DE ONTREDDERDEN.Een schip komt met volle zeilen in de branding, is reddeloos verloren. Een wrak, al ontredderd, wordt tot splinters geslagen en niets blijft ervan over.Een huis, sedert lang bouwvallig stort plotseling in, wordt een ruïne, al blijven enkele gedeelten overeind, waaruit de slooper nog gave balken en ramen zal halen.Een sterke boom die zijn wortels ver in de grond heeft, wordt ontworteld door een nog sterkere storm, of sterft op stam bij gemis aan voedingssappen.Een mensch gaat te gronde door eigen moedwil of door alles wat men eertijds het noodlot noemde, een sloopende ziekte, de omstandigheden die machtiger zijn dan zijn wil, ofwel door de tergende teruggang van het geslacht dat hem zelf ’t slechte blòed ingaf. Deze en nog zooveel andere gevallen, ze zijn schier eindeloos in de voortdurende en zich herhalende wentelgang van ’t leven, ’t is een deel van het leven, ’t is het tegenstrijdige leven zelf.Velen hebben er reeds van verhaald, ieder geslacht vertelt er van op zijn wijze, en ieder schrijver doet het weer anders.En de lezers? De een leest enkel voor plezier, de ander om de schoonheid en het genot dat de schoonheid schenkt, en een derde wil ook nog leeren. Wie zal de lijn hier trekken en wie heeft het bij het goede eind?In d’n beginne was er niets.Toen schiep God de hemel en de aarde, de mensch en de dieren in zes volle dagen, de mensch naar zijn evenbeeld.Die menschen vermenigvuldigden zich naar Gods woord en vermenigvuldigden ook de kwalen en de plagen; ze bestrijden en verdringen elkaar, ook als er geen dringende noodzaak toe bestaat. Nu en dan straalt tusschen hen ’t licht van menschenmin en goddelijke liefde, van zachtheid uit sterkte geboren en van aanhankelijkheid, die enkel maar zwakheid is, maar gewoonlijk loopt het uit op dood en verderf of op ontreddering wat ’t zelfde is. Ze overwinnen net als de dieren met geweld van natuurlijke kracht of door sluw instinkt, toch meestal zonder het zelf te weten, uit domheid, onberedeneerde zucht tot overheerschen, ’t kleine eigenbelang en ook omdat ze niet anders kunnen: door de dwingende omstandigheden. Van deze omstandigheden, die de lichamen sloopt, de karakters smelt tot was, desterke verandert in een levens-laffe en de zwakke ontneemt alle besef van God-gelijkheid, hiervan wil ik spreken.Een razende storm slaat uiteen ’n vlot, dat de rivier afzakt. Dagen lang schuren de balken, door de zwiepende golven geteisterd, tot van het vlot niets meer overblijft. Alles schijnt reddeloos verloren en de schade valt niet te overzien.Als evenwel de storm zich heeft gestild en de woedende wateren zich leggen, spoelt het wrakhout aan. Strandzoekers en jutters maken jacht en slepen de overblijfselen op het zand.Veel blijkt er te zijn verloren, maar wat er aandrijft, wordt, hoe gehavend ook, niet als nutteloos weggesmeten. Een eerzaam man bouwt er zijn hutje van, waar hij in liefde woont, ver in duin of hei. Een boer rastert er heel knus mee af zijn kippenloop om de vossen buiten te houden. Ook dient het wrakhout vaak tot schoren van een ordentelijk huis, men maakt er zelfs schuttingen van bij het bouwen van een kathedraal of paleis.Zoo is het ook met de ontredderden in de samenleving, niet alles is verloren wat op de tast zoo lijkt.Een kind rijgt kralen aaneen en doet het aandachtsvol, nu eens een groote dan een kleine, een bonte, een blanke, naast een gaafronde, een hoekige nevenseen langwerpige schuivend, ze zamensnoerend, zonder eenig besef van regelmaat of kleur.Een voorbijganger blijft staan.De stille bedrijvigheid treft hem, maar dat het kind alles doorelkaar aaneenrijgt verbaast hem zeer. Te meer omdat het volstrekt niet lukraak rijgt en de keurende oogen langdurig heen en weer gaan alvorens de tastende vingers een nieuwe kraal naast de anderen voegen. Vaak wordt het eerst gekozene weer tenzij gelegd en een ander opgenomen.