden van dien strijd hebben veel te verduren gehad. Zij stonden op de gevaarlijkste punten en op hen waren de kogels gericht. Zij gingen de gelederen voor, en het punt, waar hun pluim wapperde, was des vijands mikpunt. Zij zijn gewond weggedragen, zij zijn gesneuveld, zij zijn bij den weg neergezegen; maar zij zijn niet de eenige offers geweest, die de arbeid, die de vooruitgang gekost heeft. We willen ten slotte nog een woord spreken over de arme soldaten, de eenvoudige fuseliers, op wie niemand gelet heeft, die niet bij personen, maar bij tien- of honderdtallen geteld worden, die opkomen bij massa en in massa worden weggemaaid, zonder dat hunne namen beroemd of ook maar bekend worden.Toch is men aan dit leger even goed de overwinning verplicht, als aan den overste. ’t Is waar—zonder overste zou het een hoop zijn, een reddelooze troep. Het genie wijst den weg, ordent, schept uit den chaos des volks regimenten en compagnieën, stelt onderofficieren aan, leidt den aanval, kiest de wapenen; maar wat zou het genie zijn zonder de gehoorzaamheid, den goeden wil, den goeden geest, de kracht, den gezamenlijken arbeid van het volk? Soms is het oproerig en dreigt het de Jacquards te water te werpen, maar, leidzaam en klein tegenover hem die weet te gebieden, laat het, hoe machtig ook door zijn aantal, van zijn voornemen af, wanneer een paar kloeke mannen, zijne meerderen in adel en moed, zich tusschenbeiden werpen en werken op zijn edelmoedigheid en zijne betere gezindheden.Eere dat groote leger, eere den grooten hoop, zonder epauletten en kwasten en strepen, marcheerend met doorgeloopen voeten, zwetend onder zware ransels, wadend door plassen, staande op sombere, stille, gevaarlijke, vervelende posten, op den roep zijner hoofden vaardig, oprukkend met een lied op de lippen, al is het geen krijgsklaroen, maar een prozaische fabrieksbel die hen roept!Want met de soldaten van de wetenschap hebben wij te doen, met het volk dat het grove werk doet, dat in tropische gewesten bij de heete ovens en machines onzer mailbooten staat, dat zijne uren in de verzengende droogkamers der fabrieken doorbrengt, dat tusschen dreigende raderen en hamers doorwandelt en, bij een pand van zijn kleed gegrepen, weggeslingerd of verpletterd wordt. Het kucht van het stof, hetwelk het inademt, en dat in de messenfabrieken de longen vult met moordend ijzervijlsel; het wordt vergiftigd door den dampkring waarin het leeft; martelaar voor dezelfde zaak, waarvoor de hoofden stierven. Waar ketels springen, waar tunnels storten, waar steigers vallen, waar dynamiet ontploft, zij zijn er bij. Toch gaan zij voort. Doen zij ook geen ontdekkingen, zij brengen er toch het hunne toe bij. Zij brengen haar in werking, en waar het noodig is, weten ook zij te lijden en te sterven.De geschiedenis der mijnwerkers zou alleen reeds een voldoend aantal voorbeelden kunnen opleveren van moed en toewijding. Zij bevat zoo menig hartverscheurend drama. Wij hebben ze voor het grijpen.Den 11denApril 1877 werd de put Tynewidd door een groote ramp bezocht. Zij ligt in het graafschap Glamorgan, dat van alle districten van Wales het rijkst is in steenkool en ijzer. De werklieden maakten zich juist gereed naar boven te stijgen, toen er een vervaarlijk gedruisch in de mijn werd gehoord. Door een lek stortte het water van de rivier de Ronde de gangen binnen en vulde ze met vreeselijke snelheid. IJlings liep het volk naar de manden, waarin het zou worden omhoog getrokken, doch bij de monsteringmistemen veertien man. Als een geweldige wind stroomde de opgestuwde lucht uit den mond van de put en van binnen werd nog altijd het gedruisch van het water vernomen. Er was weinig kans dat de veertien man behouden gebleven zouden zijn. Ze moesten door het water in den afgrond gesleurd of in de nauwe zich vullende gangen verdronken zijn. Doch eenige vrijwilligers wilden dan ten minste de lijken der ongelukkige slachtoffers zien te redden—een vroom en edel gebruik, waarvan de mijnwerker zich niet laat afbrengen, al moet het hem zijn leven kosten.Terwijl zij samen overlegden welke maatregelen zij treffen zouden, hoorden zij, onder den bodem waarop zij stonden, een herhaald kloppen. Daar moesten eenige werklieden gevangen zitten onder een kolenlaag van een tiental meters dikte. De lucht was door den aandrang van het water samengeperst geworden, de saamgeperste lucht had in de doodloopende gang of de kamer het water tegengehouden, en zoo zaten de ongelukkigen daar als in een duikerklok opgesloten.De kloeke redders begonnen met de noodseinen der gevangenen te beantwoorden en insgelijks hard te kloppen. Vervolgens trachtten zij een opening te maken, waardoor licht en leven zou binnenstroomen. Na vierentwintig uren gewerkt te hebben, bleef er slechts een dunne laag over. Onder degenen, die met den meesten ijver in den zwarten scheidsmuur hakten, behoort William Morgan. Hoe verder hij komt, hoe krachtiger hij toeslaat. Eindelijk scheurt het laatste gedeelte onder zijn houweel in stukken, en de ongelukkigen zijn gered; maar de samengeperste lucht breekt tegelijk, met al het geweld eener ontploffing, uit haar kerker los, en werpt den ijverigen redder dood voor den grond, op het oogenblik waarop hij zijn makkers in vrijheid stelt.Nauwelijks is dit geschied, of nieuwe noodseinen worden gegeven. In een ander gedeelte van de mijn zitten er nog meer gevangen. De dood van Morgan schrikte niemand af. Dagen verstrijken bij den aanhoudenden arbeid. Twee helden, Isaac Pride en Happy Dodd, houden vol. Na negen dagen arbeidens hebben zij een gat geopend, waardoor zij, te midden van een fellen luchtstroom en