ONGEVOELIGHEID EN GELDDORST.

[Inhoud]ONGEVOELIGHEID EN GELDDORST.Er is een tijd geweest, dat men de beroepen onderscheidde in eerlijke en oneerlijke en hoewel die tijd reeds lang achter onzen rug ligt, het is nog zoo heel lang niet geleden, dat het lang niet hetzelfde was, waarmede men geld verdiende. En nog worden er eenvoudigen gevonden, die ronselarij afschuwelijk en handel in koelies een minder waardig bedrijf vinden.Welnu, zij hebben ongelijk, want er is een goed stuk geld mee te verdienen.Ik wil erkennen, dat ik tot die eenvoudigen behoor en dat tot voor korten tijd ik in de dwaling verkeerde, dat mijne meening in overeenstemming was met de publieke opinie. Van deze opvatting ben ik evenwel genezen, sinds ik als directeur van een zoogenaamd emigratie-kantoor (een winkel, waar men koelies kan koopen) een welbekend advocaat zag optreden. Het kan toch niet zijn, dat deze Meester in de Rechten meent, dat de schande van het bedrijf vervalt, doordat het wordt uitgeoefend door eene naamlooze vennootschap en hij nu ook moraliter beperkte aansprakelijkheid wil pleiten? Wel komt zijn naam als directeur nooit voor in de advertentie, waarbij het emigratie-kantoor zijn vee en koelies aanprijst.Zou het mogelijk zijn, dat toch diep in zijn gemoed eene stem afkeurend fluistert en dat hij in de eenzaamheid, alleen met zichzelf, de tinteling der schaamte voelt op voorhoofd en wang.[40](Deli-Courant 1899).[41]Kom, geen bespiegelingen, feiten!„Waarlijk, Mark Twain merkt terecht op, dat in eene maatschappij, waar slavernij bestaat, zelfs de meest elementaire begrippen van recht bij de slavenhoudende klasse ontbreken”, schreefD. E. Liaan, of om hem bij zijnen werkelijken naam te noemen, de heerC. de Coningh. En de bewijzen?Ziehier eene advertentie, geknipt uit de Sumatra-Post van 7 Mei 1902.Men ziet het: Sierlijk geëtaleerd tusschen trekvee en slachtstieren links en rij- en wagenpaarden rechts, stelt de koopman zijne mannen en vrouwen ten toon. Hij levert ze u tegen de laagste prijzen! Koopt toch, koopt! Ziet, zij zijn allen flink,[42]jong en gezond, geschikt voor land- en voor mijnbouw! Mannen of vrouwen naar keuze! Voor de kleinigheid van zestig gulden per stuk zijt gij de man! Wees gerust, zij zijn allen volwassen! Geen kalveren … och, kinderen bedoel ik! Koopt er wat en hij zendt ze u thuis, franco, van wege de concurrentie!Men vraagt zich af, of de steller dezer advertentie alle menschelijk gevoel heeft afgeschud en er zelfs niet in zijne ziel meer gloort een vonkje van betamelijkheid. Zie ik wil toegeven, dat het menschelijk is, door den nood gedrongen, niet te kieschkeurig te zijn in het middel om zijn brood te verdienen. Ik wil erkennen, dat de zorg voor vrouw en kind den man kan drijven tot het doen van daden, waarvan anders zijn eergevoel hem zou terughouden. Ik begrijp den diefstal uit honger, den moord uit haat, de schending der wet in drift of nood. Ik kan me zelfs voorstellen, dat iemand ronselaar wordt of slavenhaler. Maar niet kan ik mij indenken, hoe iemand zijne medemenschen kan behandelen als, kan rangschikken onder het gedierte des velds. Hoe dor, hoe dood moet het gemoed zijn van wie die Javaansche mannen en vrouwen eene plaats gaf tusschen het gecastreerde trekvee uit Madura en de Savoeneesche rij- en wagenpaarden!De man beveelt zich minzaam aan.De koeliemakelaarLefèbre, geestig als altijd, drijft in de volgende aanbieding den spot met de ongelukkige contractanten, die zooals zij het noemen, zich verkocht hebben.[43]Ze zijn immers vrij, te teekenen of niet!Laat ons van dit onderwerp afstappen, ’t is te walgelijk. De advertenties, die dit werkje verluchten, spreken voor zich zelve.Voert de handel in koelies den mensch van het pad der humaniteit, ook het gemoed der meesters wordt langzamerhand voor de ellende, het lijden der slaven verhard. Het denken en gevoelen, het leven van den koelie, wie kent het? Wie is er, die iets weet van wat er omgaat in de ziel van den slaaf? Alleen zijne werkkracht, zijne Arbeitsfähigkeit boezemt den meester belangstelling in … gedurende den tijd zijner slavernij. „Daarna kan hij voor mijn part verrekken”, is eene uitdrukking, die men dagelijks kan hooren. Het sap der citroen is genoten, wat bekommert den gebruiker de schil?Als een koelie sterft, wordt hij begraven. Als in den tijd der cholera vele koelies sterven, worden vele koelies begraven. ’s Nachts komen dan de wilde varkens, die het laagje aarde, dat de lijken bedekt, omwoelen en … Ik wil u niet akelig maken, mijne bedoeling is alleen, tegen te spreken het praatje, dat in Deli de lijken der koelies rechtstreeks den varkens worden voorgeworpen. Wel vindt men op verschillende plaatsen de doodsbeenderen op het veld, maar ik kan verzekeren, dat ze—al zij het slechts gedurende eene korte poos—onder de aarde hebben vertoefd.Nu moge men het vreemd vinden, doch een feit is het, dat de hoogste wensch van denkoelieis, niet in Deli te sterven. Den oosterling is nog lang niet het beschaafde idee bijgebracht, dat het hem onverschillig kan zijn, wat er met zijn lichaam geschiedt na den dood. Met eene kinderachtigheid, waarover zijn beschaafde meester de schouders ophaalt, is hij er op gesteld, begraven te worden volgens den adat van zijn ras of de regels van zijn geloof, en de mogelijkheid onder (?) den grond gestopt te zullen worden zonder meer, is hem eene verschrikking.(Sum.-Post en Deli-Ct. 1902.)Ten dezen kunnen de planters geene onwetendheid voorwenden.