ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Mijn nieuw gegrondvest Rijk, en d'akeligheid der zakenMij, tegen wil en dank, een' strengen Keizer maken.

Bij 't eene ongeluk kwamen nog oneindig veele andere, en ik geraakte in zodanig een verval van zaken, dat de Stervelingen uit mijn voorbeeld kunnen leeren, hoe groot de verandering in de waereldsche zaken; en van hoe korten duur eene wreede en geweldige regeering is.

Met de strengheid mijns gebieds vermeerderde ook de koelheid mijner onderdanen, zoo wel die derQuamitenals die der overwonnen volkeren; en toen zij bespeurden dat de ondeugden, waaraan ik was overgegeven, niet overeenkwamen met eenen Goddelijken oorsprong, oneigen aan een hemelsch mens, en niet passende waren aan eenen Afgezant der Zonne; begonnen zij alles, en wel voornamenlijk de oorzaak mijner aankomste aldaar, en den staat waarin ik mij bevond, toen ik eerst op die kusten gekomen was, naauwkeuriger te onderzoeken. Zij zagen dat die verbazende dingen, welke ik had uitgevoert, veel meer aan de domheid derQuamiten, dan aan mijne bekwaamheid moesten worden toegeschreven: vooral wanneer zij bespeurden, dat ik, de dikste wolken van onwetendheid nu overgedreven zijnde, in veele en verscheide zaken had misgetast. DeKispucianen, een volk dat doorzigtig en van een schrander oordeel was, waren de snedigste bedillers mijner verrigtingen. Deeze hadden opgemerkt dat onder de placcaaten, die ik had laten afkondigen, 'er verscheide zoo kwaalijk voegende en onbeschaaft waren, dat zij klaarlijk te kennen gaven eene diepe onkunde in Staatstaken: ook was die aanmerking niet ongegrond; want vermits de bestierders van mijne zeden en leven, nooit hadden kunnen droomen, dat ik eene Kroon dragen en den Scepter zoude zwaaijen, had ik een onderwijs gekregen, meer passende aan eenen Proponent of toekomenden Diaken, dan aan eenen Vorst die stondt te heerschen; en mijne Letter-oeffeningen, die niet verder dan tot een samenstel van Godgeleerdheid, en alleenlijk tot eene zekere bepaalde hoogte in de Overnatuurkunde konden reiken, pasten zeer weinig bij mijnen tegenwoordigen Haat, waarin het op het wel regeeren van twee Keizer- en bijna twintig Koningrijken aankwam.

Wijders hadden deMartinianenopgemerkt, dat de oorlogsschepen welke ik gebouwt had, zoo ruw en lomp waren, dat zij in eenen slag tegen welgeschikte vlooten, van geen gebruik altoos waren; en men dierhalven die overwinningen ter Zee alleen aan de uitvinding van 't geschut hadt toe te schrijven. Deeze en andere scherpe aanmerkingen waereldkundig makende, bragten zij zig ook te binnen de maniere op welke ik aan die kusten gekomen was; namentlijk dat ik op een luik van pen vergaan schip, met gescheurde kleederen, bijna dood van honger en dorst, van de gene die aan 't strand woonden, gevonden was, welke toestand gantsch niet overeenkwam met eenen, Afgezant der Zonne. Voeg hier bij, dat diezelveMartinianen,zeer bedreven zijnde in de Sterrekunde, en eenige beginselen van die wetenschap onder deQuamitenverspreid hebbende, daarin aangetoont hadden, dat de Zon een onbezield ligchaam was, van den Almachtigen Schepper in 's Hemels middelpunt geplaatst, om licht op de Waereld te geven, en door haare warmte de Schepselen te koesteren; en dat vermits haar aart in vuur bestondt, zij geen verblijfplaats konde zijn voor eenige aardsche Wezens.

Door deeze en andere nadeelige gerugten reed ik, dagelijks over de tong. Dog 't bleef slegts bij gemompel, vermits niemant, uit vreeze, mijner magt, uit de borst spreeken, of zijne gedagten in 't openbaar durfde uiten. Hier door wist ik in langen tijd niet, dat de kwaadwilligheid mijner onderdanen zoo hoog gestegen was, dat zij mijne geboorte betwistten, tot dat eindelijk zeker Boekje, in deCanalistische taalopgestelt, onder den tytel van DE GELUKKIGE SCHIPBREUK, mij de schillen van de oogen afligtte. Ik heb bereids boven gemeld dat deCanaliskenzeer afgeregt waren in iemant schimpredenen naar 't hoofd te werpen, aangezien hunne felste oorlogen enkel en alleen met scheldwoorden gevoert werden. Dit Boekje behelsde alle die beschuldigingen, waar van ik boven eene schets hebbe gegeven, en was opgestelt met scherpe en stekende bewoordingen naar den aart derCanalisken,welke in dat soort van schrijven groote meesters zijn.

