DERDE HOOFDSTUK.Orion had er tegen opgezien om met zijne moeder naar huis terug te rijden; maar Neforis was, nadat zij zich beklaagd had over de weduwe Susanna, die ook heden achter het vrouwenhek haar ongenoegen op eene in het oog vallende wijze had getoond, opzij gezonken en daarna vast ingeslapen. Met het hoofd geleund op den schouder van haar zoon bereikte zij het stadhouderlijk verblijf en Orions bezorgheid over de geliefde vrouw kreeg nieuw voedsel, toen het hem slechts met moeite gelukte haar te doen ontwaken. Hij voelde hoe zij als dronken waggelde, terwijl hij haar aan zijn arm niet naar de fonteinzaal maar naar het slaapvertrek voerde, waar zij verlangde wat te rusten. Nauwelijks had zij zich op de legerstede uitgestrekt of een diepe slaap overmande haar.Orion begaf zich vervolgens naar den juwelier Gamaliël, kocht van hem een zeer kostbaren en grooten, maar eenvoudig in goud gezetten diamant, en de broeder van den Israëliet nam op zich dezen mede te nemen naar Konstantinopel en hem daar te overhandigen aan de weduwe Heliodora, die bovendien tot zijne klanten behoorde. In het woonvertrek van den juwelier schreef Orion vervolgens een brief aan zijne voormalige geliefde, waarin hij haar in warme en dringende woorden bad, den diamant aan te nemen en hem daarvoor den smaragd naar Memphis terug te zenden door een betrouwbaren ijlbode, dien de goudsmid Simeon van al het noodige zou voorzien.Vermoeid en hongerig gebruikte hij wat later dan gewoonlijk het middagmaal, evenals sedert de laatste dagen alleen met de Griekin Eudoxia, de opvoedster van Maria. Het kind mocht de kamer nog niet verlaten, tot groote vreugde van de paedagoge, althans in éen opzicht; want het maaltijden onder vier oogen met den schoonen jongeling was voor haar bedaagd gemoed een buitengewoon genot. Hoe beleefd was het, dat deze rijke en aanzienlijke erfgenaam den slaven een wenk gaf om haar vóorhem te bedienen; hoe vriendelijk, als hij geduldig naar haar luisterde, wanneer zij vertelde van de aanzienlijke huizen, waar zij vroeger onderwijs had gegeven! Zij zou voor haar dischgenoot in den dood zijn gegaan; daar zich echter geene gelegenheid aanbood voor zulk eene zelfopoffering, verzuimde zij althans niet hem opmerkzaam te maken op de beste brokjes en te zorgen voor versche bloemen op zijne kamer.Voor het overige trok zij zich op hoogst verdienstelijke wijze en met zelfverloochenende liefde hare leerlinge aan, sedert deze krank was, haar grootmoeder het hart van Maria had afgewend, en zij had opgemerkt dat Orion met vaderlijke liefde zich aan de kleine nicht liet gelegen liggen. De jongeling had heden nog geen tijd gevonden om naar Maria te vragen, en de mededeeling van Eudoxia, dat zij zich minder rustig dan gisteren toonde, maakte hem zoo bezorgd, dat hij, wat de Griekin er ook tegen in bracht, zonder het nagerecht af te wachten opstond, om zelf naar de kleine kranke te gaan zien.Hij klom werkelijk bezorgd de trap op. Er was zooveel dat hem bezwaarde, en terwijl hij Maria’s kamer naderde, moest hij zichzelven met een weemoedig lachje bekennen, dat hij, die in de residentie menig aanzienlijk man en menige zeer gevierde vrouw ontweken had, omdat zij aan zijne hooge eischen niet voldeden, hier buiten dit kind niemand had, van wie hij zeker kon zijn begrepen te zullen worden. Tusschen zijn kloppen en de uitnoodiging om binnen te komen verliep geruimen tijd, gedurende welke hij achter de deur haastig hoorde heen en weer loopen. Eindelijk vond hij Maria overeenkomstig het voorschrift van den arts op een divan naast het wijd geopende en goed beschaduwde venster. Hare legerstede was omgeven door bloeiende planten en op het tafeltje voor haar stonden twee groote bloemruikers, een half verwelkte en een frissche, die bijzonder fraai was.Wat was het kind in de laatste dagen veranderd! De ronding der wangen was verdwenen, en het geheele aardige smalle gezichtje werd als beheerscht door de bovendien bijzonder groote oogen, die thans nog sterker schitterden. Gisteren, toen zij zonder koorts was, had zij er bleek uitgezien, maar heden gloeiden hare wangen, en daarbij herhaalde zich dat trekken met de lippen en met den rechterschouder, dat sedert den sterfdag van haar grootvader begonnen was, zoo vaak, dat Orion zich bezorgd bij haar neerzette.»Is grootmoeder bij u geweest?” luidde zijn eerste vraag, doch het antwoord bestond slechts uit een treurig schudden met hethoofd. Alle nieuwe bloemen die de kamer versierden waren zijn geschenk, zoo ook de verwelkende ruiker. De andere,frissche, kwam niet van hem. Hij deed dus onderzoek naar den gever en was niet weinig verwonderd te zien, dat deze vraag zijne lieveling opnieuw onrustig maakte en in verwarring bracht. Daar moest iets bijzonders schuilen achter dien ruiker, dat lag voor de hand, en de jonge man, die hare overprikkelde zenuwen niet onnoodig wilde kwellen en zijne vraag ook niet weder intrekken kon, had er reeds spijt van haar gedaan te hebben, toen de ontdekking van een vederen waaier, die hij met de woorden: »ei, wat is dat?” opnam, hem uit de verlegenheid redde.Opnieuw vloog Maria het bloed naar het aangezicht, en terwijl zij hem met groote oogen smeekend aanzag, legde zij den vinger op den mond. Doch hij knikte haar toe, als wilde hij zeggen dat hij alles begreep, en vroeg zacht: »Was Katharina bij u?Zoo bindt de hovenier van Susanna de bloemen. Die waaier... Toen ik klopte... Is zij misschien nog hier?”Hij had juist geraden en Maria wees zwijgende op de deur van het aangrenzend vertrek.»Maar om godswil kind,” vroeg Orion met eene gedempte stem verder,»wat wil zij hier nog doen?”»Zij is heimelijk en in eene boot hier gekomen,” fluisterde het kind. »Door haar Anubis die op het rentmeesterskantoor is, heeft zij mij laten vragen of zij komen mocht. Zij kon het zonder mij niet langer uithouden, zij had mij toch geen kwaad gedaan. Toen heb ik ‘ja’ gezegd en zoodra ik daareven u aan het kloppen herkende, is zij een-twee-drie naar de slaapkamer gevlucht.”»En wanneer grootmoeder haar nu ontmoet?”»Ja dan—wat er dan van mij worden zal... Ach God, Orion als gij eens wist, hoe dat...”Over hare wangen biggelden twee dikke tranen, waarvan Orion de beteekenis maar al te goed begreep. Hij streek haar vriendelijk over de lokken en zeide zacht, terwijl hij telkens naar het slaapvertrek keek: »Ik ben eigenlijk gekomen om u veel van Paula te vertellen. Zij heeft u zoo lief en noodigt u uit om bij haar te komen en bij haar te blijven. Maar dat moet gij stil voor u houden, meisje, en aan niemand zeggen, ook niet aan Eudoxia en Katharina, want ik weet zelf nog niet hoe het gelukken zal van grootmoeder vergunning te krijgen. In elk geval moeten wij daarbij zeer verstandig en voorzichtig te werk gaan, begrijpt ge? Ik neem u thans maar in het vertrouwen, opdat gij bij voorbaat en ook bij nacht u daarop verheugen kunt, wanneer gij weder zoo dom zijt om als de hazen de oogen open te houden, in plaats van gerust te gaan slapen. Als alles meeloopt, dan zijt gij wellicht morgen—denk eens aan!—ja morgen reeds bij Paula. Eerst had ik de hoopreeds opgegeven om de zaak door te zetten, maar daareven—is het niet grappig?—pas een paar minuten geleden, heb ik tot mij zelven gezegd: ‘het zal wel gaan!’, en zoo moet het dus doorgezet worden.”Een vloed van tranen goot zich over Maria’s wangen uit; en hoewel er geen einde aan scheen te komen, zoo behoefde zij niet te snikken en haar borst bleef rustig. Ook hare lippen bewogen zich niet, maar uit hare vochtige, heldere oogen straalde zulk een overvloed van dankbaarheid en geluk, dat Orion de tranen in zijne eigene oogen voelde wellen en blijde was iets te vinden, waardoor hij zijne ontroering kon verbergen. Want toen Maria zijne rechterhand greep en daarop eene lange warme kus drukte, bevochtigden hare tranen zijne hand en riep hij: »Zie eens, geheel nat alsof zij uit een waterbekken kwam...”Verder bracht hij het niet, want opeens vloog de deur van de slaapkamer open, en de fijne, hooge stem der Griekin Eudoxia riep: »Maar waarom wilt gij nog langer tegenstribbelen? Maria zal er zeker blijde om zijn! Kind, kind, daar breng ik u uwe verlorene vriendin! Welk een verrassing!”Daarop verscheen het kwikstaartje, dat de opvoedster met alles behalve zacht geweld voor zich uit over den drempel duwde. Eudoxias gelaat straalde van zelfvoldoening, als had zij een heldendaad volbracht, toch verschrok zij een weinig, toen zij Orion hier nog aantrof.De gescheiden verloofden stonden tegenover elkander. Het gebeurde was niet weder goed te maken; doch behalve dat hij haar met eene afgemetene buiging ontving, en zij den waaier zachtkens voor haar gelaat heen en weer bewoog, om hare verlegenheid te verbergen, gebeurde er niets, wat een onkundige had kunnen opvallen. Ja, Katharina’s gezichtje nam een uitdagende uitdrukking aan, als hij vroeg naar zijn witte hondje, en zij recht koel antwoordde, dat zij het beest in den hoenderhof aan een ketting had gelegd, omdat de patriarch, haar gast, niet van honden hield.»Vele menschen vereert hij met dezelfde gevoeligheid,” antwoordde Orion.»Wanneer zij het verdienen,” antwoordde het kwikstaartje, zonder zich lang te bedenken.Op deze wijze werd het gesprek korten tijd voortgezet, doch de jonkman was noch in eene stemming om de hatelijkheden van het meisje lijdelijk aan te hooren noch om ze met gelijke munt te betalen, en daarom maakte hij zich tot vertrekken gereed. Doch voor hij afscheid had genomen, zeide Katharina, die uit het venster gezien en opgemerkt had hoe laag de zon reedsaan den hemel stond: »Lieve hemel, wat is het al laat! Ik moet weg, want aan den avonddisch mag ik niet gemist worden! Mijn boot ligt in de visschershaven bij de uwe. Is de deur van het rentmeesterskantoor nog niet gesloten?”Orion keek naar den stand der zon en zeide: »Het is heden Sanutius-dag!”»Dat weet ik!” zeide Katharina. »Juist daarom had Anubis heden middag vrij.”»En om dezelfde reden,” voegde Orion er bij, »is er in het kantoor geen schepsel meer aan den arbeid.”Dat was kwaad! Voor geen prijs wilde zij in het huis van den stadhouder gezien worden en nu begon zij, die uit de dagen van haar spelen met Maria elken schuilhoek van het paleis kende, te overleggen, en haar fijn gezichtje verkreeg daarbij eene voor Orion geheel vreemde, loerende uitdrukking, die hem mishaagde en tegelijk zijne bezorgdheid wekte, niet voor zichzelven, maar voor Maria, voor wie uit den omgang met deze speelgenoote niets goeds kon volgen. Dergelijke bezoeken moesten zich niet vaak herhalen. In hare tegenwoordigheid wilde hij er niet over spreken; maar aan Katharina moesten terstond de noodige wenken worden gegeven. Zonder zijne hulp kon zij niet ongemerkt buiten komen, en daarom brak hij hare overleggingen af, deelde haar mede dat hij den sleutel van het rentmeesterskantoor bij zich droeg, onderzocht of de voorzaal vrij was, en leidde haar terstond hierop door allerlei gangen in het met het woonhuis verbonden kantoor. Dit was op dit uur als uitgestorven, en toen Orion dicht naast haar voor de achterpoort stond, die uitkwam op den weg naar de visschershaven, en hij den sleutel reeds ophief, om die te openen, liet hij zijne hand weder zakken, en brak voor het eerst het stilzwijgen af, dat beiden gedurende dezen geheimen tocht in acht hadden genomen, en vroeg: »Wat drong u toch om naar Maria te gaan, Katharina? Zeg het mij eerlijk?”Haar hart, dat sneller klopte, sedert zij met hem alleen in het doodsche, van menschen verlaten, huis vertoefde, begon nu onstuimig te slaan en een groote angst overviel haar, zij wist zelve niet waarvoor. Zij was om velerlei redenen naar de stadhouderlijke woning gegaan, doch éene was van overwegend belang: Maria moest van haar vernemen, dat haar jonge oom en Paula elkander liefhadden; want het kind kon, gelijk zij uit ervaring wist, voor hare grootmoeder niets van belang verzwijgen, en dat vrouw Neforis Paula niet lijden mocht was een openbaar geheim. Zeker droeg deze nog geen kennis ervan, hoe ernstig haar zoon het meende met zijneverliefdheidop de Damasceensche; doch was vrouw Neforis eens hiervan onderricht, dan—daaraantwijfelde zij niet—dan zou zij niets onbeproefd laten om Orion van Paula af te houden. Zoo had zij dan de kleine ook medegedeeld, dat de lieden reeds vertelden hoe deze twee een gelukkig bruidspaar waren, en zijzelve had hen in den tuin van haar buurman zien minnekoozen. Tot hare teleurstelling had Maria dit alles zeer gelaten aangehoord, en scheen het meisje er volstrekt niet door getroffen te worden. Toen Orion haar thans de vraag deed wat haar naar deze woning had gevoerd, kon zij maar éen antwoord geven: »Onweerstaanbaar verlangen naar de kleine Maria.”»Natuurlijk,” sprak de ander, »doch ik zou u willen verzoeken om aan uw vriendelijk verlangen niet te spoedig weer te voldoen. Uwe moeder laat hare boosheid tegen de mijne maar al te openlijk blijken, en deze zal nieuw voedsel ontvangen, wanneer zij verneemt dat wij u aanmoedigen om tegen haar wil te handelen. Misschien zult gij weldra in de gelegenheid zijn Maria meermalen te zien, maar juist dan verzoek ik u haar niet over dingen te spreken, die haar te veel opwinden. Gij hebt u kunnen overtuigen hoe prikkelbaar zij is en hoe zwak zij er uitziet. Haar jong hartje en haar wat al te vroeg ontwikkeld gevoels- en denkvermogen moeten tot rust komen, mogen niet door al te sterke indrukken opnieuw in beweging worden gebracht, en gij zijt in staat zulke indrukken te wekken. De patriarch is een vijand van mij en dit huis, en gij—ik zeg het niet om u te krenken—hebt hem in den afgeloopen nacht beluisterd en waarschijnlijk allerlei gewichtige dingen uit zijn mond vernomen en daaronder ook zoodanige, die mij en mijn huis betreffen”.Katharina stond doodsbleek tegenover den jongen man. Hij wist dat en op welk tijdstip zij den patriarch beluisterd had; de schrik hierover en het pijnlijk bewustzijn dat zij zichzelve in zijne oogen vernederd had, bracht haar in verwarring. Zij gevoelde zich overrompeld, beleedigd en bedreigd. Intusschen behield zij tegenwoordigheid van geest genoeg, om haar tegenpartij spoedig te antwoorden: »Maak u niet bezorgd! Ik zal niet wederkomen. Het zou bovendien niet geschied zijn, als ik had kunnen voorzien...”»Mij te ontmoeten?”»Misschien; maar beeld u hiervan niet te veel in!... Wat mijn luisteren aangaat... Nu ja, ik heb mij bij het venster geplaatst. Ik kon maar halve woorden verstaan van hetgeen binnen besproken werd; en wie komt niet in verzoeking te willen hooren, wat mannen van beteekenis met elkander verhandelen? Zulk een man, wanneer ik uw vader uitzonder, heb ik in Memphis niet weder ontmoet, sedert Memnon heenging. Wij vrouwen hebben nu eenmaal wat nieuwsgierigheid van moederEva geërfd; maar zoover brengen wij het zelden, dat wij in de kisten van onze gasten naar halsketenen gaan zoeken. Ik heb als misdadige weinig geluk, mijn lieve Orion! Reeds tweemaal verdiende ik die naam... Dank zij het grootmoedig en ruim gebruik, dat gij van mijne onervarenheid hebt gemaakt, heb ik zwaar, zoo verschrikkelijk zwaar gezondigd, dat het mij nog altijd mijne levensrust beneemt. Ditmaal mocht het vergeeflijker zijn, doch in beide gevallen werd ik betrapt, zooals gij weet.”»Uwe verwijten zijn rechtvaardig,” antwoordde Orion somber. »Maar meisje, wij hebben beiden het lot te danken, dat wij niet lang op den dwaalweg vertoefden. Reeds eenmaal heb ik u vergiffenis gevraagd en ik doe het nog eens. Dat voldoet u niet, ik zie het aan uw gelaat, en ik kan het u nauwelijks euvel duiden. Misschien is het u meer welkom, wanneer ik u andermaal beken, dat geen misdaad harder en gruwzamer kon bestraft worden dan de mijne.”»Zoo?” vroeg Katharina op gerekten toon, en ging daarop luchtig voort, terwijl zij met haar waaier speelde: »Maar gij ziet er waarlijk alles behalve geknakt uit, en het is u bovendien gelukt die bewuste ‘andere’,—Paula, als ik goed raad—voor u te winnen....”»Zwijg daarover!” zeide Orion zeer beslist, haar belettende verder te gaan, en bracht den sleutel reeds aan de deur, doch zij plaatste zich voor hem en zeide, hem met den vinger dreigende: »Het is dus zoo! Nu weet ik genoeg. Overigens hebt gij met uw plompe ‘zwijg daarover’ groot gelijk. Over uwe liefdesgeschiedenissen bekommer ik mij niet meer, doch naar iets anders mag ik wel vragen, want het gaat mij alleen aan. Hoe hebt gij over onze heg heen kunnen zien? Anubis is nauwelijks een hoofd kleiner dan gij...”»En hij heeft er voor u de proef eens van genomen?” haastte hij zich te zeggen, waarbij hij zich niet onthouden kon te lachen, daar hij inzag dat zijn oprecht gemeende ernst bij Katharina zeer misplaatst was. »Ondanks uwe loffelijke voorzorg verzoek ik u het volgende voor toekomstige gevallen wel ter harte te nemen. Wat voor Anubis geldt past niet op iedereen, en behalve voetgangers zijn er ook slanke lieden op hooge paarden.”»Gij zijt dus die nachtelijke ruiter geweest!”»Die het niet nalaten kon naar uw venster op te zien.”Bij deze woorden deed zij verschrikt eene schrede achterwaarts; haar oog verhelderde, maar slechts voor een oogenblik; daarop vroeg zij scherp, terwijl zij met beide handen de veeren van haar waaier samenkneep: »Moet dat spot zijn?”»Stellig niet,” antwoordde hij gelaten, »want ofschoon gij grond genoeg hebt om op mij verstoord te zijn...”»Zoo heb ik u tot heden niet den minsten grond gegeven, zeker niet,” ging zij opgewonden voort, »ik ben de gekrenkte, mishandelde, ik geheel alleen, en gij moet toegeven, dat gij bij mij in schuld staat en ik het recht heb iets van u te verlangen.”»Doe het,” hernam Orion, »ik ben tot uw dienst.”Daarop zag zij hem vlak in het aangezicht en vroeg: »Vooreerst: hebt gij reeds verder verteld dat ik...”»Dat gij geluisterd heb? Neen—aan geen levende ziel.”»En belooft ge mij het niet te zullen verraden?”»Gaarne!—Wat moet op dit ‘vooreerst’ nu in de tweede plaats volgen?”Het antwoord op deze vraag liet op zich wachten, het viel het kwikstaartje zichtbaar zwaar het te geven; doch eindelijk begon zij met neergeslagen oogen: »Ik zou wel... Maar gij zult mij voor dwazer houden dan ik werkelijk ben; intusschen... Ja ik vraag het u toch, al haalt het mij eene nieuwe vernedering op den hals.—De waarheid wil ik weten, en als u nog iets heilig is, dan moet ge mij, voor ik u deze vraag doe, bij het heiligste zweren, dat ge mij juist zoo zult antwoorden, als ware ik geen kinderachtig meisje, maar—verstaat gij?—als ware ik de hoogste rechter ten jongsten dage!”»Wat klinkt dat plechtig!” hernam Orion.