ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.Ter zelfder tijd als zij was Orion naar zijne vertrekken teruggekeerd. Naast aan de zijnen grensde de slaapkamer van de kleine Maria, die hij niet had wedergezien, sedert hij de plaats verliet, waar zijn vader gestorven was. Hij wist dat zij daar lag met de koorts, maar hij kon het niet over zich verkrijgen naar haar te vragen. Kwam de gedachte aan haar bij hem op, dan balde hij onwillekeurig de vuisten. Hij was getroffen tot in het diepst zijner ziel, buiten zichzelven en als tot twijfeling gebracht. Geene andere gedachten beheerschten hem dan deze dat hij de ongelukkigste was van alle menschen, dat de vloek zijns vaders hem had getroffen, dat het gebeurde met niets was goed te maken, dat eene ruwe, onafweerbare macht den trouwsten van zijn vrienden hem tot vijand had gemaakt en zóo van zijne zijde had weggescheurd, dat er geen mogelijkheid bestond hem nog te verzoenen, hem tot woorden van vergiffenis, tot een vriendelijken blik te bewegen. In zulk een stemming liep hij met versnelde schreden het groote vertrek op en neder, wierp zich nu eens van den divan op den grond en drukte dan weder zijn gloeiend aangezicht in het zachte kussen. Soms gelukte het hem te bidden, doch telkens hield hij weder op, want er was immers geen macht in hemel of op aarde, die dit gebroken oog weder kon openen, dit verstijfde hart weder kon doen kloppen, deze verlamde tong kon doen spreken, om hem, den verstootene dat te verleenen, waarnaar zijn ziel smachtte, zonder hetwelk hij meende te moeten bezwijken namelijk: vergiffenis van zijn vader, vergiffenis, vergiffenis!Soms sloeg hij zich als een waanzinnige met de vuist tegen de borst en het voorhoofd, en slaakte daarbij kreten van angst, verwenschingen en bittere klachten. Omstreeks middernacht—er waren eerst twaalf uren verloopen sedert die vreeselijke gebeurtenis had plaats gegrepen, en toch kwam het hem voorals waren het even zoovele dagen geweest—wierp hij zich in het donkere rouwgewaad, dat hij van woede en vertwijfeling zich half van het lijf had gescheurd, op den divan neder en brak in zulk een luid snikken los, dat hijzelf er in de stilte van den nacht van schrikte, en aangegrepen door medelijden met en afkeer van zijn eigen grievend leed zich met het gelaat naar den wand keerde, om zijne oogen te onttrekken aan het volle reine maanlicht, dat hem enkel dingen toonde die hij niet zien wilde en die hem kwelden.Eindelijk werd die zielemarteling hem ondragelijk. Zijn gemoed werd gepijnigd en als vaneen gereten, en de gedachte kwam bij hem op om zijn scherpste zwaard te grijpen, zich als een razende Ajax of een Cato daarin te storten en zoo aan deze duldelooze overweldigende pijniging een einde te maken. Opeens rees hij overeind, want de deur—het was geen zinsbedrog, geene begoocheling—de deur van zijn vertrek werd zacht geopend en eene witte, spookachtige gedaante bewoog zich met zachte onhoorbare schreden naar hem toe. Eene kille huivering voer door de leden van den anders zoo moedigen man, doch weldra herkende hij in die nachtelijke bezoekster de kleine Maria.Zonder eenig geluid te geven naderde zij in het heldere maanlicht, maar barsch riep hij haar toe:»Wat moet dat? Wat wilt gij?”Het kind verschrikte, bleef angstig staan, strekte de handen smeekend naar hem uit en stamelde daarbij schuchter:»Ik hoorde u steeds klagen. Arme, arme Orion! En ik ben het, die u dit alles heb aangedaan. Ik kon niet langer in bed blijven, ik—ja ik moest....”Hier werd zij zoo bedroefd, dat zij niet verder kon gaan; doch Orion riep haar toe:»Nu, het is goed! Ga naar uwe kamer terug en slapen, ik wil trachten wat zachter te klagen.”Deze laatste woorden klonken wat minder hard, want hij bespeurde dat het kind, hoewel zelf ziek, hem op bloote voeten en in haar nachthemd, rillende van kou, aandoening en droefheid, had opgezocht. Maria bleef echter staan, schudde het hoofd en antwoordde, altijd nog zacht weenende:»Neen, neen, ik blijf hier en ga niet weg, nu ik weet dat gij... Ach God, vergeven kunt gij mij wel niet, maar ik moet het toch zeggen, ik moet...”Daarop vloog zij, eene ingeving van het oogenblik volgende, recht naar hem toe, sloeg hare armen om zijn hals, drukte haar hoofd tegen het zijne en toen hij haar niet afweerde, kuste zij zijne wangen en zijn voorhoofd.Er had een vreemde verandering bij hem plaats; hij wist niet wat er met hem gebeurde, maar het was hem als werd eriets in zijn binnenste week gemaakt en opgelost, en het waren niet enkel de heete tranen van het kind, het waren ook zijne eigene, die zijne oogen en zijn aangezicht bevochtigden.Zoo verliepen er eenige oogenblikken van diepe stilte; eindelijk maakte hij de armen der kleine van zijn hals los en zeide:»Wat gloeien uwe handen en wangen, arm kind! Gij hebt de koorts; de koele nachtlucht stroomt binnen, en gij zult door dezen onzin nog verkouden worden.”Met moeite was hij zijne tranen meester geworden, en terwijl hij deze woorden uitbracht, sloeg hij het zwarte overkleed, dat hij afgeworpen had, zorgzaam over haar heen en zeide daarna vriendelijk:»Wees nu bedaard, ook ik zal trachten mijzelven te beheerschen. Gij hebt het zeker niet kwaad bedoeld en ik zal het u niet verwijten. Ga nu heen! Ge kunt zonder gevaar voor de trekking door de voorzaal gaan.—Nu, gaat ge?”»Neen, neen,” antwoordde zij ernstig.»Gij moet mij laten uitspreken, anders kan ik niet slapen. Ziet ge, ik heb er in ’t geheel niet aan gedacht dat ik u leed zou doen, zulk een vreeselijk, zulk een schrikkelijk leed; neen zeker niet! Ik ben boos op u geweest, omdat gij—maar toen, ach, lieve Heiland! toen heb ik waarlijk in het geheel niet aan u, maar enkel aan die arme Paula gedacht. Gij weet niet half hoe goed zij is, en grootvader had haar zoo lief voor gij terugkwaamt, en daar lag hij en zou haast sterven, en ik wist dat hij Paula voor eendievegge, voor eene leugenaarster hield. Dat ik hem in zulk een dwaling, zulk eene ongerechtigheid de oogen zou zien sluiten, dat vond ik toen zoo afschuwelijk, zoo onverdragelijk, niet alleen om grootvader maar ook om Paula, dat ik—ach Orion, de barmhartige Heiland is mijn getuige—dat ik... En al had ik het moeten besterven ik kon toen niet anders; ik zou bezweken zijn als ik gezwegen had!”»Misschien is het ook goed geweest dat gij gesproken hebt,” zeide de jonkman, terwijl hij diep adem haalde.»Ziet gij, meisje; de arme broeder van uw gestorven vader is een verloren mensch en aan hem is niet veel gelegen; maar Paula, die duizendmaal beter is dan ik, aan haar is ten minste recht gedaan, en daar ik haar liefheb, meer dan gij u in uw klein hartje kunt voorstellen, wil ik gaarne weer goed op je zijn en je nog liever hebben dan vroeger. Dat is nu geen groote, geen edelmoedige daad, want ik heb liefde noodig, veel liefde, om het leven dragelijk te vinden. Ik dwaas heb de beste liefde verspeeld, en ik kan de uwe, arm, braaf kind, ik kan de uwe niet missen! Zoo, daar hebt ge mijne hand, geef mij ook nog een kus, en ga dan naar bed om te slapen.”Doch Maria wilde altijd nog maar niet gehoorzamen; zijdankte hem met warmte en vroeg daarna met heldere oogen:»Dus is het waar? Gij hebt Paula zoo lief?”Doch hier hield zij eensklaps op en zeide:»En de kleine Katharina...”»Spreek daar niet over, kind,” zeide hij met een zucht,»en neem er een les uit voor uzelve. Zie, in eene noodlottige ure heb ik lichtvaardig iets gedaan wat niet goed is, en om dat te verbergen, moest ik er wederom kwaad aan toevoegen, totdat de ongerechtigheden tot een berg waren opgestapeld, op mij neervielen en mij verpletterden. Thans ben ik de ongelukkigste der menschen, en ik zou wellicht de gelukkigste kunnen zijn. Door mijne eigene lichtzinnigheid, mijne eigene zwakheid en schuld heb ik mijn geheele leven bedorven, heb ik ook Paula verloren, die mij liever is dan alle menschen op aarde te zamen genomen. Ja, Maria, als zij de mijne was geworden, uw arme oom had een benijdenswaardig jonkman, een degelijk mensch, een groot man kunnen worden, die wat uitricht in de wereld; maar zoo? Weg is weg! Ga ter rust mijn kind, eerst als gij ouder zijt zult gij dit alles verstaan!”»O ik versta het nu reeds, ja nu en veel beter misschien dan gij denkt,” riep de tienjarige hem toe. »En