Chapter 4

De nabab van Junagadh, Z. H. Rasoel Khandji.De nabab van Junagadh, Z. H. Rasoel Khandji.Kapitein Grant werd gered door tusschenkomst der Engelschen, die van den Nabab van Junagadh gedaan kregen de teruggave aan Bawavala van de goederen, die het andere Kathihoofd had geroofd; maar hij bleef zijn geheele leven ziek en verloor het geheugen. Om een denkbeeld te geven van de moderne zeden, diene, dat de vrouwen nog den lof zingen van Bawavala, den Robin Hood van Kathiawar. Wij zouden nog meer staaltjes van lateren tijd kunnen melden, maar wat met kapitein Grant is gebeurd, heeft min of meer een officiëelen stempel, en men kan ons dan niet van overdrijving beschuldigen.Een heele litteratuur is verbonden aan de heldendaden van de bendehoofden. De heer C. A. Kincaid heeft onlangs een belangwekkenden bundel het licht doen zien van oudere en nieuwere balladen, die op hun heldenstukken betrekking hebben. Men kan er den geest uit leeren kennen, die al sinds onheugelijke tijden in het land heerschte onder de menschen, die geneigd waren de rechten van het individu te doen voorgaan boven die der gemeenschap en tegen het gezag, welk dat ook was. Ondanks zijn misdaden was de misdadiger sympathiek aan de massa. Naast hem treedt dan het paard op, door de nationale dichters niet minder goed behandeld dan zijn meester. Het is de blanke merrie met de vlokkige, wapperende manen, die met wijd geopende neusgaten de ruimte verslindt, in één sprong over de muren van dorpen springt en zoo snel en licht zich beweegt, dat de vogels zich niet met haar meten kunnen.Thans is de Gir gastvrijer geworden. Men kan er veilig zich bewegen, vooral als men vergezeld is door Engelsche ambtenaren. Sasan op den zuidelijken oever van de rivier Hiran is de residentie van den inspecteur van het boschwezen. Daar was ook het kamp van Lord Curzon gevestigd. Vroeger was die plaats zeer ongezond en had zelfs aan die ongezondheid zijn naam te danken, want Sasan wil in het Sanskriet zeggen “straf”, omdat men er de staatsgevangenen heen zond, opdat ze spoedig zouden sterven door de slechte hoedanigheid van het water ter plaatse.Hoofdstraat van Junagadh met den Girnar.Hoofdstraat van Junagadh met den Girnar.De leeuw, die oudtijds de glorie van Pendsjab en Hindostan was, is teruggedrongen naar deze boschrijke streek. Hij is niet de mindere van zijn soortgenoot uit Afrika, noch wat grootte betreft, noch wat den moed aangaat; de manen zijn zwart, bruin of geel, al naar gelang van den leeftijd. Hij zal zelden een mensch aanvallen; maar er worden gevallen vermeld, waarin hij een of meer slachtoffers heeft gemaakt. In de menagerie van Sardar Bagh worden de groote, welgeluchte kooien goed onderhouden, en de dieren zien er niet zoo ellendig uit als in Europa. Ze worden ook niet vaak door bezoekers lastig gevallen; en een knippen met de oogen of een gegrom is het eenige, dat de bewaker erlangt, als hij ze wil doen opstaan. Met die visite aan de leeuwen eindigde ons bezoek aan Junagadh.De ruïnen van den Uperkot of de citadel van Junagadh liggen links van den weg, die naar den Girnarleidt; wij kozen het eind van een schoonen dag, om ze te bezoeken. Zij zijn begrepen in den stadsmuur en bevinden zich op een soort van platform van natuurlijken aard tusschen de stad en den berg; de muren, omringd door een diepe gracht, zijn bijna zeventig voet hoog. Men komt er binnen door twee poorten; volgens oude kronieken waren er drie en 84 torens. Het grootste deel van het terrein is al lang ingenomen door de jungle, maar men is onlangs begonnen met de ontgraving, en nu is de citadel in het geheel niet meer in den deplorabelen toestand, dien Tod in 1822 beschrijft. Door een gunstbewijs, dat nog door geen enkel Europeaan was verkregen, had de moedige reiziger kunnen binnendringen. Hoewel het geen oorlog was, hield men er goed de wacht en de poorten werden slechts ten halve geopend voor den reiziger. Overal zag hij verval en verlatenheid. Het is nog een imposant monument van de militaire mohammedaansche bouwwijze, die men terugvindt in vele vestingen uit denzelfden tijd.In de tuinen van den Sardar Bagh.In de tuinen van den Sardar Bagh.Het rijtuig bracht ons tot op de wallen; bij den ingang viel ons het gewelf boven de deur op, dat een merkwaardig voorbeeld was van de oude rajpoetische architectuur. Het is moeilijk den tijd van ontstaan vast te stellen; maar als die poort van vroegeren datum is dan de herstellingen, in de 15de eeuw aangebracht, zooals een opschrift aangeeft, toch klimt ze niet hooger op dan de 18de eeuw.In een sankrietsch werk uit de elfde eeuw van iemand, geboortig van Goedsjerat, wordt gezegd, dat de vierde vorst uit het geslacht der Chudasamaʼs in de tiende eeuw overwonnen en gevangen genomen werd en daarna weer in vrijheid gesteld door een vorst uit Goedsjerat, dat hij vervolgens Vanthali verliet, dat zijn hoofdstad was, om zich te Junagadh te vestigen, waar hij de citadel liet bouwen, hetgeen verklaard wordt door de noodzakelijkheid, waarin de Chudasamaʼs waren, om zich te beschermen tegen de invallen van hun machtige en oorlogzuchtige buren.Kanon van de citadel in Junagadh, in de 16de eeuw in Egypte gegoten.Kanon van de citadel in Junagadh, in de 16deeeuw in Egypte gegoten.Een beslissend getuigenis brengt steun aan dat bericht uit de elfde eeuw. De boeddhistische pelgrim Hioeën Thsang, die in de zevende eeuw reisde en die zoo minitieus de steden, bergen en oude grotten van Saurasthra heeft beschreven, maakt geen melding van den Uperkot, bewijs, dat de citadel niet bestond toen hij in de plaats was. In de elfde eeuw begint de geschiedenis van de belegeringen, die zij had te doorstaan, eerst van de Hindoevorsten, dan van de Muzelmannen. Overigens mag het fort ondanks de herhaaldecapitulaties trotsch zijn op zijn lang verleden. Het heeft dapper de aanvallen weerstaan der veroveraars, die het op zijn bestaan voorzien hadden. Na de opneming van Sorath in het mongoolsche rijk treedt de vesting in de schaduw. In de 18de eeuw maakten de geldzuchtige Arabieren, wien men achterstallige soldij schuldig was, zich er herhaaldelijk meester van, en ze konden er slechts met moeite uit verdreven worden. Van dien tijd af hebben de gevangenissen, die het bevatte, slechts gediend voor de vorsten of de opstandelingen, van wie men zich wilde ontdoen.Het monument, dat het eerst de aandacht trekt, is de moskee, een groot gebouw van 136 bij 103 voet. Het uitwendige heeft niet veel stijl; het is zwaar en lomp met de vier granieten zuilen op de hoeken; maar het inwendige biedt een verrassing; er staan 140 zuilen in verschillende rijen. Die der drie eerste, van den gevel af naar binnen, zijn dikker, evenals die van de vijfde en tiende rij overdwars en zijn door bogen samen verbonden, zoodat ze, als ze waren voortgezet, het gebouw zouden hebben verdeeld in drie hoofdschepen in het midden en twee zijschepen van de helft der grootte. De preekstoel ligt elf treden boven den beganen grond, en de deuren zijn van prachtig bewerkt marmer.De moskee, die onder Mahmoed Bigaré werd begonnen, is waarschijnlijk nooit voltooid. Op de wallen staan twee zware kanonnen op de stad gericht en beroemd in de geschiedenis van Junagadh. Het grootste is bekend onder den naam van Nilam tope, het blauwe kanon; er staat een arabisch opschrift op, dat er aan herinnert, hoe het stuk in Egypte werd gegoten op bevel van sultan Soleiman, zoon van Selim Khan, koning van Arabië en Perzië, om de vijanden van den godsdienst te verdelgen en die van den staat,—dat waren de Portugeezen,—legers toen de steden van Indië bezetten.Achter de moskee ziet men aan den noordkant een merkwaardig staal van den bouw in de rotsen, namelijk de zalen, die in 1879 ter gelegenheid van het bezoek van Burgess werden ontdekt.De opgravingen brachten twee rijen van in de rots uitgehouwen woningen aan het licht, van een nog niet nader omschreven karakter. Onze onderaardsche wandeling was zeer interessant; door de groote openingen voor licht en lucht, die door de oorspronkelijke aanleggers zijn uitgespaard, kan men de gidsen volgen, zonder vrees van in de duisternis te verdwalen en door gebrek aan lucht te stikken.Op de eerste verdieping was een groot réservoir, misschien een vischvijver, aan drie zijden omgeven door een veranda, die overdekt was. Aan den westkant is er een soort van platform, gelijk aan die, waar men in tempels de beelden plaatst. Burgess denkt, dat de menschen er hun kleederen neerlegden, als ze zich baadden, en men kan nog sporen vinden van een buizenstelsel, dat het water aanvoerde uit een put in de buurt naar een kleinen regenbak aan den ingang, opdat het gezuiverd zou wezen, voordat het in het réservoir kwam.Het vertrek boven de baden, als men ze zoo mag noemen, ligt open en aan den kant, van waar het licht komt, staat een laag muurtje, zoodat door een wijde opening dat licht binnenstroomt. De gang aan den zuidkant vertoont twee zuilen met achtkantigen voet, welker kapiteelen met bloemen zijn versierd en met andere versieringen, die alle ongelukkig in zeer slechten staat zijn. Wij toefden lang in de zaal der baden, vóór we heengingen.Men kan deze rotswoningen niet beschouwen als bij een klooster behoorend; eerder doet de nabijheid van een oud paleis, het Khengar Mehal, vermoeden, dat ze een dépendance waren van dat huis, dat, in de jungle gelegen, overgeleverd is aan de moderne exploiteerders van een steengroeve. Het was nog te herkennen aan den 250 meter langen gevel in de rots uitgehouwen en gesteund door massieve pilaren, en bestond uit een doolhof van zalen, gangen en trappen. God behoede mij ervoor, daarmee den lezer lastig te vallen. Liever wil ik bij u de herinnering wekken aan de bewoners van die onderaardsche woningen, die zeer zeker aangename verblijven waren in den tijd van groote warmte, maar die in geen enkel opzicht gelijken op de kloosters en de lichte, sierlijke bouwwerken, over de heuvels van den Girnar verspreid.In den Uperkot of de vesting vinden wij twee groote putten, die uit den tijd der Chudasamaʼs dagteekenen. De eene, de Adi Sjadi, werd aangelegd door twee slavenmeisjes van een der vorsten dier dynastie, en men daalt erheen af langs steenen trappen; de andere, de Noghan, klimt op tot de elfde eeuw. Een gang van tien voet breed, in een spiraal in de rots gehouwen, leidt langs 235 treden in de diepte, namelijk tot ongeveer 120 voet. Ze wordt verlicht door openingen in de rots; aan den eenen kant is een soort van balkon, waar een bedwelmende drank werd bereid in een grooten bak, dien men nog herkennen kan. Er wordt verteld, dat het hof er bacchantische feesten kwam vieren.Duiven vlogen rond boven een der putten, die door gebladerte overschaduwd werd. Ik wilde er in afdalen, maar de vochtigheid en vooral de stank van het erin staand water noodzaakten mij terug te gaan. Maar wel had ik er genoeg van gezien, om mij rekenschap te geven van die soort van putten, die zoo nuttig moeten zijn geweest. Want is niet het water een groote weldaad voor het Oosten? Hij, die het zijne bijdroeg tot de bewaring en verspreiding van een zoo nuttige stof, deed een gezegend werk, en werken van irrigatie hebben al van de oudheid af de regeerders van deze streken beziggehouden. Wij zullen daarvan ook een bewijs vinden aan den voet van den Girnar. Ook moderne werken van dien aard zijn in den Uperkot uitgevoerd.De vesting zag er in het roode licht van den vallenden avond schilderachtig uit; de ruïnen en de met boomen bedekte heuvels boeiden het oog; op een ouden muur vertoonden pauwen hun prachtig gevederte, en van de wallen overzag men de stad en de vlakte, al in schemering gedompeld, terwijl links zich de majestueuse top van den Girnar verhief.Boeddhistische grotten en holen komen er veel voor in Junagadh; Hioen Thsang heeft ze ook vermeld.Er waren in zijn tijd meer dan 50 kloosters en bijna 3000 monniken, en daarbij honderden tempels, waar monniken van verschillende secten in vredeleefden. Ondanks de verwoestingen door den tijd aangericht, en ondanks 400 jaren van mohammedaansche overheersching, treft men nog belangwekkende sporen van het boeddhistisch tijdperk aan. De reizigers, die van het land spreken, zeggen, dat de streek letterlijk met cellen was overdekt.Dat kluizenaarsleven is een der karakteristieke eigenaardigheden van het Boeddhisme. Ieder mocht gaan wonen in de bosschen of de grotten van het bergland, en als de regentijd daar was, kon de heremiet zich voegen bij zijn collegaʼs, die in de kloosters of viharaʼs woonden. Die kloosters bestonden, schijnt het, uit een plein, omringd door cellen, met galerijen, die versierd waren. De cellen in de open lucht zijn verdwenen en enkel die zijn overgebleven, die in de rotsen waren uitgehouwen. De oudste inrichting schijnt te zijn geweest, dat de kleine cellen op rijen lagen met een veranda, die op pilaren rustte. Aan de westzijde is er aan het bouwwerk meer zorg besteed dan aan het beeldhouwwerk. Het dak wordt door zuilen gedragen, en een zuilengalerij geeft toegang tot een diepe zaal, waar de monniken dienst hielden en hun Boeddhaʼs aanbaden. Aan den oostkant van den Uperkot bij het klooster Bawa Pyara vindt men ook van die onderaardsche woningen; maar hoe een denkbeeld te geven van dien overvloed van gangen en zalen en cellen? Er bestaat trouwens geen twijfel aan de bestemming van de bouwwerken.Hoe opgestapeld de aarde en het puin ook zijn in die zalen, de kenners hebben er de inrichting van een vihara in herkend. Ik mocht er niet binnentreden, en ik had ook inderdaad genoeg aan het uitwendige; de verbeelding stelde mij in staat, mij het leven van de monniken voor te stellen. Een opschrift leert, dat de holen ingericht waren voor de Dsjainaʼs door de koningen van Saurasthra op het eind van de tweede eeuw der christelijke jaartelling, of dat ze hun geschonken waren toen de Boeddhisten er geen gebruik meer van maakten. Het kloosterleven der Dsjainaʼs gelijkt, zooals bekend is, veel op dat der Boeddhisten.Verder in de jungle, te Maï Godesji, waren onder een ouden Hindoetempel, die in een moskee is veranderd, andere kamers; die behoorden waarschijnlijk niet bij een klooster, maar ze werden zeker gebruikt als die in den Uperkot.Van alle overblijfselen van den boeddhistischen godsdienst in Saurasthra is er geen enkel zoo belangrijk als de opschriften op den Asokasteen. Wij wijdden daaraan een morgen. Men verlaat dan de stad door de Wagheswaripoort in het Zuidoosten, en laat den Uperkot links liggen. Het is tevens de weg naar den Girnar. Vroeger hadden de reizigers, die naar de tempels gingen, te kiezen tusschen een wandeling en een draagstoel; thans leidt een rijweg naar den voet van den berg, en ons rijtuig reed een smal dal binnen, beplant met teak- en ebbenhoutboomen.In het begin der 19e eeuw legde de rijke paardenkoopman Sundarji, van Junagadh uit, een weg aan, waar hij boomen met rijk gebladerte langs liet zetten, opdat de pelgrims in de schaduw zouden kunnen uitrusten, zoodat men aan hen de ontdekking van den Asokasteen te danken heeft, want zonder dit voorbereidingswerk zou het monument nog verborgen wezen in de onontwarbare acaciaboschjes, die het omringen.De eerste, die er melding van maakt, kolonel Tod, heeft een levendig verhaal gegeven van zijn ontdekking in December 1822. Bij de samenkomst van de door Sundarji geplante laan en de Sonarekh, een der talrijke riviertjes, die den voet van den Girnar besproeien, komt een breede weg, evenwijdig aan de laan, uit bij een brug met drie bogen en voorzien van een leuning. Voordat die brug gebouwd was, liepen de pelgrims in den regentijd gevaar, door het water der rivier te worden meegesleurd, en veel ongelukken gebeurden er.Nadat men den weg heeft verlaten en naar rechts is gegaan, bereikt men den Asokasteen. Tod heeft hem beschreven als “een zware massa in den vorm van een halven cirkel van zwart graniet, die als een wrat op het menschelijk lichaam de schors van onze moeder aarde had doorboord, zonder een spleet of scheur te maken.”De oppervlakte, die de steen besloeg, was 10 voet. De steen was in afdeelingen verdeeld of parallelogrammen, die opschriften in antiek schrift bevatten. Tod begreep, dat hij zich in de tegenwoordigheid bevond van een nog niet leesbare bladzijde der historie; hij bepaalde zich er toe, zijn secretaris te verzoeken twee der opschriften en een deel van het derde af te schrijven. En er werd in dertien jaren niets meer gedaan.In 1835 onderzocht Dr. Wilson, die tegen het vallen van den avond van den Girnar daalde, de opschriften, nog steeds onontcijferbaar geacht, ofschoon ze reeds de aandacht van de geleerde wereld hadden getrokken. Hij liet er afdrukken van nemen in 1837 en trachtte tot het begrip er van te komen, maar Prinsep was hem in 1838 voor met het vinden van den sleutel tot het nieuwe letterschrift. Door een gelukkig samentreffen had luitenant Kittoe te Dhauli een lang opschrift ontdekt, dat bijna identiek was aan dat te Junagadh, en kapitein Birtes liet een opschrift overnemen, dat gegraveerd was op een rots dicht bij het dorp Sjah-baz-garhi, 36 mijlen ten noorden van Peshawar, ook identiek met die van Girnar en Dhauli.Het was voor diegenen, die zich aan de bestudeering van de teksten wijdden, noodig correcte copieën te hebben en welverzorgde afdrukken van al die figuren. In 1838 werd luitenant Postans door het bestuur van Bombay naar Junagadh gezonden, om de opschriften te copiëeren en Burgess kwam in 1869 afdrukken maken. De steen was in die dagen door een kluizenaar bezet, die er zich een soort van hut naast had gebouwd en hout rondom had opgestapeld. De regeering van Bombay, van die feiten op de hoogte gebracht, richtte vertoogen tot den eersten minister van Junagadh, die over den steen een dak liet bouwen. Dat werd later vervangen door een soliede en fraai gebouwtje, waarin wij het genoegen hadden, eenige oogenblikken te rusten. Wij zullen de geleerden niet volgen in hun ontcijferingswerk en in hun verklaringen der opschriften. De opschriften zijn van het hoogste belang; men heeft ze terecht vergeleken met den steen van Rosette, met de opschriftenop rotsen te Bisitoen, en met de steenbibliotheken van Assurbanipal.Een enkel woord over den vorst, van wien ze uitgingen. Asoka Biyadasi, koning van Magadha of Behar, die in de derde eeuw vóór Christus regeerde en tot het Boeddhisme werd bekeerd, legde er zich met ijver op toe, zijn godsdienstige denkbeelden te verspreiden. Er wordt gezegd, dat hij 64.000 priesters onderhield en kloosters stichtte in zoo groot aantal, dat zijn land nog het land der kloosters wordt genoemd, der vihara of behars. Hij maakte het Boeddhisme tot staatsgodsdienst, stelde een raad in, om de geloofsartikelen te verklaren, verspreidde zedelessen, benoemde een ministerie, om de zuiverheid der leer te handhaven en gaf bevel tot een herziening van den kanon der boeddhistische geschriften.Onderaardsche vertrekken in de citadel, in 1869 ontdekt.Onderaardsche vertrekken in de citadel, in 1869 ontdekt.Terzelfder tijd verspreidden legioenen van zendelingen zijn leer tot in de verste streken, en zijn wereldlijke macht zette kracht bij aan het prestige zijner boodschappers.Het monument is niet het eenige van zijn soort; veertien opschriften op rotsen in Indië verspreid, geven dezelfde voorschriften. Deze steen van Asoka telt veertien edicten of wetsbepalingen van Asoka en twee opschriften, die betrekking hebben op de herstelling van een oud réservoir, de Soedarsana.Men kan de voorschriften van Asoka aldus samenvatten:Ten eerste werd verboden dieren te dooden, om ze te eten of te offeren.Ten tweede werden voorschriften gegeven omtrent geneeskundige hulp voor menschen en dieren, omtrent aanplantingen en putten aan den kant der wegen.Ten derde werd bevolen, zich alle vijf jaren aan een boete te onderwerpen en opnieuw de groote zedelijke waarheden van het boeddhistisch geloof te publiceeren.Ten vierde werd een vergelijking getrokken tusschen den ouden staat van zaken en de nieuwe richting van den koning.Ten vijfde moesten er zendelingen worden benoemd, om de leer in vreemde landen te gaan verkondigen.Ten zesde werd de gelofte verplicht gesteld, dat men gelijkheid van rang en stand zou handhaven.Ten zevende werd de aanstelling van zederechters verplicht gesteld.Ten achtste werd op het verschil gewezen tusschen de materiëele genoegens van de voorgangers van den koning en zijn eigene.Ten negende werd een uiteenzetting gegeven van het ware geluk, dat slechts in deugd te vinden is, waardoor de zegeningen des hemels den mensch te beurt vallen.Ten tiende werd een vergelijking gemaakt tusschen den vergankelijken roem dezer wereld en de hemelsche zegeningen, waar de koning naar haakt.Ten elfde werd een verklaring gegeven van de stelling, dat de grootste van alle gaven, die men aan zijn medemensch kan schenken, is hem de deugd te leeren.Ten twaalfde wordt een woord tot de geloovigen gericht.De Asokasteen ligt rechts van den mooien weg naar den Girnar.De Asokasteen ligt rechts van den mooien weg naar den Girnar.Om eenig denkbeeld te geven van de voorschriften en van den stijl des koning-schrijvers, kiezen we het achtste, dat de bekeering van den koning tot het Boeddhisme inhoudt.