[45]De controleur Kühr zond in 1899 eene circulaire de wereld in, die pleit voor zijn goed hart en eene aanklacht is tegen de planterswereld, die dertig jaren achtereen gebrek toonde aan menschelijkheid. Deze circulaire werd zoowel in de Deli-Courant als in de Sumatra-Post gepubliceerd en besproken.Aande Hoofd-administrateurs en Beheerders derLandbouw-ondernemingen in de afdeeling Deli.Zoowel de hoofden der Javanen, Bojans, Bandjareezen, Mohammedaansche en Hindoesche Klingen en Bengaleezen, als die der Chineezen hebben de opmerking gemaakt, dat de lijken der contract-koelies niet overeenkomstig den adat worden begraven.Op de meeste ondernemingen zijn er zelfs geene stukken grond gereserveerd tot begraafplaatsen voor de verschillende volksstammen.Bovendien worden de meeste Chineezen ongekist ter aarde besteld en hunne graven niet voorzien van een pitjiok of pisak (steenen tablet, vermeldende den naam van den overledene en den naam van het dorp of de plaats in China of elders, vanwaar de overledene afkomstig is).Aangezien nu:1o.een chineesche doodkist plm. 1.50 dollar en een steenen tablet plm. 25 cent kost.2o.er op eene onderneming jaarlijks hoogstens 40 Chineezen sterven; en3o.de op de verschillende ondernemingen aan te wijzen drie stukken grond:a.voor het begraven van Mohammedanen (Javanen, Soendaneezen, Bojans, Bandjareezen, Klingen,Bengaleezen).b.voor het begraven van Chineezen (Téo Tjioe’s, Keh’s of Hakka’s, Hailohong’s, Hokien’s, Makau’s, Kangsi’s, etc.),en[47]c.voor het begraven of verbranden van Hindoe’s (Klingen en Bengaleezen),van geen grooten omvang behoeven te wezen, zoo heb ik de eer, UEdele beleefd in overweging te geven de bovenaangegeven drie afzonderlijke begraafplaatsen op uwe onderneming(en) te willen bepalen, zoo zulks nog niet is geschied—en elken overledene overeenkomstig zijne godsdienstige gebruiken te doen begraven, ten einde de godsdienstige gevoelens zijner bloed- of aanverwanten niet te kwetsen en geen aanleiding tot bedekte tegenwerking van de zijde der bovenbedoelde hoofden te geven.De wd. assistent-resident van Medan,E. K. M. Kühr.Medan, 5 Juni 1899.Dit humane rondschrijven heeft weinig of geen verbetering gebracht. Zelfs de practische wenk, „geen aanleiding tot bedekte tegenwerking van de zijde der bovenbedoelde hoofden te geven” heeft geen ander gevolg gehad, dan een pluimpje voor zijn menschenkennis aan den steller der circulaire in de Java-Bode.(Sum.-Post en Deli-Ct. 1902.)Deze uitslag—hoe bedroevend ook voor het gemoed—was te voorzien. Zulke dingen moeten niet verzocht, zij moeten bevolen worden. Waar de koelie feitelijk lastdier, werktuig, handelsgoed is geworden, mag men niet verwachten, dat de eigenaar hem als mensch behandelen zal.Het is de vloek der slavernij, de openlijke of verkapte, de levenslange of de tijdelijke, dat zij het hart der meesters verdort en gevoelloos maakt voor de nooden der onderhoorigen, omdat zij zich niet meer met hen gevoelen van eenen geslachte. Waartoe zij leidt, de „tijdelijke beperking der persoonlijke vrijheid”, wat het ideaal is harer voorstanders, leze men in de voorstellen van majoorMaurice Meanyomtrent de exploitatie vanRhodesia.„Ik zeg niet, dat het Chineezen moeten zijn, maar ik beweer dat arbeidskrachten van buiten ingevoerd moeten worden.[48]Komen zij niet uit China, dan zullen zij waarschijnlijk uit Indië komen. Maar de Indiërs zijn Britsche onderdanen en gij kunt hen dus niet naar eigen willekeur dwingen, zooals gij dat wel kunt doen met Kaffers of Chineezen. Bovendien is de Indiër ongeschikt voor zwaar mijnwerk en niet bestand tegen koorts. Wij moeten dus Mongolen hebben—of te gronde gaan. Rhodesia hangt bijna geheel af van de mijn-maatschappijen. Ruim 90 pCt. van het geld, dat voorRhodesiais uitgegeven, is van hen afkomstig; daaruit volgt, dat het land het grootste belang bij de welvaart der mijnen heeft en de grootste behoefte der mijnen is een overvloedige en standvastige aanvoer van arbeiders.Laten wij den Chinees toe, dan zal zijn verblijf slechts tijdelijk zijn. Hij moet verdwijnen, zoodra de inboorlingen hebben leeren werken. Geen mijneigenaar kan hem echter geheel missen; het lage loon, waarmee zijn arbeid betaald wordt, maakt zulks onmogelijk. Ondertusschen moet hij alleen hier komen als „houthakker en waterputter”, zooveel mogelijk als een lastdier als men een menschelijk wezen maar maken kan.Hij mag geen aandeel krijgen in een mijn, hij mag geen onderzoekingen doen en geen handel drijven. Geen blanke mag contracten met hem sluiten, hij mag geen huis, geen land, geen claim koopen, noch huren.Hij komt alleen als mijnwerker, boerenknecht of huisknecht.Hij mag niet als opzichter, timmerman, smid of verver werkzaam zijn, hij mag geen enkel handwerk verrichten en geen ontploffingsmiddelen noch vuurwapenen hanteeren.Op deze voorwaarden wenschen wij Chineesche arbeidskrachten in te voeren, evenals de Amerikanen zulks op de Philippijnen wenschen te doen, maar slechts tijdelijk. Als de inboorling in staat is, zijne taak te vervullen, moet de Chinees vertrekken, en daar zijn behoeften grooter zijn, dan die van den inboorling en zijn loon dus hooger moet zijn, zal hij voor dezen het veld ruimen, niet door dwang, maar door de natuurwet,[49]volgens welke dure arbeidskracht voor goedkoopere wijken moet.”1Gedeeltelijk is in Deli deze heilstaat geene fictie meer. Moeten wij verder den weg op naar het ons hier voorgetooverd Utopia, of zou het wenschelijker zijn, terug te keeren tot den Christelijken staat, die geen inbreuk duldt op de vrijheid van persoon?1Is het mogelijk onchristelijker, onmenschelijker te zijn? vraagtF. A. Whitein het nummer van September 1901 der Westminster Review, waaraan het aangehaalde ontleend is.↑

