ZEVENDE HOOFDSTUK.

ZEVENDE HOOFDSTUK.Inwendig diep beleedigd, viel Orion te huis gekomen op den divan neder. Zij had gezegd, dat haar hart hem toebehoorde, doch wat was dat voor een armzalige, koele liefde, die niets vergunde voor zij zich van alle zijden verzekerd zag! En hoe had Paula aan eene derde kunnen toestaan, om zich te plaatsen tusschen hen beiden, en haar handelingen en gevoelens te besturen? Wat tusschen hen was voorgevallen, moest zij aan die derde verraden hebben. Voor deze hem vijandig gezinde Melchietische non wilde, zou hij... het was om zijn verstand te verliezen....Doch hij kon niet terug, hij had zich tegenover den waardigen grijsaard en tegenover haar tot dit onzinnig avontuur verplicht. In plaats van de edele, trotsche beheerscheres van zijn gansche wezen zag hij in zijne verbeelding thans eene in tranen badende, onzelfstandige, koelhartige vrouw.Daar lagen de kaarten en plannen, die hij zich door Nilus op zijn kamer had laten brengen, om ze te bestudeeren voor de taak, die de edele Amr hem had opgedragen, en toen zijn blik er op viel, sloeg hij met zijn vuist tegen den wand, sprong hij op en liep als een bezetene in dezelfde kamer op en neer, die door haar stil leven was gewijd. Daar stond nog hare luit, die hijzelf opnieuw besnaard en gestemd had. Om wat tot rust te komen, nam hij die op, greep naar het plectrum en begon te spelen. Doch het instrument was slecht, zij had zich met een armzalig ding tevreden gesteld. Hij wierp het op het rustbed en nam zijn eigen speeltuig ter hand, een geschenk van Heliodora. Hoe verstond zij de kunst om aan deze luit schoone en weeke tonen te ontlokken! Ook nu gaven hare snaren een heerlijken klank, langzamerhand begon hij er behagen in te scheppen, en de muziek bracht, gelijk zoo vaak gebeurt, zijn onstuimig gemoed tot rust. Gevoelvol en roerend klonk zijn spel, doch menigmaal greep hij zoo heftig in de snaren, dat hun geweldigtrillen en ruischen deed denken aan de weeklachten en kreten van eene vertwijfelende ziel.Daar sprong opeens, te midden van dit hartstochtelijk spel, met dreunenden knal de kam op den bodem der luit, en op hetzelfde oogenblik opende de secretaris, die hem in de hoofdstad vergezeld had, in vroolijke opgewondenheid de deur en riep hem reeds op den drempel toe: »Heer, denk eens aan! Daar komt een bode uit de herberg van Sostratus en brengt u dit tafeltje over, het is open en ik heb het gelezen. Begrijp eens, het is nauwelijks te gelooven! De senator Justinus met zijne edele gemalin, de aanzienlijke matrone Martina, zij zijn hier, hier te Memphis, en zij laten u uitnoodigen om hen te bezoeken, ten einde gewichtige dingen met hen te bespreken. Heden nacht zijn zij aangekomen, zeide de bode, en nu... Welk eene vreugde! Wat hebt gij niet in hun paleis genoten! Kunnen wij hen in de herberg laten? Zoolang er nog gastvrijheid in de wereld is, zou dit zonde zijn!”»Onmogelijk, volstrekt onmogelijk!” zeide Orion, die de luit uit de hand had geworpen en nu zelf het tafeltje bekeek. »Waarachtig hij is het, zijn eigen handschrift! En juist die twee, die zoo moeielijk te bewegen waren om zich te verplaatsen, zijn in Egypte, hier te Memphis! Bij Zeus”—zoo zwoeren de christelijke jongelieden van hooger stand te Alexandrië en Konstantinopel nog altijd—»bij Zeus, ik ben hun verschuldigd ze hier als vorsten te ontvangen! Wacht! Gij zegt natuurlijk aan den bode, dat ik terstond zal komen, en laat het nieuwe Pannonische vierspan voor den zilveren wagen zetten. Ik ga naar mijne moeder, doch dat kan nog wachten. Gij beveelt Sebek terstond de gastenverdieping, vanwaar de kranken nu gelukkig verdwenen zijn, voor de aanzienlijke gasten in orde te laten brengen. Mijne tegenwoordige kamer worde er bij genomen en ik ga naar mijn vroeger verblijf terug. Zij hebben zeker een groot gevolg. Twintig, dertig slaven moeten aan het werk, want op zijn langst binnen twee uren moet alles gereed zijn. De beide zalen moeten bijzonder fraai gemeubeld worden. Wat er ook ontbreekt, Sebek kan zonder bedenking over alles beschikken, wat in het stadhouderlijk paleis is. Justinus hier in Egypte!—Doch maak nu voort! Neen wacht even, hier neem die geschriften en plannen,—of neen, zij zijn te zwaar voor u. Overhandig ze aan een slaaf en laat ze naar Rufinus brengen, die ze bewaren moet tot ik kom. Zeg hem, dat ik er onderweg gebruik van wilde maken; dan weet hij het wel.”De secretaris vloog de kamer uit, en Orion liet zich snel de haren ordenen en zijn treurgewaad in nieuwe plooien leggen, waarop hij zich naar zijne moeder begaf. Zij had dikwijls enveel van de hartelijke ontvangst gehoord, die haar zoon en in vroegeren tijd haar gestorven echtgenoot in het huis van den senator ten deel was gevallen, en zij vond dus dat het vanzelf sprak de zoogenaamde gastenverdieping, waartoe ook Paulas gewezen kamer behoorde, voor de reizigers in te ruimen; doch zijzelve verlangde beschouwd te worden als te zeer lijdende, om zich met de gasten bezig te houden. Zij gaf vervolgens Orion den raad om zijne reis te verschuiven, ten einde zich geheel aan de vrienden te kunnen wijden; hij verklaarde echter, dat hij zich door hen niet kon laten terughouden. Men kon zich geheel verlaten op Sebek en de overste-huishoudster, en de keizer zelf ontsloeg een kranke van de verplichtingen eener gastvrouw. Zij zou evenwel het edele paar wel toestaan, haar hunne opwachting te maken, doch ook dit sloeg vrouw Neforis af, het was voldoende als de gasten dagelijks in haar naam en met hare groete uitgelezen vruchten en bloemen en ten laatste kostelijke geschenken ontvingen.Orion oordeelde dit plan harer waardig en weldra rende hij met zijne Pannoniërs den hof uit. Bij de haven ontmoette hij den kapitein van het schip dat hij gehuurd had, hield hem haastig twee vingers voor en deze gaf door herhaald hoofdknikken te kennen, dat hij de beteekenis van dezen wenk: »twee uren voor middernacht wordt gij verwacht,” verstaan had. Het zien van den door de zon verbranden schipper en het vooruitzicht voorname vrienden hunne goedheid te kunnen vergelden, wekte hem weder op, en hoezeer het hem leed deed juist deze gasten te moeten verlaten, zoo begonnen de gevaren die hem wachtten toch weder zijne zenuwen te prikkelen. Het zou hem niet zwaar vallen de abdis onderweg voor zich te winnen, en Paula zou hij misschien heden avond nog tot rede brengen. Justinus en zijne vrouw waren ook Melchieten, en hij wist dat zij, die hij hoogschatte, met zijn plan zeker ingenomen zouden zijn, als hij hen in zijn vertrouwen nam.De herberg van Sostratus, een verbazend groot, vierkant gebouw, dat een ruimen hof omsloot, was de voornaamste en grootste van de stad. De oostzijde was naar de straat en den Nijl gekeerd en bevatte de beste vertrekken van het huis, die de senator met zijne gemalin en die hem vergezelden sedert den afgeloopen nacht bewoonden. Het geratel van het vierspan lokte Justinus naar het venster, en zoodra hij Orion herkende, zwaaide hij met een tafellaken, dat hij dadelijk had gegrepen, in de straat, riep hem een vroolijk »welkom” toe, en ging daarna snel in het vertrek terug.»Daar is hij,” zeide hij tot zijne gade, die slechts met de noodzakelijkste kleedingstukken bedekt op een rustbed lag, zichdoor een knaap wat koelte toe liet waaien, en van tijd tot tijd een beker met vruchtensap aan de droge lippen bracht.»Wel komaan, dat is goed!” antwoordde de matrone en beval hare kamenier zoo spoedig mogelijk een overkleed, maar het dunste dat zij vinden kon, te brengen. Vervolgens richtte zij zich tot een zeer lieftallig vrouwelijk wezen, dat reeds bij den eersten roep van Justinus van den divan was opgesprongen, en vroeg: »Wilt gij, dat hij u hier dadelijk zal vinden, mijn hartje, of laat gij ons liever eerst met hem spreken en hem vertellen, dat wij u hebben medegetroond?”»Dat zal wel het beste zijn,” antwoordde zij tot wie de vraag werd gericht, met eene welluidende stem. Zij haalde diep adem, alvorens zij angstvallig vervolgde: »Wat zal hij nu van mij denken? Men wordt oud, maar die dwaasheid, die dwaasheid...”»Neemt toe!” zeide de matrone lachende,»of wordt zij met de jaren minder? Doch daar zal hij reeds zijn.”De jonge vrouw vloog naar eene zijdeur, waarachter zij verdween. Vrouw Martina zag haar na, en terwijl zij met den vinger haar gemaal in de richting wees, zeide zij: »Zij laat de deur op een kiertje staan. Lieve God, bij deze hitte ook nog verliefd zijn, eene griezelige gedachte!”Daar ging de deur open en nu volgde eene allerhartelijkste begroeting. Men kon het den jonkman en dit bejaarde paar aanzien, dat zij zich innig verheugden over dit wederzien.Toen Justinus Orion omarmde riep de matrone: »Mij ook een kus!” en nadat de jonkman spoedig en blijde aan haar wensch had voldaan, klaagde zij zuchtende: »O mensch, o menschenkind, groote Sesostris! Hoe is uw beroemde voorvader in staat geweest onder zulk eene zon groote dingen tot stand te brengen! Wat mij betreft, ik verga, ik smelt hier als boter; doch wat doet men al niet voor die men liefheeft!—Maar Syra, Syra! Om godswil nog zoo’n kleinigheid, dat er als een kleedingstuk uitziet. Hoe verstandig zijn toch de modes der Afrikaansche boeren, die wij onderweg meermalen hebben ontmoet! Wanneer zij een doekje dragen van een vinger of drie breed, dan meenen zij al zeer net aangekleed te zijn.—Maar ga nu zitten, zitten hier aan mijne voeten! Een stoel voor den heer, Argos, dan wat wijn, en het water in zulk eene vochtige, aarden kruik, en zoo koel als straks. Manlief, ik vind dat de jongen er nog aardiger uitziet. Maar lieve God, dat rouwgewaad! Hoe treurig staat het hem! Arme, arme jongen; wij hebben het reeds te Alexandrië gehoord!”Zij droogde daarbij hare oogen af en tegelijk de zweetpaarlen op haar voorhoofd, en haar gemaal voegde de betuiging van zijne deelneming over den dood van den Mukaukas bij de hare.Het was een aangenaam, vroolijk paar, die Justinus met zijne Martina: twee menschen, die zich zoo recht te huis gevoelden in hun grooten, door erfenis verkregen welstand, en die, ofschoon van hooge geboorte, nooit met hun adeldom te koop behoefden te loopen, daar hun die in de oogen van groot en klein toekwam. Zij hadden zich het recht veroverd, om in de stijve vormen van de deftigste gezelschappen natuurlijke menschen te blijven, en wie den vrijen toon van hun huis niet beviel, die konden wegblijven. Hij, zonder eerzucht, senator ingevolge zijne bezitting en zijn naam, was er steeds op bedacht van deze schijnbare waardigheid nooit een ander gebruik te maken, dan om bevoorrechte dienaars van het huis betrekkingen of de zijnen bij feestelijke gelegenheden goede plaatsen te bezorgen, en toonde zich overigens een gastvrij heer, een vriend zijner vrienden, die even gaarne prettig leefde als leven liet. Martina was eene doodgoede matrone, die nooit aanspraak had gemaakt op schoonheid, maar om wier hand toch velen hadden gedongen. Sedert lang vond dit echtpaar het nergens heerlijker dan in de hoofdstad of op hunne villa aan den Bosphorus, en het versmaadde daarom het genot van andere voorname en rijke personen, om baden te bezoeken of nu en dan op reis te gaan. Zij vonden er hun genoegen in het goede vrienden in hun huis aangenaam te maken; en aan de zoodanigen was nooit gebrek, vooral ook omdat zij, die aan het Byzantijnsche hof den rug moede hadden gebogen, in hun ongedwongen kring bijzonder behagen schepten.De jeugd koos Martina gaarne tot haar vertrouwde en ook Heliodora, de weduwe van haar eigen neef, was met haar harteleed tot haar gekomen; zij toch had Orion in hun huis leeren kennen. Heliodora was de lieveling van het oude paar, maar hoog, hooger dan zij, stond in beider achting de jongere broeder van haar gestorven gemaal. Deze was bestemd geweest hun erfgenaam te worden, doch zij hadden hem twee jaren lang beweend, daar de tijding tot hen gekomen was, dat Narses die als tribuun onder de keizerlijke ruiters had gestaan, in den strijd tegen de ongeloovigen was gevallen. Intusschen was niemand in staat nadere zekerheid te geven van zijn dood, tot hunne onvermoeide nasporingen aan het licht hadden gebracht, dat hij door de Saracenen gevangen was genomen, en in Arabië als slaaf diende. Door Orion en zijn gestorven vader hadden zij de bevestiging van deze tijding en weinige uren na de afreis van den jongen Egyptenaar een met bevende hand geschreven brief van den verlorene ontvangen, waarin hij hun smeekte zijne verlossing door Amr, den stadhouder van Egypte, te bewerken. Het bejaarde paar was nu op reis gegaan en Heliodorahad het hare er toe bijgebracht om hen tot dezen stap te bewegen. Haar verlangen naar Orion, wien zij een vol jaar had toebehoord met al de toewijding van een teeder gemoed, was sedert zijn vertrek van uur tot uur toegenomen, en zij had dit der matrone niet verheeld. Deze hield het weder voor haar plicht het arme, minzieke kind bij te staan, wantHeliodorahad haar echtgenoot, den neef van den senator, tot aan zijn einde met roerende trouw en zorgvuldigheid verpleegd, en bovendien was zij, Martina, het geweest, die den jongen Egyptenaar, die »het haar gedaan had,” de gelegenheid had aangeboden om de jonge weduwe te ontmoeten. Die twee wáren immers voor elkander geschapen, en te koppelen was haar grootste genot. Maar in dit geval hadden alleen de harten, niet de handen elkander gevonden, en het was voor Martina eindelijk zeer pijnlijk geworden, als zij Orion en Heliodora door de geheele wereld en met alle recht een verloofd paar hoorde noemen.Eens had zij den jongen Egyptenaar op hare innemende manier recht ernstig aangesproken en ten antwoord ontvangen, dat zijn vader, een Jacobiet, hem nooit zou vergunnen met eene vrouw van eene andere geloofsbelijdenis te huwen. Daar had zij toen weinig tegen kunnen inbrengen; doch zij had vaak gedacht, als ik Heliodora maar eens aan den ouden Mukaukas voorstellen kon, dan zou hij, dien zij jaren geleden in de hoofdstad had gekend als de schoone jonge vriend van aanminnige vrouwen, zijn tegenstand wel hebben opgegeven. Haar lieveling bezat inderdaad alles, wat in een vaderhart de oprechte wensch kon doen opkomen haar met zijn zoon te verbinden. Zij was van goeden huize, de weduwe van een aanzienlijk man, rijk, pas twee-en-twintig jaren oud, en bezat eene schoonheid, die oud en jong in verrukking moest brengen. Martina meende geen lieftalliger, zachter schepseltje te kennen. Hare groote, smachtende oogen, ze noemde ze »biddende”, moesten een steen vermurwen, en haar blond, licht golvend haar was zoo zacht als haar gemoed. Daarbij kwam hare gevulde, buigzame gestalte, en de wijze waarop zij zich wist te kleeden, te zingen en de luit te tokkelen! Niet zonder reden trachtte al wat jong en voornaam was te Konstantinopel hare gunst te verwerven. Kon de oude Mukaukas haar maar eens hooren lachen! Er was niets vroolijkers te bedenken dan dit gelach, dat helderder klonk dan eene klok. Zij stond in geestes-ontwikkeling nu juist niet bijzonder hoog, maar evenmin kon men haar onnoozel noemen. Al te verstandige vrouwen vielen niet altijd in den smaak van iedereen.Toen tot de reis naar Egypte besloten werd, stond het van te voren bij Martina vast, Heliodora mede te nemen en inMemphis de plagerij, die hare lieveling op ieders tong had gebracht, tot ernst te doen worden. Toen zij nu te Alexandrië vernam, dat de Mukaukas Georg inmiddels gestorven was, hield zij het spel voor gewonnen. En nu waren zij te Memphis, nu zat Orion voor haar en nu noodigde de jonge man haar en haar geheele gevolg dat uit een twintigtal personen bestond, bij zich in zijn huis. Het sprak vanzelf dat de reizigers aan dezen eisch van het gastrecht gaarne gevolg gaven, en er werden terstond toebereidselen gemaakt tot de verhuizing.Justinus vertelde wat hem bewogen had naar Egypte te gaan en verzocht Orion om zijne hulp. De jonkman had den neef des senators als een derschitterendsteen beminnenswaardigste jongelieden in de hoofdstad gekend, en het deed hem oprecht leed, de vrienden te moeten mededeelen dat de man, die de bevrijding van den gevangene gemakkelijk bewerken kon, overmorgen naar Medina dacht te vertrekken, terwijl hijzelf zich gedwongen zag nog hedenavond voor onbepaalden tijd op reis te gaan. Hij bemerkte, hoe deze zeer stellig uitgesprokene verzekering het oude paar teleurstelde en bedroefde, en op aandringen van den senator deelde hij hem en zijne gemalin onder het zegel der gestrengste geheimhouding mede, wat hem van hier riep en welk een gevaarlijk waagstuk hij op zich had genomen te volbrengen. Hij had zijn verhaal begonnen in de overtuiging, dat zijne orthodoxe gasten er mede ingenomen zouden zijn, maar tot zijne verbazing keurden beiden zijn voornemen af, en dat, gelijk zij verzekerden, niet alleen om hun zelven en de hulp die zij van hem verwachtten.De senator maakte hem opmerkzaam, dat hij het natuurlijk hoofd was der Egyptische bevolking van zijn vaderland en dat hij door zulk een onderneming zijn gezag ondermijnde bij hen, wier leiding hem toekwam als de zoon van zijn vader. Zijne eerzucht moest hem voorschrijven naar die leiding te streven, en in plaats van den patriarch door zulk een avontuur in het aangezicht te slaan, was het zijn plicht, hand aan hand met den prelaat, wiens macht hij veel te gering schatte, zijne geloofsgenooten een dragelijk bestaan te bezorgen in dit door de muzelmannen veroverde land.Paulasnaam werd in dit gesprek niet genoemd, doch Orion dacht aan haar en bleef standvastig bij zijn besluit, ofschoon eene stem in zijn binnenste zich er heftig tegen verzette. Om echter de vrienden te toonen hoeveel er hem aan gelegen was hun welgevallig te zijn, sloeg hij hun voor terstond met Justinus den stroom over te gaan en zijne zaak den stadhouder Amr voor te dragen. Een blik naar buiten deed hem zien, dat er voor zonsondergang nog ongeveer anderhalf uur moest verloopen.De rit met zijn snelvoetige Pannonische rossen behoefde niet meer tijd in beslag te nemen, en gedurende zijne afwezigheid met Justinus kon de verhuizing plaats hebben. Reeds hielden vrachtwagens uit het stadhouderlijk paleis voor de herberg stil, en andere wagens waren later besteld, om de lieve gasten naar hun nieuw verblijf te brengen.De senator nam den voorslag van den jongeling aan, en terwijl beide mannen zich verwijderden, riep mevrouw Martina Orion achterna: »Mijn senator zal u onderweg wel bewerken, en wanneer gij zijn verstandig voorstel aanneemt, ontvangt gij daarna eene schoone belooning. De goudtalenten niet ontzien, oudje, tot de veldheer belooft voor de bevrijding van den jongen te zullen zorgen.—Luister naar mij, Orion, en laat die dwaze streek varen.”De zonneschijf was nog niet geheel achter de Lybische bergen verdwenen, toen het snuivende met wit schuim bedekte vierspan het stadhouderlijk hof weder binnenreed. De mannen hadden helaas niets uitgericht, want Amr hield eene wapenschouwing over de troepen tusschen Heliopolis en Oniou en werd eerst in den nacht of morgen vroeg terug verwacht. De verhuizing uit de herberg was afgeloopen, en men zag de blanke slaven van het senatorspaar reeds tusschen de bruine en zwarte van het stadhouderlijk huis. Vrouw Martina was in verrukking over haar nieuw verblijf, en over de prachtige haar ten deele onbekende bloemen, waarmede de lijdende huisvrouw de beide groote ontvangzalen als een welkomstgroet had laten opsieren, doch het mislukte bezoek in Fostat viel als honingdauw op hunne vroolijke stemming.Orion, zeide zij, moest dit ongelukkig gesternte als een godsoordeel beschouwen. De hemel zelf verlangde, dat hij zijn avontuur zou opgeven en zich tevreden stellen met de voorbereiding van dat edele werk, dat ook zonder hem uitvoerbaar was, om een ander werk, waarbij zijne hulp dringend noodig was, alleen uit vriendschap ten einde te brengen. Hij echter gaf opnieuw zijn leedwezen te kennen, dat hij ondanks alles zich moest vasthouden aan zijn genomen besluit, en als Martina hem vroeg: »Ook wanneer mijn geschenk u bij uitnemendheid welgevallig is,” antwoordde hij met een droevig hoofdknikje, als wilde hij zeggen, »helaas, ook dan!”»Dat zullen we zien,” hernam zij op luchtigen toon, waarna zij met ernst vervolgde: »Ieder mensch heeft iets eigenaardigs, wat zijn bijzonder karakter uitmaakt en wat hemgoed staat: zoo hebt gij uw beminnenswaardig voorkomen, mijn zoon! Maar zoo vast op éen stuk te blijven staan, dat past niet voor u, dat staat u zoo vreemd, en is juist het tegendeel van hetgeen ik bij u beminnenswaardig noem. Wees u zelf, ook in dit geval!”»Dat wil dus zeggen, zwak en bereid om in te willigen, inzonderheid wanneer goedhartige vrouwen...”»Als oude vrienden u smeeken,” verbeterde zij snel; doch voor zij verder ging, wendde zij zich tot haar gemaal en zeide: »Lieve God, man, kom eens hier aan het venster! Hebt gij ooit zulk een gloed van purper en goud aan den hemel gezien? Het is waarlijk als stonden die oude pyramiden en geheel Egypte in vlammen. Maar nu, groote Sesostris”—zoo noemde zij Orion, als zij goed in haar humeur was—»nu is de tijd gekomen, om u te laten zien wat ik voor u heb medegebracht. Eerst deze ring,” en daarbij overhandigde zij hem een kostbaren armring, met gesneden steenen van oud-Griekschen arbeid bezet, »en dan—neen, neen, nog geen dank—en dan... Het ding is nogal groot, en bovendien... Volg mij maar.” Met deze woorden liep zij uit de ontvangzaal naar het voorvertrek, ging hem tot aan de deur van de kamer vooruit, die eerst Paula en toen hemzelven gehuisvest had, opende die even, wenkte hem binnen te gaan, en schoof Orion met een vluchtig: »Ziedaar, daar hebt gij het” over den drempel.Heliodora stond dicht bij het venster. De lichte weerschijn van de ondergaande zon omscheen hare slanke en toch gevulde lenige gestalte; hare smeekende oogen zagen hem met eerbiedige bewondering aan, en de over de borst gekruiste blanke armen gaven haar het aanzien van eene heilige, die met smachtend verlangen, in het vooruitzicht van onuitsprekelijke zaligheid, deemoedig een wonder wacht.Ook vrouw Martinas oogen waren op hem gevestigd en zag, hoe hij bij den aanblik der jonge vrouw doodsbleek werd, hoe hij door een zeker, zij wist niet welk, gevoel aangegrepen hevig verschrikte en voor de met een krans van licht omgevene gestalte daar aan het venster terugtrad. Zulk een uitwerking had de goede matrone niet van deze verrassing verwacht. Behalve op het theater kon zij zich niet herinneren ooit een man gezien te hebben, die zoo door de liefde werd aangegrepen, want zij vermoedde niet dat het hem was als had zich plotseling een gapende afgrond voor zijne voeten geopend. Met eene behendigheid, die niemand van de matrone met haar zwaar, dik lichaam verwacht had, keerde vrouw Martina daarop haastig naar haar man terug, en riep hem reeds van den drempel toe: »Alles is goed, alles is in orde! Bij haar aanblik was het, als had de bliksem hem getroffen. Let op—daar wordt hier aan den Nijl nog bruiloft gevierd.”»Mijn zegen erop,” antwoordde de senator, »maar bruiloft of geen bruiloft, als zij dien kostelijken jongen maar zoo van de wijs brengt, dat hij dit dolle avontuur uit zijn hoofd zet. Ikheb gezien dat ook die bruine kerels bij de Arabieren voor hem ter aarde buigen, en zoo iemand, dan overreedt hij den stadhouder voor Narses het zijne te doen. Hij mag, neen, hij mag niet weg! Gij hebt Heliodora toch op het hart gedrukt....”»Dat zij hem vasthoudt?” zeide de matrone lachende. Ik zeg u, zij nagelt hem hier vast, als het zijn moet.”»Nu dat is goed!” hernam Justinus. »Maar vrouw, het past toch inderdaad niet, dat gij hen zoo aan elkaar opdringt, zou men kunnen zeggen. Eigenlijk zijt gij toch zoowat haar vrouwelijke mentor, hare moederlijke patrones.”»Lieve hemel!” antwoordde Martina. »In ons huis hebben zij ook geene getuigen genoodigd bij hunne samenkomsten. Eerst moet dat arme, verliefde volkje zich toch uitspreken en zich verblijden over het wederzien! Daarna kom ik wel tusschenbeide en dan ben ik weer in allen ernst de bezorgde moederlijke vriendin. Tinus, Tinus! Als het hier nog tot eene bruiloft komt, God weet of ik dan nog niet barrevoets eene bedevaart doe naar de heilige Agathe.”»En ik slechts op één schoen!” verzekerde de senator, »want—alles wat betamelijk is—dat gebabbel over Dora ging ten laatste de grenzen te buiten. Het ging niet langer, om die twee te zamen bij ons te zien. Maar nu... neen in ernst! Ga nu naar hen toe....”»Dadelijk, dadelijk!” antwoordde de matrone. »Maar eerst nog even hier aan het venster! O die zon! Ja, nu is het te laat. Nog geen twee minuten geleden zag de gansche hemel er uit als mijne roode Syrische mantel. Nu ligt daaronder alles in het duister. Het huis, de tuin zijn mooi, en alles is oud en degelijk: juist zoo heb ik mij de bezitting van den rijken Mukaukas gedacht.”»Ik ook,” hernam Justinus. »Maar nu zult gij gaan! Worden zij het eens, dan mag Dora van geluk spreken.”»Dat zou ik meenen!” zeide vrouw Martina. »Maar hare villa behoeft zij ook niet weg te stoppen, en daar zullen zij elken zomer wonen, dat zal ik doorzetten. Wanneer die arme, beste jongen, Narses, er het leven niet af brengt—want twee jaren als slaaf te dienen, dat wil wat zeggen—dan zou ik in staat zijn....”»Het testament te veranderen? Dit is zoo kwaad niet: doch daarmede hebben we den tijd, nu moet ge terstond gaan!”»Dadelijk, dadelijk! Men moet toch kunnen uitspreken. Ik voor mij zou niemand weten, dien ik liever in de plaats van Narses stelde....”»Als Orion en Dora? Nu, mij goed, maar thans...”»Misschien is het zondig zich een levende reeds onder de dooden te denken... De arme jongen mag in geen geval naar zijne ruiterij teruggezonden worden.”»In geen geval; maar Martina...”»Morgen zal Orion den Arabier onze zaak eens na aan het hart leggen...”»Als hij maar hier blijft!”»Willen we wedden dat zij hem vasthoudt?”»Dan zou ik wel een gek zijn!” zeide de senator lachend. »Krijg ik ooit iets van u als ik win? Maar thans, alle scherts ter zijde, thans gaat ge, om naar beiden te zien!”Ditmaal volgde de matrone het bevel van haar gemaal, en zij had de weddenschap gewonnen, want waartoe Orion noch door den brief van zijne schoonzuster, noch door de vermanende stem van zijn kinderlijk geloof, noch door de trouwhartige waarschuwing van den eerlijken beambte, noch door de overtuigende beweegredenen van den senator te brengen was geweest, daartoe had de zoete vleierij van Heliodora hem verleid.Hoe was de liefde in haar hart ontvlamd, toen zij had bemerkt dat haar aanblik hem zoo diep had geschokt; met welk een roerende hartelijkheid was zij in zijne armen gezonken; hoe ootmoedig en als verteerd door zoete smart en zalige vreugde was zij neergegleden aan zijne voeten, had zij zijne knieën omvat en hem met betraande, van dweepende vereering sprekende oogen gebeden haar heden niet te verlaten, ten minste nog tot morgen te blijven, om haar dan, als hij wilde, in het stof te vertreden. Nu, juist nu, van hem te scheiden, terwijl zij door smart en innig verlangen opgewonden, hem had weergevonden, om zich te zien prijsgeven aan een onzeker lot, dat zou haar einde, dat zou zeker haar dood zijn. En toen hij zich desniettemin trachtte te verzetten, was zij hem om den hals gevlogen, had zij zijn mond met brandende kussen gesloten en hem allerlei vleiende namen in het oor gefluisterd, die hem eens zoo dierbaar waren geweest.Waarom had hij nooit ernstig beproefd haar tot de zijne te maken, waarom haar zoo snel vergeten? Omdat zij, die tegenover anderen hare waardigheid streng wist te bewaren, zich aan hem na enkele ontmoetingen zonder weerstand had overgegeven, als ware zij bedwelmd door eene magische betoovering. De licht verworven kostelijke buit was hem weldra toegeschenen van minder waarde te zijn. Maar heden deed juist dat zijn liefdegloed ontvlammen, wat hem toen had afgekoeld. Zoo wilde, zoo moest hij bemind worden, met geheele overgave, met een hart dat enkel aan hem en niet aan zichzelve dacht, dat voor vurige liefde niet anders vroeg dan liefde, dat zich niet angstigallerlei grenzen stelde en vreemden bijstand inriep, om zich voor hem te beveiligen. Deze schoone, jonge vrouw, die een en al hartstocht, het banvonnis der samenleving, leed en smart op zich genomen had om zijnentwil, van wien zij wist dat hij haar verlaten had, omdat hij haar voor God en de menschen nooit tot de zijne kon maken, ja die vrouw wist lief te hebben, en het beurde hem op, hem die in menige ure aan zichzelven begon te twijfelen, zoo vereerd, zoo—hij kon het zich niet ontveinzen—zoo ‘vergood’ te worden. En hoe aanminnig, hoe recht vrouwelijk bleef zij bij dit alles! Die smeekende oogen die hem te Konstantinopel verveeld hadden, omdat zij altijd dezelfde roerende uitdrukking vertoonden, wanneer zij vol angst tot zijne ziel riepen haar niet te verlaten, die verleidelijke oogopslag, waarmede zij weleer hem verzocht haar den mantel om te hangen, waarmede zij hem het eerst had aangetrokken, dat alles was thans weder nieuw voor hem en oefende de vroegere tooverkracht op hem uit.In deze oogenblikken van teeder samenzijn had hij beloofd, ten minste in overweging te nemen, of hij zich niet los kon maken van de verplichtingen die hij had aangegaan. Doch nauwelijks was dit gebeurd, of de herinnering aan Paula werd weder in hem wakker en eene innerlijke stem riep hem toe, dat zij tot eene hoogere menschensoort behoorde dan deze zich overgevende, zwakke, hem geheel onderdanige vrouw, dat zij zijne opkomst, Heliodora zijne ondergang beteekende. Eindelijk was het hem gelukt zich uit de omhelzing der wedergevondene los te maken, en na zijne eerste schrede uit dezen roes in het werkelijke leven had hij als een ontwakende rond gezien, en was het hem als had een booze geest den spot met hem gedreven, dat juist Paulas kamer het tooneel was geweest van deze wederontmoeting en zijne zwakheid.Haar vraag naar het witte hondje, dat zij hem tot een aandenken had medegegeven, deed hem weder denken aan dien onzaligen smaragd, die een tegengeschenk daarvan had moeten zijn, en toen hij om het antwoord te ontwijken vertelde, dat hij, indachtig aan hare liefhebberij voor zeldzame juweelen, haar een bijzonder schoonen steen had toegezonden, waarover hij nog nader met haar spreken moest, gaf zij hare vreugde en hare dankbaarheid op zulk eene kinderlijk aandoenlijke wijze lucht, wist zij zoo welsprekend partij te trekken van zijn welgevallen in hare teedere aanhankelijkheid, ten einde hem te overtuigen van de noodzakelijkheid om te blijven, dat hij zelf daaraan begon te gelooven en haar zin deed. Hoe meer dit besluit met zijne eigene wenschen overeen kwam, des te gemakkelijker viel het hem er gronden voor te vinden. Deoude Rufinus had hem niet meer noodig, en had hij, Orion, ook reden om zich te schamen over zijne wankelmoedigheid, zoo mocht hij van den anderen kant toch zeggen, dat hij ondankbaar en onvriendelijk zou handelen tegen zijne goede vrienden, wanneer hij hen in den steek liet, juist nu hij hen van nut kon zijn. Het zou er bij de nonnen op twee beschermende armen meer of minder niet aankomen, terwijl de gevangen Narses, zonder zijne voorspraak bij den veldheer, licht kon bezwijken, alvorens het gelukte hem los te koopen. In elk geval was het meer dan tijd een vast besluit te nemen. Neen, hij kon heden niet weg! Het was beslist! Rufinus moest terstond in kennis gesteld worden van zijn veranderd besluit. Het scheen hem thans niet mogelijk zich tot schrijven te zetten; de rentmeester moest in zijn naam spreken, en hij wist wel hoe gaarne en met hoeveel ernst Nilus zich van die taak kwijten zou.Heliodora klapte in de handen, en juist toen vrouw Martina aan de deur klopte, traden beiden de helderverlichte voorzaal binnen. Haar gelaat straalde van geluk, en in hare kostbare, nieuwmodische, zorgvuldig gekozen kleederen zag zij er zoo aanvallig en, niettegenstaande zij slechts van middelbare grootte was, zoo vorstelijk prachtig uit, dat zij ook in de hoofdstad de bewondering der mannen en de afgunst der vrouwen zou hebben gewekt; hij was blijkbaar opgeruimd, maar om zijne lippen speelde toch een ernstig lachje.Nog had hij de deur niet gesloten, toen hij voor het vertrek, dat aan Paulas vroegere kamer grensde, twee vrouwelijke wezens opmerkte, die, terwijl vrouw Martina bij hare nicht aanklopte, de voorzaal binnengekomen waren. Het was de kleine Katharina en hare kamenier. Men had den jongen Anubis, nadat hij van het dak was gevallen hier ondergebracht, en niettegenstaande dit gedeelte van het huis voor de voorname gasten was ingericht, was de arts Philippus niet te bewegen geweest de overbrenging van den kranke, die volstrekt rust noodig had, naar de benedenverdieping toe te staan.De moeder van den zwaar bestraften luisteraar, Katharina’s voedster, was bij hem. Het kwikstaartje vergezeld van hare kamenier had hem opgezocht en zou zich gaarne vergewischt hebben of het haar zoogbroeder gelukt was, vóor zijn val iets af te luisteren. Doch de arme knaap was zoo zwak en leed zooveel pijn, dat zij geen moed vond, om hem met vragen te kwellen. Haar gang uit Samaritaansche barmhartigheid zou echter niet onbeloond blijven, want Orion met zulk een schoone, voorname vrouw te zien komen uit Paulas vroegere kamer, dat was iets buitengewoons, waarvoor het wel der moeite waardwas de oogen wijd te open te doen. Zij zou gaarne tweemaal den weg naar het stadhouderlijk paleis hebben afgelegd, al ware het enkel om de kleederen en sieraden van deze uit den hemel gevallene vreemdelinge te zien. Zoo iets raakte in Memphis zelden verdwaald. Of niet deze bevallige, voorname dame eigenlijk de »andere” was en niet Paula? Kon Orion niet evengoed met de Damasceensche zijn spel gedreven hebben, als vroeger met haar? Daar in die kamer moest een zalig wederzien zijn gevierd, dat verried elke trek van het heiligen gelaat der blonde schoone. O die Orion! Zij had hem kunnen verworgen, doch het deed haar genoegen, dat er buiten haar nog anderen, en wel zulke edele en aanvallige anderen waren, die hij bedroog.»Hij blijft!” had Heliodora reeds van den drempel de matrone toegeroepen, en deze had den jonkman de hand toegestoken met een innig: »Dat God het u loone!”Zij verheugde zich ook over het gelukkig uitzicht van hare nicht; doch bij dit alles waren de oogen van de levendige vrouw toch overal, en toen zij Katharina opmerkte, die nieuwsgierig was blijven staan, wendde zij zich tot haar, begroette haar vriendelijk en vroeg Orion: »Eene zuster, of wel het nichtje, van wie gij ons verteld hebt?”Hierop sprak de jonkman Katharina toe en maakte haar met zijne gasten bekend. Zij vertelde harerzijds wat haar hierheen had gebracht en deed het op zoo allerliefste en hartelijk medelijdende wijze—want zij was haar zoogbroeder en speelnoot oprecht genegen—dat zij der matrone en Heliodora zeer goed beviel en deze de hoop uitspraken haar recht dikwijls weer te zien. Nadat zij zich verwijderd had, zeide vrouw Martina:»Een bekoorlijk popje! Frisch en rein, als pas uit den dop gekropen, flink en netjes; en wat babbelt zij aardig!”»En bovendien de rijkste erfdochter van Memphis, misschien wel van geheel Egypte,” voegde Orion er bij. Daar hij echter bespeurde dat Heliodora bij deze opmerking de oogen bedroefd neersloeg, ging hij lachend voort: »mijne moeder had ons voor elkander bestemd, doch wij verschillen te veel in lengte, en passen ook overigens niet bij elkander.”Hierop nam hij afscheid van de vrouwen, begaf zich naar Nilus en gaf hem kennis van zijn besluit. Het verzoek om zijn uitblijven bij Rufinus te verontschuldigen en de dochter van Thomas voor hem te groeten, alsmede aan haar de beweegredenen duidelijk uit een te zetten, die hem terug hielden, had tot uitwerking, dat de stille, bescheidene man buiten zichzelven raakte van vreugde en zich veroorloofde Orion als een zoon te omarmen.Tot omstreeks middernacht bleef de jonge gastheer met zijne gasten bijeen, en toen vrouw Martina hare beschermelinge den volgenden morgen een weinig vermoeid doch stil gelukkig wederzag, kon zij haar mededeelen, dat de mannen den Nijl reeds waren overgegaan, en waarschijnlijk met den stadhouder reeds alles in orde hadden gebracht. Doch groot was hare teleurstelling toen beiden na eenigen tijd terugkeerden en haar mededeelden, dat Amr na de wapenschouwing bij Heliopolis, in plaats van naar Fostat terug te keeren, regelrecht naar Alexandrië was gegaan. Daar moest hij nog gedurende eenige dagen verwijlen, waarna hij zich naar Medina zou begeven. Er bleef nu voor den senator niets anders over dan hem onverwijld na te reizen, en Orion bood zich vrijwillig aan hem daarheen te vergezellen.Heliodoras vluchtige poging om hem terug te houden, leed schipbreuk op zijn ernstig en standvastig besluit. Deze reis moest echter alleen dienen om zijne eigene zwakheid en deze schoone vrouw te ontvluchten, die niets meer voor hem zijn kon en mocht. In den vroegen morgen had hij tijd gevonden om Paula te schrijven, maar hij had meer dan éen half voltooiden brief weggeworpen, voor hij de rechte woorden had gevonden. Ze zeiden haar, dat hij haar en haar alleen liefhad, en terwijl hij ze in het wasgrifte, had hij met ontevredenheid over zijn eigen gedrag gevoeld, dat zijn hart inderdaad aan Paula behoorde, was het besluit in hem gerijpt aan zijne betrekking tot Heliodora een einde te maken, en zich niet eerder aan zijne geliefde te vertoonen, vóór het hem gelukt was den band voor altijd te verscheuren, die hem aan de jonge weduwe verbond.De vrouwen hadden de reizigers naar den wagen gebracht, en toen zij met gebogen hoofden, als verslagene krijgslieden, in de groote voorzaal terugkeerden, ontmoetten zij daar het kwikstaartje met hare kamenier. Martina wilde het meisje tegenhouden en overreden mede te gaan naar haar verblijf; doch Katharina voldeed niet aan haar verlangen en scheen groote haast te hebben. Zij kwam van haren zoogbroeder Anubis, die heden minder pijn had dan gisteren en haar, zoo goed het gaan wilde had medegedeeld wat hij vernomen had. Dat zij naar het noorden zouden vluchten, stond bij haar vast; doch hij had het reisdoel van de zusters of niet goed verstaan of vergeten. Zijne moeder en verpleegster waren buiten de kamer gezonden, en toen had het dankbare kwikstaartje zich over hem heen gebogen, zijn aardigen kop een weinig opgeheven en hem twee zulke hartelijke kussen gegeven, dat de arme jongen er waarlijk angstig van was geworden. Toen hij zich weder alleen met zijne moeder bevond, gevoelde hij zich gaandeweg beter,en de herinnering aan het onuitsprekelijk geluk, dat hem wedervaren was, had de groote smarten, die hij om Katharinas wil leed, meer en meer gelenigd.Het kwikstaartje keerde niet terstond naar haar moeder terug, maar begaf zich onverwijld naar den bisschop van Memphis, dien zij alles vertelde wat zij vernomen had omtrent de bewoonsters van het Caecilia-klooster, en wat men voor haar gedaan had. De zachtaardige Plotinos geraakte bij deze mededeeling zeer in toorn, begaf zich, zoodra zij hem verlaten had, naar Fostat, om de hulp van den stadhouder, en daar deze afwezig was, van zijn Wekil in te roepen, ten einde te bewerken dat deze de vluchtende nonnen zou vervolgen.Toen Katharina op haar kamer alleen was, zeide zij stil tevreden tot zichzelve, dat zij nu iets op het getouw had gezet, dat Orion zoowel als Paula de vreugde van menigen dag bederven, ja zoo zij hoopte voor beiden noodlottig worden zou.