—»Vergun mij echter op te merken, dat er vragen zijn, die ons niet alleen betreffen, en wanneer gij mij de zoodanigen..”»Neen, neen,” antwoordde Katharina, »wat ik bedoel gaat u en mij alleen aan.”»Dan zie ik geen reden, waarom ik u niet ter wille zou zijn,” zeide de andere weder. »Doch ik zou u een wederdienst willen vragen. Evenals u komt het ook mij wenschelijk voor te weten, waarover een man van zooveel beteekenis als de patriarch met een ander spreekt, en daar ik mij ter uwer beschikking stel...”»Ik dacht,” zeide zij, hem lachende in de rede vallende, »dat gij er allereerst belang in zoudt stellen uw schuld aan mij althans voor een deel af te doen. Doch ik verlang geene buitengewone grootmoedigheid, en het weinige wat ik heb kunnen afluisteren is spoedig verteld. Het zal u bovendien tamelijk onverschillig zijn... Ik vervul dus uw wensch, en gij belooft mij daarentegen...”»De volle waarheid te zeggen.”»Zoo stellig als gij op vergeving van zonden hoopt?”»Zoo waar ik dit hoop!”»Dat is goed!”»Wat verlangt gij dan nu te hooren?”Zij schudde het hoofd en zeide angstig: »Nog niet, neen, neen, zoo kan het niet gaan! Laat mij het eerst aan de beurt,en doe dan de deur open. Als ik weg wil, moet ge mij laten loopen, zonder een woord verder te spreken of te vragen. Haal mij een zetel, ik moet een oogenblik gaan zitten.”En zij scheen inderdaad rust noodig te hebben, want sedert de laatste oogenblikken zag zij er bleek en afgemat uit en hare vingers beefden, terwijl zij het gelaat met een doekje afveegde. Zoodra zij plaats genomen had, begon zij te vertellen, en terwijl zij haastig en op onverschilligen toon sprak, als gold het niets bijzonders, hoorde Orion haar in groote spanning aan, want wat hij vernam, was voor hem bijzonder belangrijk.Men had hem op bevel van den patriarch nagegaan. Deze was reeds omstreeks middernacht te weten gekomen, dat hij in Fostat was geweest en daar den Arabischen veldheer had opgezocht. Anders was er niets over hem gezegd, alleen had men de vrees geuit, dat hij het plan bij zich omdroeg het geloof zijns vaders af te zweren en tot de ongeloovigen over te gaan. Van meer gewicht was, wat Orion te weten kwam omtrent de onderhandelingen van den prelaat met den vertegenwoordiger van den Kalief. Deze had aangedrongen op de vermindering van kloosters, van monniken en nonnen, die van vrome stichtingen en geschenken leefden, naar den regel van Pachomius allerlei handwerken uitoefenden, en omdat zij niet in hun onderhoud behoefden te voorzien in staat waren de meeste voorwerpen voor het dagelijksch leven, van de matten in huis tot de schoenen voor de voeten, veel goedkooper te leveren dan de gewone handwerkers in stad en land. Het grootste deel van die arme lieden was bij zulk eene concurrentie reeds ondergegaan, en Amr, die zag dat ook de Arabische handwerkslieden, de lederwerkers, de wevers, de touwslagers en dergelijken met hetzelfde lot bedreigd werden, had besloten een flinken greep in dien kloosterarbeid te doen, en deze zeer te beperken. De patriarch had met taaie en krachtige volharding zich hiertegen verzet, maar ten slotte had hij toch bijna de helft der monniken- en nonnencoenobiën prijs moeten geven. Hij had echter niets afgestaan om niet, want Benjamin wist al te goed hoe groote hinderpalen hij als hoofd der nieuwe kerk der regeering in den weg kon leggen. Het was aan den patriarch dus overgelaten om zelf de kloosters aan te wijzen, die tot opheffing bestemd werden, en de prelaat had natuurlijk allereerst de hand gelegd op de laatste Melchietische coenobiën, en onder dezen ook op het Caecilia-klooster naast het huis van Rufinus.Deze inrichting moest reeds binnen drie dagen ontruimd worden en vervallen aan de Jacobietische kerk. Dit moest in alle stilte geschieden, daar men thans, terwijl ieder in koortsachtige spanning verkeerde over het uitblijven van het wassenvan den Nijl, te vreezen had, dat het arme volk van Memphis in de bres zou springen voor de rijke zusters, aan wie het zoovele weldaden, zulk eene vriendelijke verpleging te danken had. Ook van den senaat der stad had men verzet te verwachten tegen een maatregel, die de gestorven Mukaukas als onrechtmatig en nadeelig voor het algemeen belang had afgekeurd. De verdrevene orthodoxe nonnen zouden als leekenzusters, zooals zulks meermalen pleegde te geschieden, bij Jacobietische kloosters worden ingedeeld, doch de abdis moest naar een afgelegen Ethiopisch coenobium worden vervoerd, waar geen mogelijkheid was om te ontvluchten, daar zij én door hare hooge afkomst én door haar kennis én door haren uitgebreiden invloed gemakkelijk de kerkvorsten van het geheele oosten tegen Benjamin in opstand zou kunnen brengen, wanneer men haar vrij liet.Dit geheele verhaal had maar enkele oogenblikken in beslag genomen en werd met tamelijke onverschilligheid medegedeeld. Wat gingen Katharina, wat Orion, een broeder van twee slachtoffers der Melchietische geweldenarij, de opheffing van orthodoxe kloosters en de verdrijving van kettersche nonnen aan?Orion liet ook niet blijken hoezeer het medegedeelde hem ter harte ging en toen Katharina eindelijk opstond en uitgeput naar het slot van de deur wees, zeide zij alleen, als had zij er spijt van zooveel tijd verbeuzeld te hebben: »Dat is in hoofdzaak alles.”»Alles?” herhaalde Orion, terwijl hij het slot opende.»Stellig en zeker alles,” antwoordde zij angstvallig.»Wat ik u vragen wilde.... of ik het te weten kom of niet.... het kan mij niet schelen.... Ja, het ware wellicht beter .... O zeker .... Laat mij heengaan!”Doch hij deed niet wat zij verlangde, maar zeide vriendelijk: »Vraag maar, ik antwoord gaarne.”»Gaarne?” herhaalde zij, ongeloovig de schouders ophalende. »Eigenlijk moet gij u toch niet op uw gemak gevoelen, wanneer gij mij aanziet; maar het gaat in Memphis en op de wereld nu eenmaal niet toe zooals het behoort. Want wat bekommert gij mannen er u over wat gij van een arm meisje gemaakt hebt? Meen niet dat ik u verwijten wil doen, God beware mij! Ik ben niet eens boos op u. Zoo iemand, dan kan ik het gebeurde wel dragen. Denkt gij het ook niet? Aan mij is het best besteed; het kan mij niet deren! Ik ben zeer rijk en niet leelijk, en er zullen nog wel honderd komen, die naar mijne hand dingen. O, ik ben een benijdenswaardig schepsel! Eén vrijer heb ik reeds gehad, en de eerstvolgende zal in elk geval trouwer zijn en mij niet zoo koel opzij schuiven als de eerste; denkt gij dat ook niet?”»Ik hoop het,” antwoordde Orion ernstig, »hoe bitter de drank ook is die gij mij reikt...”»Nu?”»Zoo kan ik toch slechts herhalen, dat ik dien drinken moet, omdat ik ongelijk heb. Niets zou mij hartelijker verblijden, dan dat ik althans in iets weder goed kon maken, wat ik jegens u heb misdaan.”»O neen!” zeide zij op minachtenden toon. »Zoover zullen onze wenschen zich niet uitstrekken. Tusschen ons is alles voorbij, en als gij ooit iets voor mij geweest zijt, thans zijt gij niets meer voor mij, volstrekt niets. Een stukje verleden hebben wij met elkander doorleefd; het was wel kort, maar—weet gij het ook?—het is zeer gewichtig voor mij geweest. Het heeft het jonge ding, dat gij gisteren nog, gelijk ik zeer goed weet, voor een echt kind hield, wonderbaar snel doen rijpen, en daarbij veel slechter gemaakt, dan gij u kunt voorstellen.”»Dat zou mij leed doen tot in den diepsten grond mijns harten,” antwoordde Orion. »Ik kan mijne houding met niets verontschuldigen, maar dat weet gij zelve wel, dat in de eerste plaats de wenschen onzer moeders...”»Ons voor elkander bestemden, wilt gij zeggen? Gij hebt gelijk. En hebt gij ook ter wille van vrouw Neforis mij toen onder de acacias in de armen genomen, mij uw éen en alles, uw hartediefje, uw rozenknopje genoemd? Hebt gij,”—en hier verhief zij hare stem en hare oogen fonkelden van hartstochtelijke opgewondenheid—»hebt gij,—en ziehier juist wat ik u vragen wilde en weten moet—hebt gij ook toen gelogen, of hadt ge mij ten minste in die enkele oogenblikken daar onder de boomen uit den grond uws harten lief, even lief als thans—ik mag haar naam niet noemen—als thans uwe ‘andere’? De waarheid, Orion, de volle waarheid, gij hebt het gezworen!”Hier sloten zich hare lippen, maar hare glinsterende, vochtige, vragende oogen zeiden hem duidelijk en klaar, dat haar hart hem nog altijd behoorde, dat zij staat maakte op zijne edelmoedigheid en een bevestigend antwoord verwachtte. Zij drukte haar gevulden arm tegen hare borst, als wilde zij op deze wijze het onstuimig kloppen van haar hart beteugelen. Haar fijn gelaat werd met een nu eens donkeren, dan weder lichteren blos gekleurd. Haar kleine mond, die zoo even nog zulke bittere woorden had gesproken, lachte, als ware hij bereid eene zoete belooning te schenken voor het vertroostend, bemoedigend woord, waarnaar haar gansche wezen smachtte, en de verstandige oogen, waarin nu tranen welden, lieten niet af zoo innig en roerend te smeeken! Welk een betooverend beeld van hulpelooze, liefdevolle, genade smeekende jeugd en lieftalligheid!»Evenzoo lief als die ‘andere’!” en »gij hebt het gezworen!” bleef het voortklinken in ’s jonkmans ooren. Zijn teergevoelig hart dreef hem aan om weder goed te maken, wat hij tegen dit aanminnige, ongelukkige, jonge schepseltje misdreven had; maar dat »evenzoo lief als die ‘andere’!” en »gij hebt het gezworen!” gaven hem kracht standvastig te blijven. Hij die zich hier geroepen gevoelde medelijden te hebben en te troosten, strekte de handen naar haar uit, als smeekte hijzelf om hulp, zeggende: »Ja, Katharina, zoo aanminnig, zoo betooverend als thans zijt gij ook toen geweest; maar ik... Hoe goed ik ook voor u was, er is nu eenmaal eene groote liefde, die mijn gansche wezen vervult... Laat buiten spel, wat later gebeurd is... Stel uwe vraag alleen wat anders, doe haar nog eens, of veroorloof mij u te zeggen...”Maar hem bleef geen tijd om verder te spreken; want vóor hij haar kon terughouden, was zij hem voorbij gesneld en als een vluchtend wild naar buiten gevlogen, naar de visschershaven.
DERDE HOOFDSTUK.Orion had er tegen opgezien om met zijne moeder naar huis terug te rijden; maar Neforis was, nadat zij zich beklaagd had over de weduwe Susanna, die ook heden achter het vrouwenhek haar ongenoegen op eene in het oog vallende wijze had getoond, opzij gezonken en daarna vast ingeslapen. Met het hoofd geleund op den schouder van haar zoon bereikte zij het stadhouderlijk verblijf en Orions bezorgheid over de geliefde vrouw kreeg nieuw voedsel, toen het hem slechts met moeite gelukte haar te doen ontwaken. Hij voelde hoe zij als dronken waggelde, terwijl hij haar aan zijn arm niet naar de fonteinzaal maar naar het slaapvertrek voerde, waar zij verlangde wat te rusten. Nauwelijks had zij zich op de legerstede uitgestrekt of een diepe slaap overmande haar.Orion begaf zich vervolgens naar den juwelier Gamaliël, kocht van hem een zeer kostbaren en grooten, maar eenvoudig in goud gezetten diamant, en de broeder van den Israëliet nam op zich dezen mede te nemen naar Konstantinopel en hem daar te overhandigen aan de weduwe Heliodora, die bovendien tot zijne klanten behoorde. In het woonvertrek van den juwelier schreef Orion vervolgens een brief aan zijne voormalige geliefde, waarin hij haar in warme en dringende woorden bad, den diamant aan te nemen en hem daarvoor den smaragd naar Memphis terug te zenden door een betrouwbaren ijlbode, dien de goudsmid Simeon van al het noodige zou voorzien.Vermoeid en hongerig gebruikte hij wat later dan gewoonlijk het middagmaal, evenals sedert de laatste dagen alleen met de Griekin Eudoxia, de opvoedster van Maria. Het kind mocht de kamer nog niet verlaten, tot groote vreugde van de paedagoge, althans in éen opzicht; want het maaltijden onder vier oogen met den schoonen jongeling was voor haar bedaagd gemoed een buitengewoon genot. Hoe beleefd was het, dat deze rijke en aanzienlijke erfgenaam den slaven een wenk gaf om haar vóorhem te bedienen; hoe vriendelijk, als hij geduldig naar haar luisterde, wanneer zij vertelde van de aanzienlijke huizen, waar zij vroeger onderwijs had gegeven! Zij zou voor haar dischgenoot in den dood zijn gegaan; daar zich echter geene gelegenheid aanbood voor zulk eene zelfopoffering, verzuimde zij althans niet hem opmerkzaam te maken op de beste brokjes en te zorgen voor versche bloemen op zijne kamer.Voor het overige trok zij zich op hoogst verdienstelijke wijze en met zelfverloochenende liefde hare leerlinge aan, sedert deze krank was, haar grootmoeder het hart van Maria had afgewend, en zij had opgemerkt dat Orion met vaderlijke liefde zich aan de kleine nicht liet gelegen liggen. De jongeling had heden nog geen tijd gevonden om naar Maria te vragen, en de mededeeling van Eudoxia, dat zij zich minder rustig dan gisteren toonde, maakte hem zoo bezorgd, dat hij, wat de Griekin er ook tegen in bracht, zonder het nagerecht af te wachten opstond, om zelf naar de kleine kranke te gaan zien.Hij klom werkelijk bezorgd de trap op. Er was zooveel dat hem bezwaarde, en terwijl hij Maria’s kamer naderde, moest hij zichzelven met een weemoedig lachje bekennen, dat hij, die in de residentie menig aanzienlijk man en menige zeer gevierde vrouw ontweken had, omdat zij aan zijne hooge eischen niet voldeden, hier buiten dit kind niemand had, van wie hij zeker kon zijn begrepen te zullen worden. Tusschen zijn kloppen en de uitnoodiging om binnen te komen verliep geruimen tijd, gedurende welke hij achter de deur haastig hoorde heen en weer loopen. Eindelijk vond hij Maria overeenkomstig het voorschrift van den arts op een divan naast het wijd geopende en goed beschaduwde venster. Hare legerstede was omgeven door bloeiende planten en op het tafeltje voor haar stonden twee groote bloemruikers, een half verwelkte en een frissche, die bijzonder fraai was.Wat was het kind in de laatste dagen veranderd! De ronding der wangen was verdwenen, en het geheele aardige smalle gezichtje werd als beheerscht door de bovendien bijzonder groote oogen, die thans nog sterker schitterden. Gisteren, toen zij zonder koorts was, had zij er bleek uitgezien, maar heden gloeiden hare wangen, en daarbij herhaalde zich dat trekken met de lippen en met den rechterschouder, dat sedert den sterfdag van haar grootvader begonnen was, zoo vaak, dat Orion zich bezorgd bij haar neerzette.»Is grootmoeder bij u geweest?” luidde zijn eerste vraag, doch het antwoord bestond slechts uit een treurig schudden met hethoofd. Alle nieuwe bloemen die de kamer versierden waren zijn geschenk, zoo ook de verwelkende ruiker. De andere,frissche, kwam niet van hem. Hij deed dus onderzoek naar den gever en was niet weinig verwonderd te zien, dat deze vraag zijne lieveling opnieuw onrustig maakte en in verwarring bracht. Daar moest iets bijzonders schuilen achter dien ruiker, dat lag voor de hand, en de jonge man, die hare overprikkelde zenuwen niet onnoodig wilde kwellen en zijne vraag ook niet weder intrekken kon, had er reeds spijt van haar gedaan te hebben, toen de ontdekking van een vederen waaier, die hij met de woorden: »ei, wat is dat?” opnam, hem uit de verlegenheid redde.Opnieuw vloog Maria het bloed naar het aangezicht, en terwijl zij hem met groote oogen smeekend aanzag, legde zij den vinger op den mond. Doch hij knikte haar toe, als wilde hij zeggen dat hij alles begreep, en vroeg zacht: »Was Katharina bij u?Zoo bindt de hovenier van Susanna de bloemen. Die waaier... Toen ik klopte... Is zij misschien nog hier?”Hij had juist geraden en Maria wees zwijgende op de deur van het aangrenzend vertrek.»Maar om godswil kind,” vroeg Orion met eene gedempte stem verder,»wat wil zij hier nog doen?”»Zij is heimelijk en in eene boot hier gekomen,” fluisterde het kind. »Door haar Anubis die op het rentmeesterskantoor is, heeft zij mij laten vragen of zij komen mocht. Zij kon het zonder mij niet langer uithouden, zij had mij toch geen kwaad gedaan. Toen heb ik ‘ja’ gezegd en zoodra ik daareven u aan het kloppen herkende, is zij een-twee-drie naar de slaapkamer gevlucht.”»En wanneer grootmoeder haar nu ontmoet?”»Ja dan—wat er dan van mij worden zal... Ach God, Orion als gij eens wist, hoe dat...”Over hare wangen biggelden twee dikke tranen, waarvan Orion de beteekenis maar al te goed begreep. Hij streek haar vriendelijk over de lokken en zeide zacht, terwijl hij telkens naar het slaapvertrek keek: »Ik ben eigenlijk gekomen om u veel van Paula te vertellen. Zij heeft u zoo lief en noodigt u uit om bij haar te komen en bij haar te blijven. Maar dat moet gij stil voor u houden, meisje, en aan niemand zeggen, ook niet aan Eudoxia en Katharina, want ik weet zelf nog niet hoe het gelukken zal van grootmoeder vergunning te krijgen. In elk geval moeten wij daarbij zeer verstandig en voorzichtig te werk gaan, begrijpt ge? Ik neem u thans maar in het vertrouwen, opdat gij bij voorbaat en ook bij nacht u daarop verheugen kunt, wanneer gij weder zoo dom zijt om als de hazen de oogen open te houden, in plaats van gerust te gaan slapen. Als alles meeloopt, dan zijt gij wellicht morgen—denk eens aan!—ja morgen reeds bij Paula. Eerst had ik de hoopreeds opgegeven om de zaak door te zetten, maar daareven—is het niet grappig?