XVI.

Steendr.v.P.W.M.Trap.

Steendr.v.P.W.M.Trap.

Het geheele gezin begeleidde den graaf tot aan het schip, waarmede deze den overtogt zou doen. Hier omarmde de heer van Koslou zijnen vriend nog eens innig, zijne vrouw nam met tranen in de oogen afscheidvan hem, en de kinderen kusten hem snikkend de hand. Nog eenigen tijd, nadat het schip was begonnen te zeilen, wenkte Koslou met zijnen hoed, terwijl zijne echtgenoote met haren zakdoek wuifde, en de kinderen hunne hoeden omhoog wierpen of witte doeken zwaaiden.

Wij zullen den graaf niet gedurende zijne terugreis naar het vaderland vergezellen. Het zij genoeg, dat wij onzen lezers zijne behouden terugkomst aldaar mededeelen. Hij vernam, dat men hem overal voor dood hield; weshalve hij het als zeer noodzakelijk beschouwde, dat de tijding van zijn leven en zijne aankomst aan zijne familie met groote voorzigtigheid werd bekend gemaakt.

Hij wendde zich te dien einde aan den heer Horst, eenen vriend uit zijnen jeugd, die, niet ver van den rijweg, een paar mijlen van Sterreveld, woonde. Het verschafte den heer Horst eene onbeschrijfelijke vreugde, dat hij den doodgewaanden vriend gezond en levend mogt begroeten. Hij gaf August groot gelijk, toen deze hem had medegedeeld, dat hij, voorzigtigheidshalve, zich tot eenen derde had gewend, om de verblijdende tijding aan zijne moeder en zijne zusters bekend te maken. Volgaarne nam hij dezen last op zich.

Beiden kwamen nu overeen, dat mevrouw Horst en hare zuster nog dien eigen dag naar Sterreveld zouden rijden, om de gravin en hare dochters, bij welke zijdikwijls een bezoek gingen afleggen, op het terugkomen van den doodgewaanden zoon en broeder voor te bereiden. Tegen den avond vertrokken August en de heer Horst ook derwaarts. De tijding, dat graaf August van Sterreveld nog in leven was en denzelfden avond verwacht werd, had zich, om zoo te spreken, als een loopend vuurtje door het graafschap verspreid. Toen August met zijnen vriend het slot naderde, zag hij, dat men reeds eene eerepoort van frisch groen voor hem had opgerigt, die met allerlei bloemen was versierd. Eene menigte van landlieden begroetten hem met luide jubeltoonen. Onder aan de poort van het slot stond de gravin met hare dochters. Bijna de geheele adel uit den omtrek had zich bij haar gevoegd. In sprakelooze verrukking klemde de gravin den voor haar als uit het graf verrezenen zoon aan het hart. Zich van haar losmakend, zonk August in de armen zijner zuster. Geen enkel oog bleef bij deze gelegenheid droog!

Ook George werd door het landvolk met groote vreugde en luid gejuich verwelkomd. "Ei, zie eens aan!" riepen eenige jonge boeren, die met hem waren opgegroeid, "daar is hij ook weer!" "Nu, wij danken God, dat gij gezond en wel weer hier zijt!"

Het volk omringde hem aan alle kanten en ieder beijverde zich om hem de hand te drukken. "Sakkerloot!" riep George ten laatste uit: "drukt mij nu maar niet dood!" Vriendelijk en trouwhartig ging hij den geheelen kring rond, en schudde ieder hartelijk de hand. "Maar," vroegen allen hem thans, "hoe zijt gij toch zoo gelukkig aan het doodvriezen en het verhongeren ontkomen?""Ei," antwoordde hij, "door de goedheid en hulp van eenen rijken Russischen edelman.Maar," zoo vervolgde hij, "wat zult gij nu wel zeggen, als ik u verhaal, dat deze deftige Russische heer in vroegeren tijd geiten heeft gehoed, en dat wel in deze streken?" "Wat?" riepen allen verbaasd uit, "is het mogelijk!" "Ja, ja," luidde het antwoord van George, "en de meesten van u hebben hem zeer goed gekend! Dirk Snel, de arme herdersknaap, is tegenwoordig een groot heer, een Russisch edelman! Gij ziet, dat een mensch het ver kan brengen, die een braaf hart, een goed verstand en daarbij lust en liefde voor den arbeid heeft. Laat het voorbeeld van Dirk Snel ons allen tot navolging aansporen!"

Toen George deze woorden gesproken had, ontstond en eene groote opschudding onder het volk; want zijne ouders drongen thans door de landlieden heen, om hunnen zoon te bereiken. Zoodra George bij den heer Horst was aangekomen, had hij eenen bode naar zijne ouders gezonden, die hun zijne terugkomst zou bekend maken. Vader en moeder sloten hem beurtelings in de armen, en bragten hem, terwijl hij in hun midden ging, juichende naar hunne woning.

Middelerwijl hadden de gravin, hare zoon, de freules, de tegenwoordig zijnde adel, de ambtenaren en geestelijken zich naar de groote zaal begeven, waar August zijne ontmoetingen uitvoerig moest verhalen. Met groote levendigheid en innige aandoening schilderde hij de dankbaarheid en het edelmoedige gedrag van den heer van Koslou, den voormaligen herdersknaap.

"Waarlijk," merkte de heer Horst aan, "dat is een zeer buitengewoon voorbeeld van dankbaarheid! Echter vrees ik, dat dit geval tot de uitzonderingen behoort. Zulke dankbare armen zal men maar weinig in de wereld aantreffen!"

"Het is mogelijk, dat gij gelijk hebt," antwoordde de gravin. "Zulks moet ons echter nooit beletten, weldadig te zijn. Ook dan, wanneer wij geene dankbaarheid ondervinden, is en blijft weldadigheid een godgevallig werk!"

Mevrouw Horst zeide: "even buitengewoon als, in dit geval, de dankbaarheid van den beweldadigde was, even zoo zeldzaam, edel, verstandig en teergevoelig was de wijze, waarop de familie van Sterreveld hare weldaden bewees. Daarom bragt deze, naar mijn inzien, zulke heerlijke vruchten voort."

Doch de gravin hernam: "wat wij deden, was weinig! In het vervolg willen wij echter zoo weldadig jegens de armen zijn, als onze krachten maar toelaten. Wie rijkelijk zaait, zal altijd, hetzij hier, hetzij aan gindsche zijde van het graf, ook rijkelijk oogsten!"

Toen het talrijke gezelschap langzamerhand vertrokken was, sprak August: "laat ons nu nog eenige oogenblikken naar den tuin gaan, en in uw lievelingsboschje vertoeven! Gij, lieve moeder, waart vroeger althans gewend, nadat gij gezelschap hadt gehad, nog eenen tijd lang in den kleinen kring uwer kinderen het zoet genot der stille, huiselijke vreugde te smaken. Dezen avond kunnen wij zoo regt vrolijk en hartelijk bij elkander zitten! Op die afgrijselijke sneeuwvelden reikhalsde ik vaak naar u en mijne dierbare zusters; en dan verrees vaak het beeld van ons bekoorlijk boschje voor mijnen geest."

Steendr.v.P.W.M.Trap.

Steendr.v.P.W.M.Trap.

Zij gingen in den tuin, en doorwandelden onder gesprekken, die van innige liefde getuigden, de lanen van het naburige boschje. Reeds ging de zon onder, en hare stralen kleurden bloesems en bladeren rood. Alles was kalm en stil. Zacht woei het windje; liefelijkgeurden de bloemen;—daar begon denachtegaalte slaan!

