VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Terwijl maan en sterren den nachtelijken hemel verhelderden nam Orion den terugweg aan. Hij hield het hoofd fier opgericht, zoo vroolijk en vol hoop als bij dezen rit had hij zich niet gevoeld sedert dat watertochtje met Paula. Aan gene zijde van de schipbrug stuurde hij zijn paard niet rechtstreeks naar het stadhouderlijk paleis, de frissche nachtlucht deed hem zoo goed, zijn hart was zoo ruim, dat hij zich niet dadelijk in een eng vertrek kon opsluiten. Met nieuwe geestdrift bezield en van eene zwaren last bevrijd reed hij in snellen draf naar het huis waar zijne geliefde gehuisvest was, en hij stelde zich voor hoe verheugd zij zijn zou bij het bericht, dat hij in Amr een helper bij de verwezenlijking zijner plannen, ja, misschien een vriend gevonden had.De veldheer, dien zijn vader zoo hoogschatte om zijn edel gemoed, zijn verstand en zijne rechtvaardigheid was ook in zijn oog het ideaal van een voortreffelijk man, en als hij hem vergeleek met de voorname beambten en bevelhebbers over de troepen, die hij aan het Byzantijnsche hof had gezien, moest hij glimlachen. Zij allen stonden tot dezen waardigen en toch levenslustigen en deelnemenden man in verhouding als de oude stijve godenbeelden zijner voorvaderen tot de edele gestalten der Grieksche kunst. Thans zegende hij het aandenken zijns vaders, die zijn geboortegrond bevrijd had van de heerschappij van dit ontaard gebroed. Heden, dit wist hij zeker, zou de afgestorvene, wiens beeld hem zoo levendig voor den geest stond, over hem tevreden zijn, en dat gaf hem een gevoel van geluk dat hij wilde vasthouden en nog verhoogen door hetgeen hij verder zou overleggen en uitrichten. »Het leven een ambt, een dienst, eene verplichting,” deze tooverspreuk uit een zoo dierbaren mond, zou hem houden op den goeden weg en hoe spoedig hoopte hij, zeker van zijne zaak, op mannelijke daden tekunnen wijzen, die hem voor zichzelven het recht gaven, om het lot van de edelste der vrouwen aan het zijne te verbinden!Van zulke gedachten vervuld, was hij aan het huis van Rufinus gekomen. De vensters van het hoekvertrek op de bovenste verdieping, waarvan twee in de Nijlstraat, twee op den stroom uitzagen, waren verlicht. Hij wist niet juist welke kamers Paula bewoonde, maar hij keek toch naar boven in het onzeker vermoeden, dat dit licht bij haar nog zoo laat brandde, en de vrouwelijke gestalte, die thans zich vertoonde aan de door het maanlicht beschenen vensteropening, zeide hem dat hij zich niet had bedrogen, want hij herkende in haar Paula’s voedster Perpetua. De hoefslag had haar uit nieuwsgierigheid naar het venster doen gaan, doch zij scheen hem bij het matte licht niet te herkennen. Langzaam reed hij voorbij en toen hij spoedig daarop omkeerde en opkeek, in de hoop ditmaal zijne geliefde aan het venster te zullen vinden, zag hij niemand meer. Maar hij merkte eene lange donkere schaduw op, die zich van de eene zijde van het vertrek naar de andere bewoog en die noch van de voedster, noch van hare slanke meesteres afkomstig kon zijn. Het moest de schaduw zijn van een bijzonder lang man, en terwijl hij stilhield en verontrust door allerlei pijnlijke gewaarwordingen nog eens naar boven keek, herkende hij duidelijk den arts Philippus.Het middernachtelijk uur was reeds voorbij: hoe te verklaren dat Paula hem thans ontving? Was zij ziek geworden? Of was dit vertrek misschien niet het hare? Bevond de voedster zich toevallig met haar en den arts in eene woonkamer van Rufinus?Maar neen! De vrouw die thans voorbij het venster ging en zich met uitgestrekte hand juist bewoog naar de schaduw van den man, was Thomas’ dochter en geene andere.Zijn hart begon steeds sneller te kloppen en hem overviel eene bezorgdheid, die tot hiertoe door zijne edelheid was teruggehouden, ofschoon hij toch meermalen getuige was geweest van de vriendelijke verstandhouding, die er tusschen Paula en den arts bestond. Misschien was het meer dan vriendschap en onschuldig vertrouwen, dat de jonkvrouw aanleiding gaf de bescherming en de hulp van dezen man zoo onverholen in te roepen. Zou hij Paula’s hart, hare liefde gewonnen hebben? Zou dat mogelijk zijn? En waarom niet? Wat had zij bij Philippus anders te vergeten dan zijn leelijk gelaat en zijne lage afkomst? Maar hoeveel andere vrouwenharten hadden zich over gansch andere dingen moeten heenzetten! De arts was nauwelijks vijf jaren ouder dan hij, en zijne bezorgdheid klom als Orion zich den blik weer voor den geest bracht, waarmedehij Paula heden morgen had aangezien.Ja,Philippushad Paula lief!Eene kleine omstandigheid, die hem eenklaps inviel, was voor hem, die in zulke dingen maar al te veel ervaring had, voldoende om dit als zeker te beschouwen. Reeds gisteren was het hem opgevallen dat Philippus zich sedert den dood zijns vaders, dus sedert Paula verhuisd was naar het huis van Rufinus, zich veel zorgvuldiger dan vroeger gekleed had. »Daarin,” dacht hij, »brengt een ernstig man geen verandering, wanneer de liefde hem er geen aanleiding toe geeft.”Een pijnigend gevoel van angst en toorn overviel hem, toen hij de lange schaduw weder bij het venster zag verschijnen. Voor de eerste maal in zijn leven gevoelde hij de kwelling van den ijverzucht, waarom hij zijne vrienden dikwijls had uitgelachen. Toch was hij niet dwaas genoeg om zich er door te laten martelen, immers sedert heden morgen kon hij zeker op zijne geliefde bouwen. Al moest hij, Orion, voor een hoogeren rechter bij dezen achterstaan, voor een vrouwenhart was hij gewis zijn meerdere. Desniettemin hinderde het hem te weten dat de arts op dit uur bij Paula was, en korselig rukte hij aan den teugel om het paard te doen keeren. Het beviel hem dat het edele, vurige beest zich verzette tegen deze ongewone ruwe handeling en een honderd passen voorbij dat verwenschte verlichte venster weder de koppigheid toonde, die men het als veulen had afgeleerd. Orion moest werkelijk een strijd beginnen met den hengst, en het deed hem goed het dier met den toom en zijne beenen zijn overmacht te doen gevoelen. Wel steigerde de hengst en draaide hij met hem in een cirkel rond, maar de krachtige ruiter werd hem de baas, en nadat hij het dier tot stilstaan en gehoorzaamheid gedwongen had, streelde hij het langs den gladden hals en zag, tot verademing gekomen, nog eens om.Naast hem verhieven zich boven de lage heg de dichte sombere bosschages van den tuin der weduwe Susanna, en daarachter schemerde uit de achterzijde van het huis die op de Nijlstraat uitzag, een nog helderder licht als uit Paulas woning. Uit drie vensters straalde het in den tuin, uit twee slechts met een mat schijnsel, misschien het licht van eene enkele lamp. Dat alles kon hem onverschillig zijn, toch bleef zijn oog gevestigd op het dak van de zuilengaanderij, die onder de bovenverdieping heenliep, want daarop stond dicht tegen het kozijn van een der verlichte vensters geleund, eene kleine vrouwelijke gestalte, die het hoofdje zoover vooruitstak om te luisteren, dat het licht schemerde door het golvende haar dat het omlijstte. Katharina beluisterde het gesprek, dat de patriarch Benjamin,wiens gebaarde apostelkop Orion goed onderscheiden kon, met den presbyter Johannes voerde, een klein onaanzienlijk mannetje, van wien Orions vader echter getuigde, dat hij den ouden bisschop Plotinos in geest en kloekheid overtrof.Het zou den jongeling niet moeilijk zijn gevallen elke beweging van Katharina te volgen, doch dit was hem de moeite niet waard. Terwijl hij doorreed zag hij in zijne verbeelding het kwikstaartje, hoewel niet alleen, want het beeld der geliefde plaatste zich dadelijk daarnaast, en hoe kleiner gene hem voorkwam, des te heerlijker kwam de wasdom van deze uit. Ieder woord, dat hij heden vroeg van Paula’s lippen vernomen had, kwam hem weder voor den geest, en die schoone, levendige herinnering verdreef alle bezorgdheid. De vrouw, die zich nog dezen morgen bereid verklaard had met hem te hopen, alles van hem te gelooven, zijne bescherming aan te nemen, de edele jonkvrouw, aan wie hij gaarne had toegestaan het oog mede te richten op wat hij zich in de toekomst ten doel had gesteld, wier reine blik zijn hartstocht, zijn eigenwaan als met toovermacht in toom had gehouden en hem nochtans het recht gegeven had naar haar bezit te streven, dat trotsche heldenkind, dat zijn vader zoo gaarne als dochter aan het hart had gedrukt, zou het mogelijk zijn dat zij hem misleidde als eene behaagzieke schoone uit de hoofdstad? Kon zij ooit hare waardigheid als vrouw vergeten? Neen, duizendmaal neen! Aan haar te twijfelen was haar te beleedigen, was een onrecht tegen haar en zichzelven. De arts had haar lief, doch wat haar ook aanleiding gaf om hem zoo laat te ontvangen, eene andere beweegreden dan die van vriendschap bestond er zeker niet. Schande over hem, wanneer hij de lage verdenking van vroeger weder plaats gaf in zijne ziel.Als van een last bevrijd haalde hij vrijer adem, toen zijn dienstknecht verscheen, die bij de betaling van den bruggetol was opgehouden. Terstond sprong hij uit het zadel en beval dezen het paard naar huis te brengen, daar hij begeerde verder te voet te gaan, om ongestoord zijne gedachten te kunnen vervolgen. Weldra wandelde hij dan ook peinzend onder de sykomoren voort, en nog was hij niet ver gekomen, toen hij aan de andere zijde van den thans stillen hoofdweg iemand met groote, haastige schreden achter zich hoorde naderen, die spoedig hem voorbijschoot. Zijn scherpziend oog deed hem in den wandelaar den arts Philippus herkennen, en het verheugde hem dezen te zien, want nu was het bewijs geleverd hoe dwaas en verkeerd zijn twijfel was geweest, hoe weinig grond hij had om in den arts een medeminnaar te zien. Die man daarginds zag er toch niet als een gelukkige uit. Met gebogen hoofd, alsging hij gebukt onder een last, ijlde hij voorwaarts, en thans bracht hij als iemand die vertwijfelt de hand aan het voorhoofd. Neen, achter dien haastigen, nachtelijken wandelaar lag geene zalige ure, en als zijne houding iets van hem vroeg, dan was het niet nijd, maar medelijden.De arts merkte hem niet op, want geheel in zichzelven gekeerd vloog hij verder, terwijl nu en dan een zucht of eene doffe klacht zijne borst ontsnapte. Voor enkele oogenblikken ging hij een huis binnen, waaruit luide klaagtonen werden vernomen, en toen hij daarna zijn weg vervolgde, schudde hij van tijd tot tijd het hoofd, als iemand die allerlei tooneelen onder zijne oogen ziet afspelen, waarvan hij het rechte begrip niet heeft. Het doel van zijne wandeling was een gebouw, dat aan een paleis deed denken. Het pleister was voor een deel afgevallen en de vensters van de bovenste verdieping waren tot groote aan de zijden uitgebroken openingen verwijd. Weleer had dit huis de stedelijke en districtbeambten voor de financiën geherbergd endebenedenvertrekken waren toen zeer geschikt en doelmatig ingericht voor den ideoloog, den hoofdbeambte van dezen tak van bestuur, die gewoonlijk teAlexandriëverblijf hield, maar bij zijne inspectiereis zich soms weken lang te Memphis moest ophouden. Doch de Arabieren hadden het beheer der financiën van het geheele land verlegd naar de nieuwehoofdstadFostat aan gene zijde van den stroom, en die van de vervallen plaats was verbonden geworden met hetstadhouderlijkambt. De senaat van Memphis had het te kostbaar gevonden om het groote gebouw te sloopen, en was zeer blijde geweest toen men voor de benedenvertrekken in den arts Philippus en den Egyptenaar Horus Apollon huurders had gevonden. Beide geleerden bewoonden wel afzonderlijke vertrekken, maar dezelfde slaven bezorgden het gemeenschappelijk huishouden en moesten bovendien den helper van Philippus, een bescheiden en wel onderwezen Alexandrijn, diensten bewijzen.Toen de arts de hooge en ruime werkzaal van zijn grijzen vriend betrad was deze nog wakker, en zat achter een groot aantal opene schriftrollen zoo geheel verdiept in zijn arbeid, dat hij den laat terugkeerenden vriend eerst vluchtig opmerkte, toen deze hem een avondgroet toeriep. Het antwoord daarop bestond enkel uit een onduidelijk gebrom, en nog eenige oogenblikken daarna bleef de oude geheel in zijne handschriften verdiept. Eindelijk keerde hij het gelaat naar Philippus en wierp daarbij het ivoren staafje, waarmede hij de papyrusrollen openlegde en gladstreek, ongeduldig op de tafel, en tegelijk begon zich daaronder eene donkere massa te bewegen, de sedert lang ingeslapen slaaf van den grijsaard. De drie lampen op de schrijftafelplaatsten den oude en zijne omgeving in het volle licht, terwijl de arts, die zich op eene rustbank op den achtergrond van het groote vertrek had neergevleid, in het donker bleef.Wat dien arbeider bij nacht opschrikte was het zwijgen van den teruggekeerde, waaraan hij niet gewoon was; dit hinderde hem als het stilstaan der klepperende raderen den molenaar.Hij zag nu den vriend verstomd en vragend aan, maar deze bleef stom waarop de oude zich weder in zijne schriftrollen verdiepte. Toch had hij zeker de noodige aandacht verloren, want zijne gebruinde hand, waarop de aderen als blauwe knoopen en draden zichtbaar waren, verschoof nu eens de rol, dan weer het ivoren staafje, en zijn ingevallen mond, die eerst vast gesloten was, bleef voortdurend in beweging. De uitwendige gedaante van dezen man bood een zonderlingen, weinig opwekkenden aanblik, want zijne magere, bruinachtige gestalte was van ouderdom gebogen, zijn echt Egyptisch gelaat met de breede kaakbeenderen en de hoog opstaande ooren was gerimpeld als eikenbast, zijn schedel had het laatste haar verloren, en zijn gezicht was wel-is-waar pas geschoren, maar op de plaats van zijn baard wiesen in de diepe rimpels van kin en wangen enkele grauwe haren als struiken, die uit het enge bed van eene beek te voorschijn komen. Het scherpe scheermes had die plaatsen niet kunnen bereiken, en die haren gaven aan zijn geheele gelaat een onordelijk en verwaarloosd aanzien.Hiermede was de kleeding van den grijsaard in overeenstemming, als het linnen schort en het witte doek, dat sedert het ondergaan der zon over zijne naakte schouders hing, zulk een naam verdiende. Doch niemand op straat zou hem voor een bedelaar hebben gehouden, want het linnen dat hij droeg was fijn en sneeuwwit, en uit zijne wijd uitpuilende schitterende oogen, waarboven juist in het midden kleine maar lange borstelige wenkbrauwen zonderling opstaken, spraken helder verstand, krachtig zelfbewustzijn en afstootende norschheid, eigenschappen die een ontvanger van aalmoezen even weinig pasten als de van wilskracht getuigende, soms honende trek, die altijd om den mond van dezen man scheen te spelen. Er lag in de trekken van dezen ouden man niets aanvalligs, niets teeders of behagelijks, en wie zijn leven kende kon zich niet verwonderen, dat de jaren niet in staat geweest waren zijne ruwheid en onaangename zucht tot tegenspraak te breken, of te verkeeren in die vriendelijke toegevendheid, die vaak een hoogen leeftijd kenmerkt, als men zoo vaak gestruikeld is en zoovelen heeft zien vallen.Hij was voor tachtig jaren geboren op het schoone eiland Philae, aan gene zijde van den katarakt in de nabijheid vanden Isis-tempel, dus bij het eenige Egyptische heiligdom, waarin de heidensche eeredienst nog tot in zijne jeugd en nog wel openlijk kon worden uitgeoefend. Sedert den grooten Theodosius hadden keizers en»praefectus augustales” om strijd krijgslieden te voet en te paard den katarakt laten overtrekken, om aan de afgoderij op het lieflijke Nijleiland een einde te maken, maar allen waren door de dappere Blemmyers, die in de woestijn tusschen den stroom en de Roode zee huisden, tot de terugtocht gedwongen of vernietigd geworden, want dit onrustig zwervend volk vereerde de Isis van Philae als zijne schutsgodin, en volgens een oud verdrag werd het beeld hunner patrones door hunne priesterschap jaarlijks in feestelijken optocht naar de Blemmyers gebracht, om eenige weken in hun midden te verwijlen.De vader van den grijsaard was de laatste horoscoop en zijn grootvader de laatste opperpriester van Isis op Philae geweest. Zijn jongenstijd had hij nog doorleefd op het eiland der godin. Toen was het echter aan een Byzantijnsch legioen gelukt de Blemmyers te verslaan, het eiland te omsingelen, het heiligdom uit te plunderen en te sluiten. De Isis-priesters ontkwamen aan de keizerlijke vervolgers, en Horus Appollon had zijne geheele jeugd met vader, grootvader en twee jongere zusters op de vlucht doorgebracht, overal door groote gevaren bedreigd. Haat tegen de vervolgers, de misdadigers die het geloof zijner vaderen verachtten en vernietigden was de spijs geweest, waarmede men zijn jeugdig gemoed had gevoed, en deze haat zou klimmen tot onverzoenlijke bitterheid, nadat te Antiochië de zijnen door keizerlijke soldaten overvallen en zijn grootvader benevens zijn beide onschuldige zusters neergehouwen waren. Op aanhitsen van den bisschop die in de vreemde familie Egyptische afgodendienaars had herkend en wien de prefect des keizers, een overmoedig en trotsch patriciër, de gewapende macht gewillig ter beschikking had gesteld, had deze ontzettende gebeurtenis plaats gehad. Slechts aan een toeval of, zooals de oude meende aan de ‘groote Isis’ was het te danken, dat zijn vader gelukkig ontkwam met hem en de kostbaarheden, die de oude opperpriester uit den tempelschat had medegenomen. Het ontbrak hun dus niet aan middelen om onder vreemde namen te reizen en zich eindelijk in Alexandrië neer te zetten. De vervolgde jongeling veranderde hier zijn naam Horus in den Griekschen vorm ervan, en heette van nu aan in huis en in de school Apollon. De begaafde jonkman gebruikte met vurigen ijver de rijke leermiddelen van een stad als Alexandrië, rusteloos verdiepte hij zich in elk gebied der Grieksche wetenschap en verwierf daarbij onder de leiding zijns vaders al de kennis van een Egyptischen horoscoop, die in dezen lateren tijd toch nog niet geheel was te loor gegaan.Te midden van de christenen der hoofdstad en hun geloofsstrijd bleven vader en zoon heidenen en Isis-dienaars, en toen de oude priester op hoogen leeftijd stierf, verhuisde Horus Apollon naar Memphis, waar hij het stille afgezonderde leven van een onderzoeker leidde, van tijd tot tijd vertoonde hij zich op de sterrewacht onder de astronomen, astrologen en kalendermakers, of bezocht hij de laboratoria der alchymisten, die ook in christelijk Egypte zich ijverig bleven bezighouden met pogingen om onedele in edele metalen te veranderen. De scheikundigen en sterrekundigen erkenden weldra de meerdere kennis van den ouden man en ondanks zijne zwartgalligheid en de beleedigende wijze waarop hij iemand kon afwijzen, vroeg men toch bij moeielijke vraagstukken hem om raad. De roep die van hem uitging was ook tot de Arabieren doorgedrongen, en toen het de vraag was hoe men aan de gebedsnis in de nieuwe moskee van Amr de juiste richting naar Mekka zou geven, werd zijne hulp ingeroepen en zijn advies was beslissend.De arts Philippus was eenige jaren geleden aan hetziekbedvan den oude geroepen en had aan hem zijn meesten tijd en zijne beste krachten gewijd, daar in die dagen nog maar weinigen een beroep deden op de kunst van een pas beginnende. Er kwam bij dat Horus Apollon door de degelijke beschaving en den ernstigen zin tot onderzoek van den jongen geleerde werd aangetrokken en spoedig warme sympathie voor hem had opgevat, ja, de warmste, die hij na den dood der zijnen voor een zijner medemenschen had getoond. Eindelijk sloot de oudere den jongeren man met zulk eene teederheid aan zijn hart, als beijverde hij weer goed te maken wat hij in liefdebewijzen tot hiertoe was te kort gekomen. Geen vader kon inniger, met meer zelfverloochenende liefde gehecht zijn aan een zoon als de grijsaard aan den arts, en toen eene ziekte hem opnieuw aan den rand des grafs bracht, maakte hij Philippus tot zijn vertrouwde, openbaarde hij hem het geheim van zijn uit- en inwendig leven van den aanvang af, en beloofde hij den arts tot zijn erfgenaam te zullen maken, wanneer deze zich verbond bij hem te blijven tot zijn einde. Philippus, wien de grijze, geestrijke onderzoeker reeds van den beginne de grootste belangstelling had ingeboezemd, nam dezen voorslag aan, nadat ook hij zich meer had ingelaten met de studiën van den ouden man waaraan hij soms deelnam, noodigde deze hem uit een werk te helpen voltooien dat hij voor zijn dood wilde afmaken. Het handelde over het hiëroglyphenschrift en moest de beteekenis der afzonderlijke teekens, voor zoover deze nog was vast te stellen, verklaren en aan de nakomelingschap overbrengen. De grijsaard, die alleen Egyptisch wilde schrijven omdat hijhet Grieksch niet genoeg machtig was, vertrouwde aan zijn jongen vriend de vertaling zijner opteekeningen in deze taal toe, en het samenleven van die twee in ouderdom en karakter zoo uiteenloopende, maar in betrekking tot hun geestelijk streven verwante mannen, nam een voor beide partijen aangenamen en voordeeligen vorm aan, ondanks de velerlei zonderlingheden, de ruwheid en hardheid van den ouden man.Horus Apollon leefde op de manier van een oud Egyptisch priester, daar hij zich onderwierp aan veelvuldige wasschingen en scheringen, weinig anders nuttigde dan brood, groenten en tamme vogels, zich onthield van peulvruchten en het vleesch van alle viervoetige dieren en niet alleen van de reeds aan zijne voorvaderen verbodene zwijnen, zich van geen andere dan reine linnen gewaden bediende en zekere uren voor zich hield tot het uitspreken van die heidensche gebedsformulieren, welker magische kracht de goden moest dwingen aan het verlangen hunner aanbidders te voldoen.Zooals de oude aan Philippus zijn geheele vertrouwen geschonken had, zoo verborg deze voor hem niets wat in hem omging. Deed hij het soms, dan gevoelde de ander dit met wonderbare scherpzinnigheid. De arts had den vaderlijken vriend vaak over Paula gesproken en hem hare voortreffelijke eigenschappen geschilderd met al de warmte van een liefhebbend hart; doch de oude was haar van den aanvang niet genegen, reeds dadelijk omdat zij de dochter was van een patriciër en prefect. Wie dezen titel voerde was voor hem een voorwerp van haat, immers een prefect en patriciër droeg de schuld van het bloedig einde dergenen, die hij het meest had liefgehad. Wel-is-waar had de stadhouder van Antiochië enkel op last van den bisschop gehandeld, doch het lustte den grijsaard—en zijn vader had er van den aanvang af evenzoo over gedacht—alle schuld op den prefect te laden; want de nazaat van een overoud priestergeslacht verheugde zich, dat hij al de volheid van zijn toorn over een ander kon uitstorten dan over een dienaar onverschillig van welke godheid.Als Philippus Paula’s groote gestalte, hare voorname houding, den adel van hare vormen en van hare gezindheid prees, voer de oude tegen hem uit en riep: »Zoo is dat ’t! Pas op, knaap, wees op uwe hoede! Hoogmoed, eigenwaan, zelfverheffing, teekent ge mij, maar verguld met de schoonste namen. Het woord patriciër bevat alles in zich, wat wij ons onder zelfzucht en onmenschelijkheid denken, en de ergsten, onverschilligsten, hebzuchtigsten onder hen maken die apen in purper, die de keizerstroon schandvlekken, tot hunne prefecten. Zooals zijzelven zijn, is ook hun gebroed. Al wat zij in hunne aanmatiging‘klein’ noemen, wordt door hen in ’t stof geworpen en onder den voet getreden; maar wij, gij en ik, allen die in het burgerlijk leven arbeidzaam de handen roeren, wij zijn in hunne oogen de verachtelijke kleinen. Let erop, knaap! Heden lacht de dochter van den stadhouder en den patriciër u toe, omdat zij u noodig heeft, morgen werpt zij u weg, gelijk ik mijn oud pantervel, dat in den winter mijne voeten verwarmt, wegschop als de heete dagen van Maart komen.”Was hij de dochter van Thomas niet genegen, hij was even afkeerig van den zoon van den Mukaukas, ofschoon hij hem nooit gezien had, en toen de arts hem verteld had, dat groote verbolgenheid tegen Orion zich had meester gemaakt van het hart zijner vriendin, was de grijsaard in een hoonenden schaterlach uitgebarsten en had gezegd, als bezat hij het vermogen om in de harten te lezen en in de toekomst te zien: »Heden bijten zij elkaar, over drie dagen zullen zij elkaar kussen! Haat en liefde zijn de eindpunten van denzelfden staf. Hoe gemakkelijk draait men dien om! Die twee, ze zijn van hetzelfde bloed en van denzelfden aard! De zoodanigen vliegen naar elkander toe als de magneet naar het ijzer en het ijzer naar den magneet.”Maar soortgelijke vermaningen hadden op het gevoel van den arts weinig invloed uitgeoefend, en zelfs door de afwijzing van zijn warm aanzoek, nadat Paula haar intrek had genomen in het huis van Rufinus, was zijne hoop van haar eindelijk geheel voor zich te winnen niet geheel geschokt. Heden morgen bij de onderhandeling over het vastzetten van het vermogen der geliefde, was Paula van harte bereid geweest hem tot haren kurios, haar voogd aan te nemen, om in haar plaats bij het gerecht op te treden; doch uit menig teeken meende hij waargenomen te hebben, wat zijne ziel zoo pijnlijk aandeed, dat zijn grijze vriend goed had gezien, dat de staf gekeerd en in het hart der jonkvrouw haat in liefde veranderd was. Toch had Paula hem nog nooit zulk eene warme genegenheid getoond, had hij hare stem in het gesprek nooit zoo week en hartelijk hooren klinken dan heden avond in den tuin van zijn vriend. Vroolijker en spraakzamer dan ooit was zij niet moede geworden zich tot hem te wenden. Daarbij waren langzamerhand zijne bezorgdheid en zielesmart geweken, en eindelijk had hij gevoeld, hoe teedere aandoeningen opnieuw bij hem ontwaakten en zijne eigene geestelijke kracht toenam... Ja, hij meende dat hij aan zijne gedachten nooit schooner en beter uitdrukking had gegeven dan in de laatst verloopen uren. Zij had hem ook haar bijval niet onthouden, had blijmoedig hare instemming betuigd met elk zijner stellingen, en toen hij zich een half uur voor middernacht met haar naar de kranken had begeven, was er eene nieuwe heerlijkehoop in hem ontwaakt. Gelukkig en als betooverd had hij aan haar wensch voldaan om haar te volgen naar hare woonkamer, en dáar, op die plaats...Arme, bitter teleurgestelde man! Daar zat hij in den donkeren hoek van de ruime studeerkamer, waarin het verstand tot hiertoe het grootste woord had gevoerd en naar de stem van het hart nooit was gevraagd. Hoe hij den weg hierheen had gevonden, dat wist hij zelf niet meer. Dit alleen herinnerde hij zich nog, dat hij, gehoor gevende aan zijn plicht, het huis van een Memphiet was binnengegaan, wiens vrouw, eene moeder van vele kinderen, in den namiddag stervende was; dat hij daar een lijk en vele luid en oprecht weeklagende menschen had gevonden, dat hij met hun en zijn eigen leed in het hart naar huis was gewaggeld en zich daar niet naar zijne vertrekken, maar naar dat van den grijzen vriend had begeven, omdat hij zichzelve niet vertrouwde. Het leven had alle bekoorlijkheid, alle waarde voor hem verloren; doch hij schaamde zich, dat hij door eene vrouw het edelst doel van zijn bestaan zich geheel ontvreemden, door haar zijne blijmoedige stemming verstoren liet, die hij niet missen kon om verder zijn beroep in den zin van zijn vriend Rufinus te vervullen. Hij kende zijn ouden huisgenoot en wist dat deze loog in zijn wonden zou gieten; maar daar had hij vrede mee. De grijsaard had reeds zoo vaak getracht Paulas beeld van zijn hoog voetstuk te werpen en te vernielen, maar altijd te vergeefs, en het zou hem ook heden niet gelukken! Het vurig verlangen, de brandende hartstocht naar haar, die door zijn aderen woelden sedert den nacht waarin hij den woedenden Masdakiet had bedwongen, dat wilde hij te niet doen, in het stof werpen, door alle winden laten verstrooien. De grijsaard daar aan de tafel, wiens strenge en onvriendelijke trekken door de drie lampen zoo helder verlicht werden, was geheel de man om dit werk der vernietiging te volbrengen, en Philippus wachtte op zijne eerste woorden als een zieke op den heelmeester, die het schroeiijzer in het vuur houdt, waarmede hij de wond wil uitbranden.Arme man, die na deze ontgoocheling de genezing zoozeer behoefde! Daar lag hij op den divan en zag hoe de ander over de schriftrollen hem bespiedde en daarbij heen en weer schoof in zijn leunstoel. Het zwijgen van Philippus verontrustte den oude zichtbaar en de arts zag aan de spichtige wenkbrauwen, die boven de oogen van den grijsaard zich opzetten, dat hij zijn eigen oordeel vormde, dat zeker het ware was. Weldra moest het zwijgen gebroken worden en Philippus verwachtte den aanval. Hij was bereid de grootste moeielijkheid uit den weg te ruimen, maar hoe zou hij over zich kunnen verkrijgen den pijniger zijn werk te verlichten?Zoo verliep er een geruimen tijd en evenals de arts op de toespraak van den grijsaard, wachtte deze op zijn eerste woord. Doch het ongeduld en de nieuwsgierigheid van den ouden man waren machtiger dan het verlangen van den jongeren naar genezing, en opeens legde deze de schriftrol neder, greep met eene onwillekeurige beweging het ivoren staafje, dat hij zoo even had weggeworpen, gaf aan den zwaren stoel met een voor zijn hoogen leeftijd verwonderlijk krachtigen ruk eene andere richting, keerde Philippus zijn volle gelaat toe en vroeg luide, terwijl hij met het staafje dreigend naar hem wees: »Het besluit van het spel, niet waar? Het einde van een treurspel!”»Niet geheel, want ik leef nog!” antwoordde de arts.»Maar het bloedt daarbinnen, en die wond doet pijn,” hernam de oude. Na zich een oogenblik bedacht te hebben ging hij voort: »Wie niet hooren wil moet voelen! Men heeft den vos den haak getoond, maar het lokaas was te verleidelijk. Gisteren was het nog tijd geweest om de kluister van den voet te strijken, men had slechts ernstig te willen, want men was goed onderricht omtrent de gruwzame listen van den jager. Nu is het gebeurd, men heeft geen enkel wapen waarover men te beschikken had ontzien, en nu ligt het wild stom van smart en schaamte, en verwenscht zijne eigene dwaasheid. Men schijnt heden het zwijgen te verkiezen. Wil ik u eens vertellen, hoe dat alles gekomen is?”»Ik weet het zelf maar al te goed,” antwoordde Philippus.»Doch ik, ik kan het mij wel voorstellen,” gromde de oude. »Zoo lang die patricische deerne het trekdier noodig had, heeft zij het aangehaald, het gerst en dadels toegeworpen. Nu baadt zij zich in het goud, woont onder een veilig dak, en flap! in eens krijgt de uitgediende beschermer zijn afscheid. Evenals de hemel de zon laat opgaan, wanneer de bleeke maan achter de bergen verdwijnt, zoo stelt deze jonkvrouw, die gebied voert over de harten van ons zwakkelijk en van vrijheid verzadigd geslacht, in de plaats van den armen, langen arts den rijken Adonis uit het stadhouderlijk paleis. Als het anders gebeurd is, heet het mij liegen!”»Kon ik dat maar!” zuchtte Philippus. »Gij hebt goed gezien, verwonderlijk goed, en toch zoo verkeerd als mogelijk is.”»Dat klinkt duister,” zeide de grijsaard gelaten. »Maar ik kan ook in den nacht zien. Het feit staat vast, doch gij zijt nog verblind genoeg, om die beweegredenen niet te laten gelden. Overigens verheugt het mij, dat uwe dwaling een zoo ‘gelukkig’ en wat mij betreft een zoo ‘spoedig’ einde heeft genomen; de aanleiding—zooals gewoonlijk eene vrouw—is mij onverschillig geworden. Waarom zou ik haar zonder noodzakelijkheidvan iets ergers verdenken, dan zij gedaan heeft? Alleen om uwentwil zou ik dit gaarne vermijden, want rechtgeaarde zielen hechten zich gaarne aan hen, die zij onrecht zien aandoen. Doch het staat aan u, dacht ik, niet aan mij, om te spreken; ook zonder uw hardnekkig zwijgen weet ik wel dat gij wijsgeer zijt; en wat mij betreft, ondanks mijne tachtig jaren ben ik nog altijd niet vrij van nieuwsgierigheid.”Toen stond Philippus haastig op en terwijl hij nu eens in het groote vertrek op en neer liep, dan weder voor den ouden vriend staan bleef, vertelde hij hem met vuurroode wangen en levendige gebaren wat hij gehoopt en geleden had, hoe Paula eerst nieuw vertrouwen bij hem gewekt en hem daarna in hare woning ontboden had—om diep ontroerd, verbaasd over zichzelve en toch niet bij machte en ook niet voornemens om de zaligheid te verbergen die haar vervulde, hem in haar hart te laten lezen. Gelijk eene beangstigde ziel voor den priester biecht, zoo had zij hem, haren besten vriend, geopenbaard, wat sedert de begrafenis van den gestorven Mukaukas in haar binnenste was omgegaan, en hoe zij thans overtuigd was dat Orion na zijn zwaren misslag zichzelven had wedergevonden.»En daarover,” viel de grijsaard hem in de rede, »was zoo groote vreugde in den hemel, dat men niet wachten kon met den afgedankten vrijer de weldaad te bewijzen, om ook daaraan deel te nemen.”»Veeleer heeft zij mij onder zwaren strijd beleden, wat het hart van haar vordert; ja, ofschoon zij niets dan spot, waarschuwingen, verwijten van mij verwachten kon, heeft zij toch haar binnenste voor mij ontsloten.”»En waarom, met welk doel?” vroeg de oude met schrille stem. »Wil ik het u eens zeggen? Omdat een vriend altijd nog zoo’n halve minnaar is en de vrouwen ook niet een vierde van zulk een geliefde prijs geven willen.”»Dat is niet waar!” haastte Philippus zich met afkeuring te zeggen. »Zij heeft het gedaan omdat zij mij hoog schat, mij acht, mij—ik ben niet ijdel—mij als een broeder genegen is, en het niet verdragen kon mijn gevoel voor haar—het zijn hare eigene woorden—ook maar een uur te misleiden. Dat is edel, dat is groot, is harer waardig, en niettegenstaande alles wat in mij is zich daar tegen verzette, zag ik mij toch gedwongen hare oprechtheid, hare trouwe vriendschap, hare zelfverloochening en haar moed in het beheerschen van hare vrouwelijke teergevoeligheid te bewonderen. Neen, val mij nu niet weer in de rede, spot nu niet! Het beteekent niet weinig voor eene trotsche jonkvrouw, die zich van hare waardigheid bewust is, de zwakheid van haar hart zoo bloot te leggen vooreen man, van wien zij weet, dat hij haar bemint, op de wijze als zij dit gedaan heeft. Zij noemde mij haar weldoener, zichzelve mijne zuster, en welke drijfveeren gij, die haar haat om een oud vooroordeel, zonder haar zelfs te kennen, ook aan hare handelwijze wilt toedichten, ik geloof haar en begrijp haar ook. Kon ik anders doen dan de hand aannemen die zij mij bood, toen zij met betraande oogen mij bad haar vriend, haar beschermer, haar kurios te blijven? En toch, toch! Waar zal ik de kracht vinden om niets anders van haar te verlangen, van haar tot wie ik mij door eene brandende hartstocht getrokken gevoel, niets anders dan een vriendelijken blik, een handdruk, een verstandig overwegen van hetgeen ik zeg? Hoe zal ik mijne kalmte, mijne zielsrust, mijne zelfbeheersching bewaren, als ik haar zie in de armen van den schoonen halfgod, dien ik gisteren nog als een nietswaardig jongeling verachtte? Welk ijs kan den gloed verkoelen van dit brandend gemoed? Welke lans doorboort den draak van den hartstocht, die in mij woelt? Dit hart is gekomen tot aan de grenzen van een menschenleeftijd, zonder toch naar de liefde te smachten, waarvan onze dichters zingen. Alleen door hen of door de klacht van een vriend, wiens zwakheid mij leed deed, heb ik zulk een gevoel leeren kennen, en thans, nu de liefde mij zoo laat met al hare onbedwingbare macht overvalt, aan zich onderwerpt en mij in ketenen slaat, hoe kan ik mij van haar bevrijden? Hier, trouwe man, die mij als uw zoon beschouwt, van wien ik het gaarne hoor, als gij mij ‘knaap’ en ‘kind’ noemt, die de plaats bekleedt van mijn vroeg gestorven vader, hier blijft mij niets anders over dan u en deze stad te verlaten, hare nabijheid te ontvluchten, een nieuw verblijf voor mij te zoeken, ver van haar met wie ik zoo gelukkig zou hebben kunnen zijn als de zaligen in het paradijs, en die mij nu nog ellendiger heeft gemaakt als de verdoemden in het eeuwige vuur! Ik wil, ik moet van hier als gij, die zooveel vermoogt, mij niet leert dezen hartstocht te dooden, of dien te veranderen in eene koele, broederlijke vriendschap.”Philippus, die vlak bij den ouden man was blijven staan, sloeg de handen voor het aangezicht, doch Horus was bij de laatste woorden van zijn geliefden leerling met jeugdige kracht opgerezen. Met een stevigen ruk trok hij diens rechterhand van het gelaat, en zeide driftig en buiten zichzelven van verontwaardiging en groote bezorgdheid: »En zegt ge mij dat in ernst? Zijt gij, verstandige man, zoo diep in de dwaasheid verzonken? Is het u niet genoeg, uw eigen geluk om deze—hoe zal ik haar noemen—verspeeld, verslingerd te hebben? Begrijpt gij dan nu eindelijk waarom ik u voor dat patriciërgebroed gewaarschuwd heb? Trouw, dankbaarheid, de liefde vaneen degelijk man—wat vraagt zij daarnaar? Werp dien katvisch van den haak, smijt hem in het zand! Daar komt reeds de vette wentelaar1aangezwommen, die zal wel bijten! Wilt gij aan haar en dien ellendigen stadhoudersjongen ook het heil en de hoop der laatste jaren van een grijsaard opofferen, die zich gewend heeft u, die zulks verdient, als zijn eigen zoonlief tehebben? Wilt gij, flinke arbeider, gij man met zulk een krachtigen geest, zoo vol ijver in het vervullen van uw plicht, in wien de goden een welgevallen hebben, wilt gij als een verlaten meisje wegloopen, van de Leukadische rots springen als de door liefde verteerde Sappho op het theater, waarover de toeschouwers zitten te schudden van het lachen? Gij blijft, knaap, gij blijft! En ik, ik zal u toonen hoe een man den hartstocht onder bedwang krijgt, die hem onteert!”»Toon het mij,” antwoordde Philippus met zachte stem. »Ik verlang niets beters. Meent gij, dat ikzelf mij niet zou schamen over mijne zwakheid? Zij staat mij toch slecht genoeg, mij vooral, wien het lot eer tot alle andere dingen bestemd heeft dan tot een zuchtend minnaar en dweper. Strijden wil ik, worstelen met al de kracht mijner ziel; maar hier, hier in Memphis, hier in de nabijheid, als haar kurios, ben ik dagelijks gedwongen haar weer te zien, moet ik dag aan dag nieuwe smadelijke nederlagen lijden. Hier, altijd in hare nabijheid, put de strijd mij uit, zie ik mijzelven ondergaan naar lichaam en ziel. Op dezelfde plaats, in dezelfde stad is er geen ruimte voor ons beiden.”»Dan moet zij het zijn,” riep de oude met schelle stem, »die plaats maakt voor u.”Hierop richtte Philippus het gebogen hoofd omhoog en vroeg verrast en op streng afkeurenden toon: »Wat bedoelt gij hiermede?”»Niets,” antwoordde de ander onverschillig, terwijl hij de schouders ophaalde. Daarna ging hij vergoelijkend voort:»Memphis heeft in elk geval van u meer nut te verwachten, dan van die patricische deerne.” Vervolgens schudde hij zijne leden, alsof hij het koud had, sloeg met de hand op de borst en zeide: »Hier binnen is alles in oproer, en ik kan thans helpen noch raden.Weldrabegint het in het oosten te schemeren; wij willen trachten wat te slapen. In den zonneschijn kan men knoopen loswikkelen, die bij lamplicht niet te ontwarren schijnen, en misschien toont de godin mij, terwijl ik slapeloos op mijne legerstede lig, den weg, dien ik zoo straks beloofde u te zullen wijzen. Een weinig meer luchthartigheid zou ons beiden niet schaden. Tracht uw eigen leed te vergeten door te denkenaan dat van anderen; daarvan leert gij alle dagen genoeg kennen. Het zou niet veel baten of ik u al een goeden nacht wenschte, maar moge hij u wat tot kalmte brengen! Op mijne hulp kunt gij staat maken; maar van weggaan, vluchten of iets dergelijks, daarvan zult ge mij, arme man, niets meer laten hooren, niet waar? Neen, neen, dat—ik ken u genoeg Philippus—dat leed doet gij uw eenzamen vriend niet aan!”Deze laatste woorden waren de teederste, die de arts ooit uit den mond van den grijsaard vernomen had, en het deed hem goed toen deze hem een oogenblik omarmde en aan zijn hart drukte. Aan zijn woord: dat het aan Paula stond om plaats te maken, dacht Philippus niet verder; doch de oude man scheen het toch zeer ernstig gemeend te hebben, want zoodra hij alleen was, wierp hij het ivoren staafje weder heftig op tafel en prevelde met fonkelende oogen, eerst in toorn en dan spottend: »Om dit trouwe hart, dezen besten aller arbeiders voor mij en de wereld te behouden, zou ik een dozijn van die volbloed deernen naar de Amenthe2willen sturen. Ei, ei, gij schoonste der schoonen, de brave arts is voor ons te slecht, en men smijt hem weg als de pit van een dadel, dien men opgegeten heeft? Een ieder naar zijn smaak! Maar hoe zou het zijn, als de oude Horus u eens dwong hem te leeren hoogschatten? Geduld, geduld! Met het doel voor oogen is het mij nog altijd gelukt den weg te vinden; op het veld der wetenschap, meen ik natuurlijk. Doch het leven, wat is het leven van den wijze anders dan toegepaste wetenschap? Waarom zou de oude Horus niet nog eens vóor zijn einde beproeven, wat zijn geest vermag uit te richten op de markt van het leven der werkelijkheid? Hoe goed of het u ook bij uw liefje in Memphis bevalt, gij breekster der harten, gij zult toch plaats moeten ruimen voor den armen weggegooiden speelbal! Ja, dat zult ge! Reken er op, mijne lieveling, dat zult ge!—Heidaar Anubis!”Bij deze woorden gaf hij den slaaf, die onder de tafel rustig was blijven doorslapen, een schop met zijn naakten voet, en terwijl deze zijn meester voorlichtte naar het slaapvertrek en hem daar, bij zijne zorgvuldige en langdurige wasschingen behulpzaam was, hield de grijsaard niet op afgebroken volzinnen te prevelen, nu eens verwenschingen uit te stooten en dan weer in ondeugend gelach uit te barsten.EINDE VAN HET EERSTE DEEL.1Nijlmeerval, eene smakelijke visch.2De onderwereld der oude Egyptenaren.

VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Terwijl maan en sterren den nachtelijken hemel verhelderden nam Orion den terugweg aan. Hij hield het hoofd fier opgericht, zoo vroolijk en vol hoop als bij dezen rit had hij zich niet gevoeld sedert dat watertochtje met Paula. Aan gene zijde van de schipbrug stuurde hij zijn paard niet rechtstreeks naar het stadhouderlijk paleis, de frissche nachtlucht deed hem zoo goed, zijn hart was zoo ruim, dat hij zich niet dadelijk in een eng vertrek kon opsluiten. Met nieuwe geestdrift bezield en van eene zwaren last bevrijd reed hij in snellen draf naar het huis waar zijne geliefde gehuisvest was, en hij stelde zich voor hoe verheugd zij zijn zou bij het bericht, dat hij in Amr een helper bij de verwezenlijking zijner plannen, ja, misschien een vriend gevonden had.De veldheer, dien zijn vader zoo hoogschatte om zijn edel gemoed, zijn verstand en zijne rechtvaardigheid was ook in zijn oog het ideaal van een voortreffelijk man, en als hij hem vergeleek met de voorname beambten en bevelhebbers over de troepen, die hij aan het Byzantijnsche hof had gezien, moest hij glimlachen. Zij allen stonden tot dezen waardigen en toch levenslustigen en deelnemenden man in verhouding als de oude stijve godenbeelden zijner voorvaderen tot de edele gestalten der Grieksche kunst. Thans zegende hij het aandenken zijns vaders, die zijn geboortegrond bevrijd had van de heerschappij van dit ontaard gebroed. Heden, dit wist hij zeker, zou de afgestorvene, wiens beeld hem zoo levendig voor den geest stond, over hem tevreden zijn, en dat gaf hem een gevoel van geluk dat hij wilde vasthouden en nog verhoogen door hetgeen hij verder zou overleggen en uitrichten. »Het leven een ambt, een dienst, eene verplichting,” deze tooverspreuk uit een zoo dierbaren mond, zou hem houden op den goeden weg en hoe spoedig hoopte hij, zeker van zijne zaak, op mannelijke daden tekunnen wijzen, die hem voor zichzelven het recht gaven, om het lot van de edelste der vrouwen aan het zijne te verbinden!Van zulke gedachten vervuld, was hij aan het huis van Rufinus gekomen. De vensters van het hoekvertrek op de bovenste verdieping, waarvan twee in de Nijlstraat, twee op den stroom uitzagen, waren verlicht. Hij wist niet juist welke kamers Paula bewoonde, maar hij keek toch naar boven in het onzeker vermoeden, dat dit licht bij haar nog zoo laat brandde, en de vrouwelijke gestalte, die thans zich vertoonde aan de door het maanlicht beschenen vensteropening, zeide hem dat hij zich niet had bedrogen, want hij herkende in haar Paula’s voedster Perpetua. De hoefslag had haar uit nieuwsgierigheid naar het venster doen gaan, doch zij scheen hem bij het matte licht niet te herkennen. Langzaam reed hij voorbij en toen hij spoedig daarop omkeerde en opkeek, in de hoop ditmaal zijne geliefde aan het venster te zullen vinden, zag hij niemand meer. Maar hij merkte eene lange donkere schaduw op, die zich van de eene zijde van het vertrek naar de andere bewoog en die noch van de voedster, noch van hare slanke meesteres afkomstig kon zijn. Het moest de schaduw zijn van een bijzonder lang man, en terwijl hij stilhield en verontrust door allerlei pijnlijke gewaarwordingen nog eens naar boven keek, herkende hij duidelijk den arts Philippus.Het middernachtelijk uur was reeds voorbij: hoe te verklaren dat Paula hem thans ontving? Was zij ziek geworden? Of was dit vertrek misschien niet het hare? Bevond de voedster zich toevallig met haar en den arts in eene woonkamer van Rufinus?Maar neen! De vrouw die thans voorbij het venster ging en zich met uitgestrekte hand juist bewoog naar de schaduw van den man, was Thomas’ dochter en geene andere.Zijn hart begon steeds sneller te kloppen en hem overviel eene bezorgdheid, die tot hiertoe door zijne edelheid was teruggehouden, ofschoon hij toch meermalen getuige was geweest van de vriendelijke verstandhouding, die er tusschen Paula en den arts bestond. Misschien was het meer dan vriendschap en onschuldig vertrouwen, dat de jonkvrouw aanleiding gaf de bescherming en de hulp van dezen man zoo onverholen in te roepen. Zou hij Paula’s hart, hare liefde gewonnen hebben? Zou dat mogelijk zijn? En waarom niet? Wat had zij bij Philippus anders te vergeten dan zijn leelijk gelaat en zijne lage afkomst? Maar hoeveel andere vrouwenharten hadden zich over gansch andere dingen moeten heenzetten! De arts was nauwelijks vijf jaren ouder dan hij, en zijne bezorgdheid klom als Orion zich den blik weer voor den geest bracht, waarmedehij Paula heden morgen had aangezien.Ja,Philippushad Paula lief!Eene kleine omstandigheid, die hem eenklaps inviel, was voor hem, die in zulke dingen maar al te veel ervaring had, voldoende om dit als zeker te beschouwen. Reeds gisteren was het hem opgevallen dat Philippus zich sedert den dood zijns vaders, dus sedert Paula verhuisd was naar het huis van Rufinus, zich veel zorgvuldiger dan vroeger gekleed had. »Daarin,” dacht hij, »brengt een ernstig man geen verandering, wanneer de liefde hem er geen aanleiding toe geeft.”Een pijnigend gevoel van angst en toorn overviel hem, toen hij de lange schaduw weder bij het venster zag verschijnen. Voor de eerste maal in zijn leven gevoelde hij de kwelling van den ijverzucht, waarom hij zijne vrienden dikwijls had uitgelachen. Toch was hij niet dwaas genoeg om zich er door te laten martelen, immers sedert heden morgen kon hij zeker op zijne geliefde bouwen. Al moest hij, Orion, voor een hoogeren rechter bij dezen achterstaan, voor een vrouwenhart was hij gewis zijn meerdere. Desniettemin hinderde het hem te weten dat de arts op dit uur bij Paula was, en korselig rukte hij aan den teugel om het paard te doen keeren. Het beviel hem dat het edele, vurige beest zich verzette tegen deze ongewone ruwe handeling en een honderd passen voorbij dat verwenschte verlichte venster weder de koppigheid toonde, die men het als veulen had afgeleerd. Orion moest werkelijk een strijd beginnen met den hengst, en het deed hem goed het dier met den toom en zijne beenen zijn overmacht te doen gevoelen. Wel steigerde de hengst en draaide hij met hem in een cirkel rond, maar de krachtige ruiter werd hem de baas, en nadat hij het dier tot stilstaan en gehoorzaamheid gedwongen had, streelde hij het langs den gladden hals en zag, tot verademing gekomen, nog eens om.Naast hem verhieven zich boven de lage heg de dichte sombere bosschages van den tuin der weduwe Susanna, en daarachter schemerde uit de achterzijde van het huis die op de Nijlstraat uitzag, een nog helderder licht als uit Paulas woning. Uit drie vensters straalde het in den tuin, uit twee slechts met een mat schijnsel, misschien het licht van eene enkele lamp. Dat alles kon hem onverschillig zijn, toch bleef zijn oog gevestigd op het dak van de zuilengaanderij, die onder de bovenverdieping heenliep, want daarop stond dicht tegen het kozijn van een der verlichte vensters geleund, eene kleine vrouwelijke gestalte, die het hoofdje zoover vooruitstak om te luisteren, dat het licht schemerde door het golvende haar dat het omlijstte. Katharina beluisterde het gesprek, dat de patriarch Benjamin,wiens gebaarde apostelkop Orion goed onderscheiden kon, met den presbyter Johannes voerde, een klein onaanzienlijk mannetje, van wien Orions vader echter getuigde, dat hij den ouden bisschop Plotinos in geest en kloekheid overtrof.Het zou den jongeling niet moeilijk zijn gevallen elke beweging van Katharina te volgen, doch dit was hem de moeite niet waard. Terwijl hij doorreed zag hij in zijne verbeelding het kwikstaartje, hoewel niet alleen, want het beeld der geliefde plaatste zich dadelijk daarnaast, en hoe kleiner gene hem voorkwam, des te heerlijker kwam de wasdom van deze uit. Ieder woord, dat hij heden vroeg van Paula’s lippen vernomen had, kwam hem weder voor den geest, en die schoone, levendige herinnering verdreef alle bezorgdheid. De vrouw, die zich nog dezen morgen bereid verklaard had met hem te hopen, alles van hem te gelooven, zijne bescherming aan te nemen, de edele jonkvrouw, aan wie hij gaarne had toegestaan het oog mede te richten op wat hij zich in de toekomst ten doel had gesteld, wier reine blik zijn hartstocht, zijn eigenwaan als met toovermacht in toom had gehouden en hem nochtans het recht gegeven had naar haar bezit te streven, dat trotsche heldenkind, dat zijn vader zoo gaarne als dochter aan het hart had gedrukt, zou het mogelijk zijn dat zij hem misleidde als eene behaagzieke schoone uit de hoofdstad? Kon zij ooit hare waardigheid als vrouw vergeten? Neen, duizendmaal neen! Aan haar te twijfelen was haar te beleedigen, was een onrecht tegen haar en zichzelven. De arts had haar lief, doch wat haar ook aanleiding gaf om hem zoo laat te ontvangen, eene andere beweegreden dan die van vriendschap bestond er zeker niet. Schande over hem, wanneer hij de lage verdenking van vroeger weder plaats gaf in zijne ziel.Als van een last bevrijd haalde hij vrijer adem, toen zijn dienstknecht verscheen, die bij de betaling van den bruggetol was opgehouden. Terstond sprong hij uit het zadel en beval dezen het paard naar huis te brengen, daar hij begeerde verder te voet te gaan, om ongestoord zijne gedachten te kunnen vervolgen. Weldra wandelde hij dan ook peinzend onder de sykomoren voort, en nog was hij niet ver gekomen, toen hij aan de andere zijde van den thans stillen hoofdweg iemand met groote, haastige schreden achter zich hoorde naderen, die spoedig hem voorbijschoot. Zijn scherpziend oog deed hem in den wandelaar den arts Philippus herkennen, en het verheugde hem dezen te zien, want nu was het bewijs geleverd hoe dwaas en verkeerd zijn twijfel was geweest, hoe weinig grond hij had om in den arts een medeminnaar te zien. Die man daarginds zag er toch niet als een gelukkige uit. Met gebogen hoofd, alsging hij gebukt onder een last, ijlde hij voorwaarts, en thans bracht hij als iemand die vertwijfelt de hand aan het voorhoofd. Neen, achter dien haastigen, nachtelijken wandelaar lag geene zalige ure, en als zijne houding iets van hem vroeg, dan was het niet nijd, maar medelijden.De arts merkte hem niet op, want geheel in zichzelven gekeerd vloog hij verder, terwijl nu en dan een zucht of eene doffe klacht zijne borst ontsnapte. Voor enkele oogenblikken ging hij een huis binnen, waaruit luide klaagtonen werden vernomen, en toen hij daarna zijn weg vervolgde, schudde hij van tijd tot tijd het hoofd, als iemand die allerlei tooneelen onder zijne oogen ziet afspelen, waarvan hij het rechte begrip niet heeft. Het doel van zijne wandeling was een gebouw, dat aan een paleis deed denken. Het pleister was voor een deel afgevallen en de vensters van de bovenste verdieping waren tot groote aan de zijden uitgebroken openingen verwijd. Weleer had dit huis de stedelijke en districtbeambten voor de financiën geherbergd endebenedenvertrekken waren toen zeer geschikt en doelmatig ingericht voor den ideoloog, den hoofdbeambte van dezen tak van bestuur, die gewoonlijk teAlexandriëverblijf hield, maar bij zijne inspectiereis zich soms weken lang te Memphis moest ophouden. Doch de Arabieren hadden het beheer der financiën van het geheele land verlegd naar de nieuwehoofdstadFostat aan gene zijde van den stroom, en die van de vervallen plaats was verbonden geworden met hetstadhouderlijkambt. De senaat van Memphis had het te kostbaar gevonden om het groote gebouw te sloopen, en was zeer blijde geweest toen men voor de benedenvertrekken in den arts Philippus en den Egyptenaar Horus Apollon huurders had gevonden. Beide geleerden bewoonden wel afzonderlijke vertrekken, maar dezelfde slaven bezorgden het gemeenschappelijk huishouden en moesten bovendien den helper van Philippus, een bescheiden en wel onderwezen Alexandrijn, diensten bewijzen.Toen de arts de hooge en ruime werkzaal van zijn grijzen vriend betrad was deze nog wakker, en zat achter een groot aantal opene schriftrollen zoo geheel verdiept in zijn arbeid, dat hij den laat terugkeerenden vriend eerst vluchtig opmerkte, toen deze hem een avondgroet toeriep. Het antwoord daarop bestond enkel uit een onduidelijk gebrom, en nog eenige oogenblikken daarna bleef de oude geheel in zijne handschriften verdiept. Eindelijk keerde hij het gelaat naar Philippus en wierp daarbij het ivoren staafje, waarmede hij de papyrusrollen openlegde en gladstreek, ongeduldig op de tafel, en tegelijk begon zich daaronder eene donkere massa te bewegen, de sedert lang ingeslapen slaaf van den grijsaard. De drie lampen op de schrijftafelplaatsten den oude en zijne omgeving in het volle licht, terwijl de arts, die zich op eene rustbank op den achtergrond van het groote vertrek had neergevleid, in het donker bleef.Wat dien arbeider bij nacht opschrikte was het zwijgen van den teruggekeerde, waaraan hij niet gewoon was; dit hinderde hem als het stilstaan der klepperende raderen den molenaar.Hij zag nu den vriend verstomd en vragend aan, maar deze bleef stom waarop de oude zich weder in zijne schriftrollen verdiepte. Toch had hij zeker de noodige aandacht verloren, want zijne gebruinde hand, waarop de aderen als blauwe knoopen en draden zichtbaar waren, verschoof nu eens de rol, dan weer het ivoren staafje, en zijn ingevallen mond, die eerst vast gesloten was, bleef voortdurend in beweging. De uitwendige gedaante van dezen man bood een zonderlingen, weinig opwekkenden aanblik, want zijne magere, bruinachtige gestalte was van ouderdom gebogen, zijn echt Egyptisch gelaat met de breede kaakbeenderen en de hoog opstaande ooren was gerimpeld als eikenbast, zijn schedel had het laatste haar verloren, en zijn gezicht was wel-is-waar pas geschoren, maar op de plaats van zijn baard wiesen in de diepe rimpels van kin en wangen enkele grauwe haren als struiken, die uit het enge bed van eene beek te voorschijn komen. Het scherpe scheermes had die plaatsen niet kunnen bereiken, en die haren gaven aan zijn geheele gelaat een onordelijk en verwaarloosd aanzien.Hiermede was de kleeding van den grijsaard in overeenstemming, als het linnen schort en het witte doek, dat sedert het ondergaan der zon over zijne naakte schouders hing, zulk een naam verdiende. Doch niemand op straat zou hem voor een bedelaar hebben gehouden, want het linnen dat hij droeg was fijn en sneeuwwit, en uit zijne wijd uitpuilende schitterende oogen, waarboven juist in het midden kleine maar lange borstelige wenkbrauwen zonderling opstaken, spraken helder verstand, krachtig zelfbewustzijn en afstootende norschheid, eigenschappen die een ontvanger van aalmoezen even weinig pasten als de van wilskracht getuigende, soms honende trek, die altijd om den mond van dezen man scheen te spelen. Er lag in de trekken van dezen ouden man niets aanvalligs, niets teeders of behagelijks, en wie zijn leven kende kon zich niet verwonderen, dat de jaren niet in staat geweest waren zijne ruwheid en onaangename zucht tot tegenspraak te breken, of te verkeeren in die vriendelijke toegevendheid, die vaak een hoogen leeftijd kenmerkt, als men zoo vaak gestruikeld is en zoovelen heeft zien vallen.Hij was voor tachtig jaren geboren op het schoone eiland Philae, aan gene zijde van den katarakt in de nabijheid vanden Isis-tempel, dus bij het eenige Egyptische heiligdom, waarin de heidensche eeredienst nog tot in zijne jeugd en nog wel openlijk kon worden uitgeoefend. Sedert den grooten Theodosius hadden keizers en»praefectus augustales” om strijd krijgslieden te voet en te paard den katarakt laten overtrekken, om aan de afgoderij op het lieflijke Nijleiland een einde te maken, maar allen waren door de dappere Blemmyers, die in de woestijn tusschen den stroom en de Roode zee huisden, tot de terugtocht gedwongen of vernietigd geworden, want dit onrustig zwervend volk vereerde de Isis van Philae als zijne schutsgodin, en volgens een oud verdrag werd het beeld hunner patrones door hunne priesterschap jaarlijks in feestelijken optocht naar de Blemmyers gebracht, om eenige weken in hun midden te verwijlen.De vader van den grijsaard was de laatste horoscoop en zijn grootvader de laatste opperpriester van Isis op Philae geweest. Zijn jongenstijd had hij nog doorleefd op het eiland der godin. Toen was het echter aan een Byzantijnsch legioen gelukt de Blemmyers te verslaan, het eiland te omsingelen, het heiligdom uit te plunderen en te sluiten. De Isis-priesters ontkwamen aan de keizerlijke vervolgers, en Horus Appollon had zijne geheele jeugd met vader, grootvader en twee jongere zusters op de vlucht doorgebracht, overal door groote gevaren bedreigd. Haat tegen de vervolgers, de misdadigers die het geloof zijner vaderen verachtten en vernietigden was de spijs geweest, waarmede men zijn jeugdig gemoed had gevoed, en deze haat zou klimmen tot onverzoenlijke bitterheid, nadat te Antiochië de zijnen door keizerlijke soldaten overvallen en zijn grootvader benevens zijn beide onschuldige zusters neergehouwen waren. Op aanhitsen van den bisschop die in de vreemde familie Egyptische afgodendienaars had herkend en wien de prefect des keizers, een overmoedig en trotsch patriciër, de gewapende macht gewillig ter beschikking had gesteld, had deze ontzettende gebeurtenis plaats gehad. Slechts aan een toeval of, zooals de oude meende aan de ‘groote Isis’ was het te danken, dat zijn vader gelukkig ontkwam met hem en de kostbaarheden, die de oude opperpriester uit den tempelschat had medegenomen. Het ontbrak hun dus niet aan middelen om onder vreemde namen te reizen en zich eindelijk in Alexandrië neer te zetten. De vervolgde jongeling veranderde hier zijn naam Horus in den Griekschen vorm ervan, en heette van nu aan in huis en in de school Apollon. De begaafde jonkman gebruikte met vurigen ijver de rijke leermiddelen van een stad als Alexandrië, rusteloos verdiepte hij zich in elk gebied der Grieksche wetenschap en verwierf daarbij onder de leiding zijns vaders al de kennis van een Egyptischen horoscoop, die in dezen lateren tijd toch nog niet geheel was te loor gegaan.Te midden van de christenen der hoofdstad en hun geloofsstrijd bleven vader en zoon heidenen en Isis-dienaars, en toen de oude priester op hoogen leeftijd stierf, verhuisde Horus Apollon naar Memphis, waar hij het stille afgezonderde leven van een onderzoeker leidde, van tijd tot tijd vertoonde hij zich op de sterrewacht onder de astronomen, astrologen en kalendermakers, of bezocht hij de laboratoria der alchymisten, die ook in christelijk Egypte zich ijverig bleven bezighouden met pogingen om onedele in edele metalen te veranderen. De scheikundigen en sterrekundigen erkenden weldra de meerdere kennis van den ouden man en ondanks zijne zwartgalligheid en de beleedigende wijze waarop hij iemand kon afwijzen, vroeg men toch bij moeielijke vraagstukken hem om raad. De roep die van hem uitging was ook tot de Arabieren doorgedrongen, en toen het de vraag was hoe men aan de gebedsnis in de nieuwe moskee van Amr de juiste richting naar Mekka zou geven, werd zijne hulp ingeroepen en zijn advies was beslissend.De arts Philippus was eenige jaren geleden aan hetziekbedvan den oude geroepen en had aan hem zijn meesten tijd en zijne beste krachten gewijd, daar in die dagen nog maar weinigen een beroep deden op de kunst van een pas beginnende. Er kwam bij dat Horus Apollon door de degelijke beschaving en den ernstigen zin tot onderzoek van den jongen geleerde werd aangetrokken en spoedig warme sympathie voor hem had opgevat, ja, de warmste, die hij na den dood der zijnen voor een zijner medemenschen had getoond. Eindelijk sloot de oudere den jongeren man met zulk eene teederheid aan zijn hart, als beijverde hij weer goed te maken wat hij in liefdebewijzen tot hiertoe was te kort gekomen. Geen vader kon inniger, met meer zelfverloochenende liefde gehecht zijn aan een zoon als de grijsaard aan den arts, en toen eene ziekte hem opnieuw aan den rand des grafs bracht, maakte hij Philippus tot zijn vertrouwde, openbaarde hij hem het geheim van zijn uit- en inwendig leven van den aanvang af, en beloofde hij den arts tot zijn erfgenaam te zullen maken, wanneer deze zich verbond bij hem te blijven tot zijn einde. Philippus, wien de grijze, geestrijke onderzoeker reeds van den beginne de grootste belangstelling had ingeboezemd, nam dezen voorslag aan, nadat ook hij zich meer had ingelaten met de studiën van den ouden man waaraan hij soms deelnam, noodigde deze hem uit een werk te helpen voltooien dat hij voor zijn dood wilde afmaken. Het handelde over het hiëroglyphenschrift en moest de beteekenis der afzonderlijke teekens, voor zoover deze nog was vast te stellen, verklaren en aan de nakomelingschap overbrengen. De grijsaard, die alleen Egyptisch wilde schrijven omdat hijhet Grieksch niet genoeg machtig was, vertrouwde aan zijn jongen vriend de vertaling zijner opteekeningen in deze taal toe, en het samenleven van die twee in ouderdom en karakter zoo uiteenloopende, maar in betrekking tot hun geestelijk streven verwante mannen, nam een voor beide partijen aangenamen en voordeeligen vorm aan, ondanks de velerlei zonderlingheden, de ruwheid en hardheid van den ouden man.Horus Apollon leefde op de manier van een oud Egyptisch priester, daar hij zich onderwierp aan veelvuldige wasschingen en scheringen, weinig anders nuttigde dan brood, groenten en tamme vogels, zich onthield van peulvruchten en het vleesch van alle viervoetige dieren en niet alleen van de reeds aan zijne voorvaderen verbodene zwijnen, zich van geen andere dan reine linnen gewaden bediende en zekere uren voor zich hield tot het uitspreken van die heidensche gebedsformulieren, welker magische kracht de goden moest dwingen aan het verlangen hunner aanbidders te voldoen.Zooals de oude aan Philippus zijn geheele vertrouwen geschonken had, zoo verborg deze voor hem niets wat in hem omging. Deed hij het soms, dan gevoelde de ander dit met wonderbare scherpzinnigheid. De arts had den vaderlijken vriend vaak over Paula gesproken en hem hare voortreffelijke eigenschappen geschilderd met al de warmte van een liefhebbend hart; doch de oude was haar van den aanvang niet genegen, reeds dadelijk omdat zij de dochter was van een patriciër en prefect. Wie dezen titel voerde was voor hem een voorwerp van haat, immers een prefect en patriciër droeg de schuld van het bloedig einde dergenen, die hij het meest had liefgehad. Wel-is-waar had de stadhouder van Antiochië enkel op last van den bisschop gehandeld, doch het lustte den grijsaard—en zijn vader had er van den aanvang af evenzoo over gedacht—alle schuld op den prefect te laden; want de nazaat van een overoud priestergeslacht verheugde zich, dat hij al de volheid van zijn toorn over een ander kon uitstorten dan over een dienaar onverschillig van welke godheid.Als Philippus Paula’s groote gestalte, hare voorname houding, den adel van hare vormen en van hare gezindheid prees, voer de oude tegen hem uit en riep: »Zoo is dat ’t! Pas op, knaap, wees op uwe hoede! Hoogmoed, eigenwaan, zelfverheffing, teekent ge mij, maar verguld met de schoonste namen. Het woord patriciër bevat alles in zich, wat wij ons onder zelfzucht en onmenschelijkheid denken, en de ergsten, onverschilligsten, hebzuchtigsten onder hen maken die apen in purper, die de keizerstroon schandvlekken, tot hunne prefecten. Zooals zijzelven zijn, is ook hun gebroed. Al wat zij in hunne aanmatiging‘klein’ noemen, wordt door hen in ’t stof geworpen en onder den voet getreden; maar wij, gij en ik, allen die in het burgerlijk leven arbeidzaam de handen roeren, wij zijn in hunne oogen de verachtelijke kleinen. Let erop, knaap! Heden lacht de dochter van den stadhouder en den patriciër u toe, omdat zij u noodig heeft, morgen werpt zij u weg, gelijk ik mijn oud pantervel, dat in den winter mijne voeten verwarmt, wegschop als de heete dagen van Maart komen.”Was hij de dochter van Thomas niet genegen, hij was even afkeerig van den zoon van den Mukaukas, ofschoon hij hem nooit gezien had, en toen de arts hem verteld had, dat groote verbolgenheid tegen Orion zich had meester gemaakt van het hart zijner vriendin, was de grijsaard in een hoonenden schaterlach uitgebarsten en had gezegd, als bezat hij het vermogen om in de harten te lezen en in de toekomst te zien: »Heden bijten zij elkaar, over drie dagen zullen zij elkaar kussen! Haat en liefde zijn de eindpunten van denzelfden staf. Hoe gemakkelijk draait men dien om! Die twee, ze zijn van hetzelfde bloed en van denzelfden aard! De zoodanigen vliegen naar elkander toe als de magneet naar het ijzer en het ijzer naar den magneet.”Maar soortgelijke vermaningen hadden op het gevoel van den arts weinig invloed uitgeoefend, en zelfs door de afwijzing van zijn warm aanzoek, nadat Paula haar intrek had genomen in het huis van Rufinus, was zijne hoop van haar eindelijk geheel voor zich te winnen niet geheel geschokt. Heden morgen bij de onderhandeling over het vastzetten van het vermogen der geliefde, was Paula van harte bereid geweest hem tot haren kurios, haar voogd aan te nemen, om in haar plaats bij het gerecht op te treden; doch uit menig teeken meende hij waargenomen te hebben, wat zijne ziel zoo pijnlijk aandeed, dat zijn grijze vriend goed had gezien, dat de staf gekeerd en in het hart der jonkvrouw haat in liefde veranderd was. Toch had Paula hem nog nooit zulk eene warme genegenheid getoond, had hij hare stem in het gesprek nooit zoo week en hartelijk hooren klinken dan heden avond in den tuin van zijn vriend. Vroolijker en spraakzamer dan ooit was zij niet moede geworden zich tot hem te wenden. Daarbij waren langzamerhand zijne bezorgdheid en zielesmart geweken, en eindelijk had hij gevoeld, hoe teedere aandoeningen opnieuw bij hem ontwaakten en zijne eigene geestelijke kracht toenam... Ja, hij meende dat hij aan zijne gedachten nooit schooner en beter uitdrukking had gegeven dan in de laatst verloopen uren. Zij had hem ook haar bijval niet onthouden, had blijmoedig hare instemming betuigd met elk zijner stellingen, en toen hij zich een half uur voor middernacht met haar naar de kranken had begeven, was er eene nieuwe heerlijkehoop in hem ontwaakt. Gelukkig en als betooverd had hij aan haar wensch voldaan om haar te volgen naar hare woonkamer, en dáar, op die plaats...Arme, bitter teleurgestelde man! Daar zat hij in den donkeren hoek van de ruime studeerkamer, waarin het verstand tot hiertoe het grootste woord had gevoerd en naar de stem van het hart nooit was gevraagd. Hoe hij den weg hierheen had gevonden, dat wist hij zelf niet meer. Dit alleen herinnerde hij zich nog, dat hij, gehoor gevende aan zijn plicht, het huis van een Memphiet was binnengegaan, wiens vrouw, eene moeder van vele kinderen, in den namiddag stervende was; dat hij daar een lijk en vele luid en oprecht weeklagende menschen had gevonden, dat hij met hun en zijn eigen leed in het hart naar huis was gewaggeld en zich daar niet naar zijne vertrekken, maar naar dat van den grijzen vriend had begeven, omdat hij zichzelve niet vertrouwde. Het leven had alle bekoorlijkheid, alle waarde voor hem verloren; doch hij schaamde zich, dat hij door eene vrouw het edelst doel van zijn bestaan zich geheel ontvreemden, door haar zijne blijmoedige stemming verstoren liet, die hij niet missen kon om verder zijn beroep in den zin van zijn vriend Rufinus te vervullen. Hij kende zijn ouden huisgenoot en wist dat deze loog in zijn wonden zou gieten; maar daar had hij vrede mee. De grijsaard had reeds zoo vaak getracht Paulas beeld van zijn hoog voetstuk te werpen en te vernielen, maar altijd te vergeefs, en het zou hem ook heden niet gelukken! Het vurig verlangen, de brandende hartstocht naar haar, die door zijn aderen woelden sedert den nacht waarin hij den woedenden Masdakiet had bedwongen, dat wilde hij te niet doen, in het stof werpen, door alle winden laten verstrooien. De grijsaard daar aan de tafel, wiens strenge en onvriendelijke trekken door de drie lampen zoo helder verlicht werden, was geheel de man om dit werk der vernietiging te volbrengen, en Philippus wachtte op zijne eerste woorden als een zieke op den heelmeester, die het schroeiijzer in het vuur houdt, waarmede hij de wond wil uitbranden.Arme man, die na deze ontgoocheling de genezing zoozeer behoefde! Daar lag hij op den divan en zag hoe de ander over de schriftrollen hem bespiedde en daarbij heen en weer schoof in zijn leunstoel. Het zwijgen van Philippus verontrustte den oude zichtbaar en de arts zag aan de spichtige wenkbrauwen, die boven de oogen van den grijsaard zich opzetten, dat hij zijn eigen oordeel vormde, dat zeker het ware was. Weldra moest het zwijgen gebroken worden en Philippus verwachtte den aanval. Hij was bereid de grootste moeielijkheid uit den weg te ruimen, maar hoe zou hij over zich kunnen verkrijgen den pijniger zijn werk te verlichten?Zoo verliep er een geruimen tijd en evenals de arts op de toespraak van den grijsaard, wachtte deze op zijn eerste woord. Doch het ongeduld en de nieuwsgierigheid van den ouden man waren machtiger dan het verlangen van den jongeren naar genezing, en opeens legde deze de schriftrol neder, greep met eene onwillekeurige beweging het ivoren staafje, dat hij zoo even had weggeworpen, gaf aan den zwaren stoel met een voor zijn hoogen leeftijd verwonderlijk krachtigen ruk eene andere richting, keerde Philippus zijn volle gelaat toe en vroeg luide, terwijl hij met het staafje dreigend naar hem wees: »Het besluit van het spel, niet waar? Het einde van een treurspel!”»Niet geheel, want ik leef nog!” antwoordde de arts.»Maar het bloedt daarbinnen, en die wond doet pijn,” hernam de oude. Na zich een oogenblik bedacht te hebben ging hij voort: »Wie niet hooren wil moet voelen! Men heeft den vos den haak getoond, maar het lokaas was te verleidelijk. Gisteren was het nog tijd geweest om de kluister van den voet te strijken, men had slechts ernstig te willen, want men was goed onderricht omtrent de gruwzame listen van den jager. Nu is het gebeurd, men heeft geen enkel wapen waarover men te beschikken had ontzien, en nu ligt het wild stom van smart en schaamte, en verwenscht zijne eigene dwaasheid. Men schijnt heden het zwijgen te verkiezen. Wil ik u eens vertellen, hoe dat alles gekomen is?”»Ik weet het zelf maar al te goed,” antwoordde Philippus.»Doch ik, ik kan het mij wel voorstellen,” gromde de oude. »Zoo lang die patricische deerne het trekdier noodig had, heeft zij het aangehaald, het gerst en dadels toegeworpen. Nu baadt zij zich in het goud, woont onder een veilig dak, en flap! in eens krijgt de uitgediende beschermer zijn afscheid. Evenals de hemel de zon laat opgaan, wanneer de bleeke maan achter de bergen verdwijnt, zoo stelt deze jonkvrouw, die gebied voert over de harten van ons zwakkelijk en van vrijheid verzadigd geslacht, in de plaats van den armen, langen arts den rijken Adonis uit het stadhouderlijk paleis. Als het anders gebeurd is, heet het mij liegen!”»Kon ik dat maar!” zuchtte Philippus. »Gij hebt goed gezien, verwonderlijk goed, en toch zoo verkeerd als mogelijk is.”»Dat klinkt duister,” zeide de grijsaard gelaten. »Maar ik kan ook in den nacht zien. Het feit staat vast, doch gij zijt nog verblind genoeg, om die beweegredenen niet te laten gelden. Overigens verheugt het mij, dat uwe dwaling een zoo ‘gelukkig’ en wat mij betreft een zoo ‘spoedig’ einde heeft genomen; de aanleiding—zooals gewoonlijk eene vrouw—is mij onverschillig geworden. Waarom zou ik haar zonder noodzakelijkheidvan iets ergers verdenken, dan zij gedaan heeft? Alleen om uwentwil zou ik dit gaarne vermijden, want rechtgeaarde zielen hechten zich gaarne aan hen, die zij onrecht zien aandoen. Doch het staat aan u, dacht ik, niet aan mij, om te spreken; ook zonder uw hardnekkig zwijgen weet ik wel dat gij wijsgeer zijt; en wat mij betreft, ondanks mijne tachtig jaren ben ik nog altijd niet vrij van nieuwsgierigheid.”Toen stond Philippus haastig op en terwijl hij nu eens in het groote vertrek op en neer liep, dan weder voor den ouden vriend staan bleef, vertelde hij hem met vuurroode wangen en levendige gebaren wat hij gehoopt en geleden had, hoe Paula eerst nieuw vertrouwen bij hem gewekt en hem daarna in hare woning ontboden had—om diep ontroerd, verbaasd over zichzelve en toch niet bij machte en ook niet voornemens om de zaligheid te verbergen die haar vervulde, hem in haar hart te laten lezen. Gelijk eene beangstigde ziel voor den priester biecht, zoo had zij hem, haren besten vriend, geopenbaard, wat sedert de begrafenis van den gestorven Mukaukas in haar binnenste was omgegaan, en hoe zij thans overtuigd was dat Orion na zijn zwaren misslag zichzelven had wedergevonden.»En daarover,” viel de grijsaard hem in de rede, »was zoo groote vreugde in den hemel, dat men niet wachten kon met den afgedankten vrijer de weldaad te bewijzen, om ook daaraan deel te nemen.”»Veeleer heeft zij mij onder zwaren strijd beleden, wat het hart van haar vordert; ja, ofschoon zij niets dan spot, waarschuwingen, verwijten van mij verwachten kon, heeft zij toch haar binnenste voor mij ontsloten.”»En waarom, met welk doel?” vroeg de oude met schrille stem. »Wil ik het u eens zeggen? Omdat een vriend altijd nog zoo’n halve minnaar is en de vrouwen ook niet een vierde van zulk een geliefde prijs geven willen.”»Dat is niet waar!” haastte Philippus zich met afkeuring te zeggen. »Zij heeft het gedaan omdat zij mij hoog schat, mij acht, mij—ik ben niet ijdel—mij als een broeder genegen is, en het niet verdragen kon mijn gevoel voor haar—het zijn hare eigene woorden—ook maar een uur te misleiden. Dat is edel, dat is groot, is harer waardig, en niettegenstaande alles wat in mij is zich daar tegen verzette, zag ik mij toch gedwongen hare oprechtheid, hare trouwe vriendschap, hare zelfverloochening en haar moed in het beheerschen van hare vrouwelijke teergevoeligheid te bewonderen. Neen, val mij nu niet weer in de rede, spot nu niet! Het beteekent niet weinig voor eene trotsche jonkvrouw, die zich van hare waardigheid bewust is, de zwakheid van haar hart zoo bloot te leggen vooreen man, van wien zij weet, dat hij haar bemint, op de wijze als zij dit gedaan heeft. Zij noemde mij haar weldoener, zichzelve mijne zuster, en welke drijfveeren gij, die haar haat om een oud vooroordeel, zonder haar zelfs te kennen, ook aan hare handelwijze wilt toedichten, ik geloof haar en begrijp haar ook. Kon ik anders doen dan de hand aannemen die zij mij bood, toen zij met betraande oogen mij bad haar vriend, haar beschermer, haar kurios te blijven? En toch, toch! Waar zal ik de kracht vinden om niets anders van haar te verlangen, van haar tot wie ik mij door eene brandende hartstocht getrokken gevoel, niets anders dan een vriendelijken blik, een handdruk, een verstandig overwegen van hetgeen ik zeg? Hoe zal ik mijne kalmte, mijne zielsrust, mijne zelfbeheersching bewaren, als ik haar zie in de armen van den schoonen halfgod, dien ik gisteren nog als een nietswaardig jongeling verachtte? Welk ijs kan den gloed verkoelen van dit brandend gemoed? Welke lans doorboort den draak van den hartstocht, die in mij woelt? Dit hart is gekomen tot aan de grenzen van een menschenleeftijd, zonder toch naar de liefde te smachten, waarvan onze dichters zingen. Alleen door hen of door de klacht van een vriend, wiens zwakheid mij leed deed, heb ik zulk een gevoel leeren kennen, en thans, nu de liefde mij zoo laat met al hare onbedwingbare macht overvalt, aan zich onderwerpt en mij in ketenen slaat, hoe kan ik mij van haar bevrijden? Hier, trouwe man, die mij als uw zoon beschouwt, van wien ik het gaarne hoor, als gij mij ‘knaap’ en ‘kind’ noemt, die de plaats bekleedt van mijn vroeg gestorven vader, hier blijft mij niets anders over dan u en deze stad te verlaten, hare nabijheid te ontvluchten, een nieuw verblijf voor mij te zoeken, ver van haar met wie ik zoo gelukkig zou hebben kunnen zijn als de zaligen in het paradijs, en die mij nu nog ellendiger heeft gemaakt als de verdoemden in het eeuwige vuur! Ik wil, ik moet van hier als gij, die zooveel vermoogt, mij niet leert dezen hartstocht te dooden, of dien te veranderen in eene koele, broederlijke vriendschap.”Philippus, die vlak bij den ouden man was blijven staan, sloeg de handen voor het aangezicht, doch Horus was bij de laatste woorden van zijn geliefden leerling met jeugdige kracht opgerezen. Met een stevigen ruk trok hij diens rechterhand van het gelaat, en zeide driftig en buiten zichzelven van verontwaardiging en groote bezorgdheid: »En zegt ge mij dat in ernst? Zijt gij, verstandige man, zoo diep in de dwaasheid verzonken? Is het u niet genoeg, uw eigen geluk om deze—hoe zal ik haar noemen—verspeeld, verslingerd te hebben? Begrijpt gij dan nu eindelijk waarom ik u voor dat patriciërgebroed gewaarschuwd heb? Trouw, dankbaarheid, de liefde vaneen degelijk man—wat vraagt zij daarnaar? Werp dien katvisch van den haak, smijt hem in het zand! Daar komt reeds de vette wentelaar1aangezwommen, die zal wel bijten! Wilt gij aan haar en dien ellendigen stadhoudersjongen ook het heil en de hoop der laatste jaren van een grijsaard opofferen, die zich gewend heeft u, die zulks verdient, als zijn eigen zoonlief tehebben? Wilt gij, flinke arbeider, gij man met zulk een krachtigen geest, zoo vol ijver in het vervullen van uw plicht, in wien de goden een welgevallen hebben, wilt gij als een verlaten meisje wegloopen, van de Leukadische rots springen als de door liefde verteerde Sappho op het theater, waarover de toeschouwers zitten te schudden van het lachen? Gij blijft, knaap, gij blijft! En ik, ik zal u toonen hoe een man den hartstocht onder bedwang krijgt, die hem onteert!”»Toon het mij,” antwoordde Philippus met zachte stem. »Ik verlang niets beters. Meent gij, dat ikzelf mij niet zou schamen over mijne zwakheid? Zij staat mij toch slecht genoeg, mij vooral, wien het lot eer tot alle andere dingen bestemd heeft dan tot een zuchtend minnaar en dweper. Strijden wil ik, worstelen met al de kracht mijner ziel; maar hier, hier in Memphis, hier in de nabijheid, als haar kurios, ben ik dagelijks gedwongen haar weer te zien, moet ik dag aan dag nieuwe smadelijke nederlagen lijden. Hier, altijd in hare nabijheid, put de strijd mij uit, zie ik mijzelven ondergaan naar lichaam en ziel. Op dezelfde plaats, in dezelfde stad is er geen ruimte voor ons beiden.”»Dan moet zij het zijn,” riep de oude met schelle stem, »die plaats maakt voor u.”Hierop richtte Philippus het gebogen hoofd omhoog en vroeg verrast en op streng afkeurenden toon: »Wat bedoelt gij hiermede?”»Niets,” antwoordde de ander onverschillig, terwijl hij de schouders ophaalde. Daarna ging hij vergoelijkend voort:»Memphis heeft in elk geval van u meer nut te verwachten, dan van die patricische deerne.” Vervolgens schudde hij zijne leden, alsof hij het koud had, sloeg met de hand op de borst en zeide: »Hier binnen is alles in oproer, en ik kan thans helpen noch raden.Weldrabegint het in het oosten te schemeren; wij willen trachten wat te slapen. In den zonneschijn kan men knoopen loswikkelen, die bij lamplicht niet te ontwarren schijnen, en misschien toont de godin mij, terwijl ik slapeloos op mijne legerstede lig, den weg, dien ik zoo straks beloofde u te zullen wijzen. Een weinig meer luchthartigheid zou ons beiden niet schaden. Tracht uw eigen leed te vergeten door te denkenaan dat van anderen; daarvan leert gij alle dagen genoeg kennen. Het zou niet veel baten of ik u al een goeden nacht wenschte, maar moge hij u wat tot kalmte brengen! Op mijne hulp kunt gij staat maken; maar van weggaan, vluchten of iets dergelijks, daarvan zult ge mij, arme man, niets meer laten hooren, niet waar? Neen, neen, dat—ik ken u genoeg Philippus—dat leed doet gij uw eenzamen vriend niet aan!”Deze laatste woorden waren de teederste, die de arts ooit uit den mond van den grijsaard vernomen had, en het deed hem goed toen deze hem een oogenblik omarmde en aan zijn hart drukte. Aan zijn woord: dat het aan Paula stond om plaats te maken, dacht Philippus niet verder; doch de oude man scheen het toch zeer ernstig gemeend te hebben, want zoodra hij alleen was, wierp hij het ivoren staafje weder heftig op tafel en prevelde met fonkelende oogen, eerst in toorn en dan spottend: »Om dit trouwe hart, dezen besten aller arbeiders voor mij en de wereld te behouden, zou ik een dozijn van die volbloed deernen naar de Amenthe2willen sturen. Ei, ei, gij schoonste der schoonen, de brave arts is voor ons te slecht, en men smijt hem weg als de pit van een dadel, dien men opgegeten heeft? Een ieder naar zijn smaak! Maar hoe zou het zijn, als de oude Horus u eens dwong hem te leeren hoogschatten? Geduld, geduld! Met het doel voor oogen is het mij nog altijd gelukt den weg te vinden; op het veld der wetenschap, meen ik natuurlijk. Doch het leven, wat is het leven van den wijze anders dan toegepaste wetenschap? Waarom zou de oude Horus niet nog eens vóor zijn einde beproeven, wat zijn geest vermag uit te richten op de markt van het leven der werkelijkheid? Hoe goed of het u ook bij uw liefje in Memphis bevalt, gij breekster der harten, gij zult toch plaats moeten ruimen voor den armen weggegooiden speelbal! Ja, dat zult ge! Reken er op, mijne lieveling, dat zult ge!—Heidaar Anubis!”Bij deze woorden gaf hij den slaaf, die onder de tafel rustig was blijven doorslapen, een schop met zijn naakten voet, en terwijl deze zijn meester voorlichtte naar het slaapvertrek en hem daar, bij zijne zorgvuldige en langdurige wasschingen behulpzaam was, hield de grijsaard niet op afgebroken volzinnen te prevelen, nu eens verwenschingen uit te stooten en dan weer in ondeugend gelach uit te barsten.EINDE VAN HET EERSTE DEEL.1Nijlmeerval, eene smakelijke visch.2De onderwereld der oude Egyptenaren.

VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Terwijl maan en sterren den nachtelijken hemel verhelderden nam Orion den terugweg aan. Hij hield het hoofd fier opgericht, zoo vroolijk en vol hoop als bij dezen rit had hij zich niet gevoeld sedert dat watertochtje met Paula. Aan gene zijde van de schipbrug stuurde hij zijn paard niet rechtstreeks naar het stadhouderlijk paleis, de frissche nachtlucht deed hem zoo goed, zijn hart was zoo ruim, dat hij zich niet dadelijk in een eng vertrek kon opsluiten. Met nieuwe geestdrift bezield en van eene zwaren last bevrijd reed hij in snellen draf naar het huis waar zijne geliefde gehuisvest was, en hij stelde zich voor hoe verheugd zij zijn zou bij het bericht, dat hij in Amr een helper bij de verwezenlijking zijner plannen, ja, misschien een vriend gevonden had.De veldheer, dien zijn vader zoo hoogschatte om zijn edel gemoed, zijn verstand en zijne rechtvaardigheid was ook in zijn oog het ideaal van een voortreffelijk man, en als hij hem vergeleek met de voorname beambten en bevelhebbers over de troepen, die hij aan het Byzantijnsche hof had gezien, moest hij glimlachen. Zij allen stonden tot dezen waardigen en toch levenslustigen en deelnemenden man in verhouding als de oude stijve godenbeelden zijner voorvaderen tot de edele gestalten der Grieksche kunst. Thans zegende hij het aandenken zijns vaders, die zijn geboortegrond bevrijd had van de heerschappij van dit ontaard gebroed. Heden, dit wist hij zeker, zou de afgestorvene, wiens beeld hem zoo levendig voor den geest stond, over hem tevreden zijn, en dat gaf hem een gevoel van geluk dat hij wilde vasthouden en nog verhoogen door hetgeen hij verder zou overleggen en uitrichten. »Het leven een ambt, een dienst, eene verplichting,” deze tooverspreuk uit een zoo dierbaren mond, zou hem houden op den goeden weg en hoe spoedig hoopte hij, zeker van zijne zaak, op mannelijke daden tekunnen wijzen, die hem voor zichzelven het recht gaven, om het lot van de edelste der vrouwen aan het zijne te verbinden!Van zulke gedachten vervuld, was hij aan het huis van Rufinus gekomen. De vensters van het hoekvertrek op de bovenste verdieping, waarvan twee in de Nijlstraat, twee op den stroom uitzagen, waren verlicht. Hij wist niet juist welke kamers Paula bewoonde, maar hij keek toch naar boven in het onzeker vermoeden, dat dit licht bij haar nog zoo laat brandde, en de vrouwelijke gestalte, die thans zich vertoonde aan de door het maanlicht beschenen vensteropening, zeide hem dat hij zich niet had bedrogen, want hij herkende in haar Paula’s voedster Perpetua. De hoefslag had haar uit nieuwsgierigheid naar het venster doen gaan, doch zij scheen hem bij het matte licht niet te herkennen. Langzaam reed hij voorbij en toen hij spoedig daarop omkeerde en opkeek, in de hoop ditmaal zijne geliefde aan het venster te zullen vinden, zag hij niemand meer. Maar hij merkte eene lange donkere schaduw op, die zich van de eene zijde van het vertrek naar de andere bewoog en die noch van de voedster, noch van hare slanke meesteres afkomstig kon zijn. Het moest de schaduw zijn van een bijzonder lang man, en terwijl hij stilhield en verontrust door allerlei pijnlijke gewaarwordingen nog eens naar boven keek, herkende hij duidelijk den arts Philippus.Het middernachtelijk uur was reeds voorbij: hoe te verklaren dat Paula hem thans ontving? Was zij ziek geworden? Of was dit vertrek misschien niet het hare? Bevond de voedster zich toevallig met haar en den arts in eene woonkamer van Rufinus?Maar neen! De vrouw die thans voorbij het venster ging en zich met uitgestrekte hand juist bewoog naar de schaduw van den man, was Thomas’ dochter en geene andere.Zijn hart begon steeds sneller te kloppen en hem overviel eene bezorgdheid, die tot hiertoe door zijne edelheid was teruggehouden, ofschoon hij toch meermalen getuige was geweest van de vriendelijke verstandhouding, die er tusschen Paula en den arts bestond. Misschien was het meer dan vriendschap en onschuldig vertrouwen, dat de jonkvrouw aanleiding gaf de bescherming en de hulp van dezen man zoo onverholen in te roepen. Zou hij Paula’s hart, hare liefde gewonnen hebben? Zou dat mogelijk zijn? En waarom niet? Wat had zij bij Philippus anders te vergeten dan zijn leelijk gelaat en zijne lage afkomst? Maar hoeveel andere vrouwenharten hadden zich over gansch andere dingen moeten heenzetten! De arts was nauwelijks vijf jaren ouder dan hij, en zijne bezorgdheid klom als Orion zich den blik weer voor den geest bracht, waarmedehij Paula heden morgen had aangezien.Ja,Philippushad Paula lief!Eene kleine omstandigheid, die hem eenklaps inviel, was voor hem, die in zulke dingen maar al te veel ervaring had, voldoende om dit als zeker te beschouwen. Reeds gisteren was het hem opgevallen dat Philippus zich sedert den dood zijns vaders, dus sedert Paula verhuisd was naar het huis van Rufinus, zich veel zorgvuldiger dan vroeger gekleed had. »Daarin,” dacht hij, »brengt een ernstig man geen verandering, wanneer de liefde hem er geen aanleiding toe geeft.”Een pijnigend gevoel van angst en toorn overviel hem, toen hij de lange schaduw weder bij het venster zag verschijnen. Voor de eerste maal in zijn leven gevoelde hij de kwelling van den ijverzucht, waarom hij zijne vrienden dikwijls had uitgelachen. Toch was hij niet dwaas genoeg om zich er door te laten martelen, immers sedert heden morgen kon hij zeker op zijne geliefde bouwen. Al moest hij, Orion, voor een hoogeren rechter bij dezen achterstaan, voor een vrouwenhart was hij gewis zijn meerdere. Desniettemin hinderde het hem te weten dat de arts op dit uur bij Paula was, en korselig rukte hij aan den teugel om het paard te doen keeren. Het beviel hem dat het edele, vurige beest zich verzette tegen deze ongewone ruwe handeling en een honderd passen voorbij dat verwenschte verlichte venster weder de koppigheid toonde, die men het als veulen had afgeleerd. Orion moest werkelijk een strijd beginnen met den hengst, en het deed hem goed het dier met den toom en zijne beenen zijn overmacht te doen gevoelen. Wel steigerde de hengst en draaide hij met hem in een cirkel rond, maar de krachtige ruiter werd hem de baas, en nadat hij het dier tot stilstaan en gehoorzaamheid gedwongen had, streelde hij het langs den gladden hals en zag, tot verademing gekomen, nog eens om.Naast hem verhieven zich boven de lage heg de dichte sombere bosschages van den tuin der weduwe Susanna, en daarachter schemerde uit de achterzijde van het huis die op de Nijlstraat uitzag, een nog helderder licht als uit Paulas woning. Uit drie vensters straalde het in den tuin, uit twee slechts met een mat schijnsel, misschien het licht van eene enkele lamp. Dat alles kon hem onverschillig zijn, toch bleef zijn oog gevestigd op het dak van de zuilengaanderij, die onder de bovenverdieping heenliep, want daarop stond dicht tegen het kozijn van een der verlichte vensters geleund, eene kleine vrouwelijke gestalte, die het hoofdje zoover vooruitstak om te luisteren, dat het licht schemerde door het golvende haar dat het omlijstte. Katharina beluisterde het gesprek, dat de patriarch Benjamin,wiens gebaarde apostelkop Orion goed onderscheiden kon, met den presbyter Johannes voerde, een klein onaanzienlijk mannetje, van wien Orions vader echter getuigde, dat hij den ouden bisschop Plotinos in geest en kloekheid overtrof.Het zou den jongeling niet moeilijk zijn gevallen elke beweging van Katharina te volgen, doch dit was hem de moeite niet waard. Terwijl hij doorreed zag hij in zijne verbeelding het kwikstaartje, hoewel niet alleen, want het beeld der geliefde plaatste zich dadelijk daarnaast, en hoe kleiner gene hem voorkwam, des te heerlijker kwam de wasdom van deze uit. Ieder woord, dat hij heden vroeg van Paula’s lippen vernomen had, kwam hem weder voor den geest, en die schoone, levendige herinnering verdreef alle bezorgdheid. De vrouw, die zich nog dezen morgen bereid verklaard had met hem te hopen, alles van hem te gelooven, zijne bescherming aan te nemen, de edele jonkvrouw, aan wie hij gaarne had toegestaan het oog mede te richten op wat hij zich in de toekomst ten doel had gesteld, wier reine blik zijn hartstocht, zijn eigenwaan als met toovermacht in toom had gehouden en hem nochtans het recht gegeven had naar haar bezit te streven, dat trotsche heldenkind, dat zijn vader zoo gaarne als dochter aan het hart had gedrukt, zou het mogelijk zijn dat zij hem misleidde als eene behaagzieke schoone uit de hoofdstad? Kon zij ooit hare waardigheid als vrouw vergeten? Neen, duizendmaal neen! Aan haar te twijfelen was haar te beleedigen, was een onrecht tegen haar en zichzelven. De arts had haar lief, doch wat haar ook aanleiding gaf om hem zoo laat te ontvangen, eene andere beweegreden dan die van vriendschap bestond er zeker niet. Schande over hem, wanneer hij de lage verdenking van vroeger weder plaats gaf in zijne ziel.Als van een last bevrijd haalde hij vrijer adem, toen zijn dienstknecht verscheen, die bij de betaling van den bruggetol was opgehouden. Terstond sprong hij uit het zadel en beval dezen het paard naar huis te brengen, daar hij begeerde verder te voet te gaan, om ongestoord zijne gedachten te kunnen vervolgen. Weldra wandelde hij dan ook peinzend onder de sykomoren voort, en nog was hij niet ver gekomen, toen hij aan de andere zijde van den thans stillen hoofdweg iemand met groote, haastige schreden achter zich hoorde naderen, die spoedig hem voorbijschoot. Zijn scherpziend oog deed hem in den wandelaar den arts Philippus herkennen, en het verheugde hem dezen te zien, want nu was het bewijs geleverd hoe dwaas en verkeerd zijn twijfel was geweest, hoe weinig grond hij had om in den arts een medeminnaar te zien. Die man daarginds zag er toch niet als een gelukkige uit. Met gebogen hoofd, alsging hij gebukt onder een last, ijlde hij voorwaarts, en thans bracht hij als iemand die vertwijfelt de hand aan het voorhoofd. Neen, achter dien haastigen, nachtelijken wandelaar lag geene zalige ure, en als zijne houding iets van hem vroeg, dan was het niet nijd, maar medelijden.De arts merkte hem niet op, want geheel in zichzelven gekeerd vloog hij verder, terwijl nu en dan een zucht of eene doffe klacht zijne borst ontsnapte. Voor enkele oogenblikken ging hij een huis binnen, waaruit luide klaagtonen werden vernomen, en toen hij daarna zijn weg vervolgde, schudde hij van tijd tot tijd het hoofd, als iemand die allerlei tooneelen onder zijne oogen ziet afspelen, waarvan hij het rechte begrip niet heeft. Het doel van zijne wandeling was een gebouw, dat aan een paleis deed denken. Het pleister was voor een deel afgevallen en de vensters van de bovenste verdieping waren tot groote aan de zijden uitgebroken openingen verwijd. Weleer had dit huis de stedelijke en districtbeambten voor de financiën geherbergd endebenedenvertrekken waren toen zeer geschikt en doelmatig ingericht voor den ideoloog, den hoofdbeambte van dezen tak van bestuur, die gewoonlijk teAlexandriëverblijf hield, maar bij zijne inspectiereis zich soms weken lang te Memphis moest ophouden. Doch de Arabieren hadden het beheer der financiën van het geheele land verlegd naar de nieuwehoofdstadFostat aan gene zijde van den stroom, en die van de vervallen plaats was verbonden geworden met hetstadhouderlijkambt. De senaat van Memphis had het te kostbaar gevonden om het groote gebouw te sloopen, en was zeer blijde geweest toen men voor de benedenvertrekken in den arts Philippus en den Egyptenaar Horus Apollon huurders had gevonden. Beide geleerden bewoonden wel afzonderlijke vertrekken, maar dezelfde slaven bezorgden het gemeenschappelijk huishouden en moesten bovendien den helper van Philippus, een bescheiden en wel onderwezen Alexandrijn, diensten bewijzen.Toen de arts de hooge en ruime werkzaal van zijn grijzen vriend betrad was deze nog wakker, en zat achter een groot aantal opene schriftrollen zoo geheel verdiept in zijn arbeid, dat hij den laat terugkeerenden vriend eerst vluchtig opmerkte, toen deze hem een avondgroet toeriep. Het antwoord daarop bestond enkel uit een onduidelijk gebrom, en nog eenige oogenblikken daarna bleef de oude geheel in zijne handschriften verdiept. Eindelijk keerde hij het gelaat naar Philippus en wierp daarbij het ivoren staafje, waarmede hij de papyrusrollen openlegde en gladstreek, ongeduldig op de tafel, en tegelijk begon zich daaronder eene donkere massa te bewegen, de sedert lang ingeslapen slaaf van den grijsaard. De drie lampen op de schrijftafelplaatsten den oude en zijne omgeving in het volle licht, terwijl de arts, die zich op eene rustbank op den achtergrond van het groote vertrek had neergevleid, in het donker bleef.Wat dien arbeider bij nacht opschrikte was het zwijgen van den teruggekeerde, waaraan hij niet gewoon was; dit hinderde hem als het stilstaan der klepperende raderen den molenaar.Hij zag nu den vriend verstomd en vragend aan, maar deze bleef stom waarop de oude zich weder in zijne schriftrollen verdiepte. Toch had hij zeker de noodige aandacht verloren, want zijne gebruinde hand, waarop de aderen als blauwe knoopen en draden zichtbaar waren, verschoof nu eens de rol, dan weer het ivoren staafje, en zijn ingevallen mond, die eerst vast gesloten was, bleef voortdurend in beweging. De uitwendige gedaante van dezen man bood een zonderlingen, weinig opwekkenden aanblik, want zijne magere, bruinachtige gestalte was van ouderdom gebogen, zijn echt Egyptisch gelaat met de breede kaakbeenderen en de hoog opstaande ooren was gerimpeld als eikenbast, zijn schedel had het laatste haar verloren, en zijn gezicht was wel-is-waar pas geschoren, maar op de plaats van zijn baard wiesen in de diepe rimpels van kin en wangen enkele grauwe haren als struiken, die uit het enge bed van eene beek te voorschijn komen. Het scherpe scheermes had die plaatsen niet kunnen bereiken, en die haren gaven aan zijn geheele gelaat een onordelijk en verwaarloosd aanzien.Hiermede was de kleeding van den grijsaard in overeenstemming, als het linnen schort en het witte doek, dat sedert het ondergaan der zon over zijne naakte schouders hing, zulk een naam verdiende. Doch niemand op straat zou hem voor een bedelaar hebben gehouden, want het linnen dat hij droeg was fijn en sneeuwwit, en uit zijne wijd uitpuilende schitterende oogen, waarboven juist in het midden kleine maar lange borstelige wenkbrauwen zonderling opstaken, spraken helder verstand, krachtig zelfbewustzijn en afstootende norschheid, eigenschappen die een ontvanger van aalmoezen even weinig pasten als de van wilskracht getuigende, soms honende trek, die altijd om den mond van dezen man scheen te spelen. Er lag in de trekken van dezen ouden man niets aanvalligs, niets teeders of behagelijks, en wie zijn leven kende kon zich niet verwonderen, dat de jaren niet in staat geweest waren zijne ruwheid en onaangename zucht tot tegenspraak te breken, of te verkeeren in die vriendelijke toegevendheid, die vaak een hoogen leeftijd kenmerkt, als men zoo vaak gestruikeld is en zoovelen heeft zien vallen.Hij was voor tachtig jaren geboren op het schoone eiland Philae, aan gene zijde van den katarakt in de nabijheid vanden Isis-tempel, dus bij het eenige Egyptische heiligdom, waarin de heidensche eeredienst nog tot in zijne jeugd en nog wel openlijk kon worden uitgeoefend. Sedert den grooten Theodosius hadden keizers en»praefectus augustales” om strijd krijgslieden te voet en te paard den katarakt laten overtrekken, om aan de afgoderij op het lieflijke Nijleiland een einde te maken, maar allen waren door de dappere Blemmyers, die in de woestijn tusschen den stroom en de Roode zee huisden, tot de terugtocht gedwongen of vernietigd geworden, want dit onrustig zwervend volk vereerde de Isis van Philae als zijne schutsgodin, en volgens een oud verdrag werd het beeld hunner patrones door hunne priesterschap jaarlijks in feestelijken optocht naar de Blemmyers gebracht, om eenige weken in hun midden te verwijlen.De vader van den grijsaard was de laatste horoscoop en zijn grootvader de laatste opperpriester van Isis op Philae geweest. Zijn jongenstijd had hij nog doorleefd op het eiland der godin. Toen was het echter aan een Byzantijnsch legioen gelukt de Blemmyers te verslaan, het eiland te omsingelen, het heiligdom uit te plunderen en te sluiten. De Isis-priesters ontkwamen aan de keizerlijke vervolgers, en Horus Appollon had zijne geheele jeugd met vader, grootvader en twee jongere zusters op de vlucht doorgebracht, overal door groote gevaren bedreigd. Haat tegen de vervolgers, de misdadigers die het geloof zijner vaderen verachtten en vernietigden was de spijs geweest, waarmede men zijn jeugdig gemoed had gevoed, en deze haat zou klimmen tot onverzoenlijke bitterheid, nadat te Antiochië de zijnen door keizerlijke soldaten overvallen en zijn grootvader benevens zijn beide onschuldige zusters neergehouwen waren. Op aanhitsen van den bisschop die in de vreemde familie Egyptische afgodendienaars had herkend en wien de prefect des keizers, een overmoedig en trotsch patriciër, de gewapende macht gewillig ter beschikking had gesteld, had deze ontzettende gebeurtenis plaats gehad. Slechts aan een toeval of, zooals de oude meende aan de ‘groote Isis’ was het te danken, dat zijn vader gelukkig ontkwam met hem en de kostbaarheden, die de oude opperpriester uit den tempelschat had medegenomen. Het ontbrak hun dus niet aan middelen om onder vreemde namen te reizen en zich eindelijk in Alexandrië neer te zetten. De vervolgde jongeling veranderde hier zijn naam Horus in den Griekschen vorm ervan, en heette van nu aan in huis en in de school Apollon. De begaafde jonkman gebruikte met vurigen ijver de rijke leermiddelen van een stad als Alexandrië, rusteloos verdiepte hij zich in elk gebied der Grieksche wetenschap en verwierf daarbij onder de leiding zijns vaders al de kennis van een Egyptischen horoscoop, die in dezen lateren tijd toch nog niet geheel was te loor gegaan.Te midden van de christenen der hoofdstad en hun geloofsstrijd bleven vader en zoon heidenen en Isis-dienaars, en toen de oude priester op hoogen leeftijd stierf, verhuisde Horus Apollon naar Memphis, waar hij het stille afgezonderde leven van een onderzoeker leidde, van tijd tot tijd vertoonde hij zich op de sterrewacht onder de astronomen, astrologen en kalendermakers, of bezocht hij de laboratoria der alchymisten, die ook in christelijk Egypte zich ijverig bleven bezighouden met pogingen om onedele in edele metalen te veranderen. De scheikundigen en sterrekundigen erkenden weldra de meerdere kennis van den ouden man en ondanks zijne zwartgalligheid en de beleedigende wijze waarop hij iemand kon afwijzen, vroeg men toch bij moeielijke vraagstukken hem om raad. De roep die van hem uitging was ook tot de Arabieren doorgedrongen, en toen het de vraag was hoe men aan de gebedsnis in de nieuwe moskee van Amr de juiste richting naar Mekka zou geven, werd zijne hulp ingeroepen en zijn advies was beslissend.De arts Philippus was eenige jaren geleden aan hetziekbedvan den oude geroepen en had aan hem zijn meesten tijd en zijne beste krachten gewijd, daar in die dagen nog maar weinigen een beroep deden op de kunst van een pas beginnende. Er kwam bij dat Horus Apollon door de degelijke beschaving en den ernstigen zin tot onderzoek van den jongen geleerde werd aangetrokken en spoedig warme sympathie voor hem had opgevat, ja, de warmste, die hij na den dood der zijnen voor een zijner medemenschen had getoond. Eindelijk sloot de oudere den jongeren man met zulk eene teederheid aan zijn hart, als beijverde hij weer goed te maken wat hij in liefdebewijzen tot hiertoe was te kort gekomen. Geen vader kon inniger, met meer zelfverloochenende liefde gehecht zijn aan een zoon als de grijsaard aan den arts, en toen eene ziekte hem opnieuw aan den rand des grafs bracht, maakte hij Philippus tot zijn vertrouwde, openbaarde hij hem het geheim van zijn uit- en inwendig leven van den aanvang af, en beloofde hij den arts tot zijn erfgenaam te zullen maken, wanneer deze zich verbond bij hem te blijven tot zijn einde. Philippus, wien de grijze, geestrijke onderzoeker reeds van den beginne de grootste belangstelling had ingeboezemd, nam dezen voorslag aan, nadat ook hij zich meer had ingelaten met de studiën van den ouden man waaraan hij soms deelnam, noodigde deze hem uit een werk te helpen voltooien dat hij voor zijn dood wilde afmaken. Het handelde over het hiëroglyphenschrift en moest de beteekenis der afzonderlijke teekens, voor zoover deze nog was vast te stellen, verklaren en aan de nakomelingschap overbrengen. De grijsaard, die alleen Egyptisch wilde schrijven omdat hijhet Grieksch niet genoeg machtig was, vertrouwde aan zijn jongen vriend de vertaling zijner opteekeningen in deze taal toe, en het samenleven van die twee in ouderdom