—pas een paar minuten geleden, heb ik tot mij zelven gezegd: ‘het zal wel gaan!’, en zoo moet het dus doorgezet worden.”Een vloed van tranen goot zich over Maria’s wangen uit; en hoewel er geen einde aan scheen te komen, zoo behoefde zij niet te snikken en haar borst bleef rustig. Ook hare lippen bewogen zich niet, maar uit hare vochtige, heldere oogen straalde zulk een overvloed van dankbaarheid en geluk, dat Orion de tranen in zijne eigene oogen voelde wellen en blijde was iets te vinden, waardoor hij zijne ontroering kon verbergen. Want toen Maria zijne rechterhand greep en daarop eene lange warme kus drukte, bevochtigden hare tranen zijne hand en riep hij: »Zie eens, geheel nat alsof zij uit een waterbekken kwam...”Verder bracht hij het niet, want opeens vloog de deur van de slaapkamer open, en de fijne, hooge stem der Griekin Eudoxia riep: »Maar waarom wilt gij nog langer tegenstribbelen? Maria zal er zeker blijde om zijn! Kind, kind, daar breng ik u uwe verlorene vriendin! Welk een verrassing!”Daarop verscheen het kwikstaartje, dat de opvoedster met alles behalve zacht geweld voor zich uit over den drempel duwde. Eudoxias gelaat straalde van zelfvoldoening, als had zij een heldendaad volbracht, toch verschrok zij een weinig, toen zij Orion hier nog aantrof.De gescheiden verloofden stonden tegenover elkander. Het gebeurde was niet weder goed te maken; doch behalve dat hij haar met eene afgemetene buiging ontving, en zij den waaier zachtkens voor haar gelaat heen en weer bewoog, om hare verlegenheid te verbergen, gebeurde er niets, wat een onkundige had kunnen opvallen. Ja, Katharina’s gezichtje nam een uitdagende uitdrukking aan, als hij vroeg naar zijn witte hondje, en zij recht koel antwoordde, dat zij het beest in den hoenderhof aan een ketting had gelegd, omdat de patriarch, haar gast, niet van honden hield.»Vele menschen vereert hij met dezelfde gevoeligheid,” antwoordde Orion.»Wanneer zij het verdienen,” antwoordde het kwikstaartje, zonder zich lang te bedenken.Op deze wijze werd het gesprek korten tijd voortgezet, doch de jonkman was noch in eene stemming om de hatelijkheden van het meisje lijdelijk aan te hooren noch om ze met gelijke munt te betalen, en daarom maakte hij zich tot vertrekken gereed. Doch voor hij afscheid had genomen, zeide Katharina, die uit het venster gezien en opgemerkt had hoe laag de zon reedsaan den hemel stond: »Lieve hemel, wat is het al laat! Ik moet weg, want aan den avonddisch mag ik niet gemist worden! Mijn boot ligt in de visschershaven bij de uwe. Is de deur van het rentmeesterskantoor nog niet gesloten?”Orion keek naar den stand der zon en zeide: »Het is heden Sanutius-dag!”»Dat weet ik!” zeide Katharina. »Juist daarom had Anubis heden middag vrij.”»En om dezelfde reden,” voegde Orion er bij, »is er in het kantoor geen schepsel meer aan den arbeid.”Dat was kwaad! Voor geen prijs wilde zij in het huis van den stadhouder gezien worden en nu begon zij, die uit de dagen van haar spelen met Maria elken schuilhoek van het paleis kende, te overleggen, en haar fijn gezichtje verkreeg daarbij eene voor Orion geheel vreemde, loerende uitdrukking, die hem mishaagde en tegelijk zijne bezorgdheid wekte, niet voor zichzelven, maar voor Maria, voor wie uit den omgang met deze speelgenoote niets goeds kon volgen. Dergelijke bezoeken moesten zich niet vaak herhalen. In hare tegenwoordigheid wilde hij er niet over spreken; maar aan Katharina moesten terstond de noodige wenken worden gegeven. Zonder zijne hulp kon zij niet ongemerkt buiten komen, en daarom brak hij hare overleggingen af, deelde haar mede dat hij den sleutel van het rentmeesterskantoor bij zich droeg, onderzocht of de voorzaal vrij was, en leidde haar terstond hierop door allerlei gangen in het met het woonhuis verbonden kantoor. Dit was op dit uur als uitgestorven, en toen Orion dicht naast haar voor de achterpoort stond, die uitkwam op den weg naar de visschershaven, en hij den sleutel reeds ophief, om die te openen, liet hij zijne hand weder zakken, en brak voor het eerst het stilzwijgen af, dat beiden gedurende dezen geheimen tocht in acht hadden genomen, en vroeg: »Wat drong u toch om naar Maria te gaan, Katharina? Zeg het mij eerlijk?”Haar hart, dat sneller klopte, sedert zij met hem alleen in het doodsche, van menschen verlaten, huis vertoefde, begon nu onstuimig te slaan en een groote angst overviel haar, zij wist zelve niet waarvoor. Zij was om velerlei redenen naar de stadhouderlijke woning gegaan, doch éene was van overwegend belang: Maria moest van haar vernemen, dat haar jonge oom en Paula elkander liefhadden; want het kind kon, gelijk zij uit ervaring wist, voor hare grootmoeder niets van belang verzwijgen, en dat vrouw Neforis Paula niet lijden mocht was een openbaar geheim. Zeker droeg deze nog geen kennis ervan, hoe ernstig haar zoon het meende met zijneverliefdheidop de Damasceensche; doch was vrouw Neforis eens hiervan onderricht, dan—daaraantwijfelde zij niet—dan zou zij niets onbeproefd laten om Orion van Paula af te houden. Zoo had zij dan de kleine ook medegedeeld, dat de lieden reeds vertelden hoe deze twee een gelukkig bruidspaar waren, en zijzelve had hen in den tuin van haar buurman zien minnekoozen. Tot hare teleurstelling had Maria dit alles zeer gelaten aangehoord, en scheen het meisje er volstrekt niet door getroffen te worden. Toen Orion haar thans de vraag deed wat haar naar deze woning had gevoerd, kon zij maar éen antwoord geven: »Onweerstaanbaar verlangen naar de kleine Maria.”»Natuurlijk,” sprak de ander, »doch ik zou u willen verzoeken om aan uw vriendelijk verlangen niet te spoedig weer te voldoen. Uwe moeder laat hare boosheid tegen de mijne maar al te openlijk blijken, en deze zal nieuw voedsel ontvangen, wanneer zij verneemt dat wij u aanmoedigen om tegen haar wil te handelen. Misschien zult gij weldra in de gelegenheid zijn Maria meermalen te zien, maar juist dan verzoek ik u haar niet over dingen te spreken, die haar te veel opwinden. Gij hebt u kunnen overtuigen hoe prikkelbaar zij is en hoe zwak zij er uitziet. Haar jong hartje en haar wat al te vroeg ontwikkeld gevoels- en denkvermogen moeten tot rust komen, mogen niet door al te sterke indrukken opnieuw in beweging worden gebracht, en gij zijt in staat zulke indrukken te wekken. De patriarch is een vijand van mij en dit huis, en gij—ik zeg het niet om u te krenken—hebt hem in den afgeloopen nacht beluisterd en waarschijnlijk allerlei gewichtige dingen uit zijn mond vernomen en daaronder ook zoodanige, die mij en mijn huis betreffen”.Katharina stond doodsbleek tegenover den jongen man. Hij wist dat en op welk tijdstip zij den patriarch beluisterd had; de schrik hierover en het pijnlijk bewustzijn dat zij zichzelve in zijne oogen vernederd had, bracht haar in verwarring. Zij gevoelde zich overrompeld, beleedigd en bedreigd. Intusschen behield zij tegenwoordigheid van geest genoeg, om haar tegenpartij spoedig te antwoorden: »Maak u niet bezorgd! Ik zal niet wederkomen. Het zou bovendien niet geschied zijn, als ik had kunnen voorzien...”»Mij te ontmoeten?”»Misschien; maar beeld u hiervan niet te veel in!... Wat mijn luisteren aangaat... Nu ja, ik heb mij bij het venster geplaatst. Ik kon maar halve woorden verstaan van hetgeen binnen besproken werd; en wie komt niet in verzoeking te willen hooren, wat mannen van beteekenis met elkander verhandelen? Zulk een man, wanneer ik uw vader uitzonder, heb ik in Memphis niet weder ontmoet, sedert Memnon heenging. Wij vrouwen hebben nu eenmaal wat nieuwsgierigheid van moederEva geërfd; maar zoover brengen wij het zelden, dat wij in de kisten van onze gasten naar halsketenen gaan zoeken. Ik heb als misdadige weinig geluk, mijn lieve Orion! Reeds tweemaal verdiende ik die naam... Dank zij het grootmoedig en ruim gebruik, dat gij van mijne onervarenheid hebt gemaakt, heb ik zwaar, zoo verschrikkelijk zwaar gezondigd, dat het mij nog altijd mijne levensrust beneemt. Ditmaal mocht het vergeeflijker zijn, doch in beide gevallen werd ik betrapt, zooals gij weet.”»Uwe verwijten zijn rechtvaardig,” antwoordde Orion somber. »Maar meisje, wij hebben beiden het lot te danken, dat wij niet lang op den dwaalweg vertoefden. Reeds eenmaal heb ik u vergiffenis gevraagd en ik doe het nog eens. Dat voldoet u niet, ik zie het aan uw gelaat, en ik kan het u nauwelijks euvel duiden. Misschien is het u meer welkom, wanneer ik u andermaal beken, dat geen misdaad harder en gruwzamer kon bestraft worden dan de mijne.”»Zoo?” vroeg Katharina op gerekten toon, en ging daarop luchtig voort, terwijl zij met haar waaier speelde: »Maar gij ziet er waarlijk alles behalve geknakt uit, en het is u bovendien gelukt die bewuste ‘andere’,—Paula, als ik goed raad—voor u te winnen....”»Zwijg daarover!” zeide Orion zeer beslist, haar belettende verder te gaan, en bracht den sleutel reeds aan de deur, doch zij plaatste zich voor hem en zeide, hem met den vinger dreigende: »Het is dus zoo! Nu weet ik genoeg. Overigens hebt gij met uw plompe ‘zwijg daarover’ groot gelijk. Over uwe liefdesgeschiedenissen bekommer ik mij niet meer, doch naar iets anders mag ik wel vragen, want het gaat mij alleen aan. Hoe hebt gij over onze heg heen kunnen zien? Anubis is nauwelijks een hoofd kleiner dan gij...”»En hij heeft er voor u de proef eens van genomen?” haastte hij zich te zeggen, waarbij hij zich niet onthouden kon te lachen, daar hij inzag dat zijn oprecht gemeende ernst bij Katharina zeer misplaatst was. »Ondanks uwe loffelijke voorzorg verzoek ik u het volgende voor toekomstige gevallen wel ter harte te nemen. Wat voor Anubis geldt past niet op iedereen, en behalve voetgangers zijn er ook slanke lieden op hooge paarden.”»Gij zijt dus die nachtelijke ruiter geweest!”»Die het niet nalaten kon naar uw venster op te zien.”Bij deze woorden deed zij verschrikt eene schrede achterwaarts; haar oog verhelderde, maar slechts voor een oogenblik; daarop vroeg zij scherp, terwijl zij met beide handen de veeren van haar waaier samenkneep: »Moet dat spot zijn?”»Stellig niet,” antwoordde hij gelaten, »want ofschoon gij grond genoeg hebt om op mij verstoord te zijn...”»Zoo heb ik u tot heden niet den minsten grond gegeven, zeker niet,” ging zij opgewonden voort, »ik ben de gekrenkte, mishandelde, ik geheel alleen, en gij moet toegeven, dat gij bij mij in schuld staat en ik het recht heb iets van u te verlangen.”»Doe het,” hernam Orion, »ik ben tot uw dienst.”Daarop zag zij hem vlak in het aangezicht en vroeg: »Vooreerst: hebt gij reeds verder verteld dat ik...”»Dat gij geluisterd heb? Neen—aan geen levende ziel.”»En belooft ge mij het niet te zullen verraden?”»Gaarne!—Wat moet op dit ‘vooreerst’ nu in de tweede plaats volgen?”Het antwoord op deze vraag liet op zich wachten, het viel het kwikstaartje zichtbaar zwaar het te geven; doch eindelijk begon zij met neergeslagen oogen: »Ik zou wel... Maar gij zult mij voor dwazer houden dan ik werkelijk ben; intusschen... Ja ik vraag het u toch, al haalt het mij eene nieuwe vernedering op den hals.—De waarheid wil ik weten, en als u nog iets heilig is, dan moet ge mij, voor ik u deze vraag doe, bij het heiligste zweren, dat ge mij juist zoo zult antwoorden, als ware ik geen kinderachtig meisje, maar—verstaat gij?—als ware ik de hoogste rechter ten jongsten dage!”»Wat klinkt dat plechtig!” hernam Orion.—»Vergun mij echter op te merken, dat er vragen zijn, die ons niet alleen betreffen, en wanneer gij mij de zoodanigen..”»Neen, neen,” antwoordde Katharina, »wat ik bedoel gaat u en mij alleen aan.”»Dan zie ik geen reden, waarom ik u niet ter wille zou zijn,” zeide de andere weder. »Doch ik zou u een wederdienst willen vragen. Evenals u komt het ook mij wenschelijk voor te weten, waarover een man van zooveel beteekenis als de patriarch met een ander spreekt, en daar ik mij ter uwer beschikking stel...”»Ik dacht,” zeide zij, hem lachende in de rede vallende, »dat gij er allereerst belang in zoudt stellen uw schuld aan mij althans voor een deel af te doen. Doch ik verlang geene buitengewone grootmoedigheid, en het weinige wat ik heb kunnen afluisteren is spoedig verteld. Het zal u bovendien tamelijk onverschillig zijn... Ik vervul dus uw wensch, en gij belooft mij daarentegen...”»De volle waarheid te zeggen.”»Zoo stellig als gij op vergeving van zonden hoopt?”»Zoo waar ik dit hoop!”»Dat is goed!”»Wat verlangt gij dan nu te hooren?”Zij schudde het hoofd en zeide angstig: »Nog niet, neen, neen, zoo kan het niet gaan! Laat mij het eerst aan de beurt,en doe dan de deur open. Als ik weg wil, moet ge mij laten loopen, zonder een woord verder te spreken of te vragen. Haal mij een zetel, ik moet een oogenblik gaan zitten.”En zij scheen inderdaad rust noodig te hebben, want sedert de laatste oogenblikken zag zij er bleek en afgemat uit en hare vingers beefden, terwijl zij het gelaat met een doekje afveegde. Zoodra zij plaats genomen had, begon zij te vertellen, en terwijl zij haastig en op onverschilligen toon sprak, als gold het niets bijzonders, hoorde Orion haar in groote spanning aan, want wat hij vernam, was voor hem bijzonder belangrijk.Men had hem op bevel van den patriarch nagegaan. Deze was reeds omstreeks middernacht te weten gekomen, dat hij in Fostat was geweest en daar den Arabischen veldheer had opgezocht. Anders was er niets over hem gezegd, alleen had men de vrees geuit, dat hij het plan bij zich omdroeg het geloof zijns vaders af te zweren en tot de ongeloovigen over te gaan. Van meer gewicht was, wat Orion te weten kwam omtrent de onderhandelingen van den prelaat met den vertegenwoordiger van den Kalief. Deze had aangedrongen op de vermindering van kloosters, van monniken en nonnen, die van vrome stichtingen en geschenken leefden, naar den regel van Pachomius allerlei handwerken uitoefenden, en omdat zij niet in hun onderhoud behoefden te voorzien in staat waren de meeste voorwerpen voor het dagelijksch leven, van de matten in huis tot de schoenen voor de voeten, veel goedkooper te leveren dan de gewone handwerkers in stad en land. Het grootste deel van die arme lieden was bij zulk eene concurrentie reeds ondergegaan, en Amr, die zag dat ook de Arabische handwerkslieden, de lederwerkers, de wevers, de touwslagers en dergelijken met hetzelfde lot bedreigd werden, had besloten een flinken greep in dien kloosterarbeid te doen, en deze zeer te beperken. De patriarch had met taaie en krachtige volharding zich hiertegen verzet, maar ten slotte had hij toch bijna de helft der monniken- en nonnencoenobiën prijs moeten geven. Hij had echter niets afgestaan om niet, want Benjamin wist al te goed hoe groote hinderpalen hij als hoofd der nieuwe kerk der regeering in den weg kon leggen. Het was aan den patriarch dus overgelaten om zelf de kloosters aan te wijzen, die tot opheffing bestemd werden, en de prelaat had natuurlijk allereerst de hand gelegd op de laatste Melchietische coenobiën, en onder dezen ook op het Caecilia-klooster naast het huis van Rufinus.Deze inrichting moest reeds binnen drie dagen ontruimd worden en vervallen aan de Jacobietische kerk. Dit moest in alle stilte geschieden, daar men thans, terwijl ieder in koortsachtige spanning verkeerde over het uitblijven van het wassenvan den Nijl, te vreezen had, dat het arme volk van Memphis in de bres zou springen voor de rijke zusters, aan wie het zoovele weldaden, zulk eene vriendelijke verpleging te danken had. Ook van den senaat der stad had men verzet te verwachten tegen een maatregel, die de gestorven Mukaukas als onrechtmatig en nadeelig voor het algemeen belang had afgekeurd. De verdrevene orthodoxe nonnen zouden als leekenzusters, zooals zulks meermalen pleegde te geschieden, bij Jacobietische kloosters worden ingedeeld, doch de abdis moest naar een afgelegen Ethiopisch coenobium worden vervoerd, waar geen mogelijkheid was om te ontvluchten, daar zij én door hare hooge afkomst én door haar kennis én door haren uitgebreiden invloed gemakkelijk de kerkvorsten van het geheele oosten tegen Benjamin in opstand zou kunnen brengen, wanneer men haar vrij liet.Dit geheele verhaal had maar enkele oogenblikken in beslag genomen en werd met tamelijke onverschilligheid medegedeeld. Wat gingen Katharina, wat Orion, een broeder van twee slachtoffers der Melchietische geweldenarij, de opheffing van orthodoxe kloosters en de verdrijving van kettersche nonnen aan?Orion liet ook niet blijken hoezeer het medegedeelde hem ter harte ging en toen Katharina eindelijk opstond en uitgeput naar het slot van de deur wees, zeide zij alleen, als had zij er spijt van zooveel tijd verbeuzeld te hebben: »Dat is in hoofdzaak alles.”»Alles?” herhaalde Orion, terwijl hij het slot opende.»Stellig en zeker alles,” antwoordde zij angstvallig.»Wat ik u vragen wilde.... of ik het te weten kom of niet.... het kan mij niet schelen.... Ja, het ware wellicht beter .... O zeker .... Laat mij heengaan!”Doch hij deed niet wat zij verlangde, maar zeide vriendelijk: »Vraag maar, ik antwoord gaarne.”»Gaarne?” herhaalde zij, ongeloovig de schouders ophalende. »Eigenlijk moet gij u toch niet op uw gemak gevoelen, wanneer gij mij aanziet; maar het gaat in Memphis en op de wereld nu eenmaal niet toe zooals het behoort. Want wat bekommert gij mannen er u over wat gij van een arm meisje gemaakt hebt? Meen niet dat ik u verwijten wil doen, God beware mij! Ik ben niet eens boos op u. Zoo iemand, dan kan ik het gebeurde wel dragen. Denkt gij het ook niet? Aan mij is het best besteed; het kan mij niet deren! Ik ben zeer rijk en niet leelijk, en er zullen nog wel honderd komen, die naar mijne hand dingen. O, ik ben een benijdenswaardig schepsel! Eén vrijer heb ik reeds gehad, en de eerstvolgende zal in elk geval trouwer zijn en mij niet zoo koel opzij schuiven als de eerste; denkt gij dat ook niet?”»Ik hoop het,” antwoordde Orion ernstig, »hoe bitter de drank ook is die gij mij reikt...”»Nu?”»Zoo kan ik toch slechts herhalen, dat ik dien drinken moet, omdat ik ongelijk heb. Niets zou mij hartelijker verblijden, dan dat ik althans in iets weder goed kon maken, wat ik jegens u heb misdaan.”»O neen!” zeide zij op minachtenden toon. »Zoover zullen onze wenschen zich niet uitstrekken. Tusschen ons is alles voorbij, en als gij ooit iets voor mij geweest zijt, thans zijt gij niets meer voor mij, volstrekt niets. Een stukje verleden hebben wij met elkander doorleefd; het was wel kort, maar—weet gij het ook?—het is zeer gewichtig voor mij geweest. Het heeft het jonge ding, dat gij gisteren nog, gelijk ik zeer goed weet, voor een echt kind hield, wonderbaar snel doen rijpen, en daarbij veel slechter gemaakt, dan gij u kunt voorstellen.”»Dat zou mij leed doen tot in den diepsten grond mijns harten,” antwoordde Orion. »Ik kan mijne houding met niets verontschuldigen, maar dat weet gij zelve wel, dat in de eerste plaats de wenschen onzer moeders...”»Ons voor elkander bestemden, wilt gij zeggen? Gij hebt gelijk. En hebt gij ook ter wille van vrouw Neforis mij toen onder de acacias in de armen genomen, mij uw éen en alles, uw hartediefje, uw rozenknopje genoemd? Hebt gij,”—en hier verhief zij hare stem en hare oogen fonkelden van hartstochtelijke opgewondenheid—»hebt gij,—en ziehier juist wat ik u vragen wilde en weten moet—hebt gij ook toen gelogen, of hadt ge mij ten minste in die enkele oogenblikken daar onder de boomen uit den grond uws harten lief, even lief als thans—ik mag haar naam niet noemen—als thans uwe ‘andere’? De waarheid, Orion, de volle waarheid, gij hebt het gezworen!”Hier sloten zich hare lippen, maar hare glinsterende, vochtige, vragende oogen zeiden hem duidelijk en klaar, dat haar hart hem nog altijd behoorde, dat zij staat maakte op zijne edelmoedigheid en een bevestigend antwoord verwachtte. Zij drukte haar gevulden arm tegen hare borst, als wilde zij op deze wijze het onstuimig kloppen van haar hart beteugelen. Haar fijn gelaat werd met een nu eens donkeren, dan weder lichteren blos gekleurd. Haar kleine mond, die zoo even nog zulke bittere woorden had gesproken, lachte, als ware hij bereid eene zoete belooning te schenken voor het vertroostend, bemoedigend woord, waarnaar haar gansche wezen smachtte, en de verstandige oogen, waarin nu tranen welden, lieten niet af zoo innig en roerend te smeeken! Welk een betooverend beeld van hulpelooze, liefdevolle, genade smeekende jeugd en lieftalligheid!»Evenzoo lief als die ‘andere’!” en »gij hebt het gezworen!” bleef het voortklinken in ’s jonkmans ooren. Zijn teergevoelig hart dreef hem aan om weder goed te maken, wat hij tegen dit aanminnige, ongelukkige, jonge schepseltje misdreven had; maar dat »evenzoo lief als die ‘andere’!” en »gij hebt het gezworen!” gaven hem kracht standvastig te blijven. Hij die zich hier geroepen gevoelde medelijden te hebben en te troosten, strekte de handen naar haar uit, als smeekte hijzelf om hulp, zeggende: »Ja, Katharina, zoo aanminnig, zoo betooverend als thans zijt gij ook toen geweest; maar ik... Hoe goed ik ook voor u was, er is nu eenmaal eene groote liefde, die mijn gansche wezen vervult... Laat buiten spel, wat later gebeurd is... Stel uwe vraag alleen wat anders, doe haar nog eens, of veroorloof mij u te zeggen...”Maar hem bleef geen tijd om verder te spreken; want vóor hij haar kon terughouden, was zij hem voorbij gesneld en als een vluchtend wild naar buiten gevlogen, naar de visschershaven.