ZEVENDE HOOFDSTUK.Inwendig diep beleedigd, viel Orion te huis gekomen op den divan neder. Zij had gezegd, dat haar hart hem toebehoorde, doch wat was dat voor een armzalige, koele liefde, die niets vergunde voor zij zich van alle zijden verzekerd zag! En hoe had Paula aan eene derde kunnen toestaan, om zich te plaatsen tusschen hen beiden, en haar handelingen en gevoelens te besturen? Wat tusschen hen was voorgevallen, moest zij aan die derde verraden hebben. Voor deze hem vijandig gezinde Melchietische non wilde, zou hij... het was om zijn verstand te verliezen....Doch hij kon niet terug, hij had zich tegenover den waardigen grijsaard en tegenover haar tot dit onzinnig avontuur verplicht. In plaats van de edele, trotsche beheerscheres van zijn gansche wezen zag hij in zijne verbeelding thans eene in tranen badende, onzelfstandige, koelhartige vrouw.Daar lagen de kaarten en plannen, die hij zich door Nilus op zijn kamer had laten brengen, om ze te bestudeeren voor de taak, die de edele Amr hem had opgedragen, en toen zijn blik er op viel, sloeg hij met zijn vuist tegen den wand, sprong hij op en liep als een bezetene in dezelfde kamer op en neer, die door haar stil leven was gewijd. Daar stond nog hare luit, die hijzelf opnieuw besnaard en gestemd had. Om wat tot rust te komen, nam hij die op, greep naar het plectrum en begon te spelen. Doch het instrument was slecht, zij had zich met een armzalig ding tevreden gesteld. Hij wierp het op het rustbed en nam zijn eigen speeltuig ter hand, een geschenk van Heliodora. Hoe verstond zij de kunst om aan deze luit schoone en weeke tonen te ontlokken! Ook nu gaven hare snaren een heerlijken klank, langzamerhand begon hij er behagen in te scheppen, en de muziek bracht, gelijk zoo vaak gebeurt, zijn onstuimig gemoed tot rust. Gevoelvol en roerend klonk zijn spel, doch menigmaal greep hij zoo heftig in de snaren, dat hun geweldigtrillen en ruischen deed denken aan de weeklachten en kreten van eene vertwijfelende ziel.Daar sprong opeens, te midden van dit hartstochtelijk spel, met dreunenden knal de kam op den bodem der luit, en op hetzelfde oogenblik opende de secretaris, die hem in de hoofdstad vergezeld had, in vroolijke opgewondenheid de deur en riep hem reeds op den drempel toe: »Heer, denk eens aan! Daar komt een bode uit de herberg van Sostratus en brengt u dit tafeltje over, het is open en ik heb het gelezen. Begrijp eens, het is nauwelijks te gelooven! De senator Justinus met zijne edele gemalin, de aanzienlijke matrone Martina, zij zijn hier, hier te Memphis, en zij laten u uitnoodigen om hen te bezoeken, ten einde gewichtige dingen met hen te bespreken. Heden nacht zijn zij aangekomen, zeide de bode, en nu... Welk eene vreugde! Wat hebt gij niet in hun paleis genoten! Kunnen wij hen in de herberg laten? Zoolang er nog gastvrijheid in de wereld is, zou dit zonde zijn!”»Onmogelijk, volstrekt onmogelijk!” zeide Orion, die de luit uit de hand had geworpen en nu zelf het tafeltje bekeek. »Waarachtig hij is het, zijn eigen handschrift! En juist die twee, die zoo moeielijk te bewegen waren om zich te verplaatsen, zijn in Egypte, hier te Memphis! Bij Zeus”—zoo zwoeren de christelijke jongelieden van hooger stand te Alexandrië en Konstantinopel nog altijd—»bij Zeus, ik ben hun verschuldigd ze hier als vorsten te ontvangen! Wacht! Gij zegt natuurlijk aan den bode, dat ik terstond zal komen, en laat het nieuwe Pannonische vierspan voor den zilveren wagen zetten. Ik ga naar mijne moeder, doch dat kan nog wachten. Gij beveelt Sebek terstond de gastenverdieping, vanwaar de kranken nu gelukkig verdwenen zijn, voor de aanzienlijke gasten in orde te laten brengen. Mijne tegenwoordige kamer worde er bij genomen en ik ga naar mijn vroeger verblijf terug. Zij hebben zeker een groot gevolg. Twintig, dertig slaven moeten aan het werk, want op zijn langst binnen twee uren moet alles gereed zijn. De beide zalen moeten bijzonder fraai gemeubeld worden. Wat er ook ontbreekt, Sebek kan zonder bedenking over alles beschikken, wat in het stadhouderlijk paleis is. Justinus hier in Egypte!—Doch maak nu voort! Neen wacht even, hier neem die geschriften en plannen,—of neen, zij zijn te zwaar voor u. Overhandig ze aan een slaaf en laat ze naar Rufinus brengen, die ze bewaren moet tot ik kom. Zeg hem, dat ik er onderweg gebruik van wilde maken; dan weet hij het wel.”De secretaris vloog de kamer uit, en Orion liet zich snel de haren ordenen en zijn treurgewaad in nieuwe plooien leggen, waarop hij zich naar zijne moeder begaf. Zij had dikwijls enveel van de hartelijke ontvangst gehoord, die haar zoon en in vroegeren tijd haar gestorven echtgenoot in het huis van den senator ten deel was gevallen, en zij vond dus dat het vanzelf sprak de zoogenaamde gastenverdieping, waartoe ook Paulas gewezen kamer behoorde, voor de reizigers in te ruimen; doch zijzelve verlangde beschouwd te worden als te zeer lijdende, om zich met de gasten bezig te houden. Zij gaf vervolgens Orion den raad om zijne reis te verschuiven, ten einde zich geheel aan de vrienden te kunnen wijden; hij verklaarde echter, dat hij zich door hen niet kon laten terughouden. Men kon zich geheel verlaten op Sebek en de overste-huishoudster, en de keizer zelf ontsloeg een kranke van de verplichtingen eener gastvrouw. Zij zou evenwel het edele paar wel toestaan, haar hunne opwachting te maken, doch ook dit sloeg vrouw Neforis af, het was voldoende als de gasten dagelijks in haar naam en met hare groete uitgelezen vruchten en bloemen en ten laatste kostelijke geschenken ontvingen.Orion oordeelde dit plan harer waardig en weldra rende hij met zijne Pannoniërs den hof uit. Bij de haven ontmoette hij den kapitein van het schip dat hij gehuurd had, hield hem haastig twee vingers voor en deze gaf door herhaald hoofdknikken te kennen, dat hij de beteekenis van dezen wenk: »twee uren voor middernacht wordt gij verwacht,” verstaan had. Het zien van den door de zon verbranden schipper en het vooruitzicht voorname vrienden hunne goedheid te kunnen vergelden, wekte hem weder op, en hoezeer het hem leed deed juist deze gasten te moeten verlaten, zoo begonnen de gevaren die hem wachtten toch weder zijne zenuwen te prikkelen. Het zou hem niet zwaar vallen de abdis onderweg voor zich te winnen, en Paula zou hij misschien heden avond nog tot rede brengen. Justinus en zijne vrouw waren ook Melchieten, en hij wist dat zij, die hij hoogschatte, met zijn plan zeker ingenomen zouden zijn, als hij hen in zijn vertrouwen nam.De herberg van Sostratus, een verbazend groot, vierkant gebouw, dat een ruimen hof omsloot, was de voornaamste en grootste van de stad. De oostzijde was naar de straat en den Nijl gekeerd en bevatte de beste vertrekken van het huis, die de senator met zijne gemalin en die hem vergezelden sedert den afgeloopen nacht bewoonden. Het geratel van het vierspan lokte Justinus naar het venster, en zoodra hij Orion herkende, zwaaide hij met een tafellaken, dat hij dadelijk had gegrepen, in de straat, riep hem een vroolijk »welkom” toe, en ging daarna snel in het vertrek terug.»Daar is hij,” zeide hij tot zijne gade, die slechts met de noodzakelijkste kleedingstukken bedekt op een rustbed lag, zichdoor een knaap wat koelte toe liet waaien, en van tijd tot tijd een beker met vruchtensap aan de droge lippen bracht.»Wel komaan, dat is goed!” antwoordde de matrone en beval hare kamenier zoo spoedig mogelijk een overkleed, maar het dunste dat zij vinden kon, te brengen. Vervolgens richtte zij zich tot een zeer lieftallig vrouwelijk wezen, dat reeds bij den eersten roep van Justinus van den divan was opgesprongen, en vroeg: »Wilt gij, dat hij u hier dadelijk zal vinden, mijn hartje, of laat gij ons liever eerst met hem spreken en hem vertellen, dat wij u hebben medegetroond?”»Dat zal wel het beste zijn,” antwoordde zij tot wie de vraag werd gericht, met eene welluidende stem. Zij haalde diep adem, alvorens zij angstvallig vervolgde: »Wat zal hij nu van mij denken? Men wordt oud, maar die dwaasheid, die dwaasheid...”»Neemt toe!” zeide de matrone lachende,»of wordt zij met de jaren minder? Doch daar zal hij reeds zijn.”De jonge vrouw vloog naar eene zijdeur, waarachter zij verdween. Vrouw Martina zag haar na, en terwijl zij met den vinger haar gemaal in de richting wees, zeide zij: »Zij laat de deur op een kiertje staan. Lieve God, bij deze hitte ook nog verliefd zijn, eene griezelige gedachte!”Daar ging de deur open en nu volgde eene allerhartelijkste begroeting. Men kon het den jonkman en dit bejaarde paar aanzien, dat zij zich innig verheugden over dit wederzien.Toen Justinus Orion omarmde riep de matrone: »Mij ook een kus!” en nadat de jonkman spoedig en blijde aan haar wensch had voldaan, klaagde zij zuchtende: »O mensch, o menschenkind, groote Sesostris! Hoe is uw beroemde voorvader in staat geweest onder zulk eene zon groote dingen tot stand te brengen! Wat mij betreft, ik verga, ik smelt hier als boter; doch wat doet men al niet voor die men liefheeft!—Maar Syra, Syra! Om godswil nog zoo’n kleinigheid, dat er als een kleedingstuk uitziet. Hoe verstandig zijn toch de modes der Afrikaansche boeren, die wij onderweg meermalen hebben ontmoet! Wanneer zij een doekje dragen van een vinger of drie breed, dan meenen zij al zeer net aangekleed te zijn.—Maar ga nu zitten, zitten hier aan mijne voeten! Een stoel voor den heer, Argos, dan wat wijn, en het water in zulk eene vochtige, aarden kruik, en zoo koel als straks. Manlief, ik vind dat de jongen er nog aardiger uitziet. Maar lieve God, dat rouwgewaad! Hoe treurig staat het hem! Arme, arme jongen; wij hebben het reeds te Alexandrië gehoord!”Zij droogde daarbij hare oogen af en tegelijk de zweetpaarlen op haar voorhoofd, en haar gemaal voegde de betuiging van zijne deelneming over den dood van den Mukaukas bij de hare.Het was een aangenaam, vroolijk paar, die Justinus met zijne Martina: twee menschen, die zich zoo recht te huis gevoelden in hun grooten, door erfenis verkregen welstand, en die, ofschoon van hooge geboorte, nooit met hun adeldom te koop behoefden te loopen, daar hun die in de oogen van groot en klein toekwam. Zij hadden zich het recht veroverd, om in de stijve vormen van de deftigste gezelschappen natuurlijke menschen te blijven, en wie den vrijen toon van hun huis niet beviel, die konden wegblijven. Hij, zonder eerzucht, senator ingevolge zijne bezitting en zijn naam, was er steeds op bedacht van deze schijnbare waardigheid nooit een ander gebruik te maken, dan om bevoorrechte dienaars van het huis betrekkingen of de zijnen bij feestelijke gelegenheden goede plaatsen te bezorgen, en toonde zich overigens een gastvrij heer, een vriend zijner vrienden, die even gaarne prettig leefde als leven liet. Martina was eene doodgoede matrone, die nooit aanspraak had gemaakt op schoonheid, maar om wier hand toch velen hadden gedongen. Sedert lang vond dit echtpaar het nergens heerlijker dan in de hoofdstad of op hunne villa aan den Bosphorus, en het versmaadde daarom het genot van andere voorname en rijke personen, om baden te bezoeken of nu en dan op reis te gaan. Zij vonden er hun genoegen in het goede vrienden in hun huis aangenaam te maken; en aan de zoodanigen was nooit gebrek, vooral ook omdat zij, die aan het Byzantijnsche hof den rug moede hadden gebogen, in hun ongedwongen kring bijzonder behagen schepten.De jeugd koos Martina gaarne tot haar vertrouwde en ook Heliodora, de weduwe van haar eigen neef, was met haar harteleed tot haar gekomen; zij toch had Orion in hun huis leeren kennen. Heliodora was de lieveling van het oude paar, maar hoog, hooger dan zij, stond in beider achting de jongere broeder van haar gestorven gemaal. Deze was bestemd geweest hun erfgenaam te worden, doch zij hadden hem twee jaren lang beweend, daar de tijding tot hen gekomen was, dat Narses die als tribuun onder de keizerlijke ruiters had gestaan, in den strijd tegen de ongeloovigen was gevallen. Intusschen was niemand in staat nadere zekerheid te geven van zijn dood, tot hunne onvermoeide nasporingen aan het licht hadden gebracht, dat hij door de Saracenen gevangen was genomen, en in Arabië als slaaf diende. Door Orion en zijn gestorven vader hadden zij de bevestiging van deze tijding en weinige uren na de afreis van den jongen Egyptenaar een met bevende hand geschreven brief van den verlorene ontvangen, waarin hij hun smeekte zijne verlossing door Amr, den stadhouder van Egypte, te bewerken. Het bejaarde paar was nu op reis gegaan en Heliodorahad het hare er toe bijgebracht om hen tot dezen stap te bewegen. Haar verlangen naar Orion, wien zij een vol jaar had toebehoord met al de toewijding van een teeder gemoed, was sedert zijn vertrek van uur tot uur toegenomen, en zij had dit der matrone niet verheeld. Deze hield het weder voor haar plicht het arme, minzieke kind bij te staan, wantHeliodorahad haar echtgenoot, den neef van den senator, tot aan zijn einde met roerende trouw en zorgvuldigheid verpleegd, en bovendien was zij, Martina, het geweest, die den jongen Egyptenaar, die »het haar gedaan had,” de gelegenheid had aangeboden om de jonge weduwe te ontmoeten. Die twee wáren immers voor elkander geschapen, en te koppelen was haar grootste genot. Maar in dit geval hadden alleen de harten, niet de handen elkander gevonden, en het was voor Martina eindelijk zeer pijnlijk geworden, als zij Orion en Heliodora door de geheele wereld en met alle recht een verloofd paar hoorde noemen.Eens had zij den jongen Egyptenaar op hare innemende manier recht ernstig aangesproken en ten antwoord ontvangen, dat zijn vader, een Jacobiet, hem nooit zou vergunnen met eene vrouw van eene andere geloofsbelijdenis te huwen. Daar had zij toen weinig tegen kunnen inbrengen; doch zij had vaak gedacht, als ik Heliodora maar eens aan den ouden Mukaukas voorstellen kon, dan zou hij, dien zij jaren geleden in de hoofdstad had gekend als de schoone jonge vriend van aanminnige vrouwen, zijn tegenstand wel hebben opgegeven. Haar lieveling bezat inderdaad alles, wat in een vaderhart de oprechte wensch kon doen opkomen haar met zijn zoon te verbinden. Zij was van goeden huize, de weduwe van een aanzienlijk man, rijk, pas twee-en-twintig jaren oud, en bezat eene schoonheid, die oud en jong in verrukking moest brengen. Martina meende geen lieftalliger, zachter schepseltje te kennen. Hare groote, smachtende oogen, ze noemde ze »biddende”, moesten een steen vermurwen, en haar blond, licht golvend haar was zoo zacht als haar gemoed. Daarbij kwam hare gevulde, buigzame gestalte, en de wijze waarop zij zich wist te kleeden, te zingen en de luit te tokkelen! Niet zonder reden trachtte al wat jong en voornaam was te Konstantinopel hare gunst te verwerven. Kon de oude Mukaukas haar maar eens hooren lachen! Er was niets vroolijkers te bedenken dan dit gelach, dat helderder klonk dan eene klok. Zij stond in geestes-ontwikkeling nu juist niet bijzonder hoog, maar evenmin kon men haar onnoozel noemen. Al te verstandige vrouwen vielen niet altijd in den smaak van iedereen.Toen tot de reis naar Egypte besloten werd, stond het van te voren bij Martina vast, Heliodora mede te nemen en inMemphis de plagerij, die hare lieveling op ieders tong had gebracht, tot ernst te doen worden. Toen zij nu te Alexandrië vernam, dat de Mukaukas Georg inmiddels gestorven was, hield zij het spel voor gewonnen. En nu waren zij te Memphis, nu zat Orion voor haar en nu noodigde de jonge man haar en haar geheele gevolg dat uit een twintigtal personen bestond, bij zich in zijn huis. Het sprak vanzelf dat de reizigers aan dezen eisch van het gastrecht gaarne gevolg gaven, en er werden terstond toebereidselen gemaakt tot de verhuizing.Justinus vertelde wat hem bewogen had naar Egypte te gaan en verzocht Orion om zijne hulp. De jonkman had den neef des senators als een derschitterendsteen beminnenswaardigste jongelieden in de hoofdstad gekend, en het deed hem oprecht leed, de vrienden te moeten mededeelen dat de man, die de bevrijding van den gevangene gemakkelijk bewerken kon, overmorgen naar Medina dacht te vertrekken, terwijl hijzelf zich gedwongen zag nog hedenavond voor onbepaalden tijd op reis te gaan. Hij bemerkte, hoe deze zeer stellig uitgesprokene verzekering het oude paar teleurstelde en bedroefde, en op aandringen van den senator deelde hij hem en zijne gemalin onder het zegel der gestrengste geheimhouding mede, wat hem van hier riep en welk een gevaarlijk waagstuk hij op zich had genomen te volbrengen. Hij had zijn verhaal begonnen in de overtuiging, dat zijne orthodoxe gasten er mede ingenomen zouden zijn, maar tot zijne verbazing keurden beiden zijn voornemen af, en dat, gelijk zij verzekerden, niet alleen om hun zelven en de hulp die zij van hem verwachtten.De senator maakte hem opmerkzaam, dat hij het natuurlijk hoofd was der Egyptische bevolking van zijn vaderland en dat hij door zulk een onderneming zijn gezag ondermijnde bij hen, wier leiding hem toekwam als de zoon van zijn vader. Zijne eerzucht moest hem voorschrijven naar die leiding te streven, en in plaats van den patriarch door zulk een avontuur in het aangezicht te slaan, was het zijn plicht, hand aan hand met den prelaat, wiens macht hij veel te gering schatte, zijne geloofsgenooten een dragelijk bestaan te bezorgen in dit door de muzelmannen veroverde land.Paulasnaam werd in dit gesprek niet genoemd, doch Orion dacht aan haar en bleef standvastig bij zijn besluit, ofschoon eene stem in zijn binnenste zich er heftig tegen verzette. Om echter de vrienden te toonen hoeveel er hem aan gelegen was hun welgevallig te zijn, sloeg hij hun voor terstond met Justinus den stroom over te gaan en zijne zaak den stadhouder Amr voor te dragen. Een blik naar buiten deed hem zien, dat er voor zonsondergang nog ongeveer anderhalf uur moest verloopen.De rit met zijn snelvoetige Pannonische rossen behoefde niet meer tijd in beslag te nemen, en gedurende zijne afwezigheid met Justinus kon de verhuizing plaats hebben. Reeds hielden vrachtwagens uit het stadhouderlijk paleis voor de herberg stil, en andere wagens waren later besteld, om de lieve gasten naar hun nieuw verblijf te brengen.De senator nam den voorslag van den jongeling aan, en terwijl beide mannen zich verwijderden, riep mevrouw Martina Orion achterna: »Mijn senator zal u onderweg wel bewerken, en wanneer gij zijn verstandig voorstel aanneemt, ontvangt gij daarna eene schoone belooning. De goudtalenten niet ontzien, oudje, tot de veldheer belooft voor de bevrijding van den jongen te zullen zorgen.—Luister naar mij, Orion, en laat die dwaze streek varen.”De zonneschijf was nog niet geheel achter de Lybische bergen verdwenen, toen het snuivende met wit schuim bedekte vierspan het stadhouderlijk hof weder binnenreed. De mannen hadden helaas niets uitgericht, want Amr hield eene wapenschouwing over de troepen tusschen Heliopolis en Oniou en werd eerst in den nacht of morgen vroeg terug verwacht. De verhuizing uit de herberg was afgeloopen, en men zag de blanke slaven van het senatorspaar reeds tusschen de bruine en zwarte van het stadhouderlijk huis. Vrouw Martina was in verrukking over haar nieuw verblijf, en over de prachtige haar ten deele onbekende bloemen, waarmede de lijdende huisvrouw de beide groote ontvangzalen als een welkomstgroet had laten opsieren, doch het mislukte bezoek in Fostat viel als honingdauw op hunne vroolijke stemming.Orion, zeide zij, moest dit ongelukkig gesternte als een godsoordeel beschouwen. De hemel zelf verlangde, dat hij zijn avontuur zou opgeven en zich tevreden stellen met de voorbereiding van dat edele werk, dat ook zonder hem uitvoerbaar was, om een ander werk, waarbij zijne hulp dringend noodig was, alleen uit vriendschap ten einde te brengen. Hij echter gaf opnieuw zijn leedwezen te kennen, dat hij ondanks alles zich moest vasthouden aan zijn genomen besluit, en als Martina hem vroeg: »Ook wanneer mijn geschenk u bij uitnemendheid welgevallig is,” antwoordde hij met een droevig hoofdknikje, als wilde hij zeggen, »helaas, ook dan!”»Dat zullen we zien,” hernam zij op luchtigen toon, waarna zij met ernst vervolgde: »Ieder mensch heeft iets eigenaardigs, wat zijn bijzonder karakter uitmaakt en wat hemgoed staat: zoo hebt gij uw beminnenswaardig voorkomen, mijn zoon! Maar zoo vast op éen stuk te blijven staan, dat past niet voor u, dat staat u zoo vreemd, en is juist het tegendeel van hetgeen ik bij u beminnenswaardig noem. Wees u zelf, ook in dit geval!”»Dat wil dus zeggen, zwak en bereid om in te willigen, inzonderheid wanneer goedhartige vrouwen...”»Als oude vrienden u smeeken,” verbeterde zij snel; doch voor zij verder ging, wendde zij zich tot haar gemaal en zeide: »Lieve God, man, kom eens hier aan het venster! Hebt gij ooit zulk een gloed van purper en goud aan den hemel gezien? Het is waarlijk als stonden die oude pyramiden en geheel Egypte in vlammen. Maar nu, groote Sesostris”—zoo noemde zij Orion, als zij goed in haar humeur was—»nu is de tijd gekomen, om u te laten zien wat ik voor u heb medegebracht. Eerst deze ring,” en daarbij overhandigde zij hem een kostbaren armring, met gesneden steenen van oud-Griekschen arbeid bezet, »en dan—neen, neen, nog geen dank—en dan... Het ding is nogal groot, en bovendien... Volg mij maar.” Met deze woorden liep zij uit de ontvangzaal naar het voorvertrek, ging hem tot aan de deur van de kamer vooruit, die eerst Paula en toen hemzelven gehuisvest had, opende die even, wenkte hem binnen te gaan, en schoof Orion met een vluchtig: »Ziedaar, daar hebt gij het” over den drempel.Heliodora stond dicht bij het venster. De lichte weerschijn van de ondergaande zon omscheen hare slanke en toch gevulde lenige gestalte; hare smeekende oogen zagen hem met eerbiedige bewondering aan, en de over de borst gekruiste blanke armen gaven haar het aanzien van eene heilige, die met smachtend verlangen, in het vooruitzicht van onuitsprekelijke zaligheid, deemoedig een wonder wacht.Ook vrouw Martinas oogen waren op hem gevestigd en zag, hoe hij bij den aanblik der jonge vrouw doodsbleek werd, hoe hij door een zeker, zij wist niet welk, gevoel aangegrepen hevig verschrikte en voor de met een krans van licht omgevene gestalte daar aan het venster terugtrad. Zulk een uitwerking had de goede matrone niet van deze verrassing verwacht. Behalve op het theater kon zij zich niet herinneren ooit een man gezien te hebben, die zoo door de liefde werd aangegrepen, want zij vermoedde niet dat het hem was als had zich plotseling een gapende afgrond voor zijne voeten geopend. Met eene behendigheid, die niemand van de matrone met haar zwaar, dik lichaam verwacht had, keerde vrouw Martina daarop haastig naar haar man terug, en riep hem reeds van den drempel toe: »Alles is goed, alles is in orde! Bij haar aanblik was het, als had de bliksem hem getroffen. Let op—daar wordt hier aan den Nijl nog bruiloft gevierd.”»Mijn zegen erop,” antwoordde de senator, »maar bruiloft of geen bruiloft, als zij dien kostelijken jongen maar zoo van de wijs brengt, dat hij dit dolle avontuur uit zijn hoofd zet. Ikheb gezien dat ook die bruine kerels bij de Arabieren voor hem ter aarde buigen, en zoo iemand, dan overreedt hij den stadhouder voor Narses het zijne te doen. Hij mag, neen, hij mag niet weg! Gij hebt Heliodora toch op het hart gedrukt....”»Dat zij hem vasthoudt?” zeide de matrone lachende. Ik zeg u, zij nagelt hem hier vast, als het zijn moet.”»Nu dat is goed!” hernam Justinus. »Maar vrouw, het past toch inderdaad niet, dat gij hen zoo aan elkaar opdringt, zou men kunnen zeggen. Eigenlijk zijt gij toch zoowat haar vrouwelijke mentor, hare moederlijke patrones.”»Lieve hemel!” antwoordde Martina. »In ons huis hebben zij ook geene getuigen genoodigd bij hunne samenkomsten. Eerst moet dat arme, verliefde volkje zich toch uitspreken en zich verblijden over het wederzien! Daarna kom ik wel tusschenbeide en dan ben ik weer in allen ernst de bezorgde moederlijke vriendin. Tinus, Tinus! Als het hier nog tot eene bruiloft komt, God weet of ik dan nog niet barrevoets eene bedevaart doe naar de heilige Agathe.”»En ik slechts op één schoen!” verzekerde de senator, »want—alles wat betamelijk is—dat gebabbel over Dora ging ten laatste de grenzen te buiten. Het ging niet langer, om die twee te zamen bij ons te zien. Maar nu... neen in ernst! Ga nu naar hen toe....”»Dadelijk, dadelijk!” antwoordde de matrone. »Maar eerst nog even hier aan het venster! O die zon! Ja, nu is het te laat. Nog geen twee minuten geleden zag de gansche hemel er uit als mijne roode Syrische mantel. Nu ligt daaronder alles in het duister. Het huis, de tuin zijn mooi, en alles is oud en degelijk: juist zoo heb ik mij de bezitting van den rijken Mukaukas gedacht.”»Ik ook,” hernam Justinus. »Maar nu zult gij gaan! Worden zij het eens, dan mag Dora van geluk spreken.”»Dat zou ik meenen!” zeide vrouw Martina. »Maar hare villa behoeft zij ook niet weg te stoppen, en daar zullen zij elken zomer wonen, dat zal ik doorzetten. Wanneer die arme, beste jongen, Narses, er het leven niet af brengt—want twee jaren als slaaf te dienen, dat wil wat zeggen—dan zou ik in staat zijn....”»Het testament te veranderen? Dit is zoo kwaad niet: doch daarmede hebben we den tijd, nu moet ge terstond gaan!”»Dadelijk, dadelijk! Men moet toch kunnen uitspreken. Ik voor mij zou niemand weten, dien ik liever in de plaats van Narses stelde....”»Als Orion en Dora? Nu, mij goed, maar thans...”»Misschien is het zondig zich een levende reeds onder de dooden te denken... De arme jongen mag in geen geval naar zijne ruiterij teruggezonden worden.”»In geen geval; maar Martina...”»Morgen zal Orion den Arabier onze zaak eens na aan het hart leggen...”»Als hij maar hier blijft!”»Willen we wedden dat zij hem vasthoudt?”»Dan zou ik wel een gek zijn!” zeide de senator lachend. »Krijg ik ooit iets van u als ik win? Maar thans, alle scherts ter zijde, thans gaat ge, om naar beiden te zien!”Ditmaal volgde de matrone het bevel van haar gemaal, en zij had de weddenschap gewonnen, want waartoe Orion noch door den brief van zijne schoonzuster, noch door de vermanende stem van zijn kinderlijk geloof, noch door de trouwhartige waarschuwing van den eerlijken beambte, noch door de overtuigende beweegredenen van den senator te brengen was geweest, daartoe had de zoete vleierij van Heliodora hem verleid.Hoe was de liefde in haar hart ontvlamd, toen zij had bemerkt dat haar aanblik hem zoo diep had geschokt; met welk een roerende hartelijkheid was zij in zijne armen gezonken; hoe ootmoedig en als verteerd door zoete smart en zalige vreugde was zij neergegleden aan zijne voeten, had zij zijne knieën omvat en hem met betraande, van dweepende vereering sprekende oogen gebeden haar heden niet te verlaten, ten minste nog tot morgen te blijven, om haar dan, als hij wilde, in het stof te vertreden. Nu, juist nu, van hem te scheiden, terwijl zij door smart en innig verlangen opgewonden, hem had weergevonden, om zich te zien prijsgeven aan een onzeker lot, dat zou haar einde, dat zou zeker haar dood zijn. En toen hij zich desniettemin trachtte te verzetten, was zij hem om den hals gevlogen, had zij zijn mond met brandende kussen gesloten en hem allerlei vleiende namen in het oor gefluisterd, die hem eens zoo dierbaar waren geweest.Waarom had hij nooit ernstig beproefd haar tot de zijne te maken, waarom haar zoo snel vergeten? Omdat zij, die tegenover anderen hare waardigheid streng wist te bewaren, zich aan hem na enkele ontmoetingen zonder weerstand had overgegeven, als ware zij bedwelmd door eene magische betoovering. De licht verworven kostelijke buit was hem weldra toegeschenen van minder waarde te zijn. Maar heden deed juist dat zijn liefdegloed ontvlammen, wat hem toen had afgekoeld. Zoo wilde, zoo moest hij bemind worden, met geheele overgave, met een hart dat enkel aan hem en niet aan zichzelve dacht, dat voor vurige liefde niet anders vroeg dan liefde, dat zich niet angstigallerlei grenzen stelde en vreemden bijstand inriep, om zich voor hem te beveiligen. Deze schoone, jonge vrouw, die een en al hartstocht, het banvonnis der samenleving, leed en smart op zich genomen had om zijnentwil, van wien zij wist dat hij haar verlaten had, omdat hij haar voor God en de menschen nooit tot de zijne kon maken, ja die vrouw wist lief te hebben, en het beurde hem op, hem die in menige ure aan zichzelven begon te twijfelen, zoo vereerd, zoo—hij kon het zich niet ontveinzen—zoo ‘vergood’ te worden. En hoe aanminnig, hoe recht vrouwelijk bleef zij bij dit alles! Die smeekende oogen die hem te Konstantinopel verveeld hadden, omdat zij altijd dezelfde roerende uitdrukking vertoonden, wanneer zij vol angst tot zijne ziel riepen haar niet te verlaten, die verleidelijke oogopslag, waarmede zij weleer hem verzocht haar den mantel om te hangen, waarmede zij hem het eerst had aangetrokken, dat alles was thans weder nieuw voor hem en oefende de vroegere tooverkracht op hem uit.In deze oogenblikken van teeder samenzijn had hij beloofd, ten minste in overweging te nemen, of hij zich niet los kon maken van de verplichtingen die hij had aangegaan. Doch nauwelijks was dit gebeurd, of de herinnering aan Paula werd weder in hem wakker en eene innerlijke stem riep hem toe, dat zij tot eene hoogere menschensoort behoorde dan deze zich overgevende, zwakke, hem geheel onderdanige vrouw, dat zij zijne opkomst, Heliodora zijne ondergang beteekende. Eindelijk was het hem gelukt zich uit de omhelzing der wedergevondene los te maken, en na zijne eerste schrede uit dezen roes in het werkelijke leven had hij als een ontwakende rond gezien, en was het hem als had een booze geest den spot met hem gedreven, dat juist Paulas kamer het tooneel was geweest van deze wederontmoeting en zijne zwakheid.Haar vraag naar het witte hondje, dat zij hem tot een aandenken had medegegeven, deed hem weder denken aan dien onzaligen smaragd, die een tegengeschenk daarvan had moeten zijn, en toen hij om het antwoord te ontwijken vertelde, dat hij, indachtig aan hare liefhebberij voor zeldzame juweelen, haar een bijzonder schoonen steen had toegezonden, waarover hij nog nader met haar spreken moest, gaf zij hare vreugde en hare dankbaarheid op zulk eene kinderlijk aandoenlijke wijze lucht, wist zij zoo welsprekend partij te trekken van zijn welgevallen in hare teedere aanhankelijkheid, ten einde hem te overtuigen van de noodzakelijkheid om te blijven, dat hij zelf daaraan begon te gelooven en haar zin deed. Hoe meer dit besluit met zijne eigene wenschen overeen kwam, des te gemakkelijker viel het hem er gronden voor te vinden. Deoude Rufinus had hem niet meer noodig, en had hij, Orion, ook reden om zich te schamen over zijne wankelmoedigheid, zoo mocht hij van den anderen kant toch zeggen, dat hij ondankbaar en onvriendelijk zou handelen tegen zijne goede vrienden, wanneer hij hen in den steek liet, juist nu hij hen van nut kon zijn. Het zou er bij de nonnen op twee beschermende armen meer of minder niet aankomen, terwijl de gevangen Narses, zonder zijne voorspraak bij den veldheer, licht kon bezwijken, alvorens het gelukte hem los te koopen. In elk geval was het meer dan tijd een vast besluit te nemen. Neen, hij kon heden niet weg! Het was beslist! Rufinus moest terstond in kennis gesteld worden van zijn veranderd besluit. Het scheen hem thans niet mogelijk zich tot schrijven te zetten; de rentmeester moest in zijn naam spreken, en hij wist wel hoe gaarne en met hoeveel ernst Nilus zich van die taak kwijten zou.Heliodora klapte in de handen, en juist toen vrouw Martina aan de deur klopte, traden beiden de helderverlichte voorzaal binnen. Haar gelaat straalde van geluk, en in hare kostbare, nieuwmodische, zorgvuldig gekozen kleederen zag zij er zoo aanvallig en, niettegenstaande zij slechts van middelbare grootte was, zoo vorstelijk prachtig uit, dat zij ook in de hoofdstad de bewondering der mannen en de afgunst der vrouwen zou hebben gewekt; hij was blijkbaar opgeruimd, maar om zijne lippen speelde toch een ernstig lachje.Nog had hij de deur niet gesloten, toen hij voor het vertrek, dat aan Paulas vroegere kamer grensde, twee vrouwelijke wezens opmerkte, die, terwijl vrouw Martina bij hare nicht aanklopte, de voorzaal binnengekomen waren. Het was de kleine Katharina en hare kamenier. Men had den jongen Anubis, nadat hij van het dak was gevallen hier ondergebracht, en niettegenstaande dit gedeelte van het huis voor de voorname gasten was ingericht, was de arts Philippus niet te bewegen geweest de overbrenging van den kranke, die volstrekt rust noodig had, naar de benedenverdieping toe te staan.De moeder van den zwaar bestraften luisteraar, Katharina’s voedster, was bij hem. Het kwikstaartje vergezeld van hare kamenier had hem opgezocht en zou zich gaarne vergewischt hebben of het haar zoogbroeder gelukt was, vóor zijn val iets af te luisteren. Doch de arme knaap was zoo zwak en leed zooveel pijn, dat zij geen moed vond, om hem met vragen te kwellen. Haar gang uit Samaritaansche barmhartigheid zou echter niet onbeloond blijven, want Orion met zulk een schoone, voorname vrouw te zien komen uit Paulas vroegere kamer, dat was iets buitengewoons, waarvoor het wel der moeite waardwas de oogen wijd te open te doen. Zij zou gaarne tweemaal den weg naar het stadhouderlijk paleis hebben afgelegd, al ware het enkel om de kleederen en sieraden van deze uit den hemel gevallene vreemdelinge te zien. Zoo iets raakte in Memphis zelden verdwaald. Of niet deze bevallige, voorname dame eigenlijk de »andere” was en niet Paula? Kon Orion niet evengoed met de Damasceensche zijn spel gedreven hebben, als vroeger met haar? Daar in die kamer moest een zalig wederzien zijn gevierd, dat verried elke trek van het heiligen gelaat der blonde schoone. O die Orion! Zij had hem kunnen verworgen, doch het deed haar genoegen, dat er buiten haar nog anderen, en wel zulke edele en aanvallige anderen waren, die hij bedroog.»Hij blijft!” had Heliodora reeds van den drempel de matrone toegeroepen, en deze had den jonkman de hand toegestoken met een innig: »Dat God het u loone!”Zij verheugde zich ook over het gelukkig uitzicht van hare nicht; doch bij dit alles waren de oogen van de levendige vrouw toch overal, en toen zij Katharina opmerkte, die nieuwsgierig was blijven staan, wendde zij zich tot haar, begroette haar vriendelijk en vroeg Orion: »Eene zuster, of wel het nichtje, van wie gij ons verteld hebt?”Hierop sprak de jonkman Katharina toe en maakte haar met zijne gasten bekend. Zij vertelde harerzijds wat haar hierheen had gebracht en deed het op zoo allerliefste en hartelijk medelijdende wijze—want zij was haar zoogbroeder en speelnoot oprecht genegen—dat zij der matrone en Heliodora zeer goed beviel en deze de hoop uitspraken haar recht dikwijls weer te zien. Nadat zij zich verwijderd had, zeide vrouw Martina:»Een bekoorlijk popje! Frisch en rein, als pas uit den dop gekropen, flink en netjes; en wat babbelt zij aardig!”»En bovendien de rijkste erfdochter van Memphis, misschien wel van geheel Egypte,” voegde Orion er bij. Daar hij echter bespeurde dat Heliodora bij deze opmerking de oogen bedroefd neersloeg, ging hij lachend voort: »mijne moeder had ons voor elkander bestemd, doch wij verschillen te veel in lengte, en passen ook overigens niet bij elkander.”Hierop nam hij afscheid van de vrouwen, begaf zich naar Nilus en gaf hem kennis van zijn besluit. Het verzoek om zijn uitblijven bij Rufinus te verontschuldigen en de dochter van Thomas voor hem te groeten, alsmede aan haar de beweegredenen duidelijk uit een te zetten, die hem terug hielden, had tot uitwerking, dat de stille, bescheidene man buiten zichzelven raakte van vreugde en zich veroorloofde Orion als een zoon te omarmen.Tot omstreeks middernacht bleef de jonge gastheer met zijne gasten bijeen, en toen vrouw Martina hare beschermelinge den volgenden morgen een weinig vermoeid doch stil gelukkig wederzag, kon zij haar mededeelen, dat de mannen den Nijl reeds waren overgegaan, en waarschijnlijk met den stadhouder reeds alles in orde hadden gebracht. Doch groot was hare teleurstelling toen beiden na eenigen tijd terugkeerden en haar mededeelden, dat Amr na de wapenschouwing bij Heliopolis, in plaats van naar Fostat terug te keeren, regelrecht naar Alexandrië was gegaan. Daar moest hij nog gedurende eenige dagen verwijlen, waarna hij zich naar Medina zou begeven. Er bleef nu voor den senator niets anders over dan hem onverwijld na te reizen, en Orion bood zich vrijwillig aan hem daarheen te vergezellen.Heliodoras vluchtige poging om hem terug te houden, leed schipbreuk op zijn ernstig en standvastig besluit. Deze reis moest echter alleen dienen om zijne eigene zwakheid en deze schoone vrouw te ontvluchten, die niets meer voor hem zijn kon en mocht. In den vroegen morgen had hij tijd gevonden om Paula te schrijven, maar hij had meer dan éen half voltooiden brief weggeworpen, voor hij de rechte woorden had gevonden. Ze zeiden haar, dat hij haar en haar alleen liefhad, en terwijl hij ze in het wasgrifte, had hij met ontevredenheid over zijn eigen gedrag gevoeld, dat zijn hart inderdaad aan Paula behoorde, was het besluit in hem gerijpt aan zijne betrekking tot Heliodora een einde te maken, en zich niet eerder aan zijne geliefde te vertoonen, vóór het hem gelukt was den band voor altijd te verscheuren, die hem aan de jonge weduwe verbond.De vrouwen hadden de reizigers naar den wagen gebracht, en toen zij met gebogen hoofden, als verslagene krijgslieden, in de groote voorzaal terugkeerden, ontmoetten zij daar het kwikstaartje met hare kamenier. Martina wilde het meisje tegenhouden en overreden mede te gaan naar haar verblijf; doch Katharina voldeed niet aan haar verlangen en scheen groote haast te hebben. Zij kwam van haren zoogbroeder Anubis, die heden minder pijn had dan gisteren en haar, zoo goed het gaan wilde had medegedeeld wat hij vernomen had. Dat zij naar het noorden zouden vluchten, stond bij haar vast; doch hij had het reisdoel van de zusters of niet goed verstaan of vergeten. Zijne moeder en verpleegster waren buiten de kamer gezonden, en toen had het dankbare kwikstaartje zich over hem heen gebogen, zijn aardigen kop een weinig opgeheven en hem twee zulke hartelijke kussen gegeven, dat de arme jongen er waarlijk angstig van was geworden. Toen hij zich weder alleen met zijne moeder bevond, gevoelde hij zich gaandeweg beter,en de herinnering aan het onuitsprekelijk geluk, dat hem wedervaren was, had de groote smarten, die hij om Katharinas wil leed, meer en meer gelenigd.Het kwikstaartje keerde niet terstond naar haar moeder terug, maar begaf zich onverwijld naar den bisschop van Memphis, dien zij alles vertelde wat zij vernomen had omtrent de bewoonsters van het Caecilia-klooster, en wat men voor haar gedaan had. De zachtaardige Plotinos geraakte bij deze mededeeling zeer in toorn, begaf zich, zoodra zij hem verlaten had, naar Fostat, om de hulp van den stadhouder, en daar deze afwezig was, van zijn Wekil in te roepen, ten einde te bewerken dat deze de vluchtende nonnen zou vervolgen.Toen Katharina op haar kamer alleen was, zeide zij stil tevreden tot zichzelve, dat zij nu iets op het getouw had gezet, dat Orion zoowel als Paula de vreugde van menigen dag bederven, ja zoo zij hoopte voor beiden noodlottig worden zou.

