DERTIENDE HOOFDSTUK.

DERTIENDE HOOFDSTUK.Wat de arts door Paula vernomen had van de gebeurtenissen in den afgeloopen dag, van Orions houding en het einde van het rechtsgeding, wekte in de hoogste mate zijne verontwaardiging, en zonder tegenspraak billijkte hij het besluit van het meisje om dit schandelijk rooversnest, dit huis van boosheid en bedrog, van bloode rechters en valsche getuigen te verlaten.Het kwam nog niet tot een rustig gesprek tusschen hun beiden, want in het ziekenvertrek had Philippus weldra de handen vol. De Masdakiet Rustem, die tot dusverre bewusteloos had gelegen, was ingevolge een nieuw medicament uit zijne verdooving ontwaakt en verlangde onstuimig naar zijn meester Haschim. Toen deze niet verscheen en men hem zeide, dat hij eerst morgen verwacht kon worden, richtte de reus zich in zijne kussens op, hield de gespierde armen strak achterwaarts op de kanten van het bed, keek met verbijsterden blik links en rechts en schudde den grooten kop, waarvan men de haarlokken had weggesneden, als een getergde leeuw. Daarbij riep hij den arts met zijne ver klinkende borststem smadelijke woorden in zijne moedertaal toe, die niemand der aanwezigen verstond, en terwijl Philippus het verband opnieuw vruchteloos op de diepe wonde trachtte te bevestigen, liet Rustem plotseling de handen van het bed los, sloeg zijne armen om het lichaam van den arts en trachtte in zijne razernij, met het schuim op de lippen, hem neder te trekken. Brullende als een roofdier trok hij zijn tegenpartij heen en weer, maar ook thans verloor Philippus geen oogenblik zijne tegenwoordigheid van geest, doch beval de non twee stevige slaven te halen.Terwijl deze wegsnelde was Paula getuige van eene vreeselijke worsteling, want de arts had de polsen van den reus met zijne handen omkneld, en met eene kracht, die men wel dengrooten, grof gebouwden, maar bezwaarlijk den eenigermate gebogen man van studie zou hebben toegeschreven, hield hij de handen van den Pers van zijne heupen verwijderd, wrong daarna zijne vingers tusschen die van Rustem, dwong hem in zijn kussen terug te zinken, zette de knie op zijne bronzen legerstede en bracht hem zóo onder zijne macht, dat de gewonde zich niet weder vermocht op te richten. Toch spande Rustem nog alle krachten in om zich van zijn tegenstander te bevrijden, maar deze was nu sterker dan hij, want het bloedverlies en de koorts hadden den aanvoerder der karavaan verzwakt.Paula zag deze worsteling van de verstandige sterkte tegen de dierlijke kracht van een razenden reus bevend en met luid kloppend hart aan. Zij kon den vriend niet helpen, maar aan het hoofdeinde van het bed staande, volgde zij elk zijner bewegingen, en zag hoe hij den kolossalen man, voor wien haar oom uit kinderachtige vrees gesidderd had, gekluisterd hield. Zij moest zijne mannelijke schoonheid bewonderen, want zijne oogen straalden thans met vurigen glans, en het korte onderdeel van zijn aangezicht scheen langer te worden bij de geweldige inspanning waartoe hij zich dwong, en bracht dat gedeelte in harmonie met het groote voorhoofd en het overige van zijn gelaat. Innerlijk beefde zij voor hem, en zij meende in hem, wien zij vroeger alleen geacht had om zijn groot verstand, iets groots, iets van een held te zien.Eenige oogenblikken had de strijd geduurd, toen Philippus gevoelde dat de armen van den Pers verslapten, en nu riep hij Paula toe hem een doek, een koord of wat ook te brengen, om den razende te binden. Haastig en zich volkomen bewust van hetgeen haar te doen stond, ging zij naar het aangrenzend vertrek, greep haar hoofddoek, trok den zijden gordel van haar gewaad, ijlde met beiden naar de kampplaats terug, en hielp den arts met mannenmoed de handen van den waanzinnige binden. Elk woord, iedere terechtwijzing van den vriend verstond zij, en toen de slaven, die de non geroepen had, de ziekenkamer binnentraden, vonden zij Rustem met vastgebonden handen terug en hadden niet anders te doen dan te verhinderen, dat hij uit bed sprong of zich op zijde wierp.Philippusnaar adem hijgende schreef nu de slaven voor hoe zich verder te gedragen, en toen hij daarna naar de artsenijkast ging en Paula opmerkte hoe zijne blauwroode, gezwollen vingers daarbij trilden, nam zij de fleschjes eruit waarop hij wees, mengde het geneesmiddel naar zijn voorschrift en ontzag zich niet het met hulp der slaven den woesten man tusschen de met geweld geopende tanden te gieten. De weldadige druppels brachten den kranke in weinige oogenblikken tot rust, en weldra kon de arts meteigene hand onder bijstand van de ervarene non de wond van den karavaan-aanvoerder reinigen en verbinden.Intusschen was ook de waanzinnige door het gebrul van den Pers wakker geworden en vroeg angstig of de hond, de booze hond er weder was. Doch zij liet zich dadelijk door Paula neerzetten en beantwoordde de vragen, die deze tot haar richtte, zoo verstandig en bedaard, dat hare verpleegster den arts erbij riep, en deze Paula’s hoop deelde, dat er in den zielstoestand van de waanzinnige een gewichtige ommekeer zou kunnen plaats hebben.Paula deed opmerken hoe Mandane weemoedige doch vriendelijke woorden uitte, waarop de arts zeide: »Op het ziekbed leert men de menschen kennen. Dit wilde meisje, dat den zoon des huizes misschien met een moorddadig plan op het lijf viel, toont thans haar waren, zachten aard. Wat den jongen man hiernaast aangaat, dat is een stevige, maar ook een brave kerel, daarop geef ik mijne tien vingers ten pand.”»Wat geeft u dat vertrouwen?”»Zelfs in de koorts heeft hij niet eene enkele maal gekrabd of gebeten, maar zich geweerd als een ordentelijk jongmensch... Mijn dank nu voor uwe hulp; indien gij hem dat koord niet om den handen hadt geslagen, zou het spel misschien anders afgeloopen zijn.”»Zeker niet,” antwoordde Paula op stelligen toon.»Want gij zijt sterk, Philippus! Men zou bang voor u kunnen worden.”»Gij?” lachte de arts. »Ge behoeft nu niet bang meer te zijn; toevallig hebt gij gezien dat uw beschermer niet zwak is! Puuh! Een weinig rust zou nu goed doen!”Zij reikte hem daarop haar eigen doek toe, en terwijl hij daarvan dankbaar gebruik maakte om zich het voorhoofd af te drogen, en met moeite de begeerte onderdrukte om dien aan zijne lippen te brengen zeide hij welgemoed: »Met zulk eene helpster moet alles gelukken. Sterk zijn is geen verdienste, ieder kan het blijven die met gezond bloed en stevige spieren ter wereld komt, de ledematen, gelijk ik als knaap en jongeling heb gedaan, flink oefent en zijn vaderlijk erfdeel niet doorbrengt met slecht te leven.Nochtansvoel ik die worsteling nog in mijne armen; maar in de zaal is nog heerlijke wijn, twee of drie bekers zouden mij wel goed doen.”Vervolgens begaven zij zich naar de aangrenzende zaal, waar de meeste lampen reeds uitgedoofd waren. Paula schonk het druivensap voor hem in en bood hem den beker aan, dien bij met volle teugen ledigde. Het was hem echter niet vergund ook den tweeden beker op haar welzijn uit te drinken, want nauwelijks had hij dien aan de lippen gebracht, toen er geruchtontstond in de kamer van den Masdakiet en vrouw Neforis verscheen.De zorgzame gemalin van den Mukaukas was niet geweken van het rustbed van haar gemaal, en zelfs het gebrul van den Pers had haar niet bewogen haar post te verlaten; toen zij echter van de slaven had vernomen, wat daar boven te doen was geweest, en dat Paula nog altijd met den arts bij de kranken vertoefde was zij, zoodra haar gemaal haar missen kon, naar de verdieping der gasten gegaan om Philippus te spreken, de Damasceensche onder het oog te brengen wat betamelijk was, en om onderzoek te doen naar het vreemd gedruisch, dat het anders op dit uur zoo doodstille huis scheen te vervullen. Het kwam uit de ziekenkamers, en werd mede veroorzaakt door den terugkeerenden Orion en den rentmeester Nilus, wien deze bij zich ontboden had, niettegenstaande de nacht reeds den morgen naderde. De gemalin van den stadhouder meende, in verband met dezen akeligen dag, die bovendien als een onheilaanbrengenden in den kalender stond aangeteekend, dat gevaren dreigden van alle zijden; daarom was zij vergezeld van den wachthebbenden dienaar haars gemaals, en met een klein reliquiënkastje in de hand, waaraan zij de kracht toeschreef om booze geesten te bezweren, de trap opgegaan.Haastig en zacht trad zij de krankenvertrekken binnen en onderwierp daar allereerst, bezorgd en niet op haar gemak, gelijk ieder die gedurende den nacht in zijne rust gestoord wordt, de non aan een streng verhoor. Daarna kwam zij in de zaal, waar Philippus juist zijne vriendin een tweeden beker toedronk, terwijl Paula met halfverwarde haren en ongegord gewaad tegenover hem stond. Dat alles was zedenkwetsend, dat wilde zij in haar huis niet dulden, zij beval dus de nicht van haar gemaal kort en goed zich ter ruste te begeven. Na alles wat men haar heden, neen gisteren reeds had kwijtgescholden, zeide zij, zou het haar beter voegen in hare kamer in stilte over zichzelve na te denken, ten einde de leugengeesten die haar beheerschten te bannen en haren Heiland om vergiffenis te bidden, dan hier voor ziekenverpleegster te spelen en het drinkgelag met een jongen man voort te zetten, dat zij, zooals de non zoo even had medegedeeld, reeds in de middag had aangevangen.Paula hoorde haar zwijgend aan, doch haar gelaat verschoot meermalen van kleur: toen echter Neforis met den vinger op de deur wees, zeide zij met al den trots, waarover zij beschikken kon, wanneer zij zag dat men haar onwaardig verdacht: »Uwe bedoeling is gemakkelijk te doorzien. Ik zou u geen antwoord waardig achten, indien gij niet de gade waart van den man, dien ik, voor gij hem tegen mij hadt ingenomen,gaarne mijn gastheer en beschermer noemde, die bovendien mijn bloedverwant is. Evenals altijd zoo verdenkt gij mij ook nu van kwaad. Indien gij mij de deur wijst van deze heilige plaats, van dit ziekenvertrek, dan verjaagt gij mij tegelijk uit uw huis, dat gij en uw zoon—het moet mij eens van het hart—mij thans tot een hel gemaakt hebben.”»Ik, ik, en waarmede... Neen, dat, dat is...” riep de matrone naar adem hijgende, de beide handen kruiselings slaande over haar onstuimig bewogen borst, terwijl haar vaal gezicht met een gloeiend rood werd overtogen en hare oogen van toorn fonkelden. »Dat is.... duizendmaal, ja duizendmaal te veel, hoort gij? En ik, ik verwaardig u nog met een antwoord! Wij hebben u van de straat opgeraapt en u als eene dochter behandeld, onzinnige uitgaven voor u betaald, en nu...”Deze woorden waren meer tot den arts gericht dan tot het meisje. Paula nam echter de uitdaging aan en antwoordde op een toon van diepe minachting: »En thans verklaar ik u bepaald als jonkvrouw die mondig ben en over mijzelve vrij kan beschikken, dat ik morgen vroeg met alles wat mijn eigendom is dit huis verlaat, al moest ik ook gaan bedelen, dit huis waarin men mij smadelijk beleedigd, mij en mijn trouwen dienaar valsch veroordeeld heeft, terwijl men op het punt staat hem gruwelijk te vermoorden.”»En waar men u....” duwde Neforis met krijschende stem het meisje toe, dat hare kalmte bewaarde, »waar men u veel te zachtmoedig voor het lot van den roover, dien gij ons huis hebt binnengesmokkeld, bewaard heeft! Om een inbreker te redden hebt gij—het is ongehoord!—hebt gij het gewaagd den zoon van uw weldoener als een onrechtvaardig rechter...”»Dat is hij!” riep Paula toornig. »En nog meer! Dat kind dat gij zelve voor hem tot vrouw bestemd hebt, heeft hij verleid, schandelijk verleid om een valsch getuigenis af te leggen. Nog meer, nog veel meer zou ik kunnen zeggen, als mij in uw persoon de moeder niet heilig was, en als uw echtgenoot aan mij niet verdiend had dat ik hem spaarde.”»Hem sparen, sparen!” herhaalde Neforis op honenden toon. »Gij zoudt ons sparen! De aangeklaagde ontvangt genade en verschoont, verschoont zijn rechter! Maar gij zult gedwongen worden, ja gedwongen te spreken. En wat gij, misdadige, van dat valsch getuigenis gezegd hebt...”»Dat zal uwe eigene kleindochter,” sprak de arts, haar in de rede vallende, »wanneer gij u niet weet in te toomen, edele vrouw, voor de geheele wereld bevestigen moeten.”Neforis begon opeens krampachtig te lachen en ging voort, buiten zichzelve van woede: »Zoo staan dus de zaken! Het heiligenziekenvertrek wordt tot een tempel van Bachus en Venus gemaakt; en alsof dit vergrijp op zichzelf niet reeds ergerlijk genoeg was, sluit gij een verbond, om een geacht huis en zijne hoofden met smaad en schande te overladen!”Daaropzette zij de linkerhand met het reliquiënkastje op de heup en zeide driftig: »Zoo zult gij dan uw zin hebben. Ga, waarheen gij wilt! Wanneer ik u, ondankbaar en boosaardig schepsel, na morgen middag nog in het stadhouderlijk paleis vind, dan laat ik u door de manschappen van de wacht op straat zetten. Want ik—ik wil mijn arm gefolterd hart eindelijk eens luchten—ik haat u, ik heb een afkeer van u, uwe tegenwoordigheid alleen ergert me en brengt ongeluk over mij en ons allen;—bovendien ik heb de smaragden die wij bezitten te lief...”Met dit allergrievendst woord, dat zij tegen de inspraak van haar beter gevoel had uitgestooten, scheen zij hare ziel van een centenaarsgewicht bevrijd te hebben, want zij haalde diep adem en op veel zachter en bedaarder toon wendde zij zich tot den arts met te zeggen: »Maar wat u betreft, Philippus, mijn man heeft u noodig; gij weet wat wij u aanbieden en kent de mildheid van Georg. Misschien komt gij tot betere gedachten en zult gij leeren inzien...”»Ik?” viel de heelmeester met een waardigen glimlach haar in de rede. »Kent gij mij waarlijk zoo slecht, vrouw Neforis? Aan uw man, dat geef ik toe, ben ik gehecht, en als hij mij noodig heeft zal hij mij wel laten halen. Ongeroepen overschrijd ik echter dezen drempel niet meer, waar men het recht met voeten treedt, de weerlooze onschuld beschimpt en tot vertwijfeling brengt.