wanneer gij Paula inderdaad zoo liefhebt, waarom zou zij uwe liefde niet beantwoorden? Gij zijt zoo schoon, gij kunt zooveel, ieder mag u gaarne lijden, en Paula zal wel weer goed op u worden, wanneer gij maar.... Zult gij niet boos op mij zijn als ik het u zeg?”»Spreek maar gekkinnetje!”»Zij kan u niets meer verwijten wanneer zij weet, hoe vreeselijk gij lijdt om harentwil en dat gij zoo innig goed zijt en maar eene enkele maal iets gedaan hebt—dat weet ge! Voor gij terugkwaamt heeft grootvader wel honderdmaal gezegd, hoeveel vreugde gij hem zijn leven lang bereid hebt, en nu, nu.. Gij zijt mijn oom en ik ben maar een dom schepseltje, maar ik weet toch dat het met u gaat als den verloren zoon uit den bijbel. Grootvader en gij zijt toornig van elkander gegaan.”»Hij heeft mij gevloekt,” riep Orion op doffen toon.»Neen, neen! Mij is geen van zijne woorden ontgaan. Alleen uw daad heeft hij veroordeeld met schrikkelijke woorden en u van zijn sterfbed weggejaagd.”»Welk onderscheid ligt daarin: vervloekt of verstooten?”»O, een zeer groot onderscheid! Hij had reden om boos op u te zijn, maar de verloren zoon in den bijbel werd daarna de meest geliefde van zijn vader, zoodat hij een kalf voor hem liet slachten en hem alles vergaf, en zoo zal dan grootvader u ook in den hemel vergeven, wanneer gij weder zoo goed wordt als gij vroeger waart jegens hem en ons allen. En Paula zal u evenzeer vergeven; ik ken haar—gij zult het wel zien.....Katharina had u ook wel lief, maar zij.... Lieve God, zij is haast nog even kinderachtig als ik, en wanneer gij maar altijd vriendelijk tegen haar zijt, en zij wat moois van u ten geschenke ontvangt, zal zij zich wel troosten. Voor haar valsche getuigenis heeft zij toch zeker wel wat straf verdiend, doch uwe straf komt zeker niet in vergelijking met de hare.”De woorden uit den mond van een onschuldig kind vielen in den van smart doorploegden akker van ’s jonkmans ziel als zaadkorrels, en waren als morgendauw voor zijn gemoed. Toen Maria reeds lang weder was ingeslapen dacht hij er nog altijd over na.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.Ter zelfder tijd als zij was Orion naar zijne vertrekken teruggekeerd. Naast aan de zijnen grensde de slaapkamer van de kleine Maria, die hij niet had wedergezien, sedert hij de plaats verliet, waar zijn vader gestorven was. Hij wist dat zij daar lag met de koorts, maar hij kon het niet over zich verkrijgen naar haar te vragen. Kwam de gedachte aan haar bij hem op, dan balde hij onwillekeurig de vuisten. Hij was getroffen tot in het diepst zijner ziel, buiten zichzelven en als tot twijfeling gebracht. Geene andere gedachten beheerschten hem dan deze dat hij de ongelukkigste was van alle menschen, dat de vloek zijns vaders hem had getroffen, dat het gebeurde met niets was goed te maken, dat eene ruwe, onafweerbare macht den trouwsten van zijn vrienden hem tot vijand had gemaakt en zóo van zijne zijde had weggescheurd, dat er geen mogelijkheid bestond hem nog te verzoenen, hem tot woorden van vergiffenis, tot een vriendelijken blik te bewegen. In zulk een stemming liep hij met versnelde schreden het groote vertrek op en neder, wierp zich nu eens van den divan op den grond en drukte dan weder zijn gloeiend aangezicht in het zachte kussen. Soms gelukte het hem te bidden, doch telkens hield hij weder op, want er was immers geen macht in hemel of op aarde, die dit gebroken oog weder kon openen, dit verstijfde hart weder kon doen kloppen, deze verlamde tong kon doen spreken, om hem, den verstootene dat te verleenen, waarnaar zijn ziel smachtte, zonder hetwelk hij meende te moeten bezwijken namelijk: vergiffenis van zijn vader, vergiffenis, vergiffenis!Soms sloeg hij zich als een waanzinnige met de vuist tegen de borst en het voorhoofd, en slaakte daarbij kreten van angst, verwenschingen en bittere klachten. Omstreeks middernacht—er waren eerst twaalf uren verloopen sedert die vreeselijke gebeurtenis had plaats gegrepen, en toch kwam het hem voorals waren het even zoovele dagen geweest—wierp hij zich in het donkere rouwgewaad, dat hij van woede en vertwijfeling zich half van het lijf had gescheurd, op den divan neder en brak in zulk een luid snikken los, dat hijzelf er in de stilte van den nacht van schrikte, en aangegrepen door medelijden met en afkeer van zijn eigen grievend leed zich met het gelaat naar den wand keerde, om zijne oogen te onttrekken aan het volle reine maanlicht, dat hem enkel dingen toonde die hij niet zien wilde en die hem kwelden.Eindelijk werd die zielemarteling hem ondragelijk. Zijn gemoed werd gepijnigd en als vaneen gereten, en de gedachte kwam bij hem op om zijn scherpste zwaard te grijpen, zich als een razende Ajax of een Cato daarin te storten en zoo aan deze duldelooze overweldigende pijniging een einde te maken. Opeens rees hij overeind, want de deur—het was geen zinsbedrog, geene begoocheling—de deur van zijn vertrek werd zacht geopend en eene witte, spookachtige gedaante bewoog zich met zachte onhoorbare schreden naar hem toe. Eene kille huivering voer door de leden van den anders zoo moedigen man, doch weldra herkende hij in die nachtelijke bezoekster de kleine Maria.Zonder eenig geluid te geven naderde zij in het heldere maanlicht, maar barsch riep hij haar toe:»Wat moet dat? Wat wilt gij?”Het kind verschrikte, bleef angstig staan, strekte de handen smeekend naar hem uit en stamelde daarbij schuchter:»Ik hoorde u steeds klagen. Arme, arme Orion! En ik ben het, die u dit alles heb aangedaan. Ik kon niet langer in bed blijven, ik—ja ik moest....”Hier werd zij zoo bedroefd, dat zij niet verder kon gaan; doch Orion riep haar toe:»Nu, het is goed! Ga naar uwe kamer terug en slapen, ik wil trachten wat zachter te klagen.”Deze laatste woorden klonken wat minder hard, want hij bespeurde dat het kind, hoewel zelf ziek, hem op bloote voeten en in haar nachthemd, rillende van kou, aandoening en droefheid, had opgezocht. Maria bleef echter staan, schudde het hoofd en antwoordde, altijd nog zacht weenende:»Neen, neen, ik blijf hier en ga niet weg, nu ik weet dat gij... Ach God, vergeven kunt gij mij wel niet, maar ik moet het toch zeggen, ik moet...”Daarop vloog zij, eene ingeving van het oogenblik volgende, recht naar hem toe, sloeg hare armen om zijn hals, drukte haar hoofd tegen het zijne en toen hij haar niet afweerde, kuste zij zijne wangen en zijn voorhoofd.Er had een vreemde verandering bij hem plaats; hij wist niet wat er met hem gebeurde, maar het was hem als werd eriets in zijn binnenste week gemaakt en opgelost, en het waren niet enkel de heete tranen van het kind, het waren ook zijne eigene, die zijne oogen en zijn aangezicht bevochtigden.Zoo verliepen er eenige oogenblikken van diepe stilte; eindelijk maakte hij de armen der kleine van zijn hals los en zeide:»Wat gloeien uwe handen en wangen, arm kind! Gij hebt de koorts; de koele nachtlucht stroomt binnen, en gij zult door dezen onzin nog verkouden worden.”Met moeite was hij zijne tranen meester geworden, en terwijl hij deze woorden uitbracht, sloeg hij het zwarte overkleed, dat hij afgeworpen had, zorgzaam over haar heen en zeide daarna vriendelijk:»Wees nu bedaard, ook ik zal trachten mijzelven te beheerschen. Gij hebt het zeker niet kwaad bedoeld en ik zal het u niet verwijten. Ga nu heen! Ge kunt zonder gevaar voor de trekking door de voorzaal gaan.