IV.Vrouw Baller, gewoon vroeg op te staan, werd ook nu tijdig wakker, suf-zwaar in haar hoofd.De winterdag grauwde maar zwakjes door ’t vertrek en in ’t zwakaansluipende licht kon ze nog niet veel onderscheiden, maar een zwaar ronken steeg naast haar op en dat zei genoeg; ze rook zijn drankadem, de bedorven lucht. Was hij er dan toch weer? was hij teruggekomen zonder dat ze ’t merkte of wist?—Ze begreep zoo weinig ervan, dat haar gedachten niet klaar wilden worden en ze met strakke, starre oogen zat te kijken alsof het niet waar kon wezen en ze weer droomde. ’t Leek haar zoo iets onmogelijks, dat de gedachten niet werkten en ze onbewegelijk bleef zitten alsof hij werkelijk dood was.Het zwart-baardige kleine hoofd half-weg gefrommeld in z’n armen, zoo lag hij daar als een saamgekrompen, vergoord vod, maar een dwalm van jenever steeg bij elke ademhaling uit hem op en dat herinnerde haar dat ze zich vergiste.Walg en twijfel grepen haar aan, al haar mooie verzinsels van gisteravond, al haar verwachtingen grijnsden nu tegen haar op; ze kreeg het benard alsof ze nog onder een zware benauwing zat. Ze kon zichzelf niet gelooven, twijfelde aan haar eigen oogen. Ze moest iets doen om zich te overtuigen, haar handen uitsteken om haar geschokte zenuwen lucht te geven. Pof viel ze op hem neer, schudde hem heftig door-elkaar en schreeuwde zonder dat ze eigenlijk wist wat ze zei:—Hè, wor ’es wakker!!!Voor die eigen rauwe woorden schrikte ze, want ze wou hem niet wakker hebben; ze wou enkel maar weten of-ie leefde. En hij leefde! De nare dwalm sloeg weer tegen haar op. Zichzelf zag ze nu zitten recht-op in ’t bed met starre oogen. Opeens kreeg ze angst, een afschuw-angst om hier naast hem te wezen in ’t zelfde bed. Dat inelkaargekrompene van hem leek haar misdadig en griezelig, en dat moest ze ontloopen.In hevige ontsteltenis en nu vol afschuw liet ze zich uit de bedstee glijden en stond op de kille kamervloer, rillend. Had ze dat vannacht dan alles maar gedroomd? Hoe zat dat, hij was toch dood... of weg, en zij vrij....? Haar oogen stijf van schrik voelde ze als bevroren; ze zou willen huilen, maar ze kon niet, ze wilde vluchten, haar voeten weigerden,—en haar gedachten stokten opnieuw. De nagels kneep ze in ’t vleesch om zichzelf pijn te doen, ze durfde de handenbijna niet samenwringen, want ze moest denken, denken.En langzamerhand werd ’t haar klaar. Al wat ze eerst als zekerheid meende, en waarvoor ze nu zoo doodelijk schrikte, omdat ’t anders bleek, was niet meer geweest dan een plan in de wind, een ijdele verwachting. Ze had gehoopt, gedacht, zoo sterk gewenscht, dat het haar werkelijkheid leek. Afschuwelijk.... afschuwelijk, zei ze, zichzelf voor ’t magere hoofd slaande. Ze huiverde en het zweet brak haar uit naar alle kanten. Haar gezicht bedekte ze met de handen, om maar niet te zien, en staarde dan weer strak voor zich uit, vol ontzetting. Zij schold hem woedend uit zonder haar stijve lippen te bewegen.Opeens zag ze hem moeite doen, om zich op te richten. Ze schreeuwde het uit. Maar hij plonsde weer neer, verschoof alléén, sliep nog eens in. Hij leek haar een vies beest, dat haar bed besmette, en zichzelf ondermijnde. Stil-zijn, hem laten slapen! vermaande ze zich schuw.Sterk onderging ze de gewaarwording van afschuw, ze zou hem niet wakker kunnen zien, niet met hem kijven, zoo’n smeerpoets... zoo’n dronkelap! Hoe laat mocht-ie wel thuis zijn gekomme? Ze wist het niet. ’t Zou niet vroeg zijn geweest. En opeens drong iets ontzettends tot haar door, ze zag in flauw herinneren wat er vannacht met haar gebeurde, of leek haar dat maar zoo? Haalde hij haar aan?... Had-ie niet...?Een vermoeden van vuilheid golfde in haar op,maakte haar dol. Razernij pakte haar aan; ze wou hem op zijn magere zwarte hoofd timmeren, hem wurgen, maar nu ze bij ’t bed kwam voelde ze weer trillende angst: hij mocht eens wakker worden. Nee, ze wou hem niet zien. Weg moest ze. Weg! zoo gauw mogelijk hier vandaan!In walg duwde ze de bedsteedeuren toe om hem niet voor oogen te hebben. Huiverhaastig wreef ze zich met een natte handdoek over ’t gezicht, kleedde zich in allerijl aan. De kousen waren stuk, ze had vergeten ze te stoppen, d’r kon ze niks aan doen. ’t Moest maar zóó... ze moest weg.In een oogwenk stond ze in de kleeren.Zou ze koffie zetten?... De tong kleefde aan haar verhemelte, ze had rauwe dorst, maar nee, hij mocht eens wakker worden!Ze sloeg een doek om...’t vodje van een hoedje had ze ook al op, moest ze nog wat anders meenemen...? Een stuk brood brokte ze onder de hand naar binnen. Ze nam een grauwe zak, stopte de kleeren en wat ondergoed erin, stopte nog wat bij, de zak nu stevig vol en bollend. Met een eindje touw bond ze toe, keek nog eens in ’t rond.De waanzinnige angst van weg te komen viel weer van haar af. Gotallemachtig, wat was ’t koud. Zou ze toch nog eerst koffie zetten? Welja, ’t goed stond gepakt, als-ie z’n doppen opendeed, kon ze gauw genoeg er tusschen uit. Ze zou ’t hem dan ook geducht inwrijven. Waarvoor maakte zij zich bang?Bang voor hem, voor die aap? Hoe kwam ze d’eran? Nee, nee, eerst een bakkie zette....Bedaard stak ze het petroolstel aan, zette òp de ketel waarin nog water zat van gisteren, haalde een kopje, ’t builtje met koffie uit de kast, begluurde de melk, of die niet zuurde. Nee, dat ging! Ze sneed zich nog een homp brood af en kreeg ineens pret in haar vlucht. Wel mocht het hem bekomme... als-ie wakker werd.Het drupje water, voor een paar kopjes, zong al ruisend in de ketel, en nu bedacht ze ineens, dat hij door dit gestoom