Dog zoo weinig konde ik toen mij zelven bedwingen, en zoo groot was mijn vertrouwen op mijne magt, dat ik door geene vermaningen bewogen, of tot bedaarder gedrag konde worden gebragt; want de allerheilzaamste raadgevingen dienden veel eer om mijne gestrengheid aan te wakkeren, dan om die te sluiten; waarom ik eenige, welke meest bij mij verdagt waren, bij den kop hebbende laten vatten, dezelve door uitgedagte folteringen dagt te noodzaken, den maker van dat Boekje te melden. Dog zij stonden alle die tormenten met eene verwonderlijke standvastigheid uit, zulks 'er door die wreedheid niets anders wierdt uitgeregt, dan dat mijn haat tot razernij oversloeg. Zoo veel sterker was 't noodlot dan de raadgevingen, en ik liep gewillig in mijn verderf.

In deezen toestand van zaken besloot ik de handen te leggen aan den nog overig zijnde VorstHikoba. Dit voornemen openbaarde ik den Groot-CancelierKalac, op welken ik mij 't meest vertrouwde. Hij, mij alle hulp en gehoorzaamheid belooft hebbende, ging van stonden aan uit, om mijn besluit te volvoeren. Dog heimelijk dat voornemen verfoeijende, ontdekte hij den Prins de lagen; en zij begaven zig beide op het zeer sterk kasteel der Stad, alwaar zij de bezetting bijeen geroepen hebbende, den tegenwoordigen toestand van zaken ronduit aan dezelve vertoonden, en, vermits de traanen en zugten van den gevaarloopenden Vorst niet weinig gewigts aan zijne redenvoeringe toebragten, namen zij alle de wapenen op, beloovende voor 't behoud hunnes Vorsts hun leven te zullen wagen. De doorslepen Cancelier, gebruik willende maken van die gistende gemoederen, deedt hen alle in 's Vorsten eed overgaan, en liet terstond boden afgaan naar andere, welke hij wist op mij gebeten te zijn; hen aanzettende om de wapenen op te nemen tegen den Dwingelant, die den ouden Koninglijken Stam bij den wortel trachtte af te snijden. Vervolgens,

Al wie op den Tyran te lijdig was gebeten;Of voor zijn dwingelandij van bijstere vrees bezeten;Loopt straks in 't harnas,

en voegt zig bij de bezettelingen.

Terwijl ik des Canceliers wederkomst verwagtte,

Komt daar in aller haast een Bode van de reis,De Stad in, en vervult zelfs 't Keizerlijk PaleisMet schrik en vrees. Men vraagt hem: Wat 's uw melden?"Leef lang, ô groote Vorst! men ziet veel duizend helden't Nabuurig veld beslaan: zij eischen 's Keizers hoofdTot straf." Zoo sprak hij....

Toen was het datTomopolokomij de raad gaf van mij bij tijds naarTanachite begeven:Kom aan, zeide hij,laat ons een Leger in mijn Vaderland op de been brengen, en deeze razernij, waar door nu alles in den brand staat, zal welhaast ophouden. Dit hoorende, wierdt mijn onstandvastig gemoed verscheidenlijk geslingert, en beurtelings door vreeze en hoope, nu herwaards dan derwaards, gedreven. Eindelijk luisterde ik naar zijnen raad, en verlietQuamazonder veel moeite terwijl de oorzaak der voortkruipende opschuddinge nog aan de meesten onbekend was. Gekomen zijnde op de grenzen vanTanachi, ontbood ik allen die de wapenen dragen konden. Hier door een Leger van veertigduizend koppen, meestTanachiten, op de been gebragt hebbende, keerde ik te rug, hoopende met den toevloed derQuamitendie getrouw gebleven waren, mijne troepen zeer te zullen versterken. Dog ik maakte verkeerde rekening: want in plaats van hulptroepen te krijgen, gelijk ik mij dwaaslijk inbeeldde, ontmoette ik eenen Afgezant met eenen brief uit 's Prinsen naam. Hierin verklaarde hij mij, als een bedrieger en Usurpateur, den oorlog, doende mij teffens weten, dat mijne Gemaalin met mijnen Zoon, dien ik bij haar had, in hegtenis waren gebragt. Naauwlijks was de Gezant vertrokken, of wij zagen 't Leger derQuamitenmet den wederhorigen Prins aan deszelfs hoofd. En vermits dat heir rijkelijk voorzien, was van geschut, durfde ik den slag niet wagen, eer ik nog meerder troepen had gekregen, waarom ik daar stil hield, en mijne legerplaats met wallen en verschanssingen versterkte. Dog toen ik vernam dat mijn volk heimelijk tot den vijand overging, en dat het vijandelijk Leger nog meer troupen tot versterkinge afwagtte; besloot ik, op het aanraden mijner Legerhoofden, zonder datTomopolokozig daar tegen stelde, den slag te wagen. 't Gevegt viel voor op die zelve vlakte, daar deTanachiteneenige jaaren te voren in dien beslissenden slag de nederlaag hadden gekregen. 't Vijandelijk geschut wierp terstond onze dagorde overhoop, en het smertte mij niet weinig door mijne eige uitvinding aangetast, en door de wapenen die ik zelf gesmeed had, overwonnen te worden. Mijn volk stondt egter eenen geruimen tijd het geweld der wederhoorigen uit, tot datTomopoloko, dapperlijk vegtende, van eenen kogel getroffen, dood nederviel. Toen namen wij den vlugt, en verstaken ons in de holen der bergen en bosschen. Ik zelf op eene rotze geklommen, daalde van daar nederwaards in de onderleggende valleije. Mij aldaar eenigen tijd stil houdende, beschreidde en bezugtte ik al te laat mijn ongeval, of liever mijne dwaasheid; en ik was in zoodanig eene verwarde gemoedsgestalte, dat ik mijne kroon of hoofddekzel, pronkende met zonnestraalen, en die mij hadt kunnen verraden, verzuimde af te nemen. Na dat ik nu bijna een half uur lang al bevende en bevreest in die valleije gebleven was, hoorde ik eenige stemmen van de gene die de rotze beklommen, en, met gemurmer, straffe over den gevlugtten wenschten te oeffenen, waarom ik hier van daan zoekende te vlugten, naar eenen schuilhoek omzag.

