IX.Baller, nu straf doorgeloopen tot in de straat waar hij woonde, verwonderde zich geen licht te zien achter de ramen. Zou ze nog niet thuis zijn? hee dat bevreemde hem... òf zou ze boven in donker blijven zitten om eerst met hem af te rekenen?Beide onderstellingen vroolijkten hem niet op, hij had zich nu al ingedacht, dat ze aan ’t koken of aan ’t koffiezetten zou wezen, zoodoende alles weer in orde. Hoe hooger hij de steile trap opklom, te minder zeker voelde hij zich zelf, och, als ’t nou maar geen tranen en lammentaties zou geven, de dag was al ellendig genoeg geweest!Er viel iets kils over hem nu hij de deur opende, haar naam riep, haar niet zag en ook geen antwoord bekwam... De Hesselaars zoûen hem toch niet voor de mal hebben gehouden, nee-nee, dat geloofde hij niet. Onthutst liep hij een paar keer de schemerstille kamer op en neer, schoof toen het raam op om eens naar buiten te spieden of hij haar soms niet zag aankomen.Ongerust voelde hij zich worden terwijl hij staarde naar ’t wijkende licht van de vriesdag, die boven de al zwaar-donkerende straatgeul met vele schaduwvlakken in de diepte, onmachtig bleekte. En opeens, hij wist zelf niet waardoor, schoot de ontzettende gedachte in hem op, dat de vrouw daarginds overreden, waar hij naar had staan kijken, weleens zijn eigen vrouw kon zijn geweest, dat ze dood en vermorseld haar zoûen thuisbrengen. Hoorde hij daar al niets?... Hij meende werkelijk stemmen en radergewiel te vernemen, stemmen van: hier heen, hier is ’t! Nee-nee, dat zou niet mogelijk kunnen wezen, hoe kwam hij aan zoo’n veronderstelling, was hij dan krankzinnig? Vol angst over zijn eigen gedachten trok hij ’t hoofd gauw binnen, liep met een stomp hoofd de kamer een paar keer heen en weer, en wou het licht gaan opsteken, de kachel aanleggen.Zeker, als ’t lekker warm was en ’t licht brandde, zou ze, als ze straks kwam wel bijtrekken en niet te veel lawaaien. Misschien ook beter zóó. Iets zei hem, dat ze nu wel gauw zou komen, zóó tegen donker. Maar, terwijl hij zich dit inpompte en de kachel niet wilde branden, overviel hem weer een vaag voorgevoel. Wat gaf het of hij hier al vuur aanleî, als ze toch niet opdaagde.Stemlawaai op straat trok opnieuw zijn aandacht. Snel schoof hij ’t raam op om te kijken, maar hij zag niets: de straat met de winkels zondags-gesloten lag al geheel donker, als een zwarte, lange gleuf, waarinde menschen krioelden. De koude wind sneed venijnig hem om d’ooren.Bij ’t binnentrekken van zijn ijl-aanvoelend hoofd meende hij vlak beneden, vóór de deur, menschen te zien staan; en zijn oor vernam gestommel op de trap. M’n God, dat zou toch voor hem niet wezen? Ontsteld trok hij zijn hoofd naar binnen, drukte het schuifraam toe, luisterde in harteklop. ’t Gestommel op de trap werd luider, kwam hooger, al hooger. Hij wou de deur opensmijten en zich overtuigen, doch hij durfde niet door zijn slecht geweten.Het voorgevoel nam in een paar tel ’t begrip van zekerheid aan. Geen twijfel meer. Gotogot! Zijn vrouw was het die het ongeluk overkwam... nou werd ze thuis gedragen. Hij wachtte... wachtte... over al zijn leden bevend.’t Lamplicht roodde voor zijn oogen, als huilerige vlammen. Gekheid, gekheid! mompelde hij nog, maar hij kon zich niet meer beheerschen, hij moest het weten.Plots hoorde hij roepen.—Baller... Baller...Met rukte hij de deur open, keek met starre oogen naar beneden, doch in ’t donker viel niet te onderscheiden. Wel hoorde hij gepraat en gestommel. Opnieuw riepen ze hem bij z’n naam.—Ja... wat is er? stootte hij er schor uit, bevend en bibberend, beducht om de waarheid te vernemen.—Je vrouw... we brenge je vrouw... een ongeluk gebeurd!Baller stortte zich al de trap af. De menschen schreeuwden hem toe:—Blijf boven... je kunt hier niet helpen... Licht ma’r liever wat bij.Stijf van schrik bleef hij staan, klauterde weer de trap óp, greep de peer uit de hanger, boog zich over ’t hek, òm wat licht in de donkere trapholte te laten schijnen. O God, hij keek vlak in ’t afgewasschen en toch weer bloedend gezicht van zijn vrouw, die ze met hun vieren naarboven sleepten. ’t Was of de lamp hem zou ontvallen; hij gaf een nijpende schreeuw, moest zich vasthouden om niet te tuimelen. Geen woord wist-ie eruit de brengen; hij beefde over al zijn schonken. Dan terwijl ze met het bloederige, in elkaargezakt lichaam naar boven scharrelden en het in de kamer legden, brak hij los in een huil van jammerklachten.De mannen raakten in verwarring, wisten niet wat ze moesten zeggen. Ze keerden zich af, één nam hem bij de arm, troostte op ruwe wijze:—Kom kerel hou-je goed.... wees een man.... daar is niks meer ’an te doen!’t Ongeval, waaraan hij twijfelde en toch wist, dat hij vermoedde en niet wilde weten, werd nu voor Baller klaar, onafwendbaar-zeker. Hij rukte zich los, schreeuwde:—Wat? Wàt zei-je daar?Haar bloederig verminkt gezicht, dat hem eerst weerhield, trok hem nu onweerstaanbaar aan. Hijstortte zich op haar neer, riep hartstochtelijk haar bij de naam, klaagde zichzelf aan.—Nee-nee, schreeuwde hij pijnlijk, je bent niet dood... je kunt niet dood zijn.... antwoord toch.... doe je oogen open.... zeg dan één woord!Allen op de kamer zwegen, niemand dorst een woord zeggen, zelfs geen kik te geven; ’t geval was al te verschrikkelijk. Als een waanzinnige betastte hij haar harde lichaam, dat nog warm aanvoelde. En opeens kreet hij weer:—Nee-nee, ze is niet dood! Een dokter, gauw ’n dokter.... om ’s hemelswille een dokter!Een van de mannen sprak nu hakkelend:—’t Zal niet meer geve.... de dokter is d’r al bij geweest.... de schedel gebroke!—Nee-nee, ze leeft.... een dokter, een dokter!Met een wilde zet sprong hij op, greep zijn hoed, rende de trap af, tuimelde bijna naar beneden. In zenuwende jacht holde hij de straat over, met de rapheid, die de bangheid hem gaf, door de zondagsmenschen zich banend. Hij voelde niets van de kou, zag geen gevaar, al glipte hij herhaaldelijk van de beenen. De straatsteenen glinsterden van ’t geribbelde ijs, enkel hier en daar lag zand gestrooid, of was de weg platgereden, maar daaraan stoorde hij zich niet.De busdokter woonde ver, een vermoeden beving hem, dat hij nu op zondag en een ongelegen uur, niemand thuis zou vinden; ’t liet zich wel denken. Doch hij ijlde niet minder gejaagd voort, stondal op de stoep, zich het zweet van zijn behaarde gezicht wisschend. O, zooals hij dacht, de meid zei kalm:—De dokter is niet thuis!Geduldig-zeker schreef ze naam en straat op de lei. Wat nu? Hij liep weer voort, op goed geluk de huizen langs, beglurend de naamplaatjes, om bij de eerste de beste onbezwaard aan te bellen. Maar ’t scheen of wel nergens een dokter woonde, anders zag hij de namen bij de vleet en nu geen enkele. Keerde dan alles zich tegen hem?... M’n God, z’n vrouw ging sterven! Hij hield dezelfde straatkant,om niet af te dwalen, niet te ver van honk te raken,—en eindelijk zag hij ’t naamplaatje van een dokter, belde hard aan zonder bedenken. ’t Duurde een heele tijd voor de deur zich opende; de meid, knorrig, dat ze van ’t werk werd weggehaald, bitste:—De dokter is uit en je hoeft niet zoo geweldig te luien, wij zijn niet doóf!—Stik! zei hij woedend en liep alweer weg.Eenige passen verder vond hij een ander, kreeg er ’t zelfde bescheid, en dit herhaalde zich op drie, vier plaatsen; nergens trof hij de dokter thuis. Dat was of ze hem zware mokerslagen toedienden, hem wurgden, zoo knauwde het hem; hij zakte haast inéén. Maar ’t besef dat hij schuld meedroeg aan z’n vrouws ongeluk zwiepte hem opnieuw voort, al begreep hij nu wel, dat ingeval er nog hoop had bestaan, die zeker zou zijn verloopen. Hij liet daarom niet los, zijn halsstarrigheid verzette zich ertegen. Instarre woede belde hij aan overal waar hij maar een doktersplaatje aan de deur vermoedde; en hij schold en schimpte al te voren.Tot hij eindelijk moe en uitgeput niet meer kon en ook ineens het onnoodige van zijn pogingen inzag. Zijn vrouw was dood, morsdood, wat hielp het, al haalde hij alle dokters van de wereld er bij? daarmee bracht hij haar niet tot het leven terug. Toch kon hij ’t ook nu nog niet aannemen dat er werkelijk geen hoop meer bestond, nee dat zou al te wreed wezen, hij moest nou naar huis terug, zeker hadden anderen al lang een dokter gevonden, terwijl hij hier als een halve gek liep te razen.’t Leek hem zoo geloofwaardig wat hij zichzelf opdrong, dat hij in sukkel-gauwe draafpassen over de gladheid van de straten naar huis terugrende, bij elke voetstap struikelend, geheel op, bijna zonder adem, kwaad op zichzelf dat hij zoo ver uit de buurt raakte. Ja, nou zou hij ’t spoedig hooren, nou zou hij ’t weten of er nog hoop overbleef. Driest en weer vol moed schoot hij zijn straat in. De menschen stonden er te praten, hielden ineens op, spraken fluisterend terwijl hij voorbijging. En nu hij met moeite de hooge trap opklauterde, ontviel hem ineens alle hoop en vertrouwen. In een snik barstte hij uit en zoo hevig, dat hij op ’t overloop moest blijven staan en zich niet naar boven kon slepen. Dat duurde maar een korte poos die hem heel lang toescheen, dan vermande hij zich, nam alle moed te zaam en oogenschijnlijk bedaardschoof hij de kamer binnen, liet hij zich op een stoel neerzakken, stiet hijgend eruit:—Geen dokter te vinden!De buurvrouwen keken medelijdend en wisten niets te zeggen. Ze fronsten de wenkbrauwen, schokschouderden, en staarden elkaar aan met open oogen.Angstverwekkend stond de stilte in ’t vertrek. Dan ging een van de vrouwen op hem toe, vroeg of hij een glas water wilde hebben, zei zacht dat hij zich nu kalm had te houden.De andere vrouwen beraadslaagden verder, zeien onder elkaar, dat ze de doode moesten afleggen, anders werd ’t lijk te stijf.