VI.

VI.Nu voor het huis, aarzelde ze opeens. Terwijl ze aan de schelleknop rukte, kreeg ze klaar ’t besef dat ze overijld handelde. Ze wist toch ternauwernood wat ze dominee moest vertellen, ze schrikte ervan en keek of ze nog niet weg zou kunnen sluipen, doch de deur ging al open, er bleef nu niets anders meer over als te blijven. Ze hoopte nu maar, dat dominee niet thuis mocht wezen. En gelukkig, de meid zei, dat ze ’t niet wist en in de studeerkamer zou gaan kijken. Of ze dan even wilde binnenkomen?Op de mat, achter de deur, nu ze de meid naar achter zag sjokken, voelde ze zich beschroomd, verlegen. Als hij nu wel eens thuis was... Ze werd erg onrustig, maar haar oogen en haar gedachten werden al gevangen door de blankheid van de marmergang, de hagelwitte muren, de lange looper en de kleedjes zoo netjes voor elke deur, en terwijl ze dit alles nauwkeurig bekeek, kwam de meid al terug, opende de deur van de spreekkamer, zei gewoonte-effen:—Dominee komt derèk bij u...’t Ontstelde haar. Nu moest ze praten, hem alles behoorlijk voorleggen. Hoe zou ze dat kunnen inkleeden? Ja net... natuurlijk zeggen dat haar man zoo’n beest voor haar was, dat ze van hem af wou. De stoel, waar ze met de rokken zwaar op zat, gloeide onder haar. Nu kierde de deur open en dominee trad binnen, de lange pijp in de mond. Ze stond dadelijk op, stamelde verward uit verlegenheid.Maar dominee wenkte dat ze zou blijven zitten. Hij nam ook een stoel, en tusschen de smakhalen door aan zijn lange pijp vroeg hij zalvend-kalm waarmee hij haar van dienst kon wezen.Ze bedaarde al weer. In ’t begin nog wat hakkelend, dan langzaam-aan toch vaster, begon ze haar relaas: dat ze onmogelijk bij hem kon blijven, omdat hij dronk, haar slecht behandelde, en de vraag wat dominee daarvan dacht. ’t Was zoo geen leven, ze moest eigenlijk de kost verdienen voor hem erbij.Dominee liet haar uitspreken, liet zelfs zijn pijphaal achterwege, luisterde vol meewarigheid, zijn stijf-geplooid hoofd in zachte knikjes meedeinend, als aanmoediging om voort te gaan bij ’t uitstorten van haar tot snikkends-toeë overkroptheid. Hij dacht: ga je gang kind als je dat kan verlichten; hij smookte ook weer aan zijn pijp.Zij vertelde en ratelde door, maar dominee, die het toch wat lang begon te duren, keek haar af en toe eens strakjes aan, en dat maakte haar van de wijs, zoodat ze plotseling zweeg.Dominee scheen evenmin al gereed te zijn met zijn woorden, en dat oogenblik van dubbel zwijgen pijnde haar ’t meest. Ze begon er aan te twijfelen of ze wel had overtuigd en wilde weer beginnen, doch dominee voorkwam haar met een beweging van zijn blanke hand en zei:—En hebt-ge samen aleens overlegd, al ’t mogelijke beproefd?—Overlegd? vroeg ze verwonderd.—Ja, ’t is geen kleinigheid als men eerst elkaar houw en trouw heeft beloofd, dan van elkaar te scheiden... zeker ’t leven is moeilijk... heel moeilijk soms... en God bezoekt de zijnen... doch daarom mag men ook tot zoo iets niet in overijling overgaan.Ze raakte nog meer in de war, wist niet wat te antwoorden,—en dominee praatte maar door, allemaal met zulke mooie woorden, dat ze er bijna van aan ’t snikken raakte, hem niet dorst aan te kijken.—En hebt-ge kindertjes, moeder... hebt ge daar wel aangedacht?—Dood! zei ze somber.—Zoo, dat is wel hard... dat kan ik me begrijpen... al maakt dit aan de andere kant ’t ook weer gemakkelijk... ge kunt u dan geheel aan uw man wijden, hem van dat slechte leven, van de drank afhouden...—Als ’k dat maar kòn, snikte ze uit, als ’k dat maar kon... ’k heb alles geprobeerd.—Kom moedertje, moed. Een boom valt niet inéén slag... de drank is een leelijke duivel, die laat niet ineens los;... doch een liefhebbende vrouw vermag veel?Hij zweeg even om de woorden in haar te laten doordringen, vervolgde dan:—U moet de moed niet zoo gauw opgeven, u moet uw man maar eens bij me sturen... dan zal ik hem onder handen nemen. Hoe is uw naam?—Baller, dominee!—Baller, juist... laten we de handen ineenslaan, en trachten met Gods hulp hem op een beter pad te brengen.Dominee stond op, en ze rees schuchter mee, voelend zich klein, alsof ze zacht-aan in elkaar was getrapt. Van dominee’s tijd en welwillendheid mocht ze niet meer vorderen, dit begreep ze wel zoowat. De tranen glinsterden haar in de oogen nu ze opkeek naar zijn lange, statige gestalte, zoo net gekleed, zoo vlekken-loos in ’t zwart, en ze onderging een beving over haar eigen simpelheid.—Kom moedertje, moed! zei weer de dominee, die de deur opendeed. Stuur hem maar eens bij me, tusschen twaalf en twee ben ik altijd thuis... en anders ’s avonds ook.Zij schreed de kamer al uit, de gang in over de marmersteenen, naar de deur toe, waar ’t gepoetste koper van deurknop en ketting haar goudig tegenfonkelden. Ze hoorde dominee nog aldoor spreken, in al opwekkender bewoordingen, en ze wist niet teantwoorden; ze knikte enkel toestemmend met haar zware hoofd.De meid schoot toe om de deur te openen, doch domineewenkte afwerend, zei:—Laat het maar Antje...Onder ’t praten door, drukte dominee haar flink de hand, sprak haar nogeens moed in, herhaalde, dat ze h’r man moest sturen, en nu stond vrouw Baller weer buiten.Bedremmeld liep ze een eindje door, niet wetend hoe ze ’t zelf-had. Maar de schriele wind en ’t soppige weer maakten ’t haar wel duidelijk, O, daar had ze zich toch in de luren laten leggen, mooie praatjes genoeg, alsof ze daar van eten kon!Waarom had ze niet liever om ’n drie gulden gevraagd... dan kon ze teminste uit de voeten... D’r man op een betere weg brengen, och lievehemel, hoe liet ze zich daarmee afscheepen...? De geurige dwalm van koffie en de lucht van vleesch dat gebraden werd, meegenomen uit ’t warme huis van dominee ze proefde nog op haar tong. Zoo neergeslagen was ze toch niet, of ’t streelde haar gehemelte... wat deed ze bij dominee, als ze vergat onderstand te vragen. Geld om zich de eerste dagen te redden bleef het eerste en ’t eenige wat haar kwelde. Met haar twaalf, dertien stuivers, die ze nog op zak had richtte ze niet veel uit, ze moest hebben om hier of daar te huren en vooral om van-nacht onder dak te komen. Waarom hing ze geen tafereel op, dat zehaar huis werd uitgezet, of dat hij was weggeloopen, maar ook in dit geval bleek ’t nog onzeker of ze wat had gekregen. Waarschijnlijk zou dominee haar naar ’t armbestuur hebben gezonden... misschien. Wie weet, nog beter zoo, al gaf het niet dadelijk, later bracht het wel in. Ze kon nu toch aankloppen, zeggen dat hij niet wou. Toch verwonderde ’t haar, dat ze toen ze er voor zat, aan vragen heelemaal niet dacht. Ze voelde zich te vol. ’t Kwam door de kerk. Als ze daar niet naar toe was gegaan, zou ze helderder van hoofd zijn geweest, beter geweten hebben wat ze deed.De gedachte aan de koffie, aan ’t gebraden vleesch maakte haar ineens hongerig. Geen wonder, sedert van morgen liep ze rond, bijna nuchter. Een broodje kon ze natuurlijk koopen bij de bakker, maar ze kreeg behoefte aan wat warms.Ze voelde zich huiverig van de koû. ’t Was ineens weer gaan vriezen. Waar kon ze als vrouw naartoe, schaftkelders waren er genoeg, maar daar zat het natuurlijk vol van de kerels. In de Volksbond was ’t niet beter, daar kon je als vrouw ook niet komen. Van de gaarkeuken had ze weleens hooren spreken, ja, dat leek een idee! wist ze nu maar waar die gaarkeukens uithingen? Vaag herinnerde ze zich van de Pijlsteeg, wist het niet zeker, daar kon ze eens gaan kijken, daar verloor ze niets mee.Ze butterde weer voort in de drabbige sneeuw, die door de vrieskoû tot morsìg ijs ging stijven. Gladde,diepe voren lagen overal gekerfd door de wagenraderen; ze