[Inhoud]ONGEVOELIGHEID EN GELDDORST.Er is een tijd geweest, dat men de beroepen onderscheidde in eerlijke en oneerlijke en hoewel die tijd reeds lang achter onzen rug ligt, het is nog zoo heel lang niet geleden, dat het lang niet hetzelfde was, waarmede men geld verdiende. En nog worden er eenvoudigen gevonden, die ronselarij afschuwelijk en handel in koelies een minder waardig bedrijf vinden.Welnu, zij hebben ongelijk, want er is een goed stuk geld mee te verdienen.Ik wil erkennen, dat ik tot die eenvoudigen behoor en dat tot voor korten tijd ik in de dwaling verkeerde, dat mijne meening in overeenstemming was met de publieke opinie. Van deze opvatting ben ik evenwel genezen, sinds ik als directeur van een zoogenaamd emigratie-kantoor (een winkel, waar men koelies kan koopen) een welbekend advocaat zag optreden. Het kan toch niet zijn, dat deze Meester in de Rechten meent, dat de schande van het bedrijf vervalt, doordat het wordt uitgeoefend door eene naamlooze vennootschap en hij nu ook moraliter beperkte aansprakelijkheid wil pleiten? Wel komt zijn naam als directeur nooit voor in de advertentie, waarbij het emigratie-kantoor zijn vee en koelies aanprijst.Zou het mogelijk zijn, dat toch diep in zijn gemoed eene stem afkeurend fluistert en dat hij in de eenzaamheid, alleen met zichzelf, de tinteling der schaamte voelt op voorhoofd en wang.[40](Deli-Courant 1899).[41]Kom, geen bespiegelingen, feiten!„Waarlijk, Mark Twain merkt terecht op, dat in eene maatschappij, waar slavernij bestaat, zelfs de meest elementaire begrippen van recht bij de slavenhoudende klasse ontbreken”, schreefD. E. Liaan, of om hem bij zijnen werkelijken naam te noemen, de heerC. de Coningh. En de bewijzen?Ziehier eene advertentie, geknipt uit de Sumatra-Post van 7 Mei 1902.Men ziet het: Sierlijk geëtaleerd tusschen trekvee en slachtstieren links en rij- en wagenpaarden rechts, stelt de koopman zijne mannen en vrouwen ten toon. Hij levert ze u tegen de laagste prijzen! Koopt toch, koopt! Ziet, zij zijn allen flink,[42]jong en gezond, geschikt voor land- en voor mijnbouw! Mannen of vrouwen naar keuze! Voor de kleinigheid van zestig gulden per stuk zijt gij de man! Wees gerust, zij zijn allen volwassen! Geen kalveren … och, kinderen bedoel ik! Koopt er wat en hij zendt ze u thuis, franco, van wege de concurrentie!Men vraagt zich af, of de steller dezer advertentie alle menschelijk gevoel heeft afgeschud en er zelfs niet in zijne ziel meer gloort een vonkje van betamelijkheid. Zie ik wil toegeven, dat het menschelijk is, door den nood gedrongen, niet te kieschkeurig te zijn in het middel om zijn brood te verdienen. Ik wil erkennen, dat de zorg voor vrouw en kind den man kan drijven tot het doen van daden, waarvan anders zijn eergevoel hem zou terughouden. Ik begrijp den diefstal uit honger, den moord uit haat, de schending der wet in drift of nood. Ik kan me zelfs voorstellen, dat iemand ronselaar wordt of slavenhaler. Maar niet kan ik mij indenken, hoe iemand zijne medemenschen kan behandelen als, kan rangschikken onder het gedierte des velds. Hoe dor, hoe dood moet het gemoed zijn van wie die Javaansche mannen en vrouwen eene plaats gaf tusschen het gecastreerde trekvee uit Madura en de Savoeneesche rij- en wagenpaarden!De man beveelt zich minzaam aan.De koeliemakelaarLefèbre, geestig als altijd, drijft in de volgende aanbieding den spot met de ongelukkige contractanten, die zooals zij het noemen, zich verkocht hebben.[43]Ze zijn immers vrij, te teekenen of niet!Laat ons van dit onderwerp afstappen, ’t is te walgelijk. De advertenties, die dit werkje verluchten, spreken voor zich zelve.Voert de handel in koelies den mensch van het pad der humaniteit, ook het gemoed der meesters wordt langzamerhand voor de ellende, het lijden der slaven verhard. Het denken en gevoelen, het leven van den koelie, wie kent het? Wie is er, die iets weet van wat er omgaat in de ziel van den slaaf? Alleen zijne werkkracht, zijne Arbeitsfähigkeit boezemt den meester belangstelling in … gedurende den tijd zijner slavernij. „Daarna kan hij voor mijn part verrekken”, is eene uitdrukking, die men dagelijks kan hooren. Het sap der citroen is genoten, wat bekommert den gebruiker de schil?Als een koelie sterft, wordt hij begraven. Als in den tijd der cholera vele koelies sterven, worden vele koelies begraven. ’s Nachts komen dan de wilde varkens, die het laagje aarde, dat de lijken bedekt, omwoelen en … Ik wil u niet akelig maken, mijne bedoeling is alleen, tegen te spreken het praatje, dat in Deli de lijken der koelies rechtstreeks den varkens worden voorgeworpen. Wel vindt men op verschillende plaatsen de doodsbeenderen op het veld, maar ik kan verzekeren, dat ze—al zij het slechts gedurende eene korte poos—onder de aarde hebben vertoefd.Nu moge men het vreemd vinden, doch een feit is het, dat de hoogste wensch van denkoelieis, niet in Deli te sterven. Den oosterling is nog lang niet het beschaafde idee bijgebracht, dat het hem onverschillig kan zijn, wat er met zijn lichaam geschiedt na den dood. Met eene kinderachtigheid, waarover zijn beschaafde meester de schouders ophaalt, is hij er op gesteld, begraven te worden volgens den adat van zijn ras of de regels van zijn geloof, en de mogelijkheid onder (?) den grond gestopt te zullen worden zonder meer, is hem eene verschrikking.(Sum.-Post en Deli-Ct. 1902.)Ten dezen kunnen de planters geene onwetendheid voorwenden.