—Waarom rijg-je die kleine fijne naast die zwaar-grooten, waarom die hard-groene nevens die fel-roode, vraagt hij na een poos. Vin-je ’t zelf wel mooi?Het kind kijkt verwonderd op, maar een antwoord heeft het niet.De ander herhaalt zijn vraag, goedmoedig uiteenzettend wat hij bedoelt. Doch voor ’t kind zijn ’t blijkbaar klanken die het voor ’t eerst hoort en niet verstaat. Dan glimlacht het even van: ik weet het toch wel, en wat ben je dom!—Opnieuw verdiept gaat de kleine voort onverstoord, alsof de ander er niet meer staat.De toeschouwer haalt de schouders op en vervolgt zijn weg. Dat zoo’n kind alles zoo grappig aaneenrijgt zonder eenig overleg. Grooten hooren toch bij grooten, kleur bij kleur, soort bij soort, dan krijg je een mooi geheel, nu zijn het kralen en niet meer.Een schrijver is geen spelend kind en de lezers zijngeen toeschouwers die hem ondervragen. Nauwelijks lezen ze de toelichting van een werk als die erbij wordt gegeven. Niet noodig, niet noodig, zeggen ze grif, we hebben immers hier de kralen en we maken zelf ’t snoer.Wie evenwijdig loopen ontmoeten elkaar niet en wie een tegenovergestelde kant uitgaan nog minder, botsing komt er niet licht, wel onverschilligheid en elkaar niet begrijpen, evenals de toeschouwer en ’t kind. Dit kan de een voldoende zijn, een ander bevredigt het niet,—en als men mij nu vraagt hoe deze snoer zal zijn dan vrees ik het antwoord te moeten schuldig blijven. Ik toon u enkel de kralen, drie, vier naast elkaar, en dan een heele groote, die soms een boekdeeltje beslaat, en ge maakt maar zelf de snoer.’t Komt hier toch niet in de eerste plaats aan op de gave van samenstellen, wèl op de werkelijkheid, die gezien in ’t ware licht, de schoone ontroering brengt, juist omdat het geen verdichtsel is.De schrijver beeldt, verhaalt, denkt zichzelf weg, en als hij dit doet geeft hij louter fotografie. Maar wie onderstelt een schrijvend mensch, die niet denkt, die geen gevolg van oorzaak te onderscheiden weet, en aldus de aard der dingen niet zou weerspiegelen in zijn werk. De draad, de ijl-fijne draad die zich weeft door elk verhaal en die ook ’t geheel maakt, blijft toch van hèm, van hem alleen, en die draad slingert zich door alles heen.Op welke wijze rijg ik nu mijn snoer aaneen? ’t Is reeds gezegd. Zoo ongeordend als ’t kind, dat elk voorwerp op zichzelf beschouwt en enkel de dingen verbindt die het belangrijk vindt. Want wat de toeschouwer zoo willekeurig en gedachteloos toescheen was voor dit kind vanzelfsprekend, hoogste wijsheid door instinkt geleid, dat is ’t verschil.En mijn snoer, hoe zal die zijn? Een stoet van paupers, rijke nietsnutten gekweld door hun geld, de afgezakten van alle rangen, alle standen langzaam opklimmend, van de laagstontwikkelden tot de overbeschaafden, weer bont dooreen, een lange reeks van ontredderden en machteloozen,—en omdat het er zoovelen zijn kan ik maar kleine geschiedenissen geven, waarin de algemeene draad niet zal ontbreken, hoe elk geval ook op zichzelf werd gebeeld.Wat die draad beteekent? Wel de nauwspeurenden bemerken het vanzelf en zij die daarvoor de aanvoeling missen hebben geen uitleg noodig. Ze lezen de verhalen op zichzelf en laten de draad voor wat ze is.G. van Hulzen
