TWAALFDE HOOFDSTUK.Katharina had weinig geslapen en was volgens hare gewoonte zeer vroeg opgestaan, terwijl Heliodora de morgenuren gaarne versliep. Deze waren in zulk een gloeiend heeten tijd zeker de schoonste van den dag, en het kwikstaartje had ze vroeger vroolijk genoten. Maar hoewel eene groote Indische bloem in den afgeloopen nacht voor de eerste maal was opengegaan, en de tuinopzichter haar deze met zekeren trots toonde, kon zij er toch geen behagen in scheppen. De bloem mocht verdorren en met haar de geheele wereld!In ’s buurmans tuin was nog geen beweging. Doch daar kwam de lange arts Philippus op de straat aanloopen, om de vrouwen hiernaast te bezoeken. Met enkele groote stappen ijlde zij naar de poort en riep hem aan. Zij wilde hem verzoeken over de ontmoeting van gisteren te zwijgen, doch hij bleef terstond staan en deelde haar mede, voor zij nog tijd had gevonden hem haar wensch te openbaren, dat de weduwe van den Mukaukas in dezen nacht, door schrik en ontzetting overmand haar gemaal gevolgd was.Er was een tijd geweest, waarin het kwikstaartje aan vrouw Neforis als aan eene tweede moeder gehecht was, waarin het stadhouderlijk paleis in haar oog het kort begrip was geweest van al wat groot, eerwaardig en voornaam was; waarin zij er trotsch op was geweest en er zich gelukkig in had gevoeld, daar in en uit te mogen gaan; daar als een kind des huizes bemind te worden. De tranen, die bij dit bericht in hare oogen welden, waren dus niet geveinsd, en het was haar goed die vroolijke, trotsche en gelukkige houding te verlaten, die zij als een masker had aangenomen, sedert het er in hare ziel zoo duister, woest en ellendig uitzag.De arts begreep hare droefheid, beloofde haar gaarne tegen ieder te zullen zwijgen, berispte haar niet, bracht haar echter nogmaals het gevaar onder de oogen, waaraan zij zich hadblootgesteld, en herinnerde haar met nadruk, dat elk kleedingstuk, hetwelk zij en Heliodora gisteren gedragen hadden, moest worden weggedaan, daar de fijne aanstekelijke stofdeeltjes aan alles bleven hangen, en ieder kleedingstuk, dat een kranke had aangeraakt, zeer best in staat was om het pestgif op anderen over te dragen en verder te verbreiden. Angstig hoorde zij hem aan en zij kon hem gerust stellen, want alles wat zij en de jonge vrouw gisteren gedragen hadden, was in den badoven gestopt. De arts ging hierop verder, maar zij sloeg geen acht op de hitte en wandelde rusteloos rond in de paden van den tuin. Haar hart klopte met kleine, snelle, pijnigende slagen; een onzichtbare last drukte en verhinderde haar vrij adem te halen.Daarbijsteeg er eene reeks kwellende gedachten ongeroepen bij haar op, die zich niet lieten onderdrukken en hare beklemdheid vermeerderden.Vrouw Neforis dood, de stadhouderlijke woning in handen der Arabieren. Orion van al zijne goederen beroofd en aangeklaagd op leven of dood! En dat vreedzame huis daar achter de heg! Wat stond het te wachten, en zijn zilverharigen heer en diens onschuldige vrouw en dochter? Er pakte zich boven hunne hoofden een onweder samen, zij zag het naderen, en daarachter als eene nieuwe, donkere met den dood dreigende wolk de pest, de vreeselijke pest!—En al die schrikkelijke dingen had zij, zij, het kleine, zwakke meisje, het vlugge kwikstaartje te voorschijn geroepen;zij was het geweest, die de sluizen had geopend, waaruit thans het verderf links en rechts van haar zich uitstortte. Zij zag den vloed wassen en stijgen, zag dien reeds haar eigen huis, haar eigen voet begeerig omspoelen, en zij werd zoo bevreesd, dat de gedachte hieraan alleen haar het zweet op voorhoofd en handen deed uitbreken; en toch, toch! Al had zij werkelijk de macht gehad, om het onweder in zijne wolken, de vloed binnen zijne bedding terug te dringen, zij zou het toch niet gedaan hebben. Het laatste wat zij wenschte, wat zij als vrucht van het door haar gezaaide begeerde te zien opschieten en zich ontwikkelen, was nog niet gekomen. Om dat te beleven was het waard veel te dulden, ja als het zijn moest deze valsche, heete aarde vaarwel te zeggen, die alle aantrekkelijkheid voor haar verloren had.Boven Orions hoofd hing het zwaard, en vóor het hem trof zou hij weten, wie het voor hem geslepen had. Misschien bracht hij er het leven af, maar de Arabier gaf niet terug wat hij eens bezat, en moest werkelijk de jonge, schitterende Kroisos als bedelaar uit de gevangenis in het leven terugkeeren, dan, dan.... Maar Paula! Maar Heliodora! Hare kleine hand had aan den adelaar van Zeus nu eenmaal den bundel bliksemstralenontwrongen,—dan vond zij ook voor deze een schicht! Het gevoel harer geweldige macht, die reeds het eene offer na het andere had doen vallen, bedwelmde haar. Zij wilde Orion, wilde hem die haar bedrogen had, in het verderf gestort en aan ellende prijs gegeven, als bedelaar aan hare voeten zien, en dat was het wat haar den moed gaf, om ook het uiterste te wagen; dat, en dat alleen! En wat haar dan zou lusten te doen, dat wilde zij zelve nog niet weten, dat lag in den schoot der toekomst verborgen, dat kon misschien teeder, barmhartig en liefderijk uitvallen.Toen zij in huis terugkeerde waren angst en beklemming van haar geweken; een nieuwe lust om te handelen vervulde hare ziel, en de kleine luistervink en belaagster was in deze uren eene vreeselijke vrouw geworden die voor geene misdaad terug zou deinzen en zich volkomen bewust was van het doel, dat zij bereiken wilde.»Arm schaapje!” dacht de arts Philippus, toen hij den tuin van Rufinus inliep, »de ongelukkige zal ook haar kleine hartje leed genoeg hebben gedaan!”De tuin van zijn ouden vriend was ledig. Alleen onder de sykomore zaten twee menschen, de reuzengestalte van een jonkman en een schoone, teedere, wat bleeke, blondharige vrouw. De groote jonkman hield een breede streng wol met de kolossale handen uit elkander en het meisje naast hem wond den draad tot een kluwen. Het was de Masdakiet Rustem en de schoone Mandane; beiden waren van hunne wonden hersteld, terwijl de Perzische tot een nieuw, kalm, zelfbewust leven was ontwaakt.Philippus had deze wonderbare herstelling met groote belangstelling en deelneming gevolgd. Hij schreef haar allereerst toe aan de sterke hoofdbloeding, vervolgens aan de goede lucht en de verpleging, die zij genoten had. Het kwam er nu op aan haar ook verder voor onrust en hevige gemoedsaandoeningen te bewaren. In den Masdakiet had zij een vriend en gehoorzamen vereerder gevonden, en Philippus verheugde zich in den aanblik van deze twee, met wie zijne kunst geen schande had ingelegd. De groet, die hij beiden toeriep, klonk vroolijk en hartelijk, en op Philippus’ »hoe gaat het?” antwoordde de Masdakiet blijmoedig: »Als een visch in het water!” en vervolgde, terwijl hij daarbij op Mandane wees: »Mijne landgenoote evenzoo.”»Zijt gij het daarmee eens?” vroeg Philippus, en zij stemde toe met een levendig hoofdknikken.Philippus stak dreigend zijn vinger tegen den Pers op en zeide: »Wikkel u hier niet vast, vriend! Wie weet hoe spoedig heer Haschim u vanhier roept!”Terwijl hij het herstelde paar vervolgens den rug toekeerde, prevelde hij in zichzelven: »Toch altijd nog iets verkwikkends bij al de ellende, zij en de kleine Maria!”Voor zijn vertrek had Rufinus de vergroeide kinderen, die hij bij zich had opgenomen, naar hunne ouders teruggezonden, en de arts vond dus niemand in de voorzaal. Waarschijnlijk waren de vrouwen aan het ontbijt in de spijszaal. Doch hij bedroog zich, want dit zou eerst later beginnen en Pulcheria was nog bezig met de tafel gereed te maken. Zij merkte hem, die binnentrad niet op, terwijl zij druiven en granaatappelen, vijgen en vruchten, die in bundels uit den stam der sykomoren ontspruiten en in smaak op moerbeziën gelijken, zorgvuldig schikte tusschen bladeren, die door den gloed der laatste weken half geel waren geworden. Het aardige bouwsel rondde zich reeds tot een sierlijken kegel in vele geledingen. Doch hare gedachten waren niet bij dezen arbeid, want herhaaldelijk biggelden haar tranen langs de wangen.»Die gelden haar vader,” dacht Philippus, terwijl hij in de deur staande haar beschouwde. »Arm kind!” Hoe vaak had hij zijn vriend haar dus hooren noemen! En voor hem was zij tot nu toe ook een kind geweest. Heden moest hij haar echter met andere oogen aanzien, omdat haar eigen vader het aldus had gewild; ook stond hij werkelijk voor haar als voor een wonder. Wat was er uit die kleine Pul geworden? En waarom merkte hij dit eerst heden op? Eene schoone, volwassene jonkvrouw roerde daar voor hem de sneeuwwitte armen, en kort geleden zou hij hebben gezworen, dat zij nooit andere dan dunne kinderarmpjes had gehad, die zij hem zoo vaak om den hals had geslagen, wanneer zij op hem, haar »edelen ruiter”, in den tuin op en neder had gereden. Hoe lang was dat geleden? Tien jaren! Zij telden nu zeventien! En hoe teeder, slank en blank waren die handen geworden, waarover de moeder haar zoo vaak berispt had, als zij zandhuisjes had gebouwd en terstond daarop aan tafel was gaan zitten.Nu legde zij een druiventros in sierlijke winding rondom eenige granaatappels, en daarbij bedacht hij, hoe zijn oude vriend gisteren hare huishoudelijkheid had geroemd. De gordijnen voor de vensters waren gesloten, toch vonden enkele zonnestralen den weg in het vertrek en vielen op hare goudblonde haren. Zulk een heerlijk gekleurde haartooi hadden zelfs de blonde Boeotische meisjes niet gehad, die hij als student van Athene uit in haar vaderland had bewonderd. Dat zij een aardig, lief gezichtje had, wist hij sedert lang; doch toen zij de oogen opsloeg, hem opmerkte en haar blik zoo maagdelijk schuchter, zoo aangenaam verrast en tevens zoo vriendelijk de zijne ontmoette,gevoelde hij dat hij eene kleur kreeg, en hij moest eerst eenige oogenblikken tot bezinning komen, eer hij haar groet met iets beters dan een gewonen wedergroet kon beantwoorden. En met welken veelbeteekenenden volzin begon hij zijne toespraak, waarop hij zich in deze pauze bedacht had?»Ja, daar ben ik,” luidde het woordelijk. Waarlijk dit verdiende niet het hartelijk antwoord: »Goddank dat gij komt!”, en de met zulk een bevallige verlegenheid erbij gevoegde verklaring: »Al ware het enkel om moeders wil!”Daar kleurde hij andermaal, de man, die van jeugdige bedeesdheid sedert lang niet meer wist, en vroeg naar den welstand van vrouw Johanna en hoe zij haar leed droeg, en zeide eindelijk ernstig: »Wat booze tijdingen bracht ik u gisteren, en heden kom ik weder als een ongeluksraaf in huis fladderen.”»Gij?” vroeg zij vriendelijk, en in dit enkele woord lag zulk een lieftallige twijfel aan zijne bedoeling, om iets kwaad te brengen, dat hij erkennen moest, zijn vriend hem in dit kind, in deze jonkvrouw het beste had nagelaten wat de eene sterveling den ander vermaken kan: eene dierbare, trouwhartige, onschuldige dochter, neen, een zuster, zoo rein, zoo aanminnig en beminnenswaardig, als alleen het kind van zulke ouders zijn kon. En terwijl hij haar vervolgens vertelde, wat er in de stadhouderlijke woning gebeurd was en bemerkte hoe zeer haar om Paula’s en Maria’s wil de dood van de weduwe ter harte ging, die haar overigens vreemd was, besloot hij Pulcherias moeder zoo spoedig mogelijk met den wensch van haar overleden echtgenoot bekend te maken.Doch dit alles stelde de vroegere gevoelens voor Paula in geenen deele in den schaduw, neen, zij kwelden hem heden meer dan ooit en brandden hem op het hart; maar hij erkende daarbij, dat zij hem ongelukkig maakten, dat hijzelf zich daarmede schade berokkende en beleedigde, daar zij niet beantwoord werden. Hij wist, dat hij in de nabijheid van de Damasceensche, veroordeeld om met haar samen te leven, nooit tot rust zou komen en leed op leed te verduren zou hebben. Alleen ver van haar en onder éen dak met Johanna en hare dochter kon het hem gegeven zijn een tevredener, gelukkiger mensch te worden. Toch waagde hij nog niet deze gedachte onder woorden te brengen.Pulcheria bemerkte, dat hij iets voor haar verzweeg en vreesde dat hem opnieuw iets bekend was geworden, dat haar bedreigde, doch deze bezorgdheid kon hij wegnemen door te verzekeren, dat hij veeleer iets in het schild voerde, dat hem althans verblijdend toescheen. Maar haar bekommerd en zeer beangstigd gemoed kon daaraan nauwelijks gelooven en daarom smeektehij haar de hoop op beter dagen niet te laten varen en vroeg haar, of zij goed en vast vertrouwen in hem stelde. Daarop antwoordde zij blijmoedig, dat hij dit wel voelen kon, en terwijl vrouw Johanna en de anderen de kamer binnenkwamen, en zij hare moeder, die zij reeds in de vroegte begroet had, toeknikte, reikte zij hem de hand, greep de zijne en schudde die hartelijk. Dat waren verkwikkende oogenblikken voor hem geweest, doch het zien van Paula en wat hij haar had mede te deelen, bracht hem weder in de oude, gedrukte, ongelukkige stemming.De kleine Maria, die weder roode koonen had gekregen en er gezond uitzag, vloog bij de booze tijdingen, die hij overbracht, snikkende Paula om den hals. Deze hield zich echter bedaarder dan hij verwacht had en wist zich te beheerschen. Wel-is-waar was zij eerst doodsbleek geworden, doch weldra had zij rustig en kalm geluisterd en eindelijk hare vrije, opgerichte houding weder aangenomen. Philippus moest de hand aan het hart brengen toen hij haar zag, en zoodra het voegzaam geschieden kon vertrok hij. Het was als moest hem nog eens duidelijk en smartelijk voor oogen gesteld worden, wat hij in haar had kunnen bezitten, want als gedragen door een hooger gevoel schreed zij daarheen, en een fantastische glans verleende haar edel gelaat eene betoovering, die hem evenzeer pijn deed als ze hem in verrukking bracht.Orion een van zijne goederen beroofde gevangene! Maar korten tijd had deze gedachte haar schrik aangejaagd; doch daarna was het haar geweest, als moest het juist zoo zijn, als ware datgene wat op het eerste gezicht een vreeselijk onheil scheen, haar toegezonden, om haar liefde geheel van het omhulsel te bevrijden, haar in al hare grootte en reinheid in het licht te stellen, en daaraan met hulp van den Algoede de rechte wijding te geven. Voor zijn leven was zij niet bevreesd, want hij had haar gezegd en geschreven, hoe de veldheer Amr hem met vaderlijke genegenheid tegemoet was gekomen, en alles wat thans gebeurde was zeker een streek van den Wekil, van wiens boosaardig en hatelijk voorkomen hij een afschrikwekkend beeld had geteekend, terwijl Rufinus de abdis was gaan waarschuwen.Toen het huis van den vriend achter Philippus lag, haalde hij weer vrijer adem. Wat had hij die vrouwen geheel anders gevonden dan hij verwacht had! Zijn oude vriend kende de menschen! Uit kleine aanwijzingen was het den grijsaard gelukt zich een vollediger beeld van Pulcheria te vormen, dan hij door jaren lange vertrouwelijke omgang zou hebben kunnen verkrijgen. Ook dat had de oude vooruitgezien, dat de gevaren, die des stadhouders zoon bedreigden, Paulas gevoelens voor Orion als eene frissche koelte zouden aanwakkeren. En Johanna, de teederezwakke Johanna, hoe droeg zij als eene heldin het verlies van hem, voor wien zij zoovele jaren in trouwe liefde had geleefd. Hij kwam er vanzelf toe haar met de ongelukkige Neforis te vergelijken, en wat was het, dat Johanna het zwaarste verlies zooveel waardiger deed dragen dan deze? Zeker dit, dat het teeder gemoed harer Pulcheria, hetwelk het leed zoo eenvoudig en stil met haar droeg, dat verlies zoo gaarne en verstandig met haar deelde. Zulk een hart had der weduwe van den Mukaukas ontbroken, en gelukkig wie zulk een hart het zijne kon noemen. Met gebogen hoofd liep hij den tuin door, ditmaal zonder ter zijde te zien.De Masdakiet, die nog altijd met Mandane onder de sykomore zat en even weinig als zij letsel had van de steeds toenemende zonnehitte, keek hem na, wees op hem en zeide: »Daar gaat hij! Het was zeker voor de eerste maal, dat hij u of mij een norsch woord toesprak; of hebt gij het niet verstaan?”»Wel zeker,” zeide zij zacht, zonder de oogen van haar handwerk op te slaan.Zij spraken Perzisch met elkander; want zij hadden de taal nog niet verleerd, die hunne moeders tot het laatst met hen gesproken hadden. Het leven gelijkt soms op het wonderlijkste sprookje, en men kon het bijna een wonder noemen, dat juist deze twee in de ziekenkamer bij elkander gekomen waren, want zijn afgelegen vaderland was ook het hare, en hij kende ook haar oom, den broeder haars vaders, en de treurige geschiedenis van den laatste. Toen het Grieksche leger zich van zijne landstreek had meester gemaakt, waren de mannen met de kudden in de bosschen gevlucht, de vrouwen en kinderen in het vestingwerk, dat den landweg verdedigde. Dit had maar korten tijd tegen de Byzantijnen stand kunnen houden, en de vrouwen, waaronder ook Mandane en hare moeder, waren onder de soldaten verdeeld als een kostbare krijgsbuit. Haar vader had toen een gewapende bende rondom zich vereenigd, om de vrouwen te bevrijden, doch was daarbij met zijne gezellen om het leven gekomen. Men sprak nog heden ten dage in dien streek over het treurige einde van den moedigen man, en zijn jongeren broeder behoorde thans het goed en de heerlijke graslanden, die gene eens bezeten had.Zoo hadden beide herstellenden elkander veel van vroeger te vertellen en het was merkwaardig, hoe vele herinneringen uit hare eerste kindschheid Mandane waren bijgebleven. Met benevelde hersens was haar gewond hoofd op het kussen in het ziekbed neergelegd, en gelijk een onweder, dat de verstikkende lucht van een drukkenden zomerdag zuivert, had het nieuwe leed den sluier weggenomen van de oogen harer ziel. Zij verwijldegaarne bij hare kindschheid, den tijd toen zij hare moeder nog bezat, en bij het tegenwoordige; wat daar tusschen lag was voor haar als de nachtelijke hemel; donker, maar verhelderd door eene schrikwekkende komeet en schitterende sterren. Die komeet was Orion. Wat zij met hem genoten en door hem geleden had, rekende zij tot den tijd van haar waanzin; zij had zich gewend, dat alles toe te schrijven aan de zinsbegoocheling, waarin zij toen bevangen was geweest.Hare ziel was niet geschapen om te haten, en zij wilde en kon den zoon des stadhouders niet vijandig gezind zijn. Zij stelde zich hem voor als een die haar zonder boos opzet groot onrecht had aangedaan, en aan wien zij zelfs niet meer denken mocht, zonder zich aan gevaar bloot te stellen.»Dat wil dus zeggen,” begon deMasdakietweder, »dat het ook u niet onverschillig zal zijn, als Haschim mij terugroept?”»Neen, Rustem, dat zou mij zeer leed doen.”»O!” riep de ander, terwijl hij zijne hand streek over zijn groot hoofd, waarop het zware haar, dat men had afgesneden, weder begon langer te worden. »Ja, dan, Mandane, dan.... Ik heb reeds gisteren willen spreken, doch het kwam er nog niet uit; maar nu: Waarom doet het u eigenlijk leed, dat ik vertrekken moet?”»Omdat—ja wie kan dat zoo ineens zeggen—omdat gij altijd goed voor mij waart, en omdat gij mijn landsman zijt en ik met u Perzisch spreken kan, evenals met mijne moeder.”»Zoo, daarom dus alleen?” vroeg de ander op gerekten toon, terwijl hij zich over het voorhoofd wreef.»Neen, neen! Ook omdat....Als gij ons eenmaal verlaten hebt, dan zijt gij er ook al niet meer....”»Ja, dat is het juist, dat is het! En als u dat leed doet, dan moet het u hier toch bevallen hebben—zoo samen met mij.”»Waarom ook niet? Het was zeker heel prettig,” zeide zij, terwijl zij blozende zijn blik trachtte te ontwijken.»Dat was het ook, en is het nog altijd!”zeide hij met de breede vuist in zijne linkerhand slaande. »En juist daarom moet het er eens uit, daarom moeten wij, als wij verstandig zijn, niet meer van elkander scheiden.”»Maar uw heer zal u noodig hebben!” zeide zij, met toenemende ongerustheid, »en wij kunnen die goede menschen hier toch niet altijd tot last zijn. Ik mag nog niet weven, maar nu ik toch vrij ben en het geschrift in handen heb dat mij de vrijheid wedergeeft, moet ik naar werk omzien, en een krachtig, gezond man als gij zijt kan zich toch ook niet altijd laten verplegen.”»Wat verplegen!” zeide de Masdakiet, terwijl hij vergenoegdlachte. »Er moet gewerkt worden, gewerkt en wel voor drie!”»Bij uw kameelen: altijd op reis?”»Dat moet dan ophouden,” antwoordde hij meesmuilend. »Wij gaan naar ons land terug, ik koop mij daar een goed stuk weiland, want mijn oudste broeder heeft ons goedje, en of ik de kameelfokkerij versta, dat kunt gij aan Haschim vragen.”»Maar, Rustem, bedenk toch!”»Bedenken! Denken voor en na! Willen en hebben daarop komt het aan! En als gij meent dat er geld noodig is om te koopen, en dat het haperen zal aan dat goedje, zoo kan ik u zeggen.... Kunt gij lezen?—Neen?—Ik ook niet, maar hier in mijn taschje heb ik de afrekening van mijn heer, met zijne eigene hand geschreven. Elfduizend driehonderdzestig drachmen waren het aan loon, tot den laatsten termijn, verstaat ge, en aan winst, waarin de heer mij liet deelen sedert ik de karavaan leidde. Hij heeft bijna alles voor mij bewaard; want voor mijn onderhoud behoefde ik niet te zorgen; van de koopwaren viel altijd genoeg af om mij te dekken, en een slemper ben ik nooit geweest. Elfduizend driehonderdzestig drachmen! He, mijn duifje, zoo staat het; en wat zegt gij nu? Kan daarvoor ook iets gekocht worden? Ja of neen?”Hij zag haar zegevierend aan, doch zij antwoordde met warmte: »Wis en zeker, en hij ons te lande, geloof ik, iets heel aardigs.”»En wij—gij en ik—wij—er zal nu een geheel nieuw leventje beginnen. Ik was zeventien jaren oud, toen ik den meester volgde en bij de laatste zonnestilstand ben ik zes-en-twintig geworden. Hoe veel jaren was ik dus reizende?”Beiden dachten een poosje na, waarop Mandane schuchter zeide: »Als ik mij niet vergis zijn het er acht.”»Het zijn er reeds negen, geloof ik,” hernam hij met nadruk. »Laat eens zien; hier met het handje! Ziet ge met de zeventien begin ik—zoooud was ik toen ik in dienst trad. De kleine vinger eerst—wat een lief fijn dingetje!