—Ja, zie mij maar verbaasd aan! Uw zoon heeft den rechterstoel van zijn vader ontwijd en het bloed van den onschuldigen Hiram komt over zijn hoofd. Ga maar voort uwe smaragden te koesteren; Paula zal ze niet aanroeren; zij draagt het hart te hoog om u den naam te noemen van hem, voor wien gij wel zoudt doen ze in den diepsten kelder weg te sluiten. Wat ik daareven uit uw mond heb gehoord, verscheurt elken band, dien de tijd tusschen ons knoopte. Ik verlang van mijne vrienden niet, of laat ik liever zeggen van hen, die mijne naaste bekenden zijn, dat zij rijk zijn, dat zij zich toeschietelijk of voorkomend betoonen, dat zij gaven van geest of lichaam bezitten; maar wij moeten op één gemeenschappelijken bodem staan, namelijk dien eener waardige gezindheid. Zulk eene gezindheid is u niet aangeboren, of ge hebt haar verloren, en ik wil, ik moet van dit oogenblik een vreemde voor u zijn. Ik wensch u niet weder te zien, tenzij bij uw echtgenoot, als hij mijne hulp verlangt.”Deze laatste woorden werden met zulk eene waardigheid, zooonherroepelijk uitgesproken, dat Neforis verschrikte en geheel hare tegenwoordigheid van geest verloor. Als eene der verachting prijsgegeven onwaardige had de man haar behandeld, op wiens stand zij uit de hoogte neerzag, dien zij echter altijd voor een der braafste, openhartigste en reinste menschen had gehouden, een man van eer, dien haar gemaal niet missen kon, wijl hij zijne pijnen wist te verzachten en hem af te houden van het overmatig gebruik van zijn verdoovingsmiddel. Wijd en zijd in den omtrek was hij de eenige arts van groote bekwaamheid. Ook deze nuttige helper, die het leven van de kleine Maria en van zoo vele dienaars behouden had, dreigde haar ontroofd te worden door die gehate Damasceensche, en zij, die vast overtuigd was een brave, degelijke echtgenoote en moeder te zijn, zij stond daar nu, door dezen boozen geest van haar huis gemaakt tot een verachtelijk wezen, voor hetwelk een braaf mensch uit den weg moet gaan.Dat was te veel, en door toorn, ergernis en oprechte bekommering gekweld, zeide zij op klagenden toon en met betraande oogen: »Maar wat beteekent dit alles nu? Gij die mij kent, die mij hebt gezien in mijn dagelijksch leven en werken, gij keert mij in mijn eigen huis den rug toe en wijst mij met den vinger na? Ben ik dan mijn gansche leven niet eene trouwe gade geweest, die haar man jarenlang verpleegd, zijn ziekbed niet verlaten en aan niets gedacht heeft dan om zijn leed te verzachten? Als eene kluizenares heb ik mij bij hem opgesloten uit louter plichtgevoel en trouwe liefde, terwijl andere vrouwen, die het minder gemakkelijk kunnen doen, goeden sier maken en feesten bezoeken. En waar werden de slaven rijkelijker onderhouden en menigvuldiger vrij gelaten dan bij ons? Waar was de bedelaar zoo zeker zijn aalmoes te krijgen dan in ons huis, iets wat ik, ik alleen uit vroomheid aanhoud? En nu zou ik plotseling om der wille van dit ondankbaar liefdeloos schepsel niet meer waard zijn dat mij de zon beschijnt, en een braaf man als gij zegt mij in een ommezien de vriendschap op, omdat, omdat,—hoe noemdet gij het—omdat mij het verstand ontbreekt, of hoe hebt gij dat ding genoemd, dat men hebben moet om u...”»Het heet de gezindheid,” hielp haar de arts, die medelijden kreeg met de beangstigde vrouw, in wie hij inderdaad veel goeds had opgemerkt. »Is dit woord u werkelijk geheel vreemd, vrouw Neforis? Zulk eene gezindheid is zeker iets aangeborens, maar met een vasten wil kan men eene van minder hoogen aanleg veredelen, terwijl zwakheid van karakter waar het eigene gebreken geldt eene van nature goede gezindheid kan bederven. En als mij mijn voorgevoel niet bedriegt, dan zullen op denjongsten dag niet de daden worden geoordeeld, maar de gezindheid. Hoe zou het mij vrij staan u te berispen? Het is mij geoorloofd u te beklagen, want ik bespeur bij u eene zielekrankheid, die niet ongelijk is aan den kanker hij het lichaam....”»Ook dat nog!” zeide Neforis.»Deze krankheid,” vervolgde de arts, zonder zich van zijn stuk te laten brengen, »de haat namelijk, daarvoor moest eene vrome christin zich weten te behoeden! Als een dief in den nacht is hij in uw hart gedrongen, heeft overal ingevreten, uw bloed bedorven, u verleid om ten opzichte van deze door een zoo zwaar ongeluk getroffene wees te handelen als iemand die een blinde steenen en balken in zijn weg werpt, om hem te doen vallen. Hecht gij, gelijk het schijnt, inderdaad een weinig aan mijne meening, bid dan Paula, vóór zij dit huis verlaat, om vergeving voor den haat, waarmede gij haar jaren lang leed hebt berokkend, waarbij gij zoo even nog die eene ongehoorde beleediging heb gevoegd, waaraan gij zelve niet gelooven kunt.”Thans keerde Paula, die tot hiertoe de toespraak van den arts gevolgd had, het gelaat naar vrouw Neforis, maakte de handen los, die zij in den schoot gevouwen hield, om, hoewel zij vast besloten bleef de woning van den stadhouder te verlaten, de rechterhand te geven aan de gemalin van haar oom, wanneer deze de hare wilde toesteken.De vrouw des stadhouders voerde intusschen in haar binnenste een zwaren strijd. Zij erkende Paula vaak onvriendelijk behandeld te hebben; dat er omtrent den diefstal van den smaragd nog altijd een pijnlijke onzekerheid bestond, had zij vóor haar bezoek in het ziekenvertrek met weerzin ervaren; zij wist haar gemaal een grooten dienst te kunnen doen, wanneer zij de Damasceensche bewoog te blijven; den arts wilde zij maar al te gaarne voor haar huis behouden. Maar hoe diep was zij, was haar zoon zoo even nog door dit hoogmoedig schepsel beleedigd! Zou zij zich voor haar, die zoo veel jonger was, vernederen en haar de hand reiken; zou zij in...Daar klonk het zilveren bekken, waarin haar gemaal een kogel wierp, wanneer hij haar noodig had. Zij zag in hare verbeelding zijn bleek en lijdend gelaat, zij hoorde hem vragen naar zijne speelgenoote aan het schaakbord, zij bespeurde zijn weemoedigen, verwijtenden blik, als het morgen zou heeten: zij, Neforis, had zijne nicht, de dochter van den edelen Thomas, uit het huis gejaagd; en zij volgde de neiging, die opeens bij haar opkwam, door met het reliquiënkastje in de linker- en de uitgestrekte rechterhand naar Paula toe te gaan en op zachten toon te zeggen: »Geef mij dan de hand, meisje! Menigmaal had ik anders jegens u kunnen zijn, maar waarom hebt ookgij nooit, zelfs in het minste niet naar mijne liefde gevraagd? God is mijn getuige, dat ik aanvankelijk genegen was u als eene dochter te beschouwen, maar gij—maar spreken wij daar niet over! Thans doet het mij leed, dat ik u... wanneer ik u smart heb aangedaan.”Reeds bij de eerste woorden had Paula hare hand in die van de matrone gelegd. De hare was koud als marmer, die van de stadhoudersvrouw was heet en klam, en het was als voelden beide handen tegelijk denzelfden afkeer van elkander als hunne harten, tengevolge waarvan zij slechts een oogenblik in elkaar bleven. Toen Paula de hare terugtrok, bewaarde zij beter hare kalmte dan de oudere vrouw, en zeide bedaard maar met gloeiende wangen: »Zoo willen wij dan beproeven om zonder toorn van elkander te scheiden, en ik dank u dat ge mij dit mogelijk hebt gemaakt. Morgen vroeg zal het mij, hoop ik, vergund zijn van oom, die mij lief is, en van de kleine Maria afscheid te nemen.”»Maar gij behoeft thans niet meer heen te gaan, ik bid u veeleer dringend te blijven,” zeide de stadhoudersvrouw met aandrang. »Georg laat u niet gaan; gij weet toch hoe hij aan u gehecht is.”»Vaak was hij als een vader voor mij,” hernam Paula, en nu werd ook haar oog vochtig. »Daarom had ik het gaarne bij hem uitgehouden tot het einde. Toch blijft het zoo, dat ik heenga.”»En wanneer uw oom zijne bede bij de mijne voegt?”»Dan zal het toch tevergeefs zijn.”Vrouw Neforis greep nog eens de hand van de jonkvrouw, en deed in oprechtheid al haar best om haar tot andere gedachten te brengen, doch Paula bleef onvermurwbaar en volhardde in haar besluit, om reeds morgen het stadhouderlijk paleis te verlaten.»Doch waar vindt gij zoo dadelijk een geschikt verblijf,” zeide Neforis, »een tehuis, dat voegt aan uw stand?”»Dat zal mijne zaak zijn,” zeide de arts. »Geloof mij, edele vrouw, voor alle partijen is het beter, dat Paula eene andere woning betrekt. Alleen dit wensch ik, dat zij te bewegen zal zijn althans voorloopig te Memphis te blijven.”»Bij ons,” zeide daarop Neforis, »alleen bij ons is haar natuurlijk tehuis. Misschien verandert God uw hart om uws ooms wil, en dan beginnen wij allen te zamen een nieuw, gelukkig leven.”Paula schudde als antwoord met het hoofd, maar Neforis zag het niet meer; want ten derdemale hoorde zij de metalen roepstem en haar plicht gebood die te volgen.Zoodra zij de kamer verlaten had, haalde Paula diep adem en zeide: »O God, o God! hoe zwaar is mij dit gevallen! Haar niet in het aangezicht te verwijten met welke misdaden haar gewetenlooze zoon.... Neen, neen, daartoe had niets mij kunnen bewegen; doch ik kan u niet zeggen hoe het zien alleen van deze vrouw mij ontroert, en hoe mijn hart zich verlicht gevoelt, sedert ik de brug heb afgebroken, die mij met dit huis, met Memphis verbindt.”»Met Memphis?” vroeg de arts.»Ja,” antwoordde Paula opgewekt. »Ik wil weg, ver van hier, uit de nabijheid van deze vrouw en haar zoon. Waarheen? Of naar Syrië terug, of naar Griekenland, het is mij onverschillig welke weg mij van hier voert.”»En ik, uw vriend?” vroeg Philippus weder.»De herinnering aan u neem ik mede in mijn dankbaar hart.”De arts glimlachte als gebeurde er iets, wat hij wel verwacht had; na een oogenblik te hebben nagedacht zeide hij: »En waar en hoe zal de Nabateër u vinden, wanneer hij in den kluizenaar van den Sinaï werkelijk uw vader erkent?”Deze vraag verraste en verschrikte Paula, en Philippus spande al zijne krachten in om haar te overtuigen van de noodzakelijkheid om in de pyramidenstad te blijven. Allereerst moest de voedster bevrijd worden en daarbij kon de arts haar zijne hulp beloven. Bij alles wat hij verder in het midden bracht, nam hij met zooveel overleg de omstandigheden in aanmerking, waarmede hier rekening moest gehouden worden, alsmede de feiten die voor de hand lagen of zich konden voordoen, dat zij zich verwonderen moest over de heldere inzichten en den practischen zin van een man, met wien zij gewoonlijk over andere dan wereldsche zaken gesproken had. Om der wille van haar vader en van Perpetua, doch ook in de verwachting van verder zich te kunnen verblijden in den omgang met dezen man, willigde zij in ten minste vooreerst te Memphis te blijven en haar intrek te nemen in het huis van een vriend en geloofsgenoot van den arts, dien zij reeds lang uit zijne gesprekken kende, ten einde daar den verderen loop der dingen af te wachten. De vurigste wensch van haar hart was Orion te ontwijken en hem nooit, neen nooit, weder te zien. Elke plaats dacht haar goed waar zij niet behoefde te vreezen hem te ontmoeten. Zij haatte hem, doch zij wist dat haar hart niet tot rust kon komen, zoolang een samentreffen mogelijk was. Zij wilde zich ook losmaken van het onweerstaanbaar verlangen, dat telkens en telkens weder met wonderbare kracht in haar opwelde, om zijne verdere lotgevallen te volgen. Daarom en daarom alleen begeerde zij weg, zeer ver weg te gaan, en daarom voldeed haar nauwelijks de verzekering vanden arts, dat haar nieuwe gastheer elk bezoeker van haar verwijderd zou weten te houden, dien zijzelve niet wenschte te ontvangen. Het zou zijne zaak zijn, dus besloot Philippus, haar voor indringers te beveiligen, wanneer zij hem liet roepen.Toen beiden van elkander scheidden steeg de zon achter de bergen in het oosten op, en bij het afscheid zeide Paula: »Zoo zal dan morgen voor mij een nieuw leven beginnen, waarvan ik mij kan voorstellen dat het met uwe hulp vriendelijker zal zijn dan hetgeen achter mij ligt.”»Voor mij,” antwoordde de arts bewogen, »is dat nieuwe leven reeds gisteren aangevangen.”