wakker zou kunnen worden. De angst grijnsde haar al weer aan. Een paar tellen later schonk ze op, ging gehaast slubberen aan ’t zwarte vocht. ’t Maakte haar kloeker, sterker. Klaar voelde ze nu, dat ze wist wat ze deed. Nee, nee, ’t was zoo goed, hij moest het maar ondervinden! Morgen of overmorgen zou ze terugkomen om de kachel van hem los te wurmen.Een gerucht in de bedstee deed haar weer inkrimpen; ze hield haar adem in om te luisteren. De heete koffiegeur kriebelde haar op in de neus, maar ze dorst ternauwernood de lippen aan de kop zetten. Nu gooide hij zich in zijn slaap om, snurkte weer in. Ze vond zichzelf laf, lebberde zacht aan haar koffie voort. Opnieuw kreeg ze lust de bedsteedeuren open te rukken, en ’t hem regelrecht toe te schreeuwen. Maar ze bedwong zich. Hij zou de helft niet verstaan van al wat ze zei, beter bleef het stil er-tusschen-uit te schuiven.Op de trap bedacht ze zich, keerde nog even terug. Een paar woorden zou ze voor hem op papier zetten. Waar lag dat papier ook weer? O ja, in ’t laadje van de tafel?Met de koude, kromme vingers kreeg ze ’t maar moeielijk gedaan. Ze moest er bij gaan zitten en telkens de punt van ’t potlood vochtig maken. In groote, en haastig gekrabbelde letters, hier en daar uitgeslift, als geheel toch duidelijk, schreef ze kort-af: Jan ik gaan weg, kom niet weerom, uwes moet uw maar zelf redden! Dan schreef ze er nog bij over z’n verschooning!Ze las de woorden twee maal over, lei het blad papier vooraan op de tafel, aan de kant van de bedstee, zoodat hij ’t dadelijk moest zien als hij d’eruit stapte, overkeek nogeens ’t vertrek in ’n gevoel dat zij te haastig deed en dingen vergat, ging dan stil de deur uit, tilde de zak op,vooraf al door haar in ’t portaal gelegd, en zakte dan voetslippend, aarzel-langzaam de trap af, die kraakloos-hard niet toegaf onder haar treden.
IV.Vrouw Baller, gewoon vroeg op te staan, werd ook nu tijdig wakker, suf-zwaar in haar hoofd.De winterdag grauwde maar zwakjes door ’t vertrek en in ’t zwakaansluipende licht kon ze nog niet veel onderscheiden, maar een zwaar ronken steeg naast haar op en dat zei genoeg; ze rook zijn drankadem, de bedorven lucht. Was hij er dan toch weer? was hij teruggekomen zonder dat ze ’t merkte of wist?—Ze begreep zoo weinig ervan, dat haar gedachten niet klaar wilden worden en ze met strakke, starre oogen zat te kijken alsof het niet waar kon wezen en ze weer droomde. ’t Leek haar zoo iets onmogelijks, dat de gedachten niet werkten en ze onbewegelijk bleef zitten alsof hij werkelijk dood was.Het zwart-baardige kleine hoofd half-weg gefrommeld in z’n armen, zoo lag hij daar als een saamgekrompen, vergoord vod, maar een dwalm van jenever steeg bij elke ademhaling uit hem op en dat herinnerde haar dat ze zich vergiste.Walg en twijfel grepen haar aan, al haar mooie verzinsels van gisteravond, al haar verwachtingen grijnsden nu tegen haar op; ze kreeg het benard alsof ze nog onder een zware benauwing zat. Ze kon zichzelf niet gelooven, twijfelde aan haar eigen oogen. Ze moest iets doen om zich te overtuigen, haar handen uitsteken om haar geschokte zenuwen lucht te geven. Pof viel ze op hem neer, schudde hem heftig door-elkaar en schreeuwde zonder dat ze eigenlijk wist wat ze zei:—Hè, wor ’es wakker!!!Voor die eigen rauwe woorden schrikte ze, want ze wou hem niet wakker hebben; ze wou enkel maar weten of-ie leefde. En hij leefde! De nare dwalm sloeg weer tegen haar op. Zichzelf zag ze nu zitten recht-op in ’t bed met starre oogen. Opeens kreeg ze angst, een afschuw-angst om hier naast hem te wezen in ’t zelfde bed. Dat inelkaargekrompene van hem leek haar misdadig en griezelig, en dat moest ze ontloopen.In hevige ontsteltenis en nu vol afschuw liet ze zich uit de bedstee glijden en stond op de kille kamervloer, rillend. Had ze dat vannacht dan alles maar gedroomd? Hoe zat dat, hij was toch dood... of weg, en zij vrij....? Haar oogen stijf van schrik voelde ze als bevroren; ze zou willen huilen, maar ze kon niet, ze wilde vluchten, haar voeten weigerden,—en haar gedachten stokten opnieuw. De nagels kneep ze in ’t vleesch om zichzelf pijn te doen, ze durfde de handenbijna niet samenwringen, want ze moest denken, denken.En langzamerhand werd ’t haar klaar. Al wat ze eerst als zekerheid meende, en waarvoor ze nu zoo doodelijk schrikte, omdat ’t anders bleek, was niet meer geweest dan een plan in de wind, een ijdele verwachting. Ze had gehoopt, gedacht, zoo sterk gewenscht, dat het haar werkelijkheid leek. Afschuwelijk.... afschuwelijk, zei ze, zichzelf voor ’t magere hoofd slaande. Ze huiverde en het zweet brak haar uit naar alle kanten. Haar gezicht bedekte ze met de handen, om maar niet te zien, en staarde dan weer strak voor zich uit, vol ontzetting. Zij schold hem woedend uit zonder haar stijve lippen te bewegen.Opeens zag ze hem moeite doen, om zich op te richten. Ze schreeuwde het uit. Maar hij plonsde weer neer, verschoof alléén, sliep nog eens in. Hij leek haar een vies beest, dat haar bed besmette, en zichzelf ondermijnde. Stil-zijn, hem laten slapen! vermaande ze zich schuw.Sterk onderging ze de gewaarwording van afschuw, ze zou hem niet wakker kunnen zien, niet met hem kijven, zoo’n smeerpoets... zoo’n dronkelap! Hoe laat mocht-ie wel thuis zijn gekomme? Ze wist het niet. ’t Zou niet vroeg zijn geweest. En opeens drong iets ontzettends tot haar door, ze zag in flauw herinneren wat er vannacht met haar gebeurde, of leek haar dat maar zoo? Haalde hij haar aan?... Had-ie niet...?Een vermoeden van vuilheid golfde in haar op,maakte haar