—Wat zeg-je d’ervan Baller?Baller, bleek en stijf, verroerde zich niet; zijn gedachten zwegen, ’t was of hij versteende.—Wàt, wàt, schrikte hij op, wat zeg-je... kleede?Hij zei geen woord verder, zakte in elkaar, begon te schokken van zenuwkramp.De vrouwen moesten nu toch besluiten, ’t was zondagavond, en geen had veel lust of tijd. De mannen wachtten thuis... ’t moest dus gebeuren. Een ging naar de kast om schoone onderkleeren te krijgen, maar de planken waren leeg; alleen mansgoed lag er opgestapeld. Zij schudde Baller weer door elkaar, zei:—Hè, geef ’es antwoord... waar is ’t goed? D’er lig niks!—’t Goed? ’t gòèd... dat weet ’k niet!!—Zit dan niet te suffe... kom ’es kijke!Zonder te beseffen wat hij deed, stond hij op, wankelde naar de kast. Dan werd ’t voor hem helder; hij zag de schappen leeg. En nu weer voor hem ziende zijn eigen misdrijf, riep hij:—Ze hèt ’et mee genomen... o God, ik weet ’et niet waar ’t is gebleve... ’t is weg!!Dat gaf een nieuwe alteratie, de vrouwen zaten er mee in, ze hadden zich te redden, maar hoe...? Wist dan niemand waar ’t linnengoed kon wezen? Ze stonden elkaar in verwarring aan te gapen.Baller, versuft en verslagen, zakte op de stoel terug. De buurvrouw van links, de meest kordaatste, begon aan te pakken, de doode af te wasschen, de wonden wat bij te halen. Baller zat er wezenloos naar te kijken. Het gezicht, verschrikkelijk door vele schampen en wonden, waaruit het bloed bleef vloeien, scheen hem baldadig aan te grijnzen. Schrik en moedeloosheid hadden de trekken gegrift tot een schril verwijt. Hij herkende haar haast niet, zooals ze daar lag, het gezicht krijt-wit, met groenige vegen, onder ’t vale haar, hij herzag haar ineens zooals ze gisteravond dreigend voor hem stond, toen hij ontglipte. Die dreiging vond hij nu terug in al haar trekken en dat maakte hem wild.—Ik hoû ’t niet uit.... ik hoû ’t niet uit! gilde hij. Schuw sprong hij op, jaagde de trappen af naar beneden.De vrouwen knikten tegen elkaar: arme man! Dan zochten ze saam wat er nog lag en gingen voort om de doode af te leggen.
IX.Baller, nu straf doorgeloopen tot in de straat waar hij woonde, verwonderde zich geen licht te zien achter de ramen. Zou ze nog niet thuis zijn? hee dat bevreemde hem... òf zou ze boven in donker blijven zitten om eerst met hem af te rekenen?Beide onderstellingen vroolijkten hem niet op, hij had zich nu al ingedacht, dat ze aan ’t koken of aan ’t koffiezetten zou wezen, zoodoende alles weer in orde. Hoe hooger hij de steile trap opklom, te minder zeker voelde hij zich zelf, och, als ’t nou maar geen tranen en lammentaties zou geven, de dag was al ellendig genoeg geweest!Er viel iets kils over hem nu hij de deur opende, haar naam riep, haar niet zag en ook geen antwoord bekwam... De Hesselaars zoûen hem toch niet voor de mal hebben gehouden, nee-nee, dat geloofde hij niet. Onthutst liep hij een paar keer de schemerstille kamer op en neer, schoof toen het raam op om eens naar buiten te spieden of hij haar soms niet zag aankomen.Ongerust voelde hij zich worden terwijl hij staarde naar ’t wijkende licht van de vriesdag, die boven de al zwaar-donkerende straatgeul met vele schaduwvlakken in de diepte, onmachtig bleekte. En opeens, hij wist zelf niet waardoor, schoot de ontzettende gedachte in hem op, dat de vrouw daarginds overreden, waar hij naar had staan kijken, weleens zijn eigen vrouw kon zijn geweest, dat ze dood en vermorseld haar zoûen thuisbrengen. Hoorde hij daar al niets?... Hij meende werkelijk stemmen en radergewiel te vernemen, stemmen van: hier heen, hier is ’t! Nee-nee, dat zou niet mogelijk kunnen wezen, hoe kwam hij aan zoo’n veronderstelling, was hij dan krankzinnig? Vol angst over zijn eigen gedachten trok hij ’t hoofd gauw binnen, liep met een stomp hoofd de kamer een paar keer heen en weer, en wou het licht gaan opsteken, de kachel aanleggen.Zeker, als ’t lekker warm was en ’t licht brandde, zou ze, als ze straks kwam wel bijtrekken en niet te veel lawaaien. Misschien ook beter zóó. Iets zei hem, dat ze nu wel gauw zou komen, zóó tegen donker. Maar, terwijl hij zich dit inpompte en de kachel niet wilde branden, overviel hem weer een vaag voorgevoel. Wat gaf het of hij hier al vuur aanleî, als ze toch niet opdaagde.Stemlawaai op straat trok opnieuw zijn aandacht. Snel schoof hij ’t raam op om te kijken, maar hij zag niets: de straat met de winkels zondags-gesloten lag al geheel donker, als een zwarte, lange gleuf, waarinde menschen krioelden. De koude wind sneed venijnig hem om d’ooren.Bij ’t binnentrekken van zijn ijl-aanvoelend hoofd meende hij vlak beneden, vóór de deur, menschen te zien staan; en zijn oor vernam gestommel op de trap. M’n God, dat zou toch voor hem niet wezen? Ontsteld trok hij zijn hoofd naar binnen, drukte het schuifraam toe, luisterde in harteklop. ’t Gestommel op de trap werd luider, kwam hooger, al hooger. Hij wou de deur opensmijten en zich overtuigen, doch hij durfde niet door zijn slecht geweten.Het voorgevoel nam in een paar tel ’t begrip van zekerheid aan. Geen twijfel meer. Gotogot! Zijn vrouw was het die het ongeluk overkwam... nou werd ze thuis gedragen. Hij wachtte... wachtte... over al zijn leden bevend.’t Lamplicht roodde voor zijn oogen, als huilerige vlammen. Gekheid, gekheid! mompelde hij nog, maar hij kon zich niet meer beheerschen, hij moest het weten.Plots hoorde hij roepen.—Baller... Baller...Met rukte hij de deur open, keek met starre oogen naar beneden, doch in ’t donker viel niet te onderscheiden. Wel hoorde hij gepraat en gestommel. Opnieuw riepen ze hem bij z’n naam.—Ja... wat is er? stootte hij er schor uit, bevend en bibberend, beducht om de waarheid te vernemen.—Je vrouw... we brenge je vrouw... een ongeluk gebeurd!Baller stortte zich al de trap af. De menschen schreeuwden hem toe:—Blijf boven... je kunt hier niet helpen... Licht ma’r liever wat bij.Stijf van schrik bleef hij staan, klauterde weer de trap óp, greep de peer uit de hanger, boog zich over ’t hek, òm wat licht in de donkere trapholte te laten schijnen. O God, hij keek vlak in ’t afgewasschen en toch weer bloedend gezicht van zijn vrouw, die ze met hun vieren naarboven sleepten. ’t Was of de lamp hem zou ontvallen; hij gaf een nijpende schreeuw, moest zich vasthouden om niet te tuimelen. Geen woord wist-ie eruit de brengen; hij beefde over al zijn schonken. Dan terwijl ze met het bloederige, in elkaargezakt lichaam naar boven scharrelden en het in de kamer legden, brak hij los in een huil van jammerklachten.De mannen raakten in verwarring, wisten niet wat ze moesten zeggen. Ze keerden zich af, één nam hem bij de arm, troostte op ruwe wijze:—Kom kerel hou-je goed.... wees een man.... daar is niks meer ’an te doen!’t Ongeval, waaraan hij twijfelde en toch wist, dat hij vermoedde en niet wilde weten, werd nu voor Baller klaar, onafwendbaar-zeker. Hij rukte zich los, schreeuwde:—Wat? Wàt zei-je daar?Haar bloederig verminkt gezicht, dat hem eerst weerhield, trok hem nu onweerstaanbaar aan. Hijstortte zich op haar neer, riep hartstochtelijk haar bij de naam, klaagde zichzelf aan.—Nee-nee, schreeuwde hij pijnlijk, je bent niet dood... je kunt niet dood zijn.... antwoord toch.... doe je oogen open.... zeg dan één woord!Allen op de kamer zwegen, niemand dorst een woord zeggen, zelfs geen kik te geven; ’t geval was al te verschrikkelijk. Als een waanzinnige betastte hij haar harde lichaam, dat nog warm aanvoelde. En opeens kreet hij weer:—Nee-nee, ze is niet dood! Een dokter, gauw ’n dokter.... om ’s hemelswille een dokter!Een van de mannen sprak nu hakkelend:—’t Zal niet meer geve.... de dokter is d’r al bij geweest.... de schedel gebroke!