DERTIENDE HOOFDSTUK.Wat de arts door Paula vernomen had van de gebeurtenissen in den afgeloopen dag, van Orions houding en het einde van het rechtsgeding, wekte in de hoogste mate zijne verontwaardiging, en zonder tegenspraak billijkte hij het besluit van het meisje om dit schandelijk rooversnest, dit huis van boosheid en bedrog, van bloode rechters en valsche getuigen te verlaten.Het kwam nog niet tot een rustig gesprek tusschen hun beiden, want in het ziekenvertrek had Philippus weldra de handen vol. De Masdakiet Rustem, die tot dusverre bewusteloos had gelegen, was ingevolge een nieuw medicament uit zijne verdooving ontwaakt en verlangde onstuimig naar zijn meester Haschim. Toen deze niet verscheen en men hem zeide, dat hij eerst morgen verwacht kon worden, richtte de reus zich in zijne kussens op, hield de gespierde armen strak achterwaarts op de kanten van het bed, keek met verbijsterden blik links en rechts en schudde den grooten kop, waarvan men de haarlokken had weggesneden, als een getergde leeuw. Daarbij riep hij den arts met zijne ver klinkende borststem smadelijke woorden in zijne moedertaal toe, die niemand der aanwezigen verstond, en terwijl Philippus het verband opnieuw vruchteloos op de diepe wonde trachtte te bevestigen, liet Rustem plotseling de handen van het bed los, sloeg zijne armen om het lichaam van den arts en trachtte in zijne razernij, met het schuim op de lippen, hem neder te trekken. Brullende als een roofdier trok hij zijn tegenpartij heen en weer, maar ook thans verloor Philippus geen oogenblik zijne tegenwoordigheid van geest, doch beval de non twee stevige slaven te halen.Terwijl deze wegsnelde was Paula getuige van eene vreeselijke worsteling, want de arts had de polsen van den reus met zijne handen omkneld, en met eene kracht, die men wel dengrooten, grof gebouwden, maar bezwaarlijk den eenigermate gebogen man van studie zou hebben toegeschreven, hield hij de handen van den Pers van zijne heupen verwijderd, wrong daarna zijne vingers tusschen die van Rustem, dwong hem in zijn kussen terug te zinken, zette de knie op zijne bronzen legerstede en bracht hem zóo onder zijne macht, dat de gewonde zich niet weder vermocht op te richten. Toch spande Rustem nog alle krachten in om zich van zijn tegenstander te bevrijden, maar deze was nu sterker dan hij, want het bloedverlies en de koorts hadden den aanvoerder der karavaan verzwakt.Paula zag deze worsteling van de verstandige sterkte tegen de dierlijke kracht van een razenden reus bevend en met luid kloppend hart aan. Zij kon den vriend niet helpen, maar aan het hoofdeinde van het bed staande, volgde zij elk zijner bewegingen, en zag hoe hij den kolossalen man, voor wien haar oom uit kinderachtige vrees gesidderd had, gekluisterd hield. Zij moest zijne mannelijke schoonheid bewonderen, want zijne oogen straalden thans met vurigen glans, en het korte onderdeel van zijn aangezicht scheen langer te worden bij de geweldige inspanning waartoe hij zich dwong, en bracht dat gedeelte in harmonie met het groote voorhoofd en het overige van zijn gelaat. Innerlijk beefde zij voor hem, en zij meende in hem, wien zij vroeger alleen geacht had om zijn groot verstand, iets groots, iets van een held te zien.Eenige oogenblikken had de strijd geduurd, toen Philippus gevoelde dat de armen van den Pers verslapten, en nu riep hij Paula toe hem een doek, een koord of wat ook te brengen, om den razende te binden. Haastig en zich volkomen bewust van hetgeen haar te doen stond, ging zij naar het aangrenzend vertrek, greep haar hoofddoek, trok den zijden gordel van haar gewaad, ijlde met beiden naar de kampplaats terug, en hielp den arts met mannenmoed de handen van den waanzinnige binden. Elk woord, iedere terechtwijzing van den vriend verstond zij, en toen de slaven, die de non geroepen had, de ziekenkamer binnentraden, vonden zij Rustem met vastgebonden handen terug en hadden niet anders te doen dan te verhinderen, dat hij uit bed sprong of zich op zijde wierp.Philippusnaar adem hijgende schreef nu de slaven voor hoe zich verder te gedragen, en toen hij daarna naar de artsenijkast ging en Paula opmerkte hoe zijne blauwroode, gezwollen vingers daarbij trilden, nam zij de fleschjes eruit waarop hij wees, mengde het geneesmiddel naar zijn voorschrift en ontzag zich niet het met hulp der slaven den woesten man tusschen de met geweld geopende tanden te gieten. De weldadige druppels brachten den kranke in weinige oogenblikken tot rust, en weldra kon de arts meteigene hand onder bijstand van de ervarene non de wond van den karavaan-aanvoerder reinigen en verbinden.Intusschen was ook de waanzinnige door het gebrul van den Pers wakker geworden en vroeg angstig of de hond, de booze hond er weder was. Doch zij liet zich dadelijk door Paula neerzetten en beantwoordde de vragen, die deze tot haar richtte, zoo verstandig en bedaard, dat hare verpleegster den arts erbij riep, en deze Paula’s hoop deelde, dat er in den zielstoestand van de waanzinnige een gewichtige ommekeer zou kunnen plaats hebben.Paula deed opmerken hoe Mandane weemoedige doch vriendelijke woorden uitte, waarop de arts zeide: »Op het ziekbed leert men de menschen kennen. Dit wilde meisje, dat den zoon des huizes misschien met een moorddadig plan op het lijf viel, toont thans haar waren, zachten aard. Wat den jongen man hiernaast aangaat, dat is een stevige, maar ook een brave kerel, daarop geef ik mijne tien vingers ten pand.”»Wat geeft u dat vertrouwen?”»Zelfs in de koorts heeft hij niet eene enkele maal gekrabd of gebeten, maar zich geweerd als een ordentelijk jongmensch... Mijn dank nu voor uwe hulp; indien gij hem dat koord niet om den handen hadt geslagen, zou het spel misschien anders afgeloopen zijn.”»Zeker niet,” antwoordde Paula op stelligen toon.»Want gij zijt sterk, Philippus! Men zou bang voor u kunnen worden.”»Gij?” lachte de arts. »Ge behoeft nu niet bang meer te zijn; toevallig hebt gij gezien dat uw beschermer niet zwak is! Puuh! Een weinig rust zou nu goed doen!”Zij reikte hem daarop haar eigen doek toe, en terwijl hij daarvan dankbaar gebruik maakte om zich het voorhoofd af te drogen, en met moeite de begeerte onderdrukte om dien aan zijne lippen te brengen zeide hij welgemoed: »Met zulk eene helpster moet alles gelukken. Sterk zijn is geen verdienste, ieder kan het blijven die met gezond bloed en stevige spieren ter wereld komt, de ledematen, gelijk ik als knaap en jongeling heb gedaan, flink oefent en zijn vaderlijk erfdeel niet doorbrengt met slecht te leven.Nochtansvoel ik die worsteling nog in mijne armen; maar in de zaal is nog heerlijke wijn, twee of drie bekers zouden mij wel goed doen.”Vervolgens begaven zij zich naar de aangrenzende zaal, waar de meeste lampen reeds uitgedoofd waren. Paula schonk het druivensap voor hem in en bood hem den beker aan, dien bij met volle teugen ledigde. Het was hem echter niet vergund ook den tweeden beker op haar welzijn uit te drinken, want nauwelijks had hij dien aan de lippen gebracht, toen er geruchtontstond in de kamer van den Masdakiet en vrouw Neforis verscheen.De zorgzame gemalin van den Mukaukas was niet geweken van het rustbed van haar gemaal, en zelfs het gebrul van den Pers had haar niet bewogen haar post te verlaten; toen zij echter van de slaven had vernomen, wat daar boven te doen was geweest, en dat Paula nog altijd met den arts bij de kranken vertoefde was zij, zoodra haar gemaal haar missen kon, naar de verdieping der gasten gegaan om Philippus te spreken, de Damasceensche onder het oog te brengen wat betamelijk was, en om onderzoek te doen naar het vreemd gedruisch, dat het anders op dit uur zoo doodstille huis scheen te vervullen. Het kwam uit de ziekenkamers, en werd mede veroorzaakt door den terugkeerenden Orion en den rentmeester Nilus, wien deze bij zich ontboden had, niettegenstaande de nacht reeds den morgen naderde. De gemalin van den stadhouder meende, in verband met dezen akeligen dag, die bovendien als een onheilaanbrengenden in den kalender stond aangeteekend, dat gevaren dreigden van alle zijden; daarom was zij vergezeld van den wachthebbenden dienaar haars gemaals, en met een klein reliquiënkastje in de hand, waaraan zij de kracht toeschreef om booze geesten te bezweren, de trap opgegaan.Haastig en zacht trad zij de krankenvertrekken binnen en onderwierp daar allereerst, bezorgd en niet op haar gemak, gelijk ieder die gedurende den nacht in zijne rust gestoord wordt, de non aan een streng verhoor. Daarna kwam zij in de zaal, waar Philippus juist zijne vriendin een tweeden beker toedronk, terwijl Paula met halfverwarde haren en ongegord gewaad tegenover hem stond. Dat alles was zedenkwetsend, dat wilde zij in haar huis niet dulden, zij beval dus de nicht van haar gemaal kort en goed zich ter ruste te begeven. Na alles wat men haar heden, neen gisteren reeds had kwijtgescholden, zeide zij, zou het haar beter voegen in hare kamer in stilte over zichzelve na te denken, ten einde de leugengeesten die haar beheerschten te bannen en haren Heiland om vergiffenis te bidden, dan hier voor ziekenverpleegster te spelen en het drinkgelag met een jongen man voort te zetten, dat zij, zooals de non zoo even had medegedeeld, reeds in de middag had aangevangen.Paula hoorde haar zwijgend aan, doch haar gelaat verschoot meermalen van kleur: toen echter Neforis met den vinger op de deur wees, zeide zij met al den trots, waarover zij beschikken kon, wanneer zij zag dat men haar onwaardig verdacht: »Uwe bedoeling is gemakkelijk te doorzien. Ik zou u geen antwoord waardig achten, indien gij niet de gade waart van den man, dien ik, voor gij hem tegen mij hadt ingenomen,gaarne mijn gastheer en beschermer noemde, die bovendien mijn bloedverwant is. Evenals altijd zoo verdenkt gij mij ook nu van kwaad. Indien gij mij de deur wijst van deze heilige plaats, van dit ziekenvertrek, dan verjaagt gij mij tegelijk uit uw huis, dat gij en uw zoon—het moet mij eens van het hart—mij thans tot een hel gemaakt hebben.”»Ik, ik, en waarmede... Neen, dat, dat is...” riep de matrone naar adem hijgende, de beide handen kruiselings slaande over haar onstuimig bewogen borst, terwijl haar vaal gezicht met een gloeiend rood werd overtogen en hare oogen van toorn fonkelden. »Dat is.... duizendmaal, ja duizendmaal te veel, hoort gij? En ik, ik verwaardig u nog met een antwoord! Wij hebben u van de straat opgeraapt en u als eene dochter behandeld, onzinnige uitgaven voor u betaald, en nu...”Deze woorden waren meer tot den arts gericht dan tot het meisje. Paula nam echter de uitdaging aan en antwoordde op een toon van diepe minachting: »En thans verklaar ik u bepaald als jonkvrouw die mondig ben en over mijzelve vrij kan beschikken, dat ik morgen vroeg met alles wat mijn eigendom is dit huis verlaat, al moest ik ook gaan bedelen, dit huis waarin men mij smadelijk beleedigd, mij en mijn trouwen dienaar valsch veroordeeld heeft, terwijl men op het punt staat hem gruwelijk te vermoorden.”»En waar men u....” duwde Neforis met krijschende stem het meisje toe, dat hare kalmte bewaarde, »waar men u veel te zachtmoedig voor het lot van den roover, dien gij ons huis hebt binnengesmokkeld, bewaard heeft! Om een inbreker te redden hebt gij—het is ongehoord!—hebt gij het gewaagd den zoon van uw weldoener als een onrechtvaardig rechter...”»Dat is hij!” riep Paula toornig. »En nog meer! Dat kind dat gij zelve voor hem tot vrouw bestemd hebt, heeft hij verleid, schandelijk verleid om een valsch getuigenis af te leggen. Nog meer, nog veel meer zou ik kunnen zeggen, als mij in uw persoon de moeder niet heilig was, en als uw echtgenoot aan mij niet verdiend had dat ik hem spaarde.”»Hem sparen, sparen!” herhaalde Neforis op honenden toon. »Gij zoudt ons sparen! De aangeklaagde ontvangt genade en verschoont, verschoont zijn rechter! Maar gij zult gedwongen worden, ja gedwongen te spreken. En wat gij, misdadige, van dat valsch getuigenis gezegd hebt...”»Dat zal uwe eigene kleindochter,” sprak de arts, haar in de rede vallende, »wanneer gij u niet weet in te toomen, edele vrouw, voor de geheele wereld bevestigen moeten.”Neforis begon opeens krampachtig te lachen en ging voort, buiten zichzelve van woede: »Zoo staan dus de zaken! Het heiligenziekenvertrek wordt tot een tempel van Bachus en Venus gemaakt; en alsof dit vergrijp op zichzelf niet reeds ergerlijk genoeg was, sluit gij een verbond, om een geacht huis en zijne hoofden met smaad en schande te overladen!”Daaropzette zij de linkerhand met het reliquiënkastje op de heup en zeide driftig: »Zoo zult gij dan uw zin hebben. Ga, waarheen gij wilt! Wanneer ik u, ondankbaar en boosaardig schepsel, na morgen middag nog in het stadhouderlijk paleis vind, dan laat ik u door de manschappen van de wacht op straat zetten. Want ik—ik wil mijn arm gefolterd hart eindelijk eens luchten—ik haat u, ik heb een afkeer van u, uwe tegenwoordigheid alleen ergert me en brengt ongeluk over mij en ons allen;—bovendien ik heb de smaragden die wij bezitten te lief...”Met dit allergrievendst woord, dat zij tegen de inspraak van haar beter gevoel had uitgestooten, scheen zij hare ziel van een centenaarsgewicht bevrijd te hebben, want zij haalde diep adem en op veel zachter en bedaarder toon wendde zij zich tot den arts met te zeggen: »Maar wat u betreft, Philippus, mijn man heeft u noodig; gij weet wat wij u aanbieden en kent de mildheid van Georg. Misschien komt gij tot betere gedachten en zult gij leeren inzien...”»Ik?” viel de heelmeester met een waardigen glimlach haar in de rede. »Kent gij mij waarlijk zoo slecht, vrouw Neforis? Aan uw man, dat geef ik toe, ben ik gehecht, en als hij mij noodig heeft zal hij mij wel laten halen. Ongeroepen overschrijd ik echter dezen drempel niet meer, waar men het recht met voeten treedt, de weerlooze onschuld beschimpt en tot vertwijfeling brengt.—Ja, zie mij maar verbaasd aan! Uw zoon heeft den rechterstoel van zijn vader ontwijd en het bloed van den onschuldigen Hiram komt over zijn hoofd. Ga maar voort uwe smaragden te koesteren; Paula zal ze niet aanroeren; zij draagt het hart te hoog om u den naam te noemen van hem, voor wien gij wel zoudt doen ze in den diepsten kelder weg te sluiten. Wat ik daareven uit uw mond heb gehoord, verscheurt elken band, dien de tijd tusschen ons knoopte. Ik verlang van mijne vrienden niet, of laat ik liever zeggen van hen, die mijne naaste bekenden zijn, dat zij rijk zijn, dat zij zich toeschietelijk of voorkomend betoonen, dat zij gaven van geest of lichaam bezitten; maar wij moeten op één gemeenschappelijken bodem staan, namelijk dien eener waardige gezindheid. Zulk eene gezindheid is u niet aangeboren, of ge hebt haar verloren, en ik wil, ik moet van dit oogenblik een vreemde voor u zijn. Ik wensch u niet weder te zien, tenzij bij uw echtgenoot, als hij mijne hulp verlangt.”Deze laatste woorden werden met zulk eene waardigheid, zooonherroepelijk uitgesproken, dat Neforis verschrikte en geheel hare tegenwoordigheid van geest verloor. Als eene der verachting prijsgegeven onwaardige had de man haar behandeld, op wiens stand zij uit de hoogte neerzag, dien zij echter altijd voor een der braafste, openhartigste en reinste menschen had gehouden, een man van eer, dien haar gemaal niet missen kon, wijl hij zijne pijnen wist te verzachten en hem af te houden van het overmatig gebruik van zijn verdoovingsmiddel. Wijd en zijd in den omtrek was hij de eenige arts van groote bekwaamheid. Ook deze nuttige helper, die het leven van de kleine Maria en van zoo vele dienaars behouden had, dreigde haar ontroofd te worden door die gehate Damasceensche, en zij, die vast overtuigd was een brave, degelijke echtgenoote en moeder te zijn, zij stond daar nu, door dezen boozen geest van haar huis gemaakt tot een verachtelijk wezen, voor hetwelk een braaf mensch uit den weg moet gaan.Dat was te veel, en door toorn, ergernis en oprechte bekommering gekweld, zeide zij op klagenden toon en met betraande oogen: »Maar wat beteekent dit alles nu? Gij die mij kent, die mij hebt gezien in mijn dagelijksch leven en werken, gij keert mij in mijn eigen huis den rug toe en wijst mij met den vinger na? Ben ik dan mijn gansche leven niet eene trouwe gade geweest, die haar man jarenlang verpleegd, zijn ziekbed niet verlaten en aan niets gedacht heeft dan om zijn leed te verzachten? Als eene kluizenares heb ik mij bij hem opgesloten uit louter plichtgevoel en trouwe liefde, terwijl andere vrouwen, die het minder gemakkelijk kunnen doen, goeden sier maken en feesten bezoeken. En waar werden de slaven rijkelijker onderhouden en menigvuldiger vrij gelaten dan bij ons? Waar was de bedelaar zoo zeker zijn aalmoes te krijgen dan in ons huis, iets wat ik, ik alleen uit vroomheid aanhoud? En nu zou ik plotseling om der wille van dit ondankbaar liefdeloos schepsel niet meer waard zijn dat mij de zon beschijnt, en een braaf man als gij zegt mij in een ommezien de vriendschap op, omdat, omdat,—hoe noemdet gij het—omdat mij het verstand ontbreekt, of hoe hebt gij dat ding genoemd, dat men hebben moet om u...”»Het heet de gezindheid,” hielp haar de arts, die medelijden kreeg met de beangstigde vrouw, in wie hij inderdaad veel goeds had opgemerkt. »Is dit woord u werkelijk geheel vreemd, vrouw Neforis? Zulk eene gezindheid is zeker iets aangeborens, maar met een vasten wil kan men eene van minder hoogen aanleg veredelen, terwijl zwakheid van karakter waar het eigene gebreken geldt eene van nature goede gezindheid kan bederven. En als mij mijn voorgevoel niet bedriegt, dan zullen op denjongsten dag niet de daden worden geoordeeld, maar de gezindheid. Hoe zou het mij vrij staan u te berispen? Het is mij geoorloofd u te beklagen, want ik bespeur bij u eene zielekrankheid, die niet ongelijk is aan den kanker hij het lichaam....”»Ook dat nog!” zeide Neforis.»Deze krankheid,” vervolgde de arts, zonder zich van zijn stuk te laten brengen, »de haat namelijk, daarvoor moest eene vrome christin zich weten te behoeden! Als een dief in den nacht is hij in uw hart gedrongen, heeft overal ingevreten, uw bloed bedorven, u verleid om ten opzichte van deze door een zoo zwaar ongeluk getroffene wees te handelen als iemand die een blinde steenen en balken in zijn weg werpt, om hem te doen vallen. Hecht gij, gelijk het schijnt, inderdaad een weinig aan mijne meening, bid dan Paula, vóór zij dit huis verlaat, om vergeving voor den haat, waarmede gij haar jaren lang leed hebt berokkend, waarbij gij zoo even nog die eene ongehoorde beleediging heb gevoegd, waaraan gij zelve niet gelooven kunt.”Thans keerde Paula, die tot hiertoe de toespraak van den arts gevolgd had, het gelaat naar vrouw Neforis, maakte de handen los, die zij in den schoot gevouwen hield, om, hoewel zij vast besloten bleef de woning van den stadhouder te verlaten, de rechterhand te geven aan de gemalin van haar oom, wanneer deze de hare wilde toesteken.De vrouw des stadhouders voerde intusschen in haar binnenste een zwaren strijd. Zij erkende Paula vaak onvriendelijk behandeld te hebben; dat er omtrent den diefstal van den smaragd nog altijd een pijnlijke onzekerheid bestond, had zij vóor haar bezoek in het ziekenvertrek met weerzin ervaren; zij wist haar gemaal een grooten dienst te kunnen doen, wanneer zij de Damasceensche bewoog te blijven; den arts wilde zij maar al te gaarne voor haar huis behouden. Maar hoe diep was zij, was haar zoon zoo even nog door dit hoogmoedig schepsel beleedigd! Zou zij zich voor haar, die zoo veel jonger was, vernederen en haar de hand reiken; zou zij in...Daar klonk het zilveren bekken, waarin haar gemaal een kogel wierp, wanneer hij haar noodig had. Zij zag in hare verbeelding zijn bleek en lijdend gelaat, zij hoorde hem vragen naar zijne speelgenoote aan het schaakbord, zij bespeurde zijn weemoedigen, verwijtenden blik, als het morgen zou heeten: zij, Neforis, had zijne nicht, de dochter van den edelen Thomas, uit het huis gejaagd; en zij volgde de neiging, die opeens bij haar opkwam, door met het reliquiënkastje in de linker- en de uitgestrekte rechterhand naar Paula toe te gaan en op zachten toon te zeggen: »Geef mij dan de hand, meisje! Menigmaal had ik anders jegens u kunnen zijn, maar waarom hebt ookgij nooit, zelfs in het minste niet naar mijne liefde gevraagd? God is mijn getuige, dat ik aanvankelijk genegen was u als eene dochter te beschouwen, maar gij—maar spreken wij daar niet over! Thans doet het mij leed, dat ik u... wanneer ik u smart heb aangedaan.”Reeds bij de eerste woorden had Paula hare hand in die van de matrone gelegd. De hare was koud als marmer, die van de stadhoudersvrouw was heet en klam, en het was als voelden beide handen tegelijk denzelfden afkeer van elkander als hunne harten, tengevolge waarvan zij slechts een oogenblik in elkaar bleven. Toen Paula de hare terugtrok, bewaarde zij beter hare kalmte dan de oudere vrouw, en zeide bedaard maar met gloeiende wangen: »Zoo willen wij dan beproeven om zonder toorn van elkander te scheiden, en ik dank u dat ge mij dit mogelijk hebt gemaakt. Morgen vroeg zal het mij, hoop ik, vergund zijn van oom, die mij lief is, en van de kleine Maria afscheid te nemen.”»Maar gij behoeft thans niet meer heen te gaan, ik bid u veeleer dringend te blijven,” zeide de stadhoudersvrouw met aandrang. »Georg laat u niet gaan; gij weet toch hoe hij aan u gehecht is.”»Vaak was hij als een vader voor mij,” hernam Paula, en nu werd ook haar oog vochtig. »Daarom had ik het gaarne bij hem uitgehouden tot het einde. Toch blijft het zoo, dat ik heenga.”»En wanneer uw oom zijne bede bij de mijne voegt?”»Dan zal het toch tevergeefs zijn.”Vrouw Neforis greep nog eens de hand van de jonkvrouw, en deed in oprechtheid al haar best om haar tot andere gedachten te brengen, doch Paula bleef onvermurwbaar en volhardde in haar besluit, om reeds morgen het stadhouderlijk paleis te verlaten.»Doch waar vindt gij zoo dadelijk een geschikt verblijf,” zeide Neforis, »een tehuis, dat voegt aan uw stand?”»Dat zal mijne zaak zijn,” zeide de arts. »Geloof mij, edele vrouw, voor alle partijen is het beter, dat Paula eene andere woning betrekt. Alleen dit wensch ik, dat zij te bewegen zal zijn althans voorloopig te Memphis te blijven.”»Bij ons,” zeide daarop Neforis, »alleen bij ons is haar natuurlijk tehuis. Misschien verandert God uw hart om uws ooms wil, en dan beginnen wij allen te zamen een nieuw, gelukkig leven.”Paula schudde als antwoord met het hoofd, maar Neforis zag het niet meer; want ten derdemale hoorde zij de metalen roepstem en haar plicht gebood die te volgen.Zoodra zij de kamer verlaten had, haalde Paula diep adem en zeide: »O God, o God! hoe zwaar is mij dit gevallen! Haar niet in het aangezicht te verwijten met welke misdaden haar gewetenlooze zoon.... Neen, neen, daartoe had niets mij kunnen bewegen; doch ik kan u niet zeggen hoe het zien alleen van deze vrouw mij ontroert, en hoe mijn hart zich verlicht gevoelt, sedert ik de brug heb afgebroken, die mij met dit huis, met Memphis verbindt.”»Met Memphis?” vroeg de arts.»Ja,” antwoordde Paula opgewekt. »Ik wil weg, ver van hier, uit de nabijheid van deze vrouw en haar zoon. Waarheen? Of naar Syrië terug, of naar Griekenland, het is mij onverschillig welke weg mij van hier voert.”»En ik, uw vriend?” vroeg Philippus weder.»De herinnering aan u neem ik mede in mijn dankbaar hart.”De arts glimlachte als gebeurde er iets, wat hij wel verwacht had; na een oogenblik te hebben nagedacht zeide hij: »En waar en hoe zal de Nabateër u vinden, wanneer hij in den kluizenaar van den Sinaï werkelijk uw vader erkent?”Deze vraag verraste en verschrikte Paula, en Philippus spande al zijne krachten in om haar te overtuigen van de noodzakelijkheid om in de pyramidenstad te blijven. Allereerst moest de voedster bevrijd worden en daarbij kon de arts haar zijne hulp beloven. Bij alles wat hij verder in het midden bracht, nam hij met zooveel overleg de omstandigheden in aanmerking, waarmede hier rekening moest gehouden worden, alsmede de feiten die voor de hand lagen of zich konden voordoen, dat zij zich verwonderen moest over de heldere inzichten en den practischen zin van een man, met wien zij gewoonlijk over andere dan wereldsche zaken gesproken had. Om der wille van haar vader en van Perpetua, doch ook in de verwachting van verder zich te kunnen verblijden in den omgang met dezen man, willigde zij in ten minste vooreerst te Memphis te blijven en haar intrek te nemen in het huis van een vriend en geloofsgenoot van den arts, dien zij reeds lang uit zijne gesprekken kende, ten einde daar den verderen loop der dingen af te wachten. De vurigste wensch van haar hart was Orion te ontwijken en hem nooit, neen nooit, weder te zien. Elke plaats dacht haar goed waar zij niet behoefde te vreezen hem te ontmoeten. Zij haatte hem, doch zij wist dat haar hart niet tot rust kon komen, zoolang een samentreffen mogelijk was. Zij wilde zich ook losmaken van het onweerstaanbaar verlangen, dat telkens en telkens weder met wonderbare kracht in haar opwelde, om zijne verdere lotgevallen te volgen. Daarom en daarom alleen begeerde zij weg, zeer ver weg te gaan, en daarom voldeed haar nauwelijks de verzekering vanden arts, dat haar nieuwe gastheer elk bezoeker van haar verwijderd zou weten te houden, dien zijzelve niet wenschte te ontvangen. Het zou zijne zaak zijn, dus besloot Philippus, haar voor indringers te beveiligen, wanneer zij hem liet roepen.Toen beiden van elkander scheidden steeg de zon achter de bergen in het oosten op, en bij het afscheid zeide Paula: »Zoo zal dan morgen voor mij een nieuw leven beginnen, waarvan ik mij kan voorstellen dat het met uwe hulp vriendelijker zal zijn dan hetgeen achter mij ligt.”»Voor mij,” antwoordde de arts bewogen, »is dat nieuwe leven reeds gisteren aangevangen.”