opspuitend water, vijf man levend naar boven brengen. Zij hadden negen dagen in dien ellendigen toestand, half in het water, doorgebracht, zonder voedsel, zonder versche lucht. Zij hadden een kind bij zich, dat zij, in weerwil van hun uitputting, aanhoudend in de handen omhoog geheven hadden, om het boven het wassend water te houden.Loopen de mijnen vol, zij storten ook in, of het mijngas ontploft en richt in de schachten en gangen geweldige vernielingen aan.Den 17denApril van het jaar 1879 had er een ontploffing van mijngas plaats in de put No. 2 van Agrappe, bij het spoorwegstationvan Frameries, in de nabijheid van Mons (België). Alle voorzorgen waren genomen en wel met de meeste nauwkeurigheid, en ’s morgens waren 200 werklieden in de mijn nedergedaald. Ten half acht ure maakte men de opmerking dat een vuile reuk uit de schacht oprees, en men zond den mijn-ingenieur een ijlbode om hem met dit ongewoon verschijnsel bekend te maken. Immers moest de schacht dienen om de versche lucht binnen te laten. Maar voordat eenige hulp kon geboden worden, was de werkplaats van den machinist met mijngas gevuld. Onmiddellijk volgde er een ontploffing, waarbij tien personen het leven verloren. Te gelijkertijd vlogen de vlammen uit de mijnschacht naar het houten getimmerte op, dat terstond in brand geraakte, en die ontzettende gasvlam, van 3.60 M. in omtrek, bleef twee uren lang branden, zonder dat het vuur zich aan de diepte mededeelde. Er werd dan ook in al dien tijd geen ontploffing vernomen. Ten half tien ure evenwel was het vuur gedaald en hoorde men onder den grond het gedreun eener ontploffing. Van kwartier tot kwartier herhaalde zich dit, en ten elf ure had de negende, de laatste, maar tevens de geweldigste losbarsting plaats. Wat was er ondertusschen in de diepte van de mijnwerkers geworden? De mijn was ontoegankelijk, de gloeiende, vlammende, rokende balken vielen in en op den luchtkoker en op den ingang neer. Ten half vier ure had men den luchtkoker, een put met ladders, vrij gemaakt van het brandend hout. Men redde 87 arbeiders, en vernam met ontsteltenis, dat de anderen naar de benedenste gangen waren nedergedaald. Zij moesten daar allen zijn omgekomen. Den 4denMei had er te Frameries een eigenaardige plechtigheid plaats. Aan elf mijnwerkers werd de Leopoldsorde uitgereikt, tot een belooning voor hun edelmoedig gedrag bij het redden hunner makkers.Overal ontmoet men zulke martelaars voor eer en plicht. Zij maken geen naam, ook niet bij een dankbaar nageslacht, maar behooren niettemin tot degenen, die begrijpen wat het leven is, wat het vordert.Zoo een enkele maal dit boek het gemoed heeft bewogen en geroerd; zoo al deze edele daden en voorbeelden den lezer eerbied hebben ingeboezemd; zoo zij de gedachte hebben verlevendigd, dat zijn plicht te vervullen en te arbeiden het hoogste is en blijft, en alle offers waard is, dan is dit werk niet te vergeefs geweest. Want dit boek moge meer zijn dan een verzameling curiositeiten: het is een prediking. Zoovele namen hier schitteren, zoovele getuigen hebben wij opgeroepen voor de grootheid van een leven van strijd en zelfopoffering en toewijding. Al deze mannen hadden een burgerlijk bestaan kunnen vinden, hadden geld kunnen verdienen, schade en vervolging kunnen ontloopen: zij hebben het niet gedaan. In hun binnenste brandde de liefde voor de waarheid. Ook toenzij werden tegengehouden, toen de wereld zeide: »gij zult de sleur volgen, of anders zullen wij u wel dwingen uwe pogingen te staken,” ook toen zijn zij voortgegaan, ja, de tegenstand prikkelde hen, en naarmate zij meer offers brachten, hebben zij de zaak, waaraan zij zich wijdden, meer lief gekregen. Onpraktisch vaak en niet wijs naar de wereld, hebben zij anderen het voordeel gegund of moeten afstaan van hun arbeid, terwijl zij tevreden waren met de blijdschap hunner vinding. Welgedane en gegoede menschen van zaken zien op hen neder en halen de schouders op; en in een tijd van geld maken en fraaie kleederen dragen moeten deze helden, die vrijwillig ontbering en armoede geleden hebben, wel dwazen gelijken. Maar de genius der menschheid kroont hen. Zij hebben geleefd voor een denkbeeld, voor een schoon plan, voor eene waarheid en zich rijk gevoeld. Met hunne eigene gedachten hebben zij verkeerd, verheven boven de kleinheid der wereld, zelfgenoegzaam en in vrede met zich zelven. Stil en nederig zijn zij hun weg gegaan, trouw en goed; want opmerkelijk is het, hoeveel adel des harten zich aan den adel des geestes paart. Anderen eindelijk hebben zij den weg gewezen, de wereld hebben zij verder gebracht, en terugziende op de wolk van getuigen, zullen wij niet meer zeggen, dat zijn voordeel te bejagen en ’t er van te nemen het hoogste en het beste is.Aan niemand kan worden aangetoond dat een leven voor een schoon doel het ware, echte leven is, al wordt het ook slecht beloond. Maar licht zal de grootheid van ziel, licht zal de deugd op deze bladzijden voor zichzelve spreken, waar zij zich in haar eenvoud en schoonheid openbaart. Een praktische zin is zeker geen geringe gave. Maar is niet de kunst, de vinding, de ontdekking, het openen van nieuwe wegen, het voorgaan langs het nieuwe spoor de hoogste, de beste praktijk? Waren zij niet in de hoogste mate praktisch, onze martelaars, waar zij in hun geestdrift en liefde zulk een kloeken greep deden in het leven, dat de wereld er den schok van gevoelde en door hen veranderd en verbeterd werd?Zoo laat ons dan een open oog houden om deze dingen te bevorderen, een hart om deze mannen te vereeren, om hun liefde, opoffering en volharding in het goede te verstaan en na te volgen!