De gravin vouwde de handen en sprak: "o mijn zoon! wat is er niet gebeurd sedert het uur, waarop wij hier den nachtegaal voor den eersten keer hoorden slaan! En dit uur ziet ons thans allen weer op diezelfde plaats vereenigd, en wederom laat de nachtegaal zich hooren! Hoe hadde ik toenmaals bij mogelijkheid kunnen vermoeden, dat God, de Almagtige, in zekeren zin door het gezang van den nachtegaal uwe redding van eenen ijselijken dood in latere tijden zou bewerken. Zoo bestuurt en beschikt de wakende hand der Voorzienigheid al onze aangelegenheden! Aanbidding, lof, prijs en dank zij den liefdevollen Hemelvader toegebragt, die alle vogels onder den uitgestrekten hemel onderhoudt, maar zijne kinderen, de menschen, nog oneindig meer bemint, en alles, wat gebeurt, vol wijsheid en liefde voor hen ten beste schikt. Het gezang van elken vogel, ieder zingende nachtegaal roepe ons derhalve dit toe: lof en prijs en eer zij den Allerhoogste door zijne dankbare kinderen toegebragt!"

Geen der vier tijdperken, waarin het jaar verdeeld wordt, is zoo schoon, zoo verrukkelijk, als de lente. Wie zou den heeten, brandenden zomer boven haar verkiezen? Wie den winter, welke ten hoogste sledevreugd en ijsvermaak aanbiedt, doch overigens meestal somber, koud of stormachtig is? Ja, zelfs de herfst, die toch ooft, allerlei vruchten en etenswaren brengt, kan met dit aanvallige, bloeiende kind van het jeugdige jaar niet vergeleken worden. Hebt gij immers niet, mijne lieven! den geheelen winter door naar hare verblijdende komst gereikhalsd? Was het niet een geluid, dat u als zoete melodij in het oor klonk, toen de wind, die den dooi voorafging, begon te bulderen? Was het niet een gewenscht schouwspel, toen de sneeuw, die u reeds lang verveeld had, het eerst op de landen begon weg te smelten? Toen immers huppeldet gij elken morgen, zoodra gij het bed had verlaten, naar het venster, om te zien, of het daar buiten er nu minder winterachtig zou uitzien; en als gij u overtuigd hadt, dat zulks werkelijk het geval was, alsdan, niet waar? riept gij elkander hartelijk verblijd en verheugdet u gemeenschappelijk.Juichende ontvingt gij den ooievaar, die u uit verre landen tijding van de lente kwam brengen. Gij sprongt op van vreugde bij de eerste toonen, die de leeuwerik in de heldere lucht deed hooren. Elk groen halmpje, dat gij ontdektet, ieder blaadje, dat sedert den vorigen dag was uitgekomen, bragt u nieuw genoegen. En toen nu de krokussen, toen nu eindelijk de viooltjes voor den dag kwamen, toen kende uwe vreugde paal noch perk, en herhaaldelijk gingt gij elken dag met nieuwe blijdschap naar die eerste kindertjes van het voorjaar kijken, hoewel hunne kleur nog niet die schoonheid bezat, welke hun later zoo doet uitmunten, hoewel hun geur weinig en bijna onmerkbaar was. Spoedig kwamen tallooze andere te voorschijn; zweefde de vlinder door de lucht, veel naar eene gevleugelde bloem gelijkende; vernam men den schellen slag der vinken; ontsproten dagelijks nieuwe halmen, ontloken bloemen, werd het gras in de tuinen en op de weiden meer en meer welig;—en nu werd de hoop op de spoedige komst der lente immer levendiger, van dag tot dag meer gegrond.

DochMAARTbragt meestendeels donkere, regenachtige dagen; sneeuwbuien, min of meer sterk, bedekten herhaalde keeren den grond, hoewel dan ook voor korten tijd, en eerst later begon de zon zacht en groeizaam te schijnen, waardoor de sneeuw overal verdween, en de aarde aan haar zomergewaad begon te denken, waarmede zij zich op enkele plaatsen reeds getooid had.

Ook de maandAPRILhad hare oude gewoonte niet afgelegd; zij zond bij afwisseling sneeuwvlokken, hagelsteenen, regen en zonneschijn; en dikwijls overviel u spoedig eene sneeuwbui, terwijl gij bij zonneschijn en eenen helderen hemel waart uitgegaan. Middelerwijlzijn de zwaluw en ook de nachtegaal aangekomen, en hebt gij op dat gezigt verblijd uitgeroepen: "nu, nu is de lente zoo goed als begonnen! want deze beide vogeltjes zijn de laatste voorboden van de zachtaardige en lieflijke vorstin, die haren troon, in tegenoverstelling van den grijzen winterkoning, wijd en zijd, vrolijk en lustig opslaat. De lucht is ook alreeds oneindig zachter geworden, de zware, sombere regenwolken trekken weg, de zon breekt door en schijnt bij het ondergaan ons eenen nog veel schooneren dag voor morgen te beloven!"

Zoo riept gij vrolijk uit; en gij zijt in uwe verwachting niet teleurgesteld geworden. Met haar is de lente in al hare praal en heerlijkheid verrezen. Nu trekt de geheele aarde haar lentekleed aan; duizendtallen van zangers begroeten de aangekomene met vrolijke liederen; de vloed roept haar ruischend het welkom toe; en hoog in de lucht ziet de arend met zijne scherpe blikken naar de aarde neder, hoe daar millioenen knoppen en bladeren heinde en ver ontluiken, als ware het, om hunne geuren als een offer van innig gevoelde dankbaarheid op het altaar der Lente uit te storten. Laat ons ook haar alzoo begroeten met een van vreugde kloppend hart, en dat zij ons hartelijk welkom moge wezen op onze aarde, die zij zoo overheerlijk met frisch groen, bloemen en bloesems van ontelbare soorten versiert; en wanneer zij ons wederom verlaat, laat ons dan zorg dragen, dat wij eenen vollen, geurigen ruiker, dien wij tijdens haar verblijf plukten, tot een aandenken aan de welkome bezoekster in de hand houden, welke ook dan nog bloeit en geur verspreidt, wanneer alle aardsche lenten ons reeds voorbijgevlogen zijn!

Het zal, geloof ik, niet onaardig zijn, indien wij de lente in hare drie onderscheidene tijdperken beschouwen; namelijk in harewordingofkomst, in harenbloei, en in haarverwelkenof haarvertrek.

In elk van deze drie tijdperken heeft zij hare eigenaardigheden, en spreekt op eene andere wijze tot onzen geest, ons gemoed en onze zinnen.

Dewordingofkomstder lente is geheimzinnig. Wel kennen wij de hand, die haar in het aanzijn roept, maar wij zien die niet. Het is dezelfde hand, die eens hemel en aarde met alles wat daarin is en zich daarop bevindt, vormde; te weten, de hand van den almagtigen, alwijzen en algoeden God. Jaar aan jaar herhaalt de groote God de schepping in het klein, wanneer Hij der aarde op eene voor ons onbegrijpelijke wijze een nieuw leven schenkt, wanneer Hij uit den oogenschijnlijk dooden schoot der aarde de lente, vol levenskracht en in alles een nieuw leven stortende te voorschijn roept. Maar hoe het komt, dat alles aldus wordt, zoo als wij het later aantreffen, en welke de oorzaken zijn, waardoor deze schepping, zoo rijk aan schakeeringen, op dezelfde wijze voortgaat,—dat kan het verstand van eenen mensch, ware hij ook dewijstevan de geheele wereld, niet doorgronden, ja, niet eens eenigzins verklaren.