—Nu, gaat ge?”»Neen, neen,” antwoordde zij ernstig.»Gij moet mij laten uitspreken, anders kan ik niet slapen. Ziet ge, ik heb er in ’t geheel niet aan gedacht dat ik u leed zou doen, zulk een vreeselijk, zulk een schrikkelijk leed; neen zeker niet! Ik ben boos op u geweest, omdat gij—maar toen, ach, lieve Heiland! toen heb ik waarlijk in het geheel niet aan u, maar enkel aan die arme Paula gedacht. Gij weet niet half hoe goed zij is, en grootvader had haar zoo lief voor gij terugkwaamt, en daar lag hij en zou haast sterven, en ik wist dat hij Paula voor eendievegge, voor eene leugenaarster hield. Dat ik hem in zulk een dwaling, zulk eene ongerechtigheid de oogen zou zien sluiten, dat vond ik toen zoo afschuwelijk, zoo onverdragelijk, niet alleen om grootvader maar ook om Paula, dat ik—ach Orion, de barmhartige Heiland is mijn getuige—dat ik... En al had ik het moeten besterven ik kon toen niet anders; ik zou bezweken zijn als ik gezwegen had!”»Misschien is het ook goed geweest dat gij gesproken hebt,” zeide de jonkman, terwijl hij diep adem haalde.»Ziet gij, meisje; de arme broeder van uw gestorven vader is een verloren mensch en aan hem is niet veel gelegen; maar Paula, die duizendmaal beter is dan ik, aan haar is ten minste recht gedaan, en daar ik haar liefheb, meer dan gij u in uw klein hartje kunt voorstellen, wil ik gaarne weer goed op je zijn en je nog liever hebben dan vroeger. Dat is nu geen groote, geen edelmoedige daad, want ik heb liefde noodig, veel liefde, om het leven dragelijk te vinden. Ik dwaas heb de beste liefde verspeeld, en ik kan de uwe, arm, braaf kind, ik kan de uwe niet missen! Zoo, daar hebt ge mijne hand, geef mij ook nog een kus, en ga dan naar bed om te slapen.”Doch Maria wilde altijd nog maar niet gehoorzamen; zijdankte hem met warmte en vroeg daarna met heldere oogen:»Dus is het waar? Gij hebt Paula zoo lief?”Doch hier hield zij eensklaps op en zeide:»En de kleine Katharina...”»Spreek daar niet over, kind,” zeide hij met een zucht,»en neem er een les uit voor uzelve. Zie, in eene noodlottige ure heb ik lichtvaardig iets gedaan wat niet goed is, en om dat te verbergen, moest ik er wederom kwaad aan toevoegen, totdat de ongerechtigheden tot een berg waren opgestapeld, op mij neervielen en mij verpletterden. Thans ben ik de ongelukkigste der menschen, en ik zou wellicht de gelukkigste kunnen zijn. Door mijne eigene lichtzinnigheid, mijne eigene zwakheid en schuld heb ik mijn geheele leven bedorven, heb ik ook Paula verloren, die mij liever is dan alle menschen op aarde te zamen genomen. Ja, Maria, als zij de mijne was geworden, uw arme oom had een benijdenswaardig jonkman, een degelijk mensch, een groot man kunnen worden, die wat uitricht in de wereld; maar zoo? Weg is weg! Ga ter rust mijn kind, eerst als gij ouder zijt zult gij dit alles verstaan!”»O ik versta het nu reeds, ja nu en veel beter misschien dan gij denkt,” riep de tienjarige hem toe. »En wanneer gij Paula inderdaad zoo liefhebt, waarom zou zij uwe liefde niet beantwoorden? Gij zijt zoo schoon, gij kunt zooveel, ieder mag u gaarne lijden, en Paula zal wel weer goed op u worden, wanneer gij maar.... Zult gij niet boos op mij zijn als ik het u zeg?”»Spreek maar gekkinnetje!”»Zij kan u niets meer verwijten wanneer zij weet, hoe vreeselijk gij lijdt om harentwil en dat gij zoo innig goed zijt en maar eene enkele maal iets gedaan hebt—dat weet ge! Voor gij terugkwaamt heeft grootvader wel honderdmaal gezegd, hoeveel vreugde gij hem zijn leven lang bereid hebt, en nu, nu.. Gij zijt mijn oom en ik ben maar een dom schepseltje, maar ik weet toch dat het met u gaat als den verloren zoon uit den bijbel. Grootvader en gij zijt toornig van elkander gegaan.”»Hij heeft mij gevloekt,” riep Orion op doffen toon.»Neen, neen! Mij is geen van zijne woorden ontgaan. Alleen uw daad heeft hij veroordeeld met schrikkelijke woorden en u van zijn sterfbed weggejaagd.”»Welk onderscheid ligt daarin: vervloekt of verstooten?”»O, een zeer groot onderscheid! Hij had reden om boos op u te zijn, maar de verloren zoon in den bijbel werd daarna de meest geliefde van zijn vader, zoodat hij een kalf voor hem liet slachten en hem alles vergaf, en zoo zal dan grootvader u ook in den hemel vergeven, wanneer gij weder zoo goed wordt als gij vroeger waart jegens hem en ons allen. En Paula zal u evenzeer vergeven; ik ken haar—gij zult het wel zien.....Katharina had u ook wel lief, maar zij.... Lieve God, zij is haast nog even kinderachtig als ik, en wanneer gij maar altijd vriendelijk tegen haar zijt, en zij wat moois van u ten geschenke ontvangt, zal zij zich wel troosten. Voor haar valsche getuigenis heeft zij toch zeker wel wat straf verdiend, doch uwe straf komt zeker niet in vergelijking met de hare.”De woorden uit den mond van een onschuldig kind vielen in den van smart doorploegden akker van ’s jonkmans ziel als zaadkorrels, en waren als morgendauw voor zijn gemoed. Toen Maria reeds lang weder was ingeslapen dacht hij er nog altijd over na.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.Ter zelfder tijd als zij was Orion naar zijne vertrekken teruggekeerd. Naast aan de zijnen grensde de slaapkamer van de kleine Maria, die hij niet had wedergezien, sedert hij de plaats verliet, waar zijn vader gestorven was. Hij wist dat zij daar lag met de koorts, maar hij kon het niet over zich verkrijgen naar haar te vragen. Kwam de gedachte aan haar bij hem op, dan balde hij onwillekeurig de vuisten. Hij was getroffen tot in het diepst zijner ziel, buiten zichzelven en als tot twijfeling gebracht. Geene andere gedachten beheerschten hem dan deze dat hij de ongelukkigste was van alle menschen, dat de vloek zijns vaders hem had getroffen, dat het gebeurde met niets was goed te maken, dat eene ruwe, onafweerbare macht den trouwsten van zijn vrienden hem tot vijand had gemaakt en zóo van zijne zijde had weggescheurd, dat er geen mogelijkheid bestond hem nog te verzoenen, hem tot woorden van vergiffenis, tot een vriendelijken blik te bewegen. In zulk een stemming liep hij met versnelde schreden het groote vertrek op en neder, wierp zich nu eens van den divan op den grond en drukte dan weder zijn gloeiend aangezicht in het zachte kussen. Soms gelukte het hem te bidden, doch telkens hield hij weder op, want er was immers geen macht in hemel of op aarde, die dit gebroken oog weder kon openen, dit verstijfde hart weder kon doen kloppen, deze verlamde tong kon doen spreken, om hem, den verstootene dat te verleenen, waarnaar zijn ziel smachtte, zonder hetwelk hij meende te moeten bezwijken namelijk: vergiffenis van zijn vader, vergiffenis, vergiffenis!Soms sloeg hij zich als een waanzinnige met de vuist tegen de borst en het voorhoofd, en slaakte daarbij kreten van angst, verwenschingen en bittere klachten. Omstreeks middernacht—er waren eerst twaalf uren verloopen sedert die vreeselijke gebeurtenis had plaats gegrepen, en toch kwam het hem voorals waren het even zoovele dagen geweest—wierp hij zich in het donkere rouwgewaad, dat hij van woede en vertwijfeling zich half van het lijf had gescheurd, op den divan neder en brak in zulk een luid snikken los, dat hijzelf er in de stilte van den nacht van schrikte, en aangegrepen door medelijden met en afkeer van zijn eigen grievend leed zich met het gelaat naar den wand keerde, om zijne oogen te onttrekken aan het volle reine maanlicht, dat hem enkel dingen toonde die hij niet zien wilde en die hem kwelden.Eindelijk werd die zielemarteling hem ondragelijk. Zijn gemoed werd gepijnigd en als vaneen gereten, en de gedachte kwam bij hem op om zijn scherpste zwaard te grijpen, zich als een razende Ajax of een Cato daarin te storten en zoo aan deze duldelooze overweldigende pijniging een einde te maken. Opeens rees hij overeind, want de deur—het was geen zinsbedrog, geene begoocheling—de deur van zijn vertrek werd zacht geopend en eene witte, spookachtige gedaante bewoog zich met zachte onhoorbare schreden naar hem toe. Eene kille huivering voer door de leden van den anders zoo moedigen man, doch weldra herkende hij in die nachtelijke bezoekster de kleine Maria.Zonder eenig geluid te geven naderde zij in het heldere maanlicht, maar barsch riep hij haar toe:»Wat moet dat? Wat wilt gij?”Het kind verschrikte, bleef angstig staan, strekte de handen smeekend naar hem uit en stamelde daarbij schuchter:»Ik hoorde u steeds klagen. Arme, arme Orion! En ik ben het, die u dit alles heb aangedaan. Ik kon niet langer in bed blijven, ik—ja ik moest....”Hier werd zij zoo bedroefd, dat zij niet verder kon gaan; doch Orion riep haar toe:»Nu, het is goed! Ga naar uwe kamer terug en slapen, ik wil trachten wat zachter te klagen.”Deze laatste woorden klonken wat minder hard, want hij bespeurde dat het kind, hoewel zelf ziek, hem op bloote voeten en in haar nachthemd, rillende van kou, aandoening en droefheid, had opgezocht. Maria bleef echter staan, schudde het hoofd en antwoordde, altijd nog zacht weenende:»Neen, neen, ik blijf hier en ga niet weg, nu ik weet dat gij... Ach God, vergeven kunt gij mij wel niet, maar ik moet het toch zeggen, ik moet...”Daarop vloog zij, eene ingeving van het oogenblik volgende, recht naar hem toe, sloeg hare armen om zijn hals, drukte haar hoofd tegen het zijne en toen hij haar niet afweerde, kuste zij zijne wangen en zijn voorhoofd.Er had een vreemde verandering bij hem plaats; hij wist niet wat er met hem gebeurde, maar het was hem als werd eriets in zijn binnenste week gemaakt en opgelost, en het waren niet enkel de heete tranen van het kind, het waren ook zijne eigene, die zijne oogen en zijn aangezicht bevochtigden.Zoo verliepen er eenige oogenblikken van diepe stilte; eindelijk maakte hij de armen der kleine van zijn hals los en zeide:»Wat gloeien uwe handen en wangen, arm kind! Gij hebt de koorts; de koele nachtlucht stroomt binnen, en gij zult door dezen onzin nog verkouden worden.”Met moeite was hij zijne tranen meester geworden, en terwijl hij deze woorden uitbracht, sloeg hij het zwarte overkleed, dat hij afgeworpen had, zorgzaam over haar heen en zeide daarna vriendelijk:»Wees nu bedaard, ook ik zal trachten mijzelven te beheerschen. Gij hebt het zeker niet kwaad bedoeld en ik zal het u niet verwijten. Ga nu heen! Ge kunt zonder gevaar voor de trekking door de voorzaal gaan.