Dit evenwel zij in 't algemeen omtrent het gebruik van dit kaartje opgemerkt: dat het niet overal, aandachtig beschouwd, met het gedicht is overeen te brengen; hetzij de dichter onder het bewerken van zijn plan daarvan afging; hetzij hij het later voor de uitgave van het fragment ontwierp, toen alle deelen van zijn bestek hem niet even levendig voor den geest stonden. Want ook dit behoorde tot de redenen, die hem van het wederopvatten van zijn meesterwerk afschrikten, ja, die het hem "onmogelijk" maakten, als hij eens den schrijver dezer regelen betuigde, toen deze, met jeugdige vrijmoedigheid, zich veroorloofde hem daartoe aan te sporen.
Het was naar diezelfde streken van Arbal dat de dichter de stappen van Elpine richtte, daar waar zij voor't laatst in het fragment vermeld wordt. [62] Hij voert haar aldaar, nadat zij haar minnaar voor eeuwig van zich heeft afgewezen, door "het palmbosch" dat zich van den Nival noordwaarts tot de "zandvalleien" van Arbal uitstrekte; en geeft te kennen dat zij in die richting voortging, door de vermelding der eikenbosschen tot welke zij kwam, die, in tegenstelling met de palmen, een meer noordelijke streek voor de verbeelding roepen. En wat was ook natuurlijker, wanneer men eenmaal vasthoudt dat het aartsvaderlijk gezin zich reeds in Arbal bevond, dan deze beweging aan Elpine toe te schrijven, met de bedoeling van zich weder onder de hoede van haar pleegvader Methusalah te begeven, om in zijn schoot den ontzachlijken vijand van haar rust te vergeten, die haar verleid had om in zijne liefde te deelen, en bij wien het denkbeeld rijpte van zich in opstand tegen God te begeven.
Wanneer men in 't oog houdt dat de dichter dus zijn beide hoofdpersonen naar de streek door het aartsvaderlijk gezin bewoond gelijktijdig richtte, ligt het voor de hand te veronderstellen, dat zij zich daar ontmoeten zouden, en dit met een bepaald oogmerk des dichters, dat ook Da Costa geraden heeft, om hen aldaar bekend te maken met den band van bloedverwantschap die tusschen hen, naar zijn ontwerp, bestond. D. C. veronderstelt, [63] dat Elpine als de volle zuster van Argostan, Segols halven broeder, zou zijn erkend geworden; maar hetgeen B. zelf heeft te kennen gegeven, doelt op een nauweren band tusschen Segol zelf en Elpine. Immers Segol was de zoon van den Vorst van Bethur; [64] en het was uit dit Bethur dat Elpine, als een kind in de wieg door de Reuzen geroofd, [65] en vermoedelijk naar Arbal vervoerd was, waar zij, kunnen wij ons voorstellen, door Methusalah aan hunne handen onttrokken was, met het gezag dat soms op de meest barbaarsche volken hooge ouderdom met heiligheid van zeden gepaard uitoefende, waarvan de geschiedenis der invallen der noordsche volken in het Romeinsche Rijk, als die der middeleeuwen, merkwaardige voorbeelden heeft opgeteekend.
Men kan zich eenigszins verbeelden hoe Segol, uit die heilige omgeving op het woelige tooneel der Aarde teruggekeerd, als een Mozes van den Sinaï, geërgerd als deze zou worden door de afgoderij, en tegen haar dien kamp zou aanvangen, waartegen de voorzichtige en op dit punt onverschillige grijsaart Regol hem gewaarschuwd had. [66] Maar ook hoe zijn hart verdeeld en getrokken zou zijn door de gedachte aan Zilfa, die hij zou kunnen veronderstellen dat, om hare bekoorlijkheden, naar Hanoch, thans den hoofdzetel en hofstad van het Reuzenrijk, vervoerd was. Immers dit Hanoch, "'t omwalde Hanoch" genoemd, [67] dat de dichter reeds in den aanhef van zijn verhaal dus beschrijft: (Ie Z. vs. 65, volgg).