Daar was een somber bos, met schaduwagtige eikenEn doornen digt bezet: geen licht kon daar bereikenDen onbebouwden grond: de uitgang werdt omringtVan struik en haag.

Terwijl ik daar naar toe liep,

Bragt mij een enge weg op: zeer verholen padenEn deedt mij dwalen

tot aan eene spelonke, voor welker ingang ik een weinig staan bleef, kunnende bijna door 't loopen mijnen adem niet haalen; dog straks daar na kroop ik, even als eene Slang, die met haar ligchaam opening in den grond maakt, daar binnen; en toen ik bespeurde dat de spelonk zeer diep en afloopende, dog egter niet steil was, nam ik vóór tot aan derzelver einde toe te gaan. Dog naauwlijks was, ik honderd schreeden wijd gevordert, of ik kwam aan eenen afgrond waarin ik, als van den bliksem geslagen, nedertuimelde, en door eene dikke duisternisse en altoosduurenden nagt heengerukt wierd, tot dat eindelijk

Een soort van schemerlicht deez' ongebaande baanGantsch flaauw verlichten kwam, als een betrokken Maan.

Naar maate dat dit licht vermeerderde, verminderde ook de geweldige aandrang des vals, invoegen ik gantsch zagtkens, en als uit het water opkomende, onbezeert nederkwam tusschen eenige rotzen, welke ik met de uiterste verbaasdheid zag dezelve te zijn, van waar ik eenige jaaren geleden in de Onderaardsche gewesten was nedergestort. Aangaande nu dien allengskens vertragenden aandrang; ik bemerkte, mijne gedagten daar over eene wijle tijds hebbende laten gaan, dat dezelve veroorzaakt wierdt door den dampkring onzes Aardkloots, die door zijne zwaarte wat meer perssende is, dan die der Onderaardsche waereld: want in geval dat de onze zwaarder ware, zoude ik, ook in het opklimmen dat gene ontmoet hebben, wat mij in 't nederdalen bejegende, en ligtelijk door de lugt naar boven, tot aan 't gewest der Maan zijn gevoert geweest. Dog deeze stelling zal ik overlaten aan een rijper onderzoek der Natuurkundigen.

Langen tijd lag ik buiten verstand tusschen de rotzen, aangezien zoo wel de val zelf, als die wonderlijke herschepping, waar door ik mij binnen zoo korten tijd uit eenen stichter der Vijfde Monarchy in eenen armen en bedelendenBaccalaureuszag hervormt, eene groote bedwelmdheid in mijne harssenen veroorzaakte. En, om de waarheid te zeggen, dat geval was zoo verbazend en zoo poeëtisch, dat het de allerbestgeschikte harssenen ligtelijk konde beroeren. Ik begon dan mij zelven te ondervragen, of het wel waaragtig was 't geen ik zag; dan of mijn gezigt bedroogen wierdt door droomen. Na dat de eerste ontsteltenis een weinig over, en ik wat tot mij zelven was gekomen, volgde, op de verbaasdheid, smart en verontwaardiging:

Ik hief mijn handen t'zaamgsvoegt op naar de WolkenEn sprak: Almagtig God, Gij Schepper aller Volken!Wanneer heb ik zoo zwaar tog tegen u misdaan,Dat gij besluiten moest, mij te doen ondergaanZoo' wreede straffen? Ach! van waar ben ik gekomen,En waar ga ik naar toe?