“In vroegere tijden kenden de koningen de pleizierreizen, de jacht en andere vermaken. Maar Pyadasi, de geliefde koning der Devaʼs, tot het tiende jaar zijner regeering gekomen, heeft de volmaakte leer van Boeddha leeren kennen, en zal alleen die wet verspreiden.In de tiende stelling verklaart hij, dat de eenige roem, dien hij begeert, is zijn volken te zien gehoorzamen aan die wet en alle plichten te zien vervullen, die zij oplegt, en hij voegt erbij: “Het is een moeilijke zaak voor een middelmatig mensch, om de zaligheid deelachtig te worden, zooals ook voor iemand van rang, tenzij hij door buitengewone verdienste alles hebbe opgeofferd; maar voor een vorst is het nog veel moeilijker.”Indien de koning dan al een vurig proselietenmaker is, hij heeft toch eerbied voor het geloof van anderen. Die gedachte drukt hij uit in het twaalfde voorschrift.“Pyadasi, de geliefde koning der Devaʼs, heeft eerbied voor elk geloof. Hij eert tevens de bedelaars, door hun aalmoezen te geven. Men moet alleen zijn eigen geloof liefhebben, maar men moet dat van anderen niet beschimpen; dan doet men niemand onrecht. Er zijn zelfs omstandigheden, waarin het geloof van anderen even hoog moet gesteld worden. Door dat te doen, versterkt men zichzelven in het geloof en dient tevens dat van anderen.”Onnoodig, de aanhalingen nog te vermeerderen. Het is die geest van verdraagzaamheid, dien we vooral wilden laten uitkomen, want die geest zou zich door de eeuwen handhaven in het Boeddhisme.De andere opschriften, die een weinig beschadigd zijn, houden zich bezig met het Soedarsana of mooie meer, waarvan men de sporen in het dal heeft gezocht.Zooals ik al zei naar aanleiding van de irrigatiewerken in den Uperkot, men hield zich lang bezig met die vragen in Saurasthra. De opschriften leeren, dat het meer het werk was van een onderkoning van Kathiawar, die 300 jaar vóór Christus het aanlegde; dat het onder Asoka verfraaid werd en toen 350 jaar onveranderd bleef. Maar na dien tijd, in 129 na C. veroorzaakten hevige regens overstroomingen in het Girnargebied; een orkaan wierp boomen omver, deed rotsen schudden, rukte deuren uit hun voegen en vernielde de woningen. De wateren braken de dijken en sleurden alles mee. Het scheen een onherstelbare ramp, en de raadgevers van den koning deden er niets aan. Maar het volk vroeg luide naar zijn “schoon meer” en koning Rudra Daman, die toen over Goedsjerat regeerde, en die geen belastingen hief en geen heerendiensten vergde, maar alles uit eigen fondsen betaalde, stond zijn onderkoning toe, het meer te herstellen. Het opschrift zegt, dat die herstelling door middel van een dam werd bewerkstelligd.En er verliepen 310 jaren, toen in 449 op een nacht ten gevolge van hevige regens de dam bezweek tot grooten schrik der bevolking. Zeven jaren later slaagde de onderkoning erin, in twee maanden een dam te bouwen van 150 voet lang, en 102 voet breed en 35 voet hoog. Hoe lang hield het nieuwe werk stand en waardoor werd het vernield? Op welk tijdstip nam de plantengroei weer de plaats in van die watervlakte, die zich uitstrekte aan den voet van den Girnar? Wanneer trad de liefelijke rivier Sonarekh binnen haar bedding terug? Geen enkele overlevering maakt er melding van, en men weet zelfs niet, waar het Soedarsana gelegen was! Een pandit heeft de plaats vastgesteld op driekwart mijl van de stad naar het Oosten op weg naar den Girnar;vondsten van metselwerk, hier en daar teruggevonden, hadden hem tot die veronderstelling gebracht; maar in dat geval zou de weg naar den Girnar afgesloten zijn geworden en de bedevaartplaatsen, zooals Damodar Kund, zouden overstroomd zijn geworden en zouden ontoegankelijk zijn. Naar de muurresten te oordeelen in de bedding der Sonarekh en naar sommige golvingen van het terrein aan den linkeroever, denkt men eerder de omstreken van den Uperkot als de plaats van het meer te moeten aanwijzen.Ons bezoek aan den Asokasteen was zeer interessant geweest, en op den terugtocht wierpen we slechts even een blik op de mooie natuur. Aangekomen bij het Lal Bagh, maakten we toebereidselen voor de bedevaart naar den Girnar, die den volgenden dag zou plaats hebben. Van de meest aangrijpende herinneringen van het Boeddhisme zouden we overgaan tot de moderne werkelijkheid van een ermee wedijverende secte, de Dsjaïnaʼs.Het ideaal van een heilig leven, door Asoka gedroomd, zou niet tot Indië beperkt blijven. De leer van dat leven ging over de grenzen, en de geest van het proselietisme, die het wezen van het Boeddhisme is, zond zendelingen naar de verste landen, waar ze zielen wonnen. Er zijn thans meer dan 500 millioen Boeddhisten in de wereld; in Indië en Birma drie millioen. Het Brahmaïsme, dat tijdelijk achteruitging, maar nooit verdelgd was, herkreeg zijn bloei in de achtste en negende eeuw, en in de elfde joegen de Mohammedanen beslist het Boeddhisme uit Kaschmir en Orissa, die alleen getrouw gebleven waren. De leerstellingen van Boeddha waren echter niet verloren gegaan; zij voegden zich bij de nieuwe elementen, met behulp waarvan het Hindoeïsme ontstond. Indië wierp diegenen uit, die er niet pasten en behield wat bij zijn aard en wezen paste. Het Boeddhisme liet echter op indischen grond, zooals ik reeds zeide, een secte achter, die het overleven zou.Het Dsjaïnisme heeft zijn oorsprong te danken aan Swami Mahavira, metgezel van Boeddha, misschien wel zijn leermeester, als men de teksten van de Dsjaïnaʼs mag gelooven. Evenals de Boeddhisten verwerpen de Dsjaïnaʼs de Veda, als dat boek in strijd is met hun leer, alsook de autoriteit der Brahmanen; ze houden geen rekening met de offeranden en leven in strikte zedelijkheid. Zij gelooven, dat hun verleden en hun toekomst van hun eigen handelingen afhangen en niet van den wil van God, en ze hebben een grooten eerbied voor het leven van menschen en dieren. Ze verdeelen den tijd in opeenvolgende eraʼs en kennen aan elke era vier-en-twintig Dsjinaʼs of rechtvaardigen toe, mannen, die volmaakt zijn geworden, door de menschelijke hartstochten te overwinnen.Er zijn er 24 geweest in het verleden; er bestaan in het tegenwoordige ook 24, en er zullen 24 in de toekomst wezen. Ze plaatsen in hun tempels kolossale marmeren beelden voor die Dsjinaʼs.De Dsjaïnaʼs worden in twee groote secten verdeeld, de Digambaraʼs, in ruimte gekleed, en zoo genoemd, omdat de monniken van die secte de gewoonte hadden, geen kleederen te dragen. In Indië is namelijk de volkomen naaktheid aan zijn wijzen veroorloofd. De tweede secte is die der Swetambaraʼs, wier monniken witte kleederen dragen. Deze bedienen zich steeds van een waaier en houden een lap voor den mond, om niet te dooden, want kleine levende wezens konden in hun mond komen en den dood vinden. Zij mogen een bedelschaal in de hand houden, om voedsel in ontvangst te nemen, dat de geloovigen hun geven, wat de Digambaraʼs niet mogen doen. Dezen mogen de giften alleen in het holle van de hand aannemen. De monniken wonen niet samen in kloosters; ze reizen en trekken, leven van aalmoezen, en als ze behoefte hebben aan rust, trekken ze zich terug in rusthuizen, die vermogende Dsjaïnaʼs voor hen hebben gebouwd. Vroeger waren ze verdeeld in talrijke broederschappen, waarvan nu nog vier of vijf over zijn.De leeken of Sjrawaks dragen noch heilig lint, noch teeken op het voorhoofd, noch houten halsband. Ze onderwerpen zich aan bepaalde reinigingen en hebben Brahmanen als dienstdoende geestelijken, al vereeren ze de monniken hoog. Hun godsdienstplichten zijn niet te vergelijken met die der Brahmanen, wier leven een onderwerping is aan nietigheden van den dienst; de gebeden van de Dsjaïnaʼs zijn noch lang, noch ingewikkeld. De monniken worden aan geen enkelen regel gebonden, en de leeken zijn enkel gehouden aan een bezoek aan de tempels, waar ze driemaal moeten loopen om het beeld van hun heilige en buigen voor de andere kleine beelden, onder het aanbieden van een offer en het uitspreken van enkele formules.Goedsjerat is het uitverkoren land van die rijke en belangrijke secte; het aantal Dsjaïnaʼs bedraagt in ʼt geheel nauwelijks een millioen.Als men het Dsjaïnisme zou willen omschrijven, kan men niet beter zeggen dan dat het een Boeddhisme is, voorzien van een mythologie niet van goden maar van heiligen. Inderdaad is het ideaal van een Dsjaïna een tempel te bouwen, waar hij het beeld van een zijner Dsjinaʼs plaatsen kan, het steenen gebed, zooals ze zeggen en wat ook Fergusson heeft beweerd. Het gebed vindt dan zijn geloofsuitdrukking in de schoonheid der architectonische vormen en de pracht van het geheel.Zoo verklaart het zich, dat men zooveel prachtige Dsjaïna-tempels door geheel Indië vindt, bij voorbeeld bij de Aravalli, op den berg Aboe, in Bengalen te Parasnath; in Kathiawar op den heiligen berg Satrunjaya, eindelijk tegenover ons op het plateau van den Girnar, waar wij morgen den 22sten Dsjina gaan huldigen.Het bergmassief van den Girnar bestaat uit vijf toppen, den Amba Mata, bekroond met den tempel van de godin der primitieve tijden, Uma of Parvati; dan den Gorathnath, den hoogsten van alle, 3600 voet boven de zee; den Oghad Sikhara; den Datatreya en den Kalika.De Girnar was waarschijnlijk al een bedevaartplaats vóór den tijd van Asoka, te oordeelen naar de sporen van cellen van boeddhistische monniken, die men er nog vindt. Zijn wonderbare geschiedenis wordt verteld door Brahmanen zoowel als door Dsjaïnaʼs; dertig hoofdstukken van de godsdienstige jaarboeken vieren zijn heiligheid in verhalen, die door de Brahmanenwerden bedacht en gelegd in den mond van Siva, hun geliefden god. Elke bedevaartplaats heeft zoo haar boek, waarin zijn verzameld haar overleveringen, de godsdienstige gebruiken van de plek, de herstellingen, die in de heiligdommen worden aangebracht, de genealogie der heiligen, der weldoeners en der personen, die bedevaarten er heen hebben ondernomen.Volgens de Dsjaïnaʼs hoorde Indra, toen hij aan Mahavira vroeg naar de namen der 25 heilige toppen, dat de vijfde was de groote berg Raivata, dat is de Girnar, die de vijfde wetenschap geeft, het eeuwig heil. De giften en gaven, die men er brengt, gelden voor verdiensten in deze wereld en in de andere, verdiensten, die alle zonden uitdelgen, begaan gedurende vele zielsverhuizingen. De wijzen hebben er geen materiëele zorgen meer; gelijk aan goden, brengen ze hun dagen door met het beoefenen van vrome werken en met de aanbidding van Nemi. De seizoenen zijn er betrouwbaar; de waterleidingen vloeien over van een nectar, door de goden geschonken; en eindelijk brengt de herinnering aan Raivata geluk. Het aanschouwen van den berg geneest ziekten, en als men er is geweest, worden al onze wenschen vervuld.Het landschap van den Girnar past bij zijn heiligheid. Het is er rustig en de eenzaamheid is er nu nog even gemakkelijk te vinden, als toen de berg bewoond werd door de monniken, die wijzen van de Vedaʼs, aan wie Indië goddelijke vermogens toeschrijft. De lachende dalen, besproeid door heldere beken, de grotten, uitgehold in kloven in de rotsen, hebben nog hetzelfde aanzien. Zoo als ten tijde der pelgrimstochten de dichte menigte den top Amba Mata opgaat, in gewone tijden wonen alleen de dienstdoende priesters bij de heiligdommen, waar ze in het warme jaargetijde de aanwezigheid dulden van enkele bewoners van Junagadh, die de koelte komen zoeken; maar priesters, pelgrims, vreemdelingen, alle zonder onderscheid moeten zich onderwerpen aan de reglementen, die o.a. verbieden dierlijk voedsel te nuttigen op den heiligen berg; ook is alle handel er verboden, en kudden en herders moeten in de verte op de vlakte blijven. De Girnar is een plaats van rust voor vermoeide zielen, waar de Hindoe nieuwe kracht komt garen, bovennatuurlijke kracht, naar hij meent, en waar hij die verdiensten erlangt, die hem nieuwe beproevingen zullen besparen in nieuwe zielsverhuizingen.Onze excursie naar de tempels van den Girnar had op 12 Februari plaats. De heer C. Ch. Dhru wilde ons wel de noodige inlichtingen geven en voegde bij al zijn goedheden die van ons te vergezellen.Wij vertrokken tegen zeven uur in den morgen bij heerlijk weêr. Wij zouden dezelfde etappen nemen als de pelgrims. Toen we de Wagheswaripoort uit waren gegaan, volgden we den weg naar den Asokasteen, dien we rechts lieten liggen. Nadat men de brug over is gegaan over de Sonarekh, gaat men door een aardig dal, dat boschrijk is en naar den Damodar Kund leidt, zoo genoemd naar Krisjna of Damodar en een meer vormend van het water der Sonarekh. Er voert een brug over de Damodar Kund, die gebouwd is op bevel van den diwan Haridas. Het al te bescheiden opschrift vermeldt niet den naam van den edelmoedigen schenker; er is slechts sprake van een zoon, die hoopt, dat de zegeningen der pelgrims zijn ziel ten goede zullen komen, en dat de verdiensten van het werk in aanmerking zullen worden genomen naast die van zijn hoogvereerde moeder. Er wordt aan het water van de Kund een vreemde werking toegeschreven, die namelijk van menschelijke beenderen op te lossen, en daarom hebben de Hindoes een crematorium in de buurt gebouwd of eigenlijk een verbrandingsterrein. Toen wij over de brug gingen, steeg een lichte rookwolk boven de Burning Ghat omhoog, een donkere en sombere vlek, die een weemoedige tint werpt over het zonnige land. Wat heb ik nu al veel van die brandstapels gezien, voor het meerendeel van arme menschen, zoo maar opgericht aan den oever der rivier of aan een of ander zandig strand, opdat des avonds, als de vloed opkomt, deze den doode, die misschien maar half verbrand is, meevoere naar zee!Aan den voet van den berg, te Chadani Vav, begon de eigenlijke bergbestijging, en daar veranderde ons vervoermiddel.De vier doliʼs en de zestien dragers, die besteld waren, wachtten ons op. De doli is een soort van armstoel zonder pooten, gelijkend, naar men zegt, op een romeinsch zadel, gedragen op vier lange stokken, die rusten op de schouders van vier sterke koelies. Ik zal nooit toestemmen, dat het een aangename manier van reizen is. Ik ben geen liefhebster van den draagstoel, al had ik er in reisbeschrijvingen soms vol geestdrift van hooren spreken.Nu kan ik bijna niet onder woorden brengen, wat ik heb uitgestaan, toen ik voor de eerste maal van dat vervoermiddel gebruik maakte. Het was te Udvada; op den weg naar den Vuurtempel, dus vele mijlen ver, liggend in dat smalle bed van antieken vorm en beschut door een klein zeil, hoorde ik steeds de gejaagde ademhaling van mijn dragers; ik zag het zweet vloeien langs hun bruine lijven. “Arme broeders,” zei ik tot mijzelve, “vergeeft het mij, dat ik den moed niet heb, uw diensten te weigeren!” En dat was een eenvoudig ritje over een vlakken weg, die goed onderhouden was, terwijl nu een bestijging van meer dan 2000 voet moest plaats hebben. Toch was dat gevoel bij mij wel wat overdreven; in den tijd der bedevaarten volvoeren de pelgrims soms meermalen per dag den tocht omhoog en ze blijven er gezond bij. Zij houden van hun vak, worden goed betaald en klagen niet.Dus moest ik mij er wel in schikken; mijn staat van herstellende zieke legt mij den plicht op, volgzaam te zijn, en mijn waardigheid van gast van den diwan is mede een reden, om gehoorzaam de doli te bestijgen.Stapje voor stapje, of eigenlijk trap voor trap, ging de bestijging. Vroeger moesten de bedevaartgangers zich, zoo goed en zoo kwaad als het ging, een weg banen te midden der rotsblokken en van het rotspuin en op enkele plaatsen waren dan uitgesleten trappen, terwijl vijf herbergen aan den weg hem onderdak of een verfrissching boden. Maar nu hebben granieten trappen, die breed en gemakkelijk zijn,maar nog al eens glad en vuil, en die om de rots heen loopen, den ouden weg vervangen.Die antieke trap was al gebouwd in 1166 en 1167 op kosten van een zekeren Amba, zoon van Raning, van de kaste der Sjromaliʼs; ze werd hersteld in 1627 door een genootschap van pelgrims en eindelijk, in 1899, door de zorgen van de Girnar lottery, die meer dan 500,000 francs uitgaf om de trap in den tegenwoordigen staat te brengen en om bruggen te laten slaan op de gevaarlijke punten tusschen Ambaji en Jorakhnath. Wij bepaalden de volgorde van den tocht. Vóór mij mijn moeder, goed beschut door haar zonnepet en stevig gezeten in den stoel op de schouders van haar dragers, dezelfde als van lord Curzon naar het schijnt; haar trouwe François naast haar. Dan kom ik en dan mijn secretaris, die in zijn hoedanigheid