DE ONTREDDERDEN.Een schip komt met volle zeilen in de branding, is reddeloos verloren. Een wrak, al ontredderd, wordt tot splinters geslagen en niets blijft ervan over.Een huis, sedert lang bouwvallig stort plotseling in, wordt een ruïne, al blijven enkele gedeelten overeind, waaruit de slooper nog gave balken en ramen zal halen.Een sterke boom die zijn wortels ver in de grond heeft, wordt ontworteld door een nog sterkere storm, of sterft op stam bij gemis aan voedingssappen.Een mensch gaat te gronde door eigen moedwil of door alles wat men eertijds het noodlot noemde, een sloopende ziekte, de omstandigheden die machtiger zijn dan zijn wil, ofwel door de tergende teruggang van het geslacht dat hem zelf ’t slechte blòed ingaf. Deze en nog zooveel andere gevallen, ze zijn schier eindeloos in de voortdurende en zich herhalende wentelgang van ’t leven, ’t is een deel van het leven, ’t is het tegenstrijdige leven zelf.Velen hebben er reeds van verhaald, ieder geslacht vertelt er van op zijn wijze, en ieder schrijver doet het weer anders.En de lezers? De een leest enkel voor plezier, de ander om de schoonheid en het genot dat de schoonheid schenkt, en een derde wil ook nog leeren. Wie zal de lijn hier trekken en wie heeft het bij het goede eind?In d’n beginne was er niets.Toen schiep God de hemel en de aarde, de mensch en de dieren in zes volle dagen, de mensch naar zijn evenbeeld.Die menschen vermenigvuldigden zich naar Gods woord en vermenigvuldigden ook de kwalen en de plagen; ze bestrijden en verdringen elkaar, ook als er geen dringende noodzaak toe bestaat. Nu en dan straalt tusschen hen ’t licht van menschenmin en goddelijke liefde, van zachtheid uit sterkte geboren en van aanhankelijkheid, die enkel maar zwakheid is, maar gewoonlijk loopt het uit op dood en verderf of op ontreddering wat ’t zelfde is. Ze overwinnen net als de dieren met geweld van natuurlijke kracht of door sluw instinkt, toch meestal zonder het zelf te weten, uit domheid, onberedeneerde zucht tot overheerschen, ’t kleine eigenbelang en ook omdat ze niet anders kunnen: door de dwingende omstandigheden. Van deze omstandigheden, die de lichamen sloopt, de karakters smelt tot was, desterke verandert in een levens-laffe en de zwakke ontneemt alle besef van God-gelijkheid, hiervan wil ik spreken.Een razende storm slaat uiteen ’n vlot, dat de rivier afzakt. Dagen lang schuren de balken, door de zwiepende golven geteisterd, tot van het vlot niets meer overblijft. Alles schijnt reddeloos verloren en de schade valt niet te overzien.Als evenwel de storm zich heeft gestild en de woedende wateren zich leggen, spoelt het wrakhout aan. Strandzoekers en jutters maken jacht en slepen de overblijfselen op het zand.Veel blijkt er te zijn verloren, maar wat er aandrijft, wordt, hoe gehavend ook, niet als nutteloos weggesmeten. Een eerzaam man bouwt er zijn hutje van, waar hij in liefde woont, ver in duin of hei. Een boer rastert er heel knus mee af zijn kippenloop om de vossen buiten te houden. Ook dient het wrakhout vaak tot schoren van een ordentelijk huis, men maakt er zelfs schuttingen van bij het bouwen van een kathedraal of paleis.Zoo is het ook met de ontredderden in de samenleving, niet alles is verloren wat op de tast zoo lijkt.Een kind rijgt kralen aaneen en doet het aandachtsvol, nu eens een groote dan een kleine, een bonte, een blanke, naast een gaafronde, een hoekige nevenseen langwerpige schuivend, ze zamensnoerend, zonder eenig besef van regelmaat of kleur.Een voorbijganger blijft staan.De stille bedrijvigheid treft hem, maar dat het kind alles doorelkaar aaneenrijgt verbaast hem zeer. Te meer omdat het volstrekt niet lukraak rijgt en de keurende oogen langdurig heen en weer gaan alvorens de tastende vingers een nieuwe kraal naast de anderen voegen. Vaak wordt het eerst gekozene weer tenzij gelegd en een ander opgenomen.