Want Gods plannen onderkent de mensch enkel uit Zijne werken, maar de gronden en beginselen kan hij niet doorzien. Daarom staat hij verstomd over de magt, bewondert de onbegrijpelijke wijsheid, bidt de in alles doorstralende liefde aan. Verder evenwel kan hij niet gaan. Of kan iemand van mijne jeugdige lezers en lezeressenmij zeggen, hoe het komt, dat uit dien kleinen, onoogelijken bol, welken ik in den grond heb gezet, nu eene zoo fraai gekleurde bloem opgroeit, gelijk de tulp is, of welke andere gij ook wilt? Wiens hand heeft de prachtige kleuren zoo kunstig daarop gelegd, de eene vlak bij de andere plaatsende, zonder dat zij toch ergens in elkander vloeijen, maar iedere op zich zelve staat, en het geheel u daardoor evenzeer bekoort als verrukt? Wiens hand deed dit?

Dehand des Scheppers, de hand van Dengene, die in het verborgen Zijne grootsche plannen ten uitvoer brengt en alles ten fraaiste rangschikt en daarstelt! Dezelfde hand heeft mede in den grond, die gedurende den winter bevrozen en verstijfd lag, even als een lijk, nieuwe levenskracht gegoten, het vermogen tot het op nieuw vormen en doen groeijen in denzelven gelegd, zoodat de oppervlakte zich nu overal met frisch groen, met jong gras en nieuwe bloemen versiert, zoodat het kale dorre woud nu wederom eene rijke menigte van frissche, groene bladeren heeft gekregen. En gelijk alles wat geheimzinnig is, den mensch altijd aantrekt en zijne opmerkzaamheid boeit, zoo doet de ondoorgrondelijke wording der lente dit ook in groote mate. Wij zouden zoo gaarne dien donkeren sluijer optillen en zien, wat er onder ligt; wij spannen daartoe al onze krachten in,—en vinden juist in dat streven een duurzaam genot, hetwelk onbekend blijft aan dengene, wiens zin en geest geene opmerkzaamheid, geene onophoudelijke belangstelling aan de verschijnselen der natuur schenken.

In meer dan een opzigt is de wording der lenteleerrijkvoor ons.—Wij merken bij haar eenen trapswijzen voortgang op. Eerst smelt de sneeuw inde dalen en de laag gelegen gronden, later op hoogere plaatsen en bergen. Alsdan ontwaart men overal bijkans niets anders dan een treurig geel op weiden en akkers. Doch zoodra de vorst en koude eenige dagen zijn geweken, wanneer de zon ons vriendelijk toelacht, hare stralen meerdere kracht bekomen en een zachte regen gevallen is,—dan schieten overal groene halmen op, dan ontwaken boomen en struiken en heggen, dan ontvouwt de sneeuwbloem haar wit kroontje van bloesem, dat dikwijls zelfs te midden der sneeuw ontloken is, wanneer deze in eenig jaar langer dan gewoonlijk is blijven liggen. Gaat men eenige dagen daarna op nieuw uit, dan wordt men overal grooten vooruitgang gewaar. Op zonnige plekken is de grond dan alreeds met jong groen bedekt, hetwelk met magt opschiet, als wilde het van de kleine hoogte, waarop het staat, naar de anderen uitzien, opdat het zich minder eenzaam zoude voelen. De knoppen ontwikkelen zich van dag tot dag, de bosschen nemen eene eigenaardige, bruine kleur aan, en schijnen gedurig digter en digter te worden. Aan de heggen bespeurt het oog reeds menig blaadje, dat moedig uit het omkleedsel naar buiten kijkt, en zich thans aan de frissche lucht en het lieve zonlicht eens regt verkwikt. Uit verre streken komen gedurig meerdere boden aan, die vrolijk de spoedige komst der lente boodschappen. De vink, wiens keel gedurende den langen winter scheen toegevroren te zijn, laat zich wederom hooren en slaat zoo krachtig, dat het ver door het bosch heenklinkt. Ziet, na den regen, die in den afgeloopen nacht is gevallen, heeft gindsche struik, welke op den vorigen dag nog geheel kaal was, zich nu met eene menigte groene blaadjes versierd, en schijnt zich nu eens regtte verheugen, dat zij eindelijk weêr een nieuw en zoo schoon kleed heeft bekomen, naar hetwelk zij, zoolang de barre winter duurde, zoo vurig wenschte.

En nu, daar het Paaschfeest, hetwelk ons menschen de opstanding, het overgaan tot een nieuw leven herinnert, dat ons daarvan een heilig voorbeeld vermeldt, nu dat, zeggen wij, gekomen is, wil de natuur ook het feest van hare herleving vieren, en alles zal tot een nieuw leven terugkeeren, hetgeen de ijzeren hand van den winter in eenen toestand verplaatste, die veel overeenkomst heeft met den dood. Thans zal alles zich verjeugdigd voordoen, en, in het groene gewaad van de hoop gekleed, een vrolijk beeld van het leven worden. Maar nu wil geen enkel plekje in den tuin langer die gele kleur behouden; het wordt iederen dag meer en meer groen geverwd, en de knoppen aan de boomen springen open, en willen zich als bloesem aan ons oog vertoonen.

Hieruit zien wij dan nu, dat de natuur trapsgewijze haar lenteachtig voorkomen aanneemt.

Maar hoe of waarom kan die trapsgewijze wording van de lente leerrijk voor ons menschen zijn?

Ik zal trachten u dit duidelijk te maken.

Daar zijn menschen, en hun getal is alles behalve gering, die alles,—slechts geen geduld, geene bestendigheid hebben. Dit gebrek treft men voornamelijk bij kinderen aan. Zoo, bij voorbeeld, wordt de kleine Karel naar de school gezonden, om spellen, lezen en schrijven te leeren. Hij zelf gevoelt grooten lust om dit te leeren, wil zulks regt gaarne kennen; maar—het moest niet weken en maanden duren, neen! hij moest het binnen een paar dagen kunnen leeren. Daar dit evenwel niet geschieden kan, zoo wordt hij moedeloos,verliest al zijn geduld, en zelfs, hetgeen nog het ergste is, zijnen lust en ijver. Waarop zal dat nu uitloopen? O, mijn lieve Karel, gij handelt regt dwaas! en dat dit wezenlijk waar is, dat kan de natuur u zeggen. Is de lente, die thans rondom u staat te pronken, is deze eensklaps zoo geworden, of van lieverlede? Zie, eerst vertoonde zich een halmpje, den volgenden dag een tweede en derde, alstoen kwamen er dagelijks meerdere te voorschijn, totdat alles daarvan zoo rijkelijk voorzien is, gelijk het zich heden, in de maand Mei, aan u voordoet. Nu, hoe zoude het zijn, indien gij de handelwijze der natuur tot voorbeeld naamt, en heden eene, morgen nog eene, of wel twee, dan drie, vier, vervolgens nog meer letters leerdet, totdat het geheele alphabet u goed bekend was. Dan kondt gij overgaan tot het spellen, en, na weinige weken, reeds tot het lezen, wanneer gij ten minste ijverig en vlijtig waart en het noodige geduld wist te gebruiken. Dat zou ook eene soort van lente voor u zijn, want uit de letters kan men zich eene zeer groote wereld bouwen, op welke eene lente bloeit, die nog schooner en vooral veel bestendiger is dan de aardsche.

