AFGEZAKT.I.Stil stond de kamer.Een vijandige stemming hing er dik en maakte alles grauw.Baller, klein zwart mannetje, om ’t geel en tanig gezichtsvel een verwaarloosd, vlokkig baardkransje, de oogen verzwakt, de knokig-harde handen in stugge stutting onder het landerige, kleine hoofd, blikte sufferig en moe rond.Ingehouden nijdigjes bestaarde hij zijn vrouw, die zonder eenige notitie van hem te nemen, haar gewone werk afdeed van alle zaterdagavonden. Buiten schreeuwden en relden al de venters. Hun schor-schrille, doordringende geluiden snerpten fel uit boven het gegons en gegrom, boven het ratelend kargerol der straat, verweekten of krompen in, warrelden en woelden ermee samen soms, sloegen dan weer fel ôp en werden één enkele stormende vlaging die opklomtegen de hooge huizen, voortrakkelde langs de hoorige ruiten. De aanprijzingen wisselden elkaar gestadig af, volgden elkaar op, klauwden ineen en spatterden weg tot in de dwarsstraten, om opnieuw weer aan te vlagen, overjagend heel de wijk met drukte en geweld. De verkoopkreten en gillen werden al snerpender, laaiden wilder uit, joelden al hooger op, drongen tot twee, drie hoog, bereikten zelfs de achtervertrekken.Baller in zijn kleine spitsigheid nam willig op al dat straatgewoel. ’t Vroor zeker hard, want hij hoorde bar al dat geschreeuw. ’t Leek wel of al ’t gewoel, het gemonkel en gesjacher, het bieden en opdringen rond de wagens, de zwaaiende armen van de straatventers, of de plakkerdrukte der winkels hier vlak naast hem stond, of ’t bij hem op de kamer zelf gebeurde en hij zich midden op straat bevond, zoo hoorde en zag hij alles duidelijk. O, hij begreep het, ’t kwam door dat vriesweer, dat alles zoo opklonk. En datzelfde vriesweer hield hem ook zonder werk. Hoewel als de wind draaide ’t best zou kunnen gaan dooien!Heel de morgen en heel de middag had hij thuisgezeten, hij verlangde weg te komen, wist toch niet hoe dat aan te leggen, want als je niks aanbrengt heb je ook weinig in te brengen, dit stond zoo vast als een huis. In elkaar gekrompen begluurde hij vaag de bewegingen van zijn vrouw, die niet vriendelijk gehumeurd van ’t eene eind der kamer naar ’t anderesjokte. Haar mager, uitgezakt lichaam stootte ze in moeielijke dracht door ’t klein vertrek, dat schraal verlicht, aan kant gemaakt en toch overhoop lag door haar gewerk. Op alle stoelen stapelde zich het wit en bont waschgoed en naast de tafel lag een mand vol, dat nog door haar vingers moest, ’t zou zeker in ’t eerste uur niet gedaan zijn!Vrouw Baller streek nu op de tafel aan, overspande die met een ouwe, wollen deken en begon zonder nadere uitleg aan haar wasch. Met haar harde werkvingers rekte ze het goed, griste de zoompjes eruit, streek het dan met de vlakke hand zoowat glad, vouwde en rolde het saam, om te laten mangelen. IJverig werkte ze door, nu en dan opkijkend naar de kachel of die wel goed brandde, anders werd haar ijzer niet warm en ze moest strijken.Van buiten sloegen weer op de schrille galmstemmen. Kreten van haring, volle haring... puike aerpels... mooie kool, fijne vaste kool, zoo hard als ’n bikkel om ’n gat mee in de kop te gooie en andijvie, lekkere malsche andijvie, ze schalden in ruwe roering dooreen, relden en jelden dan weer ieder afzonderlijk uit, heel klaar en duidelijk.Baller zuchtte. Hij merkte het best, die zaterdagavonddrukte maakte z’n wijf tureluurs evenals hem zelf. Zaterdagavond en geen geld, goed om ’n vrouw helsch te maken. Had ze al ingekocht voor morgen, natuurlijk dan van haar eigen zuur verdiende geld? Hij wist het niet en durfde ’t ook niet vragen, verdieptezich weer in zijn krant, die hij daarstraks zelf aan de kiosk haalde. Hij had zich toen ook een borrel gekocht... als ze nou maar niet te dicht onder zijn adem kwam, dan rook ze ’t en dan werd het bepaald ruzie, ze kon de drank niet uitstaan. Zeker, ’t zaakje hing niet in de haak, dat hij zoo nu en dan er eentje stiekem pakte. De verdiensten kwamen van haar, ze hield de boel bijeen, maar hij kon er niet buiten, zonder een opkikkertje zakte hij heelemaal in elkaar. Eén enkele borrel, die hield hem op de been, anders ging alle moed d’eruit. Totnutoe bezat-ie nog ’n snabbeltje apart, kon-ie wat achterbaks houden, nou raakte dat gedaan, ’t was op en nou moest-ie afwachten dat zij hem iets gaf. Dat vond-ie wel erg. Kon-ie in ’s hemelsnaam iets vinden al was ’t als loopknecht, maar och niks stond er weer in de krant.Moedeloos pakte hij het vettig-bedrukte, dun-klaterend dagblad op en neusde alle advertentiën door. Maar daar schoof ze met haar lang, houterig lichaam voor hem heen, zoodat hij geen lettertje kon zien; zijn oogen staarden blind tegen haar strak-harde rug als tegen een muur. Dat maakte hem nog kribbiger. Gewoon niet om te doen, meende hij. Z’n plaatsje zocht hij juist hier tusschen het raam en ’t zeskante potkacheltje om uit de verdrukking te wezen en haar niet in de weg te zitten. ’t Was er ook warm en niet te ver van de lamp die als altijd slecht brandde. En telkens, alsof zij ’t erom deed, dwarrelde ze voorzijn oogen als ze de strijkbout tegen de kachel ging zetten, waarvoor ze niet wou omloopen. Dan moest-ie grommen en brommen, al hield hij zich nog zoo in omdat klagen toch niet hielp. Daar, dáár had je ’t weer. Diep zuchtte hij ervan.Ze hoorde nu zijn gezucht. Smalend zei ze:—Ga dan uit de weg, je ziet da’k mot strijke...plaa’sgenoch...—Nee, d’er is geen plaa’s... ’t lig’ overal vol!—Zoo, wat je zegt!Ze keek eens rond, zonder op te houden, onder ’t werken door, en snerpte opnieuw:—Da’r gin’s staat toch ’n stoel...—Kun-jij da’r soms zien... in stikka donker, nou ik niet. ’k Zie hier best, as jij me ma’r niet in ’t licht staat te draaie!—’k Kan er niks an doen, bitste ze voort, ’k ploeter me uit de naad voor ’n paar cente, ma’r me eige boel kan nie blijve legge!Baller zei niets terug, zweeg in hopeloos dof staren, terwijl ze voortging met voor hem heen te schuiven. Zeker, ze had gelijk, haar eigen wasch moest ook worden gedaan. Als zij uit werken ging, als ze de gansche dag voor ’n ander streek, was het al mooi, dat ze het zaterdagsavonds nog voor haar zelf wou doen, dàt gaf-ie grif toe. Alléén, waarom wou ze niet aan d’andere kant staan, waarom kwam ze hem telkens voor de oogen dweilen? Ze kon ’t niet hebben, dat hij hier lekker in ’t hoekje zat en zij nogvoortmoest. Enkel pesten, judassen van haar, anders niet, èn hij moest het maar verdragen. Zeker, ’t bleef godgeklaagd, dat zij zich als vrouwmoest afbeulen en hijzelf geen sners verdiende, maar was het zijn schuld, wilde-ie soms niet werken? Al over de vier maanden zat-ie zonder, van de week nog al nieuwjaar geweest, geen cent in huis, tot over de ooren in de schuld, met recht een prettig vooruitzicht! Waar moest dat naartoe, ’t werd in de behangerij met de dag slapper, en als ’t nou bleef vriezen kwam er ook geen schot, moest-ie heelemaal van haar afhangen. ’t Was om met je kop tegen de muur te loopen, wist-ie maar wat anders op te denken dan in dat lamme behangerswerk, daarvoor zocht-ie toch juist in de krant.Baller probeerde zijn oogen te verscherpen en de kleine, kriewelige lettertjes te ontcijferen, maar nu schoof ze weer om hem heen en het uitgevouwen blad kronkende en ontglipte aan zijn hand. Grissend greep hij naar ’t papier, maar haar zwaaiende rok sloeg het al neer en nu lag het op de grond als een vod; ze liep er bijna overheen. Hij meende ruw uittevallen, bedwong zich toch, wetend dat zij niet op haar mondje gevallen, hem niet minder van woord zou dienen, en hij wilde graag goede vrienden blijven, omdat hij straks nog ’s er op uit dacht te trekken.Moedwillig bleef ze voor hem langs draaien en vol ergernis keek hij tegen haar star-bewegende rug. Enkel zag hij het fletsig haar, dat boven haar stakelijf uitvaalde.—Verdikkeme, verdikkeme! mompelde hij en zweeg dan weer.Maar zij had zijn gemopper best gehoord, en dat prikkelde haar. Zonder zich om te keeren snauwde ze kortaf:—Kijk ma’r ’es liever na’r de kachel.... dan doe je teminste wat voor de kost...Zonder een verder woord van tegenspraak stond Baller op, pookte van onder in ’t rooster, stootte de kacheldeur open. Een rosse flakkergloed laaide uit, begloeide de grond. Drie, vier scheppen kokes smeet hij op ’t vuur, dat knetterde en sintelde, en opnieuw stompte hij de schepper in de bak, om nog een smijt toe te geven, toen zijn vrouw zich driftig omkeerde, schor-schreeuwend:—Welzeker... welzeker, waarom niet... kan ’t niet op... kost de brand soms geen geld... ’t is ’t laa’st wâ we hebbe...Voor een oogenblik stond Baller paf. Dan kwakte hij de gevulde schepper in de bak terug, gromde:—Dàt had je wel eerder kunne zegge!—Nou nog snauwe d’erbij... geen cent inbrenge en allemanspraat!Baller zweeg maar weer. Ze was al in een heele slechte bui en dan viel niet met haar te mallen. Nog een gesmoorde grom en hij duwde de kacheldeur toe, rekte zich eens uit. Zijn afbeelding schaduwde gedrochtelijk op ’t vaag-witte gordijn. Even keek hij er na, liet zich dan op zijn stoel terugzakken,greep botweg de krant, om die verder door te lezen. Maar bij de lichtzwakke lamp wiebelend in de warmte van ’t vertrek en door de bewegingen van ’t strijken, in dat vlekschuivend licht, waarbij zijn vrouw nog telkens voor hem heenschoof, zagen zijn schemerende oogen maar moeielijk de kleine, vettig-gedrukte lettertjes op ’t dun flodderpapier. Zijn blikken reikten niet veel verder dan tot de aankondiging: Vraag en aanbod. Te vergeefs dwong hij zijn afgeleefde oogen om die door elkaar krioelende regeltjes nauwgezet te verkennen. Veel zaaks stond er niet, dat speurdehij al in één vlucht, maar toch, je kon nooit weten, allicht sla-je eens wat over. Hij wou wat vinden, een reden hebben om er tusschenuit te kunnen trekken.Hoe hij zich ook inspande, ’t lezen en nakijken van de advertentiën ging hem maar moeilijk af. De hitte van de nu-sterker-aansnorrende kachel, de strijklucht en ook ’t witte geglemer van ’t goed maakten hem stomp en wee. Zijn oogen werden waterig, alsof ze dreven. Dof en suf in zijn hoofd, liet hij de krant maar glijden, staarde verwezen voor zich uit, zich pijnigend met het zoeken van een leugen om hier weg te kunnen komen. Maar hij kon niets verzinnen. ’t Leek of haar aanwezigheid zijn denkkracht tot onmacht sloeg, of ze hem dwong tot berustend blijven. Zij stond daar, het sjofele stakelijf tegen de rand der tafel geduwd om meer macht te kunnen zetten, en hij wist als-ie maar een woord over uitgaan kikte, zij zich dadelijk zou omkeeren hem de wind van voren geven.Lijdzaam keek hij toe, begluurde hoe ze ’t gewasschen goed rekte, de naden uithaalde, het streek, opnieuw vouwde tot het werden gelijkmatig vierkante vormen, elk stuk stapelend soort bij soort, sloopen bij sloopen, hemden, handdoeken, klein goed en groote stukken, rokken en lakens, naar dezelfde maat.Ze werkte voort. De tafel, waarvan ze de bijbladen had uitgetrokken om meer ruimte te hebben, wiegelde op de wrakke pooten bij al ’t stroef gewerk, schokte mee op de zet en terughaal van haar strijk,—en onder het pootig drukken, omdat de ijzers dadelijk koud werden, knerste de tafella over de looprichels, en dan kraakte het dunne, versleten katoen onder haar grif-tastende vingers, al ging ze nog zoo voorzichtig ermee om. Bij elke krak zuchtte ze zwaar. Hij wist wat dat zeggen wou, vrouwen hangen aan ’t linnengoed, meer als aan haar leven. Zonder dat-ie haar gezicht kon zien wist hij toch hoe zwart-nijdig haar trekken werden als haar vingers ’t verteerde goed aan flarden haalden. Dan viel er met haar niet te mallen!Gedachtenloos aaiden zijn handen de witte poes, die snorde, de rug hoog opzette onder zijn strijkingen, hem telkens kopjes gaf en spinnend tegen zijn beenen stond aan te wrijven. Hij vergat zijn krant te lezen.... raakte weer aan het peinzen.Ze merkte het, liet haar ijzer rusten, zag hem een oogenblik scherp aan, en zei dan schimpend:—Je hebt het ma’r makkelik, dàt mô ’k zegge.... je denkt an niks! Is er de huur al bij mekaar?Baller schouderschokte, knipte van onmacht de oogen. Dat ze nu weer vroeg.... ze wist toch wel, dat-ie niet had.—De huisvent is van morge d’er geweest.... as-ie maandag nie’ krijgt, gaat-ie z’n gang! zei ze opnieuw.Baller bleef zwijgen. Wat moest-ie zeggen?—Hij wil niet wachte, versta-je, schreeuwde ze nu feller. Je zit da’r ma’r of je van Lotje bent getikt.—Maar wat wil-je dan toch mensch? stoof Baller nu op, terwijl zijn oogen vurig werden en zijn klein hoofd zich tot haar oprichtte.—Wat ik wil... wat ik wil? ik wil niks... ik zeg alleen ma’r, dat-ie niet langer wil wachte... is dat soms niet klaar genoch voor meheer... laat dat nog aan duidelikheid te wensche over?Zij zette de handen in de zij, keek hem smalend met een hoonlach aan, herhaalde:—Hij wil niet wachte... geen dag meer!—Zoo? wil-ie niet wachte? nou dan mot-ie ’t ma’r zien van m’n rug te snije! stootte Baller er eindelijk noodgedwongen uit. Al zijn benauwdheid, het zich klein voelen onder haar aanval, viel ineens van hem weg. De enkele borrel, die hij vanavond pakte, gifte in hem op. Hij begreep, dat-ie zich te weer moest stellen, en zich niet alles kon laten gezeggen, want dan ging ze langer hoe verder. Fel, met woedend-gemeene blikken, valschte hij naar haar òp, om haar op die manier wat af te schrikken.Zij liet zich niet daarmee van streek brengen, zei treiterend-zeker:—Hij smijt ons d’eruit, dan stane we op straat.—D’er is nog al veel om op straat te zette, schetterde hij terug.—Veel of niet veel, je legt onder de bloote hemel... en waar vin-je zoo gauw wat anders?—Hij doet ’et niet, wat ik je smoes... hij maakt je maar bang, vergoelijkte Baller weer.—Bang... bang? Het-ie soms geen recht... is ’t nog niet lang genoch... ellef weke?—Ja, zuchtte Baller, weet jij d’er raad op? Ik niet!—Dat is wel makkelik je zóó d’eraf te make!—Weet jij dan ’n middel?—D’er ben je man voor, ellef weke niet betaald, ’t is maar niks... noem je dat soms kattedrek?Baller mompelde een “stik” tusschen zijn tanden, draaide haar de rug toe. Dat wekte eerst recht haar toorn op, ze smeet de ijzers terzij, liep handen-wringend overentweer, jammerde het vertrek vol met haar snerpende klachten.Baller kreeg het te benauwd. Van angst en wrevel sprong hij op, hakkelsnauwde:—Hou toch ’es op... met je herrie... ’t is nog zoo ver niet... wat bliksem is dat?—Zoo ver niet, zóó ver niet? Me dunkt ’êt...! dat ’t ver genoch is! Hoonend bleef ze voor hem staan, zei dreigend, klagend:—M’n god, wat zal er van ons komme!—Kan ’k ’t helpe... mot ik soms gaan stele?Minachtend keek ze hem aan, en die blik zei:daar ben je veel te laf voor. Dan hoonde ze voort:—Zuipe, dàt kan je wel... je stinkt weer naar jenever!Baller werd weer bang.—Zanik niet, ontweek hij. Je hebt altijd wat!—’t Is toch zoo. Denk je dat ik niet ruiken kan.—Een glaasie noem je dàt zuipe?—Hier een glaasie en daar één, zoo gaat het geld weg... alles door ’t keelgat. Ze geve het je niet voor niks, dàt maak je mij niet wijs!—’k Mot toch op werk loope!... hier of daar hoore... ’t komp niet van zellef.—Och wat, uitvluchten van jan kalabas... je vindt geen werk... ik als vrouw draai er ma’r voor op.—’k Kan toch niet bij de pakke blijve zitte, is wel?—’t Zou wat! zei ze minachtend.—Dàn pakte ze het ijzer van ’t kacheltje, vingertipte langs de plaat om de warmte te toetsen, begon weer te strijken. Gelijk keerde zij zich nog eens om, zei dreigend:—Je mot ’t zellef wete, ma’r dàt zeg ik je, as we op straat komme te staan, trek ik ertusschen uit.Ik haal mijn kossie wel!Baller zakte in zijn hoek terug. Al zijn moed verschrompelde en gleed weg; hij voelde zich als geranseld met een zweep. De hitte van ’t gesprek en de duffe, bedwelmende strijkwarmte maakten zijn lippen rimpel-droog en toch durfde hij niets zeggen. Die geschiedenis met de huishuur bleef leelijk. Ze waren wel eens meer achter geweest, maar zooveel als nou nee, elfweken, kwam nog niet voor. Sakkerjen, ’t zou zoo’n wonder niet zijn als het misliep!De poes wipte op zijn knie, zette haar rug hoog op, vleide zich neer, de kop tusschen het lenig vel gravend.Baller liet het beest begaan, keek suf voor zich uit. Konden ze maar een of twee weekjes afdokken, of had-ie teminste werk in ’t zicht, om de huisbaas te paaien, maar geen cent in de mars en niks in ’t verschiet, dat was om de dood niet plezierig. Te verkoopen of naar de lommerd te brengen viel er niet. Wat hier nog stond, die nakende stoelen, de tafel, het kacheltje, dàt hadden ze alles hard noodig. Zijn zondagsche spullen waren nog over, om ze voor een daggie te verzetten, maar als het daartoe kwam kon-ie niet meer in ’t licht verschijnen. Zijn vrouw had ook niet te veel, geen fatsoenlijk stuk aan d’er lijf! Wel waren ze afgezakt, zaten totaal vast, de eenige uitkomst werk te krijgen, maar hoe en waar...Moedeloos nam hij de krant weer op, doorzocht de heele lijst van kleineadvertentiën, al wist-ie dat er niets voor hem instond. Hij wou wat vinden, om uit de kamerbenauwdheid weg te kunnen. Met zijn nagel krabde hij hier en daar wat aan, doch hij dorst er nog niet mee voor de dag te komen. Dan vroeg hij om te polsen of haar stemming beterde:—Heb je niks te drinke? heb je al koffie?—Ja strakkies... as ik klaar ben ga ik koffie zette!’t Was nog niet in orde, dat merkte hij best. Daarom vroeg hij, terwijl hij meteen bereidwillig opstond:—Wil ’k soms wat op de kachel gooie?—Welzeker, ’t kan niet op! Ze zei het bits, zonder op te kijken.Baller vroeg niet meer, ging weer zitten, tuurde in zijn krant, stootte nu en dan een “ha” eruit, alsof hij iets van belang vond, las hard op een advertentie, die hij maar verzon.Nu hoorde hij weer de avondventers, en hun schorre, schrille geluiden, die naar de derde verdieping òprelden, leken hem sarrende kreten, fel treiterend omdat hij hier als zat vastgebonden. De dorst werd al erger, schroefde hem de keel toe, en toch opstappen durfde hij niet. ’t Was zijn eigen bedrijf, zijn eigen schuld dat-ie zoo in de klem raakte. Hij moest vroeger beter op zijn boeltje hebben gepast, maar o, de kolder stak hem in de kop, hij voelde zich te hoog, te veel meneer om aan te pakken, schaamde zich om met de stijfselpan te loopen, nou ja, hij was ook een bazenzoontje! Zijn vader waarschuwde hem tijdig toen hij met haar begon en zijn moeder drong altijd aan, dat-ie een vrouw met geld zou zoeken, maar hij luisterde er niet naar. Nou zag-ie eerst zijn stommiteit. Een vrouw enkel om haar mooi gezichie nemen was de grootste ezelstreek, die een man kon uithalen. Een mooi gezichie? Godbetert als-ie haar nou aankeek, een uitgeholde raap op een strijkplank leek ze! Ze was wel veranderd.Nijdig blikte hij naar haar, nam haar eens nauwkeurig op. Het vale, dor-blonde haar lag slordig om ’t doorzorg en ellende verwaarloosd bleek gezicht, waaruit de jukbeenderen grof staken, terzij van de vastgenepen mond groefden zich harde trekken en haar neus spitste scherp, als de ram van een schip, heel haar wezen een brok harde narigheid.—Behalve een slap uitzet bracht ze niks mee, geen rooie cent, en eenmaal getrouwd, kreeg ze evenveel bereddering als de fijnste madam. Hoe anders zou ’t zijn geloopen indien hij er eentje met de noodige grijpstuivers had gezocht; in zijn tijd kon-ie er genoeg krijgen, hij had z’n vingers maar even hoeven uit te steken; de meisjes met centen waren er toch om te worden gevraagd. Maar hij liet zich door haar aardig bekkie inpalmen, en nou moest-ie de gevolgen dragen, daaraan viel niet te veranderen. En ’t ergste nog: ze wou niet begrijpen dat ze verschillend waren; ze schold en schimpte, nam niet in aanmerking, dat zijn handen voor ’t werken verkeerd stonden.Maar ondanks haar venijnigheid deed ze haar best, veel meer dan hij zelf, al werd ze dan ook voor ’t werken opgebracht, terwijl hij nooit wat leerde in z’n jonge jaren, zelfs geen vinger behoefde uit te steken.Het ongeluk vervolgde hem wel, van alle kanten. Dadelijk na het trouwen al ’t faljiet van Tobiassen, voor wie hij twaalf nieuwe huizen plakte en waarvan hij geen dubbeltje kreeg. Toen die mijnheer Diemert, aan wie hij zooveel te kort kwam, ’t liefst maar drie duizend gulden aan kleeden. Dan dàt keertje brand, te laag geassureerd, zoodat ze hem een schijntje uitkeerden. Zes kinderen geboren en gestorven, komenen gaan kost geld, ’t kwam allemaal bij mekaar, tot-ie voor ’t fatsoen van de familie de winkel likwideerde en op bonnefooi naar Amsterdam trok. Dàt had-ie nooit moeten doen. In een kleine stad kun je ’t mager hebben en vol zorgen zitten, maar je komt er door. Hier, in Groot-mokum, geeft geen mensch om je. En natuurlijk, daar ginds waren ze blij, dat ze hem kwijt raakten; nu keken ze niet naar hem om, lieten hem aan zijn lot over. Zijn bloedeigen broer scheepte hem af met tien gulden, en op al zijn brandbrieven kreeg hij nou zelfs geen boe of ba. Dat hadden ze hem niet kunnen leveren als-ie daar was gebleven. Waarom was hij toch gegaan? Wel, omdat je in je eigen plaats je zoo moeielijk kunt verminderen, er nooit weer boven-op werken, maar een stommiteit bleef het toch. Van God en alle menschen zat hij hier verlaten! Zijn heele leven eigenlijk een enkele misgreep. In plaats hem zijn vak deugdelijk te laten leeren, stuurde zijn vader hem in de winkel om te verkoopen. Wat wist-ie nou van ’t werken af, van gordijnen en drapeeringen? Niks. Als hij zijn handen kon roeren, hoefde-ie nou niet op schobberdebonk te loopen en revolutiewerk voor ’n krats te maken, had-ie allicht een vaste plaats als meesterknecht gevonden. Maar wie dacht daar in zijn jeugd bij hem thuis aan? Hij was bazenzoontje, mocht dus de kantjes afslijpen. Nou zag hij eerst de gevolgen en z’n vrouw begreep maar niet, dat hij daarover zat te piekeren!Tusschen deze overpeinzingen door namen zijn oorenop de zaterdagavonddrukte, zagen weer zijn oogen haar stuursch gezicht, voelde hij ook de dorst in zijn keel branden. Hij moest eruit. Als hij hier bleef hangen kreeg hij vast geen werk; een loopende hond valt allicht wat in de mond was toch het spreekwoord. Maar ze zou hem niet laten gaan. Hoe dat aan te leggen? Een paar keer dacht hij, dat zijn vrouw zelf zou beginnen. Ze opende half de mond, dan kneep ze de lippen weer toe, zonder eenig geluid te geven. ’t Gaf zeker dolle ruzie indien hij ermee aankwam. En toch ’t moest, als hij langer wachtte, ging ’t heelemaal niet meer. Diep ineengedrongen, de magere handen onder ’t vlokkig-behaarde hoofd, zat hij te overleggen. De straatgeluiden scherpten hem al meer op, brachten hem tot opwinding. Elk oogenblik verwachtte hij, dat zijn vrouw zich zou omkeeren, hem een standje schoppen door geld te vragen voor de inkoopen. Dan zou hij de gelegenheid gebruiken om de spat te zetten. Ja, dat zou-ie doen! Maar zij zei niets, streek en vouwde onafgebroken door, zonder ’t hoofd op te heffen. Hij moest nu wel zelf beginnen, anders werd het te laat. Daar bleef niet anders over.De poes tilde hij van zijn knie, zette haar op de grond, de poes die gestoord in haar makkelijk liggen, nu de rug hoog-op kromde, tegen zijn beenen bleef spinnen. Meteen richtte hij zich al geeuwend op, rekte zich uit en zijn smal, klein gezicht in een plooi trekkend alsof hij ’t zelf lam vond, smeet hij onverschilligjes d’eruit:—Ik zal d’er verdorie nog op uit motte!Die woorden vielen als een enkele plof in de kamer.Dadelijk liet ze ’t strijkijzer rusten, keerde zich om, keek hem scherp aan, vroeg:—Wat zei-je?