DERDE HOOFDSTUK.Orion had er tegen opgezien om met zijne moeder naar huis terug te rijden; maar Neforis was, nadat zij zich beklaagd had over de weduwe Susanna, die ook heden achter het vrouwenhek haar ongenoegen op eene in het oog vallende wijze had getoond, opzij gezonken en daarna vast ingeslapen. Met het hoofd geleund op den schouder van haar zoon bereikte zij het stadhouderlijk verblijf en Orions bezorgheid over de geliefde vrouw kreeg nieuw voedsel, toen het hem slechts met moeite gelukte haar te doen ontwaken. Hij voelde hoe zij als dronken waggelde, terwijl hij haar aan zijn arm niet naar de fonteinzaal maar naar het slaapvertrek voerde, waar zij verlangde wat te rusten. Nauwelijks had zij zich op de legerstede uitgestrekt of een diepe slaap overmande haar.Orion begaf zich vervolgens naar den juwelier Gamaliël, kocht van hem een zeer kostbaren en grooten, maar eenvoudig in goud gezetten diamant, en de broeder van den Israëliet nam op zich dezen mede te nemen naar Konstantinopel en hem daar te overhandigen aan de weduwe Heliodora, die bovendien tot zijne klanten behoorde. In het woonvertrek van den juwelier schreef Orion vervolgens een brief aan zijne voormalige geliefde, waarin hij haar in warme en dringende woorden bad, den diamant aan te nemen en hem daarvoor den smaragd naar Memphis terug te zenden door een betrouwbaren ijlbode, dien de goudsmid Simeon van al het noodige zou voorzien.Vermoeid en hongerig gebruikte hij wat later dan gewoonlijk het middagmaal, evenals sedert de laatste dagen alleen met de Griekin Eudoxia, de opvoedster van Maria. Het kind mocht de kamer nog niet verlaten, tot groote vreugde van de paedagoge, althans in éen opzicht; want het maaltijden onder vier oogen met den schoonen jongeling was voor haar bedaagd gemoed een buitengewoon genot. Hoe beleefd was het, dat deze rijke en aanzienlijke erfgenaam den slaven een wenk gaf om haar vóorhem te bedienen; hoe vriendelijk, als hij geduldig naar haar luisterde, wanneer zij vertelde van de aanzienlijke huizen, waar zij vroeger onderwijs had gegeven! Zij zou voor haar dischgenoot in den dood zijn gegaan; daar zich echter geene gelegenheid aanbood voor zulk eene zelfopoffering, verzuimde zij althans niet hem opmerkzaam te maken op de beste brokjes en te zorgen voor versche bloemen op zijne kamer.Voor het overige trok zij zich op hoogst verdienstelijke wijze en met zelfverloochenende liefde hare leerlinge aan, sedert deze krank was, haar grootmoeder het hart van Maria had afgewend, en zij had opgemerkt dat Orion met vaderlijke liefde zich aan de kleine nicht liet gelegen liggen. De jongeling had heden nog geen tijd gevonden om naar Maria te vragen, en de mededeeling van Eudoxia, dat zij zich minder rustig dan gisteren toonde, maakte hem zoo bezorgd, dat hij, wat de Griekin er ook tegen in bracht, zonder het nagerecht af te wachten opstond, om zelf naar de kleine kranke te gaan zien.Hij klom werkelijk bezorgd de trap op. Er was zooveel dat hem bezwaarde, en terwijl hij Maria’s kamer naderde, moest hij zichzelven met een weemoedig lachje bekennen, dat hij, die in de residentie menig aanzienlijk man en menige zeer gevierde vrouw ontweken had, omdat zij aan zijne hooge eischen niet voldeden, hier buiten dit kind niemand had, van wie hij zeker kon zijn begrepen te zullen worden. Tusschen zijn kloppen en de uitnoodiging om binnen te komen verliep geruimen tijd, gedurende welke hij achter de deur haastig hoorde heen en weer loopen. Eindelijk vond hij Maria overeenkomstig het voorschrift van den arts op een divan naast het wijd geopende en goed beschaduwde venster. Hare legerstede was omgeven door bloeiende planten en op het tafeltje voor haar stonden twee groote bloemruikers, een half verwelkte en een frissche, die bijzonder fraai was.Wat was het kind in de laatste dagen veranderd! De ronding der wangen was verdwenen, en het geheele aardige smalle gezichtje werd als beheerscht door de bovendien bijzonder groote oogen, die thans nog sterker schitterden. Gisteren, toen zij zonder koorts was, had zij er bleek uitgezien, maar heden gloeiden hare wangen, en daarbij herhaalde zich dat trekken met de lippen en met den rechterschouder, dat sedert den sterfdag van haar grootvader begonnen was, zoo vaak, dat Orion zich bezorgd bij haar neerzette.»Is grootmoeder bij u geweest?” luidde zijn eerste vraag, doch het antwoord bestond slechts uit een treurig schudden met hethoofd. Alle nieuwe bloemen die de kamer versierden waren zijn geschenk, zoo ook de verwelkende ruiker. De andere,frissche, kwam niet van hem. Hij deed dus onderzoek naar den gever en was niet weinig verwonderd te zien, dat deze vraag zijne lieveling opnieuw onrustig maakte en in verwarring bracht. Daar moest iets bijzonders schuilen achter dien ruiker, dat lag voor de hand, en de jonge man, die hare overprikkelde zenuwen niet onnoodig wilde kwellen en zijne vraag ook niet weder intrekken kon, had er reeds spijt van haar gedaan te hebben, toen de ontdekking van een vederen waaier, die hij met de woorden: »ei, wat is dat?” opnam, hem uit de verlegenheid redde.Opnieuw vloog Maria het bloed naar het aangezicht, en terwijl zij hem met groote oogen smeekend aanzag, legde zij den vinger op den mond. Doch hij knikte haar toe, als wilde hij zeggen dat hij alles begreep, en vroeg zacht: »Was Katharina bij u?Zoo bindt de hovenier van Susanna de bloemen. Die waaier... Toen ik klopte... Is zij misschien nog hier?”Hij had juist geraden en Maria wees zwijgende op de deur van het aangrenzend vertrek.»Maar om godswil kind,” vroeg Orion met eene gedempte stem verder,»wat wil zij hier nog doen?”»Zij is heimelijk en in eene boot hier gekomen,” fluisterde het kind. »Door haar Anubis die op het rentmeesterskantoor is, heeft zij mij laten vragen of zij komen mocht. Zij kon het zonder mij niet langer uithouden, zij had mij toch geen kwaad gedaan. Toen heb ik ‘ja’ gezegd en zoodra ik daareven u aan het kloppen herkende, is zij een-twee-drie naar de slaapkamer gevlucht.”»En wanneer grootmoeder haar nu ontmoet?”»Ja dan—wat er dan van mij worden zal... Ach God, Orion als gij eens wist, hoe dat...”Over hare wangen biggelden twee dikke tranen, waarvan Orion de beteekenis maar al te goed begreep. Hij streek haar vriendelijk over de lokken en zeide zacht, terwijl hij telkens naar het slaapvertrek keek: »Ik ben eigenlijk gekomen om u veel van Paula te vertellen. Zij heeft u zoo lief en noodigt u uit om bij haar te komen en bij haar te blijven. Maar dat moet gij stil voor u houden, meisje, en aan niemand zeggen, ook niet aan Eudoxia en Katharina, want ik weet zelf nog niet hoe het gelukken zal van grootmoeder vergunning te krijgen. In elk geval moeten wij daarbij zeer verstandig en voorzichtig te werk gaan, begrijpt ge? Ik neem u thans maar in het vertrouwen, opdat gij bij voorbaat en ook bij nacht u daarop verheugen kunt, wanneer gij weder zoo dom zijt om als de hazen de oogen open te houden, in plaats van gerust te gaan slapen. Als alles meeloopt, dan zijt gij wellicht morgen—denk eens aan!—ja morgen reeds bij Paula. Eerst had ik de hoopreeds opgegeven om de zaak door te zetten, maar daareven—is het niet grappig?—pas een paar minuten geleden, heb ik tot mij zelven gezegd: ‘het zal wel gaan!’, en zoo moet het dus doorgezet worden.”Een vloed van tranen goot zich over Maria’s wangen uit; en hoewel er geen einde aan scheen te komen, zoo behoefde zij niet te snikken en haar borst bleef rustig. Ook hare lippen bewogen zich niet, maar uit hare vochtige, heldere oogen straalde zulk een overvloed van dankbaarheid en geluk, dat Orion de tranen in zijne eigene oogen voelde wellen en blijde was iets te vinden, waardoor hij zijne ontroering kon verbergen. Want toen Maria zijne rechterhand greep en daarop eene lange warme kus drukte, bevochtigden hare tranen zijne hand en riep hij: »Zie eens, geheel nat alsof zij uit een waterbekken kwam...”Verder bracht hij het niet, want opeens vloog de deur van de slaapkamer open, en de fijne, hooge stem der Griekin Eudoxia riep: »Maar waarom wilt gij nog langer tegenstribbelen? Maria zal er zeker blijde om zijn! Kind, kind, daar breng ik u uwe verlorene vriendin! Welk een verrassing!”Daarop verscheen het kwikstaartje, dat de opvoedster met alles behalve zacht geweld voor zich uit over den drempel duwde. Eudoxias gelaat straalde van zelfvoldoening, als had zij een heldendaad volbracht, toch verschrok zij een weinig, toen zij Orion hier nog aantrof.De gescheiden verloofden stonden tegenover elkander. Het gebeurde was niet weder goed te maken; doch behalve dat hij haar met eene afgemetene buiging ontving, en zij den waaier zachtkens voor haar gelaat heen en weer bewoog, om hare verlegenheid te verbergen, gebeurde er niets, wat een onkundige had kunnen opvallen. Ja, Katharina’s gezichtje nam een uitdagende uitdrukking aan, als hij vroeg naar zijn witte hondje, en zij recht koel antwoordde, dat zij het beest in den hoenderhof aan een ketting had gelegd, omdat de patriarch, haar gast, niet van honden hield.»Vele menschen vereert hij met dezelfde gevoeligheid,” antwoordde Orion.»Wanneer zij het verdienen,” antwoordde het kwikstaartje, zonder zich lang te bedenken.Op deze wijze werd het gesprek korten tijd voortgezet, doch de jonkman was noch in eene stemming om de hatelijkheden van het meisje lijdelijk aan te hooren noch om ze met gelijke munt te betalen, en daarom maakte hij zich tot vertrekken gereed. Doch voor hij afscheid had genomen, zeide Katharina, die uit het venster gezien en opgemerkt had hoe laag de zon reedsaan den hemel stond: »Lieve hemel, wat is het al laat! Ik moet weg, want aan den avonddisch mag ik niet gemist worden! Mijn boot ligt in de visschershaven bij de uwe. Is de deur van het rentmeesterskantoor nog niet gesloten?”Orion keek naar den stand der zon en zeide: »Het is heden Sanutius-dag!”»Dat weet ik!” zeide Katharina. »Juist daarom had Anubis heden middag vrij.”»En om dezelfde reden,” voegde Orion er bij, »is er in het kantoor geen schepsel meer aan den arbeid.”Dat was kwaad! Voor geen prijs wilde zij in het huis van den stadhouder gezien worden en nu begon zij, die uit de dagen van haar spelen met Maria elken schuilhoek van het paleis kende, te overleggen, en haar fijn gezichtje verkreeg daarbij eene voor Orion geheel vreemde, loerende uitdrukking, die hem mishaagde en tegelijk zijne bezorgdheid wekte, niet voor zichzelven, maar voor Maria, voor wie uit den omgang met deze speelgenoote niets goeds kon volgen. Dergelijke bezoeken moesten zich niet vaak herhalen. In hare tegenwoordigheid wilde hij er niet over spreken; maar aan Katharina moesten terstond de noodige wenken worden gegeven. Zonder zijne hulp kon zij niet ongemerkt buiten komen, en daarom brak hij hare overleggingen af, deelde haar mede dat hij den sleutel van het rentmeesterskantoor bij zich droeg, onderzocht of de voorzaal vrij was, en leidde haar terstond hierop door allerlei gangen in het met het woonhuis verbonden kantoor. Dit was op dit uur als uitgestorven, en toen Orion dicht naast haar voor de achterpoort stond, die uitkwam op den weg naar de visschershaven, en hij den sleutel reeds ophief, om die te openen, liet hij zijne hand weder zakken, en brak voor het eerst het stilzwijgen af, dat beiden gedurende dezen geheimen tocht in acht hadden genomen, en vroeg: »Wat drong u toch om naar Maria te gaan, Katharina? Zeg het mij eerlijk?”Haar hart, dat sneller klopte, sedert zij met hem alleen in het doodsche, van menschen verlaten, huis vertoefde, begon nu onstuimig te slaan en een groote angst overviel haar, zij wist zelve niet waarvoor. Zij was om velerlei redenen naar de stadhouderlijke woning gegaan, doch éene was van overwegend belang: Maria moest van haar vernemen, dat haar jonge oom en Paula elkander liefhadden; want het kind kon, gelijk zij uit ervaring wist, voor hare grootmoeder niets van belang verzwijgen, en dat vrouw Neforis Paula niet lijden mocht was een openbaar geheim. Zeker droeg deze nog geen kennis ervan, hoe ernstig haar zoon het meende met zijneverliefdheidop de Damasceensche; doch was vrouw Neforis eens hiervan onderricht, dan—daaraantwijfelde zij niet—dan zou zij niets onbeproefd laten om Orion van Paula af te houden. Zoo had zij dan de kleine ook medegedeeld, dat de lieden reeds vertelden hoe deze twee een gelukkig bruidspaar waren, en zijzelve had hen in den tuin van haar buurman zien minnekoozen. Tot hare teleurstelling had Maria dit alles zeer gelaten aangehoord, en scheen het meisje er volstrekt niet door getroffen te worden. Toen Orion haar thans de vraag deed wat haar naar deze woning had gevoerd, kon zij maar éen antwoord geven: »Onweerstaanbaar verlangen naar de kleine Maria.”»Natuurlijk,” sprak de ander, »doch ik zou u willen verzoeken om aan uw vriendelijk verlangen niet te spoedig weer te voldoen. Uwe moeder laat hare boosheid tegen de mijne maar al te openlijk blijken, en deze zal nieuw voedsel ontvangen, wanneer zij verneemt dat wij u aanmoedigen om tegen haar wil te handelen. Misschien zult gij weldra in de gelegenheid zijn Maria meermalen te zien, maar juist dan verzoek ik u haar niet over dingen te spreken, die haar te veel opwinden. Gij hebt u kunnen overtuigen hoe prikkelbaar zij is en hoe zwak zij er uitziet. Haar jong hartje en haar wat al te vroeg ontwikkeld gevoels- en denkvermogen moeten tot rust komen, mogen niet door al te sterke indrukken opnieuw in beweging worden gebracht, en gij zijt in staat zulke indrukken te wekken. De patriarch is een vijand van mij en dit huis, en gij—ik zeg het niet om u te krenken—hebt hem in den afgeloopen nacht beluisterd en waarschijnlijk allerlei gewichtige dingen uit zijn mond vernomen en daaronder ook zoodanige, die mij en mijn huis betreffen”.Katharina stond doodsbleek tegenover den jongen man. Hij wist dat en op welk tijdstip zij den patriarch beluisterd had; de schrik hierover en het pijnlijk bewustzijn dat zij zichzelve in zijne oogen vernederd had, bracht haar in verwarring. Zij gevoelde zich overrompeld, beleedigd en bedreigd. Intusschen behield zij tegenwoordigheid van geest genoeg, om haar tegenpartij spoedig te antwoorden: »Maak u niet bezorgd! Ik zal niet wederkomen. Het zou bovendien niet geschied zijn, als ik had kunnen voorzien...”»Mij te ontmoeten?”»Misschien; maar