DERTIENDE HOOFDSTUK.Wat de arts door Paula vernomen had van de gebeurtenissen in den afgeloopen dag, van Orions houding en het einde van het rechtsgeding, wekte in de hoogste mate zijne verontwaardiging, en zonder tegenspraak billijkte hij het besluit van het meisje om dit schandelijk rooversnest, dit huis van boosheid en bedrog, van bloode rechters en valsche getuigen te verlaten.Het kwam nog niet tot een rustig gesprek tusschen hun beiden, want in het ziekenvertrek had Philippus weldra de handen vol. De Masdakiet Rustem, die tot dusverre bewusteloos had gelegen, was ingevolge een nieuw medicament uit zijne verdooving ontwaakt en verlangde onstuimig naar zijn meester Haschim. Toen deze niet verscheen en men hem zeide, dat hij eerst morgen verwacht kon worden, richtte de reus zich in zijne kussens op, hield de gespierde armen strak achterwaarts op de kanten van het bed, keek met verbijsterden blik links en rechts en schudde den grooten kop, waarvan men de haarlokken had weggesneden, als een getergde leeuw. Daarbij riep hij den arts met zijne ver klinkende borststem smadelijke woorden in zijne moedertaal toe, die niemand der aanwezigen verstond, en terwijl Philippus het verband opnieuw vruchteloos op de diepe wonde trachtte te bevestigen, liet Rustem plotseling de handen van het bed los, sloeg zijne armen om het lichaam van den arts en trachtte in zijne razernij, met het schuim op de lippen, hem neder te trekken. Brullende als een roofdier trok hij zijn tegenpartij heen en weer, maar ook thans verloor Philippus geen oogenblik zijne tegenwoordigheid van geest, doch beval de non twee stevige slaven te halen.Terwijl deze wegsnelde was Paula getuige van eene vreeselijke worsteling, want de arts had de polsen van den reus met zijne handen omkneld, en met eene kracht, die men wel dengrooten, grof gebouwden, maar bezwaarlijk den eenigermate gebogen man van studie zou hebben toegeschreven, hield hij de handen van den Pers van zijne heupen verwijderd, wrong daarna zijne vingers tusschen die van Rustem, dwong hem in zijn kussen terug te zinken, zette de knie op zijne bronzen legerstede en bracht hem zóo onder zijne macht, dat de gewonde zich niet weder vermocht op te richten. Toch spande Rustem nog alle krachten in om zich van zijn tegenstander te bevrijden, maar deze was nu sterker dan hij, want het bloedverlies en de koorts hadden den aanvoerder der karavaan verzwakt.Paula zag deze worsteling van de verstandige sterkte tegen de dierlijke kracht van een razenden reus bevend en met luid kloppend hart aan. Zij kon den vriend niet helpen, maar aan het hoofdeinde van het bed staande, volgde zij elk zijner bewegingen, en zag hoe hij den kolossalen man, voor wien haar oom uit kinderachtige vrees gesidderd had, gekluisterd hield. Zij moest zijne mannelijke schoonheid bewonderen, want zijne oogen straalden thans met vurigen glans, en het korte onderdeel van zijn aangezicht scheen langer te worden bij de geweldige inspanning waartoe hij zich dwong, en bracht dat gedeelte in harmonie met het groote voorhoofd en het overige van zijn gelaat. Innerlijk beefde zij voor hem, en zij meende in hem, wien zij vroeger alleen geacht had om zijn groot verstand, iets groots, iets van een held te zien.Eenige oogenblikken had de strijd geduurd, toen Philippus gevoelde dat de armen van den Pers verslapten, en nu riep hij Paula toe hem een doek, een koord of wat ook te brengen, om den razende te binden. Haastig en zich volkomen bewust van hetgeen haar te doen stond, ging zij naar het aangrenzend vertrek, greep haar hoofddoek, trok den zijden gordel van haar gewaad, ijlde met beiden naar de kampplaats terug, en hielp den arts met mannenmoed de handen van den waanzinnige binden. Elk woord, iedere terechtwijzing van den vriend verstond zij, en toen de slaven, die de non geroepen had, de ziekenkamer binnentraden, vonden zij Rustem met vastgebonden handen terug en hadden niet anders te doen dan te verhinderen, dat hij uit bed sprong of zich op zijde wierp.Philippusnaar adem hijgende schreef nu de slaven voor hoe zich verder te gedragen, en toen hij daarna naar de artsenijkast ging en Paula opmerkte hoe zijne blauwroode, gezwollen vingers daarbij trilden, nam zij de fleschjes eruit waarop hij wees, mengde het geneesmiddel naar zijn voorschrift en ontzag zich niet het met hulp der slaven den woesten man tusschen de met geweld geopende tanden te gieten. De weldadige druppels brachten den kranke in weinige oogenblikken tot rust, en weldra kon de arts meteigene hand onder bijstand van de ervarene non de wond van den karavaan-aanvoerder reinigen en verbinden.Intusschen was ook de waanzinnige door het gebrul van den Pers wakker geworden en vroeg angstig of de hond, de booze hond er weder was. Doch zij liet zich dadelijk door Paula neerzetten en beantwoordde de vragen, die deze tot haar richtte, zoo verstandig en bedaard, dat hare verpleegster den arts erbij riep, en deze Paula’s hoop deelde, dat er in den zielstoestand van de waanzinnige een gewichtige ommekeer zou kunnen plaats hebben.Paula deed opmerken hoe Mandane weemoedige doch vriendelijke woorden uitte, waarop de arts zeide: »Op het ziekbed leert men de menschen kennen. Dit wilde meisje, dat den zoon des huizes misschien met een moorddadig plan op het lijf viel, toont thans haar waren, zachten aard. Wat den jongen man hiernaast aangaat, dat is een stevige, maar ook een brave kerel, daarop geef ik mijne tien vingers ten pand.”»Wat geeft u dat vertrouwen?”»Zelfs in de koorts heeft hij niet eene enkele maal gekrabd of gebeten, maar zich geweerd als een ordentelijk jongmensch... Mijn dank nu voor uwe hulp; indien gij hem dat koord niet om den handen hadt geslagen, zou het spel misschien anders afgeloopen zijn.”»Zeker niet,” antwoordde Paula op stelligen toon.»Want gij zijt sterk, Philippus! Men zou bang voor u kunnen worden.”»Gij?” lachte de arts. »Ge behoeft nu niet bang meer te zijn; toevallig hebt gij gezien dat uw beschermer niet zwak is! Puuh! Een weinig rust zou nu goed doen!”Zij reikte hem daarop haar eigen doek toe, en terwijl hij daarvan dankbaar gebruik maakte om zich het voorhoofd af te drogen, en met moeite de begeerte onderdrukte om dien aan zijne lippen te brengen zeide hij welgemoed: »Met zulk eene helpster moet alles gelukken. Sterk zijn is geen verdienste, ieder kan het blijven die met gezond bloed en stevige spieren ter wereld komt, de ledematen, gelijk ik als knaap en jongeling heb gedaan, flink oefent en zijn vaderlijk erfdeel niet doorbrengt met slecht te leven.Nochtansvoel ik die worsteling nog in mijne armen; maar in de zaal is nog heerlijke wijn, twee of drie bekers zouden mij wel goed doen.”Vervolgens begaven zij zich naar de aangrenzende zaal, waar de meeste lampen reeds uitgedoofd waren. Paula schonk het druivensap voor hem in en bood hem den beker aan, dien bij met volle teugen ledigde. Het was hem echter niet vergund ook den tweeden beker op haar welzijn uit te drinken, want nauwelijks had hij dien aan de lippen gebracht, toen er geruchtontstond in de kamer van den Masdakiet en vrouw Neforis verscheen.De zorgzame gemalin van den Mukaukas was niet geweken van het rustbed van haar gemaal, en zelfs het gebrul van den Pers had haar niet bewogen haar post te verlaten; toen zij echter van de slaven had vernomen, wat daar boven te doen was geweest, en dat Paula nog altijd met den arts bij de kranken vertoefde was zij, zoodra haar gemaal haar missen kon, naar de verdieping der gasten gegaan om Philippus te spreken, de Damasceensche onder het oog te brengen wat betamelijk was, en om onderzoek te doen naar het vreemd gedruisch, dat het anders op dit uur zoo doodstille huis scheen te vervullen. Het kwam uit de ziekenkamers, en werd mede veroorzaakt door den terugkeerenden Orion en den rentmeester Nilus, wien deze bij zich ontboden had, niettegenstaande de nacht reeds den morgen naderde. De gemalin van den stadhouder meende, in verband met dezen akeligen dag, die bovendien als een onheilaanbrengenden in den kalender stond aangeteekend, dat gevaren dreigden van alle zijden; daarom was zij vergezeld van den wachthebbenden dienaar haars gemaals, en met een klein reliquiënkastje in de hand, waaraan zij de kracht toeschreef om booze geesten te bezweren, de trap opgegaan.Haastig en zacht trad zij de krankenvertrekken binnen en onderwierp daar allereerst, bezorgd en niet op haar gemak, gelijk ieder die gedurende den nacht in zijne rust gestoord wordt, de non aan een streng verhoor. Daarna kwam zij in de zaal, waar Philippus juist zijne vriendin een tweeden beker toedronk, terwijl Paula met halfverwarde haren en ongegord gewaad tegenover hem stond. Dat alles was zedenkwetsend, dat wilde zij in haar huis niet dulden, zij beval dus de nicht van haar gemaal kort en goed zich ter ruste te begeven. Na alles wat men haar heden, neen gisteren reeds had kwijtgescholden, zeide zij, zou het haar beter voegen in hare kamer in stilte over zichzelve na te denken, ten einde de leugengeesten die haar beheerschten te bannen en haren Heiland om vergiffenis te bidden, dan hier voor ziekenverpleegster te spelen en het drinkgelag met een jongen man voort te zetten, dat zij, zooals de non zoo even had medegedeeld, reeds in de middag had aangevangen.Paula hoorde haar zwijgend aan, doch haar gelaat verschoot meermalen van kleur: toen echter Neforis met den vinger op de deur wees, zeide zij met al den trots, waarover zij beschikken kon, wanneer zij zag dat men haar onwaardig verdacht: »Uwe bedoeling is gemakkelijk te doorzien. Ik zou u geen antwoord waardig achten, indien gij niet de gade waart van den man, dien ik, voor gij hem tegen mij hadt ingenomen,gaarne mijn gastheer en beschermer noemde, die bovendien mijn bloedverwant is. Evenals altijd zoo verdenkt gij mij ook nu van kwaad. Indien gij mij de deur wijst van deze heilige plaats, van dit ziekenvertrek, dan verjaagt gij mij tegelijk uit uw huis, dat gij en uw zoon—het moet mij eens van het hart—mij thans tot een hel gemaakt hebben.”»Ik, ik, en waarmede... Neen, dat, dat is...” riep de matrone naar adem hijgende, de beide handen kruiselings slaande over haar onstuimig bewogen borst, terwijl haar vaal gezicht met een gloeiend rood werd overtogen en hare oogen van toorn fonkelden. »Dat is.... duizendmaal, ja duizendmaal te veel, hoort gij? En ik, ik verwaardig u nog met een antwoord! Wij hebben u van de straat opgeraapt en u als eene dochter behandeld, onzinnige uitgaven voor u betaald, en nu...”Deze woorden waren meer tot den arts gericht dan tot het meisje. Paula nam echter de uitdaging aan en antwoordde op een toon van diepe minachting: »En thans verklaar ik u bepaald als jonkvrouw die mondig ben en over mijzelve vrij kan beschikken, dat ik morgen vroeg met alles wat mijn eigendom is dit huis verlaat, al moest ik ook gaan bedelen, dit huis waarin men mij smadelijk beleedigd, mij en mijn trouwen dienaar valsch veroordeeld heeft, terwijl men op het punt staat hem gruwelijk te vermoorden.”»En waar men u....” duwde Neforis met krijschende stem het meisje toe, dat hare kalmte bewaarde, »waar men u veel te zachtmoedig voor het lot van den roover, dien gij ons huis hebt binnengesmokkeld, bewaard heeft! Om een inbreker te redden hebt gij—het is ongehoord!—hebt gij het gewaagd den zoon van uw weldoener als een onrechtvaardig rechter...”»Dat is hij!” riep Paula toornig. »En nog meer! Dat kind dat gij zelve voor hem tot vrouw bestemd hebt, heeft hij verleid, schandelijk verleid om een valsch getuigenis af te leggen. Nog meer, nog veel meer zou ik kunnen zeggen, als mij in uw persoon de moeder niet heilig was, en als uw echtgenoot aan mij niet verdiend had dat ik hem spaarde.”»Hem sparen, sparen!” herhaalde Neforis op honenden toon. »Gij zoudt ons sparen! De aangeklaagde ontvangt genade en verschoont, verschoont zijn rechter! Maar gij zult gedwongen worden, ja gedwongen te spreken. En wat gij, misdadige, van dat valsch getuigenis gezegd hebt...”»Dat zal uwe eigene kleindochter,” sprak de arts, haar in de rede vallende, »wanneer gij u niet weet in te toomen, edele vrouw, voor de geheele wereld bevestigen moeten.”Neforis begon opeens krampachtig te lachen en ging voort, buiten zichzelve van woede: »Zoo staan dus de zaken! Het heiligenziekenvertrek wordt tot een tempel van Bachus en Venus gemaakt; en alsof dit vergrijp op zichzelf niet reeds ergerlijk genoeg was, sluit gij een verbond, om een geacht huis en zijne hoofden met smaad en schande te overladen!”Daaropzette zij de linkerhand met het reliquiënkastje op de heup en zeide driftig: »Zoo zult gij dan uw zin hebben. Ga, waarheen gij wilt! Wanneer ik u, ondankbaar en boosaardig schepsel, na morgen middag nog in het stadhouderlijk paleis vind, dan laat ik u door de manschappen van de wacht op straat zetten. Want ik—ik wil mijn arm gefolterd hart eindelijk eens luchten—ik haat u, ik heb een afkeer van u, uwe tegenwoordigheid alleen ergert me en brengt ongeluk over mij en ons allen;—bovendien ik heb de smaragden die wij bezitten te lief...”Met dit allergrievendst woord, dat zij tegen de inspraak van haar beter gevoel had uitgestooten, scheen zij hare ziel van een centenaarsgewicht bevrijd te hebben, want zij haalde diep adem en op veel zachter en bedaarder toon wendde zij zich tot den arts met te zeggen: »Maar wat u betreft, Philippus, mijn man heeft u noodig; gij weet wat wij u aanbieden en kent de mildheid van Georg. Misschien komt gij tot betere gedachten en zult gij leeren inzien...”»Ik?” viel de heelmeester met een waardigen glimlach haar in de rede. »Kent gij mij waarlijk zoo slecht, vrouw Neforis? Aan uw man, dat geef ik toe, ben ik gehecht, en als hij mij noodig heeft zal hij mij wel laten halen. Ongeroepen overschrijd ik echter dezen drempel niet meer, waar men het recht met voeten treedt, de weerlooze onschuld beschimpt en tot vertwijfeling brengt.—Ja, zie mij maar verbaasd aan! Uw zoon heeft den rechterstoel van zijn vader ontwijd en het bloed van den onschuldigen Hiram komt over zijn hoofd. Ga maar voort uwe smaragden te koesteren; Paula zal ze niet aanroeren; zij draagt het hart te hoog om u den naam te noemen van hem, voor wien gij wel zoudt doen ze in den diepsten kelder weg te sluiten. Wat ik daareven uit uw mond heb gehoord, verscheurt elken band, dien de tijd tusschen ons knoopte. Ik verlang van mijne vrienden niet, of laat ik liever zeggen van hen, die mijne naaste bekenden zijn, dat zij rijk zijn, dat zij zich toeschietelijk of voorkomend betoonen, dat zij gaven van geest of lichaam bezitten; maar wij moeten op één gemeenschappelijken bodem staan, namelijk dien eener waardige gezindheid. Zulk eene gezindheid is u niet aangeboren, of ge hebt haar verloren, en ik wil, ik moet van dit oogenblik een vreemde voor u zijn. Ik wensch u niet weder te zien, tenzij bij uw echtgenoot, als hij mijne hulp verlangt.”Deze laatste woorden werden met zulk eene waardigheid, zooonherroepelijk uitgesproken, dat Neforis verschrikte en geheel hare tegenwoordigheid van geest verloor. Als eene der verachting prijsgegeven onwaardige had de man haar behandeld, op wiens stand zij uit de hoogte neerzag, dien zij echter altijd voor een der braafste, openhartigste en reinste menschen had gehouden, een man van eer, dien haar gemaal niet missen kon, wijl hij zijne pijnen wist te verzachten en hem af te houden van het overmatig gebruik van zijn verdoovingsmiddel. Wijd en zijd in den omtrek was hij de eenige arts van groote bekwaamheid. Ook deze nuttige helper, die het leven van de kleine Maria en van zoo vele dienaars behouden had, dreigde haar ontroofd te worden door die gehate Damasceensche, en zij, die vast overtuigd was een brave, degelijke echtgenoote en moeder te zijn, zij stond daar nu, door dezen boozen geest van haar huis gemaakt tot een verachtelijk wezen, voor hetwelk een braaf mensch uit den weg moet gaan.Dat was te veel, en door toorn, ergernis en oprechte bekommering gekweld, zeide zij op klagenden toon en met betraande oogen: »Maar wat beteekent dit alles nu? Gij die mij kent, die mij hebt gezien in mijn dagelijksch leven en werken, gij keert mij in mijn eigen huis den rug toe en wijst mij met den vinger na? Ben ik dan mijn gansche leven niet eene trouwe gade geweest, die haar man jarenlang verpleegd, zijn ziekbed niet verlaten en aan niets gedacht heeft dan om zijn leed te verzachten? Als eene kluizenares heb ik mij bij hem opgesloten uit louter plichtgevoel en trouwe liefde, terwijl andere vrouwen, die het minder gemakkelijk kunnen doen, goeden sier maken en feesten bezoeken. En waar werden de slaven rijkelijker onderhouden en menigvuldiger vrij gelaten dan bij ons? Waar was de bedelaar zoo zeker zijn aalmoes te krijgen dan in ons huis, iets wat ik, ik alleen uit vroomheid aanhoud? En nu zou ik plotseling om der wille van dit ondankbaar liefdeloos schepsel niet meer waard zijn dat mij de zon beschijnt, en een braaf man als gij zegt mij in een ommezien de vriendschap op, omdat, omdat,—hoe noemdet gij het—omdat mij het verstand ontbreekt, of hoe hebt gij dat ding genoemd, dat men hebben moet om u...”»Het heet de gezindheid,” hielp haar de arts, die medelijden kreeg met de beangstigde vrouw, in wie hij inderdaad veel goeds had opgemerkt. »Is dit woord u werkelijk geheel vreemd, vrouw Neforis? Zulk eene gezindheid is zeker iets aangeborens, maar met een vasten wil kan men eene van minder hoogen aanleg veredelen, terwijl zwakheid van karakter waar het eigene gebreken geldt eene van nature goede gezindheid kan bederven. En als mij mijn voorgevoel niet bedriegt, dan zullen op denjongsten dag niet de daden worden geoordeeld, maar de gezindheid. Hoe zou het mij vrij staan u te berispen? Het is mij geoorloofd u te beklagen, want ik bespeur bij u eene zielekrankheid, die niet ongelijk is aan den kanker hij het lichaam....”»Ook dat nog!” zeide Neforis.»Deze krankheid,” vervolgde de arts, zonder zich van zijn stuk te laten brengen, »de haat namelijk, daarvoor moest eene vrome christin zich weten te behoeden! Als een dief in den nacht is hij in uw hart gedrongen, heeft overal ingevreten, uw bloed bedorven, u verleid om ten opzichte van deze door een zoo zwaar ongeluk getroffene wees te handelen als iemand die een blinde steenen en balken in zijn weg werpt, om hem te doen vallen. Hecht gij, gelijk het schijnt, inderdaad een weinig aan mijne meening, bid dan Paula, vóór zij dit huis verlaat, om vergeving voor den haat, waarmede gij haar jaren lang leed hebt berokkend, waarbij gij zoo even nog die eene ongehoorde beleediging heb gevoegd, waaraan gij zelve niet gelooven kunt.”Thans keerde Paula, die tot hiertoe de toespraak van den arts gevolgd had, het gelaat naar vrouw Neforis, maakte de handen los, die zij in den schoot gevouwen hield, om, hoewel zij vast besloten bleef de woning van den stadhouder te verlaten, de rechterhand te geven aan de gemalin van haar oom, wanneer deze de hare wilde toesteken.De vrouw des stadhouders voerde intusschen in haar binnenste een zwaren strijd. Zij erkende Paula vaak onvriendelijk behandeld te hebben; dat er omtrent den diefstal van den smaragd nog altijd een pijnlijke onzekerheid bestond, had zij vóor haar bezoek in het ziekenvertrek met weerzin ervaren; zij wist haar gemaal een grooten dienst te kunnen doen, wanneer zij de Damasceensche bewoog te blijven; den arts wilde zij maar al te gaarne voor haar huis behouden. Maar hoe diep was zij, was haar zoon zoo even nog door dit hoogmoedig schepsel beleedigd! Zou zij zich voor haar, die zoo veel jonger was, vernederen en haar de hand reiken; zou zij in...Daar klonk het zilveren bekken, waarin haar gemaal een kogel wierp, wanneer hij haar noodig had. Zij zag in hare verbeelding zijn bleek en lijdend gelaat, zij hoorde hem vragen naar zijne speelgenoote aan het schaakbord, zij bespeurde zijn weemoedigen, verwijtenden blik, als het morgen zou heeten: zij, Neforis, had zijne nicht, de dochter van den edelen Thomas, uit het huis gejaagd; en zij volgde de neiging, die opeens bij haar opkwam, door met het reliquiënkastje in de linker- en de uitgestrekte rechterhand naar Paula toe te gaan en op zachten toon te zeggen: »Geef mij dan de hand, meisje! Menigmaal had ik anders jegens u kunnen zijn, maar waarom hebt ookgij nooit, zelfs in het minste niet naar mijne liefde gevraagd? God is mijn getuige, dat ik aanvankelijk genegen was u als eene dochter te beschouwen, maar gij—maar spreken wij daar niet over! Thans doet het mij leed, dat ik u... wanneer ik u smart heb aangedaan.”Reeds bij de eerste woorden had Paula hare hand in die van de matrone gelegd. De hare was koud als marmer, die van de stadhoudersvrouw was heet en klam, en het was als voelden beide handen tegelijk denzelfden afkeer van elkander als hunne harten, tengevolge waarvan zij slechts een oogenblik in elkaar bleven. Toen Paula de hare terugtrok, bewaarde zij beter hare kalmte dan de oudere vrouw, en zeide bedaard maar met gloeiende wangen: »Zoo willen wij dan beproeven om zonder toorn van elkander te scheiden, en ik dank u dat ge mij dit mogelijk hebt gemaakt. Morgen vroeg zal het mij, hoop ik, vergund zijn van oom, die mij lief is, en van de kleine Maria afscheid te nemen.”»Maar gij behoeft thans niet meer heen te gaan, ik bid u veeleer dringend te blijven,” zeide de stadhoudersvrouw met aandrang. »Georg laat u niet gaan; gij weet toch hoe hij aan u gehecht is.”»Vaak was hij als een vader voor mij,” hernam Paula, en nu werd ook haar oog vochtig. »Daarom had ik het gaarne bij hem uitgehouden tot het einde. Toch blijft het zoo, dat ik heenga.”»En wanneer uw oom zijne bede bij de mijne voegt?”»Dan zal het toch tevergeefs zijn.”Vrouw Neforis greep nog eens de hand van de jonkvrouw, en deed in oprechtheid al haar best om haar tot andere gedachten te brengen, doch Paula bleef onvermurwbaar en volhardde in haar besluit, om reeds morgen het stadhouderlijk paleis te verlaten.»Doch waar vindt gij zoo dadelijk een geschikt verblijf,” zeide Neforis, »een tehuis, dat voegt aan uw stand?”»Dat zal mijne zaak zijn,” zeide de arts. »Geloof mij, edele vrouw, voor alle partijen is het beter, dat Paula eene andere woning betrekt. Alleen dit wensch ik, dat zij te bewegen zal zijn althans voorloopig te Memphis te blijven.”»Bij ons,” zeide daarop Neforis, »alleen bij ons is haar natuurlijk tehuis. Misschien verandert God uw hart om uws ooms wil, en dan beginnen wij allen te zamen een nieuw, gelukkig leven.”Paula schudde als antwoord met het hoofd, maar Neforis zag het niet meer; want ten derdemale hoorde zij de metalen roepstem en haar plicht gebood die te volgen.Zoodra zij de kamer verlaten had, haalde Paula diep adem en zeide: »O God, o God! hoe zwaar is mij dit gevallen! Haar niet in het aangezicht te verwijten met welke misdaden haar gewetenlooze zoon.... Neen, neen, daartoe had niets mij kunnen bewegen; doch ik kan u niet zeggen hoe het zien alleen van deze vrouw mij ontroert, en hoe mijn hart zich verlicht gevoelt, sedert ik de brug heb afgebroken, die mij met dit huis, met Memphis verbindt.”»Met Memphis?” vroeg de arts.»Ja,” antwoordde Paula opgewekt. »Ik wil weg, ver van hier, uit de nabijheid van deze vrouw en haar zoon. Waarheen? Of naar Syrië terug, of naar Griekenland, het is mij onverschillig welke weg mij van hier voert.”»En ik, uw vriend?” vroeg Philippus weder.»De herinnering aan u neem ik mede in mijn dankbaar hart.”De arts glimlachte als gebeurde er iets, wat hij wel verwacht had; na een oogenblik te hebben nagedacht zeide hij: »En waar en hoe zal de Nabateër u vinden, wanneer hij in den kluizenaar van den Sinaï werkelijk uw vader erkent?”Deze vraag verraste en verschrikte Paula, en Philippus spande al zijne krachten in om haar te overtuigen van de noodzakelijkheid om in de pyramidenstad te blijven. Allereerst moest de voedster bevrijd worden en daarbij kon de arts haar zijne hulp beloven. Bij alles wat hij verder in het midden bracht, nam hij met zooveel overleg de omstandigheden in aanmerking, waarmede hier rekening moest gehouden worden, alsmede de feiten die voor de hand lagen of zich konden voordoen, dat zij zich verwonderen moest over de heldere inzichten en den practischen zin van een man, met wien zij gewoonlijk over andere dan wereldsche zaken gesproken had. Om der wille van haar vader en van Perpetua, doch ook in de verwachting van verder zich te kunnen verblijden in den omgang met dezen man, willigde zij in ten minste vooreerst te Memphis te blijven en haar intrek te nemen in het huis van een vriend en geloofsgenoot van den arts, dien zij reeds lang uit zijne gesprekken kende, ten einde daar den verderen loop der dingen af te wachten. De vurigste wensch van haar hart was Orion te ontwijken en hem nooit, neen nooit, weder te zien. Elke plaats dacht haar goed waar zij niet behoefde te vreezen hem te ontmoeten. Zij haatte hem, doch zij wist dat haar hart niet tot rust kon komen, zoolang een samentreffen mogelijk was. Zij wilde zich ook losmaken van het onweerstaanbaar verlangen, dat telkens en telkens weder met wonderbare kracht in haar opwelde, om zijne verdere lotgevallen te volgen. Daarom en daarom alleen begeerde zij weg, zeer ver weg te gaan, en daarom voldeed haar nauwelijks de verzekering vanden arts, dat haar nieuwe gastheer elk bezoeker van haar verwijderd zou weten te houden, dien zijzelve niet wenschte te ontvangen. Het zou zijne zaak zijn, dus besloot Philippus, haar voor indringers te beveiligen, wanneer zij hem liet roepen.Toen beiden van elkander scheidden steeg de zon achter de bergen in het oosten op, en bij het afscheid zeide Paula: »Zoo zal dan morgen voor mij een nieuw leven beginnen, waarvan ik mij kan voorstellen dat het met uwe hulp vriendelijker zal zijn dan hetgeen achter mij ligt.”»Voor mij,” antwoordde de arts bewogen, »is dat nieuwe leven reeds gisteren aangevangen.”