—en nu de andere!”Hij hield hare rechterhand vast en telde aan hare vingers verder, tot hij aan den laatste der linkerhand gekomen was. De uitkomst deed hem verbaasd opzien, en het hoofd schuddende zei hij: »Men heeft toch aan de twee handen tien vingers, en tien jaren kunnen het nog niet zijn, het zijn erhoogstensnegen!”En thans begon het tellen, dat hem zeer behaagde, van voren aan, doch de uitkomst bleef dezelfde; zij verzekerde nochtans, dat het maar negen waren; zij had het berekend, en hij gaf haar gelijk en meende, dat hare vingers betooverd waren. Ja,het spel zou nog lang hebben voortgeduurd, als zij niet op het denkbeeld was gekomen, dat men de zeventien niet mee mocht tellen, maar dadelijk met achttien beginnen moest. Rustem kon dat echter niet goed begrijpen, en toen hij niettemin toegaf, liet hij toch hare hand niet los en ging vroolijk voort: »Ziet gij, lief kind, deze kleine hand—gij moogt haar nu terugtrekken als ge wilt—deze hand wil ik behouden, en met haar het aardige meisje, en alles wat daartoe behoort. En ik neem u en de beide handen met de betooverde vingers mede naar mijn huisje. Daar kunnen zij vlijtig weven en borduren, en als man en vrouw zullen we nooit weer van elkander scheiden. Eén leven zullen wij leiden—éen leven—de vreugde van het Paradijs zal daarbij vergeleken zijn; als enkel slagen met een knuppel van olijvenhout op den schedel; daar weet ik van te praten!”Daarbij greep hij weder naar hare hand, doch zij trok haar terug en zeide verlegen en met neergeslagen oogen: »Neen Rustem, ik heb reeds gisteren gevreesd, dat iets dergelijks zou komen, doch dit kan nooit gebeuren. Ik ben zoo dankbaar, o zoo dankbaar; maar neen, neen, dit mag niet, daar blijft het bij. Uwe vrouw kan ik niet worden, Rustem!”»Niet?” vroeg hij op doffen toon, en op zijn vermagerd voorhoofd begonnen de aderen te zwellen. »Hebt gij mij dan vroeger voor den gek gehouden? En wat gij daar bazelt van dankbaarheid...”Hevig ontsteld stond hij op, doch zij greep hem bij den arm, trok hem op de bank terug, waagde het hem met teederheid in de oogen te zien, die niet lang boos konden kijken, en zeide: »Wat vliegt gij dadelijk weer op! Het zal mij zeer stellig aan het hart gaan van u te scheiden, en kunt gij het mij dan niet aanzien, dat ik u goed gezind ben? Maar het gaat, waarlijk het gaat niet! Ik, ik... ach, kon ik maar weder naar mijn vaderland terug, met u, juist met u! En uwe vrouw. Wat eene verhevene, heerlijke gedachte is dat, en hoe gaarne zou ik voor ons beiden de handen roeren, die vlijtig en bekwaam genoeg zijn, maar....”»Maar?” vroeg hij terwijl hij zijn groot, vuurrood gezicht naar haar toekeerde met eene uitdrukking, als wilde hij haar verslinden.»Maar om uwentwil gaat het niet, en mag het niet gebeuren, neen, waarlijk niet, want zoo slecht wil ik u voor al uwe goedheid niet beloonen. Hebt gij dan geheel vergeten, wat ik was en wat ik ben? En gij? Als vrij man gaat gij weldra met een mooi kapitaal naar huis en kunt van iedereen achting en eerbied verlangen; doch dat alles wordt anders, geheel anders,wanneer gij eene vrouw als ik ben met u medesleept, eene,—al ware het maar alleen eene voormalige slavin!”»Komt het dus daarop neer?” haastte hij zich te vragen, terwijl zijn gelaat weer ophelderde. »Is dat het wat u beangst, gij arm zieltje? Maar weet gij dan niet wie ik ben, heb ik u niet onlangs verklaard, wat een Masdakiet is? Wij Masdakieten gelooven en weten, dat alle menschen oorspronkelijk gelijk zijn, dat het er beter zou uitzien in deze oliedomme wereld, als er noch heeren, noch knechten waren; maar het gaat nu eenmaal op aarde toe zooals het gaat. De reine Hemelheer duldt het wellicht nog een poosje, maar eerlang, misschien spoedig reeds wordt het geheel anders, en het is onze taak, dien dag der gelijkheid voor te bereiden. Met dien dag komt het Paradijs op aarde, dan zal er onder de menschen geen hooger of lager zijn, maar zij zullen naast elkander en hand in hand gaan en staan. Krijg en ellende houden dan op, want wat er schoons en goeds op aarde is, dat wordt gemeenschappelijk eigendom, en ieder geeft en helpt den ander even gaarne, als hij hem thans alles ontneemt, hem benadeelt en onderdrukt. Wij sluiten ook geen huwelijken, zooals de andere menschen, maar de man, die eene vrouw liefheeft, zegt: ‘Wilt gij de mijne zijn?’ en als het hart haar dit ingeeft, volgt zij hem in zijn huis; doch de een mag echter den ander verlaten, als het uit is met de liefde, maar geen echtpaar onder Parsen en Christenen was inniger verbonden dan mijne ouders en grootouders; zoo willen ook wij bij elkaar blijven tot het einde, want onze liefde zal ons vast samenbinden met stevige koorden, die langer duren dan ons leven.—Nu kent gij de leer van onze meester Masdak, dien mijn vader en grootvader reeds volgden, en die mijne moeder mij heeft ingeprent, toen ik nog zeer klein was. Ons geheele dorp is die leer toegedaan, en daar zijn ook geen slaven, neen, het land dat bij het dorp behoort, dat bearbeiden allen te zamen en den oogst deelen zij met elkaar. Vreemden laten zij echter niet meer toe en ik moet mijn deel elders gaan zoeken.Ik blijf daarom toch Masdakiet1, en kies mij eene gewezene slavin tot vrouw, dan handel ik naar de leer van mijn meester en laat daaraan recht wedervaren. Maar u—u gaat dit alles eigenlijk niet aan, want gij zijt het kind van een vrijen, braven man, wien het geheeleland acht; voor wie daar in het oosten wonen zijt gij eene gevangene, maar geene slavin. Zij zullen mij eeren als uw bevrijder. Maar had ik u zooals gij daar zijt, als de minste slavin van een zwijnenhoeder gevonden, ongetwijfeld zou ik dan terstond in den buidel getast, u losgekocht en u als mijn vrouw mede maar huis genomen hebben, en geen van de onzen, die u zag, zou het u hebben aangezien. Nu weet gij waar het op staat, en is het, hoop ik gedaan met dat tegenspartelen en uitvluchten zoeken.”Doch Mandane gaf hem nog altijd geen gewonnen spel; zij zag hem droevig aan met een blik, die medelijden scheen te vragen, en wees naar de plaats van hare verminkte ooren. Hierbij haalde Rustem de schouders op en zeide lachende: »Natuurlijk, dat nu ook nog! Gij schijnt mij niets te willen schenken. Ja, had het de oogen gegolden, dan was het uitgeweest met het zien, en eene blinde vrouw kan een landman niet gebruiken; dan liet ik u ook waar gij zijt. Maar zoo—zeg zelf, mijn duifje hoort gij niet zoo scherp als een vogel? En de vogels—het zijn zulke aardige diertjes—hebt gij er ooit een met ooren gezien, behalve die leelijke vleermuizen en uilen? Dat is allemaal zottepraat. En wie kan u dan nog aanzien wat gij mist sedert jonkvrouw Pul u de haren zoo netjes naar voren gekamd heeft? En dan bij ons te lande! Hebt gij vergeten welk een hoofddeksel onze vrouwen dragen? Al had iemand lepels gelijk een haas, wat nood? Men ziet er toch niets van. Zooals gij zijt, gij lelie, die als een cypres zijt opgewasschen ziet gij er nog tienmaal schooner uit dan de aardigste ginds al hadt ge in plaats van twee, zelfs drie of vier ooren. Een meisje met drie ooren! Denk eens, Mandane: waar zou dat derde komen te staan?”Hoe hartelijk lachte hij daarbij, hoe blijde was hij, die aardigheid bedacht, en wat haar gemakkelijk leed had kunnen doen, zoo schertsend terzijde geschoven te hebben. Doch zijne openhartige vroolijkheid miste hare uitwerking en plooide hare zwijgende lippen slechts tot een glimlach, en ook deze verdween snel, en in de plaats daarvan nam haar gelaat, terwijl haar schoon kopje laag op de borst zonk, zulk eene diep bezorgde, bekommerde, uitdrukking aan, dat hij noch met zijn scherts voortgaan,noch verder bij haar aandringen kon, maar medelijdend en even met het hoofd schuddend zeide: »Zoo moet ge mij niet aanzien, duifje, ik kan het niet verdragen. Wat ligt u verder dan nog op het hart? Moed, moed, mijn schatje; spreek het maar vrij uit! Maar wacht! Zwijg maar! Ja, dat kan ik u wel besparen. Arm lief meisje!—het is de oude geschiedenis met den zoon van den Mukaukas.”Zij bevestigde dit door eene lichte beweging van het hoofd en met betraande oogen, maar hij slaakte een diepen zucht en zeide: »Dat heb ik wel gedacht, juist gedacht, arm hartje!”.Hij nam hierop hare hand en ging trouwhartig voort: »Dat heeft ook mij kwade uren bezorgd, heeft mij daar binnen veel te doen gegeven, en bijna was het zoover gekomen, dat ik u daarom had laten zitten en ons beiden het geluk en de vreugde had ontroofd. Maar ter rechter tijd heb ik mij bezonnen. Niet omdat vrouw Johanna—en wat zij zegt moet wel waar zijn—mij eergisteren zeide dat het met—nu ja, dat weet gij wel—dat is alles weg en voorbij; neen, ditmaal is het verstand uit mijzelven gekomen; want ik heb bij mij zelven gedacht; zulk een engelachtig schoon, moederloos, weerloos slavinnetje, dat de jonge zoon van den heer zelven vasthoudt, hoe zal het zich verweren? Hoe gruwzaam werd dat arme lieve hartje gestraft! Ach meisjelief, meisjelief, huil maar uit! Mijne oogen schieten ook vol tranen, het heeft zoo moeten zijn, het was zoo over u beschoren. Gij en ik en de groote koning en alle hemelsche heerscharen, wie kan er iets tegen doen? Maar, ziet ge, ik arme gek, ik begrijp hoe dat gekomen is, en klaag u daarom niet aan en heb u ook niets te vergeven. Het is echter een groot onheil geweest. Maar het heeft, goddank, intijds een einde genomen, en ik kan het geheel en al vergeten, wanneer gij mij slechts zegt:‘Dat alles is uit en voorbij, en ligt in het graf als iets dat dood is.’”Nu bracht zij, voor hij het beletten kon, met onstuimige hartelijkheid zijne hand aan hare lippen en zeide snikkende: »Zoo goed, zoo goddelijk goed als gij zij, Rustem, zoo goed zijn er geen twee menschen op aarde, en daarvoor zal mijne moeder u zegenen. Doe met mij wat gij wilt! Weet dat alles voorbij is, weg en voorbij, en als ik er nog eens aan denken moet, dan gevoel ik een afkeer daarvan. Zoo, juist zooals gij zeidet, is het werkelijk gegaan. Moeder dood, en niemand om mij te waarschuwen en te beschermen! Ik was pas zestien jaren oud, een eenvoudig, onervaren ding, toen hij mij tot zich riep, en wat er met mij gebeurd is was als een droom, als men slaapt. En toen ik weder ontwaakte...”»Nu zijn wij er,” zeide hij, haar in de rede vallende, waarbij hij de oogen afveegde en beproefde te lachen. »Toen lagen wij beide met wonden aan het hoofd naast elkander, en gelijk het bij mij te huis altijd op zijn fraaist is, wanneer de harde wintervorst voorbij en de sneeuw gesmolten is, en alle bloemen in het dal opeens beginnen te bloeien, zoo gaat het ten leste ook met ons, meisje. Het zal nu goed, wonderschoon worden! Ziet ge, eergisteren was ik het met mijzelven nog niet eens, wantuw ongeval liet mij geen rust en zat mij in den weg; nu, dat kunt gij wel begrijpen. Toen ik later op mijne kamer te bed lag en de maan naar binnen scheen, toen”—en nu ging hij nadenkend voort met een droomerige uitdrukking, die zijn eenvoudig gelaat bijzonder goed stond—»toen moest ik vragen: heeft dan de maan daarboven heden avond niet weder goede verfrissching en fraai licht gebracht, hoewel zij toch in de vroegte nog in zee verzonken was? En kan zoo een menschenhart, dat eenmaal was ondergegaan, ook niet weder helder en blank opgaan, wanneer het zich gereinigd heeft en uitgerust is? En welk een hart! Men zou de liefde van zulk een hart wel voor zich alleen wenschen, maar die kan zich toch meer dan eenmaal weggeven. Want, zoo dacht ik bij mijzelven, wat is mijne moeder teeder voor mij geweest; en toen er nog een kindje kwam en weder een, heeft zij aan dezen ook het beste gegeven wat zij bezat; en ik ben daarom toch niet tekort gekomen, als zij mijn jongste zusje aan de borst hield, en ook dat zusje leed er geen schade bij, als moeder mij liefkoosde en mij kuste. Zoo moet het ook zijn! En zij, dacht ik verder, al heeft zij ook reeds eenmaal een ander liefgehad, er blijft toch voor mij nog een goed deel liefde over!”»Ja, ja, Rustem, zeker!” zeide zij, hem met dankbare betraande oogen in het open gelaat ziende. »Wat er aan liefde en teederheid in mij is, dat zult gij, gij alleen hebben.”»Nu,” riep hij vroolijk, »dat was een woord! Daar kan men zich aan vasthouden! Dat noem ik me eerst een morgen! Als een losgelaten landlooper heb ik mij hier onder de sykomore neergezet en als een toekomstig grondbezitter, wien het schoonste wijfje op aarde aan huis bindt, sta ik nu op.”Zij bleven nog lang in de koele schaduw van het loofdak zitten en hij verlangde niets anders, dan haar aan te zien en op de oude vraag van geliefden met de lippen, de oogen en een zwijgend hoofdknikken het antwoord ontvangen. Hare handen brachten de naald niet meer in beweging; doch beiden zouden hen medelijdend hebben uitgelachen, die dezen voormiddag met zijne verzengende, alles verdrogende hitte onuitstaanbaar noemden. Een paar tortelduiven boven hunne hoofden was minder ongevoelig voor den zonnegloed, want het had de oogen gesloten, en de kop van het wijfje rustte slap tegen den donkeren ring aan den hals van het mannetje.1De Alexandrijnsche bisschop Eutychius (geb. 876 n. Chr.) omschrijft de communistische leer van Masdak aldus: »God heeft de mensch het zijne toebedeeld, opdat gij het gelijkmatig onder hen verdeelen zoudt, en den een niet meer zal hebben dan den ander. Wanneer een echter meer dan billijk is aan vermogen, vrouwen, slaven en roerende goederen mocht bezitten, dien willen wij het ontnemen, om hem aan de anderen gelijk te maken.”
TWAALFDE HOOFDSTUK.Katharina had weinig geslapen en was volgens hare gewoonte zeer vroeg opgestaan, terwijl Heliodora de morgenuren gaarne versliep. Deze waren in zulk een gloeiend heeten tijd zeker de schoonste van den dag, en het kwikstaartje had ze vroeger vroolijk genoten. Maar hoewel eene groote Indische bloem in den afgeloopen nacht voor de eerste maal was opengegaan, en de tuinopzichter haar deze met zekeren trots toonde, kon zij er toch geen behagen in scheppen. De bloem mocht verdorren en met haar de geheele wereld!In ’s buurmans tuin was nog geen beweging. Doch daar kwam de lange arts Philippus op de straat aanloopen, om de vrouwen hiernaast te bezoeken. Met enkele groote stappen ijlde zij naar de poort en riep hem aan. Zij wilde hem verzoeken over de ontmoeting van gisteren te zwijgen, doch hij bleef terstond staan en deelde haar mede, voor zij nog tijd had gevonden hem haar wensch te openbaren, dat de weduwe van den Mukaukas in dezen nacht, door schrik en ontzetting overmand haar gemaal gevolgd was.Er was een tijd geweest, waarin het kwikstaartje aan vrouw Neforis als aan eene tweede moeder gehecht was, waarin het stadhouderlijk paleis in haar oog het kort begrip was geweest van al wat groot, eerwaardig en voornaam was; waarin zij er trotsch op was geweest en er zich gelukkig in had gevoeld, daar in en uit te mogen gaan; daar als een kind des huizes bemind te worden. De tranen, die bij dit bericht in hare oogen welden, waren dus niet geveinsd, en het was haar goed die vroolijke, trotsche en gelukkige houding te verlaten, die zij als een masker had aangenomen, sedert het er in hare ziel zoo duister, woest en ellendig uitzag.De arts begreep hare droefheid, beloofde haar gaarne tegen ieder te zullen zwijgen, berispte haar niet, bracht haar echter nogmaals het gevaar onder de oogen, waaraan zij zich hadblootgesteld, en herinnerde haar met nadruk, dat elk kleedingstuk, hetwelk zij en Heliodora gisteren gedragen hadden, moest worden weggedaan, daar de fijne aanstekelijke stofdeeltjes aan alles bleven hangen, en ieder kleedingstuk, dat een kranke had aangeraakt, zeer best in staat was om het pestgif op anderen over te dragen en verder te verbreiden. Angstig hoorde zij hem aan en zij kon hem gerust stellen, want alles wat zij en de jonge vrouw gisteren gedragen hadden, was in den badoven gestopt. De arts ging hierop verder, maar zij sloeg geen acht op de hitte en wandelde rusteloos rond in de paden van den tuin. Haar hart klopte met kleine, snelle, pijnigende slagen; een onzichtbare last drukte en verhinderde haar vrij adem te halen.Daarbijsteeg er eene reeks kwellende gedachten ongeroepen bij haar op, die zich niet lieten onderdrukken en hare beklemdheid vermeerderden.Vrouw Neforis dood, de stadhouderlijke woning in handen der Arabieren. Orion van al zijne goederen beroofd en aangeklaagd op leven of dood! En dat vreedzame huis daar achter de heg! Wat stond het te wachten, en zijn zilverharigen heer en diens onschuldige vrouw en dochter? Er pakte zich boven hunne hoofden een onweder samen, zij zag het naderen, en daarachter als eene nieuwe, donkere met den dood dreigende wolk de pest, de vreeselijke pest!—En al die schrikkelijke dingen had zij, zij, het kleine, zwakke meisje, het vlugge kwikstaartje te voorschijn geroepen;zij was het geweest, die de sluizen had geopend, waaruit thans het verderf links en rechts van haar zich uitstortte. Zij zag den vloed wassen en stijgen, zag dien reeds haar eigen huis, haar eigen voet begeerig omspoelen, en zij werd zoo bevreesd, dat de gedachte hieraan alleen haar het zweet op voorhoofd en handen deed uitbreken; en toch, toch! Al had zij werkelijk de macht gehad, om het onweder in zijne wolken, de vloed binnen zijne bedding terug te dringen, zij zou het toch niet gedaan hebben. Het laatste wat zij wenschte, wat zij als vrucht van het door haar gezaaide begeerde te zien opschieten en zich ontwikkelen, was nog niet gekomen. Om dat te beleven was het waard veel te dulden, ja als het zijn moest deze valsche, heete aarde vaarwel te zeggen, die alle aantrekkelijkheid voor haar verloren had.Boven Orions hoofd hing het zwaard, en vóor het hem trof zou hij weten, wie het voor hem geslepen had. Misschien bracht hij er het leven af, maar de Arabier gaf niet terug wat hij eens bezat, en moest werkelijk de jonge, schitterende Kroisos als bedelaar uit de gevangenis in het leven terugkeeren, dan, dan.... Maar Paula! Maar Heliodora! Hare kleine hand had aan den adelaar van Zeus nu eenmaal den bundel bliksemstralenontwrongen,—dan vond zij ook voor deze een schicht! Het gevoel harer geweldige macht, die reeds het eene offer na het andere had doen vallen, bedwelmde haar. Zij wilde Orion, wilde hem die haar bedrogen had, in het verderf gestort en aan ellende prijs gegeven, als bedelaar aan hare voeten zien, en dat was het wat haar den moed gaf, om ook het uiterste te wagen; dat, en dat alleen! En wat haar dan zou lusten te doen, dat wilde zij zelve nog niet weten, dat lag in den schoot der toekomst verborgen, dat kon misschien teeder, barmhartig en liefderijk uitvallen.Toen zij in huis terugkeerde waren angst en beklemming van haar geweken; een nieuwe lust om te handelen vervulde hare ziel, en de kleine luistervink en belaagster was in deze uren eene vreeselijke vrouw geworden die voor geene misdaad terug zou deinzen en zich volkomen bewust was van het doel, dat zij bereiken wilde.»Arm schaapje!” dacht de arts Philippus, toen hij den tuin van Rufinus inliep, »de ongelukkige zal ook haar kleine hartje leed genoeg hebben gedaan!”De tuin van zijn ouden vriend was ledig. Alleen onder de sykomore zaten twee menschen, de reuzengestalte van een jonkman en een schoone, teedere, wat bleeke, blondharige vrouw. De groote jonkman hield een breede streng wol met de kolossale handen uit elkander en het meisje naast hem wond den draad tot een kluwen. Het was de Masdakiet Rustem en de schoone Mandane; beiden waren van hunne wonden hersteld, terwijl de Perzische tot een nieuw, kalm, zelfbewust leven was ontwaakt.Philippus had deze wonderbare herstelling met groote belangstelling en deelneming gevolgd. Hij schreef haar allereerst toe aan de sterke hoofdbloeding, vervolgens aan de goede lucht en de verpleging, die zij genoten had. Het kwam er nu op aan haar ook verder voor onrust en hevige gemoedsaandoeningen te bewaren. In den Masdakiet had zij een vriend en gehoorzamen vereerder gevonden, en Philippus verheugde zich in den aanblik van deze twee, met wie zijne kunst geen schande had ingelegd. De groet, die hij beiden toeriep, klonk vroolijk en hartelijk, en op Philippus’ »hoe gaat het?” antwoordde de Masdakiet blijmoedig: »Als een visch in het water!” en vervolgde, terwijl hij daarbij op Mandane wees: »Mijne landgenoote evenzoo.”»Zijt gij het daarmee eens?” vroeg Philippus, en zij stemde toe met een levendig hoofdknikken.Philippus stak dreigend zijn vinger tegen den Pers op en zeide: »Wikkel u hier niet vast, vriend! Wie weet hoe spoedig heer Haschim u vanhier roept!”Terwijl hij het herstelde paar vervolgens den rug toekeerde, prevelde hij in zichzelven: »Toch altijd nog iets verkwikkends bij al de ellende, zij en de kleine Maria!”Voor zijn vertrek had Rufinus de vergroeide kinderen, die hij bij zich had opgenomen, naar hunne ouders teruggezonden, en de arts vond dus niemand in de voorzaal. Waarschijnlijk waren de vrouwen aan het ontbijt in de spijszaal. Doch hij bedroog zich, want dit zou eerst later beginnen en Pulcheria was nog bezig met de tafel gereed te maken. Zij merkte hem, die binnentrad niet op, terwijl zij druiven en granaatappelen, vijgen en vruchten, die in bundels uit den stam der sykomoren ontspruiten en in smaak op moerbeziën gelijken, zorgvuldig schikte tusschen bladeren, die door den gloed der laatste weken half geel waren geworden. Het aardige bouwsel rondde zich reeds tot een sierlijken kegel in vele geledingen. Doch hare gedachten waren niet bij dezen arbeid, want herhaaldelijk biggelden haar tranen langs de wangen.»Die gelden haar vader,” dacht Philippus, terwijl hij in de deur staande haar beschouwde. »Arm kind!” Hoe vaak had hij zijn vriend haar dus hooren noemen! En voor hem was zij tot nu toe ook een kind geweest. Heden moest hij haar echter met andere oogen aanzien, omdat haar eigen vader het aldus had gewild; ook stond hij werkelijk voor haar als voor een wonder. Wat was er uit die kleine Pul geworden? En waarom merkte hij dit eerst heden op? Eene schoone, volwassene jonkvrouw roerde daar voor hem de sneeuwwitte armen, en kort geleden zou hij hebben gezworen, dat zij nooit andere dan dunne kinderarmpjes had gehad, die zij hem zoo vaak om den hals had geslagen, wanneer zij op hem, haar »edelen ruiter”, in den tuin op en neder had gereden. Hoe lang was dat geleden? Tien jaren! Zij telden nu zeventien! En hoe teeder, slank en blank waren die handen geworden, waarover de moeder haar zoo vaak berispt had, als zij zandhuisjes had gebouwd en terstond daarop aan tafel was gaan zitten.Nu legde zij een druiventros in sierlijke winding rondom eenige granaatappels, en daarbij bedacht hij, hoe zijn oude vriend gisteren hare huishoudelijkheid had geroemd. De gordijnen voor de vensters waren gesloten, toch vonden enkele zonnestralen den weg in het vertrek en vielen op hare goudblonde haren. Zulk een heerlijk gekleurde haartooi hadden zelfs de blonde Boeotische meisjes niet gehad, die hij als student van Athene uit in haar vaderland had bewonderd. Dat zij een aardig, lief gezichtje had, wist hij sedert lang; doch toen zij de oogen opsloeg, hem opmerkte en haar blik zoo maagdelijk schuchter, zoo aangenaam verrast en tevens zoo vriendelijk de zijne ontmoette,gevoelde hij dat hij eene kleur kreeg, en hij moest eerst eenige oogenblikken tot bezinning komen, eer hij haar groet met iets beters dan een gewonen wedergroet kon beantwoorden. En met welken veelbeteekenenden volzin begon hij zijne toespraak, waarop hij zich in deze pauze bedacht had?»Ja, daar ben ik,” luidde het woordelijk. Waarlijk dit verdiende niet het hartelijk antwoord: »Goddank dat gij komt!”, en de met zulk een bevallige verlegenheid erbij gevoegde verklaring: »Al ware het enkel om moeders wil!”Daar kleurde hij andermaal, de man, die van jeugdige bedeesdheid sedert lang niet meer wist, en vroeg naar den welstand van vrouw Johanna en hoe zij haar leed droeg, en zeide eindelijk ernstig: »Wat booze tijdingen bracht ik u gisteren, en heden kom ik weder als een ongeluksraaf in huis fladderen.”»Gij?” vroeg zij vriendelijk, en in dit enkele woord lag zulk een lieftallige twijfel aan zijne bedoeling, om iets kwaad te brengen, dat hij erkennen moest, zijn vriend hem in dit kind, in deze jonkvrouw het beste had nagelaten wat de eene sterveling den ander vermaken kan: eene dierbare, trouwhartige, onschuldige dochter, neen, een zuster, zoo rein, zoo aanminnig en beminnenswaardig, als alleen het kind van zulke ouders zijn kon. En terwijl hij haar vervolgens vertelde, wat er in de stadhouderlijke woning gebeurd was en bemerkte hoe zeer haar om Paula’s en Maria’s wil de dood van de weduwe ter harte ging, die haar overigens vreemd was, besloot hij Pulcherias moeder zoo spoedig mogelijk met den wensch van haar overleden echtgenoot bekend te maken.Doch dit alles stelde de vroegere gevoelens voor Paula in geenen deele in den schaduw, neen, zij kwelden hem heden meer dan ooit en brandden hem op het hart; maar hij erkende daarbij, dat zij hem ongelukkig maakten, dat hijzelf zich daarmede schade berokkende en beleedigde, daar zij niet beantwoord werden. Hij wist, dat hij in de nabijheid van de Damasceensche, veroordeeld om met haar samen te leven, nooit tot rust zou komen en leed op leed te verduren zou hebben. Alleen ver van haar en onder éen dak met Johanna en hare dochter