hadden ruwe kanten, waaronder nog ’t dooiwater sieperde. ’t Leek wel of ze op glas trapte, zoo scherp waren de pasbevroren dooi-ríchels.In de Pijlsteeg zag ze ’t groote bord van de gaarkeuken, wel drie keer liep ze voorbij en weer terug, ze durfde niet binnen te gaan, uit schroom en verlegenheid. Een vrouw alleen is toch maar een arme stumper.Eindelijk beet ze flink door en stapte op de deur aan, en merkte dat het gebouw was gesloten. Ze begreep ’t eerst niet, bleef aan de deur rammelen in schuw gemaakt-ernstig rondkijken. Een voorbijganger zei:—Zondags is ’t maar tot één uur open!Daar stond ze nu. Haar tijd verbabbelde ze bij dominee en de kerk maakte haar week en lammenadig; ze voelde zich geheel verslagen. Waar moest ze naar toe?Voor haar twaalf stuivers kon ze vannacht wel ergens onder dak raken, maar wat volgde dan? Een heimelijke angst beving haar, dat het met ’t logies-zoeken evenzoo zou vergaan als nu met de gaarkeuken. Voor dat leven moest-je zijn geboren. Op straat zwerven? nee dat ging niet! Ze griezelde ervoor.De kou werd nijpend, schrijnde vel en ooren. ’t Bracht haar in gedachten de avond van gisteren toen het ook vroor en ’t daarna sneeuwde. De kamer kreeg nu weer voor haar de oude bekoring. ’t Was wel nietveel wat er stond, maar ze zat toch beschut—en met een beetje kokes kan je ’t warm stoken.Ze kocht bij een bakker een broodje, slokte het gulzig naar binnen in een weinig-begaan steegje, zich voelend als een diefegge, als een die loopt op verkeerde wegen en dingen doet, die ’t daglicht niet kunnen velen. ’t Broodje naar binnen geduwd, verzadigde haar niet. Zij moest er nog een koopen, peuzelde dat ongezien onder ’t loopen op, maar de maag scheen niet minder leeg te blijven. ’t Feit verwonderde haar, in haar gewone doen had ze bijna geen behoefte aan eten, affijn brood bleef dan ook maar brood, ze moest wat warmte hebben.De huiselijke woning trok haar zoo aan, èn ze wou er toch niet heen. Nee, ze moest het volhouden, zoolang mogelijk, dan kon ze nog altijd zien wat ze deed.Ze sjokte en stapte weer stevig door, maar ’t verhielp niet, dat ze zich hoe langer hoe moeër voelde worden. De eenzaamheid tusschen al die menschen op hun best greep haar al sterker aan, en de kou sneed door haar kleeren heen, vlijmde straf, tot op ’t lijf. Ze dacht eraan op een stoep wat uit te rusten, maar daarvoor was ’t nog te veel dag. Ze schold zich zelf weer uit dat ze dom was geweest om de dominee niet om geld te vragen. Ze kon ’t nog doen, ze zou hem niet loslaten. Nee, dat zou ze zeker niet, morgen, overmorgen ging ze naar hem toe.Maar als ze dat deed, zoo schoot het ineens doorhaar heen, dan moest ze nu toch naar huis. Nee-nee, dat niet, hoewel, als-ie veel drukte en herrie maakte gaf het een reden om flink bij dominee in beklag te komen. Of ’t veel zou helpen, daaraan twijfelde ze, toch, het plan mocht ze niet loslaten.Misschien was-ie niet eens thuis; misschien ook zelf weggeloopen... ’t kon allemaal. De gedachte vervulde haar met nieuwe hoop. Als hij eens de woning alléén liet, dan had ze wat ze zocht en verlangde. Was ’t kristelijk wat ze daar dacht, nee, zeker niet, maar wat beteekende dat...? Toch niet prettig! Ze schreef op haar briefje dat hij haar niet weerom zou zien en nu kwam ze toch, o, hij zou haar bespotten, maar ze kon zeggen dat dominee haar had weerom gezonden.Heel sterk trok haar nu de kamer, waarin ze dadelijk vuur zou aanleggen, ze ging enkel naar huis terug, om op hulp van dominee te kunnen rekenen, al begreep ze zelf niet best, waarom ze ineens daarop steunde. Dat kwam omdat ze vanmorgen in de kerk was geweest, zeker, er klonk iets in haar ooren dat God haar zou bijstaan. Ze was op de verkeerde weg geweest om moedwillig het huis te verlaten. Als Jan haar in de steek liet, ja dan werd ’t wat anders!...

VI.Nu voor het huis, aarzelde ze opeens. Terwijl ze aan de schelleknop rukte, kreeg ze klaar ’t besef dat ze overijld handelde. Ze wist toch ternauwernood wat ze dominee moest vertellen, ze schrikte ervan en keek of ze nog niet weg zou kunnen sluipen, doch de deur ging al open, er bleef nu niets anders meer over als te blijven. Ze hoopte nu maar, dat dominee niet thuis mocht wezen. En gelukkig, de meid zei, dat ze ’t niet wist en in de studeerkamer zou gaan kijken. Of ze dan even wilde binnenkomen?Op de mat, achter de deur, nu ze de meid naar achter zag sjokken, voelde ze zich beschroomd, verlegen. Als hij nu wel eens thuis was... Ze werd erg onrustig, maar haar oogen en haar gedachten werden al gevangen door de blankheid van de marmergang, de hagelwitte muren, de lange looper en de kleedjes zoo netjes voor elke deur, en terwijl ze dit alles nauwkeurig bekeek, kwam de meid al terug, opende de deur van de spreekkamer, zei gewoonte-effen:—Dominee komt derèk bij u...’t Ontstelde haar. Nu moest ze praten, hem alles behoorlijk voorleggen. Hoe zou ze dat kunnen inkleeden? Ja net... natuurlijk zeggen dat haar man zoo’n beest voor haar was, dat ze van hem af wou. De stoel, waar ze met de rokken zwaar op zat, gloeide onder haar. Nu kierde de deur open en dominee trad binnen, de lange pijp in de mond. Ze stond dadelijk op, stamelde verward uit verlegenheid.Maar dominee wenkte dat ze zou blijven zitten. Hij nam ook een stoel, en tusschen de smakhalen door aan zijn lange pijp vroeg hij zalvend-kalm waarmee hij haar van dienst kon wezen.Ze bedaarde al weer. In ’t begin nog wat hakkelend, dan langzaam-aan toch vaster, begon ze haar relaas: dat ze onmogelijk bij hem kon blijven, omdat hij dronk, haar slecht behandelde, en de vraag wat dominee daarvan dacht. ’t Was zoo geen leven, ze moest eigenlijk de kost verdienen voor hem erbij.Dominee liet haar uitspreken, liet zelfs zijn pijphaal achterwege, luisterde vol meewarigheid, zijn stijf-geplooid hoofd in zachte knikjes meedeinend, als aanmoediging om voort te gaan bij ’t uitstorten van haar tot snikkends-toeë overkroptheid. Hij dacht: ga je gang kind als je dat kan verlichten; hij smookte ook weer aan zijn pijp.Zij vertelde en ratelde door, maar dominee, die het toch wat lang begon te duren, keek haar af en toe eens strakjes aan, en dat maakte haar van de wijs, zoodat ze plotseling zweeg.Dominee scheen evenmin al gereed te zijn met zijn woorden, en dat oogenblik van dubbel zwijgen pijnde haar ’t meest. Ze begon er aan te twijfelen of ze wel had overtuigd en wilde weer beginnen, doch dominee voorkwam haar met een beweging van zijn blanke hand en zei:—En hebt-ge samen aleens overlegd, al ’t mogelijke beproefd?—Overlegd? vroeg ze verwonderd.—Ja, ’t is geen kleinigheid als men eerst elkaar houw en trouw heeft beloofd, dan van elkaar te scheiden... zeker ’t leven is moeilijk... heel moeilijk soms... en God bezoekt de zijnen... doch daarom mag men ook tot zoo iets niet in overijling overgaan.Ze raakte nog meer in de war, wist niet wat te antwoorden,—en dominee praatte maar door, allemaal met zulke mooie woorden, dat ze er bijna van aan ’t snikken raakte, hem niet dorst aan te kijken.—En hebt-ge kindertjes, moeder... hebt ge daar wel aangedacht?—Dood! zei ze somber.—Zoo, dat is wel hard... dat kan ik me begrijpen... al maakt dit aan de andere kant ’t ook weer gemakkelijk... ge kunt u dan geheel aan uw man wijden, hem van dat slechte leven, van de drank afhouden...—Als ’k dat maar kòn, snikte ze uit, als ’k dat maar kon... ’k heb alles geprobeerd.—Kom moedertje, moed. Een boom valt niet inéén slag... de drank is een leelijke duivel, die laat niet ineens los;... doch een liefhebbende vrouw vermag veel?Hij zweeg even om de woorden in haar te laten doordringen, vervolgde dan:—U moet de moed niet zoo gauw opgeven, u moet uw man maar eens bij me sturen... dan zal ik hem onder handen nemen. Hoe is uw naam?