—Nu, gaat ge?”»Neen, neen,” antwoordde zij ernstig.»Gij moet mij laten uitspreken, anders kan ik niet slapen. Ziet ge, ik heb er in ’t geheel niet aan gedacht dat ik u leed zou doen, zulk een vreeselijk, zulk een schrikkelijk leed; neen zeker niet! Ik ben boos op u geweest, omdat gij—maar toen, ach, lieve Heiland! toen heb ik waarlijk in het geheel niet aan u, maar enkel aan die arme Paula gedacht. Gij weet niet half hoe goed zij is, en grootvader had haar zoo lief voor gij terugkwaamt, en daar lag hij en zou haast sterven, en ik wist dat hij Paula voor eendievegge, voor eene leugenaarster hield. Dat ik hem in zulk een dwaling, zulk eene ongerechtigheid de oogen zou zien sluiten, dat vond ik toen zoo afschuwelijk, zoo onverdragelijk, niet alleen om grootvader maar ook om Paula, dat ik—ach Orion, de barmhartige Heiland is mijn getuige—dat ik... En al had ik het moeten besterven ik kon toen niet anders; ik zou bezweken zijn als ik gezwegen had!”»Misschien is het ook goed geweest dat gij gesproken hebt,” zeide de jonkman, terwijl hij diep adem haalde.»Ziet gij, meisje; de arme broeder van uw gestorven vader is een verloren mensch en aan hem is niet veel gelegen; maar Paula, die duizendmaal beter is dan ik, aan haar is ten minste recht gedaan, en daar ik haar liefheb, meer dan gij u in uw klein hartje kunt voorstellen, wil ik gaarne weer goed op je zijn en je nog liever hebben dan vroeger. Dat is nu geen groote, geen edelmoedige daad, want ik heb liefde noodig, veel liefde, om het leven dragelijk te vinden. Ik dwaas heb de beste liefde verspeeld, en ik kan de uwe, arm, braaf kind, ik kan de uwe niet missen! Zoo, daar hebt ge mijne hand, geef mij ook nog een kus, en ga dan naar bed om te slapen.”Doch Maria wilde altijd nog maar niet gehoorzamen; zijdankte hem met warmte en vroeg daarna met heldere oogen:»Dus is het waar? Gij hebt Paula zoo lief?”Doch hier hield zij eensklaps op en zeide:»En de kleine Katharina...”»Spreek daar niet over, kind,” zeide hij met een zucht,»en neem er een les uit voor uzelve. Zie, in eene noodlottige ure heb ik lichtvaardig iets gedaan wat niet goed is, en om dat te verbergen, moest ik er wederom kwaad aan toevoegen, totdat de ongerechtigheden tot een berg waren opgestapeld, op mij neervielen en mij verpletterden. Thans ben ik de ongelukkigste der menschen, en ik zou wellicht de gelukkigste kunnen zijn. Door mijne eigene lichtzinnigheid, mijne eigene zwakheid en schuld heb ik mijn geheele leven bedorven, heb ik ook Paula verloren, die mij liever is dan alle menschen op aarde te zamen genomen. Ja, Maria, als zij de mijne was geworden, uw arme oom had een benijdenswaardig jonkman, een degelijk mensch, een groot man kunnen worden, die wat uitricht in de wereld; maar zoo? Weg is weg! Ga ter rust mijn kind, eerst als gij ouder zijt zult gij dit alles verstaan!”»O ik versta het nu reeds, ja nu en veel beter misschien dan gij denkt,” riep de tienjarige hem toe. »En wanneer gij Paula inderdaad zoo liefhebt, waarom zou zij uwe liefde niet beantwoorden? Gij zijt zoo schoon, gij kunt zooveel, ieder mag u gaarne lijden, en Paula zal wel weer goed op u worden, wanneer gij maar.... Zult gij niet boos op mij zijn als ik het u zeg?”»Spreek maar gekkinnetje!”»Zij kan u niets meer verwijten wanneer zij weet, hoe vreeselijk gij lijdt om harentwil en dat gij zoo innig goed zijt en maar eene enkele maal iets gedaan hebt—dat weet ge! Voor gij terugkwaamt heeft grootvader wel honderdmaal gezegd, hoeveel vreugde gij hem zijn leven lang bereid hebt, en nu, nu.. Gij zijt mijn oom en ik ben maar een dom schepseltje, maar ik weet toch dat het met u gaat als den verloren zoon uit den bijbel. Grootvader en gij zijt toornig van elkander gegaan.”»Hij heeft mij gevloekt,” riep Orion op doffen toon.»Neen, neen! Mij is geen van zijne woorden ontgaan. Alleen uw daad heeft hij veroordeeld met schrikkelijke woorden en u van zijn sterfbed weggejaagd.”»Welk onderscheid ligt daarin: vervloekt of verstooten?”»O, een zeer groot onderscheid! Hij had reden om boos op u te zijn, maar de verloren zoon in den bijbel werd daarna de meest geliefde van zijn vader, zoodat hij een kalf voor hem liet slachten en hem alles vergaf, en zoo zal dan grootvader u ook in den hemel vergeven, wanneer gij weder zoo goed wordt als gij vroeger waart jegens hem en ons allen. En Paula zal u evenzeer vergeven; ik ken haar—gij zult het wel zien.....Katharina had u ook wel lief, maar zij.... Lieve God, zij is haast nog even kinderachtig als ik, en wanneer gij maar altijd vriendelijk tegen haar zijt, en zij wat moois van u ten geschenke ontvangt, zal zij zich wel troosten. Voor haar valsche getuigenis heeft zij toch zeker wel wat straf verdiend, doch uwe straf komt zeker niet in vergelijking met de hare.”De woorden uit den mond van een onschuldig kind vielen in den van smart doorploegden akker van ’s jonkmans ziel als zaadkorrels, en waren als morgendauw voor zijn gemoed. Toen Maria reeds lang weder was ingeslapen dacht hij er nog altijd over na.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Ter zelfder tijd als zij was Orion naar zijne vertrekken teruggekeerd. Naast aan de zijnen grensde de slaapkamer van de kleine Maria, die hij niet had wedergezien, sedert hij de plaats verliet, waar zijn vader gestorven was. Hij wist dat zij daar lag met de koorts, maar hij kon het niet over zich verkrijgen naar haar te vragen. Kwam de gedachte aan haar bij hem op, dan balde hij onwillekeurig de vuisten. Hij was getroffen tot in het diepst zijner ziel, buiten zichzelven en als tot twijfeling gebracht. Geene andere gedachten beheerschten hem dan deze dat hij de ongelukkigste was van alle menschen, dat de vloek zijns vaders hem had getroffen, dat het gebeurde met niets was goed te maken, dat eene ruwe, onafweerbare macht den trouwsten van zijn vrienden hem tot vijand had gemaakt en zóo van zijne zijde had weggescheurd, dat er geen mogelijkheid bestond hem nog te verzoenen, hem tot woorden van vergiffenis, tot een vriendelijken blik te bewegen. In zulk een stemming liep hij met versnelde schreden het groote vertrek op en neder, wierp zich nu eens van den divan op den grond en drukte dan weder zijn gloeiend aangezicht in het zachte kussen. Soms gelukte het hem te bidden, doch telkens hield hij weder op, want er was immers geen macht in hemel of op aarde, die dit gebroken oog weder kon openen, dit verstijfde hart weder kon doen kloppen, deze verlamde tong kon doen spreken, om hem, den verstootene dat te verleenen, waarnaar zijn ziel smachtte, zonder hetwelk hij meende te moeten bezwijken namelijk: vergiffenis van zijn vader, vergiffenis, vergiffenis!Soms sloeg hij zich als een waanzinnige met de vuist tegen de borst en het voorhoofd, en slaakte daarbij kreten van angst, verwenschingen en bittere klachten. Omstreeks middernacht—er waren eerst twaalf uren verloopen sedert die vreeselijke gebeurtenis had plaats gegrepen, en toch kwam het hem voorals waren het even zoovele dagen geweest—wierp hij zich in het donkere rouwgewaad, dat hij van woede en vertwijfeling zich half van