kon het hem gegeven zijn een tevredener, gelukkiger mensch te worden. Toch waagde hij nog niet deze gedachte onder woorden te brengen.Pulcheria bemerkte, dat hij iets voor haar verzweeg en vreesde dat hem opnieuw iets bekend was geworden, dat haar bedreigde, doch deze bezorgdheid kon hij wegnemen door te verzekeren, dat hij veeleer iets in het schild voerde, dat hem althans verblijdend toescheen. Maar haar bekommerd en zeer beangstigd gemoed kon daaraan nauwelijks gelooven en daarom smeektehij haar de hoop op beter dagen niet te laten varen en vroeg haar, of zij goed en vast vertrouwen in hem stelde. Daarop antwoordde zij blijmoedig, dat hij dit wel voelen kon, en terwijl vrouw Johanna en de anderen de kamer binnenkwamen, en zij hare moeder, die zij reeds in de vroegte begroet had, toeknikte, reikte zij hem de hand, greep de zijne en schudde die hartelijk. Dat waren verkwikkende oogenblikken voor hem geweest, doch het zien van Paula en wat hij haar had mede te deelen, bracht hem weder in de oude, gedrukte, ongelukkige stemming.De kleine Maria, die weder roode koonen had gekregen en er gezond uitzag, vloog bij de booze tijdingen, die hij overbracht, snikkende Paula om den hals. Deze hield zich echter bedaarder dan hij verwacht had en wist zich te beheerschen. Wel-is-waar was zij eerst doodsbleek geworden, doch weldra had zij rustig en kalm geluisterd en eindelijk hare vrije, opgerichte houding weder aangenomen. Philippus moest de hand aan het hart brengen toen hij haar zag, en zoodra het voegzaam geschieden kon vertrok hij. Het was als moest hem nog eens duidelijk en smartelijk voor oogen gesteld worden, wat hij in haar had kunnen bezitten, want als gedragen door een hooger gevoel schreed zij daarheen, en een fantastische glans verleende haar edel gelaat eene betoovering, die hem evenzeer pijn deed als ze hem in verrukking bracht.Orion een van zijne goederen beroofde gevangene! Maar korten tijd had deze gedachte haar schrik aangejaagd; doch daarna was het haar geweest, als moest het juist zoo zijn, als ware datgene wat op het eerste gezicht een vreeselijk onheil scheen, haar toegezonden, om haar liefde geheel van het omhulsel te bevrijden, haar in al hare grootte en reinheid in het licht te stellen, en daaraan met hulp van den Algoede de rechte wijding te geven. Voor zijn leven was zij niet bevreesd, want hij had haar gezegd en geschreven, hoe de veldheer Amr hem met vaderlijke genegenheid tegemoet was gekomen, en alles wat thans gebeurde was zeker een streek van den Wekil, van wiens boosaardig en hatelijk voorkomen hij een afschrikwekkend beeld had geteekend, terwijl Rufinus de abdis was gaan waarschuwen.Toen het huis van den vriend achter Philippus lag, haalde hij weer vrijer adem. Wat had hij die vrouwen geheel anders gevonden dan hij verwacht had! Zijn oude vriend kende de menschen! Uit kleine aanwijzingen was het den grijsaard gelukt zich een vollediger beeld van Pulcheria te vormen, dan hij door jaren lange vertrouwelijke omgang zou hebben kunnen verkrijgen. Ook dat had de oude vooruitgezien, dat de gevaren, die des stadhouders zoon bedreigden, Paulas gevoelens voor Orion als eene frissche koelte zouden aanwakkeren. En Johanna, de teederezwakke Johanna, hoe droeg zij als eene heldin het verlies van hem, voor wien zij zoovele jaren in trouwe liefde had geleefd. Hij kwam er vanzelf toe haar met de ongelukkige Neforis te vergelijken, en wat was het, dat Johanna het zwaarste verlies zooveel waardiger deed dragen dan deze? Zeker dit, dat het teeder gemoed harer Pulcheria, hetwelk het leed zoo eenvoudig en stil met haar droeg, dat verlies zoo gaarne en verstandig met haar deelde. Zulk een hart had der weduwe van den Mukaukas ontbroken, en gelukkig wie zulk een hart het zijne kon noemen. Met gebogen hoofd liep hij den tuin door, ditmaal zonder ter zijde te zien.De Masdakiet, die nog altijd met Mandane onder de sykomore zat en even weinig als zij letsel had van de steeds toenemende zonnehitte, keek hem na, wees op hem en zeide: »Daar gaat hij! Het was zeker voor de eerste maal, dat hij u of mij een norsch woord toesprak; of hebt gij het niet verstaan?”»Wel zeker,” zeide zij zacht, zonder de oogen van haar handwerk op te slaan.Zij spraken Perzisch met elkander; want zij hadden de taal nog niet verleerd, die hunne moeders tot het laatst met hen gesproken hadden. Het leven gelijkt soms op het wonderlijkste sprookje, en men kon het bijna een wonder noemen, dat juist deze twee in de ziekenkamer bij elkander gekomen waren, want zijn afgelegen vaderland was ook het hare, en hij kende ook haar oom, den broeder haars vaders, en de treurige geschiedenis van den laatste. Toen het Grieksche leger zich van zijne landstreek had meester gemaakt, waren de mannen met de kudden in de bosschen gevlucht, de vrouwen en kinderen in het vestingwerk, dat den landweg verdedigde. Dit had maar korten tijd tegen de Byzantijnen stand kunnen houden, en de vrouwen, waaronder ook Mandane en hare moeder, waren onder de soldaten verdeeld als een kostbare krijgsbuit. Haar vader had toen een gewapende bende rondom zich vereenigd, om de vrouwen te bevrijden, doch was daarbij met zijne gezellen om het leven gekomen. Men sprak nog heden ten dage in dien streek over het treurige einde van den moedigen man, en zijn jongeren broeder behoorde thans het goed en de heerlijke graslanden, die gene eens bezeten had.Zoo hadden beide herstellenden elkander veel van vroeger te vertellen en het was merkwaardig, hoe vele herinneringen uit hare eerste kindschheid Mandane waren bijgebleven. Met benevelde hersens was haar gewond hoofd op het kussen in het ziekbed neergelegd, en gelijk een onweder, dat de verstikkende lucht van een drukkenden zomerdag zuivert, had het nieuwe leed den sluier weggenomen van de oogen harer ziel. Zij verwijldegaarne bij hare kindschheid, den tijd toen zij hare moeder nog bezat, en bij het tegenwoordige; wat daar tusschen lag was voor haar als de nachtelijke hemel; donker, maar verhelderd door eene schrikwekkende komeet en schitterende sterren. Die komeet was Orion. Wat zij met hem genoten en door hem geleden had, rekende zij tot den tijd van haar waanzin; zij had zich gewend, dat alles toe te schrijven aan de zinsbegoocheling, waarin zij toen bevangen was geweest.Hare ziel was niet geschapen om te haten, en zij wilde en kon den zoon des stadhouders niet vijandig gezind zijn. Zij stelde zich hem voor als een die haar zonder boos opzet groot onrecht had aangedaan, en aan wien zij zelfs niet meer denken mocht, zonder zich aan gevaar bloot te stellen.»Dat wil dus zeggen,” begon deMasdakietweder, »dat het ook u niet onverschillig zal zijn, als Haschim mij terugroept?”»Neen, Rustem, dat zou mij zeer leed doen.”»O!” riep de ander, terwijl hij zijne hand streek over zijn groot hoofd, waarop het zware haar, dat men had afgesneden, weder begon langer te worden. »Ja, dan, Mandane, dan.... Ik heb reeds gisteren willen spreken, doch het kwam er nog niet uit; maar nu: Waarom doet het u eigenlijk leed, dat ik vertrekken moet?”»Omdat—ja wie kan dat zoo ineens zeggen—omdat gij altijd goed voor mij waart, en omdat gij mijn landsman zijt en ik met u Perzisch spreken kan, evenals met mijne moeder.”»Zoo, daarom dus alleen?” vroeg de ander op gerekten toon, terwijl hij zich over het voorhoofd wreef.»Neen, neen! Ook omdat....Als gij ons eenmaal verlaten hebt, dan zijt gij er ook al niet meer....”»Ja, dat is het juist, dat is het! En als u dat leed doet, dan moet het u hier toch bevallen hebben—zoo samen met mij.”»Waarom ook niet? Het was zeker heel prettig,” zeide zij, terwijl zij blozende zijn blik trachtte te ontwijken.»Dat was het ook, en is het nog altijd!”zeide hij met de breede vuist in zijne linkerhand slaande. »En juist daarom moet het er eens uit, daarom moeten wij, als wij verstandig zijn, niet meer van elkander scheiden.”»Maar uw heer zal u noodig hebben!” zeide zij, met toenemende ongerustheid, »en wij kunnen die goede menschen hier toch niet altijd tot last zijn. Ik mag nog niet weven, maar nu ik toch vrij ben en het geschrift in handen heb dat mij de vrijheid wedergeeft, moet ik naar werk omzien, en een krachtig, gezond man als gij zijt kan zich toch ook niet altijd laten verplegen.”»Wat verplegen!” zeide de Masdakiet, terwijl hij vergenoegdlachte. »Er moet gewerkt worden, gewerkt en wel voor drie!”»Bij uw kameelen: altijd op reis?”»Dat moet dan ophouden,” antwoordde hij meesmuilend. »Wij gaan naar ons land terug, ik koop mij daar een goed stuk weiland, want mijn oudste broeder heeft ons goedje, en of ik de kameelfokkerij versta, dat kunt gij aan Haschim vragen.”»Maar, Rustem, bedenk toch!”»Bedenken! Denken voor en na! Willen en hebben daarop komt het aan! En als gij meent dat er geld noodig is om te koopen, en dat het haperen zal aan dat goedje, zoo kan ik u zeggen.... Kunt gij lezen?—Neen?—Ik ook niet, maar hier in mijn taschje heb ik de afrekening van mijn heer, met zijne eigene hand geschreven. Elfduizend driehonderdzestig drachmen waren het aan loon, tot den laatsten termijn, verstaat ge, en aan winst, waarin de heer mij liet deelen sedert ik de karavaan leidde. Hij heeft bijna alles voor mij bewaard; want voor mijn onderhoud behoefde ik niet te zorgen; van de koopwaren viel altijd genoeg af om mij te dekken, en een slemper ben ik nooit geweest. Elfduizend driehonderdzestig drachmen! He, mijn duifje, zoo staat het; en wat zegt gij nu? Kan daarvoor ook iets gekocht worden? Ja of neen?”Hij zag haar zegevierend aan, doch zij antwoordde met warmte: »Wis en zeker, en hij ons te lande, geloof ik, iets heel aardigs.”»En wij—gij en ik—wij—er zal nu een geheel nieuw leventje beginnen. Ik was zeventien jaren oud, toen ik den meester volgde en bij de laatste zonnestilstand ben ik zes-en-twintig geworden. Hoe veel jaren was ik dus reizende?”Beiden dachten een poosje na, waarop Mandane schuchter zeide: »Als ik mij niet vergis zijn het er acht.”»Het zijn er reeds negen, geloof ik,” hernam hij met nadruk. »Laat eens zien; hier met het handje! Ziet ge met de zeventien begin ik—zoooud was ik toen ik in dienst trad. De kleine vinger eerst—wat een lief fijn dingetje!—en nu de andere!”Hij hield hare rechterhand vast en telde aan hare vingers verder, tot hij aan den laatste der linkerhand gekomen was. De uitkomst deed hem verbaasd opzien, en het hoofd schuddende zei hij: »Men heeft toch aan de twee handen tien vingers, en tien jaren kunnen het nog niet zijn, het zijn erhoogstensnegen!”En thans begon het tellen, dat hem zeer behaagde, van voren aan, doch de uitkomst bleef dezelfde; zij verzekerde nochtans, dat het maar negen waren; zij had het berekend, en hij gaf haar gelijk en meende, dat hare vingers betooverd waren. Ja,het spel zou nog lang hebben voortgeduurd, als zij niet op het denkbeeld was gekomen, dat men de zeventien niet mee mocht tellen, maar dadelijk met achttien beginnen moest. Rustem kon dat echter niet goed begrijpen, en toen hij niettemin toegaf, liet hij toch hare hand niet los en ging vroolijk voort: »Ziet gij, lief kind, deze kleine hand—gij moogt haar nu terugtrekken als ge wilt—deze hand wil ik behouden, en met haar het aardige meisje, en alles wat daartoe behoort. En ik neem u en de beide handen met de betooverde vingers mede naar mijn huisje. Daar kunnen zij vlijtig weven en borduren, en als man en vrouw zullen we nooit weer van elkander scheiden. Eén leven zullen wij leiden—éen leven—de vreugde van het Paradijs zal daarbij vergeleken zijn; als enkel slagen met een knuppel van olijvenhout op den schedel; daar weet ik van te praten!”Daarbij greep hij weder naar hare hand, doch zij trok haar terug en zeide verlegen en met neergeslagen oogen: »Neen Rustem, ik heb reeds gisteren gevreesd, dat iets dergelijks zou komen, doch dit kan nooit gebeuren. Ik ben zoo dankbaar, o zoo dankbaar; maar neen, neen, dit mag niet, daar blijft het bij. Uwe vrouw kan ik niet worden, Rustem!”»Niet?” vroeg hij op doffen toon, en op zijn vermagerd voorhoofd begonnen de aderen te zwellen. »Hebt gij mij dan vroeger voor den gek gehouden? En wat gij daar bazelt van dankbaarheid...”Hevig ontsteld stond hij op, doch zij greep hem bij den arm, trok hem op de bank terug, waagde het hem met teederheid in de oogen te zien, die niet lang boos konden kijken, en zeide: »Wat vliegt gij dadelijk weer op! Het zal mij zeer stellig aan het hart gaan van u te scheiden, en kunt gij het mij dan niet aanzien, dat ik u goed gezind ben? Maar het gaat, waarlijk het gaat niet! Ik, ik... ach, kon ik maar weder naar mijn vaderland terug, met u, juist met u! En uwe vrouw. Wat eene verhevene, heerlijke gedachte is dat, en hoe gaarne zou ik voor ons beiden de handen roeren, die vlijtig en bekwaam genoeg zijn, maar....”»Maar?” vroeg hij terwijl hij zijn groot, vuurrood gezicht naar haar toekeerde met eene uitdrukking, als wilde hij haar verslinden.»Maar om uwentwil gaat het niet, en mag het niet gebeuren, neen, waarlijk niet, want zoo slecht wil ik u voor al uwe goedheid niet beloonen. Hebt gij dan geheel vergeten, wat ik was en wat ik ben? En gij? Als vrij man gaat gij weldra met een mooi kapitaal naar huis en kunt van iedereen achting en eerbied verlangen; doch dat alles wordt anders, geheel anders,wanneer gij eene vrouw als ik ben met u medesleept, eene,—al ware het maar alleen eene voormalige slavin!”»Komt het dus daarop neer?” haastte hij zich te vragen, terwijl zijn gelaat weer ophelderde. »Is dat het wat u beangst, gij arm zieltje? Maar weet gij dan niet wie ik ben, heb ik u niet onlangs verklaard, wat een Masdakiet is? Wij Masdakieten gelooven en weten, dat alle menschen oorspronkelijk gelijk zijn, dat het er beter zou uitzien in deze oliedomme wereld, als er noch heeren, noch knechten waren; maar het gaat nu eenmaal op aarde toe zooals het gaat. De reine Hemelheer duldt het wellicht nog een poosje, maar eerlang, misschien spoedig reeds wordt het geheel anders, en het is onze taak, dien dag der gelijkheid voor te bereiden. Met dien dag komt het Paradijs op aarde, dan zal er onder de menschen geen hooger of lager zijn, maar zij zullen naast elkander en hand in hand gaan en staan. Krijg en ellende houden dan op, want wat er schoons en goeds op aarde is, dat wordt gemeenschappelijk eigendom, en ieder geeft en helpt den ander even gaarne, als hij hem thans alles ontneemt, hem benadeelt en onderdrukt. Wij sluiten ook geen huwelijken, zooals de andere menschen, maar de man, die eene vrouw liefheeft, zegt: ‘Wilt gij de mijne zijn?’ en als het hart haar dit ingeeft, volgt zij hem in zijn huis; doch de een mag echter den ander verlaten, als het uit is met de liefde, maar geen echtpaar onder Parsen en Christenen was inniger verbonden dan mijne ouders en grootouders; zoo willen ook wij bij elkaar blijven tot het einde, want onze liefde zal ons vast samenbinden met stevige koorden, die langer duren dan ons leven.—Nu kent gij de leer van onze meester Masdak, dien mijn vader en grootvader reeds volgden, en die mijne moeder mij heeft ingeprent, toen ik nog zeer klein was. Ons geheele dorp is die leer toegedaan, en daar zijn ook geen slaven, neen, het land dat bij het dorp behoort, dat bearbeiden allen te zamen en den oogst deelen zij met elkaar. Vreemden laten zij echter niet meer toe en ik moet mijn deel elders gaan zoeken.Ik blijf daarom toch Masdakiet1, en kies mij eene gewezene slavin tot vrouw, dan handel ik naar de leer van mijn meester en laat daaraan recht wedervaren. Maar u—u gaat dit alles eigenlijk niet aan, want gij zijt het kind van een vrijen, braven man, wien het geheeleland acht; voor wie daar in het oosten wonen zijt gij eene gevangene, maar geene slavin. Zij zullen mij eeren als uw bevrijder. Maar had ik u zooals gij daar zijt, als de minste slavin van een zwijnenhoeder gevonden, ongetwijfeld zou ik dan terstond in den buidel getast, u losgekocht en u als mijn vrouw mede maar huis genomen hebben, en geen van de onzen, die u zag, zou het u hebben aangezien. Nu weet gij waar het op staat, en is het, hoop ik gedaan met dat tegenspartelen en uitvluchten zoeken.”Doch Mandane gaf hem nog altijd geen gewonnen spel; zij zag hem droevig aan met een blik, die medelijden scheen te vragen, en wees naar de plaats van hare verminkte ooren. Hierbij haalde Rustem de schouders op en zeide lachende: »Natuurlijk, dat nu ook nog! Gij schijnt mij niets te willen schenken. Ja, had het de oogen gegolden, dan was het uitgeweest met het zien, en eene blinde vrouw kan een landman niet gebruiken; dan liet ik u ook waar gij zijt. Maar zoo—zeg zelf, mijn duifje hoort gij niet zoo scherp als een vogel? En de vogels—het zijn zulke aardige diertjes—hebt gij er ooit een met ooren gezien, behalve die leelijke vleermuizen en uilen? Dat is allemaal zottepraat. En wie kan u dan nog aanzien wat gij mist sedert jonkvrouw Pul u de haren zoo netjes naar voren gekamd heeft? En dan bij ons te lande! Hebt gij vergeten welk een hoofddeksel onze vrouwen dragen? Al had iemand lepels gelijk een haas, wat nood? Men ziet er toch niets van. Zooals gij zijt, gij lelie, die als een cypres zijt opgewasschen ziet gij er nog tienmaal schooner uit dan de aardigste ginds al hadt ge in plaats van twee, zelfs drie of vier ooren. Een meisje met drie ooren! Denk eens, Mandane: waar zou dat derde komen te staan?”Hoe hartelijk lachte hij daarbij, hoe blijde was hij, die aardigheid bedacht, en wat haar gemakkelijk leed had kunnen doen, zoo schertsend terzijde geschoven te hebben. Doch zijne openhartige vroolijkheid miste hare uitwerking en plooide hare zwijgende lippen slechts tot een glimlach, en ook deze verdween snel, en in de plaats daarvan nam haar gelaat, terwijl haar schoon kopje laag op de borst zonk, zulk eene diep bezorgde, bekommerde, uitdrukking aan, dat hij noch met zijn scherts voortgaan,noch verder bij haar aandringen kon, maar medelijdend en even met het hoofd schuddend zeide: »Zoo moet ge mij niet aanzien, duifje, ik kan het niet verdragen. Wat ligt u verder dan nog op het hart? Moed, moed, mijn schatje; spreek het maar vrij uit! Maar wacht! Zwijg maar! Ja, dat kan ik u wel besparen. Arm lief meisje!—het is de oude geschiedenis met den zoon van den Mukaukas.”Zij bevestigde dit door eene lichte beweging van het hoofd en met betraande oogen, maar hij slaakte een diepen zucht en zeide: »Dat heb ik wel gedacht, juist gedacht, arm hartje!”.Hij nam hierop hare hand en ging trouwhartig voort: »Dat heeft ook mij kwade uren bezorgd, heeft mij daar binnen veel te doen gegeven, en bijna was het zoover gekomen, dat ik u daarom had laten zitten en ons beiden het geluk en de vreugde had ontroofd. Maar ter rechter tijd heb ik mij bezonnen. Niet omdat vrouw Johanna—en wat zij zegt moet wel waar zijn—mij eergisteren zeide dat het met—nu ja, dat weet gij wel—dat is alles weg en voorbij; neen, ditmaal is het verstand uit mijzelven gekomen; want ik heb bij mij zelven gedacht; zulk een engelachtig schoon, moederloos, weerloos slavinnetje, dat de jonge zoon van den heer zelven vasthoudt, hoe zal het zich verweren? Hoe gruwzaam werd dat arme lieve hartje gestraft! Ach meisjelief, meisjelief, huil maar uit! Mijne oogen schieten ook vol tranen, het heeft zoo moeten zijn, het was zoo over u beschoren. Gij en ik en de groote koning en alle hemelsche heerscharen, wie kan er iets tegen doen? Maar, ziet ge, ik arme gek, ik begrijp hoe dat gekomen is, en klaag u daarom niet aan en heb u ook niets te vergeven. Het is echter een groot onheil geweest. Maar het heeft, goddank, intijds een einde genomen, en ik kan het geheel en al vergeten, wanneer gij mij slechts zegt:‘Dat alles is uit en voorbij, en ligt in het graf als iets dat dood is.’”Nu bracht zij, voor hij het beletten kon, met onstuimige hartelijkheid zijne hand aan hare lippen en zeide snikkende: »Zoo goed, zoo goddelijk goed als gij zij, Rustem, zoo goed zijn er geen twee menschen op aarde, en daarvoor zal mijne moeder u zegenen. Doe met mij wat gij wilt! Weet dat alles voorbij is, weg en voorbij, en als ik er nog eens aan denken moet, dan gevoel ik een afkeer daarvan. Zoo, juist zooals gij zeidet, is het werkelijk gegaan. Moeder dood, en niemand om mij te waarschuwen en te beschermen! Ik was pas zestien jaren oud, een eenvoudig, onervaren ding, toen hij mij tot zich riep, en wat er met mij gebeurd is was als een droom, als men slaapt. En toen ik weder ontwaakte...”»Nu zijn wij er,” zeide hij, haar in de rede vallende, waarbij hij de oogen afveegde en beproefde te lachen. »Toen lagen wij beide met wonden aan het hoofd naast elkander, en gelijk het bij mij te huis altijd op zijn fraaist is, wanneer de harde wintervorst voorbij en de sneeuw gesmolten is, en alle bloemen in het dal opeens beginnen te bloeien, zoo gaat het ten leste ook met ons, meisje. Het zal nu goed, wonderschoon worden! Ziet ge, eergisteren was ik het met mijzelven nog niet eens, wantuw ongeval liet mij geen rust en zat mij in den weg; nu, dat kunt gij wel begrijpen. Toen ik later op mijne kamer te bed lag en de maan naar binnen scheen, toen”—en nu ging hij nadenkend voort met een droomerige uitdrukking, die zijn eenvoudig gelaat bijzonder goed stond—»toen moest ik vragen: heeft dan de maan daarboven heden avond niet weder goede verfrissching en fraai licht gebracht, hoewel zij toch in de vroegte nog in zee verzonken was? En kan zoo een menschenhart, dat eenmaal was ondergegaan, ook niet weder helder en blank opgaan, wanneer het zich gereinigd heeft en uitgerust is? En welk een hart! Men zou de liefde van zulk een hart wel voor zich alleen wenschen, maar die kan zich toch meer dan eenmaal weggeven. Want, zoo dacht ik bij mijzelven, wat is mijne moeder teeder voor mij geweest; en toen er nog een kindje kwam en weder een, heeft zij aan dezen ook het beste gegeven wat zij bezat; en ik ben daarom toch niet tekort gekomen, als zij mijn jongste zusje aan de borst hield, en ook dat zusje leed er geen schade bij, als moeder mij liefkoosde en mij kuste. Zoo moet het ook zijn! En zij, dacht ik verder, al heeft zij ook reeds eenmaal een ander liefgehad, er blijft toch voor mij nog een goed deel liefde over!”»Ja, ja, Rustem, zeker!” zeide zij, hem met dankbare betraande oogen in het open gelaat ziende. »Wat er aan liefde en teederheid in mij is, dat zult gij, gij alleen hebben.”»Nu,” riep hij vroolijk, »dat was een woord! Daar kan men zich aan vasthouden! Dat noem ik me eerst een morgen! Als een losgelaten landlooper heb ik mij hier onder de sykomore neergezet en als een toekomstig grondbezitter, wien het schoonste wijfje op aarde aan huis bindt, sta ik nu op.”Zij bleven nog lang in de koele schaduw van het loofdak zitten en hij verlangde niets anders, dan haar aan te zien en op de oude vraag van geliefden met de lippen, de oogen en een zwijgend hoofdknikken het antwoord ontvangen. Hare handen brachten de naald niet meer in beweging; doch beiden zouden hen medelijdend hebben uitgelachen, die dezen voormiddag met zijne verzengende, alles verdrogende hitte onuitstaanbaar noemden. Een paar tortelduiven boven hunne hoofden was minder ongevoelig voor den zonnegloed, want het had de oogen gesloten, en de kop van het wijfje rustte slap tegen den donkeren ring aan den hals van het mannetje.1De Alexandrijnsche bisschop Eutychius (geb. 876 n. Chr.) omschrijft de communistische leer van Masdak aldus: »God heeft de mensch het zijne toebedeeld, opdat gij het gelijkmatig onder hen verdeelen zoudt, en den een niet meer zal hebben dan den ander. Wanneer een echter meer dan billijk is aan vermogen, vrouwen, slaven en roerende goederen mocht bezitten, dien willen wij het ontnemen, om hem aan de anderen gelijk te maken.”