[45]De controleur Kühr zond in 1899 eene circulaire de wereld in, die pleit voor zijn goed hart en eene aanklacht is tegen de planterswereld, die dertig jaren achtereen gebrek toonde aan menschelijkheid. Deze circulaire werd zoowel in de Deli-Courant als in de Sumatra-Post gepubliceerd en besproken.Aande Hoofd-administrateurs en Beheerders derLandbouw-ondernemingen in de afdeeling Deli.Zoowel de hoofden der Javanen, Bojans, Bandjareezen, Mohammedaansche en Hindoesche Klingen en Bengaleezen, als die der Chineezen hebben de opmerking gemaakt, dat de lijken der contract-koelies niet overeenkomstig den adat worden begraven.Op de meeste ondernemingen zijn er zelfs geene stukken grond gereserveerd tot begraafplaatsen voor de verschillende volksstammen.Bovendien worden de meeste Chineezen ongekist ter aarde besteld en hunne graven niet voorzien van een pitjiok of pisak (steenen tablet, vermeldende den naam van den overledene en den naam van het dorp of de plaats in China of elders, vanwaar de overledene afkomstig is).Aangezien nu:1o.een chineesche doodkist plm. 1.50 dollar en een steenen tablet plm. 25 cent kost.2o.er op eene onderneming jaarlijks hoogstens 40 Chineezen sterven; en3o.de op de verschillende ondernemingen aan te wijzen drie stukken grond:a.voor het begraven van Mohammedanen (Javanen, Soendaneezen, Bojans, Bandjareezen, Klingen,Bengaleezen).b.voor het begraven van Chineezen (Téo Tjioe’s, Keh’s of Hakka’s, Hailohong’s, Hokien’s, Makau’s, Kangsi’s, etc.),en[47]c.voor het begraven of verbranden van Hindoe’s (Klingen en Bengaleezen),van geen grooten omvang behoeven te wezen, zoo heb ik de eer, UEdele beleefd in overweging te geven de bovenaangegeven drie afzonderlijke begraafplaatsen op uwe onderneming(en) te willen bepalen, zoo zulks nog niet is geschied—en elken overledene overeenkomstig zijne godsdienstige gebruiken te doen begraven, ten einde de godsdienstige gevoelens zijner bloed- of aanverwanten niet te kwetsen en geen aanleiding tot bedekte tegenwerking van de zijde der bovenbedoelde hoofden te geven.De wd. assistent-resident van Medan,E. K. M. Kühr.Medan, 5 Juni 1899.Dit humane rondschrijven heeft weinig of geen verbetering gebracht. Zelfs de practische wenk, „geen aanleiding tot bedekte tegenwerking van de zijde der bovenbedoelde hoofden te geven” heeft geen ander gevolg gehad, dan een pluimpje voor zijn menschenkennis aan den steller der circulaire in de Java-Bode.(Sum.-Post en Deli-Ct. 1902.)Deze uitslag—hoe bedroevend ook voor het gemoed—was te voorzien. Zulke dingen moeten niet verzocht, zij moeten bevolen worden. Waar de koelie feitelijk lastdier, werktuig, handelsgoed is geworden, mag men niet verwachten, dat de eigenaar hem als mensch behandelen zal.Het is de vloek der slavernij, de openlijke of verkapte, de levenslange of de tijdelijke, dat zij het hart der meesters verdort en gevoelloos maakt voor de nooden der onderhoorigen, omdat zij zich niet meer met hen gevoelen van eenen geslachte. Waartoe zij leidt, de „tijdelijke beperking der persoonlijke vrijheid”, wat het ideaal is harer voorstanders, leze men in de voorstellen van majoorMaurice Meanyomtrent de exploitatie vanRhodesia.„Ik zeg niet, dat het Chineezen moeten zijn, maar ik beweer dat arbeidskrachten van buiten ingevoerd moeten worden.[48]Komen zij niet uit China, dan zullen zij waarschijnlijk uit Indië komen. Maar de Indiërs zijn Britsche onderdanen en gij kunt hen dus niet naar eigen willekeur dwingen, zooals gij dat wel kunt doen met Kaffers of Chineezen. Bovendien is de Indiër ongeschikt voor zwaar mijnwerk en niet bestand tegen koorts. Wij moeten dus Mongolen hebben—of te gronde gaan. Rhodesia hangt bijna geheel af van de mijn-maatschappijen. Ruim 90 pCt. van het geld, dat voorRhodesiais uitgegeven, is van hen afkomstig; daaruit volgt, dat het land het grootste belang bij de welvaart der mijnen heeft en de grootste behoefte der mijnen is een overvloedige en standvastige aanvoer van arbeiders.Laten wij den Chinees toe, dan zal zijn verblijf slechts tijdelijk zijn. Hij moet verdwijnen, zoodra de inboorlingen hebben leeren werken. Geen mijneigenaar kan hem echter geheel missen; het lage loon, waarmee zijn arbeid betaald wordt, maakt zulks onmogelijk. Ondertusschen moet hij alleen hier komen als „houthakker en waterputter”, zooveel mogelijk als een lastdier als men een menschelijk wezen maar maken kan.Hij mag geen aandeel krijgen in een mijn, hij mag geen onderzoekingen doen en geen handel drijven. Geen blanke mag contracten met hem sluiten, hij mag geen huis, geen land, geen claim koopen, noch huren.Hij komt alleen als mijnwerker, boerenknecht of huisknecht.Hij mag niet als opzichter, timmerman, smid of verver werkzaam zijn, hij mag geen enkel handwerk verrichten en geen ontploffingsmiddelen noch vuurwapenen hanteeren.Op deze voorwaarden wenschen wij Chineesche arbeidskrachten in te voeren, evenals de Amerikanen zulks op de Philippijnen wenschen te doen, maar slechts tijdelijk. Als de inboorling in staat is, zijne taak te vervullen, moet de Chinees vertrekken, en daar zijn behoeften grooter zijn, dan die van den inboorling en zijn loon dus hooger moet zijn, zal hij voor dezen het veld ruimen, niet door dwang, maar door de natuurwet,[49]volgens welke dure arbeidskracht voor goedkoopere wijken moet.”1Gedeeltelijk is in Deli deze heilstaat geene fictie meer. Moeten wij verder den weg op naar het ons hier voorgetooverd Utopia, of zou het wenschelijker zijn, terug te keeren tot den Christelijken staat, die geen inbreuk duldt op de vrijheid van persoon?1Is het mogelijk onchristelijker, onmenschelijker te zijn? vraagtF. A. Whitein het nummer van September 1901 der Westminster Review, waaraan het aangehaalde ontleend is.↑