beeld u hiervan niet te veel in!... Wat mijn luisteren aangaat... Nu ja, ik heb mij bij het venster geplaatst. Ik kon maar halve woorden verstaan van hetgeen binnen besproken werd; en wie komt niet in verzoeking te willen hooren, wat mannen van beteekenis met elkander verhandelen? Zulk een man, wanneer ik uw vader uitzonder, heb ik in Memphis niet weder ontmoet, sedert Memnon heenging. Wij vrouwen hebben nu eenmaal wat nieuwsgierigheid van moederEva geërfd; maar zoover brengen wij het zelden, dat wij in de kisten van onze gasten naar halsketenen gaan zoeken. Ik heb als misdadige weinig geluk, mijn lieve Orion! Reeds tweemaal verdiende ik die naam... Dank zij het grootmoedig en ruim gebruik, dat gij van mijne onervarenheid hebt gemaakt, heb ik zwaar, zoo verschrikkelijk zwaar gezondigd, dat het mij nog altijd mijne levensrust beneemt. Ditmaal mocht het vergeeflijker zijn, doch in beide gevallen werd ik betrapt, zooals gij weet.”»Uwe verwijten zijn rechtvaardig,” antwoordde Orion somber. »Maar meisje, wij hebben beiden het lot te danken, dat wij niet lang op den dwaalweg vertoefden. Reeds eenmaal heb ik u vergiffenis gevraagd en ik doe het nog eens. Dat voldoet u niet, ik zie het aan uw gelaat, en ik kan het u nauwelijks euvel duiden. Misschien is het u meer welkom, wanneer ik u andermaal beken, dat geen misdaad harder en gruwzamer kon bestraft worden dan de mijne.”»Zoo?” vroeg Katharina op gerekten toon, en ging daarop luchtig voort, terwijl zij met haar waaier speelde: »Maar gij ziet er waarlijk alles behalve geknakt uit, en het is u bovendien gelukt die bewuste ‘andere’,—Paula, als ik goed raad—voor u te winnen....”»Zwijg daarover!” zeide Orion zeer beslist, haar belettende verder te gaan, en bracht den sleutel reeds aan de deur, doch zij plaatste zich voor hem en zeide, hem met den vinger dreigende: »Het is dus zoo! Nu weet ik genoeg. Overigens hebt gij met uw plompe ‘zwijg daarover’ groot gelijk. Over uwe liefdesgeschiedenissen bekommer ik mij niet meer, doch naar iets anders mag ik wel vragen, want het gaat mij alleen aan. Hoe hebt gij over onze heg heen kunnen zien? Anubis is nauwelijks een hoofd kleiner dan gij...”»En hij heeft er voor u de proef eens van genomen?” haastte hij zich te zeggen, waarbij hij zich niet onthouden kon te lachen, daar hij inzag dat zijn oprecht gemeende ernst bij Katharina zeer misplaatst was. »Ondanks uwe loffelijke voorzorg verzoek ik u het volgende voor toekomstige gevallen wel ter harte te nemen. Wat voor Anubis geldt past niet op iedereen, en behalve voetgangers zijn er ook slanke lieden op hooge paarden.”»Gij zijt dus die nachtelijke ruiter geweest!”»Die het niet nalaten kon naar uw venster op te zien.”Bij deze woorden deed zij verschrikt eene schrede achterwaarts; haar oog verhelderde, maar slechts voor een oogenblik; daarop vroeg zij scherp, terwijl zij met beide handen de veeren van haar waaier samenkneep: »Moet dat spot zijn?”»Stellig niet,” antwoordde hij gelaten, »want ofschoon gij grond genoeg hebt om op mij verstoord te zijn...”»Zoo heb ik u tot heden niet den minsten grond gegeven, zeker niet,” ging zij opgewonden voort, »ik ben de gekrenkte, mishandelde, ik geheel alleen, en gij moet toegeven, dat gij bij mij in schuld staat en ik het recht heb iets van u te verlangen.”»Doe het,” hernam Orion, »ik ben tot uw dienst.”Daarop zag zij hem vlak in het aangezicht en vroeg: »Vooreerst: hebt gij reeds verder verteld dat ik...”»Dat gij geluisterd heb? Neen—aan geen levende ziel.”»En belooft ge mij het niet te zullen verraden?”»Gaarne!—Wat moet op dit ‘vooreerst’ nu in de tweede plaats volgen?”Het antwoord op deze vraag liet op zich wachten, het viel het kwikstaartje zichtbaar zwaar het te geven; doch eindelijk begon zij met neergeslagen oogen: »Ik zou wel... Maar gij zult mij voor dwazer houden dan ik werkelijk ben; intusschen... Ja ik vraag het u toch, al haalt het mij eene nieuwe vernedering op den hals.—De waarheid wil ik weten, en als u nog iets heilig is, dan moet ge mij, voor ik u deze vraag doe, bij het heiligste zweren, dat ge mij juist zoo zult antwoorden, als ware ik geen kinderachtig meisje, maar—verstaat gij?—als ware ik de hoogste rechter ten jongsten dage!”»Wat klinkt dat plechtig!” hernam Orion.—»Vergun mij echter op te merken, dat er vragen zijn, die ons niet alleen betreffen, en wanneer gij mij de zoodanigen..”»Neen, neen,” antwoordde Katharina, »wat ik bedoel gaat u en mij alleen aan.”»Dan zie ik geen reden, waarom ik u niet ter wille zou zijn,” zeide de andere weder. »Doch ik zou u een wederdienst willen vragen. Evenals u komt het ook mij wenschelijk voor te weten, waarover een man van zooveel beteekenis als de patriarch met een ander spreekt, en daar ik mij ter uwer beschikking stel...”»Ik dacht,” zeide zij, hem lachende in de rede vallende, »dat gij er allereerst belang in zoudt stellen uw schuld aan mij althans voor een deel af te doen. Doch ik verlang geene buitengewone grootmoedigheid, en het weinige wat ik heb kunnen afluisteren is spoedig verteld. Het zal u bovendien tamelijk onverschillig zijn... Ik vervul dus uw wensch, en gij belooft mij daarentegen...”»De volle waarheid te zeggen.”»Zoo stellig als gij op vergeving van zonden hoopt?”»Zoo waar ik dit hoop!”»Dat is goed!”»Wat verlangt gij dan nu te hooren?”Zij schudde het hoofd en zeide angstig: »Nog niet, neen, neen, zoo kan het niet gaan! Laat mij het eerst aan de beurt,en doe dan de deur open. Als ik weg wil, moet ge mij laten loopen, zonder een woord verder te spreken of te vragen. Haal mij een zetel, ik moet een oogenblik gaan zitten.”En zij scheen inderdaad rust noodig te hebben, want sedert de laatste oogenblikken zag zij er bleek en afgemat uit en hare vingers beefden, terwijl zij het gelaat met een doekje afveegde. Zoodra zij plaats genomen had, begon zij te vertellen, en terwijl zij haastig en op onverschilligen toon sprak, als gold het niets bijzonders, hoorde Orion haar in groote spanning aan, want wat hij vernam, was voor hem bijzonder belangrijk.Men had hem op bevel van den patriarch nagegaan. Deze was reeds omstreeks middernacht te weten gekomen, dat hij in Fostat was geweest en daar den Arabischen veldheer had opgezocht. Anders was er niets over hem gezegd, alleen had men de vrees geuit, dat hij het plan bij zich omdroeg het geloof zijns vaders af te zweren en tot de ongeloovigen over te gaan. Van meer gewicht was, wat Orion te weten kwam omtrent de onderhandelingen van den prelaat met den vertegenwoordiger van den Kalief. Deze had aangedrongen op de vermindering van kloosters, van monniken en nonnen, die van vrome stichtingen en geschenken leefden, naar den regel van Pachomius allerlei handwerken uitoefenden, en omdat zij niet in hun onderhoud behoefden te voorzien in staat waren de meeste voorwerpen voor het dagelijksch leven, van de matten in huis tot de schoenen voor de voeten, veel goedkooper te leveren dan de gewone handwerkers in stad en land. Het grootste deel van die arme lieden was bij zulk eene concurrentie reeds ondergegaan, en Amr, die zag dat ook de Arabische handwerkslieden, de lederwerkers, de wevers, de touwslagers en dergelijken met hetzelfde lot bedreigd werden, had besloten een flinken greep in dien kloosterarbeid te doen, en deze zeer te beperken. De patriarch had met taaie en krachtige volharding zich hiertegen verzet, maar ten slotte had hij toch bijna de helft der monniken- en nonnencoenobiën prijs moeten geven. Hij had echter niets afgestaan om niet, want Benjamin wist al te goed hoe groote hinderpalen hij als hoofd der nieuwe kerk der regeering in den weg kon leggen. Het was aan den patriarch dus overgelaten om zelf de kloosters aan te wijzen, die tot opheffing bestemd werden, en de prelaat had natuurlijk allereerst de hand gelegd op de laatste Melchietische coenobiën, en onder dezen ook op het Caecilia-klooster naast het huis van Rufinus.Deze inrichting moest reeds binnen drie dagen ontruimd worden en vervallen aan de Jacobietische kerk. Dit moest in alle stilte geschieden, daar men thans, terwijl ieder in koortsachtige spanning verkeerde over het uitblijven van het wassenvan den Nijl, te vreezen had, dat het arme volk van Memphis in de bres zou springen voor de rijke zusters, aan wie het zoovele weldaden, zulk eene vriendelijke verpleging te danken had. Ook van den senaat der stad had men verzet te verwachten tegen een maatregel, die de gestorven Mukaukas als onrechtmatig en nadeelig voor het algemeen belang had afgekeurd. De verdrevene orthodoxe nonnen zouden als leekenzusters, zooals zulks meermalen pleegde te geschieden, bij Jacobietische kloosters worden ingedeeld, doch de abdis moest naar een afgelegen Ethiopisch coenobium worden vervoerd, waar geen mogelijkheid was om te ontvluchten, daar zij én door hare hooge afkomst én door haar kennis én door haren uitgebreiden invloed gemakkelijk de kerkvorsten van het geheele oosten tegen Benjamin in opstand zou kunnen brengen, wanneer men haar vrij liet.Dit geheele verhaal had maar enkele oogenblikken in beslag genomen en werd met tamelijke onverschilligheid medegedeeld. Wat gingen Katharina, wat Orion, een broeder van twee slachtoffers der Melchietische geweldenarij, de opheffing van orthodoxe kloosters en de verdrijving van kettersche nonnen aan?Orion liet ook niet blijken hoezeer het medegedeelde hem ter harte ging en toen Katharina eindelijk opstond en uitgeput naar het slot van de deur wees, zeide zij alleen, als had zij er spijt van zooveel tijd verbeuzeld te hebben: »Dat is in hoofdzaak alles.”»Alles?” herhaalde Orion, terwijl hij het slot opende.»Stellig en zeker alles,” antwoordde zij angstvallig.»Wat ik u vragen wilde.... of ik het te weten kom of niet.... het kan mij niet schelen.... Ja, het ware wellicht beter .... O zeker .... Laat mij heengaan!”Doch hij deed niet wat zij verlangde, maar zeide vriendelijk: »Vraag maar, ik antwoord gaarne.”»Gaarne?” herhaalde zij, ongeloovig de schouders ophalende. »Eigenlijk moet gij u toch niet op uw gemak gevoelen, wanneer gij mij aanziet; maar het gaat in Memphis en op de wereld nu eenmaal niet toe zooals het behoort. Want wat bekommert gij mannen er u over wat gij van een arm meisje gemaakt hebt? Meen niet dat ik u verwijten wil doen, God beware mij! Ik ben niet eens boos op u. Zoo iemand, dan kan ik het gebeurde wel dragen. Denkt gij het ook niet? Aan mij is het best besteed; het kan mij niet deren! Ik ben zeer rijk en niet leelijk, en er zullen nog wel honderd komen, die naar mijne hand dingen. O, ik ben een benijdenswaardig schepsel! Eén vrijer heb ik reeds gehad, en de eerstvolgende zal in elk geval trouwer zijn en mij niet zoo koel opzij schuiven als de eerste; denkt gij dat ook niet?”»Ik hoop het,” antwoordde Orion ernstig, »hoe bitter de drank ook is die gij mij reikt...”»Nu?”»Zoo kan ik toch slechts herhalen, dat ik dien drinken moet, omdat ik ongelijk heb. Niets zou mij hartelijker verblijden, dan dat ik althans in iets weder goed kon maken, wat ik jegens u heb misdaan.”»O neen!” zeide zij op minachtenden toon. »Zoover zullen onze wenschen zich niet uitstrekken. Tusschen ons is alles voorbij, en als gij ooit iets voor mij geweest zijt, thans zijt gij niets meer voor mij, volstrekt niets. Een stukje verleden hebben wij met elkander doorleefd; het was wel kort, maar—weet gij het ook?—het is zeer gewichtig voor mij geweest. Het heeft het jonge ding, dat gij gisteren nog, gelijk ik zeer goed weet, voor een echt kind hield, wonderbaar snel doen rijpen, en daarbij veel slechter gemaakt, dan gij u kunt voorstellen.”»Dat zou mij leed doen tot in den diepsten grond mijns harten,” antwoordde Orion. »Ik kan mijne houding met niets verontschuldigen, maar dat weet gij zelve wel, dat in de eerste plaats de wenschen onzer moeders...”»Ons voor elkander bestemden, wilt gij zeggen? Gij hebt gelijk. En hebt gij ook ter wille van vrouw Neforis mij toen onder de acacias in de armen genomen, mij uw éen en alles, uw hartediefje, uw rozenknopje genoemd? Hebt gij,”—en hier verhief zij hare stem en hare oogen fonkelden van hartstochtelijke opgewondenheid—»hebt gij,—en ziehier juist wat ik u vragen wilde en weten moet—hebt gij ook toen gelogen, of hadt ge mij ten minste in die enkele oogenblikken daar onder de boomen uit den grond uws harten lief, even lief als thans—ik mag haar naam niet noemen—als thans uwe ‘andere’? De waarheid, Orion, de volle waarheid, gij hebt het gezworen!”Hier sloten zich hare lippen, maar hare glinsterende, vochtige, vragende oogen zeiden hem duidelijk en klaar, dat haar hart hem nog altijd behoorde, dat zij staat maakte op zijne edelmoedigheid en een bevestigend antwoord verwachtte. Zij drukte haar gevulden arm tegen hare borst, als wilde zij op deze wijze het onstuimig kloppen van haar hart beteugelen. Haar fijn gelaat werd met een nu eens donkeren, dan weder lichteren blos gekleurd. Haar kleine mond, die zoo even nog zulke bittere woorden had gesproken, lachte, als ware hij bereid eene zoete belooning te schenken voor het vertroostend, bemoedigend woord, waarnaar haar gansche wezen smachtte, en de verstandige oogen, waarin nu tranen welden, lieten niet af zoo innig en roerend te smeeken! Welk een betooverend beeld van hulpelooze, liefdevolle, genade smeekende jeugd en lieftalligheid!»Evenzoo lief als die ‘andere’!” en »gij hebt het gezworen!” bleef het voortklinken in ’s jonkmans ooren. Zijn teergevoelig hart dreef hem aan om weder goed te maken, wat hij tegen dit aanminnige, ongelukkige, jonge schepseltje misdreven had; maar dat »evenzoo lief als die ‘andere’!” en »gij hebt het gezworen!” gaven hem kracht standvastig te blijven. Hij die zich hier geroepen gevoelde medelijden te hebben en te troosten, strekte de handen naar haar uit, als smeekte hijzelf om hulp, zeggende: »Ja, Katharina, zoo aanminnig, zoo betooverend als thans zijt gij ook toen geweest; maar ik... Hoe goed ik ook voor u was, er is nu eenmaal eene groote liefde, die mijn gansche wezen vervult... Laat buiten spel, wat later gebeurd is... Stel uwe vraag alleen wat anders, doe haar nog eens, of veroorloof mij u te zeggen...”Maar hem bleef geen tijd om verder te spreken; want vóor hij haar kon terughouden, was zij hem voorbij gesneld en als een vluchtend wild naar buiten gevlogen, naar de visschershaven.
DERDE HOOFDSTUK.