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Wat de arts door Paula vernomen had van de gebeurtenissen in den afgeloopen dag, van Orions houding en het einde van het rechtsgeding, wekte in de hoogste mate zijne verontwaardiging, en zonder tegenspraak billijkte hij het besluit van het meisje om dit schandelijk rooversnest, dit huis van boosheid en bedrog, van bloode rechters en valsche getuigen te verlaten.Het kwam nog niet tot een rustig gesprek tusschen hun beiden, want in het ziekenvertrek had Philippus weldra de handen vol. De Masdakiet Rustem, die tot dusverre bewusteloos had gelegen, was ingevolge een nieuw medicament uit zijne verdooving ontwaakt en verlangde onstuimig naar zijn meester Haschim. Toen deze niet verscheen en men hem zeide, dat hij eerst morgen verwacht kon worden, richtte de reus zich in zijne kussens op, hield de gespierde armen strak achterwaarts op de kanten van het bed, keek met verbijsterden blik links en rechts en schudde den grooten kop, waarvan men de haarlokken had weggesneden, als een getergde leeuw. Daarbij riep hij den arts met zijne ver klinkende borststem smadelijke woorden in zijne moedertaal toe, die niemand der aanwezigen verstond, en terwijl Philippus het verband opnieuw vruchteloos op de diepe wonde trachtte te bevestigen, liet Rustem plotseling de handen van het bed los, sloeg zijne armen om het lichaam van den arts en trachtte in zijne razernij, met het schuim op de lippen, hem neder te trekken. Brullende als een roofdier trok hij zijn tegenpartij heen en weer, maar ook thans verloor Philippus geen oogenblik zijne tegenwoordigheid van geest, doch beval de non twee stevige slaven te halen.Terwijl deze wegsnelde was Paula getuige van eene vreeselijke worsteling, want de arts had de polsen van den reus met zijne handen omkneld, en met eene kracht, die men wel dengrooten, grof gebouwden, maar bezwaarlijk den eenigermate gebogen man van studie zou hebben toegeschreven, hield hij de handen van den Pers van zijne heupen verwijderd, wrong daarna zijne vingers tusschen die van Rustem, dwong hem in zijn kussen terug te zinken, zette de knie op zijne bronzen legerstede en bracht hem zóo onder zijne macht, dat de gewonde zich niet weder vermocht op te richten. Toch spande Rustem nog alle krachten in om zich van zijn tegenstander te bevrijden, maar deze was nu sterker dan hij, want het bloedverlies en de koorts hadden den aanvoerder der karavaan verzwakt.Paula zag deze worsteling van de verstandige sterkte tegen de dierlijke kracht van een razenden reus bevend en met luid kloppend hart aan. Zij kon den vriend niet helpen, maar aan het hoofdeinde van het bed staande, volgde zij elk zijner bewegingen, en zag hoe hij den kolossalen man, voor wien haar oom uit kinderachtige vrees gesidderd had, gekluisterd hield. Zij moest zijne mannelijke schoonheid bewonderen, want zijne oogen straalden thans met vurigen glans, en het korte onderdeel van zijn aangezicht scheen langer te worden bij de geweldige inspanning waartoe hij zich dwong, en bracht dat gedeelte in harmonie met het groote voorhoofd en het overige van zijn gelaat. Innerlijk beefde zij voor hem, en zij meende in hem, wien zij vroeger alleen geacht had om zijn groot verstand, iets groots, iets van een held te zien.Eenige oogenblikken had de strijd geduurd, toen Philippus gevoelde dat de armen van den Pers verslapten, en nu riep hij Paula toe hem een doek, een koord of wat ook te brengen, om den razende te binden. Haastig en zich volkomen bewust van hetgeen haar te doen stond, ging zij naar het aangrenzend vertrek, greep haar hoofddoek, trok den zijden gordel van haar gewaad, ijlde met beiden naar de kampplaats terug, en hielp den arts met mannenmoed de handen van den waanzinnige binden. Elk woord, iedere terechtwijzing van den vriend verstond zij, en toen de slaven, die de non geroepen had, de ziekenkamer binnentraden, vonden zij Rustem met vastgebonden handen terug en hadden niet anders te doen dan te verhinderen, dat hij uit bed sprong of zich op zijde wierp.Philippusnaar adem hijgende schreef nu de slaven voor hoe zich verder te gedragen, en toen hij daarna naar de artsenijkast ging en Paula opmerkte hoe zijne blauwroode, gezwollen vingers daarbij trilden, nam zij de fleschjes eruit waarop hij wees, mengde het geneesmiddel naar zijn voorschrift en ontzag zich niet het met hulp der slaven den woesten man tusschen de met geweld geopende tanden te gieten. De weldadige druppels brachten den kranke in weinige oogenblikken tot rust, en weldra kon de arts meteigene hand onder bijstand van de ervarene non de wond van den karavaan-aanvoerder reinigen en verbinden.Intusschen was ook de waanzinnige door het gebrul van den Pers wakker geworden en vroeg angstig of de hond, de booze hond er weder was. Doch zij liet zich dadelijk door Paula neerzetten en beantwoordde de vragen, die deze tot haar richtte, zoo verstandig en bedaard, dat hare verpleegster den arts erbij riep, en deze Paula’s hoop deelde, dat er in den zielstoestand van de waanzinnige een gewichtige ommekeer zou kunnen plaats hebben.Paula deed opmerken hoe Mandane weemoedige doch vriendelijke woorden uitte, waarop de arts zeide: »Op het ziekbed leert men de menschen kennen. Dit wilde meisje, dat den zoon des huizes misschien met een moorddadig plan op het lijf viel, toont thans haar waren, zachten aard. Wat den jongen man hiernaast aangaat, dat is een stevige, maar ook een brave kerel, daarop geef ik mijne tien vingers ten pand.”»Wat geeft u dat vertrouwen?”»Zelfs in de koorts heeft hij niet eene enkele maal gekrabd of gebeten, maar zich geweerd als een ordentelijk jongmensch... Mijn dank nu voor uwe hulp; indien gij hem dat koord niet om den handen hadt geslagen, zou het spel misschien anders afgeloopen zijn.”»Zeker niet,” antwoordde Paula op stelligen toon.»Want gij zijt sterk, Philippus! Men zou bang voor u kunnen worden.”»Gij?” lachte de arts. »Ge behoeft nu niet bang meer te zijn; toevallig hebt gij gezien dat uw beschermer niet zwak is! Puuh! Een weinig rust zou nu goed doen!”Zij reikte hem daarop haar eigen doek toe, en terwijl hij daarvan dankbaar gebruik maakte om zich het voorhoofd af te drogen, en met moeite de begeerte onderdrukte om dien aan zijne lippen te brengen zeide hij welgemoed: »Met zulk eene helpster moet alles gelukken. Sterk zijn is geen verdienste, ieder kan het blijven die met gezond bloed en stevige spieren ter wereld komt, de ledematen, gelijk ik als knaap en jongeling heb gedaan, flink oefent en zijn vaderlijk erfdeel niet doorbrengt met slecht te leven.Nochtansvoel ik die worsteling nog in mijne armen; maar in de zaal is nog heerlijke wijn, twee of drie bekers zouden mij wel goed doen.”Vervolgens begaven zij zich naar de aangrenzende zaal, waar de meeste lampen reeds uitgedoofd waren. Paula schonk het druivensap voor hem in en bood hem den beker aan, dien bij met volle teugen ledigde. Het was hem echter niet vergund ook den tweeden beker op haar welzijn uit te drinken, want nauwelijks had hij dien aan de lippen gebracht, toen er geruchtontstond in de kamer van den Masdakiet en vrouw Neforis verscheen.De zorgzame gemalin van den Mukaukas was niet geweken van het rustbed van haar gemaal, en zelfs het gebrul van den Pers had haar niet bewogen haar post te verlaten; toen zij echter van de slaven had vernomen, wat daar boven te doen was geweest, en dat Paula nog altijd met den arts bij de kranken vertoefde was zij, zoodra haar gemaal haar missen kon, naar de verdieping der gasten gegaan om Philippus te spreken, de Damasceensche onder het oog te brengen wat betamelijk was, en om onderzoek te doen naar het vreemd gedruisch, dat het anders op dit uur zoo doodstille huis scheen te vervullen. Het kwam uit de ziekenkamers, en werd mede veroorzaakt door den terugkeerenden Orion en den rentmeester Nilus, wien deze bij zich ontboden had, niettegenstaande de nacht reeds den morgen naderde. De gemalin van den stadhouder meende, in verband met dezen akeligen dag, die bovendien als een onheilaanbrengenden in den kalender stond aangeteekend, dat gevaren dreigden van alle zijden; daarom was zij vergezeld van den wachthebbenden dienaar haars gemaals, en met een klein reliquiënkastje in de hand, waaraan zij de kracht toeschreef om booze geesten te bezweren, de trap opgegaan.Haastig en zacht trad zij de krankenvertrekken binnen en onderwierp daar allereerst, bezorgd en niet op haar gemak, gelijk ieder die gedurende den nacht in zijne rust gestoord wordt, de non aan een streng verhoor. Daarna kwam zij in de zaal, waar Philippus juist zijne vriendin een tweeden beker toedronk, terwijl Paula met halfverwarde haren en ongegord gewaad tegenover hem stond. Dat alles was zedenkwetsend, dat wilde zij in haar huis niet dulden, zij beval dus de nicht van haar gemaal kort en goed zich ter ruste te begeven. Na alles wat men haar heden, neen gisteren reeds had kwijtgescholden, zeide zij, zou het haar beter voegen in hare kamer in stilte over zichzelve na te denken, ten einde de leugengeesten die haar beheerschten te bannen en haren Heiland om vergiffenis te bidden, dan hier voor ziekenverpleegster te spelen en het drinkgelag met een jongen man voort te zetten, dat zij, zooals de non zoo even had medegedeeld, reeds in de middag had aangevangen.Paula hoorde haar zwijgend aan, doch haar gelaat verschoot meermalen van kleur: toen echter Neforis met den vinger op de deur wees, zeide zij met al den trots, waarover zij beschikken kon, wanneer zij zag dat men haar onwaardig verdacht: »Uwe bedoeling is gemakkelijk te doorzien. Ik zou u geen antwoord waardig achten, indien gij niet de gade waart van den man, dien ik, voor gij hem tegen mij hadt ingenomen,gaarne mijn gastheer en beschermer noemde, die bovendien mijn bloedverwant is. Evenals altijd zoo verdenkt gij mij ook nu van kwaad. Indien gij mij de deur wijst van deze heilige plaats, van dit ziekenvertrek, dan verjaagt gij mij tegelijk uit uw huis, dat gij en uw zoon—het moet mij eens van het hart—mij thans tot een hel gemaakt hebben.”»Ik, ik, en waarmede... Neen, dat, dat is...” riep de matrone naar adem hijgende, de beide handen kruiselings slaande over haar onstuimig bewogen borst, terwijl haar vaal gezicht met een gloeiend rood werd overtogen en hare oogen van toorn fonkelden. »Dat is.... duizendmaal, ja duizendmaal te veel, hoort gij? En ik, ik verwaardig u nog met een antwoord! Wij hebben u van de straat opgeraapt en u als eene dochter behandeld, onzinnige uitgaven voor u betaald, en nu...”Deze woorden waren meer tot den arts gericht dan tot het meisje. Paula nam echter de uitdaging aan en antwoordde op een toon van diepe minachting: »En thans verklaar ik u bepaald als jonkvrouw die mondig ben en over mijzelve vrij kan beschikken, dat ik morgen vroeg met alles wat mijn eigendom is dit huis verlaat, al moest ik ook gaan bedelen, dit huis waarin men mij smadelijk beleedigd, mij en mijn trouwen dienaar valsch veroordeeld heeft, terwijl men op het punt staat hem gruwelijk te vermoorden.”»En waar men u....” duwde Neforis met krijschende stem het meisje toe, dat hare kalmte bewaarde, »waar men u veel te zachtmoedig voor het lot van den roover, dien gij ons huis hebt binnengesmokkeld, bewaard heeft! Om een inbreker te redden hebt gij—het is ongehoord!—hebt gij het gewaagd den zoon van uw weldoener als een onrechtvaardig rechter...”»Dat is hij!” riep Paula toornig. »En nog meer! Dat kind dat gij zelve voor hem tot vrouw bestemd hebt, heeft hij verleid, schandelijk verleid om een valsch getuigenis af te leggen. Nog meer, nog veel meer zou ik kunnen zeggen, als mij in uw persoon de moeder niet heilig was, en als uw echtgenoot aan mij niet verdiend had dat ik hem spaarde.”»Hem sparen, sparen!” herhaalde Neforis op honenden toon. »Gij zoudt ons sparen! De aangeklaagde ontvangt genade en verschoont, verschoont zijn rechter! Maar gij zult gedwongen worden, ja gedwongen te spreken. En wat gij, misdadige, van dat valsch getuigenis gezegd hebt...”»Dat zal uwe eigene kleindochter,” sprak de arts, haar in de rede vallende, »wanneer gij u niet weet in te toomen, edele vrouw, voor de geheele wereld bevestigen moeten.”Neforis begon opeens krampachtig te lachen en ging voort, buiten zichzelve van woede: »Zoo staan dus de zaken! Het heiligenziekenvertrek wordt tot een tempel van Bachus en Venus gemaakt; en alsof dit vergrijp op zichzelf niet reeds ergerlijk genoeg was, sluit gij een verbond, om een geacht huis en zijne hoofden met smaad en schande te overladen!”Daaropzette zij de linkerhand met het reliquiënkastje op de heup en zeide driftig: »Zoo zult gij dan uw zin hebben. Ga, waarheen gij wilt! Wanneer ik u, ondankbaar en boosaardig schepsel, na morgen middag nog in het stadhouderlijk paleis vind, dan laat ik u door de manschappen van de wacht op straat zetten. Want ik—ik wil mijn arm gefolterd hart eindelijk eens luchten—ik haat u, ik heb een afkeer van u, uwe tegenwoordigheid alleen ergert me en brengt ongeluk over mij en ons allen;—bovendien ik heb de smaragden die wij bezitten te lief...”Met dit allergrievendst woord, dat zij tegen de inspraak van haar beter gevoel had uitgestooten, scheen zij hare ziel van een centenaarsgewicht bevrijd te hebben, want zij haalde diep adem en op veel zachter en bedaarder toon wendde zij zich tot den arts met te zeggen: »Maar wat u betreft, Philippus, mijn man heeft u noodig; gij weet wat wij u aanbieden en kent de mildheid van Georg. Misschien komt gij tot betere gedachten en zult gij leeren inzien...”»Ik?” viel de heelmeester met een waardigen glimlach haar in de rede. »Kent gij mij waarlijk zoo slecht, vrouw Neforis? Aan uw man, dat geef ik toe, ben ik gehecht, en als hij mij noodig heeft zal hij mij wel laten halen. Ongeroepen overschrijd ik echter dezen drempel niet meer, waar men het recht met voeten treedt, de weerlooze onschuld beschimpt en tot vertwijfeling brengt.—Ja, zie mij maar verbaasd aan! Uw zoon heeft den rechterstoel van zijn vader ontwijd en het bloed van den onschuldigen Hiram komt over zijn hoofd. Ga maar voort uwe smaragden te koesteren; Paula zal ze niet aanroeren; zij draagt het hart te hoog om u den naam te noemen van hem, voor wien gij wel zoudt doen ze in den diepsten kelder weg te sluiten. Wat ik daareven uit uw mond heb gehoord, verscheurt elken band, dien de tijd tusschen ons knoopte. Ik verlang van mijne vrienden niet, of laat ik liever zeggen van hen, die mijne naaste bekenden zijn, dat zij rijk zijn, dat zij zich toeschietelijk of voorkomend betoonen, dat zij gaven van geest of lichaam bezitten; maar wij moeten op één gemeenschappelijken bodem staan, namelijk dien eener waardige gezindheid. Zulk eene gezindheid is u niet aangeboren, of ge hebt haar verloren, en ik wil, ik moet van dit oogenblik een vreemde voor u zijn. Ik wensch u niet weder te zien, tenzij bij uw echtgenoot, als hij mijne hulp verlangt.”Deze laatste woorden werden met zulk eene waardigheid, zooonherroepelijk uitgesproken, dat Neforis verschrikte en geheel hare tegenwoordigheid van geest verloor. Als eene der verachting prijsgegeven onwaardige had de man haar behandeld, op wiens stand zij uit de hoogte neerzag, dien zij echter altijd voor een der braafste, openhartigste en reinste menschen had gehouden, een man van eer, dien haar gemaal niet missen kon, wijl hij zijne pijnen wist te verzachten en hem af te houden van het overmatig gebruik van zijn verdoovingsmiddel. Wijd en zijd in den omtrek was hij de eenige arts van groote bekwaamheid. Ook deze nuttige helper, die het leven van de kleine Maria en van zoo vele dienaars behouden had, dreigde haar ontroofd te worden door die gehate Damasceensche, en zij, die vast overtuigd was een brave, degelijke echtgenoote en moeder te zijn, zij stond daar nu, door dezen boozen geest van haar huis gemaakt tot een verachtelijk wezen, voor hetwelk een braaf mensch uit den weg moet gaan.Dat was te veel, en door toorn, ergernis en oprechte bekommering gekweld, zeide zij op klagenden toon en met betraande oogen: »Maar wat beteekent dit alles nu? Gij die mij kent, die mij hebt gezien in mijn dagelijksch leven en werken, gij keert mij in mijn eigen huis den rug toe en wijst mij met den vinger na? Ben ik dan mijn gansche leven niet eene trouwe gade geweest, die haar man jarenlang verpleegd, zijn ziekbed niet verlaten en aan niets gedacht heeft dan om zijn leed te verzachten? Als eene kluizenares heb ik mij bij hem opgesloten uit louter plichtgevoel en trouwe liefde, terwijl andere vrouwen, die het minder gemakkelijk kunnen doen, goeden sier maken en feesten bezoeken. En waar werden de slaven rijkelijker onderhouden en menigvuldiger vrij gelaten dan bij ons? Waar was de bedelaar zoo zeker zijn aalmoes te krijgen dan in ons huis, iets wat ik, ik alleen uit vroomheid aanhoud? En nu zou ik plotseling om der wille van dit ondankbaar liefdeloos schepsel niet meer waard zijn dat mij de zon beschijnt, en een braaf man als gij zegt mij in een ommezien de vriendschap op, omdat, omdat,—hoe noemdet gij het—omdat mij het verstand ontbreekt, of hoe hebt gij dat ding genoemd, dat men hebben moet om u...”»Het heet de gezindheid,” hielp haar de arts, die medelijden kreeg met de beangstigde vrouw, in wie hij inderdaad veel goeds had opgemerkt. »Is dit woord u werkelijk geheel vreemd, vrouw Neforis? Zulk eene gezindheid is zeker iets aangeborens, maar met een vasten wil kan men eene van minder hoogen aanleg veredelen, terwijl zwakheid van karakter waar het eigene gebreken geldt eene van nature goede gezindheid kan bederven. En als mij mijn voorgevoel niet bedriegt, dan zullen op denjongsten dag niet de daden worden geoordeeld, maar de gezindheid. Hoe zou het mij vrij staan u te berispen? Het is mij geoorloofd u te beklagen, want ik bespeur bij u eene zielekrankheid, die niet ongelijk is aan den kanker hij het lichaam....”»Ook dat nog!” zeide Neforis.»Deze krankheid,” vervolgde de arts, zonder zich van zijn stuk te laten brengen, »de haat namelijk, daarvoor moest eene vrome christin zich weten te behoeden! Als een dief in den nacht is hij in uw hart gedrongen, heeft overal ingevreten, uw bloed bedorven, u verleid om ten opzichte van deze door een zoo zwaar ongeluk getroffene wees te handelen als iemand die een blinde steenen en balken in zijn weg werpt, om hem te doen vallen. Hecht gij, gelijk het schijnt, inderdaad een weinig aan mijne meening, bid dan Paula, vóór zij dit huis verlaat, om vergeving voor den haat, waarmede gij haar jaren lang leed hebt berokkend, waarbij gij zoo even nog die eene ongehoorde beleediging heb gevoegd, waaraan gij zelve niet gelooven kunt.”Thans keerde Paula, die tot hiertoe de toespraak van den arts gevolgd had, het gelaat naar vrouw Neforis, maakte de handen los, die zij in den schoot gevouwen hield, om, hoewel zij vast besloten bleef de woning van den stadhouder te verlaten, de rechterhand te geven aan de gemalin van haar oom, wanneer deze de hare wilde toesteken.De vrouw des stadhouders voerde intusschen in haar binnenste een zwaren strijd. Zij erkende Paula vaak onvriendelijk behandeld te hebben; dat er omtrent den diefstal van den smaragd nog altijd een pijnlijke onzekerheid bestond, had zij vóor haar bezoek in het ziekenvertrek met weerzin ervaren; zij wist haar gemaal een grooten dienst te kunnen doen, wanneer zij de Damasceensche bewoog te blijven; den arts wilde zij maar al te gaarne voor haar huis behouden. Maar hoe diep was zij, was haar zoon zoo even nog door dit hoogmoedig schepsel beleedigd! Zou zij zich voor haar, die zoo veel jonger was, vernederen en haar de hand reiken; zou zij in...Daar klonk het zilveren bekken, waarin haar gemaal een kogel wierp, wanneer hij haar noodig had. Zij zag in hare verbeelding zijn bleek en lijdend gelaat, zij hoorde hem vragen naar zijne speelgenoote aan het schaakbord, zij bespeurde zijn weemoedigen, verwijtenden blik, als het morgen zou heeten: zij, Neforis, had zijne nicht, de dochter van den edelen Thomas, uit het huis gejaagd; en zij volgde de neiging, die opeens bij haar opkwam, door met het reliquiënkastje in de linker- en de uitgestrekte rechterhand naar Paula toe te gaan en op zachten toon te zeggen: »Geef mij dan de hand, meisje! Menigmaal had ik anders jegens u kunnen zijn, maar waarom hebt ookgij nooit, zelfs in het minste niet naar mijne liefde gevraagd? God is mijn getuige, dat ik aanvankelijk genegen was u als eene dochter te beschouwen, maar gij—maar spreken wij daar niet over! Thans doet het mij leed, dat ik u... wanneer ik u smart heb aangedaan.”Reeds bij de eerste woorden had Paula hare hand in die van de matrone gelegd. De hare was koud als marmer, die van de stadhoudersvrouw was heet en klam, en het was als voelden beide handen tegelijk denzelfden afkeer van elkander als hunne harten, tengevolge waarvan zij slechts een oogenblik in elkaar bleven. Toen Paula de hare terugtrok, bewaarde zij beter hare kalmte dan de oudere vrouw, en zeide bedaard maar met gloeiende wangen: »Zoo willen wij dan beproeven om zonder toorn van elkander te scheiden, en ik dank u dat ge mij dit mogelijk hebt gemaakt. Morgen vroeg zal het mij, hoop ik, vergund zijn van oom, die mij lief is, en van de kleine Maria afscheid te nemen.”»Maar gij behoeft thans niet meer heen te gaan, ik bid u veeleer dringend te blijven,” zeide de stadhoudersvrouw met aandrang. »Georg laat u niet gaan; gij weet toch hoe hij aan u gehecht is.”»Vaak was hij als een vader voor mij,” hernam Paula, en nu werd ook haar oog vochtig. »Daarom had ik het gaarne bij hem uitgehouden tot het einde. Toch blijft het zoo, dat ik heenga.”»En wanneer uw oom zijne bede bij de mijne voegt?”»Dan zal het toch tevergeefs zijn.”Vrouw Neforis greep nog eens de hand van de jonkvrouw, en deed in oprechtheid al haar best om haar tot andere gedachten te brengen, doch Paula bleef onvermurwbaar en volhardde in haar besluit, om reeds morgen het stadhouderlijk paleis te verlaten.»Doch waar vindt gij zoo dadelijk een geschikt verblijf,” zeide Neforis, »een tehuis, dat voegt aan uw stand?”»Dat zal mijne zaak zijn,” zeide de arts. »Geloof mij, edele vrouw, voor alle partijen is het beter, dat Paula eene andere woning betrekt. Alleen dit wensch ik, dat zij te bewegen zal zijn althans voorloopig te Memphis te blijven.”»Bij ons,” zeide daarop Neforis, »alleen bij ons is haar natuurlijk tehuis. Misschien verandert God uw hart om uws ooms wil, en dan beginnen wij allen te zamen een nieuw, gelukkig leven.”Paula schudde als antwoord met het hoofd, maar Neforis zag het niet meer; want ten derdemale hoorde zij de metalen roepstem en haar plicht gebood die te volgen.Zoodra zij de kamer verlaten had, haalde Paula diep adem en zeide: »O God, o God! hoe zwaar is mij dit gevallen! Haar niet in het aangezicht te verwijten met welke misdaden haar gewetenlooze zoon.... Neen, neen, daartoe had niets mij kunnen bewegen; doch ik kan u niet zeggen hoe het zien alleen van deze vrouw mij ontroert, en hoe mijn hart zich verlicht gevoelt, sedert ik de brug heb afgebroken, die mij met dit huis, met Memphis verbindt.”»Met Memphis?” vroeg de arts.»Ja,” antwoordde Paula opgewekt. »Ik wil weg, ver van hier, uit de nabijheid van deze vrouw en haar zoon. Waarheen? Of naar Syrië terug, of naar Griekenland, het is mij onverschillig welke weg mij van hier voert.”»En ik, uw vriend?” vroeg Philippus weder.»De herinnering aan u neem ik mede in mijn dankbaar hart.”De arts glimlachte als gebeurde er iets, wat hij wel verwacht had; na een oogenblik te hebben nagedacht zeide hij: »En waar en hoe zal de Nabateër u vinden, wanneer hij in den kluizenaar van den Sinaï werkelijk uw vader erkent?”Deze vraag verraste en verschrikte Paula, en Philippus spande al zijne krachten in om haar te overtuigen van de noodzakelijkheid om in de pyramidenstad te blijven. Allereerst moest de voedster bevrijd worden en daarbij kon de arts haar zijne hulp beloven. Bij alles wat hij verder in het midden bracht, nam hij met zooveel overleg de omstandigheden in aanmerking, waarmede hier rekening moest gehouden worden, alsmede de feiten die voor de hand lagen of zich konden voordoen, dat zij zich verwonderen moest over de heldere inzichten en den practischen zin van een man, met wien zij gewoonlijk over andere dan wereldsche zaken gesproken had. Om der wille van haar vader en van Perpetua, doch ook in de verwachting van verder zich te kunnen verblijden in den omgang met dezen man, willigde zij in ten minste vooreerst te Memphis te blijven en haar intrek te nemen in het huis van een vriend en geloofsgenoot van den arts, dien zij reeds lang uit zijne gesprekken kende, ten einde daar den verderen loop der dingen af te wachten. De vurigste wensch van haar hart was Orion te ontwijken en hem nooit, neen nooit, weder te zien. Elke plaats dacht haar goed waar zij niet behoefde te vreezen hem te ontmoeten. Zij haatte hem, doch zij wist dat haar hart niet tot rust kon komen, zoolang een samentreffen mogelijk was. Zij wilde zich ook losmaken van het onweerstaanbaar verlangen, dat telkens en telkens weder met wonderbare kracht in haar opwelde, om zijne verdere lotgevallen te volgen. Daarom en daarom alleen begeerde zij weg, zeer ver weg te gaan, en daarom voldeed haar nauwelijks de verzekering vanden arts, dat haar nieuwe gastheer elk bezoeker van haar verwijderd zou weten te houden, dien zijzelve niet wenschte te ontvangen. Het zou zijne zaak zijn, dus besloot Philippus, haar voor indringers te beveiligen, wanneer zij hem liet roepen.Toen beiden van elkander scheidden steeg de zon achter de bergen in het oosten op, en bij het afscheid zeide Paula: »Zoo zal dan morgen voor mij een nieuw leven beginnen, waarvan ik mij kan voorstellen dat het met uwe hulp vriendelijker zal zijn dan hetgeen achter mij ligt.”»Voor mij,” antwoordde de arts bewogen, »is dat nieuwe leven reeds gisteren aangevangen.”