van gegradueerde van de universiteit van Bombay, in diepe gedachten verzonken is, waarvan het resultaat, zooals hij mij heeft verteld, een artikel zal zijn in een der dagbladen van Surate.Gezicht in vogelvlucht op de Dsjaïna-tempels.Gezicht in vogelvlucht op de Dsjaïna-tempels.Ik kan mij dus ongehinderd overgeven aan de overpeinzingen, waartoe de plaats en de herinneringen uitnoodigen; maar weldra worden ze op den achtergrond gedrongen door de bekoorlijkheid van het landschap; ik zie alleen nog met mijn physieke oogen de bewonderenswaardige tooneelen, die zich ontrollen en die winnen in grootschheid naarmate we hooger komen.Aan onze voeten liggen Junagadh, de Uperkot en de vlakten van Kathiawar en rondom hebben wij de boschrijke hoogten van den Girnar. Het is een verrukkelijk panorama.De ernstige stilte wordt alleen verbroken door zachte geluiden in de boomen; kleine, onschuldige aapjes spelen en doen den voorbijganger geen hinder. Bij de eerste halt stegen we uit aan den eenzamen weg, die sinds het woeden van de pest en den hongersnood verlaten is. De bedevaarten worden niet meer gehouden, want ieder gaat op eigen gelegenheid. Enkele pelgrims rusten in de herbergen uit; andere klimmen naar de hoogten, en er zijn er ook, die met hun stokken al hebben geraakt aan den heiligen grond van de toppen van Dattar en Gorakhnath. Allen komen van ver. Als men rustig met hen kon praten, wat zou men dan een goede voorstelling van de Hindoeziel krijgen, en als men ergens de geheimen van die ziel mocht onderzoeken, dan zou het zeker aan den Girnar zijn.Jonge vrouwen, in haar kleurige gewaden, komen met neergeslagen oogen van den Amba Mata, en de jonggehuwden brengen aan de godin cocosnoten en andere geschenken, opdat ze hun zegen schenke.Er waren veel asceten, die met verwarde haren en het lichaam met asch bedekt, in lompen gehuld rondliepen; een van hen was in een grot gehuisvest, waar we hem een bezoek brachten.In de oogen van den Europeaan zijn die waardelooze wezens in een goed georganiseerde maatschappij tot niets nut; maar voor den Indiër heeft de godsdienstige bedelaar zijn reden van bestaan, als de vertegenwoordiger van het oude ideaal van ascetisme en armoede. Is in Manoe niet het ascetisme de laatste etappe van het menschenleven? Volgens Boeddha is immers armoede de ware rijkdom. De asceten van tegenwoordig worden in veel klassen verdeeld; op den top van de ladder staat de Sanyasi, gewoonlijk Brahmaan van afkomst; daarna, veel lager, volgen de Yogiʼs, de Bawaʼs, de Sadhoes en de Gosains, die tot de lagere kasten behooren.Die laatsten leven in groepen, bedelen van huis tot huis, doen aan veel bijgeloovige gebruiken, en leggen zichzelven lichaamskwellingen op. In groepen staande om de heiligdommen, maken ze deel uit van de pelgrimages en komen ten laatste in de kloosters van hun secte terecht. Soms komen ze aan den weg om, maar al zou men hen in Frankrijk vagebond noemen, in Indië zijn het heiligen!Die bedelaars worden er gerekend tot de groote moreele krachten van het land. Zij dwalen zwijgend door de straten, bewegen zich onder de menigte, komen in de tempels en in de gezinnen, en de grootste moderne geesten zien in die ongelukkigen vertegenwoordigers van de onsterfelijke denkers van den godsdienst. Er zijn zelfs ministers geweest, die het hof en hun betrekking verlieten, om hun leven in ascetisme te besluiten. Die minachting voor den rijkdom, die niet zonder grootheid is, vindt men ook terug in de kringen van studenten. Zoo stellen zich de professoren van Fergusson college te Poenah tevreden met een allerminiemst salaris, en het zijn geleerden van den allereersten rang.Tempel van Neminath, den 22sten Dsjina.Tempel van Neminath, den 22stenDsjina.Het leven van vrijheid en overpeinzing schijnt wonderlijk goed in dit land te huis te zijn. “Wanneer toch zal ik”, zoo vraagt de boeddhistische monnik, “wonen in een grot op de bergen, alleen, zonder metgezellen, met de bewustheid van de wisselvalligheid des levens? Wanneer zal dat heerlijk lot het mijne zijn? Wanneer zal ik wijs wezen en in kleeren van lompen, met niets, dat ik het mijne kan noemen, en zonder begeerten, zonder liefde, haat en dwaling vroolijk op de bergen wonen?”De trappen, die al steiler worden, leiden naar een plateau, waar de eerste tempels zijn gebouwd, eerste etappe op meer dan 2000 voet hoogte. Men treedt er binnen door een groot portaal, dat tot een ruim gebouw toegang geeft, een zomerpaleis of fort, waarvan de ruïnen nu dienen als woning voor de priesters en hun bedienden.Aan den ingang is het opschrift, dat een verkorte lijst bevat van de vorsten uit de dynastie der Chudasamaʼs. Vóór we binnengingen, werden we gelaten in een koele, donkere zaal, waar men ons verzocht, onze schoenen uit te trekken, om aardige laarsjes van rood laken ervoor in de plaats te stellen, met goud geborduurd, waarna we waardig zijn de gewijde ruimte te betreden. Er waren in de rotsen zalen uitgehouwen, en zoo vormden de dsjaïna-tempels een soort van forten. Er was een galerij omheen met cellen of nissen, die hetzelfde beeld vertoonen in verschillende grootte.Deze tempels zijn de mooiste van den Girnar; de andere, die in de buurt verspreid zijn of op de hellingen der bergen, zijn minder rijk of van jonger datum.De eerste is die van Neminath, aan wien de berg is gewijd; oudtijds was de hoofdingang aan den zuidkant; maar die entrée is verboden en men komt nu binnen door een ingang in het Khengarpaleis. Het gebouw staat op een vierkant plein van 190 bij 130 voet; op een zuil in een der zalen zegt een opschrift, dat het in 1278 werd hersteld, en hieruit kan men den ouderdom wel zoo wat afleiden. Er zijn twee zalen en een heiligdom, waar een zwart marmeren standbeeld staat van Neminath, behangen met versierselen van goud en edelgesteenten.Rondom liep een gang met marmeren beelden, die oogen hadden van rotskristal. In de tweede zaal bemerkt men twee platforms van fijn gesteente, bedekt met afbeeldingen van voeten in paren, ter herinnering aan de 2452 voeten der eerste leerlingen van Neminath.Natuurlijk kan men nauwelijks een derde ervan terugvinden.Al die wijde ruimten, overgoten met het heldere morgenlicht, waren aangrijpend van helderheid en witheid. Er waren in de zalen slechts enkele pelgrims en de brahmaansche priesters van den Girnar. Onze tegenwoordigheid wekte in het minst geen onwelwillende nieuwsgierigheid. Het was mijn eerste betreden van een tempel der Dsjaïnaʼs; ik had nog nooit een dienst bijgewoond, zooals later in Palitana en Calcutta, diensten, die trouwens zeer eenvoudig zijn en hoofdzakelijk bestaan uit het zingen van priesters onder begeleiding van muziek en het branden van wierook voor de beelden.Ik hoopte, het beeld te zien van Amyhara, dat in een onderaardsch verblijf wordt bewaard en waarvan het heet, dat het zweet.Om den tempel loopt een gesloten galerij met opengewerkte afsluiting, waarin kleine nissen met de vaak herhaalde beelden van den zittenden Dsjina Parasnath. Aan den zuidkant leidt een doorgang tusschen twee nissen of cellen naar een lage zaal, gesteund door granieten zuilen. Tegenover den ingang stonden twee groote beelden van zwart marmer, met daarbij een liggenden leeuw en een krokodil. Bij het rookende licht van onze fakkels kon men weinig onderscheiden. Deze onderaardsche verblijven maakten deel uit van de vroegere kloosters.Een lage deur voerde ons in een duister vertrek, waar we werden verzocht om af te dalen of liever ons te laten zakken in een lagere zaal. Daar troont in eenzame majesteit, in eeuwig zwijgen, het beroemde beeld van Parasnath. Toen ik in zijn tegenwoordigheid werd toegelaten, kon ik niet nalaten een stap achteruit te doen. Het type is dat van de andere Dsjaïna-beelden, met de handen gekruist over de zilveren voeten, die ook gekruist zijn, het gelaat verlicht door groote, amandelvormige oogen, aangeduid door schitterende plekken, en den fijnen mond, die glimlacht, terwijl de lange oorlellen op de schouders afhangen. De vlam speelde op die zonderlinge figuur met felle licht- en schaduwplekken, en de indruk was niet aangenaam, zoo onaangenaam zelfs, dat ik geen aandacht had voor een der andere beelden, o.a. dat van Neminath aan mijn rechterhand, en dat ik gauw mijn plaats afstond aan mijn moeder en de anderen. Dit beeld wordt in hooge eere gehouden door de leden der secte en door de priesters. Wat de legende betreft van den fameusen waterdruppel, die uit zijn oor vloeit en een gat boort in den schouder, daar zal ik niet bij stil staan. Toch heeft hij aan het beeld den naam van Amyhara bezorgd, dat is druppel nectar.Met veel genoegen stegen we weer omhoog naar het licht en na het verblijf in die vochtige holen was het zien van het zonlicht een vreugde. Op den Girnar behoeft er geen vrees te bestaan, dat het felle licht den indruk der heiligdommen zal bederven. Het speelt integendeel in het beeldhouwwerk der plafonds, glijdt langs de nissen en om de pilaren en doet nooit die vervallen oudheid zien, die in andere deelen van Indië de monumenten kenmerkt. Het is of de Girnar een eeuwige jeugd geniet.Nu moesten wij nog een oog slaan op de pleinen, waar geen duimbreed gronds ongebruikt is gelaten. Men heeft er heiligdommen opgericht voor schutsgoden, bij voorbeeld Amba Mata, en kleine monumenten zijn gebouwd boven de voetstappen der hoogepriesters.Ons links wendend, zonder den eigenlijken tempelkring of Deva Kota te verlaten, vonden we een groep van drie tempels, die van Rishabhdev, Merakvasi en Sangharam Soni. De eerste bevat het kolossale beeld van Rishabhdev, den eersten Dsjina of Tirtankara; het is bedekt met pleister en draagt op elken schouder een staanden persoon in een houding van nadenken. De beide andere munten uit door de schoonheid der zolderingen en de détails van het beeldhouwwerk; het is alles schitterend. Tot aan den tijd van ons bezoek was het onmogelijk gebleken, er een photografie van te nemen door het witte en diffuse licht, dat tot in de verste hoekjes dringt. Misschien is men er later beter in geslaagd. Het heiligdom ligt op het Westen, een omstandigheid, die verklaard wordt door de vroegere bestemming van deze monumenten, die paleizen waren. Woonden in dergelijke woningen de echtgenooten van de Chudasamaʼs? In den tempel van Sangharam Soni herkent men nog het best aan de proporties een koninklijke residentie. Die tempel is gewijd aan Parasnath, wiens modern standbeeld er te zien is.Buiten de Deva Kota vinden we eerst den tempel van den Rajah Samprati, die zeker de mooiste is door de gratie zijner lijnen, zijn prachtige ligging op de helling van den berg, en zijn plafondschilderingen, waarin de kunstenaars der Dsjaïnaʼs zichzelven hebben overtroffen. Hij is ook de oudste van de groep van den Girnar; een opschrift in het inwendige geeft als tijd van de stichting het jaar 1158 aan.Aan de noordzijde, een weinig afgezonderd van de groep, staat de Kumarpal, waarvan het lange portiek door 24 zuilen wordt gedragen. Het gebouw was in de vorige eeuw bijna verwoest; er was nog slechts een enkele zaal over. Toen de Dsjaïnaʼs tot de herstelling besloten, bespeurden ze, dat een sivaïetisch bankier er bezit van had genomen, om er een voor hem heilig beeld te plaatsen. In wanhoop dreigden ze, dat ze, als men hun het eigendom niet teruggaf, tot de plechtigheid van hetdharnate zullen overgaan, dat wil zeggen, bij de poort van den tempel te gaan zitten en te vasten tot de dood zou intreden, zoolang ze hun bezit niet terug hadden. De partijen kwamen tot een vergelijk, en volgens het opschrift had de restauratie in 1824 plaats; het heiligdom bevat drie beelden.Eindelijk is er ten oosten van de Deva Kota, rechts van den weg die naar het heiligdom van Amba Mata leidt, de drievoudige tempel van Vestupal Tejpal. De dsjaïnische kunst ontplooit er al haar pracht in de versiering der zolderingen, der pilaren en der koepels; ongelukkig heeft het beeldhouwwerk veel geleden. Het monument is zeer oud en werd in 1229 opgericht door den minister van een koning van Goedsjerat en zijn broeder.Het bezoek der tempels, hoe vlug het ook plaats had, was lang en vermoeiend geweest; ik heb er slechts een flauw denkbeeld van kunnen geven, en moet veel karakteristieke détails voorbijgaan; maardaar ik er geen fotoʼs van kon krijgen, zou de beschrijving geen doel treffen.De heer K. Ch. Dhru noodigde ons op een déjeûner in de voor gasten bestemde zaal; maar in zijn hoedanigheid van Brahmaan mocht hij niet aan onzen maaltijd deelnemen. Aan tafel liep het gesprek over de dingen, waar wij van vervuld waren, vooral over den oorsprong en de ontwikkeling der dsjaïnische kunst.Het was trouwens slechts de herhaling van de meeningen der groote autoriteiten en van de indrukken der reizigers, in het bijzonder van Tod, wiens levendige beschrijvingen mij lust hadden gegeven, naar Girnar te gaan en mij tot geestdrift hadden gestemd.Minder begunstigd dan hij, werd het ons niet vergund, den nacht door te brengen op het mooie platform van de Deva Kota, en geen bliksemstraal, die de wolken scheurde, stond ons toe, met een enkelen blik de vlakten van Kathiawar en de verre oevers van Mangrol en Pattan te omvatten. Doch waarom getreurd, de helderheid der atmosfeer, het vriendelijke landschap, de zachtheid der temperatuur passen bij een streek, die de woonplaats der goden is geweest, en dat is de indruk, dien wij wenschen mee te nemen.Toen het déjeûner was afgeloopen, hervatten we onzen tocht naar den top van den berg; we moesten nog 600 voet stijgen. Links van ons boven de tempels teekende zich op de lucht een groot blok graniet af, de Bairav Jap, Sprong van den Dood, van waar de ongelukkigen, die met de bevrijding van hun kwalen de belooning hoopten te vinden voor hun wanhoopsdaad, zich naar beneden stortten, een belooning, die hen van treurig misdeelden en nederige proletariërs zou maken tot heeren en vorsten in het paradijs van Indra.Het slachtoffer, gedost in zijn mooiste kleederen, gaat naar den rand van den afgrond; met den voet rustend op een cocosnoot, balanceert hij een oogenblik en glijdt dan in het ledige, waar zijn lichaam op de punten der rotsen te pletter valt. Er werden ons veel voorbeelden genoemd van deze soort van godsdienstigen zelfmoord; maar de engelsche politie verzet zich krachtig tegen de ellendige praktijk. Meestentijds zijn de ongelukkigen van beperkt verstand, door geestdrijvers ingepakt en soms onder den invloed van alcoholische dranken.Tweehonderd meter boven de Deva Kota moet men niet verzuimen, een blik te werpen op het heiligdom van Mahadav en zijn heilig waterbekken, waar de pelgrims hun wasschingen moeten verrichten.Wij bestijgen de laatste treden, die naar den tempel van Amba Mata voeren, en terwijl onze beminnelijke gids zijn godsdienstplichten vervult, brengen wij een bezoek aan het inwendige. De priesters haastten zich een armen asceet te verjagen, wiens staat van naaktheid zijn verdwijning achter de rotsen rechtvaardigt.De tempel, die tot vrij hooge oudheid opklimt, is van zwart graniet gebouwd; hij was vroeger door een portiek omgeven, maar de bogen zijn dichtgemetseld. In 1889, toen de bliksem het gebouw had beschadigd, werd het hersteld door de Hindoes van Junagadh. Het inwendige is zoo donker, dat men ternauwernood het beeld van Amba Mata kan herkennen, de godin der oude tijden, een der gedaanten van Uma of Parvati.De zindelijkheid liet veel te wenschen over, en enkelereizigershebben de weinig vleiende opmerking gemaakt, dat de tempel niet geveegd schijnt te zijn, sinds de Boeddhisten of de Dsjaïnaʼs hem aan de Brahmanen hebben afgestaan. Wij offeren ons penningske, en we gaan het uitzicht bewonderen, want van den Amba Mata kan men het gansche bergstelsel van den Girnar overzien. In het Oosten, vrij dicht bij ons, de Goraknath, gekroond met een tempeltje, gewijd aan den leerling van den een of anderen heilige; wat verder de Dattar, die geen spoor van eenigen plantengroei vertoont op zijn flanken van graniet; op den top staat een gebouwtje, dat de voetstappen van Neminath bedekt, en waar, naar beweerd wordt, de dsjina het Nirvana bereikte; en eindelijk, lager, de Kalika met een tempel voor de godin Kalika. Lagere bergen staan als een gordel om de hooge, en in het Zuiden breidt zich het woudgebied van den Gir uit. Alle dalen van het bergland en der lagere ketenen zijn bosch- en wildrijk.De Kalika staat in een niet te besten reuk, waardoor de geheele groep van bergen min of meer berucht is. Hij heeft tot in de jongste tijden tot woonplaats gediend aan de Aghoriʼs. Een Aghori is iets verschrikkelijks, oordeelt men in Indië, en niet ten onrechte, zooals wij zullen zien.Als godsdienstige secte zijn de Aghoriʼs zeer oud en worden in de geschiedenis vermeld als menscheneters. De schrijver van “Dabistan”, een werk uit de 17de eeuw, verhaalt, dat hij een Aghori gezien heeft, die een lijkzang zong, zittend op een lijk, dat hij verslond, ofschoon het al tot ontbinding was overgegaan. Deze schepsels aanbidden de godin Aghori Mata, maar van eigenlijken godsdienst kan bij hen geen sprake zijn, evenmin als van eenig wijsgeerig systeem, al beweren zij, dat ze de logische consequenties aanvaarden van de pantheïstische philosofie der Vedanta. Vroeger deden ze aan menschenoffers, en de plechtigheden bij hun inwijding waren iets monsterachtigs, terwijl ze tot op onzen tijd nog zeer weerzinwekkend moeten wezen.Het is bewezen, dat de leden der secte gedwongen worden, menschenvleesch te eten; om zich te verontschuldigen, beweren zij, dat hun hoofden hen uit de gemeenschap zouden stooten, als ze weigerden, zich aan die afschuwelijke gewoonte te onderwerpen, en dat ten overvloede de smaak van menschenvleesch hun de kennis verschaft van de onzienlijke dingen. Ze komen niet dikwijls te zamen; maar te Benares zijn er nog velen en daar zwerven ze om de kerkhoven rond, om den deelnemers aan begrafenissen geld af te persen.Ziehier het portret van den Aghori, geteekend door de hand van een kenner. “Zwart, vuil, harig, de oogen met bloed beloopen, de neusgaten wijd uitstaande, lange nagels, een met zweren bedekt lichaam, het haar vol ongedierte, in volkomen naaktheid, zoo is de Aghori. Hij ziet uit de oogen als een krankzinnige, lacht ook als zulk een ongelukkige, laat de tong uit den mond hangen en heeft vuiletanden. Nooit wascht of reinigt hij zich; hij voedt zich met krengen en lescht zijn dorst met rottend water, in de eene hand houdt hij een schedel vast en in de andere een of ander martelwerktuig. Aldus heeft Malabari hem beschreven.De Aghoriʼs hebben altijd schrik verspreid, waar ze zich vertoonden, en op het platte land vreesden hen de moeders, omdat men kinderroof van hen kende. Hun voornaamste verblijf was de berg Kalika. Thans zijn ze bijna verdwenen; maar de berg is nog berucht door hun vroegere aanwezigheid.