ZEVENDE HOOFDSTUK.Inwendig diep beleedigd, viel Orion te huis gekomen op den divan neder. Zij had gezegd, dat haar hart hem toebehoorde, doch wat was dat voor een armzalige, koele liefde, die niets vergunde voor zij zich van alle zijden verzekerd zag! En hoe had Paula aan eene derde kunnen toestaan, om zich te plaatsen tusschen hen beiden, en haar handelingen en gevoelens te besturen? Wat tusschen hen was voorgevallen, moest zij aan die derde verraden hebben. Voor deze hem vijandig gezinde Melchietische non wilde, zou hij... het was om zijn verstand te verliezen....Doch hij kon niet terug, hij had zich tegenover den waardigen grijsaard en tegenover haar tot dit onzinnig avontuur verplicht. In plaats van de edele, trotsche beheerscheres van zijn gansche wezen zag hij in zijne verbeelding thans eene in tranen badende, onzelfstandige, koelhartige vrouw.Daar lagen de kaarten en plannen, die hij zich door Nilus op zijn kamer had laten brengen, om ze te bestudeeren voor de taak, die de edele Amr hem had opgedragen, en toen zijn blik er op viel, sloeg hij met zijn vuist tegen den wand, sprong hij op en liep als een bezetene in dezelfde kamer op en neer, die door haar stil leven was gewijd. Daar stond nog hare luit, die hijzelf opnieuw besnaard en gestemd had. Om wat tot rust te komen, nam hij die op, greep naar het plectrum en begon te spelen. Doch het instrument was slecht, zij had zich met een armzalig ding tevreden gesteld. Hij wierp het op het rustbed en nam zijn eigen speeltuig ter hand, een geschenk van Heliodora. Hoe verstond zij de kunst om aan deze luit schoone en weeke tonen te ontlokken! Ook nu gaven hare snaren een heerlijken klank, langzamerhand begon hij er behagen in te scheppen, en de muziek bracht, gelijk zoo vaak gebeurt, zijn onstuimig gemoed tot rust. Gevoelvol en roerend klonk zijn spel, doch menigmaal greep hij zoo heftig in de snaren, dat hun geweldigtrillen en ruischen deed denken aan de weeklachten en kreten van eene vertwijfelende ziel.Daar sprong opeens, te midden van dit hartstochtelijk spel, met dreunenden knal de kam op den bodem der luit, en op hetzelfde oogenblik opende de secretaris, die hem in de hoofdstad vergezeld had, in vroolijke opgewondenheid de deur en riep hem reeds op den drempel toe: »Heer, denk eens aan! Daar komt een bode uit de herberg van Sostratus en brengt u dit tafeltje over, het is open en ik heb het gelezen. Begrijp eens, het is nauwelijks te gelooven! De senator Justinus met zijne edele gemalin, de aanzienlijke matrone Martina, zij zijn hier, hier te Memphis, en zij laten u uitnoodigen om hen te bezoeken, ten einde gewichtige dingen met hen te bespreken. Heden nacht zijn zij aangekomen, zeide de bode, en nu... Welk eene vreugde! Wat hebt gij niet in hun paleis genoten! Kunnen wij hen in de herberg laten? Zoolang er nog gastvrijheid in de wereld is, zou dit zonde zijn!”»Onmogelijk, volstrekt onmogelijk!” zeide Orion, die de luit uit de hand had geworpen en nu zelf het tafeltje bekeek. »Waarachtig hij is het, zijn eigen handschrift! En juist die twee, die zoo moeielijk te bewegen waren om zich te verplaatsen, zijn in Egypte, hier te Memphis! Bij Zeus”—zoo zwoeren de christelijke jongelieden van hooger stand te Alexandrië en Konstantinopel nog altijd—»bij Zeus, ik ben hun verschuldigd ze hier als vorsten te ontvangen! Wacht! Gij zegt natuurlijk aan den bode, dat ik terstond zal komen, en laat het nieuwe Pannonische vierspan voor den zilveren wagen zetten. Ik ga naar mijne moeder, doch dat kan nog wachten. Gij beveelt Sebek terstond de gastenverdieping, vanwaar de kranken nu gelukkig verdwenen zijn, voor de aanzienlijke gasten in orde te laten brengen. Mijne tegenwoordige kamer worde er bij genomen en ik ga naar mijn vroeger verblijf terug. Zij hebben zeker een groot gevolg. Twintig, dertig slaven moeten aan het werk, want op zijn langst binnen twee uren moet alles gereed zijn. De beide zalen moeten bijzonder fraai gemeubeld worden. Wat er ook ontbreekt, Sebek kan zonder bedenking over alles beschikken, wat in het stadhouderlijk paleis is. Justinus hier in Egypte!—Doch maak nu voort! Neen wacht even, hier neem die geschriften en plannen,—of neen, zij zijn te zwaar voor u. Overhandig ze aan een slaaf en laat ze naar Rufinus brengen, die ze bewaren moet tot ik kom. Zeg hem, dat ik er onderweg gebruik van wilde maken; dan weet hij het wel.”De secretaris vloog de kamer uit, en Orion liet zich snel de haren ordenen en zijn treurgewaad in nieuwe plooien leggen, waarop hij zich naar zijne moeder begaf. Zij had dikwijls enveel van de hartelijke ontvangst gehoord, die haar zoon en in vroegeren tijd haar gestorven echtgenoot in het huis van den senator ten deel was gevallen, en zij vond dus dat het vanzelf sprak de zoogenaamde gastenverdieping, waartoe ook Paulas gewezen kamer behoorde, voor de reizigers in te ruimen; doch zijzelve verlangde beschouwd te worden als te zeer lijdende, om zich met de gasten bezig te houden. Zij gaf vervolgens Orion den raad om zijne reis te verschuiven, ten einde zich geheel aan de vrienden te kunnen wijden; hij verklaarde echter, dat hij zich door hen niet kon laten terughouden. Men kon zich geheel verlaten op Sebek en de overste-huishoudster, en de keizer zelf ontsloeg een kranke van de verplichtingen eener gastvrouw. Zij zou evenwel het edele paar wel toestaan, haar hunne opwachting te maken, doch ook dit sloeg vrouw Neforis af, het was voldoende als de gasten dagelijks in haar naam en met hare groete uitgelezen vruchten en bloemen en ten laatste kostelijke geschenken ontvingen.Orion oordeelde dit plan harer waardig en weldra rende hij met zijne Pannoniërs den hof uit. Bij de haven ontmoette hij den kapitein van het schip dat hij gehuurd had, hield hem haastig twee vingers voor en deze gaf door herhaald hoofdknikken te kennen, dat hij de beteekenis van dezen wenk: »twee uren voor middernacht wordt gij verwacht,” verstaan had. Het zien van den door de zon verbranden schipper en het vooruitzicht voorname vrienden hunne goedheid te kunnen vergelden, wekte hem weder op, en hoezeer het hem leed deed juist deze gasten te moeten verlaten, zoo begonnen de gevaren die hem wachtten toch weder zijne zenuwen te prikkelen. Het zou hem niet zwaar vallen de abdis onderweg voor zich te winnen, en Paula zou hij misschien heden avond nog tot rede brengen. Justinus en zijne vrouw waren ook Melchieten, en hij wist dat zij, die hij hoogschatte, met zijn plan zeker ingenomen zouden zijn, als hij hen in zijn vertrouwen nam.De herberg van Sostratus, een verbazend groot, vierkant gebouw, dat een ruimen hof omsloot, was de voornaamste en grootste van de stad. De oostzijde was naar de straat en den Nijl gekeerd en bevatte de beste vertrekken van het huis, die de senator met zijne gemalin en die hem vergezelden sedert den afgeloopen nacht bewoonden. Het geratel van het vierspan lokte Justinus naar het venster, en zoodra hij Orion herkende, zwaaide hij met een tafellaken, dat hij dadelijk had gegrepen, in de straat, riep hem een vroolijk »welkom” toe, en ging daarna snel in het vertrek terug.»Daar is hij,” zeide hij tot zijne gade, die slechts met de noodzakelijkste kleedingstukken bedekt op een rustbed lag, zichdoor een knaap wat koelte toe liet waaien, en van tijd tot tijd een beker met vruchtensap aan de droge lippen bracht.»Wel komaan, dat is goed!” antwoordde de matrone en beval hare kamenier zoo spoedig mogelijk een overkleed, maar het dunste dat zij vinden kon, te brengen. Vervolgens richtte zij zich tot een zeer lieftallig vrouwelijk wezen, dat reeds bij den eersten roep van Justinus van den divan was opgesprongen, en vroeg: »Wilt gij, dat hij u hier dadelijk zal vinden, mijn hartje, of laat gij ons liever eerst met hem spreken en hem vertellen, dat wij u hebben medegetroond?”»Dat zal wel het beste zijn,” antwoordde zij tot wie de vraag werd gericht, met eene welluidende stem. Zij haalde diep adem, alvorens zij angstvallig vervolgde: »Wat zal hij nu van mij denken? Men wordt oud, maar die dwaasheid, die dwaasheid...”»Neemt toe!” zeide de matrone lachende,»of wordt zij met de jaren minder? Doch daar zal hij reeds zijn.”De jonge vrouw vloog naar eene zijdeur, waarachter zij verdween. Vrouw Martina zag haar na, en terwijl zij met den vinger haar gemaal in de richting wees, zeide zij: »Zij laat de deur op een kiertje staan. Lieve God, bij deze hitte ook nog verliefd zijn, eene griezelige gedachte!”Daar ging de deur open en nu volgde eene allerhartelijkste begroeting. Men kon het den jonkman en dit bejaarde paar aanzien, dat zij zich innig verheugden over dit wederzien.Toen Justinus Orion omarmde riep de matrone: »Mij ook een kus!” en nadat de jonkman spoedig en blijde aan haar wensch had voldaan, klaagde zij zuchtende: »O mensch, o menschenkind, groote Sesostris! Hoe is uw beroemde voorvader in staat geweest onder zulk eene zon groote dingen tot stand te brengen! Wat mij betreft, ik verga, ik smelt hier als boter; doch wat doet men al niet voor die men liefheeft!—Maar Syra, Syra! Om godswil nog zoo’n kleinigheid, dat er als een kleedingstuk uitziet. Hoe verstandig zijn toch de modes der Afrikaansche boeren, die wij onderweg meermalen hebben ontmoet! Wanneer zij een doekje dragen van een vinger of drie breed, dan meenen zij al zeer net aangekleed te zijn.—Maar ga nu zitten, zitten hier aan mijne voeten! Een stoel voor den heer, Argos, dan wat wijn, en het water in zulk eene vochtige, aarden kruik, en zoo koel als straks. Manlief, ik vind dat de jongen er nog aardiger uitziet. Maar lieve God, dat rouwgewaad! Hoe treurig staat het hem! Arme, arme jongen; wij hebben het reeds te Alexandrië gehoord!”Zij droogde daarbij hare oogen af en tegelijk de zweetpaarlen op haar voorhoofd, en haar gemaal voegde de betuiging van zijne deelneming over den dood van den Mukaukas bij de hare.Het was een aangenaam, vroolijk paar, die Justinus met zijne Martina: twee menschen, die zich zoo recht te huis gevoelden in hun grooten, door erfenis verkregen welstand, en die, ofschoon van hooge geboorte, nooit met hun adeldom te koop behoefden te loopen, daar hun die in de oogen van groot en klein toekwam. Zij hadden zich het recht veroverd, om in de stijve vormen van de deftigste gezelschappen natuurlijke menschen te blijven, en wie den vrijen toon van hun huis niet beviel, die konden wegblijven. Hij, zonder eerzucht, senator ingevolge zijne bezitting en zijn naam, was er steeds op bedacht van deze schijnbare waardigheid nooit een ander gebruik te maken, dan om bevoorrechte dienaars van het huis betrekkingen of de zijnen bij feestelijke gelegenheden goede plaatsen te bezorgen, en toonde zich overigens een gastvrij heer, een vriend zijner vrienden, die even gaarne prettig leefde als leven liet. Martina was eene doodgoede matrone, die nooit aanspraak had gemaakt op schoonheid, maar om wier hand toch velen hadden gedongen. Sedert lang vond dit echtpaar het nergens heerlijker dan in de hoofdstad of op hunne villa aan den Bosphorus, en het versmaadde daarom het genot van andere voorname en rijke personen, om baden te bezoeken of nu en dan op reis te gaan. Zij vonden er hun genoegen in het goede vrienden in hun huis aangenaam te maken; en aan de zoodanigen was nooit gebrek, vooral ook omdat zij, die aan het Byzantijnsche hof den rug moede hadden gebogen, in hun ongedwongen kring bijzonder behagen schepten.De jeugd koos Martina gaarne tot haar vertrouwde en ook Heliodora, de weduwe van haar eigen neef, was met haar harteleed tot haar gekomen; zij toch had Orion in hun huis leeren kennen. Heliodora was de lieveling van het oude paar, maar hoog, hooger dan zij, stond in beider achting de jongere broeder van haar gestorven gemaal. Deze was bestemd geweest hun erfgenaam te worden, doch zij hadden hem twee jaren lang beweend, daar de tijding tot hen gekomen was, dat Narses die als tribuun onder de keizerlijke ruiters had gestaan, in den strijd tegen de ongeloovigen was gevallen. Intusschen was niemand in staat nadere zekerheid te geven van zijn dood, tot hunne onvermoeide nasporingen aan het licht hadden gebracht, dat hij door de Saracenen gevangen was genomen, en in Arabië als slaaf diende. Door Orion en zijn gestorven vader hadden zij de bevestiging van deze tijding en weinige uren na de afreis van den jongen Egyptenaar een met bevende hand geschreven brief van den verlorene ontvangen, waarin hij hun smeekte zijne verlossing door Amr, den stadhouder van Egypte, te bewerken. Het bejaarde paar was nu op reis gegaan en Heliodorahad het hare er toe bijgebracht om hen tot dezen stap te bewegen. Haar verlangen naar Orion, wien zij een vol jaar had toebehoord met al de toewijding van een teeder gemoed, was sedert zijn vertrek van uur tot uur toegenomen, en zij had dit der matrone niet verheeld. Deze hield het weder voor haar plicht het arme, minzieke kind bij te staan, wantHeliodorahad haar echtgenoot, den neef van den senator, tot aan zijn einde met roerende trouw en zorgvuldigheid verpleegd, en bovendien was zij, Martina, het geweest, die den jongen Egyptenaar, die »het haar gedaan had,” de gelegenheid had aangeboden om de jonge weduwe te ontmoeten. Die twee wáren immers voor elkander geschapen, en te koppelen was haar grootste genot. Maar in dit geval hadden alleen de harten, niet de handen elkander gevonden, en het was voor Martina eindelijk zeer pijnlijk geworden, als zij Orion en Heliodora door de geheele wereld en met alle recht een verloofd paar hoorde noemen.Eens had zij den jongen Egyptenaar op hare innemende manier recht ernstig aangesproken en ten antwoord ontvangen, dat zijn vader, een Jacobiet, hem nooit zou vergunnen met eene vrouw van eene andere geloofsbelijdenis te huwen. Daar had zij toen weinig tegen kunnen inbrengen; doch zij had vaak gedacht, als ik Heliodora maar eens aan den ouden Mukaukas voorstellen kon, dan zou hij, dien zij jaren geleden in de hoofdstad had gekend als de schoone jonge vriend van aanminnige vrouwen, zijn tegenstand wel hebben opgegeven. Haar lieveling bezat inderdaad alles, wat in een vaderhart de oprechte wensch kon doen opkomen haar met zijn zoon te verbinden. Zij was van goeden huize, de weduwe van een aanzienlijk man, rijk, pas twee-en-twintig jaren oud, en bezat eene schoonheid, die oud en jong in verrukking moest brengen. Martina meende geen lieftalliger, zachter schepseltje te kennen. Hare groote, smachtende oogen, ze noemde ze »biddende”, moesten een steen vermurwen, en haar blond, licht golvend haar was zoo zacht als haar gemoed. Daarbij kwam hare gevulde, buigzame gestalte, en de wijze waarop zij zich wist te kleeden, te zingen en de luit te tokkelen! Niet zonder reden trachtte al wat jong en voornaam was te Konstantinopel hare gunst te verwerven. Kon de oude Mukaukas haar maar eens hooren lachen! Er was niets vroolijkers te bedenken dan dit gelach, dat helderder klonk dan eene klok. Zij stond in geestes-ontwikkeling nu juist niet bijzonder hoog, maar evenmin kon men haar onnoozel noemen. Al te verstandige vrouwen vielen niet altijd in den smaak van iedereen.Toen tot de reis naar Egypte besloten werd, stond het van te voren bij Martina vast, Heliodora mede te nemen en inMemphis de plagerij, die hare lieveling op ieders tong had gebracht, tot ernst te doen worden. Toen zij nu te Alexandrië vernam, dat de Mukaukas Georg inmiddels gestorven was, hield zij het spel voor gewonnen. En nu waren zij te Memphis, nu zat Orion voor haar en nu noodigde de jonge man haar en haar geheele gevolg dat uit een twintigtal personen bestond, bij zich in zijn huis. Het sprak vanzelf dat de reizigers aan dezen eisch van het gastrecht gaarne gevolg gaven, en er werden terstond toebereidselen gemaakt tot de verhuizing.Justinus vertelde wat hem bewogen had naar Egypte te gaan en verzocht Orion om zijne hulp. De jonkman had den neef des senators als een derschitterendsteen beminnenswaardigste jongelieden in de hoofdstad gekend, en het deed hem oprecht leed, de vrienden te moeten mededeelen dat de man, die de bevrijding van den gevangene gemakkelijk bewerken kon, overmorgen naar Medina dacht te vertrekken, terwijl hijzelf zich gedwongen zag nog hedenavond voor onbepaalden tijd op reis te gaan. Hij bemerkte, hoe deze zeer stellig uitgesprokene verzekering het oude paar teleurstelde en bedroefde, en op aandringen van den senator deelde hij hem en zijne gemalin onder het zegel der gestrengste geheimhouding mede, wat hem van hier riep en welk een gevaarlijk waagstuk hij op zich had genomen te volbrengen. Hij had zijn verhaal begonnen in de overtuiging, dat zijne orthodoxe gasten er mede ingenomen zouden zijn, maar tot zijne verbazing keurden beiden zijn voornemen af, en dat, gelijk zij verzekerden, niet alleen om hun zelven en de hulp die zij van hem verwachtten.De senator maakte hem opmerkzaam, dat hij het natuurlijk hoofd was der Egyptische bevolking van zijn vaderland en dat hij door zulk een onderneming zijn gezag ondermijnde bij hen, wier leiding hem toekwam als de zoon van zijn vader. Zijne eerzucht moest hem voorschrijven naar die leiding te streven, en in plaats van den patriarch door zulk een avontuur in het aangezicht te slaan, was het zijn plicht, hand aan hand met den prelaat, wiens macht hij veel te gering schatte, zijne geloofsgenooten een dragelijk bestaan te bezorgen in dit door de muzelmannen veroverde land.Paulasnaam werd in dit gesprek niet genoemd, doch Orion dacht aan haar en bleef standvastig bij zijn besluit, ofschoon eene stem in zijn binnenste zich er heftig tegen verzette. Om echter de vrienden te toonen hoeveel er hem aan gelegen was hun welgevallig te zijn, sloeg hij hun voor terstond met Justinus den stroom over te gaan en zijne zaak den stadhouder Amr voor te dragen. Een blik naar buiten deed hem zien, dat er voor zonsondergang nog ongeveer anderhalf uur moest verloopen.De rit met zijn snelvoetige Pannonische rossen behoefde niet meer tijd in beslag te nemen, en gedurende zijne afwezigheid met Justinus kon de verhuizing plaats hebben. Reeds hielden vrachtwagens uit het stadhouderlijk paleis voor de herberg stil, en andere wagens waren later besteld, om de lieve gasten naar hun nieuw verblijf te brengen.De senator nam den voorslag van den jongeling aan, en terwijl beide mannen zich verwijderden, riep mevrouw Martina Orion achterna: »Mijn senator zal u onderweg wel bewerken, en wanneer gij zijn verstandig voorstel aanneemt, ontvangt gij daarna eene schoone belooning. De goudtalenten niet ontzien, oudje, tot de veldheer belooft voor de bevrijding van den jongen te zullen zorgen.—Luister naar mij, Orion, en laat die dwaze streek varen.”De zonneschijf was nog niet geheel achter de Lybische bergen verdwenen, toen het snuivende met wit schuim bedekte vierspan het stadhouderlijk hof weder binnenreed. De mannen hadden helaas niets uitgericht, want Amr hield eene wapenschouwing over de troepen tusschen Heliopolis en Oniou en werd eerst in den nacht of morgen vroeg terug verwacht. De verhuizing uit de herberg was afgeloopen, en men zag de blanke slaven van het senatorspaar reeds tusschen de bruine en zwarte van het stadhouderlijk huis. Vrouw Martina was in verrukking over haar nieuw verblijf, en over de prachtige haar ten deele onbekende bloemen, waarmede de lijdende huisvrouw de beide groote ontvangzalen als een welkomstgroet had laten opsieren, doch het mislukte bezoek in Fostat viel als honingdauw op hunne vroolijke stemming.Orion, zeide zij, moest dit ongelukkig gesternte als een godsoordeel beschouwen. De hemel zelf verlangde, dat hij zijn avontuur zou opgeven en zich tevreden stellen met de voorbereiding van dat edele werk, dat ook zonder hem uitvoerbaar was, om een ander werk, waarbij zijne hulp dringend noodig was, alleen uit vriendschap ten einde te brengen. Hij echter gaf opnieuw zijn leedwezen te kennen, dat hij ondanks alles zich moest vasthouden aan zijn genomen besluit, en als Martina hem vroeg: »Ook wanneer mijn geschenk u bij uitnemendheid welgevallig is,” antwoordde hij met een droevig hoofdknikje, als wilde hij zeggen, »helaas, ook dan!”»Dat zullen we zien,” hernam zij op luchtigen toon, waarna zij met ernst vervolgde: »Ieder mensch heeft iets eigenaardigs, wat zijn bijzonder karakter uitmaakt en wat hemgoed staat: zoo hebt gij uw beminnenswaardig voorkomen, mijn zoon! Maar zoo vast op éen stuk te blijven staan, dat past niet voor u, dat staat u zoo vreemd, en is juist het tegendeel van hetgeen ik bij u beminnenswaardig noem. Wees u zelf, ook in dit geval!”»Dat wil dus zeggen, zwak en bereid om in te willigen, inzonderheid wanneer goedhartige vrouwen...”»Als oude vrienden u smeeken,” verbeterde zij snel; doch voor zij verder ging, wendde zij zich tot haar gemaal en zeide: »Lieve God, man, kom eens hier aan het venster! Hebt gij ooit zulk een gloed van purper en goud aan den hemel gezien? Het is waarlijk als stonden die oude pyramiden en geheel Egypte in vlammen. Maar nu, groote Sesostris”—zoo noemde zij Orion, als zij goed in haar humeur was—»nu is de tijd gekomen, om u te laten zien wat ik voor u heb medegebracht. Eerst deze ring,” en daarbij overhandigde zij hem een kostbaren armring, met gesneden steenen van oud-Griekschen arbeid bezet, »en dan—neen, neen, nog geen dank—en dan... Het ding is nogal groot, en bovendien... Volg mij maar.” Met deze woorden liep zij uit de ontvangzaal naar het voorvertrek, ging hem tot aan de deur van de kamer vooruit, die eerst Paula en toen hemzelven gehuisvest had, opende die even, wenkte hem binnen te gaan, en schoof Orion met een vluchtig: »Ziedaar, daar hebt gij het” over den drempel.Heliodora stond dicht bij het venster. De lichte weerschijn van de ondergaande zon omscheen hare slanke en toch gevulde lenige gestalte; hare smeekende oogen zagen hem met eerbiedige bewondering aan, en de over de borst gekruiste blanke armen gaven haar het aanzien van eene heilige, die met smachtend verlangen, in het vooruitzicht van onuitsprekelijke zaligheid, deemoedig een wonder wacht.Ook vrouw Martinas oogen waren op hem gevestigd en zag, hoe hij bij den aanblik der jonge vrouw doodsbleek werd, hoe hij door een zeker, zij wist niet welk, gevoel aangegrepen hevig verschrikte en voor de met een krans van licht omgevene gestalte daar aan het venster terugtrad. Zulk een uitwerking had de goede matrone niet van deze verrassing verwacht. Behalve op het theater kon zij zich niet herinneren ooit een man gezien te hebben, die zoo door de liefde werd aangegrepen, want zij vermoedde niet dat het hem was als had zich plotseling een gapende afgrond voor zijne voeten geopend. Met eene behendigheid, die niemand van de matrone met haar zwaar, dik lichaam verwacht had, keerde vrouw Martina daarop haastig naar haar man terug, en riep hem reeds van den drempel toe: »Alles is goed, alles is in orde! Bij haar aanblik was het, als had de bliksem hem getroffen. Let op—daar wordt hier aan den Nijl nog bruiloft gevierd.”»Mijn zegen erop,” antwoordde de senator, »maar bruiloft of geen bruiloft, als zij dien kostelijken jongen maar zoo van de wijs brengt, dat hij dit dolle avontuur uit zijn hoofd zet. Ikheb gezien dat ook die bruine kerels bij de Arabieren voor hem ter aarde buigen, en zoo iemand, dan overreedt hij den stadhouder voor Narses het zijne te doen. Hij mag, neen, hij mag niet weg! Gij hebt Heliodora toch op het hart gedrukt....”»Dat zij hem vasthoudt?” zeide de matrone lachende. Ik zeg u, zij nagelt hem hier vast, als het zijn moet.”»Nu dat is goed!” hernam Justinus. »Maar vrouw, het past toch inderdaad niet, dat gij hen zoo aan elkaar opdringt, zou men kunnen zeggen. Eigenlijk zijt gij toch zoowat haar vrouwelijke mentor, hare moederlijke patrones.”»Lieve hemel!” antwoordde Martina. »In ons huis hebben zij ook geene getuigen genoodigd bij hunne samenkomsten. Eerst moet dat arme, verliefde volkje zich toch uitspreken en zich verblijden over het wederzien! Daarna kom ik wel tusschenbeide en dan ben ik weer in allen ernst de bezorgde moederlijke vriendin. Tinus, Tinus! Als het hier nog tot eene bruiloft komt, God weet of ik dan nog niet barrevoets eene bedevaart doe naar de heilige Agathe.”»En ik slechts op één schoen!” verzekerde de senator, »want—alles wat betamelijk is—dat gebabbel over Dora ging ten laatste de grenzen te buiten. Het ging niet langer, om die twee te zamen bij ons te zien. Maar nu... neen in ernst! Ga nu naar hen toe....”»Dadelijk, dadelijk!” antwoordde de matrone. »Maar eerst nog even hier aan het venster! O die zon! Ja, nu is het te laat. Nog geen twee minuten geleden zag de gansche hemel er uit als mijne roode Syrische mantel. Nu ligt daaronder alles in het duister. Het huis, de tuin zijn mooi, en alles is oud en degelijk: juist zoo heb ik mij de bezitting van den rijken Mukaukas gedacht.”»Ik ook,” hernam Justinus. »Maar nu zult gij gaan! Worden zij het eens, dan mag Dora van geluk spreken.”»Dat zou ik meenen!” zeide vrouw Martina. »Maar hare villa behoeft zij ook niet weg te stoppen, en daar zullen zij elken zomer wonen, dat zal ik doorzetten. Wanneer die arme, beste jongen, Narses, er het leven niet af brengt—want twee jaren als slaaf te dienen, dat wil wat zeggen—dan zou ik in staat zijn....”»Het testament te veranderen? Dit is zoo kwaad niet: doch daarmede hebben we den tijd, nu moet ge terstond gaan!”»Dadelijk, dadelijk! Men moet toch kunnen uitspreken. Ik voor mij zou niemand weten, dien ik liever in de plaats van Narses stelde....”»Als Orion en Dora? Nu, mij goed, maar thans...”»Misschien is het zondig zich een levende reeds onder de dooden te denken... De arme jongen mag in geen geval naar zijne ruiterij teruggezonden worden.”»In geen geval; maar Martina...”»Morgen zal Orion den Arabier onze zaak eens na aan het hart leggen...”»Als hij maar hier blijft!”»Willen we wedden dat zij hem vasthoudt?”»Dan zou ik wel een gek zijn!” zeide de senator lachend. »Krijg ik ooit iets van u als ik win? Maar thans, alle scherts ter zijde, thans gaat ge, om naar beiden te zien!”Ditmaal volgde de matrone het bevel van haar gemaal, en zij had de weddenschap gewonnen, want waartoe Orion noch door den brief van zijne schoonzuster, noch door de vermanende stem van zijn kinderlijk geloof, noch door de trouwhartige waarschuwing van den eerlijken beambte, noch door de