—Nee-nee, ze leeft.... een dokter, een dokter!Met een wilde zet sprong hij op, greep zijn hoed, rende de trap af, tuimelde bijna naar beneden. In zenuwende jacht holde hij de straat over, met de rapheid, die de bangheid hem gaf, door de zondagsmenschen zich banend. Hij voelde niets van de kou, zag geen gevaar, al glipte hij herhaaldelijk van de beenen. De straatsteenen glinsterden van ’t geribbelde ijs, enkel hier en daar lag zand gestrooid, of was de weg platgereden, maar daaraan stoorde hij zich niet.De busdokter woonde ver, een vermoeden beving hem, dat hij nu op zondag en een ongelegen uur, niemand thuis zou vinden; ’t liet zich wel denken. Doch hij ijlde niet minder gejaagd voort, stondal op de stoep, zich het zweet van zijn behaarde gezicht wisschend. O, zooals hij dacht, de meid zei kalm:—De dokter is niet thuis!Geduldig-zeker schreef ze naam en straat op de lei. Wat nu? Hij liep weer voort, op goed geluk de huizen langs, beglurend de naamplaatjes, om bij de eerste de beste onbezwaard aan te bellen. Maar ’t scheen of wel nergens een dokter woonde, anders zag hij de namen bij de vleet en nu geen enkele. Keerde dan alles zich tegen hem?... M’n God, z’n vrouw ging sterven! Hij hield dezelfde straatkant,om niet af te dwalen, niet te ver van honk te raken,—en eindelijk zag hij ’t naamplaatje van een dokter, belde hard aan zonder bedenken. ’t Duurde een heele tijd voor de deur zich opende; de meid, knorrig, dat ze van ’t werk werd weggehaald, bitste:—De dokter is uit en je hoeft niet zoo geweldig te luien, wij zijn niet doóf!—Stik! zei hij woedend en liep alweer weg.Eenige passen verder vond hij een ander, kreeg er ’t zelfde bescheid, en dit herhaalde zich op drie, vier plaatsen; nergens trof hij de dokter thuis. Dat was of ze hem zware mokerslagen toedienden, hem wurgden, zoo knauwde het hem; hij zakte haast inéén. Maar ’t besef dat hij schuld meedroeg aan z’n vrouws ongeluk zwiepte hem opnieuw voort, al begreep hij nu wel, dat ingeval er nog hoop had bestaan, die zeker zou zijn verloopen. Hij liet daarom niet los, zijn halsstarrigheid verzette zich ertegen. Instarre woede belde hij aan overal waar hij maar een doktersplaatje aan de deur vermoedde; en hij schold en schimpte al te voren.Tot hij eindelijk moe en uitgeput niet meer kon en ook ineens het onnoodige van zijn pogingen inzag. Zijn vrouw was dood, morsdood, wat hielp het, al haalde hij alle dokters van de wereld er bij? daarmee bracht hij haar niet tot het leven terug. Toch kon hij ’t ook nu nog niet aannemen dat er werkelijk geen hoop meer bestond, nee dat zou al te wreed wezen, hij moest nou naar huis terug, zeker hadden anderen al lang een dokter gevonden, terwijl hij hier als een halve gek liep te razen.’t Leek hem zoo geloofwaardig wat hij zichzelf opdrong, dat hij in sukkel-gauwe draafpassen over de gladheid van de straten naar huis terugrende, bij elke voetstap struikelend, geheel op, bijna zonder adem, kwaad op zichzelf dat hij zoo ver uit de buurt raakte. Ja, nou zou hij ’t spoedig hooren, nou zou hij ’t weten of er nog hoop overbleef. Driest en weer vol moed schoot hij zijn straat in. De menschen stonden er te praten, hielden ineens op, spraken fluisterend terwijl hij voorbijging. En nu hij met moeite de hooge trap opklauterde, ontviel hem ineens alle hoop en vertrouwen. In een snik barstte hij uit en zoo hevig, dat hij op ’t overloop moest blijven staan en zich niet naar boven kon slepen. Dat duurde maar een korte poos die hem heel lang toescheen, dan vermande hij zich, nam alle moed te zaam en oogenschijnlijk bedaardschoof hij de kamer binnen, liet hij zich op een stoel neerzakken, stiet hijgend eruit:—Geen dokter te vinden!De buurvrouwen keken medelijdend en wisten niets te zeggen. Ze fronsten de wenkbrauwen, schokschouderden, en staarden elkaar aan met open oogen.Angstverwekkend stond de stilte in ’t vertrek. Dan ging een van de vrouwen op hem toe, vroeg of hij een glas water wilde hebben, zei zacht dat hij zich nu kalm had te houden.De andere vrouwen beraadslaagden verder, zeien onder elkaar, dat ze de doode moesten afleggen, anders werd ’t lijk te stijf.—Wat zeg-je d’ervan Baller?Baller, bleek en stijf, verroerde zich niet; zijn gedachten zwegen, ’t was of hij versteende.—Wàt, wàt, schrikte hij op, wat zeg-je... kleede?Hij zei geen woord verder, zakte in elkaar, begon te schokken van zenuwkramp.De vrouwen moesten nu toch besluiten, ’t was zondagavond, en geen had veel lust of tijd. De mannen wachtten thuis... ’t moest dus gebeuren. Een ging naar de kast om schoone onderkleeren te krijgen, maar de planken waren leeg; alleen mansgoed lag er opgestapeld. Zij schudde Baller weer door elkaar, zei:—Hè, geef ’es antwoord... waar is ’t goed? D’er lig niks!—’t Goed? ’t gòèd... dat weet ’k niet!!—Zit dan niet te suffe... kom ’es kijke!Zonder te beseffen wat hij deed, stond hij op, wankelde naar de kast. Dan werd ’t voor hem helder; hij zag de schappen leeg. En nu weer voor hem ziende zijn eigen misdrijf, riep hij:—Ze hèt ’et mee genomen... o God, ik weet ’et niet waar ’t is gebleve... ’t is weg!!Dat gaf een nieuwe alteratie, de vrouwen zaten er mee in, ze hadden zich te redden, maar hoe...? Wist dan niemand waar ’t linnengoed kon wezen? Ze stonden elkaar in verwarring aan te gapen.Baller, versuft en verslagen, zakte op de stoel terug. De buurvrouw van links, de meest kordaatste, begon aan te pakken, de doode af te wasschen, de wonden wat bij te halen. Baller zat er wezenloos naar te kijken. Het gezicht, verschrikkelijk door vele schampen en wonden, waaruit het bloed bleef vloeien, scheen hem baldadig aan te grijnzen. Schrik en moedeloosheid hadden de trekken gegrift tot een schril verwijt. Hij herkende haar haast niet, zooals ze daar lag, het gezicht krijt-wit, met groenige vegen, onder ’t vale haar, hij herzag haar ineens zooals ze gisteravond dreigend voor hem stond, toen hij ontglipte. Die dreiging vond hij nu terug in al haar trekken en dat maakte hem wild.—Ik hoû ’t niet uit.... ik hoû ’t niet uit! gilde hij. Schuw sprong hij op, jaagde de trappen af naar beneden.De vrouwen knikten tegen elkaar: arme man! Dan zochten ze saam wat er nog lag en gingen voort om de doode af te leggen.
IX.Baller, nu straf doorgeloopen tot in de straat waar hij woonde, verwonderde zich geen licht te zien achter de ramen. Zou ze nog niet thuis zijn? hee dat bevreemde hem... òf zou ze boven in donker blijven zitten om eerst met hem af te rekenen?Beide onderstellingen vroolijkten hem niet op, hij had zich nu al ingedacht, dat ze aan ’t koken of aan ’t koffiezetten zou wezen, zoodoende alles weer in orde. Hoe hooger hij de steile trap opklom, te minder zeker voelde hij zich zelf, och, als ’t nou maar geen tranen en lammentaties zou geven, de dag was al ellendig genoeg geweest!Er viel iets kils over hem nu hij de deur opende, haar naam riep, haar niet zag en ook geen antwoord bekwam... De Hesselaars zoûen hem toch niet voor de mal hebben gehouden, nee-nee, dat geloofde hij niet. Onthutst liep hij een paar keer de schemerstille kamer op en neer, schoof toen het raam op om eens naar buiten te spieden of hij haar soms niet zag aankomen.Ongerust voelde hij zich worden terwijl hij staarde naar ’t wijkende licht van de vriesdag, die boven de al zwaar-donkerende straatgeul met vele schaduwvlakken in de diepte, onmachtig bleekte. En opeens, hij wist zelf niet waardoor, schoot de ontzettende gedachte in hem op, dat de vrouw daarginds overreden, waar hij naar had staan kijken, weleens zijn eigen vrouw kon zijn geweest, dat ze dood en vermorseld haar zoûen thuisbrengen. Hoorde hij daar al niets?... Hij meende werkelijk stemmen en radergewiel te vernemen, stemmen van: hier heen, hier is ’t! Nee-nee, dat zou niet mogelijk kunnen wezen, hoe kwam hij aan zoo’n veronderstelling, was hij dan krankzinnig? Vol angst over zijn eigen gedachten trok hij ’t hoofd gauw binnen, liep met een stomp hoofd de kamer een paar keer heen en weer, en wou het licht gaan opsteken, de kachel aanleggen.Zeker, als ’t lekker warm was en ’t licht brandde, zou ze, als ze straks kwam wel bijtrekken en niet te veel lawaaien. Misschien ook beter zóó. Iets zei hem, dat ze nu wel gauw zou komen, zóó tegen donker. Maar, terwijl hij zich dit inpompte en de kachel niet wilde branden, overviel hem weer een vaag voorgevoel. Wat gaf het of hij hier al vuur aanleî, als ze toch niet opdaagde.Stemlawaai op straat trok opnieuw zijn aandacht. Snel schoof hij ’t raam op om te kijken, maar hij zag niets: de straat met de winkels zondags-gesloten lag al geheel donker, als een zwarte, lange gleuf, waarinde menschen krioelden. De koude wind sneed venijnig hem om d’ooren.Bij ’t binnentrekken van zijn ijl-aanvoelend hoofd meende hij vlak beneden, vóór de deur, menschen te zien staan; en zijn oor vernam gestommel op de trap. M’n God, dat zou toch voor hem niet wezen? Ontsteld trok hij zijn hoofd naar binnen, drukte het schuifraam toe, luisterde in harteklop. ’t Gestommel op de trap werd luider, kwam hooger, al hooger. Hij wou de deur opensmijten en zich overtuigen, doch hij durfde niet door zijn slecht geweten.Het voorgevoel nam in een paar tel ’t begrip van zekerheid aan. Geen twijfel meer. Gotogot! Zijn vrouw was het die het ongeluk overkwam... nou werd ze thuis gedragen. Hij wachtte... wachtte... over al zijn leden bevend.’t Lamplicht roodde voor zijn oogen, als huilerige vlammen. Gekheid, gekheid! mompelde hij nog, maar hij kon zich niet meer beheerschen, hij moest het weten.Plots hoorde hij roepen.