TWAALFDE HOOFDSTUK.Katharina had weinig geslapen en was volgens hare gewoonte zeer vroeg opgestaan, terwijl Heliodora de morgenuren gaarne versliep. Deze waren in zulk een gloeiend heeten tijd zeker de schoonste van den dag, en het kwikstaartje had ze vroeger vroolijk genoten. Maar hoewel eene groote Indische bloem in den afgeloopen nacht voor de eerste maal was opengegaan, en de tuinopzichter haar deze met zekeren trots toonde, kon zij er toch geen behagen in scheppen. De bloem mocht verdorren en met haar de geheele wereld!In ’s buurmans tuin was nog geen beweging. Doch daar kwam de lange arts Philippus op de straat aanloopen, om de vrouwen hiernaast te bezoeken. Met enkele groote stappen ijlde zij naar de poort en riep hem aan. Zij wilde hem verzoeken over de ontmoeting van gisteren te zwijgen, doch hij bleef terstond staan en deelde haar mede, voor zij nog tijd had gevonden hem haar wensch te openbaren, dat de weduwe van den Mukaukas in dezen nacht, door schrik en ontzetting overmand haar gemaal gevolgd was.Er was een tijd geweest, waarin het kwikstaartje aan vrouw Neforis als aan eene tweede moeder gehecht was, waarin het stadhouderlijk paleis in haar oog het kort begrip was geweest van al wat groot, eerwaardig en voornaam was; waarin zij er trotsch op was geweest en er zich gelukkig in had gevoeld, daar in en uit te mogen gaan; daar als een kind des huizes bemind te worden. De tranen, die bij dit bericht in hare oogen welden, waren dus niet geveinsd, en het was haar goed die vroolijke, trotsche en gelukkige houding te verlaten, die zij als een masker had aangenomen, sedert het er in hare ziel zoo duister, woest en ellendig uitzag.De arts begreep hare droefheid, beloofde haar gaarne tegen ieder te zullen zwijgen, berispte haar niet, bracht haar echter nogmaals het gevaar onder de oogen, waaraan zij zich hadblootgesteld, en herinnerde haar met nadruk, dat elk kleedingstuk, hetwelk zij en Heliodora gisteren gedragen hadden, moest worden weggedaan, daar de fijne aanstekelijke stofdeeltjes aan alles bleven hangen, en ieder kleedingstuk, dat een kranke had aangeraakt, zeer best in staat was om het pestgif op anderen over te dragen en verder te verbreiden. Angstig hoorde zij hem aan en zij kon hem gerust stellen, want alles wat zij en de jonge vrouw gisteren gedragen hadden, was in den badoven gestopt. De arts ging hierop verder, maar zij sloeg geen acht op de hitte en wandelde rusteloos rond in de paden van den tuin. Haar hart klopte met kleine, snelle, pijnigende slagen; een onzichtbare last drukte en verhinderde haar vrij adem te halen.Daarbijsteeg er eene reeks kwellende gedachten ongeroepen bij haar op, die zich niet lieten onderdrukken en hare beklemdheid vermeerderden.Vrouw Neforis dood, de stadhouderlijke woning in handen der Arabieren. Orion van al zijne goederen beroofd en aangeklaagd op leven of dood! En dat vreedzame huis daar achter de heg! Wat stond het te wachten, en zijn zilverharigen heer en diens onschuldige vrouw en dochter? Er pakte zich boven hunne hoofden een onweder samen, zij zag het naderen, en daarachter als eene nieuwe, donkere met den dood dreigende wolk de pest, de vreeselijke pest!—En al die schrikkelijke dingen had zij, zij, het kleine, zwakke meisje, het vlugge kwikstaartje te voorschijn geroepen;zij was het geweest, die de sluizen had geopend, waaruit thans het verderf links en rechts van haar zich uitstortte. Zij zag den vloed wassen en stijgen, zag dien reeds haar eigen huis, haar eigen voet begeerig omspoelen, en zij werd zoo bevreesd, dat de gedachte hieraan alleen haar het zweet op voorhoofd en handen deed uitbreken; en toch, toch! Al had zij werkelijk de macht gehad, om het onweder in zijne wolken, de vloed binnen zijne bedding terug te dringen, zij zou het toch niet gedaan hebben. Het laatste wat zij wenschte, wat zij als vrucht van het door haar gezaaide begeerde te zien opschieten en zich ontwikkelen, was nog niet gekomen. Om dat te beleven was het waard veel te dulden, ja als het zijn moest deze valsche, heete aarde vaarwel te zeggen, die alle aantrekkelijkheid voor haar verloren had.Boven Orions hoofd hing het zwaard, en vóor het hem trof zou hij weten, wie het voor hem geslepen had. Misschien bracht hij er het leven af, maar de Arabier gaf niet terug wat hij eens bezat, en moest werkelijk de jonge, schitterende Kroisos als bedelaar uit de gevangenis in het leven terugkeeren, dan, dan.... Maar Paula! Maar Heliodora! Hare kleine hand had aan den adelaar van Zeus nu eenmaal den bundel bliksemstralenontwrongen,—dan vond zij ook voor deze een schicht! Het gevoel harer geweldige macht, die reeds het eene offer na het andere had doen vallen, bedwelmde haar. Zij wilde Orion, wilde hem die haar bedrogen had, in het verderf gestort en aan ellende prijs gegeven, als bedelaar aan hare voeten zien, en dat was het wat haar den moed gaf, om ook het uiterste te wagen; dat, en dat alleen! En wat haar dan zou lusten te doen, dat wilde zij zelve nog niet weten, dat lag in den schoot der toekomst verborgen, dat kon misschien teeder, barmhartig en liefderijk uitvallen.Toen zij in huis terugkeerde waren angst en beklemming van haar geweken; een nieuwe lust om te handelen vervulde hare ziel, en de kleine luistervink en belaagster was in deze uren eene vreeselijke vrouw geworden die voor geene misdaad terug zou deinzen en zich volkomen bewust was van het doel, dat zij bereiken wilde.»Arm schaapje!” dacht de arts Philippus, toen hij den tuin van Rufinus inliep, »de ongelukkige zal ook haar kleine hartje leed genoeg hebben gedaan!”De tuin van zijn ouden vriend was ledig. Alleen onder de sykomore zaten twee menschen, de reuzengestalte van een jonkman en een schoone, teedere, wat bleeke, blondharige vrouw. De groote jonkman hield een breede streng wol met de kolossale handen uit elkander en het meisje naast hem wond den draad tot een kluwen. Het was de Masdakiet Rustem en de schoone Mandane; beiden waren van hunne wonden hersteld, terwijl de Perzische tot een nieuw, kalm, zelfbewust leven was ontwaakt.Philippus had deze wonderbare herstelling met groote belangstelling en deelneming gevolgd. Hij schreef haar allereerst toe aan de sterke hoofdbloeding, vervolgens aan de goede lucht en de verpleging, die zij genoten had. Het kwam er nu op aan haar ook verder voor onrust en hevige gemoedsaandoeningen te bewaren. In den Masdakiet had zij een vriend en gehoorzamen vereerder gevonden, en Philippus verheugde zich in den aanblik van deze twee, met wie zijne kunst geen schande had ingelegd. De groet, die hij beiden toeriep, klonk vroolijk en hartelijk, en op Philippus’ »hoe gaat het?” antwoordde de Masdakiet blijmoedig: »Als een visch in het water!” en vervolgde, terwijl hij daarbij op Mandane wees: »Mijne landgenoote evenzoo.”»Zijt gij het daarmee eens?” vroeg Philippus, en zij stemde toe met een levendig hoofdknikken.Philippus stak dreigend zijn vinger tegen den Pers op en zeide: »Wikkel u hier niet vast, vriend! Wie weet hoe spoedig heer Haschim u vanhier roept!”Terwijl hij het herstelde paar vervolgens den rug toekeerde, prevelde hij in zichzelven: »Toch altijd nog iets verkwikkends bij al de ellende, zij en de kleine Maria!”Voor zijn vertrek had Rufinus de vergroeide kinderen, die hij bij zich had opgenomen, naar hunne ouders teruggezonden, en de arts vond dus niemand in de voorzaal. Waarschijnlijk waren de vrouwen aan het ontbijt in de spijszaal. Doch hij bedroog zich, want dit zou eerst later beginnen en Pulcheria was nog bezig met de tafel gereed te maken. Zij merkte hem, die binnentrad niet op, terwijl zij druiven en granaatappelen, vijgen en vruchten, die in bundels uit den stam der sykomoren ontspruiten en in smaak op moerbeziën gelijken, zorgvuldig schikte tusschen bladeren, die door den gloed der laatste weken half geel waren geworden. Het aardige bouwsel rondde zich reeds tot een sierlijken kegel in vele geledingen. Doch hare gedachten waren niet bij dezen arbeid, want herhaaldelijk biggelden haar tranen langs de wangen.»Die gelden haar vader,” dacht Philippus, terwijl hij in de deur staande haar beschouwde. »Arm kind!” Hoe vaak had hij zijn vriend haar dus hooren noemen! En voor hem was zij tot nu toe ook een kind geweest. Heden moest hij haar echter met andere oogen aanzien, omdat haar eigen vader het aldus had gewild; ook stond hij werkelijk voor haar als voor een wonder. Wat was er uit die kleine Pul geworden? En waarom merkte hij dit eerst heden op? Eene schoone, volwassene jonkvrouw roerde daar voor hem de sneeuwwitte armen, en kort geleden zou hij hebben gezworen, dat zij nooit andere dan dunne kinderarmpjes had gehad, die zij hem zoo vaak om den hals had geslagen, wanneer zij op hem, haar »edelen ruiter”, in den tuin op en neder had gereden. Hoe lang was dat geleden? Tien jaren! Zij telden nu zeventien! En hoe teeder, slank en blank waren die handen geworden, waarover de moeder haar zoo vaak berispt had, als zij zandhuisjes had gebouwd en terstond daarop aan tafel was gaan zitten.Nu legde zij een druiventros in sierlijke winding rondom eenige granaatappels, en daarbij bedacht hij, hoe zijn oude vriend gisteren hare huishoudelijkheid had geroemd. De gordijnen voor de vensters waren gesloten, toch vonden enkele zonnestralen den weg in het vertrek en vielen op hare goudblonde haren. Zulk een heerlijk gekleurde haartooi hadden zelfs de blonde Boeotische meisjes niet gehad, die hij als student van Athene uit in haar vaderland had bewonderd. Dat zij een aardig, lief gezichtje had, wist hij sedert lang; doch toen zij de oogen opsloeg, hem opmerkte en haar blik zoo maagdelijk schuchter, zoo aangenaam verrast en tevens zoo vriendelijk de zijne ontmoette,gevoelde hij dat hij eene kleur kreeg, en hij moest eerst eenige oogenblikken tot bezinning komen, eer hij haar groet met iets beters dan een gewonen wedergroet kon beantwoorden. En met welken veelbeteekenenden volzin begon hij zijne toespraak, waarop hij zich in deze pauze bedacht had?»Ja, daar ben ik,” luidde het woordelijk. Waarlijk dit verdiende niet het hartelijk antwoord: »Goddank dat gij komt!”, en de met zulk een bevallige verlegenheid erbij gevoegde verklaring: »Al ware het enkel om moeders wil!”Daar kleurde hij andermaal, de man, die van jeugdige bedeesdheid sedert lang niet meer wist, en vroeg naar den welstand van vrouw Johanna en hoe zij haar leed droeg, en zeide eindelijk ernstig: »Wat booze tijdingen bracht ik u gisteren, en heden kom ik weder als een ongeluksraaf in huis fladderen.”»Gij?” vroeg zij vriendelijk, en in dit enkele woord lag zulk een lieftallige twijfel aan zijne bedoeling, om iets kwaad te brengen, dat hij erkennen moest, zijn vriend hem in dit kind, in deze jonkvrouw het beste had nagelaten wat de eene sterveling den ander vermaken kan: eene dierbare, trouwhartige, onschuldige dochter, neen, een zuster, zoo rein, zoo aanminnig en beminnenswaardig, als alleen het kind van zulke ouders zijn kon. En terwijl hij haar vervolgens vertelde, wat er in de stadhouderlijke woning gebeurd was en bemerkte hoe zeer haar om Paula’s en Maria’s wil de dood van de weduwe ter harte ging, die haar overigens vreemd was, besloot hij Pulcherias moeder zoo spoedig mogelijk met den wensch van haar overleden echtgenoot bekend te maken.Doch dit alles stelde de vroegere gevoelens voor Paula in geenen deele in den schaduw, neen, zij kwelden hem heden meer dan ooit en brandden hem op het hart; maar hij erkende daarbij, dat zij hem ongelukkig maakten, dat hijzelf zich daarmede schade berokkende en beleedigde, daar zij niet beantwoord werden. Hij wist, dat hij in de nabijheid van de Damasceensche, veroordeeld om met haar samen te leven, nooit tot rust zou komen en leed op leed te verduren zou hebben. Alleen ver van haar en onder éen dak met Johanna en hare dochter kon het hem gegeven zijn een tevredener, gelukkiger mensch te worden. Toch waagde hij nog niet deze gedachte onder woorden te brengen.Pulcheria bemerkte, dat hij iets voor haar verzweeg en vreesde dat hem opnieuw iets bekend was geworden, dat haar bedreigde, doch deze bezorgdheid kon hij wegnemen door te verzekeren, dat hij veeleer iets in het schild voerde, dat hem althans verblijdend toescheen. Maar haar bekommerd en zeer beangstigd gemoed kon daaraan nauwelijks gelooven en daarom smeektehij haar de hoop op beter dagen niet te laten varen en vroeg haar, of zij goed en vast vertrouwen in hem stelde. Daarop antwoordde zij blijmoedig, dat hij dit wel voelen kon, en terwijl vrouw Johanna en de anderen de kamer binnenkwamen, en zij hare moeder, die zij reeds in de vroegte begroet had, toeknikte, reikte zij hem de hand, greep de zijne en schudde die hartelijk. Dat waren verkwikkende oogenblikken voor hem geweest, doch het zien van Paula en wat hij haar had mede te deelen, bracht hem weder in de oude, gedrukte, ongelukkige stemming.De kleine Maria, die weder roode koonen had gekregen en er gezond uitzag, vloog bij de booze tijdingen, die hij overbracht, snikkende Paula om den hals. Deze hield zich echter bedaarder dan hij verwacht had en wist zich te beheerschen. Wel-is-waar was zij eerst doodsbleek geworden, doch weldra had zij rustig en kalm geluisterd en eindelijk hare vrije, opgerichte houding weder aangenomen. Philippus moest de hand aan het hart brengen toen hij haar zag, en zoodra het voegzaam geschieden kon vertrok hij. Het was als moest hem nog eens duidelijk en smartelijk voor oogen gesteld worden, wat hij in haar had kunnen bezitten, want als gedragen door een hooger gevoel schreed zij daarheen, en een fantastische glans verleende haar edel gelaat eene betoovering, die hem evenzeer pijn deed als ze hem in verrukking bracht.Orion een van zijne goederen beroofde gevangene! Maar korten tijd had deze gedachte haar schrik aangejaagd; doch daarna was het haar geweest, als moest het juist zoo zijn, als ware datgene wat op het eerste gezicht een vreeselijk onheil scheen, haar toegezonden, om haar liefde geheel van het omhulsel te bevrijden, haar in al hare grootte en reinheid in het licht te stellen, en daaraan met hulp van den Algoede de rechte wijding te geven. Voor zijn leven was zij niet bevreesd, want hij had haar gezegd en geschreven, hoe de veldheer Amr hem met vaderlijke genegenheid tegemoet was gekomen, en alles wat thans gebeurde was zeker een streek van den Wekil, van wiens boosaardig en hatelijk voorkomen hij een afschrikwekkend beeld had geteekend, terwijl Rufinus de abdis was gaan waarschuwen.Toen het huis van den vriend achter Philippus lag, haalde hij weer vrijer adem. Wat had hij die vrouwen geheel anders gevonden dan hij verwacht had! Zijn oude vriend kende de menschen! Uit kleine aanwijzingen was het den grijsaard gelukt zich een vollediger beeld van Pulcheria te vormen, dan hij door jaren lange vertrouwelijke omgang zou hebben kunnen verkrijgen. Ook dat had de oude vooruitgezien, dat de gevaren, die des stadhouders zoon bedreigden, Paulas gevoelens voor Orion als eene frissche koelte zouden aanwakkeren. En Johanna, de teederezwakke Johanna, hoe droeg zij als eene heldin het verlies van hem, voor wien zij zoovele jaren in trouwe liefde had geleefd. Hij kwam er vanzelf toe haar met de ongelukkige Neforis te vergelijken, en wat was het, dat Johanna het zwaarste verlies zooveel waardiger deed dragen dan deze? Zeker dit, dat het teeder gemoed harer Pulcheria, hetwelk het leed zoo eenvoudig en stil met haar droeg, dat verlies zoo gaarne en verstandig met haar deelde. Zulk een hart had der weduwe van den Mukaukas ontbroken, en gelukkig wie zulk een hart het zijne kon noemen. Met gebogen hoofd liep hij den tuin door, ditmaal zonder ter zijde te zien.De Masdakiet, die nog altijd met Mandane onder de sykomore zat en even weinig als zij letsel had van de steeds toenemende zonnehitte, keek hem na, wees op hem en zeide: »Daar gaat hij! Het was zeker voor de eerste maal, dat hij u of mij een norsch woord toesprak; of hebt gij het niet verstaan?”»Wel zeker,” zeide zij zacht, zonder de oogen van haar handwerk op te slaan.Zij spraken Perzisch met elkander; want zij hadden de taal nog niet verleerd, die hunne moeders tot het laatst met hen gesproken hadden. Het leven gelijkt soms op het wonderlijkste sprookje, en men kon het bijna een wonder noemen, dat juist deze twee in de ziekenkamer bij elkander gekomen waren, want zijn afgelegen vaderland was ook het hare, en hij kende ook haar oom, den broeder haars vaders, en de treurige geschiedenis van den laatste. Toen het Grieksche leger zich van zijne landstreek had meester gemaakt, waren de mannen met de kudden in de bosschen gevlucht, de vrouwen en kinderen in het vestingwerk, dat den landweg verdedigde. Dit had maar korten tijd tegen de Byzantijnen stand kunnen houden, en de vrouwen, waaronder ook Mandane en hare moeder, waren onder de soldaten verdeeld als een kostbare krijgsbuit. Haar vader had toen een gewapende bende rondom zich vereenigd, om de vrouwen te bevrijden, doch was daarbij met zijne gezellen om het leven gekomen. Men sprak nog heden ten dage in dien streek over het treurige einde van den moedigen man, en zijn jongeren broeder behoorde thans het goed en de heerlijke graslanden, die gene eens bezeten had.Zoo hadden beide herstellenden elkander veel van vroeger te vertellen en het was merkwaardig, hoe vele herinneringen uit hare eerste kindschheid Mandane waren bijgebleven. Met benevelde hersens was haar gewond hoofd op het kussen in het ziekbed neergelegd, en gelijk een onweder, dat de verstikkende lucht van een drukkenden zomerdag zuivert, had het nieuwe leed den sluier weggenomen van de oogen harer ziel. Zij verwijldegaarne bij hare kindschheid, den tijd toen zij hare moeder nog bezat, en bij het tegenwoordige; wat