het lijf had gescheurd, op den divan neder en brak in zulk een luid snikken los, dat hijzelf er in de stilte van den nacht van schrikte, en aangegrepen door medelijden met en afkeer van zijn eigen grievend leed zich met het gelaat naar den wand keerde, om zijne oogen te onttrekken aan het volle reine maanlicht, dat hem enkel dingen toonde die hij niet zien wilde en die hem kwelden.Eindelijk werd die zielemarteling hem ondragelijk. Zijn gemoed werd gepijnigd en als vaneen gereten, en de gedachte kwam bij hem op om zijn scherpste zwaard te grijpen, zich als een razende Ajax of een Cato daarin te storten en zoo aan deze duldelooze overweldigende pijniging een einde te maken. Opeens rees hij overeind, want de deur—het was geen zinsbedrog, geene begoocheling—de deur van zijn vertrek werd zacht geopend en eene witte, spookachtige gedaante bewoog zich met zachte onhoorbare schreden naar hem toe. Eene kille huivering voer door de leden van den anders zoo moedigen man, doch weldra herkende hij in die nachtelijke bezoekster de kleine Maria.Zonder eenig geluid te geven naderde zij in het heldere maanlicht, maar barsch riep hij haar toe:»Wat moet dat? Wat wilt gij?”Het kind verschrikte, bleef angstig staan, strekte de handen smeekend naar hem uit en stamelde daarbij schuchter:»Ik hoorde u steeds klagen. Arme, arme Orion! En ik ben het, die u dit alles heb aangedaan. Ik kon niet langer in bed blijven, ik—ja ik moest....”Hier werd zij zoo bedroefd, dat zij niet verder kon gaan; doch Orion riep haar toe:»Nu, het is goed! Ga naar uwe kamer terug en slapen, ik wil trachten wat zachter te klagen.”Deze laatste woorden klonken wat minder hard, want hij bespeurde dat het kind, hoewel zelf ziek, hem op bloote voeten en in haar nachthemd, rillende van kou, aandoening en droefheid, had opgezocht. Maria bleef echter staan, schudde het hoofd en antwoordde, altijd nog zacht weenende:»Neen, neen, ik blijf hier en ga niet weg, nu ik weet dat gij... Ach God, vergeven kunt gij mij wel niet, maar ik moet het toch zeggen, ik moet...”Daarop vloog zij, eene ingeving van het oogenblik volgende, recht naar hem toe, sloeg hare armen om zijn hals, drukte haar hoofd tegen het zijne en toen hij haar niet afweerde, kuste zij zijne wangen en zijn voorhoofd.Er had een vreemde verandering bij hem plaats; hij wist niet wat er met hem gebeurde, maar het was hem als werd eriets in zijn binnenste week gemaakt en opgelost, en het waren niet enkel de heete tranen van het kind, het waren ook zijne eigene, die zijne oogen en zijn aangezicht bevochtigden.Zoo verliepen er eenige oogenblikken van diepe stilte; eindelijk maakte hij de armen der kleine van zijn hals los en zeide:»Wat gloeien uwe handen en wangen, arm kind! Gij hebt de koorts; de koele nachtlucht stroomt binnen, en gij zult door dezen onzin nog verkouden worden.”Met moeite was hij zijne tranen meester geworden, en terwijl hij deze woorden uitbracht, sloeg hij het zwarte overkleed, dat hij afgeworpen had, zorgzaam over haar heen en zeide daarna vriendelijk:»Wees nu bedaard, ook ik zal trachten mijzelven te beheerschen. Gij hebt het zeker niet kwaad bedoeld en ik zal het u niet verwijten. Ga nu heen! Ge kunt zonder gevaar voor de trekking door de voorzaal gaan.—Nu, gaat ge?”»Neen, neen,” antwoordde zij ernstig.»Gij moet mij laten uitspreken, anders kan ik niet slapen. Ziet ge, ik heb er in ’t geheel niet aan gedacht dat ik u leed zou doen, zulk een vreeselijk, zulk een schrikkelijk leed; neen zeker niet! Ik ben boos op u geweest, omdat gij—maar toen, ach, lieve Heiland! toen heb ik waarlijk in het geheel niet aan u, maar enkel aan die arme Paula gedacht. Gij weet niet half hoe goed zij is, en grootvader had haar zoo lief voor gij terugkwaamt, en daar lag hij en zou haast sterven, en ik wist dat hij Paula voor eendievegge, voor eene leugenaarster hield. Dat ik hem in zulk een dwaling, zulk eene ongerechtigheid de oogen zou zien sluiten, dat vond ik toen zoo afschuwelijk, zoo onverdragelijk, niet alleen om grootvader maar ook om Paula, dat ik—ach Orion, de barmhartige Heiland is mijn getuige—dat ik... En al had ik het moeten besterven ik kon toen niet anders; ik zou bezweken zijn als ik gezwegen had!”»Misschien is het ook goed geweest dat gij gesproken hebt,” zeide de jonkman, terwijl hij diep adem haalde.»Ziet gij, meisje; de arme broeder van uw gestorven vader is een verloren mensch en aan hem is niet veel gelegen; maar Paula, die duizendmaal beter is dan ik, aan haar is ten minste recht gedaan, en daar ik haar liefheb, meer dan gij u in uw klein hartje kunt voorstellen, wil ik gaarne weer goed op je zijn en je nog liever hebben dan vroeger. Dat is nu geen groote, geen edelmoedige daad, want ik heb liefde noodig, veel liefde, om het leven dragelijk te vinden. Ik dwaas heb de beste liefde verspeeld, en ik kan de uwe, arm, braaf kind, ik kan de uwe niet missen! Zoo, daar hebt ge mijne hand, geef mij ook nog een kus, en ga dan naar bed om te slapen.”Doch Maria wilde altijd nog maar niet gehoorzamen; zijdankte hem met warmte en vroeg daarna met heldere oogen:»Dus is het waar? Gij hebt Paula zoo lief?”Doch hier hield zij eensklaps op en zeide:»En de kleine Katharina...”»Spreek daar niet over, kind,” zeide hij met een zucht,»en neem er een les uit voor uzelve. Zie, in eene noodlottige ure heb ik lichtvaardig iets gedaan wat niet goed is, en om dat te verbergen, moest ik er wederom kwaad aan toevoegen, totdat de ongerechtigheden tot een berg waren opgestapeld, op mij neervielen en mij verpletterden. Thans ben ik de ongelukkigste der menschen, en ik zou wellicht de gelukkigste kunnen zijn. Door mijne eigene lichtzinnigheid, mijne eigene zwakheid en schuld heb ik mijn geheele leven bedorven, heb ik ook Paula verloren, die mij liever is dan alle menschen op aarde te zamen genomen. Ja, Maria, als zij de mijne was geworden, uw arme oom had een benijdenswaardig jonkman, een degelijk mensch, een groot man kunnen worden, die wat uitricht in de wereld; maar zoo? Weg is weg! Ga ter rust mijn kind, eerst als gij ouder zijt zult gij dit alles verstaan!”»O ik versta het nu reeds, ja nu en veel beter misschien dan gij denkt,” riep de tienjarige hem toe. »En wanneer gij Paula inderdaad zoo liefhebt, waarom zou zij uwe liefde niet beantwoorden? Gij zijt zoo schoon, gij kunt zooveel, ieder mag u gaarne lijden, en Paula zal wel weer goed op u worden, wanneer gij maar.... Zult gij niet boos op mij zijn als ik het u zeg?”»Spreek maar gekkinnetje!”»Zij kan u niets meer verwijten wanneer zij weet, hoe vreeselijk gij lijdt om harentwil en dat gij zoo innig goed zijt en maar eene enkele maal iets gedaan hebt—dat weet ge! Voor gij terugkwaamt heeft grootvader wel honderdmaal gezegd, hoeveel vreugde gij hem zijn leven lang bereid hebt, en nu, nu.. Gij zijt mijn oom en ik ben maar een dom schepseltje, maar ik weet toch dat het met u gaat als den verloren zoon uit den bijbel. Grootvader en gij zijt toornig van elkander gegaan.”»Hij heeft mij gevloekt,” riep Orion op doffen toon.»Neen, neen! Mij is geen van zijne woorden ontgaan. Alleen uw daad heeft hij veroordeeld met schrikkelijke woorden en u van zijn sterfbed weggejaagd.”»Welk onderscheid ligt daarin: vervloekt of verstooten?”»O, een zeer groot onderscheid! Hij had reden om boos op u te zijn, maar de verloren zoon in den bijbel werd daarna de meest geliefde van zijn vader, zoodat hij een kalf voor hem liet slachten en hem alles vergaf, en zoo zal dan grootvader u ook in den hemel vergeven, wanneer gij weder zoo goed wordt als gij vroeger waart jegens hem en ons allen. En Paula zal u evenzeer vergeven; ik ken haar—gij zult het wel zien.....Katharina had u ook wel lief, maar zij.... Lieve God, zij is haast nog even kinderachtig als ik, en wanneer gij maar altijd vriendelijk tegen haar zijt, en zij wat moois van u ten geschenke ontvangt, zal zij zich wel troosten. Voor haar valsche getuigenis heeft zij toch zeker wel wat straf verdiend, doch uwe straf komt zeker niet in vergelijking met de hare.”De woorden uit den mond van een onschuldig kind vielen in den van smart doorploegden akker van ’s jonkmans ziel als zaadkorrels, en waren als morgendauw voor zijn gemoed. Toen Maria reeds lang weder was ingeslapen dacht hij er nog altijd over na.