en karakter zoo uiteenloopende, maar in betrekking tot hun geestelijk streven verwante mannen, nam een voor beide partijen aangenamen en voordeeligen vorm aan, ondanks de velerlei zonderlingheden, de ruwheid en hardheid van den ouden man.Horus Apollon leefde op de manier van een oud Egyptisch priester, daar hij zich onderwierp aan veelvuldige wasschingen en scheringen, weinig anders nuttigde dan brood, groenten en tamme vogels, zich onthield van peulvruchten en het vleesch van alle viervoetige dieren en niet alleen van de reeds aan zijne voorvaderen verbodene zwijnen, zich van geen andere dan reine linnen gewaden bediende en zekere uren voor zich hield tot het uitspreken van die heidensche gebedsformulieren, welker magische kracht de goden moest dwingen aan het verlangen hunner aanbidders te voldoen.Zooals de oude aan Philippus zijn geheele vertrouwen geschonken had, zoo verborg deze voor hem niets wat in hem omging. Deed hij het soms, dan gevoelde de ander dit met wonderbare scherpzinnigheid. De arts had den vaderlijken vriend vaak over Paula gesproken en hem hare voortreffelijke eigenschappen geschilderd met al de warmte van een liefhebbend hart; doch de oude was haar van den aanvang niet genegen, reeds dadelijk omdat zij de dochter was van een patriciër en prefect. Wie dezen titel voerde was voor hem een voorwerp van haat, immers een prefect en patriciër droeg de schuld van het bloedig einde dergenen, die hij het meest had liefgehad. Wel-is-waar had de stadhouder van Antiochië enkel op last van den bisschop gehandeld, doch het lustte den grijsaard—en zijn vader had er van den aanvang af evenzoo over gedacht—alle schuld op den prefect te laden; want de nazaat van een overoud priestergeslacht verheugde zich, dat hij al de volheid van zijn toorn over een ander kon uitstorten dan over een dienaar onverschillig van welke godheid.Als Philippus Paula’s groote gestalte, hare voorname houding, den adel van hare vormen en van hare gezindheid prees, voer de oude tegen hem uit en riep: »Zoo is dat ’t! Pas op, knaap, wees op uwe hoede! Hoogmoed, eigenwaan, zelfverheffing, teekent ge mij, maar verguld met de schoonste namen. Het woord patriciër bevat alles in zich, wat wij ons onder zelfzucht en onmenschelijkheid denken, en de ergsten, onverschilligsten, hebzuchtigsten onder hen maken die apen in purper, die de keizerstroon schandvlekken, tot hunne prefecten. Zooals zijzelven zijn, is ook hun gebroed. Al wat zij in hunne aanmatiging‘klein’ noemen, wordt door hen in ’t stof geworpen en onder den voet getreden; maar wij, gij en ik, allen die in het burgerlijk leven arbeidzaam de handen roeren, wij zijn in hunne oogen de verachtelijke kleinen. Let erop, knaap! Heden lacht de dochter van den stadhouder en den patriciër u toe, omdat zij u noodig heeft, morgen werpt zij u weg, gelijk ik mijn oud pantervel, dat in den winter mijne voeten verwarmt, wegschop als de heete dagen van Maart komen.”Was hij de dochter van Thomas niet genegen, hij was even afkeerig van den zoon van den Mukaukas, ofschoon hij hem nooit gezien had, en toen de arts hem verteld had, dat groote verbolgenheid tegen Orion zich had meester gemaakt van het hart zijner vriendin, was de grijsaard in een hoonenden schaterlach uitgebarsten en had gezegd, als bezat hij het vermogen om in de harten te lezen en in de toekomst te zien: »Heden bijten zij elkaar, over drie dagen zullen zij elkaar kussen! Haat en liefde zijn de eindpunten van denzelfden staf. Hoe gemakkelijk draait men dien om! Die twee, ze zijn van hetzelfde bloed en van denzelfden aard! De zoodanigen vliegen naar elkander toe als de magneet naar het ijzer en het ijzer naar den magneet.”Maar soortgelijke vermaningen hadden op het gevoel van den arts weinig invloed uitgeoefend, en zelfs door de afwijzing van zijn warm aanzoek, nadat Paula haar intrek had genomen in het huis van Rufinus, was zijne hoop van haar eindelijk geheel voor zich te winnen niet geheel geschokt. Heden morgen bij de onderhandeling over het vastzetten van het vermogen der geliefde, was Paula van harte bereid geweest hem tot haren kurios, haar voogd aan te nemen, om in haar plaats bij het gerecht op te treden; doch uit menig teeken meende hij waargenomen te hebben, wat zijne ziel zoo pijnlijk aandeed, dat zijn grijze vriend goed had gezien, dat de staf gekeerd en in het hart der jonkvrouw haat in liefde veranderd was. Toch had Paula hem nog nooit zulk eene warme genegenheid getoond, had hij hare stem in het gesprek nooit zoo week en hartelijk hooren klinken dan heden avond in den tuin van zijn vriend. Vroolijker en spraakzamer dan ooit was zij niet moede geworden zich tot hem te wenden. Daarbij waren langzamerhand zijne bezorgdheid en zielesmart geweken, en eindelijk had hij gevoeld, hoe teedere aandoeningen opnieuw bij hem ontwaakten en zijne eigene geestelijke kracht toenam... Ja, hij meende dat hij aan zijne gedachten nooit schooner en beter uitdrukking had gegeven dan in de laatst verloopen uren. Zij had hem ook haar bijval niet onthouden, had blijmoedig hare instemming betuigd met elk zijner stellingen, en toen hij zich een half uur voor middernacht met haar naar de kranken had begeven, was er eene nieuwe heerlijkehoop in hem ontwaakt. Gelukkig en als betooverd had hij aan haar wensch voldaan om haar te volgen naar hare woonkamer, en dáar, op die plaats...Arme, bitter teleurgestelde man! Daar zat hij in den donkeren hoek van de ruime studeerkamer, waarin het verstand tot hiertoe het grootste woord had gevoerd en naar de stem van het hart nooit was gevraagd. Hoe hij den weg hierheen had gevonden, dat wist hij zelf niet meer. Dit alleen herinnerde hij zich nog, dat hij, gehoor gevende aan zijn plicht, het huis van een Memphiet was binnengegaan, wiens vrouw, eene moeder van vele kinderen, in den namiddag stervende was; dat hij daar een lijk en vele luid en oprecht weeklagende menschen had gevonden, dat hij met hun en zijn eigen leed in het hart naar huis was gewaggeld en zich daar niet naar zijne vertrekken, maar naar dat van den grijzen vriend had begeven, omdat hij zichzelve niet vertrouwde. Het leven had alle bekoorlijkheid, alle waarde voor hem verloren; doch hij schaamde zich, dat hij door eene vrouw het edelst doel van zijn bestaan zich geheel ontvreemden, door haar zijne blijmoedige stemming verstoren liet, die hij niet missen kon om verder zijn beroep in den zin van zijn vriend Rufinus te vervullen. Hij kende zijn ouden huisgenoot en wist dat deze loog in zijn wonden zou gieten; maar daar had hij vrede mee. De grijsaard had reeds zoo vaak getracht Paulas beeld van zijn hoog voetstuk te werpen en te vernielen, maar altijd te vergeefs, en het zou hem ook heden niet gelukken! Het vurig verlangen, de brandende hartstocht naar haar, die door zijn aderen woelden sedert den nacht waarin hij den woedenden Masdakiet had bedwongen, dat wilde hij te niet doen, in het stof werpen, door alle winden laten verstrooien. De grijsaard daar aan de tafel, wiens strenge en onvriendelijke trekken door de drie lampen zoo helder verlicht werden, was geheel de man om dit werk der vernietiging te volbrengen, en Philippus wachtte op zijne eerste woorden als een zieke op den heelmeester, die het schroeiijzer in het vuur houdt, waarmede hij de wond wil uitbranden.Arme man, die na deze ontgoocheling de genezing zoozeer behoefde! Daar lag hij op den divan en zag hoe de ander over de schriftrollen hem bespiedde en daarbij heen en weer schoof in zijn leunstoel. Het zwijgen van Philippus verontrustte den oude zichtbaar en de arts zag aan de spichtige wenkbrauwen, die boven de oogen van den grijsaard zich opzetten, dat hij zijn eigen oordeel vormde, dat zeker het ware was. Weldra moest het zwijgen gebroken worden en Philippus verwachtte den aanval. Hij was bereid de grootste moeielijkheid uit den weg te ruimen, maar hoe zou hij over zich kunnen verkrijgen den pijniger zijn werk te verlichten?Zoo verliep er een geruimen tijd en evenals de arts op de toespraak van den grijsaard, wachtte deze op zijn eerste woord. Doch het ongeduld en de nieuwsgierigheid van den ouden man waren machtiger dan het verlangen van den jongeren naar genezing, en opeens legde deze de schriftrol neder, greep met eene onwillekeurige beweging het ivoren staafje, dat hij zoo even had weggeworpen, gaf aan den zwaren stoel met een voor zijn hoogen leeftijd verwonderlijk krachtigen ruk eene andere richting, keerde Philippus zijn volle gelaat toe en vroeg luide, terwijl hij met het staafje dreigend naar hem wees: »Het besluit van het spel, niet waar? Het einde van een treurspel!”»Niet geheel, want ik leef nog!” antwoordde de arts.»Maar het bloedt daarbinnen, en die wond doet pijn,” hernam de oude. Na zich een oogenblik bedacht te hebben ging hij voort: »Wie niet hooren wil moet voelen! Men heeft den vos den haak getoond, maar het lokaas was te verleidelijk. Gisteren was het nog tijd geweest om de kluister van den voet te strijken, men had slechts ernstig te willen, want men was goed onderricht omtrent de gruwzame listen van den jager. Nu is het gebeurd, men heeft geen enkel wapen waarover men te beschikken had ontzien, en nu ligt het wild stom van smart en schaamte, en verwenscht zijne eigene dwaasheid. Men schijnt heden het zwijgen te verkiezen. Wil ik u eens vertellen, hoe dat alles gekomen is?”»Ik weet het zelf maar al te goed,” antwoordde Philippus.»Doch ik, ik kan het mij wel voorstellen,” gromde de oude. »Zoo lang die patricische deerne het trekdier noodig had, heeft zij het aangehaald, het gerst en dadels toegeworpen. Nu baadt zij zich in het goud, woont onder een veilig dak, en flap! in eens krijgt de uitgediende beschermer zijn afscheid. Evenals de hemel de zon laat opgaan, wanneer de bleeke maan achter de bergen verdwijnt, zoo stelt deze jonkvrouw, die gebied voert over de harten van ons zwakkelijk en van vrijheid verzadigd geslacht, in de plaats van den armen, langen arts den rijken Adonis uit het stadhouderlijk paleis. Als het anders gebeurd is, heet het mij liegen!”»Kon ik dat maar!” zuchtte Philippus. »Gij hebt goed gezien, verwonderlijk goed, en toch zoo verkeerd als mogelijk is.”»Dat klinkt duister,” zeide de grijsaard gelaten. »Maar ik kan ook in den nacht zien. Het feit staat vast, doch gij zijt nog verblind genoeg, om die beweegredenen niet te laten gelden. Overigens verheugt het mij, dat uwe dwaling een zoo ‘gelukkig’ en wat mij betreft een zoo ‘spoedig’ einde heeft genomen; de aanleiding—zooals gewoonlijk eene vrouw—is mij onverschillig geworden. Waarom zou ik haar zonder noodzakelijkheidvan iets ergers verdenken, dan zij gedaan heeft? Alleen om uwentwil zou ik dit gaarne vermijden, want rechtgeaarde zielen hechten zich gaarne aan hen, die zij onrecht zien aandoen. Doch het staat aan u, dacht ik, niet aan mij, om te spreken; ook zonder uw hardnekkig zwijgen weet ik wel dat gij wijsgeer zijt; en wat mij betreft, ondanks mijne tachtig jaren ben ik nog altijd niet vrij van nieuwsgierigheid.”Toen stond Philippus haastig op en terwijl hij nu eens in het groote vertrek op en neer liep, dan weder voor den ouden vriend staan bleef, vertelde hij hem met vuurroode wangen en levendige gebaren wat hij gehoopt en geleden had, hoe Paula eerst nieuw vertrouwen bij hem gewekt en hem daarna in hare woning ontboden had—om diep ontroerd, verbaasd over zichzelve en toch niet bij machte en ook niet voornemens om de zaligheid te verbergen die haar vervulde, hem in haar hart te laten lezen. Gelijk eene beangstigde ziel voor den priester biecht, zoo had zij hem, haren besten vriend, geopenbaard, wat sedert de begrafenis van den gestorven Mukaukas in haar binnenste was omgegaan, en hoe zij thans overtuigd was dat Orion na zijn zwaren misslag zichzelven had wedergevonden.»En daarover,” viel de grijsaard hem in de rede, »was zoo groote vreugde in den hemel, dat men niet wachten kon met den afgedankten vrijer de weldaad te bewijzen, om ook daaraan deel te nemen.”»Veeleer heeft zij mij onder zwaren strijd beleden, wat het hart van haar vordert; ja, ofschoon zij niets dan spot, waarschuwingen, verwijten van mij verwachten kon, heeft zij toch haar binnenste voor mij ontsloten.”»En waarom, met welk doel?” vroeg de oude met schrille stem. »Wil ik het u eens zeggen? Omdat een vriend altijd nog zoo’n halve minnaar is en de vrouwen ook niet een vierde van zulk een geliefde prijs geven willen.”»Dat is niet waar!” haastte Philippus zich met afkeuring te zeggen. »Zij heeft het gedaan omdat zij mij hoog schat, mij acht, mij—ik ben niet ijdel—mij als een broeder genegen is, en het niet verdragen kon mijn gevoel voor haar—het zijn hare eigene woorden—ook maar een uur te misleiden. Dat is edel, dat is groot, is harer waardig, en niettegenstaande alles wat in mij is zich daar tegen verzette, zag ik mij toch gedwongen hare oprechtheid, hare trouwe vriendschap, hare zelfverloochening en haar moed in het beheerschen van hare vrouwelijke teergevoeligheid te bewonderen. Neen, val mij nu niet weer in de rede, spot nu niet! Het beteekent niet weinig voor eene trotsche jonkvrouw, die zich van hare waardigheid bewust is, de zwakheid van haar hart zoo bloot te leggen vooreen man, van wien zij weet, dat hij haar bemint, op de wijze als zij dit gedaan heeft. Zij noemde mij haar weldoener, zichzelve mijne zuster, en welke drijfveeren gij, die haar haat om een oud vooroordeel, zonder haar zelfs te kennen, ook aan hare handelwijze wilt toedichten, ik geloof haar en begrijp haar ook. Kon ik anders doen dan de hand aannemen die zij mij bood, toen zij met betraande oogen mij bad haar vriend, haar beschermer, haar kurios te blijven? En toch, toch! Waar zal ik de kracht vinden om niets anders van haar te verlangen, van haar tot wie ik mij door eene brandende hartstocht getrokken gevoel, niets anders dan een vriendelijken blik, een handdruk, een verstandig overwegen van hetgeen ik zeg? Hoe zal ik mijne kalmte, mijne zielsrust, mijne zelfbeheersching bewaren, als ik haar zie in de armen van den schoonen halfgod, dien ik gisteren nog als een nietswaardig jongeling verachtte? Welk ijs kan den gloed verkoelen van dit brandend gemoed? Welke lans doorboort den draak van den hartstocht, die in mij woelt? Dit hart is gekomen tot aan de grenzen van een menschenleeftijd, zonder toch naar de liefde te smachten, waarvan onze dichters zingen. Alleen door hen of door de klacht van een vriend, wiens zwakheid mij leed deed, heb ik zulk een gevoel leeren kennen, en thans, nu de liefde mij zoo laat met al hare onbedwingbare macht overvalt, aan zich onderwerpt en mij in ketenen slaat, hoe kan ik mij van haar bevrijden? Hier, trouwe man, die mij als uw zoon beschouwt, van wien ik het gaarne hoor, als gij mij ‘knaap’ en ‘kind’ noemt, die de plaats bekleedt van mijn vroeg gestorven vader, hier blijft mij niets anders over dan u en deze stad te verlaten, hare nabijheid te ontvluchten, een nieuw verblijf voor mij te zoeken, ver van haar met wie ik zoo gelukkig zou hebben kunnen zijn als de zaligen in het paradijs, en die mij nu nog ellendiger heeft gemaakt als de verdoemden in het eeuwige vuur! Ik wil, ik moet van hier als gij, die zooveel vermoogt, mij niet leert dezen hartstocht te dooden, of dien te veranderen in eene koele, broederlijke vriendschap.”Philippus, die vlak bij den ouden man was blijven staan, sloeg de handen voor het aangezicht, doch Horus was bij de laatste woorden van zijn geliefden leerling met jeugdige kracht opgerezen. Met een stevigen ruk trok hij diens rechterhand van het gelaat, en zeide driftig en buiten zichzelven van verontwaardiging en groote bezorgdheid: »En zegt ge mij dat in ernst? Zijt gij, verstandige man, zoo diep in de dwaasheid verzonken? Is het u niet genoeg, uw eigen geluk om deze—hoe zal ik haar noemen—verspeeld, verslingerd te hebben? Begrijpt gij dan nu eindelijk waarom ik u voor dat patriciërgebroed gewaarschuwd heb? Trouw, dankbaarheid, de liefde vaneen degelijk man—wat vraagt zij daarnaar? Werp dien katvisch van den haak, smijt hem in het zand! Daar komt reeds de vette wentelaar1aangezwommen, die zal wel bijten! Wilt gij aan haar en dien ellendigen stadhoudersjongen ook het heil en de hoop der laatste jaren van een grijsaard opofferen, die zich gewend heeft u, die zulks verdient, als zijn eigen zoonlief tehebben? Wilt gij, flinke arbeider, gij man met zulk een krachtigen geest, zoo vol ijver in het vervullen van uw plicht, in wien de goden een welgevallen hebben, wilt gij als een verlaten meisje wegloopen, van de Leukadische rots springen als de door liefde verteerde Sappho op het theater, waarover de toeschouwers zitten te schudden van het lachen? Gij blijft, knaap, gij blijft! En ik, ik zal u toonen hoe een man den hartstocht onder bedwang krijgt, die hem onteert!”»Toon het mij,” antwoordde Philippus met zachte stem. »Ik verlang niets beters. Meent gij, dat ikzelf mij niet zou schamen over mijne zwakheid? Zij staat mij toch slecht genoeg, mij vooral, wien het lot eer tot alle andere dingen bestemd heeft dan tot een zuchtend minnaar en dweper. Strijden wil ik, worstelen met al de kracht mijner ziel; maar hier, hier in Memphis, hier in de nabijheid, als haar kurios, ben ik dagelijks gedwongen haar weer te zien, moet ik dag aan dag nieuwe smadelijke nederlagen lijden. Hier, altijd in hare nabijheid, put de strijd mij uit, zie ik mijzelven ondergaan naar lichaam en ziel. Op dezelfde plaats, in dezelfde stad is er geen ruimte voor ons beiden.”»Dan moet zij het zijn,” riep de oude met schelle stem, »die plaats maakt voor u.”Hierop richtte Philippus het gebogen hoofd omhoog en vroeg verrast en op streng afkeurenden toon: »Wat bedoelt gij hiermede?”»Niets,” antwoordde de ander onverschillig, terwijl hij de schouders ophaalde. Daarna ging hij vergoelijkend voort:»Memphis heeft in elk geval van u meer nut te verwachten, dan van die patricische deerne.” Vervolgens schudde hij zijne leden, alsof hij het koud had, sloeg met de hand op de borst en zeide: »Hier binnen is alles in oproer, en ik kan thans helpen noch raden.Weldrabegint het in het oosten te schemeren; wij willen trachten wat te slapen. In den zonneschijn kan men knoopen loswikkelen, die bij lamplicht niet te ontwarren schijnen, en misschien toont de godin mij, terwijl ik slapeloos op mijne legerstede lig, den weg, dien ik zoo straks beloofde u te zullen wijzen. Een weinig meer luchthartigheid zou ons beiden niet schaden. Tracht uw eigen leed te vergeten door te denkenaan dat van anderen; daarvan leert gij alle dagen genoeg kennen. Het zou niet veel baten of ik u al een goeden nacht wenschte, maar moge hij u wat tot kalmte brengen! Op mijne hulp kunt gij staat maken; maar van weggaan, vluchten of iets dergelijks, daarvan zult ge mij, arme man, niets meer laten hooren, niet waar? Neen, neen, dat—ik ken u genoeg Philippus—dat leed doet gij uw eenzamen vriend niet aan!”Deze laatste woorden waren de teederste, die de arts ooit uit den mond van den grijsaard vernomen had, en het deed hem goed toen deze hem een oogenblik omarmde en aan zijn hart drukte. Aan zijn woord: dat het aan Paula stond om plaats te maken, dacht Philippus niet verder; doch de oude man scheen het toch zeer ernstig gemeend te hebben, want zoodra hij alleen was, wierp hij het ivoren staafje weder heftig op tafel en prevelde met fonkelende oogen, eerst in toorn en dan spottend: »Om dit trouwe hart, dezen besten aller arbeiders voor mij en de wereld te behouden, zou ik een dozijn van die volbloed deernen naar de Amenthe2willen sturen. Ei, ei, gij schoonste der schoonen, de brave arts is voor ons te slecht, en men smijt hem weg als de pit van een dadel, dien men opgegeten heeft? Een ieder naar zijn smaak! Maar hoe zou het zijn, als de oude Horus u eens dwong hem te leeren hoogschatten? Geduld, geduld! Met het doel voor oogen is het mij nog altijd gelukt den weg te vinden; op het veld der wetenschap, meen ik natuurlijk. Doch het leven, wat is het leven van den wijze anders dan toegepaste wetenschap? Waarom zou de oude Horus niet nog eens vóor zijn einde beproeven, wat zijn geest vermag uit te richten op de markt van het leven der werkelijkheid? Hoe goed of het u ook bij uw liefje in Memphis bevalt, gij breekster der harten, gij zult toch plaats moeten ruimen voor den armen weggegooiden speelbal! Ja, dat zult ge! Reken er op, mijne lieveling, dat zult ge!—Heidaar Anubis!”Bij deze woorden gaf hij den slaaf, die onder de tafel rustig was blijven doorslapen, een schop met zijn naakten voet, en terwijl deze zijn meester voorlichtte naar het slaapvertrek en hem daar, bij zijne zorgvuldige en langdurige wasschingen behulpzaam was, hield de grijsaard niet op afgebroken volzinnen te prevelen, nu eens verwenschingen uit te stooten en dan weer in ondeugend gelach uit te barsten.EINDE VAN HET EERSTE DEEL.1Nijlmeerval, eene smakelijke visch.2De onderwereld der oude Egyptenaren.

VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Terwijl maan en sterren den nachtelijken hemel verhelderden nam Orion den terugweg aan. Hij hield het hoofd fier opgericht, zoo vroolijk en vol hoop als bij dezen rit had hij zich niet gevoeld sedert dat watertochtje met Paula. Aan gene zijde van de schipbrug stuurde hij zijn paard niet rechtstreeks naar het stadhouderlijk paleis, de frissche nachtlucht deed hem zoo goed, zijn hart was zoo ruim, dat hij zich niet dadelijk in een eng vertrek kon opsluiten. Met nieuwe geestdrift bezield en van eene zwaren last bevrijd reed hij in snellen draf naar het huis waar zijne geliefde gehuisvest was, en hij stelde zich voor hoe verheugd zij zijn zou bij het bericht, dat hij in Amr een helper bij de verwezenlijking zijner plannen, ja, misschien een vriend gevonden had.De veldheer, dien zijn vader zoo hoogschatte om zijn edel gemoed, zijn verstand en zijne rechtvaardigheid was ook in zijn oog het ideaal van een voortreffelijk man, en als hij hem vergeleek met de voorname beambten en bevelhebbers over de troepen, die hij aan het Byzantijnsche hof had gezien, moest hij glimlachen. Zij allen stonden tot dezen waardigen en toch levenslustigen en deelnemenden man in verhouding als de oude stijve godenbeelden zijner voorvaderen tot de edele gestalten der Grieksche kunst. Thans zegende hij het aandenken zijns vaders, die zijn geboortegrond bevrijd had van de heerschappij van dit ontaard gebroed. Heden, dit wist hij zeker, zou de afgestorvene, wiens beeld hem zoo levendig voor den geest stond, over hem tevreden zijn, en dat gaf hem een gevoel van geluk dat hij wilde vasthouden en nog verhoogen door hetgeen hij verder zou overleggen en uitrichten. »Het leven een ambt, een dienst, eene verplichting,” deze tooverspreuk uit een zoo dierbaren mond, zou hem houden op den goeden weg en hoe spoedig hoopte hij, zeker van zijne zaak, op mannelijke daden tekunnen wijzen, die hem voor zichzelven het recht gaven, om het lot van de edelste der vrouwen aan het zijne te verbinden!Van zulke gedachten vervuld, was hij aan het huis van Rufinus gekomen. De vensters van het hoekvertrek op de bovenste verdieping, waarvan twee in de Nijlstraat, twee op den stroom uitzagen, waren verlicht. Hij wist niet juist welke kamers Paula bewoonde, maar hij keek toch naar boven in het onzeker vermoeden, dat dit licht bij haar nog zoo laat brandde, en de vrouwelijke gestalte, die thans zich vertoonde aan de door het maanlicht beschenen vensteropening, zeide hem dat hij zich niet had bedrogen, want hij herkende in haar Paula’s voedster Perpetua. De hoefslag had haar uit nieuwsgierigheid naar het venster doen gaan, doch zij scheen hem bij het matte licht niet te herkennen. Langzaam reed hij voorbij en toen hij spoedig daarop omkeerde en opkeek, in de hoop ditmaal zijne geliefde aan het venster te zullen vinden, zag hij niemand meer. Maar hij merkte eene lange donkere schaduw op, die zich van de eene zijde van het vertrek naar de andere bewoog en die noch van de voedster, noch van hare slanke meesteres afkomstig kon zijn. Het moest de schaduw zijn van een bijzonder lang man, en terwijl hij stilhield en verontrust door allerlei pijnlijke gewaarwordingen nog eens naar boven keek, herkende hij duidelijk den arts Philippus.Het middernachtelijk uur was reeds voorbij: hoe te verklaren dat Paula hem thans ontving? Was zij ziek geworden? Of was dit vertrek misschien niet het hare? Bevond de voedster zich toevallig met haar en den arts in eene woonkamer van Rufinus?Maar neen! De vrouw die thans voorbij het venster ging en zich met uitgestrekte hand juist bewoog naar de schaduw van den man, was Thomas’ dochter en geene andere.Zijn hart begon steeds sneller te kloppen en hem overviel eene bezorgdheid, die tot hiertoe door zijne edelheid was teruggehouden, ofschoon hij toch meermalen getuige was geweest van de vriendelijke verstandhouding, die er tusschen Paula en den arts bestond. Misschien was het meer dan vriendschap en onschuldig vertrouwen, dat de jonkvrouw aanleiding gaf de bescherming en de hulp van dezen man zoo onverholen in te roepen. Zou hij Paula’s hart, hare liefde gewonnen hebben? Zou dat mogelijk zijn? En waarom niet? Wat had zij bij Philippus anders te vergeten dan zijn leelijk gelaat en zijne lage afkomst? Maar hoeveel andere vrouwenharten hadden zich over gansch andere dingen moeten heenzetten! De arts was nauwelijks vijf jaren ouder dan hij, en zijne bezorgdheid klom als Orion zich den blik weer voor den geest bracht, waarmedehij Paula heden morgen had aangezien.Ja,Philippushad Paula lief!Eene kleine omstandigheid, die hem eenklaps inviel, was voor hem, die in zulke dingen maar al te veel ervaring had, voldoende om dit als zeker te beschouwen. Reeds gisteren was het hem opgevallen dat Philippus zich sedert den dood zijns vaders, dus sedert Paula verhuisd was naar het huis van Rufinus, zich veel zorgvuldiger dan vroeger gekleed had. »Daarin,” dacht hij, »brengt een ernstig man geen verandering, wanneer de liefde hem er geen aanleiding toe geeft.”Een pijnigend gevoel van angst en toorn overviel hem, toen hij de lange schaduw weder bij het venster zag verschijnen. Voor de eerste maal in zijn leven gevoelde hij de kwelling van den ijverzucht, waarom hij zijne vrienden dikwijls had uitgelachen. Toch was hij niet dwaas genoeg om zich er door te laten martelen, immers sedert heden morgen kon hij zeker op zijne geliefde bouwen. Al moest hij, Orion, voor een hoogeren rechter bij dezen achterstaan, voor een vrouwenhart was hij gewis zijn meerdere. Desniettemin hinderde het hem te weten dat de arts op dit uur bij Paula was, en korselig rukte hij aan den teugel om het paard te doen keeren. Het beviel hem dat het edele, vurige beest zich verzette tegen deze ongewone ruwe handeling en een honderd passen voorbij dat verwenschte verlichte venster weder de koppigheid toonde, die men het als veulen had afgeleerd. Orion moest werkelijk een strijd beginnen met den hengst, en het deed hem goed het dier met den toom en zijne beenen zijn overmacht te doen gevoelen. Wel steigerde de hengst en draaide hij met hem in een cirkel rond, maar de krachtige ruiter werd hem de baas, en nadat hij het dier tot stilstaan en gehoorzaamheid gedwongen had, streelde hij het langs den gladden hals en zag, tot verademing gekomen, nog eens om.Naast hem verhieven zich boven de lage heg de dichte sombere bosschages van den tuin der weduwe Susanna, en daarachter schemerde uit de achterzijde van het huis die op de Nijlstraat uitzag, een nog helderder licht als uit Paulas woning. Uit drie vensters straalde het in den tuin, uit twee slechts met een mat schijnsel, misschien het licht van eene enkele lamp. Dat alles kon hem onverschillig zijn, toch bleef zijn oog gevestigd op het dak van de zuilengaanderij, die onder de bovenverdieping heenliep, want daarop stond dicht tegen het kozijn van een der verlichte vensters geleund, eene kleine vrouwelijke gestalte, die het hoofdje zoover vooruitstak om te luisteren, dat het licht schemerde door het golvende haar dat het omlijstte. Katharina beluisterde het gesprek, dat de patriarch Benjamin,wiens gebaarde apostelkop Orion goed onderscheiden kon, met den presbyter Johannes voerde, een klein onaanzienlijk mannetje, van wien Orions vader echter getuigde, dat hij den ouden bisschop Plotinos in geest en kloekheid overtrof.Het zou den jongeling niet moeilijk zijn gevallen elke beweging van Katharina te volgen, doch dit was hem de moeite niet waard. Terwijl hij doorreed zag hij in zijne verbeelding het kwikstaartje, hoewel niet alleen, want het beeld der geliefde plaatste zich dadelijk daarnaast, en hoe kleiner gene hem voorkwam, des te heerlijker kwam de wasdom van deze uit. Ieder woord, dat hij heden vroeg van Paula’s lippen vernomen had, kwam hem weder voor den geest, en die schoone, levendige herinnering verdreef alle bezorgdheid. De vrouw, die zich nog dezen morgen bereid verklaard had met hem te hopen, alles van hem te gelooven, zijne bescherming aan te nemen, de edele jonkvrouw, aan wie hij gaarne had toegestaan het oog mede te richten op wat hij zich in de toekomst ten doel had gesteld, wier reine blik zijn hartstocht, zijn eigenwaan als met toovermacht in toom had gehouden en hem nochtans het recht gegeven had naar haar bezit te streven, dat trotsche heldenkind, dat zijn vader zoo gaarne als dochter aan het hart had gedrukt, zou het mogelijk zijn dat zij hem misleidde als eene behaagzieke schoone uit de hoofdstad? Kon zij ooit hare waardigheid als vrouw vergeten? Neen, duizendmaal neen! Aan haar te twijfelen was haar te beleedigen, was een onrecht tegen haar en zichzelven. De arts had haar lief, doch wat haar ook aanleiding gaf om hem zoo laat te ontvangen, eene andere beweegreden dan die van vriendschap bestond er zeker niet. Schande over hem, wanneer hij de lage verdenking van vroeger weder plaats gaf in zijne ziel.Als van een last bevrijd haalde hij vrijer adem, toen zijn dienstknecht verscheen, die bij de betaling van den bruggetol was opgehouden. Terstond sprong hij uit het zadel en beval dezen het paard naar huis te brengen, daar hij begeerde verder te voet te gaan, om ongestoord zijne gedachten te kunnen vervolgen. Weldra wandelde hij dan ook peinzend onder de sykomoren voort, en nog was hij niet ver gekomen, toen hij aan de andere zijde van den thans stillen hoofdweg iemand met groote, haastige schreden achter zich hoorde naderen, die spoedig hem voorbijschoot. Zijn scherpziend oog deed hem in den wandelaar den arts Philippus herkennen, en het verheugde hem dezen te zien, want nu was het bewijs geleverd hoe dwaas en verkeerd zijn twijfel was geweest, hoe weinig grond hij had om in den arts een medeminnaar te zien. Die man daarginds zag er toch niet als een gelukkige uit. Met gebogen hoofd, alsging hij gebukt onder een last, ijlde hij voorwaarts, en thans bracht hij als iemand die vertwijfelt de hand aan het voorhoofd. Neen, achter dien haastigen, nachtelijken wandelaar lag geene zalige ure, en als zijne houding iets van hem vroeg, dan was het niet nijd, maar medelijden.De arts merkte hem niet op, want geheel in zichzelven gekeerd vloog hij verder, terwijl nu en dan een zucht of eene doffe klacht zijne borst ontsnapte. Voor enkele oogenblikken ging hij een huis binnen, waaruit luide klaagtonen werden vernomen, en toen hij daarna zijn weg vervolgde, schudde hij van tijd tot tijd het hoofd, als iemand die allerlei tooneelen onder zijne oogen ziet afspelen, waarvan hij het rechte begrip niet heeft. Het doel van zijne wandeling was een gebouw, dat aan een paleis deed denken. Het pleister was voor een deel afgevallen en de vensters van de bovenste verdieping waren tot groote aan de zijden uitgebroken openingen verwijd. Weleer had dit huis de stedelijke en districtbeambten voor de financiën geherbergd endebenedenvertrekken waren toen zeer geschikt en doelmatig ingericht voor den ideoloog, den hoofdbeambte van dezen tak van bestuur, die gewoonlijk teAlexandriëverblijf hield, maar bij zijne inspectiereis zich soms weken lang te Memphis moest ophouden. Doch de Arabieren hadden het beheer der financiën van het geheele land verlegd naar de nieuwehoofdstadFostat aan gene zijde van den stroom, en die van de vervallen plaats was verbonden geworden met hetstadhouderlijkambt. De senaat van Memphis had het te kostbaar gevonden om het groote gebouw te sloopen, en was zeer blijde geweest toen men voor de benedenvertrekken in den arts Philippus en den Egyptenaar Horus Apollon huurders had gevonden. Beide geleerden bewoonden wel afzonderlijke vertrekken, maar dezelfde slaven bezorgden het gemeenschappelijk huishouden en moesten bovendien den helper van Philippus, een bescheiden en wel onderwezen Alexandrijn, diensten bewijzen.Toen de arts de hooge en ruime werkzaal van zijn grijzen vriend betrad was deze nog wakker, en zat achter een groot aantal opene schriftrollen zoo geheel verdiept in zijn arbeid, dat hij den laat terugkeerenden vriend eerst vluchtig opmerkte, toen deze hem een avondgroet toeriep. Het antwoord daarop bestond enkel uit een onduidelijk gebrom, en nog eenige oogenblikken daarna bleef de oude geheel in zijne handschriften verdiept. Eindelijk keerde hij het gelaat naar Philippus en wierp daarbij het ivoren staafje, waarmede hij de papyrusrollen openlegde en gladstreek, ongeduldig op de tafel, en tegelijk begon zich daaronder eene donkere massa te bewegen, de sedert lang ingeslapen slaaf van den grijsaard. De drie lampen op de schrijftafelplaatsten den oude en zijne omgeving in het volle licht, terwijl de arts, die zich op eene rustbank op den achtergrond van het groote vertrek had neergevleid, in het donker bleef.Wat dien arbeider bij nacht opschrikte was het zwijgen van den teruggekeerde, waaraan hij niet gewoon was; dit hinderde hem als het stilstaan der klepperende raderen den molenaar.Hij zag nu den vriend verstomd en vragend aan, maar deze bleef stom waarop de oude zich weder in zijne schriftrollen verdiepte. Toch had hij zeker de noodige aandacht verloren, want zijne gebruinde hand, waarop de aderen als blauwe knoopen en draden zichtbaar waren, verschoof nu eens de rol, dan weer het ivoren staafje, en zijn ingevallen mond, die eerst vast gesloten was, bleef voortdurend in beweging. De uitwendige gedaante van dezen man bood een zonderlingen, weinig opwekkenden aanblik, want zijne magere, bruinachtige gestalte was van ouderdom gebogen, zijn echt Egyptisch gelaat met de breede kaakbeenderen en de hoog opstaande ooren was gerimpeld als eikenbast, zijn schedel had het laatste haar verloren, en zijn gezicht was wel-is-waar pas geschoren, maar op de plaats van zijn baard wiesen in de diepe rimpels van kin en wangen enkele grauwe haren als struiken, die uit het enge bed van eene beek te voorschijn komen. Het scherpe scheermes had die plaatsen niet kunnen bereiken, en die haren gaven aan zijn geheele gelaat een onordelijk en verwaarloosd aanzien.Hiermede was de kleeding van den grijsaard in overeenstemming, als het linnen schort en het witte doek, dat sedert het ondergaan der zon over zijne naakte schouders hing, zulk een naam verdiende. Doch niemand op straat zou hem voor een bedelaar hebben gehouden, want het linnen dat hij droeg was fijn en sneeuwwit, en uit zijne wijd uitpuilende schitterende oogen, waarboven juist in het midden kleine maar lange borstelige wenkbrauwen zonderling opstaken, spraken helder verstand, krachtig zelfbewustzijn en afstootende norschheid, eigenschappen die een ontvanger van aalmoezen even weinig pasten als de van wilskracht getuigende, soms honende trek, die altijd om den mond van dezen man scheen te spelen. Er lag in de trekken van dezen ouden man niets aanvalligs, niets teeders of behagelijks, en wie zijn leven kende kon zich niet verwonderen, dat de jaren niet in staat geweest waren zijne ruwheid en onaangename zucht tot tegenspraak te breken, of te verkeeren in die vriendelijke toegevendheid, die vaak een hoogen leeftijd kenmerkt, als men zoo vaak gestruikeld is en zoovelen heeft zien vallen.Hij was voor tachtig jaren geboren op het schoone eiland Philae, aan gene zijde van den katarakt in de nabijheid vanden Isis-tempel, dus bij het eenige Egyptische heiligdom, waarin de heidensche eeredienst nog tot in zijne jeugd en nog wel openlijk kon worden uitgeoefend. Sedert den grooten Theodosius hadden keizers en»praefectus augustales” om strijd krijgslieden te voet en te paard den katarakt laten overtrekken, om aan de afgoderij op het lieflijke Nijleiland een einde te maken, maar allen waren door de dappere Blemmyers, die in de woestijn tusschen den stroom en de Roode zee huisden, tot de terugtocht gedwongen of vernietigd geworden, want dit onrustig zwervend volk vereerde de Isis van Philae als zijne schutsgodin, en volgens een oud verdrag werd het beeld hunner patrones door hunne priesterschap jaarlijks in feestelijken optocht naar de Blemmyers gebracht, om eenige weken in hun midden te verwijlen.De vader van den grijsaard was de laatste horoscoop en zijn grootvader de laatste opperpriester van Isis op Philae geweest. Zijn jongenstijd had hij nog doorleefd op het eiland der godin. Toen was het echter aan een Byzantijnsch legioen gelukt de Blemmyers te verslaan, het eiland te omsingelen, het heiligdom uit te plunderen en te sluiten. De Isis-priesters ontkwamen aan de keizerlijke vervolgers, en Horus Appollon had zijne geheele jeugd met vader, grootvader en twee jongere zusters op de vlucht doorgebracht, overal door groote gevaren bedreigd. Haat tegen de vervolgers, de misdadigers die het geloof zijner vaderen verachtten en vernietigden was de spijs geweest, waarmede men zijn jeugdig gemoed had gevoed, en deze haat zou klimmen tot onverzoenlijke bitterheid, nadat te Antiochië de zijnen door keizerlijke soldaten overvallen en zijn grootvader benevens zijn beide onschuldige zusters neergehouwen waren. Op aanhitsen van den bisschop die in de vreemde familie Egyptische afgodendienaars had herkend en wien de prefect des keizers, een overmoedig en trotsch patriciër, de gewapende macht gewillig ter beschikking had gesteld, had deze ontzettende gebeurtenis plaats gehad. Slechts aan een toeval of, zooals de oude meende aan de ‘groote Isis’ was het te danken, dat zijn vader gelukkig ontkwam met hem en de kostbaarheden, die de oude opperpriester uit den tempelschat had medegenomen. Het ontbrak hun dus niet aan middelen om onder vreemde namen te reizen en zich eindelijk in Alexandrië neer te zetten. De vervolgde jongeling veranderde hier zijn naam Horus in den Griekschen vorm ervan, en heette van nu aan in huis en in de school Apollon. De begaafde jonkman gebruikte met vurigen ijver de rijke leermiddelen van een stad als Alexandrië, rusteloos verdiepte hij zich in elk gebied der Grieksche wetenschap en verwierf daarbij onder de leiding zijns vaders al de kennis van een Egyptischen horoscoop, die in dezen lateren tijd toch nog niet geheel was te loor gegaan.Te midden van de christenen der hoofdstad en hun geloofsstrijd bleven vader en zoon heidenen en Isis-dienaars, en toen de oude priester op hoogen leeftijd stierf, verhuisde Horus Apollon naar Memphis, waar hij het stille afgezonderde leven van een onderzoeker leidde, van tijd tot tijd vertoonde hij zich op de sterrewacht onder de astronomen, astrologen en kalendermakers, of bezocht hij de laboratoria der alchymisten, die ook in christelijk Egypte zich ijverig bleven bezighouden met pogingen om onedele in edele metalen te veranderen. De scheikundigen en sterrekundigen erkenden weldra de meerdere kennis van den ouden man en ondanks zijne zwartgalligheid en de beleedigende wijze waarop hij iemand kon afwijzen, vroeg men toch bij moeielijke vraagstukken hem om raad. De roep die van hem uitging was ook tot de Arabieren doorgedrongen, en toen het de vraag was hoe men aan de gebedsnis in de nieuwe moskee van Amr de juiste richting naar Mekka zou geven, werd zijne hulp ingeroepen en zijn advies was beslissend.De arts Philippus was eenige jaren geleden aan hetziekbedvan den oude geroepen en had aan hem zijn meesten tijd en zijne beste krachten gewijd, daar in die dagen nog maar weinigen een beroep deden op de kunst van een pas beginnende. Er kwam bij dat Horus Apollon door de degelijke beschaving en den ernstigen zin tot onderzoek van den jongen geleerde werd aangetrokken en spoedig warme sympathie voor hem had opgevat, ja, de warmste, die hij na den dood der zijnen voor een zijner medemenschen had getoond. Eindelijk sloot de oudere den jongeren man met zulk eene teederheid aan zijn hart, als beijverde hij weer goed te maken wat hij in liefdebewijzen tot hiertoe was te kort gekomen. Geen vader kon inniger, met meer zelfverloochenende liefde gehecht zijn aan een zoon als de grijsaard aan den arts, en toen eene ziekte hem opnieuw aan den rand des grafs bracht, maakte hij Philippus tot zijn vertrouwde, openbaarde hij hem het geheim van zijn uit- en inwendig leven van den aanvang af, en beloofde hij den arts tot zijn erfgenaam te zullen maken, wanneer deze zich verbond bij hem te blijven tot zijn einde. Philippus, wien de grijze, geestrijke onderzoeker reeds van den beginne de grootste belangstelling had ingeboezemd, nam dezen voorslag aan, nadat ook hij zich meer had ingelaten met de studiën van den ouden man waaraan hij soms deelnam, noodigde deze hem uit een werk te helpen voltooien dat hij voor zijn dood wilde afmaken. Het handelde over het hiëroglyphenschrift en moest de beteekenis der afzonderlijke teekens, voor zoover deze nog was vast te stellen, verklaren en aan de nakomelingschap overbrengen. De grijsaard, die alleen Egyptisch wilde schrijven omdat hijhet Grieksch niet genoeg machtig was, vertrouwde aan zijn jongen vriend de vertaling zijner opteekeningen in deze taal toe, en het samenleven van die twee in ouderdom en karakter zoo uiteenloopende, maar in betrekking tot hun geestelijk streven verwante mannen, nam een voor beide partijen aangenamen en voordeeligen vorm aan, ondanks de velerlei zonderlingheden, de ruwheid en hardheid van den ouden man.Horus Apollon leefde op de manier van een oud Egyptisch priester, daar hij zich onderwierp aan veelvuldige wasschingen en scheringen, weinig anders nuttigde dan brood, groenten en tamme vogels, zich onthield van peulvruchten en het vleesch van alle viervoetige dieren en niet alleen van de reeds aan zijne voorvaderen verbodene zwijnen, zich van geen andere dan reine linnen gewaden bediende en zekere uren voor zich hield tot het uitspreken van die heidensche gebedsformulieren, welker magische kracht de goden moest dwingen aan het verlangen hunner aanbidders te voldoen.Zooals de oude aan Philippus zijn geheele vertrouwen geschonken had, zoo verborg deze voor hem niets wat in hem omging. Deed hij het soms, dan gevoelde de ander dit met wonderbare scherpzinnigheid. De arts had den vaderlijken vriend vaak over Paula gesproken en hem hare voortreffelijke eigenschappen geschilderd met al de warmte van een liefhebbend hart; doch de oude was haar van den aanvang niet genegen, reeds dadelijk omdat zij de dochter was van een patriciër en prefect. Wie dezen titel voerde was voor hem een voorwerp van haat, immers een prefect en patriciër droeg de schuld van het bloedig einde dergenen, die hij het meest had liefgehad. Wel-is-waar had de stadhouder van Antiochië enkel op last van den bisschop gehandeld, doch het lustte den grijsaard—en zijn vader had er van den aanvang af evenzoo over gedacht—alle schuld op den prefect te laden; want de nazaat van een overoud priestergeslacht verheugde zich, dat hij al de volheid van zijn toorn over een ander kon uitstorten dan over een dienaar onverschillig van welke godheid.Als Philippus Paula’s groote gestalte, hare voorname houding, den adel van hare vormen en van hare gezindheid prees, voer de oude tegen hem uit en riep: »Zoo is dat ’t! Pas op, knaap, wees op uwe hoede! Hoogmoed, eigenwaan, zelfverheffing, teekent ge mij, maar verguld met de schoonste namen. Het woord patriciër bevat alles in zich, wat wij ons onder zelfzucht en onmenschelijkheid denken, en de ergsten, onverschilligsten, hebzuchtigsten onder hen maken die apen in purper, die de keizerstroon schandvlekken, tot hunne prefecten. Zooals zijzelven zijn, is ook hun gebroed. Al wat zij in hunne aanmatiging‘klein’ noemen, wordt door hen in ’t stof geworpen en onder den voet getreden; maar wij, gij en ik, allen die in het burgerlijk leven arbeidzaam de handen roeren, wij zijn in hunne oogen de verachtelijke kleinen. Let erop, knaap! Heden lacht de dochter van den stadhouder en den patriciër u toe, omdat zij u noodig heeft, morgen werpt zij u weg, gelijk ik mijn oud pantervel, dat in den winter mijne voeten verwarmt, wegschop als de heete dagen van Maart komen.”Was hij de dochter van Thomas niet genegen, hij was even afkeerig van den zoon van den Mukaukas, ofschoon hij hem nooit gezien had, en toen de arts hem verteld had, dat groote verbolgenheid tegen Orion zich had meester gemaakt van het hart zijner vriendin, was de grijsaard in een hoonenden schaterlach uitgebarsten en had gezegd, als bezat hij het vermogen om in de harten te lezen en in de toekomst te zien: »Heden bijten zij elkaar, over drie dagen zullen zij elkaar kussen! Haat en liefde zijn de eindpunten van denzelfden staf. Hoe gemakkelijk draait men dien om! Die twee, ze zijn van hetzelfde bloed en van denzelfden aard! De zoodanigen vliegen naar elkander toe als de magneet naar het ijzer en het ijzer naar den magneet.”Maar soortgelijke vermaningen hadden op het gevoel van den arts weinig invloed uitgeoefend, en zelfs door de afwijzing van zijn warm aanzoek, nadat Paula haar intrek had genomen in het huis van Rufinus, was zijne hoop van haar eindelijk geheel voor zich te winnen niet geheel geschokt. Heden morgen bij de onderhandeling over het vastzetten van het vermogen der geliefde, was Paula van harte bereid geweest hem tot haren kurios, haar voogd aan te nemen, om in haar plaats bij het gerecht op te treden; doch uit menig teeken meende hij waargenomen te hebben, wat zijne ziel zoo pijnlijk aandeed, dat zijn grijze vriend goed had gezien, dat de staf gekeerd en in het hart der jonkvrouw haat in liefde veranderd was. Toch had Paula hem nog nooit zulk eene warme genegenheid getoond, had hij hare stem in het gesprek nooit zoo week en hartelijk hooren klinken dan heden avond in den tuin van zijn vriend. Vroolijker en spraakzamer dan ooit was zij niet moede geworden zich tot hem te wenden. Daarbij waren langzamerhand zijne bezorgdheid en zielesmart geweken, en eindelijk had hij gevoeld, hoe teedere aandoeningen opnieuw bij hem ontwaakten en zijne eigene geestelijke kracht toenam... Ja, hij meende dat hij aan zijne gedachten nooit schooner en beter uitdrukking had gegeven dan in de laatst verloopen uren. Zij had hem ook haar bijval niet onthouden, had blijmoedig hare instemming betuigd met elk zijner stellingen, en toen hij zich een half uur voor middernacht met haar naar de kranken had begeven, was er eene nieuwe heerlijkehoop in hem ontwaakt. Gelukkig en als betooverd had hij aan haar wensch voldaan om haar te volgen naar hare woonkamer, en dáar, op die plaats...Arme, bitter teleurgestelde man! Daar zat hij in den donkeren hoek van de ruime studeerkamer, waarin het verstand tot hiertoe het grootste woord had gevoerd en naar de stem van het hart nooit was gevraagd. Hoe hij den weg hierheen had gevonden, dat wist hij zelf niet meer. Dit alleen herinnerde hij zich nog, dat hij, gehoor gevende aan zijn plicht, het huis van een Memphiet was binnengegaan, wiens vrouw, eene moeder van vele kinderen, in den namiddag stervende was; dat hij daar een lijk en vele luid en oprecht weeklagende menschen had gevonden, dat hij met hun en zijn eigen leed in het hart naar huis was gewaggeld en zich daar niet naar zijne vertrekken, maar naar dat van den grijzen vriend had begeven, omdat hij zichzelve niet vertrouwde. Het leven had alle bekoorlijkheid, alle waarde voor hem verloren; doch hij schaamde zich, dat hij door eene vrouw het edelst doel van zijn bestaan zich geheel ontvreemden, door haar zijne blijmoedige stemming verstoren liet, die hij niet missen kon om verder zijn beroep in den zin van zijn vriend Rufinus te vervullen. Hij kende zijn ouden huisgenoot en wist dat deze loog in zijn wonden zou gieten; maar daar had hij vrede mee. De grijsaard had reeds zoo vaak getracht Paulas beeld van zijn hoog voetstuk te werpen en te vernielen, maar altijd te vergeefs, en het zou hem ook heden niet gelukken! Het vurig verlangen, de brandende hartstocht naar haar, die door zijn aderen woelden sedert den nacht waarin hij den woedenden Masdakiet had bedwongen, dat wilde hij te niet doen, in het stof werpen, door alle winden laten verstrooien. De grijsaard daar aan de tafel, wiens strenge en onvriendelijke trekken door de drie lampen zoo helder verlicht werden, was geheel de man om dit werk der vernietiging te volbrengen, en Philippus wachtte op zijne eerste woorden als een zieke op den heelmeester, die het schroeiijzer in het vuur houdt, waarmede hij de wond wil uitbranden.Arme man, die na deze ontgoocheling de genezing zoozeer behoefde! Daar lag hij op den divan en zag hoe de ander over de schriftrollen hem bespiedde en daarbij heen en weer schoof in zijn leunstoel. Het zwijgen van Philippus verontrustte den oude zichtbaar en de arts zag aan de spichtige wenkbrauwen, die boven de oogen van den grijsaard zich opzetten, dat hij zijn eigen oordeel vormde, dat zeker het ware was. Weldra moest het zwijgen gebroken worden en Philippus verwachtte den aanval. Hij was bereid de grootste moeielijkheid uit den weg te ruimen, maar hoe zou hij over zich kunnen verkrijgen den pijniger zijn werk te verlichten?Zoo verliep er een geruimen tijd en evenals de arts op de toespraak van den grijsaard, wachtte deze op zijn eerste woord. Doch het ongeduld en de nieuwsgierigheid van den ouden man waren machtiger dan het verlangen van den jongeren naar genezing, en opeens legde deze de schriftrol neder, greep met eene onwillekeurige beweging het ivoren staafje, dat hij zoo even had weggeworpen, gaf aan den zwaren stoel met een voor zijn hoogen leeftijd verwonderlijk krachtigen ruk eene andere richting, keerde Philippus zijn volle gelaat toe en vroeg luide, terwijl hij met het staafje dreigend naar hem wees: »Het besluit van het spel, niet waar? Het einde van een treurspel!”»Niet geheel, want ik leef nog!” antwoordde de arts.»Maar het bloedt daarbinnen, en die wond doet pijn,” hernam de oude. Na zich een oogenblik bedacht te hebben ging hij voort: »Wie niet hooren wil moet voelen! Men heeft den vos den haak getoond, maar het lokaas was te verleidelijk. Gisteren was het nog tijd geweest om de kluister van den voet te strijken, men had slechts ernstig te willen, want men was goed onderricht omtrent de gruwzame listen van den jager. Nu is het gebeurd, men heeft geen enkel wapen waarover men te beschikken had ontzien, en nu ligt het wild stom van smart en schaamte, en verwenscht zijne eigene dwaasheid. Men schijnt heden het zwijgen te verkiezen. Wil ik u eens vertellen, hoe dat alles gekomen is?”»Ik weet het zelf maar al te goed,” antwoordde Philippus.»Doch ik, ik kan het mij wel voorstellen,” gromde de oude. »Zoo lang die patricische deerne het trekdier noodig had, heeft zij het aangehaald, het gerst en dadels toegeworpen. Nu baadt zij zich in het goud, woont onder een veilig dak, en flap! in eens krijgt de uitgediende beschermer zijn afscheid. Evenals de hemel de zon laat opgaan, wanneer de bleeke maan achter de bergen verdwijnt, zoo stelt deze jonkvrouw, die gebied voert over de harten van ons zwakkelijk en van vrijheid verzadigd geslacht, in de plaats van den armen, langen arts den rijken Adonis uit het stadhouderlijk paleis. Als het anders gebeurd is, heet het mij liegen!”»Kon ik dat maar!” zuchtte Philippus. »Gij hebt goed gezien, verwonderlijk goed, en toch zoo verkeerd als mogelijk is.”»Dat klinkt duister,” zeide de grijsaard gelaten. »Maar ik kan ook in den nacht zien. Het feit staat vast, doch gij zijt nog verblind genoeg, om die beweegredenen niet te laten gelden. Overigens verheugt het mij, dat uwe dwaling een zoo ‘gelukkig’ en wat mij betreft een zoo ‘spoedig’ einde heeft genomen; de aanleiding—zooals gewoonlijk eene vrouw—is mij onverschillig geworden. Waarom zou ik haar zonder noodzakelijkheidvan iets ergers verdenken, dan zij gedaan heeft? Alleen om uwentwil zou ik dit gaarne vermijden, want rechtgeaarde zielen hechten zich gaarne aan hen, die zij onrecht zien aandoen. Doch het staat aan u, dacht ik, niet aan mij, om te spreken; ook zonder uw hardnekkig zwijgen weet ik wel dat gij wijsgeer zijt; en wat mij betreft, ondanks mijne tachtig jaren ben ik nog altijd niet vrij van nieuwsgierigheid.”Toen stond Philippus haastig op en terwijl hij nu eens in het groote vertrek op en neer liep, dan weder voor den ouden vriend staan bleef, vertelde hij hem met vuurroode wangen en levendige gebaren wat hij gehoopt en geleden had, hoe Paula eerst nieuw vertrouwen bij hem gewekt en hem daarna in hare woning ontboden had—om diep ontroerd, verbaasd over zichzelve en toch niet bij machte en ook niet voornemens om de zaligheid te verbergen die haar vervulde, hem in haar hart te laten lezen. Gelijk eene beangstigde ziel voor den priester biecht, zoo had zij hem, haren besten vriend, geopenbaard, wat sedert de begrafenis van den gestorven Mukaukas in haar binnenste was omgegaan, en hoe zij thans overtuigd was dat Orion na zijn zwaren misslag zichzelven had wedergevonden.»En daarover,” viel de grijsaard hem in de rede, »was zoo groote vreugde in den hemel, dat men niet wachten kon met den afgedankten vrijer de weldaad te bewijzen, om ook daaraan deel te nemen.”»Veeleer heeft zij mij onder zwaren strijd beleden, wat het hart van haar vordert; ja, ofschoon zij niets dan spot, waarschuwingen, verwijten van mij verwachten kon, heeft zij toch haar binnenste voor mij ontsloten.”»En waarom, met welk doel?” vroeg de oude met schrille stem. »Wil ik het u eens zeggen? Omdat een vriend altijd nog zoo’n halve minnaar is en de vrouwen ook niet een vierde van zulk een geliefde prijs geven willen.”»Dat is niet waar!” haastte Philippus zich met afkeuring te zeggen. »Zij heeft het gedaan omdat zij mij hoog schat, mij acht, mij—ik ben niet ijdel—mij als een broeder genegen is, en het niet verdragen kon mijn gevoel voor haar—het zijn hare eigene woorden—ook maar een uur te misleiden. Dat is edel, dat is groot, is harer waardig, en niettegenstaande alles wat in mij is zich daar tegen verzette, zag ik mij toch gedwongen hare oprechtheid, hare trouwe vriendschap, hare zelfverloochening en haar moed in het beheerschen van hare vrouwelijke teergevoeligheid te bewonderen. Neen, val mij nu niet weer in de rede, spot nu niet! Het beteekent niet weinig voor eene trotsche jonkvrouw, die zich van hare waardigheid bewust is, de zwakheid van haar hart zoo bloot te leggen vooreen man, van wien zij weet, dat hij haar bemint, op de wijze als zij dit gedaan heeft. Zij noemde mij haar weldoener, zichzelve mijne zuster, en welke drijfveeren gij, die haar haat om een oud vooroordeel, zonder haar zelfs te kennen, ook aan hare handelwijze wilt toedichten, ik geloof haar en begrijp haar ook. Kon ik anders doen dan de hand aannemen die zij mij bood, toen zij met betraande oogen mij bad haar vriend, haar beschermer, haar kurios te blijven? En toch, toch! Waar zal ik de kracht vinden om niets anders van haar te verlangen, van haar tot wie ik mij door eene brandende hartstocht getrokken gevoel, niets anders dan een vriendelijken blik, een handdruk, een verstandig overwegen van hetgeen ik zeg? Hoe zal ik mijne kalmte, mijne zielsrust, mijne zelfbeheersching bewaren, als ik haar zie in de armen van den schoonen halfgod, dien ik gisteren nog als een nietswaardig jongeling verachtte? Welk ijs kan den gloed verkoelen van dit brandend gemoed? Welke lans doorboort den draak van den hartstocht, die in mij woelt? Dit hart is gekomen tot aan de grenzen van een menschenleeftijd, zonder toch naar de liefde te smachten, waarvan onze dichters zingen. Alleen door hen of door de klacht van een vriend, wiens zwakheid mij leed deed, heb ik zulk een gevoel leeren kennen, en thans, nu de liefde mij zoo laat met al hare onbedwingbare macht overvalt, aan zich onderwerpt en mij in ketenen slaat, hoe kan ik mij van haar bevrijden? Hier, trouwe man, die mij als uw zoon beschouwt, van wien ik het gaarne hoor, als gij mij ‘knaap’ en ‘kind’ noemt, die de plaats bekleedt van mijn vroeg gestorven vader, hier blijft mij niets anders over dan u en deze stad te verlaten, hare nabijheid te ontvluchten, een nieuw verblijf voor mij te zoeken, ver van haar met wie ik zoo gelukkig zou hebben kunnen zijn als de zaligen in het paradijs, en die mij nu nog ellendiger heeft gemaakt als de verdoemden in het eeuwige vuur! Ik wil, ik moet van hier als gij, die zooveel vermoogt, mij niet leert dezen hartstocht te dooden, of dien te veranderen in eene koele, broederlijke vriendschap.”Philippus, die vlak bij den ouden man was blijven staan, sloeg de handen voor het aangezicht, doch Horus was bij de laatste woorden van zijn geliefden leerling met jeugdige kracht opgerezen. Met een stevigen ruk trok hij diens rechterhand van het gelaat, en zeide driftig en buiten zichzelven van verontwaardiging en groote bezorgdheid: »En zegt ge mij dat in ernst? Zijt gij, verstandige man, zoo diep in de dwaasheid verzonken? Is het u niet genoeg, uw eigen geluk om deze—hoe zal ik haar noemen—verspeeld, verslingerd te hebben? Begrijpt gij dan nu eindelijk waarom ik u voor dat patriciërgebroed gewaarschuwd heb? Trouw, dankbaarheid, de liefde vaneen degelijk man—wat vraagt zij daarnaar? Werp dien katvisch van den haak, smijt hem in het zand! Daar komt reeds de vette wentelaar1aangezwommen, die zal wel bijten! Wilt gij aan haar en dien ellendigen stadhoudersjongen ook het heil en de hoop der laatste jaren van een grijsaard opofferen, die zich gewend heeft u, die zulks verdient, als zijn eigen zoonlief tehebben? Wilt gij, flinke arbeider, gij man met zulk een krachtigen geest, zoo vol ijver in het vervullen van uw plicht, in wien de goden een welgevallen hebben, wilt gij als een verlaten meisje wegloopen, van de Leukadische rots springen als de door liefde verteerde Sappho op het theater, waarover de toeschouwers zitten te schudden van het lachen? Gij blijft, knaap, gij blijft! En ik, ik zal u toonen hoe een man den hartstocht onder bedwang krijgt, die hem onteert!”»Toon het mij,” antwoordde Philippus met zachte stem. »Ik verlang niets beters. Meent gij, dat ikzelf mij niet zou schamen over mijne zwakheid? Zij staat mij toch slecht genoeg, mij vooral, wien het lot eer tot alle andere dingen bestemd heeft dan tot een zuchtend minnaar en dweper. Strijden wil ik, worstelen met al de kracht mijner ziel; maar hier, hier in Memphis, hier in de nabijheid, als haar kurios, ben ik dagelijks gedwongen haar weer te zien, moet ik dag aan dag nieuwe smadelijke nederlagen lijden. Hier, altijd in hare nabijheid, put de strijd mij uit, zie ik mijzelven ondergaan naar lichaam en ziel. Op dezelfde plaats, in dezelfde stad is er geen ruimte voor ons beiden.”»Dan moet zij het zijn,” riep de oude met schelle stem, »die plaats maakt voor u.”Hierop richtte Philippus het gebogen hoofd omhoog en vroeg verrast en op streng afkeurenden toon: »Wat bedoelt gij hiermede?”»Niets,” antwoordde de ander onverschillig, terwijl hij de schouders ophaalde. Daarna ging hij vergoelijkend voort:»Memphis heeft in elk geval van u meer nut te verwachten, dan van die patricische deerne.” Vervolgens schudde hij zijne leden, alsof hij het koud had, sloeg met de hand op de borst en zeide: »Hier binnen is alles in oproer, en ik kan thans helpen noch raden.Weldrabegint het in het oosten te schemeren; wij willen trachten wat te slapen. In den zonneschijn kan men knoopen loswikkelen, die bij lamplicht niet te ontwarren schijnen, en misschien toont de godin mij, terwijl ik slapeloos op mijne legerstede lig, den weg, dien ik zoo straks beloofde u te zullen wijzen. Een weinig meer luchthartigheid zou ons beiden niet schaden. Tracht uw eigen leed te vergeten door te denkenaan dat van anderen; daarvan leert gij alle dagen genoeg kennen. Het zou niet veel baten of ik u al een goeden nacht wenschte, maar moge hij u wat tot kalmte brengen! Op mijne hulp kunt gij staat maken; maar van weggaan, vluchten of iets dergelijks, daarvan zult ge mij, arme man, niets meer laten hooren, niet waar? Neen, neen, dat—ik ken u genoeg Philippus—dat leed doet gij uw eenzamen vriend niet aan!”Deze laatste woorden waren de teederste, die de arts ooit uit den mond van den grijsaard vernomen had, en het deed hem goed toen deze hem een oogenblik omarmde en aan zijn hart drukte. Aan zijn woord: dat het aan Paula stond om plaats te maken, dacht Philippus niet verder; doch de oude man scheen het toch zeer ernstig gemeend te hebben, want zoodra hij alleen was, wierp hij het ivoren staafje weder heftig op tafel en prevelde met fonkelende oogen, eerst in toorn en dan spottend: »Om dit trouwe hart, dezen besten aller arbeiders voor mij en de wereld te behouden, zou ik een dozijn van die volbloed deernen naar de Amenthe2willen sturen. Ei, ei, gij schoonste der schoonen, de brave arts is voor ons te slecht, en men smijt hem weg als de pit van een dadel, dien men opgegeten heeft? Een ieder naar zijn smaak! Maar hoe zou het zijn, als de oude Horus u eens dwong hem te leeren hoogschatten? Geduld, geduld! Met het doel voor oogen is het mij nog altijd gelukt den weg te vinden; op het veld der wetenschap, meen ik natuurlijk. Doch het leven, wat is het leven van den wijze anders dan toegepaste wetenschap? Waarom zou de oude Horus niet nog eens vóor zijn einde beproeven, wat zijn geest vermag uit te richten op de markt van het leven der werkelijkheid? Hoe goed of het u ook bij uw liefje in Memphis bevalt, gij breekster der harten, gij zult toch plaats moeten ruimen voor den armen weggegooiden speelbal! Ja, dat zult ge! Reken er op, mijne lieveling, dat zult ge!—Heidaar Anubis!”Bij deze woorden gaf hij den slaaf, die onder de tafel rustig was blijven doorslapen, een schop met zijn naakten voet, en terwijl deze zijn meester voorlichtte naar het slaapvertrek en hem daar, bij zijne zorgvuldige en langdurige wasschingen behulpzaam was, hield de grijsaard niet op afgebroken volzinnen te prevelen, nu eens verwenschingen uit te stooten en dan weer in ondeugend gelach uit te barsten.EINDE VAN HET EERSTE DEEL.