Het fiere Hanoch, 't oudst der burchten, stak het hoofdIn 't uiterst Oost omhoog, van d'uchtendgloed gestoofd;En telde als moederstad, van Land- tot Landgewesten,Een overtalrijk kroost in meer bekrompen vesten:
die hoofdstad was voor de tweede maal in handen der Reuzen gevallen, die daar den zetel hunner macht gevestigd hadden en zich de weelde der Kaïnieten hadden laten welgevallen. Het was aldaar, als de dichter zingt, [68] dat hun volk
Verslingerde op 't genot der zoetheên van het leven;Maar machtloos om zich zelv' dat streelend lot te geven:'t Bood vrede, of eer, 't gebood, op naam van vreêverdrag,Geschenken, cynsbaarheid en Opperstaatsgezag———Men eischte 't meerendeel van vee en akkergaven,Ten jaarlijksch schattingrecht; en duizenden van slaven,En maagden; hemelschoon, met trippelenden voet,En wulpsch van zangstem, ter ontsteking van het bloed,Op luitspel afgerecht en dartle schouwgebaren;En bergen smijdig goud, gezuiverd uit zijne aâren;Robijn uit Pizons kil en hellen diamant;En d' eelsten roofschat van het parelvoedend strand.
En reeds "tien stammen" hadden zich aan dien eisch onderworpen.
Het was ook in dit Hanoch dat de dichter voor ons dien vorst der Reuzen zou hebben doen optreden, wiens naam in het gemelde boek van den Pseudo-Henoch gespeld wordt; dien Exaël, [69] aan wien verschillende uitvindingen daar worden toegeschreven: als in de eerste plaats die tot de verbetering van wapentuigen en het smeden der metalen betrekking hebben, die, als uit het voorgaande waarschijnlijk is geworden, de dichter voor het krijgskundig genie van zijn held gespaard had; maar ook daarenboven die daarmeê strijdige uitvindsels van verregaande weelde en pracht, die blijkbaar door den dichter zijn in 't oog gehouden bij den zooeven vermelden eisch van cijnsbaarheid. En wanneer wij nu hierbij opmerken dat Bilderdijk, in zijne aanhaling uit het apocryfe boek, ook niet verzuimd heeft op te teekenen, dat onder dien Exaël "de uitvinding der kunst van tooveren en onttooveren, der sterrekunst enz." vermeld wordt, dan valt het in 't oog hoe, in den offerzang der Kaïnieten, [70] de Maan, met bijzonderen zwier van woorden, als eene Hécaté wordt aangeroepen, en men vindt grond tot de veronderstelling, dat ook eenige verdichting aan deze overlevering ontleend den Epos zou versierd hebben.
Na de vooropzetting van deze opmerkingen en veronderstellingen, wagen wij het, als in een ruwen omtrek, den vermoedelijken inhoud te doen volgen der zangen, waarin deze Epos zich verder zou hebben ontwikkeld. Niet, dat wij dit kort-begrip willen beschouwd hebben als noodzakelijke slotsom uit het voorafgegane op te maken; maar als de mogelijke, en misschien in sommige deelen waarschijnlijke gevolgtrekking, door de dichterlijke logica uit deze prémissen afgeleid.
Slot van den 5en Zang.
Segol wordt, na een kort aanschouwen van de heerlijkheid des Hemels,—op gelijke wijze als de heilbegeerige Cornelius tot Petrus (Hand. X : 3, 4, 5.)—tot Noach verwezen, aan wien inmiddels een hemelbode ter aankondiging van zijn voortreffelijken gast wordt afgezonden: (ald. vs. 19, 20, 21).
6.
Hij daalt op de aarde neder, nabij hare oosterkust, en komt tot Noach; ziet den bouw der Arke;—verstaat de beteekenis daarvan en de aanstaande verdelging des menschdoms, indien het zich niet bekeert;—immers zijn de laatste jaren die het nog waren toegestaan, haast ten einde; hij verneemt, dat hij (Segol) tot die bekeering als laatste proef wordt aangewend, door zijn voorbeeld en vorstelijke deugden; terwijl hij, als weldoener der menschheid door de uitroeiing der Reuzen, den grootsten invloed op de menschen kan verwerven. Ter bereiking van die zege wordt hij met eene natuurkennis verrijkt, als die Noach bezit, en die hem ten dienste staat, vooreerst als bouwmeester der Arke, en ten andere als temmer en belezer der dieren, onder welke hij zich als een Orfeus beweegt.
7.