En gelijk Karel hier een voorbeeld tot navolging vindt, zoo vinden ook anderen, zij mogen dan Karel, Frits of Hendrik heeten, voor gevallen van eenen anderen aard voorbeelden, welke even toepasselijk zijn, niet alleen nuttig voor hunnen jeugdigen leeftijd, maar voor hun geheele leven tot aan het graf.

Daarom dus, mijne lieven! wanneer gij u tot eene betrekking in de maatschappij bekwaam maakt, hetzij tot een ambt, hetzij tot eenige kunst, of wat gij ook moogt gekozen hebben, en het naar uwe meening niet spoedig genoeg vooruitgaat, waardoor gij op het puntstaat, uw geduld en daarmede allen lust en ijver te verliezen;—denkt dan maar altijd aan de lente, hoe zij allengs komt en langzaam vooruitgaat, aan het prachtige tooneel dat zij vertoont, nadat zij zich alzoo gedurende eenigen tijd langzaam heeft ontwikkeld; want dan zult gij nieuwen moed scheppen, en datgene door uwen vasten wil en onafgebroken inspanning van krachten verkrijgen en tot stand brengen, wat u vroeger bijna onmogelijk toescheen. Gelooft mij, dit is reeds dikwerf gelukt; en wat den eenen gelukt is, dat kan eenen anderen ook niet mislukken, indien hij het maar verstandig en geduldig aanlegt. Het groote wordt niet opeens daargesteld: het ontwikkelt zich trapswijze uit het kleine, zoo als de forsche, statige eik met zijne vorstelijke kroon van dik loof eerst na verloop van eene eeuw uit den kleinen, oogenschijnlijk nietsbeteekenenden eikel ontstaat.

Het schoone heeft geenen korteren tijd noodig om zich te volmaken. Hoevele maanden toch verloopen er, voordat de roos, de schoonste onder de bloemen, zich gevormd heeft! Eerst omkleedt de doornachtige struik zich met frissche blaadjes, dan botten de knoppen uit, en ten laatste, na eene aanzienlijke tijdruimte, ontvouwt de roos zich in hare betooverende schoonheid, algemeene bewondering wekkende.

Ditzelfde geldt wederom van het goede, het nuttige.

Ook dit behoeft, gelijk het ooft, eenen niet geringen tijd om goed rijp te worden.

En op die wijze treffen wij eene zoodanige trapsgewijze wording, hoedanige in de natuur wordt waargenomen, overal in het leven aan, in de jeugd en in den ouderdom; en het zou daarom eene groote dwaasheid zijn, indien wij van het zaadje, dat zich naauwelijksbegint te ontwikkelen, dadelijk reeds bloesem gingen begeeren.

Echter moeten wij niet uit het oog verliezen, dat eene trouwe, zorgvuldige verpleging de ontwikkeling aanmerkelijk bevordert. Deze moeten wij derhalve ook aan het groote, het goede, het schoone nooit onthouden, en vooral niet aan die krachten en den zoodanigen aanleg, welke op deze aarde nimmer tot geheele volmaking kunnen gebragt worden, maar die wij eerst aan gindsche zijde van het graf, bij de zachte koestering eener nieuwe, eeuwigdurende lente, bereiken.

Zoo wij dat doen, dan zal de zegen van den grooten Vader, zonder welken niets kan gedijen, zekerlijk niet uitblijven, en zullen de heerlijkste vruchten ons de moeite en zorg, welke wij aan die verpleging hebben te koste gelegd, ruimschoots beloonen.

De wording of komst der lente vervult eindelijk ons hart ook methoopenvreugde.

Mijne lieven, toen gij de eerste bloemen van het jaar zaagt of pluktet, verrees toen niet voor uwe verbeelding de geheele menigte van al die bontgekleurde bloemen, die na deze zouden ontluiken, in al hare praal en heerlijkheid? Klopte het hart u niet van blijdschap, wanneer gij dacht: het sneeuwbloempje is er nu al; binnen korten tijd komt dus het viooltje, en dan zal ik weldra al die lieve aanvallige, heerlijke bloemen zien, aan welker hoofd de roos als koningin is geplaatst? Ja, zonder eenigen twijfel verheugde dat denkbeeld u uitermate en vervulde u met blijde verwachting. Met dezelfde onbeschrijfelijke vreugde luisterdet gijmede naar het eerste lied dat de leeuwerik deed hooren, omdat gij in uwe verbeelding reeds al die schoone, heldere en vrolijke lentedagen voor u zaagt, die de nachtegaal en de overige kleine, vlugge zangers nog aangenamer zouden maken. Daar dan nu de aankomst van de aardsche lente uw jong hart reeds met zoo grooten lust en eene zoo zoete hoop vervulde, hoe veel te meer moet de komst, of liever het aanwezig zijn van de reine, hemelsche lente zulks te weeg brengen! En zoo is het dan toch ook wezenlijk! Hoe grooteren aanleg tot weligen bloei gij in uwen geest en in uw hart bespeurt, hoe meer gij de kiem zich ziet ontwikkelen, hoe meer de tijd nadert, waarop zij zich als bloesem zal vertoonen, zooveel te grooter wordt uwe vreugde, zooveel te vrolijker wordt uwe hoop. Een enkel voorbeeld zal u dit nog duidelijker maken.

Met geene andere bedoeling zoekt gij onderwijs te ontvangen, dan om u doelmatig tot dezen of dien stand te vormen, voor te bereiden en bekwaam te maken, om hier bruikbare leden in de maatschappij, en eens, na dit leven, zalige hemelbewoners te worden. Hoe meer gij bemerkt, dat uwe kennis zich uitbreidt, uw inzigt opklaart, uwe ondervinding rijker wordt, in die zelfde mate neemt in uw binnenste ook het zoete gevoel der hoop toe, en in uwe verbeelding bevindt gij u reeds in allerlei levensomstandigheden, waarin latere tijden u zullen verplaatsen, en arbeidt daarin tot uw eigen nut en dat van uwe medemenschen. Deze hoop baart groote vreugde, en de kracht neemt gedurig toe, naarmate men het voorgestelde doel meer nadert; en zoo zij soms ook verslappe, toch zal het denkbeeld daaraan haar dadelijk weder opwakkeren, zoodat men ten laatste altijd zijn doel gelukkig bereikt.

Welnu! diezelfde hoop, gelijke vreugde wekt de wording der hemelsche lente in de menschelijke borst. Reeds in het hart der kinderen ontwikkelt hare kiem zich, en hoe meer voedsel men haar geeft, hoe zorgvuldiger men haar verpleegt, zooveel te ruimer breiden die vreugde en hoop zich uit, zooveel te vroeger ontluiken sommige bloemen en komt de bloesem te voorschijn, totdat zij zich alle tot eene algeheele lente hebben ontwikkeld; welke echter niet hier op aarde, maar eerst later, wanneer wij tot een beter leven ontslapen zijn, voor ons aanbreekt en ons de hoogste zaligheid doet smaken.

Nadat wij dan nu de lente in harewordingbeschouwd hebben, willen wij haar thans in harenbloeinagaan, haar in hare meeste schoonheid eenige oogenblikken onze opmerkzaamheid schenken.