Wij hebben in de voorgaande bladzijden de hoofdofficieren bewonderd van het groote leger van den arbeid en den vooruitgang, strijdend tegen sleur en behoud. Telkens drong het leger verder door, het rijk der duisternis veroverend, zijne regeerders trotseerend, overwinnend. Telkens zagen wij hoe de vijand dien voortgang stuiten wilde, zich in allerlei vestingen verschanste, uitvallen deed, zich terugtrok en nieuwe vestingen opzocht, die hij met hand en tand verdedigde, en hoe ondertusschen de kleine maar edele keurbende, gewond en vermoeid, met heldenmoed voortschreed en telkens nieuwe steden en provinciën aan het rijk des lichts toevoegde.

Zeker, de hoofden van dien strijd hebben veel te verduren gehad. Zij stonden op de gevaarlijkste punten en op hen waren de kogels gericht. Zij gingen de gelederen voor, en het punt, waar hun pluim wapperde, was des vijands mikpunt. Zij zijn gewond weggedragen, zij zijn gesneuveld, zij zijn bij den weg neergezegen; maar zij zijn niet de eenige offers geweest, die de arbeid, die de vooruitgang gekost heeft. We willen ten slotte nog een woord spreken over de arme soldaten, de eenvoudige fuseliers, op wie niemand gelet heeft, die niet bij personen, maar bij tien- of honderdtallen geteld worden, die opkomen bij massa en in massa worden weggemaaid, zonder dat hunne namen beroemd of ook maar bekend worden.