—Dat ’k nog effe d’eruit zal motte...—Je zal ’t wel uit je herses late!—Ze hebbe d’r iemand noodig... op de Haarlemmerdijk... bij van Wieren!—Zoo-o!—’t Staat d’ar in de krant.—Wèl toevallig!—Lees het dan zellef!Ze grinnikte van nijd, keerde zich verachtend om, duwde haar strakke rug langs hem heen, streek opnieuw voort, schimpte dan weer:—Op Zaterdagavond? Nee man... ik ken die foefies... geen denken an!—Foefies?... wat foefies?—Daar hei je zeker twee uur voor noodig, om die affertensie op te scharrele... of ik dat niet ken... van zes uur zit-d-ie d’er al... hà, hà, hà, treiterlachte ze.—Ik zie ’t net... da’s te zegge... ik zag ’t wel eerder. Niet veel bizonders... je zoekt en je zoekt honderd uit.—In elk geval, ’t is nou te laat. Ga morgen!—Dan is ’t zondag! kan ik toch niet gaan!Ze zweeg, door zijn antwoord vastgezet, doch ze wou geen kamp geven, omdat ze z’n streken te goed kende.Strak stond de stilte tusschen beiden in, fel vijandig. Dan zei ze scherp:—As-je morge in de vroegte gaat, ben je frisch.—Och mensch, lâ na’r je kijke... ze zulle me zien ankomme, op zondag!—Ma’r ’t is nou nacht.—Nacht, nacht? wat jij nacht noemt, pas half nege!—Nee, ’t is zeker vroeg, gotallemachtig...!—Dàt niet, ma’r... as je het nou niet eerder ziet. Wat verlet ik ermee? Niks... hebbe we ’t zoo goed... kunne we wachte! is m’n gang soms ’n doktersgang?Zij haalde de schouders minachtend op, streek door, hoorde het aan zonder hem verder te antwoorden hoe hij in een stortvloed van hakkelende, stotterende woorden, woorden zonder zin, die zich herhaalden, waarmee hij zich telkens weersprak, aanhield, zeggend, dat hij most, dat al gaf ’t niks, hij ’t niet mocht laten ontglippen!Zij zweeg, streek door; en aan haar harde rug zag hij best hoe ze er over dacht. ’t Prikkelde zijn verzet op. Hij moest nou doorhakken, anders kwam ’t er niet van. Met een schonkig gebaar schoof hij naar de kast, om zijn jas te pakken. Maar ze was vlugger dan hij, stond oogdreigend voor hem:—Je gaat niet, ik zèg je, je gaat níét!Hij liet zijn jas los, die op de stoel gleed, schreeuwde dan ineens gedurfd:—Zoo en waarom niet... ben jij soms de baas?, denk jij me te drille?—Ik zweer je, as je gaat, gaan ik ook! Wie je terugziet, maar mijn niet, versta-je!!—Wel-wel, wàt je meent, treiterde hij weerom, nog zoo slecht niet bedacht, denk je me daarmee te pesten, dan heb-je ’t mis, glad mis! De deur staat wagewijd voor je ope, as je soms weg wilt, vergis je toch niet.—Natuurlik, jij geeft er niet om, maar ik zweer je, dat ik ’t doe.... as je ’t hart hebt om uit te gaan zie je mij niet werom!In driftige hijgadem raffelde ze door, smeet in woede de woorden hem om de ooren. Hij, in zijn kleinheid strakstijf met norsch, zwart gezicht van onwilligheid, sprak geen woord. En dat maakte haar razend. Ze smeekte, bad om te blijven, dreigde dan weer, verweet hem zijn luieren, zijn zuipen, zijn slecht behandelen, en huilsmeekte vannieuws.Maar hij wou doorzetten, hield zich ongevoelig, zooveel voor ’t een als voor ’t ander. Brutaal snerpte hij:—’t is hier geen kwestie van goed of slecht behandele, het is kwestie om werk te krijge, èn of ’t nou half nege of half tien is, dat duvelt niks.... as je zonder zit, kan-je hier niet blijve hokke.... ’t werk komp niet van zelf.... heb je ooit van je leve.... nou wat zeg je me daarvan?Zoo bar mogelijk zei hij het, op ieder woord drukkend, om haar te overbluffen. Maar hoe nijdig hij zich ook hield, ze verzette geen voet, ze gaf niet toe. Hij wist, dat ze hem doorzag, voelde zich half geneigd toch weer de minste te wezen. Wat vroegen ze opde Haarlemmerdijk eigenlijk? Een aankomende bediende in een kruidenierswinkel, een halfwas, voor een vette drie gulden per week misschien.Nu begon ze opnieuw te kijven en te smalen, haar handen melodramatisch samenwringend.—Blijf nou thuis, dreig-smeekte ze. Late we overlegge hoe dat an moet met de huur.... late we zien ’n andere woning te krijge.Hij schokte de schouders, onwilligde terug:—Daar hebbe we morge alle tijd voor, nou kan ik nog probeere voor werrek, zal ook ’es naar Bouwlust gaan.Vlijm-scherp zag ze zijn doel: het café waar de bouwers samenkwamen en ze wist al vooruit waarop dat ging uitdraaien; ’t werd natuurlijk weer zwetsen en drinken! Om hem van dit plan af te houden werd ze toeschietelijker, vroeg ze bijna gedienstig:—Wil ik koffie zette?Baller weifelde.De gillen en kreten der zaterdagavondventers rilden in zijn ooren, dansten er rond, lokten hem naar die drukte,—en toch, hij durfde niet best, bang voor haar groote mond. D’er zou wat zwaaien! Maar, als-ie nou niet doorzette, kreeg-ie de heele avond geen kans meer, zat-ie bakker-an. Het zichzelf opgesloten zien zitten en dan niet weg te kunnen doemde ineens voor hem op. Zijn dorstige keel schroeide saam bij de gedachte geen jenever te krijgen, en de koffie, waarnaar hij straks zelfs vroeg, proef-smaktein gedachten nu op zijn tong bitterdrabbig. Hu, net cichoreiwater! Een benauwing sloeg in hem op, doorgloeide zijn keel, steeg naar zijn klein, verweerd, zwartbaardig hoofd, dat hij opgeblazen-heet voelde worden, terwijl een koude kriebel langs zijn rug kroop.—Nee, stootte hij uit, nee, voor mij hoef-je niet te zette... ik mot toch d’erop uit.... voor die advertentie.Zij schokte uit haar gebogen houding op, liet het dekselplaatje van de kachel dat ze oplichtte voor de waterketel, met een klaterende rinkel terugvallen, keek hem star-stijf aan, ermee zeggend: dat gaat zóó niet mannetje!—Ja zeker, weerbarstigde Baller. Ik mot ook zien Peters te treffe!—Peters? smaalde ze, in haar heftigheid geen woorden vindend om op hem los te branden.—Ja zeker Peters! bevestigde hij. Die hêt-me beloofd as de verdiepinge zoo ver benne...—Wat verdiepinge... ’t vriest toch veel te hard om te kunne plakke... ja, maak mijn dat wijs!!—Zoo?—’t Werk ligt stil, dat hè-je toch zellef gezeid.—In elk geval, driftigde Baller nu, in elk geval ’k mot eruit. Denk je soms, dat ze ’t op de trap komme legge?—Zie je wel.... zie je wel.... Hij wil d’eruit.... hij wil d’eruit... naar de kroeg! Heb ’k ’t nietgedacht... wist ik ’t niet... geen cent thuis en toch zuipe!!Op die smalende woorden schoot Baller ineens op, vinnig-fel, alsof-ie haar te lijf wou. Haar vellig-magere handen klauwden zich tot verweer, de deur moest ze afsluiten, zoodat-ie niet wegkon. Maar ze was bang, dat-ie haar dan van achteren zou aanpakken, dat leverde-ie meer! Haar vingers kromden zich om te nijpen en te krabben.Baller zag haar steelsche blik naar de deur en kreeg een inval. Ja, dat kon! Met kattige drift van kleine man, die niet op kan tegen zijn grootere vrouw, stormde hij op haar toe, vooruitstootend zijn eene arm, alsof hij haar te lijf ging. Maar in plaats van dat te doen, greep hij in snelle vaart naar jas, naar hoed, rukte de deur open,—en voor ze nog eraan dacht, was hij al buiten, op ’t portaal, holde de trap af, de kamerdeur met dreunend geweld vlak voor haar gezicht toeslaand.Zij riep nog: Jan! Jan!Hij holde door, was de onderste trap al af, buiten haar bereik. Ze stond verbluft, sprakeloos van machtelooze woede.
AFGEZAKT.I.Stil stond de kamer.Een vijandige stemming hing er dik en maakte alles grauw.Baller, klein zwart mannetje, om ’t geel en tanig gezichtsvel een verwaarloosd, vlokkig baardkransje, de oogen verzwakt, de knokig-harde handen in stugge stutting onder het landerige, kleine hoofd, blikte sufferig en moe rond.Ingehouden nijdigjes bestaarde hij zijn vrouw, die zonder eenige notitie van hem te nemen, haar gewone werk afdeed van alle zaterdagavonden. Buiten schreeuwden en relden al de venters. Hun schor-schrille, doordringende geluiden snerpten fel uit boven het gegons en gegrom, boven het ratelend kargerol der straat, verweekten of krompen in, warrelden en woelden ermee samen soms, sloegen dan weer fel ôp en werden één enkele stormende vlaging die opklomtegen de hooge huizen, voortrakkelde langs de hoorige ruiten. De aanprijzingen wisselden elkaar gestadig af, volgden elkaar op, klauwden ineen en spatterden weg tot in de dwarsstraten, om opnieuw weer aan te vlagen, overjagend heel de wijk met drukte en geweld. De verkoopkreten en gillen werden al snerpender, laaiden wilder uit, joelden al hooger op, drongen tot twee, drie hoog, bereikten zelfs de achtervertrekken.Baller in zijn kleine spitsigheid nam willig op al dat straatgewoel. ’t Vroor zeker hard, want hij hoorde bar al dat geschreeuw. ’t Leek wel of al ’t gewoel, het gemonkel en gesjacher, het bieden en opdringen rond de wagens, de zwaaiende armen van de straatventers, of de plakkerdrukte der winkels hier vlak naast hem stond, of ’t bij hem op de kamer zelf gebeurde en hij zich midden op straat bevond, zoo hoorde en zag hij alles duidelijk. O, hij begreep het, ’t kwam door dat vriesweer, dat alles zoo opklonk. En datzelfde vriesweer hield hem ook zonder werk. Hoewel als de wind draaide ’t best zou kunnen gaan dooien!Heel de morgen en heel de middag had hij thuisgezeten, hij verlangde weg te komen, wist toch niet hoe dat aan te leggen, want als je niks aanbrengt heb je ook weinig in te brengen, dit stond zoo vast als een huis. In elkaar gekrompen begluurde hij vaag de bewegingen van zijn vrouw, die niet vriendelijk gehumeurd van ’t eene eind der kamer naar ’t anderesjokte. Haar mager, uitgezakt lichaam stootte ze in moeielijke dracht door ’t klein vertrek, dat schraal verlicht, aan kant gemaakt en toch overhoop lag door haar gewerk. Op alle stoelen stapelde zich het wit en bont waschgoed en naast de tafel lag een mand vol, dat nog door haar vingers moest, ’t zou zeker in ’t eerste uur niet gedaan zijn!Vrouw Baller streek nu op de tafel aan, overspande die met een ouwe, wollen deken en begon zonder nadere uitleg aan haar wasch. Met haar harde werkvingers rekte ze het goed, griste de zoompjes eruit, streek het dan met de vlakke hand zoowat glad, vouwde en rolde het saam, om te laten mangelen. IJverig werkte ze door, nu en dan opkijkend naar de kachel of die wel goed brandde, anders werd haar ijzer niet warm en ze moest strijken.Van buiten sloegen weer op de schrille galmstemmen. Kreten van haring, volle haring... puike aerpels... mooie kool, fijne vaste kool, zoo hard als ’n bikkel om ’n gat mee in de kop te gooie en andijvie, lekkere malsche andijvie, ze schalden in ruwe roering dooreen, relden en jelden dan weer ieder afzonderlijk uit, heel klaar en duidelijk.Baller zuchtte. Hij merkte het best, die zaterdagavonddrukte maakte z’n wijf tureluurs evenals hem zelf. Zaterdagavond en geen geld, goed om ’n vrouw helsch te maken. Had ze al ingekocht voor morgen, natuurlijk dan van haar eigen zuur verdiende geld? Hij wist het niet en durfde ’t ook niet vragen, verdieptezich weer in zijn krant, die hij daarstraks zelf aan de kiosk haalde. Hij had zich toen ook een borrel gekocht... als ze nou maar niet te dicht onder zijn adem kwam, dan rook ze ’t en dan werd het bepaald ruzie, ze kon de drank niet uitstaan. Zeker, ’t zaakje hing niet in de haak, dat hij zoo nu en dan er eentje stiekem pakte. De verdiensten kwamen van haar, ze hield de boel bijeen, maar hij kon er niet buiten, zonder een opkikkertje zakte hij heelemaal in elkaar. Eén enkele borrel, die hield hem op de been, anders ging alle moed d’eruit. Totnutoe bezat-ie nog ’n snabbeltje apart, kon-ie wat achterbaks houden, nou raakte dat gedaan, ’t was op en nou moest-ie afwachten dat zij hem iets gaf. Dat vond-ie wel erg. Kon-ie in ’s hemelsnaam iets vinden al was ’t als loopknecht, maar och niks stond er weer in de krant.Moedeloos pakte hij het vettig-bedrukte, dun-klaterend dagblad op en neusde alle advertentiën door. Maar daar schoof ze met haar lang, houterig lichaam voor hem heen, zoodat hij geen lettertje kon zien; zijn oogen staarden blind tegen haar strak-harde rug als tegen een muur. Dat maakte hem nog kribbiger. Gewoon niet om te doen, meende hij. Z’n plaatsje zocht hij juist hier tusschen het raam en ’t zeskante potkacheltje om uit de verdrukking te wezen en haar niet in de weg te zitten. ’t Was er ook warm en niet te ver van de lamp die als altijd slecht brandde. En telkens, alsof zij ’t erom deed, dwarrelde ze voorzijn oogen als ze de strijkbout tegen de kachel ging zetten, waarvoor ze niet wou omloopen. Dan moest-ie grommen en brommen, al hield hij zich nog zoo in omdat klagen toch niet hielp. Daar, dáár had je ’t weer. Diep zuchtte hij ervan.Ze hoorde nu zijn gezucht. Smalend zei ze:—Ga dan uit de weg, je ziet da’k mot strijke...plaa’sgenoch...—Nee, d’er is geen plaa’s... ’t lig’ overal vol!—Zoo, wat je zegt!Ze keek eens rond, zonder op te houden, onder ’t werken door, en snerpte opnieuw:—Da’r gin’s staat toch ’n stoel...—Kun-jij da’r soms zien... in stikka donker, nou ik niet. ’k Zie hier best, as jij me ma’r niet in ’t licht staat te draaie!—’k Kan er niks an doen, bitste ze voort, ’k ploeter me uit de naad voor ’n paar cente, ma’r me eige boel kan nie blijve legge!Baller zei niets terug, zweeg in hopeloos dof staren, terwijl ze voortging met voor hem heen te schuiven. Zeker, ze had gelijk, haar eigen wasch moest ook worden gedaan. Als zij uit werken ging, als ze de gansche dag voor ’n ander streek, was het al mooi, dat ze het zaterdagsavonds nog voor haar zelf wou doen, dàt gaf-ie grif toe. Alléén, waarom wou ze niet aan d’andere kant staan, waarom kwam ze hem telkens voor de oogen dweilen? Ze kon ’t niet hebben, dat hij hier lekker in ’t hoekje zat en zij nogvoortmoest. Enkel pesten, judassen van haar, anders niet, èn hij moest het maar verdragen. Zeker, ’t bleef godgeklaagd, dat zij zich als vrouwmoest afbeulen en hijzelf geen sners verdiende, maar was het zijn schuld, wilde-ie soms niet werken? Al over de vier maanden zat-ie zonder, van de week nog al nieuwjaar geweest, geen cent in huis, tot over de ooren in de schuld, met recht een prettig vooruitzicht! Waar moest dat naartoe, ’t werd in de behangerij met de dag slapper, en als ’t nou bleef vriezen kwam er ook geen schot, moest-ie heelemaal van haar afhangen. ’t Was om met je kop tegen de muur te loopen, wist-ie maar wat anders op te denken dan in dat lamme behangerswerk, daarvoor zocht-ie toch juist in de krant.Baller probeerde zijn oogen te verscherpen en de kleine, kriewelige lettertjes te ontcijferen, maar nu schoof ze weer om hem heen en het uitgevouwen blad kronkende en ontglipte aan zijn hand. Grissend greep hij naar ’t papier, maar haar zwaaiende rok sloeg het al neer en nu lag het op de grond als een vod; ze liep er bijna overheen. Hij meende ruw uittevallen, bedwong zich toch, wetend dat zij niet op haar mondje gevallen, hem niet minder van woord zou dienen, en hij wilde graag goede vrienden blijven, omdat hij straks nog ’s er op uit dacht te trekken.Moedwillig bleef ze voor hem langs draaien en vol ergernis keek hij tegen haar star-bewegende rug. Enkel zag hij het fletsig haar, dat boven haar stakelijf uitvaalde.—Verdikkeme, verdikkeme! mompelde hij en zweeg dan weer.Maar zij had zijn gemopper best gehoord, en dat prikkelde haar. Zonder zich om te keeren snauwde ze kortaf:—Kijk ma’r ’es liever na’r de kachel.... dan doe je teminste wat voor de kost...Zonder een verder woord van tegenspraak stond Baller op, pookte van onder in ’t rooster, stootte de kacheldeur open. Een rosse flakkergloed laaide uit, begloeide de grond. Drie, vier scheppen kokes smeet hij op ’t vuur, dat knetterde en sintelde, en opnieuw stompte hij de schepper in de bak, om nog een smijt toe te geven, toen zijn vrouw zich driftig omkeerde, schor-schreeuwend:—Welzeker... welzeker, waarom niet... kan ’t niet op... kost de brand soms geen geld... ’t is ’t laa’st wâ we hebbe...Voor een oogenblik stond Baller paf. Dan kwakte hij de gevulde schepper in de bak terug, gromde:—Dàt had je wel eerder kunne zegge!—Nou nog snauwe d’erbij... geen cent inbrenge en allemanspraat!Baller zweeg maar weer. Ze was al in een heele slechte bui en dan viel niet met haar te mallen. Nog een gesmoorde grom en hij duwde de kacheldeur toe, rekte zich eens uit. Zijn afbeelding schaduwde gedrochtelijk op ’t vaag-witte gordijn. Even keek hij er na, liet zich dan op zijn stoel terugzakken,greep botweg de krant, om die verder door te lezen. Maar bij de lichtzwakke lamp wiebelend in de warmte van ’t vertrek en door de bewegingen van ’t strijken, in dat vlekschuivend licht, waarbij zijn vrouw nog telkens voor hem heenschoof, zagen zijn schemerende oogen maar moeielijk de kleine, vettig-gedrukte lettertjes op ’t dun flodderpapier. Zijn blikken reikten niet veel verder dan tot de aankondiging: Vraag en aanbod. Te vergeefs dwong hij zijn afgeleefde oogen om die door elkaar krioelende regeltjes nauwgezet te verkennen. Veel zaaks stond er niet, dat speurdehij al in één vlucht, maar toch, je kon nooit weten, allicht sla-je eens wat over. Hij wou wat vinden, een reden hebben om er tusschenuit te kunnen trekken.Hoe hij zich ook inspande, ’t lezen en nakijken van de advertentiën ging hem maar moeilijk af. De hitte van de nu-sterker-aansnorrende kachel, de strijklucht en ook ’t witte geglemer van ’t goed maakten hem stomp en wee. Zijn oogen werden waterig, alsof ze dreven. Dof en suf in zijn hoofd, liet hij de krant maar glijden, staarde verwezen voor zich uit, zich pijnigend met het zoeken van een leugen om hier weg te kunnen komen. Maar hij kon niets verzinnen. ’t Leek of haar aanwezigheid zijn denkkracht tot onmacht sloeg, of ze hem dwong tot berustend blijven. Zij stond daar, het sjofele stakelijf tegen de rand der tafel geduwd om meer macht te kunnen zetten, en hij wist als-ie maar een woord over uitgaan kikte, zij zich dadelijk zou omkeeren hem de wind van voren geven.Lijdzaam keek hij toe, begluurde hoe ze ’t gewasschen goed rekte, de naden uithaalde, het streek, opnieuw vouwde tot het werden gelijkmatig vierkante vormen, elk stuk stapelend soort bij soort, sloopen bij sloopen, hemden, handdoeken, klein goed en groote stukken, rokken en lakens, naar dezelfde maat.Ze werkte voort. De tafel, waarvan ze de bijbladen had uitgetrokken om meer ruimte te hebben, wiegelde op de wrakke pooten bij al ’t stroef gewerk, schokte mee op de zet en terughaal van haar strijk,—en onder het pootig drukken, omdat de ijzers dadelijk koud werden, knerste de tafella over de looprichels, en dan kraakte het dunne, versleten katoen onder haar grif-tastende vingers, al ging ze nog zoo voorzichtig ermee om. Bij elke krak zuchtte ze zwaar. Hij wist wat dat zeggen wou, vrouwen hangen aan ’t linnengoed, meer als aan haar leven. Zonder dat-ie haar gezicht kon zien wist hij toch hoe zwart-nijdig haar trekken werden als haar vingers ’t verteerde goed aan flarden haalden. Dan viel er met haar niet te mallen!Gedachtenloos aaiden zijn handen de witte poes, die snorde, de rug hoog opzette onder zijn strijkingen, hem telkens kopjes gaf en spinnend tegen zijn beenen stond aan te wrijven. Hij vergat zijn krant te lezen.... raakte weer aan het peinzen.Ze merkte het, liet haar ijzer rusten, zag hem een oogenblik scherp aan, en zei dan schimpend:—Je hebt het ma’r makkelik, dàt mô ’k zegge.... je denkt an niks! Is er de huur al bij mekaar?Baller schouderschokte, knipte van onmacht de oogen. Dat ze nu weer vroeg.... ze wist toch wel, dat-ie niet had.—De huisvent is van morge d’er geweest.... as-ie maandag nie’ krijgt, gaat-ie z’n gang! zei ze opnieuw.Baller bleef zwijgen. Wat moest-ie zeggen?—Hij wil niet wachte, versta-je, schreeuwde ze nu feller. Je zit da’r ma’r of je van Lotje bent getikt.—Maar wat wil-je dan toch mensch? stoof Baller nu op, terwijl zijn oogen vurig werden en zijn klein hoofd zich tot haar oprichtte.—Wat ik wil... wat ik wil? ik wil niks... ik zeg alleen ma’r, dat-ie niet langer wil wachte... is dat soms niet klaar genoch voor meheer... laat dat nog aan duidelikheid te wensche over?Zij zette de handen in de zij, keek hem smalend met een hoonlach aan, herhaalde:—Hij wil niet wachte... geen dag meer!—Zoo? wil-ie niet wachte? nou dan mot-ie ’t ma’r zien van m’n rug te snije! stootte Baller er eindelijk noodgedwongen uit. Al zijn benauwdheid, het zich klein voelen onder haar aanval, viel ineens van hem weg. De enkele borrel, die hij vanavond pakte, gifte in hem op. Hij begreep, dat-ie zich te weer moest stellen, en zich niet alles kon laten gezeggen, want dan ging ze langer hoe verder. Fel, met woedend-gemeene blikken, valschte hij naar haar òp, om haar op die manier wat af te schrikken.Zij liet zich niet daarmee van streek brengen, zei treiterend-zeker:—Hij smijt ons d’eruit, dan stane we op straat.—D’er is nog al veel om op straat te zette, schetterde hij terug.—Veel of niet veel, je legt onder de bloote hemel... en waar vin-je zoo gauw wat anders?—Hij doet ’et niet, wat ik je smoes... hij maakt je maar bang, vergoelijkte Baller weer.—Bang... bang? Het-ie soms geen recht... is ’t nog niet lang genoch... ellef weke?—Ja, zuchtte Baller, weet jij d’er raad op? Ik niet!—Dat is wel makkelik je zóó d’eraf te make!—Weet jij dan ’n middel?—D’er ben je man voor, ellef weke niet betaald, ’t is maar niks... noem je dat soms kattedrek?Baller mompelde een “stik” tusschen zijn tanden, draaide haar de rug toe. Dat wekte eerst recht haar toorn op, ze smeet de ijzers terzij, liep handen-wringend overentweer, jammerde het vertrek vol met haar snerpende klachten.Baller kreeg het te benauwd. Van angst en wrevel sprong hij op, hakkelsnauwde:—Hou toch ’es op... met je herrie... ’t is nog zoo ver niet... wat bliksem is dat?—Zoo ver niet, zóó ver niet? Me dunkt ’êt...! dat ’t ver genoch is! Hoonend bleef ze voor hem staan, zei dreigend, klagend:—M’n god, wat zal er van ons komme!—Kan ’k ’t helpe... mot ik soms gaan stele?Minachtend keek ze hem aan, en die blik zei:daar ben je veel te laf voor. Dan hoonde ze voort:—Zuipe, dàt kan je wel... je stinkt weer naar jenever!Baller werd weer bang.—Zanik niet, ontweek hij. Je hebt altijd wat!—’t Is toch zoo. Denk je dat ik niet ruiken kan.—Een glaasie noem je dàt zuipe?—Hier een glaasie en daar één, zoo gaat het geld weg... alles door ’t keelgat. Ze geve het je niet voor niks, dàt maak je mij niet wijs!—’k Mot toch op werk loope!... hier of daar hoore... ’t komp niet van zellef.—Och wat, uitvluchten van jan kalabas... je vindt geen werk... ik als vrouw draai er ma’r voor op.—’k Kan toch niet bij de pakke blijve zitte, is wel?—’t Zou wat! zei ze minachtend.