De bloeitijd van de lente valt in de maand Mei. Deze maand is de schoonste van alle, en verdient den naam vanBloeimaandten volle. Wendt uw oog werwaarts gij wilt, heeft de vreugde niet overal haren troon opgeslagen? Zij bezielt oud en jong. Zelfs de dieren verblijden zich over het vrolijke leven, dat in dezen tijd over het geheele aardrijk is uitgestort. Wijd en zijd is alles schoon, alles vrolijk, alles ijverig werkzaam.

Iedere weide prijkt met het weligste groen, hier en daar met kleine, wel niet bijzonder in het oog vallende, maar desniettegenstaande allerliefste bloempjes doorzaaid. Lustig schiet het zaad over de velden op; in de hooge halmen hoort men de sprinkhanen gonzen, terwijl de leeuwerik zingende hoog in de lucht opstijgt. Millioenenbloemen prijken in tuinen, op weiden, op bergen en in dalen, zoo ver het oog reikt. Zelfs de doornstruik heeft loof en bloesem gekregen, en komt onder de gasten, welke de aarde op haar bruiloftsfeest heeft genoodigd, regt voordeelig uit.

In de bosschen hoort gij het gebladerte weer ritselen; wanneer al dat nieuwe loof door een windje bewogen wordt, dan komt het ons, wanneer wij op eene hoogte staan en het oog daarover laten dwalen, bijkans voor, alsof wij eene hooge, breede, groene zee aanschouwden, welker golven ligt bewogen worden. Het nieuwe groen wasemt eenen geur uit, die ons regt verkwikt en opwekt, zoodat mensch en dier zich daaraan laaft en sterkt.

Het lustige zangkoor, dat gedeeltelijk den winter in andere landen doorbragt, gedeeltelijk gedurende dien tijd bleef zwijgen, laat thans van den vroegen morgen tot laat in den nacht onafgebroken zijne liederen hooren, en de geheele schepping schijnt zich vrolijk op de maat dier zangen te bewegen. En de denkende en diep gevoelende mensch wandelt door het aardsche paradijs met een van innig genot stralend oog, met dankbaarheid en vreugde in de borst, met een loflied op de tong. Nu, wie zou ook niet gaarne dáár zijnen dank, zijne aanbiddende bewondering willen uiten, waar hem uit elke struik een loflied toeklinkt?

Wien bezingt de leeuwerik?

Heft hij zijn gezang niet aan ter eere van den Schepper, die hem de groene, veilige woonplaats aanwees, ruimschoots voedsel verschafte, en daarbij nog het zachte weder en den helderen hemel schonk? Ja, Hem gonst de bij dank en lof toe, Hem roemt het kleinste insekt, dat overigens niets kan doen dan alleen de kleinevleugeltjes zachtjes in de lucht laten trillen! Naar Hem keert de bloem haar aanvallig gelaat; Hij immers, Hij alleen gaf haar het lieve licht der zon, waarin zij zoo vrolijk en prachtig schittert. Hij zendt haar ook den dauw en den regen op den regten tijd, waardoor zij zich zoo voordeelig kan ontwikkelen en elk oog betooveren!

Maar hoe, mijne lieven, hoe zullen wij nu den liefderijken hemelschen Vader op de beste en waardigste wijze onze vurige dankbaarheid kenbaar maken daarvoor, dat Hij de aarde zoo onuitsprekelijk bekoorlijk heeft gemaakt, dat Hij zoo onnoemelijke vreugde en schoonheid over haar heeft uitgestort?—O, daarop is het antwoord gemakkelijk te vinden!

Door ons regt van harte over Zijne groote gaven te verblijden, door met innige liefde en warme dankbaarheid aan Zijne onuitsprekelijke goedheid te denken en Hem daarvoor ons geheele hart als een wederkeerig geschenk aan te bieden!

Vrolijkenvroomte wezen is eene kostelijke zaak; en beide dingen verdragen zich niet alleen regt goed met elkander, maar zij behooren zelfs te zamen. Maar onze vrolijkheid moet uit den Heer, den Gever van dat alles, voortkomen, niet uit het ijdele genoegen, dat wij daardoor smaken. Het zien van al dat schoone en verblijdende moet ons Hem voor den geest brengen, die tot onze vreugde al die heerlijkheid rondom ons deed ontstaan. Alle morgens en alle avonden klinke dit loflied Hem uit onzen mond toe:

Is niet de meester prijzenswaard,Die alles heeft gebouwd,En ook deez overschoone aardZoo liefdrijk onderhoudt?Die alle menschen wijd en zijdZoo vaderlijk bewaakt,En door het wisslen van den tijd't Hun zoo genoeglijk maakt!De winterkou had alles weerVerstijfd, in boei geklemd,Het water was ook dezen keerIn zijnen loop gestremd.En slanueens uw oog in 't rond;Ge ontdekt dan bloem bij bloem!Zie, hoe de nieuw ontwaakte grondVermeldt des Scheppers roem!De lente, ons zoo lief en waard,De lente, zij genaakt!Zij wekt de sluimerende aard,Die op haar' roep ontwaakt.Zij, aan wie alles vrolijk denkt,Zij nadert thans met spoed.Ja, zij, die ons dat alles schenkt,Wordt dankbaar dra begroet!De beste, schoonste tijd van 't jaarKomt nu met rassche schreên.De lucht is zacht, de zon schijnt klaar,'t Is lieflijk om ons heen.De dauw versterkt de plant, nog zwak,Nog krachteloos, nog teêr;De vogel zingt in 't looverdak;Het vischje springt in 't meer.Vóór korten tijd was alles koud,Was alles dor en kaal;Het frissche groen siert thans het woud,De weiden kleurenpraal!De bijen gonzen ook al rond;De leeuwrik keert terug;De zwaluw vliegt, dàn bij den grond,Dàn hoog, dàn traag, dàn vlug.De nachtegaal lispt zijnen klankBetoovrend ons in 't oor;Hij zingt den Heer der Heeren dank,En gaat ons daarin voor.Wij volgen; zien naar bloem en kruid,Zien dan naar boven weêr;En roepen nu aanbiddend uit:Heb dank, o Hemelheer!En zeggen voorts uit 's harten grond:O God, wat zijt Gij goed!Slaat allen met mij 't oog in 't rond,Ziet, wat de Vader doet!Wèl is de meester prijzenswaard,Die alles heeft gebouwd,En deze overschoone aardZoo liefdrijk onderhoudt!

Is niet de meester prijzenswaard,Die alles heeft gebouwd,En ook deez overschoone aardZoo liefdrijk onderhoudt?

Die alle menschen wijd en zijdZoo vaderlijk bewaakt,En door het wisslen van den tijd't Hun zoo genoeglijk maakt!

De winterkou had alles weerVerstijfd, in boei geklemd,Het water was ook dezen keerIn zijnen loop gestremd.

En slanueens uw oog in 't rond;Ge ontdekt dan bloem bij bloem!Zie, hoe de nieuw ontwaakte grondVermeldt des Scheppers roem!

De lente, ons zoo lief en waard,De lente, zij genaakt!Zij wekt de sluimerende aard,Die op haar' roep ontwaakt.

Zij, aan wie alles vrolijk denkt,Zij nadert thans met spoed.Ja, zij, die ons dat alles schenkt,Wordt dankbaar dra begroet!