—Baller, dominee!—Baller, juist... laten we de handen ineenslaan, en trachten met Gods hulp hem op een beter pad te brengen.Dominee stond op, en ze rees schuchter mee, voelend zich klein, alsof ze zacht-aan in elkaar was getrapt. Van dominee’s tijd en welwillendheid mocht ze niet meer vorderen, dit begreep ze wel zoowat. De tranen glinsterden haar in de oogen nu ze opkeek naar zijn lange, statige gestalte, zoo net gekleed, zoo vlekken-loos in ’t zwart, en ze onderging een beving over haar eigen simpelheid.—Kom moedertje, moed! zei weer de dominee, die de deur opendeed. Stuur hem maar eens bij me, tusschen twaalf en twee ben ik altijd thuis... en anders ’s avonds ook.Zij schreed de kamer al uit, de gang in over de marmersteenen, naar de deur toe, waar ’t gepoetste koper van deurknop en ketting haar goudig tegenfonkelden. Ze hoorde dominee nog aldoor spreken, in al opwekkender bewoordingen, en ze wist niet teantwoorden; ze knikte enkel toestemmend met haar zware hoofd.De meid schoot toe om de deur te openen, doch domineewenkte afwerend, zei:—Laat het maar Antje...Onder ’t praten door, drukte dominee haar flink de hand, sprak haar nogeens moed in, herhaalde, dat ze h’r man moest sturen, en nu stond vrouw Baller weer buiten.Bedremmeld liep ze een eindje door, niet wetend hoe ze ’t zelf-had. Maar de schriele wind en ’t soppige weer maakten ’t haar wel duidelijk, O, daar had ze zich toch in de luren laten leggen, mooie praatjes genoeg, alsof ze daar van eten kon!Waarom had ze niet liever om ’n drie gulden gevraagd... dan kon ze teminste uit de voeten... D’r man op een betere weg brengen, och lievehemel, hoe liet ze zich daarmee afscheepen...? De geurige dwalm van koffie en de lucht van vleesch dat gebraden werd, meegenomen uit ’t warme huis van dominee ze proefde nog op haar tong. Zoo neergeslagen was ze toch niet, of ’t streelde haar gehemelte... wat deed ze bij dominee, als ze vergat onderstand te vragen. Geld om zich de eerste dagen te redden bleef het eerste en ’t eenige wat haar kwelde. Met haar twaalf, dertien stuivers, die ze nog op zak had richtte ze niet veel uit, ze moest hebben om hier of daar te huren en vooral om van-nacht onder dak te komen. Waarom hing ze geen tafereel op, dat zehaar huis werd uitgezet, of dat hij was weggeloopen, maar ook in dit geval bleek ’t nog onzeker of ze wat had gekregen. Waarschijnlijk zou dominee haar naar ’t armbestuur hebben gezonden... misschien. Wie weet, nog beter zoo, al gaf het niet dadelijk, later bracht het wel in. Ze kon nu toch aankloppen, zeggen dat hij niet wou. Toch verwonderde ’t haar, dat ze toen ze er voor zat, aan vragen heelemaal niet dacht. Ze voelde zich te vol. ’t Kwam door de kerk. Als ze daar niet naar toe was gegaan, zou ze helderder van hoofd zijn geweest, beter geweten hebben wat ze deed.De gedachte aan de koffie, aan ’t gebraden vleesch maakte haar ineens hongerig. Geen wonder, sedert van morgen liep ze rond, bijna nuchter. Een broodje kon ze natuurlijk koopen bij de bakker, maar ze kreeg behoefte aan wat warms.Ze voelde zich huiverig van de koû. ’t Was ineens weer gaan vriezen. Waar kon ze als vrouw naartoe, schaftkelders waren er genoeg, maar daar zat het natuurlijk vol van de kerels. In de Volksbond was ’t niet beter, daar kon je als vrouw ook niet komen. Van de gaarkeuken had ze weleens hooren spreken, ja, dat leek een idee! wist ze nu maar waar die gaarkeukens uithingen? Vaag herinnerde ze zich van de Pijlsteeg, wist het niet zeker, daar kon ze eens gaan kijken, daar verloor ze niets mee.Ze butterde weer voort in de drabbige sneeuw, die door de vrieskoû tot morsìg ijs ging stijven. Gladde,diepe voren lagen overal gekerfd door de wagenraderen; ze hadden ruwe kanten, waaronder nog ’t dooiwater sieperde. ’t Leek wel of ze op glas trapte, zoo scherp waren de pasbevroren dooi-ríchels.In de Pijlsteeg zag ze ’t groote bord van de gaarkeuken, wel drie keer liep ze voorbij en weer terug, ze durfde niet binnen te gaan, uit schroom en verlegenheid. Een vrouw alleen is toch maar een arme stumper.Eindelijk beet ze flink door en stapte op de deur aan, en merkte dat het gebouw was gesloten. Ze begreep ’t eerst niet, bleef aan de deur rammelen in schuw gemaakt-ernstig rondkijken. Een voorbijganger zei:—Zondags is ’t maar tot één uur open!Daar stond ze nu. Haar tijd verbabbelde ze bij dominee en de kerk maakte haar week en lammenadig; ze voelde zich geheel verslagen. Waar moest ze naar toe?Voor haar twaalf stuivers kon ze vannacht wel ergens onder dak raken, maar wat volgde dan? Een heimelijke angst beving haar, dat het met ’t logies-zoeken evenzoo zou vergaan als nu met de gaarkeuken. Voor dat leven moest-je zijn geboren. Op straat zwerven? nee dat ging niet! Ze griezelde ervoor.De kou werd nijpend, schrijnde vel en ooren. ’t Bracht haar in gedachten de avond van gisteren toen het ook vroor en ’t daarna sneeuwde. De kamer kreeg nu weer voor haar de oude bekoring. ’t Was wel nietveel wat er stond, maar ze zat toch beschut—en met een beetje kokes kan je ’t warm stoken.Ze kocht bij een bakker een broodje, slokte het gulzig naar binnen in een weinig-begaan steegje, zich voelend als een diefegge, als een die loopt op verkeerde wegen en dingen doet, die ’t daglicht niet kunnen velen. ’t Broodje naar binnen geduwd, verzadigde haar niet. Zij moest er nog een koopen, peuzelde dat ongezien onder ’t loopen op, maar de maag scheen niet minder leeg te blijven. ’t Feit verwonderde haar, in haar gewone doen had ze bijna geen behoefte aan eten, affijn brood bleef dan ook maar brood, ze moest wat warmte hebben.De huiselijke woning trok haar zoo aan, èn ze wou er toch niet heen. Nee, ze moest het volhouden, zoolang mogelijk, dan kon ze nog altijd zien wat ze deed.Ze sjokte en stapte weer stevig door, maar ’t verhielp niet, dat ze zich hoe langer hoe moeër voelde worden. De eenzaamheid tusschen al die menschen op hun best greep haar al sterker aan, en de kou sneed door haar kleeren heen, vlijmde straf, tot op ’t lijf. Ze dacht eraan op een stoep wat uit te rusten, maar daarvoor was ’t nog te veel dag. Ze schold zich zelf weer uit dat ze dom was geweest om de dominee niet om geld te vragen. Ze kon ’t nog doen, ze zou hem niet loslaten. Nee, dat zou ze zeker niet, morgen, overmorgen ging ze naar hem toe.Maar als ze dat deed, zoo schoot het ineens doorhaar heen, dan moest ze nu toch naar huis. Nee-nee, dat niet, hoewel, als-ie veel drukte en herrie maakte gaf het een reden om flink bij dominee in beklag te komen. Of ’t veel zou helpen, daaraan twijfelde ze, toch, het plan mocht ze niet loslaten.Misschien was-ie niet eens thuis; misschien ook zelf weggeloopen... ’t kon allemaal. De gedachte vervulde haar met nieuwe hoop. Als hij eens de woning alléén liet, dan had ze wat ze zocht en verlangde. Was ’t kristelijk wat ze daar dacht, nee, zeker niet, maar wat beteekende dat...? Toch niet prettig! Ze schreef op haar briefje dat hij haar niet weerom zou zien en nu kwam ze toch, o, hij zou haar bespotten, maar ze kon zeggen dat dominee haar had weerom gezonden.Heel sterk trok haar nu de kamer, waarin ze dadelijk vuur zou aanleggen, ze ging enkel naar huis terug, om op hulp van dominee te kunnen rekenen, al begreep ze zelf niet best, waarom ze ineens daarop steunde. Dat kwam omdat ze vanmorgen in de kerk was geweest, zeker, er klonk iets in haar ooren dat God haar zou bijstaan. Ze was op de verkeerde weg geweest om moedwillig het huis te verlaten. Als Jan haar in de steek liet, ja dan werd ’t wat anders!...