—Baller... Baller...Met rukte hij de deur open, keek met starre oogen naar beneden, doch in ’t donker viel niet te onderscheiden. Wel hoorde hij gepraat en gestommel. Opnieuw riepen ze hem bij z’n naam.—Ja... wat is er? stootte hij er schor uit, bevend en bibberend, beducht om de waarheid te vernemen.—Je vrouw... we brenge je vrouw... een ongeluk gebeurd!Baller stortte zich al de trap af. De menschen schreeuwden hem toe:—Blijf boven... je kunt hier niet helpen... Licht ma’r liever wat bij.Stijf van schrik bleef hij staan, klauterde weer de trap óp, greep de peer uit de hanger, boog zich over ’t hek, òm wat licht in de donkere trapholte te laten schijnen. O God, hij keek vlak in ’t afgewasschen en toch weer bloedend gezicht van zijn vrouw, die ze met hun vieren naarboven sleepten. ’t Was of de lamp hem zou ontvallen; hij gaf een nijpende schreeuw, moest zich vasthouden om niet te tuimelen. Geen woord wist-ie eruit de brengen; hij beefde over al zijn schonken. Dan terwijl ze met het bloederige, in elkaargezakt lichaam naar boven scharrelden en het in de kamer legden, brak hij los in een huil van jammerklachten.De mannen raakten in verwarring, wisten niet wat ze moesten zeggen. Ze keerden zich af, één nam hem bij de arm, troostte op ruwe wijze:—Kom kerel hou-je goed.... wees een man.... daar is niks meer ’an te doen!’t Ongeval, waaraan hij twijfelde en toch wist, dat hij vermoedde en niet wilde weten, werd nu voor Baller klaar, onafwendbaar-zeker. Hij rukte zich los, schreeuwde:—Wat? Wàt zei-je daar?Haar bloederig verminkt gezicht, dat hem eerst weerhield, trok hem nu onweerstaanbaar aan. Hijstortte zich op haar neer, riep hartstochtelijk haar bij de naam, klaagde zichzelf aan.—Nee-nee, schreeuwde hij pijnlijk, je bent niet dood... je kunt niet dood zijn.... antwoord toch.... doe je oogen open.... zeg dan één woord!Allen op de kamer zwegen, niemand dorst een woord zeggen, zelfs geen kik te geven; ’t geval was al te verschrikkelijk. Als een waanzinnige betastte hij haar harde lichaam, dat nog warm aanvoelde. En opeens kreet hij weer:—Nee-nee, ze is niet dood! Een dokter, gauw ’n dokter.... om ’s hemelswille een dokter!Een van de mannen sprak nu hakkelend:—’t Zal niet meer geve.... de dokter is d’r al bij geweest.... de schedel gebroke!—Nee-nee, ze leeft.... een dokter, een dokter!Met een wilde zet sprong hij op, greep zijn hoed, rende de trap af, tuimelde bijna naar beneden. In zenuwende jacht holde hij de straat over, met de rapheid, die de bangheid hem gaf, door de zondagsmenschen zich banend. Hij voelde niets van de kou, zag geen gevaar, al glipte hij herhaaldelijk van de beenen. De straatsteenen glinsterden van ’t geribbelde ijs, enkel hier en daar lag zand gestrooid, of was de weg platgereden, maar daaraan stoorde hij zich niet.De busdokter woonde ver, een vermoeden beving hem, dat hij nu op zondag en een ongelegen uur, niemand thuis zou vinden; ’t liet zich wel denken. Doch hij ijlde niet minder gejaagd voort, stondal op de stoep, zich het zweet van zijn behaarde gezicht wisschend. O, zooals hij dacht, de meid zei kalm:—De dokter is niet thuis!Geduldig-zeker schreef ze naam en straat op de lei. Wat nu? Hij liep weer voort, op goed geluk de huizen langs, beglurend de naamplaatjes, om bij de eerste de beste onbezwaard aan te bellen. Maar ’t scheen of wel nergens een dokter woonde, anders zag hij de namen bij de vleet en nu geen enkele. Keerde dan alles zich tegen hem?... M’n God, z’n vrouw ging sterven! Hij hield dezelfde straatkant,om niet af te dwalen, niet te ver van honk te raken,—en eindelijk zag hij ’t naamplaatje van een dokter, belde hard aan zonder bedenken. ’t Duurde een heele tijd voor de deur zich opende; de meid, knorrig, dat ze van ’t werk werd weggehaald, bitste:—De dokter is uit en je hoeft niet zoo geweldig te luien, wij zijn niet doóf!—Stik! zei hij woedend en liep alweer weg.Eenige passen verder vond hij een ander, kreeg er ’t zelfde bescheid, en dit herhaalde zich op drie, vier plaatsen; nergens trof hij de dokter thuis. Dat was of ze hem zware mokerslagen toedienden, hem wurgden, zoo knauwde het hem; hij zakte haast inéén. Maar ’t besef dat hij schuld meedroeg aan z’n vrouws ongeluk zwiepte hem opnieuw voort, al begreep hij nu wel, dat ingeval er nog hoop had bestaan, die zeker zou zijn verloopen. Hij liet daarom niet los, zijn halsstarrigheid verzette zich ertegen. Instarre woede belde hij aan overal waar hij maar een doktersplaatje aan de deur vermoedde; en hij schold en schimpte al te voren.Tot hij eindelijk moe en uitgeput niet meer kon en ook ineens het onnoodige van zijn pogingen inzag. Zijn vrouw was dood, morsdood, wat hielp het, al haalde hij alle dokters van de wereld er bij? daarmee bracht hij haar niet tot het leven terug. Toch kon hij ’t ook nu nog niet aannemen dat er werkelijk geen hoop meer bestond, nee dat zou al te wreed wezen, hij moest nou naar huis terug, zeker hadden anderen al lang een dokter gevonden, terwijl hij hier als een halve gek liep te razen.’t Leek hem zoo geloofwaardig wat hij zichzelf opdrong, dat hij in sukkel-gauwe draafpassen over de gladheid van de straten naar huis terugrende, bij elke voetstap struikelend, geheel op, bijna zonder adem, kwaad op zichzelf dat hij zoo ver uit de buurt raakte. Ja, nou zou hij ’t spoedig hooren, nou zou hij ’t weten of er nog hoop overbleef. Driest en weer vol moed schoot hij zijn straat in. De menschen stonden er te praten, hielden ineens op, spraken fluisterend terwijl hij voorbijging. En nu hij met moeite de hooge trap opklauterde, ontviel hem ineens alle hoop en vertrouwen. In een snik barstte hij uit en zoo hevig, dat hij op ’t overloop moest blijven staan en zich niet naar boven kon slepen. Dat duurde maar een korte poos die hem heel lang toescheen, dan vermande hij zich, nam alle moed te zaam en oogenschijnlijk bedaardschoof hij de kamer binnen, liet hij zich op een stoel neerzakken, stiet hijgend eruit:—Geen dokter te vinden!De buurvrouwen keken medelijdend en wisten niets te zeggen. Ze fronsten de wenkbrauwen, schokschouderden, en staarden elkaar aan met open oogen.Angstverwekkend stond de stilte in ’t vertrek. Dan ging een van de vrouwen op hem toe, vroeg of hij een glas water wilde hebben, zei zacht dat hij zich nu kalm had te houden.De andere vrouwen beraadslaagden verder, zeien onder elkaar, dat ze de doode moesten afleggen, anders werd ’t lijk te stijf.—Wat zeg-je d’ervan Baller?Baller, bleek en stijf, verroerde zich niet; zijn gedachten zwegen, ’t was of hij versteende.—Wàt, wàt, schrikte hij op, wat zeg-je... kleede?Hij zei geen woord verder, zakte in elkaar, begon te schokken van zenuwkramp.De vrouwen moesten nu toch besluiten, ’t was zondagavond, en geen had veel lust of tijd. De mannen wachtten thuis... ’t moest dus gebeuren. Een ging naar de kast om schoone onderkleeren te krijgen, maar de planken waren leeg; alleen mansgoed lag er opgestapeld. Zij schudde Baller weer door elkaar, zei:—Hè, geef ’es antwoord... waar is ’t goed? D’er lig niks!—’t Goed? ’t gòèd... dat weet ’k niet!!—Zit dan niet te suffe... kom ’es kijke!Zonder te beseffen wat hij deed, stond hij op, wankelde naar de kast. Dan werd ’t voor hem helder; hij zag de schappen leeg. En nu weer voor hem ziende zijn eigen misdrijf, riep hij:—Ze hèt ’et mee genomen... o God, ik weet ’et niet waar ’t is gebleve... ’t is weg!!Dat gaf een nieuwe alteratie, de vrouwen zaten er mee in, ze hadden zich te redden, maar hoe...? Wist dan niemand waar ’t linnengoed kon wezen? Ze stonden elkaar in verwarring aan te gapen.Baller, versuft en verslagen, zakte op de stoel terug. De buurvrouw van links, de meest kordaatste, begon aan te pakken, de doode af te wasschen, de wonden wat bij te halen. Baller zat er wezenloos naar te kijken. Het gezicht, verschrikkelijk door vele schampen en wonden, waaruit het bloed bleef vloeien, scheen hem baldadig aan te grijnzen. Schrik en moedeloosheid hadden de trekken gegrift tot een schril verwijt. Hij herkende haar haast niet, zooals ze daar lag, het gezicht krijt-wit, met groenige vegen, onder ’t vale haar, hij herzag haar ineens zooals ze gisteravond dreigend voor hem stond, toen hij ontglipte. Die dreiging vond hij nu terug in al haar trekken en dat maakte hem wild.—Ik hoû ’t niet uit.... ik hoû ’t niet uit! gilde hij. Schuw sprong hij op, jaagde de trappen af naar beneden.De vrouwen knikten tegen elkaar: arme man! Dan zochten ze saam wat er nog lag en gingen voort om de doode af te leggen.