De beste, schoonste tijd van 't jaarKomt nu met rassche schreên.De lucht is zacht, de zon schijnt klaar,'t Is lieflijk om ons heen.

De dauw versterkt de plant, nog zwak,Nog krachteloos, nog teêr;De vogel zingt in 't looverdak;Het vischje springt in 't meer.

Vóór korten tijd was alles koud,Was alles dor en kaal;Het frissche groen siert thans het woud,De weiden kleurenpraal!

De bijen gonzen ook al rond;De leeuwrik keert terug;De zwaluw vliegt, dàn bij den grond,Dàn hoog, dàn traag, dàn vlug.

De nachtegaal lispt zijnen klankBetoovrend ons in 't oor;Hij zingt den Heer der Heeren dank,En gaat ons daarin voor.

Wij volgen; zien naar bloem en kruid,Zien dan naar boven weêr;En roepen nu aanbiddend uit:Heb dank, o Hemelheer!

En zeggen voorts uit 's harten grond:O God, wat zijt Gij goed!Slaat allen met mij 't oog in 't rond,Ziet, wat de Vader doet!

Wèl is de meester prijzenswaard,Die alles heeft gebouwd,En deze overschoone aardZoo liefdrijk onderhoudt!

Maar wat maakt nu eigenlijk de lente zoo schoon? Is het de menigte van verschillende kleuren, waarin zij zich aan ons voordoet? Zijn het de vrolijke toonen, waarmede zij tot ons spreekt? Brengt de blaauwe hemeldit misschien te weeg, die zich met zijne zon, alsof deze ons vriendelijk wilde toelagchen, boven de groene, bloeijende aarde uitbreidt? Of is de zachte lucht, die ons het toeven op elke plaats zoo aangenaam maakt, daarvan de oorzaak?

Neen, mijne lieven! Dit alles is op zich zelf wel schoon en heerlijk, maar desniettegenstaande geloof ik vast, dat alleenhet voorgevoel van hoogeren, eeuwigen bloesem en van eene altijddurende lenteons deze zoo onbeschrijfelijk schoon maakt. Wat toch zouden alle lentetijden op deze aarde beteekenen, indien wij, na haar verlaten te hebben, aan de andere zijde van het graf niet eene nieuwe, eene eeuwige mogten verwachten? Wij zouden ons, wel is waar, nog altijd verheugen, maar toch niet zóó, als in het laatste geval, als wanneer wij ons te gelijk met den geest, met ons hart en met de zinnen zouden verblijden. In het eerste, daarentegen, zouden wij dikwijls, zoo niet in droefheid, dan toch in stille weemoedigheid wegzinken, wanneer wij ons, bij voorbeeld, de vlugtigheid van dit lieve jaargetijde regt levendig voorstelden, of dachten, dat deze lente wel de laatste zou kunnen wezen, die voor ons bloeide. Doch door aan te nemen, dat na dit leven eene hemelsche lente op ons wacht, houden wij ons overtuigd, dat wij door den zomer, den herfst en den winter die voortdurende lente te gemoet gaan; en dan wordt daardoor de aardsche zóó schoon voor ons, omdat wij haar als een voorteeken, of beeld, hoewel dit dan ook zwak is, van de andere aanzien.

Zeker denkt de vrome mensch, wanneer hij zoo over de bloeijende velden wandelt, wanneer zijn rondstarend oog overal betooverend schoone voorwerpen ontwaart, alom vreugdeliederen in zijn oor weergalmen,—stelligdenkt hij dan: naardien deze aarde bereids zoo wonder schoon, met zoo tallooze bekoorlijkheden versierd is, en ons hart zoo vrolijk en opgeruimd doet kloppen,—hoe fraai en verrukkelijk zal het dan wel bij U in den hemel zijn, o goede God! en hoe groot de vreugde, die daar onzen boezem zal doortintelen!

Het tweede wat de lente zoo schoon en dierbaar voor ons maakt, zal wel de frisschelevenskrachtzijn, die zich overal aan ons vertoont. Levensgeest werd over alles uitgegoten, is overal werkzaam, waarheen onze blik zich ook keere. Geen enkel plaatsje kunt gij vinden, waar die zich niet kenbaar maakt. Waar ook een halm, een twijgje beschadigd of gebroken werd, binnen korten tijd is die schade hersteld.

Doch het geldt insgelijks van het menschelijke geslacht. Ook wij schijnen eenen nieuwen levensgeest of frissche levenskrachten ontvangen te hebben, die zich werkzaam in ons openbaren. Het winterachtige, matte, ziekelijke, dat in ons was, verdwijnt bij den adem der lente, die ons doordringt; men voelt zich als nieuwgeboren, voelt zijne krachten vermeerderd, versterkt en daarom vermogender; men denkt helderder, onze gewaarwordingen zijn levendiger, en wij zwemmen moedig voort in den grooten levensstroom, die in kronkelende bogten verrukkelijke landschappen doorloopt. Dit gevoel van leven en kracht is zoo weldadig; en wij moeten het aan dit gevoel hoofdzakelijk toeschrijven, dat de lente zulke alleraangenaamste gewaarwordingen in ons opwekt. Al wat wij ondernemen gaat ons daardoor gemakkelijker en vlugger van de hand, kost ons maar weinig inspanning, en heeft desniettemin eenen zekeren graad van volkomenheid bereikt. Zelfs de grijsaard,die zich, zoolang de winter duurde, zwak en mat gevoelde, zelfs hij bespeurt, wanneer deBloeimaanddaar is, iets in zich, dat hem zijne vroegere rapheid, vlugheid van geest en buigzaamheid van ledematen herinnert, en zuigt met lange teugen als het ware een nieuw leven in.

En wat u betreft, mijne lieven, gij zoudt wel den geheelen dag in de vrije natuur willen doorbrengen, zoozeer lokt zij u aan, en uwe ouders en onderwijzers staan u gaarne de meestmogelijke vrijheid toe, want zij weten wel, dat de Meimaand slechts eens in het jaar bloeit, en de jeugd, dat eenige tijdperk van ongestoord genot! dat deze, zeg ik, nimmer weder bloeit.

Ook deverscheidenheid, die der lente eigen is, maakt haar voor ons schoon en dierbaar.

Werkelijk, die afwisseling is onbegrijpelijk groot en niet ligt te overzien. Hoevele kleuren, om maar iets te noemen, biedt debloemenwereldons aan! Welke afwisseling onder de rozen, geraniums, tulpen! Hier bloeit eene plant met roode, daar met blaauwe, op deze met witte, op gene met gele kleur, en hoe vaak mengen zich verschillende kleuren tot eene nieuwe, geheel eigenaardige, maar daarom niet minder schoone kleur, voor welke men somtijds niet eens eene passende benaming kan uitdenken. Hoe verschillend en veelsoortig zijn verder de planten, wanneer men hare vorming of natuur nagaat. De eene schiet hoog op, zoo als de lelie, eene andere, bij voorbeeld het viooltje, schijnt zich voor het zonlicht te willen verbergen en blijft laag bij den grond. Sommigen strengelen zich om boomstammen en klimmen op deze wijze hoog op; anderen kronkelen zich langs den grond of strengelen de twijgen in elkander.