Wat de arts door Paula vernomen had van de gebeurtenissen in den afgeloopen dag, van Orions houding en het einde van het rechtsgeding, wekte in de hoogste mate zijne verontwaardiging, en zonder tegenspraak billijkte hij het besluit van het meisje om dit schandelijk rooversnest, dit huis van boosheid en bedrog, van bloode rechters en valsche getuigen te verlaten.

Het kwam nog niet tot een rustig gesprek tusschen hun beiden, want in het ziekenvertrek had Philippus weldra de handen vol. De Masdakiet Rustem, die tot dusverre bewusteloos had gelegen, was ingevolge een nieuw medicament uit zijne verdooving ontwaakt en verlangde onstuimig naar zijn meester Haschim. Toen deze niet verscheen en men hem zeide, dat hij eerst morgen verwacht kon worden, richtte de reus zich in zijne kussens op, hield de gespierde armen strak achterwaarts op de kanten van het bed, keek met verbijsterden blik links en rechts en schudde den grooten kop, waarvan men de haarlokken had weggesneden, als een getergde leeuw. Daarbij riep hij den arts met zijne ver klinkende borststem smadelijke woorden in zijne moedertaal toe, die niemand der aanwezigen verstond, en terwijl Philippus het verband opnieuw vruchteloos op de diepe wonde trachtte te bevestigen, liet Rustem plotseling de handen van het bed los, sloeg zijne armen om het lichaam van den arts en trachtte in zijne razernij, met het schuim op de lippen, hem neder te trekken. Brullende als een roofdier trok hij zijn tegenpartij heen en weer, maar ook thans verloor Philippus geen oogenblik zijne tegenwoordigheid van geest, doch beval de non twee stevige slaven te halen.