Ter zelfder tijd als zij was Orion naar zijne vertrekken teruggekeerd. Naast aan de zijnen grensde de slaapkamer van de kleine Maria, die hij niet had wedergezien, sedert hij de plaats verliet, waar zijn vader gestorven was. Hij wist dat zij daar lag met de koorts, maar hij kon het niet over zich verkrijgen naar haar te vragen. Kwam de gedachte aan haar bij hem op, dan balde hij onwillekeurig de vuisten. Hij was getroffen tot in het diepst zijner ziel, buiten zichzelven en als tot twijfeling gebracht. Geene andere gedachten beheerschten hem dan deze dat hij de ongelukkigste was van alle menschen, dat de vloek zijns vaders hem had getroffen, dat het gebeurde met niets was goed te maken, dat eene ruwe, onafweerbare macht den trouwsten van zijn vrienden hem tot vijand had gemaakt en zóo van zijne zijde had weggescheurd, dat er geen mogelijkheid bestond hem nog te verzoenen, hem tot woorden van vergiffenis, tot een vriendelijken blik te bewegen. In zulk een stemming liep hij met versnelde schreden het groote vertrek op en neder, wierp zich nu eens van den divan op den grond en drukte dan weder zijn gloeiend aangezicht in het zachte kussen. Soms gelukte het hem te bidden, doch telkens hield hij weder op, want er was immers geen macht in hemel of op aarde, die dit gebroken oog weder kon openen, dit verstijfde hart weder kon doen kloppen, deze verlamde tong kon doen spreken, om hem, den verstootene dat te verleenen, waarnaar zijn ziel smachtte, zonder hetwelk hij meende te moeten bezwijken namelijk: vergiffenis van zijn vader, vergiffenis, vergiffenis!