En in de daad, laat de Jaarboeken en de Geschiedenissen, zoo oude als hedendaagsche, opgeslagen worden, men zal 'er naauwlijks een voorbeeld van zulk een geval in vinden, ten zij mogelijk inNabuchadonozor, die, van den grootsten Monarch der aarde, in een wild dier zig in de bosschen ophoudende, is hervormt geweest. Even alzoo heb ik voor een schouwspel des geluks verstrekt. Binnen weinige uuren wierden mij ontnomen twee groote Keizerrijken met bijna twintig Koningrijken, waar van mij niets anders dan alleen de schaduw en verbeelding waren overgebleven. Onlangs was ik een Monarch, nu konde ik naauwlijks op een Schoolmeesters-amptje in mijn Vaderland hoopen: ik wierd Afgezant der Zonne genaamt; dog thans dugtte ik uit armoede de Dienstknegt van deezen of genen Bisschop of Proost te zullen worden; onlangs wierd ik omringt van de glorie, de hoop, 't welvaren en de overwinningen; dog thans van de zorg, de ellende, 't hartzeer, de traanen en 't huilen. Eindelijk ik was 'er, even als het kruid dat binnen eenen dag sterft, voor eene korte wijle geweest: schielijk was ik opgekomen, haastig was ik te ondergegaan. Met een woord, de smert, de verontwaardiging, de kommer, de toorn, en de wanhoop veroorzaakten mij zoo veele gemoedsbewegingen, dat ik

Nu eens besloot een zwaart mij zelv' in 't hart te drukken;

dan wederom geen zwarigheid maakte om mij in de spelonke, waaruit, ik gevallen was, wederom van, boven neder te storten, om te onderstaan, of een tweede togt naar de Onderaardsche gewesten, beter voor mij zoude uitvallen.

Driewerf maakte ik 't besluit om beide t' ondernemenDog driewerf stapte ik af van beide....

Allermeest wierd ik van dat opzet afgebragt door de zorg voor mijne ziel, en door get beginzel des Christelijken Godsdiensts, welk iemant, die niet ter dood verwezen is, verbiedt zijn leven af te leggen eer de tijd daar is.

Ik trachtte dan, langs 't hobbelige en enge pad naarSandwijkloopenden van den bergaf te komen; dog vermits ik gantsch opgetogen was in diepe overdenkingen, struikelde ik telkens onderweg; want mijne gedagten speelden geduuriglijk op die Vijfde Monarchy. Deeze waarde mij met ijdele, en egter gestadig nieuwe, inbeeldingen, zoo onophoudelijk in zinnen, dat ze mij geheel en al buiten mij zelven bragt. En om de waarheid te zeggen, 't verlies in mijn gezag en vermogen was zoo groot, dat ik oordeelde het zelve in mijn Vaderland door geene winsten te kunnen vergoed worden. Ik stelde mij al eens voor, dat men mij gaf de Landvoogdij over de Provincie van Bergen, ja, dat meer is, over gantsch Noorwegen: maar welke eene vergoeding was dat? en welk een troost voor eenen die nog zoo onlangs Stigter en Monarch van zoo veele Rijken was geweest? Ik besloot egter, om, zoo mij eene Landvoogdij in 't Vaderland mogte worden opgedragen, dezelve niet geheel en al van de hand te wijzen. Na dat ik nu den weg half afgelegt had, kreeg ik eenige jongens in 't gezigt, welke ik, met wenken naar mij toelokkende, verzogt mij behulpzaam te willen zijn, met deeze woorden:Jeru Pikel Zalim, 't geen inde Quamitischetaal zeggenwijst mij het voetpad. Dog de jongens op het gezigt eenes mans, die met zulke vreemde kleederen gekleed was, en eenen hoed op had, met Zonne-straalen blinkende, bevreest zijnde geworden, liepen met 'er haast van de rotzen af, zoo, dat zij mij, die langzaam voortging, en wien langs de afgebroken rotzen de afgematte beenen nasleepten, vooruitliepen, en een geheel uur, eer teSandwijkkwamen, alwaar zij het geheele Dorp met schrik vervulden, zweerende dat zij, tusschen de rotzen, den dwalenden Jerusalemschen Schoenmaker hadden gezien, schitterende van de straalen der Zonne, en door gestadig zugten zijn hartzeer te kennen gevende. Toen de Dorpelingen vraagden, waar uit zij wisten, dat het de Jerusalemsche Schoenmaker was, antwoordden zij, dat ik zelf mijnen naam en vaderland genoemt had. Ik giste dat die dwaling ontstaan was uit het kwalijk verstaan der woordenJeru Pikei Zalim.Hier door geraakte het geheele Dorp op de been, wijl niemant meer aan de zaak twijfelde; voornamenlijk nadien onlangs dat spreukje van dien wandelenden Schoenmaker weder op de been was gekomen, en hij gezegt wierdt nog onlangs te Hamburg gezien geweest te zijn.

Toen ik met het vallen van den avond teSandwijkkwam, zag ik alle de inwoonders van die geheele Landstreek bijeen vergadert; van alle kanten te zaamgeloopen zijnde, uit de aangeboren drift om wat nieuws te zien. Deeze den nieuwen gast zullende inhaalen, hadden lang staan wagten aan den voet des bergs; dog zoo dra zij mij hoorden spreken liepen zij alle als door eenen schielijken schrik getroffen, weg, behalven alleen een oud man, die, stouter zijnde dan de andere, staan bleef. Terstond; sprak ik hem aan, vragende of hij aan eenen verdwaalden wel herberging wilde geven. Hier op vraagde hij mij:

Wie zijt gij? Van het volk? Van waar? Ei 'k bid u zegWaar henen legt de reis?...