—Dàn pakte ze het ijzer van ’t kacheltje, vingertipte langs de plaat om de warmte te toetsen, begon weer te strijken. Gelijk keerde zij zich nog eens om, zei dreigend:—Je mot ’t zellef wete, ma’r dàt zeg ik je, as we op straat komme te staan, trek ik ertusschen uit.Ik haal mijn kossie wel!Baller zakte in zijn hoek terug. Al zijn moed verschrompelde en gleed weg; hij voelde zich als geranseld met een zweep. De hitte van ’t gesprek en de duffe, bedwelmende strijkwarmte maakten zijn lippen rimpel-droog en toch durfde hij niets zeggen. Die geschiedenis met de huishuur bleef leelijk. Ze waren wel eens meer achter geweest, maar zooveel als nou nee, elfweken, kwam nog niet voor. Sakkerjen, ’t zou zoo’n wonder niet zijn als het misliep!De poes wipte op zijn knie, zette haar rug hoog op, vleide zich neer, de kop tusschen het lenig vel gravend.Baller liet het beest begaan, keek suf voor zich uit. Konden ze maar een of twee weekjes afdokken, of had-ie teminste werk in ’t zicht, om de huisbaas te paaien, maar geen cent in de mars en niks in ’t verschiet, dat was om de dood niet plezierig. Te verkoopen of naar de lommerd te brengen viel er niet. Wat hier nog stond, die nakende stoelen, de tafel, het kacheltje, dàt hadden ze alles hard noodig. Zijn zondagsche spullen waren nog over, om ze voor een daggie te verzetten, maar als het daartoe kwam kon-ie niet meer in ’t licht verschijnen. Zijn vrouw had ook niet te veel, geen fatsoenlijk stuk aan d’er lijf! Wel waren ze afgezakt, zaten totaal vast, de eenige uitkomst werk te krijgen, maar hoe en waar...Moedeloos nam hij de krant weer op, doorzocht de heele lijst van kleineadvertentiën, al wist-ie dat er niets voor hem instond. Hij wou wat vinden, om uit de kamerbenauwdheid weg te kunnen. Met zijn nagel krabde hij hier en daar wat aan, doch hij dorst er nog niet mee voor de dag te komen. Dan vroeg hij om te polsen of haar stemming beterde:—Heb je niks te drinke? heb je al koffie?—Ja strakkies... as ik klaar ben ga ik koffie zette!’t Was nog niet in orde, dat merkte hij best. Daarom vroeg hij, terwijl hij meteen bereidwillig opstond:—Wil ’k soms wat op de kachel gooie?—Welzeker, ’t kan niet op! Ze zei het bits, zonder op te kijken.Baller vroeg niet meer, ging weer zitten, tuurde in zijn krant, stootte nu en dan een “ha” eruit, alsof hij iets van belang vond, las hard op een advertentie, die hij maar verzon.Nu hoorde hij weer de avondventers, en hun schorre, schrille geluiden, die naar de derde verdieping òprelden, leken hem sarrende kreten, fel treiterend omdat hij hier als zat vastgebonden. De dorst werd al erger, schroefde hem de keel toe, en toch opstappen durfde hij niet. ’t Was zijn eigen bedrijf, zijn eigen schuld dat-ie zoo in de klem raakte. Hij moest vroeger beter op zijn boeltje hebben gepast, maar o, de kolder stak hem in de kop, hij voelde zich te hoog, te veel meneer om aan te pakken, schaamde zich om met de stijfselpan te loopen, nou ja, hij was ook een bazenzoontje! Zijn vader waarschuwde hem tijdig toen hij met haar begon en zijn moeder drong altijd aan, dat-ie een vrouw met geld zou zoeken, maar hij luisterde er niet naar. Nou zag-ie eerst zijn stommiteit. Een vrouw enkel om haar mooi gezichie nemen was de grootste ezelstreek, die een man kon uithalen. Een mooi gezichie? Godbetert als-ie haar nou aankeek, een uitgeholde raap op een strijkplank leek ze! Ze was wel veranderd.Nijdig blikte hij naar haar, nam haar eens nauwkeurig op. Het vale, dor-blonde haar lag slordig om ’t doorzorg en ellende verwaarloosd bleek gezicht, waaruit de jukbeenderen grof staken, terzij van de vastgenepen mond groefden zich harde trekken en haar neus spitste scherp, als de ram van een schip, heel haar wezen een brok harde narigheid.—Behalve een slap uitzet bracht ze niks mee, geen rooie cent, en eenmaal getrouwd, kreeg ze evenveel bereddering als de fijnste madam. Hoe anders zou ’t zijn geloopen indien hij er eentje met de noodige grijpstuivers had gezocht; in zijn tijd kon-ie er genoeg krijgen, hij had z’n vingers maar even hoeven uit te steken; de meisjes met centen waren er toch om te worden gevraagd. Maar hij liet zich door haar aardig bekkie inpalmen, en nou moest-ie de gevolgen dragen, daaraan viel niet te veranderen. En ’t ergste nog: ze wou niet begrijpen dat ze verschillend waren; ze schold en schimpte, nam niet in aanmerking, dat zijn handen voor ’t werken verkeerd stonden.Maar ondanks haar venijnigheid deed ze haar best, veel meer dan hij zelf, al werd ze dan ook voor ’t werken opgebracht, terwijl hij nooit wat leerde in z’n jonge jaren, zelfs geen vinger behoefde uit te steken.Het ongeluk vervolgde hem wel, van alle kanten. Dadelijk na het trouwen al ’t faljiet van Tobiassen, voor wie hij twaalf nieuwe huizen plakte en waarvan hij geen dubbeltje kreeg. Toen die mijnheer Diemert, aan wie hij zooveel te kort kwam, ’t liefst maar drie duizend gulden aan kleeden. Dan dàt keertje brand, te laag geassureerd, zoodat ze hem een schijntje uitkeerden. Zes kinderen geboren en gestorven, komenen gaan kost geld, ’t kwam allemaal bij mekaar, tot-ie voor ’t fatsoen van de familie de winkel likwideerde en op bonnefooi naar Amsterdam trok. Dàt had-ie nooit moeten doen. In een kleine stad kun je ’t mager hebben en vol zorgen zitten, maar je komt er door. Hier, in Groot-mokum, geeft geen mensch om je. En natuurlijk, daar ginds waren ze blij, dat ze hem kwijt raakten; nu keken ze niet naar hem om, lieten hem aan zijn lot over. Zijn bloedeigen broer scheepte hem af met tien gulden, en op al zijn brandbrieven kreeg hij nou zelfs geen boe of ba. Dat hadden ze hem niet kunnen leveren als-ie daar was gebleven. Waarom was hij toch gegaan? Wel, omdat je in je eigen plaats je zoo moeielijk kunt verminderen, er nooit weer boven-op werken, maar een stommiteit bleef het toch. Van God en alle menschen zat hij hier verlaten! Zijn heele leven eigenlijk een enkele misgreep. In plaats hem zijn vak deugdelijk te laten leeren, stuurde zijn vader hem in de winkel om te verkoopen. Wat wist-ie nou van ’t werken af, van gordijnen en drapeeringen? Niks. Als hij zijn handen kon roeren, hoefde-ie nou niet op schobberdebonk te loopen en revolutiewerk voor ’n krats te maken, had-ie allicht een vaste plaats als meesterknecht gevonden. Maar wie dacht daar in zijn jeugd bij hem thuis aan? Hij was bazenzoontje, mocht dus de kantjes afslijpen. Nou zag hij eerst de gevolgen en z’n vrouw begreep maar niet, dat hij daarover zat te piekeren!Tusschen deze overpeinzingen door namen zijn oorenop de zaterdagavonddrukte, zagen weer zijn oogen haar stuursch gezicht, voelde hij ook de dorst in zijn keel branden. Hij moest eruit. Als hij hier bleef hangen kreeg hij vast geen werk; een loopende hond valt allicht wat in de mond was toch het spreekwoord. Maar ze zou hem niet laten gaan. Hoe dat aan te leggen? Een paar keer dacht hij, dat zijn vrouw zelf zou beginnen. Ze opende half de mond, dan kneep ze de lippen weer toe, zonder eenig geluid te geven. ’t Gaf zeker dolle ruzie indien hij ermee aankwam. En toch ’t moest, als hij langer wachtte, ging ’t heelemaal niet meer. Diep ineengedrongen, de magere handen onder ’t vlokkig-behaarde hoofd, zat hij te overleggen. De straatgeluiden scherpten hem al meer op, brachten hem tot opwinding. Elk oogenblik verwachtte hij, dat zijn vrouw zich zou omkeeren, hem een standje schoppen door geld te vragen voor de inkoopen. Dan zou hij de gelegenheid gebruiken om de spat te zetten. Ja, dat zou-ie doen! Maar zij zei niets, streek en vouwde onafgebroken door, zonder ’t hoofd op te heffen. Hij moest nu wel zelf beginnen, anders werd het te laat. Daar bleef niet anders over.De poes tilde hij van zijn knie, zette haar op de grond, de poes die gestoord in haar makkelijk liggen, nu de rug hoog-op kromde, tegen zijn beenen bleef spinnen. Meteen richtte hij zich al geeuwend op, rekte zich uit en zijn smal, klein gezicht in een plooi trekkend alsof hij ’t zelf lam vond, smeet hij onverschilligjes d’eruit:—Ik zal d’er verdorie nog op uit motte!Die woorden vielen als een enkele plof in de kamer.Dadelijk liet ze ’t strijkijzer rusten, keerde zich om, keek hem scherp aan, vroeg:—Wat zei-je?—Dat ’k nog effe d’eruit zal motte...—Je zal ’t wel uit je herses late!—Ze hebbe d’r iemand noodig... op de Haarlemmerdijk... bij van Wieren!—Zoo-o!—’t Staat d’ar in de krant.—Wèl toevallig!—Lees het dan zellef!Ze grinnikte van nijd, keerde zich verachtend om, duwde haar strakke rug langs hem heen, streek opnieuw voort, schimpte dan weer:—Op Zaterdagavond? Nee man... ik ken die foefies... geen denken an!—Foefies?... wat foefies?—Daar hei je zeker twee uur voor noodig, om die affertensie op te scharrele... of ik dat niet ken... van zes uur zit-d-ie d’er al... hà, hà, hà, treiterlachte ze.—Ik zie ’t net... da’s te zegge... ik zag ’t wel eerder. Niet veel bizonders... je zoekt en je zoekt honderd uit.—In elk geval, ’t is nou te laat. Ga morgen!—Dan is ’t zondag! kan ik toch niet gaan!Ze zweeg, door zijn antwoord vastgezet, doch ze wou geen kamp geven, omdat ze z’n streken te goed kende.Strak stond de stilte tusschen beiden in, fel vijandig. Dan zei ze scherp:—As-je morge in de vroegte gaat, ben je frisch.—Och mensch, lâ na’r je kijke... ze zulle me zien ankomme, op zondag!—Ma’r ’t is nou nacht.—Nacht, nacht? wat jij nacht noemt, pas half nege!—Nee, ’t is zeker vroeg, gotallemachtig...!—Dàt niet, ma’r... as je het nou niet eerder ziet. Wat verlet ik ermee? Niks... hebbe we ’t zoo goed... kunne we wachte! is m’n gang soms ’n doktersgang?Zij haalde de schouders minachtend op, streek door, hoorde het aan zonder hem verder te antwoorden hoe hij in een stortvloed van hakkelende, stotterende woorden, woorden zonder zin, die zich herhaalden, waarmee hij zich telkens weersprak, aanhield, zeggend, dat hij most, dat al gaf ’t niks, hij ’t niet mocht laten ontglippen!Zij zweeg, streek door; en aan haar harde rug zag hij best hoe ze er over dacht. ’t Prikkelde zijn verzet op. Hij moest nou doorhakken, anders kwam ’t er niet van. Met een schonkig gebaar schoof hij naar de kast, om zijn jas te pakken. Maar ze was vlugger dan hij, stond oogdreigend voor hem:—Je gaat niet, ik zèg je, je gaat níét!Hij liet zijn jas los, die op de stoel gleed, schreeuwde dan ineens gedurfd:—Zoo en waarom niet... ben jij soms de baas?, denk jij me te drille?—Ik zweer je, as je gaat, gaan ik ook! Wie je terugziet, maar mijn niet, versta-je!!—Wel-wel, wàt je meent, treiterde hij weerom, nog zoo slecht niet bedacht, denk je me daarmee te pesten, dan heb-je ’t mis, glad mis! De deur staat wagewijd voor je ope, as je soms weg wilt, vergis je toch niet.—Natuurlik, jij geeft er niet om, maar ik zweer je, dat ik ’t doe.... as je ’t hart hebt om uit te gaan zie je mij niet werom!In driftige hijgadem raffelde ze door, smeet in woede de woorden hem om de ooren. Hij, in zijn kleinheid strakstijf met norsch, zwart gezicht van onwilligheid, sprak geen woord. En dat maakte haar razend. Ze smeekte, bad om te blijven, dreigde dan weer, verweet hem zijn luieren, zijn zuipen, zijn slecht behandelen, en huilsmeekte vannieuws.Maar hij wou doorzetten, hield zich ongevoelig, zooveel voor ’t een als voor ’t ander. Brutaal snerpte hij:—’t is hier geen kwestie van goed of slecht behandele, het is kwestie om werk te krijge, èn of ’t nou half nege of half tien is, dat duvelt niks.... as je zonder zit, kan-je hier niet blijve hokke.... ’t werk komp niet van zelf.... heb je ooit van je leve.... nou wat zeg je me daarvan?Zoo bar mogelijk zei hij het, op ieder woord drukkend, om haar te overbluffen. Maar hoe nijdig hij zich ook hield, ze verzette geen voet, ze gaf niet toe. Hij wist, dat ze hem doorzag, voelde zich half geneigd toch weer de minste te wezen. Wat vroegen ze opde Haarlemmerdijk eigenlijk? Een aankomende bediende in een kruidenierswinkel, een halfwas, voor een vette drie gulden per week misschien.Nu begon ze opnieuw te kijven en te smalen, haar handen melodramatisch samenwringend.—Blijf nou thuis, dreig-smeekte ze. Late we overlegge hoe dat an moet met de huur.... late we zien ’n andere woning te krijge.Hij schokte de schouders, onwilligde terug:—Daar hebbe we morge alle tijd voor, nou kan ik nog probeere voor werrek, zal ook ’es naar Bouwlust gaan.Vlijm-scherp zag ze zijn doel: het café waar de bouwers samenkwamen en ze wist al vooruit waarop dat ging uitdraaien; ’t werd natuurlijk weer zwetsen en drinken! Om hem van dit plan af te houden werd ze toeschietelijker, vroeg ze bijna gedienstig:—Wil ik koffie zette?Baller weifelde.De gillen en kreten der zaterdagavondventers rilden in zijn ooren, dansten er rond, lokten hem naar die drukte,—en toch, hij durfde niet best, bang voor haar groote mond. D’er zou wat zwaaien! Maar, als-ie nou niet doorzette, kreeg-ie de heele avond geen kans meer, zat-ie bakker-an. Het zichzelf opgesloten zien zitten en dan niet weg te kunnen doemde ineens voor hem op. Zijn dorstige keel schroeide saam bij de gedachte geen jenever te krijgen, en de koffie, waarnaar hij straks zelfs vroeg, proef-smaktein gedachten nu op zijn tong bitterdrabbig. Hu, net cichoreiwater! Een benauwing sloeg in hem op, doorgloeide zijn keel, steeg naar zijn klein, verweerd, zwartbaardig hoofd, dat hij opgeblazen-heet voelde worden, terwijl een koude kriebel langs zijn rug kroop.—Nee, stootte hij uit, nee, voor mij hoef-je niet te zette... ik mot toch d’erop uit.... voor die advertentie.Zij schokte uit haar gebogen houding op, liet het dekselplaatje van de kachel dat ze oplichtte voor de waterketel, met een klaterende rinkel terugvallen, keek hem star-stijf aan, ermee zeggend: dat gaat zóó niet mannetje!—Ja zeker, weerbarstigde Baller. Ik mot ook zien Peters te treffe!—Peters? smaalde ze, in haar heftigheid geen woorden vindend om op hem los te branden.—Ja zeker Peters! bevestigde hij. Die hêt-me beloofd as de verdiepinge zoo ver benne...—Wat verdiepinge... ’t vriest toch veel te hard om te kunne plakke... ja, maak mijn dat wijs!!—Zoo?—’t Werk ligt stil, dat hè-je toch zellef gezeid.—In elk geval, driftigde Baller nu, in elk geval ’k mot eruit. Denk je soms, dat ze ’t op de trap komme legge?—Zie je wel.... zie je wel.... Hij wil d’eruit.... hij wil d’eruit... naar de kroeg! Heb ’k ’t nietgedacht... wist ik ’t niet... geen cent thuis en toch zuipe!!Op die smalende woorden schoot Baller ineens op, vinnig-fel, alsof-ie haar te lijf wou. Haar vellig-magere handen klauwden zich tot verweer, de deur moest ze afsluiten, zoodat-ie niet wegkon. Maar ze was bang, dat-ie haar dan van achteren zou aanpakken, dat leverde-ie meer! Haar vingers kromden zich om te nijpen en te krabben.Baller zag haar steelsche blik naar de deur en kreeg een inval. Ja, dat kon! Met kattige drift van kleine man, die niet op kan tegen zijn grootere vrouw, stormde hij op haar toe, vooruitstootend zijn eene arm, alsof hij haar te lijf ging. Maar in plaats van dat te doen, greep hij in snelle vaart naar jas, naar hoed, rukte de deur open,—en voor ze nog eraan dacht, was hij al buiten, op ’t portaal, holde de trap af, de kamerdeur met dreunend geweld vlak voor haar gezicht toeslaand.Zij riep nog: Jan! Jan!Hij holde door, was de onderste trap al af, buiten haar bereik. Ze stond verbluft, sprakeloos van machtelooze woede.
AFGEZAKT.I.Stil stond de kamer.Een vijandige stemming hing er dik en maakte alles grauw.Baller, klein zwart mannetje, om ’t geel en tanig gezichtsvel een verwaarloosd, vlokkig baardkransje, de oogen verzwakt, de knokig-harde handen in stugge stutting onder het landerige, kleine hoofd, blikte sufferig en moe rond.Ingehouden nijdigjes bestaarde hij zijn vrouw, die zonder eenige notitie van hem te nemen, haar gewone werk afdeed van alle zaterdagavonden. Buiten schreeuwden en relden al de venters. Hun schor-schrille, doordringende geluiden snerpten fel uit boven het gegons en gegrom, boven het ratelend kargerol der straat, verweekten of krompen in, warrelden en woelden ermee samen soms, sloegen dan weer fel ôp en werden één enkele stormende vlaging die opklomtegen de hooge huizen, voortrakkelde langs de hoorige ruiten. De aanprijzingen wisselden elkaar gestadig af, volgden elkaar op, klauwden ineen en spatterden weg tot in de dwarsstraten, om opnieuw weer aan te vlagen, overjagend heel de wijk met drukte en geweld. De verkoopkreten en gillen werden al snerpender, laaiden wilder uit, joelden al hooger op, drongen tot twee, drie hoog, bereikten zelfs de achtervertrekken.Baller in zijn kleine spitsigheid nam willig op al dat straatgewoel. ’t Vroor zeker hard, want hij hoorde bar al dat geschreeuw. ’t Leek wel of al ’t gewoel, het gemonkel en gesjacher, het bieden en opdringen rond de wagens, de zwaaiende armen van de straatventers, of de plakkerdrukte der winkels hier vlak naast hem stond, of ’t bij hem op de kamer zelf gebeurde en hij zich midden op straat bevond, zoo hoorde en zag hij alles duidelijk. O, hij begreep het, ’t kwam door dat vriesweer, dat alles zoo opklonk. En datzelfde vriesweer hield hem ook zonder werk. Hoewel als de wind draaide ’t best zou kunnen gaan dooien!Heel de morgen en heel de middag had hij thuisgezeten, hij verlangde weg te komen, wist toch niet hoe dat aan te leggen, want als je niks aanbrengt heb je ook weinig in te brengen, dit stond zoo vast als een huis. In elkaar gekrompen begluurde hij vaag de bewegingen van zijn vrouw, die niet vriendelijk gehumeurd van ’t eene eind der kamer naar ’t anderesjokte. Haar mager, uitgezakt lichaam stootte ze in moeielijke dracht door ’t klein vertrek, dat schraal verlicht, aan kant gemaakt en toch overhoop lag door haar gewerk. Op alle stoelen stapelde zich het wit en bont waschgoed en naast de tafel lag een mand vol, dat nog door haar vingers moest, ’t zou zeker in ’t eerste uur niet gedaan zijn!Vrouw Baller streek nu op de tafel aan, overspande die met een ouwe, wollen deken en begon zonder nadere uitleg aan haar wasch. Met haar harde werkvingers rekte ze het goed, griste de zoompjes eruit, streek het dan met de vlakke hand zoowat glad, vouwde en rolde het saam, om te laten mangelen. IJverig werkte ze door, nu en dan opkijkend naar de kachel of die wel goed brandde, anders werd haar ijzer niet warm en ze moest strijken.Van buiten sloegen weer op de schrille galmstemmen. Kreten van haring, volle haring... puike aerpels... mooie kool, fijne vaste kool, zoo hard als ’n bikkel om ’n gat mee in de kop te gooie en andijvie, lekkere malsche andijvie, ze schalden in ruwe roering dooreen, relden en jelden dan weer ieder afzonderlijk uit, heel klaar en duidelijk.Baller zuchtte. Hij merkte het best, die zaterdagavonddrukte maakte z’n wijf tureluurs evenals hem zelf. Zaterdagavond en geen geld, goed om ’n vrouw helsch te maken. Had ze al ingekocht voor morgen, natuurlijk dan van haar eigen zuur verdiende geld? Hij wist het niet en durfde ’t ook niet vragen, verdieptezich weer in zijn krant, die hij daarstraks zelf aan de kiosk haalde. Hij had zich toen ook een borrel gekocht... als ze nou maar niet te dicht onder zijn adem kwam, dan rook ze ’t en dan werd het bepaald ruzie, ze kon de drank niet uitstaan. Zeker, ’t zaakje hing niet in de haak, dat hij zoo nu en dan er eentje stiekem pakte. De verdiensten kwamen van haar, ze hield de boel bijeen, maar hij kon er niet buiten, zonder een opkikkertje zakte hij heelemaal in elkaar. Eén enkele borrel, die hield hem op de been, anders ging alle moed d’eruit. Totnutoe bezat-ie nog ’n snabbeltje apart, kon-ie wat achterbaks houden, nou raakte dat gedaan, ’t was op en nou moest-ie afwachten dat zij hem iets gaf. Dat vond-ie wel erg. Kon-ie in ’s hemelsnaam iets vinden al was ’t als loopknecht, maar och niks stond er weer in de krant.Moedeloos pakte hij het vettig-bedrukte, dun-klaterend dagblad op en neusde alle advertentiën door. Maar daar schoof ze met haar lang, houterig lichaam voor hem heen, zoodat hij geen lettertje kon zien; zijn oogen staarden blind tegen haar strak-harde rug als tegen een muur. Dat maakte hem nog kribbiger. Gewoon niet om te doen, meende hij. Z’n plaatsje zocht hij juist hier tusschen het raam en ’t zeskante potkacheltje om uit de verdrukking te wezen en haar niet in de weg te zitten. ’t Was er ook warm en niet te ver van de lamp die als altijd slecht brandde. En telkens, alsof zij ’t erom deed, dwarrelde ze voorzijn oogen als ze de strijkbout tegen de kachel ging zetten, waarvoor ze niet wou omloopen. Dan moest-ie grommen en brommen, al hield hij zich nog zoo in omdat klagen toch niet hielp. Daar, dáár had je ’t weer. Diep zuchtte hij ervan.Ze hoorde nu zijn gezucht. Smalend zei ze:—Ga dan uit de weg, je ziet da’k mot strijke...plaa’sgenoch...—Nee, d’er is geen plaa’s... ’t lig’ overal vol!—Zoo, wat je zegt!Ze keek eens rond, zonder op te houden, onder ’t werken door, en snerpte opnieuw:—Da’r gin’s staat toch ’n stoel...—Kun-jij da’r soms zien... in stikka donker, nou ik niet. ’k Zie hier best, as jij me ma’r niet in ’t licht staat te draaie!—’k Kan er niks an doen, bitste ze voort, ’k ploeter me uit de naad voor ’n paar cente, ma’r me eige boel kan nie blijve legge!Baller zei niets terug, zweeg in hopeloos dof staren, terwijl ze voortging met voor hem heen te schuiven. Zeker, ze had gelijk, haar eigen wasch moest ook worden gedaan. Als zij uit werken ging, als ze de gansche dag voor ’n ander streek, was het al mooi, dat ze het zaterdagsavonds nog voor haar zelf wou doen, dàt gaf-ie grif toe. Alléén, waarom wou ze niet aan d’andere kant staan, waarom kwam ze hem telkens voor de oogen dweilen? Ze kon ’t niet hebben, dat hij hier lekker in ’t hoekje zat en zij nogvoortmoest. Enkel pesten, judassen van haar, anders niet, èn hij moest het maar verdragen. Zeker, ’t bleef godgeklaagd, dat zij zich als vrouwmoest afbeulen en hijzelf geen sners verdiende, maar was het zijn schuld, wilde-ie soms niet werken? Al over de vier maanden zat-ie zonder, van de week nog al nieuwjaar geweest, geen cent in huis, tot over de ooren in de schuld, met recht een prettig vooruitzicht! Waar moest dat naartoe, ’t werd in de behangerij met de dag slapper, en als ’t nou bleef vriezen kwam er ook geen schot, moest-ie heelemaal van haar afhangen. ’t Was om met je kop tegen de muur te loopen, wist-ie maar wat anders op te denken dan in dat lamme behangerswerk, daarvoor zocht-ie toch juist in de krant.Baller probeerde zijn oogen te verscherpen en de kleine, kriewelige lettertjes te ontcijferen, maar nu schoof ze weer om hem heen en het uitgevouwen blad kronkende en ontglipte aan zijn hand. Grissend greep hij naar ’t papier, maar haar zwaaiende rok sloeg het al neer en nu lag het op de grond als een vod; ze liep er bijna overheen. Hij meende ruw uittevallen, bedwong zich toch, wetend dat zij niet op haar mondje gevallen, hem niet minder van woord zou dienen, en hij wilde graag goede vrienden blijven, omdat hij straks nog ’s er op uit dacht te trekken.Moedwillig bleef ze voor hem langs draaien en vol ergernis keek hij tegen haar star-bewegende rug. Enkel zag hij het fletsig haar, dat boven haar stakelijf uitvaalde.