DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Orion en Paula hadden over veel gesproken, sedert de eerste het huis van Rufinus had betreden. De onderhandelingen over de bezorging van het vermogen der Damasceensche hadden lang geduurd. Ten laatste hadden hare raadgevers besloten, de eene helft te plaatsen bij den juwelier Gamaliël en zijn broeder, die te Konstantinopel aan het hoofd stond van eene groote zaak. Toevallig was deze te Memphis en beide broeders hadden zich bereid verklaard, om het aangeboden kapitaal ieder voor de helft tegen eene behoorlijke rente in ontvangst te nemen. Beiden wilden gemeenschappelijk de verantwoordelijkheid op zich nemen zoodat ieder borg bleef voor het geheel van het hun toevertrouwd vermogen, wanneer de ander, om welke reden dan ook, zijne betalingen eens moest staken. Nilus had op zich genomen te zorgen voor de rechterlijke bekrachtiging van dit verdrag en de vereischte zestien getuigen. Het andere deel van het vermogen zou, op voorstel van den arts Philippus, de broeder van den Arabischen koopman Haschim ontvangen, die in de nieuw gebouwde stad Fostat aan den oostelijken Nijloever een wisselbank had opgericht, waarin ook de tapijthandelaar deel had. Deze plaatsing had dit voor, dat het kapitaal onaantastbaar bleef, zoolang de Arabieren in Egypte heerschappij voerden. Na deze onderhandelingen ging Nilus heen met dat gedeelte van het vermogen, hetwelk aan denmuzelmanschenwisselaar morgen door Orion zou worden toevertrouwd.Paula was getuige geweest van deze onderhandelingen der mannen, zonder er echter aan deel te nemen; zij had alleen dankbaar hare toestemming gegeven tot hetgeen besloten was. Het was haar niet ontgaan hoe klaar, ernstig en beslist Orion zich getoond had bij deze overleggingen, en hoewel de verstandige, korte, eenvoudig uitgesprokene opmerkingen van den rentmeesteraltijd doeltreffend bleken te zijn, had zij toch het meeste waarde gehecht aan de gronden en toelichtingen van Orion, want het kwam haar voor als getuigden ze van grooter staatsmanswijsheid en dieper inzichten dan die der overigen. Na het sluiten der zitting, had men haar met Orion alleen gelaten.Er volgden onvermijdelijk pijnlijke oogenblikken, waarin het hart van den jonkman zoowel als het hare sneller klopten. Eerst toen de zoon van den Mukaukas meer moed had gevat en om vergeving biddend aan hare voeten was gezonken, was zij weder geheel tot kalmte gekomen en had hem herinnerd aan zijn brief, die haar omtrent zijn persoon gerust had gesteld. Doch het hart drong haar met onweerstaanbare macht tot meerdere toenadering, en daaraan toegevende vroeg zij snel, wat hij bedoeld had met den ruil, waarover hij geschreven had.Hij was daarop met neergeslagen oogen tot haar gekomen, had uit de borstplooien van zijn gewaad een doosje te voorschijn gehaald, hetwelk de smaragd bevatte met de verborgen kas van bladgoud. Beiden had hij haar smeekend toegestoken, en daarbij met zijne zware stem op zijn eigenaardigen diepen toon gezegd: »Ziedaar uw eigendom! Neem het aan, en schenk mij in de plaats ervan uw vertrouwen, uwe vergeving!”Hierop was zij enkele schreden achteruit gegaan, had eerst hem, daarna den steen en de kas verrast, blijde en ontroerd met wijd geopende oogen aangezien. Het was den jonkman daarbij niet mogelijk geweest een woord te spreken, en hij had haar het juweel en het eenvoudig stuk bladgoud dichter en dichter onder de oogen gebracht, toegereikt als een arme, die het waagt een trotsch, rijk en aanzienlijk man het beste wat hij heeft ten geschenke aan te bieden, ofschoon de gave te gering is voor hem die haar ontvangt.Paula was niet lang besluiteloos gebleven, maar had naar zijne gave de hand uitgestoken,en dankbaar met hare van vreugde stralende oogen het verloren kleinood als verslonden. Eergisteren zou zij het als bezoedeld en ontheiligd beschouwd hebben, het zou streelend zijn geweest voor haar trots dezen kostbaren schat vrouw Neforis en haar zoon opeens voor de voeten geworpen te hebben, om dien nimmer weder te zien. Zoo bezwaarlijk geeft men het recht op, om hem te haten die op misdadige wijze ons leven verbitterd en onze zielen gewond hebben. Doch heden deed Paula vrijwillig afstand van een recht, dat zij nog kort geleden voor niets zou hebben prijs gegeven, ja zij wees dien eisch af als een drukkenden last, die de vrije ademhaling en het rustig kloppen van het hart belemmert. In dit juweel zag zij thans weder het dierbaar aandenken aan hare overledene moeder, het vereerend sieraad dat een groot monarch aan een harer vooroudershad geschonken, en zij was blijde dat het haar weder toebehoorde. Deze herinneringen hadden echter het warme, zonnige gevoel, dat haar thans doordrong, niet bij haar doen ontwaken en zij waren ook de oorzaak niet dat het zoo snel in kracht was toegenomen; neen, hare oogen letten nauwelijks op den fraaien, blinkenden steen, maar staarden onafgebroken op het armzalig bladgoud, waarin hij was gevat en dat haar zulk eene vreeselijke ure had bereid.—Wel bezat dit ellendig verbogen voorwerp de macht zich voor hare rechters en vijanden te rechtvaardigen; wel zou het haar gemakkelijk zijn gevallen met dit ding in de hand hare aanklagers te vernietigen; maar ook dit was het niet wat haar zoo onuitsprekelijk goed deed. Het woord van den arts was haar voor den geest gekomen, dat er namelijk geen grooter vreugde is dan te ervaren zich in een mensch tot zijn nadeel bedrogen te hebben, en zij had den man die daar voor haar stond eenmaal liefgehad. Hij stond daar diep bewogen voor haar, wederom bereid tot alle goed, en het oordeel dat zij over hem geveld had, was honderd-,ja duizendmaal te hard geweest! Alleen een edele verwacht met vertrouwen edelmoedigheid van den vijand en hij, hij gaf zich weerloos over in de handen van haar, die door deze noodlottige, misschien eenige schandelijke daad zijns levens doodelijk getroffen was. Met dit stuk bladgoud leverde Orion zich zelven uit, als bezitster van dezen talisman stond zij tegenover hem als het almachtige noodlot! En toen zij den blik naar hem opsloeg en zijne groote oogen zag, waaruit geest en leven straalden en waarin tranen blonken van innige ontroering, scheen het haar onbetwistbaar zeker, dat deze lieveling der fortuin, die zoo zwaar gezondigd had, toch in staat was het grootste en hoogste te bereiken wanneer een vriend hem wees op den verhevensten eisch des levens, en hij bereid werd bevonden diens wenk te volgen. En deze vriend wilde zij voor hem zijn!Evenals Orion zoo kon ook zij eerst geen woorden vinden. Eindelijk was hij zichzelven niet meer meester, naar haar toegesneld, en had hij zijne lippen met warmen dank op hare rechter hand gedrukt. Zij had het zich moeten laten welgevallen en zou ook niet in staat zijn geweest het te beletten als hij haar driftig, gelijk in dien droom, in de armen gekneld en aan zijn hart gedrukt had. Met geestdrift was zijn brandende mond op hare hand blijven rusten, doch maar een oogenblik had zij toegegeven aan de machtige ontroering, die haar had aangegrepen; toen was zij door de wilskracht ten goede, die haar bezielde, haar gevoel meestergeworden, had hem bepaald maar toch niet onvriendelijk teruggewezen, en hem op bewogen en liefderijk schalkschen toon,—iets dat hem vreemd in haarvoorkwam en hem nog meer in verrukking bracht dan hare grootheid en trots—met dreigend opgeheven vinger toegeroepen: »Neem u in acht, Orion! Ik behoud den steen en de kas, ja ook de kas! Wacht de gevolgen maar af, gij onvoorzichtige man!”»Spreek niet zoo,” had hij in zalige stemming geantwoord. »Zeg liever: gij dwaas, die eindelijk eens eene verstandige daad volbrengt. Wat ik u hier uitlever is geen geschenk, maar altijd uw eigendom geweest. Voor u kan het niet meer of niet minder gelden dan vroeger, doch voor mij heeft het nu deze nieuwe, onschatbare waarde, dat het mij, mijne eer, misschien ook mijn leven in uwe handen stelt, dat gij nu over mij beschikken kunt gelijk de keizer over zijn armsten dienstknecht in het paleis. Behoud en gebruik den steen en dit noodlottig nietswaardig stukje goud, tot de dag komt, waarop mijn wél en wee het uwe zal zijn.”»Om der wille van den afgestorvene,” had zij hem sterk blozende geantwoord, »gaat dit wél mij thans reeds ter harte. Wie over het hoofd van een ander den vloek eens vaders bracht, is het haar plicht niet den zwaar belaste te helpen, om zich van dien vloek te ontheffen? En misschien ligt dit in mijne macht, Orion, wanneer gij het niet versmaadt den raad te volgen van een onwetend meisje.”»Spreek!” had hij met aandrang gebeden, doch zij had hieraan niet dadelijk gehoor gegeven, maar hem verzocht met haar in den tuin te gaan. Hem zoowel als haar was de sombere kamerlucht onverdragelijk geworden, en zoodra toen zij het huis verlieten, hadden de bespiedende blikken van Katharina het paar in het oog gekregen, waarbij het deze niet ontgaan kon hoe beider wangen gloeiden. Daarbuiten temperde een nauwelijks merkbaar zuchtje van de Nijlzijde den middaggloed, en hier had Paula den moed gevonden hem uiteen te zetten wat Philippus zijne levensopvatting noemde.—Deze was hem niet nieuw, ja zij was in overeenstemming met de voornemens, die hij ten aanzien van zijn toekomstig leven had opgevat. Dankbaar nam hij die levensopvatting over; »het leven een ambt, een dienst, eene verplichting,” dat was als eene roepstem, die hem bij het doorzetten van zijne plannen voor de toekomst behulpzaam zou zijn.»En dit woord,” zeide hij tot Paula, »zal mij bovendien lief zijn, omdat het komt uit uw mond, doch voor mij het is niet meer noodig. Ook de wijste en nuttigste levensregelen hebben nog geen mensch beter gemaakt. Wie nam ze niet uit de school in de wereld mede? Woorden helpen niets, als zich niet bij de vaart door het leven de mannelijke wil aan het roer zet. Ik heb dien opgeroepen en deze zal mij tot het doel leiden, wantden stuurman zweeft eene heldere ster voor oogen, die hem geleidt. Gij, meisje, kent haar, het is...”»Het is datgene wat gij uwe liefde noemt,” sprak zij blozende hem in de rede vallende. »Uwe liefde voor mij, en ik wil aan haar gelooven.”»Gij wilt!” zeide hij met vuur. »Gij veroorlooft mij te hopen...”»Hopen, hopen!” haastte zij zich weder te zeggen, »intusschen...”»Intusschen,” ging hij voort, »‘dring thans niet verder aan’, wildet gij laten volgen. O, ik versta u, en voor ik niet voel dat gij weder reden hebt om op te zien tot den dwaas, die u door eigen schuld verloren heeft, spreek ik, die u eens als een doodvijand bestreden heb, zelf het laatste woord niet uit, leg ik aan mijn smachtend verlangen het zwijgen op, wil ik beproeven...”»Zult gij beproeven mij te toonen, neen, zult ge mij toonen,” hernam Paula, »dat ik in u uit een vijand en vervolger den meest geliefden vriend heb gewonnen. Wij weten nu wat wij aan elkander hebben, willen verder steeds en blijmoedig op elkander bouwen en den Allerhoogste danken, dat hij een nieuwen heerlijken levensweg voor ons geopend heeft. Wij willen te zamen dezen dag...”»Zegenen en onder de besten rekenen,” viel Orion blijmoedig in, en nu volgde het gesprek over de kleine Maria, dat Katharina had afgeluisterd.Toen zij zich weder uit het bereik van haar gehoor verwijderd hadden, verklaarde Orion, dat de zaak van het kind tot morgen moest blijven rusten, daar hij heden aan gene zijde van den stroom met den veldheer Amr moest spreken. Zeer bepaald verklaarde hij zich tegen hare bezorgdheid, dat hij zich door den muzelman tot zijn geloof zou laten overhalen; want hoeveel lust hij ook had om den patriarch te doen gevoelen, dat hij niet van plan was den smaad zijn vader aangedaan lijdelijk te dragen, was hij toch te vast aan zijn geloof gehecht, wist hij te goed wat hij aan de nagedachtenis van den afgestorvene en ook aan haar verschuldigd was, om tot dit uiterste over te gaan. Vervolgens schilderde hij haar met geestdrift, hoe hij in de toekomst zijne beste krachten aan zijn arm onderworpen vaderland dacht te wijden, hetzij in dienst van den Kalief, hetzij op andere wijze. Vol vreugde liet zij zich medeslepen door zijne edele opgewondenheid, ging zij op zijne plannen in en gevoelde weder met stil genot het meesterschap van zijn geest en de groote veerkracht zijner ziel.Toen het gesprek haar onwillekeurig op het verledene bracht, vroeg zij hem zacht, op den man af en zonder hem aan te zien, waar de smaragd uit het Perzische tapijt gebleven was.Hij verbleekte, keek voor zich en antwoordde aarzelend, dat hij dien naar Konstantinopel had gezonden om hem in goud te laten vatten en op te maken tot een sieraad—waardig voor haar, die hij...Doch eensklaps hield hij op, stampte boos met den voet op den grond en zeide, terwijl hij de jonkvrouw flink in de oogen zag: »Leugen, vervloekte, onwaardige leugen! Van kindsbeen af heb ik de waarheid gehuldigd, maar het is als verlangde die verwenschte aller dagen iets onwaardigs van mij, telkens wanneer ik er weer op terugkom. Ja Paula, ja, de steen is op weg naar Byzantium, maar dat gestolen goed was niet voor u bestemd, maar voor eene schoone, zachte vrouw, die zeker niet verdient veroordeeld te worden, eene vrouw die mij haar hart had geschonken. Zij is voor mij nooit meer geweest dan een aardig speelgoed; toch zijn er uren geweest, waarin ik geloofde... Arme ziel!... Eerst door u heb ik de liefde leeren kennen, geleerd hoe groot zij is en hoe heilig. Ziedaar, dat is de waarheid!”Hierna wandelden zij weder op en Katharina, die den samenhang dezer verklaring niet had kunnen rijmen, verstond nu weder hoe Paula met warmte en blijmoedig tot hem zeide: »Ja, dat is de waarheid, ik begrijp het; en van nu aan zij er eene streep gehaald door dezen heilloosten aller dagen, worde hij uit uw en mijn leven uitgewischt, en wat gij mij verder ook zeggen wilt, ik zal het gelooven!”Verder vernam het luistervinkje hoe de jonkman antwoordde met bevende stem: »En gij zult u in mij niet bedrogen vinden! Ik ga thans, ik ga, en bij al mijne ellende als een blijmoedig man, die op nieuw geluk mag hopen. O meisje, dit alles ben ik aan u verschuldigd! En, niet waar, als wij elkander wederzien, zult gij mij niet anders bejegenen dan op dien avond bij die spelevaart na mijne terugkomst?”»Zelfs met nog blijder vertrouwen,” hernam Paula, waarbij zij hem met eene edele aandrift, die het hart haar ingaf, de hand reikte. Hij drukte haar een oogenblik vast aan zijne lippen en sprong toen in het zadel, om in snellen draf den tuin te verlaten. Zijn slaaf volgde hem.»Katharina, kindlief, Katharina!” zoo riep uit de richting van het huis der weduwe Susanna eene krijschende vrouwenstem. Het kwikstaartje verschrikte, en wierp, terwijl het de hand nog even over het haar streek, een boozen blik op de Damasceensche, »die andere,” die vleister, die haar onder de sykomore schandelijk bedrogen had, en zij balde de kleine vuist, nu er niets meer te luisteren viel, toen zij Paula den heengaanden Orion met van vreugde stralende oogen zag nastaren.Met een zalig gevoel, en als had zij vleugelen aangeschoten, ging Paula naar haar huis terug, terwijl de arme, diep gekrenkte kleine bij het eerste scheldwoord harer moeder, die allesbehalve tevreden was met haar verfrommeld toilet, in heete tranen losbarstte en daarna weerbarstig en korzelig zeide, dat zij den patriarch den ruiker niet aanbieden maar op haar kamer blijven wilde, daar zij bijna stierf van hoofdpijn. En zoo gebeurde het ook.

DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Orion en Paula hadden over veel gesproken, sedert de eerste het huis van Rufinus had betreden. De onderhandelingen over de bezorging van het vermogen der Damasceensche hadden lang geduurd. Ten laatste hadden hare raadgevers besloten, de eene helft te plaatsen bij den juwelier Gamaliël en zijn broeder, die te Konstantinopel aan het hoofd stond van eene groote zaak. Toevallig was deze te Memphis en beide broeders hadden zich bereid verklaard, om het aangeboden kapitaal ieder voor de helft tegen eene behoorlijke rente in ontvangst te nemen. Beiden wilden gemeenschappelijk de verantwoordelijkheid op zich nemen zoodat ieder borg bleef voor het geheel van het hun toevertrouwd vermogen, wanneer de ander, om welke reden dan ook, zijne betalingen eens moest staken. Nilus had op zich genomen te zorgen voor de rechterlijke bekrachtiging van dit verdrag en de vereischte zestien getuigen. Het andere deel van het vermogen zou, op voorstel van den arts Philippus, de broeder van den Arabischen koopman Haschim ontvangen, die in de nieuw gebouwde stad Fostat aan den oostelijken Nijloever een wisselbank had opgericht, waarin ook de tapijthandelaar deel had. Deze plaatsing had dit voor, dat het kapitaal onaantastbaar bleef, zoolang de Arabieren in Egypte heerschappij voerden. Na deze onderhandelingen ging Nilus heen met dat gedeelte van het vermogen, hetwelk aan denmuzelmanschenwisselaar morgen door Orion zou worden toevertrouwd.Paula was getuige geweest van deze onderhandelingen der mannen, zonder er echter aan deel te nemen; zij had alleen dankbaar hare toestemming gegeven tot hetgeen besloten was. Het was haar niet ontgaan hoe klaar, ernstig en beslist Orion zich getoond had bij deze overleggingen, en hoewel de verstandige, korte, eenvoudig uitgesprokene opmerkingen van den rentmeesteraltijd doeltreffend bleken te zijn, had zij toch het meeste waarde gehecht aan de gronden en toelichtingen van Orion, want het kwam haar voor als getuigden ze van grooter staatsmanswijsheid en dieper inzichten dan die der overigen. Na het sluiten der zitting, had men haar met Orion alleen gelaten.Er volgden onvermijdelijk pijnlijke oogenblikken, waarin het hart van den jonkman zoowel als het hare sneller klopten. Eerst toen de zoon van den Mukaukas meer moed had gevat en om vergeving biddend aan hare voeten was gezonken, was zij weder geheel tot kalmte gekomen en had hem herinnerd aan zijn brief, die haar omtrent zijn persoon gerust had gesteld. Doch het hart drong haar met onweerstaanbare macht tot meerdere toenadering, en daaraan toegevende vroeg zij snel, wat hij bedoeld had met den ruil, waarover hij geschreven had.Hij was daarop met neergeslagen oogen tot haar gekomen, had uit de borstplooien van zijn gewaad een doosje te voorschijn gehaald, hetwelk de smaragd bevatte met de verborgen kas van bladgoud. Beiden had hij haar smeekend toegestoken, en daarbij met zijne zware stem op zijn eigenaardigen diepen toon gezegd: »Ziedaar uw eigendom! Neem het aan, en schenk mij in de plaats ervan uw vertrouwen, uwe vergeving!”Hierop was zij enkele schreden achteruit gegaan, had eerst hem, daarna den steen en de kas verrast, blijde en ontroerd met wijd geopende oogen aangezien. Het was den jonkman daarbij niet mogelijk geweest een woord te spreken, en hij had haar het juweel en het eenvoudig stuk bladgoud dichter en dichter onder de oogen gebracht, toegereikt als een arme, die het waagt een trotsch, rijk en aanzienlijk man het beste wat hij heeft ten geschenke aan te bieden, ofschoon de gave te gering is voor hem die haar ontvangt.Paula was niet lang besluiteloos gebleven, maar had naar zijne gave de hand uitgestoken,en dankbaar met hare van vreugde stralende oogen het verloren kleinood als verslonden. Eergisteren zou zij het als bezoedeld en ontheiligd beschouwd hebben, het zou streelend zijn geweest voor haar trots dezen kostbaren schat vrouw Neforis en haar zoon opeens voor de voeten geworpen te hebben, om dien nimmer weder te zien. Zoo bezwaarlijk geeft men het recht op, om hem te haten die op misdadige wijze ons leven verbitterd en onze zielen gewond hebben. Doch heden deed Paula vrijwillig afstand van een recht, dat zij nog kort geleden voor niets zou hebben prijs gegeven, ja zij wees dien eisch af als een drukkenden last, die de vrije ademhaling en het rustig kloppen van het hart belemmert. In dit juweel zag zij thans weder het dierbaar aandenken aan hare overledene moeder, het vereerend sieraad dat een groot monarch aan een harer vooroudershad geschonken, en zij was blijde dat het haar weder toebehoorde. Deze herinneringen hadden echter het warme, zonnige gevoel, dat haar thans doordrong, niet bij haar doen ontwaken en zij waren ook de oorzaak niet dat het zoo snel in kracht was toegenomen; neen, hare oogen letten nauwelijks op den fraaien, blinkenden steen, maar staarden onafgebroken op het armzalig bladgoud, waarin hij was gevat en dat haar zulk eene vreeselijke ure had bereid.—Wel bezat dit ellendig verbogen voorwerp de macht zich voor hare rechters en vijanden te rechtvaardigen; wel zou het haar gemakkelijk zijn gevallen met dit ding in de hand hare aanklagers te vernietigen; maar ook dit was het niet wat haar zoo onuitsprekelijk goed deed. Het woord van den arts was haar voor den geest gekomen, dat er namelijk geen grooter vreugde is dan te ervaren zich in een mensch tot zijn nadeel bedrogen te hebben, en zij had den man die daar voor haar stond eenmaal liefgehad. Hij stond daar diep bewogen voor haar, wederom bereid tot alle goed, en het oordeel dat zij over hem geveld had, was honderd-,ja duizendmaal te hard geweest! Alleen een edele verwacht met vertrouwen edelmoedigheid van den vijand en hij, hij gaf zich weerloos over in de handen van haar, die door deze noodlottige, misschien eenige schandelijke daad zijns levens doodelijk getroffen was. Met dit stuk bladgoud leverde Orion zich zelven uit, als bezitster van dezen talisman stond zij tegenover hem als het almachtige noodlot! En toen zij den blik naar hem opsloeg en zijne groote oogen zag, waaruit geest en leven straalden en waarin tranen blonken van innige ontroering, scheen het haar onbetwistbaar zeker, dat deze lieveling der fortuin, die zoo zwaar gezondigd had, toch in staat was het grootste en hoogste te bereiken wanneer een vriend hem wees op den verhevensten eisch des levens, en hij bereid werd bevonden diens wenk te volgen. En deze vriend wilde zij voor hem zijn!Evenals Orion zoo kon ook zij eerst geen woorden vinden. Eindelijk was hij zichzelven niet meer meester, naar haar toegesneld, en had hij zijne lippen met warmen dank op hare rechter hand gedrukt. Zij had het zich moeten laten welgevallen en zou ook niet in staat zijn geweest het te beletten als hij haar driftig, gelijk in dien droom, in de armen gekneld en aan zijn hart gedrukt had. Met geestdrift was zijn brandende mond op hare hand blijven rusten, doch maar een oogenblik had zij toegegeven aan de machtige ontroering, die haar had aangegrepen; toen was zij door de wilskracht ten goede, die haar bezielde, haar gevoel meestergeworden, had hem bepaald maar toch niet onvriendelijk teruggewezen, en hem op bewogen en liefderijk schalkschen toon,—iets dat hem vreemd in haarvoorkwam en hem nog meer in verrukking bracht dan hare grootheid en trots—met dreigend opgeheven vinger toegeroepen: »Neem u in acht, Orion! Ik behoud den steen en de kas, ja ook de kas! Wacht de gevolgen maar af, gij onvoorzichtige man!”»Spreek niet zoo,” had hij in zalige stemming geantwoord. »Zeg liever: gij dwaas, die eindelijk eens eene verstandige daad volbrengt. Wat ik u hier uitlever is geen geschenk, maar altijd uw eigendom geweest. Voor u kan het niet meer of niet minder gelden dan vroeger, doch voor mij heeft het nu deze nieuwe, onschatbare waarde, dat het mij, mijne eer, misschien ook mijn leven in uwe handen stelt, dat gij nu over mij beschikken kunt gelijk de keizer over zijn armsten dienstknecht in het paleis. Behoud en gebruik den steen en dit noodlottig nietswaardig stukje goud, tot de dag komt, waarop mijn wél en wee het uwe zal zijn.”»Om der wille van den afgestorvene,” had zij hem sterk blozende geantwoord, »gaat dit wél mij thans reeds ter harte. Wie over het hoofd van een ander den vloek eens vaders bracht, is het haar plicht niet den zwaar belaste te helpen, om zich van dien vloek te ontheffen? En misschien ligt dit in mijne macht, Orion, wanneer gij het niet versmaadt den raad te volgen van een onwetend meisje.”»Spreek!” had hij met aandrang gebeden, doch zij had hieraan niet dadelijk gehoor gegeven, maar hem verzocht met haar in den tuin te gaan. Hem zoowel als haar was de sombere kamerlucht onverdragelijk geworden, en zoodra toen zij het huis verlieten, hadden de bespiedende blikken van Katharina het paar in het oog gekregen, waarbij het deze niet ontgaan kon hoe beider wangen gloeiden. Daarbuiten temperde een nauwelijks merkbaar zuchtje van de Nijlzijde den middaggloed, en hier had Paula den moed gevonden hem uiteen te zetten wat Philippus zijne levensopvatting noemde.—Deze was hem niet nieuw, ja zij was in overeenstemming met de voornemens, die hij ten aanzien van zijn toekomstig leven had opgevat. Dankbaar nam hij die levensopvatting over; »het leven een ambt, een dienst, eene verplichting,” dat was als eene roepstem, die hem bij het doorzetten van zijne plannen voor de toekomst behulpzaam zou zijn.»En dit woord,” zeide hij tot Paula, »zal mij bovendien lief zijn, omdat het komt uit uw mond, doch voor mij het is niet meer noodig. Ook de wijste en nuttigste levensregelen hebben nog geen mensch beter gemaakt. Wie nam ze niet uit de school in de wereld mede? Woorden helpen niets, als zich niet bij de vaart door het leven de mannelijke wil aan het roer zet. Ik heb dien opgeroepen en deze zal mij tot het doel leiden, wantden stuurman zweeft eene heldere ster voor oogen, die hem geleidt. Gij, meisje, kent haar, het is...”»Het is datgene wat gij uwe liefde noemt,” sprak zij blozende hem in de rede vallende. »Uwe liefde voor mij, en ik wil aan haar gelooven.”»Gij wilt!” zeide hij met vuur. »Gij veroorlooft mij te hopen...”»Hopen, hopen!” haastte zij zich weder te zeggen, »intusschen...”»Intusschen,” ging hij voort, »‘dring thans niet verder aan’, wildet gij laten volgen. O, ik versta u, en voor ik niet voel dat gij weder reden hebt om op te zien tot den dwaas, die u door eigen schuld verloren heeft, spreek ik, die u eens als een doodvijand bestreden heb, zelf het laatste woord niet uit, leg ik aan mijn smachtend verlangen het zwijgen op, wil ik beproeven...”»Zult gij beproeven mij te toonen, neen, zult ge mij toonen,” hernam Paula, »dat ik in u uit een vijand en vervolger den meest geliefden vriend heb gewonnen. Wij weten nu wat wij aan elkander hebben, willen verder steeds en blijmoedig op elkander bouwen en den Allerhoogste danken, dat hij een nieuwen heerlijken levensweg voor ons geopend heeft. Wij willen te zamen dezen dag...”»Zegenen en onder de besten rekenen,” viel Orion blijmoedig in, en nu volgde het gesprek over de kleine Maria, dat Katharina had afgeluisterd.Toen zij zich weder uit het bereik van haar gehoor verwijderd hadden, verklaarde Orion, dat de zaak van het kind tot morgen moest blijven rusten, daar hij heden aan gene zijde van den stroom met den veldheer Amr moest spreken. Zeer bepaald verklaarde hij zich tegen hare bezorgdheid, dat hij zich door den muzelman tot zijn geloof zou laten overhalen; want hoeveel lust hij ook had om den patriarch te doen gevoelen, dat hij niet van plan was den smaad zijn vader aangedaan lijdelijk te dragen, was hij toch te vast aan zijn geloof gehecht, wist hij te goed wat hij aan de nagedachtenis van den afgestorvene en ook aan haar verschuldigd was, om tot dit uiterste over te gaan. Vervolgens schilderde hij haar met geestdrift, hoe hij in de toekomst zijne beste krachten aan zijn arm onderworpen vaderland dacht te wijden, hetzij in dienst van den Kalief, hetzij op andere wijze. Vol vreugde liet zij zich medeslepen door zijne edele opgewondenheid, ging zij op zijne plannen in en gevoelde weder met stil genot het meesterschap van zijn geest en de groote veerkracht zijner ziel.Toen het gesprek haar onwillekeurig op het verledene bracht, vroeg zij hem zacht, op den man af en zonder hem aan te zien, waar de smaragd uit het Perzische tapijt gebleven was.Hij verbleekte, keek voor zich en antwoordde aarzelend, dat hij dien naar Konstantinopel had gezonden om hem in goud te laten vatten en op te maken tot een sieraad—waardig voor haar, die hij...Doch eensklaps hield hij op, stampte boos met den voet op den grond en zeide, terwijl hij de jonkvrouw flink in de oogen zag: »Leugen, vervloekte, onwaardige leugen! Van kindsbeen af heb ik de waarheid gehuldigd, maar het is als verlangde die verwenschte aller dagen iets onwaardigs van mij, telkens wanneer ik er weer op terugkom. Ja Paula, ja, de steen is op weg naar Byzantium, maar dat gestolen goed was niet voor u bestemd, maar voor eene schoone, zachte vrouw, die zeker niet verdient veroordeeld te worden, eene vrouw die mij haar hart had geschonken. Zij is voor mij nooit meer geweest dan een aardig speelgoed; toch zijn er uren geweest, waarin ik geloofde... Arme ziel!... Eerst door u heb ik de liefde leeren kennen, geleerd hoe groot zij is en hoe heilig. Ziedaar, dat is de waarheid!”Hierna wandelden zij weder op en Katharina, die den samenhang dezer verklaring niet had kunnen rijmen, verstond nu weder hoe Paula met warmte en blijmoedig tot hem zeide: »Ja, dat is de waarheid, ik begrijp het; en van nu aan zij er eene streep gehaald door dezen heilloosten aller dagen, worde hij uit uw en mijn leven uitgewischt, en wat gij mij verder ook zeggen wilt, ik zal het gelooven!”Verder vernam het luistervinkje hoe de jonkman antwoordde met bevende stem: »En gij zult u in mij niet bedrogen vinden! Ik ga thans, ik ga, en bij al mijne ellende als een blijmoedig man, die op nieuw geluk mag hopen. O meisje, dit alles ben ik aan u verschuldigd! En, niet waar, als wij elkander wederzien, zult gij mij niet anders bejegenen dan op dien avond bij die spelevaart na mijne terugkomst?”»Zelfs met nog blijder vertrouwen,” hernam Paula, waarbij zij hem met eene edele aandrift, die het hart haar ingaf, de hand reikte. Hij drukte haar een oogenblik vast aan zijne lippen en sprong toen in het zadel, om in snellen draf den tuin te verlaten. Zijn slaaf volgde hem.»Katharina, kindlief, Katharina!” zoo riep uit de richting van het huis der weduwe Susanna eene krijschende vrouwenstem. Het kwikstaartje verschrikte, en wierp, terwijl het de hand nog even over het haar streek, een boozen blik op de Damasceensche, »die andere,” die vleister, die haar onder de sykomore schandelijk bedrogen had, en zij balde de kleine vuist, nu er niets meer te luisteren viel, toen zij Paula den heengaanden Orion met van vreugde stralende oogen zag nastaren.Met een zalig gevoel, en als had zij vleugelen aangeschoten, ging Paula naar haar huis terug, terwijl de arme, diep gekrenkte kleine bij het eerste scheldwoord harer moeder, die allesbehalve tevreden was met haar verfrommeld toilet, in heete tranen losbarstte en daarna weerbarstig en korzelig zeide, dat zij den patriarch den ruiker niet aanbieden maar op haar kamer blijven wilde, daar zij bijna stierf van hoofdpijn. En zoo gebeurde het ook.

DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Orion en Paula hadden over veel gesproken, sedert de eerste het huis van Rufinus had betreden. De onderhandelingen over de bezorging van het vermogen der Damasceensche hadden lang geduurd. Ten laatste hadden hare raadgevers besloten, de eene helft te plaatsen bij den juwelier Gamaliël en zijn broeder, die te Konstantinopel aan het hoofd stond van eene groote zaak. Toevallig was deze te Memphis en beide broeders hadden zich bereid verklaard, om het aangeboden kapitaal ieder voor de helft tegen eene behoorlijke rente in ontvangst te nemen. Beiden wilden gemeenschappelijk de verantwoordelijkheid op zich nemen zoodat ieder borg bleef voor het geheel van het hun toevertrouwd vermogen, wanneer de ander, om welke reden dan ook, zijne betalingen eens moest staken. Nilus had op zich genomen te zorgen voor de rechterlijke bekrachtiging van dit verdrag en de vereischte zestien getuigen. Het andere deel van het vermogen zou, op voorstel van den arts Philippus, de broeder van den Arabischen koopman Haschim ontvangen, die in de nieuw gebouwde stad Fostat aan den oostelijken Nijloever een wisselbank had opgericht, waarin ook de tapijthandelaar deel had. Deze plaatsing had dit voor, dat het kapitaal onaantastbaar bleef, zoolang de Arabieren in Egypte heerschappij voerden. Na deze onderhandelingen ging Nilus heen met dat gedeelte van het vermogen, hetwelk aan denmuzelmanschenwisselaar morgen door Orion zou worden toevertrouwd.Paula was getuige geweest van deze onderhandelingen der mannen, zonder er echter aan deel te nemen; zij had alleen dankbaar hare toestemming gegeven tot hetgeen besloten was. Het was haar niet ontgaan hoe klaar, ernstig en beslist Orion zich getoond had bij deze overleggingen, en hoewel de verstandige, korte, eenvoudig uitgesprokene opmerkingen van den rentmeesteraltijd doeltreffend bleken te zijn, had zij toch het meeste waarde gehecht aan de gronden en toelichtingen van Orion, want het kwam haar voor als getuigden ze van grooter staatsmanswijsheid en dieper inzichten dan die der overigen. Na het sluiten der zitting, had men haar met Orion alleen gelaten.Er volgden onvermijdelijk pijnlijke oogenblikken, waarin het hart van den jonkman zoowel als het hare sneller klopten. Eerst toen de zoon van den Mukaukas meer moed had gevat en om vergeving biddend aan hare voeten was gezonken, was zij weder geheel tot kalmte gekomen en had hem herinnerd aan zijn brief, die haar omtrent zijn persoon gerust had gesteld. Doch het hart drong haar met onweerstaanbare macht tot meerdere toenadering, en daaraan toegevende vroeg zij snel, wat hij bedoeld had met den ruil, waarover hij geschreven had.Hij was daarop met neergeslagen oogen tot haar gekomen, had uit de borstplooien van zijn gewaad een doosje te voorschijn gehaald, hetwelk de smaragd bevatte met de verborgen kas van bladgoud. Beiden had hij haar smeekend toegestoken, en daarbij met zijne zware stem op zijn eigenaardigen diepen toon gezegd: »Ziedaar uw eigendom! Neem het aan, en schenk mij in de plaats ervan uw vertrouwen, uwe vergeving!”Hierop was zij enkele schreden achteruit gegaan, had eerst hem, daarna den steen en de kas verrast, blijde en ontroerd met wijd geopende oogen aangezien. Het was den jonkman daarbij niet mogelijk geweest een woord te spreken, en hij had haar het juweel en het eenvoudig stuk bladgoud dichter en dichter onder de oogen gebracht, toegereikt als een arme, die het waagt een trotsch, rijk en aanzienlijk man het beste wat hij heeft ten geschenke aan te bieden, ofschoon de gave te gering is voor hem die haar ontvangt.Paula was niet lang besluiteloos gebleven, maar had naar zijne gave de hand uitgestoken,en dankbaar met hare van vreugde stralende oogen het verloren kleinood als verslonden. Eergisteren zou zij het als bezoedeld en ontheiligd beschouwd hebben, het zou streelend zijn geweest voor haar trots dezen kostbaren schat vrouw Neforis en haar zoon opeens voor de voeten geworpen te hebben, om dien nimmer weder te zien. Zoo bezwaarlijk geeft men het recht op, om hem te haten die op misdadige wijze ons leven verbitterd en onze zielen gewond hebben. Doch heden deed Paula vrijwillig afstand van een recht, dat zij nog kort geleden voor niets zou hebben prijs gegeven, ja zij wees dien eisch af als een drukkenden last, die de vrije ademhaling en het rustig kloppen van het hart belemmert. In dit juweel zag zij thans weder het dierbaar aandenken aan hare overledene moeder, het vereerend sieraad dat een groot monarch aan een harer vooroudershad geschonken, en zij was blijde dat het haar weder toebehoorde. Deze herinneringen hadden echter het warme, zonnige gevoel, dat haar thans doordrong, niet bij haar doen ontwaken en zij waren ook de oorzaak niet dat het zoo snel in kracht was toegenomen; neen, hare oogen letten nauwelijks op den fraaien, blinkenden steen, maar staarden onafgebroken op het armzalig bladgoud, waarin hij was gevat en dat haar zulk eene vreeselijke ure had bereid.—Wel bezat dit ellendig verbogen voorwerp de macht zich voor hare rechters en vijanden te rechtvaardigen; wel zou het haar gemakkelijk zijn gevallen met dit ding in de hand hare aanklagers te vernietigen; maar ook dit was het niet wat haar zoo onuitsprekelijk goed deed. Het woord van den arts was haar voor den geest gekomen, dat er namelijk geen grooter vreugde is dan te ervaren zich in een mensch tot zijn nadeel bedrogen te hebben, en zij had den man die daar voor haar stond eenmaal liefgehad. Hij stond daar diep bewogen voor haar, wederom bereid tot alle goed, en het oordeel dat zij over hem geveld had, was honderd-,ja duizendmaal te hard geweest! Alleen een edele verwacht met vertrouwen edelmoedigheid van den vijand en hij, hij gaf zich weerloos over in de handen van haar, die door deze noodlottige, misschien eenige schandelijke daad zijns levens doodelijk getroffen was. Met dit stuk bladgoud leverde Orion zich zelven uit, als bezitster van dezen talisman stond zij tegenover hem als het almachtige noodlot! En toen zij den blik naar hem opsloeg en zijne groote oogen zag, waaruit geest en leven straalden en waarin tranen blonken van innige ontroering, scheen het haar onbetwistbaar zeker, dat deze lieveling der fortuin, die zoo zwaar gezondigd had, toch in staat was het grootste en hoogste te bereiken wanneer een vriend hem wees op den verhevensten eisch des levens, en hij bereid werd bevonden diens wenk te volgen. En deze vriend wilde zij voor hem zijn!Evenals Orion zoo kon ook zij eerst geen woorden vinden. Eindelijk was hij zichzelven niet meer meester, naar haar toegesneld, en had hij zijne lippen met warmen dank op hare rechter hand gedrukt. Zij had het zich moeten laten welgevallen en zou ook niet in staat zijn geweest het te beletten als hij haar driftig, gelijk in dien droom, in de armen gekneld en aan zijn hart gedrukt had. Met geestdrift was zijn brandende mond op hare hand blijven rusten, doch maar een oogenblik had zij toegegeven aan de machtige ontroering, die haar had aangegrepen; toen was zij door de wilskracht ten goede, die haar bezielde, haar gevoel meestergeworden, had hem bepaald maar toch niet onvriendelijk teruggewezen, en hem op bewogen en liefderijk schalkschen toon,—iets dat hem vreemd in haarvoorkwam en hem nog meer in verrukking bracht dan hare grootheid en trots—met dreigend opgeheven vinger toegeroepen: »Neem u in acht, Orion! Ik behoud den steen en de kas, ja ook de kas! Wacht de gevolgen maar af, gij onvoorzichtige man!”»Spreek niet zoo,” had hij in zalige stemming geantwoord. »Zeg liever: gij dwaas, die eindelijk eens eene verstandige daad volbrengt. Wat ik u hier uitlever is geen geschenk, maar altijd uw eigendom geweest. Voor u kan het niet meer of niet minder gelden dan vroeger, doch voor mij heeft het nu deze nieuwe, onschatbare waarde, dat het mij, mijne eer, misschien ook mijn leven in uwe handen stelt, dat gij nu over mij beschikken kunt gelijk de keizer over zijn armsten dienstknecht in het paleis. Behoud en gebruik den steen en dit noodlottig nietswaardig stukje goud, tot de dag komt, waarop mijn wél en wee het uwe zal zijn.”»Om der wille van den afgestorvene,” had zij hem sterk blozende geantwoord, »gaat dit wél mij thans reeds ter harte. Wie over het hoofd van een ander den vloek eens vaders bracht, is het haar plicht niet den zwaar belaste te helpen, om zich van dien vloek te ontheffen? En misschien ligt dit in mijne macht, Orion, wanneer gij het niet versmaadt den raad te volgen van een onwetend meisje.”»Spreek!” had hij met aandrang gebeden, doch zij had hieraan niet dadelijk gehoor gegeven, maar hem verzocht met haar in den tuin te gaan. Hem zoowel als haar was de sombere kamerlucht onverdragelijk geworden, en zoodra toen zij het huis verlieten, hadden de bespiedende blikken van Katharina het paar in het oog gekregen, waarbij het deze niet ontgaan kon hoe beider wangen gloeiden. Daarbuiten temperde een nauwelijks merkbaar zuchtje van de Nijlzijde den middaggloed, en hier had Paula den moed gevonden hem uiteen te zetten wat Philippus zijne levensopvatting noemde.—Deze was hem niet nieuw, ja zij was in overeenstemming met de voornemens, die hij ten aanzien van zijn toekomstig leven had opgevat. Dankbaar nam hij die levensopvatting over; »het leven een ambt, een dienst, eene verplichting,” dat was als eene roepstem, die hem bij het doorzetten van zijne plannen voor de toekomst behulpzaam zou zijn.»En dit woord,” zeide hij tot Paula, »zal mij bovendien lief zijn, omdat het komt uit uw mond, doch voor mij het is niet meer noodig. Ook de wijste en nuttigste levensregelen hebben nog geen mensch beter gemaakt. Wie nam ze niet uit de school in de wereld mede? Woorden helpen niets, als zich niet bij de vaart door het leven de mannelijke wil aan het roer zet. Ik heb dien opgeroepen en deze zal mij tot het doel leiden, wantden stuurman zweeft eene heldere ster voor oogen, die hem geleidt. Gij, meisje, kent haar, het is...”»Het is datgene wat gij uwe liefde noemt,” sprak zij blozende hem in de rede vallende. »Uwe liefde voor mij, en ik wil aan haar gelooven.”»Gij wilt!” zeide hij met vuur. »Gij veroorlooft mij te hopen...”»Hopen, hopen!” haastte zij zich weder te zeggen, »intusschen...”»Intusschen,” ging hij voort, »‘dring thans niet verder aan’, wildet gij laten volgen. O, ik versta u, en voor ik niet voel dat gij weder reden hebt om op te zien tot den dwaas, die u door eigen schuld verloren heeft, spreek ik, die u eens als een doodvijand bestreden heb, zelf het laatste woord niet uit, leg ik aan mijn smachtend verlangen het zwijgen op, wil ik beproeven...”»Zult gij beproeven mij te toonen, neen, zult ge mij toonen,” hernam Paula, »dat ik in u uit een vijand en vervolger den meest geliefden vriend heb gewonnen. Wij weten nu wat wij aan elkander hebben, willen verder steeds en blijmoedig op elkander bouwen en den Allerhoogste danken, dat hij een nieuwen heerlijken levensweg voor ons geopend heeft. Wij willen te zamen dezen dag...”»Zegenen en onder de besten rekenen,” viel Orion blijmoedig in, en nu volgde het gesprek over de kleine Maria, dat Katharina had afgeluisterd.Toen zij zich weder uit het bereik van haar gehoor verwijderd hadden, verklaarde Orion, dat de zaak van het kind tot morgen moest blijven rusten, daar hij heden aan gene zijde van den stroom met den veldheer Amr moest spreken. Zeer bepaald verklaarde hij zich tegen hare bezorgdheid, dat hij zich door den muzelman tot zijn geloof zou laten overhalen; want hoeveel lust hij ook had om den patriarch te doen gevoelen, dat hij niet van plan was den smaad zijn vader aangedaan lijdelijk te dragen, was hij toch te vast aan zijn geloof gehecht, wist hij te goed wat hij aan de nagedachtenis van den afgestorvene en ook aan haar verschuldigd was, om tot dit uiterste over te gaan. Vervolgens schilderde hij haar met geestdrift, hoe hij in de toekomst zijne beste krachten aan zijn arm onderworpen vaderland dacht te wijden, hetzij in dienst van den Kalief, hetzij op andere wijze. Vol vreugde liet zij zich medeslepen door zijne edele opgewondenheid, ging zij op zijne plannen in en gevoelde weder met stil genot het meesterschap van zijn geest en de groote veerkracht zijner ziel.Toen het gesprek haar onwillekeurig op het verledene bracht, vroeg zij hem zacht, op den man af en zonder hem aan te zien, waar de smaragd uit het Perzische tapijt gebleven was.Hij verbleekte, keek voor zich en antwoordde aarzelend, dat hij dien naar Konstantinopel had gezonden om hem in goud te laten vatten en op te maken tot een sieraad—waardig voor haar, die hij...Doch eensklaps hield hij op, stampte boos met den voet op den grond en zeide, terwijl hij de jonkvrouw flink in de oogen zag: »Leugen, vervloekte, onwaardige leugen! Van kindsbeen af heb ik de waarheid gehuldigd, maar het is als verlangde die verwenschte aller dagen iets onwaardigs van mij, telkens wanneer ik er weer op terugkom. Ja Paula, ja, de steen is op weg naar Byzantium, maar dat gestolen goed was niet voor u bestemd, maar voor eene schoone, zachte vrouw, die zeker niet verdient veroordeeld te worden, eene vrouw die mij haar hart had geschonken. Zij is voor mij nooit meer geweest dan een aardig speelgoed; toch zijn er uren geweest, waarin ik geloofde... Arme ziel!... Eerst door u heb ik de liefde leeren kennen, geleerd hoe groot zij is en hoe heilig. Ziedaar, dat is de waarheid!”Hierna wandelden zij weder op en Katharina, die den samenhang dezer verklaring niet had kunnen rijmen, verstond nu weder hoe Paula met warmte en blijmoedig tot hem zeide: »Ja, dat is de waarheid, ik begrijp het; en van nu aan zij er eene streep gehaald door dezen heilloosten aller dagen, worde hij uit uw en mijn leven uitgewischt, en wat gij mij verder ook zeggen wilt, ik zal het gelooven!”Verder vernam het luistervinkje hoe de jonkman antwoordde met bevende stem: »En gij zult u in mij niet bedrogen vinden! Ik ga thans, ik ga, en bij al mijne ellende als een blijmoedig man, die op nieuw geluk mag hopen. O meisje, dit alles ben ik aan u verschuldigd! En, niet waar, als wij elkander wederzien, zult gij mij niet anders bejegenen dan op dien avond bij die spelevaart na mijne terugkomst?”»Zelfs met nog blijder vertrouwen,” hernam Paula, waarbij zij hem met eene edele aandrift, die het hart haar ingaf, de hand reikte. Hij drukte haar een oogenblik vast aan zijne lippen en sprong toen in het zadel, om in snellen draf den tuin te verlaten. Zijn slaaf volgde hem.»Katharina, kindlief, Katharina!” zoo riep uit de richting van het huis der weduwe Susanna eene krijschende vrouwenstem. Het kwikstaartje verschrikte, en wierp, terwijl het de hand nog even over het haar streek, een boozen blik op de Damasceensche, »die andere,” die vleister, die haar onder de sykomore schandelijk bedrogen had, en zij balde de kleine vuist, nu er niets meer te luisteren viel, toen zij Paula den heengaanden Orion met van vreugde stralende oogen zag nastaren.Met een zalig gevoel, en als had zij vleugelen aangeschoten, ging Paula naar haar huis terug, terwijl de arme, diep gekrenkte kleine bij het eerste scheldwoord harer moeder, die allesbehalve tevreden was met haar verfrommeld toilet, in heete tranen losbarstte en daarna weerbarstig en korzelig zeide, dat zij den patriarch den ruiker niet aanbieden maar op haar kamer blijven wilde, daar zij bijna stierf van hoofdpijn. En zoo gebeurde het ook.

DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Orion en Paula hadden over veel gesproken, sedert de eerste het huis van Rufinus had betreden. De onderhandelingen over de bezorging van het vermogen der Damasceensche hadden lang geduurd. Ten laatste hadden hare raadgevers besloten, de eene helft te plaatsen bij den juwelier Gamaliël en zijn broeder, die te Konstantinopel aan het hoofd stond van eene groote zaak. Toevallig was deze te Memphis en beide broeders hadden zich bereid verklaard, om het aangeboden kapitaal ieder voor de helft tegen eene behoorlijke rente in ontvangst te nemen. Beiden wilden gemeenschappelijk de verantwoordelijkheid op zich nemen zoodat ieder borg bleef voor het geheel van het hun toevertrouwd vermogen, wanneer de ander, om welke reden dan ook, zijne betalingen eens moest staken. Nilus had op zich genomen te zorgen voor de rechterlijke bekrachtiging van dit verdrag en de vereischte zestien getuigen. Het andere deel van het vermogen zou, op voorstel van den arts Philippus, de broeder van den Arabischen koopman Haschim ontvangen, die in de nieuw gebouwde stad Fostat aan den oostelijken Nijloever een wisselbank had opgericht, waarin ook de tapijthandelaar deel had. Deze plaatsing had dit voor, dat het kapitaal onaantastbaar bleef, zoolang de Arabieren in Egypte heerschappij voerden. Na deze onderhandelingen ging Nilus heen met dat gedeelte van het vermogen, hetwelk aan denmuzelmanschenwisselaar morgen door Orion zou worden toevertrouwd.Paula was getuige geweest van deze onderhandelingen der mannen, zonder er echter aan deel te nemen; zij had alleen dankbaar hare toestemming gegeven tot hetgeen besloten was. Het was haar niet ontgaan hoe klaar, ernstig en beslist Orion zich getoond had bij deze overleggingen, en hoewel de verstandige, korte, eenvoudig uitgesprokene opmerkingen van den rentmeesteraltijd doeltreffend bleken te zijn, had zij toch het meeste waarde gehecht aan de gronden en toelichtingen van Orion, want het kwam haar voor als getuigden ze van grooter staatsmanswijsheid en dieper inzichten dan die der overigen. Na het sluiten der zitting, had men haar met Orion alleen gelaten.Er volgden onvermijdelijk pijnlijke oogenblikken, waarin het hart van den jonkman zoowel als het hare sneller klopten. Eerst toen de zoon van den Mukaukas meer moed had gevat en om vergeving biddend aan hare voeten was gezonken, was zij weder geheel tot kalmte gekomen en had hem herinnerd aan zijn brief, die haar omtrent zijn persoon gerust had gesteld. Doch het hart drong haar met onweerstaanbare macht tot meerdere toenadering, en daaraan toegevende vroeg zij snel, wat hij bedoeld had met den ruil, waarover hij geschreven had.Hij was daarop met neergeslagen oogen tot haar gekomen, had uit de borstplooien van zijn gewaad een doosje te voorschijn gehaald, hetwelk de smaragd bevatte met de verborgen kas van bladgoud. Beiden had hij haar smeekend toegestoken, en daarbij met zijne zware stem op zijn eigenaardigen diepen toon gezegd: »Ziedaar uw eigendom! Neem het aan, en schenk mij in de plaats ervan uw vertrouwen, uwe vergeving!”Hierop was zij enkele schreden achteruit gegaan, had eerst hem, daarna den steen en de kas verrast, blijde en ontroerd met wijd geopende oogen aangezien. Het was den jonkman daarbij niet mogelijk geweest een woord te spreken, en hij had haar het juweel en het eenvoudig stuk bladgoud dichter en dichter onder de oogen gebracht, toegereikt als een arme, die het waagt een trotsch, rijk en aanzienlijk man het beste wat hij heeft ten geschenke aan te bieden, ofschoon de gave te gering is voor hem die haar ontvangt.Paula was niet lang besluiteloos gebleven, maar had naar zijne gave de hand uitgestoken,en dankbaar met hare van vreugde stralende oogen het verloren kleinood als verslonden. Eergisteren zou zij het als bezoedeld en ontheiligd beschouwd hebben, het zou streelend zijn geweest voor haar trots dezen kostbaren schat vrouw Neforis en haar zoon opeens voor de voeten geworpen te hebben, om dien nimmer weder te zien. Zoo bezwaarlijk geeft men het recht op, om hem te haten die op misdadige wijze ons leven verbitterd en onze zielen gewond hebben. Doch heden deed Paula vrijwillig afstand van een recht, dat zij nog kort geleden voor niets zou hebben prijs gegeven, ja zij wees dien eisch af als een drukkenden last, die de vrije ademhaling en het rustig kloppen van het hart belemmert. In dit juweel zag zij thans weder het dierbaar aandenken aan hare overledene moeder, het vereerend sieraad dat een groot monarch aan een harer vooroudershad geschonken, en zij was blijde dat het haar weder toebehoorde. Deze herinneringen hadden echter het warme, zonnige gevoel, dat haar thans doordrong, niet bij haar doen ontwaken en zij waren ook de oorzaak niet dat het zoo snel in kracht was toegenomen; neen, hare oogen letten nauwelijks op den fraaien, blinkenden steen, maar staarden onafgebroken op het armzalig bladgoud, waarin hij was gevat en dat haar zulk eene vreeselijke ure had bereid.—Wel bezat dit ellendig verbogen voorwerp de macht zich voor hare rechters en vijanden te rechtvaardigen; wel zou het haar gemakkelijk zijn gevallen met dit ding in de hand hare aanklagers te vernietigen; maar ook dit was het niet wat haar zoo onuitsprekelijk goed deed. Het woord van den arts was haar voor den geest gekomen, dat er namelijk geen grooter vreugde is dan te ervaren zich in een mensch tot zijn nadeel bedrogen te hebben, en zij had den man die daar voor haar stond eenmaal liefgehad. Hij stond daar diep bewogen voor haar, wederom bereid tot alle goed, en het oordeel dat zij over hem geveld had, was honderd-,ja duizendmaal te hard geweest! Alleen een edele verwacht met vertrouwen edelmoedigheid van den vijand en hij, hij gaf zich weerloos over in de handen van haar, die door deze noodlottige, misschien eenige schandelijke daad zijns levens doodelijk getroffen was. Met dit stuk bladgoud leverde Orion zich zelven uit, als bezitster van dezen talisman stond zij tegenover hem als het almachtige noodlot! En toen zij den blik naar hem opsloeg en zijne groote oogen zag, waaruit geest en leven straalden en waarin tranen blonken van innige ontroering, scheen het haar onbetwistbaar zeker, dat deze lieveling der fortuin, die zoo zwaar gezondigd had, toch in staat was het grootste en hoogste te bereiken wanneer een vriend hem wees op den verhevensten eisch des levens, en hij bereid werd bevonden diens wenk te volgen. En deze vriend wilde zij voor hem zijn!Evenals Orion zoo kon ook zij eerst geen woorden vinden. Eindelijk was hij zichzelven niet meer meester, naar haar toegesneld, en had hij zijne lippen met warmen dank op hare rechter hand gedrukt. Zij had het zich moeten laten welgevallen en zou ook niet in staat zijn geweest het te beletten als hij haar driftig, gelijk in dien droom, in de armen gekneld en aan zijn hart gedrukt had. Met geestdrift was zijn brandende mond op hare hand blijven rusten, doch maar een oogenblik had zij toegegeven aan de machtige ontroering, die haar had aangegrepen; toen was zij door de wilskracht ten goede, die haar bezielde, haar gevoel meestergeworden, had hem bepaald maar toch niet onvriendelijk teruggewezen, en hem op bewogen en liefderijk schalkschen toon,—iets dat hem vreemd in haarvoorkwam en hem nog meer in verrukking bracht dan hare grootheid en trots—met dreigend opgeheven vinger toegeroepen: »Neem u in acht, Orion! Ik behoud den steen en de kas, ja ook de kas! Wacht de gevolgen maar af, gij onvoorzichtige man!”»Spreek niet zoo,” had hij in zalige stemming geantwoord. »Zeg liever: gij dwaas, die eindelijk eens eene verstandige daad volbrengt. Wat ik u hier uitlever is geen geschenk, maar altijd