—Waarom rijg-je die kleine fijne naast die zwaar-grooten, waarom die hard-groene nevens die fel-roode, vraagt hij na een poos. Vin-je ’t zelf wel mooi?Het kind kijkt verwonderd op, maar een antwoord heeft het niet.De ander herhaalt zijn vraag, goedmoedig uiteenzettend wat hij bedoelt. Doch voor ’t kind zijn ’t blijkbaar klanken die het voor ’t eerst hoort en niet verstaat. Dan glimlacht het even van: ik weet het toch wel, en wat ben je dom!—Opnieuw verdiept gaat de kleine voort onverstoord, alsof de ander er niet meer staat.De toeschouwer haalt de schouders op en vervolgt zijn weg. Dat zoo’n kind alles zoo grappig aaneenrijgt zonder eenig overleg. Grooten hooren toch bij grooten, kleur bij kleur, soort bij soort, dan krijg je een mooi geheel, nu zijn het kralen en niet meer.Een schrijver is geen spelend kind en de lezers zijngeen toeschouwers die hem ondervragen. Nauwelijks lezen ze de toelichting van een werk als die erbij wordt gegeven. Niet noodig, niet noodig, zeggen ze grif, we hebben immers hier de kralen en we maken zelf ’t snoer.Wie evenwijdig loopen ontmoeten elkaar niet en wie een tegenovergestelde kant uitgaan nog minder, botsing komt er niet licht, wel onverschilligheid en elkaar niet begrijpen, evenals de toeschouwer en ’t kind. Dit kan de een voldoende zijn, een ander bevredigt het niet,—en als men mij nu vraagt hoe deze snoer zal zijn dan vrees ik het antwoord te moeten schuldig blijven. Ik toon u enkel de kralen, drie, vier naast elkaar, en dan een heele groote, die soms een boekdeeltje beslaat, en ge maakt maar zelf de snoer.’t Komt hier toch niet in de eerste plaats aan op de gave van samenstellen, wèl op de werkelijkheid, die gezien in ’t ware licht, de schoone ontroering brengt, juist omdat het geen verdichtsel is.De schrijver beeldt, verhaalt, denkt zichzelf weg, en als hij dit doet geeft hij louter fotografie. Maar wie onderstelt een schrijvend mensch, die niet denkt, die geen gevolg van oorzaak te onderscheiden weet, en aldus de aard der dingen niet zou weerspiegelen in zijn werk. De draad, de ijl-fijne draad die zich weeft door elk verhaal en die ook ’t geheel maakt, blijft toch van hèm, van hem alleen, en die draad slingert zich door alles heen.Op welke wijze rijg ik nu mijn snoer aaneen? ’t Is reeds gezegd. Zoo ongeordend als ’t kind, dat elk voorwerp op zichzelf beschouwt en enkel de dingen verbindt die het belangrijk vindt. Want wat de toeschouwer zoo willekeurig en gedachteloos toescheen was voor dit kind vanzelfsprekend, hoogste wijsheid door instinkt geleid, dat is ’t verschil.En mijn snoer, hoe zal die zijn? Een stoet van paupers, rijke nietsnutten gekweld door hun geld, de afgezakten van alle rangen, alle standen langzaam opklimmend, van de laagstontwikkelden tot de overbeschaafden, weer bont dooreen, een lange reeks van ontredderden en machteloozen,—en omdat het er zoovelen zijn kan ik maar kleine geschiedenissen geven, waarin de algemeene draad niet zal ontbreken, hoe elk geval ook op zichzelf werd gebeeld.Wat die draad beteekent? Wel de nauwspeurenden bemerken het vanzelf en zij die daarvoor de aanvoeling missen hebben geen uitleg noodig. Ze lezen de verhalen op zichzelf en laten de draad voor wat ze is.G. van Hulzen
DE ONTREDDERDEN.