dol. Razernij pakte haar aan; ze wou hem op zijn magere zwarte hoofd timmeren, hem wurgen, maar nu ze bij ’t bed kwam voelde ze weer trillende angst: hij mocht eens wakker worden. Nee, ze wou hem niet zien. Weg moest ze. Weg! zoo gauw mogelijk hier vandaan!In walg duwde ze de bedsteedeuren toe om hem niet voor oogen te hebben. Huiverhaastig wreef ze zich met een natte handdoek over ’t gezicht, kleedde zich in allerijl aan. De kousen waren stuk, ze had vergeten ze te stoppen, d’r kon ze niks aan doen. ’t Moest maar zóó... ze moest weg.In een oogwenk stond ze in de kleeren.Zou ze koffie zetten?... De tong kleefde aan haar verhemelte, ze had rauwe dorst, maar nee, hij mocht eens wakker worden!Ze sloeg een doek om...’t vodje van een hoedje had ze ook al op, moest ze nog wat anders meenemen...? Een stuk brood brokte ze onder de hand naar binnen. Ze nam een grauwe zak, stopte de kleeren en wat ondergoed erin, stopte nog wat bij, de zak nu stevig vol en bollend. Met een eindje touw bond ze toe, keek nog eens in ’t rond.De waanzinnige angst van weg te komen viel weer van haar af. Gotallemachtig, wat was ’t koud. Zou ze toch nog eerst koffie zetten? Welja, ’t goed stond gepakt, als-ie z’n doppen opendeed, kon ze gauw genoeg er tusschen uit. Ze zou ’t hem dan ook geducht inwrijven. Waarvoor maakte zij zich bang?Bang voor hem, voor die aap? Hoe kwam ze d’eran? Nee, nee, eerst een bakkie zette....Bedaard stak ze het petroolstel aan, zette òp de ketel waarin nog water zat van gisteren, haalde een kopje, ’t builtje met koffie uit de kast, begluurde de melk, of die niet zuurde. Nee, dat ging! Ze sneed zich nog een homp brood af en kreeg ineens pret in haar vlucht. Wel mocht het hem bekomme... als-ie wakker werd.Het drupje water, voor een paar kopjes, zong al ruisend in de ketel, en nu bedacht ze ineens, dat hij door dit gestoom wakker zou kunnen worden. De angst grijnsde haar al weer aan. Een paar tellen later schonk ze op, ging gehaast slubberen aan ’t zwarte vocht. ’t Maakte haar kloeker, sterker. Klaar voelde ze nu, dat ze wist wat ze deed. Nee, nee, ’t was zoo goed, hij moest het maar ondervinden! Morgen of overmorgen zou ze terugkomen om de kachel van hem los te wurmen.Een gerucht in de bedstee deed haar weer inkrimpen; ze hield haar adem in om te luisteren. De heete koffiegeur kriebelde haar op in de neus, maar ze dorst ternauwernood de lippen aan de kop zetten. Nu gooide hij zich in zijn slaap om, snurkte weer in. Ze vond zichzelf laf, lebberde zacht aan haar koffie voort. Opnieuw kreeg ze lust de bedsteedeuren open te rukken, en ’t hem regelrecht toe te schreeuwen. Maar ze bedwong zich. Hij zou de helft niet verstaan van al wat ze zei, beter bleef het stil er-tusschen-uit te schuiven.Op de trap bedacht ze zich, keerde nog even terug. Een paar woorden zou ze voor hem op papier zetten. Waar lag dat papier ook weer? O ja, in ’t laadje van de tafel?Met de koude, kromme vingers kreeg ze ’t maar moeielijk gedaan. Ze moest er bij gaan zitten en telkens de punt van ’t potlood vochtig maken. In groote, en haastig gekrabbelde letters, hier en daar uitgeslift, als geheel toch duidelijk, schreef ze kort-af: Jan ik gaan weg, kom niet weerom, uwes moet uw maar zelf redden! Dan schreef ze er nog bij over z’n verschooning!Ze las de woorden twee maal over, lei het blad papier vooraan op de tafel, aan de kant van de bedstee, zoodat hij ’t dadelijk moest zien als hij d’eruit stapte, overkeek nogeens ’t vertrek in ’n gevoel dat zij te haastig deed en dingen vergat, ging dan stil de deur uit, tilde de zak op,vooraf al door haar in ’t portaal gelegd, en zakte dan voetslippend, aarzel-langzaam de trap af, die kraakloos-hard niet toegaf onder haar treden.
IV.Vrouw Baller, gewoon vroeg op te staan, werd ook nu tijdig wakker, suf-zwaar in haar hoofd.De winterdag grauwde maar zwakjes door ’t vertrek en in ’t zwakaansluipende licht kon ze nog niet veel onderscheiden, maar een zwaar ronken steeg naast haar op en dat zei genoeg; ze rook zijn drankadem, de bedorven lucht. Was hij er dan toch weer? was hij teruggekomen zonder dat ze ’t merkte of wist?—Ze begreep zoo weinig ervan, dat haar gedachten niet klaar wilden worden en ze met strakke, starre oogen zat te kijken alsof het niet waar kon wezen en ze weer droomde. ’t Leek haar zoo iets onmogelijks, dat de gedachten niet werkten en ze onbewegelijk bleef zitten alsof hij werkelijk dood was.Het zwart-baardige kleine hoofd half-weg gefrommeld in z’n armen, zoo lag hij daar als een saamgekrompen, vergoord vod, maar een dwalm van jenever steeg bij elke ademhaling uit hem op en dat herinnerde haar dat ze zich vergiste.Walg en twijfel grepen haar aan, al haar mooie verzinsels van gisteravond, al haar verwachtingen grijnsden nu tegen haar op; ze kreeg het benard alsof ze nog onder een zware benauwing zat. Ze kon zichzelf niet gelooven, twijfelde aan haar eigen oogen. Ze moest iets doen om zich te overtuigen, haar handen uitsteken om haar geschokte zenuwen lucht te geven. Pof viel ze op hem neer, schudde hem heftig door-elkaar en schreeuwde zonder dat ze eigenlijk wist wat ze zei:—Hè, wor ’es wakker!!!Voor die eigen rauwe woorden schrikte ze, want ze wou hem niet wakker hebben; ze wou enkel maar weten of-ie leefde. En hij leefde! De nare dwalm sloeg weer tegen haar op. Zichzelf zag ze nu zitten recht-op in ’t bed met starre oogen. Opeens kreeg ze angst, een afschuw-angst om hier naast hem te wezen in ’t zelfde bed. Dat inelkaargekrompene van hem leek haar misdadig en griezelig, en dat moest ze ontloopen.In hevige ontsteltenis en