De nabab van Junagadh, Z. H. Rasoel Khandji.De nabab van Junagadh, Z. H. Rasoel Khandji.Kapitein Grant werd gered door tusschenkomst der Engelschen, die van den Nabab van Junagadh gedaan kregen de teruggave aan Bawavala van de goederen, die het andere Kathihoofd had geroofd; maar hij bleef zijn geheele leven ziek en verloor het geheugen. Om een denkbeeld te geven van de moderne zeden, diene, dat de vrouwen nog den lof zingen van Bawavala, den Robin Hood van Kathiawar. Wij zouden nog meer staaltjes van lateren tijd kunnen melden, maar wat met kapitein Grant is gebeurd, heeft min of meer een officiëelen stempel, en men kan ons dan niet van overdrijving beschuldigen.Een heele litteratuur is verbonden aan de heldendaden van de bendehoofden. De heer C. A. Kincaid heeft onlangs een belangwekkenden bundel het licht doen zien van oudere en nieuwere balladen, die op hun heldenstukken betrekking hebben. Men kan er den geest uit leeren kennen, die al sinds onheugelijke tijden in het land heerschte onder de menschen, die geneigd waren de rechten van het individu te doen voorgaan boven die der gemeenschap en tegen het gezag, welk dat ook was. Ondanks zijn misdaden was de misdadiger sympathiek aan de massa. Naast hem treedt dan het paard op, door de nationale dichters niet minder goed behandeld dan zijn meester. Het is de blanke merrie met de vlokkige, wapperende manen, die met wijd geopende neusgaten de ruimte verslindt, in één sprong over de muren van dorpen springt en zoo snel en licht zich beweegt, dat de vogels zich niet met haar meten kunnen.Thans is de Gir gastvrijer geworden. Men kan er veilig zich bewegen, vooral als men vergezeld is door Engelsche ambtenaren. Sasan op den zuidelijken oever van de rivier Hiran is de residentie van den inspecteur van het boschwezen. Daar was ook het kamp van Lord Curzon gevestigd. Vroeger was die plaats zeer ongezond en had zelfs aan die ongezondheid zijn naam te danken, want Sasan wil in het Sanskriet zeggen “straf”, omdat men er de staatsgevangenen heen zond, opdat ze spoedig zouden sterven door de slechte hoedanigheid van het water ter plaatse.Hoofdstraat van Junagadh met den Girnar.Hoofdstraat van Junagadh met den Girnar.De leeuw, die oudtijds de glorie van Pendsjab en Hindostan was, is teruggedrongen naar deze boschrijke streek. Hij is niet de mindere van zijn soortgenoot uit Afrika, noch wat grootte betreft, noch wat den moed aangaat; de manen zijn zwart, bruin of geel, al naar gelang van den leeftijd. Hij zal zelden een mensch aanvallen; maar er worden gevallen vermeld, waarin hij een of meer slachtoffers heeft gemaakt. In de menagerie van Sardar Bagh worden de groote, welgeluchte kooien goed onderhouden, en de dieren zien er niet zoo ellendig uit als in Europa. Ze worden ook niet vaak door bezoekers lastig gevallen; en een knippen met de oogen of een gegrom is het eenige, dat de bewaker erlangt, als hij ze wil doen opstaan. Met die visite aan de leeuwen eindigde ons bezoek aan Junagadh.De ruïnen van den Uperkot of de citadel van Junagadh liggen links van den weg, die naar den Girnarleidt; wij kozen het eind van een schoonen dag, om ze te bezoeken. Zij zijn begrepen in den stadsmuur en bevinden zich op een soort van platform van natuurlijken aard tusschen de stad en den berg; de muren, omringd door een diepe gracht, zijn bijna zeventig voet hoog. Men komt er binnen door twee poorten; volgens oude kronieken waren er drie en 84 torens. Het grootste deel van het terrein is al lang ingenomen door de jungle, maar men is onlangs begonnen met de ontgraving, en nu is de citadel in het geheel niet meer in den deplorabelen toestand, dien Tod in 1822 beschrijft. Door een gunstbewijs, dat nog door geen enkel Europeaan was verkregen, had de moedige reiziger kunnen binnendringen. Hoewel het geen oorlog was, hield men er goed de wacht en de poorten werden slechts ten halve geopend voor den reiziger. Overal zag hij verval en verlatenheid. Het is nog een imposant monument van de militaire mohammedaansche bouwwijze, die men terugvindt in vele vestingen uit denzelfden tijd.In de tuinen van den Sardar Bagh.In de tuinen van den Sardar Bagh.Het rijtuig bracht ons tot op de wallen; bij den ingang viel ons het gewelf boven de deur op, dat een merkwaardig voorbeeld was van de oude rajpoetische architectuur. Het is moeilijk den tijd van ontstaan vast te stellen; maar als die poort van vroegeren datum is dan de herstellingen, in de 15de eeuw aangebracht, zooals een opschrift aangeeft, toch klimt ze niet hooger op dan de 18de eeuw.In een sankrietsch werk uit de elfde eeuw van iemand, geboortig van Goedsjerat, wordt gezegd, dat de vierde vorst uit het geslacht der Chudasamaʼs in de tiende eeuw overwonnen en gevangen genomen werd en daarna weer in vrijheid gesteld door een vorst uit Goedsjerat, dat hij vervolgens Vanthali verliet, dat zijn hoofdstad was, om zich te Junagadh te vestigen, waar hij de citadel liet bouwen, hetgeen verklaard wordt door de noodzakelijkheid, waarin de Chudasamaʼs waren, om zich te beschermen tegen de invallen van hun machtige en oorlogzuchtige buren.Kanon van de citadel in Junagadh, in de 16de eeuw in Egypte gegoten.Kanon van de citadel in Junagadh, in de 16deeeuw in Egypte gegoten.Een beslissend getuigenis brengt steun aan dat bericht uit de elfde eeuw. De boeddhistische pelgrim Hioeën Thsang, die in de zevende eeuw reisde en die zoo minitieus de steden, bergen en oude grotten van Saurasthra heeft beschreven, maakt geen melding van den Uperkot, bewijs, dat de citadel niet bestond toen hij in de plaats was. In de elfde eeuw begint de geschiedenis van de belegeringen, die zij had te doorstaan, eerst van de Hindoevorsten, dan van de Muzelmannen. Overigens mag het fort ondanks de herhaaldecapitulaties trotsch zijn op zijn lang verleden. Het heeft dapper de aanvallen weerstaan der veroveraars, die het op zijn bestaan voorzien hadden. Na de opneming van Sorath in het mongoolsche rijk treedt de vesting in de schaduw. In de 18de eeuw maakten de geldzuchtige Arabieren, wien men achterstallige soldij schuldig was, zich er herhaaldelijk meester van, en ze konden er slechts met moeite uit verdreven worden. Van dien tijd af hebben de gevangenissen, die het bevatte, slechts gediend voor de vorsten of de opstandelingen, van wie men zich wilde ontdoen.Het monument, dat het eerst de aandacht trekt, is de moskee, een groot gebouw van 136 bij 103 voet. Het uitwendige heeft niet veel stijl; het is zwaar en lomp met de vier granieten zuilen op de hoeken; maar het inwendige biedt een verrassing; er staan 140 zuilen in verschillende rijen. Die der drie eerste, van den gevel af naar binnen, zijn dikker, evenals die van de vijfde en tiende rij overdwars en zijn door bogen samen verbonden, zoodat ze, als ze waren voortgezet, het gebouw zouden hebben verdeeld in drie hoofdschepen in het midden en twee zijschepen van de helft der grootte. De preekstoel ligt elf treden boven den beganen grond, en de deuren zijn van prachtig bewerkt marmer.De moskee, die onder Mahmoed Bigaré werd begonnen, is waarschijnlijk nooit voltooid. Op de wallen staan twee zware kanonnen op de stad gericht en beroemd in de geschiedenis van Junagadh. Het grootste is bekend onder den naam van Nilam tope, het blauwe kanon; er staat een arabisch opschrift op, dat er aan herinnert, hoe het stuk in Egypte werd gegoten op bevel van sultan Soleiman, zoon van Selim Khan, koning van Arabië en Perzië, om de vijanden van den godsdienst te verdelgen en die van den staat,—dat waren de Portugeezen,—legers toen de steden van Indië bezetten.Achter de moskee ziet men aan den noordkant een merkwaardig staal van den bouw in de rotsen, namelijk de zalen, die in 1879 ter gelegenheid van het bezoek van Burgess werden ontdekt.De opgravingen brachten twee rijen van in de rots uitgehouwen woningen aan het licht, van een nog niet nader omschreven karakter. Onze onderaardsche wandeling was zeer interessant; door de groote openingen voor licht en lucht, die door de oorspronkelijke aanleggers zijn uitgespaard, kan men de gidsen volgen, zonder vrees van in de duisternis te verdwalen en door gebrek aan lucht te stikken.Op de eerste verdieping was een groot réservoir, misschien een vischvijver, aan drie zijden omgeven door een veranda, die overdekt was. Aan den westkant is er een soort van platform, gelijk aan die, waar men in tempels de beelden plaatst. Burgess denkt, dat de menschen er hun kleederen neerlegden, als ze zich baadden, en men kan nog sporen vinden van een buizenstelsel, dat het water aanvoerde uit een put in de buurt naar een kleinen regenbak aan den ingang, opdat het gezuiverd zou wezen, voordat het in het réservoir kwam.Het vertrek boven de baden, als men ze zoo mag noemen, ligt open en aan den kant, van waar het licht komt, staat een laag muurtje, zoodat door een wijde opening dat licht binnenstroomt. De gang aan den zuidkant vertoont twee zuilen met achtkantigen voet, welker kapiteelen met bloemen zijn versierd en met andere versieringen, die alle ongelukkig in zeer slechten staat zijn. Wij toefden lang in de zaal der baden, vóór we heengingen.Men kan deze rotswoningen niet beschouwen als bij een klooster behoorend; eerder doet de nabijheid van een oud paleis, het Khengar Mehal, vermoeden, dat ze een dépendance waren van dat huis, dat, in de jungle gelegen, overgeleverd is aan de moderne exploiteerders van een steengroeve. Het was nog te herkennen aan den 250 meter langen gevel in de rots uitgehouwen en gesteund door massieve pilaren, en bestond uit een doolhof van zalen, gangen en trappen. God behoede mij ervoor, daarmee den lezer lastig te vallen. Liever wil ik bij u de herinnering wekken aan de bewoners van die onderaardsche woningen, die zeer zeker aangename verblijven waren in den tijd van groote warmte, maar die in geen enkel opzicht gelijken op de kloosters en de lichte, sierlijke bouwwerken, over de heuvels van den Girnar verspreid.In den Uperkot of de vesting vinden wij twee groote putten, die uit den tijd der Chudasamaʼs dagteekenen. De eene, de Adi Sjadi, werd aangelegd door twee slavenmeisjes van een der vorsten dier dynastie, en men daalt erheen af langs steenen trappen; de andere, de Noghan, klimt op tot de elfde eeuw. Een gang van tien voet breed, in een spiraal in de rots gehouwen, leidt langs 235 treden in de diepte, namelijk tot ongeveer 120 voet. Ze wordt verlicht door openingen in de rots; aan den eenen kant is een soort van balkon, waar een bedwelmende drank werd bereid in een grooten bak, dien men nog herkennen kan. Er wordt verteld, dat het hof er bacchantische feesten kwam vieren.Duiven vlogen rond boven een der putten, die door gebladerte overschaduwd werd. Ik wilde er in afdalen, maar de vochtigheid en vooral de stank van het erin staand water noodzaakten mij terug te gaan. Maar wel had ik er genoeg van gezien, om mij rekenschap te geven van die soort van putten, die zoo nuttig moeten zijn geweest. Want is niet het water een groote weldaad voor het Oosten? Hij, die het zijne bijdroeg tot de bewaring en verspreiding van een zoo nuttige stof, deed een gezegend werk, en werken van irrigatie hebben al van de oudheid af de regeerders van deze streken beziggehouden. Wij zullen daarvan ook een bewijs vinden aan den voet van den Girnar. Ook moderne werken van dien aard zijn in den Uperkot uitgevoerd.De vesting zag er in het roode licht van den vallenden avond schilderachtig uit; de ruïnen en de met boomen bedekte heuvels boeiden het oog; op een ouden muur vertoonden pauwen hun prachtig gevederte, en van de wallen overzag men de stad en de vlakte, al in schemering gedompeld, terwijl links zich de majestueuse top van den Girnar verhief.Boeddhistische grotten en holen komen er veel voor in Junagadh; Hioen Thsang heeft ze ook vermeld.Er waren in zijn tijd meer dan 50 kloosters en bijna 3000 monniken, en daarbij honderden tempels, waar monniken van verschillende secten in vredeleefden. Ondanks de verwoestingen door den tijd aangericht, en ondanks 400 jaren van mohammedaansche overheersching, treft men nog belangwekkende sporen van het boeddhistisch tijdperk aan. De reizigers, die van het land spreken, zeggen, dat de streek letterlijk met cellen was overdekt.Dat kluizenaarsleven is een der karakteristieke eigenaardigheden van het Boeddhisme. Ieder mocht gaan wonen in de bosschen of de grotten van het bergland, en als de regentijd daar was, kon de heremiet zich voegen bij zijn collegaʼs, die in de kloosters of viharaʼs woonden. Die kloosters bestonden, schijnt het, uit een plein, omringd door cellen, met galerijen, die versierd waren. De cellen in de open lucht zijn verdwenen en enkel die zijn overgebleven, die in de rotsen waren uitgehouwen. De oudste inrichting schijnt te zijn geweest, dat de kleine cellen op rijen lagen met een veranda, die op pilaren rustte. Aan de westzijde is er aan het bouwwerk meer zorg besteed dan aan het beeldhouwwerk. Het dak wordt door zuilen gedragen, en een zuilengalerij geeft toegang tot een diepe zaal, waar de monniken dienst hielden en hun Boeddhaʼs aanbaden. Aan den oostkant van den Uperkot bij het klooster Bawa Pyara vindt men ook van die onderaardsche woningen; maar hoe een denkbeeld te geven van dien overvloed van gangen en zalen en cellen? Er bestaat trouwens geen twijfel aan de bestemming van de bouwwerken.Hoe opgestapeld de aarde en het puin ook zijn in die zalen, de kenners hebben er de inrichting van een vihara in herkend. Ik mocht er niet binnentreden, en ik had ook inderdaad genoeg aan het uitwendige; de verbeelding stelde mij in staat, mij het leven van de monniken voor te stellen. Een opschrift leert, dat de holen ingericht waren voor de Dsjainaʼs door de koningen van Saurasthra op het eind van de tweede eeuw der christelijke jaartelling, of dat ze hun geschonken waren toen de Boeddhisten er geen gebruik meer van maakten. Het kloosterleven der Dsjainaʼs gelijkt, zooals bekend is, veel op dat der Boeddhisten.Verder in de jungle, te Maï Godesji, waren onder een ouden Hindoetempel, die in een moskee is veranderd, andere kamers; die behoorden waarschijnlijk niet bij een klooster, maar ze werden zeker gebruikt als die in den Uperkot.Van alle overblijfselen van den boeddhistischen godsdienst in Saurasthra is er geen enkel zoo belangrijk als de opschriften op den Asokasteen. Wij wijdden daaraan een morgen. Men verlaat dan de stad door de Wagheswaripoort in het Zuidoosten, en laat den Uperkot links liggen. Het is tevens de weg naar den Girnar. Vroeger hadden de reizigers, die naar de tempels gingen, te kiezen tusschen een wandeling en een draagstoel; thans leidt een rijweg naar den voet van den berg, en ons rijtuig reed een smal dal binnen, beplant met teak- en ebbenhoutboomen.In het begin der 19e eeuw legde de rijke paardenkoopman Sundarji, van Junagadh uit, een weg aan, waar hij boomen met rijk gebladerte langs liet zetten, opdat de pelgrims in de schaduw zouden kunnen uitrusten, zoodat men aan hen de ontdekking van den Asokasteen te danken heeft, want zonder dit voorbereidingswerk zou het monument nog verborgen wezen in de onontwarbare acaciaboschjes, die het omringen.De eerste, die er melding van maakt, kolonel Tod, heeft een levendig verhaal gegeven van zijn ontdekking in December 1822. Bij de samenkomst van de door Sundarji geplante laan en de Sonarekh, een der talrijke riviertjes, die den voet van den Girnar besproeien, komt een breede weg, evenwijdig aan de laan, uit bij een brug met drie bogen en voorzien van een leuning. Voordat die brug gebouwd was, liepen de pelgrims in den regentijd gevaar, door het water der rivier te worden meegesleurd, en veel ongelukken gebeurden er.Nadat men den weg heeft verlaten en naar rechts is gegaan, bereikt men den Asokasteen. Tod heeft hem beschreven als “een zware massa in den vorm van een halven cirkel van zwart graniet, die als een wrat op het menschelijk lichaam de schors van onze moeder aarde had doorboord, zonder een spleet of scheur te maken.”De oppervlakte, die de steen besloeg, was 10 voet. De steen was in afdeelingen verdeeld of parallelogrammen, die opschriften in antiek schrift bevatten. Tod begreep, dat hij zich in de tegenwoordigheid bevond van een nog niet leesbare bladzijde der historie; hij bepaalde zich er toe, zijn secretaris te verzoeken twee der opschriften en een deel van het derde af te schrijven. En er werd in dertien jaren niets meer gedaan.In 1835 onderzocht Dr. Wilson, die tegen het vallen van den avond van den Girnar daalde, de opschriften, nog steeds onontcijferbaar geacht, ofschoon ze reeds de aandacht van de geleerde wereld hadden getrokken. Hij liet er afdrukken van nemen in 1837 en trachtte tot het begrip er van te komen, maar Prinsep was hem in 1838 voor met het vinden van den sleutel tot het nieuwe letterschrift. Door een gelukkig samentreffen had luitenant Kittoe te Dhauli een lang opschrift ontdekt, dat bijna identiek was aan dat te Junagadh, en kapitein Birtes liet een opschrift overnemen, dat gegraveerd was op een rots dicht bij het dorp Sjah-baz-garhi, 36 mijlen ten noorden van Peshawar, ook identiek met die van Girnar en Dhauli.Het was voor diegenen, die zich aan de bestudeering van de teksten wijdden, noodig correcte copieën te hebben en welverzorgde afdrukken van al die figuren. In 1838 werd luitenant Postans door het bestuur van Bombay naar Junagadh gezonden, om de opschriften te copiëeren en Burgess kwam in 1869 afdrukken maken. De steen was in die dagen door een kluizenaar bezet, die er zich een soort van hut naast had gebouwd en hout rondom had opgestapeld. De regeering van Bombay, van die feiten op de hoogte gebracht, richtte vertoogen tot den eersten minister van Junagadh, die over den steen een dak liet bouwen. Dat werd later vervangen door een soliede en fraai gebouwtje, waarin wij het genoegen hadden, eenige oogenblikken te rusten. Wij zullen de geleerden niet volgen in hun ontcijferingswerk en in hun verklaringen der opschriften. De opschriften zijn van het hoogste belang; men heeft ze terecht vergeleken met den steen van Rosette, met de opschriftenop rotsen te Bisitoen, en met de steenbibliotheken van Assurbanipal.Een enkel woord over den vorst, van wien ze uitgingen. Asoka Biyadasi, koning van Magadha of Behar, die in de derde eeuw vóór Christus regeerde en tot het Boeddhisme werd bekeerd, legde er zich met ijver op toe, zijn godsdienstige denkbeelden te verspreiden. Er wordt gezegd, dat hij 64.000 priesters onderhield en kloosters stichtte in zoo groot aantal, dat zijn land nog het land der kloosters wordt genoemd, der vihara of behars. Hij maakte het Boeddhisme tot staatsgodsdienst, stelde een raad in, om de geloofsartikelen te verklaren, verspreidde zedelessen, benoemde een ministerie, om de zuiverheid der leer te handhaven en gaf bevel tot een herziening van den kanon der boeddhistische geschriften.Onderaardsche vertrekken in de citadel, in 1869 ontdekt.Onderaardsche vertrekken in de citadel, in 1869 ontdekt.Terzelfder tijd verspreidden legioenen van zendelingen zijn leer tot in de verste streken, en zijn wereldlijke macht zette kracht bij aan het prestige zijner boodschappers.Het monument is niet het eenige van zijn soort; veertien opschriften op rotsen in Indië verspreid, geven dezelfde voorschriften. Deze steen van Asoka telt veertien edicten of wetsbepalingen van Asoka en twee opschriften, die betrekking hebben op de herstelling van een oud réservoir, de Soedarsana.Men kan de voorschriften van Asoka aldus samenvatten:Ten eerste werd verboden dieren te dooden, om ze te eten of te offeren.Ten tweede werden voorschriften gegeven omtrent geneeskundige hulp voor menschen en dieren, omtrent aanplantingen en putten aan den kant der wegen.Ten derde werd bevolen, zich alle vijf jaren aan een boete te onderwerpen en opnieuw de groote zedelijke waarheden van het boeddhistisch geloof te publiceeren.Ten vierde werd een vergelijking getrokken tusschen den ouden staat van zaken en de nieuwe richting van den koning.Ten vijfde moesten er zendelingen worden benoemd, om de leer in vreemde landen te gaan verkondigen.Ten zesde werd de gelofte verplicht gesteld, dat men gelijkheid van rang en stand zou handhaven.Ten zevende werd de aanstelling van zederechters verplicht gesteld.Ten achtste werd op het verschil gewezen tusschen de materiëele genoegens van de voorgangers van den koning en zijn eigene.Ten negende werd een uiteenzetting gegeven van het ware geluk, dat slechts in deugd te vinden is, waardoor de zegeningen des hemels den mensch te beurt vallen.Ten tiende werd een vergelijking gemaakt tusschen den vergankelijken roem dezer wereld en de hemelsche zegeningen, waar de koning naar haakt.Ten elfde werd een verklaring gegeven van de stelling, dat de grootste van alle gaven, die men aan zijn medemensch kan schenken, is hem de deugd te leeren.Ten twaalfde wordt een woord tot de geloovigen gericht.De Asokasteen ligt rechts van den mooien weg naar den Girnar.De Asokasteen ligt rechts van den mooien weg naar den Girnar.Om eenig denkbeeld te geven van de voorschriften en van den stijl des koning-schrijvers, kiezen we het achtste, dat de bekeering van den koning tot het Boeddhisme inhoudt.“In vroegere tijden kenden de koningen de pleizierreizen, de jacht en andere vermaken. Maar Pyadasi, de geliefde koning der Devaʼs, tot het tiende jaar zijner regeering gekomen, heeft de volmaakte leer van Boeddha leeren kennen, en zal alleen die wet verspreiden.In de tiende stelling verklaart hij, dat de eenige roem, dien hij begeert, is zijn volken te zien gehoorzamen aan die wet en alle plichten te zien vervullen, die zij oplegt, en hij voegt erbij: “Het is een moeilijke zaak voor een middelmatig mensch, om de zaligheid deelachtig te worden, zooals ook voor iemand van rang, tenzij hij door buitengewone verdienste alles hebbe opgeofferd; maar voor een vorst is het nog veel moeilijker.”Indien de koning dan al een vurig proselietenmaker is, hij heeft toch eerbied voor het geloof van anderen. Die gedachte drukt hij uit in het twaalfde voorschrift.“Pyadasi, de geliefde koning der Devaʼs, heeft eerbied voor elk geloof. Hij eert tevens de bedelaars, door hun aalmoezen te geven. Men moet alleen zijn eigen geloof liefhebben, maar men moet dat van anderen niet beschimpen; dan doet men niemand onrecht. Er zijn zelfs omstandigheden, waarin het geloof van anderen even hoog moet gesteld worden. Door dat te doen, versterkt men zichzelven in het geloof en dient tevens dat van anderen.”Onnoodig, de aanhalingen nog te vermeerderen. Het is die geest van verdraagzaamheid, dien we vooral wilden laten uitkomen, want die geest zou zich door de eeuwen handhaven in het Boeddhisme.De andere opschriften, die een weinig beschadigd zijn, houden zich bezig met het Soedarsana of mooie meer, waarvan men de sporen in het dal heeft gezocht.Zooals ik al zei naar aanleiding van de irrigatiewerken in den Uperkot, men hield zich lang bezig met die vragen in Saurasthra. De opschriften leeren, dat het meer het werk was van een onderkoning van Kathiawar, die 300 jaar vóór Christus het aanlegde; dat het onder Asoka verfraaid werd en toen 350 jaar onveranderd bleef. Maar na dien tijd, in 129 na C. veroorzaakten hevige regens overstroomingen in het Girnargebied; een orkaan wierp boomen omver, deed rotsen schudden, rukte deuren uit hun voegen en vernielde de woningen. De wateren braken de dijken en sleurden alles mee. Het scheen een onherstelbare ramp, en de raadgevers van den koning deden er niets aan. Maar het volk vroeg luide naar zijn “schoon meer” en koning Rudra Daman, die toen over Goedsjerat regeerde, en die geen belastingen hief en geen heerendiensten vergde, maar alles uit eigen fondsen betaalde, stond zijn onderkoning toe, het meer te herstellen. Het opschrift zegt, dat die herstelling door middel van een dam werd bewerkstelligd.En er verliepen 310 jaren, toen in 449 op een nacht ten gevolge van hevige regens de dam bezweek tot grooten schrik der bevolking. Zeven jaren later slaagde de onderkoning erin, in twee maanden een dam te bouwen van 150 voet lang, en 102 voet breed en 35 voet hoog. Hoe lang hield het nieuwe werk stand en waardoor werd het vernield? Op welk tijdstip nam de plantengroei weer de plaats in van die watervlakte, die zich uitstrekte aan den voet van den Girnar? Wanneer trad de liefelijke rivier Sonarekh binnen haar bedding terug? Geen enkele overlevering maakt er melding van, en men weet zelfs niet, waar het Soedarsana gelegen was! Een pandit heeft de plaats vastgesteld op driekwart mijl van de stad naar het Oosten op weg naar den Girnar;vondsten van metselwerk, hier en daar teruggevonden, hadden hem tot die veronderstelling gebracht; maar in dat geval zou de weg naar den Girnar afgesloten zijn geworden en de bedevaartplaatsen, zooals Damodar Kund, zouden overstroomd zijn geworden en zouden ontoegankelijk zijn. Naar de muurresten te oordeelen in de bedding der Sonarekh en naar sommige golvingen van het terrein aan den linkeroever, denkt men eerder de omstreken van den Uperkot als de plaats van het meer te moeten aanwijzen.Ons bezoek aan den Asokasteen was zeer interessant geweest, en op den terugtocht wierpen we slechts even een blik op de mooie natuur. Aangekomen bij het Lal Bagh, maakten we toebereidselen voor de bedevaart naar den Girnar, die den volgenden dag zou plaats hebben. Van de meest aangrijpende herinneringen van het Boeddhisme zouden we overgaan tot de moderne werkelijkheid van een ermee wedijverende secte, de Dsjaïnaʼs.Het ideaal van een heilig leven, door Asoka gedroomd, zou niet tot Indië beperkt blijven. De leer van dat leven ging over de grenzen, en de geest van het proselietisme, die het wezen van het Boeddhisme is, zond zendelingen naar de verste landen, waar ze zielen wonnen. Er zijn thans meer dan 500 millioen Boeddhisten in de wereld; in Indië en Birma drie millioen. Het Brahmaïsme, dat tijdelijk achteruitging, maar nooit verdelgd was, herkreeg zijn bloei in de achtste en negende eeuw, en in de elfde joegen de Mohammedanen beslist het Boeddhisme uit Kaschmir en Orissa, die alleen getrouw gebleven waren. De leerstellingen van Boeddha waren echter niet verloren gegaan; zij voegden zich bij de nieuwe elementen, met behulp waarvan het Hindoeïsme ontstond. Indië wierp diegenen uit, die er niet pasten en behield wat bij zijn aard en wezen paste. Het Boeddhisme liet echter op indischen grond, zooals ik reeds zeide, een secte achter, die het overleven zou.Het Dsjaïnisme heeft zijn oorsprong te danken aan Swami Mahavira, metgezel van Boeddha, misschien wel zijn leermeester, als men de teksten van de Dsjaïnaʼs mag gelooven. Evenals de Boeddhisten verwerpen de Dsjaïnaʼs de Veda, als dat boek in strijd is met hun leer, alsook de autoriteit der Brahmanen; ze houden geen rekening met de offeranden en leven in strikte zedelijkheid. Zij gelooven, dat hun verleden en hun toekomst van hun eigen handelingen afhangen en niet van den wil van God, en ze hebben een grooten eerbied voor het leven van menschen en dieren. Ze verdeelen den tijd in opeenvolgende eraʼs en kennen aan elke era vier-en-twintig Dsjinaʼs of rechtvaardigen toe, mannen, die volmaakt zijn geworden, door de menschelijke hartstochten te overwinnen.Er zijn er 24 geweest in het verleden; er bestaan in het tegenwoordige ook 24, en er zullen 24 in de toekomst wezen. Ze plaatsen in hun tempels kolossale marmeren beelden voor die Dsjinaʼs.De Dsjaïnaʼs worden in twee groote secten verdeeld, de Digambaraʼs, in ruimte gekleed, en zoo genoemd, omdat de monniken van die secte de gewoonte hadden, geen kleederen te dragen. In Indië is namelijk de volkomen naaktheid aan zijn wijzen veroorloofd. De tweede secte is die der Swetambaraʼs, wier monniken witte kleederen dragen. Deze bedienen zich steeds van een waaier en houden een lap voor den mond, om niet te dooden, want kleine levende wezens konden in hun mond komen en den dood vinden. Zij mogen een bedelschaal in de hand houden, om voedsel in ontvangst te nemen, dat de geloovigen hun geven, wat de Digambaraʼs niet mogen doen. Dezen mogen de giften alleen in het holle van de hand aannemen. De monniken wonen niet samen in kloosters; ze reizen en trekken, leven van aalmoezen, en