Een schip komt met volle zeilen in de branding, is reddeloos verloren. Een wrak, al ontredderd, wordt tot splinters geslagen en niets blijft ervan over.Een huis, sedert lang bouwvallig stort plotseling in, wordt een ruïne, al blijven enkele gedeelten overeind, waaruit de slooper nog gave balken en ramen zal halen.Een sterke boom die zijn wortels ver in de grond heeft, wordt ontworteld door een nog sterkere storm, of sterft op stam bij gemis aan voedingssappen.Een mensch gaat te gronde door eigen moedwil of door alles wat men eertijds het noodlot noemde, een sloopende ziekte, de omstandigheden die machtiger zijn dan zijn wil, ofwel door de tergende teruggang van het geslacht dat hem zelf ’t slechte blòed ingaf. Deze en nog zooveel andere gevallen, ze zijn schier eindeloos in de voortdurende en zich herhalende wentelgang van ’t leven, ’t is een deel van het leven, ’t is het tegenstrijdige leven zelf.Velen hebben er reeds van verhaald, ieder geslacht vertelt er van op zijn wijze, en ieder schrijver doet het weer anders.En de lezers? De een leest enkel voor plezier, de ander om de schoonheid en het genot dat de schoonheid schenkt, en een derde wil ook nog leeren. Wie zal de lijn hier trekken en wie heeft het bij het goede eind?In d’n beginne was er niets.Toen schiep God de hemel en de aarde, de mensch en de dieren in zes volle dagen, de mensch naar zijn evenbeeld.Die menschen vermenigvuldigden zich naar Gods woord en vermenigvuldigden ook de kwalen en de plagen; ze bestrijden en verdringen elkaar, ook als er geen dringende noodzaak toe bestaat. Nu en dan straalt tusschen hen ’t licht van menschenmin en goddelijke liefde, van zachtheid uit sterkte geboren en van aanhankelijkheid, die enkel maar zwakheid is, maar gewoonlijk loopt het uit op dood en verderf of op ontreddering wat ’t zelfde is. Ze overwinnen net als de dieren met geweld van natuurlijke kracht of door sluw instinkt, toch meestal zonder het zelf te weten, uit domheid, onberedeneerde zucht tot overheerschen, ’t kleine eigenbelang en ook omdat ze niet anders kunnen: door de dwingende omstandigheden. Van deze omstandigheden, die de lichamen sloopt, de karakters smelt tot was, desterke verandert in een levens-laffe en de zwakke ontneemt alle besef van God-gelijkheid, hiervan wil ik spreken.Een razende storm slaat uiteen ’n vlot, dat de rivier afzakt. Dagen lang schuren de balken, door de zwiepende golven geteisterd, tot van het vlot niets meer overblijft. Alles schijnt reddeloos verloren en de schade valt niet te overzien.Als evenwel de storm zich heeft gestild en de woedende wateren zich leggen, spoelt het wrakhout aan. Strandzoekers en jutters maken jacht en slepen de overblijfselen op het zand.Veel blijkt er te zijn verloren, maar wat er aandrijft, wordt, hoe gehavend ook, niet als nutteloos weggesmeten. Een eerzaam man bouwt er zijn hutje van, waar hij in liefde woont, ver in duin of hei. Een boer rastert er heel knus mee af zijn kippenloop om de vossen buiten te houden. Ook dient het wrakhout vaak tot schoren van een ordentelijk huis, men maakt er zelfs schuttingen van bij het bouwen van een kathedraal of paleis.Zoo is het ook met de ontredderden in de samenleving, niet alles is verloren wat op de tast zoo lijkt.Een kind rijgt kralen aaneen en doet het aandachtsvol, nu eens een groote dan een kleine, een bonte, een blanke, naast een gaafronde, een hoekige nevenseen langwerpige schuivend, ze zamensnoerend, zonder eenig besef van regelmaat of kleur.Een voorbijganger blijft staan.De stille bedrijvigheid treft hem, maar dat het kind alles doorelkaar aaneenrijgt verbaast hem zeer. Te meer omdat het volstrekt niet lukraak rijgt en de keurende oogen langdurig heen en weer gaan alvorens de tastende vingers een nieuwe kraal naast de anderen voegen. Vaak wordt het eerst gekozene weer tenzij gelegd en een ander opgenomen.