Afscheid van Noach, en verdere verwijzing naar Methusalah, naar wiens eenzaam verblijf Segol door Sem geleid wordt. In de stille dichtoverschaduwde bergstreek, eenigszins verwijderd van de kust en van Noachs scheepsbouw, loopen de laatste dagen van den Aartsvader ten einde. Eene vrouw is met hem, die boetvaardig tot zijn schoot is teruggekeerd, en nu zijn stervenssponde bekleedt; het is Elpine, van wier nauwe betrekking tot hemzelve Segol hier onderricht wordt, en wier bescherming hij, als haar broeder, op zich neemt. Hij verneemt van den stervenden Aartsvader, dat Zilfa hem zal worden teruggegeven; maar dat in haar hem een zware proef wacht, en dat hij 't menschdom van den ondergang redden zal, indien hij in die proef volstandig blijft. In dit profetisch gezicht sterft de Aartsvader.
8.
Wederkomst van Segol tot de hem met angst in het palmbosch verbeidende troepen, wier tot aanbidding overgaanden eerbied hij met zedigheid en verwijzing tot het eenig aanbiddenswaardig Wezen beteugelt. Hij keert met hen terug tot degenen die hij, bij den Frath, door de pest aangetast heeft achtergelaten; die hij nu, door het onderricht en den zegen des Aartsvaders met hooger wetenschap en krachten begiftigd, en door Elpine bijgestaan, in staat is te genezen. Het leger in Hemath vindt hij in afgodische zegefeesten vervallen. Verontwaardiging en moedeloosheid, waarin hij getroost en opgebeurd wordt door Elpine, die hem, als de hoop (Elpis) op al wat hoog en goed is, bijblijft, terwijl de ontzettendste opstand der bijgeloovige troepen tegen hem opsteekt.
9.
Bijgestaan door de hem trouw geblevenen, die deels zijn verheerlijking gezien, deels zijn wonderkraeht ondervonden hebben, bedwingt hij de oproerige afgoderij en doet nu niet meer dat gezag gelden dat alleen menschen hem toekenden, maar dat hij van God, als van den oorsprong van alle gezag, om hun heil te stichten, ontvangen heeft. Na de vernieuwde toezwering hunner trouw, wijst hij hen op het werk dat hun te verrichten staat: de bevrediging der Aarde, door de uitroeiing van de goddelooze macht der Reuzen; daartoe moet hun thans hun hoofdzetel, Hanoch, eer zij van daar met vernieuwden aanval de vruchten der behaalde overwinningen verijdelen, worden ontrukt, met den roof van zoovele dierbare panden die zij daarheen gesleept hebben, waaronder ook zijn geliefde gade in hun ketenen zucht. Voorbereidselen tot dien tocht:—nieuwe wapenen:—smeding der metalen: temmen van paarden en elefanten. Wrevel der Paradijsgeesten tegen deze beweging, deels bedwongen door ontzag voor Segol, in wien zij den gunsteling van God kennelijk aanschouwen; deels tegengehouden door hun uitstekenden broeder, Semeaza, (den minnaar van Elpine), die zich nog heimelijk vleit dat hij, door haar, eenmaal invloed op Segol zal uitoefenen, wanneer hij haar wederom zal durven smeeken, en zij den ban, dien zij met zooveel kracht tegen hem heeft uitgesproken (IIe Z. vs. 463, 464,) wederom zal opheffen.
10.
Optocht van het gansche Kaïnietische leger over den Nilho. Vreugde der Hellegeesten, die op verdelging hun hoop vesten, dat thans verwoestingen op groote schaal te wachten zijn, terwijl zij die op list rekenen zich vleien al die menschelijke krachtsinspanning te verijdelen. Vruchtelooze tegenstand van de macht der Reuzen, nu door hun vorst Exaël aangevoerd, die noode de weelde zijner hofstad verlaat om het rebelleerend menschdom te bedwingen. Gevechten, waarin de door Segol verbeterde wapenen, de aanwending van ruiterij en van elefanten hem de overwinning helpen verzekeren tegen de anders verpletterende overmacht der Reuzen, nu niet meer met hun voorhoede en in stroopbenden, maar met een leger strijdend. Toestand van Semeaza tusschen de Reuzen, die hij wenscht te beschermen, en Elpine, die hij niet durft naderen en die hen met Segol bestrijdt. Hij beweegt zijn broeder en boezemvriend Fuäl, dat hij tot Elpine nadere, en haar smeeke om hem gehoor te verleenen. Bede daartoe strekkend, vol ontzag en ootmoedigen aandrang door Fuäl, om Semeaza, voor Elpine uitgestort. Vergeefs!