VI.Nu voor het huis, aarzelde ze opeens. Terwijl ze aan de schelleknop rukte, kreeg ze klaar ’t besef dat ze overijld handelde. Ze wist toch ternauwernood wat ze dominee moest vertellen, ze schrikte ervan en keek of ze nog niet weg zou kunnen sluipen, doch de deur ging al open, er bleef nu niets anders meer over als te blijven. Ze hoopte nu maar, dat dominee niet thuis mocht wezen. En gelukkig, de meid zei, dat ze ’t niet wist en in de studeerkamer zou gaan kijken. Of ze dan even wilde binnenkomen?Op de mat, achter de deur, nu ze de meid naar achter zag sjokken, voelde ze zich beschroomd, verlegen. Als hij nu wel eens thuis was... Ze werd erg onrustig, maar haar oogen en haar gedachten werden al gevangen door de blankheid van de marmergang, de hagelwitte muren, de lange looper en de kleedjes zoo netjes voor elke deur, en terwijl ze dit alles nauwkeurig bekeek, kwam de meid al terug, opende de deur van de spreekkamer, zei gewoonte-effen:—Dominee komt derèk bij u...’t Ontstelde haar. Nu moest ze praten, hem alles behoorlijk voorleggen. Hoe zou ze dat kunnen inkleeden? Ja net... natuurlijk zeggen dat haar man zoo’n beest voor haar was, dat ze van hem af wou. De stoel, waar ze met de rokken zwaar op zat, gloeide onder haar. Nu kierde de deur open en dominee trad binnen, de lange pijp in de mond. Ze stond dadelijk op, stamelde verward uit verlegenheid.Maar dominee wenkte dat ze zou blijven zitten. Hij nam ook een stoel, en tusschen de smakhalen door aan zijn lange pijp vroeg hij zalvend-kalm waarmee hij haar van dienst kon wezen.Ze bedaarde al weer. In ’t begin nog wat hakkelend, dan langzaam-aan toch vaster, begon ze haar relaas: dat ze onmogelijk bij hem kon blijven, omdat hij dronk, haar slecht behandelde, en de vraag wat dominee daarvan dacht. ’t Was zoo geen leven, ze moest eigenlijk de kost verdienen voor hem erbij.Dominee liet haar uitspreken, liet zelfs zijn pijphaal achterwege, luisterde vol meewarigheid, zijn stijf-geplooid hoofd in zachte knikjes meedeinend, als aanmoediging om voort te gaan bij ’t uitstorten van haar tot snikkends-toeë overkroptheid. Hij dacht: ga je gang kind als je dat kan verlichten; hij smookte ook weer aan zijn pijp.Zij vertelde en ratelde door, maar dominee, die het toch wat lang begon te duren, keek haar af en toe eens strakjes aan, en dat maakte haar van de wijs, zoodat ze plotseling zweeg.Dominee scheen evenmin al gereed te zijn met zijn woorden, en dat oogenblik van dubbel zwijgen pijnde haar ’t meest. Ze begon er aan te twijfelen of ze wel had overtuigd en wilde weer beginnen, doch dominee voorkwam haar met een beweging van zijn blanke hand en zei:—En hebt-ge samen aleens overlegd, al ’t mogelijke beproefd?—Overlegd? vroeg ze verwonderd.—Ja, ’t is geen kleinigheid als men eerst elkaar houw en trouw heeft beloofd, dan van elkaar te scheiden... zeker ’t leven is moeilijk... heel moeilijk soms... en God bezoekt de zijnen... doch daarom mag men ook tot zoo iets niet in overijling overgaan.Ze raakte nog meer in de war, wist niet wat te antwoorden,—en dominee praatte maar door, allemaal met zulke mooie woorden, dat ze er bijna van aan ’t snikken raakte, hem niet dorst aan te kijken.—En hebt-ge kindertjes, moeder... hebt ge daar wel aangedacht?—Dood! zei ze somber.—Zoo, dat is wel hard... dat kan ik me begrijpen... al maakt dit aan de andere kant ’t ook weer gemakkelijk... ge kunt u dan geheel aan uw man wijden, hem van dat slechte leven, van de drank afhouden...—Als ’k dat maar kòn, snikte ze uit, als ’k dat maar kon... ’k heb alles geprobeerd.—Kom moedertje, moed. Een boom valt niet inéén slag... de drank is een leelijke duivel, die laat niet ineens los;... doch een liefhebbende vrouw vermag veel?Hij zweeg even om de woorden in haar te laten doordringen, vervolgde dan:—U moet de moed niet zoo gauw opgeven, u moet uw man maar eens bij me sturen... dan zal ik hem onder handen nemen. Hoe is uw naam?—Baller, dominee!—Baller, juist... laten we de handen ineenslaan, en trachten met Gods hulp hem op een beter pad te brengen.Dominee stond op, en ze rees schuchter mee, voelend zich klein, alsof ze zacht-aan in elkaar was getrapt. Van dominee’s tijd en welwillendheid mocht ze niet meer vorderen, dit begreep ze wel zoowat. De tranen glinsterden haar in de oogen nu ze opkeek naar zijn lange, statige gestalte, zoo net gekleed, zoo vlekken-loos in ’t zwart, en ze onderging een beving over haar eigen simpelheid.—Kom moedertje, moed! zei weer de dominee, die de deur opendeed. Stuur hem maar eens bij me, tusschen twaalf en twee ben ik altijd thuis... en anders ’s avonds ook.Zij schreed de kamer al uit, de gang in over de marmersteenen, naar de deur toe, waar ’t gepoetste koper van deurknop en ketting haar goudig tegenfonkelden. Ze hoorde dominee nog aldoor spreken, in al opwekkender bewoordingen, en ze wist niet teantwoorden; ze knikte enkel toestemmend met haar zware hoofd.De meid schoot toe om de deur te openen, doch domineewenkte afwerend, zei:—Laat het maar Antje...Onder ’t praten door, drukte dominee haar flink de hand, sprak haar nogeens moed in, herhaalde, dat ze h’r man moest sturen, en nu stond vrouw Baller weer buiten.Bedremmeld liep ze een eindje door, niet wetend hoe ze ’t zelf-had. Maar de schriele wind en ’t soppige weer maakten ’t haar wel duidelijk, O, daar had ze zich toch in de luren laten leggen, mooie praatjes genoeg, alsof ze daar van eten kon!Waarom had ze niet liever om ’n drie gulden gevraagd... dan kon ze teminste uit de voeten... D’r man op een betere weg brengen, och lievehemel, hoe liet ze zich daarmee afscheepen...? De geurige dwalm van koffie en de lucht van vleesch dat gebraden werd, meegenomen uit ’t warme huis van dominee ze proefde