—Verdikkeme, verdikkeme! mompelde hij en zweeg dan weer.Maar zij had zijn gemopper best gehoord, en dat prikkelde haar. Zonder zich om te keeren snauwde ze kortaf:—Kijk ma’r ’es liever na’r de kachel.... dan doe je teminste wat voor de kost...Zonder een verder woord van tegenspraak stond Baller op, pookte van onder in ’t rooster, stootte de kacheldeur open. Een rosse flakkergloed laaide uit, begloeide de grond. Drie, vier scheppen kokes smeet hij op ’t vuur, dat knetterde en sintelde, en opnieuw stompte hij de schepper in de bak, om nog een smijt toe te geven, toen zijn vrouw zich driftig omkeerde, schor-schreeuwend:—Welzeker... welzeker, waarom niet... kan ’t niet op... kost de brand soms geen geld... ’t is ’t laa’st wâ we hebbe...Voor een oogenblik stond Baller paf. Dan kwakte hij de gevulde schepper in de bak terug, gromde:—Dàt had je wel eerder kunne zegge!—Nou nog snauwe d’erbij... geen cent inbrenge en allemanspraat!Baller zweeg maar weer. Ze was al in een heele slechte bui en dan viel niet met haar te mallen. Nog een gesmoorde grom en hij duwde de kacheldeur toe, rekte zich eens uit. Zijn afbeelding schaduwde gedrochtelijk op ’t vaag-witte gordijn. Even keek hij er na, liet zich dan op zijn stoel terugzakken,greep botweg de krant, om die verder door te lezen. Maar bij de lichtzwakke lamp wiebelend in de warmte van ’t vertrek en door de bewegingen van ’t strijken, in dat vlekschuivend licht, waarbij zijn vrouw nog telkens voor hem heenschoof, zagen zijn schemerende oogen maar moeielijk de kleine, vettig-gedrukte lettertjes op ’t dun flodderpapier. Zijn blikken reikten niet veel verder dan tot de aankondiging: Vraag en aanbod. Te vergeefs dwong hij zijn afgeleefde oogen om die door elkaar krioelende regeltjes nauwgezet te verkennen. Veel zaaks stond er niet, dat speurdehij al in één vlucht, maar toch, je kon nooit weten, allicht sla-je eens wat over. Hij wou wat vinden, een reden hebben om er tusschenuit te kunnen trekken.Hoe hij zich ook inspande, ’t lezen en nakijken van de advertentiën ging hem maar moeilijk af. De hitte van de nu-sterker-aansnorrende kachel, de strijklucht en ook ’t witte geglemer van ’t goed maakten hem stomp en wee. Zijn oogen werden waterig, alsof ze dreven. Dof en suf in zijn hoofd, liet hij de krant maar glijden, staarde verwezen voor zich uit, zich pijnigend met het zoeken van een leugen om hier weg te kunnen komen. Maar hij kon niets verzinnen. ’t Leek of haar aanwezigheid zijn denkkracht tot onmacht sloeg, of ze hem dwong tot berustend blijven. Zij stond daar, het sjofele stakelijf tegen de rand der tafel geduwd om meer macht te kunnen zetten, en hij wist als-ie maar een woord over uitgaan kikte, zij zich dadelijk zou omkeeren hem de wind van voren geven.Lijdzaam keek hij toe, begluurde hoe ze ’t gewasschen goed rekte, de naden uithaalde, het streek, opnieuw vouwde tot het werden gelijkmatig vierkante vormen, elk stuk stapelend soort bij soort, sloopen bij sloopen, hemden, handdoeken, klein goed en groote stukken, rokken en lakens, naar dezelfde maat.Ze werkte voort. De tafel, waarvan ze de bijbladen had uitgetrokken om meer ruimte te hebben, wiegelde op de wrakke pooten bij al ’t stroef gewerk, schokte mee op de zet en terughaal van haar strijk,—en onder het pootig drukken, omdat de ijzers dadelijk koud werden, knerste de tafella over de looprichels, en dan kraakte het dunne, versleten katoen onder haar grif-tastende vingers, al ging ze nog zoo voorzichtig ermee om. Bij elke krak zuchtte ze zwaar. Hij wist wat dat zeggen wou, vrouwen hangen aan ’t linnengoed, meer als aan haar leven. Zonder dat-ie haar gezicht kon zien wist hij toch hoe zwart-nijdig haar trekken werden als haar vingers ’t verteerde goed aan flarden haalden. Dan viel er met haar niet te mallen!Gedachtenloos aaiden zijn handen de witte poes, die snorde, de rug hoog opzette onder zijn strijkingen, hem telkens kopjes gaf en spinnend tegen zijn beenen stond aan te wrijven. Hij vergat zijn krant te lezen.... raakte weer aan het peinzen.Ze merkte het, liet haar ijzer rusten, zag hem een oogenblik scherp aan, en zei dan schimpend:—Je hebt het ma’r makkelik, dàt mô ’k zegge.... je denkt an niks! Is er de huur al bij mekaar?Baller schouderschokte, knipte van onmacht de oogen. Dat ze nu weer vroeg.... ze wist toch wel, dat-ie niet had.—De huisvent is van morge d’er geweest.... as-ie maandag nie’ krijgt, gaat-ie z’n gang! zei ze opnieuw.Baller bleef zwijgen. Wat moest-ie zeggen?—Hij wil niet wachte, versta-je, schreeuwde ze nu feller. Je zit da’r ma’r of je van Lotje bent getikt.—Maar wat wil-je dan toch mensch? stoof Baller nu op, terwijl zijn oogen vurig werden en zijn klein hoofd zich tot haar oprichtte.—Wat ik wil... wat ik wil? ik wil niks... ik zeg alleen ma’r, dat-ie niet langer wil wachte... is dat soms niet klaar genoch voor meheer... laat dat nog aan duidelikheid te wensche over?Zij zette de handen in de zij, keek hem smalend met een hoonlach aan, herhaalde:—Hij wil niet wachte... geen dag meer!—Zoo? wil-ie niet wachte? nou dan mot-ie ’t ma’r zien van m’n rug te snije! stootte Baller er eindelijk noodgedwongen uit. Al zijn benauwdheid, het zich klein voelen onder haar aanval, viel ineens van hem weg. De enkele borrel, die hij vanavond pakte, gifte in hem op. Hij begreep, dat-ie zich te weer moest stellen, en zich niet alles kon laten gezeggen, want dan ging ze langer hoe verder. Fel, met woedend-gemeene blikken, valschte hij naar haar òp, om haar op die manier wat af te schrikken.Zij liet zich niet daarmee van streek brengen, zei treiterend-zeker:—Hij smijt ons d’eruit, dan stane we op straat.—D’er is nog al veel om op straat te zette, schetterde hij terug.—Veel of niet veel, je legt onder de bloote hemel... en waar vin-je zoo gauw wat anders?—Hij doet ’et niet, wat ik je smoes... hij maakt je maar bang, vergoelijkte Baller weer.—Bang... bang? Het-ie soms geen recht... is ’t nog niet lang genoch... ellef weke?—Ja, zuchtte Baller, weet jij d’er raad op? Ik niet!—Dat is wel makkelik je zóó d’eraf te make!—Weet jij dan ’n middel?—D’er ben je man voor, ellef weke niet betaald, ’t is maar niks... noem je dat soms kattedrek?Baller mompelde een “stik” tusschen zijn tanden, draaide haar de rug toe. Dat wekte eerst recht haar toorn op, ze smeet de ijzers terzij, liep handen-wringend overentweer, jammerde het vertrek vol met haar snerpende klachten.Baller kreeg het te benauwd. Van angst en wrevel sprong hij op, hakkelsnauwde:—Hou toch ’es op... met je herrie... ’t is nog zoo ver niet... wat bliksem is dat?—Zoo ver niet, zóó ver niet? Me dunkt ’êt...! dat ’t ver genoch is! Hoonend bleef ze voor hem staan, zei dreigend, klagend:—M’n god, wat zal er van ons komme!—Kan ’k ’t helpe... mot ik soms gaan stele?Minachtend keek ze hem aan, en die blik zei:daar ben je veel te laf voor. Dan hoonde ze voort:—Zuipe, dàt kan je wel... je stinkt weer naar jenever!Baller werd weer bang.—Zanik niet, ontweek hij. Je hebt altijd wat!—’t Is toch zoo. Denk je dat ik niet ruiken kan.—Een glaasie noem je dàt zuipe?—Hier een glaasie en daar één, zoo gaat het geld weg... alles door ’t keelgat. Ze geve het je niet voor niks, dàt maak je mij niet wijs!—’k Mot toch op werk loope!... hier of daar hoore... ’t komp niet van zellef.—Och wat, uitvluchten van jan kalabas... je vindt geen werk... ik als vrouw draai er ma’r voor op.—’k Kan toch niet bij de pakke blijve zitte, is wel?—’t Zou wat! zei ze minachtend.—Dàn pakte ze het ijzer van ’t kacheltje, vingertipte langs de plaat om de warmte te toetsen, begon weer te strijken. Gelijk keerde zij zich nog eens om, zei dreigend:—Je mot ’t zellef wete, ma’r dàt zeg ik je, as we op straat komme te staan, trek ik ertusschen uit.Ik haal mijn kossie wel!Baller zakte in zijn hoek terug. Al zijn moed verschrompelde en gleed weg; hij voelde zich als geranseld met een zweep. De hitte van ’t gesprek en de duffe, bedwelmende strijkwarmte maakten zijn lippen rimpel-droog en toch durfde hij niets zeggen. Die geschiedenis met de huishuur bleef leelijk. Ze waren wel eens meer achter geweest, maar zooveel als nou nee, elfweken, kwam nog niet voor. Sakkerjen, ’t zou zoo’n wonder niet zijn als het misliep!De poes wipte op zijn knie, zette haar rug hoog op, vleide zich neer, de kop tusschen het lenig vel gravend.Baller liet het beest begaan, keek suf voor zich uit. Konden ze maar een of twee weekjes afdokken, of had-ie teminste werk in ’t zicht, om de huisbaas te paaien, maar geen cent in de mars en niks in ’t verschiet, dat was om de dood niet plezierig. Te verkoopen of naar de lommerd te brengen viel er niet. Wat hier nog stond, die nakende stoelen, de tafel, het kacheltje, dàt hadden ze alles hard noodig. Zijn zondagsche spullen waren nog over, om ze voor een daggie te verzetten, maar als het daartoe kwam kon-ie niet meer in ’t licht verschijnen. Zijn vrouw had ook niet te veel, geen fatsoenlijk stuk aan d’er lijf! Wel waren ze afgezakt, zaten totaal vast, de eenige uitkomst werk te krijgen, maar hoe en waar...Moedeloos nam hij de krant weer op, doorzocht de heele lijst van kleineadvertentiën, al wist-ie dat er niets voor hem instond. Hij wou wat vinden, om uit de kamerbenauwdheid weg te kunnen. Met zijn nagel krabde hij hier en daar wat aan, doch hij dorst er nog niet mee voor de dag te komen. Dan vroeg hij om te polsen of haar stemming beterde:—Heb je niks te drinke? heb je al koffie?—Ja strakkies... as ik klaar ben ga ik koffie zette!’t Was nog niet in orde, dat merkte hij best. Daarom vroeg hij, terwijl hij meteen bereidwillig opstond:—Wil ’k soms wat op de kachel gooie?—Welzeker, ’t kan niet op! Ze zei het bits, zonder op te kijken.Baller vroeg niet meer, ging weer zitten, tuurde in zijn krant, stootte nu en dan een “ha” eruit, alsof hij iets van belang vond, las hard op een advertentie, die hij maar verzon.Nu hoorde hij weer de avondventers, en hun schorre, schrille geluiden, die naar de derde verdieping òprelden, leken hem sarrende kreten, fel treiterend omdat hij hier als zat vastgebonden. De dorst werd al erger, schroefde hem de keel toe, en toch opstappen durfde hij niet. ’t Was zijn eigen bedrijf, zijn eigen schuld dat-ie zoo in de klem raakte. Hij moest vroeger beter op zijn boeltje hebben gepast, maar o, de kolder stak hem in de kop, hij voelde zich te hoog, te veel meneer om aan te pakken, schaamde zich om met de stijfselpan te loopen, nou ja, hij was ook een bazenzoontje! Zijn vader waarschuwde hem tijdig toen hij met haar begon en zijn moeder drong altijd aan, dat-ie een vrouw met geld zou zoeken, maar hij luisterde er niet naar. Nou zag-ie eerst zijn stommiteit. Een vrouw enkel om haar mooi gezichie nemen was de grootste ezelstreek, die een man kon uithalen. Een mooi gezichie? Godbetert als-ie haar nou aankeek, een uitgeholde raap op een strijkplank leek ze! Ze was wel veranderd.Nijdig blikte hij naar haar, nam haar eens nauwkeurig op. Het vale, dor-blonde haar lag slordig om ’t doorzorg en ellende verwaarloosd bleek gezicht, waaruit de jukbeenderen grof staken, terzij van de vastgenepen mond groefden zich harde trekken en haar neus spitste scherp, als de ram van een schip, heel haar wezen een brok harde narigheid.—Behalve een slap uitzet bracht ze niks mee, geen rooie cent, en eenmaal getrouwd, kreeg ze evenveel bereddering als de fijnste madam. Hoe anders zou ’t zijn geloopen indien hij er eentje met de noodige grijpstuivers had gezocht; in zijn tijd kon-ie er genoeg krijgen, hij had z’n vingers maar even hoeven uit te steken; de meisjes met centen waren er toch om te worden gevraagd. Maar hij liet zich door haar aardig bekkie inpalmen, en nou moest-ie de gevolgen dragen, daaraan viel niet te veranderen. En ’t ergste nog: ze wou niet begrijpen dat ze verschillend waren; ze schold en schimpte, nam niet in aanmerking, dat zijn handen voor ’t werken verkeerd stonden.Maar ondanks haar venijnigheid deed ze haar best, veel meer dan hij zelf, al werd ze dan ook voor ’t werken opgebracht, terwijl hij nooit wat leerde in z’n jonge jaren, zelfs geen vinger behoefde uit te steken.Het ongeluk vervolgde hem wel, van alle kanten. Dadelijk na het trouwen al ’t faljiet van Tobiassen, voor wie hij twaalf nieuwe huizen plakte en waarvan hij geen dubbeltje kreeg. Toen die mijnheer Diemert, aan wie hij zooveel te kort kwam, ’t liefst maar drie duizend gulden aan kleeden. Dan dàt keertje brand, te laag geassureerd, zoodat ze hem een schijntje uitkeerden. Zes kinderen geboren en gestorven, komenen gaan kost geld, ’t kwam allemaal bij mekaar, tot-ie voor ’t fatsoen van de familie de winkel likwideerde en op bonnefooi naar Amsterdam trok. Dàt had-ie nooit moeten doen. In een kleine stad kun je ’t mager hebben en vol zorgen zitten, maar je komt er door. Hier, in Groot-mokum, geeft geen mensch om je. En natuurlijk, daar ginds waren ze blij, dat ze hem kwijt raakten; nu keken ze niet naar hem om, lieten hem aan zijn lot over. Zijn bloedeigen broer scheepte hem af met tien gulden, en op al zijn brandbrieven kreeg hij nou zelfs geen boe of ba. Dat hadden ze hem niet kunnen leveren als-ie daar was gebleven. Waarom was hij toch gegaan? Wel, omdat je in je eigen plaats je zoo moeielijk kunt verminderen, er nooit weer boven-op werken, maar een stommiteit bleef het toch. Van God en alle menschen zat hij hier verlaten! Zijn heele leven eigenlijk een enkele misgreep. In plaats hem zijn vak deugdelijk te laten leeren, stuurde zijn vader hem in de winkel om te verkoopen. Wat wist-ie nou van ’t werken af, van gordijnen en drapeeringen? Niks. Als hij zijn handen kon roeren, hoefde-ie nou niet op schobberdebonk te loopen en revolutiewerk voor ’n krats te maken, had-ie allicht een vaste plaats als meesterknecht gevonden. Maar wie dacht daar in zijn jeugd bij hem thuis aan? Hij was bazenzoontje, mocht dus de kantjes afslijpen. Nou zag hij eerst de gevolgen en z’n vrouw begreep maar niet, dat hij daarover zat te piekeren!Tusschen deze overpeinzingen door namen zijn oorenop de zaterdagavonddrukte, zagen weer zijn oogen haar stuursch gezicht, voelde hij ook de dorst in zijn keel branden. Hij moest eruit. Als hij hier bleef hangen kreeg hij vast geen werk; een loopende hond valt allicht wat in de mond was toch het spreekwoord. Maar ze zou hem niet laten gaan. Hoe dat aan te leggen? Een paar keer dacht hij, dat zijn vrouw zelf zou beginnen. Ze opende half de mond, dan kneep ze de lippen weer toe, zonder eenig geluid te geven. ’t Gaf zeker dolle ruzie indien hij ermee aankwam. En toch ’t moest, als hij langer wachtte, ging ’t heelemaal niet meer. Diep ineengedrongen, de magere handen onder ’t vlokkig-behaarde hoofd, zat hij te overleggen. De straatgeluiden scherpten hem al meer op, brachten hem tot opwinding. Elk oogenblik verwachtte hij, dat zijn vrouw zich zou omkeeren, hem een standje schoppen door geld te vragen voor de inkoopen. Dan zou hij de gelegenheid gebruiken om de spat te zetten. Ja, dat zou-ie doen! Maar zij zei niets, streek en vouwde onafgebroken door, zonder ’t hoofd op te heffen. Hij moest nu wel zelf beginnen, anders werd het te laat. Daar bleef niet anders over.De poes tilde hij van zijn knie, zette haar op de grond, de poes die gestoord in haar makkelijk liggen, nu de rug hoog-op kromde, tegen zijn beenen bleef spinnen. Meteen richtte hij zich al geeuwend op, rekte zich uit en zijn smal, klein gezicht in een plooi trekkend alsof hij ’t zelf lam vond, smeet hij onverschilligjes d’eruit:—Ik zal d’er verdorie nog op uit motte!Die woorden vielen als een enkele plof in de kamer.Dadelijk liet ze ’t strijkijzer rusten, keerde zich om, keek hem scherp aan, vroeg:—Wat zei-je?—Dat ’k nog effe d’eruit zal motte...—Je zal ’t wel uit je herses late!—Ze hebbe d’r iemand noodig... op de Haarlemmerdijk... bij van Wieren!—Zoo-o!—’t Staat d’ar in de krant.—Wèl toevallig!—Lees het dan zellef!Ze grinnikte van nijd, keerde zich verachtend om, duwde haar strakke rug langs hem heen, streek opnieuw voort, schimpte dan weer:—Op Zaterdagavond? Nee man... ik ken die foefies... geen denken an!—Foefies?... wat foefies?—Daar hei je zeker twee uur voor noodig, om die affertensie op te scharrele... of ik dat niet ken... van zes uur zit-d-ie d’er al... hà, hà, hà, treiterlachte ze.—Ik zie ’t net... da’s te zegge... ik zag ’t wel eerder. Niet veel bizonders... je zoekt en je zoekt honderd uit.—In elk geval, ’t is nou te laat. Ga morgen!—Dan is ’t zondag! kan ik toch niet gaan!Ze zweeg, door zijn antwoord vastgezet, doch ze wou geen kamp geven, omdat ze z’n streken te goed kende.Strak stond de stilte tusschen beiden in, fel vijandig. Dan zei ze scherp:—As-je morge in de vroegte gaat, ben je frisch.—Och mensch, lâ na’r je kijke... ze zulle me zien ankomme, op zondag!—Ma’r ’t is nou nacht.—Nacht, nacht? wat jij nacht noemt, pas half nege!—Nee, ’t is zeker vroeg, gotallemachtig...!—Dàt niet, ma’r... as je het nou niet eerder ziet. Wat verlet ik ermee? Niks... hebbe we ’t zoo goed... kunne we wachte! is m’n gang soms ’n doktersgang?Zij haalde de schouders minachtend op, streek door, hoorde het aan zonder hem verder te antwoorden hoe hij in een stortvloed van hakkelende, stotterende woorden, woorden zonder zin, die zich herhaalden, waarmee hij zich telkens weersprak, aanhield, zeggend, dat hij most, dat al gaf ’t niks, hij ’t niet mocht laten ontglippen!Zij zweeg, streek door; en aan haar harde rug zag hij best hoe ze er over dacht. ’t Prikkelde zijn verzet op. Hij moest nou doorhakken, anders kwam ’t er niet van. Met een schonkig gebaar schoof hij naar de kast, om zijn jas te pakken. Maar ze was vlugger dan hij, stond oogdreigend voor hem:—Je gaat niet, ik zèg je, je gaat níét!Hij liet zijn jas los, die op de stoel gleed, schreeuwde dan ineens gedurfd:—Zoo en waarom niet... ben jij soms de baas?, denk jij me te drille?—Ik zweer je, as je gaat, gaan ik ook! Wie je terugziet, maar mijn niet, versta-je!!—Wel-wel, wàt je meent, treiterde hij weerom, nog zoo slecht niet bedacht, denk je me daarmee te pesten, dan heb-je ’t mis, glad mis! De deur staat wagewijd voor je ope, as je soms weg wilt, vergis je toch niet.—Natuurlik, jij geeft er niet om, maar ik zweer je, dat ik ’t doe.... as je ’t hart hebt om uit te gaan zie je mij niet werom!In driftige hijgadem raffelde ze door, smeet in woede de woorden hem om de ooren. Hij, in zijn kleinheid strakstijf met norsch, zwart gezicht van onwilligheid, sprak geen woord. En dat maakte haar razend. Ze smeekte, bad om te blijven, dreigde dan weer, verweet hem zijn luieren, zijn zuipen, zijn slecht behandelen, en huilsmeekte vannieuws.Maar hij wou doorzetten, hield zich ongevoelig, zooveel voor ’t een als voor ’t ander. Brutaal snerpte hij:—’t is hier geen kwestie van goed of slecht behandele, het is kwestie om werk te krijge, èn of ’t nou half nege of half tien is, dat duvelt niks.... as je zonder zit, kan-je hier niet blijve hokke.... ’t werk komp niet van zelf.... heb je ooit van je leve.... nou wat zeg je me daarvan?Zoo bar mogelijk zei hij het, op ieder woord drukkend, om haar te overbluffen. Maar hoe nijdig hij zich ook hield, ze verzette geen voet, ze gaf niet toe. Hij wist, dat ze hem doorzag, voelde zich half geneigd toch weer de minste te wezen. Wat vroegen ze opde Haarlemmerdijk eigenlijk? Een aankomende bediende in een kruidenierswinkel, een halfwas, voor een vette drie gulden per week misschien.Nu begon ze opnieuw te kijven en te smalen, haar handen melodramatisch samenwringend.—Blijf nou thuis, dreig-smeekte ze. Late we overlegge hoe dat an moet met de huur.... late we zien ’n andere woning te krijge.Hij schokte de schouders, onwilligde terug:—Daar hebbe we morge alle tijd voor, nou kan ik nog probeere voor werrek, zal ook ’es naar Bouwlust gaan.Vlijm-scherp zag ze zijn doel: het café waar de bouwers samenkwamen en ze wist al vooruit waarop dat ging uitdraaien; ’t werd natuurlijk weer zwetsen en drinken! Om hem van dit plan af te houden werd ze toeschietelijker, vroeg ze bijna gedienstig:—Wil ik koffie zette?Baller weifelde.De gillen en kreten der zaterdagavondventers rilden in zijn ooren, dansten er rond, lokten hem naar die drukte,—en toch, hij durfde niet best, bang voor haar groote mond. D’er zou wat zwaaien! Maar, als-ie nou niet doorzette, kreeg-ie de heele avond geen kans meer, zat-ie bakker-an. Het zichzelf opgesloten zien zitten en dan niet weg te kunnen doemde ineens voor hem op. Zijn dorstige keel schroeide saam bij de gedachte geen jenever te krijgen, en de koffie, waarnaar hij straks zelfs vroeg, proef-smaktein gedachten nu op zijn tong bitterdrabbig. Hu, net cichoreiwater! Een benauwing sloeg in hem op, doorgloeide zijn keel, steeg naar zijn klein, verweerd, zwartbaardig hoofd, dat hij opgeblazen-heet voelde worden, terwijl een koude kriebel langs zijn rug kroop.—Nee, stootte hij uit, nee, voor mij hoef-je niet te zette... ik mot toch d’erop uit.... voor die advertentie.Zij schokte uit haar gebogen houding op, liet het dekselplaatje van de kachel dat ze oplichtte voor de waterketel, met een klaterende rinkel terugvallen, keek hem star-stijf aan, ermee zeggend: dat gaat zóó niet mannetje!—Ja zeker, weerbarstigde Baller. Ik mot ook zien Peters te treffe!—Peters? smaalde ze, in haar heftigheid geen woorden vindend om op hem los te branden.—Ja zeker Peters! bevestigde hij. Die hêt-me beloofd as de verdiepinge zoo ver benne...—Wat verdiepinge... ’t vriest toch veel te hard om te kunne plakke... ja, maak mijn dat wijs!!—Zoo?—’t Werk ligt stil, dat hè-je toch zellef gezeid.—In elk geval, driftigde Baller nu, in elk geval ’k mot eruit. Denk je soms, dat ze ’t op de trap komme legge?—Zie je wel.... zie je wel.... Hij wil d’eruit.... hij wil d’eruit... naar de kroeg! Heb ’k ’t nietgedacht... wist ik ’t niet... geen cent thuis en toch zuipe!!Op die smalende woorden schoot Baller ineens op, vinnig-fel, alsof-ie haar te lijf wou. Haar vellig-magere handen klauwden zich tot verweer, de deur moest ze afsluiten, zoodat-ie niet wegkon. Maar ze was bang, dat-ie haar dan van achteren zou aanpakken, dat leverde-ie meer! Haar vingers kromden zich om te nijpen en te krabben.Baller zag haar steelsche blik naar de deur en kreeg een inval. Ja, dat kon! Met kattige drift van kleine man, die niet op kan tegen zijn grootere vrouw, stormde hij op haar toe, vooruitstootend zijn eene arm, alsof hij haar te lijf ging. Maar in plaats van dat te doen, greep hij in snelle vaart naar jas, naar hoed, rukte de deur open,—en voor ze nog eraan dacht, was hij al buiten, op ’t portaal, holde de trap af, de kamerdeur met dreunend geweld vlak voor haar gezicht toeslaand.Zij riep nog: Jan! Jan!Hij holde door, was de onderste trap al af, buiten haar bereik. Ze stond verbluft, sprakeloos van machtelooze woede.