—Waarom rijg-je die kleine fijne naast die zwaar-grooten, waarom die hard-groene nevens die fel-roode, vraagt hij na een poos. Vin-je ’t zelf wel mooi?Het kind kijkt verwonderd op, maar een antwoord heeft het niet.De ander herhaalt zijn vraag, goedmoedig uiteenzettend wat hij bedoelt. Doch voor ’t kind zijn ’t blijkbaar klanken die het voor ’t eerst hoort en niet verstaat. Dan glimlacht het even van: ik weet het toch wel, en wat ben je dom!—Opnieuw verdiept gaat de kleine voort onverstoord, alsof de ander er niet meer staat.De toeschouwer haalt de schouders op en vervolgt zijn weg. Dat zoo’n kind alles zoo grappig aaneenrijgt zonder eenig overleg. Grooten hooren toch bij grooten, kleur bij kleur, soort bij soort, dan krijg je een mooi geheel, nu zijn het kralen en niet meer.Een schrijver is geen spelend kind en de lezers zijngeen toeschouwers die hem ondervragen. Nauwelijks lezen ze de toelichting van een werk als die erbij wordt gegeven. Niet noodig, niet noodig, zeggen ze grif, we hebben immers hier de kralen en we maken zelf ’t snoer.Wie evenwijdig loopen ontmoeten elkaar niet en wie een tegenovergestelde kant uitgaan nog minder, botsing komt er niet licht, wel onverschilligheid en elkaar niet begrijpen, evenals de toeschouwer en ’t kind. Dit kan de een voldoende zijn, een ander bevredigt het niet,—en als men mij nu vraagt hoe deze snoer zal zijn dan vrees ik het antwoord te moeten schuldig blijven. Ik toon u enkel de kralen, drie, vier naast elkaar, en dan een heele groote, die soms een boekdeeltje beslaat, en ge maakt maar zelf de snoer.’t Komt hier toch niet in de eerste plaats aan op de gave van samenstellen, wèl op de werkelijkheid, die gezien in ’t ware licht, de schoone ontroering brengt, juist omdat het geen verdichtsel is.De schrijver beeldt, verhaalt, denkt zichzelf weg, en als hij dit doet geeft hij louter fotografie. Maar wie onderstelt een schrijvend mensch, die niet denkt, die geen gevolg van oorzaak te onderscheiden weet, en aldus de aard der dingen niet zou weerspiegelen in zijn werk. De draad, de ijl-fijne draad die zich weeft door elk verhaal en die ook ’t geheel maakt, blijft toch van hèm, van hem alleen, en die draad slingert zich door alles heen.Op welke wijze rijg ik nu mijn snoer aaneen? ’t Is reeds gezegd. Zoo ongeordend als ’t kind, dat elk voorwerp op zichzelf beschouwt en enkel de dingen verbindt die het belangrijk vindt. Want wat de toeschouwer zoo willekeurig en gedachteloos toescheen was voor dit kind vanzelfsprekend, hoogste wijsheid door instinkt geleid, dat is ’t verschil.En mijn snoer, hoe zal die zijn? Een stoet van paupers, rijke nietsnutten gekweld door hun geld, de afgezakten van alle rangen, alle standen langzaam opklimmend, van de laagstontwikkelden tot de overbeschaafden, weer bont dooreen, een lange reeks van ontredderden en machteloozen,—en omdat het er zoovelen zijn kan ik maar kleine geschiedenissen geven, waarin de algemeene draad niet zal ontbreken, hoe elk geval ook op zichzelf werd gebeeld.Wat die draad beteekent? Wel de nauwspeurenden bemerken het vanzelf en zij die daarvoor de aanvoeling missen hebben geen uitleg noodig. Ze lezen de verhalen op zichzelf en laten de draad voor wat ze is.G. van Hulzen
Een schip komt met volle zeilen in de branding, is reddeloos verloren. Een wrak, al ontredderd, wordt tot splinters geslagen en niets blijft ervan over.