ONGEVOELIGHEID EN GELDDORST.

Er is een tijd geweest, dat men de beroepen onderscheidde in eerlijke en oneerlijke en hoewel die tijd reeds lang achter onzen rug ligt, het is nog zoo heel lang niet geleden, dat het lang niet hetzelfde was, waarmede men geld verdiende. En nog worden er eenvoudigen gevonden, die ronselarij afschuwelijk en handel in koelies een minder waardig bedrijf vinden.Welnu, zij hebben ongelijk, want er is een goed stuk geld mee te verdienen.Ik wil erkennen, dat ik tot die eenvoudigen behoor en dat tot voor korten tijd ik in de dwaling verkeerde, dat mijne meening in overeenstemming was met de publieke opinie. Van deze opvatting ben ik evenwel genezen, sinds ik als directeur van een zoogenaamd emigratie-kantoor (een winkel, waar men koelies kan koopen) een welbekend advocaat zag optreden. Het kan toch niet zijn, dat deze Meester in de Rechten meent, dat de schande van het bedrijf vervalt, doordat het wordt uitgeoefend door eene naamlooze vennootschap en hij nu ook moraliter beperkte aansprakelijkheid wil pleiten? Wel komt zijn naam als directeur nooit voor in de advertentie, waarbij het emigratie-kantoor zijn vee en koelies aanprijst.Zou het mogelijk zijn, dat toch diep in zijn gemoed eene stem afkeurend fluistert en dat hij in de eenzaamheid, alleen met zichzelf, de tinteling der schaamte voelt op voorhoofd en wang.[40](Deli-Courant 1899).[41]Kom, geen bespiegelingen, feiten!„Waarlijk, Mark Twain merkt terecht op, dat in eene maatschappij, waar slavernij bestaat, zelfs de meest elementaire begrippen van recht bij de slavenhoudende klasse ontbreken”, schreefD. E. Liaan, of om hem bij zijnen werkelijken naam te noemen, de heerC. de Coningh. En de bewijzen?Ziehier eene advertentie, geknipt uit de Sumatra-Post van 7 Mei 1902.Men ziet het: Sierlijk geëtaleerd tusschen trekvee en slachtstieren links en rij- en wagenpaarden rechts, stelt de koopman zijne mannen en vrouwen ten toon. Hij levert ze u tegen de laagste prijzen! Koopt toch, koopt! Ziet, zij zijn allen flink,[42]jong en gezond, geschikt voor land- en voor mijnbouw! Mannen of vrouwen naar keuze! Voor de kleinigheid van zestig gulden per stuk zijt gij de man! Wees gerust, zij zijn allen volwassen! Geen kalveren … och, kinderen bedoel ik! Koopt er wat en hij zendt ze u thuis, franco, van wege de concurrentie!Men vraagt zich af, of de steller dezer advertentie alle menschelijk gevoel heeft afgeschud en er zelfs niet in zijne ziel meer gloort een vonkje van betamelijkheid. Zie ik wil toegeven, dat het menschelijk is, door den nood gedrongen, niet te kieschkeurig te zijn in het middel om zijn brood te verdienen. Ik wil erkennen, dat de zorg voor vrouw en kind den man kan drijven tot het doen van daden, waarvan anders zijn eergevoel hem zou terughouden. Ik begrijp den diefstal uit honger, den moord uit haat, de schending der wet in drift of nood. Ik kan me zelfs voorstellen, dat iemand ronselaar wordt of slavenhaler. Maar niet kan ik mij indenken, hoe iemand zijne medemenschen kan behandelen als, kan rangschikken onder het gedierte des velds. Hoe dor, hoe dood moet het gemoed zijn van wie die Javaansche mannen en vrouwen eene plaats gaf tusschen het gecastreerde trekvee uit Madura en de Savoeneesche rij- en wagenpaarden!De man beveelt zich minzaam aan.De koeliemakelaarLefèbre, geestig als altijd, drijft in de volgende aanbieding den spot met de ongelukkige contractanten, die zooals zij het noemen, zich verkocht hebben.[43]Ze zijn immers vrij, te teekenen of niet!Laat ons van dit onderwerp afstappen, ’t is te walgelijk. De advertenties, die dit werkje verluchten, spreken voor zich zelve.Voert de handel in koelies den mensch van het pad der humaniteit, ook het gemoed der meesters wordt langzamerhand voor de ellende, het lijden der slaven verhard. Het denken en gevoelen, het leven van den koelie, wie kent het? Wie is er, die iets weet van wat er omgaat in de ziel van den slaaf? Alleen zijne werkkracht, zijne Arbeitsfähigkeit boezemt den meester belangstelling in … gedurende den tijd zijner slavernij. „Daarna kan hij voor mijn part verrekken”, is eene uitdrukking, die men dagelijks kan hooren. Het sap der citroen is genoten, wat bekommert den gebruiker de schil?Als een koelie sterft, wordt hij begraven. Als in den tijd der cholera vele koelies sterven, worden vele koelies begraven. ’s Nachts komen dan de wilde varkens, die het laagje aarde, dat de lijken bedekt, omwoelen en … Ik wil u niet akelig maken, mijne bedoeling is alleen, tegen te spreken het praatje, dat in Deli de lijken der koelies rechtstreeks den varkens worden voorgeworpen. Wel vindt men op verschillende plaatsen de doodsbeenderen op het veld, maar ik kan verzekeren, dat ze—al zij het slechts gedurende eene korte poos—onder de aarde hebben vertoefd.Nu moge men het vreemd vinden, doch een feit is het, dat de hoogste wensch van denkoelieis, niet in Deli te sterven. Den oosterling is nog lang niet het beschaafde idee bijgebracht, dat het hem onverschillig kan zijn, wat er met zijn lichaam geschiedt na den dood. Met eene kinderachtigheid, waarover zijn beschaafde meester de schouders ophaalt, is hij er op gesteld, begraven te worden volgens den adat van zijn ras of de regels van zijn geloof, en de mogelijkheid onder (?) den grond gestopt te zullen worden zonder meer, is hem eene verschrikking.(Sum.-Post en Deli-Ct. 1902.)Ten dezen kunnen de planters geene onwetendheid voorwenden.[45]De controleur Kühr zond in 1899 eene circulaire de wereld in, die pleit voor zijn goed hart en eene aanklacht is tegen de planterswereld, die dertig jaren achtereen gebrek toonde aan menschelijkheid. Deze circulaire werd zoowel in de Deli-Courant als in de Sumatra-Post gepubliceerd en besproken.Aande Hoofd-administrateurs en Beheerders derLandbouw-ondernemingen in de afdeeling Deli.Zoowel de hoofden der Javanen, Bojans, Bandjareezen, Mohammedaansche en Hindoesche Klingen en Bengaleezen, als die der Chineezen hebben de opmerking gemaakt, dat de lijken der contract-koelies niet overeenkomstig den adat worden begraven.Op de meeste ondernemingen zijn er zelfs geene stukken grond gereserveerd tot begraafplaatsen voor de verschillende volksstammen.Bovendien worden de meeste Chineezen ongekist ter aarde besteld en hunne graven niet voorzien van een pitjiok of pisak (steenen tablet, vermeldende den naam van den overledene en den naam van het dorp of de plaats in China of elders, vanwaar de overledene afkomstig is).Aangezien nu:1o.een chineesche doodkist plm. 1.50 dollar en een steenen tablet plm. 25 cent kost.2o.er op eene onderneming jaarlijks hoogstens 40 Chineezen sterven; en3o.de op de verschillende ondernemingen aan te wijzen drie stukken grond:a.voor het begraven van Mohammedanen (Javanen, Soendaneezen, Bojans, Bandjareezen, Klingen,Bengaleezen).b.voor het begraven van Chineezen (Téo Tjioe’s, Keh’s of Hakka’s, Hailohong’s, Hokien’s, Makau’s, Kangsi’s, etc.),en[47]c.voor het begraven of verbranden van Hindoe’s (Klingen en Bengaleezen),van geen grooten omvang behoeven te wezen, zoo heb ik de eer, UEdele beleefd in overweging te geven de bovenaangegeven drie afzonderlijke begraafplaatsen op uwe onderneming(en) te willen bepalen, zoo zulks nog niet is geschied—en elken overledene overeenkomstig zijne godsdienstige gebruiken te doen begraven, ten einde de godsdienstige gevoelens zijner bloed- of aanverwanten niet te kwetsen en geen aanleiding tot bedekte tegenwerking van de zijde der bovenbedoelde hoofden te geven.De wd. assistent-resident van Medan,E. K. M. Kühr.Medan, 5 Juni 1899.Dit humane rondschrijven heeft weinig of geen verbetering gebracht. Zelfs de practische wenk, „geen aanleiding tot bedekte tegenwerking van de zijde der bovenbedoelde hoofden te geven” heeft geen ander gevolg gehad, dan een pluimpje voor zijn menschenkennis aan den steller der circulaire in de Java-Bode.(Sum.-Post en Deli-Ct. 1902.)Deze uitslag—hoe bedroevend ook voor het gemoed—was te voorzien. Zulke dingen moeten niet verzocht, zij moeten bevolen worden. Waar de koelie feitelijk lastdier, werktuig, handelsgoed is geworden, mag men niet verwachten, dat de eigenaar hem als mensch behandelen zal.Het is de vloek der slavernij, de openlijke of verkapte, de levenslange of de tijdelijke, dat zij het hart der meesters verdort en gevoelloos maakt voor de nooden der onderhoorigen, omdat zij zich niet meer met hen gevoelen van eenen geslachte. Waartoe zij leidt, de „tijdelijke beperking der persoonlijke vrijheid”, wat het ideaal is harer voorstanders, leze men in de voorstellen van majoorMaurice Meanyomtrent de exploitatie vanRhodesia.„Ik zeg niet, dat het Chineezen moeten zijn, maar ik beweer dat arbeidskrachten van buiten ingevoerd moeten worden.[48]Komen zij niet uit China, dan zullen zij waarschijnlijk uit Indië komen. Maar de Indiërs zijn Britsche onderdanen en gij kunt hen dus niet naar eigen willekeur dwingen, zooals gij dat wel kunt doen met Kaffers of Chineezen. Bovendien is de Indiër ongeschikt voor zwaar mijnwerk en niet bestand tegen koorts. Wij moeten dus Mongolen hebben—of te gronde gaan. Rhodesia hangt bijna geheel af van de mijn-maatschappijen. Ruim 90 pCt. van het geld, dat voorRhodesiais uitgegeven, is van hen afkomstig; daaruit volgt, dat het land het grootste belang bij de welvaart der mijnen heeft en de grootste behoefte der mijnen is een overvloedige en standvastige aanvoer van arbeiders.Laten wij den Chinees toe, dan zal zijn verblijf slechts tijdelijk zijn. Hij moet verdwijnen, zoodra de inboorlingen hebben leeren werken. Geen mijneigenaar kan hem echter geheel missen; het lage loon, waarmee zijn arbeid betaald wordt, maakt zulks onmogelijk. Ondertusschen moet hij alleen hier komen als „houthakker en waterputter”, zooveel mogelijk als een lastdier als men een menschelijk wezen maar maken kan.Hij mag geen aandeel krijgen in een mijn, hij mag geen onderzoekingen doen en geen handel drijven. Geen blanke mag contracten met hem sluiten, hij mag geen huis, geen land, geen claim koopen, noch huren.Hij komt alleen als mijnwerker, boerenknecht of huisknecht.Hij mag niet als opzichter, timmerman, smid of verver werkzaam zijn, hij mag geen enkel handwerk verrichten en geen ontploffingsmiddelen noch vuurwapenen hanteeren.Op deze voorwaarden wenschen wij Chineesche arbeidskrachten in te voeren, evenals de Amerikanen zulks op de Philippijnen wenschen te doen, maar slechts tijdelijk. Als de inboorling in staat is, zijne taak te vervullen, moet de Chinees vertrekken, en daar zijn behoeften grooter zijn, dan die van den inboorling en zijn loon dus hooger moet zijn, zal hij voor dezen het veld ruimen, niet door dwang, maar door de natuurwet,[49]volgens welke dure arbeidskracht voor goedkoopere wijken moet.”1Gedeeltelijk is in Deli deze heilstaat geene fictie meer. Moeten wij verder den weg op naar het ons hier voorgetooverd Utopia, of zou het wenschelijker zijn, terug te keeren tot den Christelijken staat, die geen inbreuk duldt op de vrijheid van persoon?