I.Stil stond de kamer.Een vijandige stemming hing er dik en maakte alles grauw.Baller, klein zwart mannetje, om ’t geel en tanig gezichtsvel een verwaarloosd, vlokkig baardkransje, de oogen verzwakt, de knokig-harde handen in stugge stutting onder het landerige, kleine hoofd, blikte sufferig en moe rond.Ingehouden nijdigjes bestaarde hij zijn vrouw, die zonder eenige notitie van hem te nemen, haar gewone werk afdeed van alle zaterdagavonden. Buiten schreeuwden en relden al de venters. Hun schor-schrille, doordringende geluiden snerpten fel uit boven het gegons en gegrom, boven het ratelend kargerol der straat, verweekten of krompen in, warrelden en woelden ermee samen soms, sloegen dan weer fel ôp en werden één enkele stormende vlaging die opklomtegen de hooge huizen, voortrakkelde langs de hoorige ruiten. De aanprijzingen wisselden elkaar gestadig af, volgden elkaar op, klauwden ineen en spatterden weg tot in de dwarsstraten, om opnieuw weer aan te vlagen, overjagend heel de wijk met drukte en geweld. De verkoopkreten en gillen werden al snerpender, laaiden wilder uit, joelden al hooger op, drongen tot twee, drie hoog, bereikten zelfs de achtervertrekken.Baller in zijn kleine spitsigheid nam willig op al dat straatgewoel. ’t Vroor zeker hard, want hij hoorde bar al dat geschreeuw. ’t Leek wel of al ’t gewoel, het gemonkel en gesjacher, het bieden en opdringen rond de wagens, de zwaaiende armen van de straatventers, of de plakkerdrukte der winkels hier vlak naast hem stond, of ’t bij hem op de kamer zelf gebeurde en hij zich midden op straat bevond, zoo hoorde en zag hij alles duidelijk. O, hij begreep het, ’t kwam door dat vriesweer, dat alles zoo opklonk. En datzelfde vriesweer hield hem ook zonder werk. Hoewel als de wind draaide ’t best zou kunnen gaan dooien!Heel de morgen en heel de middag had hij thuisgezeten, hij verlangde weg te komen, wist toch niet hoe dat aan te leggen, want als je niks aanbrengt heb je ook weinig in te brengen, dit stond zoo vast als een huis. In elkaar gekrompen begluurde hij vaag de bewegingen van zijn vrouw, die niet vriendelijk gehumeurd van ’t eene eind der kamer naar ’t anderesjokte. Haar mager, uitgezakt lichaam stootte ze in moeielijke dracht door ’t klein vertrek, dat schraal verlicht, aan kant gemaakt en toch overhoop lag door haar gewerk. Op alle stoelen stapelde zich het wit en bont waschgoed en naast de tafel lag een mand vol, dat nog door haar vingers moest, ’t zou zeker in ’t eerste uur niet gedaan zijn!Vrouw Baller streek nu op de tafel aan, overspande die met een ouwe, wollen deken en begon zonder nadere uitleg aan haar wasch. Met haar harde werkvingers rekte ze het goed, griste de zoompjes eruit, streek het dan met de vlakke hand zoowat glad, vouwde en rolde het saam, om te laten mangelen. IJverig werkte ze door, nu en dan opkijkend naar de kachel of die wel goed brandde, anders werd haar ijzer niet warm en ze moest strijken.Van buiten sloegen weer op de schrille galmstemmen. Kreten van haring, volle haring... puike aerpels... mooie kool, fijne vaste kool, zoo hard als ’n bikkel om ’n gat mee in de kop te gooie en andijvie, lekkere malsche andijvie, ze schalden in ruwe roering dooreen, relden en jelden dan weer ieder afzonderlijk uit, heel klaar en duidelijk.Baller zuchtte. Hij merkte het best, die zaterdagavonddrukte maakte z’n wijf tureluurs evenals hem zelf. Zaterdagavond en geen geld, goed om ’n vrouw helsch te maken. Had ze al ingekocht voor morgen, natuurlijk dan van haar eigen zuur verdiende geld? Hij wist het niet en durfde ’t ook niet vragen, verdieptezich weer in zijn krant, die hij daarstraks zelf aan de kiosk haalde. Hij had zich toen ook een borrel gekocht... als ze nou maar niet te dicht onder zijn adem kwam, dan rook ze ’t en dan werd het bepaald ruzie, ze kon de drank niet uitstaan. Zeker, ’t zaakje hing niet in de haak, dat hij zoo nu en dan er eentje stiekem pakte. De verdiensten kwamen van haar, ze hield de boel bijeen, maar hij kon er niet buiten, zonder een opkikkertje zakte hij heelemaal in elkaar. Eén enkele borrel, die hield hem op de been, anders ging alle moed d’eruit. Totnutoe bezat-ie nog ’n snabbeltje apart, kon-ie wat achterbaks houden, nou raakte dat gedaan, ’t was op en nou moest-ie afwachten dat zij hem iets gaf. Dat vond-ie wel erg. Kon-ie in ’s hemelsnaam iets vinden al was ’t als loopknecht, maar och niks stond er weer in de krant.Moedeloos pakte hij het vettig-bedrukte, dun-klaterend dagblad op en neusde alle advertentiën door. Maar daar schoof ze met haar lang, houterig lichaam voor hem heen, zoodat hij geen lettertje kon zien; zijn oogen staarden blind tegen haar strak-harde rug als tegen een muur. Dat maakte hem nog kribbiger. Gewoon niet om te doen, meende hij. Z’n plaatsje zocht hij juist hier tusschen het raam en ’t zeskante potkacheltje om uit de verdrukking te wezen en haar niet in de weg te zitten. ’t Was er ook warm en niet te ver van de lamp die als altijd slecht brandde. En telkens, alsof zij ’t erom deed, dwarrelde ze voorzijn oogen als ze de strijkbout tegen de kachel ging zetten, waarvoor ze niet wou omloopen. Dan moest-ie grommen en brommen, al hield hij zich nog zoo in omdat klagen toch niet hielp. Daar, dáár had je ’t weer. Diep zuchtte hij ervan.Ze hoorde nu zijn gezucht. Smalend zei ze:—Ga dan uit de weg, je ziet da’k mot strijke...plaa’sgenoch...—Nee, d’er is geen plaa’s... ’t lig’ overal vol!—Zoo, wat je zegt!Ze keek eens rond, zonder op te houden, onder ’t werken door, en snerpte opnieuw:—Da’r gin’s staat toch ’n stoel...—Kun-jij da’r soms zien... in stikka donker, nou ik niet. ’k Zie hier best, as jij me ma’r niet in ’t licht staat te draaie!—’k Kan er niks an doen, bitste ze voort, ’k ploeter me uit de naad voor ’n paar cente, ma’r me eige boel kan nie blijve legge!Baller zei niets terug, zweeg in hopeloos dof staren, terwijl ze voortging met voor hem heen te schuiven. Zeker, ze had gelijk, haar eigen wasch moest ook worden gedaan. Als zij uit werken ging, als ze de gansche dag voor ’n ander streek, was het al mooi, dat ze het zaterdagsavonds nog voor haar zelf wou doen, dàt gaf-ie grif toe. Alléén, waarom wou ze niet aan d’andere kant staan, waarom kwam ze hem telkens voor de oogen dweilen? Ze kon ’t niet hebben, dat hij hier lekker in ’t hoekje zat en zij nogvoortmoest. Enkel pesten, judassen van haar, anders niet, èn hij moest het maar verdragen. Zeker, ’t bleef godgeklaagd, dat zij zich als vrouwmoest afbeulen en hijzelf geen sners verdiende, maar was het zijn schuld, wilde-ie soms niet werken? Al over de vier maanden zat-ie zonder, van de week nog al nieuwjaar geweest, geen cent in huis, tot over de ooren in de schuld, met recht een prettig vooruitzicht! Waar moest dat naartoe, ’t werd in de behangerij met de dag slapper, en als ’t nou bleef vriezen kwam er ook geen schot, moest-ie heelemaal van haar afhangen. ’t Was om met je kop tegen de muur te loopen, wist-ie maar wat anders op te denken dan in dat lamme behangerswerk, daarvoor zocht-ie toch juist in de krant.Baller probeerde zijn oogen te verscherpen en de kleine, kriewelige lettertjes te ontcijferen, maar nu schoof ze weer om hem heen en het uitgevouwen blad kronkende en ontglipte aan zijn hand. Grissend greep hij naar ’t papier, maar haar zwaaiende rok sloeg het al neer en nu lag het op de grond als een vod; ze liep er bijna overheen. Hij meende ruw uittevallen, bedwong zich toch, wetend dat zij niet op haar mondje gevallen, hem niet minder van woord zou dienen, en hij wilde graag goede vrienden blijven, omdat hij straks nog ’s er op uit dacht te trekken.Moedwillig bleef ze voor hem langs draaien en vol ergernis keek hij tegen haar star-bewegende rug. Enkel zag hij het fletsig haar, dat boven haar stakelijf uitvaalde.—Verdikkeme, verdikkeme! mompelde hij en zweeg dan weer.Maar zij had zijn gemopper best gehoord, en dat prikkelde haar. Zonder zich om te keeren snauwde ze kortaf:—Kijk ma’r ’es liever na’r de kachel.... dan doe je teminste wat voor de kost...Zonder een verder woord van tegenspraak stond Baller op, pookte van onder in ’t rooster, stootte de kacheldeur open. Een rosse flakkergloed laaide uit, begloeide de grond. Drie, vier scheppen kokes smeet hij op ’t vuur, dat knetterde en sintelde, en opnieuw stompte hij de schepper in de bak, om nog een smijt toe te geven, toen zijn vrouw zich driftig omkeerde, schor-schreeuwend:—Welzeker... welzeker, waarom niet... kan ’t niet op... kost de brand soms geen geld... ’t is ’t laa’st wâ we hebbe...Voor een oogenblik stond Baller paf. Dan kwakte hij de gevulde schepper in de bak terug, gromde:—Dàt had je wel eerder kunne zegge!—Nou nog snauwe d’erbij... geen cent inbrenge en allemanspraat!Baller zweeg maar weer. Ze was al in een heele slechte bui en dan viel niet met haar te mallen. Nog een gesmoorde grom en hij duwde de kacheldeur toe, rekte zich eens uit. Zijn afbeelding schaduwde gedrochtelijk op ’t vaag-witte gordijn. Even keek hij er na, liet zich dan op zijn stoel terugzakken,greep botweg de krant, om die verder door te lezen. Maar bij de lichtzwakke lamp wiebelend in de warmte van ’t vertrek en door de bewegingen van ’t strijken, in dat vlekschuivend licht, waarbij zijn vrouw nog telkens voor hem heenschoof, zagen zijn schemerende oogen maar moeielijk de kleine, vettig-gedrukte lettertjes op ’t dun flodderpapier. Zijn blikken reikten niet veel verder dan tot de aankondiging: Vraag en aanbod. Te vergeefs dwong hij zijn afgeleefde oogen om die door elkaar krioelende regeltjes nauwgezet te verkennen. Veel zaaks stond er niet, dat speurdehij al in één vlucht, maar toch, je kon nooit weten, allicht sla-je eens wat over. Hij wou wat vinden, een reden hebben om er tusschenuit te kunnen trekken.Hoe hij zich ook inspande, ’t lezen en nakijken van de advertentiën ging hem maar moeilijk af. De hitte van de nu-sterker-aansnorrende kachel, de strijklucht en ook ’t witte geglemer van ’t goed maakten hem stomp en wee. Zijn oogen werden waterig, alsof ze dreven. Dof en suf in zijn hoofd, liet hij de krant maar glijden, staarde verwezen voor zich uit, zich pijnigend met het zoeken van een leugen om hier weg te kunnen komen. Maar hij kon niets verzinnen. ’t Leek of haar aanwezigheid zijn denkkracht tot onmacht sloeg, of ze hem dwong tot berustend blijven. Zij stond daar, het sjofele stakelijf tegen de rand der tafel geduwd om meer macht te kunnen zetten, en hij wist als-ie maar een woord over uitgaan kikte, zij zich dadelijk zou omkeeren hem de wind van voren geven.Lijdzaam keek hij toe, begluurde hoe ze ’t gewasschen goed rekte, de naden uithaalde, het streek, opnieuw vouwde tot het werden gelijkmatig vierkante vormen, elk stuk stapelend soort bij soort, sloopen bij sloopen, hemden, handdoeken, klein goed en groote stukken, rokken en lakens, naar dezelfde maat.Ze werkte voort. De tafel, waarvan ze de bijbladen had uitgetrokken om meer ruimte te hebben, wiegelde op de wrakke pooten bij al ’t stroef gewerk, schokte mee op de zet en terughaal van haar strijk,—en onder het pootig drukken, omdat de ijzers dadelijk koud werden, knerste de tafella over de looprichels, en dan kraakte het dunne, versleten katoen onder haar grif-tastende vingers, al ging ze nog zoo voorzichtig ermee om. Bij elke krak zuchtte ze zwaar. Hij wist wat dat zeggen wou, vrouwen hangen aan ’t linnengoed, meer als aan haar leven. Zonder dat-ie haar gezicht kon zien wist hij toch hoe zwart-nijdig haar trekken werden als haar vingers ’t verteerde goed aan flarden haalden. Dan viel er met haar niet te mallen!Gedachtenloos aaiden zijn handen de witte poes, die snorde, de rug hoog opzette onder zijn strijkingen, hem telkens kopjes gaf en spinnend tegen zijn beenen stond aan te wrijven. Hij vergat zijn krant te lezen.... raakte weer aan het peinzen.Ze merkte het, liet haar ijzer rusten, zag hem een oogenblik scherp aan, en zei dan schimpend:—Je hebt het ma’r makkelik, dàt mô ’k zegge.... je denkt an niks! Is er de huur al bij mekaar?Baller schouderschokte, knipte van onmacht de oogen. Dat ze nu weer vroeg.... ze wist toch wel, dat-ie niet had.—De huisvent is van morge d’er geweest.... as-ie maandag nie’ krijgt, gaat-ie z’n gang! zei ze opnieuw.Baller bleef zwijgen. Wat moest-ie zeggen?—Hij wil niet wachte, versta-je, schreeuwde ze nu feller. Je zit da’r ma’r of je van Lotje bent getikt.—Maar wat wil-je dan toch mensch? stoof Baller nu op, terwijl zijn oogen vurig werden en zijn klein hoofd zich tot haar oprichtte.—Wat ik wil... wat ik wil? ik wil niks... ik zeg alleen ma’r, dat-ie niet langer wil wachte... is dat soms niet klaar genoch voor meheer... laat dat nog aan duidelikheid te wensche over?Zij zette de handen in de zij, keek hem smalend met een hoonlach aan, herhaalde:—Hij wil niet wachte... geen dag meer!—Zoo? wil-ie niet wachte? nou dan mot-ie ’t ma’r zien van m’n rug te snije! stootte Baller er eindelijk noodgedwongen uit. Al zijn benauwdheid, het zich klein voelen onder haar aanval, viel ineens van hem weg. De enkele borrel, die hij vanavond pakte, gifte in hem op. Hij begreep, dat-ie zich te weer moest stellen, en zich niet alles kon laten gezeggen, want dan ging ze langer hoe verder. Fel, met woedend-gemeene blikken, valschte hij naar haar òp, om haar op die manier wat af te schrikken.Zij liet zich niet daarmee van streek brengen, zei treiterend-zeker:—Hij smijt ons d’eruit, dan stane we op straat.—D’er is nog al veel om op straat te zette, schetterde hij terug.—Veel of niet veel, je legt onder de bloote hemel... en waar vin-je zoo gauw wat anders?—Hij doet ’et niet, wat ik je smoes... hij maakt je maar bang, vergoelijkte Baller weer.—Bang... bang? Het-ie soms geen recht... is ’t nog niet lang genoch... ellef weke?—Ja, zuchtte Baller, weet jij d’er raad op? Ik niet!—Dat is wel makkelik je zóó d’eraf te make!—Weet jij dan ’n middel?—D’er ben je man voor, ellef weke niet betaald, ’t is maar niks... noem je dat soms kattedrek?Baller mompelde een “stik” tusschen zijn tanden, draaide haar de rug toe. Dat wekte eerst recht haar toorn op, ze smeet de ijzers terzij, liep handen-wringend overentweer, jammerde het vertrek vol met haar snerpende klachten.Baller kreeg het te benauwd. Van angst en wrevel sprong hij op, hakkelsnauwde:—Hou toch ’es op... met je herrie... ’t is nog zoo ver niet... wat bliksem is dat?—Zoo ver niet, zóó ver niet? Me dunkt ’êt...! dat ’t ver genoch is! Hoonend bleef ze voor hem staan, zei dreigend, klagend:—M’n god, wat zal er van ons komme!—Kan ’k ’t helpe... mot ik soms gaan stele?Minachtend keek ze hem aan, en die blik zei:daar ben je veel te laf voor. Dan hoonde ze voort:—Zuipe, dàt kan je wel... je stinkt weer naar jenever!Baller werd weer bang.—Zanik niet, ontweek hij. Je hebt altijd wat!—’t Is toch zoo. Denk je dat ik niet ruiken kan.—Een glaasie noem je dàt zuipe?—Hier een glaasie en daar één, zoo gaat het geld weg... alles door ’t keelgat. Ze geve het je niet voor niks, dàt maak je mij niet wijs!—’k Mot toch op werk loope!... hier of daar hoore... ’t komp niet van zellef.—Och wat, uitvluchten van jan kalabas... je vindt geen werk... ik als vrouw draai er ma’r voor op.—’k Kan toch niet bij de pakke blijve zitte, is wel?—’t Zou wat! zei ze minachtend.—Dàn pakte ze het ijzer van ’t kacheltje, vingertipte langs de plaat om de warmte te toetsen, begon weer te strijken. Gelijk keerde zij zich nog eens om, zei dreigend:—Je mot ’t zellef wete, ma’r dàt zeg ik je, as we op straat komme te staan, trek ik ertusschen uit.Ik haal mijn kossie wel!Baller zakte in zijn hoek terug. Al zijn moed verschrompelde en gleed weg; hij voelde zich als geranseld met een zweep. De hitte van ’t gesprek en de duffe, bedwelmende strijkwarmte maakten zijn lippen rimpel-droog en toch durfde hij niets zeggen. Die geschiedenis met de huishuur bleef leelijk. Ze waren wel eens meer achter geweest, maar zooveel als nou nee, elfweken, kwam nog niet voor. Sakkerjen, ’t zou zoo’n wonder niet zijn als het misliep!De poes wipte op zijn knie, zette haar rug hoog op, vleide zich neer, de kop tusschen het lenig vel gravend.Baller liet het beest begaan, keek suf voor zich uit. Konden ze maar een of twee weekjes afdokken, of had-ie teminste werk in ’t zicht, om de huisbaas te paaien, maar geen cent in de mars en niks in ’t verschiet, dat was om de dood niet plezierig. Te verkoopen of naar de lommerd te brengen viel er niet. Wat hier nog stond, die nakende stoelen, de tafel, het kacheltje, dàt hadden ze alles hard noodig. Zijn zondagsche spullen waren nog over, om ze voor een daggie te verzetten, maar als het daartoe kwam kon-ie niet meer in ’t licht verschijnen. Zijn vrouw had ook niet te veel, geen fatsoenlijk stuk aan d’er lijf! Wel waren ze afgezakt, zaten totaal vast, de eenige uitkomst werk te krijgen, maar hoe en waar...Moedeloos nam hij de krant weer op, doorzocht de heele lijst van kleineadvertentiën, al wist-ie dat er niets voor hem instond. Hij wou wat vinden, om uit de kamerbenauwdheid weg te kunnen. Met zijn nagel krabde hij hier en daar wat aan, doch hij dorst er nog niet mee voor de dag te komen. Dan vroeg hij om te polsen of haar stemming beterde:—Heb je niks te drinke? heb je al koffie?—Ja strakkies... as ik klaar ben ga ik koffie zette!’t Was nog niet in orde, dat merkte hij best. Daarom vroeg hij, terwijl hij meteen bereidwillig opstond:—Wil ’k soms wat op de kachel gooie?—Welzeker, ’t kan niet op! Ze zei het bits, zonder op te kijken.Baller vroeg niet meer, ging weer zitten, tuurde in zijn krant, stootte nu en dan een “ha” eruit, alsof hij iets van belang vond, las hard op een advertentie, die hij maar verzon.Nu hoorde hij weer de avondventers, en hun schorre, schrille geluiden, die naar de derde verdieping òprelden, leken hem sarrende kreten, fel treiterend omdat hij hier als zat vastgebonden. De dorst werd al erger, schroefde hem de keel toe, en toch opstappen durfde hij niet. ’t Was zijn eigen bedrijf, zijn eigen schuld dat-ie zoo in de klem raakte. Hij moest vroeger beter op zijn boeltje hebben gepast, maar o, de kolder stak hem in de kop, hij voelde zich te hoog, te veel meneer om aan te pakken, schaamde zich om met de stijfselpan te loopen, nou ja, hij was ook een bazenzoontje! Zijn vader waarschuwde hem tijdig toen hij met haar begon en zijn moeder drong altijd aan, dat-ie een vrouw met geld zou zoeken, maar hij luisterde er niet naar. Nou zag-ie eerst zijn stommiteit. Een vrouw enkel om haar mooi gezichie nemen was de grootste ezelstreek, die een man kon uithalen. Een mooi gezichie? Godbetert als-ie haar nou aankeek, een uitgeholde raap op een strijkplank leek ze! Ze was wel veranderd.Nijdig blikte hij naar haar, nam haar eens nauwkeurig op. Het vale, dor-blonde haar lag slordig om ’t doorzorg en ellende verwaarloosd bleek gezicht, waaruit de jukbeenderen grof staken, terzij van de vastgenepen mond groefden zich harde trekken en haar neus spitste scherp, als de ram van een schip, heel haar wezen een brok harde narigheid.—Behalve een slap uitzet bracht ze niks mee, geen rooie cent, en eenmaal getrouwd, kreeg ze evenveel bereddering als de fijnste madam. Hoe anders zou ’t zijn geloopen indien hij er eentje met de noodige grijpstuivers had gezocht; in zijn tijd kon-ie er genoeg krijgen, hij had z’n vingers maar even hoeven uit te steken; de meisjes met centen waren er toch om te worden gevraagd. Maar hij liet zich door haar aardig bekkie inpalmen, en nou moest-ie de gevolgen dragen, daaraan viel niet te veranderen. En ’t ergste nog: ze wou niet begrijpen dat ze verschillend waren; ze schold en schimpte, nam niet in aanmerking, dat zijn handen voor ’t werken verkeerd stonden.Maar ondanks haar venijnigheid deed ze haar best, veel meer dan hij zelf, al werd ze dan ook voor ’t werken opgebracht, terwijl hij nooit wat leerde in z’n jonge jaren, zelfs geen vinger behoefde uit te steken.Het ongeluk vervolgde hem wel, van alle kanten. Dadelijk na het trouwen al ’t faljiet van Tobiassen, voor wie hij twaalf nieuwe huizen plakte en waarvan hij geen dubbeltje kreeg. Toen die mijnheer Diemert, aan wie hij zooveel te kort kwam, ’t liefst maar drie duizend gulden aan kleeden. Dan dàt keertje brand, te laag geassureerd, zoodat ze hem een schijntje uitkeerden. Zes kinderen geboren en gestorven, komenen gaan kost geld, ’t kwam allemaal bij mekaar, tot-ie voor ’t fatsoen van de familie de winkel likwideerde en op bonnefooi naar Amsterdam trok. Dàt had-ie nooit moeten doen. In een kleine stad kun je ’t mager hebben en vol zorgen zitten, maar je komt er door. Hier, in Groot-mokum, geeft geen mensch om je. En natuurlijk, daar ginds waren ze blij, dat ze hem kwijt raakten; nu keken ze niet naar hem om, lieten hem aan zijn lot over. Zijn bloedeigen broer scheepte hem af met tien gulden, en op al zijn brandbrieven kreeg hij nou zelfs geen boe of ba. Dat hadden ze hem niet kunnen leveren als-ie daar was gebleven. Waarom was hij toch gegaan? Wel, omdat je in je eigen plaats je zoo moeielijk kunt verminderen, er nooit weer boven-op werken, maar een stommiteit bleef het toch. Van God en alle menschen zat hij hier verlaten! Zijn heele leven eigenlijk een enkele misgreep. In plaats hem zijn vak deugdelijk te laten leeren, stuurde zijn vader hem in de winkel om te verkoopen. Wat wist-ie nou van ’t werken af, van gordijnen en drapeeringen? Niks. Als hij zijn handen kon roeren, hoefde-ie nou niet op schobberdebonk te loopen en revolutiewerk voor ’n krats te maken, had-ie allicht een vaste plaats als meesterknecht gevonden. Maar wie dacht daar in zijn jeugd bij hem thuis aan? Hij was bazenzoontje, mocht dus de kantjes afslijpen. Nou zag hij eerst de gevolgen en z’n vrouw begreep maar niet, dat hij daarover zat te piekeren!Tusschen deze overpeinzingen door namen zijn oorenop de zaterdagavonddrukte, zagen weer zijn oogen haar stuursch gezicht, voelde hij ook de dorst in zijn keel branden. Hij moest eruit. Als hij hier bleef hangen kreeg hij vast geen werk; een loopende hond valt allicht wat in de mond was toch het spreekwoord. Maar ze zou hem niet laten gaan. Hoe dat aan te leggen? Een paar keer dacht hij, dat zijn vrouw zelf zou beginnen. Ze opende half de mond, dan kneep ze de lippen weer toe, zonder eenig geluid te geven. ’t Gaf zeker dolle ruzie indien hij ermee aankwam. En toch ’t moest, als hij langer wachtte, ging ’t heelemaal niet meer. Diep ineengedrongen, de magere handen onder ’t vlokkig-behaarde hoofd, zat hij te overleggen. De straatgeluiden scherpten hem al meer op, brachten hem tot opwinding. Elk oogenblik verwachtte hij, dat zijn vrouw zich zou omkeeren, hem een standje schoppen door geld te vragen voor de inkoopen. Dan zou hij de gelegenheid gebruiken om de spat te zetten. Ja, dat zou-ie doen! Maar zij zei niets, streek en vouwde onafgebroken door, zonder ’t hoofd op te heffen. Hij moest nu wel zelf beginnen, anders werd het te laat. Daar bleef niet anders over.De poes tilde hij van zijn knie, zette haar op de grond, de poes die gestoord in haar makkelijk liggen, nu de rug hoog-op kromde, tegen zijn beenen bleef spinnen. Meteen richtte hij zich al geeuwend op, rekte zich uit en zijn smal, klein gezicht in een plooi trekkend alsof hij ’t zelf lam vond, smeet hij onverschilligjes d’eruit:—Ik zal d’er verdorie nog op uit motte!Die woorden vielen als een enkele plof in de kamer.Dadelijk liet ze ’t strijkijzer rusten, keerde zich om, keek hem scherp aan, vroeg:—Wat zei-je?