Soms sloeg hij zich als een waanzinnige met de vuist tegen de borst en het voorhoofd, en slaakte daarbij kreten van angst, verwenschingen en bittere klachten. Omstreeks middernacht—er waren eerst twaalf uren verloopen sedert die vreeselijke gebeurtenis had plaats gegrepen, en toch kwam het hem voorals waren het even zoovele dagen geweest—wierp hij zich in het donkere rouwgewaad, dat hij van woede en vertwijfeling zich half van het lijf had gescheurd, op den divan neder en brak in zulk een luid snikken los, dat hijzelf er in de stilte van den nacht van schrikte, en aangegrepen door medelijden met en afkeer van zijn eigen grievend leed zich met het gelaat naar den wand keerde, om zijne oogen te onttrekken aan het volle reine maanlicht, dat hem enkel dingen toonde die hij niet zien wilde en die hem kwelden.

Eindelijk werd die zielemarteling hem ondragelijk. Zijn gemoed werd gepijnigd en als vaneen gereten, en de gedachte kwam bij hem op om zijn scherpste zwaard te grijpen, zich als een razende Ajax of een Cato daarin te storten en zoo aan deze duldelooze overweldigende pijniging een einde te maken. Opeens rees hij overeind, want de deur—het was geen zinsbedrog, geene begoocheling—de deur van zijn vertrek werd zacht geopend en eene witte, spookachtige gedaante bewoog zich met zachte onhoorbare schreden naar hem toe. Eene kille huivering voer door de leden van den anders zoo moedigen man, doch weldra herkende hij in die nachtelijke bezoekster de kleine Maria.