Er is een tijd geweest, dat men de beroepen onderscheidde in eerlijke en oneerlijke en hoewel die tijd reeds lang achter onzen rug ligt, het is nog zoo heel lang niet geleden, dat het lang niet hetzelfde was, waarmede men geld verdiende. En nog worden er eenvoudigen gevonden, die ronselarij afschuwelijk en handel in koelies een minder waardig bedrijf vinden.

Welnu, zij hebben ongelijk, want er is een goed stuk geld mee te verdienen.

Ik wil erkennen, dat ik tot die eenvoudigen behoor en dat tot voor korten tijd ik in de dwaling verkeerde, dat mijne meening in overeenstemming was met de publieke opinie. Van deze opvatting ben ik evenwel genezen, sinds ik als directeur van een zoogenaamd emigratie-kantoor (een winkel, waar men koelies kan koopen) een welbekend advocaat zag optreden. Het kan toch niet zijn, dat deze Meester in de Rechten meent, dat de schande van het bedrijf vervalt, doordat het wordt uitgeoefend door eene naamlooze vennootschap en hij nu ook moraliter beperkte aansprakelijkheid wil pleiten? Wel komt zijn naam als directeur nooit voor in de advertentie, waarbij het emigratie-kantoor zijn vee en koelies aanprijst.

Zou het mogelijk zijn, dat toch diep in zijn gemoed eene stem afkeurend fluistert en dat hij in de eenzaamheid, alleen met zichzelf, de tinteling der schaamte voelt op voorhoofd en wang.[40]

(Deli-Courant 1899).

(Deli-Courant 1899).

[41]

Kom, geen bespiegelingen, feiten!