overtuigende beweegredenen van den senator te brengen was geweest, daartoe had de zoete vleierij van Heliodora hem verleid.Hoe was de liefde in haar hart ontvlamd, toen zij had bemerkt dat haar aanblik hem zoo diep had geschokt; met welk een roerende hartelijkheid was zij in zijne armen gezonken; hoe ootmoedig en als verteerd door zoete smart en zalige vreugde was zij neergegleden aan zijne voeten, had zij zijne knieën omvat en hem met betraande, van dweepende vereering sprekende oogen gebeden haar heden niet te verlaten, ten minste nog tot morgen te blijven, om haar dan, als hij wilde, in het stof te vertreden. Nu, juist nu, van hem te scheiden, terwijl zij door smart en innig verlangen opgewonden, hem had weergevonden, om zich te zien prijsgeven aan een onzeker lot, dat zou haar einde, dat zou zeker haar dood zijn. En toen hij zich desniettemin trachtte te verzetten, was zij hem om den hals gevlogen, had zij zijn mond met brandende kussen gesloten en hem allerlei vleiende namen in het oor gefluisterd, die hem eens zoo dierbaar waren geweest.Waarom had hij nooit ernstig beproefd haar tot de zijne te maken, waarom haar zoo snel vergeten? Omdat zij, die tegenover anderen hare waardigheid streng wist te bewaren, zich aan hem na enkele ontmoetingen zonder weerstand had overgegeven, als ware zij bedwelmd door eene magische betoovering. De licht verworven kostelijke buit was hem weldra toegeschenen van minder waarde te zijn. Maar heden deed juist dat zijn liefdegloed ontvlammen, wat hem toen had afgekoeld. Zoo wilde, zoo moest hij bemind worden, met geheele overgave, met een hart dat enkel aan hem en niet aan zichzelve dacht, dat voor vurige liefde niet anders vroeg dan liefde, dat zich niet angstigallerlei grenzen stelde en vreemden bijstand inriep, om zich voor hem te beveiligen. Deze schoone, jonge vrouw, die een en al hartstocht, het banvonnis der samenleving, leed en smart op zich genomen had om zijnentwil, van wien zij wist dat hij haar verlaten had, omdat hij haar voor God en de menschen nooit tot de zijne kon maken, ja die vrouw wist lief te hebben, en het beurde hem op, hem die in menige ure aan zichzelven begon te twijfelen, zoo vereerd, zoo—hij kon het zich niet ontveinzen—zoo ‘vergood’ te worden. En hoe aanminnig, hoe recht vrouwelijk bleef zij bij dit alles! Die smeekende oogen die hem te Konstantinopel verveeld hadden, omdat zij altijd dezelfde roerende uitdrukking vertoonden, wanneer zij vol angst tot zijne ziel riepen haar niet te verlaten, die verleidelijke oogopslag, waarmede zij weleer hem verzocht haar den mantel om te hangen, waarmede zij hem het eerst had aangetrokken, dat alles was thans weder nieuw voor hem en oefende de vroegere tooverkracht op hem uit.In deze oogenblikken van teeder samenzijn had hij beloofd, ten minste in overweging te nemen, of hij zich niet los kon maken van de verplichtingen die hij had aangegaan. Doch nauwelijks was dit gebeurd, of de herinnering aan Paula werd weder in hem wakker en eene innerlijke stem riep hem toe, dat zij tot eene hoogere menschensoort behoorde dan deze zich overgevende, zwakke, hem geheel onderdanige vrouw, dat zij zijne opkomst, Heliodora zijne ondergang beteekende. Eindelijk was het hem gelukt zich uit de omhelzing der wedergevondene los te maken, en na zijne eerste schrede uit dezen roes in het werkelijke leven had hij als een ontwakende rond gezien, en was het hem als had een booze geest den spot met hem gedreven, dat juist Paulas kamer het tooneel was geweest van deze wederontmoeting en zijne zwakheid.Haar vraag naar het witte hondje, dat zij hem tot een aandenken had medegegeven, deed hem weder denken aan dien onzaligen smaragd, die een tegengeschenk daarvan had moeten zijn, en toen hij om het antwoord te ontwijken vertelde, dat hij, indachtig aan hare liefhebberij voor zeldzame juweelen, haar een bijzonder schoonen steen had toegezonden, waarover hij nog nader met haar spreken moest, gaf zij hare vreugde en hare dankbaarheid op zulk eene kinderlijk aandoenlijke wijze lucht, wist zij zoo welsprekend partij te trekken van zijn welgevallen in hare teedere aanhankelijkheid, ten einde hem te overtuigen van de noodzakelijkheid om te blijven, dat hij zelf daaraan begon te gelooven en haar zin deed. Hoe meer dit besluit met zijne eigene wenschen overeen kwam, des te gemakkelijker viel het hem er gronden voor te vinden. Deoude Rufinus had hem niet meer noodig, en had hij, Orion, ook reden om zich te schamen over zijne wankelmoedigheid, zoo mocht hij van den anderen kant toch zeggen, dat hij ondankbaar en onvriendelijk zou handelen tegen zijne goede vrienden, wanneer hij hen in den steek liet, juist nu hij hen van nut kon zijn. Het zou er bij de nonnen op twee beschermende armen meer of minder niet aankomen, terwijl de gevangen Narses, zonder zijne voorspraak bij den veldheer, licht kon bezwijken, alvorens het gelukte hem los te koopen. In elk geval was het meer dan tijd een vast besluit te nemen. Neen, hij kon heden niet weg! Het was beslist! Rufinus moest terstond in kennis gesteld worden van zijn veranderd besluit. Het scheen hem thans niet mogelijk zich tot schrijven te zetten; de rentmeester moest in zijn naam spreken, en hij wist wel hoe gaarne en met hoeveel ernst Nilus zich van die taak kwijten zou.Heliodora klapte in de handen, en juist toen vrouw Martina aan de deur klopte, traden beiden de helderverlichte voorzaal binnen. Haar gelaat straalde van geluk, en in hare kostbare, nieuwmodische, zorgvuldig gekozen kleederen zag zij er zoo aanvallig en, niettegenstaande zij slechts van middelbare grootte was, zoo vorstelijk prachtig uit, dat zij ook in de hoofdstad de bewondering der mannen en de afgunst der vrouwen zou hebben gewekt; hij was blijkbaar opgeruimd, maar om zijne lippen speelde toch een ernstig lachje.Nog had hij de deur niet gesloten, toen hij voor het vertrek, dat aan Paulas vroegere kamer grensde, twee vrouwelijke wezens opmerkte, die, terwijl vrouw Martina bij hare nicht aanklopte, de voorzaal binnengekomen waren. Het was de kleine Katharina en hare kamenier. Men had den jongen Anubis, nadat hij van het dak was gevallen hier ondergebracht, en niettegenstaande dit gedeelte van het huis voor de voorname gasten was ingericht, was de arts Philippus niet te bewegen geweest de overbrenging van den kranke, die volstrekt rust noodig had, naar de benedenverdieping toe te staan.De moeder van den zwaar bestraften luisteraar, Katharina’s voedster, was bij hem. Het kwikstaartje vergezeld van hare kamenier had hem opgezocht en zou zich gaarne vergewischt hebben of het haar zoogbroeder gelukt was, vóor zijn val iets af te luisteren. Doch de arme knaap was zoo zwak en leed zooveel pijn, dat zij geen moed vond, om hem met vragen te kwellen. Haar gang uit Samaritaansche barmhartigheid zou echter niet onbeloond blijven, want Orion met zulk een schoone, voorname vrouw te zien komen uit Paulas vroegere kamer, dat was iets buitengewoons, waarvoor het wel der moeite waardwas de oogen wijd te open te doen. Zij zou gaarne tweemaal den weg naar het stadhouderlijk paleis hebben afgelegd, al ware het enkel om de kleederen en sieraden van deze uit den hemel gevallene vreemdelinge te zien. Zoo iets raakte in Memphis zelden verdwaald. Of niet deze bevallige, voorname dame eigenlijk de »andere” was en niet Paula? Kon Orion niet evengoed met de Damasceensche zijn spel gedreven hebben, als vroeger met haar? Daar in die kamer moest een zalig wederzien zijn gevierd, dat verried elke trek van het heiligen gelaat der blonde schoone. O die Orion! Zij had hem kunnen verworgen, doch het deed haar genoegen, dat er buiten haar nog anderen, en wel zulke edele en aanvallige anderen waren, die hij bedroog.»Hij blijft!” had Heliodora reeds van den drempel de matrone toegeroepen, en deze had den jonkman de hand toegestoken met een innig: »Dat God het u loone!”Zij verheugde zich ook over het gelukkig uitzicht van hare nicht; doch bij dit alles waren de oogen van de levendige vrouw toch overal, en toen zij Katharina opmerkte, die nieuwsgierig was blijven staan, wendde zij zich tot haar, begroette haar vriendelijk en vroeg Orion: »Eene zuster, of wel het nichtje, van wie gij ons verteld hebt?”Hierop sprak de jonkman Katharina toe en maakte haar met zijne gasten bekend. Zij vertelde harerzijds wat haar hierheen had gebracht en deed het op zoo allerliefste en hartelijk medelijdende wijze—want zij was haar zoogbroeder en speelnoot oprecht genegen—dat zij der matrone en Heliodora zeer goed beviel en deze de hoop uitspraken haar recht dikwijls weer te zien. Nadat zij zich verwijderd had, zeide vrouw Martina:»Een bekoorlijk popje! Frisch en rein, als pas uit den dop gekropen, flink en netjes; en wat babbelt zij aardig!”»En bovendien de rijkste erfdochter van Memphis, misschien wel van geheel Egypte,” voegde Orion er bij. Daar hij echter bespeurde dat Heliodora bij deze opmerking de oogen bedroefd neersloeg, ging hij lachend voort: »mijne moeder had ons voor elkander bestemd, doch wij verschillen te veel in lengte, en passen ook overigens niet bij elkander.”Hierop nam hij afscheid van de vrouwen, begaf zich naar Nilus en gaf hem kennis van zijn besluit. Het verzoek om zijn uitblijven bij Rufinus te verontschuldigen en de dochter van Thomas voor hem te groeten, alsmede aan haar de beweegredenen duidelijk uit een te zetten, die hem terug hielden, had tot uitwerking, dat de stille, bescheidene man buiten zichzelven raakte van vreugde en zich veroorloofde Orion als een zoon te omarmen.Tot omstreeks middernacht bleef de jonge gastheer met zijne gasten bijeen, en toen vrouw Martina hare beschermelinge den volgenden morgen een weinig vermoeid doch stil gelukkig wederzag, kon zij haar mededeelen, dat de mannen den Nijl reeds waren overgegaan, en waarschijnlijk met den stadhouder reeds alles in orde hadden gebracht. Doch groot was hare teleurstelling toen beiden na eenigen tijd terugkeerden en haar mededeelden, dat Amr na de wapenschouwing bij Heliopolis, in plaats van naar Fostat terug te keeren, regelrecht naar Alexandrië was gegaan. Daar moest hij nog gedurende eenige dagen verwijlen, waarna hij zich naar Medina zou begeven. Er bleef nu voor den senator niets anders over dan hem onverwijld na te reizen, en Orion bood zich vrijwillig aan hem daarheen te vergezellen.Heliodoras vluchtige poging om hem terug te houden, leed schipbreuk op zijn ernstig en standvastig besluit. Deze reis moest echter alleen dienen om zijne eigene zwakheid en deze schoone vrouw te ontvluchten, die niets meer voor hem zijn kon en mocht. In den vroegen morgen had hij tijd gevonden om Paula te schrijven, maar hij had meer dan éen half voltooiden brief weggeworpen, voor hij de rechte woorden had gevonden. Ze zeiden haar, dat hij haar en haar alleen liefhad, en terwijl hij ze in het wasgrifte, had hij met ontevredenheid over zijn eigen gedrag gevoeld, dat zijn hart inderdaad aan Paula behoorde, was het besluit in hem gerijpt aan zijne betrekking tot Heliodora een einde te maken, en zich niet eerder aan zijne geliefde te vertoonen, vóór het hem gelukt was den band voor altijd te verscheuren, die hem aan de jonge weduwe verbond.De vrouwen hadden de reizigers naar den wagen gebracht, en toen zij met gebogen hoofden, als verslagene krijgslieden, in de groote voorzaal terugkeerden, ontmoetten zij daar het kwikstaartje met hare kamenier. Martina wilde het meisje tegenhouden en overreden mede te gaan naar haar verblijf; doch Katharina voldeed niet aan haar verlangen en scheen groote haast te hebben. Zij kwam van haren zoogbroeder Anubis, die heden minder pijn had dan gisteren en haar, zoo goed het gaan wilde had medegedeeld wat hij vernomen had. Dat zij naar het noorden zouden vluchten, stond bij haar vast; doch hij had het reisdoel van de zusters of niet goed verstaan of vergeten. Zijne moeder en verpleegster waren buiten de kamer gezonden, en toen had het dankbare kwikstaartje zich over hem heen gebogen, zijn aardigen kop een weinig opgeheven en hem twee zulke hartelijke kussen gegeven, dat de arme jongen er waarlijk angstig van was geworden. Toen hij zich weder alleen met zijne moeder bevond, gevoelde hij zich gaandeweg beter,en de herinnering aan het onuitsprekelijk geluk, dat hem wedervaren was, had de groote smarten, die hij om Katharinas wil leed, meer en meer gelenigd.Het kwikstaartje keerde niet terstond naar haar moeder terug, maar begaf zich onverwijld naar den bisschop van Memphis, dien zij alles vertelde wat zij vernomen had omtrent de bewoonsters van het Caecilia-klooster, en wat men voor haar gedaan had. De zachtaardige Plotinos geraakte bij deze mededeeling zeer in toorn, begaf zich, zoodra zij hem verlaten had, naar Fostat, om de hulp van den stadhouder, en daar deze afwezig was, van zijn Wekil in te roepen, ten einde te bewerken dat deze de vluchtende nonnen zou vervolgen.Toen Katharina op haar kamer alleen was, zeide zij stil tevreden tot zichzelve, dat zij nu iets op het getouw had gezet, dat Orion zoowel als Paula de vreugde van menigen dag bederven, ja zoo zij hoopte voor beiden noodlottig worden zou.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Inwendig diep beleedigd, viel Orion te huis gekomen op den divan neder. Zij had gezegd, dat haar hart hem toebehoorde, doch wat was dat voor een armzalige, koele liefde, die niets vergunde voor zij zich van alle zijden verzekerd zag! En hoe had Paula aan eene derde kunnen toestaan, om zich te plaatsen tusschen hen beiden, en haar handelingen en gevoelens te besturen? Wat tusschen hen was voorgevallen, moest zij aan die derde verraden hebben. Voor deze hem vijandig gezinde Melchietische non wilde, zou hij... het was om zijn verstand te verliezen....Doch hij kon niet terug, hij had zich tegenover den waardigen grijsaard en tegenover haar tot dit onzinnig avontuur verplicht. In plaats van de edele, trotsche beheerscheres van zijn gansche wezen zag hij in zijne verbeelding thans eene in tranen badende, onzelfstandige, koelhartige vrouw.Daar lagen de kaarten en plannen, die hij zich door Nilus op zijn kamer had laten brengen, om ze te bestudeeren voor de taak, die de edele Amr hem had opgedragen, en toen zijn blik er op viel, sloeg hij met zijn vuist tegen den wand, sprong hij op en liep als een bezetene in dezelfde kamer op en neer, die door haar stil leven was gewijd. Daar stond nog hare luit, die hijzelf opnieuw besnaard en gestemd had. Om wat tot rust te komen, nam hij die op, greep naar het plectrum en begon te spelen. Doch het instrument was slecht, zij had zich met een armzalig ding tevreden gesteld. Hij wierp het op het rustbed en nam zijn eigen speeltuig ter hand, een geschenk van Heliodora. Hoe verstond zij de kunst om aan deze luit schoone en weeke tonen te ontlokken! Ook nu gaven hare snaren een heerlijken klank, langzamerhand begon hij er behagen in te scheppen, en de muziek bracht, gelijk zoo vaak gebeurt, zijn onstuimig gemoed tot rust. Gevoelvol en roerend klonk zijn spel, doch menigmaal greep hij zoo heftig in de snaren, dat hun geweldigtrillen en ruischen deed denken aan de weeklachten en kreten van eene vertwijfelende ziel.Daar sprong opeens, te midden van dit hartstochtelijk spel, met dreunenden knal de kam op den bodem der luit, en op hetzelfde oogenblik opende de secretaris, die hem in de hoofdstad vergezeld had, in vroolijke opgewondenheid de deur en riep hem reeds op den drempel toe: »Heer, denk eens aan! Daar komt een bode uit de herberg van Sostratus en brengt u dit tafeltje over, het is open en ik heb het gelezen. Begrijp eens, het is nauwelijks te gelooven! De senator Justinus met zijne edele gemalin, de aanzienlijke matrone Martina, zij zijn hier, hier te Memphis, en zij laten u uitnoodigen om hen te bezoeken, ten einde gewichtige dingen met hen te bespreken. Heden nacht zijn zij aangekomen, zeide de bode, en nu... Welk eene vreugde! Wat hebt gij niet in hun paleis genoten! Kunnen wij hen in de herberg laten? Zoolang er nog gastvrijheid in de wereld is, zou dit zonde zijn!”»Onmogelijk, volstrekt onmogelijk!” zeide Orion, die de luit uit de hand had geworpen en nu zelf het tafeltje bekeek. »Waarachtig hij is het, zijn eigen handschrift! En juist die twee, die zoo moeielijk te bewegen waren om zich te verplaatsen, zijn in Egypte, hier te Memphis! Bij Zeus”—zoo zwoeren de christelijke jongelieden van hooger stand te Alexandrië en Konstantinopel nog altijd—»bij Zeus, ik ben hun verschuldigd ze hier als vorsten te ontvangen! Wacht! Gij zegt natuurlijk aan den bode, dat ik terstond zal komen, en laat het nieuwe Pannonische vierspan voor den zilveren wagen zetten. Ik ga naar mijne moeder, doch dat kan nog wachten. Gij beveelt Sebek terstond de gastenverdieping, vanwaar de kranken nu gelukkig verdwenen zijn, voor de aanzienlijke gasten in orde te laten brengen. Mijne tegenwoordige kamer worde er bij genomen en ik ga naar mijn vroeger verblijf terug. Zij hebben zeker een groot gevolg. Twintig, dertig slaven moeten aan het werk, want op zijn langst binnen twee uren moet alles gereed zijn. De beide zalen moeten bijzonder fraai gemeubeld worden. Wat er ook ontbreekt, Sebek kan zonder bedenking over alles beschikken, wat in het stadhouderlijk paleis is. Justinus hier in Egypte!—Doch maak nu voort! Neen wacht even, hier neem die geschriften en plannen,—of neen, zij zijn te zwaar voor u. Overhandig ze aan een slaaf en laat ze naar Rufinus brengen, die ze bewaren moet tot ik kom. Zeg hem, dat ik er onderweg gebruik van wilde maken; dan weet hij het wel.”De secretaris vloog de kamer uit, en Orion liet zich snel de haren ordenen en zijn treurgewaad in nieuwe plooien leggen, waarop hij zich naar zijne moeder begaf. Zij had dikwijls enveel van de hartelijke ontvangst gehoord, die haar zoon en in vroegeren tijd haar gestorven echtgenoot in het huis van den senator ten deel was gevallen, en zij vond dus dat het vanzelf sprak de zoogenaamde gastenverdieping, waartoe ook Paulas gewezen kamer behoorde, voor de reizigers in te ruimen; doch zijzelve verlangde beschouwd te worden als te zeer lijdende, om zich met de gasten bezig te houden. Zij gaf vervolgens Orion den raad om zijne reis te verschuiven, ten einde zich geheel aan de vrienden te kunnen wijden; hij verklaarde echter, dat hij zich door hen niet kon laten terughouden. Men kon zich geheel verlaten op Sebek en de overste-huishoudster, en de keizer zelf ontsloeg een kranke van de verplichtingen eener gastvrouw. Zij zou evenwel het edele paar wel toestaan, haar hunne opwachting te maken, doch ook dit sloeg vrouw Neforis af, het was voldoende als de gasten dagelijks in haar naam en met hare groete uitgelezen vruchten en bloemen en ten laatste kostelijke geschenken ontvingen.Orion oordeelde dit plan harer waardig en weldra rende hij met zijne Pannoniërs den hof uit. Bij de haven ontmoette hij den kapitein van het schip dat hij gehuurd had, hield hem haastig twee vingers voor en deze gaf door herhaald hoofdknikken te kennen, dat hij de beteekenis van dezen wenk: »twee uren voor middernacht wordt gij verwacht,” verstaan had. Het zien van den door de zon verbranden schipper en het vooruitzicht voorname vrienden hunne goedheid te kunnen vergelden, wekte hem weder op, en hoezeer het hem leed deed juist deze gasten te moeten verlaten, zoo begonnen de gevaren die hem wachtten toch weder zijne zenuwen te prikkelen. Het zou hem niet zwaar vallen de abdis onderweg voor zich te winnen, en Paula zou hij misschien heden avond nog tot rede brengen. Justinus en zijne vrouw waren ook Melchieten, en hij wist dat zij, die hij hoogschatte, met zijn plan zeker ingenomen zouden zijn, als hij hen in zijn vertrouwen nam.De herberg van Sostratus, een verbazend groot, vierkant gebouw, dat een ruimen hof omsloot, was de voornaamste en grootste van de stad. De oostzijde was naar de straat en den Nijl gekeerd en bevatte de beste vertrekken van het huis, die de senator met zijne gemalin en die hem vergezelden sedert den afgeloopen nacht bewoonden. Het geratel van het vierspan lokte Justinus naar het venster, en zoodra hij Orion herkende, zwaaide hij met een tafellaken, dat hij dadelijk had gegrepen, in de straat, riep hem een vroolijk »welkom” toe, en ging daarna snel in het vertrek terug.»Daar is hij,” zeide hij tot zijne gade, die slechts met de noodzakelijkste kleedingstukken bedekt op een rustbed lag, zichdoor een knaap wat koelte toe liet waaien, en van tijd tot tijd een beker met vruchtensap aan de droge lippen bracht.»Wel komaan, dat is goed!” antwoordde de matrone en beval hare kamenier zoo spoedig mogelijk een overkleed, maar het dunste dat zij vinden kon, te brengen. Vervolgens richtte zij zich tot een zeer lieftallig vrouwelijk wezen, dat reeds bij den eersten roep van Justinus van den divan was opgesprongen, en vroeg: »Wilt gij, dat hij u hier dadelijk zal vinden, mijn hartje, of laat gij ons liever eerst met hem spreken en hem vertellen, dat wij u hebben medegetroond?”»Dat zal wel het beste zijn,” antwoordde zij tot wie de vraag werd gericht, met eene welluidende stem. Zij haalde diep adem, alvorens zij angstvallig vervolgde: »Wat zal hij nu van mij denken? Men wordt oud, maar die dwaasheid, die dwaasheid...”»Neemt toe!” zeide de matrone lachende,»of wordt zij met de jaren minder? Doch daar zal hij reeds zijn.”De jonge vrouw vloog naar eene zijdeur, waarachter zij verdween. Vrouw Martina zag haar na, en terwijl zij met den vinger haar gemaal in de richting wees, zeide zij: »Zij laat de deur op een kiertje staan. Lieve God, bij deze hitte ook nog verliefd zijn, eene griezelige gedachte!”Daar ging de deur open en nu volgde eene allerhartelijkste begroeting. Men kon het den jonkman en dit bejaarde paar aanzien, dat zij zich innig verheugden over dit wederzien.Toen Justinus Orion omarmde riep de matrone: »Mij ook een kus!” en nadat de jonkman spoedig en blijde aan haar wensch had voldaan, klaagde zij zuchtende: »O mensch, o menschenkind, groote Sesostris! Hoe is uw beroemde voorvader in staat geweest onder zulk eene zon groote dingen tot stand te brengen! Wat mij betreft, ik verga, ik smelt hier als boter; doch wat doet men al niet voor die men liefheeft!—Maar Syra, Syra! Om godswil nog zoo’n kleinigheid, dat er als een kleedingstuk uitziet. Hoe verstandig zijn toch de modes der Afrikaansche boeren, die wij onderweg meermalen hebben ontmoet! Wanneer zij een doekje dragen van een vinger of drie breed, dan meenen zij al zeer net aangekleed te zijn.