Een huis, sedert lang bouwvallig stort plotseling in, wordt een ruïne, al blijven enkele gedeelten overeind, waaruit de slooper nog gave balken en ramen zal halen.
Een sterke boom die zijn wortels ver in de grond heeft, wordt ontworteld door een nog sterkere storm, of sterft op stam bij gemis aan voedingssappen.
Een mensch gaat te gronde door eigen moedwil of door alles wat men eertijds het noodlot noemde, een sloopende ziekte, de omstandigheden die machtiger zijn dan zijn wil, ofwel door de tergende teruggang van het geslacht dat hem zelf ’t slechte blòed ingaf. Deze en nog zooveel andere gevallen, ze zijn schier eindeloos in de voortdurende en zich herhalende wentelgang van ’t leven, ’t is een deel van het leven, ’t is het tegenstrijdige leven zelf.
Velen hebben er reeds van verhaald, ieder geslacht vertelt er van op zijn wijze, en ieder schrijver doet het weer anders.
En de lezers? De een leest enkel voor plezier, de ander om de schoonheid en het genot dat de schoonheid schenkt, en een derde wil ook nog leeren. Wie zal de lijn hier trekken en wie heeft het bij het goede eind?
In d’n beginne was er niets.
Toen schiep God de hemel en de aarde, de mensch en de dieren in zes volle dagen, de mensch naar zijn evenbeeld.
Die menschen vermenigvuldigden zich naar Gods woord en vermenigvuldigden ook de kwalen en de plagen; ze bestrijden en verdringen elkaar, ook als er geen dringende noodzaak toe bestaat. Nu en dan straalt tusschen hen ’t licht van menschenmin en goddelijke liefde, van zachtheid uit sterkte geboren en van aanhankelijkheid, die enkel maar zwakheid is, maar gewoonlijk loopt het uit op dood en verderf of op ontreddering wat ’t zelfde is. Ze overwinnen net als de dieren met geweld van natuurlijke kracht of door sluw instinkt, toch meestal zonder het zelf te weten, uit domheid, onberedeneerde zucht tot overheerschen, ’t kleine eigenbelang en ook omdat ze niet anders kunnen: door de dwingende omstandigheden. Van deze omstandigheden, die de lichamen sloopt, de karakters smelt tot was, desterke verandert in een levens-laffe en de zwakke ontneemt alle besef van God-gelijkheid, hiervan wil ik spreken.
Een razende storm slaat uiteen ’n vlot, dat de rivier afzakt. Dagen lang schuren de balken, door de zwiepende golven geteisterd, tot van het vlot niets meer overblijft. Alles schijnt reddeloos verloren en de schade valt niet te overzien.
Als evenwel de storm zich heeft gestild en de woedende wateren zich leggen, spoelt het wrakhout aan. Strandzoekers en jutters maken jacht en slepen de overblijfselen op het zand.
Veel blijkt er te zijn verloren, maar wat er aandrijft, wordt, hoe gehavend ook, niet als nutteloos weggesmeten. Een eerzaam man bouwt er zijn hutje van, waar hij in liefde woont, ver in duin of hei. Een boer rastert er heel knus mee af zijn kippenloop om de vossen buiten te houden. Ook dient het wrakhout vaak tot schoren van een ordentelijk huis, men maakt er zelfs schuttingen van bij het bouwen van een kathedraal of paleis.
Zoo is het ook met de ontredderden in de samenleving, niet alles is verloren wat op de tast zoo lijkt.
Een kind rijgt kralen aaneen en doet het aandachtsvol, nu eens een groote dan een kleine, een bonte, een blanke, naast een gaafronde, een hoekige nevenseen langwerpige schuivend, ze zamensnoerend, zonder eenig besef van regelmaat of kleur.
Een voorbijganger blijft staan.