Nog grooter verschil merken wij op bij de bladeren en bloesems, hetgeen gij zelven ligtelijk kunt nagaan, als gij maar eens een uurtje wilt doorbrengen met de verschillende bladeren en bloesems van onderscheidene plantsoorten naauwkeurig gade te slaan. Gij ziet dan getakte of tandvormige, ronde, langwerpige, smalle, breede, platte, gebogene, en op nog tallooze andere wijzen gevormde bladeren, waarvan het eene minder of meer op het andere gelijkt, maar elk toch in zijne soort schoon en uwe belangstelling overwaardig is.

En dan de bloemen in hare rijke verscheidenheid! De lelie, het vergeet-mij-nietje, de roos, het viooltje, de resida, de aster, de tulp—hoe onnoemelijk verschilt de eene van de andere in kleur, vorm en geur; bij elke is de bloem op eene andere wijze, geheel eigenaardig gevormd. Ja, wij gaan nog verder! Zelfs bij een en hetzelfde geslacht treffen wij groote verscheidenheid aan, ten bewijze waarvan wij u enkel de verschillende soorten van rozen willen herinneren. Vergelijkt eenehonderdbladigeroos en eene mosroos bij elkander, en het groote verschil zal u bij den eersten oogopslag duidelijk blijken. En wezenlijk het is ook een verbazend onderscheid! Niettemin zijn beide toch kinderen uit hetzelfde geslacht, zijn beide onmiskenbaarrozen. Welnu, daarop afgaande, hoe groot moet dan het onderscheid tusschen verschillende soorten wel wezen! De verscheidenheid der lente bepaalt zich evenwel nog niet eens bij de bloemenwereld, zij strekt zich tot alle planten in de groote schepping uit, tot het grootste en tot het kleinste, en blijft overal even bewonderingwaardig. Wijontdekkenhaar in de boomen van het woud en in de grassoorten, in de bloemen en in de heesters, in de planten waarmede wij ons voeden, en in het onkruid,en wij moeten ten slotte verbaasd en opgetogen uitroepen: God, hoe groot zijn Uwe werken, hoe ver gaat Uwe magt, hoe diep dringt Uwe wijsheid door, hoe vertoont gij U in elk voortbrengsel als onzen liefderijken Hemelvader!

O, mijne lieven, laat ons de goedheid en wijsheid van den grooten God aanbiddend prijzen, wanneer wij des morgens of in eenen avondstond Zijne natuur in de Bloeimaand doorwandelen, wanneer het gezang van den leeuwerik uit de helderblaauwe lucht, het lied van den nachtegaal, die op een bloeijend takje kwinkeleert, ons door het oor in het hart dringen. De geur, die rondom ons als uitgegoten is en bij het ademen onze reukzenuwen zoo aangenaam prikkelt, is de rook, die van de altaren opstijgt, welke de geheele natuur voor haren Schepper heeft ontstoken. Die geur stijgt opwaarts naar den hemel, gelijk het gebed dat uwe lippen stamelen, terwijl uw hart zich als oplost in een diep gevoel van dankbaarheid; en geen gebed is den Allerhoogste welgevalliger, dan dit!

Prijst Hem, wanneer gij voor uwen vader of uwe moeder eenen ruiker plukt, een kransje vlecht, en gij op nieuw verbaasd staat over de schoonheid, die gij overal in de tuinen en op de velden ontwaart,—prijst Hem, dankt Hem, want Zijne hand heeft dat alles zoo fraai geschapen. Hij heeft de kleurenpracht aan die millioenen voorwerpen gegeven, Hij den geur over dit alles uitgestort!

Prijst Hem, zoo dikwijls gij langs een zaaiveld wandelt, dat reeds met slanke halmen overdekt is; Hij toch doet het brood uit de aarde voor ons groeijen, Hij zorgt even vaderlijk voor onze andere behoeften,opdat geen enkel Zijner schepselen gebrek zou lijden.

Maar slaat vooral den blik gedurig hemelwaarts, want al die heerlijkheid zou dood voor ons zijn, zoo wij niet wisten wie het aldus geschapen heeft, en als wij Hem, die het elk jaar tot een nieuw, jeugdig leven opwekt, niet met den naam van Vader mogten aanspreken.

Prijst Hem bij het opkomen, prijst Hem met den ondergang der zon! Want ook deze is een zinnebeeld van Zijne liefde en Zijne vaderlijke gezindheid, vermits zij alles koestert en verblijdt. Prijst Hem onder den met sterren bezaaiden hemel! Want de sterren zijn de oogen der Voorzienigheid, die waken, wanneer alles op de aarde rust en slaapt. Prijst, o, prijst Hem bij de aardsche lente, weest dankbaar, en houdt, om dit te betoonen, Zijne geboden, opdat gij eenmaal de onvergankelijke, de hemelsche lente deelachtig moogt worden!

Laat ons eindelijk de lente bij haarverwelkenen haarvertrekgadeslaan.

Dit verdwijnen leert ons, dat al het schoone op aarde vergankelijk is en maar korten tijd duurt. Het schoone is op deze wereld een vreemdeling, die zijn vaderland in hoogere spheren moet zoeken. Gelijk de dag, nadat hij zijne grootste lengte bereikt heeft, weder afneemt totdat de kortste andermaal gekomen is, zoo ook viert de plant haren hoogsten levensstaat in den bloeitijd; daarop vermindert zij en begint langzamerhand te kwijnen en te verwelken. Hetzelfde is op de lente van toepassing. Met het uitbloeijen van de rozen trekt zij weg, en het lied van den lentezanger, den nachtegaal, verstomt.Wij worden haar vertrek niet aanstonds gewaar, want zij vertrekt stil en ongemerkt, en heeft aan haren broeder, den zomer, opgedragen, ons nog menige liefelijke bloem te komen brengen, opdat haar gemis ons niet te zeer zou bedroeven. Maar wat heeft zij ons dan nu eigenlijk gebragt? Schonk zij ons niets anders dan bloemen die spoedig verwelken, niets dan vergankelijken bloesem? Liet zij geen enkel aandenken achter, dat ons haar bezoek levendig konde herinneren?

Neen, zij bragt ons iets anders, iets beters! De bloesem, met welken zij het plantenrijk tooide, moet ons niet alleen een fraai schouwspel aanbieden, ons oog bekoren door de pracht die deze uitstortte, maar moet, na die pracht en schoonheid verloren te hebben, iets achterlaten hetgeen ons daarvoor schadeloos kan stellen, te wetende vruchten, die zich uit den bloesem ontwikkeld hebben. Ziet eens naar dien kerseboom, die vóór weinige weken in zijn feestgewaad prijkte, hoe rijk hij met vruchten beladen is, hoe deze met elken dag vooruitkomen en bijna met ieder uur meer schijnen te rijpen. Binnen een klein tijdsverloop zullen wij ons aan de vruchten van dienzelfden boom kunnen vergasten, op welks bloesem ons oog vroeger in verrukking bleef staren. Aldus ging de lente ongemerkt voorbij, maar liet ons toch veel achter, waardoor wij ons dankbaar harer herinneren.