nu vol afschuw liet ze zich uit de bedstee glijden en stond op de kille kamervloer, rillend. Had ze dat vannacht dan alles maar gedroomd? Hoe zat dat, hij was toch dood... of weg, en zij vrij....? Haar oogen stijf van schrik voelde ze als bevroren; ze zou willen huilen, maar ze kon niet, ze wilde vluchten, haar voeten weigerden,—en haar gedachten stokten opnieuw. De nagels kneep ze in ’t vleesch om zichzelf pijn te doen, ze durfde de handenbijna niet samenwringen, want ze moest denken, denken.En langzamerhand werd ’t haar klaar. Al wat ze eerst als zekerheid meende, en waarvoor ze nu zoo doodelijk schrikte, omdat ’t anders bleek, was niet meer geweest dan een plan in de wind, een ijdele verwachting. Ze had gehoopt, gedacht, zoo sterk gewenscht, dat het haar werkelijkheid leek. Afschuwelijk.... afschuwelijk, zei ze, zichzelf voor ’t magere hoofd slaande. Ze huiverde en het zweet brak haar uit naar alle kanten. Haar gezicht bedekte ze met de handen, om maar niet te zien, en staarde dan weer strak voor zich uit, vol ontzetting. Zij schold hem woedend uit zonder haar stijve lippen te bewegen.Opeens zag ze hem moeite doen, om zich op te richten. Ze schreeuwde het uit. Maar hij plonsde weer neer, verschoof alléén, sliep nog eens in. Hij leek haar een vies beest, dat haar bed besmette, en zichzelf ondermijnde. Stil-zijn, hem laten slapen! vermaande ze zich schuw.Sterk onderging ze de gewaarwording van afschuw, ze zou hem niet wakker kunnen zien, niet met hem kijven, zoo’n smeerpoets... zoo’n dronkelap! Hoe laat mocht-ie wel thuis zijn gekomme? Ze wist het niet. ’t Zou niet vroeg zijn geweest. En opeens drong iets ontzettends tot haar door, ze zag in flauw herinneren wat er vannacht met haar gebeurde, of leek haar dat maar zoo? Haalde hij haar aan?... Had-ie niet...?Een vermoeden van vuilheid golfde in haar op,maakte haar dol. Razernij pakte haar aan; ze wou hem op zijn magere zwarte hoofd timmeren, hem wurgen, maar nu ze bij ’t bed kwam voelde ze weer trillende angst: hij mocht eens wakker worden. Nee, ze wou hem niet zien. Weg moest ze. Weg! zoo gauw mogelijk hier vandaan!In walg duwde ze de bedsteedeuren toe om hem niet voor oogen te hebben. Huiverhaastig wreef ze zich met een natte handdoek over ’t gezicht, kleedde zich in allerijl aan. De kousen waren stuk, ze had vergeten ze te stoppen, d’r kon ze niks aan doen. ’t Moest maar zóó... ze moest weg.In een oogwenk stond ze in de kleeren.Zou ze koffie zetten?... De tong kleefde aan haar verhemelte, ze had rauwe dorst, maar nee, hij mocht eens wakker worden!Ze sloeg een doek om...’t vodje van een hoedje had ze ook al op, moest ze nog wat anders meenemen...? Een stuk brood brokte ze onder de hand naar binnen. Ze nam een grauwe zak, stopte de kleeren en wat ondergoed erin, stopte nog wat bij, de zak nu stevig vol en bollend. Met een eindje touw bond ze toe, keek nog eens in ’t rond.De waanzinnige angst van weg te komen viel weer van haar af. Gotallemachtig, wat was ’t koud. Zou ze toch nog eerst koffie zetten? Welja, ’t goed stond gepakt, als-ie z’n doppen opendeed, kon ze gauw genoeg er tusschen uit. Ze zou ’t hem dan ook geducht inwrijven. Waarvoor maakte zij zich bang?Bang voor hem, voor die aap? Hoe kwam ze d’eran? Nee, nee, eerst een bakkie zette....Bedaard stak ze het petroolstel aan, zette òp de ketel waarin nog water zat van gisteren, haalde een kopje, ’t builtje met koffie uit de kast, begluurde de melk, of die niet zuurde. Nee, dat ging! Ze sneed zich nog een homp brood af en kreeg ineens pret in haar vlucht. Wel mocht het hem bekomme... als-ie wakker werd.Het drupje water, voor een paar kopjes, zong al ruisend in de ketel, en nu bedacht ze ineens, dat hij door dit gestoom wakker zou kunnen worden. De angst grijnsde haar al weer aan. Een paar tellen later schonk ze op, ging gehaast slubberen aan ’t zwarte vocht. ’t Maakte haar kloeker, sterker. Klaar voelde ze nu, dat ze wist wat ze deed. Nee, nee, ’t was zoo goed, hij moest het maar ondervinden! Morgen of overmorgen zou ze terugkomen om de kachel van hem los te wurmen.Een gerucht in de bedstee deed haar weer inkrimpen; ze hield haar adem in om te luisteren. De heete koffiegeur kriebelde haar op in de neus, maar ze dorst ternauwernood de lippen aan de kop zetten. Nu gooide hij zich in zijn slaap om, snurkte weer in. Ze vond zichzelf laf, lebberde zacht aan haar koffie voort. Opnieuw kreeg ze lust de bedsteedeuren open te rukken, en ’t hem regelrecht toe te schreeuwen. Maar ze bedwong zich. Hij zou de helft niet verstaan van al wat ze zei, beter bleef het stil er-tusschen-uit te schuiven.Op de trap bedacht ze zich, keerde nog even terug. Een paar woorden zou ze voor hem op papier zetten. Waar lag dat papier ook weer? O ja, in ’t laadje van de tafel?Met de koude, kromme vingers kreeg ze ’t maar moeielijk gedaan. Ze moest er bij gaan zitten en telkens de punt van ’t potlood vochtig maken. In groote, en haastig gekrabbelde letters, hier en daar uitgeslift, als geheel toch duidelijk, schreef ze kort-af: Jan ik gaan weg, kom niet weerom, uwes moet uw maar zelf redden! Dan schreef ze er nog bij over z’n verschooning!Ze las de woorden twee maal over, lei het blad papier vooraan op de tafel, aan de kant van de bedstee, zoodat hij ’t dadelijk moest zien als hij d’eruit stapte, overkeek nogeens ’t vertrek in ’n gevoel dat zij te haastig deed en dingen vergat, ging dan stil de deur uit, tilde de zak op,vooraf al door haar in ’t portaal gelegd, en zakte dan voetslippend, aarzel-langzaam de trap af, die kraakloos-hard niet toegaf onder haar treden.