uw eigendom geweest. Voor u kan het niet meer of niet minder gelden dan vroeger, doch voor mij heeft het nu deze nieuwe, onschatbare waarde, dat het mij, mijne eer, misschien ook mijn leven in uwe handen stelt, dat gij nu over mij beschikken kunt gelijk de keizer over zijn armsten dienstknecht in het paleis. Behoud en gebruik den steen en dit noodlottig nietswaardig stukje goud, tot de dag komt, waarop mijn wél en wee het uwe zal zijn.”»Om der wille van den afgestorvene,” had zij hem sterk blozende geantwoord, »gaat dit wél mij thans reeds ter harte. Wie over het hoofd van een ander den vloek eens vaders bracht, is het haar plicht niet den zwaar belaste te helpen, om zich van dien vloek te ontheffen? En misschien ligt dit in mijne macht, Orion, wanneer gij het niet versmaadt den raad te volgen van een onwetend meisje.”»Spreek!” had hij met aandrang gebeden, doch zij had hieraan niet dadelijk gehoor gegeven, maar hem verzocht met haar in den tuin te gaan. Hem zoowel als haar was de sombere kamerlucht onverdragelijk geworden, en zoodra toen zij het huis verlieten, hadden de bespiedende blikken van Katharina het paar in het oog gekregen, waarbij het deze niet ontgaan kon hoe beider wangen gloeiden. Daarbuiten temperde een nauwelijks merkbaar zuchtje van de Nijlzijde den middaggloed, en hier had Paula den moed gevonden hem uiteen te zetten wat Philippus zijne levensopvatting noemde.—Deze was hem niet nieuw, ja zij was in overeenstemming met de voornemens, die hij ten aanzien van zijn toekomstig leven had opgevat. Dankbaar nam hij die levensopvatting over; »het leven een ambt, een dienst, eene verplichting,” dat was als eene roepstem, die hem bij het doorzetten van zijne plannen voor de toekomst behulpzaam zou zijn.»En dit woord,” zeide hij tot Paula, »zal mij bovendien lief zijn, omdat het komt uit uw mond, doch voor mij het is niet meer noodig. Ook de wijste en nuttigste levensregelen hebben nog geen mensch beter gemaakt. Wie nam ze niet uit de school in de wereld mede? Woorden helpen niets, als zich niet bij de vaart door het leven de mannelijke wil aan het roer zet. Ik heb dien opgeroepen en deze zal mij tot het doel leiden, wantden stuurman zweeft eene heldere ster voor oogen, die hem geleidt. Gij, meisje, kent haar, het is...”»Het is datgene wat gij uwe liefde noemt,” sprak zij blozende hem in de rede vallende. »Uwe liefde voor mij, en ik wil aan haar gelooven.”»Gij wilt!” zeide hij met vuur. »Gij veroorlooft mij te hopen...”»Hopen, hopen!” haastte zij zich weder te zeggen, »intusschen...”»Intusschen,” ging hij voort, »‘dring thans niet verder aan’, wildet gij laten volgen. O, ik versta u, en voor ik niet voel dat gij weder reden hebt om op te zien tot den dwaas, die u door eigen schuld verloren heeft, spreek ik, die u eens als een doodvijand bestreden heb, zelf het laatste woord niet uit, leg ik aan mijn smachtend verlangen het zwijgen op, wil ik beproeven...”»Zult gij beproeven mij te toonen, neen, zult ge mij toonen,” hernam Paula, »dat ik in u uit een vijand en vervolger den meest geliefden vriend heb gewonnen. Wij weten nu wat wij aan elkander hebben, willen verder steeds en blijmoedig op elkander bouwen en den Allerhoogste danken, dat hij een nieuwen heerlijken levensweg voor ons geopend heeft. Wij willen te zamen dezen dag...”»Zegenen en onder de besten rekenen,” viel Orion blijmoedig in, en nu volgde het gesprek over de kleine Maria, dat Katharina had afgeluisterd.Toen zij zich weder uit het bereik van haar gehoor verwijderd hadden, verklaarde Orion, dat de zaak van het kind tot morgen moest blijven rusten, daar hij heden aan gene zijde van den stroom met den veldheer Amr moest spreken. Zeer bepaald verklaarde hij zich tegen hare bezorgdheid, dat hij zich door den muzelman tot zijn geloof zou laten overhalen; want hoeveel lust hij ook had om den patriarch te doen gevoelen, dat hij niet van plan was den smaad zijn vader aangedaan lijdelijk te dragen, was hij toch te vast aan zijn geloof gehecht, wist hij te goed wat hij aan de nagedachtenis van den afgestorvene en ook aan haar verschuldigd was, om tot dit uiterste over te gaan. Vervolgens schilderde hij haar met geestdrift, hoe hij in de toekomst zijne beste krachten aan zijn arm onderworpen vaderland dacht te wijden, hetzij in dienst van den Kalief, hetzij op andere wijze. Vol vreugde liet zij zich medeslepen door zijne edele opgewondenheid, ging zij op zijne plannen in en gevoelde weder met stil genot het meesterschap van zijn geest en de groote veerkracht zijner ziel.Toen het gesprek haar onwillekeurig op het verledene bracht, vroeg zij hem zacht, op den man af en zonder hem aan te zien, waar de smaragd uit het Perzische tapijt gebleven was.Hij verbleekte, keek voor zich en antwoordde aarzelend, dat hij dien naar Konstantinopel had gezonden om hem in goud te laten vatten en op te maken tot een sieraad—waardig voor haar, die hij...Doch eensklaps hield hij op, stampte boos met den voet op den grond en zeide, terwijl hij de jonkvrouw flink in de oogen zag: »Leugen, vervloekte, onwaardige leugen! Van kindsbeen af heb ik de waarheid gehuldigd, maar het is als verlangde die verwenschte aller dagen iets onwaardigs van mij, telkens wanneer ik er weer op terugkom. Ja Paula, ja, de steen is op weg naar Byzantium, maar dat gestolen goed was niet voor u bestemd, maar voor eene schoone, zachte vrouw, die zeker niet verdient veroordeeld te worden, eene vrouw die mij haar hart had geschonken. Zij is voor mij nooit meer geweest dan een aardig speelgoed; toch zijn er uren geweest, waarin ik geloofde... Arme ziel!... Eerst door u heb ik de liefde leeren kennen, geleerd hoe groot zij is en hoe heilig. Ziedaar, dat is de waarheid!”Hierna wandelden zij weder op en Katharina, die den samenhang dezer verklaring niet had kunnen rijmen, verstond nu weder hoe Paula met warmte en blijmoedig tot hem zeide: »Ja, dat is de waarheid, ik begrijp het; en van nu aan zij er eene streep gehaald door dezen heilloosten aller dagen, worde hij uit uw en mijn leven uitgewischt, en wat gij mij verder ook zeggen wilt, ik zal het gelooven!”Verder vernam het luistervinkje hoe de jonkman antwoordde met bevende stem: »En gij zult u in mij niet bedrogen vinden! Ik ga thans, ik ga, en bij al mijne ellende als een blijmoedig man, die op nieuw geluk mag hopen. O meisje, dit alles ben ik aan u verschuldigd! En, niet waar, als wij elkander wederzien, zult gij mij niet anders bejegenen dan op dien avond bij die spelevaart na mijne terugkomst?”»Zelfs met nog blijder vertrouwen,” hernam Paula, waarbij zij hem met eene edele aandrift, die het hart haar ingaf, de hand reikte. Hij drukte haar een oogenblik vast aan zijne lippen en sprong toen in het zadel, om in snellen draf den tuin te verlaten. Zijn slaaf volgde hem.»Katharina, kindlief, Katharina!” zoo riep uit de richting van het huis der weduwe Susanna eene krijschende vrouwenstem. Het kwikstaartje verschrikte, en wierp, terwijl het de hand nog even over het haar streek, een boozen blik op de Damasceensche, »die andere,” die vleister, die haar onder de sykomore schandelijk bedrogen had, en zij balde de kleine vuist, nu er niets meer te luisteren viel, toen zij Paula den heengaanden Orion met van vreugde stralende oogen zag nastaren.Met een zalig gevoel, en als had zij vleugelen aangeschoten, ging Paula naar haar huis terug, terwijl de arme, diep gekrenkte kleine bij het eerste scheldwoord harer moeder, die allesbehalve tevreden was met haar verfrommeld toilet, in heete tranen losbarstte en daarna weerbarstig en korzelig zeide, dat zij den patriarch den ruiker niet aanbieden maar op haar kamer blijven wilde, daar zij bijna stierf van hoofdpijn. En zoo gebeurde het ook.