Orion had er tegen opgezien om met zijne moeder naar huis terug te rijden; maar Neforis was, nadat zij zich beklaagd had over de weduwe Susanna, die ook heden achter het vrouwenhek haar ongenoegen op eene in het oog vallende wijze had getoond, opzij gezonken en daarna vast ingeslapen. Met het hoofd geleund op den schouder van haar zoon bereikte zij het stadhouderlijk verblijf en Orions bezorgheid over de geliefde vrouw kreeg nieuw voedsel, toen het hem slechts met moeite gelukte haar te doen ontwaken. Hij voelde hoe zij als dronken waggelde, terwijl hij haar aan zijn arm niet naar de fonteinzaal maar naar het slaapvertrek voerde, waar zij verlangde wat te rusten. Nauwelijks had zij zich op de legerstede uitgestrekt of een diepe slaap overmande haar.Orion begaf zich vervolgens naar den juwelier Gamaliël, kocht van hem een zeer kostbaren en grooten, maar eenvoudig in goud gezetten diamant, en de broeder van den Israëliet nam op zich dezen mede te nemen naar Konstantinopel en hem daar te overhandigen aan de weduwe Heliodora, die bovendien tot zijne klanten behoorde. In het woonvertrek van den juwelier schreef Orion vervolgens een brief aan zijne voormalige geliefde, waarin hij haar in warme en dringende woorden bad, den diamant aan te nemen en hem daarvoor den smaragd naar Memphis terug te zenden door een betrouwbaren ijlbode, dien de goudsmid Simeon van al het noodige zou voorzien.Vermoeid en hongerig gebruikte hij wat later dan gewoonlijk het middagmaal, evenals sedert de laatste dagen alleen met de Griekin Eudoxia, de opvoedster van Maria. Het kind mocht de kamer nog niet verlaten, tot groote vreugde van de paedagoge, althans in éen opzicht; want het maaltijden onder vier oogen met den schoonen jongeling was voor haar bedaagd gemoed een buitengewoon genot. Hoe beleefd was het, dat deze rijke en aanzienlijke erfgenaam den slaven een wenk gaf om haar vóorhem te bedienen; hoe vriendelijk, als hij geduldig naar haar luisterde, wanneer zij vertelde van de aanzienlijke huizen, waar zij vroeger onderwijs had gegeven! Zij zou voor haar dischgenoot in den dood zijn gegaan; daar zich echter geene gelegenheid aanbood voor zulk eene zelfopoffering, verzuimde zij althans niet hem opmerkzaam te maken op de beste brokjes en te zorgen voor versche bloemen op zijne kamer.Voor het overige trok zij zich op hoogst verdienstelijke wijze en met zelfverloochenende liefde hare leerlinge aan, sedert deze krank was, haar grootmoeder het hart van Maria had afgewend, en zij had opgemerkt dat Orion met vaderlijke liefde zich aan de kleine nicht liet gelegen liggen. De jongeling had heden nog geen tijd gevonden om naar Maria te vragen, en de mededeeling van Eudoxia, dat zij zich minder rustig dan gisteren toonde, maakte hem zoo bezorgd, dat hij, wat de Griekin er ook tegen in bracht, zonder het nagerecht af te wachten opstond, om zelf naar de kleine kranke te gaan zien.Hij klom werkelijk bezorgd de trap op. Er was zooveel dat hem bezwaarde, en terwijl hij Maria’s kamer naderde, moest hij zichzelven met een weemoedig lachje bekennen, dat hij, die in de residentie menig aanzienlijk man en menige zeer gevierde vrouw ontweken had, omdat zij aan zijne hooge eischen niet voldeden, hier buiten dit kind niemand had, van wie hij zeker kon zijn begrepen te zullen worden. Tusschen zijn kloppen en de uitnoodiging om binnen te komen verliep geruimen tijd, gedurende welke hij achter de deur haastig hoorde heen en weer loopen. Eindelijk vond hij Maria overeenkomstig het voorschrift van den arts op een divan naast het wijd geopende en goed beschaduwde venster. Hare legerstede was omgeven door bloeiende planten en op het tafeltje voor haar stonden twee groote bloemruikers, een half verwelkte en een frissche, die bijzonder fraai was.Wat was het kind in de laatste dagen veranderd! De ronding der wangen was verdwenen, en het geheele aardige smalle gezichtje werd als beheerscht door de bovendien bijzonder groote oogen, die thans nog sterker schitterden. Gisteren, toen zij zonder koorts was, had zij er bleek uitgezien, maar heden gloeiden hare wangen, en daarbij herhaalde zich dat trekken met de lippen en met den rechterschouder, dat sedert den sterfdag van haar grootvader begonnen was, zoo vaak, dat Orion zich bezorgd bij haar neerzette.»Is grootmoeder bij u geweest?” luidde zijn eerste vraag, doch het antwoord bestond slechts uit een treurig schudden met hethoofd. Alle nieuwe bloemen die de kamer versierden waren zijn geschenk, zoo ook de verwelkende ruiker. De andere,frissche, kwam niet van hem. Hij deed dus onderzoek naar den gever en was niet weinig verwonderd te zien, dat deze vraag zijne lieveling opnieuw onrustig maakte en in verwarring bracht. Daar moest iets bijzonders schuilen achter dien ruiker, dat lag voor de hand, en de jonge man, die hare overprikkelde zenuwen niet onnoodig wilde kwellen en zijne vraag ook niet weder intrekken kon, had er reeds spijt van haar gedaan te hebben, toen de ontdekking van een vederen waaier, die hij met de woorden: »ei, wat is dat?” opnam, hem uit de verlegenheid redde.Opnieuw vloog Maria het bloed naar het aangezicht, en terwijl zij hem met groote oogen smeekend aanzag, legde zij den vinger op den mond. Doch hij knikte haar toe, als wilde hij zeggen dat hij alles begreep, en vroeg zacht: »Was Katharina bij u?Zoo bindt de hovenier van Susanna de bloemen. Die waaier... Toen ik klopte... Is zij misschien nog hier?”Hij had juist geraden en Maria wees zwijgende op de deur van het aangrenzend vertrek.»Maar om godswil kind,” vroeg Orion met eene gedempte stem verder,»wat wil zij hier nog doen?”»Zij is heimelijk en in eene boot hier gekomen,” fluisterde het kind. »Door haar Anubis die op het rentmeesterskantoor is, heeft zij mij laten vragen of zij komen mocht. Zij kon het zonder mij niet langer uithouden, zij had mij toch geen kwaad gedaan. Toen heb ik ‘ja’ gezegd en zoodra ik daareven u aan het kloppen herkende, is zij een-twee-drie naar de slaapkamer gevlucht.”»En wanneer grootmoeder haar nu ontmoet?”»Ja dan—wat er dan van mij worden zal... Ach God, Orion als gij eens wist, hoe dat...”Over hare wangen biggelden twee dikke tranen, waarvan Orion de beteekenis maar al te goed begreep. Hij streek haar vriendelijk over de lokken en zeide zacht, terwijl hij telkens naar het slaapvertrek keek: »Ik ben eigenlijk gekomen om u veel van Paula te vertellen. Zij heeft u zoo lief en noodigt u uit om bij haar te komen en bij haar te blijven. Maar dat moet gij stil voor u houden, meisje, en aan niemand zeggen, ook niet aan Eudoxia en Katharina, want ik weet zelf nog niet hoe het gelukken zal van grootmoeder vergunning te krijgen. In elk geval moeten wij daarbij zeer verstandig en voorzichtig te werk gaan, begrijpt ge? Ik neem u thans maar in het vertrouwen, opdat gij bij voorbaat en ook bij nacht u daarop verheugen kunt, wanneer gij weder zoo dom zijt om als de hazen de oogen open te houden, in plaats van gerust te gaan slapen. Als alles meeloopt, dan zijt gij wellicht morgen—denk eens aan!—ja morgen reeds bij Paula. Eerst had ik de hoopreeds opgegeven om de zaak door te zetten, maar daareven—is het niet grappig?—pas een paar minuten geleden, heb ik tot mij zelven gezegd: ‘het zal wel gaan!’, en zoo moet het dus doorgezet worden.”Een vloed van tranen goot zich over Maria’s wangen uit; en hoewel er geen einde aan scheen te komen, zoo behoefde zij niet te snikken en haar borst bleef rustig. Ook hare lippen bewogen zich niet, maar uit hare vochtige, heldere oogen straalde zulk een overvloed van dankbaarheid en geluk, dat Orion de tranen in zijne eigene oogen voelde wellen en blijde was iets te vinden, waardoor hij zijne ontroering kon verbergen. Want toen Maria zijne rechterhand greep en daarop eene lange warme kus drukte, bevochtigden hare tranen zijne hand en riep hij: »Zie eens, geheel nat alsof zij uit een waterbekken kwam...”Verder bracht hij het niet, want opeens vloog de deur van de slaapkamer open, en de fijne, hooge stem der Griekin Eudoxia riep: »Maar waarom wilt gij nog langer tegenstribbelen? Maria zal er zeker blijde om zijn! Kind, kind, daar breng ik u uwe verlorene vriendin! Welk een verrassing!”Daarop verscheen het kwikstaartje, dat de opvoedster met alles behalve zacht geweld voor zich uit over den drempel duwde. Eudoxias gelaat straalde van zelfvoldoening, als had zij een heldendaad volbracht, toch verschrok zij een weinig, toen zij Orion hier nog aantrof.De gescheiden verloofden stonden tegenover elkander. Het gebeurde was niet weder goed te maken; doch behalve dat hij haar met eene afgemetene buiging ontving, en zij den waaier zachtkens voor haar gelaat heen en weer bewoog, om hare verlegenheid te verbergen, gebeurde er niets, wat een onkundige had kunnen opvallen. Ja, Katharina’s gezichtje nam een uitdagende uitdrukking aan, als hij vroeg naar zijn witte hondje, en zij recht koel antwoordde, dat zij het beest in den hoenderhof aan een ketting had gelegd, omdat de patriarch, haar gast, niet van honden hield.»Vele menschen vereert hij met dezelfde gevoeligheid,” antwoordde Orion.»Wanneer zij het verdienen,” antwoordde het kwikstaartje, zonder zich lang te bedenken.Op deze wijze werd het gesprek korten tijd voortgezet, doch de jonkman was noch in eene stemming om de hatelijkheden van het meisje lijdelijk aan te hooren noch om ze met gelijke munt te betalen, en daarom maakte hij zich tot vertrekken gereed. Doch voor hij afscheid had genomen, zeide Katharina, die uit het venster gezien en opgemerkt had hoe laag de zon reedsaan den hemel stond: »Lieve hemel, wat is het al laat! Ik moet weg, want aan den avonddisch mag ik niet gemist worden! Mijn boot ligt in de visschershaven bij de uwe. Is de deur van het rentmeesterskantoor nog niet gesloten?”Orion keek naar den stand der zon en zeide: »Het is heden Sanutius-dag!”»Dat weet ik!” zeide Katharina. »Juist daarom had Anubis heden middag vrij.”»En om dezelfde reden,” voegde Orion er bij, »is er in het kantoor geen schepsel meer aan den arbeid.”Dat was kwaad! Voor geen prijs wilde zij in het huis van den stadhouder gezien worden en nu begon zij, die uit de dagen van haar spelen met Maria elken schuilhoek van het paleis kende, te overleggen, en haar fijn gezichtje verkreeg daarbij eene voor Orion geheel vreemde, loerende uitdrukking, die hem mishaagde en tegelijk zijne bezorgdheid wekte, niet voor zichzelven, maar voor Maria, voor wie uit den omgang met deze speelgenoote niets goeds kon volgen. Dergelijke bezoeken moesten zich niet vaak herhalen. In hare tegenwoordigheid wilde hij er niet over spreken; maar aan Katharina moesten terstond de noodige wenken worden gegeven. Zonder zijne hulp kon zij niet ongemerkt buiten komen, en daarom brak hij hare overleggingen af, deelde haar mede dat hij den sleutel van het rentmeesterskantoor bij zich droeg, onderzocht of de voorzaal vrij was, en leidde haar terstond hierop door allerlei gangen in het met het woonhuis verbonden kantoor. Dit was op dit uur als uitgestorven, en toen Orion dicht naast haar voor de achterpoort stond, die uitkwam op den weg naar de visschershaven, en hij den sleutel reeds ophief, om die te openen, liet hij zijne hand weder zakken, en brak voor het eerst het stilzwijgen af, dat beiden gedurende dezen geheimen tocht in acht hadden genomen, en vroeg: »Wat drong u toch om naar Maria te gaan, Katharina? Zeg het mij eerlijk?”Haar hart, dat sneller klopte, sedert zij met hem alleen in het doodsche, van menschen verlaten, huis vertoefde, begon nu onstuimig te slaan en een groote angst overviel haar, zij wist zelve niet waarvoor. Zij was om velerlei redenen naar de stadhouderlijke woning gegaan, doch éene was van overwegend belang: Maria moest van haar vernemen, dat haar jonge oom en Paula elkander liefhadden; want het kind kon, gelijk zij uit ervaring wist, voor hare grootmoeder niets van belang verzwijgen, en dat vrouw Neforis Paula niet lijden mocht was een openbaar geheim. Zeker droeg deze nog geen kennis ervan, hoe ernstig haar zoon het meende met zijneverliefdheidop de Damasceensche; doch was vrouw Neforis eens hiervan onderricht, dan—daaraantwijfelde zij niet—dan zou zij niets onbeproefd laten om Orion van Paula af te houden. Zoo had zij dan de kleine ook medegedeeld, dat de lieden reeds vertelden hoe deze twee een gelukkig bruidspaar waren, en zijzelve had hen in den tuin van haar buurman zien minnekoozen. Tot hare teleurstelling had Maria dit alles zeer gelaten aangehoord, en scheen het meisje er volstrekt niet door getroffen te worden. Toen Orion haar thans de vraag deed wat haar naar deze woning had gevoerd, kon zij maar éen antwoord geven: »Onweerstaanbaar verlangen naar de kleine Maria.”»Natuurlijk,” sprak de ander, »doch ik zou u willen verzoeken om aan uw vriendelijk verlangen niet te spoedig weer te voldoen. Uwe moeder laat hare boosheid tegen de mijne maar al te openlijk blijken, en deze zal nieuw voedsel ontvangen, wanneer zij verneemt dat wij u aanmoedigen om tegen haar wil te handelen. Misschien zult gij weldra in de gelegenheid zijn Maria meermalen te zien, maar juist dan verzoek ik u haar niet over dingen te spreken, die haar te veel opwinden. Gij hebt u kunnen overtuigen hoe prikkelbaar zij is en hoe zwak zij er uitziet. Haar jong hartje en haar wat al te vroeg ontwikkeld gevoels- en denkvermogen moeten tot rust komen, mogen niet door al te sterke indrukken opnieuw in beweging worden gebracht, en gij zijt in staat zulke indrukken te wekken. De patriarch is een vijand van mij en dit huis, en gij—ik zeg het niet om u te krenken—hebt hem in den afgeloopen nacht beluisterd en waarschijnlijk allerlei gewichtige dingen uit zijn mond vernomen en daaronder ook zoodanige, die mij en mijn huis betreffen”.Katharina stond doodsbleek tegenover den jongen man. Hij wist dat en op welk tijdstip zij den patriarch beluisterd had; de schrik hierover en het pijnlijk bewustzijn dat zij zichzelve in zijne oogen vernederd had, bracht haar in verwarring. Zij gevoelde zich overrompeld, beleedigd en bedreigd. Intusschen behield zij tegenwoordigheid van geest genoeg, om haar tegenpartij spoedig te antwoorden: »Maak u niet bezorgd! Ik zal niet wederkomen. Het zou bovendien niet geschied zijn, als ik had kunnen voorzien...”»Mij te ontmoeten?”»Misschien; maar beeld u hiervan niet te veel in!... Wat mijn luisteren aangaat... Nu ja, ik heb mij bij het venster geplaatst. Ik kon maar halve woorden verstaan van hetgeen binnen besproken werd; en wie komt niet in verzoeking te willen hooren, wat mannen van beteekenis met elkander verhandelen? Zulk een man, wanneer ik uw vader uitzonder, heb ik in Memphis niet weder ontmoet, sedert Memnon heenging. Wij vrouwen hebben nu eenmaal wat nieuwsgierigheid van moederEva geërfd; maar zoover brengen wij het zelden, dat wij in de kisten van onze gasten naar halsketenen gaan zoeken. Ik heb als misdadige weinig geluk, mijn lieve Orion! Reeds tweemaal verdiende ik die naam... Dank zij het grootmoedig en ruim gebruik, dat gij van mijne onervarenheid hebt gemaakt, heb ik zwaar, zoo verschrikkelijk zwaar gezondigd, dat het mij nog altijd mijne levensrust beneemt. Ditmaal mocht het vergeeflijker zijn, doch in beide gevallen werd ik betrapt, zooals gij weet.”»Uwe verwijten zijn rechtvaardig,” antwoordde Orion somber. »Maar meisje, wij hebben beiden het lot te danken, dat wij niet lang op den dwaalweg vertoefden. Reeds eenmaal heb ik u vergiffenis gevraagd en ik doe het nog eens. Dat voldoet u niet, ik zie het aan uw gelaat, en ik kan het u nauwelijks euvel duiden. Misschien is het u meer welkom, wanneer ik u andermaal beken, dat geen misdaad harder en gruwzamer kon bestraft worden dan de mijne.”»Zoo?” vroeg Katharina op gerekten toon, en ging daarop luchtig voort, terwijl zij met haar waaier speelde: »Maar gij ziet er waarlijk alles behalve geknakt uit, en het is u bovendien gelukt die bewuste ‘andere’,—Paula, als ik goed raad—voor u te winnen....”»Zwijg daarover!” zeide Orion zeer beslist, haar belettende verder te gaan, en bracht den sleutel reeds aan de deur, doch zij plaatste zich voor hem en zeide, hem met den vinger dreigende: »Het is dus zoo! Nu weet ik genoeg. Overigens hebt gij met uw plompe ‘zwijg daarover’ groot gelijk. Over uwe liefdesgeschiedenissen bekommer ik mij niet meer, doch naar iets anders mag ik wel vragen, want het gaat mij alleen aan. Hoe hebt gij over onze heg heen kunnen zien? Anubis is nauwelijks een hoofd kleiner dan gij...”»En hij heeft er voor u de proef eens van genomen?” haastte hij zich te zeggen, waarbij hij zich niet onthouden kon te lachen, daar hij inzag dat zijn oprecht gemeende ernst bij Katharina zeer misplaatst was. »Ondanks uwe loffelijke voorzorg verzoek ik u het volgende voor toekomstige gevallen wel ter harte te nemen. Wat voor Anubis geldt past niet op iedereen, en behalve voetgangers zijn er ook slanke lieden op hooge paarden.”»Gij zijt dus die nachtelijke ruiter geweest!”»Die het niet nalaten kon naar uw venster op te zien.”Bij deze woorden deed zij verschrikt eene schrede achterwaarts; haar oog verhelderde, maar slechts voor een oogenblik; daarop vroeg zij scherp, terwijl zij met beide handen de veeren van haar waaier samenkneep: »Moet dat spot zijn?”»Stellig niet,” antwoordde hij gelaten, »want ofschoon gij grond genoeg hebt om op mij verstoord te zijn...”»Zoo heb ik u tot heden niet den minsten grond gegeven, zeker niet,” ging zij opgewonden voort, »ik ben de gekrenkte, mishandelde, ik geheel alleen, en gij moet toegeven, dat gij bij mij in schuld staat en ik het recht heb iets van u te verlangen.”»Doe het,” hernam Orion, »ik ben tot uw dienst.”Daarop zag zij hem vlak in het aangezicht en vroeg: »Vooreerst: hebt gij reeds verder verteld dat ik...”»Dat gij geluisterd heb? Neen—aan geen levende ziel.”»En belooft ge mij het niet te zullen verraden?”»Gaarne!—Wat moet op dit ‘vooreerst’ nu in de tweede plaats volgen?”Het antwoord op deze vraag liet op zich wachten, het viel het kwikstaartje zichtbaar zwaar het te geven; doch eindelijk begon zij met neergeslagen oogen: »Ik zou wel... Maar gij zult mij voor dwazer houden dan ik werkelijk ben; intusschen... Ja ik vraag het u toch, al haalt het mij eene nieuwe vernedering op den hals.—De waarheid wil ik weten, en als u nog iets heilig is, dan moet ge mij, voor ik u deze vraag doe, bij het heiligste zweren, dat ge mij juist zoo zult antwoorden, als ware ik geen kinderachtig meisje, maar—verstaat gij?—als ware ik de hoogste rechter ten jongsten dage!”»Wat klinkt dat plechtig!” hernam Orion.