Terwijl maan en sterren den nachtelijken hemel verhelderden nam Orion den terugweg aan. Hij hield het hoofd fier opgericht, zoo vroolijk en vol hoop als bij dezen rit had hij zich niet gevoeld sedert dat watertochtje met Paula. Aan gene zijde van de schipbrug stuurde hij zijn paard niet rechtstreeks naar het stadhouderlijk paleis, de frissche nachtlucht deed hem zoo goed, zijn hart was zoo ruim, dat hij zich niet dadelijk in een eng vertrek kon opsluiten. Met nieuwe geestdrift bezield en van eene zwaren last bevrijd reed hij in snellen draf naar het huis waar zijne geliefde gehuisvest was, en hij stelde zich voor hoe verheugd zij zijn zou bij het bericht, dat hij in Amr een helper bij de verwezenlijking zijner plannen, ja, misschien een vriend gevonden had.

De veldheer, dien zijn vader zoo hoogschatte om zijn edel gemoed, zijn verstand en zijne rechtvaardigheid was ook in zijn oog het ideaal van een voortreffelijk man, en als hij hem vergeleek met de voorname beambten en bevelhebbers over de troepen, die hij aan het Byzantijnsche hof had gezien, moest hij glimlachen. Zij allen stonden tot dezen waardigen en toch levenslustigen en deelnemenden man in verhouding als de oude stijve godenbeelden zijner voorvaderen tot de edele gestalten der Grieksche kunst. Thans zegende hij het aandenken zijns vaders, die zijn geboortegrond bevrijd had van de heerschappij van dit ontaard gebroed. Heden, dit wist hij zeker, zou de afgestorvene, wiens beeld hem zoo levendig voor den geest stond, over hem tevreden zijn, en dat gaf hem een gevoel van geluk dat hij wilde vasthouden en nog verhoogen door hetgeen hij verder zou overleggen en uitrichten. »Het leven een ambt, een dienst, eene verplichting,” deze tooverspreuk uit een zoo dierbaren mond, zou hem houden op den goeden weg en hoe spoedig hoopte hij, zeker van zijne zaak, op mannelijke daden tekunnen wijzen, die hem voor zichzelven het recht gaven, om het lot van de edelste der vrouwen aan het zijne te verbinden!