—Dat ’k nog effe d’eruit zal motte...—Je zal ’t wel uit je herses late!—Ze hebbe d’r iemand noodig... op de Haarlemmerdijk... bij van Wieren!—Zoo-o!—’t Staat d’ar in de krant.—Wèl toevallig!—Lees het dan zellef!Ze grinnikte van nijd, keerde zich verachtend om, duwde haar strakke rug langs hem heen, streek opnieuw voort, schimpte dan weer:—Op Zaterdagavond? Nee man... ik ken die foefies... geen denken an!—Foefies?... wat foefies?—Daar hei je zeker twee uur voor noodig, om die affertensie op te scharrele... of ik dat niet ken... van zes uur zit-d-ie d’er al... hà, hà, hà, treiterlachte ze.—Ik zie ’t net... da’s te zegge... ik zag ’t wel eerder. Niet veel bizonders... je zoekt en je zoekt honderd uit.—In elk geval, ’t is nou te laat. Ga morgen!—Dan is ’t zondag! kan ik toch niet gaan!Ze zweeg, door zijn antwoord vastgezet, doch ze wou geen kamp geven, omdat ze z’n streken te goed kende.Strak stond de stilte tusschen beiden in, fel vijandig. Dan zei ze scherp:—As-je morge in de vroegte gaat, ben je frisch.—Och mensch, lâ na’r je kijke... ze zulle me zien ankomme, op zondag!—Ma’r ’t is nou nacht.—Nacht, nacht? wat jij nacht noemt, pas half nege!—Nee, ’t is zeker vroeg, gotallemachtig...!—Dàt niet, ma’r... as je het nou niet eerder ziet. Wat verlet ik ermee? Niks... hebbe we ’t zoo goed... kunne we wachte! is m’n gang soms ’n doktersgang?Zij haalde de schouders minachtend op, streek door, hoorde het aan zonder hem verder te antwoorden hoe hij in een stortvloed van hakkelende, stotterende woorden, woorden zonder zin, die zich herhaalden, waarmee hij zich telkens weersprak, aanhield, zeggend, dat hij most, dat al gaf ’t niks, hij ’t niet mocht laten ontglippen!Zij zweeg, streek door; en aan haar harde rug zag hij best hoe ze er over dacht. ’t Prikkelde zijn verzet op. Hij moest nou doorhakken, anders kwam ’t er niet van. Met een schonkig gebaar schoof hij naar de kast, om zijn jas te pakken. Maar ze was vlugger dan hij, stond oogdreigend voor hem:—Je gaat niet, ik zèg je, je gaat níét!Hij liet zijn jas los, die op de stoel gleed, schreeuwde dan ineens gedurfd:—Zoo en waarom niet... ben jij soms de baas?, denk jij me te drille?—Ik zweer je, as je gaat, gaan ik ook! Wie je terugziet, maar mijn niet, versta-je!!—Wel-wel, wàt je meent, treiterde hij weerom, nog zoo slecht niet bedacht, denk je me daarmee te pesten, dan heb-je ’t mis, glad mis! De deur staat wagewijd voor je ope, as je soms weg wilt, vergis je toch niet.—Natuurlik, jij geeft er niet om, maar ik zweer je, dat ik ’t doe.... as je ’t hart hebt om uit te gaan zie je mij niet werom!In driftige hijgadem raffelde ze door, smeet in woede de woorden hem om de ooren. Hij, in zijn kleinheid strakstijf met norsch, zwart gezicht van onwilligheid, sprak geen woord. En dat maakte haar razend. Ze smeekte, bad om te blijven, dreigde dan weer, verweet hem zijn luieren, zijn zuipen, zijn slecht behandelen, en huilsmeekte vannieuws.Maar hij wou doorzetten, hield zich ongevoelig, zooveel voor ’t een als voor ’t ander. Brutaal snerpte hij:—’t is hier geen kwestie van goed of slecht behandele, het is kwestie om werk te krijge, èn of ’t nou half nege of half tien is, dat duvelt niks.... as je zonder zit, kan-je hier niet blijve hokke.... ’t werk komp niet van zelf.... heb je ooit van je leve.... nou wat zeg je me daarvan?Zoo bar mogelijk zei hij het, op ieder woord drukkend, om haar te overbluffen. Maar hoe nijdig hij zich ook hield, ze verzette geen voet, ze gaf niet toe. Hij wist, dat ze hem doorzag, voelde zich half geneigd toch weer de minste te wezen. Wat vroegen ze opde Haarlemmerdijk eigenlijk? Een aankomende bediende in een kruidenierswinkel, een halfwas, voor een vette drie gulden per week misschien.Nu begon ze opnieuw te kijven en te smalen, haar handen melodramatisch samenwringend.—Blijf nou thuis, dreig-smeekte ze. Late we overlegge hoe dat an moet met de huur.... late we zien ’n andere woning te krijge.Hij schokte de schouders, onwilligde terug:—Daar hebbe we morge alle tijd voor, nou kan ik nog probeere voor werrek, zal ook ’es naar Bouwlust gaan.Vlijm-scherp zag ze zijn doel: het café waar de bouwers samenkwamen en ze wist al vooruit waarop dat ging uitdraaien; ’t werd natuurlijk weer zwetsen en drinken! Om hem van dit plan af te houden werd ze toeschietelijker, vroeg ze bijna gedienstig:—Wil ik koffie zette?Baller weifelde.De gillen en kreten der zaterdagavondventers rilden in zijn ooren, dansten er rond, lokten hem naar die drukte,—en toch, hij durfde niet best, bang voor haar groote mond. D’er zou wat zwaaien! Maar, als-ie nou niet doorzette, kreeg-ie de heele avond geen kans meer, zat-ie bakker-an. Het zichzelf opgesloten zien zitten en dan niet weg te kunnen doemde ineens voor hem op. Zijn dorstige keel schroeide saam bij de gedachte geen jenever te krijgen, en de koffie, waarnaar hij straks zelfs vroeg, proef-smaktein gedachten nu op zijn tong bitterdrabbig. Hu, net cichoreiwater! Een benauwing sloeg in hem op, doorgloeide zijn keel, steeg naar zijn klein, verweerd, zwartbaardig hoofd, dat hij opgeblazen-heet voelde worden, terwijl een koude kriebel langs zijn rug kroop.—Nee, stootte hij uit, nee, voor mij hoef-je niet te zette... ik mot toch d’erop uit.... voor die advertentie.Zij schokte uit haar gebogen houding op, liet het dekselplaatje van de kachel dat ze oplichtte voor de waterketel, met een klaterende rinkel terugvallen, keek hem star-stijf aan, ermee zeggend: dat gaat zóó niet mannetje!—Ja zeker, weerbarstigde Baller. Ik mot ook zien Peters te treffe!—Peters? smaalde ze, in haar heftigheid geen woorden vindend om op hem los te branden.—Ja zeker Peters! bevestigde hij. Die hêt-me beloofd as de verdiepinge zoo ver benne...—Wat verdiepinge... ’t vriest toch veel te hard om te kunne plakke... ja, maak mijn dat wijs!!—Zoo?—’t Werk ligt stil, dat hè-je toch zellef gezeid.—In elk geval, driftigde Baller nu, in elk geval ’k mot eruit. Denk je soms, dat ze ’t op de trap komme legge?—Zie je wel.... zie je wel.... Hij wil d’eruit.... hij wil d’eruit... naar de kroeg! Heb ’k ’t nietgedacht... wist ik ’t niet... geen cent thuis en toch zuipe!!Op die smalende woorden schoot Baller ineens op, vinnig-fel, alsof-ie haar te lijf wou. Haar vellig-magere handen klauwden zich tot verweer, de deur moest ze afsluiten, zoodat-ie niet wegkon. Maar ze was bang, dat-ie haar dan van achteren zou aanpakken, dat leverde-ie meer! Haar vingers kromden zich om te nijpen en te krabben.Baller zag haar steelsche blik naar de deur en kreeg een inval. Ja, dat kon! Met kattige drift van kleine man, die niet op kan tegen zijn grootere vrouw, stormde hij op haar toe, vooruitstootend zijn eene arm, alsof hij haar te lijf ging. Maar in plaats van dat te doen, greep hij in snelle vaart naar jas, naar hoed, rukte de deur open,—en voor ze nog eraan dacht, was hij al buiten, op ’t portaal, holde de trap af, de kamerdeur met dreunend geweld vlak voor haar gezicht toeslaand.Zij riep nog: Jan! Jan!Hij holde door, was de onderste trap al af, buiten haar bereik. Ze stond verbluft, sprakeloos van machtelooze woede.
I.
Stil stond de kamer.Een vijandige stemming hing er dik en maakte alles grauw.Baller, klein zwart mannetje, om ’t geel en tanig gezichtsvel een verwaarloosd, vlokkig baardkransje, de oogen verzwakt, de knokig-harde handen in stugge stutting onder het landerige, kleine hoofd, blikte sufferig en moe rond.Ingehouden nijdigjes bestaarde hij zijn vrouw, die zonder eenige notitie van hem te nemen, haar gewone werk afdeed van alle zaterdagavonden. Buiten schreeuwden en relden al de venters. Hun schor-schrille, doordringende geluiden snerpten fel uit boven het gegons en gegrom, boven het ratelend kargerol der straat, verweekten of krompen in, warrelden en woelden ermee samen soms, sloegen dan weer fel ôp en werden één enkele stormende vlaging die opklomtegen de hooge huizen, voortrakkelde langs de hoorige ruiten. De aanprijzingen wisselden elkaar gestadig af, volgden elkaar op, klauwden ineen en spatterden weg tot in de dwarsstraten, om opnieuw weer aan te vlagen, overjagend heel de wijk met drukte en geweld. De verkoopkreten en gillen werden al snerpender, laaiden wilder uit, joelden al hooger op, drongen tot twee, drie hoog, bereikten zelfs de achtervertrekken.Baller in zijn kleine spitsigheid nam willig op al dat straatgewoel. ’t Vroor zeker hard, want hij hoorde bar al dat geschreeuw. ’t Leek wel of al ’t gewoel, het gemonkel en gesjacher, het bieden en opdringen rond de wagens, de zwaaiende armen van de straatventers, of de plakkerdrukte der winkels hier vlak naast hem stond, of ’t bij hem op de kamer zelf gebeurde en hij zich midden op straat bevond, zoo hoorde en zag hij alles duidelijk. O, hij begreep het, ’t kwam door dat vriesweer, dat alles zoo opklonk. En datzelfde vriesweer hield hem ook zonder werk. Hoewel als de wind draaide ’t best zou kunnen gaan dooien!Heel de morgen en heel de middag had hij thuisgezeten, hij verlangde weg te komen, wist toch niet hoe dat aan te leggen, want als je niks aanbrengt heb je ook weinig in te brengen, dit stond zoo vast als een huis. In elkaar gekrompen begluurde hij vaag de bewegingen van zijn vrouw, die niet vriendelijk gehumeurd van ’t eene eind der kamer naar ’t anderesjokte. Haar mager, uitgezakt lichaam stootte ze in moeielijke dracht door ’t klein vertrek, dat schraal verlicht, aan kant gemaakt en toch overhoop lag door haar gewerk. Op alle stoelen stapelde zich het wit en bont waschgoed en naast de tafel lag een mand vol, dat nog door haar vingers moest, ’t zou zeker in ’t eerste uur niet gedaan zijn!Vrouw Baller streek nu op de tafel aan, overspande die met een ouwe, wollen deken en begon zonder nadere uitleg aan haar wasch. Met haar harde werkvingers rekte ze het goed, griste de zoompjes eruit, streek het dan met de vlakke hand zoowat glad, vouwde en rolde het saam, om te laten mangelen. IJverig werkte ze door, nu en dan opkijkend naar de kachel of die wel goed brandde, anders werd haar ijzer niet warm en ze moest strijken.Van buiten sloegen weer op de schrille galmstemmen. Kreten van haring, volle haring... puike aerpels... mooie kool, fijne vaste kool, zoo hard als ’n bikkel om ’n gat mee in de kop te gooie en andijvie, lekkere malsche andijvie, ze schalden in ruwe roering dooreen, relden en jelden dan weer ieder afzonderlijk uit, heel klaar en duidelijk.Baller zuchtte. Hij merkte het best, die zaterdagavonddrukte maakte z’n wijf tureluurs evenals hem zelf. Zaterdagavond en geen geld, goed om ’n vrouw helsch te maken. Had ze al ingekocht voor morgen, natuurlijk dan van haar eigen zuur verdiende geld? Hij wist het niet en durfde ’t ook niet vragen, verdieptezich weer in zijn krant, die hij daarstraks zelf aan de kiosk haalde. Hij had zich toen ook een borrel gekocht... als ze nou maar niet te dicht onder zijn adem kwam, dan rook ze ’t en dan werd het bepaald ruzie, ze kon de drank niet uitstaan. Zeker, ’t zaakje hing niet in de haak, dat hij zoo nu en dan er eentje stiekem pakte. De verdiensten kwamen van haar, ze hield de boel bijeen, maar hij kon er niet buiten, zonder een opkikkertje zakte hij heelemaal in elkaar. Eén enkele borrel, die hield hem op de been, anders ging alle moed d’eruit. Totnutoe bezat-ie nog ’n snabbeltje apart, kon-ie wat achterbaks houden, nou raakte dat gedaan, ’t was op en nou moest-ie afwachten dat zij hem iets gaf. Dat vond-ie wel erg. Kon-ie in ’s hemelsnaam iets vinden al was ’t als loopknecht, maar och niks stond er weer in de krant.Moedeloos pakte hij het vettig-bedrukte, dun-klaterend dagblad op en neusde alle advertentiën door. Maar daar schoof ze met haar lang, houterig lichaam voor hem heen, zoodat hij geen lettertje kon zien; zijn oogen staarden blind tegen haar strak-harde rug als tegen een muur. Dat maakte hem nog kribbiger. Gewoon niet om te doen, meende hij. Z’n plaatsje zocht hij juist hier tusschen het raam en ’t zeskante potkacheltje om uit de verdrukking te wezen en haar niet in de weg te zitten. ’t Was er ook warm en niet te ver van de lamp die als altijd slecht brandde. En telkens, alsof zij ’t erom deed, dwarrelde ze voorzijn oogen als ze de strijkbout tegen de kachel ging zetten, waarvoor ze niet wou omloopen. Dan moest-ie grommen en brommen, al hield hij zich nog zoo in omdat klagen toch niet hielp. Daar, dáár had je ’t weer. Diep zuchtte hij ervan.Ze hoorde nu zijn gezucht. Smalend zei ze:—Ga dan uit de weg, je ziet da’k mot strijke...plaa’sgenoch...—Nee, d’er is geen plaa’s... ’t lig’ overal vol!—Zoo, wat je zegt!Ze keek eens rond, zonder op te houden, onder ’t werken door, en snerpte opnieuw:—Da’r gin’s staat toch ’n stoel...—Kun-jij da’r soms zien... in stikka donker, nou ik niet. ’k Zie hier best, as jij me ma’r niet in ’t licht staat te draaie!—’k Kan er niks an doen, bitste ze voort, ’k ploeter me uit de naad voor ’n paar cente, ma’r me eige boel kan nie blijve legge!Baller zei niets terug, zweeg in hopeloos dof staren, terwijl ze voortging met voor hem heen te schuiven. Zeker, ze had gelijk, haar eigen wasch moest ook worden gedaan. Als zij uit werken ging, als ze de gansche dag voor ’n ander streek, was het al mooi, dat ze het zaterdagsavonds nog voor haar zelf wou doen, dàt gaf-ie grif toe. Alléén, waarom wou ze niet aan d’andere kant staan, waarom kwam ze hem telkens voor de oogen dweilen? Ze kon ’t niet hebben, dat hij hier lekker in ’t hoekje zat en zij nogvoortmoest. Enkel pesten, judassen van haar, anders niet, èn hij moest het maar verdragen. Zeker, ’t bleef godgeklaagd, dat zij zich als vrouwmoest afbeulen en hijzelf geen sners verdiende, maar was het zijn schuld, wilde-ie soms niet werken? Al over de vier maanden zat-ie zonder, van de week nog al nieuwjaar geweest, geen cent in huis, tot over de ooren in de schuld, met recht een prettig vooruitzicht! Waar moest dat naartoe, ’t werd in de behangerij met de dag slapper, en als ’t nou bleef vriezen kwam er ook geen schot, moest-ie heelemaal van haar afhangen. ’t Was om met je kop tegen de muur te loopen, wist-ie maar wat anders op te denken dan in dat lamme behangerswerk, daarvoor zocht-ie toch juist in de krant.Baller probeerde zijn oogen te verscherpen en de kleine, kriewelige lettertjes te ontcijferen, maar nu schoof ze weer om hem heen en het uitgevouwen blad kronkende en ontglipte aan zijn hand. Grissend greep hij naar ’t papier, maar haar zwaaiende rok sloeg het al neer en nu lag het op de grond als een vod; ze liep er bijna overheen. Hij meende ruw uittevallen, bedwong zich toch, wetend dat zij niet op haar mondje gevallen, hem niet minder van woord zou dienen, en hij wilde graag goede vrienden blijven, omdat hij straks nog ’s er op uit dacht te trekken.Moedwillig bleef ze voor hem langs draaien en vol ergernis keek hij tegen haar star-bewegende rug. Enkel zag hij het fletsig haar, dat boven haar stakelijf uitvaalde.—Verdikkeme, verdikkeme! mompelde hij en zweeg dan weer.Maar zij had zijn gemopper best gehoord, en dat prikkelde haar. Zonder zich om te keeren snauwde ze kortaf:—Kijk ma’r ’es liever na’r de kachel.... dan doe je teminste wat voor de kost...Zonder een verder woord van tegenspraak stond Baller op, pookte van onder in ’t rooster, stootte de kacheldeur open. Een rosse flakkergloed laaide uit, begloeide de grond. Drie, vier scheppen kokes smeet hij op ’t vuur, dat knetterde en sintelde, en opnieuw stompte hij de schepper in de bak, om nog een smijt toe te geven, toen zijn vrouw zich driftig omkeerde, schor-schreeuwend:—Welzeker... welzeker, waarom niet... kan ’t niet op... kost de brand soms geen geld... ’t is ’t laa’st wâ we hebbe...Voor een oogenblik stond Baller paf. Dan kwakte hij de gevulde schepper in de bak terug, gromde:—Dàt had je wel eerder kunne zegge!—Nou nog snauwe d’erbij... geen cent inbrenge en allemanspraat!Baller zweeg maar weer. Ze was al in een heele slechte bui en dan viel niet met haar te mallen. Nog een gesmoorde grom en hij duwde de kacheldeur toe, rekte zich eens uit. Zijn afbeelding schaduwde gedrochtelijk op ’t vaag-witte gordijn. Even keek hij er na, liet zich dan op zijn stoel terugzakken,greep botweg de krant, om die verder door te lezen. Maar bij de lichtzwakke lamp wiebelend in de warmte van ’t vertrek en door de bewegingen van ’t strijken, in dat vlekschuivend licht, waarbij zijn vrouw nog telkens voor hem heenschoof, zagen zijn schemerende oogen maar moeielijk de kleine, vettig-gedrukte lettertjes op ’t dun flodderpapier. Zijn blikken reikten niet veel verder dan tot de aankondiging: Vraag en aanbod. Te vergeefs dwong hij zijn afgeleefde oogen om die door elkaar krioelende regeltjes nauwgezet te verkennen. Veel zaaks stond er niet, dat speurdehij al in één vlucht, maar toch, je kon nooit weten, allicht sla-je eens wat over. Hij wou wat vinden, een reden hebben om er tusschenuit te kunnen trekken.Hoe hij zich ook inspande, ’t lezen en nakijken van de advertentiën ging hem maar moeilijk af. De hitte van de nu-sterker-aansnorrende kachel, de strijklucht en ook ’t witte geglemer van ’t goed maakten hem stomp en wee. Zijn oogen werden waterig, alsof ze dreven. Dof en suf in zijn hoofd, liet hij de krant maar glijden, staarde verwezen voor zich uit, zich pijnigend met het zoeken van een leugen om hier weg te kunnen komen. Maar hij kon niets verzinnen. ’t Leek of haar aanwezigheid zijn denkkracht tot onmacht sloeg, of ze hem dwong tot berustend blijven. Zij stond daar, het sjofele stakelijf tegen de rand der tafel geduwd om meer macht te kunnen zetten, en hij wist als-ie maar een woord over uitgaan kikte, zij zich dadelijk zou omkeeren hem de wind van voren geven.Lijdzaam keek hij toe, begluurde hoe ze ’t gewasschen goed rekte, de naden uithaalde, het streek, opnieuw vouwde tot het werden gelijkmatig vierkante vormen, elk stuk stapelend soort bij soort, sloopen bij sloopen, hemden, handdoeken, klein goed en groote stukken, rokken en lakens, naar dezelfde maat.Ze werkte voort. De tafel, waarvan ze de bijbladen had uitgetrokken om meer ruimte te hebben, wiegelde op de wrakke pooten bij al ’t stroef gewerk, schokte mee op de zet en terughaal van haar strijk,—en onder het pootig drukken, omdat de ijzers dadelijk koud werden, knerste de tafella over de looprichels, en dan kraakte het dunne, versleten katoen onder haar grif-tastende vingers, al ging ze nog zoo voorzichtig ermee om. Bij elke krak zuchtte ze zwaar. Hij wist wat dat zeggen wou, vrouwen hangen aan ’t linnengoed, meer als aan haar leven. Zonder dat-ie haar gezicht kon zien wist hij toch hoe zwart-nijdig haar trekken werden als haar vingers ’t verteerde goed aan flarden haalden. Dan viel er met haar niet te mallen!Gedachtenloos aaiden zijn handen de witte poes, die snorde, de rug hoog opzette onder zijn strijkingen, hem telkens kopjes gaf en spinnend tegen zijn beenen stond aan te wrijven. Hij vergat zijn krant te lezen.... raakte weer aan het peinzen.Ze merkte het, liet haar ijzer rusten, zag hem een oogenblik scherp aan, en zei dan schimpend:—Je hebt het ma’r makkelik, dàt mô ’k zegge.... je denkt an niks! Is er de huur al bij mekaar?Baller schouderschokte, knipte van onmacht de oogen. Dat ze nu weer vroeg.... ze wist toch wel, dat-ie niet had.—De huisvent is van morge d’er geweest.... as-ie maandag nie’ krijgt, gaat-ie z’n gang! zei ze opnieuw.Baller bleef zwijgen. Wat moest-ie zeggen?—Hij wil niet wachte, versta-je, schreeuwde ze nu feller. Je zit da’r ma’r of je van Lotje bent getikt.—Maar wat wil-je dan toch mensch? stoof Baller nu op, terwijl zijn oogen vurig werden en zijn klein hoofd zich tot haar oprichtte.—Wat ik wil... wat ik wil? ik wil niks... ik zeg alleen ma’r, dat-ie niet langer wil wachte... is dat soms niet klaar genoch voor meheer... laat dat nog aan duidelikheid te wensche over?Zij zette de handen in de zij, keek hem smalend met een hoonlach aan, herhaalde:—Hij wil niet wachte... geen dag meer!—Zoo? wil-ie niet wachte? nou dan mot-ie ’t ma’r zien van m’n rug te snije! stootte Baller er eindelijk noodgedwongen uit. Al zijn benauwdheid, het zich klein voelen onder haar aanval, viel ineens van hem weg. De enkele borrel, die hij vanavond pakte, gifte in hem op. Hij begreep, dat-ie zich te weer moest stellen, en zich niet alles kon laten gezeggen, want dan ging ze langer hoe verder. Fel, met woedend-gemeene blikken, valschte hij naar haar òp, om haar op die manier wat af te schrikken.Zij liet zich niet daarmee van streek brengen, zei treiterend-zeker:—Hij smijt ons d’eruit, dan stane we op straat.—D’er is nog al veel om op straat te zette, schetterde hij terug.—Veel of niet veel, je legt onder de bloote hemel... en waar vin-je zoo gauw wat anders?—Hij doet ’et niet, wat ik je smoes... hij maakt je maar bang, vergoelijkte Baller weer.—Bang... bang? Het-ie soms geen recht... is ’t nog niet lang genoch... ellef weke?—Ja, zuchtte Baller, weet jij d’er raad op? Ik niet!—Dat is wel makkelik je zóó d’eraf te make!—Weet jij dan ’n middel?—D’er ben je man voor, ellef weke niet betaald, ’t is maar niks... noem je dat soms kattedrek?Baller mompelde een “stik” tusschen zijn tanden, draaide haar de rug toe. Dat wekte eerst recht haar toorn op, ze smeet de ijzers terzij, liep handen-wringend overentweer, jammerde het vertrek vol met haar snerpende klachten.Baller kreeg het te benauwd. Van angst en wrevel sprong hij op, hakkelsnauwde:—Hou toch ’es op... met je herrie... ’t is nog zoo ver niet... wat bliksem is dat?—Zoo ver niet, zóó ver niet? Me dunkt ’êt...! dat ’t ver genoch is! Hoonend bleef ze voor hem staan, zei dreigend, klagend:—M’n god, wat zal er van ons komme!—Kan ’k ’t helpe... mot ik soms gaan stele?Minachtend keek ze hem aan, en die blik zei:daar ben je veel te laf voor. Dan hoonde ze voort:—Zuipe, dàt kan je wel... je stinkt weer naar jenever!Baller werd weer bang.—Zanik niet, ontweek hij. Je hebt altijd wat!—’t Is toch zoo. Denk je dat ik niet ruiken kan.—Een glaasie noem je dàt zuipe?—Hier een glaasie en daar één, zoo gaat het geld weg... alles door ’t keelgat. Ze geve het je niet voor niks, dàt maak je mij niet wijs!—’k Mot toch op werk loope!... hier of daar hoore... ’t komp niet van zellef.—Och wat, uitvluchten van jan kalabas... je vindt geen werk... ik als vrouw draai er ma’r voor op.—’k Kan toch niet bij de pakke blijve zitte, is wel?—’t Zou wat! zei ze minachtend.