Hoe zal het nu zijn, wanneer de lente van uw leven, uwe jeugd, verstreken is? Zullen dan ook rijpe vruchten de plaats van den bloesem vervangen hebben? O, hoe treurig zou het wezen, bijaldien de boom van uw leven enkelgebloeidhadde, en hij in lateren tijd geenevruchtendroeg! Wat zou de herfst dan kunnen opleveren? Wat zoudt gij kunnen inoogsten? Wanneerde Heer u ten laatste oproept, om rekening van uw levensgedrag te doen, hoe beschaamd zoudt gij voor Hem moeten staan, indien gij niets hadt overgewonnen en met ledige handen kwaamt? In den tuin van uw leven staat immers geen enkele boom, die geene welige vruchten belooft; elke doornachtige struik bloeide toch alleen daarom, ten einde in den herfst ook zijne vruchten of zijn zaad te kunnen opleveren? En zou dan uwe jeugd vervliegen, zonder gegronde hoop op eenen gezegenden, vruchtbaren herfst aan te bieden; zou zij niets anders, dan een enkele bloeitijd geweest zijn? O, zoo dit het geval wordt, dan zal het zekerlijk geheel en al uwe eigen schuld wezen! Gij hebt dan òf volstrekt geenen bloesem gedragen, òf dien niet met de noodige zorgvuldigheid tegen storm, nachtvorst en nadeeligen dauw beschut. Doch de jeugdmoetbloesem dragen, want daartoe is de menschelijke natuur bestemd; en alles, wat schadelijk voor haar is of zou kunnen worden, dat kan men tegengaan, wanneer een krachtige, onwrikbare wil, wanneer een onvermoeide ijver ons aanspoort. En desniettegenstaande verstreek de jeugd van menigeen zonder bloesem. Helaas, de ondervinding leert ons dit nog altijd, hoewel, gelukkig! de gevallen zeldzaam zijn. Maar, zult gij welligt vragen, draagt de menschelijke natuur de schuld daarvan, of moet ik welligt de oorzaak in den Schepper zoeken? O, dat volstrekt niet! Doch wanneer deze beiden geene schuld hieraan hebben, in wien of wat moeten wij die dan zoeken? Helaas! in ons menschen zelven. Daarmede is het aldus gelegen: de geest en het hart van den mensch gelijken naar de aarde, die hij bewoont. Wanneer deze niet vlijtig en zorgvuldig bewerkt, niet bezaaid en onophoudelijk verpleegd wordt,dan blijft zij dor en onvruchtbaar, en brengt niets op dan onkruid, dat, wel is waar, ook vruchten draagt, doch enkel zoodanige, die geene waarde hebben, die men, omdat zij tot niets deugen, laat rotten of als vuilnis wegwerpt. Ook kunt gij geest en hart bij eenen boom vergelijken. Als deze niet verpleegd wordt, als men de overtollige takken niet op den bestemden tijd afsnoeit, als men hem gebrek aan voedsel laat lijden, en de schadelijke insecten, die zich er opneêrzetten, niet tijdig verjaagt,—dan kan het ligt, ja, zal het bijkans immer gebeuren, dat hij geenen bloesem draagt, dat hij van dag tot dag wegkwijnt, verdort, in den herfst ziek is en volstrekt geene vruchten oplevert.

Die zaaigrond, die boom, mijne lieven, zijn de zinnebeelden van uwen geest en van uw hart. Indien gij beide niet vroegtijdig bewerkt en verpleegt, maar den eersten braak laat liggen, voor uw hart de noodige zorg niet draagt; indien gij de zaden, die u aangeboden worden, niet aanneemt en aan den schoot der aarde toevertrouwt; of indien gij in dien tijd, waarop de jonge kiem voor den dag komt, uwe handen in den schoot laat rusten, in plaats van ijverig te begieten, te verwarmen, het daartusschen groeijende onkruid te wieden, en elken morgen, iederen avond vlijtig alles te verrigten wat voor den groei bevorderlijk kan zijn,—als gij dat nalaat, hoe kunt gij dan billijkerwijze op bloesem, op vruchten hopen?

Maar zelfs ingeval gij dat alles gedaan hadt, totdat de bloesem zich nu werkelijk vertoonde en u voor uwe moeite en zorg beloonde,—dan blijft u nog altijd veel te doen overig, en uwe zorgvuldigheid mag volstrekt niet verslappen, uw ijver en vlijt niet verminderen, bijaldien gij later van dien bloesem ook dezoete vruchten wenscht in te oogsten. Iedere komende, iedere vertrekkende lente roepe u die vermaning voor den geest terug; en zoo gij aan die waarschuwende stem het oor leent, dan zult gij later niet vruchteloos op eenen gezegenden herfst hopen, en gij zult in de eeuwige lente rijpe en vele vruchten medebrengen.

Het verwelken van de lente verwekt allezins eenweemoediggevoel in ons hart.

Wanneer men zooveel schoons en heerlijks, dat onze zinnen en ons gemoed even sterk aantrekt en met reine vreugde vervult, ziet verdwijnen, hoe zou het anders kunnen, of een zoodanig verlies moet smartelijke gewaarwordingen bij ons doen oprijzen? Wij reikhalzen immers zoo langen tijd naar de lente, waren zoo regt verblijd, toen zij eindelijk met haren bloesem en liederen tot ons gekomen was, zoodat wij nu wel reden tot droefheid hebben, wanneer zij ons wederom gaat verlaten, dewijl met haar zoo veel lieflijks voor ons verloren gaat, en wij ons tot eenen langen, somberen, kouden winter moeten voorbereiden, alvorens wij haar andermaal mogen begroeten.

Diezelfde smartelijke gewaarwording, mijne lieven, welke gij gevoelt, wanneer de lente afscheid van u neemt, diezelfde, zeg ik, zult gij ook dan ondervinden, wanneer uwe gelukkige jeugd achter u ligt. Ja, zelfs zal zij nog veel smartelijker zijn! Elk jaar keert de lentetijd terug; maar de lente van ons leven, onze jeugd, eens voorbijgevlogen zijnde, is voor altijd verdwenen. Geniet haar daarom met een vrolijk en onbezorgd hart, geniet haar in volle maat, smaakt al dat genoegen wat zij ons kon verschaffen! Maar geniet haar tevens op eeneverstandigewijze, opdat gij laterzonder berouw en met onverdeeld genoegen aan haar kunt terugdenken, wanneer gij in latere jaren uw meeste geluk in de herinnering aan vroegere tijden zult moeten zoeken.

Maar de vertrekkende lente verwekt ook eenevrolijke aandoeningin het hart van den mensch, wanneer hij ten minste niet al zijne hoop en vrolijke verwachtingen op aardsche belangen heeft gesteld, maar deze hem boven het stof en de nietigheid van de aarde, waarop hij zich als een gast, als een vreemdeling beschouwt, naar zijne blijvende woonplaats opvoeren.

"Moge de eene lente voor, de andere na verwelken en ons verlaten," zoo spreekt de ware Christen, "moge het jeugdige voorkomen van het ligchaam en het leven verdwijnen; wat kan mij dit deren? Ik ken het land, alwaar jeugd en lente eeuwig bloeijen, en weet, dat eene liefderijke hand daar eene plaats voor mij heeft bereid, die niemand mij kan ontrooven, indien ik hier op aarde mijne jeugd zóó besteed heb, als ik haar moest besteden, wilde ik niet dor en onvruchtbaar naar het andere vaderland vertrekken. Daarom mag ik ook niet treuren, vooral den moed niet laten varen, omdat het schoone zoo snel verdwijnt, omdat de wintertijd in de natuur en in mijn leven zoo spoedig aanwezig is!"

Zóó spreekt de Christen, en zoomoethij spreken; omdat deze aarde, waar alles vergankelijk is, op welke de lente slechts eene snel voorbijgaande verschijning is, hem, zooals hij vast en zeker weet, wel voor eenigen tijd, maar niet voor altijd tot woonplaats is aangewezen.


Back to IndexNext