—Maar ga nu zitten, zitten hier aan mijne voeten! Een stoel voor den heer, Argos, dan wat wijn, en het water in zulk eene vochtige, aarden kruik, en zoo koel als straks. Manlief, ik vind dat de jongen er nog aardiger uitziet. Maar lieve God, dat rouwgewaad! Hoe treurig staat het hem! Arme, arme jongen; wij hebben het reeds te Alexandrië gehoord!”Zij droogde daarbij hare oogen af en tegelijk de zweetpaarlen op haar voorhoofd, en haar gemaal voegde de betuiging van zijne deelneming over den dood van den Mukaukas bij de hare.Het was een aangenaam, vroolijk paar, die Justinus met zijne Martina: twee menschen, die zich zoo recht te huis gevoelden in hun grooten, door erfenis verkregen welstand, en die, ofschoon van hooge geboorte, nooit met hun adeldom te koop behoefden te loopen, daar hun die in de oogen van groot en klein toekwam. Zij hadden zich het recht veroverd, om in de stijve vormen van de deftigste gezelschappen natuurlijke menschen te blijven, en wie den vrijen toon van hun huis niet beviel, die konden wegblijven. Hij, zonder eerzucht, senator ingevolge zijne bezitting en zijn naam, was er steeds op bedacht van deze schijnbare waardigheid nooit een ander gebruik te maken, dan om bevoorrechte dienaars van het huis betrekkingen of de zijnen bij feestelijke gelegenheden goede plaatsen te bezorgen, en toonde zich overigens een gastvrij heer, een vriend zijner vrienden, die even gaarne prettig leefde als leven liet. Martina was eene doodgoede matrone, die nooit aanspraak had gemaakt op schoonheid, maar om wier hand toch velen hadden gedongen. Sedert lang vond dit echtpaar het nergens heerlijker dan in de hoofdstad of op hunne villa aan den Bosphorus, en het versmaadde daarom het genot van andere voorname en rijke personen, om baden te bezoeken of nu en dan op reis te gaan. Zij vonden er hun genoegen in het goede vrienden in hun huis aangenaam te maken; en aan de zoodanigen was nooit gebrek, vooral ook omdat zij, die aan het Byzantijnsche hof den rug moede hadden gebogen, in hun ongedwongen kring bijzonder behagen schepten.De jeugd koos Martina gaarne tot haar vertrouwde en ook Heliodora, de weduwe van haar eigen neef, was met haar harteleed tot haar gekomen; zij toch had Orion in hun huis leeren kennen. Heliodora was de lieveling van het oude paar, maar hoog, hooger dan zij, stond in beider achting de jongere broeder van haar gestorven gemaal. Deze was bestemd geweest hun erfgenaam te worden, doch zij hadden hem twee jaren lang beweend, daar de tijding tot hen gekomen was, dat Narses die als tribuun onder de keizerlijke ruiters had gestaan, in den strijd tegen de ongeloovigen was gevallen. Intusschen was niemand in staat nadere zekerheid te geven van zijn dood, tot hunne onvermoeide nasporingen aan het licht hadden gebracht, dat hij door de Saracenen gevangen was genomen, en in Arabië als slaaf diende. Door Orion en zijn gestorven vader hadden zij de bevestiging van deze tijding en weinige uren na de afreis van den jongen Egyptenaar een met bevende hand geschreven brief van den verlorene ontvangen, waarin hij hun smeekte zijne verlossing door Amr, den stadhouder van Egypte, te bewerken. Het bejaarde paar was nu op reis gegaan en Heliodorahad het hare er toe bijgebracht om hen tot dezen stap te bewegen. Haar verlangen naar Orion, wien zij een vol jaar had toebehoord met al de toewijding van een teeder gemoed, was sedert zijn vertrek van uur tot uur toegenomen, en zij had dit der matrone niet verheeld. Deze hield het weder voor haar plicht het arme, minzieke kind bij te staan, wantHeliodorahad haar echtgenoot, den neef van den senator, tot aan zijn einde met roerende trouw en zorgvuldigheid verpleegd, en bovendien was zij, Martina, het geweest, die den jongen Egyptenaar, die »het haar gedaan had,” de gelegenheid had aangeboden om de jonge weduwe te ontmoeten. Die twee wáren immers voor elkander geschapen, en te koppelen was haar grootste genot. Maar in dit geval hadden alleen de harten, niet de handen elkander gevonden, en het was voor Martina eindelijk zeer pijnlijk geworden, als zij Orion en Heliodora door de geheele wereld en met alle recht een verloofd paar hoorde noemen.Eens had zij den jongen Egyptenaar op hare innemende manier recht ernstig aangesproken en ten antwoord ontvangen, dat zijn vader, een Jacobiet, hem nooit zou vergunnen met eene vrouw van eene andere geloofsbelijdenis te huwen. Daar had zij toen weinig tegen kunnen inbrengen; doch zij had vaak gedacht, als ik Heliodora maar eens aan den ouden Mukaukas voorstellen kon, dan zou hij, dien zij jaren geleden in de hoofdstad had gekend als de schoone jonge vriend van aanminnige vrouwen, zijn tegenstand wel hebben opgegeven. Haar lieveling bezat inderdaad alles, wat in een vaderhart de oprechte wensch kon doen opkomen haar met zijn zoon te verbinden. Zij was van goeden huize, de weduwe van een aanzienlijk man, rijk, pas twee-en-twintig jaren oud, en bezat eene schoonheid, die oud en jong in verrukking moest brengen. Martina meende geen lieftalliger, zachter schepseltje te kennen. Hare groote, smachtende oogen, ze noemde ze »biddende”, moesten een steen vermurwen, en haar blond, licht golvend haar was zoo zacht als haar gemoed. Daarbij kwam hare gevulde, buigzame gestalte, en de wijze waarop zij zich wist te kleeden, te zingen en de luit te tokkelen! Niet zonder reden trachtte al wat jong en voornaam was te Konstantinopel hare gunst te verwerven. Kon de oude Mukaukas haar maar eens hooren lachen! Er was niets vroolijkers te bedenken dan dit gelach, dat helderder klonk dan eene klok. Zij stond in geestes-ontwikkeling nu juist niet bijzonder hoog, maar evenmin kon men haar onnoozel noemen. Al te verstandige vrouwen vielen niet altijd in den smaak van iedereen.Toen tot de reis naar Egypte besloten werd, stond het van te voren bij Martina vast, Heliodora mede te nemen en inMemphis de plagerij, die hare lieveling op ieders tong had gebracht, tot ernst te doen worden. Toen zij nu te Alexandrië vernam, dat de Mukaukas Georg inmiddels gestorven was, hield zij het spel voor gewonnen. En nu waren zij te Memphis, nu zat Orion voor haar en nu noodigde de jonge man haar en haar geheele gevolg dat uit een twintigtal personen bestond, bij zich in zijn huis. Het sprak vanzelf dat de reizigers aan dezen eisch van het gastrecht gaarne gevolg gaven, en er werden terstond toebereidselen gemaakt tot de verhuizing.Justinus vertelde wat hem bewogen had naar Egypte te gaan en verzocht Orion om zijne hulp. De jonkman had den neef des senators als een derschitterendsteen beminnenswaardigste jongelieden in de hoofdstad gekend, en het deed hem oprecht leed, de vrienden te moeten mededeelen dat de man, die de bevrijding van den gevangene gemakkelijk bewerken kon, overmorgen naar Medina dacht te vertrekken, terwijl hijzelf zich gedwongen zag nog hedenavond voor onbepaalden tijd op reis te gaan. Hij bemerkte, hoe deze zeer stellig uitgesprokene verzekering het oude paar teleurstelde en bedroefde, en op aandringen van den senator deelde hij hem en zijne gemalin onder het zegel der gestrengste geheimhouding mede, wat hem van hier riep en welk een gevaarlijk waagstuk hij op zich had genomen te volbrengen. Hij had zijn verhaal begonnen in de overtuiging, dat zijne orthodoxe gasten er mede ingenomen zouden zijn, maar tot zijne verbazing keurden beiden zijn voornemen af, en dat, gelijk zij verzekerden, niet alleen om hun zelven en de hulp die zij van hem verwachtten.De senator maakte hem opmerkzaam, dat hij het natuurlijk hoofd was der Egyptische bevolking van zijn vaderland en dat hij door zulk een onderneming zijn gezag ondermijnde bij hen, wier leiding hem toekwam als de zoon van zijn vader. Zijne eerzucht moest hem voorschrijven naar die leiding te streven, en in plaats van den patriarch door zulk een avontuur in het aangezicht te slaan, was het zijn plicht, hand aan hand met den prelaat, wiens macht hij veel te gering schatte, zijne geloofsgenooten een dragelijk bestaan te bezorgen in dit door de muzelmannen veroverde land.Paulasnaam werd in dit gesprek niet genoemd, doch Orion dacht aan haar en bleef standvastig bij zijn besluit, ofschoon eene stem in zijn binnenste zich er heftig tegen verzette. Om echter de vrienden te toonen hoeveel er hem aan gelegen was hun welgevallig te zijn, sloeg hij hun voor terstond met Justinus den stroom over te gaan en zijne zaak den stadhouder Amr voor te dragen. Een blik naar buiten deed hem zien, dat er voor zonsondergang nog ongeveer anderhalf uur moest verloopen.De rit met zijn snelvoetige Pannonische rossen behoefde niet meer tijd in beslag te nemen, en gedurende zijne afwezigheid met Justinus kon de verhuizing plaats hebben. Reeds hielden vrachtwagens uit het stadhouderlijk paleis voor de herberg stil, en andere wagens waren later besteld, om de lieve gasten naar hun nieuw verblijf te brengen.De senator nam den voorslag van den jongeling aan, en terwijl beide mannen zich verwijderden, riep mevrouw Martina Orion achterna: »Mijn senator zal u onderweg wel bewerken, en wanneer gij zijn verstandig voorstel aanneemt, ontvangt gij daarna eene schoone belooning. De goudtalenten niet ontzien, oudje, tot de veldheer belooft voor de bevrijding van den jongen te zullen zorgen.—Luister naar mij, Orion, en laat die dwaze streek varen.”De zonneschijf was nog niet geheel achter de Lybische bergen verdwenen, toen het snuivende met wit schuim bedekte vierspan het stadhouderlijk hof weder binnenreed. De mannen hadden helaas niets uitgericht, want Amr hield eene wapenschouwing over de troepen tusschen Heliopolis en Oniou en werd eerst in den nacht of morgen vroeg terug verwacht. De verhuizing uit de herberg was afgeloopen, en men zag de blanke slaven van het senatorspaar reeds tusschen de bruine en zwarte van het stadhouderlijk huis. Vrouw Martina was in verrukking over haar nieuw verblijf, en over de prachtige haar ten deele onbekende bloemen, waarmede de lijdende huisvrouw de beide groote ontvangzalen als een welkomstgroet had laten opsieren, doch het mislukte bezoek in Fostat viel als honingdauw op hunne vroolijke stemming.Orion, zeide zij, moest dit ongelukkig gesternte als een godsoordeel beschouwen. De hemel zelf verlangde, dat hij zijn avontuur zou opgeven en zich tevreden stellen met de voorbereiding van dat edele werk, dat ook zonder hem uitvoerbaar was, om een ander werk, waarbij zijne hulp dringend noodig was, alleen uit vriendschap ten einde te brengen. Hij echter gaf opnieuw zijn leedwezen te kennen, dat hij ondanks alles zich moest vasthouden aan zijn genomen besluit, en als Martina hem vroeg: »Ook wanneer mijn geschenk u bij uitnemendheid welgevallig is,” antwoordde hij met een droevig hoofdknikje, als wilde hij zeggen, »helaas, ook dan!”»Dat zullen we zien,” hernam zij op luchtigen toon, waarna zij met ernst vervolgde: »Ieder mensch heeft iets eigenaardigs, wat zijn bijzonder karakter uitmaakt en wat hemgoed staat: zoo hebt gij uw beminnenswaardig voorkomen, mijn zoon! Maar zoo vast op éen stuk te blijven staan, dat past niet voor u, dat staat u zoo vreemd, en is juist het tegendeel van hetgeen ik bij u beminnenswaardig noem. Wees u zelf, ook in dit geval!”»Dat wil dus zeggen, zwak en bereid om in te willigen, inzonderheid wanneer goedhartige vrouwen...”»Als oude vrienden u smeeken,” verbeterde zij snel; doch voor zij verder ging, wendde zij zich tot haar gemaal en zeide: »Lieve God, man, kom eens hier aan het venster! Hebt gij ooit zulk een gloed van purper en goud aan den hemel gezien? Het is waarlijk als stonden die oude pyramiden en geheel Egypte in vlammen. Maar nu, groote Sesostris”—zoo noemde zij Orion, als zij goed in haar humeur was—»nu is de tijd gekomen, om u te laten zien wat ik voor u heb medegebracht. Eerst deze ring,” en daarbij overhandigde zij hem een kostbaren armring, met gesneden steenen van oud-Griekschen arbeid bezet, »en dan—neen, neen, nog geen dank—en dan... Het ding is nogal groot, en bovendien... Volg mij maar.” Met deze woorden liep zij uit de ontvangzaal naar het voorvertrek, ging hem tot aan de deur van de kamer vooruit, die eerst Paula en toen hemzelven gehuisvest had, opende die even, wenkte hem binnen te gaan, en schoof Orion met een vluchtig: »Ziedaar, daar hebt gij het” over den drempel.Heliodora stond dicht bij het venster. De lichte weerschijn van de ondergaande zon omscheen hare slanke en toch gevulde lenige gestalte; hare smeekende oogen zagen hem met eerbiedige bewondering aan, en de over de borst gekruiste blanke armen gaven haar het aanzien van eene heilige, die met smachtend verlangen, in het vooruitzicht van onuitsprekelijke zaligheid, deemoedig een wonder wacht.Ook vrouw Martinas oogen waren op hem gevestigd en zag, hoe hij bij den aanblik der jonge vrouw doodsbleek werd, hoe hij door een zeker, zij wist niet welk, gevoel aangegrepen hevig verschrikte en voor de met een krans van licht omgevene gestalte daar aan het venster terugtrad. Zulk een uitwerking had de goede matrone niet van deze verrassing verwacht. Behalve op het theater kon zij zich niet herinneren ooit een man gezien te hebben, die zoo door de liefde werd aangegrepen, want zij vermoedde niet dat het hem was als had zich plotseling een gapende afgrond voor zijne voeten geopend. Met eene behendigheid, die niemand van de matrone met haar zwaar, dik lichaam verwacht had, keerde vrouw Martina daarop haastig naar haar man terug, en riep hem reeds van den drempel toe: »Alles is goed, alles is in orde! Bij haar aanblik was het, als had de bliksem hem getroffen. Let op—daar wordt hier aan den Nijl nog bruiloft gevierd.”»Mijn zegen erop,” antwoordde de senator, »maar bruiloft of geen bruiloft, als zij dien kostelijken jongen maar zoo van de wijs brengt, dat hij dit dolle avontuur uit zijn hoofd zet. Ikheb gezien dat ook die bruine kerels bij de Arabieren voor hem ter aarde buigen, en zoo iemand, dan overreedt hij den stadhouder voor Narses het zijne te doen. Hij mag, neen, hij mag niet weg! Gij hebt Heliodora toch op het hart gedrukt....”»Dat zij hem vasthoudt?” zeide de matrone lachende. Ik zeg u, zij nagelt hem hier vast, als het zijn moet.”»Nu dat is goed!” hernam Justinus. »Maar vrouw, het past toch inderdaad niet, dat gij hen zoo aan elkaar opdringt, zou men kunnen zeggen. Eigenlijk zijt gij toch zoowat haar vrouwelijke mentor, hare moederlijke patrones.”»Lieve hemel!” antwoordde Martina. »In ons huis hebben zij ook geene getuigen genoodigd bij hunne samenkomsten. Eerst moet dat arme, verliefde volkje zich toch uitspreken en zich verblijden over het wederzien! Daarna kom ik wel tusschenbeide en dan ben ik weer in allen ernst de bezorgde moederlijke vriendin. Tinus, Tinus! Als het hier nog tot eene bruiloft komt, God weet of ik dan nog niet barrevoets eene bedevaart doe naar de heilige Agathe.”»En ik slechts op één schoen!” verzekerde de senator, »want—alles wat betamelijk is—dat gebabbel over Dora ging ten laatste de grenzen te buiten. Het ging niet langer, om die twee te zamen bij ons te zien. Maar nu... neen in ernst! Ga nu naar hen toe....”»Dadelijk, dadelijk!” antwoordde de matrone. »Maar eerst nog even hier aan het venster! O die zon! Ja, nu is het te laat. Nog geen twee minuten geleden zag de gansche hemel er uit als mijne roode Syrische mantel. Nu ligt daaronder alles in het duister. Het huis, de tuin zijn mooi, en alles is oud en degelijk: juist zoo heb ik mij de bezitting van den rijken Mukaukas gedacht.”»Ik ook,” hernam Justinus. »Maar nu zult gij gaan! Worden zij het eens, dan mag Dora van geluk spreken.”»Dat zou ik meenen!” zeide vrouw Martina. »Maar hare villa behoeft zij ook niet weg te stoppen, en daar zullen zij elken zomer wonen, dat zal ik doorzetten. Wanneer die arme, beste jongen, Narses, er het leven niet af brengt—want twee jaren als slaaf te dienen, dat wil wat zeggen—dan zou ik in staat zijn....”»Het testament te veranderen? Dit is zoo kwaad niet: doch daarmede hebben we den tijd, nu moet ge terstond gaan!”»Dadelijk, dadelijk! Men moet toch kunnen uitspreken. Ik voor mij zou niemand weten, dien ik liever in de plaats van Narses stelde....”»Als Orion en Dora? Nu, mij goed, maar thans...”»Misschien is het zondig zich een levende reeds onder de dooden te denken... De arme jongen mag in geen geval naar zijne ruiterij teruggezonden worden.”»In geen geval; maar Martina...”»Morgen zal Orion den Arabier onze zaak eens na aan het hart leggen...”»Als hij maar hier blijft!”»Willen we wedden dat zij hem vasthoudt?”»Dan zou ik wel een gek zijn!” zeide de senator lachend. »Krijg ik ooit iets van u als ik win? Maar thans, alle scherts ter zijde, thans gaat ge, om naar beiden te zien!”Ditmaal volgde de matrone het bevel van haar gemaal, en zij had de weddenschap gewonnen, want waartoe Orion noch door den brief van zijne schoonzuster, noch door de vermanende stem van zijn kinderlijk geloof, noch door de trouwhartige waarschuwing van den eerlijken beambte, noch door de overtuigende beweegredenen van den senator te brengen was geweest, daartoe had de zoete vleierij van Heliodora hem verleid.Hoe was de liefde in haar hart ontvlamd, toen zij had bemerkt dat haar aanblik hem zoo diep had geschokt; met welk een roerende hartelijkheid was zij in zijne armen gezonken; hoe ootmoedig en als verteerd door zoete smart en zalige vreugde was zij neergegleden aan zijne voeten, had zij zijne knieën omvat en hem met betraande, van dweepende vereering sprekende oogen gebeden haar heden niet te verlaten, ten minste nog tot morgen te blijven, om haar dan, als hij wilde, in het stof te vertreden. Nu, juist nu, van hem te scheiden, terwijl zij door smart en innig verlangen opgewonden, hem had weergevonden, om zich te zien prijsgeven aan een onzeker lot, dat zou haar einde, dat zou zeker haar dood zijn. En toen hij zich desniettemin trachtte te verzetten, was zij hem om den hals gevlogen, had zij zijn mond met brandende kussen gesloten en hem allerlei vleiende namen in het oor gefluisterd, die hem eens zoo dierbaar waren geweest.Waarom had hij nooit ernstig beproefd haar tot de zijne te maken, waarom haar zoo snel vergeten? Omdat zij, die tegenover anderen hare waardigheid streng wist te bewaren, zich aan hem na enkele ontmoetingen zonder weerstand had overgegeven, als ware zij bedwelmd door eene magische betoovering. De licht verworven kostelijke buit was hem weldra toegeschenen van minder waarde te zijn. Maar heden deed juist dat zijn liefdegloed ontvlammen, wat hem toen had afgekoeld. Zoo wilde, zoo moest hij bemind worden, met geheele overgave, met een hart dat enkel aan hem en niet aan zichzelve dacht, dat voor vurige liefde niet anders vroeg dan liefde, dat zich niet angstigallerlei grenzen stelde en vreemden bijstand inriep, om zich voor hem te beveiligen. Deze schoone, jonge vrouw, die een en al hartstocht, het banvonnis der samenleving, leed en smart op zich genomen had om zijnentwil, van wien zij wist dat hij haar verlaten had, omdat hij haar voor God en de menschen nooit tot de zijne kon maken, ja die vrouw wist lief te hebben, en het beurde hem op, hem die in menige ure aan zichzelven begon te twijfelen, zoo vereerd, zoo—hij kon het zich niet ontveinzen—zoo ‘vergood’ te worden. En hoe aanminnig, hoe recht vrouwelijk bleef zij bij dit alles! Die smeekende oogen die hem te Konstantinopel verveeld hadden, omdat zij altijd dezelfde roerende uitdrukking vertoonden, wanneer zij vol angst tot zijne ziel riepen haar niet te verlaten, die verleidelijke oogopslag, waarmede zij weleer hem verzocht haar den mantel om te hangen, waarmede zij hem het eerst had aangetrokken, dat alles was thans weder nieuw voor hem en oefende de vroegere tooverkracht op hem uit.In deze oogenblikken van teeder samenzijn had hij beloofd, ten minste in overweging te nemen, of hij zich niet los kon maken van de verplichtingen die hij had aangegaan. Doch nauwelijks was dit gebeurd, of de herinnering aan Paula werd weder in hem wakker en eene innerlijke stem riep hem toe, dat zij tot eene hoogere menschensoort behoorde dan deze zich overgevende, zwakke, hem geheel onderdanige vrouw, dat zij zijne opkomst, Heliodora zijne ondergang beteekende. Eindelijk was het hem gelukt zich uit de omhelzing der wedergevondene los te maken, en na zijne eerste schrede uit dezen roes in het werkelijke leven had hij als een ontwakende rond gezien, en was het hem als had een booze geest den spot met hem gedreven, dat juist Paulas kamer het tooneel was geweest van deze wederontmoeting en zijne zwakheid.Haar vraag naar het witte hondje, dat zij hem tot een aandenken had medegegeven, deed hem weder denken aan dien onzaligen smaragd, die een tegengeschenk daarvan had moeten zijn, en toen hij om het antwoord te ontwijken vertelde, dat hij, indachtig aan hare liefhebberij voor zeldzame juweelen, haar een bijzonder schoonen steen had toegezonden, waarover hij nog nader met haar spreken moest, gaf zij hare vreugde en hare dankbaarheid op zulk eene kinderlijk aandoenlijke wijze lucht, wist zij zoo welsprekend partij te trekken van zijn welgevallen in hare teedere aanhankelijkheid, ten einde hem te overtuigen van de noodzakelijkheid om te blijven, dat hij zelf daaraan begon te gelooven en haar zin deed. Hoe meer dit besluit met zijne eigene wenschen overeen kwam, des te gemakkelijker viel het hem er gronden voor te vinden. Deoude Rufinus had hem niet meer noodig, en had hij, Orion, ook reden om zich te schamen over zijne wankelmoedigheid, zoo mocht hij van den anderen kant toch zeggen, dat hij ondankbaar en onvriendelijk zou handelen tegen zijne goede vrienden, wanneer hij hen in den steek liet, juist nu hij hen van nut kon zijn. Het zou er bij de nonnen op twee beschermende armen meer of minder niet aankomen, terwijl de gevangen Narses, zonder zijne voorspraak bij den veldheer, licht kon bezwijken, alvorens het gelukte hem los te koopen. In elk geval was het meer dan tijd een vast besluit te nemen. Neen, hij kon heden niet weg! Het was beslist! Rufinus moest terstond in kennis gesteld worden van zijn veranderd besluit. Het scheen hem thans niet mogelijk zich tot schrijven te zetten; de rentmeester moest in zijn naam spreken, en hij wist wel hoe gaarne en met hoeveel ernst Nilus zich van die taak kwijten zou.Heliodora klapte in de handen, en juist toen vrouw Martina aan de deur klopte, traden beiden de helderverlichte voorzaal binnen. Haar gelaat straalde van geluk, en in hare kostbare, nieuwmodische, zorgvuldig gekozen kleederen zag zij er zoo aanvallig en, niettegenstaande zij slechts van middelbare grootte was, zoo vorstelijk prachtig uit, dat zij ook in de hoofdstad de bewondering der mannen en de afgunst der vrouwen zou hebben gewekt; hij was blijkbaar opgeruimd, maar om zijne lippen speelde toch een ernstig lachje.Nog had hij de deur niet gesloten, toen hij voor het vertrek, dat aan Paulas vroegere kamer grensde, twee vrouwelijke wezens opmerkte, die, terwijl vrouw Martina bij hare nicht aanklopte, de voorzaal binnengekomen waren. Het was de kleine Katharina en hare kamenier. Men had den jongen Anubis, nadat hij van het dak was gevallen hier ondergebracht, en niettegenstaande dit gedeelte van het huis voor de voorname gasten was ingericht, was de arts Philippus niet te bewegen geweest de overbrenging van den kranke, die volstrekt rust noodig had, naar de benedenverdieping toe te staan.De moeder van den zwaar bestraften luisteraar, Katharina’s voedster, was bij hem. Het kwikstaartje vergezeld van hare kamenier had hem opgezocht en zou zich gaarne vergewischt hebben of het haar zoogbroeder gelukt was, vóor zijn val iets af te luisteren. Doch de arme knaap was zoo zwak en leed zooveel pijn, dat zij geen moed vond, om hem met vragen te kwellen. Haar gang uit Samaritaansche barmhartigheid zou echter niet onbeloond blijven, want Orion met zulk een schoone, voorname vrouw te zien komen uit Paulas vroegere kamer, dat was iets buitengewoons, waarvoor het wel der moeite waardwas de oogen wijd te open te doen. Zij zou gaarne tweemaal den weg naar het stadhouderlijk paleis hebben afgelegd, al ware het enkel om de kleederen en sieraden van deze uit den hemel gevallene vreemdelinge te zien. Zoo iets raakte in Memphis zelden verdwaald. Of niet deze bevallige, voorname dame eigenlijk de »andere” was en niet Paula? Kon Orion niet evengoed met de Damasceensche zijn spel gedreven hebben, als vroeger met haar? Daar in die kamer moest een zalig wederzien zijn gevierd, dat verried elke trek van het heiligen gelaat der blonde schoone. O die Orion! Zij had hem kunnen verworgen, doch het deed haar genoegen, dat er buiten haar nog anderen, en wel zulke edele en aanvallige anderen waren, die hij bedroog.»Hij blijft!” had Heliodora reeds van den drempel de matrone toegeroepen, en deze had den jonkman de hand toegestoken met een innig: »Dat God het u loone!”Zij verheugde zich ook over het gelukkig uitzicht van hare nicht; doch bij dit alles waren de oogen van de levendige vrouw toch overal, en toen zij Katharina opmerkte, die nieuwsgierig was blijven staan, wendde zij zich tot haar, begroette haar vriendelijk en vroeg Orion: »Eene zuster, of wel het nichtje, van wie gij ons verteld hebt?”Hierop sprak de jonkman Katharina toe en maakte haar met zijne gasten bekend. Zij vertelde harerzijds wat haar hierheen had gebracht en deed het op zoo allerliefste en hartelijk medelijdende wijze—want zij was haar zoogbroeder en speelnoot oprecht genegen—dat zij der matrone en Heliodora zeer goed beviel en deze de hoop uitspraken haar recht dikwijls weer te zien. Nadat zij zich verwijderd had, zeide vrouw Martina:»Een bekoorlijk popje! Frisch en rein, als pas uit den dop gekropen, flink en netjes; en wat babbelt zij aardig!”»En bovendien de rijkste erfdochter van Memphis, misschien wel van geheel Egypte,” voegde Orion er bij. Daar hij echter bespeurde dat Heliodora bij deze opmerking de oogen bedroefd neersloeg, ging hij lachend voort: »mijne moeder had ons voor elkander bestemd, doch wij verschillen te veel in lengte, en passen ook overigens niet bij elkander.”Hierop nam hij afscheid van de vrouwen, begaf zich naar Nilus en gaf hem kennis van zijn besluit. Het verzoek om zijn uitblijven bij Rufinus te verontschuldigen en de dochter van Thomas voor hem te groeten, alsmede aan haar de beweegredenen duidelijk uit een te zetten, die hem terug hielden, had tot uitwerking, dat de stille, bescheidene man buiten zichzelven raakte van vreugde en zich veroorloofde Orion als een zoon te omarmen.Tot omstreeks middernacht bleef de jonge gastheer met zijne gasten bijeen, en toen vrouw Martina hare beschermelinge den volgenden morgen een weinig vermoeid doch stil gelukkig wederzag, kon zij haar mededeelen, dat de mannen den Nijl reeds waren overgegaan, en waarschijnlijk met den stadhouder reeds alles in orde hadden gebracht. Doch groot was hare teleurstelling toen beiden na eenigen tijd terugkeerden en haar mededeelden, dat Amr na de wapenschouwing bij Heliopolis, in plaats van naar Fostat terug te keeren, regelrecht naar Alexandrië was gegaan. Daar moest hij nog gedurende eenige dagen verwijlen, waarna hij zich naar Medina zou begeven. Er bleef nu voor den senator niets anders over dan hem onverwijld na te reizen, en Orion bood zich vrijwillig aan hem daarheen te vergezellen.Heliodoras vluchtige poging om hem terug te houden, leed schipbreuk op zijn ernstig en standvastig besluit. Deze reis moest echter alleen dienen om zijne eigene zwakheid en deze schoone vrouw te ontvluchten, die niets meer voor hem zijn kon en mocht. In den vroegen morgen had hij tijd gevonden om Paula te schrijven, maar hij had meer dan éen half voltooiden brief weggeworpen, voor hij de rechte woorden had gevonden. Ze zeiden haar, dat hij haar en haar alleen liefhad, en terwijl hij ze in het wasgrifte, had hij met ontevredenheid over zijn eigen gedrag gevoeld, dat zijn hart inderdaad aan Paula behoorde, was het besluit in hem gerijpt aan zijne betrekking tot Heliodora een einde te maken, en zich niet eerder aan zijne geliefde te vertoonen, vóór het hem gelukt was den band voor altijd te verscheuren, die hem aan de jonge weduwe verbond.De vrouwen hadden de reizigers naar den wagen gebracht, en toen zij met gebogen hoofden, als verslagene krijgslieden, in de groote voorzaal terugkeerden, ontmoetten zij daar het kwikstaartje met hare kamenier. Martina wilde het meisje tegenhouden en overreden mede te gaan naar haar verblijf; doch Katharina voldeed niet aan haar verlangen en scheen groote haast te hebben. Zij kwam van haren zoogbroeder Anubis, die heden minder pijn had dan gisteren en haar, zoo goed het gaan wilde had medegedeeld wat hij vernomen had. Dat zij naar het noorden zouden vluchten, stond bij haar vast; doch hij had het reisdoel van de zusters of niet goed verstaan of vergeten. Zijne moeder en verpleegster waren buiten de kamer gezonden, en toen had het dankbare kwikstaartje zich over hem heen gebogen, zijn aardigen kop een weinig opgeheven en hem twee zulke hartelijke kussen gegeven, dat de arme jongen er waarlijk angstig van was geworden. Toen hij zich weder alleen met zijne moeder bevond, gevoelde hij zich gaandeweg beter,en de herinnering aan het onuitsprekelijk geluk, dat hem wedervaren was, had de groote smarten, die hij om Katharinas wil leed, meer en meer gelenigd.Het kwikstaartje keerde niet terstond naar haar moeder terug, maar begaf zich onverwijld naar den bisschop van Memphis, dien zij alles vertelde wat zij vernomen had omtrent de bewoonsters van het Caecilia-klooster, en wat men voor haar gedaan had. De zachtaardige Plotinos geraakte bij deze mededeeling zeer in toorn, begaf zich, zoodra zij hem verlaten had, naar Fostat, om de hulp van den stadhouder, en daar deze afwezig was, van zijn Wekil in te roepen, ten einde te bewerken dat deze de vluchtende nonnen zou vervolgen.Toen Katharina op haar kamer alleen was, zeide zij stil tevreden tot zichzelve, dat zij nu iets op het getouw had gezet, dat Orion zoowel als Paula de vreugde van menigen dag bederven, ja zoo zij hoopte voor beiden noodlottig worden zou.