IV.Vrouw Baller, gewoon vroeg op te staan, werd ook nu tijdig wakker, suf-zwaar in haar hoofd.De winterdag grauwde maar zwakjes door ’t vertrek en in ’t zwakaansluipende licht kon ze nog niet veel onderscheiden, maar een zwaar ronken steeg naast haar op en dat zei genoeg; ze rook zijn drankadem, de bedorven lucht. Was hij er dan toch weer? was hij teruggekomen zonder dat ze ’t merkte of wist?—Ze begreep zoo weinig ervan, dat haar gedachten niet klaar wilden worden en ze met strakke, starre oogen zat te kijken alsof het niet waar kon wezen en ze weer droomde. ’t Leek haar zoo iets onmogelijks, dat de gedachten niet werkten en ze onbewegelijk bleef zitten alsof hij werkelijk dood was.Het zwart-baardige kleine hoofd half-weg gefrommeld in z’n armen, zoo lag hij daar als een saamgekrompen, vergoord vod, maar een dwalm van jenever steeg bij elke ademhaling uit hem op en dat herinnerde haar dat ze zich vergiste.Walg en twijfel grepen haar aan, al haar mooie verzinsels van gisteravond, al haar verwachtingen grijnsden nu tegen haar op; ze kreeg het benard alsof ze nog onder een zware benauwing zat. Ze kon zichzelf niet gelooven, twijfelde aan haar eigen oogen. Ze moest iets doen om zich te overtuigen, haar handen uitsteken om haar geschokte zenuwen lucht te geven. Pof viel ze op hem neer, schudde hem heftig door-elkaar en schreeuwde zonder dat ze eigenlijk wist wat ze zei:—Hè, wor ’es wakker!!!Voor die eigen rauwe woorden schrikte ze, want ze wou hem niet wakker hebben; ze wou enkel maar weten of-ie leefde. En hij leefde! De nare dwalm sloeg weer tegen haar op. Zichzelf zag ze nu zitten recht-op in ’t bed met starre oogen. Opeens kreeg ze angst, een afschuw-angst om hier naast hem te wezen in ’t zelfde bed. Dat inelkaargekrompene van hem leek haar misdadig en griezelig, en dat moest ze ontloopen.In hevige ontsteltenis en nu vol afschuw liet ze zich uit de bedstee glijden en stond op de kille kamervloer, rillend. Had ze dat vannacht dan alles maar gedroomd? Hoe zat dat, hij was toch dood... of weg, en zij vrij....? Haar oogen stijf van schrik voelde ze als bevroren; ze zou willen huilen, maar ze kon niet, ze wilde vluchten, haar voeten weigerden,—en haar gedachten stokten opnieuw. De nagels kneep ze in ’t vleesch om zichzelf pijn te doen, ze durfde de handenbijna niet samenwringen, want ze moest denken, denken.En langzamerhand werd ’t haar klaar. Al wat ze eerst als zekerheid meende, en waarvoor ze nu zoo doodelijk schrikte, omdat ’t anders bleek, was niet meer geweest dan een plan in de wind, een ijdele verwachting. Ze had gehoopt, gedacht, zoo sterk gewenscht, dat het haar werkelijkheid leek. Afschuwelijk.... afschuwelijk, zei ze, zichzelf voor ’t magere hoofd slaande. Ze huiverde en het zweet brak haar uit naar alle kanten. Haar gezicht bedekte ze met de handen, om maar niet te zien, en staarde dan weer strak voor zich uit, vol ontzetting. Zij schold hem woedend uit zonder haar stijve lippen te bewegen.Opeens zag ze hem moeite doen, om zich op te richten. Ze schreeuwde het uit. Maar hij plonsde weer neer, verschoof alléén, sliep nog eens in. Hij leek haar een vies beest, dat haar bed besmette, en zichzelf ondermijnde. Stil-zijn, hem laten slapen! vermaande ze zich schuw.Sterk onderging ze de gewaarwording van afschuw, ze zou hem niet wakker kunnen zien, niet met hem kijven, zoo’n smeerpoets... zoo’n dronkelap! Hoe laat mocht-ie wel thuis zijn gekomme? Ze wist het niet. ’t Zou niet vroeg zijn geweest. En opeens drong iets ontzettends tot haar door, ze zag in flauw herinneren wat er vannacht met haar gebeurde, of leek haar dat maar zoo? Haalde hij haar aan?... Had-ie niet...?Een vermoeden van vuilheid golfde in haar op,maakte haar dol. Razernij pakte haar aan; ze wou hem op zijn magere zwarte hoofd timmeren, hem wurgen, maar nu ze bij ’t bed kwam voelde ze weer trillende angst: hij mocht eens wakker worden. Nee, ze wou hem niet zien. Weg moest ze. Weg! zoo gauw mogelijk hier vandaan!In walg duwde ze de bedsteedeuren toe om hem niet voor oogen te hebben. Huiverhaastig wreef ze zich met een natte handdoek over ’t gezicht, kleedde zich in allerijl aan. De kousen waren stuk, ze had vergeten ze te stoppen, d’r kon ze niks aan doen. ’t Moest maar zóó... ze moest weg.In een oogwenk stond ze in de kleeren.Zou ze koffie zetten?... De tong kleefde aan haar verhemelte, ze had rauwe dorst, maar nee, hij mocht eens wakker worden!Ze sloeg een doek om...’t vodje van een hoedje had ze ook al op, moest ze nog wat anders meenemen...? Een stuk brood brokte ze onder de hand naar binnen. Ze nam een grauwe zak, stopte de kleeren en wat ondergoed erin, stopte nog wat bij, de zak nu stevig vol en bollend. Met een eindje touw bond ze toe, keek nog eens in ’t rond.De waanzinnige angst van weg te komen viel weer van haar af. Gotallemachtig, wat was ’t koud. Zou ze toch nog eerst koffie zetten? Welja, ’t goed stond gepakt, als-ie z’n doppen opendeed, kon ze gauw genoeg er tusschen uit. Ze zou ’t hem dan ook geducht inwrijven. Waarvoor maakte zij zich bang?Bang voor hem, voor die aap? Hoe kwam ze d’eran? Nee, nee, eerst een bakkie zette....Bedaard stak ze het petroolstel aan, zette òp de ketel waarin nog water zat van gisteren, haalde een kopje, ’t builtje met koffie uit de kast, begluurde de melk, of die niet zuurde. Nee, dat ging! Ze sneed zich nog een homp brood af en kreeg ineens pret in haar vlucht. Wel mocht het hem bekomme... als-ie wakker werd.Het drupje water, voor een paar kopjes, zong al ruisend in de ketel, en nu bedacht ze ineens, dat hij door dit