IX.Baller, nu straf doorgeloopen tot in de straat waar hij woonde, verwonderde zich geen licht te zien achter de ramen. Zou ze nog niet thuis zijn? hee dat bevreemde hem... òf zou ze boven in donker blijven zitten om eerst met hem af te rekenen?Beide onderstellingen vroolijkten hem niet op, hij had zich nu al ingedacht, dat ze aan ’t koken of aan ’t koffiezetten zou wezen, zoodoende alles weer in orde. Hoe hooger hij de steile trap opklom, te minder zeker voelde hij zich zelf, och, als ’t nou maar geen tranen en lammentaties zou geven, de dag was al ellendig genoeg geweest!Er viel iets kils over hem nu hij de deur opende, haar naam riep, haar niet zag en ook geen antwoord bekwam... De Hesselaars zoûen hem toch niet voor de mal hebben gehouden, nee-nee, dat geloofde hij niet. Onthutst liep hij een paar keer de schemerstille kamer op en neer, schoof toen het raam op om eens naar buiten te spieden of hij haar soms niet zag aankomen.Ongerust voelde hij zich worden terwijl hij staarde naar ’t wijkende licht van de vriesdag, die boven de al zwaar-donkerende straatgeul met vele schaduwvlakken in de diepte, onmachtig bleekte. En opeens, hij wist zelf niet waardoor, schoot de ontzettende gedachte in hem op, dat de vrouw daarginds overreden, waar hij naar had staan kijken, weleens zijn eigen vrouw kon zijn geweest, dat ze dood en vermorseld haar zoûen thuisbrengen. Hoorde hij daar al niets?... Hij meende werkelijk stemmen en radergewiel te vernemen, stemmen van: hier heen, hier is ’t! Nee-nee, dat zou niet mogelijk kunnen wezen, hoe kwam hij aan zoo’n veronderstelling, was hij dan krankzinnig? Vol angst over zijn eigen gedachten trok hij ’t hoofd gauw binnen, liep met een stomp hoofd de kamer een paar keer heen en weer, en wou het licht gaan opsteken, de kachel aanleggen.Zeker, als ’t lekker warm was en ’t licht brandde, zou ze, als ze straks kwam wel bijtrekken en niet te veel lawaaien. Misschien ook beter zóó. Iets zei hem, dat ze nu wel gauw zou komen, zóó tegen donker. Maar, terwijl hij zich dit inpompte en de kachel niet wilde branden, overviel hem weer een vaag voorgevoel. Wat gaf het of hij hier al vuur aanleî, als ze toch niet opdaagde.Stemlawaai op straat trok opnieuw zijn aandacht. Snel schoof hij ’t raam op om te kijken, maar hij zag niets: de straat met de winkels zondags-gesloten lag al geheel donker, als een zwarte, lange gleuf, waarinde menschen krioelden. De koude wind sneed venijnig hem om d’ooren.Bij ’t binnentrekken van zijn ijl-aanvoelend hoofd meende hij vlak beneden, vóór de deur, menschen te zien staan; en zijn oor vernam gestommel op de trap. M’n God, dat zou toch voor hem niet wezen? Ontsteld trok hij zijn hoofd naar binnen, drukte het schuifraam toe, luisterde in harteklop. ’t Gestommel op de trap werd luider, kwam hooger, al hooger. Hij wou de deur opensmijten en zich overtuigen, doch hij durfde niet door zijn slecht geweten.Het voorgevoel nam in een paar tel ’t begrip van zekerheid aan. Geen twijfel meer. Gotogot! Zijn vrouw was het die het ongeluk overkwam... nou werd ze thuis gedragen. Hij wachtte... wachtte... over al zijn leden bevend.’t Lamplicht roodde voor zijn oogen, als huilerige vlammen. Gekheid, gekheid! mompelde hij nog, maar hij kon zich niet meer beheerschen, hij moest het weten.Plots hoorde hij roepen.—Baller... Baller...Met rukte hij de deur open, keek met starre oogen naar beneden, doch in ’t donker viel niet te onderscheiden. Wel hoorde hij gepraat en gestommel. Opnieuw riepen ze hem bij z’n naam.—Ja... wat is er? stootte hij er schor uit, bevend en bibberend, beducht om de waarheid te vernemen.—Je vrouw... we brenge je vrouw... een ongeluk gebeurd!Baller stortte zich al de trap af. De menschen schreeuwden hem toe:—Blijf boven... je kunt hier niet helpen... Licht ma’r liever wat bij.Stijf van schrik bleef hij staan, klauterde weer de trap óp, greep de peer uit de hanger, boog zich over ’t hek, òm wat licht in de donkere trapholte te laten schijnen. O God, hij keek vlak in ’t afgewasschen en toch weer bloedend gezicht van zijn vrouw, die ze met hun vieren naarboven sleepten. ’t Was of de lamp hem zou ontvallen; hij gaf een nijpende schreeuw, moest zich vasthouden om niet te tuimelen. Geen woord wist-ie eruit de brengen; hij beefde over al zijn schonken. Dan terwijl ze met het bloederige, in elkaargezakt lichaam naar boven scharrelden en het in de kamer legden, brak hij los in een huil van jammerklachten.De mannen raakten in verwarring, wisten niet wat ze moesten zeggen. Ze keerden zich af, één nam hem bij de arm, troostte op ruwe wijze:—Kom kerel hou-je goed.... wees een man.... daar is niks meer ’an te doen!’t Ongeval, waaraan hij twijfelde en toch wist, dat hij vermoedde en niet wilde weten, werd nu voor Baller klaar, onafwendbaar-zeker. Hij rukte zich los, schreeuwde:—Wat? Wàt zei-je daar?Haar bloederig verminkt gezicht, dat hem eerst weerhield, trok hem nu onweerstaanbaar aan. Hijstortte zich op haar neer, riep hartstochtelijk haar bij de naam, klaagde zichzelf aan.—Nee-nee, schreeuwde hij pijnlijk, je bent niet dood... je kunt niet dood zijn.... antwoord toch.... doe je oogen open.... zeg dan één woord!Allen op de kamer zwegen, niemand dorst een woord zeggen, zelfs geen kik te geven; ’t geval was al te verschrikkelijk. Als een waanzinnige betastte hij haar harde lichaam, dat nog warm aanvoelde. En opeens kreet hij weer:—Nee-nee, ze is niet dood! Een dokter, gauw ’n dokter.... om ’s hemelswille een dokter!Een van de mannen sprak nu hakkelend:—’t Zal niet meer geve.... de dokter is d’r al bij geweest.... de schedel gebroke!—Nee-nee, ze leeft.... een dokter, een dokter!Met een wilde zet sprong hij op, greep zijn hoed, rende de trap af, tuimelde bijna naar beneden. In zenuwende jacht holde hij de straat over, met de rapheid, die de bangheid hem gaf, door de zondagsmenschen zich banend. Hij voelde niets van de kou, zag geen gevaar, al glipte hij herhaaldelijk van de beenen. De straatsteenen glinsterden van ’t geribbelde ijs, enkel hier en daar lag zand gestrooid, of was de weg platgereden, maar daaraan stoorde hij zich niet.De busdokter woonde ver, een vermoeden beving hem, dat hij nu op zondag en een ongelegen uur, niemand thuis zou vinden; ’t liet zich wel denken. Doch hij ijlde niet minder gejaagd voort, stondal op de stoep, zich het zweet van zijn behaarde gezicht wisschend. O, zooals hij dacht, de meid zei kalm:—De dokter is niet thuis!Geduldig-zeker schreef ze naam en straat op de lei. Wat nu? Hij liep weer voort, op goed geluk de huizen langs, beglurend de naamplaatjes, om bij de eerste de beste onbezwaard aan te bellen. Maar ’t scheen of wel nergens een dokter woonde, anders zag hij de namen bij de vleet en nu geen enkele. Keerde dan alles zich tegen hem?... M’n God, z’n vrouw ging sterven! Hij hield dezelfde straatkant,om niet af te dwalen, niet te ver van honk te raken,—en eindelijk zag hij ’t naamplaatje van een dokter, belde hard aan zonder bedenken. ’t Duurde een heele tijd voor de deur zich opende; de meid, knorrig, dat ze van ’t werk werd weggehaald, bitste:—De dokter is uit en je hoeft niet zoo geweldig te luien, wij zijn niet doóf!—Stik! zei hij woedend en liep alweer weg.Eenige passen verder vond hij een ander, kreeg er ’t zelfde bescheid, en dit herhaalde zich op drie, vier plaatsen; nergens trof hij de dokter thuis. Dat was of ze hem zware mokerslagen toedienden, hem wurgden, zoo knauwde het hem; hij zakte haast inéén. Maar ’t besef dat hij schuld meedroeg aan z’n vrouws ongeluk zwiepte hem opnieuw voort, al begreep hij nu wel, dat ingeval er nog hoop had bestaan, die zeker zou zijn verloopen. Hij liet daarom niet los, zijn halsstarrigheid verzette zich ertegen. Instarre woede belde hij aan overal waar hij maar een doktersplaatje aan de deur vermoedde; en hij schold en schimpte al te voren.Tot hij eindelijk moe en uitgeput niet meer kon en ook ineens het onnoodige van zijn pogingen inzag. Zijn vrouw was dood, morsdood, wat hielp het, al haalde hij alle dokters van de wereld er bij? daarmee bracht hij haar niet tot het leven terug. Toch kon hij ’t ook nu nog niet aannemen dat er werkelijk geen hoop meer bestond, nee dat zou al te wreed wezen, hij moest nou naar huis terug, zeker hadden anderen al lang een dokter gevonden, terwijl hij hier als een halve gek liep te razen.’t Leek hem zoo geloofwaardig wat hij zichzelf opdrong, dat hij in sukkel-gauwe draafpassen over de gladheid van de straten naar huis terugrende, bij elke voetstap struikelend, geheel op, bijna zonder adem, kwaad op zichzelf dat hij zoo ver uit de buurt raakte. Ja, nou zou hij ’t spoedig hooren, nou zou hij ’t weten of er nog hoop overbleef. Driest en weer vol moed schoot hij zijn straat in. De menschen stonden er te praten, hielden ineens op, spraken fluisterend terwijl hij voorbijging. En nu hij met moeite de hooge trap opklauterde, ontviel hem ineens alle hoop en vertrouwen. In een snik barstte hij uit en zoo hevig, dat hij op ’t overloop moest blijven staan en zich niet naar boven kon slepen. Dat duurde maar een korte poos die hem heel lang toescheen, dan vermande hij zich, nam alle moed te zaam en oogenschijnlijk bedaardschoof hij de kamer binnen, liet hij zich op een stoel neerzakken, stiet hijgend eruit:—Geen dokter te vinden!De buurvrouwen keken medelijdend en wisten niets te zeggen. Ze fronsten de wenkbrauwen, schokschouderden, en staarden elkaar aan met open oogen.Angstverwekkend stond de stilte in ’t vertrek. Dan ging een van de vrouwen op hem toe, vroeg of hij een glas water wilde hebben, zei zacht dat hij zich nu kalm had te houden.De andere vrouwen beraadslaagden verder, zeien onder elkaar, dat ze de doode moesten afleggen, anders werd ’t lijk te stijf.