Terwijl deze wegsnelde was Paula getuige van eene vreeselijke worsteling, want de arts had de polsen van den reus met zijne handen omkneld, en met eene kracht, die men wel dengrooten, grof gebouwden, maar bezwaarlijk den eenigermate gebogen man van studie zou hebben toegeschreven, hield hij de handen van den Pers van zijne heupen verwijderd, wrong daarna zijne vingers tusschen die van Rustem, dwong hem in zijn kussen terug te zinken, zette de knie op zijne bronzen legerstede en bracht hem zóo onder zijne macht, dat de gewonde zich niet weder vermocht op te richten. Toch spande Rustem nog alle krachten in om zich van zijn tegenstander te bevrijden, maar deze was nu sterker dan hij, want het bloedverlies en de koorts hadden den aanvoerder der karavaan verzwakt.

Paula zag deze worsteling van de verstandige sterkte tegen de dierlijke kracht van een razenden reus bevend en met luid kloppend hart aan. Zij kon den vriend niet helpen, maar aan het hoofdeinde van het bed staande, volgde zij elk zijner bewegingen, en zag hoe hij den kolossalen man, voor wien haar oom uit kinderachtige vrees gesidderd had, gekluisterd hield. Zij moest zijne mannelijke schoonheid bewonderen, want zijne oogen straalden thans met vurigen glans, en het korte onderdeel van zijn aangezicht scheen langer te worden bij de geweldige inspanning waartoe hij zich dwong, en bracht dat gedeelte in harmonie met het groote voorhoofd en het overige van zijn gelaat. Innerlijk beefde zij voor hem, en zij meende in hem, wien zij vroeger alleen geacht had om zijn groot verstand, iets groots, iets van een held te zien.

Eenige oogenblikken had de strijd geduurd, toen Philippus gevoelde dat de armen van den Pers verslapten, en nu riep hij Paula toe hem een doek, een koord of wat ook te brengen, om den razende te binden. Haastig en zich volkomen bewust van hetgeen haar te doen stond, ging zij naar het aangrenzend vertrek, greep haar hoofddoek, trok den zijden gordel van haar gewaad, ijlde met beiden naar de kampplaats terug, en hielp den arts met mannenmoed de handen van den waanzinnige binden. Elk woord, iedere terechtwijzing van den vriend verstond zij, en toen de slaven, die de non geroepen had, de ziekenkamer binnentraden, vonden zij Rustem met vastgebonden handen terug en hadden niet anders te doen dan te verhinderen, dat hij uit bed sprong of zich op zijde wierp.Philippusnaar adem hijgende schreef nu de slaven voor hoe zich verder te gedragen, en toen hij daarna naar de artsenijkast ging en Paula opmerkte hoe zijne blauwroode, gezwollen vingers daarbij trilden, nam zij de fleschjes eruit waarop hij wees, mengde het geneesmiddel naar zijn voorschrift en ontzag zich niet het met hulp der slaven den woesten man tusschen de met geweld geopende tanden te gieten. De weldadige druppels brachten den kranke in weinige oogenblikken tot rust, en weldra kon de arts meteigene hand onder bijstand van de ervarene non de wond van den karavaan-aanvoerder reinigen en verbinden.

Intusschen was ook de waanzinnige door het gebrul van den Pers wakker geworden en vroeg angstig of de hond, de booze hond er weder was. Doch zij liet zich dadelijk door Paula neerzetten en beantwoordde de vragen, die deze tot haar richtte, zoo verstandig en bedaard, dat hare verpleegster den arts erbij riep, en deze Paula’s hoop deelde, dat er in den zielstoestand van de waanzinnige een gewichtige ommekeer zou kunnen plaats hebben.

Paula deed opmerken hoe Mandane weemoedige doch vriendelijke woorden uitte, waarop de arts zeide: »Op het ziekbed leert men de menschen kennen. Dit wilde meisje, dat den zoon des huizes misschien met een moorddadig plan op het lijf viel, toont thans haar waren, zachten aard. Wat den jongen man hiernaast aangaat, dat is een stevige, maar ook een brave kerel, daarop geef ik mijne tien vingers ten pand.”

»Wat geeft u dat vertrouwen?”

»Zelfs in de koorts heeft hij niet eene enkele maal gekrabd of gebeten, maar zich geweerd als een ordentelijk jongmensch... Mijn dank nu voor uwe hulp; indien gij hem dat koord niet om den handen hadt geslagen, zou het spel misschien anders afgeloopen zijn.”

»Zeker niet,” antwoordde Paula op stelligen toon.»Want gij zijt sterk, Philippus! Men zou bang voor u kunnen worden.”

»Gij?” lachte de arts. »Ge behoeft nu niet bang meer te zijn; toevallig hebt gij gezien dat uw beschermer niet zwak is! Puuh! Een weinig rust zou nu goed doen!”

Zij reikte hem daarop haar eigen doek toe, en terwijl hij daarvan dankbaar gebruik maakte om zich het voorhoofd af te drogen, en met moeite de begeerte onderdrukte om dien aan zijne lippen te brengen zeide hij welgemoed: »Met zulk eene helpster moet alles gelukken. Sterk zijn is geen verdienste, ieder kan het blijven die met gezond bloed en stevige spieren ter wereld komt, de ledematen, gelijk ik als knaap en jongeling heb gedaan, flink oefent en zijn vaderlijk erfdeel niet doorbrengt met slecht te leven.Nochtansvoel ik die worsteling nog in mijne armen; maar in de zaal is nog heerlijke wijn, twee of drie bekers zouden mij wel goed doen.”

Vervolgens begaven zij zich naar de aangrenzende zaal, waar de meeste lampen reeds uitgedoofd waren. Paula schonk het druivensap voor hem in en bood hem den beker aan, dien bij met volle teugen ledigde. Het was hem echter niet vergund ook den tweeden beker op haar welzijn uit te drinken, want nauwelijks had hij dien aan de lippen gebracht, toen er geruchtontstond in de kamer van den Masdakiet en vrouw Neforis verscheen.

De zorgzame gemalin van den Mukaukas was niet geweken van het rustbed van haar gemaal, en zelfs het gebrul van den Pers had haar niet bewogen haar post te verlaten; toen zij echter van de slaven had vernomen, wat daar boven te doen was geweest, en dat Paula nog altijd met den arts bij de kranken vertoefde was zij, zoodra haar gemaal haar missen kon, naar de verdieping der gasten gegaan om Philippus te spreken, de Damasceensche onder het oog te brengen wat betamelijk was, en om onderzoek te doen naar het vreemd gedruisch, dat het anders op dit uur zoo doodstille huis scheen te vervullen. Het kwam uit de ziekenkamers, en werd mede veroorzaakt door den terugkeerenden Orion en den rentmeester Nilus, wien deze bij zich ontboden had, niettegenstaande de nacht reeds den morgen naderde. De gemalin van den stadhouder meende, in verband met dezen akeligen dag, die bovendien als een onheilaanbrengenden in den kalender stond aangeteekend, dat gevaren dreigden van alle zijden; daarom was zij vergezeld van den wachthebbenden dienaar haars gemaals, en met een klein reliquiënkastje in de hand, waaraan zij de kracht toeschreef om booze geesten te bezweren, de trap opgegaan.

Haastig en zacht trad zij de krankenvertrekken binnen en onderwierp daar allereerst, bezorgd en niet op haar gemak, gelijk ieder die gedurende den nacht in zijne rust gestoord wordt, de non aan een streng verhoor. Daarna kwam zij in de zaal, waar Philippus juist zijne vriendin een tweeden beker toedronk, terwijl Paula met halfverwarde haren en ongegord gewaad tegenover hem stond. Dat alles was zedenkwetsend, dat wilde zij in haar huis niet dulden, zij beval dus de nicht van haar gemaal kort en goed zich ter ruste te begeven. Na alles wat men haar heden, neen gisteren reeds had kwijtgescholden, zeide zij, zou het haar beter voegen in hare kamer in stilte over zichzelve na te denken, ten einde de leugengeesten die haar beheerschten te bannen en haren Heiland om vergiffenis te bidden, dan hier voor ziekenverpleegster te spelen en het drinkgelag met een jongen man voort te zetten, dat zij, zooals de non zoo even had medegedeeld, reeds in de middag had aangevangen.

Paula hoorde haar zwijgend aan, doch haar gelaat verschoot meermalen van kleur: toen echter Neforis met den vinger op de deur wees, zeide zij met al den trots, waarover zij beschikken kon, wanneer zij zag dat men haar onwaardig verdacht: »Uwe bedoeling is gemakkelijk te doorzien. Ik zou u geen antwoord waardig achten, indien gij niet de gade waart van den man, dien ik, voor gij hem tegen mij hadt ingenomen,gaarne mijn gastheer en beschermer noemde, die bovendien mijn bloedverwant is. Evenals altijd zoo verdenkt gij mij ook nu van kwaad. Indien gij mij de deur wijst van deze heilige plaats, van dit ziekenvertrek, dan verjaagt gij mij tegelijk uit uw huis, dat gij en uw zoon—het moet mij eens van het hart—mij thans tot een hel gemaakt hebben.”