—Dàn pakte ze het ijzer van ’t kacheltje, vingertipte langs de plaat om de warmte te toetsen, begon weer te strijken. Gelijk keerde zij zich nog eens om, zei dreigend:—Je mot ’t zellef wete, ma’r dàt zeg ik je, as we op straat komme te staan, trek ik ertusschen uit.Ik haal mijn kossie wel!Baller zakte in zijn hoek terug. Al zijn moed verschrompelde en gleed weg; hij voelde zich als geranseld met een zweep. De hitte van ’t gesprek en de duffe, bedwelmende strijkwarmte maakten zijn lippen rimpel-droog en toch durfde hij niets zeggen. Die geschiedenis met de huishuur bleef leelijk. Ze waren wel eens meer achter geweest, maar zooveel als nou nee, elfweken, kwam nog niet voor. Sakkerjen, ’t zou zoo’n wonder niet zijn als het misliep!De poes wipte op zijn knie, zette haar rug hoog op, vleide zich neer, de kop tusschen het lenig vel gravend.Baller liet het beest begaan, keek suf voor zich uit. Konden ze maar een of twee weekjes afdokken, of had-ie teminste werk in ’t zicht, om de huisbaas te paaien, maar geen cent in de mars en niks in ’t verschiet, dat was om de dood niet plezierig. Te verkoopen of naar de lommerd te brengen viel er niet. Wat hier nog stond, die nakende stoelen, de tafel, het kacheltje, dàt hadden ze alles hard noodig. Zijn zondagsche spullen waren nog over, om ze voor een daggie te verzetten, maar als het daartoe kwam kon-ie niet meer in ’t licht verschijnen. Zijn vrouw had ook niet te veel, geen fatsoenlijk stuk aan d’er lijf! Wel waren ze afgezakt, zaten totaal vast, de eenige uitkomst werk te krijgen, maar hoe en waar...Moedeloos nam hij de krant weer op, doorzocht de heele lijst van kleineadvertentiën, al wist-ie dat er niets voor hem instond. Hij wou wat vinden, om uit de kamerbenauwdheid weg te kunnen. Met zijn nagel krabde hij hier en daar wat aan, doch hij dorst er nog niet mee voor de dag te komen. Dan vroeg hij om te polsen of haar stemming beterde:—Heb je niks te drinke? heb je al koffie?—Ja strakkies... as ik klaar ben ga ik koffie zette!’t Was nog niet in orde, dat merkte hij best. Daarom vroeg hij, terwijl hij meteen bereidwillig opstond:—Wil ’k soms wat op de kachel gooie?—Welzeker, ’t kan niet op! Ze zei het bits, zonder op te kijken.Baller vroeg niet meer, ging weer zitten, tuurde in zijn krant, stootte nu en dan een “ha” eruit, alsof hij iets van belang vond, las hard op een advertentie, die hij maar verzon.Nu hoorde hij weer de avondventers, en hun schorre, schrille geluiden, die naar de derde verdieping òprelden, leken hem sarrende kreten, fel treiterend omdat hij hier als zat vastgebonden. De dorst werd al erger, schroefde hem de keel toe, en toch opstappen durfde hij niet. ’t Was zijn eigen bedrijf, zijn eigen schuld dat-ie zoo in de klem raakte. Hij moest vroeger beter op zijn boeltje hebben gepast, maar o, de kolder stak hem in de kop, hij voelde zich te hoog, te veel meneer om aan te pakken, schaamde zich om met de stijfselpan te loopen, nou ja, hij was ook een bazenzoontje! Zijn vader waarschuwde hem tijdig toen hij met haar begon en zijn moeder drong altijd aan, dat-ie een vrouw met geld zou zoeken, maar hij luisterde er niet naar. Nou zag-ie eerst zijn stommiteit. Een vrouw enkel om haar mooi gezichie nemen was de grootste ezelstreek, die een man kon uithalen. Een mooi gezichie? Godbetert als-ie haar nou aankeek, een uitgeholde raap op een strijkplank leek ze! Ze was wel veranderd.Nijdig blikte hij naar haar, nam haar eens nauwkeurig op. Het vale, dor-blonde haar lag slordig om ’t doorzorg en ellende verwaarloosd bleek gezicht, waaruit de jukbeenderen grof staken, terzij van de vastgenepen mond groefden zich harde trekken en haar neus spitste scherp, als de ram van een schip, heel haar wezen een brok harde narigheid.—Behalve een slap uitzet bracht ze niks mee, geen rooie cent, en eenmaal getrouwd, kreeg ze evenveel bereddering als de fijnste madam. Hoe anders zou ’t zijn geloopen indien hij er eentje met de noodige grijpstuivers had gezocht; in zijn tijd kon-ie er genoeg krijgen, hij had z’n vingers maar even hoeven uit te steken; de meisjes met centen waren er toch om te worden gevraagd. Maar hij liet zich door haar aardig bekkie inpalmen, en nou moest-ie de gevolgen dragen, daaraan viel niet te veranderen. En ’t ergste nog: ze wou niet begrijpen dat ze verschillend waren; ze schold en schimpte, nam niet in aanmerking, dat zijn handen voor ’t werken verkeerd stonden.Maar ondanks haar venijnigheid deed ze haar best, veel meer dan hij zelf, al werd ze dan ook voor ’t werken opgebracht, terwijl hij nooit wat leerde in z’n jonge jaren, zelfs geen vinger behoefde uit te steken.Het ongeluk vervolgde hem wel, van alle kanten. Dadelijk na het trouwen al ’t faljiet van Tobiassen, voor wie hij twaalf nieuwe huizen plakte en waarvan hij geen dubbeltje kreeg. Toen die mijnheer Diemert, aan wie hij zooveel te kort kwam, ’t liefst maar drie duizend gulden aan kleeden. Dan dàt keertje brand, te laag geassureerd, zoodat ze hem een schijntje uitkeerden. Zes kinderen geboren en gestorven, komenen gaan kost geld, ’t kwam allemaal bij mekaar, tot-ie voor ’t fatsoen van de familie de winkel likwideerde en op bonnefooi naar Amsterdam trok. Dàt had-ie nooit moeten doen. In een kleine stad kun je ’t mager hebben en vol zorgen zitten, maar je komt er door. Hier, in Groot-mokum, geeft geen mensch om je. En natuurlijk, daar ginds waren ze blij, dat ze hem kwijt raakten; nu keken ze niet naar hem om, lieten hem aan zijn lot over. Zijn bloedeigen broer scheepte hem af met tien gulden, en op al zijn brandbrieven kreeg hij nou zelfs geen boe of ba. Dat hadden ze hem niet kunnen leveren als-ie daar was gebleven. Waarom was hij toch gegaan? Wel, omdat je in je eigen plaats je zoo moeielijk kunt verminderen, er nooit weer boven-op werken, maar een stommiteit bleef het toch. Van God en alle menschen zat hij hier verlaten! Zijn heele leven eigenlijk een enkele misgreep. In plaats hem zijn vak deugdelijk te laten leeren, stuurde zijn vader hem in de winkel om te verkoopen. Wat wist-ie nou van ’t werken af, van gordijnen en drapeeringen? Niks. Als hij zijn handen kon roeren, hoefde-ie nou niet op schobberdebonk te loopen en revolutiewerk voor ’n krats te maken, had-ie allicht een vaste plaats als meesterknecht gevonden. Maar wie dacht daar in zijn jeugd bij hem thuis aan? Hij was bazenzoontje, mocht dus de kantjes afslijpen. Nou zag hij eerst de gevolgen en z’n vrouw begreep maar niet, dat hij daarover zat te piekeren!Tusschen deze overpeinzingen door namen zijn oorenop de zaterdagavonddrukte, zagen weer zijn oogen haar stuursch gezicht, voelde hij ook de dorst in zijn keel branden. Hij moest eruit. Als hij hier bleef hangen kreeg hij vast geen werk; een loopende hond valt allicht wat in de mond was toch het spreekwoord. Maar ze zou hem niet laten gaan. Hoe dat aan te leggen? Een paar keer dacht hij, dat zijn vrouw zelf zou beginnen. Ze opende half de mond, dan kneep ze de lippen weer toe, zonder eenig geluid te geven. ’t Gaf zeker dolle ruzie indien hij ermee aankwam. En toch ’t moest, als hij langer wachtte, ging ’t heelemaal niet meer. Diep ineengedrongen, de magere handen onder ’t vlokkig-behaarde hoofd, zat hij te overleggen. De straatgeluiden scherpten hem al meer op, brachten hem tot opwinding. Elk oogenblik verwachtte hij, dat zijn vrouw zich zou omkeeren, hem een standje schoppen door geld te vragen voor de inkoopen. Dan zou hij de gelegenheid gebruiken om de spat te zetten. Ja, dat zou-ie doen! Maar zij zei niets, streek en vouwde onafgebroken door, zonder ’t hoofd op te heffen. Hij moest nu wel zelf beginnen, anders werd het te laat. Daar bleef niet anders over.De poes tilde hij van zijn knie, zette haar op de grond, de poes die gestoord in haar makkelijk liggen, nu de rug hoog-op kromde, tegen zijn beenen bleef spinnen. Meteen richtte hij zich al geeuwend op, rekte zich uit en zijn smal, klein gezicht in een plooi trekkend alsof hij ’t zelf lam vond, smeet hij onverschilligjes d’eruit:—Ik zal d’er verdorie nog op uit motte!Die woorden vielen als een enkele plof in de kamer.Dadelijk liet ze ’t strijkijzer rusten, keerde zich om, keek hem scherp aan, vroeg:—Wat zei-je?—Dat ’k nog effe d’eruit zal motte...—Je zal ’t wel uit je herses late!—Ze hebbe d’r iemand noodig... op de Haarlemmerdijk... bij van Wieren!—Zoo-o!—’t Staat d’ar in de krant.—Wèl toevallig!—Lees het dan zellef!Ze grinnikte van nijd, keerde zich verachtend om, duwde haar strakke rug langs hem heen, streek opnieuw voort, schimpte dan weer:—Op Zaterdagavond? Nee man... ik ken die foefies... geen denken an!—Foefies?... wat foefies?—Daar hei je zeker twee uur voor noodig, om die affertensie op te scharrele... of ik dat niet ken... van zes uur zit-d-ie d’er al... hà, hà, hà, treiterlachte ze.—Ik zie ’t net... da’s te zegge... ik zag ’t wel eerder. Niet veel bizonders... je zoekt en je zoekt honderd uit.—In elk geval, ’t is nou te laat. Ga morgen!—Dan is ’t zondag! kan ik toch niet gaan!Ze zweeg, door zijn antwoord vastgezet, doch ze wou geen kamp geven, omdat ze z’n streken te goed kende.Strak stond de stilte tusschen beiden in, fel vijandig. Dan zei ze scherp:—As-je morge in de vroegte gaat, ben je frisch.—Och mensch, lâ na’r je kijke... ze zulle me zien ankomme, op zondag!—Ma’r ’t is nou nacht.—Nacht, nacht? wat jij nacht noemt, pas half nege!—Nee, ’t is zeker vroeg, gotallemachtig...!—Dàt niet, ma’r... as je het nou niet eerder ziet. Wat verlet ik ermee? Niks... hebbe we ’t zoo goed... kunne we wachte! is m’n gang soms ’n doktersgang?Zij haalde de schouders minachtend op, streek door, hoorde het aan zonder hem verder te antwoorden hoe hij in een stortvloed van hakkelende, stotterende woorden, woorden zonder zin, die zich herhaalden, waarmee hij zich telkens weersprak, aanhield, zeggend, dat hij most, dat al gaf ’t niks, hij ’t niet mocht laten ontglippen!Zij zweeg, streek door; en aan haar harde rug zag hij best hoe ze er over dacht. ’t Prikkelde zijn verzet op. Hij moest nou doorhakken, anders kwam ’t er niet van. Met een schonkig gebaar schoof hij naar de kast, om zijn jas te pakken. Maar ze was vlugger dan hij, stond oogdreigend voor hem:—Je gaat niet, ik zèg je, je gaat níét!Hij liet zijn jas los, die op de stoel gleed, schreeuwde dan ineens gedurfd:—Zoo en waarom niet... ben jij soms de baas?, denk jij me te drille?—Ik zweer je, as je gaat, gaan ik ook! Wie je terugziet, maar mijn niet, versta-je!!—Wel-wel, wàt je meent, treiterde hij weerom, nog zoo slecht niet bedacht, denk je me daarmee te pesten, dan heb-je ’t mis, glad mis! De deur staat wagewijd voor je ope, as je soms weg wilt, vergis je toch niet.—Natuurlik, jij geeft er niet om, maar ik zweer je, dat ik ’t doe.... as je ’t hart hebt om uit te gaan zie je mij niet werom!In driftige hijgadem raffelde ze door, smeet in woede de woorden hem om de ooren. Hij, in zijn kleinheid strakstijf met norsch, zwart gezicht van onwilligheid, sprak geen woord. En dat maakte haar razend. Ze smeekte, bad om te blijven, dreigde dan weer, verweet hem zijn luieren, zijn zuipen, zijn slecht behandelen, en huilsmeekte vannieuws.Maar hij wou doorzetten, hield zich ongevoelig, zooveel voor ’t een als voor ’t ander. Brutaal snerpte hij:—’t is hier geen kwestie van goed of slecht behandele, het is kwestie om werk te krijge, èn of ’t nou half nege of half tien is, dat duvelt niks.... as je zonder zit, kan-je hier niet blijve hokke.... ’t werk komp niet van zelf.... heb je ooit van je leve.... nou wat zeg je me daarvan?Zoo bar mogelijk zei hij het, op ieder woord drukkend, om haar te overbluffen. Maar hoe nijdig hij zich ook hield, ze verzette geen voet, ze gaf niet toe. Hij wist, dat ze hem doorzag, voelde zich half geneigd toch weer de minste te wezen. Wat vroegen ze opde Haarlemmerdijk eigenlijk? Een aankomende bediende in een kruidenierswinkel, een halfwas, voor een vette drie gulden per week misschien.Nu begon ze opnieuw te kijven en te smalen, haar handen melodramatisch samenwringend.—Blijf nou thuis, dreig-smeekte ze. Late we overlegge hoe dat an moet met de huur.... late we zien ’n andere woning te krijge.Hij schokte de schouders, onwilligde terug:—Daar hebbe we morge alle tijd voor, nou kan ik nog probeere voor werrek, zal ook ’es naar Bouwlust gaan.Vlijm-scherp zag ze zijn doel: het café waar de bouwers samenkwamen en ze wist al vooruit waarop dat ging uitdraaien; ’t werd natuurlijk weer zwetsen en drinken! Om hem van dit plan af te houden werd ze toeschietelijker, vroeg ze bijna gedienstig:—Wil ik koffie zette?Baller weifelde.De gillen en kreten der zaterdagavondventers rilden in zijn ooren, dansten er rond, lokten hem naar die drukte,—en toch, hij durfde niet best, bang voor haar groote mond. D’er zou wat zwaaien! Maar, als-ie nou niet doorzette, kreeg-ie de heele avond geen kans meer, zat-ie bakker-an. Het zichzelf opgesloten zien zitten en dan niet weg te kunnen doemde ineens voor hem op. Zijn dorstige keel schroeide saam bij de gedachte geen jenever te krijgen, en de koffie, waarnaar hij straks zelfs vroeg, proef-smaktein gedachten nu op zijn tong bitterdrabbig. Hu, net cichoreiwater! Een benauwing sloeg in hem op, doorgloeide zijn keel, steeg naar zijn klein, verweerd, zwartbaardig hoofd, dat hij opgeblazen-heet voelde worden, terwijl een koude kriebel langs zijn rug kroop.—Nee, stootte hij uit, nee, voor mij hoef-je niet te zette... ik mot toch d’erop uit.... voor die advertentie.Zij schokte uit haar gebogen houding op, liet het dekselplaatje van de kachel dat ze oplichtte voor de waterketel, met een klaterende rinkel terugvallen, keek hem star-stijf aan, ermee zeggend: dat gaat zóó niet mannetje!—Ja zeker, weerbarstigde Baller. Ik mot ook zien Peters te treffe!—Peters? smaalde ze, in haar heftigheid geen woorden vindend om op hem los te branden.—Ja zeker Peters! bevestigde hij. Die hêt-me beloofd as de verdiepinge zoo ver benne...—Wat verdiepinge... ’t vriest toch veel te hard om te kunne plakke... ja, maak mijn dat wijs!!—Zoo?—’t Werk ligt stil, dat hè-je toch zellef gezeid.—In elk geval, driftigde Baller nu, in elk geval ’k mot eruit. Denk je soms, dat ze ’t op de trap komme legge?—Zie je wel.... zie je wel.... Hij wil d’eruit.... hij wil d’eruit... naar de kroeg! Heb ’k ’t nietgedacht... wist ik ’t niet... geen cent thuis en toch zuipe!!Op die smalende woorden schoot Baller ineens op, vinnig-fel, alsof-ie haar te lijf wou. Haar vellig-magere handen klauwden zich tot verweer, de deur moest ze afsluiten, zoodat-ie niet wegkon. Maar ze was bang, dat-ie haar dan van achteren zou aanpakken, dat leverde-ie meer! Haar vingers kromden zich om te nijpen en te krabben.Baller zag haar steelsche blik naar de deur en kreeg een inval. Ja, dat kon! Met kattige drift van kleine man, die niet op kan tegen zijn grootere vrouw, stormde hij op haar toe, vooruitstootend zijn eene arm, alsof hij haar te lijf ging. Maar in plaats van dat te doen, greep hij in snelle vaart naar jas, naar hoed, rukte de deur open,—en voor ze nog eraan dacht, was hij al buiten, op ’t portaal, holde de trap af, de kamerdeur met dreunend geweld vlak voor haar gezicht toeslaand.Zij riep nog: Jan! Jan!Hij holde door, was de onderste trap al af, buiten haar bereik. Ze stond verbluft, sprakeloos van machtelooze woede.
Stil stond de kamer.
Een vijandige stemming hing er dik en maakte alles grauw.
Baller, klein zwart mannetje, om ’t geel en tanig gezichtsvel een verwaarloosd, vlokkig baardkransje, de oogen verzwakt, de knokig-harde handen in stugge stutting onder het landerige, kleine hoofd, blikte sufferig en moe rond.
Ingehouden nijdigjes bestaarde hij zijn vrouw, die zonder eenige notitie van hem te nemen, haar gewone werk afdeed van alle zaterdagavonden. Buiten schreeuwden en relden al de venters. Hun schor-schrille, doordringende geluiden snerpten fel uit boven het gegons en gegrom, boven het ratelend kargerol der straat, verweekten of krompen in, warrelden en woelden ermee samen soms, sloegen dan weer fel ôp en werden één enkele stormende vlaging die opklomtegen de hooge huizen, voortrakkelde langs de hoorige ruiten. De aanprijzingen wisselden elkaar gestadig af, volgden elkaar op, klauwden ineen en spatterden weg tot in de dwarsstraten, om opnieuw weer aan te vlagen, overjagend heel de wijk met drukte en geweld. De verkoopkreten en gillen werden al snerpender, laaiden wilder uit, joelden al hooger op, drongen tot twee, drie hoog, bereikten zelfs de achtervertrekken.
Baller in zijn kleine spitsigheid nam willig op al dat straatgewoel. ’t Vroor zeker hard, want hij hoorde bar al dat geschreeuw. ’t Leek wel of al ’t gewoel, het gemonkel en gesjacher, het bieden en opdringen rond de wagens, de zwaaiende armen van de straatventers, of de plakkerdrukte der winkels hier vlak naast hem stond, of ’t bij hem op de kamer zelf gebeurde en hij zich midden op straat bevond, zoo hoorde en zag hij alles duidelijk. O, hij begreep het, ’t kwam door dat vriesweer, dat alles zoo opklonk. En datzelfde vriesweer hield hem ook zonder werk. Hoewel als de wind draaide ’t best zou kunnen gaan dooien!
Heel de morgen en heel de middag had hij thuisgezeten, hij verlangde weg te komen, wist toch niet hoe dat aan te leggen, want als je niks aanbrengt heb je ook weinig in te brengen, dit stond zoo vast als een huis. In elkaar gekrompen begluurde hij vaag de bewegingen van zijn vrouw, die niet vriendelijk gehumeurd van ’t eene eind der kamer naar ’t anderesjokte. Haar mager, uitgezakt lichaam stootte ze in moeielijke dracht door ’t klein vertrek, dat schraal verlicht, aan kant gemaakt en toch overhoop lag door haar gewerk. Op alle stoelen stapelde zich het wit en bont waschgoed en naast de tafel lag een mand vol, dat nog door haar vingers moest, ’t zou zeker in ’t eerste uur niet gedaan zijn!
Vrouw Baller streek nu op de tafel aan, overspande die met een ouwe, wollen deken en begon zonder nadere uitleg aan haar wasch. Met haar harde werkvingers rekte ze het goed, griste de zoompjes eruit, streek het dan met de vlakke hand zoowat glad, vouwde en rolde het saam, om te laten mangelen. IJverig werkte ze door, nu en dan opkijkend naar de kachel of die wel goed brandde, anders werd haar ijzer niet warm en ze moest strijken.
Van buiten sloegen weer op de schrille galmstemmen. Kreten van haring, volle haring... puike aerpels... mooie kool, fijne vaste kool, zoo hard als ’n bikkel om ’n gat mee in de kop te gooie en andijvie, lekkere malsche andijvie, ze schalden in ruwe roering dooreen, relden en jelden dan weer ieder afzonderlijk uit, heel klaar en duidelijk.
Baller zuchtte. Hij merkte het best, die zaterdagavonddrukte maakte z’n wijf tureluurs evenals hem zelf. Zaterdagavond en geen geld, goed om ’n vrouw helsch te maken. Had ze al ingekocht voor morgen, natuurlijk dan van haar eigen zuur verdiende geld? Hij wist het niet en durfde ’t ook niet vragen, verdieptezich weer in zijn krant, die hij daarstraks zelf aan de kiosk haalde. Hij had zich toen ook een borrel gekocht... als ze nou maar niet te dicht onder zijn adem kwam, dan rook ze ’t en dan werd het bepaald ruzie, ze kon de drank niet uitstaan. Zeker, ’t zaakje hing niet in de haak, dat hij zoo nu en dan er eentje stiekem pakte. De verdiensten kwamen van haar, ze hield de boel bijeen, maar hij kon er niet buiten, zonder een opkikkertje zakte hij heelemaal in elkaar. Eén enkele borrel, die hield hem op de been, anders ging alle moed d’eruit. Totnutoe bezat-ie nog ’n snabbeltje apart, kon-ie wat achterbaks houden, nou raakte dat gedaan, ’t was op en nou moest-ie afwachten dat zij hem iets gaf. Dat vond-ie wel erg. Kon-ie in ’s hemelsnaam iets vinden al was ’t als loopknecht, maar och niks stond er weer in de krant.
Moedeloos pakte hij het vettig-bedrukte, dun-klaterend dagblad op en neusde alle advertentiën door. Maar daar schoof ze met haar lang, houterig lichaam voor hem heen, zoodat hij geen lettertje kon zien; zijn oogen staarden blind tegen haar strak-harde rug als tegen een muur. Dat maakte hem nog kribbiger. Gewoon niet om te doen, meende hij. Z’n plaatsje zocht hij juist hier tusschen het raam en ’t zeskante potkacheltje om uit de verdrukking te wezen en haar niet in de weg te zitten. ’t Was er ook warm en niet te ver van de lamp die als altijd slecht brandde. En telkens, alsof zij ’t erom deed, dwarrelde ze voorzijn oogen als ze de strijkbout tegen de kachel ging zetten, waarvoor ze niet wou omloopen. Dan moest-ie grommen en brommen, al hield hij zich nog zoo in omdat klagen toch niet hielp. Daar, dáár had je ’t weer. Diep zuchtte hij ervan.
Ze hoorde nu zijn gezucht. Smalend zei ze:
—Ga dan uit de weg, je ziet da’k mot strijke...plaa’sgenoch...
—Nee, d’er is geen plaa’s... ’t lig’ overal vol!
—Zoo, wat je zegt!
Ze keek eens rond, zonder op te houden, onder ’t werken door, en snerpte opnieuw:
—Da’r gin’s staat toch ’n stoel...
—Kun-jij da’r soms zien... in stikka donker, nou ik niet. ’k Zie hier best, as jij me ma’r niet in ’t licht staat te draaie!
—’k Kan er niks an doen, bitste ze voort, ’k ploeter me uit de naad voor ’n paar cente, ma’r me eige boel kan nie blijve legge!
Baller zei niets terug, zweeg in hopeloos dof staren, terwijl ze voortging met voor hem heen te schuiven. Zeker, ze had gelijk, haar eigen wasch moest ook worden gedaan. Als zij uit werken ging, als ze de gansche dag voor ’n ander streek, was het al mooi, dat ze het zaterdagsavonds nog voor haar zelf wou doen, dàt gaf-ie grif toe. Alléén, waarom wou ze niet aan d’andere kant staan, waarom kwam ze hem telkens voor de oogen dweilen? Ze kon ’t niet hebben, dat hij hier lekker in ’t hoekje zat en zij nogvoortmoest. Enkel pesten, judassen van haar, anders niet, èn hij moest het maar verdragen. Zeker, ’t bleef godgeklaagd, dat zij zich als vrouwmoest afbeulen en hijzelf geen sners verdiende, maar was het zijn schuld, wilde-ie soms niet werken? Al over de vier maanden zat-ie zonder, van de week nog al nieuwjaar geweest, geen cent in huis, tot over de ooren in de schuld, met recht een prettig vooruitzicht! Waar moest dat naartoe, ’t werd in de behangerij met de dag slapper, en als ’t nou bleef vriezen kwam er ook geen schot, moest-ie heelemaal van haar afhangen. ’t Was om met je kop tegen de muur te loopen, wist-ie maar wat anders op te denken dan in dat lamme behangerswerk, daarvoor zocht-ie toch juist in de krant.
Baller probeerde zijn oogen te verscherpen en de kleine, kriewelige lettertjes te ontcijferen, maar nu schoof ze weer om hem heen en het uitgevouwen blad kronkende en ontglipte aan zijn hand. Grissend greep hij naar ’t papier, maar haar zwaaiende rok sloeg het al neer en nu lag het op de grond als een vod; ze liep er bijna overheen. Hij meende ruw uittevallen, bedwong zich toch, wetend dat zij niet op haar mondje gevallen, hem niet minder van woord zou dienen, en hij wilde graag goede vrienden blijven, omdat hij straks nog ’s er op uit dacht te trekken.
Moedwillig bleef ze voor hem langs draaien en vol ergernis keek hij tegen haar star-bewegende rug. Enkel zag hij het fletsig haar, dat boven haar stakelijf uitvaalde.
—Verdikkeme, verdikkeme! mompelde hij en zweeg dan weer.
Maar zij had zijn gemopper best gehoord, en dat prikkelde haar. Zonder zich om te keeren snauwde ze kortaf:
—Kijk ma’r ’es liever na’r de kachel.... dan doe je teminste wat voor de kost...