—Wat zeg-je d’ervan Baller?Baller, bleek en stijf, verroerde zich niet; zijn gedachten zwegen, ’t was of hij versteende.—Wàt, wàt, schrikte hij op, wat zeg-je... kleede?Hij zei geen woord verder, zakte in elkaar, begon te schokken van zenuwkramp.De vrouwen moesten nu toch besluiten, ’t was zondagavond, en geen had veel lust of tijd. De mannen wachtten thuis... ’t moest dus gebeuren. Een ging naar de kast om schoone onderkleeren te krijgen, maar de planken waren leeg; alleen mansgoed lag er opgestapeld. Zij schudde Baller weer door elkaar, zei:—Hè, geef ’es antwoord... waar is ’t goed? D’er lig niks!—’t Goed? ’t gòèd... dat weet ’k niet!!—Zit dan niet te suffe... kom ’es kijke!Zonder te beseffen wat hij deed, stond hij op, wankelde naar de kast. Dan werd ’t voor hem helder; hij zag de schappen leeg. En nu weer voor hem ziende zijn eigen misdrijf, riep hij:—Ze hèt ’et mee genomen... o God, ik weet ’et niet waar ’t is gebleve... ’t is weg!!Dat gaf een nieuwe alteratie, de vrouwen zaten er mee in, ze hadden zich te redden, maar hoe...? Wist dan niemand waar ’t linnengoed kon wezen? Ze stonden elkaar in verwarring aan te gapen.Baller, versuft en verslagen, zakte op de stoel terug. De buurvrouw van links, de meest kordaatste, begon aan te pakken, de doode af te wasschen, de wonden wat bij te halen. Baller zat er wezenloos naar te kijken. Het gezicht, verschrikkelijk door vele schampen en wonden, waaruit het bloed bleef vloeien, scheen hem baldadig aan te grijnzen. Schrik en moedeloosheid hadden de trekken gegrift tot een schril verwijt. Hij herkende haar haast niet, zooals ze daar lag, het gezicht krijt-wit, met groenige vegen, onder ’t vale haar, hij herzag haar ineens zooals ze gisteravond dreigend voor hem stond, toen hij ontglipte. Die dreiging vond hij nu terug in al haar trekken en dat maakte hem wild.—Ik hoû ’t niet uit.... ik hoû ’t niet uit! gilde hij. Schuw sprong hij op, jaagde de trappen af naar beneden.De vrouwen knikten tegen elkaar: arme man! Dan zochten ze saam wat er nog lag en gingen voort om de doode af te leggen.
IX.
Baller, nu straf doorgeloopen tot in de straat waar hij woonde, verwonderde zich geen licht te zien achter de ramen. Zou ze nog niet thuis zijn? hee dat bevreemde hem... òf zou ze boven in donker blijven zitten om eerst met hem af te rekenen?Beide onderstellingen vroolijkten hem niet op, hij had zich nu al ingedacht, dat ze aan ’t koken of aan ’t koffiezetten zou wezen, zoodoende alles weer in orde. Hoe hooger hij de steile trap opklom, te minder zeker voelde hij zich zelf, och, als ’t nou maar geen tranen en lammentaties zou geven, de dag was al ellendig genoeg geweest!Er viel iets kils over hem nu hij de deur opende, haar naam riep, haar niet zag en ook geen antwoord bekwam... De Hesselaars zoûen hem toch niet voor de mal hebben gehouden, nee-nee, dat geloofde hij niet. Onthutst liep hij een paar keer de schemerstille kamer op en neer, schoof toen het raam op om eens naar buiten te spieden of hij haar soms niet zag aankomen.Ongerust voelde hij zich worden terwijl hij staarde naar ’t wijkende licht van de vriesdag, die boven de al zwaar-donkerende straatgeul met vele schaduwvlakken in de diepte, onmachtig bleekte. En opeens, hij wist zelf niet waardoor, schoot de ontzettende gedachte in hem op, dat de vrouw daarginds overreden, waar hij naar had staan kijken, weleens zijn eigen vrouw kon zijn geweest, dat ze dood en vermorseld haar zoûen thuisbrengen. Hoorde hij daar al niets?... Hij meende werkelijk stemmen en radergewiel te vernemen, stemmen van: hier heen, hier is ’t! Nee-nee, dat zou niet mogelijk kunnen wezen, hoe kwam hij aan zoo’n veronderstelling, was hij dan krankzinnig? Vol angst over zijn eigen gedachten trok hij ’t hoofd gauw binnen, liep met een stomp hoofd de kamer een paar keer heen en weer, en wou het licht gaan opsteken, de kachel aanleggen.Zeker, als ’t lekker warm was en ’t licht brandde, zou ze, als ze straks kwam wel bijtrekken en niet te veel lawaaien. Misschien ook beter zóó. Iets zei hem, dat ze nu wel gauw zou komen, zóó tegen donker. Maar, terwijl hij zich dit inpompte en de kachel niet wilde branden, overviel hem weer een vaag voorgevoel. Wat gaf het of hij hier al vuur aanleî, als ze toch niet opdaagde.Stemlawaai op straat trok opnieuw zijn aandacht. Snel schoof hij ’t raam op om te kijken, maar hij zag niets: de straat met de winkels zondags-gesloten lag al geheel donker, als een zwarte, lange gleuf, waarinde menschen krioelden. De koude wind sneed venijnig hem om d’ooren.Bij ’t binnentrekken van zijn ijl-aanvoelend hoofd meende hij vlak beneden, vóór de deur, menschen te zien staan; en zijn oor vernam gestommel op de trap. M’n God, dat zou toch voor hem niet wezen? Ontsteld trok hij zijn hoofd naar binnen, drukte het schuifraam toe, luisterde in harteklop. ’t Gestommel op de trap werd luider, kwam hooger, al hooger. Hij wou de deur opensmijten en zich overtuigen, doch hij durfde niet door zijn slecht geweten.Het voorgevoel nam in een paar tel ’t begrip van zekerheid aan. Geen twijfel meer. Gotogot! Zijn vrouw was het die het ongeluk overkwam... nou werd ze thuis gedragen. Hij wachtte... wachtte... over al zijn leden bevend.’t Lamplicht roodde voor zijn oogen, als huilerige vlammen. Gekheid, gekheid! mompelde hij nog, maar hij kon zich niet meer beheerschen, hij moest het weten.Plots hoorde hij roepen.—Baller... Baller...Met rukte hij de deur open, keek met starre oogen naar beneden, doch in ’t donker viel niet te onderscheiden. Wel hoorde hij gepraat en gestommel. Opnieuw riepen ze hem bij z’n naam.—Ja... wat is er? stootte hij er schor uit, bevend en bibberend, beducht om de waarheid te vernemen.—Je vrouw... we brenge je vrouw... een ongeluk gebeurd!Baller stortte zich al de trap af. De menschen schreeuwden hem toe:—Blijf boven... je kunt hier niet helpen... Licht ma’r liever wat bij.Stijf van schrik bleef hij staan, klauterde weer de trap óp, greep de peer uit de hanger, boog zich over ’t hek, òm wat licht in de donkere trapholte te laten schijnen. O God, hij keek vlak in ’t afgewasschen en toch weer bloedend gezicht van zijn vrouw, die ze met hun vieren naarboven sleepten. ’t Was of de lamp hem zou ontvallen; hij gaf een nijpende schreeuw, moest zich vasthouden om niet te tuimelen. Geen woord wist-ie eruit de brengen; hij beefde over al zijn schonken. Dan terwijl ze met het bloederige, in elkaargezakt lichaam naar boven scharrelden en het in de kamer legden, brak hij los in een huil van jammerklachten.De mannen raakten in verwarring, wisten niet wat ze moesten zeggen. Ze keerden zich af, één nam hem bij de arm, troostte op ruwe wijze:—Kom kerel hou-je goed.... wees een man.... daar is niks meer ’an te doen!’t Ongeval, waaraan hij twijfelde en toch wist, dat hij vermoedde en niet wilde weten, werd nu voor Baller klaar, onafwendbaar-zeker. Hij rukte zich los, schreeuwde:—Wat? Wàt zei-je daar?Haar bloederig verminkt gezicht, dat hem eerst weerhield, trok hem nu onweerstaanbaar aan. Hijstortte zich op haar neer, riep hartstochtelijk haar bij de naam, klaagde zichzelf aan.—Nee-nee, schreeuwde hij pijnlijk, je bent niet dood... je kunt niet dood zijn.... antwoord toch.... doe je oogen open.... zeg dan één woord!Allen op de kamer zwegen, niemand dorst een woord zeggen, zelfs geen kik te geven; ’t geval was al te verschrikkelijk. Als een waanzinnige betastte hij haar harde lichaam, dat nog warm aanvoelde. En opeens kreet hij weer:—Nee-nee, ze is niet dood! Een dokter, gauw ’n dokter.... om ’s hemelswille een dokter!Een van de mannen sprak nu hakkelend:—’t Zal niet meer geve.... de dokter is d’r al bij geweest.... de schedel gebroke!