Toch is men aan dit leger even goed de overwinning verplicht, als aan den overste. ’t Is waar—zonder overste zou het een hoop zijn, een reddelooze troep. Het genie wijst den weg, ordent, schept uit den chaos des volks regimenten en compagnieën, stelt onderofficieren aan, leidt den aanval, kiest de wapenen; maar wat zou het genie zijn zonder de gehoorzaamheid, den goeden wil, den goeden geest, de kracht, den gezamenlijken arbeid van het volk? Soms is het oproerig en dreigt het de Jacquards te water te werpen, maar, leidzaam en klein tegenover hem die weet te gebieden, laat het, hoe machtig ook door zijn aantal, van zijn voornemen af, wanneer een paar kloeke mannen, zijne meerderen in adel en moed, zich tusschenbeiden werpen en werken op zijn edelmoedigheid en zijne betere gezindheden.

Eere dat groote leger, eere den grooten hoop, zonder epauletten en kwasten en strepen, marcheerend met doorgeloopen voeten, zwetend onder zware ransels, wadend door plassen, staande op sombere, stille, gevaarlijke, vervelende posten, op den roep zijner hoofden vaardig, oprukkend met een lied op de lippen, al is het geen krijgsklaroen, maar een prozaische fabrieksbel die hen roept!

Want met de soldaten van de wetenschap hebben wij te doen, met het volk dat het grove werk doet, dat in tropische gewesten bij de heete ovens en machines onzer mailbooten staat, dat zijne uren in de verzengende droogkamers der fabrieken doorbrengt, dat tusschen dreigende raderen en hamers doorwandelt en, bij een pand van zijn kleed gegrepen, weggeslingerd of verpletterd wordt. Het kucht van het stof, hetwelk het inademt, en dat in de messenfabrieken de longen vult met moordend ijzervijlsel; het wordt vergiftigd door den dampkring waarin het leeft; martelaar voor dezelfde zaak, waarvoor de hoofden stierven. Waar ketels springen, waar tunnels storten, waar steigers vallen, waar dynamiet ontploft, zij zijn er bij. Toch gaan zij voort. Doen zij ook geen ontdekkingen, zij brengen er toch het hunne toe bij. Zij brengen haar in werking, en waar het noodig is, weten ook zij te lijden en te sterven.

De geschiedenis der mijnwerkers zou alleen reeds een voldoend aantal voorbeelden kunnen opleveren van moed en toewijding. Zij bevat zoo menig hartverscheurend drama. Wij hebben ze voor het grijpen.

Den 11denApril 1877 werd de put Tynewidd door een groote ramp bezocht. Zij ligt in het graafschap Glamorgan, dat van alle districten van Wales het rijkst is in steenkool en ijzer. De werklieden maakten zich juist gereed naar boven te stijgen, toen er een vervaarlijk gedruisch in de mijn werd gehoord. Door een lek stortte het water van de rivier de Ronde de gangen binnen en vulde ze met vreeselijke snelheid. IJlings liep het volk naar de manden, waarin het zou worden omhoog getrokken, doch bij de monsteringmistemen veertien man. Als een geweldige wind stroomde de opgestuwde lucht uit den mond van de put en van binnen werd nog altijd het gedruisch van het water vernomen. Er was weinig kans dat de veertien man behouden gebleven zouden zijn. Ze moesten door het water in den afgrond gesleurd of in de nauwe zich vullende gangen verdronken zijn. Doch eenige vrijwilligers wilden dan ten minste de lijken der ongelukkige slachtoffers zien te redden—een vroom en edel gebruik, waarvan de mijnwerker zich niet laat afbrengen, al moet het hem zijn leven kosten.