als ze behoefte hebben aan rust, trekken ze zich terug in rusthuizen, die vermogende Dsjaïnaʼs voor hen hebben gebouwd. Vroeger waren ze verdeeld in talrijke broederschappen, waarvan nu nog vier of vijf over zijn.De leeken of Sjrawaks dragen noch heilig lint, noch teeken op het voorhoofd, noch houten halsband. Ze onderwerpen zich aan bepaalde reinigingen en hebben Brahmanen als dienstdoende geestelijken, al vereeren ze de monniken hoog. Hun godsdienstplichten zijn niet te vergelijken met die der Brahmanen, wier leven een onderwerping is aan nietigheden van den dienst; de gebeden van de Dsjaïnaʼs zijn noch lang, noch ingewikkeld. De monniken worden aan geen enkelen regel gebonden, en de leeken zijn enkel gehouden aan een bezoek aan de tempels, waar ze driemaal moeten loopen om het beeld van hun heilige en buigen voor de andere kleine beelden, onder het aanbieden van een offer en het uitspreken van enkele formules.Goedsjerat is het uitverkoren land van die rijke en belangrijke secte; het aantal Dsjaïnaʼs bedraagt in ʼt geheel nauwelijks een millioen.Als men het Dsjaïnisme zou willen omschrijven, kan men niet beter zeggen dan dat het een Boeddhisme is, voorzien van een mythologie niet van goden maar van heiligen. Inderdaad is het ideaal van een Dsjaïna een tempel te bouwen, waar hij het beeld van een zijner Dsjinaʼs plaatsen kan, het steenen gebed, zooals ze zeggen en wat ook Fergusson heeft beweerd. Het gebed vindt dan zijn geloofsuitdrukking in de schoonheid der architectonische vormen en de pracht van het geheel.Zoo verklaart het zich, dat men zooveel prachtige Dsjaïna-tempels door geheel Indië vindt, bij voorbeeld bij de Aravalli, op den berg Aboe, in Bengalen te Parasnath; in Kathiawar op den heiligen berg Satrunjaya, eindelijk tegenover ons op het plateau van den Girnar, waar wij morgen den 22sten Dsjina gaan huldigen.Het bergmassief van den Girnar bestaat uit vijf toppen, den Amba Mata, bekroond met den tempel van de godin der primitieve tijden, Uma of Parvati; dan den Gorathnath, den hoogsten van alle, 3600 voet boven de zee; den Oghad Sikhara; den Datatreya en den Kalika.De Girnar was waarschijnlijk al een bedevaartplaats vóór den tijd van Asoka, te oordeelen naar de sporen van cellen van boeddhistische monniken, die men er nog vindt. Zijn wonderbare geschiedenis wordt verteld door Brahmanen zoowel als door Dsjaïnaʼs; dertig hoofdstukken van de godsdienstige jaarboeken vieren zijn heiligheid in verhalen, die door de Brahmanenwerden bedacht en gelegd in den mond van Siva, hun geliefden god. Elke bedevaartplaats heeft zoo haar boek, waarin zijn verzameld haar overleveringen, de godsdienstige gebruiken van de plek, de herstellingen, die in de heiligdommen worden aangebracht, de genealogie der heiligen, der weldoeners en der personen, die bedevaarten er heen hebben ondernomen.Volgens de Dsjaïnaʼs hoorde Indra, toen hij aan Mahavira vroeg naar de namen der 25 heilige toppen, dat de vijfde was de groote berg Raivata, dat is de Girnar, die de vijfde wetenschap geeft, het eeuwig heil. De giften en gaven, die men er brengt, gelden voor verdiensten in deze wereld en in de andere, verdiensten, die alle zonden uitdelgen, begaan gedurende vele zielsverhuizingen. De wijzen hebben er geen materiëele zorgen meer; gelijk aan goden, brengen ze hun dagen door met het beoefenen van vrome werken en met de aanbidding van Nemi. De seizoenen zijn er betrouwbaar; de waterleidingen vloeien over van een nectar, door de goden geschonken; en eindelijk brengt de herinnering aan Raivata geluk. Het aanschouwen van den berg geneest ziekten, en als men er is geweest, worden al onze wenschen vervuld.Het landschap van den Girnar past bij zijn heiligheid. Het is er rustig en de eenzaamheid is er nu nog even gemakkelijk te vinden, als toen de berg bewoond werd door de monniken, die wijzen van de Vedaʼs, aan wie Indië goddelijke vermogens toeschrijft. De lachende dalen, besproeid door heldere beken, de grotten, uitgehold in kloven in de rotsen, hebben nog hetzelfde aanzien. Zoo als ten tijde der pelgrimstochten de dichte menigte den top Amba Mata opgaat, in gewone tijden wonen alleen de dienstdoende priesters bij de heiligdommen, waar ze in het warme jaargetijde de aanwezigheid dulden van enkele bewoners van Junagadh, die de koelte komen zoeken; maar priesters, pelgrims, vreemdelingen, alle zonder onderscheid moeten zich onderwerpen aan de reglementen, die o.a. verbieden dierlijk voedsel te nuttigen op den heiligen berg; ook is alle handel er verboden, en kudden en herders moeten in de verte op de vlakte blijven. De Girnar is een plaats van rust voor vermoeide zielen, waar de Hindoe nieuwe kracht komt garen, bovennatuurlijke kracht, naar hij meent, en waar hij die verdiensten erlangt, die hem nieuwe beproevingen zullen besparen in nieuwe zielsverhuizingen.Onze excursie naar de tempels van den Girnar had op 12 Februari plaats. De heer C. Ch. Dhru wilde ons wel de noodige inlichtingen geven en voegde bij al zijn goedheden die van ons te vergezellen.Wij vertrokken tegen zeven uur in den morgen bij heerlijk weêr. Wij zouden dezelfde etappen nemen als de pelgrims. Toen we de Wagheswaripoort uit waren gegaan, volgden we den weg naar den Asokasteen, dien we rechts lieten liggen. Nadat men de brug over is gegaan over de Sonarekh, gaat men door een aardig dal, dat boschrijk is en naar den Damodar Kund leidt, zoo genoemd naar Krisjna of Damodar en een meer vormend van het water der Sonarekh. Er voert een brug over de Damodar Kund, die gebouwd is op bevel van den diwan Haridas. Het al te bescheiden opschrift vermeldt niet den naam van den edelmoedigen schenker; er is slechts sprake van een zoon, die hoopt, dat de zegeningen der pelgrims zijn ziel ten goede zullen komen, en dat de verdiensten van het werk in aanmerking zullen worden genomen naast die van zijn hoogvereerde moeder. Er wordt aan het water van de Kund een vreemde werking toegeschreven, die namelijk van menschelijke beenderen op te lossen, en daarom hebben de Hindoes een crematorium in de buurt gebouwd of eigenlijk een verbrandingsterrein. Toen wij over de brug gingen, steeg een lichte rookwolk boven de Burning Ghat omhoog, een donkere en sombere vlek, die een weemoedige tint werpt over het zonnige land. Wat heb ik nu al veel van die brandstapels gezien, voor het meerendeel van arme menschen, zoo maar opgericht aan den oever der rivier of aan een of ander zandig strand, opdat des avonds, als de vloed opkomt, deze den doode, die misschien maar half verbrand is, meevoere naar zee!Aan den voet van den berg, te Chadani Vav, begon de eigenlijke bergbestijging, en daar veranderde ons vervoermiddel.De vier doliʼs en de zestien dragers, die besteld waren, wachtten ons op. De doli is een soort van armstoel zonder pooten, gelijkend, naar men zegt, op een romeinsch zadel, gedragen op vier lange stokken, die rusten op de schouders van vier sterke koelies. Ik zal nooit toestemmen, dat het een aangename manier van reizen is. Ik ben geen liefhebster van den draagstoel, al had ik er in reisbeschrijvingen soms vol geestdrift van hooren spreken.Nu kan ik bijna niet onder woorden brengen, wat ik heb uitgestaan, toen ik voor de eerste maal van dat vervoermiddel gebruik maakte. Het was te Udvada; op den weg naar den Vuurtempel, dus vele mijlen ver, liggend in dat smalle bed van antieken vorm en beschut door een klein zeil, hoorde ik steeds de gejaagde ademhaling van mijn dragers; ik zag het zweet vloeien langs hun bruine lijven. “Arme broeders,” zei ik tot mijzelve, “vergeeft het mij, dat ik den moed niet heb, uw diensten te weigeren!” En dat was een eenvoudig ritje over een vlakken weg, die goed onderhouden was, terwijl nu een bestijging van meer dan 2000 voet moest plaats hebben. Toch was dat gevoel bij mij wel wat overdreven; in den tijd der bedevaarten volvoeren de pelgrims soms meermalen per dag den tocht omhoog en ze blijven er gezond bij. Zij houden van hun vak, worden goed betaald en klagen niet.Dus moest ik mij er wel in schikken; mijn staat van herstellende zieke legt mij den plicht op, volgzaam te zijn, en mijn waardigheid van gast van den diwan is mede een reden, om gehoorzaam de doli te bestijgen.Stapje voor stapje, of eigenlijk trap voor trap, ging de bestijging. Vroeger moesten de bedevaartgangers zich, zoo goed en zoo kwaad als het ging, een weg banen te midden der rotsblokken en van het rotspuin en op enkele plaatsen waren dan uitgesleten trappen, terwijl vijf herbergen aan den weg hem onderdak of een verfrissching boden. Maar nu hebben granieten trappen, die breed en gemakkelijk zijn,maar nog al eens glad en vuil, en die om de rots heen loopen, den ouden weg vervangen.Die antieke trap was al gebouwd in 1166 en 1167 op kosten van een zekeren Amba, zoon van Raning, van de kaste der Sjromaliʼs; ze werd hersteld in 1627 door een genootschap van pelgrims en eindelijk, in 1899, door de zorgen van de Girnar lottery, die meer dan 500,000 francs uitgaf om de trap in den tegenwoordigen staat te brengen en om bruggen te laten slaan op de gevaarlijke punten tusschen Ambaji en Jorakhnath. Wij bepaalden de volgorde van den tocht. Vóór mij mijn moeder, goed beschut door haar zonnepet en stevig gezeten in den stoel op de schouders van haar dragers, dezelfde als van lord Curzon naar het schijnt; haar trouwe François naast haar. Dan kom ik en dan mijn secretaris, die in zijn hoedanigheid van gegradueerde van de universiteit van Bombay, in diepe gedachten verzonken is, waarvan het resultaat, zooals hij mij heeft verteld, een artikel zal zijn in een der dagbladen van Surate.Gezicht in vogelvlucht op de Dsjaïna-tempels.Gezicht in vogelvlucht op de Dsjaïna-tempels.Ik kan mij dus ongehinderd overgeven aan de overpeinzingen, waartoe de plaats en de herinneringen uitnoodigen; maar weldra worden ze op den achtergrond gedrongen door de bekoorlijkheid van het landschap; ik zie alleen nog met mijn physieke oogen de bewonderenswaardige tooneelen, die zich ontrollen en die winnen in grootschheid naarmate we hooger komen.Aan onze voeten liggen Junagadh, de Uperkot en de vlakten van Kathiawar en rondom hebben wij de boschrijke hoogten van den Girnar. Het is een verrukkelijk panorama.De ernstige stilte wordt alleen verbroken door zachte geluiden in de boomen; kleine, onschuldige aapjes spelen en doen den voorbijganger geen hinder. Bij de eerste halt stegen we uit aan den eenzamen weg, die sinds het woeden van de pest en den hongersnood verlaten is. De bedevaarten worden niet meer gehouden, want ieder gaat op eigen gelegenheid. Enkele pelgrims rusten in de herbergen uit; andere klimmen naar de hoogten, en er zijn er ook, die met hun stokken al hebben geraakt aan den heiligen grond van de toppen van Dattar en Gorakhnath. Allen komen van ver. Als men rustig met hen kon praten, wat zou men dan een goede voorstelling van de Hindoeziel krijgen, en als men ergens de geheimen van die ziel mocht onderzoeken, dan zou het zeker aan den Girnar zijn.Jonge vrouwen, in haar kleurige gewaden, komen met neergeslagen oogen van den Amba Mata, en de jonggehuwden brengen aan de godin cocosnoten en andere geschenken, opdat ze hun zegen schenke.Er waren veel asceten, die met verwarde haren en het lichaam met asch bedekt, in lompen gehuld rondliepen; een van hen was in een grot gehuisvest, waar we hem een bezoek brachten.In de oogen van den Europeaan zijn die waardelooze wezens in een goed georganiseerde maatschappij tot niets nut; maar voor den Indiër heeft de godsdienstige bedelaar zijn reden van bestaan, als de vertegenwoordiger van het oude ideaal van ascetisme en armoede. Is in Manoe niet het ascetisme de laatste etappe van het menschenleven? Volgens Boeddha is immers armoede de ware rijkdom. De asceten van tegenwoordig worden in veel klassen verdeeld; op den top van de ladder staat de Sanyasi, gewoonlijk Brahmaan van afkomst; daarna, veel lager, volgen de Yogiʼs, de Bawaʼs, de Sadhoes en de Gosains, die tot de lagere kasten behooren.Die laatsten leven in groepen, bedelen van huis tot huis, doen aan veel bijgeloovige gebruiken, en leggen zichzelven lichaamskwellingen op. In groepen staande om de heiligdommen, maken ze deel uit van de pelgrimages en komen ten laatste in de kloosters van hun secte terecht. Soms komen ze aan den weg om, maar al zou men hen in Frankrijk vagebond noemen, in Indië zijn het heiligen!Die bedelaars worden er gerekend tot de groote moreele krachten van het land. Zij dwalen zwijgend door de straten, bewegen zich onder de menigte, komen in de tempels en in de gezinnen, en de grootste moderne geesten zien in die ongelukkigen vertegenwoordigers van de onsterfelijke denkers van den godsdienst. Er zijn zelfs ministers geweest, die het hof en hun betrekking verlieten, om hun leven in ascetisme te besluiten. Die minachting voor den rijkdom, die niet zonder grootheid is, vindt men ook terug in de kringen van studenten. Zoo stellen zich de professoren van Fergusson college te Poenah tevreden met een allerminiemst salaris, en het zijn geleerden van den allereersten rang.Tempel van Neminath, den 22sten Dsjina.Tempel van Neminath, den 22stenDsjina.Het leven van vrijheid en overpeinzing schijnt wonderlijk goed in dit land te huis te zijn. “Wanneer toch zal ik”, zoo vraagt de boeddhistische monnik, “wonen in een grot op de bergen, alleen, zonder metgezellen, met de bewustheid van de wisselvalligheid des levens? Wanneer zal dat heerlijk lot het mijne zijn? Wanneer zal ik wijs wezen en in kleeren van lompen, met niets, dat ik het mijne kan noemen, en zonder begeerten, zonder liefde, haat en dwaling vroolijk op de bergen wonen?”De trappen, die al steiler worden, leiden naar een plateau, waar de eerste tempels zijn gebouwd, eerste etappe op meer dan 2000 voet hoogte. Men treedt er binnen door een groot portaal, dat tot een ruim gebouw toegang geeft, een zomerpaleis of fort, waarvan de ruïnen nu dienen als woning voor de priesters en hun bedienden.Aan den ingang is het opschrift, dat een verkorte lijst bevat van de vorsten uit de dynastie der Chudasamaʼs. Vóór we binnengingen, werden we gelaten in een koele, donkere zaal, waar men ons verzocht, onze schoenen uit te trekken, om aardige laarsjes van rood laken ervoor in de plaats te stellen, met goud geborduurd, waarna we waardig zijn de gewijde ruimte te betreden. Er waren in de rotsen zalen uitgehouwen, en zoo vormden de dsjaïna-tempels een soort van forten. Er was een galerij omheen met cellen of nissen, die hetzelfde beeld vertoonen in verschillende grootte.Deze tempels zijn de mooiste van den Girnar; de andere, die in de buurt verspreid zijn of op de hellingen der bergen, zijn minder rijk of van jonger datum.De eerste is die van Neminath, aan wien de berg is gewijd; oudtijds was de hoofdingang aan den zuidkant; maar die entrée is verboden en men komt nu binnen door een ingang in het Khengarpaleis. Het gebouw staat op een vierkant plein van 190 bij 130 voet; op een zuil in een der zalen zegt een opschrift, dat het in 1278 werd hersteld, en hieruit kan men den ouderdom wel zoo wat afleiden. Er zijn twee zalen en een heiligdom, waar een zwart marmeren standbeeld staat van Neminath, behangen met versierselen van goud en edelgesteenten.Rondom liep een gang met marmeren beelden, die oogen hadden van rotskristal. In de tweede zaal bemerkt men twee platforms van fijn gesteente, bedekt met afbeeldingen van voeten in paren, ter herinnering aan de 2452 voeten der eerste leerlingen van Neminath.Natuurlijk kan men nauwelijks een derde ervan terugvinden.Al die wijde ruimten, overgoten met het heldere morgenlicht, waren aangrijpend van helderheid en witheid. Er waren in de zalen slechts enkele pelgrims en de brahmaansche priesters van den Girnar. Onze tegenwoordigheid wekte in het minst geen onwelwillende nieuwsgierigheid. Het was mijn eerste betreden van een tempel der Dsjaïnaʼs; ik had nog nooit een dienst bijgewoond, zooals later in Palitana en Calcutta, diensten, die trouwens zeer eenvoudig zijn en hoofdzakelijk bestaan uit het zingen van priesters onder begeleiding van muziek en het branden van wierook voor de beelden.Ik hoopte, het beeld te zien van Amyhara, dat in een onderaardsch verblijf wordt bewaard en waarvan het heet, dat het zweet.Om den tempel loopt een gesloten galerij met opengewerkte afsluiting, waarin kleine nissen met de vaak herhaalde beelden van den zittenden Dsjina Parasnath. Aan den zuidkant leidt een doorgang tusschen twee nissen of cellen naar een lage zaal, gesteund door granieten zuilen. Tegenover den ingang stonden twee groote beelden van zwart marmer, met daarbij een liggenden leeuw en een krokodil. Bij het rookende licht van onze fakkels kon men weinig onderscheiden. Deze onderaardsche verblijven maakten deel uit van de vroegere kloosters.Een lage deur voerde ons in een duister vertrek, waar we werden verzocht om af te dalen of liever ons te laten zakken in een lagere zaal. Daar troont in eenzame majesteit, in eeuwig zwijgen, het beroemde beeld van Parasnath. Toen ik in zijn tegenwoordigheid werd toegelaten, kon ik niet nalaten een stap achteruit te doen. Het type is dat van de andere Dsjaïna-beelden, met de handen gekruist over de zilveren voeten, die ook gekruist zijn, het gelaat verlicht door groote, amandelvormige oogen, aangeduid door schitterende plekken, en den fijnen mond, die glimlacht, terwijl de lange oorlellen op de schouders afhangen. De vlam speelde op die zonderlinge figuur met felle licht- en schaduwplekken, en de indruk was niet aangenaam, zoo onaangenaam zelfs, dat ik geen aandacht had voor een der andere beelden, o.a. dat van Neminath aan mijn rechterhand, en dat ik gauw mijn plaats afstond aan mijn moeder en de anderen. Dit beeld wordt in hooge eere gehouden door de leden der secte en door de priesters. Wat de legende betreft van den fameusen waterdruppel, die uit zijn oor vloeit en een gat boort in den schouder, daar zal ik niet bij stil staan. Toch heeft hij aan het beeld den naam van Amyhara bezorgd, dat is druppel nectar.Met veel genoegen stegen we weer omhoog naar het licht en na het verblijf in die vochtige holen was het zien van het zonlicht een vreugde. Op den Girnar behoeft er geen vrees te bestaan, dat het felle licht den indruk der heiligdommen zal bederven. Het speelt integendeel in het beeldhouwwerk der plafonds, glijdt langs de nissen en om de pilaren en doet nooit die vervallen oudheid zien, die in andere deelen van Indië de monumenten kenmerkt. Het is of de Girnar een eeuwige jeugd geniet.Nu moesten wij nog een oog slaan op de pleinen, waar geen duimbreed gronds ongebruikt is gelaten. Men heeft er heiligdommen opgericht voor schutsgoden, bij voorbeeld Amba Mata, en kleine monumenten zijn gebouwd boven de voetstappen der hoogepriesters.Ons links wendend, zonder den eigenlijken tempelkring of Deva Kota te verlaten, vonden we een groep van drie tempels, die van Rishabhdev, Merakvasi en Sangharam Soni. De eerste bevat het kolossale beeld van Rishabhdev, den eersten Dsjina of Tirtankara; het is bedekt met pleister en draagt op elken schouder een staanden persoon in een houding van nadenken. De beide andere munten uit door de schoonheid der zolderingen en de détails van het beeldhouwwerk; het is alles schitterend. Tot aan den tijd van ons bezoek was het onmogelijk gebleken, er een photografie van te nemen door het witte en diffuse licht, dat tot in de verste hoekjes dringt. Misschien is men er later beter in geslaagd. Het heiligdom ligt op het Westen, een omstandigheid, die verklaard wordt door de vroegere bestemming van deze monumenten, die paleizen waren. Woonden in dergelijke woningen de echtgenooten van de Chudasamaʼs? In den tempel van Sangharam Soni herkent men nog het best aan de proporties een koninklijke residentie. Die tempel is gewijd aan Parasnath, wiens modern standbeeld er te zien is.Buiten de Deva Kota vinden we eerst den tempel van den Rajah Samprati, die zeker de mooiste is door de gratie zijner lijnen, zijn prachtige ligging op de helling van den berg, en zijn plafondschilderingen, waarin de kunstenaars der Dsjaïnaʼs zichzelven hebben overtroffen. Hij is ook de oudste van de groep van den Girnar; een opschrift in het inwendige geeft als tijd van de stichting het jaar 1158 aan.Aan de noordzijde, een weinig afgezonderd van de groep, staat de Kumarpal, waarvan het lange portiek door 24 zuilen wordt gedragen. Het gebouw was in de vorige eeuw bijna verwoest; er was nog slechts een enkele zaal over. Toen de Dsjaïnaʼs tot de herstelling besloten, bespeurden ze, dat een sivaïetisch bankier er bezit van had genomen, om er een voor hem heilig beeld te plaatsen. In wanhoop dreigden ze, dat ze, als men hun het eigendom niet teruggaf, tot de plechtigheid van hetdharnate zullen overgaan, dat wil zeggen, bij de poort van den tempel te gaan zitten en te vasten tot de dood zou intreden, zoolang ze hun bezit niet terug hadden. De partijen kwamen tot een vergelijk, en volgens het opschrift had de restauratie in 1824 plaats; het heiligdom bevat drie beelden.Eindelijk is er ten oosten van de Deva Kota, rechts van den weg die naar het heiligdom van Amba Mata leidt, de drievoudige tempel van Vestupal Tejpal. De dsjaïnische kunst ontplooit er al haar pracht in de versiering der zolderingen, der pilaren en der koepels; ongelukkig heeft het beeldhouwwerk veel geleden. Het monument is zeer oud en werd in 1229 opgericht door den minister van een koning van Goedsjerat en zijn broeder.Het bezoek der tempels, hoe vlug het ook plaats had, was lang en vermoeiend geweest; ik heb er slechts een flauw denkbeeld van kunnen geven, en moet veel karakteristieke détails voorbijgaan; maardaar ik er geen fotoʼs van kon krijgen, zou de beschrijving geen doel treffen.De heer K. Ch. Dhru noodigde ons op een déjeûner in de voor gasten bestemde zaal; maar in zijn hoedanigheid van Brahmaan mocht hij niet aan onzen maaltijd deelnemen. Aan tafel liep het gesprek over de dingen, waar wij van vervuld waren, vooral over den oorsprong en de ontwikkeling der dsjaïnische kunst.Het was trouwens slechts de herhaling van de meeningen der groote autoriteiten en van de indrukken der reizigers, in het bijzonder van Tod, wiens levendige beschrijvingen mij lust hadden gegeven, naar Girnar te gaan en mij tot geestdrift hadden gestemd.Minder begunstigd dan hij, werd het ons niet vergund, den nacht door te brengen op het mooie platform van de Deva Kota, en geen bliksemstraal, die de wolken scheurde, stond ons toe, met een enkelen blik de vlakten van Kathiawar en de verre oevers van Mangrol en Pattan te omvatten. Doch waarom getreurd, de helderheid der atmosfeer, het vriendelijke landschap, de zachtheid der temperatuur passen bij een streek, die de woonplaats der goden is geweest, en dat is de indruk, dien wij wenschen mee te nemen.Toen het déjeûner was afgeloopen, hervatten we onzen tocht naar den top van den berg; we moesten nog 600 voet stijgen. Links van ons boven de tempels teekende zich op de lucht een groot blok graniet af, de Bairav Jap, Sprong van den Dood, van waar de ongelukkigen, die met de bevrijding van hun kwalen de belooning hoopten te vinden voor hun wanhoopsdaad, zich naar beneden stortten, een belooning, die hen van treurig misdeelden en nederige proletariërs zou maken tot heeren en vorsten in het paradijs van Indra.Het slachtoffer, gedost in zijn mooiste kleederen, gaat naar den rand van den afgrond; met den voet rustend op een cocosnoot, balanceert hij een oogenblik en glijdt dan in het ledige, waar zijn lichaam op de punten der rotsen te pletter valt. Er werden ons veel voorbeelden genoemd van deze soort van godsdienstigen zelfmoord; maar de engelsche politie verzet zich krachtig tegen de ellendige praktijk. Meestentijds zijn de ongelukkigen van beperkt verstand, door geestdrijvers ingepakt en soms onder den invloed van alcoholische dranken.Tweehonderd meter boven de Deva Kota moet men niet verzuimen, een blik te werpen op het heiligdom van Mahadav en zijn heilig waterbekken, waar de pelgrims hun wasschingen moeten verrichten.Wij bestijgen de laatste treden, die naar den tempel van Amba Mata voeren, en terwijl onze beminnelijke gids zijn godsdienstplichten vervult, brengen wij een bezoek aan het inwendige. De priesters haastten zich een armen asceet te verjagen, wiens staat van naaktheid zijn verdwijning achter de rotsen rechtvaardigt.De tempel, die tot vrij hooge oudheid opklimt, is van zwart graniet gebouwd; hij was vroeger door een portiek omgeven, maar de bogen zijn dichtgemetseld. In 1889, toen de bliksem het gebouw had beschadigd, werd het hersteld door de Hindoes van Junagadh. Het inwendige is zoo donker, dat men ternauwernood het beeld van Amba Mata kan herkennen, de godin der oude tijden, een der gedaanten van Uma of Parvati.De zindelijkheid liet veel te wenschen over, en enkelereizigershebben de weinig vleiende opmerking gemaakt, dat de tempel niet geveegd schijnt te zijn, sinds de Boeddhisten of de Dsjaïnaʼs hem aan de Brahmanen hebben afgestaan. Wij offeren ons penningske, en we gaan het uitzicht bewonderen, want van den Amba Mata kan men het gansche bergstelsel van den Girnar overzien. In het Oosten, vrij dicht bij ons, de Goraknath, gekroond met een tempeltje, gewijd aan den leerling van den een of anderen heilige; wat verder de Dattar, die geen spoor van eenigen plantengroei vertoont op zijn flanken van graniet; op den top staat een gebouwtje, dat de voetstappen van Neminath bedekt, en waar, naar beweerd wordt, de dsjina het Nirvana bereikte; en eindelijk, lager, de Kalika met een tempel voor de godin Kalika. Lagere bergen staan als een gordel om de hooge, en in het Zuiden breidt zich het woudgebied van den Gir uit. Alle dalen van het bergland en der lagere ketenen zijn bosch- en wildrijk.De Kalika staat in een niet te besten reuk, waardoor de geheele groep van bergen min of meer berucht is. Hij heeft tot in de jongste tijden tot woonplaats gediend aan de Aghoriʼs. Een Aghori is iets verschrikkelijks, oordeelt men in Indië, en niet ten onrechte, zooals wij zullen zien.Als godsdienstige secte zijn de Aghoriʼs zeer oud en worden in de geschiedenis vermeld als menscheneters. De schrijver van “Dabistan”, een werk uit de 17de eeuw, verhaalt, dat hij een Aghori gezien heeft, die een lijkzang zong, zittend op een lijk, dat hij verslond, ofschoon het al tot ontbinding was overgegaan. Deze schepsels aanbidden de godin Aghori Mata, maar van eigenlijken godsdienst kan bij hen geen sprake zijn, evenmin als van eenig wijsgeerig systeem, al beweren zij, dat ze de logische consequenties aanvaarden van de pantheïstische philosofie der Vedanta. Vroeger deden ze aan menschenoffers, en de plechtigheden bij hun inwijding waren iets monsterachtigs, terwijl ze tot op onzen tijd nog zeer weerzinwekkend moeten wezen.Het is bewezen, dat de leden der secte gedwongen worden, menschenvleesch te eten; om zich te verontschuldigen, beweren zij, dat hun hoofden hen uit de gemeenschap zouden stooten, als ze weigerden, zich aan die afschuwelijke gewoonte te onderwerpen, en dat ten overvloede de smaak van menschenvleesch hun de kennis verschaft van de onzienlijke dingen. Ze komen niet dikwijls te zamen; maar te Benares zijn er nog velen en daar zwerven ze om de kerkhoven rond, om den deelnemers aan begrafenissen geld af te persen.Ziehier het portret van den Aghori, geteekend door de hand van een kenner. “Zwart, vuil, harig, de oogen met bloed beloopen, de neusgaten wijd uitstaande, lange nagels, een met zweren bedekt lichaam, het haar vol ongedierte, in volkomen naaktheid, zoo is de Aghori. Hij ziet uit de oogen als een krankzinnige, lacht ook als zulk een ongelukkige, laat de tong uit den mond hangen en heeft vuiletanden. Nooit wascht of reinigt hij zich; hij voedt zich met krengen en lescht zijn dorst met rottend water, in de eene hand houdt hij een schedel vast en in de andere een of ander martelwerktuig. Aldus heeft Malabari hem beschreven.De Aghoriʼs hebben altijd schrik verspreid, waar ze zich vertoonden, en op het platte land vreesden hen de moeders, omdat men kinderroof van hen kende. Hun voornaamste verblijf was de berg Kalika. Thans zijn ze bijna verdwenen; maar de berg is nog berucht door hun vroegere aanwezigheid.