Orion en Paula hadden over veel gesproken, sedert de eerste het huis van Rufinus had betreden. De onderhandelingen over de bezorging van het vermogen der Damasceensche hadden lang geduurd. Ten laatste hadden hare raadgevers besloten, de eene helft te plaatsen bij den juwelier Gamaliël en zijn broeder, die te Konstantinopel aan het hoofd stond van eene groote zaak. Toevallig was deze te Memphis en beide broeders hadden zich bereid verklaard, om het aangeboden kapitaal ieder voor de helft tegen eene behoorlijke rente in ontvangst te nemen. Beiden wilden gemeenschappelijk de verantwoordelijkheid op zich nemen zoodat ieder borg bleef voor het geheel van het hun toevertrouwd vermogen, wanneer de ander, om welke reden dan ook, zijne betalingen eens moest staken. Nilus had op zich genomen te zorgen voor de rechterlijke bekrachtiging van dit verdrag en de vereischte zestien getuigen. Het andere deel van het vermogen zou, op voorstel van den arts Philippus, de broeder van den Arabischen koopman Haschim ontvangen, die in de nieuw gebouwde stad Fostat aan den oostelijken Nijloever een wisselbank had opgericht, waarin ook de tapijthandelaar deel had. Deze plaatsing had dit voor, dat het kapitaal onaantastbaar bleef, zoolang de Arabieren in Egypte heerschappij voerden. Na deze onderhandelingen ging Nilus heen met dat gedeelte van het vermogen, hetwelk aan denmuzelmanschenwisselaar morgen door Orion zou worden toevertrouwd.