Toen

.....Zugtte ik op dit vragen,Uit 't binnenste van mijn hart, en zei:Van 't eerste tot het laatste, mijn deerlijk ongelijkEn ramp; en hadt gij tijd te hoore de kronykVan mijne zwaarigheên, ô Man! om dit te weten,Ik zag de Zon gedaalt en eer den dag gesleten,

Eer ik aan 't einde was; dog wanneer gij mij huisvesting zult geven, zal ik u eene reeks van ongevallen verhaalen, die allen geloof schijnen te boven te gaan, en waar van in geene Geschiedenissen een voorbeeld te vinden is De Grijsaard, nieuwsgierig, nam mij bij de hand, en bragt mij in zijn huis, niet wel te vreden over de ontijdige vrees zijner Landlieden, die op ieder ongewoon gezigt, als op het verschijnen eener Staartsterre, beefden van schrik. Zoo haast ik binnen 's huis was gekomen, eischte ik een dronkje waters om mijnen dorst te lesschen. Terstond bragt hij mij eenen beker met bier, terwijl nog zijne Huisvrouw nog zijne Dienstmaagden van vrees durfden binnen komen. Zoo dra ik den beker geleegt en mijnen dorst wat gelescht had, begon ik aldus te spreeken: "Gij ziet hier eenen man die jammerlijk door het nood-lot gesolt is, en, die zoodanig de speelpop der Fortuin is geweest, dat nooit iemant iet diergelijks gesmaakt heeft. Het is wel eene waarheid dat dikwils het gelaat der grootste zaken in een punt, des tijds wordt omgekeert; dog wat mij bejegent is, gaat alle geloof te boven."

Mijn ongeval, helaas! is weinig bekend:Ook is 't wat ongemeens: de reis van mijn  ellend'Is geenszins van dat soort, waar meê 't Fortuin verbolgen,Vermaak schept onverdiend den sterv'ling te vervolgen.

Hier op gaf mijn Huiswaard ten antwoord, dat zulks het noodlot was der genen die lang zwerven. En aan hoe veete wisselvalligheden en toevallen staat eene reize van zestienhonderd jaaren niet bloot! Ik begreep niet waar hij heen wilde, waarom ik hem vraagde wat hij door die zestienhonderd jaaren verstondt.Mag men, zeide hij,aan de Geschiedenissen geloof slaan, is het thans zestienhonderd jaaren geleden, dat Jeruzalem verwoest is: en ik twijfel niet, zeer eerwaarde man, of gij waart te dier tijd al bereids op uwe dagen: want, bij aldien 't geen van u gezegt wordt, waaragtig is moet gij omtrent geboren zijn onder de regeringe van den Keizer Tiberius.Door deeze woorden wierd ik als verdomt, meenende dat het den ouden bloed in den bol schortte, zeggende daar op, dat het eenOedipusmoest wezen, die dien knoop konde losmaken. Nog bragt hij een schilderij te voorschijn, waarop het afbeeldsel des Tempels van Jeruzalem uitgedrukt stondt, vragende mij al met eene, of het afbeeldsel veel verscheelde van het oorsprongelijke? Hier op kon ik, hoe bedroeft ik ook was, mij niet langer van lachen onthouden, vraagende teffens naar de oorzaak van zulke verwarde redenen. Zijn antwoord was: "Of ik het wel of mis hebbe, weet ik niet, 't volk dezer plaats zegt, dat gij de, zoo zeer in de Geschiedenissen berugte, jeruzalemsche Schoenmaker zijt, die zedert de tijd van Christus door de geheele waereld dwaalt; dog hoe ik u nader bezie, hoe ik meer in mijne gedagten brenge, zekeren, ouden vriend, die, nu twaalf jaren geleden, op den top deezes bergs is om hals geraakt." Op deeze woorden vielen de schillen van mijne oogen af, en ik kende mijnen ouden vriend,Abelinusin wiens huis ik teBergenzo gemeenzaarm had omgegaan. Terstond viel ik hem om den hals, en, hem drukkende in beide mijne armen, "heb ik u vóór, mijn waardeAbelinus! zeide ik: ik durf nauwelijks mijne oogen of handen berouwen. Hier ziet gij uwenKlimvan den dood verrezen: ik ben dezelve man, die voor twaalf jaaren in dat hol nedertuimelde." Hij, verzet zijnde door dit onverwagt verschijnsel,

Stondt even eens als die van 't hemelsch vuur getroffenVerbijsterd en bedwelmd, schijnt daadlijk neer te ploffenAl suizebollende; en die, schoon dat hij leeft,Nogtans in twijfel trekt of hij wel leven heeft.

Ik zie, zeide hij, het wezen van mijnenKlim, en ik hoor zijne welbekende stem: want

Dus was zijn handgreep, dus de opslag zijner oogen,Niet anders zijn gelaat; of schijn heeft mij bedrogen.

Dog schoon ik nooit iemant zag die meer naarKlimgeleek, kan nog moet ik egter mijne oogen niet gelooven; want thans staan de dooden niet op. Ik moet derhalven kragtiger getuigen en bewijsredenen hebben om aan uwe woorden geloof te kunnen geven.