11.
Beslissende veldslag, die de Reuzen tot voor de muren van Hanoch terugslaat. De Paradijsgeesten ontwaren dat Semeaza hen niet bijstaat. Hoe zou het kunnen, tegen Elpine en haar broeder? Hij verzaakt de algemeene belangen om het kroost dat hij van Elpine wacht, en ondertusschen dreigt de volkomen ondergang der Reuzen met de inneming van Hanoch! Raad der Paradijsgeesten: het wordt tijd, daar Segol vruchteloos, tegen hoogere Machten aan, bestreden wordt, hem te winnen, en daartoe den invloed van Zilfa te gebruiken, die, na de vermeestering van Bethur, als offer voor hen, als voor de goden bestemd, door henzelven gered, naar Hanoch gevoerd, en in een hunner tempels aldaar geplaatst is. Teekenen en orakels in dien tempel, waardoor de Hanochieten worden gewaarschuwd Zilfa aan haar echtgenoot terug te geven.
12.
Gezantschap uit Hanoch, zeer tegen den zin van Exaël, die op Zilfa verslingerd is; maar tot vreugd van Ada, de meest begunstigde zijner Kaïnietische slavinnen, die, schoon van vorstelijke afkomst, thans op die gunst verzot, door toovermiddelen met de booze geestenwereld in verband, zijn liefde zoekt te behouden. Verzoek om vrede en aanbod, in dit geval, van Zilfa terug te geven. Regol, gedurende de onderhandeling, als gijzelaar tot Zilfa toegelaten, spreekt met het scepticisme des wereldlings tot haar over Segols liefde, en over eene vrouw die, altijd in de nabijheid des legers aanwezig, zich in haar tent aan aller oogen onttrekt. Segol, die in Elpine zijn goeden engel aan zijn zijde heeft;—die hem als eene Velléda op zijn heirtocht vergezelt, en ook thans in hem de hoop levendig houdt, dat God te zijner tijd hem Zilfa zal terug schenken,—Segol blijft tegen den verleidelijken aanval standvastig. Geen vrede met de vijanden zijns Gods!
13.
Beleg van Hanoch, eertijds de hoofdzetel der meest beschaafde en verdorven Kaïnieten, thans van het rijk der Reuzen, die met eenige beschaving vooral ook de afgoderij hunner thans met hen samenstemmende verwonnelingen hebben aangenomen. Gruwelen aldaar door hen bedreven, menschenoffers, anthropofagie, enz. Wanhopige worsteling, waarbij de Reuzen, tot binnen de muren van Hanoch teruggedrongen, door de helsche geesten worden bijgestaan met vuurwapenen in de verdediging der veste. Vruchteloos!—de val der Reuzen met dien van Hanoch is onvermijdelijk. Een krachtiger aanval moet op het hart van Segol gedaan door het Edensch geestendom, maar thans door Sardach geraden, die zelf door Satan geleid wordt. Zilfa zelve zal aan Segol worden toegezonden; in weerwil van Exaël, wiens dierlijke driften met de verheven genegenheid van Segol contrasteeren, maar die door de Paradijsgeesten, als door zijn goden, daartoe gedwongen wordt, met de ontzettendste teekenen.—Ada, door het geestendom onderricht, deelt aan Zilfa hare toovermiddelen mede, onder die voorwaarde, dat zij de blijken van Segols min niet ontvangen zal, eer hij den vrede aan de Reuzen heeft toegestaan; maar dan ook met belofte, dat zij voor eeuwig zal zegevieren in zijn hart over die onbekende vrouw, die zijn tent niet verlaat.—Ondertusschen ontvangen die toovermiddelen een gansch andere kracht dan Ada die ooit gekend heeft, en zal Zilfa in het kamp van Segol verschijnen, met meer dan sterfelijke schoonheid toegerust.
14.