Van zulke gedachten vervuld, was hij aan het huis van Rufinus gekomen. De vensters van het hoekvertrek op de bovenste verdieping, waarvan twee in de Nijlstraat, twee op den stroom uitzagen, waren verlicht. Hij wist niet juist welke kamers Paula bewoonde, maar hij keek toch naar boven in het onzeker vermoeden, dat dit licht bij haar nog zoo laat brandde, en de vrouwelijke gestalte, die thans zich vertoonde aan de door het maanlicht beschenen vensteropening, zeide hem dat hij zich niet had bedrogen, want hij herkende in haar Paula’s voedster Perpetua. De hoefslag had haar uit nieuwsgierigheid naar het venster doen gaan, doch zij scheen hem bij het matte licht niet te herkennen. Langzaam reed hij voorbij en toen hij spoedig daarop omkeerde en opkeek, in de hoop ditmaal zijne geliefde aan het venster te zullen vinden, zag hij niemand meer. Maar hij merkte eene lange donkere schaduw op, die zich van de eene zijde van het vertrek naar de andere bewoog en die noch van de voedster, noch van hare slanke meesteres afkomstig kon zijn. Het moest de schaduw zijn van een bijzonder lang man, en terwijl hij stilhield en verontrust door allerlei pijnlijke gewaarwordingen nog eens naar boven keek, herkende hij duidelijk den arts Philippus.

Het middernachtelijk uur was reeds voorbij: hoe te verklaren dat Paula hem thans ontving? Was zij ziek geworden? Of was dit vertrek misschien niet het hare? Bevond de voedster zich toevallig met haar en den arts in eene woonkamer van Rufinus?

Maar neen! De vrouw die thans voorbij het venster ging en zich met uitgestrekte hand juist bewoog naar de schaduw van den man, was Thomas’ dochter en geene andere.

Zijn hart begon steeds sneller te kloppen en hem overviel eene bezorgdheid, die tot hiertoe door zijne edelheid was teruggehouden, ofschoon hij toch meermalen getuige was geweest van de vriendelijke verstandhouding, die er tusschen Paula en den arts bestond. Misschien was het meer dan vriendschap en onschuldig vertrouwen, dat de jonkvrouw aanleiding gaf de bescherming en de hulp van dezen man zoo onverholen in te roepen. Zou hij Paula’s hart, hare liefde gewonnen hebben? Zou dat mogelijk zijn? En waarom niet? Wat had zij bij Philippus anders te vergeten dan zijn leelijk gelaat en zijne lage afkomst? Maar hoeveel andere vrouwenharten hadden zich over gansch andere dingen moeten heenzetten! De arts was nauwelijks vijf jaren ouder dan hij, en zijne bezorgdheid klom als Orion zich den blik weer voor den geest bracht, waarmedehij Paula heden morgen had aangezien.Ja,Philippushad Paula lief!

Eene kleine omstandigheid, die hem eenklaps inviel, was voor hem, die in zulke dingen maar al te veel ervaring had, voldoende om dit als zeker te beschouwen. Reeds gisteren was het hem opgevallen dat Philippus zich sedert den dood zijns vaders, dus sedert Paula verhuisd was naar het huis van Rufinus, zich veel zorgvuldiger dan vroeger gekleed had. »Daarin,” dacht hij, »brengt een ernstig man geen verandering, wanneer de liefde hem er geen aanleiding toe geeft.”

Een pijnigend gevoel van angst en toorn overviel hem, toen hij de lange schaduw weder bij het venster zag verschijnen. Voor de eerste maal in zijn leven gevoelde hij de kwelling van den ijverzucht, waarom hij zijne vrienden dikwijls had uitgelachen. Toch was hij niet dwaas genoeg om zich er door te laten martelen, immers sedert heden morgen kon hij zeker op zijne geliefde bouwen. Al moest hij, Orion, voor een hoogeren rechter bij dezen achterstaan, voor een vrouwenhart was hij gewis zijn meerdere. Desniettemin hinderde het hem te weten dat de arts op dit uur bij Paula was, en korselig rukte hij aan den teugel om het paard te doen keeren. Het beviel hem dat het edele, vurige beest zich verzette tegen deze ongewone ruwe handeling en een honderd passen voorbij dat verwenschte verlichte venster weder de koppigheid toonde, die men het als veulen had afgeleerd. Orion moest werkelijk een strijd beginnen met den hengst, en het deed hem goed het dier met den toom en zijne beenen zijn overmacht te doen gevoelen. Wel steigerde de hengst en draaide hij met hem in een cirkel rond, maar de krachtige ruiter werd hem de baas, en nadat hij het dier tot stilstaan en gehoorzaamheid gedwongen had, streelde hij het langs den gladden hals en zag, tot verademing gekomen, nog eens om.

Naast hem verhieven zich boven de lage heg de dichte sombere bosschages van den tuin der weduwe Susanna, en daarachter schemerde uit de achterzijde van het huis die op de Nijlstraat uitzag, een nog helderder licht als uit Paulas woning. Uit drie vensters straalde het in den tuin, uit twee slechts met een mat schijnsel, misschien het licht van eene enkele lamp. Dat alles kon hem onverschillig zijn, toch bleef zijn oog gevestigd op het dak van de zuilengaanderij, die onder de bovenverdieping heenliep, want daarop stond dicht tegen het kozijn van een der verlichte vensters geleund, eene kleine vrouwelijke gestalte, die het hoofdje zoover vooruitstak om te luisteren, dat het licht schemerde door het golvende haar dat het omlijstte. Katharina beluisterde het gesprek, dat de patriarch Benjamin,wiens gebaarde apostelkop Orion goed onderscheiden kon, met den presbyter Johannes voerde, een klein onaanzienlijk mannetje, van wien Orions vader echter getuigde, dat hij den ouden bisschop Plotinos in geest en kloekheid overtrof.

Het zou den jongeling niet moeilijk zijn gevallen elke beweging van Katharina te volgen, doch dit was hem de moeite niet waard. Terwijl hij doorreed zag hij in zijne verbeelding het kwikstaartje, hoewel niet alleen, want het beeld der geliefde plaatste zich dadelijk daarnaast, en hoe kleiner gene hem voorkwam, des te heerlijker kwam de wasdom van deze uit. Ieder woord, dat hij heden vroeg van Paula’s lippen vernomen had, kwam hem weder voor den geest, en die schoone, levendige herinnering verdreef alle bezorgdheid. De vrouw, die zich nog dezen morgen bereid verklaard had met hem te hopen, alles van hem te gelooven, zijne bescherming aan te nemen, de edele jonkvrouw, aan wie hij gaarne had toegestaan het oog mede te richten op wat hij zich in de toekomst ten doel had gesteld, wier reine blik zijn hartstocht, zijn eigenwaan als met toovermacht in toom had gehouden en hem nochtans het recht gegeven had naar haar bezit te streven, dat trotsche heldenkind, dat zijn vader zoo gaarne als dochter aan het hart had gedrukt, zou het mogelijk zijn dat zij hem misleidde als eene behaagzieke schoone uit de hoofdstad? Kon zij ooit hare waardigheid als vrouw vergeten? Neen, duizendmaal neen! Aan haar te twijfelen was haar te beleedigen, was een onrecht tegen haar en zichzelven. De arts had haar lief, doch wat haar ook aanleiding gaf om hem zoo laat te ontvangen, eene andere beweegreden dan die van vriendschap bestond er zeker niet. Schande over hem, wanneer hij de lage verdenking van vroeger weder plaats gaf in zijne ziel.

Als van een last bevrijd haalde hij vrijer adem, toen zijn dienstknecht verscheen, die bij de betaling van den bruggetol was opgehouden. Terstond sprong hij uit het zadel en beval dezen het paard naar huis te brengen, daar hij begeerde verder te voet te gaan, om ongestoord zijne gedachten te kunnen vervolgen. Weldra wandelde hij dan ook peinzend onder de sykomoren voort, en nog was hij niet ver gekomen, toen hij aan de andere zijde van den thans stillen hoofdweg iemand met groote, haastige schreden achter zich hoorde naderen, die spoedig hem voorbijschoot. Zijn scherpziend oog deed hem in den wandelaar den arts Philippus herkennen, en het verheugde hem dezen te zien, want nu was het bewijs geleverd hoe dwaas en verkeerd zijn twijfel was geweest, hoe weinig grond hij had om in den arts een medeminnaar te zien. Die man daarginds zag er toch niet als een gelukkige uit. Met gebogen hoofd, alsging hij gebukt onder een last, ijlde hij voorwaarts, en thans bracht hij als iemand die vertwijfelt de hand aan het voorhoofd. Neen, achter dien haastigen, nachtelijken wandelaar lag geene zalige ure, en als zijne houding iets van hem vroeg, dan was het niet nijd, maar medelijden.

De arts merkte hem niet op, want geheel in zichzelven gekeerd vloog hij verder, terwijl nu en dan een zucht of eene doffe klacht zijne borst ontsnapte. Voor enkele oogenblikken ging hij een huis binnen, waaruit luide klaagtonen werden vernomen, en toen hij daarna zijn weg vervolgde, schudde hij van tijd tot tijd het hoofd, als iemand die allerlei tooneelen onder zijne oogen ziet afspelen, waarvan hij het rechte begrip niet heeft. Het doel van zijne wandeling was een gebouw, dat aan een paleis deed denken. Het pleister was voor een deel afgevallen en de vensters van de bovenste verdieping waren tot groote aan de zijden uitgebroken openingen verwijd. Weleer had dit huis de stedelijke en districtbeambten voor de financiën geherbergd endebenedenvertrekken waren toen zeer geschikt en doelmatig ingericht voor den ideoloog, den hoofdbeambte van dezen tak van bestuur, die gewoonlijk teAlexandriëverblijf hield, maar bij zijne inspectiereis zich soms weken lang te Memphis moest ophouden. Doch de Arabieren hadden het beheer der financiën van het geheele land verlegd naar de nieuwehoofdstadFostat aan gene zijde van den stroom, en die van de vervallen plaats was verbonden geworden met hetstadhouderlijkambt. De senaat van Memphis had het te kostbaar gevonden om het groote gebouw te sloopen, en was zeer blijde geweest toen men voor de benedenvertrekken in den arts Philippus en den Egyptenaar Horus Apollon huurders had gevonden. Beide geleerden bewoonden wel afzonderlijke vertrekken, maar dezelfde slaven bezorgden het gemeenschappelijk huishouden en moesten bovendien den helper van Philippus, een bescheiden en wel onderwezen Alexandrijn, diensten bewijzen.

Toen de arts de hooge en ruime werkzaal van zijn grijzen vriend betrad was deze nog wakker, en zat achter een groot aantal opene schriftrollen zoo geheel verdiept in zijn arbeid, dat hij den laat terugkeerenden vriend eerst vluchtig opmerkte, toen deze hem een avondgroet toeriep. Het antwoord daarop bestond enkel uit een onduidelijk gebrom, en nog eenige oogenblikken daarna bleef de oude geheel in zijne handschriften verdiept. Eindelijk keerde hij het gelaat naar Philippus en wierp daarbij het ivoren staafje, waarmede hij de papyrusrollen openlegde en gladstreek, ongeduldig op de tafel, en tegelijk begon zich daaronder eene donkere massa te bewegen, de sedert lang ingeslapen slaaf van den grijsaard. De drie lampen op de schrijftafelplaatsten den oude en zijne omgeving in het volle licht, terwijl de arts, die zich op eene rustbank op den achtergrond van het groote vertrek had neergevleid, in het donker bleef.

Wat dien arbeider bij nacht opschrikte was het zwijgen van den teruggekeerde, waaraan hij niet gewoon was; dit hinderde hem als het stilstaan der klepperende raderen den molenaar.

Hij zag nu den vriend verstomd en vragend aan, maar deze bleef stom waarop de oude zich weder in zijne schriftrollen verdiepte. Toch had hij zeker de noodige aandacht verloren, want zijne gebruinde hand, waarop de aderen als blauwe knoopen en draden zichtbaar waren, verschoof nu eens de rol, dan weer het ivoren staafje, en zijn ingevallen mond, die eerst vast gesloten was, bleef voortdurend in beweging. De uitwendige gedaante van dezen man bood een zonderlingen, weinig opwekkenden aanblik, want zijne magere, bruinachtige gestalte was van ouderdom gebogen, zijn echt Egyptisch gelaat met de breede kaakbeenderen en de hoog opstaande ooren was gerimpeld als eikenbast, zijn schedel had het laatste haar verloren, en zijn gezicht was wel-is-waar pas geschoren, maar op de plaats van zijn baard wiesen in de diepe rimpels van kin en wangen enkele grauwe haren als struiken, die uit het enge bed van eene beek te voorschijn komen. Het scherpe scheermes had die plaatsen niet kunnen bereiken, en die haren gaven aan zijn geheele gelaat een onordelijk en verwaarloosd aanzien.Hiermede was de kleeding van den grijsaard in overeenstemming, als het linnen schort en het witte doek, dat sedert het ondergaan der zon over zijne naakte schouders hing, zulk een naam verdiende. Doch niemand op straat zou hem voor een bedelaar hebben gehouden, want het linnen dat hij droeg was fijn en sneeuwwit, en uit zijne wijd uitpuilende schitterende oogen, waarboven juist in het midden kleine maar lange borstelige wenkbrauwen zonderling opstaken, spraken helder verstand, krachtig zelfbewustzijn en afstootende norschheid, eigenschappen die een ontvanger van aalmoezen even weinig pasten als de van wilskracht getuigende, soms honende trek, die altijd om den mond van dezen man scheen te spelen. Er lag in de trekken van dezen ouden man niets aanvalligs, niets teeders of behagelijks, en wie zijn leven kende kon zich niet verwonderen, dat de jaren niet in staat geweest waren zijne ruwheid en onaangename zucht tot tegenspraak te breken, of te verkeeren in die vriendelijke toegevendheid, die vaak een hoogen leeftijd kenmerkt, als men zoo vaak gestruikeld is en zoovelen heeft zien vallen.

Hij was voor tachtig jaren geboren op het schoone eiland Philae, aan gene zijde van den katarakt in de nabijheid vanden Isis-tempel, dus bij het eenige Egyptische heiligdom, waarin de heidensche eeredienst nog tot in zijne jeugd en nog wel openlijk kon worden uitgeoefend. Sedert den grooten Theodosius hadden keizers en»praefectus augustales” om strijd krijgslieden te voet en te paard den katarakt laten overtrekken, om aan de afgoderij op het lieflijke Nijleiland een einde te maken, maar allen waren door de dappere Blemmyers, die in de woestijn tusschen den stroom en de Roode zee huisden, tot de terugtocht gedwongen of vernietigd geworden, want dit onrustig zwervend volk vereerde de Isis van Philae als zijne schutsgodin, en volgens een oud verdrag werd het beeld hunner patrones door hunne priesterschap jaarlijks in feestelijken optocht naar de Blemmyers gebracht, om eenige weken in hun midden te verwijlen.