daar tusschen lag was voor haar als de nachtelijke hemel; donker, maar verhelderd door eene schrikwekkende komeet en schitterende sterren. Die komeet was Orion. Wat zij met hem genoten en door hem geleden had, rekende zij tot den tijd van haar waanzin; zij had zich gewend, dat alles toe te schrijven aan de zinsbegoocheling, waarin zij toen bevangen was geweest.Hare ziel was niet geschapen om te haten, en zij wilde en kon den zoon des stadhouders niet vijandig gezind zijn. Zij stelde zich hem voor als een die haar zonder boos opzet groot onrecht had aangedaan, en aan wien zij zelfs niet meer denken mocht, zonder zich aan gevaar bloot te stellen.»Dat wil dus zeggen,” begon deMasdakietweder, »dat het ook u niet onverschillig zal zijn, als Haschim mij terugroept?”»Neen, Rustem, dat zou mij zeer leed doen.”»O!” riep de ander, terwijl hij zijne hand streek over zijn groot hoofd, waarop het zware haar, dat men had afgesneden, weder begon langer te worden. »Ja, dan, Mandane, dan.... Ik heb reeds gisteren willen spreken, doch het kwam er nog niet uit; maar nu: Waarom doet het u eigenlijk leed, dat ik vertrekken moet?”»Omdat—ja wie kan dat zoo ineens zeggen—omdat gij altijd goed voor mij waart, en omdat gij mijn landsman zijt en ik met u Perzisch spreken kan, evenals met mijne moeder.”»Zoo, daarom dus alleen?” vroeg de ander op gerekten toon, terwijl hij zich over het voorhoofd wreef.»Neen, neen! Ook omdat....Als gij ons eenmaal verlaten hebt, dan zijt gij er ook al niet meer....”»Ja, dat is het juist, dat is het! En als u dat leed doet, dan moet het u hier toch bevallen hebben—zoo samen met mij.”»Waarom ook niet? Het was zeker heel prettig,” zeide zij, terwijl zij blozende zijn blik trachtte te ontwijken.»Dat was het ook, en is het nog altijd!”zeide hij met de breede vuist in zijne linkerhand slaande. »En juist daarom moet het er eens uit, daarom moeten wij, als wij verstandig zijn, niet meer van elkander scheiden.”»Maar uw heer zal u noodig hebben!” zeide zij, met toenemende ongerustheid, »en wij kunnen die goede menschen hier toch niet altijd tot last zijn. Ik mag nog niet weven, maar nu ik toch vrij ben en het geschrift in handen heb dat mij de vrijheid wedergeeft, moet ik naar werk omzien, en een krachtig, gezond man als gij zijt kan zich toch ook niet altijd laten verplegen.”»Wat verplegen!” zeide de Masdakiet, terwijl hij vergenoegdlachte. »Er moet gewerkt worden, gewerkt en wel voor drie!”»Bij uw kameelen: altijd op reis?”»Dat moet dan ophouden,” antwoordde hij meesmuilend. »Wij gaan naar ons land terug, ik koop mij daar een goed stuk weiland, want mijn oudste broeder heeft ons goedje, en of ik de kameelfokkerij versta, dat kunt gij aan Haschim vragen.”»Maar, Rustem, bedenk toch!”»Bedenken! Denken voor en na! Willen en hebben daarop komt het aan! En als gij meent dat er geld noodig is om te koopen, en dat het haperen zal aan dat goedje, zoo kan ik u zeggen.... Kunt gij lezen?—Neen?—Ik ook niet, maar hier in mijn taschje heb ik de afrekening van mijn heer, met zijne eigene hand geschreven. Elfduizend driehonderdzestig drachmen waren het aan loon, tot den laatsten termijn, verstaat ge, en aan winst, waarin de heer mij liet deelen sedert ik de karavaan leidde. Hij heeft bijna alles voor mij bewaard; want voor mijn onderhoud behoefde ik niet te zorgen; van de koopwaren viel altijd genoeg af om mij te dekken, en een slemper ben ik nooit geweest. Elfduizend driehonderdzestig drachmen! He, mijn duifje, zoo staat het; en wat zegt gij nu? Kan daarvoor ook iets gekocht worden? Ja of neen?”Hij zag haar zegevierend aan, doch zij antwoordde met warmte: »Wis en zeker, en hij ons te lande, geloof ik, iets heel aardigs.”»En wij—gij en ik—wij—er zal nu een geheel nieuw leventje beginnen. Ik was zeventien jaren oud, toen ik den meester volgde en bij de laatste zonnestilstand ben ik zes-en-twintig geworden. Hoe veel jaren was ik dus reizende?”Beiden dachten een poosje na, waarop Mandane schuchter zeide: »Als ik mij niet vergis zijn het er acht.”»Het zijn er reeds negen, geloof ik,” hernam hij met nadruk. »Laat eens zien; hier met het handje! Ziet ge met de zeventien begin ik—zoooud was ik toen ik in dienst trad. De kleine vinger eerst—wat een lief fijn dingetje!—en nu de andere!”Hij hield hare rechterhand vast en telde aan hare vingers verder, tot hij aan den laatste der linkerhand gekomen was. De uitkomst deed hem verbaasd opzien, en het hoofd schuddende zei hij: »Men heeft toch aan de twee handen tien vingers, en tien jaren kunnen het nog niet zijn, het zijn erhoogstensnegen!”En thans begon het tellen, dat hem zeer behaagde, van voren aan, doch de uitkomst bleef dezelfde; zij verzekerde nochtans, dat het maar negen waren; zij had het berekend, en hij gaf haar gelijk en meende, dat hare vingers betooverd waren. Ja,het spel zou nog lang hebben voortgeduurd, als zij niet op het denkbeeld was gekomen, dat men de zeventien niet mee mocht tellen, maar dadelijk met achttien beginnen moest. Rustem kon dat echter niet goed begrijpen, en toen hij niettemin toegaf, liet hij toch hare hand niet los en ging vroolijk voort: »Ziet gij, lief kind, deze kleine hand—gij moogt haar nu terugtrekken als ge wilt—deze hand wil ik behouden, en met haar het aardige meisje, en alles wat daartoe behoort. En ik neem u en de beide handen met de betooverde vingers mede naar mijn huisje. Daar kunnen zij vlijtig weven en borduren, en als man en vrouw zullen we nooit weer van elkander scheiden. Eén leven zullen wij leiden—éen leven—de vreugde van het Paradijs zal daarbij vergeleken zijn; als enkel slagen met een knuppel van olijvenhout op den schedel; daar weet ik van te praten!”Daarbij greep hij weder naar hare hand, doch zij trok haar terug en zeide verlegen en met neergeslagen oogen: »Neen Rustem, ik heb reeds gisteren gevreesd, dat iets dergelijks zou komen, doch dit kan nooit gebeuren. Ik ben zoo dankbaar, o zoo dankbaar; maar neen, neen, dit mag niet, daar blijft het bij. Uwe vrouw kan ik niet worden, Rustem!”»Niet?” vroeg hij op doffen toon, en op zijn vermagerd voorhoofd begonnen de aderen te zwellen. »Hebt gij mij dan vroeger voor den gek gehouden? En wat gij daar bazelt van dankbaarheid...”Hevig ontsteld stond hij op, doch zij greep hem bij den arm, trok hem op de bank terug, waagde het hem met teederheid in de oogen te zien, die niet lang boos konden kijken, en zeide: »Wat vliegt gij dadelijk weer op! Het zal mij zeer stellig aan het hart gaan van u te scheiden, en kunt gij het mij dan niet aanzien, dat ik u goed gezind ben? Maar het gaat, waarlijk het gaat niet! Ik, ik... ach, kon ik maar weder naar mijn vaderland terug, met u, juist met u! En uwe vrouw. Wat eene verhevene, heerlijke gedachte is dat, en hoe gaarne zou ik voor ons beiden de handen roeren, die vlijtig en bekwaam genoeg zijn, maar....”»Maar?” vroeg hij terwijl hij zijn groot, vuurrood gezicht naar haar toekeerde met eene uitdrukking, als wilde hij haar verslinden.»Maar om uwentwil gaat het niet, en mag het niet gebeuren, neen, waarlijk niet, want zoo slecht wil ik u voor al uwe goedheid niet beloonen. Hebt gij dan geheel vergeten, wat ik was en wat ik ben? En gij? Als vrij man gaat gij weldra met een mooi kapitaal naar huis en kunt van iedereen achting en eerbied verlangen; doch dat alles wordt anders, geheel anders,wanneer gij eene vrouw als ik ben met u medesleept, eene,—al ware het maar alleen eene voormalige slavin!”»Komt het dus daarop neer?” haastte hij zich te vragen, terwijl zijn gelaat weer ophelderde. »Is dat het wat u beangst, gij arm zieltje? Maar weet gij dan niet wie ik ben, heb ik u niet onlangs verklaard, wat een Masdakiet is? Wij Masdakieten gelooven en weten, dat alle menschen oorspronkelijk gelijk zijn, dat het er beter zou uitzien in deze oliedomme wereld, als er noch heeren, noch knechten waren; maar het gaat nu eenmaal op aarde toe zooals het gaat. De reine Hemelheer duldt het wellicht nog een poosje, maar eerlang, misschien spoedig reeds wordt het geheel anders, en het is onze taak, dien dag der gelijkheid voor te bereiden. Met dien dag komt het Paradijs op aarde, dan zal er onder de menschen geen hooger of lager zijn, maar zij zullen naast elkander en hand in hand gaan en staan. Krijg en ellende houden dan op, want wat er schoons en goeds op aarde is, dat wordt gemeenschappelijk eigendom, en ieder geeft en helpt den ander even gaarne, als hij hem thans alles ontneemt, hem benadeelt en onderdrukt. Wij sluiten ook geen huwelijken, zooals de andere menschen, maar de man, die eene vrouw liefheeft, zegt: ‘Wilt gij de mijne zijn?’ en als het hart haar dit ingeeft, volgt zij hem in zijn huis; doch de een mag echter den ander verlaten, als het uit is met de liefde, maar geen echtpaar onder Parsen en Christenen was inniger verbonden dan mijne ouders en grootouders; zoo willen ook wij bij elkaar blijven tot het einde, want onze liefde zal ons vast samenbinden met stevige koorden, die langer duren dan ons leven.—Nu kent gij de leer van onze meester Masdak, dien mijn vader en grootvader reeds volgden, en die mijne moeder mij heeft ingeprent, toen ik nog zeer klein was. Ons geheele dorp is die leer toegedaan, en daar zijn ook geen slaven, neen, het land dat bij het dorp behoort, dat bearbeiden allen te zamen en den oogst deelen zij met elkaar. Vreemden laten zij echter niet meer toe en ik moet mijn deel elders gaan zoeken.Ik blijf daarom toch Masdakiet1, en kies mij eene gewezene slavin tot vrouw, dan handel ik naar de leer van mijn meester en laat daaraan recht wedervaren. Maar u—u gaat dit alles eigenlijk niet aan, want gij zijt het kind van een vrijen, braven man, wien het geheeleland acht; voor wie daar in het oosten wonen zijt gij eene gevangene, maar geene slavin. Zij zullen mij eeren als uw bevrijder. Maar had ik u zooals gij daar zijt, als de minste slavin van een zwijnenhoeder gevonden, ongetwijfeld zou ik dan terstond in den buidel getast, u losgekocht en u als mijn vrouw mede maar huis genomen hebben, en geen van de onzen, die u zag, zou het u hebben aangezien. Nu weet gij waar het op staat, en is het, hoop ik gedaan met dat tegenspartelen en uitvluchten zoeken.”Doch Mandane gaf hem nog altijd geen gewonnen spel; zij zag hem droevig aan met een blik, die medelijden scheen te vragen, en wees naar de plaats van hare verminkte ooren. Hierbij haalde Rustem de schouders op en zeide lachende: »Natuurlijk, dat nu ook nog! Gij schijnt mij niets te willen schenken. Ja, had het de oogen gegolden, dan was het uitgeweest met het zien, en eene blinde vrouw kan een landman niet gebruiken; dan liet ik u ook waar gij zijt. Maar zoo—zeg zelf, mijn duifje hoort gij niet zoo scherp als een vogel? En de vogels—het zijn zulke aardige diertjes—hebt gij er ooit een met ooren gezien, behalve die leelijke vleermuizen en uilen? Dat is allemaal zottepraat. En wie kan u dan nog aanzien wat gij mist sedert jonkvrouw Pul u de haren zoo netjes naar voren gekamd heeft? En dan bij ons te lande! Hebt gij vergeten welk een hoofddeksel onze vrouwen dragen? Al had iemand lepels gelijk een haas, wat nood? Men ziet er toch niets van. Zooals gij zijt, gij lelie, die als een cypres zijt opgewasschen ziet gij er nog tienmaal schooner uit dan de aardigste ginds al hadt ge in plaats van twee, zelfs drie of vier ooren. Een meisje met drie ooren! Denk eens, Mandane: waar zou dat derde komen te staan?”Hoe hartelijk lachte hij daarbij, hoe blijde was hij, die aardigheid bedacht, en wat haar gemakkelijk leed had kunnen doen, zoo schertsend terzijde geschoven te hebben. Doch zijne openhartige vroolijkheid miste hare uitwerking en plooide hare zwijgende lippen slechts tot een glimlach, en ook deze verdween snel, en in de plaats daarvan nam haar gelaat, terwijl haar schoon kopje laag op de borst zonk, zulk eene diep bezorgde, bekommerde, uitdrukking aan, dat hij noch met zijn scherts voortgaan,noch verder bij haar aandringen kon, maar medelijdend en even met het hoofd schuddend zeide: »Zoo moet ge mij niet aanzien, duifje, ik kan het niet verdragen. Wat ligt u verder dan nog op het hart? Moed, moed, mijn schatje; spreek het maar vrij uit! Maar wacht! Zwijg maar! Ja, dat kan ik u wel besparen. Arm lief meisje!—het is de oude geschiedenis met den zoon van den Mukaukas.”Zij bevestigde dit door eene lichte beweging van het hoofd en met betraande oogen, maar hij slaakte een diepen zucht en zeide: »Dat heb ik wel gedacht, juist gedacht, arm hartje!”.Hij nam hierop hare hand en ging trouwhartig voort: »Dat heeft ook mij kwade uren bezorgd, heeft mij daar binnen veel te doen gegeven, en bijna was het zoover gekomen, dat ik u daarom had laten zitten en ons beiden het geluk en de vreugde had ontroofd. Maar ter rechter tijd heb ik mij bezonnen. Niet omdat vrouw Johanna—en wat zij zegt moet wel waar zijn—mij eergisteren zeide dat het met—nu ja, dat weet gij wel—dat is alles weg en voorbij; neen, ditmaal is het verstand uit mijzelven gekomen; want ik heb bij mij zelven gedacht; zulk een engelachtig schoon, moederloos, weerloos slavinnetje, dat de jonge zoon van den heer zelven vasthoudt, hoe zal het zich verweren? Hoe gruwzaam werd dat arme lieve hartje gestraft! Ach meisjelief, meisjelief, huil maar uit! Mijne oogen schieten ook vol tranen, het heeft zoo moeten zijn, het was zoo over u beschoren. Gij en ik en de groote koning en alle hemelsche heerscharen, wie kan er iets tegen doen? Maar, ziet ge, ik arme gek, ik begrijp hoe dat gekomen is, en klaag u daarom niet aan en heb u ook niets te vergeven. Het is echter een groot onheil geweest. Maar het heeft, goddank, intijds een einde genomen, en ik kan het geheel en al vergeten, wanneer gij mij slechts zegt:‘Dat alles is uit en voorbij, en ligt in het graf als iets dat dood is.’”Nu bracht zij, voor hij het beletten kon, met onstuimige hartelijkheid zijne hand aan hare lippen en zeide snikkende: »Zoo goed, zoo goddelijk goed als gij zij, Rustem, zoo goed zijn er geen twee menschen op aarde, en daarvoor zal mijne moeder u zegenen. Doe met mij wat gij wilt! Weet dat alles voorbij is, weg en voorbij, en als ik er nog eens aan denken moet, dan gevoel ik een afkeer daarvan. Zoo, juist zooals gij zeidet, is het werkelijk gegaan. Moeder dood, en niemand om mij te waarschuwen en te beschermen! Ik was pas zestien jaren oud, een eenvoudig, onervaren ding, toen hij mij tot zich riep, en wat er met mij gebeurd is was als een droom, als men slaapt. En toen ik weder ontwaakte...”»Nu zijn wij er,” zeide hij, haar in de rede vallende, waarbij hij de oogen afveegde en beproefde te lachen. »Toen lagen wij beide met wonden aan het hoofd naast elkander, en gelijk het bij mij te huis altijd op zijn fraaist is, wanneer de harde wintervorst voorbij en de sneeuw gesmolten is, en alle bloemen in het dal opeens beginnen te bloeien, zoo gaat het ten leste ook met ons, meisje. Het zal nu goed, wonderschoon worden! Ziet ge, eergisteren was ik het met mijzelven nog niet eens, wantuw ongeval liet mij geen rust en zat mij in den weg; nu, dat kunt gij wel begrijpen. Toen ik later op mijne kamer te bed lag en de maan naar binnen scheen, toen”—en nu ging hij nadenkend voort met een droomerige uitdrukking, die zijn eenvoudig gelaat bijzonder goed stond—»toen moest ik vragen: heeft dan de maan daarboven heden avond niet weder goede verfrissching en fraai licht gebracht, hoewel zij toch in de vroegte nog in zee verzonken was? En kan zoo een menschenhart, dat eenmaal was ondergegaan, ook niet weder helder en blank opgaan, wanneer het zich gereinigd heeft en uitgerust is? En welk een hart! Men zou de liefde van zulk een hart wel voor zich alleen wenschen, maar die kan zich toch meer dan eenmaal weggeven. Want, zoo dacht ik bij mijzelven, wat is mijne moeder teeder voor mij geweest; en toen er nog een kindje kwam en weder een, heeft zij aan dezen ook het beste gegeven wat zij bezat; en ik ben daarom toch niet tekort gekomen, als zij mijn jongste zusje aan de borst hield, en ook dat zusje leed er geen schade bij, als moeder mij liefkoosde en mij kuste. Zoo moet het ook zijn! En zij, dacht ik verder, al heeft zij ook reeds eenmaal een ander liefgehad, er blijft toch voor mij nog een goed deel liefde over!”»Ja, ja, Rustem, zeker!” zeide zij, hem met dankbare betraande oogen in het open gelaat ziende. »Wat er aan liefde en teederheid in mij is, dat zult gij, gij alleen hebben.”»Nu,” riep hij vroolijk, »dat was een woord! Daar kan men zich aan vasthouden! Dat noem ik me eerst een morgen! Als een losgelaten landlooper heb ik mij hier onder de sykomore neergezet en als een toekomstig grondbezitter, wien het schoonste wijfje op aarde aan huis bindt, sta ik nu op.”Zij bleven nog lang in de koele schaduw van het loofdak zitten en hij verlangde niets anders, dan haar aan te zien en op de oude vraag van geliefden met de lippen, de oogen en een zwijgend hoofdknikken het antwoord ontvangen. Hare handen brachten de naald niet meer in beweging; doch beiden zouden hen medelijdend hebben uitgelachen, die dezen voormiddag met zijne verzengende, alles verdrogende hitte onuitstaanbaar noemden. Een paar tortelduiven boven hunne hoofden was minder ongevoelig voor den zonnegloed, want het had de oogen gesloten, en de kop van het wijfje rustte slap tegen den donkeren ring aan den hals van het mannetje.1De Alexandrijnsche bisschop Eutychius (geb. 876 n. Chr.) omschrijft de communistische leer van Masdak aldus: »God heeft de mensch het zijne toebedeeld, opdat gij het gelijkmatig onder hen verdeelen zoudt, en den een niet meer zal hebben dan den ander. Wanneer een echter meer dan billijk is aan vermogen, vrouwen, slaven en roerende goederen mocht bezitten, dien willen wij het ontnemen, om hem aan de anderen gelijk te maken.”