Semeaza, die tot nu toe,—door zijn boezemvriend Fuäl in zijn rouw gesteund,—zich van elk verbond met de Hel heeft vrijgehouden, aanschouwt dit plan zijner broeders met verontwaardigde afkeuring.—Maar intusschen, terwijl dit wordt voorbereid, zijn de maanden van Elpine vervuld, en Semeaza, zoo hij al, in dit uiterst oogenblik, het verbod van haar te naderen overschrijden wil, ondervindt dat hij het niet vermag: sinds met den zegen de kus van den stervenden Methusalah op haar hoofd gedaald, dit met de glanskroon der verheerlijkte boetvaardigheid voor altijd omgeeft. Zoo ligt hij dan,—als eene hyene op haar prooi,—te loeren op het kind, dat zij ter wereld zal brengen, om het aan den invloed der menschen, en vooral van Segol te onttrekken, die het in haat tegen hem zou opvoeden.—Maar ziet! terwijl Elpine, in barensnood, op den oever des doods verkeert, dalen Engelen neder, en dragen haar in Eden met haar kind, waar het in den schoot van Henoch, even als zij boven den dood verheven, zal worden opgevoed:—in dat onbereikbaar Eden, waar Semeaza voor eeuwig uit gebannen is!—Nu kent zijn razernij geen palen meer:—hij stoot Fuäl van zich af;—en er is niets meer dat hij ontziet.
15.
Exaël is ziedend van haat tegen Segol, als tegen zijn overwinnaar, die hem van het bezit van Zilfa ontzet. Semeaza verschijnt hem; maakt hem bekend met het sinds lang onder de menschen vergeten bestaan van Eden; [71] toont hem, dat indien hij al de takken van het geslacht van Adam vereenigen kan onder eene gemeenschappelijke onderneming, ter herovering van dit rijk van weelde en van genot, de val van Segol, die zich daartegen verzetten zal, zeker is.—Intusschen verschijnt Zilfa in het legerkamp van Segol, algemeene verbazing en bewondering, als eene Armida, door haar buitengewoon schoon verwekkend. Zij beschrijft voor Segol haar wedervaren, en smeekt hem, door de algemeene volksstem gesteund, vrede te sluiten met den edelmoedigen vijand, die haar, in stede van haar aan zijn goden op te offeren, aan hem terugschenkt, terwijl zij zich als door eede verbonden aan hem voorstelt, om in Hanoch terug te keeren, zoo het verdrag, dat zij op zich genomen heeft te doen treffen, niet gesloten wordt.
Zoo meent zij die haar onbekende vrouw, die zij als haar mededingster in het hart van Segol vreest, te overwinnen; die vrouw die zij niet te zien krijgt; die zij niet zien zal, en van wier bestaan Segol haar onkundig laat: want omtrent het lot van Elpine is hem door Methusalah het zwijgen opgelegd.
16.
Segol, nu van zijn goeden engel verstoken, bezwijkt en stemt toe. De hel treurt om het ophouden des oorlogs—Neen, juicht! zegt Satan in den helleraad; nu zijn zij allen mijn: hun tweespalt verdierf alleen hunne lichamen; hun vrede zal hun zielen ten verderve sleepen, en Semeaza wordt nu mijn bondgenoot.—Inderdaad, terwijl Semeaza wanhopig om de rotsen van Eden dwaalt, ontmoet hem Satan. Vroeger wilde de Paradijsgeest, alleen aan 't hoofd der Reuzen en door zijn broeders bijgestaan, Eden bestormen; de oorlog met de Kaïnieten belette dit; nu schroomt hij niet tot dit doel de hulp der Hel aan te nemen, die de samenzwering der vereende afstammelingen van Adam bij zal staan. Satan onderricht hem, hoe het vuur, dat reeds op geringe schaal gediend heeft ter verdediging van Hanoch, in vrij wat grooter mate tot vermeestering van Eden kan worden aangewend, en de rotsen zal nedervellen, om hem een baan te vormen ter herovering van zijn vaderland, en ter verlossing van zijn gade en zoon uit de banden van een tyrannische macht.
17.
Het verdrag wordt getroffen, en draagt zijn noodlottige vrucht in het zedelijk bederf, dat het leger van Segol aangrijpt door de verbroedering met de Reuzen en de Hanochieten, en door het voorbeeld van Hanoch, dien zetel en dit brandpunt der afgoderij. Vruchteloos tracht hij den stroom te keeren, waarvoor hij de sluis heeft opengezet. Een groot vredefeest moet gevierd; het is daar dat Exaël, door Semeaza opgemaakt, verschijnt met het denkbeeld, om deze verbroedering van het gansche geslacht van Adam in een plechtige daartoe te beschrijven bijeenkomst te vieren. Hij maakt hier het bestaan van Eden bekend, als van het gemeenschappelijk afkomstoord: (zie de kaart) "In de landstreek tusschen den Hiddekel en den Frath is een onafzienbare vlakte, van waar men in 't verschiet een hemelhoog gebergte zich in de wolken ziet verliezen: daar is Eden. In 't gezicht des algemeenen vaderlands zal het vereend geslacht zich eeuwige trouw en broederschap zweren."—Uitbundig gejuich neemt dit voorstel aan. Segol zelf, ofschoon door teekenen gewaarschuwd en door de somberste voorgevoelens aangegrepen, meent wat hij misdreef te zullen herstellen, door aldaar dien broederband te doen sluiten onder de aanroeping van den waren God.