—Nee-nee, ze leeft.... een dokter, een dokter!Met een wilde zet sprong hij op, greep zijn hoed, rende de trap af, tuimelde bijna naar beneden. In zenuwende jacht holde hij de straat over, met de rapheid, die de bangheid hem gaf, door de zondagsmenschen zich banend. Hij voelde niets van de kou, zag geen gevaar, al glipte hij herhaaldelijk van de beenen. De straatsteenen glinsterden van ’t geribbelde ijs, enkel hier en daar lag zand gestrooid, of was de weg platgereden, maar daaraan stoorde hij zich niet.De busdokter woonde ver, een vermoeden beving hem, dat hij nu op zondag en een ongelegen uur, niemand thuis zou vinden; ’t liet zich wel denken. Doch hij ijlde niet minder gejaagd voort, stondal op de stoep, zich het zweet van zijn behaarde gezicht wisschend. O, zooals hij dacht, de meid zei kalm:—De dokter is niet thuis!Geduldig-zeker schreef ze naam en straat op de lei. Wat nu? Hij liep weer voort, op goed geluk de huizen langs, beglurend de naamplaatjes, om bij de eerste de beste onbezwaard aan te bellen. Maar ’t scheen of wel nergens een dokter woonde, anders zag hij de namen bij de vleet en nu geen enkele. Keerde dan alles zich tegen hem?... M’n God, z’n vrouw ging sterven! Hij hield dezelfde straatkant,om niet af te dwalen, niet te ver van honk te raken,—en eindelijk zag hij ’t naamplaatje van een dokter, belde hard aan zonder bedenken. ’t Duurde een heele tijd voor de deur zich opende; de meid, knorrig, dat ze van ’t werk werd weggehaald, bitste:—De dokter is uit en je hoeft niet zoo geweldig te luien, wij zijn niet doóf!—Stik! zei hij woedend en liep alweer weg.Eenige passen verder vond hij een ander, kreeg er ’t zelfde bescheid, en dit herhaalde zich op drie, vier plaatsen; nergens trof hij de dokter thuis. Dat was of ze hem zware mokerslagen toedienden, hem wurgden, zoo knauwde het hem; hij zakte haast inéén. Maar ’t besef dat hij schuld meedroeg aan z’n vrouws ongeluk zwiepte hem opnieuw voort, al begreep hij nu wel, dat ingeval er nog hoop had bestaan, die zeker zou zijn verloopen. Hij liet daarom niet los, zijn halsstarrigheid verzette zich ertegen. Instarre woede belde hij aan overal waar hij maar een doktersplaatje aan de deur vermoedde; en hij schold en schimpte al te voren.Tot hij eindelijk moe en uitgeput niet meer kon en ook ineens het onnoodige van zijn pogingen inzag. Zijn vrouw was dood, morsdood, wat hielp het, al haalde hij alle dokters van de wereld er bij? daarmee bracht hij haar niet tot het leven terug. Toch kon hij ’t ook nu nog niet aannemen dat er werkelijk geen hoop meer bestond, nee dat zou al te wreed wezen, hij moest nou naar huis terug, zeker hadden anderen al lang een dokter gevonden, terwijl hij hier als een halve gek liep te razen.’t Leek hem zoo geloofwaardig wat hij zichzelf opdrong, dat hij in sukkel-gauwe draafpassen over de gladheid van de straten naar huis terugrende, bij elke voetstap struikelend, geheel op, bijna zonder adem, kwaad op zichzelf dat hij zoo ver uit de buurt raakte. Ja, nou zou hij ’t spoedig hooren, nou zou hij ’t weten of er nog hoop overbleef. Driest en weer vol moed schoot hij zijn straat in. De menschen stonden er te praten, hielden ineens op, spraken fluisterend terwijl hij voorbijging. En nu hij met moeite de hooge trap opklauterde, ontviel hem ineens alle hoop en vertrouwen. In een snik barstte hij uit en zoo hevig, dat hij op ’t overloop moest blijven staan en zich niet naar boven kon slepen. Dat duurde maar een korte poos die hem heel lang toescheen, dan vermande hij zich, nam alle moed te zaam en oogenschijnlijk bedaardschoof hij de kamer binnen, liet hij zich op een stoel neerzakken, stiet hijgend eruit:—Geen dokter te vinden!De buurvrouwen keken medelijdend en wisten niets te zeggen. Ze fronsten de wenkbrauwen, schokschouderden, en staarden elkaar aan met open oogen.Angstverwekkend stond de stilte in ’t vertrek. Dan ging een van de vrouwen op hem toe, vroeg of hij een glas water wilde hebben, zei zacht dat hij zich nu kalm had te houden.De andere vrouwen beraadslaagden verder, zeien onder elkaar, dat ze de doode moesten afleggen, anders werd ’t lijk te stijf.—Wat zeg-je d’ervan Baller?Baller, bleek en stijf, verroerde zich niet; zijn gedachten zwegen, ’t was of hij versteende.—Wàt, wàt, schrikte hij op, wat zeg-je... kleede?Hij zei geen woord verder, zakte in elkaar, begon te schokken van zenuwkramp.De vrouwen moesten nu toch besluiten, ’t was zondagavond, en geen had veel lust of tijd. De mannen wachtten thuis... ’t moest dus gebeuren. Een ging naar de kast om schoone onderkleeren te krijgen, maar de planken waren leeg; alleen mansgoed lag er opgestapeld. Zij schudde Baller weer door elkaar, zei:—Hè, geef ’es antwoord... waar is ’t goed? D’er lig niks!—’t Goed? ’t gòèd... dat weet ’k niet!!—Zit dan niet te suffe... kom ’es kijke!Zonder te beseffen wat hij deed, stond hij op, wankelde naar de kast. Dan werd ’t voor hem helder; hij zag de schappen leeg. En nu weer voor hem ziende zijn eigen misdrijf, riep hij:—Ze hèt ’et mee genomen... o God, ik weet ’et niet waar ’t is gebleve... ’t is weg!!Dat gaf een nieuwe alteratie, de vrouwen zaten er mee in, ze hadden zich te redden, maar hoe...? Wist dan niemand waar ’t linnengoed kon wezen? Ze stonden elkaar in verwarring aan te gapen.Baller, versuft en verslagen, zakte op de stoel terug. De buurvrouw van links, de meest kordaatste, begon aan te pakken, de doode af te wasschen, de wonden wat bij te halen. Baller zat er wezenloos naar te kijken. Het gezicht, verschrikkelijk door vele schampen en wonden, waaruit het bloed bleef vloeien, scheen hem baldadig aan te grijnzen. Schrik en moedeloosheid hadden de trekken gegrift tot een schril verwijt. Hij herkende haar haast niet, zooals ze daar lag, het gezicht krijt-wit, met groenige vegen, onder ’t vale haar, hij herzag haar ineens zooals ze gisteravond dreigend voor hem stond, toen hij ontglipte. Die dreiging vond hij nu terug in al haar trekken en dat maakte hem wild.—Ik hoû ’t niet uit.... ik hoû ’t niet uit! gilde hij. Schuw sprong hij op, jaagde de trappen af naar beneden.De vrouwen knikten tegen elkaar: arme man! Dan zochten ze saam wat er nog lag en gingen voort om de doode af te leggen.
Baller, nu straf doorgeloopen tot in de straat waar hij woonde, verwonderde zich geen licht te zien achter de ramen. Zou ze nog niet thuis zijn? hee dat bevreemde hem... òf zou ze boven in donker blijven zitten om eerst met hem af te rekenen?
Beide onderstellingen vroolijkten hem niet op, hij had zich nu al ingedacht, dat ze aan ’t koken of aan ’t koffiezetten zou wezen, zoodoende alles weer in orde. Hoe hooger hij de steile trap opklom, te minder zeker voelde hij zich zelf, och, als ’t nou maar geen tranen en lammentaties zou geven, de dag was al ellendig genoeg geweest!
Er viel iets kils over hem nu hij de deur opende, haar naam riep, haar niet zag en ook geen antwoord bekwam... De Hesselaars zoûen hem toch niet voor de mal hebben gehouden, nee-nee, dat geloofde hij niet. Onthutst liep hij een paar keer de schemerstille kamer op en neer, schoof toen het raam op om eens naar buiten te spieden of hij haar soms niet zag aankomen.Ongerust voelde hij zich worden terwijl hij staarde naar ’t wijkende licht van de vriesdag, die boven de al zwaar-donkerende straatgeul met vele schaduwvlakken in de diepte, onmachtig bleekte. En opeens, hij wist zelf niet waardoor, schoot de ontzettende gedachte in hem op, dat de vrouw daarginds overreden, waar hij naar had staan kijken, weleens zijn eigen vrouw kon zijn geweest, dat ze dood en vermorseld haar zoûen thuisbrengen. Hoorde hij daar al niets?... Hij meende werkelijk stemmen en radergewiel te vernemen, stemmen van: hier heen, hier is ’t! Nee-nee, dat zou niet mogelijk kunnen wezen, hoe kwam hij aan zoo’n veronderstelling, was hij dan krankzinnig? Vol angst over zijn eigen gedachten trok hij ’t hoofd gauw binnen, liep met een stomp hoofd de kamer een paar keer heen en weer, en wou het licht gaan opsteken, de kachel aanleggen.
Zeker, als ’t lekker warm was en ’t licht brandde, zou ze, als ze straks kwam wel bijtrekken en niet te veel lawaaien. Misschien ook beter zóó. Iets zei hem, dat ze nu wel gauw zou komen, zóó tegen donker. Maar, terwijl hij zich dit inpompte en de kachel niet wilde branden, overviel hem weer een vaag voorgevoel. Wat gaf het of hij hier al vuur aanleî, als ze toch niet opdaagde.
Stemlawaai op straat trok opnieuw zijn aandacht. Snel schoof hij ’t raam op om te kijken, maar hij zag niets: de straat met de winkels zondags-gesloten lag al geheel donker, als een zwarte, lange gleuf, waarinde menschen krioelden. De koude wind sneed venijnig hem om d’ooren.
Bij ’t binnentrekken van zijn ijl-aanvoelend hoofd meende hij vlak beneden, vóór de deur, menschen te zien staan; en zijn oor vernam gestommel op de trap. M’n God, dat zou toch voor hem niet wezen? Ontsteld trok hij zijn hoofd naar binnen, drukte het schuifraam toe, luisterde in harteklop. ’t Gestommel op de trap werd luider, kwam hooger, al hooger. Hij wou de deur opensmijten en zich overtuigen, doch hij durfde niet door zijn slecht geweten.
Het voorgevoel nam in een paar tel ’t begrip van zekerheid aan. Geen twijfel meer. Gotogot! Zijn vrouw was het die het ongeluk overkwam... nou werd ze thuis gedragen. Hij wachtte... wachtte... over al zijn leden bevend.