Inwendig diep beleedigd, viel Orion te huis gekomen op den divan neder. Zij had gezegd, dat haar hart hem toebehoorde, doch wat was dat voor een armzalige, koele liefde, die niets vergunde voor zij zich van alle zijden verzekerd zag! En hoe had Paula aan eene derde kunnen toestaan, om zich te plaatsen tusschen hen beiden, en haar handelingen en gevoelens te besturen? Wat tusschen hen was voorgevallen, moest zij aan die derde verraden hebben. Voor deze hem vijandig gezinde Melchietische non wilde, zou hij... het was om zijn verstand te verliezen....Doch hij kon niet terug, hij had zich tegenover den waardigen grijsaard en tegenover haar tot dit onzinnig avontuur verplicht. In plaats van de edele, trotsche beheerscheres van zijn gansche wezen zag hij in zijne verbeelding thans eene in tranen badende, onzelfstandige, koelhartige vrouw.

Daar lagen de kaarten en plannen, die hij zich door Nilus op zijn kamer had laten brengen, om ze te bestudeeren voor de taak, die de edele Amr hem had opgedragen, en toen zijn blik er op viel, sloeg hij met zijn vuist tegen den wand, sprong hij op en liep als een bezetene in dezelfde kamer op en neer, die door haar stil leven was gewijd. Daar stond nog hare luit, die hijzelf opnieuw besnaard en gestemd had. Om wat tot rust te komen, nam hij die op, greep naar het plectrum en begon te spelen. Doch het instrument was slecht, zij had zich met een armzalig ding tevreden gesteld. Hij wierp het op het rustbed en nam zijn eigen speeltuig ter hand, een geschenk van Heliodora. Hoe verstond zij de kunst om aan deze luit schoone en weeke tonen te ontlokken! Ook nu gaven hare snaren een heerlijken klank, langzamerhand begon hij er behagen in te scheppen, en de muziek bracht, gelijk zoo vaak gebeurt, zijn onstuimig gemoed tot rust. Gevoelvol en roerend klonk zijn spel, doch menigmaal greep hij zoo heftig in de snaren, dat hun geweldigtrillen en ruischen deed denken aan de weeklachten en kreten van eene vertwijfelende ziel.