nog op haar tong. Zoo neergeslagen was ze toch niet, of ’t streelde haar gehemelte... wat deed ze bij dominee, als ze vergat onderstand te vragen. Geld om zich de eerste dagen te redden bleef het eerste en ’t eenige wat haar kwelde. Met haar twaalf, dertien stuivers, die ze nog op zak had richtte ze niet veel uit, ze moest hebben om hier of daar te huren en vooral om van-nacht onder dak te komen. Waarom hing ze geen tafereel op, dat zehaar huis werd uitgezet, of dat hij was weggeloopen, maar ook in dit geval bleek ’t nog onzeker of ze wat had gekregen. Waarschijnlijk zou dominee haar naar ’t armbestuur hebben gezonden... misschien. Wie weet, nog beter zoo, al gaf het niet dadelijk, later bracht het wel in. Ze kon nu toch aankloppen, zeggen dat hij niet wou. Toch verwonderde ’t haar, dat ze toen ze er voor zat, aan vragen heelemaal niet dacht. Ze voelde zich te vol. ’t Kwam door de kerk. Als ze daar niet naar toe was gegaan, zou ze helderder van hoofd zijn geweest, beter geweten hebben wat ze deed.De gedachte aan de koffie, aan ’t gebraden vleesch maakte haar ineens hongerig. Geen wonder, sedert van morgen liep ze rond, bijna nuchter. Een broodje kon ze natuurlijk koopen bij de bakker, maar ze kreeg behoefte aan wat warms.Ze voelde zich huiverig van de koû. ’t Was ineens weer gaan vriezen. Waar kon ze als vrouw naartoe, schaftkelders waren er genoeg, maar daar zat het natuurlijk vol van de kerels. In de Volksbond was ’t niet beter, daar kon je als vrouw ook niet komen. Van de gaarkeuken had ze weleens hooren spreken, ja, dat leek een idee! wist ze nu maar waar die gaarkeukens uithingen? Vaag herinnerde ze zich van de Pijlsteeg, wist het niet zeker, daar kon ze eens gaan kijken, daar verloor ze niets mee.Ze butterde weer voort in de drabbige sneeuw, die door de vrieskoû tot morsìg ijs ging stijven. Gladde,diepe voren lagen overal gekerfd door de wagenraderen; ze hadden ruwe kanten, waaronder nog ’t dooiwater sieperde. ’t Leek wel of ze op glas trapte, zoo scherp waren de pasbevroren dooi-ríchels.In de Pijlsteeg zag ze ’t groote bord van de gaarkeuken, wel drie keer liep ze voorbij en weer terug, ze durfde niet binnen te gaan, uit schroom en verlegenheid. Een vrouw alleen is toch maar een arme stumper.Eindelijk beet ze flink door en stapte op de deur aan, en merkte dat het gebouw was gesloten. Ze begreep ’t eerst niet, bleef aan de deur rammelen in schuw gemaakt-ernstig rondkijken. Een voorbijganger zei:—Zondags is ’t maar tot één uur open!Daar stond ze nu. Haar tijd verbabbelde ze bij dominee en de kerk maakte haar week en lammenadig; ze voelde zich geheel verslagen. Waar moest ze naar toe?Voor haar twaalf stuivers kon ze vannacht wel ergens onder dak raken, maar wat volgde dan? Een heimelijke angst beving haar, dat het met ’t logies-zoeken evenzoo zou vergaan als nu met de gaarkeuken. Voor dat leven moest-je zijn geboren. Op straat zwerven? nee dat ging niet! Ze griezelde ervoor.De kou werd nijpend, schrijnde vel en ooren. ’t Bracht haar in gedachten de avond van gisteren toen het ook vroor en ’t daarna sneeuwde. De kamer kreeg nu weer voor haar de oude bekoring. ’t Was wel nietveel wat er stond, maar ze zat toch beschut—en met een beetje kokes kan je ’t warm stoken.Ze kocht bij een bakker een broodje, slokte het gulzig naar binnen in een weinig-begaan steegje, zich voelend als een diefegge, als een die loopt op verkeerde wegen en dingen doet, die ’t daglicht niet kunnen velen. ’t Broodje naar binnen geduwd, verzadigde haar niet. Zij moest er nog een koopen, peuzelde dat ongezien onder ’t loopen op, maar de maag scheen niet minder leeg te blijven. ’t Feit verwonderde haar, in haar gewone doen had ze bijna geen behoefte aan eten, affijn brood bleef dan ook maar brood, ze moest wat warmte hebben.De huiselijke woning trok haar zoo aan, èn ze wou er toch niet heen. Nee, ze moest het volhouden, zoolang mogelijk, dan kon ze nog altijd zien wat ze deed.Ze sjokte en stapte weer stevig door, maar ’t verhielp niet, dat ze zich hoe langer hoe moeër voelde worden. De eenzaamheid tusschen al die menschen op hun best greep haar al sterker aan, en de kou sneed door haar kleeren heen, vlijmde straf, tot op ’t lijf. Ze dacht eraan op een stoep wat uit te rusten, maar daarvoor was ’t nog te veel dag. Ze schold zich zelf weer uit dat ze dom was geweest om de dominee niet om geld te vragen. Ze kon ’t nog doen, ze zou hem niet loslaten. Nee, dat zou ze zeker niet, morgen, overmorgen ging ze naar hem toe.Maar als ze dat deed, zoo schoot het ineens doorhaar heen, dan moest ze nu toch naar huis. Nee-nee, dat niet, hoewel, als-ie veel drukte en herrie maakte gaf het een reden om flink bij dominee in beklag te komen. Of ’t veel zou helpen, daaraan twijfelde ze, toch, het plan mocht ze niet loslaten.Misschien was-ie niet eens thuis; misschien ook zelf weggeloopen... ’t kon allemaal. De gedachte vervulde haar met nieuwe hoop. Als hij eens de woning alléén liet, dan had ze wat ze zocht en verlangde. Was ’t kristelijk wat ze daar dacht, nee, zeker niet, maar wat beteekende dat...? Toch niet prettig! Ze schreef op haar briefje dat hij haar niet weerom zou zien en nu kwam ze toch, o, hij zou haar bespotten, maar ze kon zeggen dat dominee haar had weerom gezonden.Heel sterk trok haar nu de kamer, waarin ze dadelijk vuur zou aanleggen, ze ging enkel naar huis terug, om op hulp van dominee te kunnen rekenen, al begreep ze zelf niet best, waarom ze ineens daarop steunde. Dat kwam omdat ze vanmorgen in de kerk was geweest, zeker, er klonk iets in haar ooren dat God haar zou bijstaan. Ze was op de verkeerde weg geweest om moedwillig het huis te verlaten. Als Jan haar in de steek liet, ja dan werd ’t wat anders!...