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Katharina had weinig geslapen en was volgens hare gewoonte zeer vroeg opgestaan, terwijl Heliodora de morgenuren gaarne versliep. Deze waren in zulk een gloeiend heeten tijd zeker de schoonste van den dag, en het kwikstaartje had ze vroeger vroolijk genoten. Maar hoewel eene groote Indische bloem in den afgeloopen nacht voor de eerste maal was opengegaan, en de tuinopzichter haar deze met zekeren trots toonde, kon zij er toch geen behagen in scheppen. De bloem mocht verdorren en met haar de geheele wereld!In ’s buurmans tuin was nog geen beweging. Doch daar kwam de lange arts Philippus op de straat aanloopen, om de vrouwen hiernaast te bezoeken. Met enkele groote stappen ijlde zij naar de poort en riep hem aan. Zij wilde hem verzoeken over de ontmoeting van gisteren te zwijgen, doch hij bleef terstond staan en deelde haar mede, voor zij nog tijd had gevonden hem haar wensch te openbaren, dat de weduwe van den Mukaukas in dezen nacht, door schrik en ontzetting overmand haar gemaal gevolgd was.Er was een tijd geweest, waarin het kwikstaartje aan vrouw Neforis als aan eene tweede moeder gehecht was, waarin het stadhouderlijk paleis in haar oog het kort begrip was geweest van al wat groot, eerwaardig en voornaam was; waarin zij er trotsch op was geweest en er zich gelukkig in had gevoeld, daar in en uit te mogen gaan; daar als een kind des huizes bemind te worden. De tranen, die bij dit bericht in hare oogen welden, waren dus niet geveinsd, en het was haar goed die vroolijke, trotsche en gelukkige houding te verlaten, die zij als een masker had aangenomen, sedert het er in hare ziel zoo duister, woest en ellendig uitzag.De arts begreep hare droefheid, beloofde haar gaarne tegen ieder te zullen zwijgen, berispte haar niet, bracht haar echter nogmaals het gevaar onder de oogen, waaraan zij zich hadblootgesteld, en herinnerde haar met nadruk, dat elk kleedingstuk, hetwelk zij en Heliodora gisteren gedragen hadden, moest worden weggedaan, daar de fijne aanstekelijke stofdeeltjes aan alles bleven hangen, en ieder kleedingstuk, dat een kranke had aangeraakt, zeer best in staat was om het pestgif op anderen over te dragen en verder te verbreiden. Angstig hoorde zij hem aan en zij kon hem gerust stellen, want alles wat zij en de jonge vrouw gisteren gedragen hadden, was in den badoven gestopt. De arts ging hierop verder, maar zij sloeg geen acht op de hitte en wandelde rusteloos rond in de paden van den tuin. Haar hart klopte met kleine, snelle, pijnigende slagen; een onzichtbare last drukte en verhinderde haar vrij adem te halen.Daarbijsteeg er eene reeks kwellende gedachten ongeroepen bij haar op, die zich niet lieten onderdrukken en hare beklemdheid vermeerderden.Vrouw Neforis dood, de stadhouderlijke woning in handen der Arabieren. Orion van al zijne goederen beroofd en aangeklaagd op leven of dood! En dat vreedzame huis daar achter de heg! Wat stond het te wachten, en zijn zilverharigen heer en diens onschuldige vrouw en dochter? Er pakte zich boven hunne hoofden een onweder samen, zij zag het naderen, en daarachter als eene nieuwe, donkere met den dood dreigende wolk de pest, de vreeselijke pest!—En al die schrikkelijke dingen had zij, zij, het kleine, zwakke meisje, het vlugge kwikstaartje te voorschijn geroepen;zij was het geweest, die de sluizen had geopend, waaruit thans het verderf links en rechts van haar zich uitstortte. Zij zag den vloed wassen en stijgen, zag dien reeds haar eigen huis, haar eigen voet begeerig omspoelen, en zij werd zoo bevreesd, dat de gedachte hieraan alleen haar het zweet op voorhoofd en handen deed uitbreken; en toch, toch! Al had zij werkelijk de macht gehad, om het onweder in zijne wolken, de vloed binnen zijne bedding terug te dringen, zij zou het toch niet gedaan hebben. Het laatste wat zij wenschte, wat zij als vrucht van het door haar gezaaide begeerde te zien opschieten en zich ontwikkelen, was nog niet gekomen. Om dat te beleven was het waard veel te dulden, ja als het zijn moest deze valsche, heete aarde vaarwel te zeggen, die alle aantrekkelijkheid voor haar verloren had.Boven Orions hoofd hing het zwaard, en vóor het hem trof zou hij weten, wie het voor hem geslepen had. Misschien bracht hij er het leven af, maar de Arabier gaf niet terug wat hij eens bezat, en moest werkelijk de jonge, schitterende Kroisos als bedelaar uit de gevangenis in het leven terugkeeren, dan, dan.... Maar Paula! Maar Heliodora! Hare kleine hand had aan den adelaar van Zeus nu eenmaal den bundel bliksemstralenontwrongen,—dan vond zij ook voor deze een schicht! Het gevoel harer geweldige macht, die reeds het eene offer na het andere had doen vallen, bedwelmde haar. Zij wilde Orion, wilde hem die haar bedrogen had, in het verderf gestort en aan ellende prijs gegeven, als bedelaar aan hare voeten zien, en dat was het wat haar den moed gaf, om ook het uiterste te wagen; dat, en dat alleen! En wat haar dan zou lusten te doen, dat wilde zij zelve nog niet weten, dat lag in den schoot der toekomst verborgen, dat kon misschien teeder, barmhartig en liefderijk uitvallen.Toen zij in huis terugkeerde waren angst en beklemming van haar geweken; een nieuwe lust om te handelen vervulde hare ziel, en de kleine luistervink en belaagster was in deze uren eene vreeselijke vrouw geworden die voor geene misdaad terug zou deinzen en zich volkomen bewust was van het doel, dat zij bereiken wilde.»Arm schaapje!” dacht de arts Philippus, toen hij den tuin van Rufinus inliep, »de ongelukkige zal ook haar kleine hartje leed genoeg hebben gedaan!”De tuin van zijn ouden vriend was ledig. Alleen onder de sykomore zaten twee menschen, de reuzengestalte van een jonkman en een schoone, teedere, wat bleeke, blondharige vrouw. De groote jonkman hield een breede streng wol met de kolossale handen uit elkander en het meisje naast hem wond den draad tot een kluwen. Het was de Masdakiet Rustem en de schoone Mandane; beiden waren van hunne wonden hersteld, terwijl de Perzische tot een nieuw, kalm, zelfbewust leven was ontwaakt.Philippus had deze wonderbare herstelling met groote belangstelling en deelneming gevolgd. Hij schreef haar allereerst toe aan de sterke hoofdbloeding, vervolgens aan de goede lucht en de verpleging, die zij genoten had. Het kwam er nu op aan haar ook verder voor onrust en hevige gemoedsaandoeningen te bewaren. In den Masdakiet had zij een vriend en gehoorzamen vereerder gevonden, en Philippus verheugde zich in den aanblik van deze twee, met wie zijne kunst geen schande had ingelegd. De groet, die hij beiden toeriep, klonk vroolijk en hartelijk, en op Philippus’ »hoe gaat het?” antwoordde de Masdakiet blijmoedig: »Als een visch in het water!” en vervolgde, terwijl hij daarbij op Mandane wees: »Mijne landgenoote evenzoo.”»Zijt gij het daarmee eens?” vroeg Philippus, en zij stemde toe met een levendig hoofdknikken.Philippus stak dreigend zijn vinger tegen den Pers op en zeide: »Wikkel u hier niet vast, vriend! Wie weet hoe spoedig heer Haschim u vanhier roept!”Terwijl hij het herstelde paar vervolgens den rug toekeerde, prevelde hij in zichzelven: »Toch altijd nog iets verkwikkends bij al de ellende, zij en de kleine Maria!”Voor zijn vertrek had Rufinus de vergroeide kinderen, die hij bij zich had opgenomen, naar hunne ouders teruggezonden, en de arts vond dus niemand in de voorzaal. Waarschijnlijk waren de vrouwen aan het ontbijt in de spijszaal. Doch hij bedroog zich, want dit zou eerst later beginnen en Pulcheria was nog bezig met de tafel gereed te maken. Zij merkte hem, die binnentrad niet op, terwijl zij druiven en granaatappelen, vijgen en vruchten, die in bundels uit den stam der sykomoren ontspruiten en in smaak op moerbeziën gelijken, zorgvuldig schikte tusschen bladeren, die door den gloed der laatste weken half geel waren geworden. Het aardige bouwsel rondde zich reeds tot een sierlijken kegel in vele geledingen. Doch hare gedachten waren niet bij dezen arbeid, want herhaaldelijk biggelden haar tranen langs de wangen.»Die gelden haar vader,” dacht Philippus, terwijl hij in de deur staande haar beschouwde. »Arm kind!” Hoe vaak had hij zijn vriend haar dus hooren noemen! En voor hem was zij tot nu toe ook een kind geweest. Heden moest hij haar echter met andere oogen aanzien, omdat haar eigen vader het aldus had gewild; ook stond hij werkelijk voor haar als voor een wonder. Wat was er uit die kleine Pul geworden? En waarom merkte hij dit eerst heden op? Eene schoone, volwassene jonkvrouw roerde daar voor hem de sneeuwwitte armen, en kort geleden zou hij hebben gezworen, dat zij nooit andere dan dunne kinderarmpjes had gehad, die zij hem zoo vaak om den hals had geslagen, wanneer zij op hem, haar »edelen ruiter”, in den tuin op en neder had gereden. Hoe lang was dat geleden? Tien jaren! Zij telden nu zeventien! En hoe teeder, slank en blank waren die handen geworden, waarover de moeder haar zoo vaak berispt had, als zij zandhuisjes had gebouwd en terstond daarop aan tafel was gaan zitten.Nu legde zij een druiventros in sierlijke winding rondom eenige granaatappels, en daarbij bedacht hij, hoe zijn oude vriend gisteren hare huishoudelijkheid had geroemd. De gordijnen voor de vensters waren gesloten, toch vonden enkele zonnestralen den weg in het vertrek en vielen op hare goudblonde haren. Zulk een heerlijk gekleurde haartooi hadden zelfs de blonde Boeotische meisjes niet gehad, die hij als student van Athene uit in haar vaderland had bewonderd. Dat zij een aardig, lief gezichtje had, wist hij sedert lang; doch toen zij de oogen opsloeg, hem opmerkte en haar blik zoo maagdelijk schuchter, zoo aangenaam verrast en tevens zoo vriendelijk de zijne ontmoette,gevoelde hij dat hij eene kleur kreeg, en hij moest eerst eenige oogenblikken tot bezinning komen, eer hij haar groet met iets beters dan een gewonen wedergroet kon beantwoorden. En met welken veelbeteekenenden volzin begon hij zijne toespraak, waarop hij zich in deze pauze bedacht had?»Ja, daar ben ik,” luidde het woordelijk. Waarlijk dit verdiende niet het hartelijk antwoord: »Goddank dat gij komt!”, en de met zulk een bevallige verlegenheid erbij gevoegde verklaring: »Al ware het enkel om moeders wil!”Daar kleurde hij andermaal, de man, die van jeugdige bedeesdheid sedert lang niet meer wist, en vroeg naar den welstand van vrouw Johanna en hoe zij haar leed droeg, en zeide eindelijk ernstig: »Wat booze tijdingen bracht ik u gisteren, en heden kom ik weder als een ongeluksraaf in huis fladderen.”»Gij?” vroeg zij vriendelijk, en in dit enkele woord lag zulk een lieftallige twijfel aan zijne bedoeling, om iets kwaad te brengen, dat hij erkennen moest, zijn vriend hem in dit kind, in deze jonkvrouw het beste had nagelaten wat de eene sterveling den ander vermaken kan: eene dierbare, trouwhartige, onschuldige dochter, neen, een zuster, zoo rein, zoo aanminnig en beminnenswaardig, als alleen het kind van zulke ouders zijn kon. En terwijl hij haar vervolgens vertelde, wat er in de stadhouderlijke woning gebeurd was en bemerkte hoe zeer haar om Paula’s en Maria’s wil de dood van de weduwe ter harte ging, die haar overigens vreemd was, besloot hij Pulcherias moeder zoo spoedig mogelijk met den wensch van haar overleden echtgenoot bekend te maken.Doch dit alles stelde de vroegere gevoelens voor Paula in geenen deele in den schaduw, neen, zij kwelden hem heden meer dan ooit en brandden hem op het hart; maar hij erkende daarbij, dat zij hem ongelukkig maakten, dat hijzelf zich daarmede schade berokkende en beleedigde, daar zij niet beantwoord werden. Hij wist, dat hij in de nabijheid van de Damasceensche, veroordeeld om met haar samen te leven, nooit tot rust zou komen en leed op leed te verduren zou hebben. Alleen ver van haar en onder éen dak met Johanna en hare dochter kon het hem gegeven zijn een tevredener, gelukkiger mensch te worden. Toch waagde hij nog niet deze gedachte onder woorden te brengen.Pulcheria bemerkte, dat hij iets voor haar verzweeg en vreesde dat hem opnieuw iets bekend was geworden, dat haar bedreigde, doch deze bezorgdheid kon hij wegnemen door te verzekeren, dat hij veeleer iets in het schild voerde, dat hem althans verblijdend toescheen. Maar haar bekommerd en zeer beangstigd gemoed kon daaraan nauwelijks gelooven en daarom smeektehij haar de hoop op beter dagen niet te laten varen en vroeg haar, of zij goed en vast vertrouwen in hem stelde. Daarop antwoordde zij blijmoedig, dat hij dit wel voelen kon, en terwijl vrouw Johanna en de anderen de kamer binnenkwamen, en zij hare moeder, die zij reeds in de vroegte begroet had, toeknikte, reikte zij hem de hand, greep de zijne en schudde die hartelijk. Dat waren verkwikkende oogenblikken voor hem geweest, doch het zien van Paula en wat hij haar had mede te deelen, bracht hem weder in de oude, gedrukte, ongelukkige stemming.De kleine Maria, die weder roode koonen had gekregen en er gezond uitzag, vloog bij de booze tijdingen, die hij overbracht, snikkende Paula om den hals. Deze hield zich echter bedaarder dan hij verwacht had en wist zich te beheerschen. Wel-is-waar was zij eerst doodsbleek geworden, doch weldra had zij rustig en kalm geluisterd en eindelijk hare vrije, opgerichte houding weder aangenomen. Philippus moest de hand aan het hart brengen toen hij haar zag, en zoodra het voegzaam geschieden kon vertrok hij. Het was als moest hem nog eens duidelijk en smartelijk voor oogen gesteld worden, wat hij in haar had kunnen bezitten, want als gedragen door een hooger gevoel schreed zij daarheen, en een fantastische glans verleende haar edel gelaat eene betoovering, die hem evenzeer pijn deed als ze hem in verrukking bracht.Orion een van zijne goederen beroofde gevangene! Maar korten tijd had deze gedachte haar schrik aangejaagd; doch daarna was het haar geweest, als moest het juist zoo zijn, als ware datgene wat op het eerste gezicht een vreeselijk onheil scheen, haar toegezonden, om haar liefde geheel van het omhulsel te bevrijden, haar in al hare grootte en reinheid in het licht te stellen, en daaraan met hulp van den Algoede de rechte wijding te geven. Voor zijn leven was zij niet bevreesd, want hij had haar gezegd en geschreven, hoe de veldheer Amr hem met vaderlijke genegenheid tegemoet was gekomen, en alles wat thans gebeurde was zeker een streek van den Wekil, van wiens boosaardig en hatelijk voorkomen hij een afschrikwekkend beeld had geteekend, terwijl Rufinus de abdis was gaan waarschuwen.Toen het huis van den vriend achter Philippus lag, haalde hij weer vrijer adem. Wat had hij die vrouwen geheel anders gevonden dan hij verwacht had! Zijn oude vriend kende de menschen! Uit kleine aanwijzingen was het den grijsaard gelukt zich een vollediger beeld van Pulcheria te vormen, dan hij door jaren lange vertrouwelijke omgang zou hebben kunnen verkrijgen. Ook dat had de oude vooruitgezien, dat de gevaren, die des stadhouders zoon bedreigden, Paulas gevoelens voor Orion als eene frissche koelte zouden aanwakkeren. En Johanna, de teederezwakke Johanna, hoe droeg zij als eene heldin het verlies van hem, voor wien zij zoovele jaren in trouwe liefde had geleefd. Hij kwam er vanzelf toe haar met de ongelukkige Neforis te vergelijken, en wat was het, dat Johanna het zwaarste verlies zooveel waardiger deed dragen dan deze? Zeker dit, dat het teeder gemoed harer Pulcheria, hetwelk het leed zoo eenvoudig en stil met haar droeg, dat verlies zoo gaarne en verstandig met haar deelde. Zulk een hart had der weduwe van den Mukaukas ontbroken, en gelukkig wie zulk een hart het zijne kon noemen. Met gebogen hoofd liep hij den tuin door, ditmaal zonder ter zijde te zien.De Masdakiet, die nog altijd met Mandane onder de sykomore zat en even weinig als zij letsel had van de steeds toenemende zonnehitte, keek hem na, wees op hem en zeide: »Daar gaat hij! Het was zeker voor de eerste maal, dat hij u of mij een norsch woord toesprak; of hebt gij het niet verstaan?”»Wel zeker,” zeide zij zacht, zonder de oogen van haar handwerk op te slaan.Zij spraken Perzisch met elkander; want zij hadden de taal nog niet verleerd, die hunne moeders tot het laatst met hen gesproken hadden. Het leven gelijkt soms op het wonderlijkste sprookje, en men kon het bijna een wonder noemen, dat juist deze twee in de ziekenkamer bij elkander gekomen waren, want zijn afgelegen vaderland was ook het hare, en hij kende ook haar oom, den broeder haars vaders, en de treurige geschiedenis van den laatste. Toen het Grieksche leger zich van zijne landstreek had meester gemaakt, waren de mannen met de kudden in de bosschen gevlucht, de vrouwen en kinderen in het vestingwerk, dat den landweg verdedigde. Dit had maar korten tijd tegen de Byzantijnen stand kunnen houden, en de vrouwen, waaronder ook Mandane en hare moeder, waren onder de soldaten verdeeld als een kostbare krijgsbuit. Haar vader had toen een gewapende bende rondom zich vereenigd, om de vrouwen te bevrijden, doch was daarbij met zijne gezellen om het leven gekomen. Men sprak nog heden ten dage in dien streek over het treurige einde van den moedigen man, en zijn jongeren broeder behoorde thans het goed en de heerlijke graslanden, die gene eens bezeten had.Zoo hadden beide herstellenden elkander veel van vroeger te vertellen en het was merkwaardig, hoe vele herinneringen uit hare eerste kindschheid Mandane waren bijgebleven. Met benevelde hersens was haar gewond hoofd op het kussen in het ziekbed neergelegd, en gelijk een onweder, dat de verstikkende lucht van een drukkenden zomerdag zuivert, had het nieuwe leed den sluier weggenomen van de oogen harer ziel. Zij verwijldegaarne bij hare kindschheid, den tijd toen zij hare moeder nog bezat, en bij het tegenwoordige; wat daar tusschen lag was voor haar als de nachtelijke hemel; donker, maar verhelderd door eene schrikwekkende komeet en schitterende sterren. Die komeet was Orion. Wat zij met hem genoten en door hem geleden had, rekende zij tot den tijd van haar waanzin; zij had zich gewend, dat alles toe te schrijven aan de zinsbegoocheling, waarin zij toen bevangen was geweest.Hare ziel was niet geschapen om te haten, en zij wilde en kon den zoon des stadhouders niet vijandig gezind zijn. Zij stelde zich hem voor als een die haar zonder boos opzet groot onrecht had aangedaan, en aan wien zij zelfs niet meer denken mocht, zonder zich aan gevaar bloot te stellen.»Dat wil dus zeggen,” begon deMasdakietweder, »dat het ook u niet onverschillig zal zijn, als Haschim mij terugroept?”»Neen, Rustem, dat zou mij zeer leed doen.”»O!” riep de ander, terwijl hij zijne hand streek over zijn groot hoofd, waarop het zware haar, dat men had afgesneden, weder begon langer te worden. »Ja, dan, Mandane, dan.... Ik heb reeds gisteren willen spreken, doch het kwam er nog niet uit; maar nu: Waarom doet het u eigenlijk leed, dat ik vertrekken moet?”»Omdat—ja wie kan dat zoo ineens zeggen—omdat gij altijd goed voor mij waart, en omdat gij mijn landsman zijt en ik met u Perzisch spreken kan, evenals met mijne moeder.”»Zoo, daarom dus alleen?” vroeg de ander op gerekten toon, terwijl hij zich over het voorhoofd wreef.»Neen, neen! Ook omdat....Als gij ons eenmaal verlaten hebt, dan zijt gij er ook al niet meer....”»Ja, dat is het juist, dat is het! En als u dat leed doet, dan moet het u hier toch bevallen hebben—zoo samen met mij.”»Waarom ook niet? Het was zeker heel prettig,” zeide zij, terwijl zij blozende zijn blik trachtte te ontwijken.»Dat was het ook, en is het nog altijd!”zeide hij met de breede vuist in zijne linkerhand slaande. »En juist daarom moet het er eens uit, daarom moeten wij, als wij verstandig zijn, niet meer van elkander scheiden.”»Maar uw heer zal u noodig hebben!” zeide zij, met toenemende ongerustheid, »en wij kunnen die goede menschen hier toch niet altijd tot last zijn. Ik mag nog niet weven, maar nu ik toch vrij ben en het geschrift in handen heb dat mij de vrijheid wedergeeft, moet ik naar werk omzien, en een krachtig, gezond man als gij zijt kan zich toch ook niet altijd laten verplegen.”»Wat verplegen!” zeide de Masdakiet, terwijl hij vergenoegdlachte. »Er moet gewerkt worden, gewerkt en wel voor drie!”»Bij uw kameelen: altijd op reis?”»Dat moet dan ophouden,” antwoordde hij meesmuilend. »Wij gaan naar ons land terug, ik koop mij daar een goed stuk weiland, want mijn oudste broeder heeft ons goedje, en of ik de kameelfokkerij versta, dat kunt gij aan Haschim vragen.”»Maar, Rustem, bedenk toch!”»Bedenken! Denken voor en na! Willen en hebben daarop komt het aan! En als gij meent dat er geld noodig is om te koopen, en dat het haperen zal aan dat goedje, zoo kan ik u zeggen.... Kunt gij lezen?—Neen?—Ik ook niet, maar hier in mijn taschje heb ik de afrekening van mijn heer, met zijne eigene hand geschreven. Elfduizend driehonderdzestig drachmen waren het aan loon, tot den laatsten termijn, verstaat ge, en aan winst, waarin de heer mij liet deelen sedert ik de karavaan leidde. Hij heeft bijna alles voor mij bewaard; want voor mijn onderhoud behoefde ik niet te zorgen; van de koopwaren viel altijd genoeg af om mij te dekken, en een slemper ben ik nooit geweest. Elfduizend driehonderdzestig drachmen! He, mijn duifje, zoo staat het; en wat zegt gij nu? Kan daarvoor ook iets gekocht worden? Ja of neen?”Hij zag haar zegevierend aan, doch zij antwoordde met warmte: »Wis en zeker, en hij ons te lande, geloof ik, iets heel aardigs.”»En wij—gij en ik—wij—er zal nu een geheel nieuw leventje beginnen. Ik was zeventien jaren oud, toen ik den meester volgde en bij de laatste zonnestilstand ben ik zes-en-twintig geworden. Hoe veel jaren was ik dus reizende?”Beiden dachten een poosje na, waarop Mandane schuchter zeide: »Als ik mij niet vergis zijn het er acht.”»Het zijn er reeds negen, geloof ik,” hernam hij met nadruk. »Laat eens zien; hier met het handje! Ziet ge met de zeventien begin ik—zoooud was ik toen ik in dienst trad. De kleine vinger eerst—wat een lief fijn dingetje!—en nu de andere!”Hij hield hare rechterhand vast en telde aan hare vingers verder, tot hij aan den laatste der linkerhand gekomen was. De uitkomst deed hem verbaasd opzien, en het hoofd schuddende zei hij: »Men heeft toch aan de twee handen tien vingers, en tien jaren kunnen het nog niet zijn, het zijn erhoogstensnegen!”En thans begon het tellen, dat hem zeer behaagde, van voren aan, doch de uitkomst bleef dezelfde; zij verzekerde nochtans, dat het maar negen waren; zij had het berekend, en hij gaf haar gelijk en meende, dat hare vingers betooverd waren. Ja,het spel zou nog lang hebben voortgeduurd, als zij niet op het denkbeeld was gekomen, dat men de zeventien niet mee mocht tellen, maar dadelijk met achttien beginnen moest. Rustem kon dat echter niet goed begrijpen, en toen hij niettemin toegaf, liet hij toch hare hand niet los en ging vroolijk voort: »Ziet gij, lief kind, deze kleine hand—gij moogt haar nu terugtrekken als ge wilt—deze hand wil ik behouden, en met haar het aardige meisje, en alles wat daartoe behoort. En ik neem u en de beide handen met de betooverde vingers mede naar mijn huisje. Daar kunnen zij vlijtig weven en borduren, en als man en vrouw zullen we nooit weer van elkander scheiden. Eén leven zullen wij leiden—éen leven—de vreugde van het Paradijs zal daarbij vergeleken zijn; als enkel slagen met een knuppel van olijvenhout op den schedel; daar weet ik van te praten!”Daarbij greep hij weder naar hare hand, doch zij trok haar terug en zeide verlegen en met neergeslagen oogen: »Neen Rustem, ik heb reeds gisteren gevreesd, dat iets dergelijks zou komen, doch dit kan nooit gebeuren. Ik ben zoo dankbaar, o zoo dankbaar; maar neen, neen, dit mag niet, daar blijft het bij. Uwe vrouw kan ik niet worden, Rustem!”»Niet?” vroeg hij op doffen toon, en op zijn vermagerd voorhoofd begonnen de aderen te zwellen. »Hebt gij mij dan vroeger voor den gek gehouden? En wat gij daar bazelt van dankbaarheid...”Hevig ontsteld stond hij op, doch zij greep hem bij den arm, trok hem op de bank terug, waagde het hem met teederheid in de oogen te zien, die niet lang boos konden kijken, en zeide: »Wat vliegt gij dadelijk weer op! Het zal mij zeer stellig aan het hart gaan van u te scheiden, en kunt gij het mij dan niet aanzien, dat ik u goed gezind ben? Maar het gaat, waarlijk het gaat niet! Ik, ik... ach, kon ik maar weder naar mijn vaderland terug, met u, juist met u! En uwe vrouw. Wat eene verhevene, heerlijke gedachte is dat, en hoe gaarne zou ik voor ons beiden de handen roeren, die vlijtig en bekwaam genoeg zijn, maar....”»Maar?” vroeg hij terwijl hij zijn groot, vuurrood gezicht naar haar toekeerde met eene uitdrukking, als wilde hij haar verslinden.»Maar om uwentwil gaat het niet, en mag het niet gebeuren, neen, waarlijk niet, want zoo slecht wil ik u voor al uwe goedheid niet beloonen. Hebt gij dan geheel vergeten, wat ik was en wat ik ben? En gij? Als vrij man gaat gij weldra met een mooi kapitaal naar huis en kunt van iedereen achting en eerbied verlangen; doch dat alles wordt anders, geheel anders,wanneer gij eene vrouw als ik ben met u medesleept, eene,—al ware het maar alleen eene voormalige slavin!”»Komt het dus daarop neer?” haastte hij zich te vragen, terwijl zijn gelaat weer ophelderde. »Is dat het wat u beangst, gij arm zieltje? Maar weet gij dan niet wie ik ben, heb ik u niet onlangs verklaard, wat een Masdakiet is? Wij Masdakieten gelooven en weten, dat alle menschen oorspronkelijk gelijk zijn, dat het er beter zou uitzien in deze oliedomme wereld, als er noch heeren, noch knechten waren; maar het gaat nu eenmaal op aarde toe zooals het gaat. De reine Hemelheer duldt het wellicht nog een poosje, maar eerlang, misschien spoedig reeds wordt het geheel anders, en het is onze taak, dien dag der gelijkheid voor te bereiden. Met dien dag komt het Paradijs op aarde, dan zal er onder de menschen geen hooger of lager zijn, maar zij zullen naast elkander en hand in hand gaan en staan. Krijg en ellende houden dan op, want wat er schoons en goeds op aarde is, dat wordt gemeenschappelijk eigendom, en ieder geeft en helpt den ander even gaarne, als hij hem thans alles ontneemt, hem benadeelt en onderdrukt. Wij sluiten ook geen huwelijken, zooals de andere menschen, maar de man, die eene vrouw liefheeft, zegt: ‘Wilt gij de mijne zijn?’ en als het hart haar dit ingeeft, volgt zij hem in zijn huis; doch de een mag echter den ander verlaten, als het uit is met de liefde, maar geen echtpaar onder Parsen en Christenen was inniger verbonden dan mijne ouders en grootouders; zoo willen ook wij bij elkaar blijven tot het einde, want onze liefde zal ons vast samenbinden met stevige koorden, die langer duren dan ons leven.