18.
Gods Engel daalt neder tot Noach, en zegt: bereid u de Arke in te gaan met uw gezin; het einde is nabij.—Dagvaarding en verschijning van het gansche menschdom, naar zijn verschillende geslachten, in de vlakte tusschen den Hiddekel en den Frath.—Plechtigheden; waarbij Segol zich in de aanbidding van den waren God meer en meer verlaten gevoelt.—Op het einde en in de algemeene vreugdedronkenschap van het als 't ware onmetelijk loofhuttenfeest, onthult Exaël zijn bedoeling: "Eden, de algemeene oorsprong van ons geslacht, is de eigenlijke plaats waar dit broederfeest volmaakt zal wezen: laten wij ons daar onverschrokken den weg toe banen; mijne goden gaan ons voor: uit hun naam spreek ik."—Heldhaftige tegenstand van Segol tegen den algemeenen afval, die hierop volgt, en hem weldra alleen laat met zijn weinige getrouwen, die door het zwaard worden uitgeroeid; en daar men hem om zijn vroegere weldaden niet dooden wil, voert men hem naar de woestijn aan de overzijde van den Hiddekel, waar het graf van Adam is en der eerste Aartsvaders, die daar in de stilte der woestijn en in het gezicht van Eden begraven wilden worden. Daar, over de rotsen gesleept en aan een rots geketend, blijft hij van elk verlaten, behalve van Zilfa, die door een afwijzing vol verachting den haat van Exaël eindelijk ook tegen zich zelve gewekt heeft.
19.
Intusschen is het menschenheir opgebroken om Eden aan te vallen.—Optocht, met de Reuzen en het afvallige leger van Segol aan het hoofd, thans door Exaël geleid, voorafgegaan door onweêrswolken, waarin zijn goden (Semeaza met de Paradijsgeesten) hem den weg wijzen, en door de onzichtbare Hellemachten voortgedreven. Nadering tot de steile hemelhooge rotsen van Eden, waarboven, als een noorderlicht, de weêrschijn blinkt der vlammende zwaarden der Wachtengelen.—Onthulling van het helsche geheim, aan Exaël medegedeeld, om de ontoegankelijke rotsen door ontploffing van het inwendige aardsche vuur te verbrijzelen.—Rustelooze arbeid, ter bereiking van dit misdadig doel.—Rouw, ontzetting en afgrijzen in den Hemel. De Raad Gods wordt aan de Hemelingen bekend gemaakt, en de bevelen gegeven tot de naderende ontknooping.
20.
Schijnbaar welgelukken van den hemeltergenden aanval:—instorten der rotsen, waarlangs Eden beklommen wordt. Reeds meent Semeaza meester van Eden en van Elpine te wezen. Onthulling der ontzachlijke Engelenwachten, waar de Reuzen op aandruischen met vruchtelooze woede. Nog geduchter, dieper liggende vuren moeten, op aandrijven der Hel, gebezigd. Laatste schok dier ontstoken onderaardsche vuren ter omstorting der engelenweeren beproefd, maar waardoor Eden van de Aarde wordt losgemaakt, (Bild. Luchtreis bl. 48, 49) om als zelfstandig hemellichaam voortaan zijn loop door het hemelruim te nemen; terwijl tevens door dien aardschok de vergaderplaats der onderaardsche oceanen wordt opengebroken; en gelijktijdig, met het inbreken van dien vloed, de dreigende wolken, die zich sinds lang om Eden samenpakten, in cataracten op de aanvallers nederstorten. Het leger wordt het eerst medegesleept, Reuzen, Kaïnieten en Sethieten onder elkander, en met het overig menschdom verzwolgen, dat nog in de vlakte, onder de ongebondenheid der afgodische spelen, den uitslag der onderneming afwacht, en zich door Ada laat paaien, als kon zij door toovergezangen de dreigende onweêren en stroomen bezweren. Onder al deze tafereelen van verschrikking heeft nog een aandoenlijk tooneel plaats: waar Segol, bij het naderen van den vloed, aan zijn berouwhebbende verleidster vergiffenis schenkt, zoodat hun vereende zielen ter plaatse varen waar eenmaal de Heiland, op wien Segol, door Elpine getroost, vertrouwde, zal nederdalen als hun verlosser:—terwijl daarentegen Semeaza met zijn broeders in de diepste duisternis geketend wordt; maar waar toch eenmaal de zoon, dien hij ten verderve wilde sleepen, hem op het aanhoudend gebed van Elpine, door dienzelfden Heiland afgezonden zal komen stemmen tot berouw en bekeering; om hem dan te ontboeien en voor zijn Rechter te brengen, om met Fuäl (Z. III, vs. 143, volgg.) genade te ontvangen.