Paula was getuige geweest van deze onderhandelingen der mannen, zonder er echter aan deel te nemen; zij had alleen dankbaar hare toestemming gegeven tot hetgeen besloten was. Het was haar niet ontgaan hoe klaar, ernstig en beslist Orion zich getoond had bij deze overleggingen, en hoewel de verstandige, korte, eenvoudig uitgesprokene opmerkingen van den rentmeesteraltijd doeltreffend bleken te zijn, had zij toch het meeste waarde gehecht aan de gronden en toelichtingen van Orion, want het kwam haar voor als getuigden ze van grooter staatsmanswijsheid en dieper inzichten dan die der overigen. Na het sluiten der zitting, had men haar met Orion alleen gelaten.

Er volgden onvermijdelijk pijnlijke oogenblikken, waarin het hart van den jonkman zoowel als het hare sneller klopten. Eerst toen de zoon van den Mukaukas meer moed had gevat en om vergeving biddend aan hare voeten was gezonken, was zij weder geheel tot kalmte gekomen en had hem herinnerd aan zijn brief, die haar omtrent zijn persoon gerust had gesteld. Doch het hart drong haar met onweerstaanbare macht tot meerdere toenadering, en daaraan toegevende vroeg zij snel, wat hij bedoeld had met den ruil, waarover hij geschreven had.

Hij was daarop met neergeslagen oogen tot haar gekomen, had uit de borstplooien van zijn gewaad een doosje te voorschijn gehaald, hetwelk de smaragd bevatte met de verborgen kas van bladgoud. Beiden had hij haar smeekend toegestoken, en daarbij met zijne zware stem op zijn eigenaardigen diepen toon gezegd: »Ziedaar uw eigendom! Neem het aan, en schenk mij in de plaats ervan uw vertrouwen, uwe vergeving!”

Hierop was zij enkele schreden achteruit gegaan, had eerst hem, daarna den steen en de kas verrast, blijde en ontroerd met wijd geopende oogen aangezien. Het was den jonkman daarbij niet mogelijk geweest een woord te spreken, en hij had haar het juweel en het eenvoudig stuk bladgoud dichter en dichter onder de oogen gebracht, toegereikt als een arme, die het waagt een trotsch, rijk en aanzienlijk man het beste wat hij heeft ten geschenke aan te bieden, ofschoon de gave te gering is voor hem die haar ontvangt.

Paula was niet lang besluiteloos gebleven, maar had naar zijne gave de hand uitgestoken,en dankbaar met hare van vreugde stralende oogen het verloren kleinood als verslonden. Eergisteren zou zij het als bezoedeld en ontheiligd beschouwd hebben, het zou streelend zijn geweest voor haar trots dezen kostbaren schat vrouw Neforis en haar zoon opeens voor de voeten geworpen te hebben, om dien nimmer weder te zien. Zoo bezwaarlijk geeft men het recht op, om hem te haten die op misdadige wijze ons leven verbitterd en onze zielen gewond hebben. Doch heden deed Paula vrijwillig afstand van een recht, dat zij nog kort geleden voor niets zou hebben prijs gegeven, ja zij wees dien eisch af als een drukkenden last, die de vrije ademhaling en het rustig kloppen van het hart belemmert. In dit juweel zag zij thans weder het dierbaar aandenken aan hare overledene moeder, het vereerend sieraad dat een groot monarch aan een harer vooroudershad geschonken, en zij was blijde dat het haar weder toebehoorde. Deze herinneringen hadden echter het warme, zonnige gevoel, dat haar thans doordrong, niet bij haar doen ontwaken en zij waren ook de oorzaak niet dat het zoo snel in kracht was toegenomen; neen, hare oogen letten nauwelijks op den fraaien, blinkenden steen, maar staarden onafgebroken op het armzalig bladgoud, waarin hij was gevat en dat haar zulk eene vreeselijke ure had bereid.—Wel bezat dit ellendig verbogen voorwerp de macht zich voor hare rechters en vijanden te rechtvaardigen; wel zou het haar gemakkelijk zijn gevallen met dit ding in de hand hare aanklagers te vernietigen; maar ook dit was het niet wat haar zoo onuitsprekelijk goed deed. Het woord van den arts was haar voor den geest gekomen, dat er namelijk geen grooter vreugde is dan te ervaren zich in een mensch tot zijn nadeel bedrogen te hebben, en zij had den man die daar voor haar stond eenmaal liefgehad. Hij stond daar diep bewogen voor haar, wederom bereid tot alle goed, en het oordeel dat zij over hem geveld had, was honderd-,ja duizendmaal te hard geweest! Alleen een edele verwacht met vertrouwen edelmoedigheid van den vijand en hij, hij gaf zich weerloos over in de handen van haar, die door deze noodlottige, misschien eenige schandelijke daad zijns levens doodelijk getroffen was. Met dit stuk bladgoud leverde Orion zich zelven uit, als bezitster van dezen talisman stond zij tegenover hem als het almachtige noodlot! En toen zij den blik naar hem opsloeg en zijne groote oogen zag, waaruit geest en leven straalden en waarin tranen blonken van innige ontroering, scheen het haar onbetwistbaar zeker, dat deze lieveling der fortuin, die zoo zwaar gezondigd had, toch in staat was het grootste en hoogste te bereiken wanneer een vriend hem wees op den verhevensten eisch des levens, en hij bereid werd bevonden diens wenk te volgen. En deze vriend wilde zij voor hem zijn!