„Waarlijk, Mark Twain merkt terecht op, dat in eene maatschappij, waar slavernij bestaat, zelfs de meest elementaire begrippen van recht bij de slavenhoudende klasse ontbreken”, schreefD. E. Liaan, of om hem bij zijnen werkelijken naam te noemen, de heerC. de Coningh. En de bewijzen?

Ziehier eene advertentie, geknipt uit de Sumatra-Post van 7 Mei 1902.

Men ziet het: Sierlijk geëtaleerd tusschen trekvee en slachtstieren links en rij- en wagenpaarden rechts, stelt de koopman zijne mannen en vrouwen ten toon. Hij levert ze u tegen de laagste prijzen! Koopt toch, koopt! Ziet, zij zijn allen flink,[42]jong en gezond, geschikt voor land- en voor mijnbouw! Mannen of vrouwen naar keuze! Voor de kleinigheid van zestig gulden per stuk zijt gij de man! Wees gerust, zij zijn allen volwassen! Geen kalveren … och, kinderen bedoel ik! Koopt er wat en hij zendt ze u thuis, franco, van wege de concurrentie!

Men vraagt zich af, of de steller dezer advertentie alle menschelijk gevoel heeft afgeschud en er zelfs niet in zijne ziel meer gloort een vonkje van betamelijkheid. Zie ik wil toegeven, dat het menschelijk is, door den nood gedrongen, niet te kieschkeurig te zijn in het middel om zijn brood te verdienen. Ik wil erkennen, dat de zorg voor vrouw en kind den man kan drijven tot het doen van daden, waarvan anders zijn eergevoel hem zou terughouden. Ik begrijp den diefstal uit honger, den moord uit haat, de schending der wet in drift of nood. Ik kan me zelfs voorstellen, dat iemand ronselaar wordt of slavenhaler. Maar niet kan ik mij indenken, hoe iemand zijne medemenschen kan behandelen als, kan rangschikken onder het gedierte des velds. Hoe dor, hoe dood moet het gemoed zijn van wie die Javaansche mannen en vrouwen eene plaats gaf tusschen het gecastreerde trekvee uit Madura en de Savoeneesche rij- en wagenpaarden!

De man beveelt zich minzaam aan.

De koeliemakelaarLefèbre, geestig als altijd, drijft in de volgende aanbieding den spot met de ongelukkige contractanten, die zooals zij het noemen, zich verkocht hebben.

[43]

Ze zijn immers vrij, te teekenen of niet!

Laat ons van dit onderwerp afstappen, ’t is te walgelijk. De advertenties, die dit werkje verluchten, spreken voor zich zelve.

Voert de handel in koelies den mensch van het pad der humaniteit, ook het gemoed der meesters wordt langzamerhand voor de ellende, het lijden der slaven verhard. Het denken en gevoelen, het leven van den koelie, wie kent het? Wie is er, die iets weet van wat er omgaat in de ziel van den slaaf? Alleen zijne werkkracht, zijne Arbeitsfähigkeit boezemt den meester belangstelling in … gedurende den tijd zijner slavernij. „Daarna kan hij voor mijn part verrekken”, is eene uitdrukking, die men dagelijks kan hooren. Het sap der citroen is genoten, wat bekommert den gebruiker de schil?

Als een koelie sterft, wordt hij begraven. Als in den tijd der cholera vele koelies sterven, worden vele koelies begraven. ’s Nachts komen dan de wilde varkens, die het laagje aarde, dat de lijken bedekt, omwoelen en … Ik wil u niet akelig maken, mijne bedoeling is alleen, tegen te spreken het praatje, dat in Deli de lijken der koelies rechtstreeks den varkens worden voorgeworpen. Wel vindt men op verschillende plaatsen de doodsbeenderen op het veld, maar ik kan verzekeren, dat ze—al zij het slechts gedurende eene korte poos—onder de aarde hebben vertoefd.

Nu moge men het vreemd vinden, doch een feit is het, dat de hoogste wensch van denkoelieis, niet in Deli te sterven. Den oosterling is nog lang niet het beschaafde idee bijgebracht, dat het hem onverschillig kan zijn, wat er met zijn lichaam geschiedt na den dood. Met eene kinderachtigheid, waarover zijn beschaafde meester de schouders ophaalt, is hij er op gesteld, begraven te worden volgens den adat van zijn ras of de regels van zijn geloof, en de mogelijkheid onder (?) den grond gestopt te zullen worden zonder meer, is hem eene verschrikking.

(Sum.-Post en Deli-Ct. 1902.)

(Sum.-Post en Deli-Ct. 1902.)

Ten dezen kunnen de planters geene onwetendheid voorwenden.[45]De controleur Kühr zond in 1899 eene circulaire de wereld in, die pleit voor zijn goed hart en eene aanklacht is tegen de planterswereld, die dertig jaren achtereen gebrek toonde aan menschelijkheid. Deze circulaire werd zoowel in de Deli-Courant als in de Sumatra-Post gepubliceerd en besproken.

Aande Hoofd-administrateurs en Beheerders derLandbouw-ondernemingen in de afdeeling Deli.Zoowel de hoofden der Javanen, Bojans, Bandjareezen, Mohammedaansche en Hindoesche Klingen en Bengaleezen, als die der Chineezen hebben de opmerking gemaakt, dat de lijken der contract-koelies niet overeenkomstig den adat worden begraven.Op de meeste ondernemingen zijn er zelfs geene stukken grond gereserveerd tot begraafplaatsen voor de verschillende volksstammen.Bovendien worden de meeste Chineezen ongekist ter aarde besteld en hunne graven niet voorzien van een pitjiok of pisak (steenen tablet, vermeldende den naam van den overledene en den naam van het dorp of de plaats in China of elders, vanwaar de overledene afkomstig is).Aangezien nu:1o.een chineesche doodkist plm. 1.50 dollar en een steenen tablet plm. 25 cent kost.2o.er op eene onderneming jaarlijks hoogstens 40 Chineezen sterven; en3o.de op de verschillende ondernemingen aan te wijzen drie stukken grond:a.voor het begraven van Mohammedanen (Javanen, Soendaneezen, Bojans, Bandjareezen, Klingen,Bengaleezen).b.voor het begraven van Chineezen (Téo Tjioe’s, Keh’s of Hakka’s, Hailohong’s, Hokien’s, Makau’s, Kangsi’s, etc.),en[47]c.voor het begraven of verbranden van Hindoe’s (Klingen en Bengaleezen),van geen grooten omvang behoeven te wezen, zoo heb ik de eer, UEdele beleefd in overweging te geven de bovenaangegeven drie afzonderlijke begraafplaatsen op uwe onderneming(en) te willen bepalen, zoo zulks nog niet is geschied—en elken overledene overeenkomstig zijne godsdienstige gebruiken te doen begraven, ten einde de godsdienstige gevoelens zijner bloed- of aanverwanten niet te kwetsen en geen aanleiding tot bedekte tegenwerking van de zijde der bovenbedoelde hoofden te geven.De wd. assistent-resident van Medan,E. K. M. Kühr.Medan, 5 Juni 1899.