Om dan zijne ongeloovigbeid weg te nemen, herhaalde ik hem in 't lange en breede al 't geen ooit of ooit tusschen ons beiden was voorgevallen. Die gehoort hebbende, verdwenen eindelijk alle de nevelen die zijn verstand verduisterden, en hij viel mij al schreiende om den hals, luidkeels uitroepende: "Nu zie ik den man zelv', wiens schim ik meende te zien; dog verhaal mij, bid ik u, waar gij u zoo lang hebt opgehouden, en waar gij dien wonderbaarlijken en barbaarschen opschik hebt vandaan gehaalt." Toen ging ik hem alles, 't geen mij op mijnen val gevolgd was, verhaalen, en hij luisterde zeer aandagtig naar mijne redenen, tot dat ik begon op te haalen van de PlaneetNazar, en van de boomen die spreken konden en met reden begaaft waren; wanneer hij het niet langer dulden kunnende, uitriep: "wat voor zotternijen de droomen ook kunnen verzinnen, de gekheid te zamenknoopen, of de dronkenschap raaskallen, dat alles ziet men in u bij malkanderen: ik zou eer met ons slegt volkje kunnen gelooven dat gij in de handen der bijtebauwen zijt gevallen geweest, want zulke janhagelsche vertellingtjes zijn nog waarschijnlijker dan uwe Onderaardsche Reis." Ik verzogt hem, allervriendlijkst, dat hij mij tog met lijdzaamheid wilde hooren, totdat ik mijne redenen, die ik begonnen had zoude hebben geëindigt; en hij mij belooft hebbende te zullen zwijgen, ging ik voort met het verhaal der dingen die mij in het onderaardsche bejegent waren, der verscheiden wisselvalligheden die ik had ondergaan, en eindelijk dat ik de Stigter was geweest van de allergrootste Monarchy die ooit op aarde geweest was. Dit alles diende nergens anders toe dan om zijn gevoelen, dat hij opgevat had van mijne verkeering met de Satyrs, en Bosch-goden, te versterken, en hij geloofde, dat ik, beguichelingen bij den neus omgeleid, geloofd had dat de Katten Gansen-eijeren leggen. En om te zekeren te weten hoe verre mijne betoovering of vergiftiging gaan zoude, of tot wat hoogte mijne gekheid gestegen was; begon hij mij van den staat der gelukzaligen en der verdoemden; van de Elyzeesche velden en van meer diergelijke zaken te ondervragen. Ik, ziende waar die praatjes op uitkwamen, gaf hem ten antwoord: "ik neem u uwe ongeloovigheid niet kwalijk af, aangezien mijn verhaal aan elkeen verdigt, en als geschoeit op den leest der Poëeten kan voorkomen: want het gene mij bejegent is, is zoo wonderbaarlijk, dat het het menschelijk geloof te boven gaat. Dog ik verklaar u heiliglijk; dat ik 'er niets toe doe, of bijhange; maar dat ik u alles zuiver en eenvoudig, zoo als 't gebeurt is, verhaalt hebbe". Dog hij, in zijne ongeloovigheid voortgaande, verzogt mij, dat ik eenige dagen zoude uitrusten, hopende dat midlerwijl die dampen uit mijne harssenen zouden uitwasemen.

Na dat ik geheele agt dagen ten zijnen huize verbleven had, viel mijn Huiswaard, meenende dat ik nu tijds genoeg gehad had om van mijne gekheid weder te komen, wederom op de Onderaardsche Reize. Toen hoopte hij, dat de Vijfde Monarchy met de twintig onderhoorige Koningrijken en Vorstendommen zoo geheel en al in rook zouden zijn verdwenen, dat 'er niet het allerminste afbeeldzel van eenige Stad of Dorpje meer zoude zijn overgebleven. Dog toen hij vernam, dat ik al 't zelfde van 't begin, tot het einde, en in die zelve orde, herhaalde, en dat ik hem bij 't slot mijns verhaals, zijn hardnekkig ongeloof verweet, en hem daarenboven nog eenige stukken te voorschijn bragt, welke hij mij moest toestaan; te weten: dat ik over twaalf jaren in dien afgrond was neêrgetuimelt, en dat ik in een vreemd en onbekend gewaad weder in mijn Vaderland was gekomen; begon hij te twijfelen, niet wetende wat hij daar op zoude antwoorden. Terwijl hij in die opgetogenheid was en reeds begon te aarselen, drong ik aam, hem vertoonende, dat zijne stelling van wanschepsels en bijtebauwen, die de spelonken der bergen bewoonden, vrij wat ongerijmder was dan deeze Onderaardsche Reis, aangezien die enkele droomen waren, en onder de spreukjes der oude besjes te rekenen; dog dat verscheiden Wijsgeeren van naam, vastgestelt hadden, dat de waereld hol, en 'er nog een andere Aardbol in den onzen besloten was; en dat ik de waarheid, deezes gevoelens met 'er daad ondervonden hebbende, aan mijne eigene oogen geloof moest geven.