—»Vergun mij echter op te merken, dat er vragen zijn, die ons niet alleen betreffen, en wanneer gij mij de zoodanigen..”»Neen, neen,” antwoordde Katharina, »wat ik bedoel gaat u en mij alleen aan.”»Dan zie ik geen reden, waarom ik u niet ter wille zou zijn,” zeide de andere weder. »Doch ik zou u een wederdienst willen vragen. Evenals u komt het ook mij wenschelijk voor te weten, waarover een man van zooveel beteekenis als de patriarch met een ander spreekt, en daar ik mij ter uwer beschikking stel...”»Ik dacht,” zeide zij, hem lachende in de rede vallende, »dat gij er allereerst belang in zoudt stellen uw schuld aan mij althans voor een deel af te doen. Doch ik verlang geene buitengewone grootmoedigheid, en het weinige wat ik heb kunnen afluisteren is spoedig verteld. Het zal u bovendien tamelijk onverschillig zijn... Ik vervul dus uw wensch, en gij belooft mij daarentegen...”»De volle waarheid te zeggen.”»Zoo stellig als gij op vergeving van zonden hoopt?”»Zoo waar ik dit hoop!”»Dat is goed!”»Wat verlangt gij dan nu te hooren?”Zij schudde het hoofd en zeide angstig: »Nog niet, neen, neen, zoo kan het niet gaan! Laat mij het eerst aan de beurt,en doe dan de deur open. Als ik weg wil, moet ge mij laten loopen, zonder een woord verder te spreken of te vragen. Haal mij een zetel, ik moet een oogenblik gaan zitten.”En zij scheen inderdaad rust noodig te hebben, want sedert de laatste oogenblikken zag zij er bleek en afgemat uit en hare vingers beefden, terwijl zij het gelaat met een doekje afveegde. Zoodra zij plaats genomen had, begon zij te vertellen, en terwijl zij haastig en op onverschilligen toon sprak, als gold het niets bijzonders, hoorde Orion haar in groote spanning aan, want wat hij vernam, was voor hem bijzonder belangrijk.Men had hem op bevel van den patriarch nagegaan. Deze was reeds omstreeks middernacht te weten gekomen, dat hij in Fostat was geweest en daar den Arabischen veldheer had opgezocht. Anders was er niets over hem gezegd, alleen had men de vrees geuit, dat hij het plan bij zich omdroeg het geloof zijns vaders af te zweren en tot de ongeloovigen over te gaan. Van meer gewicht was, wat Orion te weten kwam omtrent de onderhandelingen van den prelaat met den vertegenwoordiger van den Kalief. Deze had aangedrongen op de vermindering van kloosters, van monniken en nonnen, die van vrome stichtingen en geschenken leefden, naar den regel van Pachomius allerlei handwerken uitoefenden, en omdat zij niet in hun onderhoud behoefden te voorzien in staat waren de meeste voorwerpen voor het dagelijksch leven, van de matten in huis tot de schoenen voor de voeten, veel goedkooper te leveren dan de gewone handwerkers in stad en land. Het grootste deel van die arme lieden was bij zulk eene concurrentie reeds ondergegaan, en Amr, die zag dat ook de Arabische handwerkslieden, de lederwerkers, de wevers, de touwslagers en dergelijken met hetzelfde lot bedreigd werden, had besloten een flinken greep in dien kloosterarbeid te doen, en deze zeer te beperken. De patriarch had met taaie en krachtige volharding zich hiertegen verzet, maar ten slotte had hij toch bijna de helft der monniken- en nonnencoenobiën prijs moeten geven. Hij had echter niets afgestaan om niet, want Benjamin wist al te goed hoe groote hinderpalen hij als hoofd der nieuwe kerk der regeering in den weg kon leggen. Het was aan den patriarch dus overgelaten om zelf de kloosters aan te wijzen, die tot opheffing bestemd werden, en de prelaat had natuurlijk allereerst de hand gelegd op de laatste Melchietische coenobiën, en onder dezen ook op het Caecilia-klooster naast het huis van Rufinus.Deze inrichting moest reeds binnen drie dagen ontruimd worden en vervallen aan de Jacobietische kerk. Dit moest in alle stilte geschieden, daar men thans, terwijl ieder in koortsachtige spanning verkeerde over het uitblijven van het wassenvan den Nijl, te vreezen had, dat het arme volk van Memphis in de bres zou springen voor de rijke zusters, aan wie het zoovele weldaden, zulk eene vriendelijke verpleging te danken had. Ook van den senaat der stad had men verzet te verwachten tegen een maatregel, die de gestorven Mukaukas als onrechtmatig en nadeelig voor het algemeen belang had afgekeurd. De verdrevene orthodoxe nonnen zouden als leekenzusters, zooals zulks meermalen pleegde te geschieden, bij Jacobietische kloosters worden ingedeeld, doch de abdis moest naar een afgelegen Ethiopisch coenobium worden vervoerd, waar geen mogelijkheid was om te ontvluchten, daar zij én door hare hooge afkomst én door haar kennis én door haren uitgebreiden invloed gemakkelijk de kerkvorsten van het geheele oosten tegen Benjamin in opstand zou kunnen brengen, wanneer men haar vrij liet.Dit geheele verhaal had maar enkele oogenblikken in beslag genomen en werd met tamelijke onverschilligheid medegedeeld. Wat gingen Katharina, wat Orion, een broeder van twee slachtoffers der Melchietische geweldenarij, de opheffing van orthodoxe kloosters en de verdrijving van kettersche nonnen aan?Orion liet ook niet blijken hoezeer het medegedeelde hem ter harte ging en toen Katharina eindelijk opstond en uitgeput naar het slot van de deur wees, zeide zij alleen, als had zij er spijt van zooveel tijd verbeuzeld te hebben: »Dat is in hoofdzaak alles.”»Alles?” herhaalde Orion, terwijl hij het slot opende.»Stellig en zeker alles,” antwoordde zij angstvallig.»Wat ik u vragen wilde.... of ik het te weten kom of niet.... het kan mij niet schelen.... Ja, het ware wellicht beter .... O zeker .... Laat mij heengaan!”Doch hij deed niet wat zij verlangde, maar zeide vriendelijk: »Vraag maar, ik antwoord gaarne.”»Gaarne?” herhaalde zij, ongeloovig de schouders ophalende. »Eigenlijk moet gij u toch niet op uw gemak gevoelen, wanneer gij mij aanziet; maar het gaat in Memphis en op de wereld nu eenmaal niet toe zooals het behoort. Want wat bekommert gij mannen er u over wat gij van een arm meisje gemaakt hebt? Meen niet dat ik u verwijten wil doen, God beware mij! Ik ben niet eens boos op u. Zoo iemand, dan kan ik het gebeurde wel dragen. Denkt gij het ook niet? Aan mij is het best besteed; het kan mij niet deren! Ik ben zeer rijk en niet leelijk, en er zullen nog wel honderd komen, die naar mijne hand dingen. O, ik ben een benijdenswaardig schepsel! Eén vrijer heb ik reeds gehad, en de eerstvolgende zal in elk geval trouwer zijn en mij niet zoo koel opzij schuiven als de eerste; denkt gij dat ook niet?”»Ik hoop het,” antwoordde Orion ernstig, »hoe bitter de drank ook is die gij mij reikt...”»Nu?”»Zoo kan ik toch slechts herhalen, dat ik dien drinken moet, omdat ik ongelijk heb. Niets zou mij hartelijker verblijden, dan dat ik althans in iets weder goed kon maken, wat ik jegens u heb misdaan.”»O neen!” zeide zij op minachtenden toon. »Zoover zullen onze wenschen zich niet uitstrekken. Tusschen ons is alles voorbij, en als gij ooit iets voor mij geweest zijt, thans zijt gij niets meer voor mij, volstrekt niets. Een stukje verleden hebben wij met elkander doorleefd; het was wel kort, maar—weet gij het ook?—het is zeer gewichtig voor mij geweest. Het heeft het jonge ding, dat gij gisteren nog, gelijk ik zeer goed weet, voor een echt kind hield, wonderbaar snel doen rijpen, en daarbij veel slechter gemaakt, dan gij u kunt voorstellen.”»Dat zou mij leed doen tot in den diepsten grond mijns harten,” antwoordde Orion. »Ik kan mijne houding met niets verontschuldigen, maar dat weet gij zelve wel, dat in de eerste plaats de wenschen onzer moeders...”»Ons voor elkander bestemden, wilt gij zeggen? Gij hebt gelijk. En hebt gij ook ter wille van vrouw Neforis mij toen onder de acacias in de armen genomen, mij uw éen en alles, uw hartediefje, uw rozenknopje genoemd? Hebt gij,”—en hier verhief zij hare stem en hare oogen fonkelden van hartstochtelijke opgewondenheid—»hebt gij,—en ziehier juist wat ik u vragen wilde en weten moet—hebt gij ook toen gelogen, of hadt ge mij ten minste in die enkele oogenblikken daar onder de boomen uit den grond uws harten lief, even lief als thans—ik mag haar naam niet noemen—als thans uwe ‘andere’? De waarheid, Orion, de volle waarheid, gij hebt het gezworen!”Hier sloten zich hare lippen, maar hare glinsterende, vochtige, vragende oogen zeiden hem duidelijk en klaar, dat haar hart hem nog altijd behoorde, dat zij staat maakte op zijne edelmoedigheid en een bevestigend antwoord verwachtte. Zij drukte haar gevulden arm tegen hare borst, als wilde zij op deze wijze het onstuimig kloppen van haar hart beteugelen. Haar fijn gelaat werd met een nu eens donkeren, dan weder lichteren blos gekleurd. Haar kleine mond, die zoo even nog zulke bittere woorden had gesproken, lachte, als ware hij bereid eene zoete belooning te schenken voor het vertroostend, bemoedigend woord, waarnaar haar gansche wezen smachtte, en de verstandige oogen, waarin nu tranen welden, lieten niet af zoo innig en roerend te smeeken! Welk een betooverend beeld van hulpelooze, liefdevolle, genade smeekende jeugd en lieftalligheid!»Evenzoo lief als die ‘andere’!” en »gij hebt het gezworen!” bleef het voortklinken in ’s jonkmans ooren. Zijn teergevoelig hart dreef hem aan om weder goed te maken, wat hij tegen dit aanminnige, ongelukkige, jonge schepseltje misdreven had; maar dat »evenzoo lief als die ‘andere’!” en »gij hebt het gezworen!” gaven hem kracht standvastig te blijven. Hij die zich hier geroepen gevoelde medelijden te hebben en te troosten, strekte de handen naar haar uit, als smeekte hijzelf om hulp, zeggende: »Ja, Katharina, zoo aanminnig, zoo betooverend als thans zijt gij ook toen geweest; maar ik... Hoe goed ik ook voor u was, er is nu eenmaal eene groote liefde, die mijn gansche wezen vervult... Laat buiten spel, wat later gebeurd is... Stel uwe vraag alleen wat anders, doe haar nog eens, of veroorloof mij u te zeggen...”Maar hem bleef geen tijd om verder te spreken; want vóor hij haar kon terughouden, was zij hem voorbij gesneld en als een vluchtend wild naar buiten gevlogen, naar de visschershaven.
Orion had er tegen opgezien om met zijne moeder naar huis terug te rijden; maar Neforis was, nadat zij zich beklaagd had over de weduwe Susanna, die ook heden achter het vrouwenhek haar ongenoegen op eene in het oog vallende wijze had getoond, opzij gezonken en daarna vast ingeslapen. Met het hoofd geleund op den schouder van haar zoon bereikte zij het stadhouderlijk verblijf en Orions bezorgheid over de geliefde vrouw kreeg nieuw voedsel, toen het hem slechts met moeite gelukte haar te doen ontwaken. Hij voelde hoe zij als dronken waggelde, terwijl hij haar aan zijn arm niet naar de fonteinzaal maar naar het slaapvertrek voerde, waar zij verlangde wat te rusten. Nauwelijks had zij zich op de legerstede uitgestrekt of een diepe slaap overmande haar.
Orion begaf zich vervolgens naar den juwelier Gamaliël, kocht van hem een zeer kostbaren en grooten, maar eenvoudig in goud gezetten diamant, en de broeder van den Israëliet nam op zich dezen mede te nemen naar Konstantinopel en hem daar te overhandigen aan de weduwe Heliodora, die bovendien tot zijne klanten behoorde. In het woonvertrek van den juwelier schreef Orion vervolgens een brief aan zijne voormalige geliefde, waarin hij haar in warme en dringende woorden bad, den diamant aan te nemen en hem daarvoor den smaragd naar Memphis terug te zenden door een betrouwbaren ijlbode, dien de goudsmid Simeon van al het noodige zou voorzien.
Vermoeid en hongerig gebruikte hij wat later dan gewoonlijk het middagmaal, evenals sedert de laatste dagen alleen met de Griekin Eudoxia, de opvoedster van Maria. Het kind mocht de kamer nog niet verlaten, tot groote vreugde van de paedagoge, althans in éen opzicht; want het maaltijden onder vier oogen met den schoonen jongeling was voor haar bedaagd gemoed een buitengewoon genot. Hoe beleefd was het, dat deze rijke en aanzienlijke erfgenaam den slaven een wenk gaf om haar vóorhem te bedienen; hoe vriendelijk, als hij geduldig naar haar luisterde, wanneer zij vertelde van de aanzienlijke huizen, waar zij vroeger onderwijs had gegeven! Zij zou voor haar dischgenoot in den dood zijn gegaan; daar zich echter geene gelegenheid aanbood voor zulk eene zelfopoffering, verzuimde zij althans niet hem opmerkzaam te maken op de beste brokjes en te zorgen voor versche bloemen op zijne kamer.
Voor het overige trok zij zich op hoogst verdienstelijke wijze en met zelfverloochenende liefde hare leerlinge aan, sedert deze krank was, haar grootmoeder het hart van Maria had afgewend, en zij had opgemerkt dat Orion met vaderlijke liefde zich aan de kleine nicht liet gelegen liggen. De jongeling had heden nog geen tijd gevonden om naar Maria te vragen, en de mededeeling van Eudoxia, dat zij zich minder rustig dan gisteren toonde, maakte hem zoo bezorgd, dat hij, wat de Griekin er ook tegen in bracht, zonder het nagerecht af te wachten opstond, om zelf naar de kleine kranke te gaan zien.
Hij klom werkelijk bezorgd de trap op. Er was zooveel dat hem bezwaarde, en terwijl hij Maria’s kamer naderde, moest hij zichzelven met een weemoedig lachje bekennen, dat hij, die in de residentie menig aanzienlijk man en menige zeer gevierde vrouw ontweken had, omdat zij aan zijne hooge eischen niet voldeden, hier buiten dit kind niemand had, van wie hij zeker kon zijn begrepen te zullen worden. Tusschen zijn kloppen en de uitnoodiging om binnen te komen verliep geruimen tijd, gedurende welke hij achter de deur haastig hoorde heen en weer loopen. Eindelijk vond hij Maria overeenkomstig het voorschrift van den arts op een divan naast het wijd geopende en goed beschaduwde venster. Hare legerstede was omgeven door bloeiende planten en op het tafeltje voor haar stonden twee groote bloemruikers, een half verwelkte en een frissche, die bijzonder fraai was.
Wat was het kind in de laatste dagen veranderd! De ronding der wangen was verdwenen, en het geheele aardige smalle gezichtje werd als beheerscht door de bovendien bijzonder groote oogen, die thans nog sterker schitterden. Gisteren, toen zij zonder koorts was, had zij er bleek uitgezien, maar heden gloeiden hare wangen, en daarbij herhaalde zich dat trekken met de lippen en met den rechterschouder, dat sedert den sterfdag van haar grootvader begonnen was, zoo vaak, dat Orion zich bezorgd bij haar neerzette.
»Is grootmoeder bij u geweest?” luidde zijn eerste vraag, doch het antwoord bestond slechts uit een treurig schudden met hethoofd. Alle nieuwe bloemen die de kamer versierden waren zijn geschenk, zoo ook de verwelkende ruiker. De andere,frissche, kwam niet van hem. Hij deed dus onderzoek naar den gever en was niet weinig verwonderd te zien, dat deze vraag zijne lieveling opnieuw onrustig maakte en in verwarring bracht. Daar moest iets bijzonders schuilen achter dien ruiker, dat lag voor de hand, en de jonge man, die hare overprikkelde zenuwen niet onnoodig wilde kwellen en zijne vraag ook niet weder intrekken kon, had er reeds spijt van haar gedaan te hebben, toen de ontdekking van een vederen waaier, die hij met de woorden: »ei, wat is dat?” opnam, hem uit de verlegenheid redde.
Opnieuw vloog Maria het bloed naar het aangezicht, en terwijl zij hem met groote oogen smeekend aanzag, legde zij den vinger op den mond. Doch hij knikte haar toe, als wilde hij zeggen dat hij alles begreep, en vroeg zacht: »Was Katharina bij u?Zoo bindt de hovenier van Susanna de bloemen. Die waaier... Toen ik klopte... Is zij misschien nog hier?”
Hij had juist geraden en Maria wees zwijgende op de deur van het aangrenzend vertrek.
»Maar om godswil kind,” vroeg Orion met eene gedempte stem verder,»wat wil zij hier nog doen?”
»Zij is heimelijk en in eene boot hier gekomen,” fluisterde het kind. »Door haar Anubis die op het rentmeesterskantoor is, heeft zij mij laten vragen of zij komen mocht. Zij kon het zonder mij niet langer uithouden, zij had mij toch geen kwaad gedaan. Toen heb ik ‘ja’ gezegd en zoodra ik daareven u aan het kloppen herkende, is zij een-twee-drie naar de slaapkamer gevlucht.”
»En wanneer grootmoeder haar nu ontmoet?”
»Ja dan—wat er dan van mij worden zal... Ach God, Orion als gij eens wist, hoe dat...”
Over hare wangen biggelden twee dikke tranen, waarvan Orion de beteekenis maar al te goed begreep. Hij streek haar vriendelijk over de lokken en zeide zacht, terwijl hij telkens naar het slaapvertrek keek: »Ik ben eigenlijk gekomen om u veel van Paula te vertellen. Zij heeft u zoo lief en noodigt u uit om bij haar te komen en bij haar te blijven. Maar dat moet gij stil voor u houden, meisje, en aan niemand zeggen, ook niet aan Eudoxia en Katharina, want ik weet zelf nog niet hoe het gelukken zal van grootmoeder vergunning te krijgen. In elk geval moeten wij daarbij zeer verstandig en voorzichtig te werk gaan, begrijpt ge? Ik neem u thans maar in het vertrouwen, opdat gij bij voorbaat en ook bij nacht u daarop verheugen kunt, wanneer gij weder zoo dom zijt om als de hazen de oogen open te houden, in plaats van gerust te gaan slapen. Als alles meeloopt, dan zijt gij wellicht morgen—denk eens aan!—ja morgen reeds bij Paula. Eerst had ik de hoopreeds opgegeven om de zaak door te zetten, maar daareven—is het niet grappig?—pas een paar minuten geleden, heb ik tot mij zelven gezegd: ‘het zal wel gaan!’, en zoo moet het dus doorgezet worden.”
Een vloed van tranen goot zich over Maria’s wangen uit; en hoewel er geen einde aan scheen te komen, zoo behoefde zij niet te snikken en haar borst bleef rustig. Ook hare lippen bewogen zich niet, maar uit hare vochtige, heldere oogen straalde zulk een overvloed van dankbaarheid en geluk, dat Orion de tranen in zijne eigene oogen voelde wellen en blijde was iets te vinden, waardoor hij zijne ontroering kon verbergen. Want toen Maria zijne rechterhand greep en daarop eene lange warme kus drukte, bevochtigden hare tranen zijne hand en riep hij: »Zie eens, geheel nat alsof zij uit een waterbekken kwam...”
Verder bracht hij het niet, want opeens vloog de deur van de slaapkamer open, en de fijne, hooge stem der Griekin Eudoxia riep: »Maar waarom wilt gij nog langer tegenstribbelen? Maria zal er zeker blijde om zijn! Kind, kind, daar breng ik u uwe verlorene vriendin! Welk een verrassing!”
Daarop verscheen het kwikstaartje, dat de opvoedster met alles behalve zacht geweld voor zich uit over den drempel duwde. Eudoxias gelaat straalde van zelfvoldoening, als had zij een heldendaad volbracht, toch verschrok zij een weinig, toen zij Orion hier nog aantrof.
De gescheiden verloofden stonden tegenover elkander. Het gebeurde was niet weder goed te maken; doch behalve dat hij haar met eene afgemetene buiging ontving, en zij den waaier zachtkens voor haar gelaat heen en weer bewoog, om hare verlegenheid te verbergen, gebeurde er niets, wat een onkundige had kunnen opvallen. Ja, Katharina’s gezichtje nam een uitdagende uitdrukking aan, als hij vroeg naar zijn witte hondje, en zij recht koel antwoordde, dat zij het beest in den hoenderhof aan een ketting had gelegd, omdat de patriarch, haar gast, niet van honden hield.
»Vele menschen vereert hij met dezelfde gevoeligheid,” antwoordde Orion.
»Wanneer zij het verdienen,” antwoordde het kwikstaartje, zonder zich lang te bedenken.
Op deze wijze werd het gesprek korten tijd voortgezet, doch de jonkman was noch in eene stemming om de hatelijkheden van het meisje lijdelijk aan te hooren noch om ze met gelijke munt te betalen, en daarom maakte hij zich tot vertrekken gereed. Doch voor hij afscheid had genomen, zeide Katharina, die uit het venster gezien en opgemerkt had hoe laag de zon reedsaan den hemel stond: »Lieve hemel, wat is het al laat! Ik moet weg, want aan den avonddisch mag ik niet gemist worden! Mijn boot ligt in de visschershaven bij de uwe. Is de deur van het rentmeesterskantoor nog niet gesloten?”
Orion keek naar den stand der zon en zeide: »Het is heden Sanutius-dag!”
»Dat weet ik!” zeide Katharina. »Juist daarom had Anubis heden middag vrij.”
»En om dezelfde reden,” voegde Orion er bij, »is er in het kantoor geen schepsel meer aan den arbeid.”
Dat was kwaad! Voor geen prijs wilde zij in het huis van den stadhouder gezien worden en nu begon zij, die uit de dagen van haar spelen met Maria elken schuilhoek van het paleis kende, te overleggen, en haar fijn gezichtje verkreeg daarbij eene voor Orion geheel vreemde, loerende uitdrukking, die hem mishaagde en tegelijk zijne bezorgdheid wekte, niet voor zichzelven, maar voor Maria, voor wie uit den omgang met deze speelgenoote niets goeds kon volgen. Dergelijke bezoeken moesten zich niet vaak herhalen. In hare tegenwoordigheid wilde hij er niet over spreken; maar aan Katharina moesten terstond de noodige wenken worden gegeven. Zonder zijne hulp kon zij niet ongemerkt buiten komen, en daarom brak hij hare overleggingen af, deelde haar mede dat hij den sleutel van het rentmeesterskantoor bij zich droeg, onderzocht of de voorzaal vrij was, en leidde haar terstond hierop door allerlei gangen in het met het woonhuis verbonden kantoor. Dit was op dit uur als uitgestorven, en toen Orion dicht naast haar voor de achterpoort stond, die uitkwam op den weg naar de visschershaven, en hij den sleutel reeds ophief, om die te openen, liet hij zijne hand weder zakken, en brak voor het eerst het stilzwijgen af, dat beiden gedurende dezen geheimen tocht in acht hadden genomen, en vroeg: »Wat drong u toch om naar Maria te gaan, Katharina? Zeg het mij eerlijk?”