De nabab van Junagadh, Z. H. Rasoel Khandji.De nabab van Junagadh, Z. H. Rasoel Khandji.

De nabab van Junagadh, Z. H. Rasoel Khandji.

Kapitein Grant werd gered door tusschenkomst der Engelschen, die van den Nabab van Junagadh gedaan kregen de teruggave aan Bawavala van de goederen, die het andere Kathihoofd had geroofd; maar hij bleef zijn geheele leven ziek en verloor het geheugen. Om een denkbeeld te geven van de moderne zeden, diene, dat de vrouwen nog den lof zingen van Bawavala, den Robin Hood van Kathiawar. Wij zouden nog meer staaltjes van lateren tijd kunnen melden, maar wat met kapitein Grant is gebeurd, heeft min of meer een officiëelen stempel, en men kan ons dan niet van overdrijving beschuldigen.

Een heele litteratuur is verbonden aan de heldendaden van de bendehoofden. De heer C. A. Kincaid heeft onlangs een belangwekkenden bundel het licht doen zien van oudere en nieuwere balladen, die op hun heldenstukken betrekking hebben. Men kan er den geest uit leeren kennen, die al sinds onheugelijke tijden in het land heerschte onder de menschen, die geneigd waren de rechten van het individu te doen voorgaan boven die der gemeenschap en tegen het gezag, welk dat ook was. Ondanks zijn misdaden was de misdadiger sympathiek aan de massa. Naast hem treedt dan het paard op, door de nationale dichters niet minder goed behandeld dan zijn meester. Het is de blanke merrie met de vlokkige, wapperende manen, die met wijd geopende neusgaten de ruimte verslindt, in één sprong over de muren van dorpen springt en zoo snel en licht zich beweegt, dat de vogels zich niet met haar meten kunnen.

Thans is de Gir gastvrijer geworden. Men kan er veilig zich bewegen, vooral als men vergezeld is door Engelsche ambtenaren. Sasan op den zuidelijken oever van de rivier Hiran is de residentie van den inspecteur van het boschwezen. Daar was ook het kamp van Lord Curzon gevestigd. Vroeger was die plaats zeer ongezond en had zelfs aan die ongezondheid zijn naam te danken, want Sasan wil in het Sanskriet zeggen “straf”, omdat men er de staatsgevangenen heen zond, opdat ze spoedig zouden sterven door de slechte hoedanigheid van het water ter plaatse.

Hoofdstraat van Junagadh met den Girnar.Hoofdstraat van Junagadh met den Girnar.

Hoofdstraat van Junagadh met den Girnar.

De leeuw, die oudtijds de glorie van Pendsjab en Hindostan was, is teruggedrongen naar deze boschrijke streek. Hij is niet de mindere van zijn soortgenoot uit Afrika, noch wat grootte betreft, noch wat den moed aangaat; de manen zijn zwart, bruin of geel, al naar gelang van den leeftijd. Hij zal zelden een mensch aanvallen; maar er worden gevallen vermeld, waarin hij een of meer slachtoffers heeft gemaakt. In de menagerie van Sardar Bagh worden de groote, welgeluchte kooien goed onderhouden, en de dieren zien er niet zoo ellendig uit als in Europa. Ze worden ook niet vaak door bezoekers lastig gevallen; en een knippen met de oogen of een gegrom is het eenige, dat de bewaker erlangt, als hij ze wil doen opstaan. Met die visite aan de leeuwen eindigde ons bezoek aan Junagadh.

De ruïnen van den Uperkot of de citadel van Junagadh liggen links van den weg, die naar den Girnarleidt; wij kozen het eind van een schoonen dag, om ze te bezoeken. Zij zijn begrepen in den stadsmuur en bevinden zich op een soort van platform van natuurlijken aard tusschen de stad en den berg; de muren, omringd door een diepe gracht, zijn bijna zeventig voet hoog. Men komt er binnen door twee poorten; volgens oude kronieken waren er drie en 84 torens. Het grootste deel van het terrein is al lang ingenomen door de jungle, maar men is onlangs begonnen met de ontgraving, en nu is de citadel in het geheel niet meer in den deplorabelen toestand, dien Tod in 1822 beschrijft. Door een gunstbewijs, dat nog door geen enkel Europeaan was verkregen, had de moedige reiziger kunnen binnendringen. Hoewel het geen oorlog was, hield men er goed de wacht en de poorten werden slechts ten halve geopend voor den reiziger. Overal zag hij verval en verlatenheid. Het is nog een imposant monument van de militaire mohammedaansche bouwwijze, die men terugvindt in vele vestingen uit denzelfden tijd.

In de tuinen van den Sardar Bagh.In de tuinen van den Sardar Bagh.

In de tuinen van den Sardar Bagh.

Het rijtuig bracht ons tot op de wallen; bij den ingang viel ons het gewelf boven de deur op, dat een merkwaardig voorbeeld was van de oude rajpoetische architectuur. Het is moeilijk den tijd van ontstaan vast te stellen; maar als die poort van vroegeren datum is dan de herstellingen, in de 15de eeuw aangebracht, zooals een opschrift aangeeft, toch klimt ze niet hooger op dan de 18de eeuw.

In een sankrietsch werk uit de elfde eeuw van iemand, geboortig van Goedsjerat, wordt gezegd, dat de vierde vorst uit het geslacht der Chudasamaʼs in de tiende eeuw overwonnen en gevangen genomen werd en daarna weer in vrijheid gesteld door een vorst uit Goedsjerat, dat hij vervolgens Vanthali verliet, dat zijn hoofdstad was, om zich te Junagadh te vestigen, waar hij de citadel liet bouwen, hetgeen verklaard wordt door de noodzakelijkheid, waarin de Chudasamaʼs waren, om zich te beschermen tegen de invallen van hun machtige en oorlogzuchtige buren.

Kanon van de citadel in Junagadh, in de 16de eeuw in Egypte gegoten.Kanon van de citadel in Junagadh, in de 16deeeuw in Egypte gegoten.

Kanon van de citadel in Junagadh, in de 16deeeuw in Egypte gegoten.

Een beslissend getuigenis brengt steun aan dat bericht uit de elfde eeuw. De boeddhistische pelgrim Hioeën Thsang, die in de zevende eeuw reisde en die zoo minitieus de steden, bergen en oude grotten van Saurasthra heeft beschreven, maakt geen melding van den Uperkot, bewijs, dat de citadel niet bestond toen hij in de plaats was. In de elfde eeuw begint de geschiedenis van de belegeringen, die zij had te doorstaan, eerst van de Hindoevorsten, dan van de Muzelmannen. Overigens mag het fort ondanks de herhaaldecapitulaties trotsch zijn op zijn lang verleden. Het heeft dapper de aanvallen weerstaan der veroveraars, die het op zijn bestaan voorzien hadden. Na de opneming van Sorath in het mongoolsche rijk treedt de vesting in de schaduw. In de 18de eeuw maakten de geldzuchtige Arabieren, wien men achterstallige soldij schuldig was, zich er herhaaldelijk meester van, en ze konden er slechts met moeite uit verdreven worden. Van dien tijd af hebben de gevangenissen, die het bevatte, slechts gediend voor de vorsten of de opstandelingen, van wie men zich wilde ontdoen.

Het monument, dat het eerst de aandacht trekt, is de moskee, een groot gebouw van 136 bij 103 voet. Het uitwendige heeft niet veel stijl; het is zwaar en lomp met de vier granieten zuilen op de hoeken; maar het inwendige biedt een verrassing; er staan 140 zuilen in verschillende rijen. Die der drie eerste, van den gevel af naar binnen, zijn dikker, evenals die van de vijfde en tiende rij overdwars en zijn door bogen samen verbonden, zoodat ze, als ze waren voortgezet, het gebouw zouden hebben verdeeld in drie hoofdschepen in het midden en twee zijschepen van de helft der grootte. De preekstoel ligt elf treden boven den beganen grond, en de deuren zijn van prachtig bewerkt marmer.

De moskee, die onder Mahmoed Bigaré werd begonnen, is waarschijnlijk nooit voltooid. Op de wallen staan twee zware kanonnen op de stad gericht en beroemd in de geschiedenis van Junagadh. Het grootste is bekend onder den naam van Nilam tope, het blauwe kanon; er staat een arabisch opschrift op, dat er aan herinnert, hoe het stuk in Egypte werd gegoten op bevel van sultan Soleiman, zoon van Selim Khan, koning van Arabië en Perzië, om de vijanden van den godsdienst te verdelgen en die van den staat,—dat waren de Portugeezen,—legers toen de steden van Indië bezetten.

Achter de moskee ziet men aan den noordkant een merkwaardig staal van den bouw in de rotsen, namelijk de zalen, die in 1879 ter gelegenheid van het bezoek van Burgess werden ontdekt.

De opgravingen brachten twee rijen van in de rots uitgehouwen woningen aan het licht, van een nog niet nader omschreven karakter. Onze onderaardsche wandeling was zeer interessant; door de groote openingen voor licht en lucht, die door de oorspronkelijke aanleggers zijn uitgespaard, kan men de gidsen volgen, zonder vrees van in de duisternis te verdwalen en door gebrek aan lucht te stikken.

Op de eerste verdieping was een groot réservoir, misschien een vischvijver, aan drie zijden omgeven door een veranda, die overdekt was. Aan den westkant is er een soort van platform, gelijk aan die, waar men in tempels de beelden plaatst. Burgess denkt, dat de menschen er hun kleederen neerlegden, als ze zich baadden, en men kan nog sporen vinden van een buizenstelsel, dat het water aanvoerde uit een put in de buurt naar een kleinen regenbak aan den ingang, opdat het gezuiverd zou wezen, voordat het in het réservoir kwam.

Het vertrek boven de baden, als men ze zoo mag noemen, ligt open en aan den kant, van waar het licht komt, staat een laag muurtje, zoodat door een wijde opening dat licht binnenstroomt. De gang aan den zuidkant vertoont twee zuilen met achtkantigen voet, welker kapiteelen met bloemen zijn versierd en met andere versieringen, die alle ongelukkig in zeer slechten staat zijn. Wij toefden lang in de zaal der baden, vóór we heengingen.

Men kan deze rotswoningen niet beschouwen als bij een klooster behoorend; eerder doet de nabijheid van een oud paleis, het Khengar Mehal, vermoeden, dat ze een dépendance waren van dat huis, dat, in de jungle gelegen, overgeleverd is aan de moderne exploiteerders van een steengroeve. Het was nog te herkennen aan den 250 meter langen gevel in de rots uitgehouwen en gesteund door massieve pilaren, en bestond uit een doolhof van zalen, gangen en trappen. God behoede mij ervoor, daarmee den lezer lastig te vallen. Liever wil ik bij u de herinnering wekken aan de bewoners van die onderaardsche woningen, die zeer zeker aangename verblijven waren in den tijd van groote warmte, maar die in geen enkel opzicht gelijken op de kloosters en de lichte, sierlijke bouwwerken, over de heuvels van den Girnar verspreid.

In den Uperkot of de vesting vinden wij twee groote putten, die uit den tijd der Chudasamaʼs dagteekenen. De eene, de Adi Sjadi, werd aangelegd door twee slavenmeisjes van een der vorsten dier dynastie, en men daalt erheen af langs steenen trappen; de andere, de Noghan, klimt op tot de elfde eeuw. Een gang van tien voet breed, in een spiraal in de rots gehouwen, leidt langs 235 treden in de diepte, namelijk tot ongeveer 120 voet. Ze wordt verlicht door openingen in de rots; aan den eenen kant is een soort van balkon, waar een bedwelmende drank werd bereid in een grooten bak, dien men nog herkennen kan. Er wordt verteld, dat het hof er bacchantische feesten kwam vieren.

Duiven vlogen rond boven een der putten, die door gebladerte overschaduwd werd. Ik wilde er in afdalen, maar de vochtigheid en vooral de stank van het erin staand water noodzaakten mij terug te gaan. Maar wel had ik er genoeg van gezien, om mij rekenschap te geven van die soort van putten, die zoo nuttig moeten zijn geweest. Want is niet het water een groote weldaad voor het Oosten? Hij, die het zijne bijdroeg tot de bewaring en verspreiding van een zoo nuttige stof, deed een gezegend werk, en werken van irrigatie hebben al van de oudheid af de regeerders van deze streken beziggehouden. Wij zullen daarvan ook een bewijs vinden aan den voet van den Girnar. Ook moderne werken van dien aard zijn in den Uperkot uitgevoerd.

De vesting zag er in het roode licht van den vallenden avond schilderachtig uit; de ruïnen en de met boomen bedekte heuvels boeiden het oog; op een ouden muur vertoonden pauwen hun prachtig gevederte, en van de wallen overzag men de stad en de vlakte, al in schemering gedompeld, terwijl links zich de majestueuse top van den Girnar verhief.

Boeddhistische grotten en holen komen er veel voor in Junagadh; Hioen Thsang heeft ze ook vermeld.

Er waren in zijn tijd meer dan 50 kloosters en bijna 3000 monniken, en daarbij honderden tempels, waar monniken van verschillende secten in vredeleefden. Ondanks de verwoestingen door den tijd aangericht, en ondanks 400 jaren van mohammedaansche overheersching, treft men nog belangwekkende sporen van het boeddhistisch tijdperk aan. De reizigers, die van het land spreken, zeggen, dat de streek letterlijk met cellen was overdekt.

Dat kluizenaarsleven is een der karakteristieke eigenaardigheden van het Boeddhisme. Ieder mocht gaan wonen in de bosschen of de grotten van het bergland, en als de regentijd daar was, kon de heremiet zich voegen bij zijn collegaʼs, die in de kloosters of viharaʼs woonden. Die kloosters bestonden, schijnt het, uit een plein, omringd door cellen, met galerijen, die versierd waren. De cellen in de open lucht zijn verdwenen en enkel die zijn overgebleven, die in de rotsen waren uitgehouwen. De oudste inrichting schijnt te zijn geweest, dat de kleine cellen op rijen lagen met een veranda, die op pilaren rustte. Aan de westzijde is er aan het bouwwerk meer zorg besteed dan aan het beeldhouwwerk. Het dak wordt door zuilen gedragen, en een zuilengalerij geeft toegang tot een diepe zaal, waar de monniken dienst hielden en hun Boeddhaʼs aanbaden. Aan den oostkant van den Uperkot bij het klooster Bawa Pyara vindt men ook van die onderaardsche woningen; maar hoe een denkbeeld te geven van dien overvloed van gangen en zalen en cellen? Er bestaat trouwens geen twijfel aan de bestemming van de bouwwerken.

Hoe opgestapeld de aarde en het puin ook zijn in die zalen, de kenners hebben er de inrichting van een vihara in herkend. Ik mocht er niet binnentreden, en ik had ook inderdaad genoeg aan het uitwendige; de verbeelding stelde mij in staat, mij het leven van de monniken voor te stellen. Een opschrift leert, dat de holen ingericht waren voor de Dsjainaʼs door de koningen van Saurasthra op het eind van de tweede eeuw der christelijke jaartelling, of dat ze hun geschonken waren toen de Boeddhisten er geen gebruik meer van maakten. Het kloosterleven der Dsjainaʼs gelijkt, zooals bekend is, veel op dat der Boeddhisten.

Verder in de jungle, te Maï Godesji, waren onder een ouden Hindoetempel, die in een moskee is veranderd, andere kamers; die behoorden waarschijnlijk niet bij een klooster, maar ze werden zeker gebruikt als die in den Uperkot.

Van alle overblijfselen van den boeddhistischen godsdienst in Saurasthra is er geen enkel zoo belangrijk als de opschriften op den Asokasteen. Wij wijdden daaraan een morgen. Men verlaat dan de stad door de Wagheswaripoort in het Zuidoosten, en laat den Uperkot links liggen. Het is tevens de weg naar den Girnar. Vroeger hadden de reizigers, die naar de tempels gingen, te kiezen tusschen een wandeling en een draagstoel; thans leidt een rijweg naar den voet van den berg, en ons rijtuig reed een smal dal binnen, beplant met teak- en ebbenhoutboomen.