Terwijl zij samen overlegden welke maatregelen zij treffen zouden, hoorden zij, onder den bodem waarop zij stonden, een herhaald kloppen. Daar moesten eenige werklieden gevangen zitten onder een kolenlaag van een tiental meters dikte. De lucht was door den aandrang van het water samengeperst geworden, de saamgeperste lucht had in de doodloopende gang of de kamer het water tegengehouden, en zoo zaten de ongelukkigen daar als in een duikerklok opgesloten.

De kloeke redders begonnen met de noodseinen der gevangenen te beantwoorden en insgelijks hard te kloppen. Vervolgens trachtten zij een opening te maken, waardoor licht en leven zou binnenstroomen. Na vierentwintig uren gewerkt te hebben, bleef er slechts een dunne laag over. Onder degenen, die met den meesten ijver in den zwarten scheidsmuur hakten, behoort William Morgan. Hoe verder hij komt, hoe krachtiger hij toeslaat. Eindelijk scheurt het laatste gedeelte onder zijn houweel in stukken, en de ongelukkigen zijn gered; maar de samengeperste lucht breekt tegelijk, met al het geweld eener ontploffing, uit haar kerker los, en werpt den ijverigen redder dood voor den grond, op het oogenblik waarop hij zijn makkers in vrijheid stelt.

Nauwelijks is dit geschied, of nieuwe noodseinen worden gegeven. In een ander gedeelte van de mijn zitten er nog meer gevangen. De dood van Morgan schrikte niemand af. Dagen verstrijken bij den aanhoudenden arbeid. Twee helden, Isaac Pride en Happy Dodd, houden vol. Na negen dagen arbeidens hebben zij een gat geopend, waardoor zij, te midden van een fellen luchtstroom en opspuitend water, vijf man levend naar boven brengen. Zij hadden negen dagen in dien ellendigen toestand, half in het water, doorgebracht, zonder voedsel, zonder versche lucht. Zij hadden een kind bij zich, dat zij, in weerwil van hun uitputting, aanhoudend in de handen omhoog geheven hadden, om het boven het wassend water te houden.

Loopen de mijnen vol, zij storten ook in, of het mijngas ontploft en richt in de schachten en gangen geweldige vernielingen aan.

Den 17denApril van het jaar 1879 had er een ontploffing van mijngas plaats in de put No. 2 van Agrappe, bij het spoorwegstationvan Frameries, in de nabijheid van Mons (België). Alle voorzorgen waren genomen en wel met de meeste nauwkeurigheid, en ’s morgens waren 200 werklieden in de mijn nedergedaald. Ten half acht ure maakte men de opmerking dat een vuile reuk uit de schacht oprees, en men zond den mijn-ingenieur een ijlbode om hem met dit ongewoon verschijnsel bekend te maken. Immers moest de schacht dienen om de versche lucht binnen te laten. Maar voordat eenige hulp kon geboden worden, was de werkplaats van den machinist met mijngas gevuld. Onmiddellijk volgde er een ontploffing, waarbij tien personen het leven verloren. Te gelijkertijd vlogen de vlammen uit de mijnschacht naar het houten getimmerte op, dat terstond in brand geraakte, en die ontzettende gasvlam, van 3.60 M. in omtrek, bleef twee uren lang branden, zonder dat het vuur zich aan de diepte mededeelde. Er werd dan ook in al dien tijd geen ontploffing vernomen. Ten half tien ure evenwel was het vuur gedaald en hoorde men onder den grond het gedreun eener ontploffing. Van kwartier tot kwartier herhaalde zich dit, en ten elf ure had de negende, de laatste, maar tevens de geweldigste losbarsting plaats. Wat was er ondertusschen in de diepte van de mijnwerkers geworden? De mijn was ontoegankelijk, de gloeiende, vlammende, rokende balken vielen in en op den luchtkoker en op den ingang neer. Ten half vier ure had men den luchtkoker, een put met ladders, vrij gemaakt van het brandend hout. Men redde 87 arbeiders, en vernam met ontsteltenis, dat de anderen naar de benedenste gangen waren nedergedaald. Zij moesten daar allen zijn omgekomen. Den 4denMei had er te Frameries een eigenaardige plechtigheid plaats. Aan elf mijnwerkers werd de Leopoldsorde uitgereikt, tot een belooning voor hun edelmoedig gedrag bij het redden hunner makkers.