Daar sprong opeens, te midden van dit hartstochtelijk spel, met dreunenden knal de kam op den bodem der luit, en op hetzelfde oogenblik opende de secretaris, die hem in de hoofdstad vergezeld had, in vroolijke opgewondenheid de deur en riep hem reeds op den drempel toe: »Heer, denk eens aan! Daar komt een bode uit de herberg van Sostratus en brengt u dit tafeltje over, het is open en ik heb het gelezen. Begrijp eens, het is nauwelijks te gelooven! De senator Justinus met zijne edele gemalin, de aanzienlijke matrone Martina, zij zijn hier, hier te Memphis, en zij laten u uitnoodigen om hen te bezoeken, ten einde gewichtige dingen met hen te bespreken. Heden nacht zijn zij aangekomen, zeide de bode, en nu... Welk eene vreugde! Wat hebt gij niet in hun paleis genoten! Kunnen wij hen in de herberg laten? Zoolang er nog gastvrijheid in de wereld is, zou dit zonde zijn!”

»Onmogelijk, volstrekt onmogelijk!” zeide Orion, die de luit uit de hand had geworpen en nu zelf het tafeltje bekeek. »Waarachtig hij is het, zijn eigen handschrift! En juist die twee, die zoo moeielijk te bewegen waren om zich te verplaatsen, zijn in Egypte, hier te Memphis! Bij Zeus”—zoo zwoeren de christelijke jongelieden van hooger stand te Alexandrië en Konstantinopel nog altijd—»bij Zeus, ik ben hun verschuldigd ze hier als vorsten te ontvangen! Wacht! Gij zegt natuurlijk aan den bode, dat ik terstond zal komen, en laat het nieuwe Pannonische vierspan voor den zilveren wagen zetten. Ik ga naar mijne moeder, doch dat kan nog wachten. Gij beveelt Sebek terstond de gastenverdieping, vanwaar de kranken nu gelukkig verdwenen zijn, voor de aanzienlijke gasten in orde te laten brengen. Mijne tegenwoordige kamer worde er bij genomen en ik ga naar mijn vroeger verblijf terug. Zij hebben zeker een groot gevolg. Twintig, dertig slaven moeten aan het werk, want op zijn langst binnen twee uren moet alles gereed zijn. De beide zalen moeten bijzonder fraai gemeubeld worden. Wat er ook ontbreekt, Sebek kan zonder bedenking over alles beschikken, wat in het stadhouderlijk paleis is. Justinus hier in Egypte!—Doch maak nu voort! Neen wacht even, hier neem die geschriften en plannen,—of neen, zij zijn te zwaar voor u. Overhandig ze aan een slaaf en laat ze naar Rufinus brengen, die ze bewaren moet tot ik kom. Zeg hem, dat ik er onderweg gebruik van wilde maken; dan weet hij het wel.”

De secretaris vloog de kamer uit, en Orion liet zich snel de haren ordenen en zijn treurgewaad in nieuwe plooien leggen, waarop hij zich naar zijne moeder begaf. Zij had dikwijls enveel van de hartelijke ontvangst gehoord, die haar zoon en in vroegeren tijd haar gestorven echtgenoot in het huis van den senator ten deel was gevallen, en zij vond dus dat het vanzelf sprak de zoogenaamde gastenverdieping, waartoe ook Paulas gewezen kamer behoorde, voor de reizigers in te ruimen; doch zijzelve verlangde beschouwd te worden als te zeer lijdende, om zich met de gasten bezig te houden. Zij gaf vervolgens Orion den raad om zijne reis te verschuiven, ten einde zich geheel aan de vrienden te kunnen wijden; hij verklaarde echter, dat hij zich door hen niet kon laten terughouden. Men kon zich geheel verlaten op Sebek en de overste-huishoudster, en de keizer zelf ontsloeg een kranke van de verplichtingen eener gastvrouw. Zij zou evenwel het edele paar wel toestaan, haar hunne opwachting te maken, doch ook dit sloeg vrouw Neforis af, het was voldoende als de gasten dagelijks in haar naam en met hare groete uitgelezen vruchten en bloemen en ten laatste kostelijke geschenken ontvingen.

Orion oordeelde dit plan harer waardig en weldra rende hij met zijne Pannoniërs den hof uit. Bij de haven ontmoette hij den kapitein van het schip dat hij gehuurd had, hield hem haastig twee vingers voor en deze gaf door herhaald hoofdknikken te kennen, dat hij de beteekenis van dezen wenk: »twee uren voor middernacht wordt gij verwacht,” verstaan had. Het zien van den door de zon verbranden schipper en het vooruitzicht voorname vrienden hunne goedheid te kunnen vergelden, wekte hem weder op, en hoezeer het hem leed deed juist deze gasten te moeten verlaten, zoo begonnen de gevaren die hem wachtten toch weder zijne zenuwen te prikkelen. Het zou hem niet zwaar vallen de abdis onderweg voor zich te winnen, en Paula zou hij misschien heden avond nog tot rede brengen. Justinus en zijne vrouw waren ook Melchieten, en hij wist dat zij, die hij hoogschatte, met zijn plan zeker ingenomen zouden zijn, als hij hen in zijn vertrouwen nam.

De herberg van Sostratus, een verbazend groot, vierkant gebouw, dat een ruimen hof omsloot, was de voornaamste en grootste van de stad. De oostzijde was naar de straat en den Nijl gekeerd en bevatte de beste vertrekken van het huis, die de senator met zijne gemalin en die hem vergezelden sedert den afgeloopen nacht bewoonden. Het geratel van het vierspan lokte Justinus naar het venster, en zoodra hij Orion herkende, zwaaide hij met een tafellaken, dat hij dadelijk had gegrepen, in de straat, riep hem een vroolijk »welkom” toe, en ging daarna snel in het vertrek terug.

»Daar is hij,” zeide hij tot zijne gade, die slechts met de noodzakelijkste kleedingstukken bedekt op een rustbed lag, zichdoor een knaap wat koelte toe liet waaien, en van tijd tot tijd een beker met vruchtensap aan de droge lippen bracht.

»Wel komaan, dat is goed!” antwoordde de matrone en beval hare kamenier zoo spoedig mogelijk een overkleed, maar het dunste dat zij vinden kon, te brengen. Vervolgens richtte zij zich tot een zeer lieftallig vrouwelijk wezen, dat reeds bij den eersten roep van Justinus van den divan was opgesprongen, en vroeg: »Wilt gij, dat hij u hier dadelijk zal vinden, mijn hartje, of laat gij ons liever eerst met hem spreken en hem vertellen, dat wij u hebben medegetroond?”

»Dat zal wel het beste zijn,” antwoordde zij tot wie de vraag werd gericht, met eene welluidende stem. Zij haalde diep adem, alvorens zij angstvallig vervolgde: »Wat zal hij nu van mij denken? Men wordt oud, maar die dwaasheid, die dwaasheid...”

»Neemt toe!” zeide de matrone lachende,»of wordt zij met de jaren minder? Doch daar zal hij reeds zijn.”

De jonge vrouw vloog naar eene zijdeur, waarachter zij verdween. Vrouw Martina zag haar na, en terwijl zij met den vinger haar gemaal in de richting wees, zeide zij: »Zij laat de deur op een kiertje staan. Lieve God, bij deze hitte ook nog verliefd zijn, eene griezelige gedachte!”

Daar ging de deur open en nu volgde eene allerhartelijkste begroeting. Men kon het den jonkman en dit bejaarde paar aanzien, dat zij zich innig verheugden over dit wederzien.

Toen Justinus Orion omarmde riep de matrone: »Mij ook een kus!” en nadat de jonkman spoedig en blijde aan haar wensch had voldaan, klaagde zij zuchtende: »O mensch, o menschenkind, groote Sesostris! Hoe is uw beroemde voorvader in staat geweest onder zulk eene zon groote dingen tot stand te brengen! Wat mij betreft, ik verga, ik smelt hier als boter; doch wat doet men al niet voor die men liefheeft!—Maar Syra, Syra! Om godswil nog zoo’n kleinigheid, dat er als een kleedingstuk uitziet. Hoe verstandig zijn toch de modes der Afrikaansche boeren, die wij onderweg meermalen hebben ontmoet! Wanneer zij een doekje dragen van een vinger of drie breed, dan meenen zij al zeer net aangekleed te zijn.—Maar ga nu zitten, zitten hier aan mijne voeten! Een stoel voor den heer, Argos, dan wat wijn, en het water in zulk eene vochtige, aarden kruik, en zoo koel als straks. Manlief, ik vind dat de jongen er nog aardiger uitziet. Maar lieve God, dat rouwgewaad! Hoe treurig staat het hem! Arme, arme jongen; wij hebben het reeds te Alexandrië gehoord!”

Zij droogde daarbij hare oogen af en tegelijk de zweetpaarlen op haar voorhoofd, en haar gemaal voegde de betuiging van zijne deelneming over den dood van den Mukaukas bij de hare.Het was een aangenaam, vroolijk paar, die Justinus met zijne Martina: twee menschen, die zich zoo recht te huis gevoelden in hun grooten, door erfenis verkregen welstand, en die, ofschoon van hooge geboorte, nooit met hun adeldom te koop behoefden te loopen, daar hun die in de oogen van groot en klein toekwam. Zij hadden zich het recht veroverd, om in de stijve vormen van de deftigste gezelschappen natuurlijke menschen te blijven, en wie den vrijen toon van hun huis niet beviel, die konden wegblijven. Hij, zonder eerzucht, senator ingevolge zijne bezitting en zijn naam, was er steeds op bedacht van deze schijnbare waardigheid nooit een ander gebruik te maken, dan om bevoorrechte dienaars van het huis betrekkingen of de zijnen bij feestelijke gelegenheden goede plaatsen te bezorgen, en toonde zich overigens een gastvrij heer, een vriend zijner vrienden, die even gaarne prettig leefde als leven liet. Martina was eene doodgoede matrone, die nooit aanspraak had gemaakt op schoonheid, maar om wier hand toch velen hadden gedongen. Sedert lang vond dit echtpaar het nergens heerlijker dan in de hoofdstad of op hunne villa aan den Bosphorus, en het versmaadde daarom het genot van andere voorname en rijke personen, om baden te bezoeken of nu en dan op reis te gaan. Zij vonden er hun genoegen in het goede vrienden in hun huis aangenaam te maken; en aan de zoodanigen was nooit gebrek, vooral ook omdat zij, die aan het Byzantijnsche hof den rug moede hadden gebogen, in hun ongedwongen kring bijzonder behagen schepten.

De jeugd koos Martina gaarne tot haar vertrouwde en ook Heliodora, de weduwe van haar eigen neef, was met haar harteleed tot haar gekomen; zij toch had Orion in hun huis leeren kennen. Heliodora was de lieveling van het oude paar, maar hoog, hooger dan zij, stond in beider achting de jongere broeder van haar gestorven gemaal. Deze was bestemd geweest hun erfgenaam te worden, doch zij hadden hem twee jaren lang beweend, daar de tijding tot hen gekomen was, dat Narses die als tribuun onder de keizerlijke ruiters had gestaan, in den strijd tegen de ongeloovigen was gevallen. Intusschen was niemand in staat nadere zekerheid te geven van zijn dood, tot hunne onvermoeide nasporingen aan het licht hadden gebracht, dat hij door de Saracenen gevangen was genomen, en in Arabië als slaaf diende. Door Orion en zijn gestorven vader hadden zij de bevestiging van deze tijding en weinige uren na de afreis van den jongen Egyptenaar een met bevende hand geschreven brief van den verlorene ontvangen, waarin hij hun smeekte zijne verlossing door Amr, den stadhouder van Egypte, te bewerken. Het bejaarde paar was nu op reis gegaan en Heliodorahad het hare er toe bijgebracht om hen tot dezen stap te bewegen. Haar verlangen naar Orion, wien zij een vol jaar had toebehoord met al de toewijding van een teeder gemoed, was sedert zijn vertrek van uur tot uur toegenomen, en zij had dit der matrone niet verheeld. Deze hield het weder voor haar plicht het arme, minzieke kind bij te staan, wantHeliodorahad haar echtgenoot, den neef van den senator, tot aan zijn einde met roerende trouw en zorgvuldigheid verpleegd, en bovendien was zij, Martina, het geweest, die den jongen Egyptenaar, die »het haar gedaan had,” de gelegenheid had aangeboden om de jonge weduwe te ontmoeten. Die twee wáren immers voor elkander geschapen, en te koppelen was haar grootste genot. Maar in dit geval hadden alleen de harten, niet de handen elkander gevonden, en het was voor Martina eindelijk zeer pijnlijk geworden, als zij Orion en Heliodora door de geheele wereld en met alle recht een verloofd paar hoorde noemen.

Eens had zij den jongen Egyptenaar op hare innemende manier recht ernstig aangesproken en ten antwoord ontvangen, dat zijn vader, een Jacobiet, hem nooit zou vergunnen met eene vrouw van eene andere geloofsbelijdenis te huwen. Daar had zij toen weinig tegen kunnen inbrengen; doch zij had vaak gedacht, als ik Heliodora maar eens aan den ouden Mukaukas voorstellen kon, dan zou hij, dien zij jaren geleden in de hoofdstad had gekend als de schoone jonge vriend van aanminnige vrouwen, zijn tegenstand wel hebben opgegeven. Haar lieveling bezat inderdaad alles, wat in een vaderhart de oprechte wensch kon doen opkomen haar met zijn zoon te verbinden. Zij was van goeden huize, de weduwe van een aanzienlijk man, rijk, pas twee-en-twintig jaren oud, en bezat eene schoonheid, die oud en jong in verrukking moest brengen. Martina meende geen lieftalliger, zachter schepseltje te kennen. Hare groote, smachtende oogen, ze noemde ze »biddende”, moesten een steen vermurwen, en haar blond, licht golvend haar was zoo zacht als haar gemoed. Daarbij kwam hare gevulde, buigzame gestalte, en de wijze waarop zij zich wist te kleeden, te zingen en de luit te tokkelen! Niet zonder reden trachtte al wat jong en voornaam was te Konstantinopel hare gunst te verwerven. Kon de oude Mukaukas haar maar eens hooren lachen! Er was niets vroolijkers te bedenken dan dit gelach, dat helderder klonk dan eene klok. Zij stond in geestes-ontwikkeling nu juist niet bijzonder hoog, maar evenmin kon men haar onnoozel noemen. Al te verstandige vrouwen vielen niet altijd in den smaak van iedereen.