In het begin der 19e eeuw legde de rijke paardenkoopman Sundarji, van Junagadh uit, een weg aan, waar hij boomen met rijk gebladerte langs liet zetten, opdat de pelgrims in de schaduw zouden kunnen uitrusten, zoodat men aan hen de ontdekking van den Asokasteen te danken heeft, want zonder dit voorbereidingswerk zou het monument nog verborgen wezen in de onontwarbare acaciaboschjes, die het omringen.

De eerste, die er melding van maakt, kolonel Tod, heeft een levendig verhaal gegeven van zijn ontdekking in December 1822. Bij de samenkomst van de door Sundarji geplante laan en de Sonarekh, een der talrijke riviertjes, die den voet van den Girnar besproeien, komt een breede weg, evenwijdig aan de laan, uit bij een brug met drie bogen en voorzien van een leuning. Voordat die brug gebouwd was, liepen de pelgrims in den regentijd gevaar, door het water der rivier te worden meegesleurd, en veel ongelukken gebeurden er.

Nadat men den weg heeft verlaten en naar rechts is gegaan, bereikt men den Asokasteen. Tod heeft hem beschreven als “een zware massa in den vorm van een halven cirkel van zwart graniet, die als een wrat op het menschelijk lichaam de schors van onze moeder aarde had doorboord, zonder een spleet of scheur te maken.”

De oppervlakte, die de steen besloeg, was 10 voet. De steen was in afdeelingen verdeeld of parallelogrammen, die opschriften in antiek schrift bevatten. Tod begreep, dat hij zich in de tegenwoordigheid bevond van een nog niet leesbare bladzijde der historie; hij bepaalde zich er toe, zijn secretaris te verzoeken twee der opschriften en een deel van het derde af te schrijven. En er werd in dertien jaren niets meer gedaan.

In 1835 onderzocht Dr. Wilson, die tegen het vallen van den avond van den Girnar daalde, de opschriften, nog steeds onontcijferbaar geacht, ofschoon ze reeds de aandacht van de geleerde wereld hadden getrokken. Hij liet er afdrukken van nemen in 1837 en trachtte tot het begrip er van te komen, maar Prinsep was hem in 1838 voor met het vinden van den sleutel tot het nieuwe letterschrift. Door een gelukkig samentreffen had luitenant Kittoe te Dhauli een lang opschrift ontdekt, dat bijna identiek was aan dat te Junagadh, en kapitein Birtes liet een opschrift overnemen, dat gegraveerd was op een rots dicht bij het dorp Sjah-baz-garhi, 36 mijlen ten noorden van Peshawar, ook identiek met die van Girnar en Dhauli.

Het was voor diegenen, die zich aan de bestudeering van de teksten wijdden, noodig correcte copieën te hebben en welverzorgde afdrukken van al die figuren. In 1838 werd luitenant Postans door het bestuur van Bombay naar Junagadh gezonden, om de opschriften te copiëeren en Burgess kwam in 1869 afdrukken maken. De steen was in die dagen door een kluizenaar bezet, die er zich een soort van hut naast had gebouwd en hout rondom had opgestapeld. De regeering van Bombay, van die feiten op de hoogte gebracht, richtte vertoogen tot den eersten minister van Junagadh, die over den steen een dak liet bouwen. Dat werd later vervangen door een soliede en fraai gebouwtje, waarin wij het genoegen hadden, eenige oogenblikken te rusten. Wij zullen de geleerden niet volgen in hun ontcijferingswerk en in hun verklaringen der opschriften. De opschriften zijn van het hoogste belang; men heeft ze terecht vergeleken met den steen van Rosette, met de opschriftenop rotsen te Bisitoen, en met de steenbibliotheken van Assurbanipal.

Een enkel woord over den vorst, van wien ze uitgingen. Asoka Biyadasi, koning van Magadha of Behar, die in de derde eeuw vóór Christus regeerde en tot het Boeddhisme werd bekeerd, legde er zich met ijver op toe, zijn godsdienstige denkbeelden te verspreiden. Er wordt gezegd, dat hij 64.000 priesters onderhield en kloosters stichtte in zoo groot aantal, dat zijn land nog het land der kloosters wordt genoemd, der vihara of behars. Hij maakte het Boeddhisme tot staatsgodsdienst, stelde een raad in, om de geloofsartikelen te verklaren, verspreidde zedelessen, benoemde een ministerie, om de zuiverheid der leer te handhaven en gaf bevel tot een herziening van den kanon der boeddhistische geschriften.

Onderaardsche vertrekken in de citadel, in 1869 ontdekt.Onderaardsche vertrekken in de citadel, in 1869 ontdekt.

Onderaardsche vertrekken in de citadel, in 1869 ontdekt.

Terzelfder tijd verspreidden legioenen van zendelingen zijn leer tot in de verste streken, en zijn wereldlijke macht zette kracht bij aan het prestige zijner boodschappers.

Het monument is niet het eenige van zijn soort; veertien opschriften op rotsen in Indië verspreid, geven dezelfde voorschriften. Deze steen van Asoka telt veertien edicten of wetsbepalingen van Asoka en twee opschriften, die betrekking hebben op de herstelling van een oud réservoir, de Soedarsana.

Men kan de voorschriften van Asoka aldus samenvatten:

Ten eerste werd verboden dieren te dooden, om ze te eten of te offeren.

Ten tweede werden voorschriften gegeven omtrent geneeskundige hulp voor menschen en dieren, omtrent aanplantingen en putten aan den kant der wegen.

Ten derde werd bevolen, zich alle vijf jaren aan een boete te onderwerpen en opnieuw de groote zedelijke waarheden van het boeddhistisch geloof te publiceeren.

Ten vierde werd een vergelijking getrokken tusschen den ouden staat van zaken en de nieuwe richting van den koning.

Ten vijfde moesten er zendelingen worden benoemd, om de leer in vreemde landen te gaan verkondigen.

Ten zesde werd de gelofte verplicht gesteld, dat men gelijkheid van rang en stand zou handhaven.

Ten zevende werd de aanstelling van zederechters verplicht gesteld.

Ten achtste werd op het verschil gewezen tusschen de materiëele genoegens van de voorgangers van den koning en zijn eigene.

Ten negende werd een uiteenzetting gegeven van het ware geluk, dat slechts in deugd te vinden is, waardoor de zegeningen des hemels den mensch te beurt vallen.

Ten tiende werd een vergelijking gemaakt tusschen den vergankelijken roem dezer wereld en de hemelsche zegeningen, waar de koning naar haakt.

Ten elfde werd een verklaring gegeven van de stelling, dat de grootste van alle gaven, die men aan zijn medemensch kan schenken, is hem de deugd te leeren.

Ten twaalfde wordt een woord tot de geloovigen gericht.

De Asokasteen ligt rechts van den mooien weg naar den Girnar.De Asokasteen ligt rechts van den mooien weg naar den Girnar.

De Asokasteen ligt rechts van den mooien weg naar den Girnar.

Om eenig denkbeeld te geven van de voorschriften en van den stijl des koning-schrijvers, kiezen we het achtste, dat de bekeering van den koning tot het Boeddhisme inhoudt.

“In vroegere tijden kenden de koningen de pleizierreizen, de jacht en andere vermaken. Maar Pyadasi, de geliefde koning der Devaʼs, tot het tiende jaar zijner regeering gekomen, heeft de volmaakte leer van Boeddha leeren kennen, en zal alleen die wet verspreiden.

In de tiende stelling verklaart hij, dat de eenige roem, dien hij begeert, is zijn volken te zien gehoorzamen aan die wet en alle plichten te zien vervullen, die zij oplegt, en hij voegt erbij: “Het is een moeilijke zaak voor een middelmatig mensch, om de zaligheid deelachtig te worden, zooals ook voor iemand van rang, tenzij hij door buitengewone verdienste alles hebbe opgeofferd; maar voor een vorst is het nog veel moeilijker.”

Indien de koning dan al een vurig proselietenmaker is, hij heeft toch eerbied voor het geloof van anderen. Die gedachte drukt hij uit in het twaalfde voorschrift.

“Pyadasi, de geliefde koning der Devaʼs, heeft eerbied voor elk geloof. Hij eert tevens de bedelaars, door hun aalmoezen te geven. Men moet alleen zijn eigen geloof liefhebben, maar men moet dat van anderen niet beschimpen; dan doet men niemand onrecht. Er zijn zelfs omstandigheden, waarin het geloof van anderen even hoog moet gesteld worden. Door dat te doen, versterkt men zichzelven in het geloof en dient tevens dat van anderen.”

Onnoodig, de aanhalingen nog te vermeerderen. Het is die geest van verdraagzaamheid, dien we vooral wilden laten uitkomen, want die geest zou zich door de eeuwen handhaven in het Boeddhisme.

De andere opschriften, die een weinig beschadigd zijn, houden zich bezig met het Soedarsana of mooie meer, waarvan men de sporen in het dal heeft gezocht.

Zooals ik al zei naar aanleiding van de irrigatiewerken in den Uperkot, men hield zich lang bezig met die vragen in Saurasthra. De opschriften leeren, dat het meer het werk was van een onderkoning van Kathiawar, die 300 jaar vóór Christus het aanlegde; dat het onder Asoka verfraaid werd en toen 350 jaar onveranderd bleef. Maar na dien tijd, in 129 na C. veroorzaakten hevige regens overstroomingen in het Girnargebied; een orkaan wierp boomen omver, deed rotsen schudden, rukte deuren uit hun voegen en vernielde de woningen. De wateren braken de dijken en sleurden alles mee. Het scheen een onherstelbare ramp, en de raadgevers van den koning deden er niets aan. Maar het volk vroeg luide naar zijn “schoon meer” en koning Rudra Daman, die toen over Goedsjerat regeerde, en die geen belastingen hief en geen heerendiensten vergde, maar alles uit eigen fondsen betaalde, stond zijn onderkoning toe, het meer te herstellen. Het opschrift zegt, dat die herstelling door middel van een dam werd bewerkstelligd.

En er verliepen 310 jaren, toen in 449 op een nacht ten gevolge van hevige regens de dam bezweek tot grooten schrik der bevolking. Zeven jaren later slaagde de onderkoning erin, in twee maanden een dam te bouwen van 150 voet lang, en 102 voet breed en 35 voet hoog. Hoe lang hield het nieuwe werk stand en waardoor werd het vernield? Op welk tijdstip nam de plantengroei weer de plaats in van die watervlakte, die zich uitstrekte aan den voet van den Girnar? Wanneer trad de liefelijke rivier Sonarekh binnen haar bedding terug? Geen enkele overlevering maakt er melding van, en men weet zelfs niet, waar het Soedarsana gelegen was! Een pandit heeft de plaats vastgesteld op driekwart mijl van de stad naar het Oosten op weg naar den Girnar;vondsten van metselwerk, hier en daar teruggevonden, hadden hem tot die veronderstelling gebracht; maar in dat geval zou de weg naar den Girnar afgesloten zijn geworden en de bedevaartplaatsen, zooals Damodar Kund, zouden overstroomd zijn geworden en zouden ontoegankelijk zijn. Naar de muurresten te oordeelen in de bedding der Sonarekh en naar sommige golvingen van het terrein aan den linkeroever, denkt men eerder de omstreken van den Uperkot als de plaats van het meer te moeten aanwijzen.

Ons bezoek aan den Asokasteen was zeer interessant geweest, en op den terugtocht wierpen we slechts even een blik op de mooie natuur. Aangekomen bij het Lal Bagh, maakten we toebereidselen voor de bedevaart naar den Girnar, die den volgenden dag zou plaats hebben. Van de meest aangrijpende herinneringen van het Boeddhisme zouden we overgaan tot de moderne werkelijkheid van een ermee wedijverende secte, de Dsjaïnaʼs.

Het ideaal van een heilig leven, door Asoka gedroomd, zou niet tot Indië beperkt blijven. De leer van dat leven ging over de grenzen, en de geest van het proselietisme, die het wezen van het Boeddhisme is, zond zendelingen naar de verste landen, waar ze zielen wonnen. Er zijn thans meer dan 500 millioen Boeddhisten in de wereld; in Indië en Birma drie millioen. Het Brahmaïsme, dat tijdelijk achteruitging, maar nooit verdelgd was, herkreeg zijn bloei in de achtste en negende eeuw, en in de elfde joegen de Mohammedanen beslist het Boeddhisme uit Kaschmir en Orissa, die alleen getrouw gebleven waren. De leerstellingen van Boeddha waren echter niet verloren gegaan; zij voegden zich bij de nieuwe elementen, met behulp waarvan het Hindoeïsme ontstond. Indië wierp diegenen uit, die er niet pasten en behield wat bij zijn aard en wezen paste. Het Boeddhisme liet echter op indischen grond, zooals ik reeds zeide, een secte achter, die het overleven zou.

Het Dsjaïnisme heeft zijn oorsprong te danken aan Swami Mahavira, metgezel van Boeddha, misschien wel zijn leermeester, als men de teksten van de Dsjaïnaʼs mag gelooven. Evenals de Boeddhisten verwerpen de Dsjaïnaʼs de Veda, als dat boek in strijd is met hun leer, alsook de autoriteit der Brahmanen; ze houden geen rekening met de offeranden en leven in strikte zedelijkheid. Zij gelooven, dat hun verleden en hun toekomst van hun eigen handelingen afhangen en niet van den wil van God, en ze hebben een grooten eerbied voor het leven van menschen en dieren. Ze verdeelen den tijd in opeenvolgende eraʼs en kennen aan elke era vier-en-twintig Dsjinaʼs of rechtvaardigen toe, mannen, die volmaakt zijn geworden, door de menschelijke hartstochten te overwinnen.

Er zijn er 24 geweest in het verleden; er bestaan in het tegenwoordige ook 24, en er zullen 24 in de toekomst wezen. Ze plaatsen in hun tempels kolossale marmeren beelden voor die Dsjinaʼs.

De Dsjaïnaʼs worden in twee groote secten verdeeld, de Digambaraʼs, in ruimte gekleed, en zoo genoemd, omdat de monniken van die secte de gewoonte hadden, geen kleederen te dragen. In Indië is namelijk de volkomen naaktheid aan zijn wijzen veroorloofd. De tweede secte is die der Swetambaraʼs, wier monniken witte kleederen dragen. Deze bedienen zich steeds van een waaier en houden een lap voor den mond, om niet te dooden, want kleine levende wezens konden in hun mond komen en den dood vinden. Zij mogen een bedelschaal in de hand houden, om voedsel in ontvangst te nemen, dat de geloovigen hun geven, wat de Digambaraʼs niet mogen doen. Dezen mogen de giften alleen in het holle van de hand aannemen. De monniken wonen niet samen in kloosters; ze reizen en trekken, leven van aalmoezen, en als ze behoefte hebben aan rust, trekken ze zich terug in rusthuizen, die vermogende Dsjaïnaʼs voor hen hebben gebouwd. Vroeger waren ze verdeeld in talrijke broederschappen, waarvan nu nog vier of vijf over zijn.

De leeken of Sjrawaks dragen noch heilig lint, noch teeken op het voorhoofd, noch houten halsband. Ze onderwerpen zich aan bepaalde reinigingen en hebben Brahmanen als dienstdoende geestelijken, al vereeren ze de monniken hoog. Hun godsdienstplichten zijn niet te vergelijken met die der Brahmanen, wier leven een onderwerping is aan nietigheden van den dienst; de gebeden van de Dsjaïnaʼs zijn noch lang, noch ingewikkeld. De monniken worden aan geen enkelen regel gebonden, en de leeken zijn enkel gehouden aan een bezoek aan de tempels, waar ze driemaal moeten loopen om het beeld van hun heilige en buigen voor de andere kleine beelden, onder het aanbieden van een offer en het uitspreken van enkele formules.

Goedsjerat is het uitverkoren land van die rijke en belangrijke secte; het aantal Dsjaïnaʼs bedraagt in ʼt geheel nauwelijks een millioen.

Als men het Dsjaïnisme zou willen omschrijven, kan men niet beter zeggen dan dat het een Boeddhisme is, voorzien van een mythologie niet van goden maar van heiligen. Inderdaad is het ideaal van een Dsjaïna een tempel te bouwen, waar hij het beeld van een zijner Dsjinaʼs plaatsen kan, het steenen gebed, zooals ze zeggen en wat ook Fergusson heeft beweerd. Het gebed vindt dan zijn geloofsuitdrukking in de schoonheid der architectonische vormen en de pracht van het geheel.

Zoo verklaart het zich, dat men zooveel prachtige Dsjaïna-tempels door geheel Indië vindt, bij voorbeeld bij de Aravalli, op den berg Aboe, in Bengalen te Parasnath; in Kathiawar op den heiligen berg Satrunjaya, eindelijk tegenover ons op het plateau van den Girnar, waar wij morgen den 22sten Dsjina gaan huldigen.

Het bergmassief van den Girnar bestaat uit vijf toppen, den Amba Mata, bekroond met den tempel van de godin der primitieve tijden, Uma of Parvati; dan den Gorathnath, den hoogsten van alle, 3600 voet boven de zee; den Oghad Sikhara; den Datatreya en den Kalika.

De Girnar was waarschijnlijk al een bedevaartplaats vóór den tijd van Asoka, te oordeelen naar de sporen van cellen van boeddhistische monniken, die men er nog vindt. Zijn wonderbare geschiedenis wordt verteld door Brahmanen zoowel als door Dsjaïnaʼs; dertig hoofdstukken van de godsdienstige jaarboeken vieren zijn heiligheid in verhalen, die door de Brahmanenwerden bedacht en gelegd in den mond van Siva, hun geliefden god. Elke bedevaartplaats heeft zoo haar boek, waarin zijn verzameld haar overleveringen, de godsdienstige gebruiken van de plek, de herstellingen, die in de heiligdommen worden aangebracht, de genealogie der heiligen, der weldoeners en der personen, die bedevaarten er heen hebben ondernomen.

Volgens de Dsjaïnaʼs hoorde Indra, toen hij aan Mahavira vroeg naar de namen der 25 heilige toppen, dat de vijfde was de groote berg Raivata, dat is de Girnar, die de vijfde wetenschap geeft, het eeuwig heil. De giften en gaven, die men er brengt, gelden voor verdiensten in deze wereld en in de andere, verdiensten, die alle zonden uitdelgen, begaan gedurende vele zielsverhuizingen. De wijzen hebben er geen materiëele zorgen meer; gelijk aan goden, brengen ze hun dagen door met het beoefenen van vrome werken en met de aanbidding van Nemi. De seizoenen zijn er betrouwbaar; de waterleidingen vloeien over van een nectar, door de goden geschonken; en eindelijk brengt de herinnering aan Raivata geluk. Het aanschouwen van den berg geneest ziekten, en als men er is geweest, worden al onze wenschen vervuld.

Het landschap van den Girnar past bij zijn heiligheid. Het is er rustig en de eenzaamheid is er nu nog even gemakkelijk te vinden, als toen de berg bewoond werd door de monniken, die wijzen van de Vedaʼs, aan wie Indië goddelijke vermogens toeschrijft. De lachende dalen, besproeid door heldere beken, de grotten, uitgehold in kloven in de rotsen, hebben nog hetzelfde aanzien. Zoo als ten tijde der pelgrimstochten de dichte menigte den top Amba Mata opgaat, in gewone tijden wonen alleen de dienstdoende priesters bij de heiligdommen, waar ze in het warme jaargetijde de aanwezigheid dulden van enkele bewoners van Junagadh, die de koelte komen zoeken; maar priesters, pelgrims, vreemdelingen, alle zonder onderscheid moeten zich onderwerpen aan de reglementen, die o.a. verbieden dierlijk voedsel te nuttigen op den heiligen berg; ook is alle handel er verboden, en kudden en herders moeten in de verte op de vlakte blijven. De Girnar is een plaats van rust voor vermoeide zielen, waar de Hindoe nieuwe kracht komt garen, bovennatuurlijke kracht, naar hij meent, en waar hij die verdiensten erlangt, die hem nieuwe beproevingen zullen besparen in nieuwe zielsverhuizingen.

Onze excursie naar de tempels van den Girnar had op 12 Februari plaats. De heer C. Ch. Dhru wilde ons wel de noodige inlichtingen geven en voegde bij al zijn goedheden die van ons te vergezellen.

Wij vertrokken tegen zeven uur in den morgen bij heerlijk weêr. Wij zouden dezelfde etappen nemen als de pelgrims. Toen we de Wagheswaripoort uit waren gegaan, volgden we den weg naar den Asokasteen, dien we rechts lieten liggen. Nadat men de brug over is gegaan over de Sonarekh, gaat men door een aardig dal, dat boschrijk is en naar den Damodar Kund leidt, zoo genoemd naar Krisjna of Damodar en een meer vormend van het water der Sonarekh. Er voert een brug over de Damodar Kund, die gebouwd is op bevel van den diwan Haridas. Het al te bescheiden opschrift vermeldt niet den naam van den edelmoedigen schenker; er is slechts sprake van een zoon, die hoopt, dat de zegeningen der pelgrims zijn ziel ten goede zullen komen, en dat de verdiensten van het werk in aanmerking zullen worden genomen naast die van zijn hoogvereerde moeder. Er wordt aan het water van de Kund een vreemde werking toegeschreven, die namelijk van menschelijke beenderen op te lossen, en daarom hebben de Hindoes een crematorium in de buurt gebouwd of eigenlijk een verbrandingsterrein. Toen wij over de brug gingen, steeg een lichte rookwolk boven de Burning Ghat omhoog, een donkere en sombere vlek, die een weemoedige tint werpt over het zonnige land. Wat heb ik nu al veel van die brandstapels gezien, voor het meerendeel van arme menschen, zoo maar opgericht aan den oever der rivier of aan een of ander zandig strand, opdat des avonds, als de vloed opkomt, deze den doode, die misschien maar half verbrand is, meevoere naar zee!

Aan den voet van den berg, te Chadani Vav, begon de eigenlijke bergbestijging, en daar veranderde ons vervoermiddel.

De vier doliʼs en de zestien dragers, die besteld waren, wachtten ons op. De doli is een soort van armstoel zonder pooten, gelijkend, naar men zegt, op een romeinsch zadel, gedragen op vier lange stokken, die rusten op de schouders van vier sterke koelies. Ik zal nooit toestemmen, dat het een aangename manier van reizen is. Ik ben geen liefhebster van den draagstoel, al had ik er in reisbeschrijvingen soms vol geestdrift van hooren spreken.