VI.Nu voor het huis, aarzelde ze opeens. Terwijl ze aan de schelleknop rukte, kreeg ze klaar ’t besef dat ze overijld handelde. Ze wist toch ternauwernood wat ze dominee moest vertellen, ze schrikte ervan en keek of ze nog niet weg zou kunnen sluipen, doch de deur ging al open, er bleef nu niets anders meer over als te blijven. Ze hoopte nu maar, dat dominee niet thuis mocht wezen. En gelukkig, de meid zei, dat ze ’t niet wist en in de studeerkamer zou gaan kijken. Of ze dan even wilde binnenkomen?Op de mat, achter de deur, nu ze de meid naar achter zag sjokken, voelde ze zich beschroomd, verlegen. Als hij nu wel eens thuis was... Ze werd erg onrustig, maar haar oogen en haar gedachten werden al gevangen door de blankheid van de marmergang, de hagelwitte muren, de lange looper en de kleedjes zoo netjes voor elke deur, en terwijl ze dit alles nauwkeurig bekeek, kwam de meid al terug, opende de deur van de spreekkamer, zei gewoonte-effen:—Dominee komt derèk bij u...’t Ontstelde haar. Nu moest ze praten, hem alles behoorlijk voorleggen. Hoe zou ze dat kunnen inkleeden? Ja net... natuurlijk zeggen dat haar man zoo’n beest voor haar was, dat ze van hem af wou. De stoel, waar ze met de rokken zwaar op zat, gloeide onder haar. Nu kierde de deur open en dominee trad binnen, de lange pijp in de mond. Ze stond dadelijk op, stamelde verward uit verlegenheid.Maar dominee wenkte dat ze zou blijven zitten. Hij nam ook een stoel, en tusschen de smakhalen door aan zijn lange pijp vroeg hij zalvend-kalm waarmee hij haar van dienst kon wezen.Ze bedaarde al weer. In ’t begin nog wat hakkelend, dan langzaam-aan toch vaster, begon ze haar relaas: dat ze onmogelijk bij hem kon blijven, omdat hij dronk, haar slecht behandelde, en de vraag wat dominee daarvan dacht. ’t Was zoo geen leven, ze moest eigenlijk de kost verdienen voor hem erbij.Dominee liet haar uitspreken, liet zelfs zijn pijphaal achterwege, luisterde vol meewarigheid, zijn stijf-geplooid hoofd in zachte knikjes meedeinend, als aanmoediging om voort te gaan bij ’t uitstorten van haar tot snikkends-toeë overkroptheid. Hij dacht: ga je gang kind als je dat kan verlichten; hij smookte ook weer aan zijn pijp.Zij vertelde en ratelde door, maar dominee, die het toch wat lang begon te duren, keek haar af en toe eens strakjes aan, en dat maakte haar van de wijs, zoodat ze plotseling zweeg.Dominee scheen evenmin al gereed te zijn met zijn woorden, en dat oogenblik van dubbel zwijgen pijnde haar ’t meest. Ze begon er aan te twijfelen of ze wel had overtuigd en wilde weer beginnen, doch dominee voorkwam haar met een beweging van zijn blanke hand en zei:—En hebt-ge samen aleens overlegd, al ’t mogelijke beproefd?—Overlegd? vroeg ze verwonderd.—Ja, ’t is geen kleinigheid als men eerst elkaar houw en trouw heeft beloofd, dan van elkaar te scheiden... zeker ’t leven is moeilijk... heel moeilijk soms... en God bezoekt de zijnen... doch daarom mag men ook tot zoo iets niet in overijling overgaan.Ze raakte nog meer in de war, wist niet wat te antwoorden,—en dominee praatte maar door, allemaal met zulke mooie woorden, dat ze er bijna van aan ’t snikken raakte, hem niet dorst aan te kijken.—En hebt-ge kindertjes, moeder... hebt ge daar wel aangedacht?—Dood! zei ze somber.—Zoo, dat is wel hard... dat kan ik me begrijpen... al maakt dit aan de andere kant ’t ook weer gemakkelijk... ge kunt u dan geheel aan uw man wijden, hem van dat slechte leven, van de drank afhouden...—Als ’k dat maar kòn, snikte ze uit, als ’k dat maar kon... ’k heb alles geprobeerd.—Kom moedertje, moed. Een boom valt niet inéén slag... de drank is een leelijke duivel, die laat niet ineens los;... doch een liefhebbende vrouw vermag veel?Hij zweeg even om de woorden in haar te laten doordringen, vervolgde dan:—U moet de moed niet zoo gauw opgeven, u moet uw man maar eens bij me sturen... dan zal ik hem onder handen nemen. Hoe is uw naam?—Baller, dominee!—Baller, juist... laten we de handen ineenslaan, en trachten met Gods hulp hem op een beter pad te brengen.Dominee stond op, en ze rees schuchter mee, voelend zich klein, alsof ze zacht-aan in elkaar was getrapt. Van dominee’s tijd en welwillendheid mocht ze niet meer vorderen, dit begreep ze wel zoowat. De tranen glinsterden haar in de oogen nu ze opkeek naar zijn lange, statige gestalte, zoo net gekleed, zoo vlekken-loos in ’t zwart, en ze onderging een beving over haar eigen simpelheid.—Kom moedertje, moed! zei weer de dominee, die de deur opendeed. Stuur hem maar eens bij me, tusschen twaalf en twee ben ik altijd thuis... en anders ’s avonds ook.Zij schreed de kamer al uit, de gang in over de marmersteenen, naar de deur toe, waar ’t gepoetste koper van deurknop en ketting haar goudig tegenfonkelden. Ze hoorde dominee nog aldoor spreken, in al opwekkender bewoordingen, en ze wist niet teantwoorden; ze knikte enkel toestemmend met haar zware hoofd.De meid schoot toe om de deur te openen, doch domineewenkte afwerend, zei:—Laat het maar Antje...Onder ’t praten door, drukte dominee haar flink de hand, sprak haar nogeens moed in, herhaalde, dat ze h’r man moest sturen, en nu stond vrouw Baller weer buiten.Bedremmeld liep ze een eindje door, niet wetend hoe ze ’t zelf-had. Maar de schriele wind en ’t soppige weer maakten ’t haar wel duidelijk, O, daar had ze zich toch in de luren laten leggen, mooie praatjes genoeg, alsof ze daar van eten kon!Waarom had ze niet liever om ’n drie gulden gevraagd... dan kon ze teminste uit de voeten... D’r man op een betere weg brengen, och lievehemel, hoe liet ze zich daarmee afscheepen...? De geurige dwalm van koffie en de lucht van vleesch dat gebraden werd, meegenomen uit ’t warme huis van dominee ze proefde nog op haar tong. Zoo neergeslagen was ze toch niet, of ’t streelde haar gehemelte... wat deed ze bij dominee, als ze vergat onderstand te vragen. Geld om zich de eerste dagen te redden bleef het eerste en ’t eenige wat haar kwelde. Met haar twaalf, dertien stuivers, die ze nog op zak had richtte ze niet veel uit, ze moest hebben om hier of daar te huren en vooral om van-nacht onder dak te komen. Waarom hing ze geen tafereel op, dat zehaar huis werd uitgezet, of dat hij was weggeloopen, maar ook in dit geval bleek ’t nog onzeker of ze wat had gekregen. Waarschijnlijk zou dominee haar naar ’t armbestuur hebben gezonden... misschien. Wie weet, nog beter zoo, al gaf het niet dadelijk, later bracht het wel in. Ze kon nu toch aankloppen, zeggen dat hij niet wou. Toch verwonderde ’t haar, dat ze toen ze er voor zat, aan vragen heelemaal niet dacht. Ze voelde zich te vol. ’t Kwam door de kerk. Als ze daar niet naar toe was gegaan, zou ze helderder van hoofd zijn geweest, beter geweten hebben wat ze deed.De gedachte aan de koffie, aan ’t gebraden vleesch maakte haar ineens hongerig. Geen wonder, sedert van morgen liep ze rond, bijna nuchter. Een broodje kon ze natuurlijk koopen bij de bakker, maar ze kreeg behoefte aan wat warms.Ze voelde zich huiverig van de koû. ’t Was ineens weer gaan vriezen. Waar kon ze als vrouw naartoe, schaftkelders waren er genoeg, maar daar zat het natuurlijk vol van de kerels. In de Volksbond was ’t niet beter, daar kon je als vrouw ook niet komen. Van de gaarkeuken had ze weleens hooren spreken, ja, dat leek een idee! wist ze nu maar waar die gaarkeukens uithingen? Vaag herinnerde ze zich van de Pijlsteeg, wist het niet zeker, daar kon ze eens gaan kijken, daar verloor ze niets mee.Ze butterde weer voort in de drabbige sneeuw, die door de vrieskoû tot morsìg ijs ging