Overal ontmoet men zulke martelaars voor eer en plicht. Zij maken geen naam, ook niet bij een dankbaar nageslacht, maar behooren niettemin tot degenen, die begrijpen wat het leven is, wat het vordert.

Zoo een enkele maal dit boek het gemoed heeft bewogen en geroerd; zoo al deze edele daden en voorbeelden den lezer eerbied hebben ingeboezemd; zoo zij de gedachte hebben verlevendigd, dat zijn plicht te vervullen en te arbeiden het hoogste is en blijft, en alle offers waard is, dan is dit werk niet te vergeefs geweest. Want dit boek moge meer zijn dan een verzameling curiositeiten: het is een prediking. Zoovele namen hier schitteren, zoovele getuigen hebben wij opgeroepen voor de grootheid van een leven van strijd en zelfopoffering en toewijding. Al deze mannen hadden een burgerlijk bestaan kunnen vinden, hadden geld kunnen verdienen, schade en vervolging kunnen ontloopen: zij hebben het niet gedaan. In hun binnenste brandde de liefde voor de waarheid. Ook toenzij werden tegengehouden, toen de wereld zeide: »gij zult de sleur volgen, of anders zullen wij u wel dwingen uwe pogingen te staken,” ook toen zijn zij voortgegaan, ja, de tegenstand prikkelde hen, en naarmate zij meer offers brachten, hebben zij de zaak, waaraan zij zich wijdden, meer lief gekregen. Onpraktisch vaak en niet wijs naar de wereld, hebben zij anderen het voordeel gegund of moeten afstaan van hun arbeid, terwijl zij tevreden waren met de blijdschap hunner vinding. Welgedane en gegoede menschen van zaken zien op hen neder en halen de schouders op; en in een tijd van geld maken en fraaie kleederen dragen moeten deze helden, die vrijwillig ontbering en armoede geleden hebben, wel dwazen gelijken. Maar de genius der menschheid kroont hen. Zij hebben geleefd voor een denkbeeld, voor een schoon plan, voor eene waarheid en zich rijk gevoeld. Met hunne eigene gedachten hebben zij verkeerd, verheven boven de kleinheid der wereld, zelfgenoegzaam en in vrede met zich zelven. Stil en nederig zijn zij hun weg gegaan, trouw en goed; want opmerkelijk is het, hoeveel adel des harten zich aan den adel des geestes paart. Anderen eindelijk hebben zij den weg gewezen, de wereld hebben zij verder gebracht, en terugziende op de wolk van getuigen, zullen wij niet meer zeggen, dat zijn voordeel te bejagen en ’t er van te nemen het hoogste en het beste is.

Aan niemand kan worden aangetoond dat een leven voor een schoon doel het ware, echte leven is, al wordt het ook slecht beloond. Maar licht zal de grootheid van ziel, licht zal de deugd op deze bladzijden voor zichzelve spreken, waar zij zich in haar eenvoud en schoonheid openbaart. Een praktische zin is zeker geen geringe gave. Maar is niet de kunst, de vinding, de ontdekking, het openen van nieuwe wegen, het voorgaan langs het nieuwe spoor de hoogste, de beste praktijk? Waren zij niet in de hoogste mate praktisch, onze martelaars, waar zij in hun geestdrift en liefde zulk een kloeken greep deden in het leven, dat de wereld er den schok van gevoelde en door hen veranderd en verbeterd werd?

Zoo laat ons dan een open oog houden om deze dingen te bevorderen, een hart om deze mannen te vereeren, om hun liefde, opoffering en volharding in het goede te verstaan en na te volgen!


Back to IndexNext