’t Lamplicht roodde voor zijn oogen, als huilerige vlammen. Gekheid, gekheid! mompelde hij nog, maar hij kon zich niet meer beheerschen, hij moest het weten.
Plots hoorde hij roepen.
—Baller... Baller...
Met rukte hij de deur open, keek met starre oogen naar beneden, doch in ’t donker viel niet te onderscheiden. Wel hoorde hij gepraat en gestommel. Opnieuw riepen ze hem bij z’n naam.
—Ja... wat is er? stootte hij er schor uit, bevend en bibberend, beducht om de waarheid te vernemen.
—Je vrouw... we brenge je vrouw... een ongeluk gebeurd!
Baller stortte zich al de trap af. De menschen schreeuwden hem toe:
—Blijf boven... je kunt hier niet helpen... Licht ma’r liever wat bij.
Stijf van schrik bleef hij staan, klauterde weer de trap óp, greep de peer uit de hanger, boog zich over ’t hek, òm wat licht in de donkere trapholte te laten schijnen. O God, hij keek vlak in ’t afgewasschen en toch weer bloedend gezicht van zijn vrouw, die ze met hun vieren naarboven sleepten. ’t Was of de lamp hem zou ontvallen; hij gaf een nijpende schreeuw, moest zich vasthouden om niet te tuimelen. Geen woord wist-ie eruit de brengen; hij beefde over al zijn schonken. Dan terwijl ze met het bloederige, in elkaargezakt lichaam naar boven scharrelden en het in de kamer legden, brak hij los in een huil van jammerklachten.
De mannen raakten in verwarring, wisten niet wat ze moesten zeggen. Ze keerden zich af, één nam hem bij de arm, troostte op ruwe wijze:
—Kom kerel hou-je goed.... wees een man.... daar is niks meer ’an te doen!
’t Ongeval, waaraan hij twijfelde en toch wist, dat hij vermoedde en niet wilde weten, werd nu voor Baller klaar, onafwendbaar-zeker. Hij rukte zich los, schreeuwde:
—Wat? Wàt zei-je daar?
Haar bloederig verminkt gezicht, dat hem eerst weerhield, trok hem nu onweerstaanbaar aan. Hijstortte zich op haar neer, riep hartstochtelijk haar bij de naam, klaagde zichzelf aan.
—Nee-nee, schreeuwde hij pijnlijk, je bent niet dood... je kunt niet dood zijn.... antwoord toch.... doe je oogen open.... zeg dan één woord!
Allen op de kamer zwegen, niemand dorst een woord zeggen, zelfs geen kik te geven; ’t geval was al te verschrikkelijk. Als een waanzinnige betastte hij haar harde lichaam, dat nog warm aanvoelde. En opeens kreet hij weer:
—Nee-nee, ze is niet dood! Een dokter, gauw ’n dokter.... om ’s hemelswille een dokter!
Een van de mannen sprak nu hakkelend:
—’t Zal niet meer geve.... de dokter is d’r al bij geweest.... de schedel gebroke!
—Nee-nee, ze leeft.... een dokter, een dokter!
Met een wilde zet sprong hij op, greep zijn hoed, rende de trap af, tuimelde bijna naar beneden. In zenuwende jacht holde hij de straat over, met de rapheid, die de bangheid hem gaf, door de zondagsmenschen zich banend. Hij voelde niets van de kou, zag geen gevaar, al glipte hij herhaaldelijk van de beenen. De straatsteenen glinsterden van ’t geribbelde ijs, enkel hier en daar lag zand gestrooid, of was de weg platgereden, maar daaraan stoorde hij zich niet.
De busdokter woonde ver, een vermoeden beving hem, dat hij nu op zondag en een ongelegen uur, niemand thuis zou vinden; ’t liet zich wel denken. Doch hij ijlde niet minder gejaagd voort, stondal op de stoep, zich het zweet van zijn behaarde gezicht wisschend. O, zooals hij dacht, de meid zei kalm:
—De dokter is niet thuis!
Geduldig-zeker schreef ze naam en straat op de lei. Wat nu? Hij liep weer voort, op goed geluk de huizen langs, beglurend de naamplaatjes, om bij de eerste de beste onbezwaard aan te bellen. Maar ’t scheen of wel nergens een dokter woonde, anders zag hij de namen bij de vleet en nu geen enkele. Keerde dan alles zich tegen hem?... M’n God, z’n vrouw ging sterven! Hij hield dezelfde straatkant,om niet af te dwalen, niet te ver van honk te raken,—en eindelijk zag hij ’t naamplaatje van een dokter, belde hard aan zonder bedenken. ’t Duurde een heele tijd voor de deur zich opende; de meid, knorrig, dat ze van ’t werk werd weggehaald, bitste:
—De dokter is uit en je hoeft niet zoo geweldig te luien, wij zijn niet doóf!
—Stik! zei hij woedend en liep alweer weg.
Eenige passen verder vond hij een ander, kreeg er ’t zelfde bescheid, en dit herhaalde zich op drie, vier plaatsen; nergens trof hij de dokter thuis. Dat was of ze hem zware mokerslagen toedienden, hem wurgden, zoo knauwde het hem; hij zakte haast inéén. Maar ’t besef dat hij schuld meedroeg aan z’n vrouws ongeluk zwiepte hem opnieuw voort, al begreep hij nu wel, dat ingeval er nog hoop had bestaan, die zeker zou zijn verloopen. Hij liet daarom niet los, zijn halsstarrigheid verzette zich ertegen. Instarre woede belde hij aan overal waar hij maar een doktersplaatje aan de deur vermoedde; en hij schold en schimpte al te voren.
Tot hij eindelijk moe en uitgeput niet meer kon en ook ineens het onnoodige van zijn pogingen inzag. Zijn vrouw was dood, morsdood, wat hielp het, al haalde hij alle dokters van de wereld er bij? daarmee bracht hij haar niet tot het leven terug. Toch kon hij ’t ook nu nog niet aannemen dat er werkelijk geen hoop meer bestond, nee dat zou al te wreed wezen, hij moest nou naar huis terug, zeker hadden anderen al lang een dokter gevonden, terwijl hij hier als een halve gek liep te razen.
’t Leek hem zoo geloofwaardig wat hij zichzelf opdrong, dat hij in sukkel-gauwe draafpassen over de gladheid van de straten naar huis terugrende, bij elke voetstap struikelend, geheel op, bijna zonder adem, kwaad op zichzelf dat hij zoo ver uit de buurt raakte. Ja, nou zou hij ’t spoedig hooren, nou zou hij ’t weten of er nog hoop overbleef. Driest en weer vol moed schoot hij zijn straat in. De menschen stonden er te praten, hielden ineens op, spraken fluisterend terwijl hij voorbijging. En nu hij met moeite de hooge trap opklauterde, ontviel hem ineens alle hoop en vertrouwen. In een snik barstte hij uit en zoo hevig, dat hij op ’t overloop moest blijven staan en zich niet naar boven kon slepen. Dat duurde maar een korte poos die hem heel lang toescheen, dan vermande hij zich, nam alle moed te zaam en oogenschijnlijk bedaardschoof hij de kamer binnen, liet hij zich op een stoel neerzakken, stiet hijgend eruit:
—Geen dokter te vinden!
De buurvrouwen keken medelijdend en wisten niets te zeggen. Ze fronsten de wenkbrauwen, schokschouderden, en staarden elkaar aan met open oogen.
Angstverwekkend stond de stilte in ’t vertrek. Dan ging een van de vrouwen op hem toe, vroeg of hij een glas water wilde hebben, zei zacht dat hij zich nu kalm had te houden.
De andere vrouwen beraadslaagden verder, zeien onder elkaar, dat ze de doode moesten afleggen, anders werd ’t lijk te stijf.
—Wat zeg-je d’ervan Baller?
Baller, bleek en stijf, verroerde zich niet; zijn gedachten zwegen, ’t was of hij versteende.
—Wàt, wàt, schrikte hij op, wat zeg-je... kleede?
Hij zei geen woord verder, zakte in elkaar, begon te schokken van zenuwkramp.
De vrouwen moesten nu toch besluiten, ’t was zondagavond, en geen had veel lust of tijd. De mannen wachtten thuis... ’t moest dus gebeuren. Een ging naar de kast om schoone onderkleeren te krijgen, maar de planken waren leeg; alleen mansgoed lag er opgestapeld. Zij schudde Baller weer door elkaar, zei:
—Hè, geef ’es antwoord... waar is ’t goed? D’er lig niks!
—’t Goed? ’t gòèd... dat weet ’k niet!!
—Zit dan niet te suffe... kom ’es kijke!
Zonder te beseffen wat hij deed, stond hij op, wankelde naar de kast. Dan werd ’t voor hem helder; hij zag de schappen leeg. En nu weer voor hem ziende zijn eigen misdrijf, riep hij:
—Ze hèt ’et mee genomen... o God, ik weet ’et niet waar ’t is gebleve... ’t is weg!!
Dat gaf een nieuwe alteratie, de vrouwen zaten er mee in, ze hadden zich te redden, maar hoe...? Wist dan niemand waar ’t linnengoed kon wezen? Ze stonden elkaar in verwarring aan te gapen.
Baller, versuft en verslagen, zakte op de stoel terug. De buurvrouw van links, de meest kordaatste, begon aan te pakken, de doode af te wasschen, de wonden wat bij te halen. Baller zat er wezenloos naar te kijken. Het gezicht, verschrikkelijk door vele schampen en wonden, waaruit het bloed bleef vloeien, scheen hem baldadig aan te grijnzen. Schrik en moedeloosheid hadden de trekken gegrift tot een schril verwijt. Hij herkende haar haast niet, zooals ze daar lag, het gezicht krijt-wit, met groenige vegen, onder ’t vale haar, hij herzag haar ineens zooals ze gisteravond dreigend voor hem stond, toen hij ontglipte. Die dreiging vond hij nu terug in al haar trekken en dat maakte hem wild.
—Ik hoû ’t niet uit.... ik hoû ’t niet uit! gilde hij. Schuw sprong hij op, jaagde de trappen af naar beneden.
De vrouwen knikten tegen elkaar: arme man! Dan zochten ze saam wat er nog lag en gingen voort om de doode af te leggen.