stijven. Gladde,diepe voren lagen overal gekerfd door de wagenraderen; ze hadden ruwe kanten, waaronder nog ’t dooiwater sieperde. ’t Leek wel of ze op glas trapte, zoo scherp waren de pasbevroren dooi-ríchels.In de Pijlsteeg zag ze ’t groote bord van de gaarkeuken, wel drie keer liep ze voorbij en weer terug, ze durfde niet binnen te gaan, uit schroom en verlegenheid. Een vrouw alleen is toch maar een arme stumper.Eindelijk beet ze flink door en stapte op de deur aan, en merkte dat het gebouw was gesloten. Ze begreep ’t eerst niet, bleef aan de deur rammelen in schuw gemaakt-ernstig rondkijken. Een voorbijganger zei:—Zondags is ’t maar tot één uur open!Daar stond ze nu. Haar tijd verbabbelde ze bij dominee en de kerk maakte haar week en lammenadig; ze voelde zich geheel verslagen. Waar moest ze naar toe?Voor haar twaalf stuivers kon ze vannacht wel ergens onder dak raken, maar wat volgde dan? Een heimelijke angst beving haar, dat het met ’t logies-zoeken evenzoo zou vergaan als nu met de gaarkeuken. Voor dat leven moest-je zijn geboren. Op straat zwerven? nee dat ging niet! Ze griezelde ervoor.De kou werd nijpend, schrijnde vel en ooren. ’t Bracht haar in gedachten de avond van gisteren toen het ook vroor en ’t daarna sneeuwde. De kamer kreeg nu weer voor haar de oude bekoring. ’t Was wel nietveel wat er stond, maar ze zat toch beschut—en met een beetje kokes kan je ’t warm stoken.Ze kocht bij een bakker een broodje, slokte het gulzig naar binnen in een weinig-begaan steegje, zich voelend als een diefegge, als een die loopt op verkeerde wegen en dingen doet, die ’t daglicht niet kunnen velen. ’t Broodje naar binnen geduwd, verzadigde haar niet. Zij moest er nog een koopen, peuzelde dat ongezien onder ’t loopen op, maar de maag scheen niet minder leeg te blijven. ’t Feit verwonderde haar, in haar gewone doen had ze bijna geen behoefte aan eten, affijn brood bleef dan ook maar brood, ze moest wat warmte hebben.De huiselijke woning trok haar zoo aan, èn ze wou er toch niet heen. Nee, ze moest het volhouden, zoolang mogelijk, dan kon ze nog altijd zien wat ze deed.Ze sjokte en stapte weer stevig door, maar ’t verhielp niet, dat ze zich hoe langer hoe moeër voelde worden. De eenzaamheid tusschen al die menschen op hun best greep haar al sterker aan, en de kou sneed door haar kleeren heen, vlijmde straf, tot op ’t lijf. Ze dacht eraan op een stoep wat uit te rusten, maar daarvoor was ’t nog te veel dag. Ze schold zich zelf weer uit dat ze dom was geweest om de dominee niet om geld te vragen. Ze kon ’t nog doen, ze zou hem niet loslaten. Nee, dat zou ze zeker niet, morgen, overmorgen ging ze naar hem toe.Maar als ze dat deed, zoo schoot het ineens doorhaar heen, dan moest ze nu toch naar huis. Nee-nee, dat niet, hoewel, als-ie veel drukte en herrie maakte gaf het een reden om flink bij dominee in beklag te komen. Of ’t veel zou helpen, daaraan twijfelde ze, toch, het plan mocht ze niet loslaten.Misschien was-ie niet eens thuis; misschien ook zelf weggeloopen... ’t kon allemaal. De gedachte vervulde haar met nieuwe hoop. Als hij eens de woning alléén liet, dan had ze wat ze zocht en verlangde. Was ’t kristelijk wat ze daar dacht, nee, zeker niet, maar wat beteekende dat...? Toch niet prettig! Ze schreef op haar briefje dat hij haar niet weerom zou zien en nu kwam ze toch, o, hij zou haar bespotten, maar ze kon zeggen dat dominee haar had weerom gezonden.Heel sterk trok haar nu de kamer, waarin ze dadelijk vuur zou aanleggen, ze ging enkel naar huis terug, om op hulp van dominee te kunnen rekenen, al begreep ze zelf niet best, waarom ze ineens daarop steunde. Dat kwam omdat ze vanmorgen in de kerk was geweest, zeker, er klonk iets in haar ooren dat God haar zou bijstaan. Ze was op de verkeerde weg geweest om moedwillig het huis te verlaten. Als Jan haar in de steek liet, ja dan werd ’t wat anders!...

VI.

Nu voor het huis, aarzelde ze opeens. Terwijl ze aan de schelleknop rukte, kreeg ze klaar ’t besef dat ze overijld handelde. Ze wist toch ternauwernood wat ze dominee moest vertellen, ze schrikte ervan en keek of ze nog niet weg zou kunnen sluipen, doch de deur ging al open, er bleef nu niets anders meer over als te blijven. Ze hoopte nu maar, dat dominee niet thuis mocht wezen. En gelukkig, de meid zei, dat ze ’t niet wist en in de studeerkamer zou gaan kijken. Of ze dan even wilde binnenkomen?Op de mat, achter de deur, nu ze de meid naar achter zag sjokken, voelde ze zich beschroomd, verlegen. Als hij nu wel eens thuis was... Ze werd erg onrustig, maar haar oogen en haar gedachten werden al gevangen door de blankheid van de marmergang, de hagelwitte muren, de lange looper en de kleedjes zoo netjes voor elke deur, en terwijl ze dit alles nauwkeurig bekeek, kwam de meid al terug, opende de deur van de spreekkamer, zei gewoonte-effen:—Dominee komt derèk bij u...’t Ontstelde haar. Nu moest ze praten, hem alles behoorlijk voorleggen. Hoe zou ze dat kunnen inkleeden? Ja net... natuurlijk zeggen dat haar man zoo’n beest voor haar was, dat ze van hem af wou. De stoel, waar ze met de rokken zwaar op zat, gloeide onder haar. Nu kierde de deur open en dominee trad binnen, de lange pijp in de mond. Ze stond dadelijk op, stamelde verward uit verlegenheid.Maar dominee wenkte dat ze zou blijven zitten. Hij nam ook een stoel, en tusschen de smakhalen door aan zijn lange pijp vroeg hij zalvend-kalm waarmee hij haar van dienst kon wezen.Ze bedaarde al weer. In ’t begin nog wat hakkelend, dan langzaam-aan toch vaster, begon ze haar relaas: dat ze onmogelijk bij hem kon blijven, omdat hij dronk, haar slecht behandelde, en de vraag wat dominee daarvan dacht. ’t Was zoo geen leven, ze moest eigenlijk de kost verdienen voor hem erbij.Dominee liet haar uitspreken, liet zelfs zijn pijphaal achterwege, luisterde vol meewarigheid, zijn stijf-geplooid hoofd in zachte knikjes meedeinend, als aanmoediging om voort te gaan bij ’t uitstorten van haar tot snikkends-toeë overkroptheid. Hij dacht: ga je gang kind als je dat kan verlichten; hij smookte ook weer aan zijn pijp.Zij vertelde en ratelde door, maar dominee, die het toch wat lang begon te duren, keek haar af en toe eens strakjes aan, en dat maakte haar van de wijs, zoodat ze plotseling zweeg.Dominee scheen evenmin al gereed te zijn met zijn woorden, en dat oogenblik van dubbel zwijgen pijnde haar ’t meest. Ze begon er aan te twijfelen of ze wel had overtuigd en wilde weer beginnen, doch dominee voorkwam haar met een beweging van zijn blanke hand en zei:—En hebt-ge samen aleens overlegd, al ’t mogelijke beproefd?—Overlegd? vroeg ze verwonderd.—Ja, ’t is geen kleinigheid als men eerst elkaar houw en trouw heeft beloofd, dan van elkaar te scheiden... zeker ’t leven is moeilijk... heel moeilijk soms... en God bezoekt de zijnen... doch daarom mag men ook tot zoo iets niet in overijling overgaan.Ze raakte nog meer in de war, wist niet wat te antwoorden,—en dominee praatte maar door, allemaal met zulke mooie woorden, dat ze er bijna van aan ’t snikken raakte, hem niet dorst aan te kijken.—En hebt-ge kindertjes, moeder... hebt ge daar wel aangedacht?—Dood! zei ze somber.—Zoo, dat is wel hard... dat kan ik me begrijpen... al maakt dit aan de andere kant ’t ook weer gemakkelijk... ge kunt u dan geheel aan uw man wijden, hem van dat slechte leven, van de drank afhouden...—Als ’k dat maar kòn, snikte ze uit, als ’k dat maar kon... ’k heb alles geprobeerd.