Nu kan ik bijna niet onder woorden brengen, wat ik heb uitgestaan, toen ik voor de eerste maal van dat vervoermiddel gebruik maakte. Het was te Udvada; op den weg naar den Vuurtempel, dus vele mijlen ver, liggend in dat smalle bed van antieken vorm en beschut door een klein zeil, hoorde ik steeds de gejaagde ademhaling van mijn dragers; ik zag het zweet vloeien langs hun bruine lijven. “Arme broeders,” zei ik tot mijzelve, “vergeeft het mij, dat ik den moed niet heb, uw diensten te weigeren!” En dat was een eenvoudig ritje over een vlakken weg, die goed onderhouden was, terwijl nu een bestijging van meer dan 2000 voet moest plaats hebben. Toch was dat gevoel bij mij wel wat overdreven; in den tijd der bedevaarten volvoeren de pelgrims soms meermalen per dag den tocht omhoog en ze blijven er gezond bij. Zij houden van hun vak, worden goed betaald en klagen niet.

Dus moest ik mij er wel in schikken; mijn staat van herstellende zieke legt mij den plicht op, volgzaam te zijn, en mijn waardigheid van gast van den diwan is mede een reden, om gehoorzaam de doli te bestijgen.

Stapje voor stapje, of eigenlijk trap voor trap, ging de bestijging. Vroeger moesten de bedevaartgangers zich, zoo goed en zoo kwaad als het ging, een weg banen te midden der rotsblokken en van het rotspuin en op enkele plaatsen waren dan uitgesleten trappen, terwijl vijf herbergen aan den weg hem onderdak of een verfrissching boden. Maar nu hebben granieten trappen, die breed en gemakkelijk zijn,maar nog al eens glad en vuil, en die om de rots heen loopen, den ouden weg vervangen.

Die antieke trap was al gebouwd in 1166 en 1167 op kosten van een zekeren Amba, zoon van Raning, van de kaste der Sjromaliʼs; ze werd hersteld in 1627 door een genootschap van pelgrims en eindelijk, in 1899, door de zorgen van de Girnar lottery, die meer dan 500,000 francs uitgaf om de trap in den tegenwoordigen staat te brengen en om bruggen te laten slaan op de gevaarlijke punten tusschen Ambaji en Jorakhnath. Wij bepaalden de volgorde van den tocht. Vóór mij mijn moeder, goed beschut door haar zonnepet en stevig gezeten in den stoel op de schouders van haar dragers, dezelfde als van lord Curzon naar het schijnt; haar trouwe François naast haar. Dan kom ik en dan mijn secretaris, die in zijn hoedanigheid van gegradueerde van de universiteit van Bombay, in diepe gedachten verzonken is, waarvan het resultaat, zooals hij mij heeft verteld, een artikel zal zijn in een der dagbladen van Surate.

Gezicht in vogelvlucht op de Dsjaïna-tempels.Gezicht in vogelvlucht op de Dsjaïna-tempels.

Gezicht in vogelvlucht op de Dsjaïna-tempels.

Ik kan mij dus ongehinderd overgeven aan de overpeinzingen, waartoe de plaats en de herinneringen uitnoodigen; maar weldra worden ze op den achtergrond gedrongen door de bekoorlijkheid van het landschap; ik zie alleen nog met mijn physieke oogen de bewonderenswaardige tooneelen, die zich ontrollen en die winnen in grootschheid naarmate we hooger komen.

Aan onze voeten liggen Junagadh, de Uperkot en de vlakten van Kathiawar en rondom hebben wij de boschrijke hoogten van den Girnar. Het is een verrukkelijk panorama.

De ernstige stilte wordt alleen verbroken door zachte geluiden in de boomen; kleine, onschuldige aapjes spelen en doen den voorbijganger geen hinder. Bij de eerste halt stegen we uit aan den eenzamen weg, die sinds het woeden van de pest en den hongersnood verlaten is. De bedevaarten worden niet meer gehouden, want ieder gaat op eigen gelegenheid. Enkele pelgrims rusten in de herbergen uit; andere klimmen naar de hoogten, en er zijn er ook, die met hun stokken al hebben geraakt aan den heiligen grond van de toppen van Dattar en Gorakhnath. Allen komen van ver. Als men rustig met hen kon praten, wat zou men dan een goede voorstelling van de Hindoeziel krijgen, en als men ergens de geheimen van die ziel mocht onderzoeken, dan zou het zeker aan den Girnar zijn.

Jonge vrouwen, in haar kleurige gewaden, komen met neergeslagen oogen van den Amba Mata, en de jonggehuwden brengen aan de godin cocosnoten en andere geschenken, opdat ze hun zegen schenke.

Er waren veel asceten, die met verwarde haren en het lichaam met asch bedekt, in lompen gehuld rondliepen; een van hen was in een grot gehuisvest, waar we hem een bezoek brachten.

In de oogen van den Europeaan zijn die waardelooze wezens in een goed georganiseerde maatschappij tot niets nut; maar voor den Indiër heeft de godsdienstige bedelaar zijn reden van bestaan, als de vertegenwoordiger van het oude ideaal van ascetisme en armoede. Is in Manoe niet het ascetisme de laatste etappe van het menschenleven? Volgens Boeddha is immers armoede de ware rijkdom. De asceten van tegenwoordig worden in veel klassen verdeeld; op den top van de ladder staat de Sanyasi, gewoonlijk Brahmaan van afkomst; daarna, veel lager, volgen de Yogiʼs, de Bawaʼs, de Sadhoes en de Gosains, die tot de lagere kasten behooren.

Die laatsten leven in groepen, bedelen van huis tot huis, doen aan veel bijgeloovige gebruiken, en leggen zichzelven lichaamskwellingen op. In groepen staande om de heiligdommen, maken ze deel uit van de pelgrimages en komen ten laatste in de kloosters van hun secte terecht. Soms komen ze aan den weg om, maar al zou men hen in Frankrijk vagebond noemen, in Indië zijn het heiligen!

Die bedelaars worden er gerekend tot de groote moreele krachten van het land. Zij dwalen zwijgend door de straten, bewegen zich onder de menigte, komen in de tempels en in de gezinnen, en de grootste moderne geesten zien in die ongelukkigen vertegenwoordigers van de onsterfelijke denkers van den godsdienst. Er zijn zelfs ministers geweest, die het hof en hun betrekking verlieten, om hun leven in ascetisme te besluiten. Die minachting voor den rijkdom, die niet zonder grootheid is, vindt men ook terug in de kringen van studenten. Zoo stellen zich de professoren van Fergusson college te Poenah tevreden met een allerminiemst salaris, en het zijn geleerden van den allereersten rang.

Tempel van Neminath, den 22sten Dsjina.Tempel van Neminath, den 22stenDsjina.

Tempel van Neminath, den 22stenDsjina.

Het leven van vrijheid en overpeinzing schijnt wonderlijk goed in dit land te huis te zijn. “Wanneer toch zal ik”, zoo vraagt de boeddhistische monnik, “wonen in een grot op de bergen, alleen, zonder metgezellen, met de bewustheid van de wisselvalligheid des levens? Wanneer zal dat heerlijk lot het mijne zijn? Wanneer zal ik wijs wezen en in kleeren van lompen, met niets, dat ik het mijne kan noemen, en zonder begeerten, zonder liefde, haat en dwaling vroolijk op de bergen wonen?”

De trappen, die al steiler worden, leiden naar een plateau, waar de eerste tempels zijn gebouwd, eerste etappe op meer dan 2000 voet hoogte. Men treedt er binnen door een groot portaal, dat tot een ruim gebouw toegang geeft, een zomerpaleis of fort, waarvan de ruïnen nu dienen als woning voor de priesters en hun bedienden.

Aan den ingang is het opschrift, dat een verkorte lijst bevat van de vorsten uit de dynastie der Chudasamaʼs. Vóór we binnengingen, werden we gelaten in een koele, donkere zaal, waar men ons verzocht, onze schoenen uit te trekken, om aardige laarsjes van rood laken ervoor in de plaats te stellen, met goud geborduurd, waarna we waardig zijn de gewijde ruimte te betreden. Er waren in de rotsen zalen uitgehouwen, en zoo vormden de dsjaïna-tempels een soort van forten. Er was een galerij omheen met cellen of nissen, die hetzelfde beeld vertoonen in verschillende grootte.

Deze tempels zijn de mooiste van den Girnar; de andere, die in de buurt verspreid zijn of op de hellingen der bergen, zijn minder rijk of van jonger datum.

De eerste is die van Neminath, aan wien de berg is gewijd; oudtijds was de hoofdingang aan den zuidkant; maar die entrée is verboden en men komt nu binnen door een ingang in het Khengarpaleis. Het gebouw staat op een vierkant plein van 190 bij 130 voet; op een zuil in een der zalen zegt een opschrift, dat het in 1278 werd hersteld, en hieruit kan men den ouderdom wel zoo wat afleiden. Er zijn twee zalen en een heiligdom, waar een zwart marmeren standbeeld staat van Neminath, behangen met versierselen van goud en edelgesteenten.

Rondom liep een gang met marmeren beelden, die oogen hadden van rotskristal. In de tweede zaal bemerkt men twee platforms van fijn gesteente, bedekt met afbeeldingen van voeten in paren, ter herinnering aan de 2452 voeten der eerste leerlingen van Neminath.Natuurlijk kan men nauwelijks een derde ervan terugvinden.

Al die wijde ruimten, overgoten met het heldere morgenlicht, waren aangrijpend van helderheid en witheid. Er waren in de zalen slechts enkele pelgrims en de brahmaansche priesters van den Girnar. Onze tegenwoordigheid wekte in het minst geen onwelwillende nieuwsgierigheid. Het was mijn eerste betreden van een tempel der Dsjaïnaʼs; ik had nog nooit een dienst bijgewoond, zooals later in Palitana en Calcutta, diensten, die trouwens zeer eenvoudig zijn en hoofdzakelijk bestaan uit het zingen van priesters onder begeleiding van muziek en het branden van wierook voor de beelden.

Ik hoopte, het beeld te zien van Amyhara, dat in een onderaardsch verblijf wordt bewaard en waarvan het heet, dat het zweet.

Om den tempel loopt een gesloten galerij met opengewerkte afsluiting, waarin kleine nissen met de vaak herhaalde beelden van den zittenden Dsjina Parasnath. Aan den zuidkant leidt een doorgang tusschen twee nissen of cellen naar een lage zaal, gesteund door granieten zuilen. Tegenover den ingang stonden twee groote beelden van zwart marmer, met daarbij een liggenden leeuw en een krokodil. Bij het rookende licht van onze fakkels kon men weinig onderscheiden. Deze onderaardsche verblijven maakten deel uit van de vroegere kloosters.

Een lage deur voerde ons in een duister vertrek, waar we werden verzocht om af te dalen of liever ons te laten zakken in een lagere zaal. Daar troont in eenzame majesteit, in eeuwig zwijgen, het beroemde beeld van Parasnath. Toen ik in zijn tegenwoordigheid werd toegelaten, kon ik niet nalaten een stap achteruit te doen. Het type is dat van de andere Dsjaïna-beelden, met de handen gekruist over de zilveren voeten, die ook gekruist zijn, het gelaat verlicht door groote, amandelvormige oogen, aangeduid door schitterende plekken, en den fijnen mond, die glimlacht, terwijl de lange oorlellen op de schouders afhangen. De vlam speelde op die zonderlinge figuur met felle licht- en schaduwplekken, en de indruk was niet aangenaam, zoo onaangenaam zelfs, dat ik geen aandacht had voor een der andere beelden, o.a. dat van Neminath aan mijn rechterhand, en dat ik gauw mijn plaats afstond aan mijn moeder en de anderen. Dit beeld wordt in hooge eere gehouden door de leden der secte en door de priesters. Wat de legende betreft van den fameusen waterdruppel, die uit zijn oor vloeit en een gat boort in den schouder, daar zal ik niet bij stil staan. Toch heeft hij aan het beeld den naam van Amyhara bezorgd, dat is druppel nectar.

Met veel genoegen stegen we weer omhoog naar het licht en na het verblijf in die vochtige holen was het zien van het zonlicht een vreugde. Op den Girnar behoeft er geen vrees te bestaan, dat het felle licht den indruk der heiligdommen zal bederven. Het speelt integendeel in het beeldhouwwerk der plafonds, glijdt langs de nissen en om de pilaren en doet nooit die vervallen oudheid zien, die in andere deelen van Indië de monumenten kenmerkt. Het is of de Girnar een eeuwige jeugd geniet.

Nu moesten wij nog een oog slaan op de pleinen, waar geen duimbreed gronds ongebruikt is gelaten. Men heeft er heiligdommen opgericht voor schutsgoden, bij voorbeeld Amba Mata, en kleine monumenten zijn gebouwd boven de voetstappen der hoogepriesters.

Ons links wendend, zonder den eigenlijken tempelkring of Deva Kota te verlaten, vonden we een groep van drie tempels, die van Rishabhdev, Merakvasi en Sangharam Soni. De eerste bevat het kolossale beeld van Rishabhdev, den eersten Dsjina of Tirtankara; het is bedekt met pleister en draagt op elken schouder een staanden persoon in een houding van nadenken. De beide andere munten uit door de schoonheid der zolderingen en de détails van het beeldhouwwerk; het is alles schitterend. Tot aan den tijd van ons bezoek was het onmogelijk gebleken, er een photografie van te nemen door het witte en diffuse licht, dat tot in de verste hoekjes dringt. Misschien is men er later beter in geslaagd. Het heiligdom ligt op het Westen, een omstandigheid, die verklaard wordt door de vroegere bestemming van deze monumenten, die paleizen waren. Woonden in dergelijke woningen de echtgenooten van de Chudasamaʼs? In den tempel van Sangharam Soni herkent men nog het best aan de proporties een koninklijke residentie. Die tempel is gewijd aan Parasnath, wiens modern standbeeld er te zien is.

Buiten de Deva Kota vinden we eerst den tempel van den Rajah Samprati, die zeker de mooiste is door de gratie zijner lijnen, zijn prachtige ligging op de helling van den berg, en zijn plafondschilderingen, waarin de kunstenaars der Dsjaïnaʼs zichzelven hebben overtroffen. Hij is ook de oudste van de groep van den Girnar; een opschrift in het inwendige geeft als tijd van de stichting het jaar 1158 aan.

Aan de noordzijde, een weinig afgezonderd van de groep, staat de Kumarpal, waarvan het lange portiek door 24 zuilen wordt gedragen. Het gebouw was in de vorige eeuw bijna verwoest; er was nog slechts een enkele zaal over. Toen de Dsjaïnaʼs tot de herstelling besloten, bespeurden ze, dat een sivaïetisch bankier er bezit van had genomen, om er een voor hem heilig beeld te plaatsen. In wanhoop dreigden ze, dat ze, als men hun het eigendom niet teruggaf, tot de plechtigheid van hetdharnate zullen overgaan, dat wil zeggen, bij de poort van den tempel te gaan zitten en te vasten tot de dood zou intreden, zoolang ze hun bezit niet terug hadden. De partijen kwamen tot een vergelijk, en volgens het opschrift had de restauratie in 1824 plaats; het heiligdom bevat drie beelden.

Eindelijk is er ten oosten van de Deva Kota, rechts van den weg die naar het heiligdom van Amba Mata leidt, de drievoudige tempel van Vestupal Tejpal. De dsjaïnische kunst ontplooit er al haar pracht in de versiering der zolderingen, der pilaren en der koepels; ongelukkig heeft het beeldhouwwerk veel geleden. Het monument is zeer oud en werd in 1229 opgericht door den minister van een koning van Goedsjerat en zijn broeder.

Het bezoek der tempels, hoe vlug het ook plaats had, was lang en vermoeiend geweest; ik heb er slechts een flauw denkbeeld van kunnen geven, en moet veel karakteristieke détails voorbijgaan; maardaar ik er geen fotoʼs van kon krijgen, zou de beschrijving geen doel treffen.

De heer K. Ch. Dhru noodigde ons op een déjeûner in de voor gasten bestemde zaal; maar in zijn hoedanigheid van Brahmaan mocht hij niet aan onzen maaltijd deelnemen. Aan tafel liep het gesprek over de dingen, waar wij van vervuld waren, vooral over den oorsprong en de ontwikkeling der dsjaïnische kunst.

Het was trouwens slechts de herhaling van de meeningen der groote autoriteiten en van de indrukken der reizigers, in het bijzonder van Tod, wiens levendige beschrijvingen mij lust hadden gegeven, naar Girnar te gaan en mij tot geestdrift hadden gestemd.

Minder begunstigd dan hij, werd het ons niet vergund, den nacht door te brengen op het mooie platform van de Deva Kota, en geen bliksemstraal, die de wolken scheurde, stond ons toe, met een enkelen blik de vlakten van Kathiawar en de verre oevers van Mangrol en Pattan te omvatten. Doch waarom getreurd, de helderheid der atmosfeer, het vriendelijke landschap, de zachtheid der temperatuur passen bij een streek, die de woonplaats der goden is geweest, en dat is de indruk, dien wij wenschen mee te nemen.

Toen het déjeûner was afgeloopen, hervatten we onzen tocht naar den top van den berg; we moesten nog 600 voet stijgen. Links van ons boven de tempels teekende zich op de lucht een groot blok graniet af, de Bairav Jap, Sprong van den Dood, van waar de ongelukkigen, die met de bevrijding van hun kwalen de belooning hoopten te vinden voor hun wanhoopsdaad, zich naar beneden stortten, een belooning, die hen van treurig misdeelden en nederige proletariërs zou maken tot heeren en vorsten in het paradijs van Indra.

Het slachtoffer, gedost in zijn mooiste kleederen, gaat naar den rand van den afgrond; met den voet rustend op een cocosnoot, balanceert hij een oogenblik en glijdt dan in het ledige, waar zijn lichaam op de punten der rotsen te pletter valt. Er werden ons veel voorbeelden genoemd van deze soort van godsdienstigen zelfmoord; maar de engelsche politie verzet zich krachtig tegen de ellendige praktijk. Meestentijds zijn de ongelukkigen van beperkt verstand, door geestdrijvers ingepakt en soms onder den invloed van alcoholische dranken.

Tweehonderd meter boven de Deva Kota moet men niet verzuimen, een blik te werpen op het heiligdom van Mahadav en zijn heilig waterbekken, waar de pelgrims hun wasschingen moeten verrichten.

Wij bestijgen de laatste treden, die naar den tempel van Amba Mata voeren, en terwijl onze beminnelijke gids zijn godsdienstplichten vervult, brengen wij een bezoek aan het inwendige. De priesters haastten zich een armen asceet te verjagen, wiens staat van naaktheid zijn verdwijning achter de rotsen rechtvaardigt.

De tempel, die tot vrij hooge oudheid opklimt, is van zwart graniet gebouwd; hij was vroeger door een portiek omgeven, maar de bogen zijn dichtgemetseld. In 1889, toen de bliksem het gebouw had beschadigd, werd het hersteld door de Hindoes van Junagadh. Het inwendige is zoo donker, dat men ternauwernood het beeld van Amba Mata kan herkennen, de godin der oude tijden, een der gedaanten van Uma of Parvati.

De zindelijkheid liet veel te wenschen over, en enkelereizigershebben de weinig vleiende opmerking gemaakt, dat de tempel niet geveegd schijnt te zijn, sinds de Boeddhisten of de Dsjaïnaʼs hem aan de Brahmanen hebben afgestaan. Wij offeren ons penningske, en we gaan het uitzicht bewonderen, want van den Amba Mata kan men het gansche bergstelsel van den Girnar overzien. In het Oosten, vrij dicht bij ons, de Goraknath, gekroond met een tempeltje, gewijd aan den leerling van den een of anderen heilige; wat verder de Dattar, die geen spoor van eenigen plantengroei vertoont op zijn flanken van graniet; op den top staat een gebouwtje, dat de voetstappen van Neminath bedekt, en waar, naar beweerd wordt, de dsjina het Nirvana bereikte; en eindelijk, lager, de Kalika met een tempel voor de godin Kalika. Lagere bergen staan als een gordel om de hooge, en in het Zuiden breidt zich het woudgebied van den Gir uit. Alle dalen van het bergland en der lagere ketenen zijn bosch- en wildrijk.

De Kalika staat in een niet te besten reuk, waardoor de geheele groep van bergen min of meer berucht is. Hij heeft tot in de jongste tijden tot woonplaats gediend aan de Aghoriʼs. Een Aghori is iets verschrikkelijks, oordeelt men in Indië, en niet ten onrechte, zooals wij zullen zien.

Als godsdienstige secte zijn de Aghoriʼs zeer oud en worden in de geschiedenis vermeld als menscheneters. De schrijver van “Dabistan”, een werk uit de 17de eeuw, verhaalt, dat hij een Aghori gezien heeft, die een lijkzang zong, zittend op een lijk, dat hij verslond, ofschoon het al tot ontbinding was overgegaan. Deze schepsels aanbidden de godin Aghori Mata, maar van eigenlijken godsdienst kan bij hen geen sprake zijn, evenmin als van eenig wijsgeerig systeem, al beweren zij, dat ze de logische consequenties aanvaarden van de pantheïstische philosofie der Vedanta. Vroeger deden ze aan menschenoffers, en de plechtigheden bij hun inwijding waren iets monsterachtigs, terwijl ze tot op onzen tijd nog zeer weerzinwekkend moeten wezen.

Het is bewezen, dat de leden der secte gedwongen worden, menschenvleesch te eten; om zich te verontschuldigen, beweren zij, dat hun hoofden hen uit de gemeenschap zouden stooten, als ze weigerden, zich aan die afschuwelijke gewoonte te onderwerpen, en dat ten overvloede de smaak van menschenvleesch hun de kennis verschaft van de onzienlijke dingen. Ze komen niet dikwijls te zamen; maar te Benares zijn er nog velen en daar zwerven ze om de kerkhoven rond, om den deelnemers aan begrafenissen geld af te persen.

Ziehier het portret van den Aghori, geteekend door de hand van een kenner. “Zwart, vuil, harig, de oogen met bloed beloopen, de neusgaten wijd uitstaande, lange nagels, een met zweren bedekt lichaam, het haar vol ongedierte, in volkomen naaktheid, zoo is de Aghori. Hij ziet uit de oogen als een krankzinnige, lacht ook als zulk een ongelukkige, laat de tong uit den mond hangen en heeft vuiletanden. Nooit wascht of reinigt hij zich; hij voedt zich met krengen en lescht zijn dorst met rottend water, in de eene hand houdt hij een schedel vast en in de andere een of ander martelwerktuig. Aldus heeft Malabari hem beschreven.

De Aghoriʼs hebben altijd schrik verspreid, waar ze zich vertoonden, en op het platte land vreesden hen de moeders, omdat men kinderroof van hen kende. Hun voornaamste verblijf was de berg Kalika. Thans zijn ze bijna verdwenen; maar de berg is nog berucht door hun vroegere aanwezigheid.


Back to IndexNext