Toen tot de reis naar Egypte besloten werd, stond het van te voren bij Martina vast, Heliodora mede te nemen en inMemphis de plagerij, die hare lieveling op ieders tong had gebracht, tot ernst te doen worden. Toen zij nu te Alexandrië vernam, dat de Mukaukas Georg inmiddels gestorven was, hield zij het spel voor gewonnen. En nu waren zij te Memphis, nu zat Orion voor haar en nu noodigde de jonge man haar en haar geheele gevolg dat uit een twintigtal personen bestond, bij zich in zijn huis. Het sprak vanzelf dat de reizigers aan dezen eisch van het gastrecht gaarne gevolg gaven, en er werden terstond toebereidselen gemaakt tot de verhuizing.

Justinus vertelde wat hem bewogen had naar Egypte te gaan en verzocht Orion om zijne hulp. De jonkman had den neef des senators als een derschitterendsteen beminnenswaardigste jongelieden in de hoofdstad gekend, en het deed hem oprecht leed, de vrienden te moeten mededeelen dat de man, die de bevrijding van den gevangene gemakkelijk bewerken kon, overmorgen naar Medina dacht te vertrekken, terwijl hijzelf zich gedwongen zag nog hedenavond voor onbepaalden tijd op reis te gaan. Hij bemerkte, hoe deze zeer stellig uitgesprokene verzekering het oude paar teleurstelde en bedroefde, en op aandringen van den senator deelde hij hem en zijne gemalin onder het zegel der gestrengste geheimhouding mede, wat hem van hier riep en welk een gevaarlijk waagstuk hij op zich had genomen te volbrengen. Hij had zijn verhaal begonnen in de overtuiging, dat zijne orthodoxe gasten er mede ingenomen zouden zijn, maar tot zijne verbazing keurden beiden zijn voornemen af, en dat, gelijk zij verzekerden, niet alleen om hun zelven en de hulp die zij van hem verwachtten.

De senator maakte hem opmerkzaam, dat hij het natuurlijk hoofd was der Egyptische bevolking van zijn vaderland en dat hij door zulk een onderneming zijn gezag ondermijnde bij hen, wier leiding hem toekwam als de zoon van zijn vader. Zijne eerzucht moest hem voorschrijven naar die leiding te streven, en in plaats van den patriarch door zulk een avontuur in het aangezicht te slaan, was het zijn plicht, hand aan hand met den prelaat, wiens macht hij veel te gering schatte, zijne geloofsgenooten een dragelijk bestaan te bezorgen in dit door de muzelmannen veroverde land.

Paulasnaam werd in dit gesprek niet genoemd, doch Orion dacht aan haar en bleef standvastig bij zijn besluit, ofschoon eene stem in zijn binnenste zich er heftig tegen verzette. Om echter de vrienden te toonen hoeveel er hem aan gelegen was hun welgevallig te zijn, sloeg hij hun voor terstond met Justinus den stroom over te gaan en zijne zaak den stadhouder Amr voor te dragen. Een blik naar buiten deed hem zien, dat er voor zonsondergang nog ongeveer anderhalf uur moest verloopen.De rit met zijn snelvoetige Pannonische rossen behoefde niet meer tijd in beslag te nemen, en gedurende zijne afwezigheid met Justinus kon de verhuizing plaats hebben. Reeds hielden vrachtwagens uit het stadhouderlijk paleis voor de herberg stil, en andere wagens waren later besteld, om de lieve gasten naar hun nieuw verblijf te brengen.

De senator nam den voorslag van den jongeling aan, en terwijl beide mannen zich verwijderden, riep mevrouw Martina Orion achterna: »Mijn senator zal u onderweg wel bewerken, en wanneer gij zijn verstandig voorstel aanneemt, ontvangt gij daarna eene schoone belooning. De goudtalenten niet ontzien, oudje, tot de veldheer belooft voor de bevrijding van den jongen te zullen zorgen.—Luister naar mij, Orion, en laat die dwaze streek varen.”

De zonneschijf was nog niet geheel achter de Lybische bergen verdwenen, toen het snuivende met wit schuim bedekte vierspan het stadhouderlijk hof weder binnenreed. De mannen hadden helaas niets uitgericht, want Amr hield eene wapenschouwing over de troepen tusschen Heliopolis en Oniou en werd eerst in den nacht of morgen vroeg terug verwacht. De verhuizing uit de herberg was afgeloopen, en men zag de blanke slaven van het senatorspaar reeds tusschen de bruine en zwarte van het stadhouderlijk huis. Vrouw Martina was in verrukking over haar nieuw verblijf, en over de prachtige haar ten deele onbekende bloemen, waarmede de lijdende huisvrouw de beide groote ontvangzalen als een welkomstgroet had laten opsieren, doch het mislukte bezoek in Fostat viel als honingdauw op hunne vroolijke stemming.

Orion, zeide zij, moest dit ongelukkig gesternte als een godsoordeel beschouwen. De hemel zelf verlangde, dat hij zijn avontuur zou opgeven en zich tevreden stellen met de voorbereiding van dat edele werk, dat ook zonder hem uitvoerbaar was, om een ander werk, waarbij zijne hulp dringend noodig was, alleen uit vriendschap ten einde te brengen. Hij echter gaf opnieuw zijn leedwezen te kennen, dat hij ondanks alles zich moest vasthouden aan zijn genomen besluit, en als Martina hem vroeg: »Ook wanneer mijn geschenk u bij uitnemendheid welgevallig is,” antwoordde hij met een droevig hoofdknikje, als wilde hij zeggen, »helaas, ook dan!”

»Dat zullen we zien,” hernam zij op luchtigen toon, waarna zij met ernst vervolgde: »Ieder mensch heeft iets eigenaardigs, wat zijn bijzonder karakter uitmaakt en wat hemgoed staat: zoo hebt gij uw beminnenswaardig voorkomen, mijn zoon! Maar zoo vast op éen stuk te blijven staan, dat past niet voor u, dat staat u zoo vreemd, en is juist het tegendeel van hetgeen ik bij u beminnenswaardig noem. Wees u zelf, ook in dit geval!”

»Dat wil dus zeggen, zwak en bereid om in te willigen, inzonderheid wanneer goedhartige vrouwen...”

»Als oude vrienden u smeeken,” verbeterde zij snel; doch voor zij verder ging, wendde zij zich tot haar gemaal en zeide: »Lieve God, man, kom eens hier aan het venster! Hebt gij ooit zulk een gloed van purper en goud aan den hemel gezien? Het is waarlijk als stonden die oude pyramiden en geheel Egypte in vlammen. Maar nu, groote Sesostris”—zoo noemde zij Orion, als zij goed in haar humeur was—»nu is de tijd gekomen, om u te laten zien wat ik voor u heb medegebracht. Eerst deze ring,” en daarbij overhandigde zij hem een kostbaren armring, met gesneden steenen van oud-Griekschen arbeid bezet, »en dan—neen, neen, nog geen dank—en dan... Het ding is nogal groot, en bovendien... Volg mij maar.” Met deze woorden liep zij uit de ontvangzaal naar het voorvertrek, ging hem tot aan de deur van de kamer vooruit, die eerst Paula en toen hemzelven gehuisvest had, opende die even, wenkte hem binnen te gaan, en schoof Orion met een vluchtig: »Ziedaar, daar hebt gij het” over den drempel.

Heliodora stond dicht bij het venster. De lichte weerschijn van de ondergaande zon omscheen hare slanke en toch gevulde lenige gestalte; hare smeekende oogen zagen hem met eerbiedige bewondering aan, en de over de borst gekruiste blanke armen gaven haar het aanzien van eene heilige, die met smachtend verlangen, in het vooruitzicht van onuitsprekelijke zaligheid, deemoedig een wonder wacht.

Ook vrouw Martinas oogen waren op hem gevestigd en zag, hoe hij bij den aanblik der jonge vrouw doodsbleek werd, hoe hij door een zeker, zij wist niet welk, gevoel aangegrepen hevig verschrikte en voor de met een krans van licht omgevene gestalte daar aan het venster terugtrad. Zulk een uitwerking had de goede matrone niet van deze verrassing verwacht. Behalve op het theater kon zij zich niet herinneren ooit een man gezien te hebben, die zoo door de liefde werd aangegrepen, want zij vermoedde niet dat het hem was als had zich plotseling een gapende afgrond voor zijne voeten geopend. Met eene behendigheid, die niemand van de matrone met haar zwaar, dik lichaam verwacht had, keerde vrouw Martina daarop haastig naar haar man terug, en riep hem reeds van den drempel toe: »Alles is goed, alles is in orde! Bij haar aanblik was het, als had de bliksem hem getroffen. Let op—daar wordt hier aan den Nijl nog bruiloft gevierd.”

»Mijn zegen erop,” antwoordde de senator, »maar bruiloft of geen bruiloft, als zij dien kostelijken jongen maar zoo van de wijs brengt, dat hij dit dolle avontuur uit zijn hoofd zet. Ikheb gezien dat ook die bruine kerels bij de Arabieren voor hem ter aarde buigen, en zoo iemand, dan overreedt hij den stadhouder voor Narses het zijne te doen. Hij mag, neen, hij mag niet weg! Gij hebt Heliodora toch op het hart gedrukt....”

»Dat zij hem vasthoudt?” zeide de matrone lachende. Ik zeg u, zij nagelt hem hier vast, als het zijn moet.”

»Nu dat is goed!” hernam Justinus. »Maar vrouw, het past toch inderdaad niet, dat gij hen zoo aan elkaar opdringt, zou men kunnen zeggen. Eigenlijk zijt gij toch zoowat haar vrouwelijke mentor, hare moederlijke patrones.”

»Lieve hemel!” antwoordde Martina. »In ons huis hebben zij ook geene getuigen genoodigd bij hunne samenkomsten. Eerst moet dat arme, verliefde volkje zich toch uitspreken en zich verblijden over het wederzien! Daarna kom ik wel tusschenbeide en dan ben ik weer in allen ernst de bezorgde moederlijke vriendin. Tinus, Tinus! Als het hier nog tot eene bruiloft komt, God weet of ik dan nog niet barrevoets eene bedevaart doe naar de heilige Agathe.”

»En ik slechts op één schoen!” verzekerde de senator, »want—alles wat betamelijk is—dat gebabbel over Dora ging ten laatste de grenzen te buiten. Het ging niet langer, om die twee te zamen bij ons te zien. Maar nu... neen in ernst! Ga nu naar hen toe....”

»Dadelijk, dadelijk!” antwoordde de matrone. »Maar eerst nog even hier aan het venster! O die zon! Ja, nu is het te laat. Nog geen twee minuten geleden zag de gansche hemel er uit als mijne roode Syrische mantel. Nu ligt daaronder alles in het duister. Het huis, de tuin zijn mooi, en alles is oud en degelijk: juist zoo heb ik mij de bezitting van den rijken Mukaukas gedacht.”

»Ik ook,” hernam Justinus. »Maar nu zult gij gaan! Worden zij het eens, dan mag Dora van geluk spreken.”

»Dat zou ik meenen!” zeide vrouw Martina. »Maar hare villa behoeft zij ook niet weg te stoppen, en daar zullen zij elken zomer wonen, dat zal ik doorzetten. Wanneer die arme, beste jongen, Narses, er het leven niet af brengt—want twee jaren als slaaf te dienen, dat wil wat zeggen—dan zou ik in staat zijn....”

»Het testament te veranderen? Dit is zoo kwaad niet: doch daarmede hebben we den tijd, nu moet ge terstond gaan!”

»Dadelijk, dadelijk! Men moet toch kunnen uitspreken. Ik voor mij zou niemand weten, dien ik liever in de plaats van Narses stelde....”

»Als Orion en Dora? Nu, mij goed, maar thans...”

»Misschien is het zondig zich een levende reeds onder de dooden te denken... De arme jongen mag in geen geval naar zijne ruiterij teruggezonden worden.”

»In geen geval; maar Martina...”

»Morgen zal Orion den Arabier onze zaak eens na aan het hart leggen...”

»Als hij maar hier blijft!”

»Willen we wedden dat zij hem vasthoudt?”

»Dan zou ik wel een gek zijn!” zeide de senator lachend. »Krijg ik ooit iets van u als ik win? Maar thans, alle scherts ter zijde, thans gaat ge, om naar beiden te zien!”

Ditmaal volgde de matrone het bevel van haar gemaal, en zij had de weddenschap gewonnen, want waartoe Orion noch door den brief van zijne schoonzuster, noch door de vermanende stem van zijn kinderlijk geloof, noch door de trouwhartige waarschuwing van den eerlijken beambte, noch door de overtuigende beweegredenen van den senator te brengen was geweest, daartoe had de zoete vleierij van Heliodora hem verleid.

Hoe was de liefde in haar hart ontvlamd, toen zij had bemerkt dat haar aanblik hem zoo diep had geschokt; met welk een roerende hartelijkheid was zij in zijne armen gezonken; hoe ootmoedig en als verteerd door zoete smart en zalige vreugde was zij neergegleden aan zijne voeten, had zij zijne knieën omvat en hem met betraande, van dweepende vereering sprekende oogen gebeden haar heden niet te verlaten, ten minste nog tot morgen te blijven, om haar dan, als hij wilde, in het stof te vertreden. Nu, juist nu, van hem te scheiden, terwijl zij door smart en innig verlangen opgewonden, hem had weergevonden, om zich te zien prijsgeven aan een onzeker lot, dat zou haar einde, dat zou zeker haar dood zijn. En toen hij zich desniettemin trachtte te verzetten, was zij hem om den hals gevlogen, had zij zijn mond met brandende kussen gesloten en hem allerlei vleiende namen in het oor gefluisterd, die hem eens zoo dierbaar waren geweest.

Waarom had hij nooit ernstig beproefd haar tot de zijne te maken, waarom haar zoo snel vergeten? Omdat zij, die tegenover anderen hare waardigheid streng wist te bewaren, zich aan hem na enkele ontmoetingen zonder weerstand had overgegeven, als ware zij bedwelmd door eene magische betoovering. De licht verworven kostelijke buit was hem weldra toegeschenen van minder waarde te zijn. Maar heden deed juist dat zijn liefdegloed ontvlammen, wat hem toen had afgekoeld. Zoo wilde, zoo moest hij bemind worden, met geheele overgave, met een hart dat enkel aan hem en niet aan zichzelve dacht, dat voor vurige liefde niet anders vroeg dan liefde, dat zich niet angstigallerlei grenzen stelde en vreemden bijstand inriep, om zich voor hem te beveiligen. Deze schoone, jonge vrouw, die een en al hartstocht, het banvonnis der samenleving, leed en smart op zich genomen had om zijnentwil, van wien zij wist dat hij haar verlaten had, omdat hij haar voor God en de menschen nooit tot de zijne kon maken, ja die vrouw wist lief te hebben, en het beurde hem op, hem die in menige ure aan zichzelven begon te twijfelen, zoo vereerd, zoo—hij kon het zich niet ontveinzen—zoo ‘vergood’ te worden. En hoe aanminnig, hoe recht vrouwelijk bleef zij bij dit alles! Die smeekende oogen die hem te Konstantinopel verveeld hadden, omdat zij altijd dezelfde roerende uitdrukking vertoonden, wanneer zij vol angst tot zijne ziel riepen haar niet te verlaten, die verleidelijke oogopslag, waarmede zij weleer hem verzocht haar den mantel om te hangen, waarmede zij hem het eerst had aangetrokken, dat alles was thans weder nieuw voor hem en oefende de vroegere tooverkracht op hem uit.

In deze oogenblikken van teeder samenzijn had hij beloofd, ten minste in overweging te nemen, of hij zich niet los kon maken van de verplichtingen die hij had aangegaan. Doch nauwelijks was dit gebeurd, of de herinnering aan Paula werd weder in hem wakker en eene innerlijke stem riep hem toe, dat zij tot eene hoogere menschensoort behoorde dan deze zich overgevende, zwakke, hem geheel onderdanige vrouw, dat zij zijne opkomst, Heliodora zijne ondergang beteekende. Eindelijk was het hem gelukt zich uit de omhelzing der wedergevondene los te maken, en na zijne eerste schrede uit dezen roes in het werkelijke leven had hij als een ontwakende rond gezien, en was het hem als had een booze geest den spot met hem gedreven, dat juist Paulas kamer het tooneel was geweest van deze wederontmoeting en zijne zwakheid.

Haar vraag naar het witte hondje, dat zij hem tot een aandenken had medegegeven, deed hem weder denken aan dien onzaligen smaragd, die een tegengeschenk daarvan had moeten zijn, en toen hij om het antwoord te ontwijken vertelde, dat hij, indachtig aan hare liefhebberij voor zeldzame juweelen, haar een bijzonder schoonen steen had toegezonden, waarover hij nog nader met haar spreken moest, gaf zij hare vreugde en hare dankbaarheid op zulk eene kinderlijk aandoenlijke wijze lucht, wist zij zoo welsprekend partij te trekken van zijn welgevallen in hare teedere aanhankelijkheid, ten einde hem te overtuigen van de noodzakelijkheid om te blijven, dat hij zelf daaraan begon te gelooven en haar zin deed. Hoe meer dit besluit met zijne eigene wenschen overeen kwam, des te gemakkelijker viel het hem er gronden voor te vinden. Deoude Rufinus had hem niet meer noodig, en had hij, Orion, ook reden om zich te schamen over zijne wankelmoedigheid, zoo mocht hij van den anderen kant toch zeggen, dat hij ondankbaar en onvriendelijk zou handelen tegen zijne goede vrienden, wanneer hij hen in den steek liet, juist nu hij hen van nut kon zijn. Het zou er bij de nonnen op twee beschermende armen meer of minder niet aankomen, terwijl de gevangen Narses, zonder zijne voorspraak bij den veldheer, licht kon bezwijken, alvorens het gelukte hem los te koopen. In elk geval was het meer dan tijd een vast besluit te nemen. Neen, hij kon heden niet weg! Het was beslist! Rufinus moest terstond in kennis gesteld worden van zijn veranderd besluit. Het scheen hem thans niet mogelijk zich tot schrijven te zetten; de rentmeester moest in zijn naam spreken, en hij wist wel hoe gaarne en met hoeveel ernst Nilus zich van die taak kwijten zou.

Heliodora klapte in de handen, en juist toen vrouw Martina aan de deur klopte, traden beiden de helderverlichte voorzaal binnen. Haar gelaat straalde van geluk, en in hare kostbare, nieuwmodische, zorgvuldig gekozen kleederen zag zij er zoo aanvallig en, niettegenstaande zij slechts van middelbare grootte was, zoo vorstelijk prachtig uit, dat zij ook in de hoofdstad de bewondering der mannen en de afgunst der vrouwen zou hebben gewekt; hij was blijkbaar opgeruimd, maar om zijne lippen speelde toch een ernstig lachje.

Nog had hij de deur niet gesloten, toen hij voor het vertrek, dat aan Paulas vroegere kamer grensde, twee vrouwelijke wezens opmerkte, die, terwijl vrouw Martina bij hare nicht aanklopte, de voorzaal binnengekomen waren. Het was de kleine Katharina en hare kamenier. Men had den jongen Anubis, nadat hij van het dak was gevallen hier ondergebracht, en niettegenstaande dit gedeelte van het huis voor de voorname gasten was ingericht, was de arts Philippus niet te bewegen geweest de overbrenging van den kranke, die volstrekt rust noodig had, naar de benedenverdieping toe te staan.

De moeder van den zwaar bestraften luisteraar, Katharina’s voedster, was bij hem. Het kwikstaartje vergezeld van hare kamenier had hem opgezocht en zou zich gaarne vergewischt hebben of het haar zoogbroeder gelukt was, vóor zijn val iets af te luisteren. Doch de arme knaap was zoo zwak en leed zooveel pijn, dat zij geen moed vond, om hem met vragen te kwellen. Haar gang uit Samaritaansche barmhartigheid zou echter niet onbeloond blijven, want Orion met zulk een schoone, voorname vrouw te zien komen uit Paulas vroegere kamer, dat was iets buitengewoons, waarvoor het wel der moeite waardwas de oogen wijd te open te doen. Zij zou gaarne tweemaal den weg naar het stadhouderlijk paleis hebben afgelegd, al ware het enkel om de kleederen en sieraden van deze uit den hemel gevallene vreemdelinge te zien. Zoo iets raakte in Memphis zelden verdwaald. Of niet deze bevallige, voorname dame eigenlijk de »andere” was en niet Paula? Kon Orion niet evengoed met de Damasceensche zijn spel gedreven hebben, als vroeger met haar? Daar in die kamer moest een zalig wederzien zijn gevierd, dat verried elke trek van het heiligen gelaat der blonde schoone. O die Orion! Zij had hem kunnen verworgen, doch het deed haar genoegen, dat er buiten haar nog anderen, en wel zulke edele en aanvallige anderen waren, die hij bedroog.

»Hij blijft!” had Heliodora reeds van den drempel de matrone toegeroepen, en deze had den jonkman de hand toegestoken met een innig: »Dat God het u loone!”

Zij verheugde zich ook over het gelukkig uitzicht van hare nicht; doch bij dit alles waren de oogen van de levendige vrouw toch overal, en toen zij Katharina opmerkte, die nieuwsgierig was blijven staan, wendde zij zich tot haar, begroette haar vriendelijk en vroeg Orion: »Eene zuster, of wel het nichtje, van wie gij ons verteld hebt?”

Hierop sprak de jonkman Katharina toe en maakte haar met zijne gasten bekend. Zij vertelde harerzijds wat haar hierheen had gebracht en deed het op zoo allerliefste en hartelijk medelijdende wijze—want zij was haar zoogbroeder en speelnoot oprecht genegen—dat zij der matrone en Heliodora zeer goed beviel en deze de hoop uitspraken haar recht dikwijls weer te zien. Nadat zij zich verwijderd had, zeide vrouw Martina:»Een bekoorlijk popje! Frisch en rein, als pas uit den dop gekropen, flink en netjes; en wat babbelt zij aardig!”

»En bovendien de rijkste erfdochter van Memphis, misschien wel van geheel Egypte,” voegde Orion er bij. Daar hij echter bespeurde dat Heliodora bij deze opmerking de oogen bedroefd neersloeg, ging hij lachend voort: »mijne moeder had ons voor elkander bestemd, doch wij verschillen te veel in lengte, en passen ook overigens niet bij elkander.”

Hierop nam hij afscheid van de vrouwen, begaf zich naar Nilus en gaf hem kennis van zijn besluit. Het verzoek om zijn uitblijven bij Rufinus te verontschuldigen en de dochter van Thomas voor hem te groeten, alsmede aan haar de beweegredenen duidelijk uit een te zetten, die hem terug hielden, had tot uitwerking, dat de stille, bescheidene man buiten zichzelven raakte van vreugde en zich veroorloofde Orion als een zoon te omarmen.

Tot omstreeks middernacht bleef de jonge gastheer met zijne gasten bijeen, en toen vrouw Martina hare beschermelinge den volgenden morgen een weinig vermoeid doch stil gelukkig wederzag, kon zij haar mededeelen, dat de mannen den Nijl reeds waren overgegaan, en waarschijnlijk met den stadhouder reeds alles in orde hadden gebracht. Doch groot was hare teleurstelling toen beiden na eenigen tijd terugkeerden en haar mededeelden, dat Amr na de wapenschouwing bij Heliopolis, in plaats van naar Fostat terug te keeren, regelrecht naar Alexandrië was gegaan. Daar moest hij nog gedurende eenige dagen verwijlen, waarna hij zich naar Medina zou begeven. Er bleef nu voor den senator niets anders over dan hem onverwijld na te reizen, en Orion bood zich vrijwillig aan hem daarheen te vergezellen.

Heliodoras vluchtige poging om hem terug te houden, leed schipbreuk op zijn ernstig en standvastig besluit. Deze reis moest echter alleen dienen om zijne eigene zwakheid en deze schoone vrouw te ontvluchten, die niets meer voor hem zijn kon en mocht. In den vroegen morgen had hij tijd gevonden om Paula te schrijven, maar hij had meer dan éen half voltooiden brief weggeworpen, voor hij de rechte woorden had gevonden. Ze zeiden haar, dat hij haar en haar alleen liefhad, en terwijl hij ze in het wasgrifte, had hij met ontevredenheid over zijn eigen gedrag gevoeld, dat zijn hart inderdaad aan Paula behoorde, was het besluit in hem gerijpt aan zijne betrekking tot Heliodora een einde te maken, en zich niet eerder aan zijne geliefde te vertoonen, vóór het hem gelukt was den band voor altijd te verscheuren, die hem aan de jonge weduwe verbond.

De vrouwen hadden de reizigers naar den wagen gebracht, en toen zij met gebogen hoofden, als verslagene krijgslieden, in de groote voorzaal terugkeerden, ontmoetten zij daar het kwikstaartje met hare kamenier. Martina wilde het meisje tegenhouden en overreden mede te gaan naar haar verblijf; doch Katharina voldeed niet aan haar verlangen en scheen groote haast te hebben. Zij kwam van haren zoogbroeder Anubis, die heden minder pijn had dan gisteren en haar, zoo goed het gaan wilde had medegedeeld wat hij vernomen had. Dat zij naar het noorden zouden vluchten, stond bij haar vast; doch hij had het reisdoel van de zusters of niet goed verstaan of vergeten. Zijne moeder en verpleegster waren buiten de kamer gezonden, en toen had het dankbare kwikstaartje zich over hem heen gebogen, zijn aardigen kop een weinig opgeheven en hem twee zulke hartelijke kussen gegeven, dat de arme jongen er waarlijk angstig van was geworden. Toen hij zich weder alleen met zijne moeder bevond, gevoelde hij zich gaandeweg beter,en de herinnering aan het onuitsprekelijk geluk, dat hem wedervaren was, had de groote smarten, die hij om Katharinas wil leed, meer en meer gelenigd.

Het kwikstaartje keerde niet terstond naar haar moeder terug, maar begaf zich onverwijld naar den bisschop van Memphis, dien zij alles vertelde wat zij vernomen had omtrent de bewoonsters van het Caecilia-klooster, en wat men voor haar gedaan had. De zachtaardige Plotinos geraakte bij deze mededeeling zeer in toorn, begaf zich, zoodra zij hem verlaten had, naar Fostat, om de hulp van den stadhouder, en daar deze afwezig was, van zijn Wekil in te roepen, ten einde te bewerken dat deze de vluchtende nonnen zou vervolgen.

Toen Katharina op haar kamer alleen was, zeide zij stil tevreden tot zichzelve, dat zij nu iets op het getouw had gezet, dat Orion zoowel als Paula de vreugde van menigen dag bederven, ja zoo zij hoopte voor beiden noodlottig worden zou.


Back to IndexNext