Aande Hoofd-administrateurs en Beheerders derLandbouw-ondernemingen in de afdeeling Deli.

Zoowel de hoofden der Javanen, Bojans, Bandjareezen, Mohammedaansche en Hindoesche Klingen en Bengaleezen, als die der Chineezen hebben de opmerking gemaakt, dat de lijken der contract-koelies niet overeenkomstig den adat worden begraven.

Op de meeste ondernemingen zijn er zelfs geene stukken grond gereserveerd tot begraafplaatsen voor de verschillende volksstammen.

Bovendien worden de meeste Chineezen ongekist ter aarde besteld en hunne graven niet voorzien van een pitjiok of pisak (steenen tablet, vermeldende den naam van den overledene en den naam van het dorp of de plaats in China of elders, vanwaar de overledene afkomstig is).

Aangezien nu:

van geen grooten omvang behoeven te wezen, zoo heb ik de eer, UEdele beleefd in overweging te geven de bovenaangegeven drie afzonderlijke begraafplaatsen op uwe onderneming(en) te willen bepalen, zoo zulks nog niet is geschied—en elken overledene overeenkomstig zijne godsdienstige gebruiken te doen begraven, ten einde de godsdienstige gevoelens zijner bloed- of aanverwanten niet te kwetsen en geen aanleiding tot bedekte tegenwerking van de zijde der bovenbedoelde hoofden te geven.

De wd. assistent-resident van Medan,E. K. M. Kühr.

Medan, 5 Juni 1899.

Dit humane rondschrijven heeft weinig of geen verbetering gebracht. Zelfs de practische wenk, „geen aanleiding tot bedekte tegenwerking van de zijde der bovenbedoelde hoofden te geven” heeft geen ander gevolg gehad, dan een pluimpje voor zijn menschenkennis aan den steller der circulaire in de Java-Bode.

(Sum.-Post en Deli-Ct. 1902.)

(Sum.-Post en Deli-Ct. 1902.)

Deze uitslag—hoe bedroevend ook voor het gemoed—was te voorzien. Zulke dingen moeten niet verzocht, zij moeten bevolen worden. Waar de koelie feitelijk lastdier, werktuig, handelsgoed is geworden, mag men niet verwachten, dat de eigenaar hem als mensch behandelen zal.

Het is de vloek der slavernij, de openlijke of verkapte, de levenslange of de tijdelijke, dat zij het hart der meesters verdort en gevoelloos maakt voor de nooden der onderhoorigen, omdat zij zich niet meer met hen gevoelen van eenen geslachte. Waartoe zij leidt, de „tijdelijke beperking der persoonlijke vrijheid”, wat het ideaal is harer voorstanders, leze men in de voorstellen van majoorMaurice Meanyomtrent de exploitatie vanRhodesia.

„Ik zeg niet, dat het Chineezen moeten zijn, maar ik beweer dat arbeidskrachten van buiten ingevoerd moeten worden.[48]Komen zij niet uit China, dan zullen zij waarschijnlijk uit Indië komen. Maar de Indiërs zijn Britsche onderdanen en gij kunt hen dus niet naar eigen willekeur dwingen, zooals gij dat wel kunt doen met Kaffers of Chineezen. Bovendien is de Indiër ongeschikt voor zwaar mijnwerk en niet bestand tegen koorts. Wij moeten dus Mongolen hebben—of te gronde gaan. Rhodesia hangt bijna geheel af van de mijn-maatschappijen. Ruim 90 pCt. van het geld, dat voorRhodesiais uitgegeven, is van hen afkomstig; daaruit volgt, dat het land het grootste belang bij de welvaart der mijnen heeft en de grootste behoefte der mijnen is een overvloedige en standvastige aanvoer van arbeiders.

Laten wij den Chinees toe, dan zal zijn verblijf slechts tijdelijk zijn. Hij moet verdwijnen, zoodra de inboorlingen hebben leeren werken. Geen mijneigenaar kan hem echter geheel missen; het lage loon, waarmee zijn arbeid betaald wordt, maakt zulks onmogelijk. Ondertusschen moet hij alleen hier komen als „houthakker en waterputter”, zooveel mogelijk als een lastdier als men een menschelijk wezen maar maken kan.

Hij mag geen aandeel krijgen in een mijn, hij mag geen onderzoekingen doen en geen handel drijven. Geen blanke mag contracten met hem sluiten, hij mag geen huis, geen land, geen claim koopen, noch huren.

Hij komt alleen als mijnwerker, boerenknecht of huisknecht.

Hij mag niet als opzichter, timmerman, smid of verver werkzaam zijn, hij mag geen enkel handwerk verrichten en geen ontploffingsmiddelen noch vuurwapenen hanteeren.

Op deze voorwaarden wenschen wij Chineesche arbeidskrachten in te voeren, evenals de Amerikanen zulks op de Philippijnen wenschen te doen, maar slechts tijdelijk. Als de inboorling in staat is, zijne taak te vervullen, moet de Chinees vertrekken, en daar zijn behoeften grooter zijn, dan die van den inboorling en zijn loon dus hooger moet zijn, zal hij voor dezen het veld ruimen, niet door dwang, maar door de natuurwet,[49]volgens welke dure arbeidskracht voor goedkoopere wijken moet.”1

Gedeeltelijk is in Deli deze heilstaat geene fictie meer. Moeten wij verder den weg op naar het ons hier voorgetooverd Utopia, of zou het wenschelijker zijn, terug te keeren tot den Christelijken staat, die geen inbreuk duldt op de vrijheid van persoon?

1Is het mogelijk onchristelijker, onmenschelijker te zijn? vraagtF. A. Whitein het nummer van September 1901 der Westminster Review, waaraan het aangehaalde ontleend is.↑

1Is het mogelijk onchristelijker, onmenschelijker te zijn? vraagtF. A. Whitein het nummer van September 1901 der Westminster Review, waaraan het aangehaalde ontleend is.↑

1Is het mogelijk onchristelijker, onmenschelijker te zijn? vraagtF. A. Whitein het nummer van September 1901 der Westminster Review, waaraan het aangehaalde ontleend is.↑

1Is het mogelijk onchristelijker, onmenschelijker te zijn? vraagtF. A. Whitein het nummer van September 1901 der Westminster Review, waaraan het aangehaalde ontleend is.↑


Back to IndexNext