Door deeze bewijzen eindelijk overwonnen zijnde, zeide hij: "uwe standvastigheid in 't bevestigen der zaken, uit welke te verdigten gij geen nut altoos kunt trekken, heeft eindelijk mijn ongeloof vermeestert." Aldus dan van de waarheid overtuigt, deedt hij mij dat alles wat breeder uitleggen. Wonderlijk behaagde hem 't geen ik van de PlaneetNazarverhaalde, en vooral van 't VorstendomPotu, welks wetten en inzettingen hij zeide 't rigtsnoer te wezen, waar naar alle Staaten dienden geschikt te worden. Zeer wel hadt hij opgemerkt dat de beschrijving van een wel-geregelt Prinsdom niet kon voortkomen uit de harssenen van eenen Quidam; want dat die lessen meer godlijk dan menschlijk schenen waarom hij, ten einde 't geen hij van mij gehoort hadt, hem niet weder uit de gedagten ginge, alles, zoo als ik 't hem voorzei, in geschrifte bragt.

Na dat ik bespeurt had, dat hij nu geheel en al van de waarheid overtuigt was, vraagde ik hem, bekommert met mij zelven, wat mij in dien toestand van zaken voorts te doen stondt, of welk noodlot hij mij in mijn Vaderland, na zoo veele zaken in de Onderaardsche waereld te hebben uitgevoert, toelei? Daar op zeide hij: "ik rade u dat gij aan niemant, wie hij ook zij, uwe gevallen openbaart; want

"Gij werd een spreukje op de straat,En kwam bij elk een op de praat".

"Kent gij de driftigheid onzer Geestelijken niet? Deeze, gewoon alle de gene te verdoemen die stellen dat de Aardkloot om de Zon draait; en dat in tegendeel de Zon stil staat, zullen u, die voorgeeft dat 'er eene Onderaardsche Zon, en Onderaardsche Planeten zijn, voor eenen Godverzaker, en die in eene Christen-stad niet behoorde geduld te worden, uitmaken. Hoe veel waters zal onze MeesterRupertusalleen niet vuil maken, en hoe veele bliksemen, zal hij tegen u niet uitschieten? Hij die nog verleden jaar eenen Burger openlijk tot schuldbekentenis heeft doen verwijzen, om geene andere redenen, dan om dat hij gezegt zegt hadt dat 'er Tegenvoeters waren; hij zal zeggen dat die nieuwe leer waardig is met den brandpaal gestraft te worden. Ik vermaane en raade u derhalven, dat gij deeze zaken voor eeuwig in uw hart begraaft, en dat gij u hier bij mij, eenigen tijd geduurende, stil houdt". Van stonden aan deedt hij mij mijne Onderaardsche kleederen uitschudden, en met anderen, verwisselen: weerende wijders alle de gene, die kwamen toeloopen om den Jeruzalemschen Schoenmaker te zien, zorgvuldiglijk van zijn huis af, met te zeggen, dat die Schoenmaker zig schielijk hadt te zoek gemaakt. Des niet tegenstaande verspreidde zig dat gerugt eerlang door het geheele gewest, en alle de Predikstoelen en Kansels daverden van voorzeggingen en voorspellingen van ongelukken, die op deeze verschijningen stonden te volgen. Want men zeide, dat de Jeruzalemsche Schoenmaker, de verkondiger van 's Hemels gramschap, teSandwijkwas aangekomen, om 't volk tot boetvaardigheid te vermanen. En, vermits het gerugt gewoon is al voortkruipende aan te groeijen, wierdt bij dat vertellingtje niet weinig bijgehangen. Dus verhaalden eenige dat de Schoenmaker voorzegt hadt dat de waereld op St. Jansdag zoude vergaan, en dat op dien tijd, ten zij de menschen zig bekeerden, alles in den brand zoude staan, en wat diergelijke meer is. In eene zekere Parochie maakten die voorzeggingen zodanig eene opschuddinge, dat de Boeren het land niet meer wilden bebouwen, aangezien zij, om 't vergaan der waereld, geenen oogst meer te wagten hadden. Waarom de Pastoor van die Parochie, MeesterKlaas, vreezende dat hij van zijne tienden en andere inkomsten zoude ontzet zijn, aan de Dorpelingen zeide, dat de dag des laatsten oordeels tot het volgende jaar was uitgestelt waar door zij geene zwarigheid maakten om hun gewoon werk wederom bij de hand te nemen. En vermits de oorzaak deezer beuzelingen alleenlijk aan mij en mijnen Huiswaard bekend was, hadden wij daar door geduuriglijk stoffe van lachen.