—Nu kent gij de leer van onze meester Masdak, dien mijn vader en grootvader reeds volgden, en die mijne moeder mij heeft ingeprent, toen ik nog zeer klein was. Ons geheele dorp is die leer toegedaan, en daar zijn ook geen slaven, neen, het land dat bij het dorp behoort, dat bearbeiden allen te zamen en den oogst deelen zij met elkaar. Vreemden laten zij echter niet meer toe en ik moet mijn deel elders gaan zoeken.Ik blijf daarom toch Masdakiet1, en kies mij eene gewezene slavin tot vrouw, dan handel ik naar de leer van mijn meester en laat daaraan recht wedervaren. Maar u—u gaat dit alles eigenlijk niet aan, want gij zijt het kind van een vrijen, braven man, wien het geheeleland acht; voor wie daar in het oosten wonen zijt gij eene gevangene, maar geene slavin. Zij zullen mij eeren als uw bevrijder. Maar had ik u zooals gij daar zijt, als de minste slavin van een zwijnenhoeder gevonden, ongetwijfeld zou ik dan terstond in den buidel getast, u losgekocht en u als mijn vrouw mede maar huis genomen hebben, en geen van de onzen, die u zag, zou het u hebben aangezien. Nu weet gij waar het op staat, en is het, hoop ik gedaan met dat tegenspartelen en uitvluchten zoeken.”Doch Mandane gaf hem nog altijd geen gewonnen spel; zij zag hem droevig aan met een blik, die medelijden scheen te vragen, en wees naar de plaats van hare verminkte ooren. Hierbij haalde Rustem de schouders op en zeide lachende: »Natuurlijk, dat nu ook nog! Gij schijnt mij niets te willen schenken. Ja, had het de oogen gegolden, dan was het uitgeweest met het zien, en eene blinde vrouw kan een landman niet gebruiken; dan liet ik u ook waar gij zijt. Maar zoo—zeg zelf, mijn duifje hoort gij niet zoo scherp als een vogel? En de vogels—het zijn zulke aardige diertjes—hebt gij er ooit een met ooren gezien, behalve die leelijke vleermuizen en uilen? Dat is allemaal zottepraat. En wie kan u dan nog aanzien wat gij mist sedert jonkvrouw Pul u de haren zoo netjes naar voren gekamd heeft? En dan bij ons te lande! Hebt gij vergeten welk een hoofddeksel onze vrouwen dragen? Al had iemand lepels gelijk een haas, wat nood? Men ziet er toch niets van. Zooals gij zijt, gij lelie, die als een cypres zijt opgewasschen ziet gij er nog tienmaal schooner uit dan de aardigste ginds al hadt ge in plaats van twee, zelfs drie of vier ooren. Een meisje met drie ooren! Denk eens, Mandane: waar zou dat derde komen te staan?”Hoe hartelijk lachte hij daarbij, hoe blijde was hij, die aardigheid bedacht, en wat haar gemakkelijk leed had kunnen doen, zoo schertsend terzijde geschoven te hebben. Doch zijne openhartige vroolijkheid miste hare uitwerking en plooide hare zwijgende lippen slechts tot een glimlach, en ook deze verdween snel, en in de plaats daarvan nam haar gelaat, terwijl haar schoon kopje laag op de borst zonk, zulk eene diep bezorgde, bekommerde, uitdrukking aan, dat hij noch met zijn scherts voortgaan,noch verder bij haar aandringen kon, maar medelijdend en even met het hoofd schuddend zeide: »Zoo moet ge mij niet aanzien, duifje, ik kan het niet verdragen. Wat ligt u verder dan nog op het hart? Moed, moed, mijn schatje; spreek het maar vrij uit! Maar wacht! Zwijg maar! Ja, dat kan ik u wel besparen. Arm lief meisje!—het is de oude geschiedenis met den zoon van den Mukaukas.”Zij bevestigde dit door eene lichte beweging van het hoofd en met betraande oogen, maar hij slaakte een diepen zucht en zeide: »Dat heb ik wel gedacht, juist gedacht, arm hartje!”.Hij nam hierop hare hand en ging trouwhartig voort: »Dat heeft ook mij kwade uren bezorgd, heeft mij daar binnen veel te doen gegeven, en bijna was het zoover gekomen, dat ik u daarom had laten zitten en ons beiden het geluk en de vreugde had ontroofd. Maar ter rechter tijd heb ik mij bezonnen. Niet omdat vrouw Johanna—en wat zij zegt moet wel waar zijn—mij eergisteren zeide dat het met—nu ja, dat weet gij wel—dat is alles weg en voorbij; neen, ditmaal is het verstand uit mijzelven gekomen; want ik heb bij mij zelven gedacht; zulk een engelachtig schoon, moederloos, weerloos slavinnetje, dat de jonge zoon van den heer zelven vasthoudt, hoe zal het zich verweren? Hoe gruwzaam werd dat arme lieve hartje gestraft! Ach meisjelief, meisjelief, huil maar uit! Mijne oogen schieten ook vol tranen, het heeft zoo moeten zijn, het was zoo over u beschoren. Gij en ik en de groote koning en alle hemelsche heerscharen, wie kan er iets tegen doen? Maar, ziet ge, ik arme gek, ik begrijp hoe dat gekomen is, en klaag u daarom niet aan en heb u ook niets te vergeven. Het is echter een groot onheil geweest. Maar het heeft, goddank, intijds een einde genomen, en ik kan het geheel en al vergeten, wanneer gij mij slechts zegt:‘Dat alles is uit en voorbij, en ligt in het graf als iets dat dood is.’”Nu bracht zij, voor hij het beletten kon, met onstuimige hartelijkheid zijne hand aan hare lippen en zeide snikkende: »Zoo goed, zoo goddelijk goed als gij zij, Rustem, zoo goed zijn er geen twee menschen op aarde, en daarvoor zal mijne moeder u zegenen. Doe met mij wat gij wilt! Weet dat alles voorbij is, weg en voorbij, en als ik er nog eens aan denken moet, dan gevoel ik een afkeer daarvan. Zoo, juist zooals gij zeidet, is het werkelijk gegaan. Moeder dood, en niemand om mij te waarschuwen en te beschermen! Ik was pas zestien jaren oud, een eenvoudig, onervaren ding, toen hij mij tot zich riep, en wat er met mij gebeurd is was als een droom, als men slaapt. En toen ik weder ontwaakte...”»Nu zijn wij er,” zeide hij, haar in de rede vallende, waarbij hij de oogen afveegde en beproefde te lachen. »Toen lagen wij beide met wonden aan het hoofd naast elkander, en gelijk het bij mij te huis altijd op zijn fraaist is, wanneer de harde wintervorst voorbij en de sneeuw gesmolten is, en alle bloemen in het dal opeens beginnen te bloeien, zoo gaat het ten leste ook met ons, meisje. Het zal nu goed, wonderschoon worden! Ziet ge, eergisteren was ik het met mijzelven nog niet eens, wantuw ongeval liet mij geen rust en zat mij in den weg; nu, dat kunt gij wel begrijpen. Toen ik later op mijne kamer te bed lag en de maan naar binnen scheen, toen”—en nu ging hij nadenkend voort met een droomerige uitdrukking, die zijn eenvoudig gelaat bijzonder goed stond—»toen moest ik vragen: heeft dan de maan daarboven heden avond niet weder goede verfrissching en fraai licht gebracht, hoewel zij toch in de vroegte nog in zee verzonken was? En kan zoo een menschenhart, dat eenmaal was ondergegaan, ook niet weder helder en blank opgaan, wanneer het zich gereinigd heeft en uitgerust is? En welk een hart! Men zou de liefde van zulk een hart wel voor zich alleen wenschen, maar die kan zich toch meer dan eenmaal weggeven. Want, zoo dacht ik bij mijzelven, wat is mijne moeder teeder voor mij geweest; en toen er nog een kindje kwam en weder een, heeft zij aan dezen ook het beste gegeven wat zij bezat; en ik ben daarom toch niet tekort gekomen, als zij mijn jongste zusje aan de borst hield, en ook dat zusje leed er geen schade bij, als moeder mij liefkoosde en mij kuste. Zoo moet het ook zijn! En zij, dacht ik verder, al heeft zij ook reeds eenmaal een ander liefgehad, er blijft toch voor mij nog een goed deel liefde over!”»Ja, ja, Rustem, zeker!” zeide zij, hem met dankbare betraande oogen in het open gelaat ziende. »Wat er aan liefde en teederheid in mij is, dat zult gij, gij alleen hebben.”»Nu,” riep hij vroolijk, »dat was een woord! Daar kan men zich aan vasthouden! Dat noem ik me eerst een morgen! Als een losgelaten landlooper heb ik mij hier onder de sykomore neergezet en als een toekomstig grondbezitter, wien het schoonste wijfje op aarde aan huis bindt, sta ik nu op.”Zij bleven nog lang in de koele schaduw van het loofdak zitten en hij verlangde niets anders, dan haar aan te zien en op de oude vraag van geliefden met de lippen, de oogen en een zwijgend hoofdknikken het antwoord ontvangen. Hare handen brachten de naald niet meer in beweging; doch beiden zouden hen medelijdend hebben uitgelachen, die dezen voormiddag met zijne verzengende, alles verdrogende hitte onuitstaanbaar noemden. Een paar tortelduiven boven hunne hoofden was minder ongevoelig voor den zonnegloed, want het had de oogen gesloten, en de kop van het wijfje rustte slap tegen den donkeren ring aan den hals van het mannetje.
Katharina had weinig geslapen en was volgens hare gewoonte zeer vroeg opgestaan, terwijl Heliodora de morgenuren gaarne versliep. Deze waren in zulk een gloeiend heeten tijd zeker de schoonste van den dag, en het kwikstaartje had ze vroeger vroolijk genoten. Maar hoewel eene groote Indische bloem in den afgeloopen nacht voor de eerste maal was opengegaan, en de tuinopzichter haar deze met zekeren trots toonde, kon zij er toch geen behagen in scheppen. De bloem mocht verdorren en met haar de geheele wereld!
In ’s buurmans tuin was nog geen beweging. Doch daar kwam de lange arts Philippus op de straat aanloopen, om de vrouwen hiernaast te bezoeken. Met enkele groote stappen ijlde zij naar de poort en riep hem aan. Zij wilde hem verzoeken over de ontmoeting van gisteren te zwijgen, doch hij bleef terstond staan en deelde haar mede, voor zij nog tijd had gevonden hem haar wensch te openbaren, dat de weduwe van den Mukaukas in dezen nacht, door schrik en ontzetting overmand haar gemaal gevolgd was.
Er was een tijd geweest, waarin het kwikstaartje aan vrouw Neforis als aan eene tweede moeder gehecht was, waarin het stadhouderlijk paleis in haar oog het kort begrip was geweest van al wat groot, eerwaardig en voornaam was; waarin zij er trotsch op was geweest en er zich gelukkig in had gevoeld, daar in en uit te mogen gaan; daar als een kind des huizes bemind te worden. De tranen, die bij dit bericht in hare oogen welden, waren dus niet geveinsd, en het was haar goed die vroolijke, trotsche en gelukkige houding te verlaten, die zij als een masker had aangenomen, sedert het er in hare ziel zoo duister, woest en ellendig uitzag.
De arts begreep hare droefheid, beloofde haar gaarne tegen ieder te zullen zwijgen, berispte haar niet, bracht haar echter nogmaals het gevaar onder de oogen, waaraan zij zich hadblootgesteld, en herinnerde haar met nadruk, dat elk kleedingstuk, hetwelk zij en Heliodora gisteren gedragen hadden, moest worden weggedaan, daar de fijne aanstekelijke stofdeeltjes aan alles bleven hangen, en ieder kleedingstuk, dat een kranke had aangeraakt, zeer best in staat was om het pestgif op anderen over te dragen en verder te verbreiden. Angstig hoorde zij hem aan en zij kon hem gerust stellen, want alles wat zij en de jonge vrouw gisteren gedragen hadden, was in den badoven gestopt. De arts ging hierop verder, maar zij sloeg geen acht op de hitte en wandelde rusteloos rond in de paden van den tuin. Haar hart klopte met kleine, snelle, pijnigende slagen; een onzichtbare last drukte en verhinderde haar vrij adem te halen.Daarbijsteeg er eene reeks kwellende gedachten ongeroepen bij haar op, die zich niet lieten onderdrukken en hare beklemdheid vermeerderden.
Vrouw Neforis dood, de stadhouderlijke woning in handen der Arabieren. Orion van al zijne goederen beroofd en aangeklaagd op leven of dood! En dat vreedzame huis daar achter de heg! Wat stond het te wachten, en zijn zilverharigen heer en diens onschuldige vrouw en dochter? Er pakte zich boven hunne hoofden een onweder samen, zij zag het naderen, en daarachter als eene nieuwe, donkere met den dood dreigende wolk de pest, de vreeselijke pest!—En al die schrikkelijke dingen had zij, zij, het kleine, zwakke meisje, het vlugge kwikstaartje te voorschijn geroepen;zij was het geweest, die de sluizen had geopend, waaruit thans het verderf links en rechts van haar zich uitstortte. Zij zag den vloed wassen en stijgen, zag dien reeds haar eigen huis, haar eigen voet begeerig omspoelen, en zij werd zoo bevreesd, dat de gedachte hieraan alleen haar het zweet op voorhoofd en handen deed uitbreken; en toch, toch! Al had zij werkelijk de macht gehad, om het onweder in zijne wolken, de vloed binnen zijne bedding terug te dringen, zij zou het toch niet gedaan hebben. Het laatste wat zij wenschte, wat zij als vrucht van het door haar gezaaide begeerde te zien opschieten en zich ontwikkelen, was nog niet gekomen. Om dat te beleven was het waard veel te dulden, ja als het zijn moest deze valsche, heete aarde vaarwel te zeggen, die alle aantrekkelijkheid voor haar verloren had.
Boven Orions hoofd hing het zwaard, en vóor het hem trof zou hij weten, wie het voor hem geslepen had. Misschien bracht hij er het leven af, maar de Arabier gaf niet terug wat hij eens bezat, en moest werkelijk de jonge, schitterende Kroisos als bedelaar uit de gevangenis in het leven terugkeeren, dan, dan.... Maar Paula! Maar Heliodora! Hare kleine hand had aan den adelaar van Zeus nu eenmaal den bundel bliksemstralenontwrongen,—dan vond zij ook voor deze een schicht! Het gevoel harer geweldige macht, die reeds het eene offer na het andere had doen vallen, bedwelmde haar. Zij wilde Orion, wilde hem die haar bedrogen had, in het verderf gestort en aan ellende prijs gegeven, als bedelaar aan hare voeten zien, en dat was het wat haar den moed gaf, om ook het uiterste te wagen; dat, en dat alleen! En wat haar dan zou lusten te doen, dat wilde zij zelve nog niet weten, dat lag in den schoot der toekomst verborgen, dat kon misschien teeder, barmhartig en liefderijk uitvallen.
Toen zij in huis terugkeerde waren angst en beklemming van haar geweken; een nieuwe lust om te handelen vervulde hare ziel, en de kleine luistervink en belaagster was in deze uren eene vreeselijke vrouw geworden die voor geene misdaad terug zou deinzen en zich volkomen bewust was van het doel, dat zij bereiken wilde.
»Arm schaapje!” dacht de arts Philippus, toen hij den tuin van Rufinus inliep, »de ongelukkige zal ook haar kleine hartje leed genoeg hebben gedaan!”
De tuin van zijn ouden vriend was ledig. Alleen onder de sykomore zaten twee menschen, de reuzengestalte van een jonkman en een schoone, teedere, wat bleeke, blondharige vrouw. De groote jonkman hield een breede streng wol met de kolossale handen uit elkander en het meisje naast hem wond den draad tot een kluwen. Het was de Masdakiet Rustem en de schoone Mandane; beiden waren van hunne wonden hersteld, terwijl de Perzische tot een nieuw, kalm, zelfbewust leven was ontwaakt.
Philippus had deze wonderbare herstelling met groote belangstelling en deelneming gevolgd. Hij schreef haar allereerst toe aan de sterke hoofdbloeding, vervolgens aan de goede lucht en de verpleging, die zij genoten had. Het kwam er nu op aan haar ook verder voor onrust en hevige gemoedsaandoeningen te bewaren. In den Masdakiet had zij een vriend en gehoorzamen vereerder gevonden, en Philippus verheugde zich in den aanblik van deze twee, met wie zijne kunst geen schande had ingelegd. De groet, die hij beiden toeriep, klonk vroolijk en hartelijk, en op Philippus’ »hoe gaat het?” antwoordde de Masdakiet blijmoedig: »Als een visch in het water!” en vervolgde, terwijl hij daarbij op Mandane wees: »Mijne landgenoote evenzoo.”
»Zijt gij het daarmee eens?” vroeg Philippus, en zij stemde toe met een levendig hoofdknikken.
Philippus stak dreigend zijn vinger tegen den Pers op en zeide: »Wikkel u hier niet vast, vriend! Wie weet hoe spoedig heer Haschim u vanhier roept!”
Terwijl hij het herstelde paar vervolgens den rug toekeerde, prevelde hij in zichzelven: »Toch altijd nog iets verkwikkends bij al de ellende, zij en de kleine Maria!”
Voor zijn vertrek had Rufinus de vergroeide kinderen, die hij bij zich had opgenomen, naar hunne ouders teruggezonden, en de arts vond dus niemand in de voorzaal. Waarschijnlijk waren de vrouwen aan het ontbijt in de spijszaal. Doch hij bedroog zich, want dit zou eerst later beginnen en Pulcheria was nog bezig met de tafel gereed te maken. Zij merkte hem, die binnentrad niet op, terwijl zij druiven en granaatappelen, vijgen en vruchten, die in bundels uit den stam der sykomoren ontspruiten en in smaak op moerbeziën gelijken, zorgvuldig schikte tusschen bladeren, die door den gloed der laatste weken half geel waren geworden. Het aardige bouwsel rondde zich reeds tot een sierlijken kegel in vele geledingen. Doch hare gedachten waren niet bij dezen arbeid, want herhaaldelijk biggelden haar tranen langs de wangen.
»Die gelden haar vader,” dacht Philippus, terwijl hij in de deur staande haar beschouwde. »Arm kind!” Hoe vaak had hij zijn vriend haar dus hooren noemen! En voor hem was zij tot nu toe ook een kind geweest. Heden moest hij haar echter met andere oogen aanzien, omdat haar eigen vader het aldus had gewild; ook stond hij werkelijk voor haar als voor een wonder. Wat was er uit die kleine Pul geworden? En waarom merkte hij dit eerst heden op? Eene schoone, volwassene jonkvrouw roerde daar voor hem de sneeuwwitte armen, en kort geleden zou hij hebben gezworen, dat zij nooit andere dan dunne kinderarmpjes had gehad, die zij hem zoo vaak om den hals had geslagen, wanneer zij op hem, haar »edelen ruiter”, in den tuin op en neder had gereden. Hoe lang was dat geleden? Tien jaren! Zij telden nu zeventien! En hoe teeder, slank en blank waren die handen geworden, waarover de moeder haar zoo vaak berispt had, als zij zandhuisjes had gebouwd en terstond daarop aan tafel was gaan zitten.
Nu legde zij een druiventros in sierlijke winding rondom eenige granaatappels, en daarbij bedacht hij, hoe zijn oude vriend gisteren hare huishoudelijkheid had geroemd. De gordijnen voor de vensters waren gesloten, toch vonden enkele zonnestralen den weg in het vertrek en vielen op hare goudblonde haren. Zulk een heerlijk gekleurde haartooi hadden zelfs de blonde Boeotische meisjes niet gehad, die hij als student van Athene uit in haar vaderland had bewonderd. Dat zij een aardig, lief gezichtje had, wist hij sedert lang; doch toen zij de oogen opsloeg, hem opmerkte en haar blik zoo maagdelijk schuchter, zoo aangenaam verrast en tevens zoo vriendelijk de zijne ontmoette,gevoelde hij dat hij eene kleur kreeg, en hij moest eerst eenige oogenblikken tot bezinning komen, eer hij haar groet met iets beters dan een gewonen wedergroet kon beantwoorden. En met welken veelbeteekenenden volzin begon hij zijne toespraak, waarop hij zich in deze pauze bedacht had?
»Ja, daar ben ik,” luidde het woordelijk. Waarlijk dit verdiende niet het hartelijk antwoord: »Goddank dat gij komt!”, en de met zulk een bevallige verlegenheid erbij gevoegde verklaring: »Al ware het enkel om moeders wil!”
Daar kleurde hij andermaal, de man, die van jeugdige bedeesdheid sedert lang niet meer wist, en vroeg naar den welstand van vrouw Johanna en hoe zij haar leed droeg, en zeide eindelijk ernstig: »Wat booze tijdingen bracht ik u gisteren, en heden kom ik weder als een ongeluksraaf in huis fladderen.”
»Gij?” vroeg zij vriendelijk, en in dit enkele woord lag zulk een lieftallige twijfel aan zijne bedoeling, om iets kwaad te brengen, dat hij erkennen moest, zijn vriend hem in dit kind, in deze jonkvrouw het beste had nagelaten wat de eene sterveling den ander vermaken kan: eene dierbare, trouwhartige, onschuldige dochter, neen, een zuster, zoo rein, zoo aanminnig en beminnenswaardig, als alleen het kind van zulke ouders zijn kon. En terwijl hij haar vervolgens vertelde, wat er in de stadhouderlijke woning gebeurd was en bemerkte hoe zeer haar om Paula’s en Maria’s wil de dood van de weduwe ter harte ging, die haar overigens vreemd was, besloot hij Pulcherias moeder zoo spoedig mogelijk met den wensch van haar overleden echtgenoot bekend te maken.
Doch dit alles stelde de vroegere gevoelens voor Paula in geenen deele in den schaduw, neen, zij kwelden hem heden meer dan ooit en brandden hem op het hart; maar hij erkende daarbij, dat zij hem ongelukkig maakten, dat hijzelf zich daarmede schade berokkende en beleedigde, daar zij niet beantwoord werden. Hij wist, dat hij in de nabijheid van de Damasceensche, veroordeeld om met haar samen te leven, nooit tot rust zou komen en leed op leed te verduren zou hebben. Alleen ver van haar en onder éen dak met Johanna en hare dochter kon het hem gegeven zijn een tevredener, gelukkiger mensch te worden. Toch waagde hij nog niet deze gedachte onder woorden te brengen.
Pulcheria bemerkte, dat hij iets voor haar verzweeg en vreesde dat hem opnieuw iets bekend was geworden, dat haar bedreigde, doch deze bezorgdheid kon hij wegnemen door te verzekeren, dat hij veeleer iets in het schild voerde, dat hem althans verblijdend toescheen. Maar haar bekommerd en zeer beangstigd gemoed kon daaraan nauwelijks gelooven en daarom smeektehij haar de hoop op beter dagen niet te laten varen en vroeg haar, of zij goed en vast vertrouwen in hem stelde. Daarop antwoordde zij blijmoedig, dat hij dit wel voelen kon, en terwijl vrouw Johanna en de anderen de kamer binnenkwamen, en zij hare moeder, die zij reeds in de vroegte begroet had, toeknikte, reikte zij hem de hand, greep de zijne en schudde die hartelijk. Dat waren verkwikkende oogenblikken voor hem geweest, doch het zien van Paula en wat hij haar had mede te deelen, bracht hem weder in de oude, gedrukte, ongelukkige stemming.
De kleine Maria, die weder roode koonen had gekregen en er gezond uitzag, vloog bij de booze tijdingen, die hij overbracht, snikkende Paula om den hals. Deze hield zich echter bedaarder dan hij verwacht had en wist zich te beheerschen. Wel-is-waar was zij eerst doodsbleek geworden, doch weldra had zij rustig en kalm geluisterd en eindelijk hare vrije, opgerichte houding weder aangenomen. Philippus moest de hand aan het hart brengen toen hij haar zag, en zoodra het voegzaam geschieden kon vertrok hij. Het was als moest hem nog eens duidelijk en smartelijk voor oogen gesteld worden, wat hij in haar had kunnen bezitten, want als gedragen door een hooger gevoel schreed zij daarheen, en een fantastische glans verleende haar edel gelaat eene betoovering, die hem evenzeer pijn deed als ze hem in verrukking bracht.