gestoom wakker zou kunnen worden. De angst grijnsde haar al weer aan. Een paar tellen later schonk ze op, ging gehaast slubberen aan ’t zwarte vocht. ’t Maakte haar kloeker, sterker. Klaar voelde ze nu, dat ze wist wat ze deed. Nee, nee, ’t was zoo goed, hij moest het maar ondervinden! Morgen of overmorgen zou ze terugkomen om de kachel van hem los te wurmen.Een gerucht in de bedstee deed haar weer inkrimpen; ze hield haar adem in om te luisteren. De heete koffiegeur kriebelde haar op in de neus, maar ze dorst ternauwernood de lippen aan de kop zetten. Nu gooide hij zich in zijn slaap om, snurkte weer in. Ze vond zichzelf laf, lebberde zacht aan haar koffie voort. Opnieuw kreeg ze lust de bedsteedeuren open te rukken, en ’t hem regelrecht toe te schreeuwen. Maar ze bedwong zich. Hij zou de helft niet verstaan van al wat ze zei, beter bleef het stil er-tusschen-uit te schuiven.Op de trap bedacht ze zich, keerde nog even terug. Een paar woorden zou ze voor hem op papier zetten. Waar lag dat papier ook weer? O ja, in ’t laadje van de tafel?Met de koude, kromme vingers kreeg ze ’t maar moeielijk gedaan. Ze moest er bij gaan zitten en telkens de punt van ’t potlood vochtig maken. In groote, en haastig gekrabbelde letters, hier en daar uitgeslift, als geheel toch duidelijk, schreef ze kort-af: Jan ik gaan weg, kom niet weerom, uwes moet uw maar zelf redden! Dan schreef ze er nog bij over z’n verschooning!Ze las de woorden twee maal over, lei het blad papier vooraan op de tafel, aan de kant van de bedstee, zoodat hij ’t dadelijk moest zien als hij d’eruit stapte, overkeek nogeens ’t vertrek in ’n gevoel dat zij te haastig deed en dingen vergat, ging dan stil de deur uit, tilde de zak op,vooraf al door haar in ’t portaal gelegd, en zakte dan voetslippend, aarzel-langzaam de trap af, die kraakloos-hard niet toegaf onder haar treden.
IV.
Vrouw Baller, gewoon vroeg op te staan, werd ook nu tijdig wakker, suf-zwaar in haar hoofd.De winterdag grauwde maar zwakjes door ’t vertrek en in ’t zwakaansluipende licht kon ze nog niet veel onderscheiden, maar een zwaar ronken steeg naast haar op en dat zei genoeg; ze rook zijn drankadem, de bedorven lucht. Was hij er dan toch weer? was hij teruggekomen zonder dat ze ’t merkte of wist?—Ze begreep zoo weinig ervan, dat haar gedachten niet klaar wilden worden en ze met strakke, starre oogen zat te kijken alsof het niet waar kon wezen en ze weer droomde. ’t Leek haar zoo iets onmogelijks, dat de gedachten niet werkten en ze onbewegelijk bleef zitten alsof hij werkelijk dood was.Het zwart-baardige kleine hoofd half-weg gefrommeld in z’n armen, zoo lag hij daar als een saamgekrompen, vergoord vod, maar een dwalm van jenever steeg bij elke ademhaling uit hem op en dat herinnerde haar dat ze zich vergiste.Walg en twijfel grepen haar aan, al haar mooie verzinsels van gisteravond, al haar verwachtingen grijnsden nu tegen haar op; ze kreeg het benard alsof ze nog onder een zware benauwing zat. Ze kon zichzelf niet gelooven, twijfelde aan haar eigen oogen. Ze moest iets doen om zich te overtuigen, haar handen uitsteken om haar geschokte zenuwen lucht te geven. Pof viel ze op hem neer, schudde hem heftig door-elkaar en schreeuwde zonder dat ze eigenlijk wist wat ze zei:—Hè, wor ’es wakker!!!Voor die eigen rauwe woorden schrikte ze, want ze wou hem niet wakker hebben; ze wou enkel maar weten of-ie leefde. En hij leefde! De nare dwalm sloeg weer tegen haar op. Zichzelf zag ze nu zitten recht-op in ’t bed met starre oogen. Opeens kreeg ze angst, een afschuw-angst om hier naast hem te wezen in ’t zelfde bed. Dat inelkaargekrompene van hem leek haar misdadig en griezelig, en dat moest ze ontloopen.In hevige ontsteltenis en nu vol afschuw liet ze zich uit de bedstee glijden en stond op de kille kamervloer, rillend. Had ze dat vannacht dan alles maar gedroomd? Hoe zat dat, hij was toch dood... of weg, en zij vrij....? Haar oogen stijf van schrik voelde ze als bevroren; ze zou willen huilen, maar ze kon niet, ze wilde vluchten, haar voeten weigerden,—en haar gedachten stokten opnieuw. De nagels kneep ze in ’t vleesch om zichzelf pijn te doen, ze durfde de handenbijna niet samenwringen, want ze moest denken, denken.En langzamerhand werd ’t haar klaar. Al wat ze eerst als zekerheid meende, en waarvoor ze nu zoo doodelijk schrikte, omdat ’t anders bleek, was niet meer geweest dan een plan in de wind, een ijdele verwachting. Ze had gehoopt, gedacht, zoo sterk gewenscht, dat het haar werkelijkheid leek. Afschuwelijk.... afschuwelijk, zei ze, zichzelf voor ’t magere hoofd slaande. Ze huiverde en het zweet brak haar uit naar alle kanten. Haar gezicht bedekte ze met de handen, om maar niet te zien, en staarde dan weer strak voor zich uit, vol ontzetting. Zij schold hem woedend uit zonder haar stijve lippen te bewegen.Opeens zag ze hem moeite doen, om zich op te richten. Ze schreeuwde het uit. Maar hij plonsde weer neer, verschoof alléén, sliep nog eens in. Hij leek haar een vies beest, dat haar bed besmette, en zichzelf ondermijnde. Stil-zijn, hem laten slapen! vermaande ze zich schuw.Sterk onderging ze de gewaarwording van afschuw, ze zou hem niet wakker kunnen zien, niet met hem kijven, zoo’n smeerpoets... zoo’n dronkelap! Hoe laat mocht-ie wel thuis zijn gekomme? Ze wist het niet. ’t Zou niet vroeg zijn geweest. En opeens drong iets ontzettends tot haar door, ze zag in flauw herinneren wat er vannacht met haar gebeurde, of leek haar dat maar zoo? Haalde hij haar aan?... Had-ie niet...?Een vermoeden van vuilheid golfde in haar