Haar hart, dat sneller klopte, sedert zij met hem alleen in het doodsche, van menschen verlaten, huis vertoefde, begon nu onstuimig te slaan en een groote angst overviel haar, zij wist zelve niet waarvoor. Zij was om velerlei redenen naar de stadhouderlijke woning gegaan, doch éene was van overwegend belang: Maria moest van haar vernemen, dat haar jonge oom en Paula elkander liefhadden; want het kind kon, gelijk zij uit ervaring wist, voor hare grootmoeder niets van belang verzwijgen, en dat vrouw Neforis Paula niet lijden mocht was een openbaar geheim. Zeker droeg deze nog geen kennis ervan, hoe ernstig haar zoon het meende met zijneverliefdheidop de Damasceensche; doch was vrouw Neforis eens hiervan onderricht, dan—daaraantwijfelde zij niet—dan zou zij niets onbeproefd laten om Orion van Paula af te houden. Zoo had zij dan de kleine ook medegedeeld, dat de lieden reeds vertelden hoe deze twee een gelukkig bruidspaar waren, en zijzelve had hen in den tuin van haar buurman zien minnekoozen. Tot hare teleurstelling had Maria dit alles zeer gelaten aangehoord, en scheen het meisje er volstrekt niet door getroffen te worden. Toen Orion haar thans de vraag deed wat haar naar deze woning had gevoerd, kon zij maar éen antwoord geven: »Onweerstaanbaar verlangen naar de kleine Maria.”
»Natuurlijk,” sprak de ander, »doch ik zou u willen verzoeken om aan uw vriendelijk verlangen niet te spoedig weer te voldoen. Uwe moeder laat hare boosheid tegen de mijne maar al te openlijk blijken, en deze zal nieuw voedsel ontvangen, wanneer zij verneemt dat wij u aanmoedigen om tegen haar wil te handelen. Misschien zult gij weldra in de gelegenheid zijn Maria meermalen te zien, maar juist dan verzoek ik u haar niet over dingen te spreken, die haar te veel opwinden. Gij hebt u kunnen overtuigen hoe prikkelbaar zij is en hoe zwak zij er uitziet. Haar jong hartje en haar wat al te vroeg ontwikkeld gevoels- en denkvermogen moeten tot rust komen, mogen niet door al te sterke indrukken opnieuw in beweging worden gebracht, en gij zijt in staat zulke indrukken te wekken. De patriarch is een vijand van mij en dit huis, en gij—ik zeg het niet om u te krenken—hebt hem in den afgeloopen nacht beluisterd en waarschijnlijk allerlei gewichtige dingen uit zijn mond vernomen en daaronder ook zoodanige, die mij en mijn huis betreffen”.
Katharina stond doodsbleek tegenover den jongen man. Hij wist dat en op welk tijdstip zij den patriarch beluisterd had; de schrik hierover en het pijnlijk bewustzijn dat zij zichzelve in zijne oogen vernederd had, bracht haar in verwarring. Zij gevoelde zich overrompeld, beleedigd en bedreigd. Intusschen behield zij tegenwoordigheid van geest genoeg, om haar tegenpartij spoedig te antwoorden: »Maak u niet bezorgd! Ik zal niet wederkomen. Het zou bovendien niet geschied zijn, als ik had kunnen voorzien...”
»Mij te ontmoeten?”
»Misschien; maar beeld u hiervan niet te veel in!... Wat mijn luisteren aangaat... Nu ja, ik heb mij bij het venster geplaatst. Ik kon maar halve woorden verstaan van hetgeen binnen besproken werd; en wie komt niet in verzoeking te willen hooren, wat mannen van beteekenis met elkander verhandelen? Zulk een man, wanneer ik uw vader uitzonder, heb ik in Memphis niet weder ontmoet, sedert Memnon heenging. Wij vrouwen hebben nu eenmaal wat nieuwsgierigheid van moederEva geërfd; maar zoover brengen wij het zelden, dat wij in de kisten van onze gasten naar halsketenen gaan zoeken. Ik heb als misdadige weinig geluk, mijn lieve Orion! Reeds tweemaal verdiende ik die naam... Dank zij het grootmoedig en ruim gebruik, dat gij van mijne onervarenheid hebt gemaakt, heb ik zwaar, zoo verschrikkelijk zwaar gezondigd, dat het mij nog altijd mijne levensrust beneemt. Ditmaal mocht het vergeeflijker zijn, doch in beide gevallen werd ik betrapt, zooals gij weet.”
»Uwe verwijten zijn rechtvaardig,” antwoordde Orion somber. »Maar meisje, wij hebben beiden het lot te danken, dat wij niet lang op den dwaalweg vertoefden. Reeds eenmaal heb ik u vergiffenis gevraagd en ik doe het nog eens. Dat voldoet u niet, ik zie het aan uw gelaat, en ik kan het u nauwelijks euvel duiden. Misschien is het u meer welkom, wanneer ik u andermaal beken, dat geen misdaad harder en gruwzamer kon bestraft worden dan de mijne.”
»Zoo?” vroeg Katharina op gerekten toon, en ging daarop luchtig voort, terwijl zij met haar waaier speelde: »Maar gij ziet er waarlijk alles behalve geknakt uit, en het is u bovendien gelukt die bewuste ‘andere’,—Paula, als ik goed raad—voor u te winnen....”
»Zwijg daarover!” zeide Orion zeer beslist, haar belettende verder te gaan, en bracht den sleutel reeds aan de deur, doch zij plaatste zich voor hem en zeide, hem met den vinger dreigende: »Het is dus zoo! Nu weet ik genoeg. Overigens hebt gij met uw plompe ‘zwijg daarover’ groot gelijk. Over uwe liefdesgeschiedenissen bekommer ik mij niet meer, doch naar iets anders mag ik wel vragen, want het gaat mij alleen aan. Hoe hebt gij over onze heg heen kunnen zien? Anubis is nauwelijks een hoofd kleiner dan gij...”
»En hij heeft er voor u de proef eens van genomen?” haastte hij zich te zeggen, waarbij hij zich niet onthouden kon te lachen, daar hij inzag dat zijn oprecht gemeende ernst bij Katharina zeer misplaatst was. »Ondanks uwe loffelijke voorzorg verzoek ik u het volgende voor toekomstige gevallen wel ter harte te nemen. Wat voor Anubis geldt past niet op iedereen, en behalve voetgangers zijn er ook slanke lieden op hooge paarden.”
»Gij zijt dus die nachtelijke ruiter geweest!”
»Die het niet nalaten kon naar uw venster op te zien.”
Bij deze woorden deed zij verschrikt eene schrede achterwaarts; haar oog verhelderde, maar slechts voor een oogenblik; daarop vroeg zij scherp, terwijl zij met beide handen de veeren van haar waaier samenkneep: »Moet dat spot zijn?”
»Stellig niet,” antwoordde hij gelaten, »want ofschoon gij grond genoeg hebt om op mij verstoord te zijn...”
»Zoo heb ik u tot heden niet den minsten grond gegeven, zeker niet,” ging zij opgewonden voort, »ik ben de gekrenkte, mishandelde, ik geheel alleen, en gij moet toegeven, dat gij bij mij in schuld staat en ik het recht heb iets van u te verlangen.”
»Doe het,” hernam Orion, »ik ben tot uw dienst.”
Daarop zag zij hem vlak in het aangezicht en vroeg: »Vooreerst: hebt gij reeds verder verteld dat ik...”
»Dat gij geluisterd heb? Neen—aan geen levende ziel.”
»En belooft ge mij het niet te zullen verraden?”
»Gaarne!—Wat moet op dit ‘vooreerst’ nu in de tweede plaats volgen?”
Het antwoord op deze vraag liet op zich wachten, het viel het kwikstaartje zichtbaar zwaar het te geven; doch eindelijk begon zij met neergeslagen oogen: »Ik zou wel... Maar gij zult mij voor dwazer houden dan ik werkelijk ben; intusschen... Ja ik vraag het u toch, al haalt het mij eene nieuwe vernedering op den hals.—De waarheid wil ik weten, en als u nog iets heilig is, dan moet ge mij, voor ik u deze vraag doe, bij het heiligste zweren, dat ge mij juist zoo zult antwoorden, als ware ik geen kinderachtig meisje, maar—verstaat gij?—als ware ik de hoogste rechter ten jongsten dage!”
»Wat klinkt dat plechtig!” hernam Orion.—»Vergun mij echter op te merken, dat er vragen zijn, die ons niet alleen betreffen, en wanneer gij mij de zoodanigen..”
»Neen, neen,” antwoordde Katharina, »wat ik bedoel gaat u en mij alleen aan.”
»Dan zie ik geen reden, waarom ik u niet ter wille zou zijn,” zeide de andere weder. »Doch ik zou u een wederdienst willen vragen. Evenals u komt het ook mij wenschelijk voor te weten, waarover een man van zooveel beteekenis als de patriarch met een ander spreekt, en daar ik mij ter uwer beschikking stel...”
»Ik dacht,” zeide zij, hem lachende in de rede vallende, »dat gij er allereerst belang in zoudt stellen uw schuld aan mij althans voor een deel af te doen. Doch ik verlang geene buitengewone grootmoedigheid, en het weinige wat ik heb kunnen afluisteren is spoedig verteld. Het zal u bovendien tamelijk onverschillig zijn... Ik vervul dus uw wensch, en gij belooft mij daarentegen...”
»De volle waarheid te zeggen.”
»Zoo stellig als gij op vergeving van zonden hoopt?”
»Zoo waar ik dit hoop!”
»Dat is goed!”
»Wat verlangt gij dan nu te hooren?”
Zij schudde het hoofd en zeide angstig: »Nog niet, neen, neen, zoo kan het niet gaan! Laat mij het eerst aan de beurt,en doe dan de deur open. Als ik weg wil, moet ge mij laten loopen, zonder een woord verder te spreken of te vragen. Haal mij een zetel, ik moet een oogenblik gaan zitten.”
En zij scheen inderdaad rust noodig te hebben, want sedert de laatste oogenblikken zag zij er bleek en afgemat uit en hare vingers beefden, terwijl zij het gelaat met een doekje afveegde. Zoodra zij plaats genomen had, begon zij te vertellen, en terwijl zij haastig en op onverschilligen toon sprak, als gold het niets bijzonders, hoorde Orion haar in groote spanning aan, want wat hij vernam, was voor hem bijzonder belangrijk.
Men had hem op bevel van den patriarch nagegaan. Deze was reeds omstreeks middernacht te weten gekomen, dat hij in Fostat was geweest en daar den Arabischen veldheer had opgezocht. Anders was er niets over hem gezegd, alleen had men de vrees geuit, dat hij het plan bij zich omdroeg het geloof zijns vaders af te zweren en tot de ongeloovigen over te gaan. Van meer gewicht was, wat Orion te weten kwam omtrent de onderhandelingen van den prelaat met den vertegenwoordiger van den Kalief. Deze had aangedrongen op de vermindering van kloosters, van monniken en nonnen, die van vrome stichtingen en geschenken leefden, naar den regel van Pachomius allerlei handwerken uitoefenden, en omdat zij niet in hun onderhoud behoefden te voorzien in staat waren de meeste voorwerpen voor het dagelijksch leven, van de matten in huis tot de schoenen voor de voeten, veel goedkooper te leveren dan de gewone handwerkers in stad en land. Het grootste deel van die arme lieden was bij zulk eene concurrentie reeds ondergegaan, en Amr, die zag dat ook de Arabische handwerkslieden, de lederwerkers, de wevers, de touwslagers en dergelijken met hetzelfde lot bedreigd werden, had besloten een flinken greep in dien kloosterarbeid te doen, en deze zeer te beperken. De patriarch had met taaie en krachtige volharding zich hiertegen verzet, maar ten slotte had hij toch bijna de helft der monniken- en nonnencoenobiën prijs moeten geven. Hij had echter niets afgestaan om niet, want Benjamin wist al te goed hoe groote hinderpalen hij als hoofd der nieuwe kerk der regeering in den weg kon leggen. Het was aan den patriarch dus overgelaten om zelf de kloosters aan te wijzen, die tot opheffing bestemd werden, en de prelaat had natuurlijk allereerst de hand gelegd op de laatste Melchietische coenobiën, en onder dezen ook op het Caecilia-klooster naast het huis van Rufinus.Deze inrichting moest reeds binnen drie dagen ontruimd worden en vervallen aan de Jacobietische kerk. Dit moest in alle stilte geschieden, daar men thans, terwijl ieder in koortsachtige spanning verkeerde over het uitblijven van het wassenvan den Nijl, te vreezen had, dat het arme volk van Memphis in de bres zou springen voor de rijke zusters, aan wie het zoovele weldaden, zulk eene vriendelijke verpleging te danken had. Ook van den senaat der stad had men verzet te verwachten tegen een maatregel, die de gestorven Mukaukas als onrechtmatig en nadeelig voor het algemeen belang had afgekeurd. De verdrevene orthodoxe nonnen zouden als leekenzusters, zooals zulks meermalen pleegde te geschieden, bij Jacobietische kloosters worden ingedeeld, doch de abdis moest naar een afgelegen Ethiopisch coenobium worden vervoerd, waar geen mogelijkheid was om te ontvluchten, daar zij én door hare hooge afkomst én door haar kennis én door haren uitgebreiden invloed gemakkelijk de kerkvorsten van het geheele oosten tegen Benjamin in opstand zou kunnen brengen, wanneer men haar vrij liet.
Dit geheele verhaal had maar enkele oogenblikken in beslag genomen en werd met tamelijke onverschilligheid medegedeeld. Wat gingen Katharina, wat Orion, een broeder van twee slachtoffers der Melchietische geweldenarij, de opheffing van orthodoxe kloosters en de verdrijving van kettersche nonnen aan?
Orion liet ook niet blijken hoezeer het medegedeelde hem ter harte ging en toen Katharina eindelijk opstond en uitgeput naar het slot van de deur wees, zeide zij alleen, als had zij er spijt van zooveel tijd verbeuzeld te hebben: »Dat is in hoofdzaak alles.”
»Alles?” herhaalde Orion, terwijl hij het slot opende.
»Stellig en zeker alles,” antwoordde zij angstvallig.»Wat ik u vragen wilde.... of ik het te weten kom of niet.... het kan mij niet schelen.... Ja, het ware wellicht beter .... O zeker .... Laat mij heengaan!”
Doch hij deed niet wat zij verlangde, maar zeide vriendelijk: »Vraag maar, ik antwoord gaarne.”
»Gaarne?” herhaalde zij, ongeloovig de schouders ophalende. »Eigenlijk moet gij u toch niet op uw gemak gevoelen, wanneer gij mij aanziet; maar het gaat in Memphis en op de wereld nu eenmaal niet toe zooals het behoort. Want wat bekommert gij mannen er u over wat gij van een arm meisje gemaakt hebt? Meen niet dat ik u verwijten wil doen, God beware mij! Ik ben niet eens boos op u. Zoo iemand, dan kan ik het gebeurde wel dragen. Denkt gij het ook niet? Aan mij is het best besteed; het kan mij niet deren! Ik ben zeer rijk en niet leelijk, en er zullen nog wel honderd komen, die naar mijne hand dingen. O, ik ben een benijdenswaardig schepsel! Eén vrijer heb ik reeds gehad, en de eerstvolgende zal in elk geval trouwer zijn en mij niet zoo koel opzij schuiven als de eerste; denkt gij dat ook niet?”
»Ik hoop het,” antwoordde Orion ernstig, »hoe bitter de drank ook is die gij mij reikt...”
»Nu?”
»Zoo kan ik toch slechts herhalen, dat ik dien drinken moet, omdat ik ongelijk heb. Niets zou mij hartelijker verblijden, dan dat ik althans in iets weder goed kon maken, wat ik jegens u heb misdaan.”
»O neen!” zeide zij op minachtenden toon. »Zoover zullen onze wenschen zich niet uitstrekken. Tusschen ons is alles voorbij, en als gij ooit iets voor mij geweest zijt, thans zijt gij niets meer voor mij, volstrekt niets. Een stukje verleden hebben wij met elkander doorleefd; het was wel kort, maar—weet gij het ook?—het is zeer gewichtig voor mij geweest. Het heeft het jonge ding, dat gij gisteren nog, gelijk ik zeer goed weet, voor een echt kind hield, wonderbaar snel doen rijpen, en daarbij veel slechter gemaakt, dan gij u kunt voorstellen.”
»Dat zou mij leed doen tot in den diepsten grond mijns harten,” antwoordde Orion. »Ik kan mijne houding met niets verontschuldigen, maar dat weet gij zelve wel, dat in de eerste plaats de wenschen onzer moeders...”
»Ons voor elkander bestemden, wilt gij zeggen? Gij hebt gelijk. En hebt gij ook ter wille van vrouw Neforis mij toen onder de acacias in de armen genomen, mij uw éen en alles, uw hartediefje, uw rozenknopje genoemd? Hebt gij,”—en hier verhief zij hare stem en hare oogen fonkelden van hartstochtelijke opgewondenheid—»hebt gij,—en ziehier juist wat ik u vragen wilde en weten moet—hebt gij ook toen gelogen, of hadt ge mij ten minste in die enkele oogenblikken daar onder de boomen uit den grond uws harten lief, even lief als thans—ik mag haar naam niet noemen—als thans uwe ‘andere’? De waarheid, Orion, de volle waarheid, gij hebt het gezworen!”
Hier sloten zich hare lippen, maar hare glinsterende, vochtige, vragende oogen zeiden hem duidelijk en klaar, dat haar hart hem nog altijd behoorde, dat zij staat maakte op zijne edelmoedigheid en een bevestigend antwoord verwachtte. Zij drukte haar gevulden arm tegen hare borst, als wilde zij op deze wijze het onstuimig kloppen van haar hart beteugelen. Haar fijn gelaat werd met een nu eens donkeren, dan weder lichteren blos gekleurd. Haar kleine mond, die zoo even nog zulke bittere woorden had gesproken, lachte, als ware hij bereid eene zoete belooning te schenken voor het vertroostend, bemoedigend woord, waarnaar haar gansche wezen smachtte, en de verstandige oogen, waarin nu tranen welden, lieten niet af zoo innig en roerend te smeeken! Welk een betooverend beeld van hulpelooze, liefdevolle, genade smeekende jeugd en lieftalligheid!
»Evenzoo lief als die ‘andere’!” en »gij hebt het gezworen!” bleef het voortklinken in ’s jonkmans ooren. Zijn teergevoelig hart dreef hem aan om weder goed te maken, wat hij tegen dit aanminnige, ongelukkige, jonge schepseltje misdreven had; maar dat »evenzoo lief als die ‘andere’!” en »gij hebt het gezworen!” gaven hem kracht standvastig te blijven. Hij die zich hier geroepen gevoelde medelijden te hebben en te troosten, strekte de handen naar haar uit, als smeekte hijzelf om hulp, zeggende: »Ja, Katharina, zoo aanminnig, zoo betooverend als thans zijt gij ook toen geweest; maar ik... Hoe goed ik ook voor u was, er is nu eenmaal eene groote liefde, die mijn gansche wezen vervult... Laat buiten spel, wat later gebeurd is... Stel uwe vraag alleen wat anders, doe haar nog eens, of veroorloof mij u te zeggen...”
Maar hem bleef geen tijd om verder te spreken; want vóor hij haar kon terughouden, was zij hem voorbij gesneld en als een vluchtend wild naar buiten gevlogen, naar de visschershaven.