»Ik, ik, en waarmede... Neen, dat, dat is...” riep de matrone naar adem hijgende, de beide handen kruiselings slaande over haar onstuimig bewogen borst, terwijl haar vaal gezicht met een gloeiend rood werd overtogen en hare oogen van toorn fonkelden. »Dat is.... duizendmaal, ja duizendmaal te veel, hoort gij? En ik, ik verwaardig u nog met een antwoord! Wij hebben u van de straat opgeraapt en u als eene dochter behandeld, onzinnige uitgaven voor u betaald, en nu...”

Deze woorden waren meer tot den arts gericht dan tot het meisje. Paula nam echter de uitdaging aan en antwoordde op een toon van diepe minachting: »En thans verklaar ik u bepaald als jonkvrouw die mondig ben en over mijzelve vrij kan beschikken, dat ik morgen vroeg met alles wat mijn eigendom is dit huis verlaat, al moest ik ook gaan bedelen, dit huis waarin men mij smadelijk beleedigd, mij en mijn trouwen dienaar valsch veroordeeld heeft, terwijl men op het punt staat hem gruwelijk te vermoorden.”

»En waar men u....” duwde Neforis met krijschende stem het meisje toe, dat hare kalmte bewaarde, »waar men u veel te zachtmoedig voor het lot van den roover, dien gij ons huis hebt binnengesmokkeld, bewaard heeft! Om een inbreker te redden hebt gij—het is ongehoord!—hebt gij het gewaagd den zoon van uw weldoener als een onrechtvaardig rechter...”

»Dat is hij!” riep Paula toornig. »En nog meer! Dat kind dat gij zelve voor hem tot vrouw bestemd hebt, heeft hij verleid, schandelijk verleid om een valsch getuigenis af te leggen. Nog meer, nog veel meer zou ik kunnen zeggen, als mij in uw persoon de moeder niet heilig was, en als uw echtgenoot aan mij niet verdiend had dat ik hem spaarde.”

»Hem sparen, sparen!” herhaalde Neforis op honenden toon. »Gij zoudt ons sparen! De aangeklaagde ontvangt genade en verschoont, verschoont zijn rechter! Maar gij zult gedwongen worden, ja gedwongen te spreken. En wat gij, misdadige, van dat valsch getuigenis gezegd hebt...”

»Dat zal uwe eigene kleindochter,” sprak de arts, haar in de rede vallende, »wanneer gij u niet weet in te toomen, edele vrouw, voor de geheele wereld bevestigen moeten.”

Neforis begon opeens krampachtig te lachen en ging voort, buiten zichzelve van woede: »Zoo staan dus de zaken! Het heiligenziekenvertrek wordt tot een tempel van Bachus en Venus gemaakt; en alsof dit vergrijp op zichzelf niet reeds ergerlijk genoeg was, sluit gij een verbond, om een geacht huis en zijne hoofden met smaad en schande te overladen!”Daaropzette zij de linkerhand met het reliquiënkastje op de heup en zeide driftig: »Zoo zult gij dan uw zin hebben. Ga, waarheen gij wilt! Wanneer ik u, ondankbaar en boosaardig schepsel, na morgen middag nog in het stadhouderlijk paleis vind, dan laat ik u door de manschappen van de wacht op straat zetten. Want ik—ik wil mijn arm gefolterd hart eindelijk eens luchten—ik haat u, ik heb een afkeer van u, uwe tegenwoordigheid alleen ergert me en brengt ongeluk over mij en ons allen;—bovendien ik heb de smaragden die wij bezitten te lief...”

Met dit allergrievendst woord, dat zij tegen de inspraak van haar beter gevoel had uitgestooten, scheen zij hare ziel van een centenaarsgewicht bevrijd te hebben, want zij haalde diep adem en op veel zachter en bedaarder toon wendde zij zich tot den arts met te zeggen: »Maar wat u betreft, Philippus, mijn man heeft u noodig; gij weet wat wij u aanbieden en kent de mildheid van Georg. Misschien komt gij tot betere gedachten en zult gij leeren inzien...”

»Ik?” viel de heelmeester met een waardigen glimlach haar in de rede. »Kent gij mij waarlijk zoo slecht, vrouw Neforis? Aan uw man, dat geef ik toe, ben ik gehecht, en als hij mij noodig heeft zal hij mij wel laten halen. Ongeroepen overschrijd ik echter dezen drempel niet meer, waar men het recht met voeten treedt, de weerlooze onschuld beschimpt en tot vertwijfeling brengt.—Ja, zie mij maar verbaasd aan! Uw zoon heeft den rechterstoel van zijn vader ontwijd en het bloed van den onschuldigen Hiram komt over zijn hoofd. Ga maar voort uwe smaragden te koesteren; Paula zal ze niet aanroeren; zij draagt het hart te hoog om u den naam te noemen van hem, voor wien gij wel zoudt doen ze in den diepsten kelder weg te sluiten. Wat ik daareven uit uw mond heb gehoord, verscheurt elken band, dien de tijd tusschen ons knoopte. Ik verlang van mijne vrienden niet, of laat ik liever zeggen van hen, die mijne naaste bekenden zijn, dat zij rijk zijn, dat zij zich toeschietelijk of voorkomend betoonen, dat zij gaven van geest of lichaam bezitten; maar wij moeten op één gemeenschappelijken bodem staan, namelijk dien eener waardige gezindheid. Zulk eene gezindheid is u niet aangeboren, of ge hebt haar verloren, en ik wil, ik moet van dit oogenblik een vreemde voor u zijn. Ik wensch u niet weder te zien, tenzij bij uw echtgenoot, als hij mijne hulp verlangt.”

Deze laatste woorden werden met zulk eene waardigheid, zooonherroepelijk uitgesproken, dat Neforis verschrikte en geheel hare tegenwoordigheid van geest verloor. Als eene der verachting prijsgegeven onwaardige had de man haar behandeld, op wiens stand zij uit de hoogte neerzag, dien zij echter altijd voor een der braafste, openhartigste en reinste menschen had gehouden, een man van eer, dien haar gemaal niet missen kon, wijl hij zijne pijnen wist te verzachten en hem af te houden van het overmatig gebruik van zijn verdoovingsmiddel. Wijd en zijd in den omtrek was hij de eenige arts van groote bekwaamheid. Ook deze nuttige helper, die het leven van de kleine Maria en van zoo vele dienaars behouden had, dreigde haar ontroofd te worden door die gehate Damasceensche, en zij, die vast overtuigd was een brave, degelijke echtgenoote en moeder te zijn, zij stond daar nu, door dezen boozen geest van haar huis gemaakt tot een verachtelijk wezen, voor hetwelk een braaf mensch uit den weg moet gaan.

Dat was te veel, en door toorn, ergernis en oprechte bekommering gekweld, zeide zij op klagenden toon en met betraande oogen: »Maar wat beteekent dit alles nu? Gij die mij kent, die mij hebt gezien in mijn dagelijksch leven en werken, gij keert mij in mijn eigen huis den rug toe en wijst mij met den vinger na? Ben ik dan mijn gansche leven niet eene trouwe gade geweest, die haar man jarenlang verpleegd, zijn ziekbed niet verlaten en aan niets gedacht heeft dan om zijn leed te verzachten? Als eene kluizenares heb ik mij bij hem opgesloten uit louter plichtgevoel en trouwe liefde, terwijl andere vrouwen, die het minder gemakkelijk kunnen doen, goeden sier maken en feesten bezoeken. En waar werden de slaven rijkelijker onderhouden en menigvuldiger vrij gelaten dan bij ons? Waar was de bedelaar zoo zeker zijn aalmoes te krijgen dan in ons huis, iets wat ik, ik alleen uit vroomheid aanhoud? En nu zou ik plotseling om der wille van dit ondankbaar liefdeloos schepsel niet meer waard zijn dat mij de zon beschijnt, en een braaf man als gij zegt mij in een ommezien de vriendschap op, omdat, omdat,—hoe noemdet gij het—omdat mij het verstand ontbreekt, of hoe hebt gij dat ding genoemd, dat men hebben moet om u...”

»Het heet de gezindheid,” hielp haar de arts, die medelijden kreeg met de beangstigde vrouw, in wie hij inderdaad veel goeds had opgemerkt. »Is dit woord u werkelijk geheel vreemd, vrouw Neforis? Zulk eene gezindheid is zeker iets aangeborens, maar met een vasten wil kan men eene van minder hoogen aanleg veredelen, terwijl zwakheid van karakter waar het eigene gebreken geldt eene van nature goede gezindheid kan bederven. En als mij mijn voorgevoel niet bedriegt, dan zullen op denjongsten dag niet de daden worden geoordeeld, maar de gezindheid. Hoe zou het mij vrij staan u te berispen? Het is mij geoorloofd u te beklagen, want ik bespeur bij u eene zielekrankheid, die niet ongelijk is aan den kanker hij het lichaam....”

»Ook dat nog!” zeide Neforis.

»Deze krankheid,” vervolgde de arts, zonder zich van zijn stuk te laten brengen, »de haat namelijk, daarvoor moest eene vrome christin zich weten te behoeden! Als een dief in den nacht is hij in uw hart gedrongen, heeft overal ingevreten, uw bloed bedorven, u verleid om ten opzichte van deze door een zoo zwaar ongeluk getroffene wees te handelen als iemand die een blinde steenen en balken in zijn weg werpt, om hem te doen vallen. Hecht gij, gelijk het schijnt, inderdaad een weinig aan mijne meening, bid dan Paula, vóór zij dit huis verlaat, om vergeving voor den haat, waarmede gij haar jaren lang leed hebt berokkend, waarbij gij zoo even nog die eene ongehoorde beleediging heb gevoegd, waaraan gij zelve niet gelooven kunt.”

Thans keerde Paula, die tot hiertoe de toespraak van den arts gevolgd had, het gelaat naar vrouw Neforis, maakte de handen los, die zij in den schoot gevouwen hield, om, hoewel zij vast besloten bleef de woning van den stadhouder te verlaten, de rechterhand te geven aan de gemalin van haar oom, wanneer deze de hare wilde toesteken.

De vrouw des stadhouders voerde intusschen in haar binnenste een zwaren strijd. Zij erkende Paula vaak onvriendelijk behandeld te hebben; dat er omtrent den diefstal van den smaragd nog altijd een pijnlijke onzekerheid bestond, had zij vóor haar bezoek in het ziekenvertrek met weerzin ervaren; zij wist haar gemaal een grooten dienst te kunnen doen, wanneer zij de Damasceensche bewoog te blijven; den arts wilde zij maar al te gaarne voor haar huis behouden. Maar hoe diep was zij, was haar zoon zoo even nog door dit hoogmoedig schepsel beleedigd! Zou zij zich voor haar, die zoo veel jonger was, vernederen en haar de hand reiken; zou zij in...

Daar klonk het zilveren bekken, waarin haar gemaal een kogel wierp, wanneer hij haar noodig had. Zij zag in hare verbeelding zijn bleek en lijdend gelaat, zij hoorde hem vragen naar zijne speelgenoote aan het schaakbord, zij bespeurde zijn weemoedigen, verwijtenden blik, als het morgen zou heeten: zij, Neforis, had zijne nicht, de dochter van den edelen Thomas, uit het huis gejaagd; en zij volgde de neiging, die opeens bij haar opkwam, door met het reliquiënkastje in de linker- en de uitgestrekte rechterhand naar Paula toe te gaan en op zachten toon te zeggen: »Geef mij dan de hand, meisje! Menigmaal had ik anders jegens u kunnen zijn, maar waarom hebt ookgij nooit, zelfs in het minste niet naar mijne liefde gevraagd? God is mijn getuige, dat ik aanvankelijk genegen was u als eene dochter te beschouwen, maar gij—maar spreken wij daar niet over! Thans doet het mij leed, dat ik u... wanneer ik u smart heb aangedaan.”

Reeds bij de eerste woorden had Paula hare hand in die van de matrone gelegd. De hare was koud als marmer, die van de stadhoudersvrouw was heet en klam, en het was als voelden beide handen tegelijk denzelfden afkeer van elkander als hunne harten, tengevolge waarvan zij slechts een oogenblik in elkaar bleven. Toen Paula de hare terugtrok, bewaarde zij beter hare kalmte dan de oudere vrouw, en zeide bedaard maar met gloeiende wangen: »Zoo willen wij dan beproeven om zonder toorn van elkander te scheiden, en ik dank u dat ge mij dit mogelijk hebt gemaakt. Morgen vroeg zal het mij, hoop ik, vergund zijn van oom, die mij lief is, en van de kleine Maria afscheid te nemen.”

»Maar gij behoeft thans niet meer heen te gaan, ik bid u veeleer dringend te blijven,” zeide de stadhoudersvrouw met aandrang. »Georg laat u niet gaan; gij weet toch hoe hij aan u gehecht is.”

»Vaak was hij als een vader voor mij,” hernam Paula, en nu werd ook haar oog vochtig. »Daarom had ik het gaarne bij hem uitgehouden tot het einde. Toch blijft het zoo, dat ik heenga.”

»En wanneer uw oom zijne bede bij de mijne voegt?”

»Dan zal het toch tevergeefs zijn.”

Vrouw Neforis greep nog eens de hand van de jonkvrouw, en deed in oprechtheid al haar best om haar tot andere gedachten te brengen, doch Paula bleef onvermurwbaar en volhardde in haar besluit, om reeds morgen het stadhouderlijk paleis te verlaten.

»Doch waar vindt gij zoo dadelijk een geschikt verblijf,” zeide Neforis, »een tehuis, dat voegt aan uw stand?”

»Dat zal mijne zaak zijn,” zeide de arts. »Geloof mij, edele vrouw, voor alle partijen is het beter, dat Paula eene andere woning betrekt. Alleen dit wensch ik, dat zij te bewegen zal zijn althans voorloopig te Memphis te blijven.”

»Bij ons,” zeide daarop Neforis, »alleen bij ons is haar natuurlijk tehuis. Misschien verandert God uw hart om uws ooms wil, en dan beginnen wij allen te zamen een nieuw, gelukkig leven.”

Paula schudde als antwoord met het hoofd, maar Neforis zag het niet meer; want ten derdemale hoorde zij de metalen roepstem en haar plicht gebood die te volgen.

Zoodra zij de kamer verlaten had, haalde Paula diep adem en zeide: »O God, o God! hoe zwaar is mij dit gevallen! Haar niet in het aangezicht te verwijten met welke misdaden haar gewetenlooze zoon.... Neen, neen, daartoe had niets mij kunnen bewegen; doch ik kan u niet zeggen hoe het zien alleen van deze vrouw mij ontroert, en hoe mijn hart zich verlicht gevoelt, sedert ik de brug heb afgebroken, die mij met dit huis, met Memphis verbindt.”

»Met Memphis?” vroeg de arts.

»Ja,” antwoordde Paula opgewekt. »Ik wil weg, ver van hier, uit de nabijheid van deze vrouw en haar zoon. Waarheen? Of naar Syrië terug, of naar Griekenland, het is mij onverschillig welke weg mij van hier voert.”

»En ik, uw vriend?” vroeg Philippus weder.

»De herinnering aan u neem ik mede in mijn dankbaar hart.”

De arts glimlachte als gebeurde er iets, wat hij wel verwacht had; na een oogenblik te hebben nagedacht zeide hij: »En waar en hoe zal de Nabateër u vinden, wanneer hij in den kluizenaar van den Sinaï werkelijk uw vader erkent?”

Deze vraag verraste en verschrikte Paula, en Philippus spande al zijne krachten in om haar te overtuigen van de noodzakelijkheid om in de pyramidenstad te blijven. Allereerst moest de voedster bevrijd worden en daarbij kon de arts haar zijne hulp beloven. Bij alles wat hij verder in het midden bracht, nam hij met zooveel overleg de omstandigheden in aanmerking, waarmede hier rekening moest gehouden worden, alsmede de feiten die voor de hand lagen of zich konden voordoen, dat zij zich verwonderen moest over de heldere inzichten en den practischen zin van een man, met wien zij gewoonlijk over andere dan wereldsche zaken gesproken had. Om der wille van haar vader en van Perpetua, doch ook in de verwachting van verder zich te kunnen verblijden in den omgang met dezen man, willigde zij in ten minste vooreerst te Memphis te blijven en haar intrek te nemen in het huis van een vriend en geloofsgenoot van den arts, dien zij reeds lang uit zijne gesprekken kende, ten einde daar den verderen loop der dingen af te wachten. De vurigste wensch van haar hart was Orion te ontwijken en hem nooit, neen nooit, weder te zien. Elke plaats dacht haar goed waar zij niet behoefde te vreezen hem te ontmoeten. Zij haatte hem, doch zij wist dat haar hart niet tot rust kon komen, zoolang een samentreffen mogelijk was. Zij wilde zich ook losmaken van het onweerstaanbaar verlangen, dat telkens en telkens weder met wonderbare kracht in haar opwelde, om zijne verdere lotgevallen te volgen. Daarom en daarom alleen begeerde zij weg, zeer ver weg te gaan, en daarom voldeed haar nauwelijks de verzekering vanden arts, dat haar nieuwe gastheer elk bezoeker van haar verwijderd zou weten te houden, dien zijzelve niet wenschte te ontvangen. Het zou zijne zaak zijn, dus besloot Philippus, haar voor indringers te beveiligen, wanneer zij hem liet roepen.

Toen beiden van elkander scheidden steeg de zon achter de bergen in het oosten op, en bij het afscheid zeide Paula: »Zoo zal dan morgen voor mij een nieuw leven beginnen, waarvan ik mij kan voorstellen dat het met uwe hulp vriendelijker zal zijn dan hetgeen achter mij ligt.”

»Voor mij,” antwoordde de arts bewogen, »is dat nieuwe leven reeds gisteren aangevangen.”


Back to IndexNext