De stille bedrijvigheid treft hem, maar dat het kind alles doorelkaar aaneenrijgt verbaast hem zeer. Te meer omdat het volstrekt niet lukraak rijgt en de keurende oogen langdurig heen en weer gaan alvorens de tastende vingers een nieuwe kraal naast de anderen voegen. Vaak wordt het eerst gekozene weer tenzij gelegd en een ander opgenomen.
—Waarom rijg-je die kleine fijne naast die zwaar-grooten, waarom die hard-groene nevens die fel-roode, vraagt hij na een poos. Vin-je ’t zelf wel mooi?
Het kind kijkt verwonderd op, maar een antwoord heeft het niet.
De ander herhaalt zijn vraag, goedmoedig uiteenzettend wat hij bedoelt. Doch voor ’t kind zijn ’t blijkbaar klanken die het voor ’t eerst hoort en niet verstaat. Dan glimlacht het even van: ik weet het toch wel, en wat ben je dom!—Opnieuw verdiept gaat de kleine voort onverstoord, alsof de ander er niet meer staat.
De toeschouwer haalt de schouders op en vervolgt zijn weg. Dat zoo’n kind alles zoo grappig aaneenrijgt zonder eenig overleg. Grooten hooren toch bij grooten, kleur bij kleur, soort bij soort, dan krijg je een mooi geheel, nu zijn het kralen en niet meer.
Een schrijver is geen spelend kind en de lezers zijngeen toeschouwers die hem ondervragen. Nauwelijks lezen ze de toelichting van een werk als die erbij wordt gegeven. Niet noodig, niet noodig, zeggen ze grif, we hebben immers hier de kralen en we maken zelf ’t snoer.
Wie evenwijdig loopen ontmoeten elkaar niet en wie een tegenovergestelde kant uitgaan nog minder, botsing komt er niet licht, wel onverschilligheid en elkaar niet begrijpen, evenals de toeschouwer en ’t kind. Dit kan de een voldoende zijn, een ander bevredigt het niet,—en als men mij nu vraagt hoe deze snoer zal zijn dan vrees ik het antwoord te moeten schuldig blijven. Ik toon u enkel de kralen, drie, vier naast elkaar, en dan een heele groote, die soms een boekdeeltje beslaat, en ge maakt maar zelf de snoer.
’t Komt hier toch niet in de eerste plaats aan op de gave van samenstellen, wèl op de werkelijkheid, die gezien in ’t ware licht, de schoone ontroering brengt, juist omdat het geen verdichtsel is.
De schrijver beeldt, verhaalt, denkt zichzelf weg, en als hij dit doet geeft hij louter fotografie. Maar wie onderstelt een schrijvend mensch, die niet denkt, die geen gevolg van oorzaak te onderscheiden weet, en aldus de aard der dingen niet zou weerspiegelen in zijn werk. De draad, de ijl-fijne draad die zich weeft door elk verhaal en die ook ’t geheel maakt, blijft toch van hèm, van hem alleen, en die draad slingert zich door alles heen.
Op welke wijze rijg ik nu mijn snoer aaneen? ’t Is reeds gezegd. Zoo ongeordend als ’t kind, dat elk voorwerp op zichzelf beschouwt en enkel de dingen verbindt die het belangrijk vindt. Want wat de toeschouwer zoo willekeurig en gedachteloos toescheen was voor dit kind vanzelfsprekend, hoogste wijsheid door instinkt geleid, dat is ’t verschil.
En mijn snoer, hoe zal die zijn? Een stoet van paupers, rijke nietsnutten gekweld door hun geld, de afgezakten van alle rangen, alle standen langzaam opklimmend, van de laagstontwikkelden tot de overbeschaafden, weer bont dooreen, een lange reeks van ontredderden en machteloozen,—en omdat het er zoovelen zijn kan ik maar kleine geschiedenissen geven, waarin de algemeene draad niet zal ontbreken, hoe elk geval ook op zichzelf werd gebeeld.
Wat die draad beteekent? Wel de nauwspeurenden bemerken het vanzelf en zij die daarvoor de aanvoeling missen hebben geen uitleg noodig. Ze lezen de verhalen op zichzelf en laten de draad voor wat ze is.
G. van Hulzen