op,maakte haar dol. Razernij pakte haar aan; ze wou hem op zijn magere zwarte hoofd timmeren, hem wurgen, maar nu ze bij ’t bed kwam voelde ze weer trillende angst: hij mocht eens wakker worden. Nee, ze wou hem niet zien. Weg moest ze. Weg! zoo gauw mogelijk hier vandaan!In walg duwde ze de bedsteedeuren toe om hem niet voor oogen te hebben. Huiverhaastig wreef ze zich met een natte handdoek over ’t gezicht, kleedde zich in allerijl aan. De kousen waren stuk, ze had vergeten ze te stoppen, d’r kon ze niks aan doen. ’t Moest maar zóó... ze moest weg.In een oogwenk stond ze in de kleeren.Zou ze koffie zetten?... De tong kleefde aan haar verhemelte, ze had rauwe dorst, maar nee, hij mocht eens wakker worden!Ze sloeg een doek om...’t vodje van een hoedje had ze ook al op, moest ze nog wat anders meenemen...? Een stuk brood brokte ze onder de hand naar binnen. Ze nam een grauwe zak, stopte de kleeren en wat ondergoed erin, stopte nog wat bij, de zak nu stevig vol en bollend. Met een eindje touw bond ze toe, keek nog eens in ’t rond.De waanzinnige angst van weg te komen viel weer van haar af. Gotallemachtig, wat was ’t koud. Zou ze toch nog eerst koffie zetten? Welja, ’t goed stond gepakt, als-ie z’n doppen opendeed, kon ze gauw genoeg er tusschen uit. Ze zou ’t hem dan ook geducht inwrijven. Waarvoor maakte zij zich bang?Bang voor hem, voor die aap? Hoe kwam ze d’eran? Nee, nee, eerst een bakkie zette....Bedaard stak ze het petroolstel aan, zette òp de ketel waarin nog water zat van gisteren, haalde een kopje, ’t builtje met koffie uit de kast, begluurde de melk, of die niet zuurde. Nee, dat ging! Ze sneed zich nog een homp brood af en kreeg ineens pret in haar vlucht. Wel mocht het hem bekomme... als-ie wakker werd.Het drupje water, voor een paar kopjes, zong al ruisend in de ketel, en nu bedacht ze ineens, dat hij door dit gestoom wakker zou kunnen worden. De angst grijnsde haar al weer aan. Een paar tellen later schonk ze op, ging gehaast slubberen aan ’t zwarte vocht. ’t Maakte haar kloeker, sterker. Klaar voelde ze nu, dat ze wist wat ze deed. Nee, nee, ’t was zoo goed, hij moest het maar ondervinden! Morgen of overmorgen zou ze terugkomen om de kachel van hem los te wurmen.Een gerucht in de bedstee deed haar weer inkrimpen; ze hield haar adem in om te luisteren. De heete koffiegeur kriebelde haar op in de neus, maar ze dorst ternauwernood de lippen aan de kop zetten. Nu gooide hij zich in zijn slaap om, snurkte weer in. Ze vond zichzelf laf, lebberde zacht aan haar koffie voort. Opnieuw kreeg ze lust de bedsteedeuren open te rukken, en ’t hem regelrecht toe te schreeuwen. Maar ze bedwong zich. Hij zou de helft niet verstaan van al wat ze zei, beter bleef het stil er-tusschen-uit te schuiven.Op de trap bedacht ze zich, keerde nog even terug. Een paar woorden zou ze voor hem op papier zetten. Waar lag dat papier ook weer? O ja, in ’t laadje van de tafel?Met de koude, kromme vingers kreeg ze ’t maar moeielijk gedaan. Ze moest er bij gaan zitten en telkens de punt van ’t potlood vochtig maken. In groote, en haastig gekrabbelde letters, hier en daar uitgeslift, als geheel toch duidelijk, schreef ze kort-af: Jan ik gaan weg, kom niet weerom, uwes moet uw maar zelf redden! Dan schreef ze er nog bij over z’n verschooning!Ze las de woorden twee maal over, lei het blad papier vooraan op de tafel, aan de kant van de bedstee, zoodat hij ’t dadelijk moest zien als hij d’eruit stapte, overkeek nogeens ’t vertrek in ’n gevoel dat zij te haastig deed en dingen vergat, ging dan stil de deur uit, tilde de zak op,vooraf al door haar in ’t portaal gelegd, en zakte dan voetslippend, aarzel-langzaam de trap af, die kraakloos-hard niet toegaf onder haar treden.
Vrouw Baller, gewoon vroeg op te staan, werd ook nu tijdig wakker, suf-zwaar in haar hoofd.
De winterdag grauwde maar zwakjes door ’t vertrek en in ’t zwakaansluipende licht kon ze nog niet veel onderscheiden, maar een zwaar ronken steeg naast haar op en dat zei genoeg; ze rook zijn drankadem, de bedorven lucht. Was hij er dan toch weer? was hij teruggekomen zonder dat ze ’t merkte of wist?—Ze begreep zoo weinig ervan, dat haar gedachten niet klaar wilden worden en ze met strakke, starre oogen zat te kijken alsof het niet waar kon wezen en ze weer droomde. ’t Leek haar zoo iets onmogelijks, dat de gedachten niet werkten en ze onbewegelijk bleef zitten alsof hij werkelijk dood was.
Het zwart-baardige kleine hoofd half-weg gefrommeld in z’n armen, zoo lag hij daar als een saamgekrompen, vergoord vod, maar een dwalm van jenever steeg bij elke ademhaling uit hem op en dat herinnerde haar dat ze zich vergiste.
Walg en twijfel grepen haar aan, al haar mooie verzinsels van gisteravond, al haar verwachtingen grijnsden nu tegen haar op; ze kreeg het benard alsof ze nog onder een zware benauwing zat. Ze kon zichzelf niet gelooven, twijfelde aan haar eigen oogen. Ze moest iets doen om zich te overtuigen, haar handen uitsteken om haar geschokte zenuwen lucht te geven. Pof viel ze op hem neer, schudde hem heftig door-elkaar en schreeuwde zonder dat ze eigenlijk wist wat ze zei:
—Hè, wor ’es wakker!!!
Voor die eigen rauwe woorden schrikte ze, want ze wou hem niet wakker hebben; ze wou enkel maar weten of-ie leefde. En hij leefde! De nare dwalm sloeg weer tegen haar op. Zichzelf zag ze nu zitten recht-op in ’t bed met starre oogen. Opeens kreeg ze angst, een afschuw-angst om hier naast hem te wezen in ’t zelfde bed. Dat inelkaargekrompene van hem leek haar misdadig en griezelig, en dat moest ze ontloopen.