Eindelijk, vermits ik niet voor altoos in eens anders huis wilde verblijven, en ik ten laatsten op de straat moest komen; verzon mijn Huiswaard dat ik een Student vanThrontheim, zijn nabestaande, en onlangs in die Provincie gekomen was; en beval mij eerlang, zoo met woorden als met brieven, zoo hartelijk aan den Bisschop vanBergen,dat die zeer eerwaardige man mij eindelijk toezei het eerste openvallende Rectorschap in de Schoolen aldaar. Dat amptje stondt mij zeer wel aan, vermits het eenige overeenkomst scheen te hebben met den staat waar uit ik was uitgebonst; want een Rectorschap is als eene afbeelding en tafereel van eene Koninglijke Heerschappij. De plakken der Schoolmeesters worden dikwils met de scepters vermengt, en hunne stoelen niet zelden Throonen of Rijks-zetels genoemt. Net van passe stierf eerlang de Koster van de Kruiskerk, wiens opvolger ik door den Bisschop verklaart wierd. Het scheen wel eene belachlijke bevordering voor eenen die nog zoo onlangs Monarch van zoo veele Rijken was geweest; dog vermits niets de menschen meer belachelijk maakt dan armoede, en het loutere dwaasheid is van dorst te versmagten, als men, al ware 't maar enkel water, wordt aangeboden, wees ik dat bedieningtje, mij zoo gulhartig opgedragen, geenszins van de hand, en ik worde 'er ook voor als nog, stil en gerust, oud en grijs in. Niet lang na die gedaanteverwisseling wierdt mij een eerlijk huwelijk opgedaan met de Dogter van eenen zekeren Bergschen Koopman, welkeMagdalenawierdt geheeten. 't Meisje stondt mij niet kwalijk aan; dog vermits het waarschijnlijk was dat de Keizerin vanQuamanog in levenden lijve was, dugtte ik, dat ik,Magdalenatrouwende, mij met de misdaad van Veelwijverij mogte bezoedelen. Dog mijn HeerAbelinuswiens schoot ik al wat op mijn hart lag, pleeg uit te boezemen, nam mij die bekommerdheid weg; wederleggende de ongegrondheid mijner twijfeling met zoo veele bewijsredenen, dat ik niet langer zwarigheid vond, om van dat Meisje mijne Bedgenote te maken,

Met deezeMagdalena,

Begaf ik, wel te vreên, mij in den egten staat.Zij was mijn ander ik, mijn troost, mijn toeverlaat.Wij waren zes jaar lang de allerbest gepaarde,En hadden, vergenoegt, een' hemel hier op aarde.

Ik wagtte mij egter wel van haar mijne Onderaardsche ongevallen te kennen te geven; dog vermits ik dat toppunt van eere, waar uit ik was uitgebonst, niet geheel en al uit mijn geheugen kon uitwisschen, zijn 'er zoo nu en dan nog wel eenige teekentjes en daaden voor den dag gekomen, die op mijnen tegenwoordigen staat niet al te zeer passen. Uit deezen egt zijn gesproten drie Zoonen,Christiern, Jan en Caspar, zoo dat ik in 't geheel vier Zoontjes hebbe, zoo anderszins de Prins vanQuama nogin leven is.

Tot dus verre loopt het Handschrift van,

KLAAS KLIM.

Klaas Klimheeft geleeft tot het jaar 1695 toe; en geduurende dien tijd alle en een iegelijk door opregtheid en zuivere zeden aan zig verpligt. De Pastoor van de Kruis-kerk is nu en dan wel eens op hem verstoort geweest om zijne al te groote deftigheid, welke hij meende voort te spruiten uit hoogmoed en veragtinge. Dog ik, die den man en wat hem bejegent was in den grond kende, verwonderde mij eerder over zijne zedigheid, nederigheid en lijdzaamheid, waar mede hij, zijnde geweest een Monarch van zoo veele Rijken, zulk een slegt bedieningtje waarnam. Egter wierdt hij bij andere, welken 's mans verbaazende staatsverwisseling onbekent was, geheel en al van verwaandheid verdagt gehouden. Hij was gewoon, op gezette tijden des jaars, zoo lang zijne kragten het toelieten, op den berg te klimmen, en aldaar die spelonke, waar uit hij weder te voorschijn was gekomen, met lust te aanschouwen. Zijne vrienden hebben opgemerkt, dat hij, met een betraant aangezigt, en met gezwollen oogen, gewoon was van daar te komen, en zig eenen geheel en dag in zijne studeerkamer alleen op te sluiten; brengende aldaar dien dag over zonder eenig mensch te zien. Ook betuigde zijne Gemaalin dat hij, 's nagts droomende van Legers en Vlooten sprak: ja zijne verrukkingen van gedagten gingen zoo verre, dat hij zelfs eenmaal den Landvoogd over de Provincie vanBergenbeval tot hem te komen. Zijne Huisvrouw dan denkende dat deeze gemoedsontsteltenissen hem overkwamen uit eene al te groote oeffeninge in de Studiën, was zeer bekommert over zijne gezondheid, welke zij oordeelde zeer zwak te wezen. Zijne Boekerij bestondt meerendeels uit Staatkundige Schrijvers; en vermits men geloofde dat een opschik van zulke Boeken weinig met eens Kosters staat overeenkwam, liep hij ook ter dezer zake in 't oog. Van deeze Reize, die met des Auteurs eigen hand geschreven is, is niet meer dan één eenig afschrift te vinden, het welk ik in mijne bewaring hebbe.—ln mijn voornemen, om dit werk door verscheide drukken gemeen te maken, ben ik door veele en gewigtige beleefds verhinderd geworden.


Back to IndexNext