[1] Zie Petrus' Eersten Brief III, 19 : IV, 6.
[2] Boek der Schepping, IV, 1: naar het Hebreeuwsch: den man Jehovah.
[3] hichetaeria.
[4] Suringar, Leeuwaarden 1847.
[5] Bri w Ie Dl. bl. 224.
[6] IIe Z. vs. 408.
[7] bl. 446.
[8] bl. 385.
[9] bl. 63 uitg. v. D.C.
[10] Zie IIe Z. vs. 411 volgg.
[11] Z. II vs. 407 volgg.
[12] vs. 370.
[13] vs. 302.
[14] bl. 63. uitg. v. D. C.
[15] bl. 72. uitg. v. D. C.
[16] bl. 58. uitg. v. D. C.
[17] Verg. b. v. Z. I, vs 363, volgg. met Z. II. vs. 504, volgg.
[18] Ovid. Met. III vs. 101 sqq.
[19] vs. 1073, sqq. ed. Well.
[20] Ie Z. vs. 433, volgg.
[21] vs. 648, sqq.
[22] Ie Z. vs. 499, volgg.
[23] vs. 599, volgg.
[24] vs. 880, sqq.
[25] Ie Z. vs. 480, volgg.
[26] vs. 835, sqq.
[27] 582, sqq.
[28] vs. 749. sqq.
[29] vs. 773 en 873, sqq.
[30] vs. 199. sqq.
[31] vs. 281, sqq. 265 sqq.
[32] IIIe Z. vs. 119, volgg.
[33] bl. 64, Uitg. v. D. C.
[34] vs. 498, sqq.
[35] vs. 460 sqq.
[36] bl. 417.
[37] vs. 476, sqq.
[38] vs. 167, sqq.; vs. 758, sqq.; vs. 909, sqq.
[39] IIe Z. vs. 512, volgg. en 532.
[40] vs. 939, sqq.
[41] IVe Z. vs. 543, volgg.
[42] Ald. vs. 475.
[43] vs. 47, sqq.
[44] IVe Z. vs. 575.
[45] vs. 522, volgg.
[46] bl. 69 D. C.
[47] IIIe Z. vs. 39 volgg.—153.
[48] Ald. vs. 153-282.
[49] IIIe Z. vs. 487, volgg.
[50] Z. III, vs. 121-124.
[51] IIIe Z. vs. 307, volgg.
[52] Z. III. vs. 461, volgg.
[53] IVe Z. vs. 363, volgg.
[54] Ald. vs. 487, volgg.
[55] Ie Zang vs. 55, volgg.
[56] IIe Z. vs. 171 volgg.
[57] Ie Z. vs. 442.
[58] IVe Z. vs. 463.
[59] bl. 63. D. C.
[60] IVe Z. vs. 419-421.
[61] Bild. Voorr. bl. 71. D.C.
[62] IIe Z. vs. 480, volgg.
[63] bl. 392, 393.
[64] IIIe Z. vs. 322.
[65] IIe Z. vs. 288, volgg.
[66] IVe Z. vs. 477, volgg.
[67] Ie Z. vs. 262.
[68] Ie Z vs. 303, volgg.
[69] Bild. Voorr. bl. 70, Uitg. van D. C.
[70] Ie. Z. vs. 369.
[71] Ie Z. vs. 99-110.