De vader van den grijsaard was de laatste horoscoop en zijn grootvader de laatste opperpriester van Isis op Philae geweest. Zijn jongenstijd had hij nog doorleefd op het eiland der godin. Toen was het echter aan een Byzantijnsch legioen gelukt de Blemmyers te verslaan, het eiland te omsingelen, het heiligdom uit te plunderen en te sluiten. De Isis-priesters ontkwamen aan de keizerlijke vervolgers, en Horus Appollon had zijne geheele jeugd met vader, grootvader en twee jongere zusters op de vlucht doorgebracht, overal door groote gevaren bedreigd. Haat tegen de vervolgers, de misdadigers die het geloof zijner vaderen verachtten en vernietigden was de spijs geweest, waarmede men zijn jeugdig gemoed had gevoed, en deze haat zou klimmen tot onverzoenlijke bitterheid, nadat te Antiochië de zijnen door keizerlijke soldaten overvallen en zijn grootvader benevens zijn beide onschuldige zusters neergehouwen waren. Op aanhitsen van den bisschop die in de vreemde familie Egyptische afgodendienaars had herkend en wien de prefect des keizers, een overmoedig en trotsch patriciër, de gewapende macht gewillig ter beschikking had gesteld, had deze ontzettende gebeurtenis plaats gehad. Slechts aan een toeval of, zooals de oude meende aan de ‘groote Isis’ was het te danken, dat zijn vader gelukkig ontkwam met hem en de kostbaarheden, die de oude opperpriester uit den tempelschat had medegenomen. Het ontbrak hun dus niet aan middelen om onder vreemde namen te reizen en zich eindelijk in Alexandrië neer te zetten. De vervolgde jongeling veranderde hier zijn naam Horus in den Griekschen vorm ervan, en heette van nu aan in huis en in de school Apollon. De begaafde jonkman gebruikte met vurigen ijver de rijke leermiddelen van een stad als Alexandrië, rusteloos verdiepte hij zich in elk gebied der Grieksche wetenschap en verwierf daarbij onder de leiding zijns vaders al de kennis van een Egyptischen horoscoop, die in dezen lateren tijd toch nog niet geheel was te loor gegaan.

Te midden van de christenen der hoofdstad en hun geloofsstrijd bleven vader en zoon heidenen en Isis-dienaars, en toen de oude priester op hoogen leeftijd stierf, verhuisde Horus Apollon naar Memphis, waar hij het stille afgezonderde leven van een onderzoeker leidde, van tijd tot tijd vertoonde hij zich op de sterrewacht onder de astronomen, astrologen en kalendermakers, of bezocht hij de laboratoria der alchymisten, die ook in christelijk Egypte zich ijverig bleven bezighouden met pogingen om onedele in edele metalen te veranderen. De scheikundigen en sterrekundigen erkenden weldra de meerdere kennis van den ouden man en ondanks zijne zwartgalligheid en de beleedigende wijze waarop hij iemand kon afwijzen, vroeg men toch bij moeielijke vraagstukken hem om raad. De roep die van hem uitging was ook tot de Arabieren doorgedrongen, en toen het de vraag was hoe men aan de gebedsnis in de nieuwe moskee van Amr de juiste richting naar Mekka zou geven, werd zijne hulp ingeroepen en zijn advies was beslissend.

De arts Philippus was eenige jaren geleden aan hetziekbedvan den oude geroepen en had aan hem zijn meesten tijd en zijne beste krachten gewijd, daar in die dagen nog maar weinigen een beroep deden op de kunst van een pas beginnende. Er kwam bij dat Horus Apollon door de degelijke beschaving en den ernstigen zin tot onderzoek van den jongen geleerde werd aangetrokken en spoedig warme sympathie voor hem had opgevat, ja, de warmste, die hij na den dood der zijnen voor een zijner medemenschen had getoond. Eindelijk sloot de oudere den jongeren man met zulk eene teederheid aan zijn hart, als beijverde hij weer goed te maken wat hij in liefdebewijzen tot hiertoe was te kort gekomen. Geen vader kon inniger, met meer zelfverloochenende liefde gehecht zijn aan een zoon als de grijsaard aan den arts, en toen eene ziekte hem opnieuw aan den rand des grafs bracht, maakte hij Philippus tot zijn vertrouwde, openbaarde hij hem het geheim van zijn uit- en inwendig leven van den aanvang af, en beloofde hij den arts tot zijn erfgenaam te zullen maken, wanneer deze zich verbond bij hem te blijven tot zijn einde. Philippus, wien de grijze, geestrijke onderzoeker reeds van den beginne de grootste belangstelling had ingeboezemd, nam dezen voorslag aan, nadat ook hij zich meer had ingelaten met de studiën van den ouden man waaraan hij soms deelnam, noodigde deze hem uit een werk te helpen voltooien dat hij voor zijn dood wilde afmaken. Het handelde over het hiëroglyphenschrift en moest de beteekenis der afzonderlijke teekens, voor zoover deze nog was vast te stellen, verklaren en aan de nakomelingschap overbrengen. De grijsaard, die alleen Egyptisch wilde schrijven omdat hijhet Grieksch niet genoeg machtig was, vertrouwde aan zijn jongen vriend de vertaling zijner opteekeningen in deze taal toe, en het samenleven van die twee in ouderdom en karakter zoo uiteenloopende, maar in betrekking tot hun geestelijk streven verwante mannen, nam een voor beide partijen aangenamen en voordeeligen vorm aan, ondanks de velerlei zonderlingheden, de ruwheid en hardheid van den ouden man.

Horus Apollon leefde op de manier van een oud Egyptisch priester, daar hij zich onderwierp aan veelvuldige wasschingen en scheringen, weinig anders nuttigde dan brood, groenten en tamme vogels, zich onthield van peulvruchten en het vleesch van alle viervoetige dieren en niet alleen van de reeds aan zijne voorvaderen verbodene zwijnen, zich van geen andere dan reine linnen gewaden bediende en zekere uren voor zich hield tot het uitspreken van die heidensche gebedsformulieren, welker magische kracht de goden moest dwingen aan het verlangen hunner aanbidders te voldoen.

Zooals de oude aan Philippus zijn geheele vertrouwen geschonken had, zoo verborg deze voor hem niets wat in hem omging. Deed hij het soms, dan gevoelde de ander dit met wonderbare scherpzinnigheid. De arts had den vaderlijken vriend vaak over Paula gesproken en hem hare voortreffelijke eigenschappen geschilderd met al de warmte van een liefhebbend hart; doch de oude was haar van den aanvang niet genegen, reeds dadelijk omdat zij de dochter was van een patriciër en prefect. Wie dezen titel voerde was voor hem een voorwerp van haat, immers een prefect en patriciër droeg de schuld van het bloedig einde dergenen, die hij het meest had liefgehad. Wel-is-waar had de stadhouder van Antiochië enkel op last van den bisschop gehandeld, doch het lustte den grijsaard—en zijn vader had er van den aanvang af evenzoo over gedacht—alle schuld op den prefect te laden; want de nazaat van een overoud priestergeslacht verheugde zich, dat hij al de volheid van zijn toorn over een ander kon uitstorten dan over een dienaar onverschillig van welke godheid.

Als Philippus Paula’s groote gestalte, hare voorname houding, den adel van hare vormen en van hare gezindheid prees, voer de oude tegen hem uit en riep: »Zoo is dat ’t! Pas op, knaap, wees op uwe hoede! Hoogmoed, eigenwaan, zelfverheffing, teekent ge mij, maar verguld met de schoonste namen. Het woord patriciër bevat alles in zich, wat wij ons onder zelfzucht en onmenschelijkheid denken, en de ergsten, onverschilligsten, hebzuchtigsten onder hen maken die apen in purper, die de keizerstroon schandvlekken, tot hunne prefecten. Zooals zijzelven zijn, is ook hun gebroed. Al wat zij in hunne aanmatiging‘klein’ noemen, wordt door hen in ’t stof geworpen en onder den voet getreden; maar wij, gij en ik, allen die in het burgerlijk leven arbeidzaam de handen roeren, wij zijn in hunne oogen de verachtelijke kleinen. Let erop, knaap! Heden lacht de dochter van den stadhouder en den patriciër u toe, omdat zij u noodig heeft, morgen werpt zij u weg, gelijk ik mijn oud pantervel, dat in den winter mijne voeten verwarmt, wegschop als de heete dagen van Maart komen.”

Was hij de dochter van Thomas niet genegen, hij was even afkeerig van den zoon van den Mukaukas, ofschoon hij hem nooit gezien had, en toen de arts hem verteld had, dat groote verbolgenheid tegen Orion zich had meester gemaakt van het hart zijner vriendin, was de grijsaard in een hoonenden schaterlach uitgebarsten en had gezegd, als bezat hij het vermogen om in de harten te lezen en in de toekomst te zien: »Heden bijten zij elkaar, over drie dagen zullen zij elkaar kussen! Haat en liefde zijn de eindpunten van denzelfden staf. Hoe gemakkelijk draait men dien om! Die twee, ze zijn van hetzelfde bloed en van denzelfden aard! De zoodanigen vliegen naar elkander toe als de magneet naar het ijzer en het ijzer naar den magneet.”

Maar soortgelijke vermaningen hadden op het gevoel van den arts weinig invloed uitgeoefend, en zelfs door de afwijzing van zijn warm aanzoek, nadat Paula haar intrek had genomen in het huis van Rufinus, was zijne hoop van haar eindelijk geheel voor zich te winnen niet geheel geschokt. Heden morgen bij de onderhandeling over het vastzetten van het vermogen der geliefde, was Paula van harte bereid geweest hem tot haren kurios, haar voogd aan te nemen, om in haar plaats bij het gerecht op te treden; doch uit menig teeken meende hij waargenomen te hebben, wat zijne ziel zoo pijnlijk aandeed, dat zijn grijze vriend goed had gezien, dat de staf gekeerd en in het hart der jonkvrouw haat in liefde veranderd was. Toch had Paula hem nog nooit zulk eene warme genegenheid getoond, had hij hare stem in het gesprek nooit zoo week en hartelijk hooren klinken dan heden avond in den tuin van zijn vriend. Vroolijker en spraakzamer dan ooit was zij niet moede geworden zich tot hem te wenden. Daarbij waren langzamerhand zijne bezorgdheid en zielesmart geweken, en eindelijk had hij gevoeld, hoe teedere aandoeningen opnieuw bij hem ontwaakten en zijne eigene geestelijke kracht toenam... Ja, hij meende dat hij aan zijne gedachten nooit schooner en beter uitdrukking had gegeven dan in de laatst verloopen uren. Zij had hem ook haar bijval niet onthouden, had blijmoedig hare instemming betuigd met elk zijner stellingen, en toen hij zich een half uur voor middernacht met haar naar de kranken had begeven, was er eene nieuwe heerlijkehoop in hem ontwaakt. Gelukkig en als betooverd had hij aan haar wensch voldaan om haar te volgen naar hare woonkamer, en dáar, op die plaats...

Arme, bitter teleurgestelde man! Daar zat hij in den donkeren hoek van de ruime studeerkamer, waarin het verstand tot hiertoe het grootste woord had gevoerd en naar de stem van het hart nooit was gevraagd. Hoe hij den weg hierheen had gevonden, dat wist hij zelf niet meer. Dit alleen herinnerde hij zich nog, dat hij, gehoor gevende aan zijn plicht, het huis van een Memphiet was binnengegaan, wiens vrouw, eene moeder van vele kinderen, in den namiddag stervende was; dat hij daar een lijk en vele luid en oprecht weeklagende menschen had gevonden, dat hij met hun en zijn eigen leed in het hart naar huis was gewaggeld en zich daar niet naar zijne vertrekken, maar naar dat van den grijzen vriend had begeven, omdat hij zichzelve niet vertrouwde. Het leven had alle bekoorlijkheid, alle waarde voor hem verloren; doch hij schaamde zich, dat hij door eene vrouw het edelst doel van zijn bestaan zich geheel ontvreemden, door haar zijne blijmoedige stemming verstoren liet, die hij niet missen kon om verder zijn beroep in den zin van zijn vriend Rufinus te vervullen. Hij kende zijn ouden huisgenoot en wist dat deze loog in zijn wonden zou gieten; maar daar had hij vrede mee. De grijsaard had reeds zoo vaak getracht Paulas beeld van zijn hoog voetstuk te werpen en te vernielen, maar altijd te vergeefs, en het zou hem ook heden niet gelukken! Het vurig verlangen, de brandende hartstocht naar haar, die door zijn aderen woelden sedert den nacht waarin hij den woedenden Masdakiet had bedwongen, dat wilde hij te niet doen, in het stof werpen, door alle winden laten verstrooien. De grijsaard daar aan de tafel, wiens strenge en onvriendelijke trekken door de drie lampen zoo helder verlicht werden, was geheel de man om dit werk der vernietiging te volbrengen, en Philippus wachtte op zijne eerste woorden als een zieke op den heelmeester, die het schroeiijzer in het vuur houdt, waarmede hij de wond wil uitbranden.

Arme man, die na deze ontgoocheling de genezing zoozeer behoefde! Daar lag hij op den divan en zag hoe de ander over de schriftrollen hem bespiedde en daarbij heen en weer schoof in zijn leunstoel. Het zwijgen van Philippus verontrustte den oude zichtbaar en de arts zag aan de spichtige wenkbrauwen, die boven de oogen van den grijsaard zich opzetten, dat hij zijn eigen oordeel vormde, dat zeker het ware was. Weldra moest het zwijgen gebroken worden en Philippus verwachtte den aanval. Hij was bereid de grootste moeielijkheid uit den weg te ruimen, maar hoe zou hij over zich kunnen verkrijgen den pijniger zijn werk te verlichten?

Zoo verliep er een geruimen tijd en evenals de arts op de toespraak van den grijsaard, wachtte deze op zijn eerste woord. Doch het ongeduld en de nieuwsgierigheid van den ouden man waren machtiger dan het verlangen van den jongeren naar genezing, en opeens legde deze de schriftrol neder, greep met eene onwillekeurige beweging het ivoren staafje, dat hij zoo even had weggeworpen, gaf aan den zwaren stoel met een voor zijn hoogen leeftijd verwonderlijk krachtigen ruk eene andere richting, keerde Philippus zijn volle gelaat toe en vroeg luide, terwijl hij met het staafje dreigend naar hem wees: »Het besluit van het spel, niet waar? Het einde van een treurspel!”

»Niet geheel, want ik leef nog!” antwoordde de arts.

»Maar het bloedt daarbinnen, en die wond doet pijn,” hernam de oude. Na zich een oogenblik bedacht te hebben ging hij voort: »Wie niet hooren wil moet voelen! Men heeft den vos den haak getoond, maar het lokaas was te verleidelijk. Gisteren was het nog tijd geweest om de kluister van den voet te strijken, men had slechts ernstig te willen, want men was goed onderricht omtrent de gruwzame listen van den jager. Nu is het gebeurd, men heeft geen enkel wapen waarover men te beschikken had ontzien, en nu ligt het wild stom van smart en schaamte, en verwenscht zijne eigene dwaasheid. Men schijnt heden het zwijgen te verkiezen. Wil ik u eens vertellen, hoe dat alles gekomen is?”

»Ik weet het zelf maar al te goed,” antwoordde Philippus.

»Doch ik, ik kan het mij wel voorstellen,” gromde de oude. »Zoo lang die patricische deerne het trekdier noodig had, heeft zij het aangehaald, het gerst en dadels toegeworpen. Nu baadt zij zich in het goud, woont onder een veilig dak, en flap! in eens krijgt de uitgediende beschermer zijn afscheid. Evenals de hemel de zon laat opgaan, wanneer de bleeke maan achter de bergen verdwijnt, zoo stelt deze jonkvrouw, die gebied voert over de harten van ons zwakkelijk en van vrijheid verzadigd geslacht, in de plaats van den armen, langen arts den rijken Adonis uit het stadhouderlijk paleis. Als het anders gebeurd is, heet het mij liegen!”

»Kon ik dat maar!” zuchtte Philippus. »Gij hebt goed gezien, verwonderlijk goed, en toch zoo verkeerd als mogelijk is.”

»Dat klinkt duister,” zeide de grijsaard gelaten. »Maar ik kan ook in den nacht zien. Het feit staat vast, doch gij zijt nog verblind genoeg, om die beweegredenen niet te laten gelden. Overigens verheugt het mij, dat uwe dwaling een zoo ‘gelukkig’ en wat mij betreft een zoo ‘spoedig’ einde heeft genomen; de aanleiding—zooals gewoonlijk eene vrouw—is mij onverschillig geworden. Waarom zou ik haar zonder noodzakelijkheidvan iets ergers verdenken, dan zij gedaan heeft? Alleen om uwentwil zou ik dit gaarne vermijden, want rechtgeaarde zielen hechten zich gaarne aan hen, die zij onrecht zien aandoen. Doch het staat aan u, dacht ik, niet aan mij, om te spreken; ook zonder uw hardnekkig zwijgen weet ik wel dat gij wijsgeer zijt; en wat mij betreft, ondanks mijne tachtig jaren ben ik nog altijd niet vrij van nieuwsgierigheid.”

Toen stond Philippus haastig op en terwijl hij nu eens in het groote vertrek op en neer liep, dan weder voor den ouden vriend staan bleef, vertelde hij hem met vuurroode wangen en levendige gebaren wat hij gehoopt en geleden had, hoe Paula eerst nieuw vertrouwen bij hem gewekt en hem daarna in hare woning ontboden had—om diep ontroerd, verbaasd over zichzelve en toch niet bij machte en ook niet voornemens om de zaligheid te verbergen die haar vervulde, hem in haar hart te laten lezen. Gelijk eene beangstigde ziel voor den priester biecht, zoo had zij hem, haren besten vriend, geopenbaard, wat sedert de begrafenis van den gestorven Mukaukas in haar binnenste was omgegaan, en hoe zij thans overtuigd was dat Orion na zijn zwaren misslag zichzelven had wedergevonden.

»En daarover,” viel de grijsaard hem in de rede, »was zoo groote vreugde in den hemel, dat men niet wachten kon met den afgedankten vrijer de weldaad te bewijzen, om ook daaraan deel te nemen.”

»Veeleer heeft zij mij onder zwaren strijd beleden, wat het hart van haar vordert; ja, ofschoon zij niets dan spot, waarschuwingen, verwijten van mij verwachten kon, heeft zij toch haar binnenste voor mij ontsloten.”

»En waarom, met welk doel?” vroeg de oude met schrille stem. »Wil ik het u eens zeggen? Omdat een vriend altijd nog zoo’n halve minnaar is en de vrouwen ook niet een vierde van zulk een geliefde prijs geven willen.”

»Dat is niet waar!” haastte Philippus zich met afkeuring te zeggen. »Zij heeft het gedaan omdat zij mij hoog schat, mij acht, mij—ik ben niet ijdel—mij als een broeder genegen is, en het niet verdragen kon mijn gevoel voor haar—het zijn hare eigene woorden—ook maar een uur te misleiden. Dat is edel, dat is groot, is harer waardig, en niettegenstaande alles wat in mij is zich daar tegen verzette, zag ik mij toch gedwongen hare oprechtheid, hare trouwe vriendschap, hare zelfverloochening en haar moed in het beheerschen van hare vrouwelijke teergevoeligheid te bewonderen. Neen, val mij nu niet weer in de rede, spot nu niet! Het beteekent niet weinig voor eene trotsche jonkvrouw, die zich van hare waardigheid bewust is, de zwakheid van haar hart zoo bloot te leggen vooreen man, van wien zij weet, dat hij haar bemint, op de wijze als zij dit gedaan heeft. Zij noemde mij haar weldoener, zichzelve mijne zuster, en welke drijfveeren gij, die haar haat om een oud vooroordeel, zonder haar zelfs te kennen, ook aan hare handelwijze wilt toedichten, ik geloof haar en begrijp haar ook. Kon ik anders doen dan de hand aannemen die zij mij bood, toen zij met betraande oogen mij bad haar vriend, haar beschermer, haar kurios te blijven? En toch, toch! Waar zal ik de kracht vinden om niets anders van haar te verlangen, van haar tot wie ik mij door eene brandende hartstocht getrokken gevoel, niets anders dan een vriendelijken blik, een handdruk, een verstandig overwegen van hetgeen ik zeg? Hoe zal ik mijne kalmte, mijne zielsrust, mijne zelfbeheersching bewaren, als ik haar zie in de armen van den schoonen halfgod, dien ik gisteren nog als een nietswaardig jongeling verachtte? Welk ijs kan den gloed verkoelen van dit brandend gemoed? Welke lans doorboort den draak van den hartstocht, die in mij woelt? Dit hart is gekomen tot aan de grenzen van een menschenleeftijd, zonder toch naar de liefde te smachten, waarvan onze dichters zingen. Alleen door hen of door de klacht van een vriend, wiens zwakheid mij leed deed, heb ik zulk een gevoel leeren kennen, en thans, nu de liefde mij zoo laat met al hare onbedwingbare macht overvalt, aan zich onderwerpt en mij in ketenen slaat, hoe kan ik mij van haar bevrijden? Hier, trouwe man, die mij als uw zoon beschouwt, van wien ik het gaarne hoor, als gij mij ‘knaap’ en ‘kind’ noemt, die de plaats bekleedt van mijn vroeg gestorven vader, hier blijft mij niets anders over dan u en deze stad te verlaten, hare nabijheid te ontvluchten, een nieuw verblijf voor mij te zoeken, ver van haar met wie ik zoo gelukkig zou hebben kunnen zijn als de zaligen in het paradijs, en die mij nu nog ellendiger heeft gemaakt als de verdoemden in het eeuwige vuur! Ik wil, ik moet van hier als gij, die zooveel vermoogt, mij niet leert dezen hartstocht te dooden, of dien te veranderen in eene koele, broederlijke vriendschap.”

Philippus, die vlak bij den ouden man was blijven staan, sloeg de handen voor het aangezicht, doch Horus was bij de laatste woorden van zijn geliefden leerling met jeugdige kracht opgerezen. Met een stevigen ruk trok hij diens rechterhand van het gelaat, en zeide driftig en buiten zichzelven van verontwaardiging en groote bezorgdheid: »En zegt ge mij dat in ernst? Zijt gij, verstandige man, zoo diep in de dwaasheid verzonken? Is het u niet genoeg, uw eigen geluk om deze—hoe zal ik haar noemen—verspeeld, verslingerd te hebben? Begrijpt gij dan nu eindelijk waarom ik u voor dat patriciërgebroed gewaarschuwd heb? Trouw, dankbaarheid, de liefde vaneen degelijk man—wat vraagt zij daarnaar? Werp dien katvisch van den haak, smijt hem in het zand! Daar komt reeds de vette wentelaar1aangezwommen, die zal wel bijten! Wilt gij aan haar en dien ellendigen stadhoudersjongen ook het heil en de hoop der laatste jaren van een grijsaard opofferen, die zich gewend heeft u, die zulks verdient, als zijn eigen zoonlief tehebben? Wilt gij, flinke arbeider, gij man met zulk een krachtigen geest, zoo vol ijver in het vervullen van uw plicht, in wien de goden een welgevallen hebben, wilt gij als een verlaten meisje wegloopen, van de Leukadische rots springen als de door liefde verteerde Sappho op het theater, waarover de toeschouwers zitten te schudden van het lachen? Gij blijft, knaap, gij blijft! En ik, ik zal u toonen hoe een man den hartstocht onder bedwang krijgt, die hem onteert!”

»Toon het mij,” antwoordde Philippus met zachte stem. »Ik verlang niets beters. Meent gij, dat ikzelf mij niet zou schamen over mijne zwakheid? Zij staat mij toch slecht genoeg, mij vooral, wien het lot eer tot alle andere dingen bestemd heeft dan tot een zuchtend minnaar en dweper. Strijden wil ik, worstelen met al de kracht mijner ziel; maar hier, hier in Memphis, hier in de nabijheid, als haar kurios, ben ik dagelijks gedwongen haar weer te zien, moet ik dag aan dag nieuwe smadelijke nederlagen lijden. Hier, altijd in hare nabijheid, put de strijd mij uit, zie ik mijzelven ondergaan naar lichaam en ziel. Op dezelfde plaats, in dezelfde stad is er geen ruimte voor ons beiden.”

»Dan moet zij het zijn,” riep de oude met schelle stem, »die plaats maakt voor u.”

Hierop richtte Philippus het gebogen hoofd omhoog en vroeg verrast en op streng afkeurenden toon: »Wat bedoelt gij hiermede?”

»Niets,” antwoordde de ander onverschillig, terwijl hij de schouders ophaalde. Daarna ging hij vergoelijkend voort:»Memphis heeft in elk geval van u meer nut te verwachten, dan van die patricische deerne.” Vervolgens schudde hij zijne leden, alsof hij het koud had, sloeg met de hand op de borst en zeide: »Hier binnen is alles in oproer, en ik kan thans helpen noch raden.Weldrabegint het in het oosten te schemeren; wij willen trachten wat te slapen. In den zonneschijn kan men knoopen loswikkelen, die bij lamplicht niet te ontwarren schijnen, en misschien toont de godin mij, terwijl ik slapeloos op mijne legerstede lig, den weg, dien ik zoo straks beloofde u te zullen wijzen. Een weinig meer luchthartigheid zou ons beiden niet schaden. Tracht uw eigen leed te vergeten door te denkenaan dat van anderen; daarvan leert gij alle dagen genoeg kennen. Het zou niet veel baten of ik u al een goeden nacht wenschte, maar moge hij u wat tot kalmte brengen! Op mijne hulp kunt gij staat maken; maar van weggaan, vluchten of iets dergelijks, daarvan zult ge mij, arme man, niets meer laten hooren, niet waar? Neen, neen, dat—ik ken u genoeg Philippus—dat leed doet gij uw eenzamen vriend niet aan!”

Deze laatste woorden waren de teederste, die de arts ooit uit den mond van den grijsaard vernomen had, en het deed hem goed toen deze hem een oogenblik omarmde en aan zijn hart drukte. Aan zijn woord: dat het aan Paula stond om plaats te maken, dacht Philippus niet verder; doch de oude man scheen het toch zeer ernstig gemeend te hebben, want zoodra hij alleen was, wierp hij het ivoren staafje weder heftig op tafel en prevelde met fonkelende oogen, eerst in toorn en dan spottend: »Om dit trouwe hart, dezen besten aller arbeiders voor mij en de wereld te behouden, zou ik een dozijn van die volbloed deernen naar de Amenthe2willen sturen. Ei, ei, gij schoonste der schoonen, de brave arts is voor ons te slecht, en men smijt hem weg als de pit van een dadel, dien men opgegeten heeft? Een ieder naar zijn smaak! Maar hoe zou het zijn, als de oude Horus u eens dwong hem te leeren hoogschatten? Geduld, geduld! Met het doel voor oogen is het mij nog altijd gelukt den weg te vinden; op het veld der wetenschap, meen ik natuurlijk. Doch het leven, wat is het leven van den wijze anders dan toegepaste wetenschap? Waarom zou de oude Horus niet nog eens vóor zijn einde beproeven, wat zijn geest vermag uit te richten op de markt van het leven der werkelijkheid? Hoe goed of het u ook bij uw liefje in Memphis bevalt, gij breekster der harten, gij zult toch plaats moeten ruimen voor den armen weggegooiden speelbal! Ja, dat zult ge! Reken er op, mijne lieveling, dat zult ge!—Heidaar Anubis!”

Bij deze woorden gaf hij den slaaf, die onder de tafel rustig was blijven doorslapen, een schop met zijn naakten voet, en terwijl deze zijn meester voorlichtte naar het slaapvertrek en hem daar, bij zijne zorgvuldige en langdurige wasschingen behulpzaam was, hield de grijsaard niet op afgebroken volzinnen te prevelen, nu eens verwenschingen uit te stooten en dan weer in ondeugend gelach uit te barsten.

EINDE VAN HET EERSTE DEEL.

1Nijlmeerval, eene smakelijke visch.2De onderwereld der oude Egyptenaren.

1Nijlmeerval, eene smakelijke visch.

2De onderwereld der oude Egyptenaren.


Back to IndexNext