Orion een van zijne goederen beroofde gevangene! Maar korten tijd had deze gedachte haar schrik aangejaagd; doch daarna was het haar geweest, als moest het juist zoo zijn, als ware datgene wat op het eerste gezicht een vreeselijk onheil scheen, haar toegezonden, om haar liefde geheel van het omhulsel te bevrijden, haar in al hare grootte en reinheid in het licht te stellen, en daaraan met hulp van den Algoede de rechte wijding te geven. Voor zijn leven was zij niet bevreesd, want hij had haar gezegd en geschreven, hoe de veldheer Amr hem met vaderlijke genegenheid tegemoet was gekomen, en alles wat thans gebeurde was zeker een streek van den Wekil, van wiens boosaardig en hatelijk voorkomen hij een afschrikwekkend beeld had geteekend, terwijl Rufinus de abdis was gaan waarschuwen.
Toen het huis van den vriend achter Philippus lag, haalde hij weer vrijer adem. Wat had hij die vrouwen geheel anders gevonden dan hij verwacht had! Zijn oude vriend kende de menschen! Uit kleine aanwijzingen was het den grijsaard gelukt zich een vollediger beeld van Pulcheria te vormen, dan hij door jaren lange vertrouwelijke omgang zou hebben kunnen verkrijgen. Ook dat had de oude vooruitgezien, dat de gevaren, die des stadhouders zoon bedreigden, Paulas gevoelens voor Orion als eene frissche koelte zouden aanwakkeren. En Johanna, de teederezwakke Johanna, hoe droeg zij als eene heldin het verlies van hem, voor wien zij zoovele jaren in trouwe liefde had geleefd. Hij kwam er vanzelf toe haar met de ongelukkige Neforis te vergelijken, en wat was het, dat Johanna het zwaarste verlies zooveel waardiger deed dragen dan deze? Zeker dit, dat het teeder gemoed harer Pulcheria, hetwelk het leed zoo eenvoudig en stil met haar droeg, dat verlies zoo gaarne en verstandig met haar deelde. Zulk een hart had der weduwe van den Mukaukas ontbroken, en gelukkig wie zulk een hart het zijne kon noemen. Met gebogen hoofd liep hij den tuin door, ditmaal zonder ter zijde te zien.
De Masdakiet, die nog altijd met Mandane onder de sykomore zat en even weinig als zij letsel had van de steeds toenemende zonnehitte, keek hem na, wees op hem en zeide: »Daar gaat hij! Het was zeker voor de eerste maal, dat hij u of mij een norsch woord toesprak; of hebt gij het niet verstaan?”
»Wel zeker,” zeide zij zacht, zonder de oogen van haar handwerk op te slaan.
Zij spraken Perzisch met elkander; want zij hadden de taal nog niet verleerd, die hunne moeders tot het laatst met hen gesproken hadden. Het leven gelijkt soms op het wonderlijkste sprookje, en men kon het bijna een wonder noemen, dat juist deze twee in de ziekenkamer bij elkander gekomen waren, want zijn afgelegen vaderland was ook het hare, en hij kende ook haar oom, den broeder haars vaders, en de treurige geschiedenis van den laatste. Toen het Grieksche leger zich van zijne landstreek had meester gemaakt, waren de mannen met de kudden in de bosschen gevlucht, de vrouwen en kinderen in het vestingwerk, dat den landweg verdedigde. Dit had maar korten tijd tegen de Byzantijnen stand kunnen houden, en de vrouwen, waaronder ook Mandane en hare moeder, waren onder de soldaten verdeeld als een kostbare krijgsbuit. Haar vader had toen een gewapende bende rondom zich vereenigd, om de vrouwen te bevrijden, doch was daarbij met zijne gezellen om het leven gekomen. Men sprak nog heden ten dage in dien streek over het treurige einde van den moedigen man, en zijn jongeren broeder behoorde thans het goed en de heerlijke graslanden, die gene eens bezeten had.
Zoo hadden beide herstellenden elkander veel van vroeger te vertellen en het was merkwaardig, hoe vele herinneringen uit hare eerste kindschheid Mandane waren bijgebleven. Met benevelde hersens was haar gewond hoofd op het kussen in het ziekbed neergelegd, en gelijk een onweder, dat de verstikkende lucht van een drukkenden zomerdag zuivert, had het nieuwe leed den sluier weggenomen van de oogen harer ziel. Zij verwijldegaarne bij hare kindschheid, den tijd toen zij hare moeder nog bezat, en bij het tegenwoordige; wat daar tusschen lag was voor haar als de nachtelijke hemel; donker, maar verhelderd door eene schrikwekkende komeet en schitterende sterren. Die komeet was Orion. Wat zij met hem genoten en door hem geleden had, rekende zij tot den tijd van haar waanzin; zij had zich gewend, dat alles toe te schrijven aan de zinsbegoocheling, waarin zij toen bevangen was geweest.Hare ziel was niet geschapen om te haten, en zij wilde en kon den zoon des stadhouders niet vijandig gezind zijn. Zij stelde zich hem voor als een die haar zonder boos opzet groot onrecht had aangedaan, en aan wien zij zelfs niet meer denken mocht, zonder zich aan gevaar bloot te stellen.
»Dat wil dus zeggen,” begon deMasdakietweder, »dat het ook u niet onverschillig zal zijn, als Haschim mij terugroept?”
»Neen, Rustem, dat zou mij zeer leed doen.”
»O!” riep de ander, terwijl hij zijne hand streek over zijn groot hoofd, waarop het zware haar, dat men had afgesneden, weder begon langer te worden. »Ja, dan, Mandane, dan.... Ik heb reeds gisteren willen spreken, doch het kwam er nog niet uit; maar nu: Waarom doet het u eigenlijk leed, dat ik vertrekken moet?”
»Omdat—ja wie kan dat zoo ineens zeggen—omdat gij altijd goed voor mij waart, en omdat gij mijn landsman zijt en ik met u Perzisch spreken kan, evenals met mijne moeder.”
»Zoo, daarom dus alleen?” vroeg de ander op gerekten toon, terwijl hij zich over het voorhoofd wreef.
»Neen, neen! Ook omdat....Als gij ons eenmaal verlaten hebt, dan zijt gij er ook al niet meer....”
»Ja, dat is het juist, dat is het! En als u dat leed doet, dan moet het u hier toch bevallen hebben—zoo samen met mij.”
»Waarom ook niet? Het was zeker heel prettig,” zeide zij, terwijl zij blozende zijn blik trachtte te ontwijken.
»Dat was het ook, en is het nog altijd!”zeide hij met de breede vuist in zijne linkerhand slaande. »En juist daarom moet het er eens uit, daarom moeten wij, als wij verstandig zijn, niet meer van elkander scheiden.”
»Maar uw heer zal u noodig hebben!” zeide zij, met toenemende ongerustheid, »en wij kunnen die goede menschen hier toch niet altijd tot last zijn. Ik mag nog niet weven, maar nu ik toch vrij ben en het geschrift in handen heb dat mij de vrijheid wedergeeft, moet ik naar werk omzien, en een krachtig, gezond man als gij zijt kan zich toch ook niet altijd laten verplegen.”
»Wat verplegen!” zeide de Masdakiet, terwijl hij vergenoegdlachte. »Er moet gewerkt worden, gewerkt en wel voor drie!”
»Bij uw kameelen: altijd op reis?”
»Dat moet dan ophouden,” antwoordde hij meesmuilend. »Wij gaan naar ons land terug, ik koop mij daar een goed stuk weiland, want mijn oudste broeder heeft ons goedje, en of ik de kameelfokkerij versta, dat kunt gij aan Haschim vragen.”
»Maar, Rustem, bedenk toch!”
»Bedenken! Denken voor en na! Willen en hebben daarop komt het aan! En als gij meent dat er geld noodig is om te koopen, en dat het haperen zal aan dat goedje, zoo kan ik u zeggen.... Kunt gij lezen?—Neen?—Ik ook niet, maar hier in mijn taschje heb ik de afrekening van mijn heer, met zijne eigene hand geschreven. Elfduizend driehonderdzestig drachmen waren het aan loon, tot den laatsten termijn, verstaat ge, en aan winst, waarin de heer mij liet deelen sedert ik de karavaan leidde. Hij heeft bijna alles voor mij bewaard; want voor mijn onderhoud behoefde ik niet te zorgen; van de koopwaren viel altijd genoeg af om mij te dekken, en een slemper ben ik nooit geweest. Elfduizend driehonderdzestig drachmen! He, mijn duifje, zoo staat het; en wat zegt gij nu? Kan daarvoor ook iets gekocht worden? Ja of neen?”
Hij zag haar zegevierend aan, doch zij antwoordde met warmte: »Wis en zeker, en hij ons te lande, geloof ik, iets heel aardigs.”
»En wij—gij en ik—wij—er zal nu een geheel nieuw leventje beginnen. Ik was zeventien jaren oud, toen ik den meester volgde en bij de laatste zonnestilstand ben ik zes-en-twintig geworden. Hoe veel jaren was ik dus reizende?”
Beiden dachten een poosje na, waarop Mandane schuchter zeide: »Als ik mij niet vergis zijn het er acht.”
»Het zijn er reeds negen, geloof ik,” hernam hij met nadruk. »Laat eens zien; hier met het handje! Ziet ge met de zeventien begin ik—zoooud was ik toen ik in dienst trad. De kleine vinger eerst—wat een lief fijn dingetje!—en nu de andere!”
Hij hield hare rechterhand vast en telde aan hare vingers verder, tot hij aan den laatste der linkerhand gekomen was. De uitkomst deed hem verbaasd opzien, en het hoofd schuddende zei hij: »Men heeft toch aan de twee handen tien vingers, en tien jaren kunnen het nog niet zijn, het zijn erhoogstensnegen!”
En thans begon het tellen, dat hem zeer behaagde, van voren aan, doch de uitkomst bleef dezelfde; zij verzekerde nochtans, dat het maar negen waren; zij had het berekend, en hij gaf haar gelijk en meende, dat hare vingers betooverd waren. Ja,het spel zou nog lang hebben voortgeduurd, als zij niet op het denkbeeld was gekomen, dat men de zeventien niet mee mocht tellen, maar dadelijk met achttien beginnen moest. Rustem kon dat echter niet goed begrijpen, en toen hij niettemin toegaf, liet hij toch hare hand niet los en ging vroolijk voort: »Ziet gij, lief kind, deze kleine hand—gij moogt haar nu terugtrekken als ge wilt—deze hand wil ik behouden, en met haar het aardige meisje, en alles wat daartoe behoort. En ik neem u en de beide handen met de betooverde vingers mede naar mijn huisje. Daar kunnen zij vlijtig weven en borduren, en als man en vrouw zullen we nooit weer van elkander scheiden. Eén leven zullen wij leiden—éen leven—de vreugde van het Paradijs zal daarbij vergeleken zijn; als enkel slagen met een knuppel van olijvenhout op den schedel; daar weet ik van te praten!”
Daarbij greep hij weder naar hare hand, doch zij trok haar terug en zeide verlegen en met neergeslagen oogen: »Neen Rustem, ik heb reeds gisteren gevreesd, dat iets dergelijks zou komen, doch dit kan nooit gebeuren. Ik ben zoo dankbaar, o zoo dankbaar; maar neen, neen, dit mag niet, daar blijft het bij. Uwe vrouw kan ik niet worden, Rustem!”
»Niet?” vroeg hij op doffen toon, en op zijn vermagerd voorhoofd begonnen de aderen te zwellen. »Hebt gij mij dan vroeger voor den gek gehouden? En wat gij daar bazelt van dankbaarheid...”
Hevig ontsteld stond hij op, doch zij greep hem bij den arm, trok hem op de bank terug, waagde het hem met teederheid in de oogen te zien, die niet lang boos konden kijken, en zeide: »Wat vliegt gij dadelijk weer op! Het zal mij zeer stellig aan het hart gaan van u te scheiden, en kunt gij het mij dan niet aanzien, dat ik u goed gezind ben? Maar het gaat, waarlijk het gaat niet! Ik, ik... ach, kon ik maar weder naar mijn vaderland terug, met u, juist met u! En uwe vrouw. Wat eene verhevene, heerlijke gedachte is dat, en hoe gaarne zou ik voor ons beiden de handen roeren, die vlijtig en bekwaam genoeg zijn, maar....”
»Maar?” vroeg hij terwijl hij zijn groot, vuurrood gezicht naar haar toekeerde met eene uitdrukking, als wilde hij haar verslinden.
»Maar om uwentwil gaat het niet, en mag het niet gebeuren, neen, waarlijk niet, want zoo slecht wil ik u voor al uwe goedheid niet beloonen. Hebt gij dan geheel vergeten, wat ik was en wat ik ben? En gij? Als vrij man gaat gij weldra met een mooi kapitaal naar huis en kunt van iedereen achting en eerbied verlangen; doch dat alles wordt anders, geheel anders,wanneer gij eene vrouw als ik ben met u medesleept, eene,—al ware het maar alleen eene voormalige slavin!”
»Komt het dus daarop neer?” haastte hij zich te vragen, terwijl zijn gelaat weer ophelderde. »Is dat het wat u beangst, gij arm zieltje? Maar weet gij dan niet wie ik ben, heb ik u niet onlangs verklaard, wat een Masdakiet is? Wij Masdakieten gelooven en weten, dat alle menschen oorspronkelijk gelijk zijn, dat het er beter zou uitzien in deze oliedomme wereld, als er noch heeren, noch knechten waren; maar het gaat nu eenmaal op aarde toe zooals het gaat. De reine Hemelheer duldt het wellicht nog een poosje, maar eerlang, misschien spoedig reeds wordt het geheel anders, en het is onze taak, dien dag der gelijkheid voor te bereiden. Met dien dag komt het Paradijs op aarde, dan zal er onder de menschen geen hooger of lager zijn, maar zij zullen naast elkander en hand in hand gaan en staan. Krijg en ellende houden dan op, want wat er schoons en goeds op aarde is, dat wordt gemeenschappelijk eigendom, en ieder geeft en helpt den ander even gaarne, als hij hem thans alles ontneemt, hem benadeelt en onderdrukt. Wij sluiten ook geen huwelijken, zooals de andere menschen, maar de man, die eene vrouw liefheeft, zegt: ‘Wilt gij de mijne zijn?’ en als het hart haar dit ingeeft, volgt zij hem in zijn huis; doch de een mag echter den ander verlaten, als het uit is met de liefde, maar geen echtpaar onder Parsen en Christenen was inniger verbonden dan mijne ouders en grootouders; zoo willen ook wij bij elkaar blijven tot het einde, want onze liefde zal ons vast samenbinden met stevige koorden, die langer duren dan ons leven.—Nu kent gij de leer van onze meester Masdak, dien mijn vader en grootvader reeds volgden, en die mijne moeder mij heeft ingeprent, toen ik nog zeer klein was. Ons geheele dorp is die leer toegedaan, en daar zijn ook geen slaven, neen, het land dat bij het dorp behoort, dat bearbeiden allen te zamen en den oogst deelen zij met elkaar. Vreemden laten zij echter niet meer toe en ik moet mijn deel elders gaan zoeken.Ik blijf daarom toch Masdakiet1, en kies mij eene gewezene slavin tot vrouw, dan handel ik naar de leer van mijn meester en laat daaraan recht wedervaren. Maar u—u gaat dit alles eigenlijk niet aan, want gij zijt het kind van een vrijen, braven man, wien het geheeleland acht; voor wie daar in het oosten wonen zijt gij eene gevangene, maar geene slavin. Zij zullen mij eeren als uw bevrijder. Maar had ik u zooals gij daar zijt, als de minste slavin van een zwijnenhoeder gevonden, ongetwijfeld zou ik dan terstond in den buidel getast, u losgekocht en u als mijn vrouw mede maar huis genomen hebben, en geen van de onzen, die u zag, zou het u hebben aangezien. Nu weet gij waar het op staat, en is het, hoop ik gedaan met dat tegenspartelen en uitvluchten zoeken.”
Doch Mandane gaf hem nog altijd geen gewonnen spel; zij zag hem droevig aan met een blik, die medelijden scheen te vragen, en wees naar de plaats van hare verminkte ooren. Hierbij haalde Rustem de schouders op en zeide lachende: »Natuurlijk, dat nu ook nog! Gij schijnt mij niets te willen schenken. Ja, had het de oogen gegolden, dan was het uitgeweest met het zien, en eene blinde vrouw kan een landman niet gebruiken; dan liet ik u ook waar gij zijt. Maar zoo—zeg zelf, mijn duifje hoort gij niet zoo scherp als een vogel? En de vogels—het zijn zulke aardige diertjes—hebt gij er ooit een met ooren gezien, behalve die leelijke vleermuizen en uilen? Dat is allemaal zottepraat. En wie kan u dan nog aanzien wat gij mist sedert jonkvrouw Pul u de haren zoo netjes naar voren gekamd heeft? En dan bij ons te lande! Hebt gij vergeten welk een hoofddeksel onze vrouwen dragen? Al had iemand lepels gelijk een haas, wat nood? Men ziet er toch niets van. Zooals gij zijt, gij lelie, die als een cypres zijt opgewasschen ziet gij er nog tienmaal schooner uit dan de aardigste ginds al hadt ge in plaats van twee, zelfs drie of vier ooren. Een meisje met drie ooren! Denk eens, Mandane: waar zou dat derde komen te staan?”
Hoe hartelijk lachte hij daarbij, hoe blijde was hij, die aardigheid bedacht, en wat haar gemakkelijk leed had kunnen doen, zoo schertsend terzijde geschoven te hebben. Doch zijne openhartige vroolijkheid miste hare uitwerking en plooide hare zwijgende lippen slechts tot een glimlach, en ook deze verdween snel, en in de plaats daarvan nam haar gelaat, terwijl haar schoon kopje laag op de borst zonk, zulk eene diep bezorgde, bekommerde, uitdrukking aan, dat hij noch met zijn scherts voortgaan,noch verder bij haar aandringen kon, maar medelijdend en even met het hoofd schuddend zeide: »Zoo moet ge mij niet aanzien, duifje, ik kan het niet verdragen. Wat ligt u verder dan nog op het hart? Moed, moed, mijn schatje; spreek het maar vrij uit! Maar wacht! Zwijg maar! Ja, dat kan ik u wel besparen. Arm lief meisje!—het is de oude geschiedenis met den zoon van den Mukaukas.”
Zij bevestigde dit door eene lichte beweging van het hoofd en met betraande oogen, maar hij slaakte een diepen zucht en zeide: »Dat heb ik wel gedacht, juist gedacht, arm hartje!”.
Hij nam hierop hare hand en ging trouwhartig voort: »Dat heeft ook mij kwade uren bezorgd, heeft mij daar binnen veel te doen gegeven, en bijna was het zoover gekomen, dat ik u daarom had laten zitten en ons beiden het geluk en de vreugde had ontroofd. Maar ter rechter tijd heb ik mij bezonnen. Niet omdat vrouw Johanna—en wat zij zegt moet wel waar zijn—mij eergisteren zeide dat het met—nu ja, dat weet gij wel—dat is alles weg en voorbij; neen, ditmaal is het verstand uit mijzelven gekomen; want ik heb bij mij zelven gedacht; zulk een engelachtig schoon, moederloos, weerloos slavinnetje, dat de jonge zoon van den heer zelven vasthoudt, hoe zal het zich verweren? Hoe gruwzaam werd dat arme lieve hartje gestraft! Ach meisjelief, meisjelief, huil maar uit! Mijne oogen schieten ook vol tranen, het heeft zoo moeten zijn, het was zoo over u beschoren. Gij en ik en de groote koning en alle hemelsche heerscharen, wie kan er iets tegen doen? Maar, ziet ge, ik arme gek, ik begrijp hoe dat gekomen is, en klaag u daarom niet aan en heb u ook niets te vergeven. Het is echter een groot onheil geweest. Maar het heeft, goddank, intijds een einde genomen, en ik kan het geheel en al vergeten, wanneer gij mij slechts zegt:‘Dat alles is uit en voorbij, en ligt in het graf als iets dat dood is.’”
Nu bracht zij, voor hij het beletten kon, met onstuimige hartelijkheid zijne hand aan hare lippen en zeide snikkende: »Zoo goed, zoo goddelijk goed als gij zij, Rustem, zoo goed zijn er geen twee menschen op aarde, en daarvoor zal mijne moeder u zegenen. Doe met mij wat gij wilt! Weet dat alles voorbij is, weg en voorbij, en als ik er nog eens aan denken moet, dan gevoel ik een afkeer daarvan. Zoo, juist zooals gij zeidet, is het werkelijk gegaan. Moeder dood, en niemand om mij te waarschuwen en te beschermen! Ik was pas zestien jaren oud, een eenvoudig, onervaren ding, toen hij mij tot zich riep, en wat er met mij gebeurd is was als een droom, als men slaapt. En toen ik weder ontwaakte...”
»Nu zijn wij er,” zeide hij, haar in de rede vallende, waarbij hij de oogen afveegde en beproefde te lachen. »Toen lagen wij beide met wonden aan het hoofd naast elkander, en gelijk het bij mij te huis altijd op zijn fraaist is, wanneer de harde wintervorst voorbij en de sneeuw gesmolten is, en alle bloemen in het dal opeens beginnen te bloeien, zoo gaat het ten leste ook met ons, meisje. Het zal nu goed, wonderschoon worden! Ziet ge, eergisteren was ik het met mijzelven nog niet eens, wantuw ongeval liet mij geen rust en zat mij in den weg; nu, dat kunt gij wel begrijpen. Toen ik later op mijne kamer te bed lag en de maan naar binnen scheen, toen”—en nu ging hij nadenkend voort met een droomerige uitdrukking, die zijn eenvoudig gelaat bijzonder goed stond—»toen moest ik vragen: heeft dan de maan daarboven heden avond niet weder goede verfrissching en fraai licht gebracht, hoewel zij toch in de vroegte nog in zee verzonken was? En kan zoo een menschenhart, dat eenmaal was ondergegaan, ook niet weder helder en blank opgaan, wanneer het zich gereinigd heeft en uitgerust is? En welk een hart! Men zou de liefde van zulk een hart wel voor zich alleen wenschen, maar die kan zich toch meer dan eenmaal weggeven. Want, zoo dacht ik bij mijzelven, wat is mijne moeder teeder voor mij geweest; en toen er nog een kindje kwam en weder een, heeft zij aan dezen ook het beste gegeven wat zij bezat; en ik ben daarom toch niet tekort gekomen, als zij mijn jongste zusje aan de borst hield, en ook dat zusje leed er geen schade bij, als moeder mij liefkoosde en mij kuste. Zoo moet het ook zijn! En zij, dacht ik verder, al heeft zij ook reeds eenmaal een ander liefgehad, er blijft toch voor mij nog een goed deel liefde over!”
»Ja, ja, Rustem, zeker!” zeide zij, hem met dankbare betraande oogen in het open gelaat ziende. »Wat er aan liefde en teederheid in mij is, dat zult gij, gij alleen hebben.”
»Nu,” riep hij vroolijk, »dat was een woord! Daar kan men zich aan vasthouden! Dat noem ik me eerst een morgen! Als een losgelaten landlooper heb ik mij hier onder de sykomore neergezet en als een toekomstig grondbezitter, wien het schoonste wijfje op aarde aan huis bindt, sta ik nu op.”
Zij bleven nog lang in de koele schaduw van het loofdak zitten en hij verlangde niets anders, dan haar aan te zien en op de oude vraag van geliefden met de lippen, de oogen en een zwijgend hoofdknikken het antwoord ontvangen. Hare handen brachten de naald niet meer in beweging; doch beiden zouden hen medelijdend hebben uitgelachen, die dezen voormiddag met zijne verzengende, alles verdrogende hitte onuitstaanbaar noemden. Een paar tortelduiven boven hunne hoofden was minder ongevoelig voor den zonnegloed, want het had de oogen gesloten, en de kop van het wijfje rustte slap tegen den donkeren ring aan den hals van het mannetje.
1De Alexandrijnsche bisschop Eutychius (geb. 876 n. Chr.) omschrijft de communistische leer van Masdak aldus: »God heeft de mensch het zijne toebedeeld, opdat gij het gelijkmatig onder hen verdeelen zoudt, en den een niet meer zal hebben dan den ander. Wanneer een echter meer dan billijk is aan vermogen, vrouwen, slaven en roerende goederen mocht bezitten, dien willen wij het ontnemen, om hem aan de anderen gelijk te maken.”
1De Alexandrijnsche bisschop Eutychius (geb. 876 n. Chr.) omschrijft de communistische leer van Masdak aldus: »God heeft de mensch het zijne toebedeeld, opdat gij het gelijkmatig onder hen verdeelen zoudt, en den een niet meer zal hebben dan den ander. Wanneer een echter meer dan billijk is aan vermogen, vrouwen, slaven en roerende goederen mocht bezitten, dien willen wij het ontnemen, om hem aan de anderen gelijk te maken.”