Zonder eenig geluid te geven naderde zij in het heldere maanlicht, maar barsch riep hij haar toe:»Wat moet dat? Wat wilt gij?”

Het kind verschrikte, bleef angstig staan, strekte de handen smeekend naar hem uit en stamelde daarbij schuchter:»Ik hoorde u steeds klagen. Arme, arme Orion! En ik ben het, die u dit alles heb aangedaan. Ik kon niet langer in bed blijven, ik—ja ik moest....”

Hier werd zij zoo bedroefd, dat zij niet verder kon gaan; doch Orion riep haar toe:»Nu, het is goed! Ga naar uwe kamer terug en slapen, ik wil trachten wat zachter te klagen.”

Deze laatste woorden klonken wat minder hard, want hij bespeurde dat het kind, hoewel zelf ziek, hem op bloote voeten en in haar nachthemd, rillende van kou, aandoening en droefheid, had opgezocht. Maria bleef echter staan, schudde het hoofd en antwoordde, altijd nog zacht weenende:»Neen, neen, ik blijf hier en ga niet weg, nu ik weet dat gij... Ach God, vergeven kunt gij mij wel niet, maar ik moet het toch zeggen, ik moet...”

Daarop vloog zij, eene ingeving van het oogenblik volgende, recht naar hem toe, sloeg hare armen om zijn hals, drukte haar hoofd tegen het zijne en toen hij haar niet afweerde, kuste zij zijne wangen en zijn voorhoofd.

Er had een vreemde verandering bij hem plaats; hij wist niet wat er met hem gebeurde, maar het was hem als werd eriets in zijn binnenste week gemaakt en opgelost, en het waren niet enkel de heete tranen van het kind, het waren ook zijne eigene, die zijne oogen en zijn aangezicht bevochtigden.

Zoo verliepen er eenige oogenblikken van diepe stilte; eindelijk maakte hij de armen der kleine van zijn hals los en zeide:»Wat gloeien uwe handen en wangen, arm kind! Gij hebt de koorts; de koele nachtlucht stroomt binnen, en gij zult door dezen onzin nog verkouden worden.”

Met moeite was hij zijne tranen meester geworden, en terwijl hij deze woorden uitbracht, sloeg hij het zwarte overkleed, dat hij afgeworpen had, zorgzaam over haar heen en zeide daarna vriendelijk:»Wees nu bedaard, ook ik zal trachten mijzelven te beheerschen. Gij hebt het zeker niet kwaad bedoeld en ik zal het u niet verwijten. Ga nu heen! Ge kunt zonder gevaar voor de trekking door de voorzaal gaan.—Nu, gaat ge?”

»Neen, neen,” antwoordde zij ernstig.»Gij moet mij laten uitspreken, anders kan ik niet slapen. Ziet ge, ik heb er in ’t geheel niet aan gedacht dat ik u leed zou doen, zulk een vreeselijk, zulk een schrikkelijk leed; neen zeker niet! Ik ben boos op u geweest, omdat gij—maar toen, ach, lieve Heiland! toen heb ik waarlijk in het geheel niet aan u, maar enkel aan die arme Paula gedacht. Gij weet niet half hoe goed zij is, en grootvader had haar zoo lief voor gij terugkwaamt, en daar lag hij en zou haast sterven, en ik wist dat hij Paula voor eendievegge, voor eene leugenaarster hield. Dat ik hem in zulk een dwaling, zulk eene ongerechtigheid de oogen zou zien sluiten, dat vond ik toen zoo afschuwelijk, zoo onverdragelijk, niet alleen om grootvader maar ook om Paula, dat ik—ach Orion, de barmhartige Heiland is mijn getuige—dat ik... En al had ik het moeten besterven ik kon toen niet anders; ik zou bezweken zijn als ik gezwegen had!”

»Misschien is het ook goed geweest dat gij gesproken hebt,” zeide de jonkman, terwijl hij diep adem haalde.»Ziet gij, meisje; de arme broeder van uw gestorven vader is een verloren mensch en aan hem is niet veel gelegen; maar Paula, die duizendmaal beter is dan ik, aan haar is ten minste recht gedaan, en daar ik haar liefheb, meer dan gij u in uw klein hartje kunt voorstellen, wil ik gaarne weer goed op je zijn en je nog liever hebben dan vroeger. Dat is nu geen groote, geen edelmoedige daad, want ik heb liefde noodig, veel liefde, om het leven dragelijk te vinden. Ik dwaas heb de beste liefde verspeeld, en ik kan de uwe, arm, braaf kind, ik kan de uwe niet missen! Zoo, daar hebt ge mijne hand, geef mij ook nog een kus, en ga dan naar bed om te slapen.”

Doch Maria wilde altijd nog maar niet gehoorzamen; zijdankte hem met warmte en vroeg daarna met heldere oogen:»Dus is het waar? Gij hebt Paula zoo lief?”Doch hier hield zij eensklaps op en zeide:»En de kleine Katharina...”

»Spreek daar niet over, kind,” zeide hij met een zucht,»en neem er een les uit voor uzelve. Zie, in eene noodlottige ure heb ik lichtvaardig iets gedaan wat niet goed is, en om dat te verbergen, moest ik er wederom kwaad aan toevoegen, totdat de ongerechtigheden tot een berg waren opgestapeld, op mij neervielen en mij verpletterden. Thans ben ik de ongelukkigste der menschen, en ik zou wellicht de gelukkigste kunnen zijn. Door mijne eigene lichtzinnigheid, mijne eigene zwakheid en schuld heb ik mijn geheele leven bedorven, heb ik ook Paula verloren, die mij liever is dan alle menschen op aarde te zamen genomen. Ja, Maria, als zij de mijne was geworden, uw arme oom had een benijdenswaardig jonkman, een degelijk mensch, een groot man kunnen worden, die wat uitricht in de wereld; maar zoo? Weg is weg! Ga ter rust mijn kind, eerst als gij ouder zijt zult gij dit alles verstaan!”

»O ik versta het nu reeds, ja nu en veel beter misschien dan gij denkt,” riep de tienjarige hem toe. »En wanneer gij Paula inderdaad zoo liefhebt, waarom zou zij uwe liefde niet beantwoorden? Gij zijt zoo schoon, gij kunt zooveel, ieder mag u gaarne lijden, en Paula zal wel weer goed op u worden, wanneer gij maar.... Zult gij niet boos op mij zijn als ik het u zeg?”

»Spreek maar gekkinnetje!”

»Zij kan u niets meer verwijten wanneer zij weet, hoe vreeselijk gij lijdt om harentwil en dat gij zoo innig goed zijt en maar eene enkele maal iets gedaan hebt—dat weet ge! Voor gij terugkwaamt heeft grootvader wel honderdmaal gezegd, hoeveel vreugde gij hem zijn leven lang bereid hebt, en nu, nu.. Gij zijt mijn oom en ik ben maar een dom schepseltje, maar ik weet toch dat het met u gaat als den verloren zoon uit den bijbel. Grootvader en gij zijt toornig van elkander gegaan.”

»Hij heeft mij gevloekt,” riep Orion op doffen toon.

»Neen, neen! Mij is geen van zijne woorden ontgaan. Alleen uw daad heeft hij veroordeeld met schrikkelijke woorden en u van zijn sterfbed weggejaagd.”

»Welk onderscheid ligt daarin: vervloekt of verstooten?”

»O, een zeer groot onderscheid! Hij had reden om boos op u te zijn, maar de verloren zoon in den bijbel werd daarna de meest geliefde van zijn vader, zoodat hij een kalf voor hem liet slachten en hem alles vergaf, en zoo zal dan grootvader u ook in den hemel vergeven, wanneer gij weder zoo goed wordt als gij vroeger waart jegens hem en ons allen. En Paula zal u evenzeer vergeven; ik ken haar—gij zult het wel zien.....Katharina had u ook wel lief, maar zij.... Lieve God, zij is haast nog even kinderachtig als ik, en wanneer gij maar altijd vriendelijk tegen haar zijt, en zij wat moois van u ten geschenke ontvangt, zal zij zich wel troosten. Voor haar valsche getuigenis heeft zij toch zeker wel wat straf verdiend, doch uwe straf komt zeker niet in vergelijking met de hare.”

De woorden uit den mond van een onschuldig kind vielen in den van smart doorploegden akker van ’s jonkmans ziel als zaadkorrels, en waren als morgendauw voor zijn gemoed. Toen Maria reeds lang weder was ingeslapen dacht hij er nog altijd over na.


Back to IndexNext