Zonder een verder woord van tegenspraak stond Baller op, pookte van onder in ’t rooster, stootte de kacheldeur open. Een rosse flakkergloed laaide uit, begloeide de grond. Drie, vier scheppen kokes smeet hij op ’t vuur, dat knetterde en sintelde, en opnieuw stompte hij de schepper in de bak, om nog een smijt toe te geven, toen zijn vrouw zich driftig omkeerde, schor-schreeuwend:
—Welzeker... welzeker, waarom niet... kan ’t niet op... kost de brand soms geen geld... ’t is ’t laa’st wâ we hebbe...
Voor een oogenblik stond Baller paf. Dan kwakte hij de gevulde schepper in de bak terug, gromde:
—Dàt had je wel eerder kunne zegge!
—Nou nog snauwe d’erbij... geen cent inbrenge en allemanspraat!
Baller zweeg maar weer. Ze was al in een heele slechte bui en dan viel niet met haar te mallen. Nog een gesmoorde grom en hij duwde de kacheldeur toe, rekte zich eens uit. Zijn afbeelding schaduwde gedrochtelijk op ’t vaag-witte gordijn. Even keek hij er na, liet zich dan op zijn stoel terugzakken,greep botweg de krant, om die verder door te lezen. Maar bij de lichtzwakke lamp wiebelend in de warmte van ’t vertrek en door de bewegingen van ’t strijken, in dat vlekschuivend licht, waarbij zijn vrouw nog telkens voor hem heenschoof, zagen zijn schemerende oogen maar moeielijk de kleine, vettig-gedrukte lettertjes op ’t dun flodderpapier. Zijn blikken reikten niet veel verder dan tot de aankondiging: Vraag en aanbod. Te vergeefs dwong hij zijn afgeleefde oogen om die door elkaar krioelende regeltjes nauwgezet te verkennen. Veel zaaks stond er niet, dat speurdehij al in één vlucht, maar toch, je kon nooit weten, allicht sla-je eens wat over. Hij wou wat vinden, een reden hebben om er tusschenuit te kunnen trekken.
Hoe hij zich ook inspande, ’t lezen en nakijken van de advertentiën ging hem maar moeilijk af. De hitte van de nu-sterker-aansnorrende kachel, de strijklucht en ook ’t witte geglemer van ’t goed maakten hem stomp en wee. Zijn oogen werden waterig, alsof ze dreven. Dof en suf in zijn hoofd, liet hij de krant maar glijden, staarde verwezen voor zich uit, zich pijnigend met het zoeken van een leugen om hier weg te kunnen komen. Maar hij kon niets verzinnen. ’t Leek of haar aanwezigheid zijn denkkracht tot onmacht sloeg, of ze hem dwong tot berustend blijven. Zij stond daar, het sjofele stakelijf tegen de rand der tafel geduwd om meer macht te kunnen zetten, en hij wist als-ie maar een woord over uitgaan kikte, zij zich dadelijk zou omkeeren hem de wind van voren geven.
Lijdzaam keek hij toe, begluurde hoe ze ’t gewasschen goed rekte, de naden uithaalde, het streek, opnieuw vouwde tot het werden gelijkmatig vierkante vormen, elk stuk stapelend soort bij soort, sloopen bij sloopen, hemden, handdoeken, klein goed en groote stukken, rokken en lakens, naar dezelfde maat.
Ze werkte voort. De tafel, waarvan ze de bijbladen had uitgetrokken om meer ruimte te hebben, wiegelde op de wrakke pooten bij al ’t stroef gewerk, schokte mee op de zet en terughaal van haar strijk,—en onder het pootig drukken, omdat de ijzers dadelijk koud werden, knerste de tafella over de looprichels, en dan kraakte het dunne, versleten katoen onder haar grif-tastende vingers, al ging ze nog zoo voorzichtig ermee om. Bij elke krak zuchtte ze zwaar. Hij wist wat dat zeggen wou, vrouwen hangen aan ’t linnengoed, meer als aan haar leven. Zonder dat-ie haar gezicht kon zien wist hij toch hoe zwart-nijdig haar trekken werden als haar vingers ’t verteerde goed aan flarden haalden. Dan viel er met haar niet te mallen!
Gedachtenloos aaiden zijn handen de witte poes, die snorde, de rug hoog opzette onder zijn strijkingen, hem telkens kopjes gaf en spinnend tegen zijn beenen stond aan te wrijven. Hij vergat zijn krant te lezen.... raakte weer aan het peinzen.
Ze merkte het, liet haar ijzer rusten, zag hem een oogenblik scherp aan, en zei dan schimpend:
—Je hebt het ma’r makkelik, dàt mô ’k zegge.... je denkt an niks! Is er de huur al bij mekaar?
Baller schouderschokte, knipte van onmacht de oogen. Dat ze nu weer vroeg.... ze wist toch wel, dat-ie niet had.
—De huisvent is van morge d’er geweest.... as-ie maandag nie’ krijgt, gaat-ie z’n gang! zei ze opnieuw.
Baller bleef zwijgen. Wat moest-ie zeggen?
—Hij wil niet wachte, versta-je, schreeuwde ze nu feller. Je zit da’r ma’r of je van Lotje bent getikt.
—Maar wat wil-je dan toch mensch? stoof Baller nu op, terwijl zijn oogen vurig werden en zijn klein hoofd zich tot haar oprichtte.
—Wat ik wil... wat ik wil? ik wil niks... ik zeg alleen ma’r, dat-ie niet langer wil wachte... is dat soms niet klaar genoch voor meheer... laat dat nog aan duidelikheid te wensche over?
Zij zette de handen in de zij, keek hem smalend met een hoonlach aan, herhaalde:
—Hij wil niet wachte... geen dag meer!
—Zoo? wil-ie niet wachte? nou dan mot-ie ’t ma’r zien van m’n rug te snije! stootte Baller er eindelijk noodgedwongen uit. Al zijn benauwdheid, het zich klein voelen onder haar aanval, viel ineens van hem weg. De enkele borrel, die hij vanavond pakte, gifte in hem op. Hij begreep, dat-ie zich te weer moest stellen, en zich niet alles kon laten gezeggen, want dan ging ze langer hoe verder. Fel, met woedend-gemeene blikken, valschte hij naar haar òp, om haar op die manier wat af te schrikken.
Zij liet zich niet daarmee van streek brengen, zei treiterend-zeker:
—Hij smijt ons d’eruit, dan stane we op straat.
—D’er is nog al veel om op straat te zette, schetterde hij terug.
—Veel of niet veel, je legt onder de bloote hemel... en waar vin-je zoo gauw wat anders?
—Hij doet ’et niet, wat ik je smoes... hij maakt je maar bang, vergoelijkte Baller weer.
—Bang... bang? Het-ie soms geen recht... is ’t nog niet lang genoch... ellef weke?
—Ja, zuchtte Baller, weet jij d’er raad op? Ik niet!
—Dat is wel makkelik je zóó d’eraf te make!
—Weet jij dan ’n middel?
—D’er ben je man voor, ellef weke niet betaald, ’t is maar niks... noem je dat soms kattedrek?
Baller mompelde een “stik” tusschen zijn tanden, draaide haar de rug toe. Dat wekte eerst recht haar toorn op, ze smeet de ijzers terzij, liep handen-wringend overentweer, jammerde het vertrek vol met haar snerpende klachten.
Baller kreeg het te benauwd. Van angst en wrevel sprong hij op, hakkelsnauwde:
—Hou toch ’es op... met je herrie... ’t is nog zoo ver niet... wat bliksem is dat?
—Zoo ver niet, zóó ver niet? Me dunkt ’êt...! dat ’t ver genoch is! Hoonend bleef ze voor hem staan, zei dreigend, klagend:
—M’n god, wat zal er van ons komme!
—Kan ’k ’t helpe... mot ik soms gaan stele?
Minachtend keek ze hem aan, en die blik zei:daar ben je veel te laf voor. Dan hoonde ze voort:
—Zuipe, dàt kan je wel... je stinkt weer naar jenever!
Baller werd weer bang.
—Zanik niet, ontweek hij. Je hebt altijd wat!
—’t Is toch zoo. Denk je dat ik niet ruiken kan.
—Een glaasie noem je dàt zuipe?
—Hier een glaasie en daar één, zoo gaat het geld weg... alles door ’t keelgat. Ze geve het je niet voor niks, dàt maak je mij niet wijs!
—’k Mot toch op werk loope!... hier of daar hoore... ’t komp niet van zellef.
—Och wat, uitvluchten van jan kalabas... je vindt geen werk... ik als vrouw draai er ma’r voor op.
—’k Kan toch niet bij de pakke blijve zitte, is wel?
—’t Zou wat! zei ze minachtend.—Dàn pakte ze het ijzer van ’t kacheltje, vingertipte langs de plaat om de warmte te toetsen, begon weer te strijken. Gelijk keerde zij zich nog eens om, zei dreigend:
—Je mot ’t zellef wete, ma’r dàt zeg ik je, as we op straat komme te staan, trek ik ertusschen uit.
Ik haal mijn kossie wel!
Baller zakte in zijn hoek terug. Al zijn moed verschrompelde en gleed weg; hij voelde zich als geranseld met een zweep. De hitte van ’t gesprek en de duffe, bedwelmende strijkwarmte maakten zijn lippen rimpel-droog en toch durfde hij niets zeggen. Die geschiedenis met de huishuur bleef leelijk. Ze waren wel eens meer achter geweest, maar zooveel als nou nee, elfweken, kwam nog niet voor. Sakkerjen, ’t zou zoo’n wonder niet zijn als het misliep!
De poes wipte op zijn knie, zette haar rug hoog op, vleide zich neer, de kop tusschen het lenig vel gravend.
Baller liet het beest begaan, keek suf voor zich uit. Konden ze maar een of twee weekjes afdokken, of had-ie teminste werk in ’t zicht, om de huisbaas te paaien, maar geen cent in de mars en niks in ’t verschiet, dat was om de dood niet plezierig. Te verkoopen of naar de lommerd te brengen viel er niet. Wat hier nog stond, die nakende stoelen, de tafel, het kacheltje, dàt hadden ze alles hard noodig. Zijn zondagsche spullen waren nog over, om ze voor een daggie te verzetten, maar als het daartoe kwam kon-ie niet meer in ’t licht verschijnen. Zijn vrouw had ook niet te veel, geen fatsoenlijk stuk aan d’er lijf! Wel waren ze afgezakt, zaten totaal vast, de eenige uitkomst werk te krijgen, maar hoe en waar...
Moedeloos nam hij de krant weer op, doorzocht de heele lijst van kleineadvertentiën, al wist-ie dat er niets voor hem instond. Hij wou wat vinden, om uit de kamerbenauwdheid weg te kunnen. Met zijn nagel krabde hij hier en daar wat aan, doch hij dorst er nog niet mee voor de dag te komen. Dan vroeg hij om te polsen of haar stemming beterde:
—Heb je niks te drinke? heb je al koffie?
—Ja strakkies... as ik klaar ben ga ik koffie zette!
’t Was nog niet in orde, dat merkte hij best. Daarom vroeg hij, terwijl hij meteen bereidwillig opstond:
—Wil ’k soms wat op de kachel gooie?
—Welzeker, ’t kan niet op! Ze zei het bits, zonder op te kijken.
Baller vroeg niet meer, ging weer zitten, tuurde in zijn krant, stootte nu en dan een “ha” eruit, alsof hij iets van belang vond, las hard op een advertentie, die hij maar verzon.
Nu hoorde hij weer de avondventers, en hun schorre, schrille geluiden, die naar de derde verdieping òprelden, leken hem sarrende kreten, fel treiterend omdat hij hier als zat vastgebonden. De dorst werd al erger, schroefde hem de keel toe, en toch opstappen durfde hij niet. ’t Was zijn eigen bedrijf, zijn eigen schuld dat-ie zoo in de klem raakte. Hij moest vroeger beter op zijn boeltje hebben gepast, maar o, de kolder stak hem in de kop, hij voelde zich te hoog, te veel meneer om aan te pakken, schaamde zich om met de stijfselpan te loopen, nou ja, hij was ook een bazenzoontje! Zijn vader waarschuwde hem tijdig toen hij met haar begon en zijn moeder drong altijd aan, dat-ie een vrouw met geld zou zoeken, maar hij luisterde er niet naar. Nou zag-ie eerst zijn stommiteit. Een vrouw enkel om haar mooi gezichie nemen was de grootste ezelstreek, die een man kon uithalen. Een mooi gezichie? Godbetert als-ie haar nou aankeek, een uitgeholde raap op een strijkplank leek ze! Ze was wel veranderd.
Nijdig blikte hij naar haar, nam haar eens nauwkeurig op. Het vale, dor-blonde haar lag slordig om ’t doorzorg en ellende verwaarloosd bleek gezicht, waaruit de jukbeenderen grof staken, terzij van de vastgenepen mond groefden zich harde trekken en haar neus spitste scherp, als de ram van een schip, heel haar wezen een brok harde narigheid.—Behalve een slap uitzet bracht ze niks mee, geen rooie cent, en eenmaal getrouwd, kreeg ze evenveel bereddering als de fijnste madam. Hoe anders zou ’t zijn geloopen indien hij er eentje met de noodige grijpstuivers had gezocht; in zijn tijd kon-ie er genoeg krijgen, hij had z’n vingers maar even hoeven uit te steken; de meisjes met centen waren er toch om te worden gevraagd. Maar hij liet zich door haar aardig bekkie inpalmen, en nou moest-ie de gevolgen dragen, daaraan viel niet te veranderen. En ’t ergste nog: ze wou niet begrijpen dat ze verschillend waren; ze schold en schimpte, nam niet in aanmerking, dat zijn handen voor ’t werken verkeerd stonden.
Maar ondanks haar venijnigheid deed ze haar best, veel meer dan hij zelf, al werd ze dan ook voor ’t werken opgebracht, terwijl hij nooit wat leerde in z’n jonge jaren, zelfs geen vinger behoefde uit te steken.
Het ongeluk vervolgde hem wel, van alle kanten. Dadelijk na het trouwen al ’t faljiet van Tobiassen, voor wie hij twaalf nieuwe huizen plakte en waarvan hij geen dubbeltje kreeg. Toen die mijnheer Diemert, aan wie hij zooveel te kort kwam, ’t liefst maar drie duizend gulden aan kleeden. Dan dàt keertje brand, te laag geassureerd, zoodat ze hem een schijntje uitkeerden. Zes kinderen geboren en gestorven, komenen gaan kost geld, ’t kwam allemaal bij mekaar, tot-ie voor ’t fatsoen van de familie de winkel likwideerde en op bonnefooi naar Amsterdam trok. Dàt had-ie nooit moeten doen. In een kleine stad kun je ’t mager hebben en vol zorgen zitten, maar je komt er door. Hier, in Groot-mokum, geeft geen mensch om je. En natuurlijk, daar ginds waren ze blij, dat ze hem kwijt raakten; nu keken ze niet naar hem om, lieten hem aan zijn lot over. Zijn bloedeigen broer scheepte hem af met tien gulden, en op al zijn brandbrieven kreeg hij nou zelfs geen boe of ba. Dat hadden ze hem niet kunnen leveren als-ie daar was gebleven. Waarom was hij toch gegaan? Wel, omdat je in je eigen plaats je zoo moeielijk kunt verminderen, er nooit weer boven-op werken, maar een stommiteit bleef het toch. Van God en alle menschen zat hij hier verlaten! Zijn heele leven eigenlijk een enkele misgreep. In plaats hem zijn vak deugdelijk te laten leeren, stuurde zijn vader hem in de winkel om te verkoopen. Wat wist-ie nou van ’t werken af, van gordijnen en drapeeringen? Niks. Als hij zijn handen kon roeren, hoefde-ie nou niet op schobberdebonk te loopen en revolutiewerk voor ’n krats te maken, had-ie allicht een vaste plaats als meesterknecht gevonden. Maar wie dacht daar in zijn jeugd bij hem thuis aan? Hij was bazenzoontje, mocht dus de kantjes afslijpen. Nou zag hij eerst de gevolgen en z’n vrouw begreep maar niet, dat hij daarover zat te piekeren!
Tusschen deze overpeinzingen door namen zijn oorenop de zaterdagavonddrukte, zagen weer zijn oogen haar stuursch gezicht, voelde hij ook de dorst in zijn keel branden. Hij moest eruit. Als hij hier bleef hangen kreeg hij vast geen werk; een loopende hond valt allicht wat in de mond was toch het spreekwoord. Maar ze zou hem niet laten gaan. Hoe dat aan te leggen? Een paar keer dacht hij, dat zijn vrouw zelf zou beginnen. Ze opende half de mond, dan kneep ze de lippen weer toe, zonder eenig geluid te geven. ’t Gaf zeker dolle ruzie indien hij ermee aankwam. En toch ’t moest, als hij langer wachtte, ging ’t heelemaal niet meer. Diep ineengedrongen, de magere handen onder ’t vlokkig-behaarde hoofd, zat hij te overleggen. De straatgeluiden scherpten hem al meer op, brachten hem tot opwinding. Elk oogenblik verwachtte hij, dat zijn vrouw zich zou omkeeren, hem een standje schoppen door geld te vragen voor de inkoopen. Dan zou hij de gelegenheid gebruiken om de spat te zetten. Ja, dat zou-ie doen! Maar zij zei niets, streek en vouwde onafgebroken door, zonder ’t hoofd op te heffen. Hij moest nu wel zelf beginnen, anders werd het te laat. Daar bleef niet anders over.
De poes tilde hij van zijn knie, zette haar op de grond, de poes die gestoord in haar makkelijk liggen, nu de rug hoog-op kromde, tegen zijn beenen bleef spinnen. Meteen richtte hij zich al geeuwend op, rekte zich uit en zijn smal, klein gezicht in een plooi trekkend alsof hij ’t zelf lam vond, smeet hij onverschilligjes d’eruit:
—Ik zal d’er verdorie nog op uit motte!
Die woorden vielen als een enkele plof in de kamer.
Dadelijk liet ze ’t strijkijzer rusten, keerde zich om, keek hem scherp aan, vroeg:
—Wat zei-je?
—Dat ’k nog effe d’eruit zal motte...
—Je zal ’t wel uit je herses late!
—Ze hebbe d’r iemand noodig... op de Haarlemmerdijk... bij van Wieren!
—Zoo-o!
—’t Staat d’ar in de krant.
—Wèl toevallig!
—Lees het dan zellef!
Ze grinnikte van nijd, keerde zich verachtend om, duwde haar strakke rug langs hem heen, streek opnieuw voort, schimpte dan weer:
—Op Zaterdagavond? Nee man... ik ken die foefies... geen denken an!
—Foefies?... wat foefies?
—Daar hei je zeker twee uur voor noodig, om die affertensie op te scharrele... of ik dat niet ken... van zes uur zit-d-ie d’er al... hà, hà, hà, treiterlachte ze.
—Ik zie ’t net... da’s te zegge... ik zag ’t wel eerder. Niet veel bizonders... je zoekt en je zoekt honderd uit.
—In elk geval, ’t is nou te laat. Ga morgen!
—Dan is ’t zondag! kan ik toch niet gaan!
Ze zweeg, door zijn antwoord vastgezet, doch ze wou geen kamp geven, omdat ze z’n streken te goed kende.
Strak stond de stilte tusschen beiden in, fel vijandig. Dan zei ze scherp:
—As-je morge in de vroegte gaat, ben je frisch.
—Och mensch, lâ na’r je kijke... ze zulle me zien ankomme, op zondag!
—Ma’r ’t is nou nacht.
—Nacht, nacht? wat jij nacht noemt, pas half nege!
—Nee, ’t is zeker vroeg, gotallemachtig...!
—Dàt niet, ma’r... as je het nou niet eerder ziet. Wat verlet ik ermee? Niks... hebbe we ’t zoo goed... kunne we wachte! is m’n gang soms ’n doktersgang?
Zij haalde de schouders minachtend op, streek door, hoorde het aan zonder hem verder te antwoorden hoe hij in een stortvloed van hakkelende, stotterende woorden, woorden zonder zin, die zich herhaalden, waarmee hij zich telkens weersprak, aanhield, zeggend, dat hij most, dat al gaf ’t niks, hij ’t niet mocht laten ontglippen!
Zij zweeg, streek door; en aan haar harde rug zag hij best hoe ze er over dacht. ’t Prikkelde zijn verzet op. Hij moest nou doorhakken, anders kwam ’t er niet van. Met een schonkig gebaar schoof hij naar de kast, om zijn jas te pakken. Maar ze was vlugger dan hij, stond oogdreigend voor hem:
—Je gaat niet, ik zèg je, je gaat níét!
Hij liet zijn jas los, die op de stoel gleed, schreeuwde dan ineens gedurfd:
—Zoo en waarom niet... ben jij soms de baas?, denk jij me te drille?
—Ik zweer je, as je gaat, gaan ik ook! Wie je terugziet, maar mijn niet, versta-je!!
—Wel-wel, wàt je meent, treiterde hij weerom, nog zoo slecht niet bedacht, denk je me daarmee te pesten, dan heb-je ’t mis, glad mis! De deur staat wagewijd voor je ope, as je soms weg wilt, vergis je toch niet.
—Natuurlik, jij geeft er niet om, maar ik zweer je, dat ik ’t doe.... as je ’t hart hebt om uit te gaan zie je mij niet werom!
In driftige hijgadem raffelde ze door, smeet in woede de woorden hem om de ooren. Hij, in zijn kleinheid strakstijf met norsch, zwart gezicht van onwilligheid, sprak geen woord. En dat maakte haar razend. Ze smeekte, bad om te blijven, dreigde dan weer, verweet hem zijn luieren, zijn zuipen, zijn slecht behandelen, en huilsmeekte vannieuws.
Maar hij wou doorzetten, hield zich ongevoelig, zooveel voor ’t een als voor ’t ander. Brutaal snerpte hij:
—’t is hier geen kwestie van goed of slecht behandele, het is kwestie om werk te krijge, èn of ’t nou half nege of half tien is, dat duvelt niks.... as je zonder zit, kan-je hier niet blijve hokke.... ’t werk komp niet van zelf.... heb je ooit van je leve.... nou wat zeg je me daarvan?
Zoo bar mogelijk zei hij het, op ieder woord drukkend, om haar te overbluffen. Maar hoe nijdig hij zich ook hield, ze verzette geen voet, ze gaf niet toe. Hij wist, dat ze hem doorzag, voelde zich half geneigd toch weer de minste te wezen. Wat vroegen ze opde Haarlemmerdijk eigenlijk? Een aankomende bediende in een kruidenierswinkel, een halfwas, voor een vette drie gulden per week misschien.
Nu begon ze opnieuw te kijven en te smalen, haar handen melodramatisch samenwringend.
—Blijf nou thuis, dreig-smeekte ze. Late we overlegge hoe dat an moet met de huur.... late we zien ’n andere woning te krijge.
Hij schokte de schouders, onwilligde terug:
—Daar hebbe we morge alle tijd voor, nou kan ik nog probeere voor werrek, zal ook ’es naar Bouwlust gaan.
Vlijm-scherp zag ze zijn doel: het café waar de bouwers samenkwamen en ze wist al vooruit waarop dat ging uitdraaien; ’t werd natuurlijk weer zwetsen en drinken! Om hem van dit plan af te houden werd ze toeschietelijker, vroeg ze bijna gedienstig:
—Wil ik koffie zette?
Baller weifelde.
De gillen en kreten der zaterdagavondventers rilden in zijn ooren, dansten er rond, lokten hem naar die drukte,—en toch, hij durfde niet best, bang voor haar groote mond. D’er zou wat zwaaien! Maar, als-ie nou niet doorzette, kreeg-ie de heele avond geen kans meer, zat-ie bakker-an. Het zichzelf opgesloten zien zitten en dan niet weg te kunnen doemde ineens voor hem op. Zijn dorstige keel schroeide saam bij de gedachte geen jenever te krijgen, en de koffie, waarnaar hij straks zelfs vroeg, proef-smaktein gedachten nu op zijn tong bitterdrabbig. Hu, net cichoreiwater! Een benauwing sloeg in hem op, doorgloeide zijn keel, steeg naar zijn klein, verweerd, zwartbaardig hoofd, dat hij opgeblazen-heet voelde worden, terwijl een koude kriebel langs zijn rug kroop.
—Nee, stootte hij uit, nee, voor mij hoef-je niet te zette... ik mot toch d’erop uit.... voor die advertentie.
Zij schokte uit haar gebogen houding op, liet het dekselplaatje van de kachel dat ze oplichtte voor de waterketel, met een klaterende rinkel terugvallen, keek hem star-stijf aan, ermee zeggend: dat gaat zóó niet mannetje!
—Ja zeker, weerbarstigde Baller. Ik mot ook zien Peters te treffe!
—Peters? smaalde ze, in haar heftigheid geen woorden vindend om op hem los te branden.
—Ja zeker Peters! bevestigde hij. Die hêt-me beloofd as de verdiepinge zoo ver benne...
—Wat verdiepinge... ’t vriest toch veel te hard om te kunne plakke... ja, maak mijn dat wijs!!
—Zoo?
—’t Werk ligt stil, dat hè-je toch zellef gezeid.
—In elk geval, driftigde Baller nu, in elk geval ’k mot eruit. Denk je soms, dat ze ’t op de trap komme legge?
—Zie je wel.... zie je wel.... Hij wil d’eruit.... hij wil d’eruit... naar de kroeg! Heb ’k ’t nietgedacht... wist ik ’t niet... geen cent thuis en toch zuipe!!
Op die smalende woorden schoot Baller ineens op, vinnig-fel, alsof-ie haar te lijf wou. Haar vellig-magere handen klauwden zich tot verweer, de deur moest ze afsluiten, zoodat-ie niet wegkon. Maar ze was bang, dat-ie haar dan van achteren zou aanpakken, dat leverde-ie meer! Haar vingers kromden zich om te nijpen en te krabben.
Baller zag haar steelsche blik naar de deur en kreeg een inval. Ja, dat kon! Met kattige drift van kleine man, die niet op kan tegen zijn grootere vrouw, stormde hij op haar toe, vooruitstootend zijn eene arm, alsof hij haar te lijf ging. Maar in plaats van dat te doen, greep hij in snelle vaart naar jas, naar hoed, rukte de deur open,—en voor ze nog eraan dacht, was hij al buiten, op ’t portaal, holde de trap af, de kamerdeur met dreunend geweld vlak voor haar gezicht toeslaand.
Zij riep nog: Jan! Jan!
Hij holde door, was de onderste trap al af, buiten haar bereik. Ze stond verbluft, sprakeloos van machtelooze woede.