In hevige ontsteltenis en nu vol afschuw liet ze zich uit de bedstee glijden en stond op de kille kamervloer, rillend. Had ze dat vannacht dan alles maar gedroomd? Hoe zat dat, hij was toch dood... of weg, en zij vrij....? Haar oogen stijf van schrik voelde ze als bevroren; ze zou willen huilen, maar ze kon niet, ze wilde vluchten, haar voeten weigerden,—en haar gedachten stokten opnieuw. De nagels kneep ze in ’t vleesch om zichzelf pijn te doen, ze durfde de handenbijna niet samenwringen, want ze moest denken, denken.
En langzamerhand werd ’t haar klaar. Al wat ze eerst als zekerheid meende, en waarvoor ze nu zoo doodelijk schrikte, omdat ’t anders bleek, was niet meer geweest dan een plan in de wind, een ijdele verwachting. Ze had gehoopt, gedacht, zoo sterk gewenscht, dat het haar werkelijkheid leek. Afschuwelijk.... afschuwelijk, zei ze, zichzelf voor ’t magere hoofd slaande. Ze huiverde en het zweet brak haar uit naar alle kanten. Haar gezicht bedekte ze met de handen, om maar niet te zien, en staarde dan weer strak voor zich uit, vol ontzetting. Zij schold hem woedend uit zonder haar stijve lippen te bewegen.
Opeens zag ze hem moeite doen, om zich op te richten. Ze schreeuwde het uit. Maar hij plonsde weer neer, verschoof alléén, sliep nog eens in. Hij leek haar een vies beest, dat haar bed besmette, en zichzelf ondermijnde. Stil-zijn, hem laten slapen! vermaande ze zich schuw.
Sterk onderging ze de gewaarwording van afschuw, ze zou hem niet wakker kunnen zien, niet met hem kijven, zoo’n smeerpoets... zoo’n dronkelap! Hoe laat mocht-ie wel thuis zijn gekomme? Ze wist het niet. ’t Zou niet vroeg zijn geweest. En opeens drong iets ontzettends tot haar door, ze zag in flauw herinneren wat er vannacht met haar gebeurde, of leek haar dat maar zoo? Haalde hij haar aan?... Had-ie niet...?
Een vermoeden van vuilheid golfde in haar op,maakte haar dol. Razernij pakte haar aan; ze wou hem op zijn magere zwarte hoofd timmeren, hem wurgen, maar nu ze bij ’t bed kwam voelde ze weer trillende angst: hij mocht eens wakker worden. Nee, ze wou hem niet zien. Weg moest ze. Weg! zoo gauw mogelijk hier vandaan!
In walg duwde ze de bedsteedeuren toe om hem niet voor oogen te hebben. Huiverhaastig wreef ze zich met een natte handdoek over ’t gezicht, kleedde zich in allerijl aan. De kousen waren stuk, ze had vergeten ze te stoppen, d’r kon ze niks aan doen. ’t Moest maar zóó... ze moest weg.
In een oogwenk stond ze in de kleeren.
Zou ze koffie zetten?... De tong kleefde aan haar verhemelte, ze had rauwe dorst, maar nee, hij mocht eens wakker worden!
Ze sloeg een doek om...’t vodje van een hoedje had ze ook al op, moest ze nog wat anders meenemen...? Een stuk brood brokte ze onder de hand naar binnen. Ze nam een grauwe zak, stopte de kleeren en wat ondergoed erin, stopte nog wat bij, de zak nu stevig vol en bollend. Met een eindje touw bond ze toe, keek nog eens in ’t rond.
De waanzinnige angst van weg te komen viel weer van haar af. Gotallemachtig, wat was ’t koud. Zou ze toch nog eerst koffie zetten? Welja, ’t goed stond gepakt, als-ie z’n doppen opendeed, kon ze gauw genoeg er tusschen uit. Ze zou ’t hem dan ook geducht inwrijven. Waarvoor maakte zij zich bang?Bang voor hem, voor die aap? Hoe kwam ze d’eran? Nee, nee, eerst een bakkie zette....
Bedaard stak ze het petroolstel aan, zette òp de ketel waarin nog water zat van gisteren, haalde een kopje, ’t builtje met koffie uit de kast, begluurde de melk, of die niet zuurde. Nee, dat ging! Ze sneed zich nog een homp brood af en kreeg ineens pret in haar vlucht. Wel mocht het hem bekomme... als-ie wakker werd.
Het drupje water, voor een paar kopjes, zong al ruisend in de ketel, en nu bedacht ze ineens, dat hij door dit gestoom wakker zou kunnen worden. De angst grijnsde haar al weer aan. Een paar tellen later schonk ze op, ging gehaast slubberen aan ’t zwarte vocht. ’t Maakte haar kloeker, sterker. Klaar voelde ze nu, dat ze wist wat ze deed. Nee, nee, ’t was zoo goed, hij moest het maar ondervinden! Morgen of overmorgen zou ze terugkomen om de kachel van hem los te wurmen.
Een gerucht in de bedstee deed haar weer inkrimpen; ze hield haar adem in om te luisteren. De heete koffiegeur kriebelde haar op in de neus, maar ze dorst ternauwernood de lippen aan de kop zetten. Nu gooide hij zich in zijn slaap om, snurkte weer in. Ze vond zichzelf laf, lebberde zacht aan haar koffie voort. Opnieuw kreeg ze lust de bedsteedeuren open te rukken, en ’t hem regelrecht toe te schreeuwen. Maar ze bedwong zich. Hij zou de helft niet verstaan van al wat ze zei, beter bleef het stil er-tusschen-uit te schuiven.
Op de trap bedacht ze zich, keerde nog even terug. Een paar woorden zou ze voor hem op papier zetten. Waar lag dat papier ook weer? O ja, in ’t laadje van de tafel?
Met de koude, kromme vingers kreeg ze ’t maar moeielijk gedaan. Ze moest er bij gaan zitten en telkens de punt van ’t potlood vochtig maken. In groote, en haastig gekrabbelde letters, hier en daar uitgeslift, als geheel toch duidelijk, schreef ze kort-af: Jan ik gaan weg, kom niet weerom, uwes moet uw maar zelf redden! Dan schreef ze er nog bij over z’n verschooning!
Ze las de woorden twee maal over, lei het blad papier vooraan op de tafel, aan de kant van de bedstee, zoodat hij ’t dadelijk moest zien als hij d’eruit stapte, overkeek nogeens ’t vertrek in ’n gevoel dat zij te haastig deed en dingen vergat, ging dan stil de deur uit, tilde de zak op,vooraf al door haar in ’t portaal gelegd, en zakte dan voetslippend, aarzel-langzaam de trap af, die kraakloos-hard niet toegaf onder haar treden.