Evenals Orion zoo kon ook zij eerst geen woorden vinden. Eindelijk was hij zichzelven niet meer meester, naar haar toegesneld, en had hij zijne lippen met warmen dank op hare rechter hand gedrukt. Zij had het zich moeten laten welgevallen en zou ook niet in staat zijn geweest het te beletten als hij haar driftig, gelijk in dien droom, in de armen gekneld en aan zijn hart gedrukt had. Met geestdrift was zijn brandende mond op hare hand blijven rusten, doch maar een oogenblik had zij toegegeven aan de machtige ontroering, die haar had aangegrepen; toen was zij door de wilskracht ten goede, die haar bezielde, haar gevoel meestergeworden, had hem bepaald maar toch niet onvriendelijk teruggewezen, en hem op bewogen en liefderijk schalkschen toon,—iets dat hem vreemd in haarvoorkwam en hem nog meer in verrukking bracht dan hare grootheid en trots—met dreigend opgeheven vinger toegeroepen: »Neem u in acht, Orion! Ik behoud den steen en de kas, ja ook de kas! Wacht de gevolgen maar af, gij onvoorzichtige man!”

»Spreek niet zoo,” had hij in zalige stemming geantwoord. »Zeg liever: gij dwaas, die eindelijk eens eene verstandige daad volbrengt. Wat ik u hier uitlever is geen geschenk, maar altijd uw eigendom geweest. Voor u kan het niet meer of niet minder gelden dan vroeger, doch voor mij heeft het nu deze nieuwe, onschatbare waarde, dat het mij, mijne eer, misschien ook mijn leven in uwe handen stelt, dat gij nu over mij beschikken kunt gelijk de keizer over zijn armsten dienstknecht in het paleis. Behoud en gebruik den steen en dit noodlottig nietswaardig stukje goud, tot de dag komt, waarop mijn wél en wee het uwe zal zijn.”

»Om der wille van den afgestorvene,” had zij hem sterk blozende geantwoord, »gaat dit wél mij thans reeds ter harte. Wie over het hoofd van een ander den vloek eens vaders bracht, is het haar plicht niet den zwaar belaste te helpen, om zich van dien vloek te ontheffen? En misschien ligt dit in mijne macht, Orion, wanneer gij het niet versmaadt den raad te volgen van een onwetend meisje.”

»Spreek!” had hij met aandrang gebeden, doch zij had hieraan niet dadelijk gehoor gegeven, maar hem verzocht met haar in den tuin te gaan. Hem zoowel als haar was de sombere kamerlucht onverdragelijk geworden, en zoodra toen zij het huis verlieten, hadden de bespiedende blikken van Katharina het paar in het oog gekregen, waarbij het deze niet ontgaan kon hoe beider wangen gloeiden. Daarbuiten temperde een nauwelijks merkbaar zuchtje van de Nijlzijde den middaggloed, en hier had Paula den moed gevonden hem uiteen te zetten wat Philippus zijne levensopvatting noemde.—Deze was hem niet nieuw, ja zij was in overeenstemming met de voornemens, die hij ten aanzien van zijn toekomstig leven had opgevat. Dankbaar nam hij die levensopvatting over; »het leven een ambt, een dienst, eene verplichting,” dat was als eene roepstem, die hem bij het doorzetten van zijne plannen voor de toekomst behulpzaam zou zijn.

»En dit woord,” zeide hij tot Paula, »zal mij bovendien lief zijn, omdat het komt uit uw mond, doch voor mij het is niet meer noodig. Ook de wijste en nuttigste levensregelen hebben nog geen mensch beter gemaakt. Wie nam ze niet uit de school in de wereld mede? Woorden helpen niets, als zich niet bij de vaart door het leven de mannelijke wil aan het roer zet. Ik heb dien opgeroepen en deze zal mij tot het doel leiden, wantden stuurman zweeft eene heldere ster voor oogen, die hem geleidt. Gij, meisje, kent haar, het is...”

»Het is datgene wat gij uwe liefde noemt,” sprak zij blozende hem in de rede vallende. »Uwe liefde voor mij, en ik wil aan haar gelooven.”

»Gij wilt!” zeide hij met vuur. »Gij veroorlooft mij te hopen...”

»Hopen, hopen!” haastte zij zich weder te zeggen, »intusschen...”

»Intusschen,” ging hij voort, »‘dring thans niet verder aan’, wildet gij laten volgen. O, ik versta u, en voor ik niet voel dat gij weder reden hebt om op te zien tot den dwaas, die u door eigen schuld verloren heeft, spreek ik, die u eens als een doodvijand bestreden heb, zelf het laatste woord niet uit, leg ik aan mijn smachtend verlangen het zwijgen op, wil ik beproeven...”

»Zult gij beproeven mij te toonen, neen, zult ge mij toonen,” hernam Paula, »dat ik in u uit een vijand en vervolger den meest geliefden vriend heb gewonnen. Wij weten nu wat wij aan elkander hebben, willen verder steeds en blijmoedig op elkander bouwen en den Allerhoogste danken, dat hij een nieuwen heerlijken levensweg voor ons geopend heeft. Wij willen te zamen dezen dag...”

»Zegenen en onder de besten rekenen,” viel Orion blijmoedig in, en nu volgde het gesprek over de kleine Maria, dat Katharina had afgeluisterd.

Toen zij zich weder uit het bereik van haar gehoor verwijderd hadden, verklaarde Orion, dat de zaak van het kind tot morgen moest blijven rusten, daar hij heden aan gene zijde van den stroom met den veldheer Amr moest spreken. Zeer bepaald verklaarde hij zich tegen hare bezorgdheid, dat hij zich door den muzelman tot zijn geloof zou laten overhalen; want hoeveel lust hij ook had om den patriarch te doen gevoelen, dat hij niet van plan was den smaad zijn vader aangedaan lijdelijk te dragen, was hij toch te vast aan zijn geloof gehecht, wist hij te goed wat hij aan de nagedachtenis van den afgestorvene en ook aan haar verschuldigd was, om tot dit uiterste over te gaan. Vervolgens schilderde hij haar met geestdrift, hoe hij in de toekomst zijne beste krachten aan zijn arm onderworpen vaderland dacht te wijden, hetzij in dienst van den Kalief, hetzij op andere wijze. Vol vreugde liet zij zich medeslepen door zijne edele opgewondenheid, ging zij op zijne plannen in en gevoelde weder met stil genot het meesterschap van zijn geest en de groote veerkracht zijner ziel.

Toen het gesprek haar onwillekeurig op het verledene bracht, vroeg zij hem zacht, op den man af en zonder hem aan te zien, waar de smaragd uit het Perzische tapijt gebleven was.

Hij verbleekte, keek voor zich en antwoordde aarzelend, dat hij dien naar Konstantinopel had gezonden om hem in goud te laten vatten en op te maken tot een sieraad—waardig voor haar, die hij...

Doch eensklaps hield hij op, stampte boos met den voet op den grond en zeide, terwijl hij de jonkvrouw flink in de oogen zag: »Leugen, vervloekte, onwaardige leugen! Van kindsbeen af heb ik de waarheid gehuldigd, maar het is als verlangde die verwenschte aller dagen iets onwaardigs van mij, telkens wanneer ik er weer op terugkom. Ja Paula, ja, de steen is op weg naar Byzantium, maar dat gestolen goed was niet voor u bestemd, maar voor eene schoone, zachte vrouw, die zeker niet verdient veroordeeld te worden, eene vrouw die mij haar hart had geschonken. Zij is voor mij nooit meer geweest dan een aardig speelgoed; toch zijn er uren geweest, waarin ik geloofde... Arme ziel!... Eerst door u heb ik de liefde leeren kennen, geleerd hoe groot zij is en hoe heilig. Ziedaar, dat is de waarheid!”

Hierna wandelden zij weder op en Katharina, die den samenhang dezer verklaring niet had kunnen rijmen, verstond nu weder hoe Paula met warmte en blijmoedig tot hem zeide: »Ja, dat is de waarheid, ik begrijp het; en van nu aan zij er eene streep gehaald door dezen heilloosten aller dagen, worde hij uit uw en mijn leven uitgewischt, en wat gij mij verder ook zeggen wilt, ik zal het gelooven!”

Verder vernam het luistervinkje hoe de jonkman antwoordde met bevende stem: »En gij zult u in mij niet bedrogen vinden! Ik ga thans, ik ga, en bij al mijne ellende als een blijmoedig man, die op nieuw geluk mag hopen. O meisje, dit alles ben ik aan u verschuldigd! En, niet waar, als wij elkander wederzien, zult gij mij niet anders bejegenen dan op dien avond bij die spelevaart na mijne terugkomst?”

»Zelfs met nog blijder vertrouwen,” hernam Paula, waarbij zij hem met eene edele aandrift, die het hart haar ingaf, de hand reikte. Hij drukte haar een oogenblik vast aan zijne lippen en sprong toen in het zadel, om in snellen draf den tuin te verlaten. Zijn slaaf volgde hem.

»Katharina, kindlief, Katharina!” zoo riep uit de richting van het huis der weduwe Susanna eene krijschende vrouwenstem. Het kwikstaartje verschrikte, en wierp, terwijl het de hand nog even over het haar streek, een boozen blik op de Damasceensche, »die andere,” die vleister, die haar onder de sykomore schandelijk bedrogen had, en zij balde de kleine vuist, nu er niets meer te luisteren viel, toen zij Paula den heengaanden Orion met van vreugde stralende oogen zag nastaren.

Met een zalig gevoel, en als had zij vleugelen aangeschoten, ging Paula naar haar huis terug, terwijl de arme, diep gekrenkte kleine bij het eerste scheldwoord harer moeder, die allesbehalve tevreden was met haar verfrommeld toilet, in heete tranen losbarstte en daarna weerbarstig en korzelig zeide, dat zij den patriarch den ruiker niet aanbieden maar op haar kamer blijven wilde, daar zij bijna stierf van hoofdpijn. En zoo gebeurde het ook.


Back to IndexNext