—Kom moedertje, moed. Een boom valt niet inéén slag... de drank is een leelijke duivel, die laat niet ineens los;... doch een liefhebbende vrouw vermag veel?Hij zweeg even om de woorden in haar te laten doordringen, vervolgde dan:—U moet de moed niet zoo gauw opgeven, u moet uw man maar eens bij me sturen... dan zal ik hem onder handen nemen. Hoe is uw naam?—Baller, dominee!—Baller, juist... laten we de handen ineenslaan, en trachten met Gods hulp hem op een beter pad te brengen.Dominee stond op, en ze rees schuchter mee, voelend zich klein, alsof ze zacht-aan in elkaar was getrapt. Van dominee’s tijd en welwillendheid mocht ze niet meer vorderen, dit begreep ze wel zoowat. De tranen glinsterden haar in de oogen nu ze opkeek naar zijn lange, statige gestalte, zoo net gekleed, zoo vlekken-loos in ’t zwart, en ze onderging een beving over haar eigen simpelheid.—Kom moedertje, moed! zei weer de dominee, die de deur opendeed. Stuur hem maar eens bij me, tusschen twaalf en twee ben ik altijd thuis... en anders ’s avonds ook.Zij schreed de kamer al uit, de gang in over de marmersteenen, naar de deur toe, waar ’t gepoetste koper van deurknop en ketting haar goudig tegenfonkelden. Ze hoorde dominee nog aldoor spreken, in al opwekkender bewoordingen, en ze wist niet teantwoorden; ze knikte enkel toestemmend met haar zware hoofd.De meid schoot toe om de deur te openen, doch domineewenkte afwerend, zei:—Laat het maar Antje...Onder ’t praten door, drukte dominee haar flink de hand, sprak haar nogeens moed in, herhaalde, dat ze h’r man moest sturen, en nu stond vrouw Baller weer buiten.Bedremmeld liep ze een eindje door, niet wetend hoe ze ’t zelf-had. Maar de schriele wind en ’t soppige weer maakten ’t haar wel duidelijk, O, daar had ze zich toch in de luren laten leggen, mooie praatjes genoeg, alsof ze daar van eten kon!Waarom had ze niet liever om ’n drie gulden gevraagd... dan kon ze teminste uit de voeten... D’r man op een betere weg brengen, och lievehemel, hoe liet ze zich daarmee afscheepen...? De geurige dwalm van koffie en de lucht van vleesch dat gebraden werd, meegenomen uit ’t warme huis van dominee ze proefde nog op haar tong. Zoo neergeslagen was ze toch niet, of ’t streelde haar gehemelte... wat deed ze bij dominee, als ze vergat onderstand te vragen. Geld om zich de eerste dagen te redden bleef het eerste en ’t eenige wat haar kwelde. Met haar twaalf, dertien stuivers, die ze nog op zak had richtte ze niet veel uit, ze moest hebben om hier of daar te huren en vooral om van-nacht onder dak te komen. Waarom hing ze geen tafereel op, dat zehaar huis werd uitgezet, of dat hij was weggeloopen, maar ook in dit geval bleek ’t nog onzeker of ze wat had gekregen. Waarschijnlijk zou dominee haar naar ’t armbestuur hebben gezonden... misschien. Wie weet, nog beter zoo, al gaf het niet dadelijk, later bracht het wel in. Ze kon nu toch aankloppen, zeggen dat hij niet wou. Toch verwonderde ’t haar, dat ze toen ze er voor zat, aan vragen heelemaal niet dacht. Ze voelde zich te vol. ’t Kwam door de kerk. Als ze daar niet naar toe was gegaan, zou ze helderder van hoofd zijn geweest, beter geweten hebben wat ze deed.De gedachte aan de koffie, aan ’t gebraden vleesch maakte haar ineens hongerig. Geen wonder, sedert van morgen liep ze rond, bijna nuchter. Een broodje kon ze natuurlijk koopen bij de bakker, maar ze kreeg behoefte aan wat warms.Ze voelde zich huiverig van de koû. ’t Was ineens weer gaan vriezen. Waar kon ze als vrouw naartoe, schaftkelders waren er genoeg, maar daar zat het natuurlijk vol van de kerels. In de Volksbond was ’t niet beter, daar kon je als vrouw ook niet komen. Van de gaarkeuken had ze weleens hooren spreken, ja, dat leek een idee! wist ze nu maar waar die gaarkeukens uithingen? Vaag herinnerde ze zich van de Pijlsteeg, wist het niet zeker, daar kon ze eens gaan kijken, daar verloor ze niets mee.Ze butterde weer voort in de drabbige sneeuw, die door de vrieskoû tot morsìg ijs ging stijven. Gladde,diepe voren lagen overal gekerfd door de wagenraderen; ze hadden ruwe kanten, waaronder nog ’t dooiwater sieperde. ’t Leek wel of ze op glas trapte, zoo scherp waren de pasbevroren dooi-ríchels.In de Pijlsteeg zag ze ’t groote bord van de gaarkeuken, wel drie keer liep ze voorbij en weer terug, ze durfde niet binnen te gaan, uit schroom en verlegenheid. Een vrouw alleen is toch maar een arme stumper.Eindelijk beet ze flink door en stapte op de deur aan, en merkte dat het gebouw was gesloten. Ze begreep ’t eerst niet, bleef aan de deur rammelen in schuw gemaakt-ernstig rondkijken. Een voorbijganger zei:—Zondags is ’t maar tot één uur open!Daar stond ze nu. Haar tijd verbabbelde ze bij dominee en de kerk maakte haar week en lammenadig; ze voelde zich geheel verslagen. Waar moest ze naar toe?Voor haar twaalf stuivers kon ze vannacht wel ergens onder dak raken, maar wat volgde dan? Een heimelijke angst beving haar, dat het met ’t logies-zoeken evenzoo zou vergaan als nu met de gaarkeuken. Voor dat leven moest-je zijn geboren. Op straat zwerven? nee dat ging niet! Ze griezelde ervoor.De kou werd nijpend, schrijnde vel en ooren. ’t Bracht haar in gedachten de avond van gisteren toen het ook vroor en ’t daarna sneeuwde. De kamer kreeg nu weer voor haar de oude bekoring. ’t Was wel nietveel wat er stond, maar ze zat toch beschut—en met een beetje kokes kan je ’t warm stoken.Ze kocht bij een bakker een broodje, slokte het gulzig naar binnen in een weinig-begaan steegje, zich voelend als een diefegge, als een die loopt op verkeerde wegen en dingen doet, die ’t daglicht niet kunnen velen. ’t Broodje naar binnen geduwd, verzadigde haar niet. Zij moest er nog een koopen, peuzelde dat ongezien onder ’t loopen op, maar de maag scheen niet minder leeg te blijven. ’t Feit verwonderde haar, in haar gewone doen had ze bijna geen behoefte aan eten, affijn brood bleef dan ook maar brood, ze moest wat warmte hebben.De huiselijke woning trok haar zoo aan, èn ze wou er toch niet heen. Nee, ze moest het volhouden, zoolang mogelijk, dan kon ze nog altijd zien wat ze deed.Ze sjokte en stapte weer stevig door, maar ’t verhielp niet, dat ze zich hoe langer hoe moeër voelde worden. De eenzaamheid tusschen al die menschen op hun best greep haar al sterker aan, en de kou sneed door haar kleeren heen, vlijmde straf, tot op ’t lijf. Ze dacht eraan op een stoep wat uit te rusten, maar daarvoor was ’t nog te veel dag. Ze schold zich zelf weer uit dat ze dom was geweest om de dominee niet om geld te vragen. Ze kon ’t nog doen, ze zou hem niet loslaten. Nee, dat zou ze zeker niet, morgen, overmorgen ging ze naar hem toe.Maar als ze dat deed, zoo schoot het ineens doorhaar heen, dan moest ze nu toch naar huis. Nee-nee, dat niet, hoewel, als-ie veel drukte en herrie maakte gaf het een reden om flink bij dominee in beklag te komen. Of ’t veel zou helpen, daaraan twijfelde ze, toch, het plan mocht ze niet loslaten.Misschien was-ie niet eens thuis; misschien ook zelf weggeloopen... ’t kon allemaal. De gedachte vervulde haar met nieuwe hoop. Als hij eens de woning alléén liet, dan had ze wat ze zocht en verlangde. Was ’t kristelijk wat ze daar dacht, nee, zeker niet, maar wat beteekende dat...? Toch niet prettig! Ze schreef op haar briefje dat hij haar niet weerom zou zien en nu kwam ze toch, o, hij zou haar bespotten, maar ze kon zeggen dat dominee haar had weerom gezonden.Heel sterk trok haar nu de kamer, waarin ze dadelijk vuur zou aanleggen, ze ging enkel naar huis terug, om op hulp van dominee te kunnen rekenen, al begreep ze zelf niet best, waarom ze ineens daarop steunde. Dat kwam omdat ze vanmorgen in de kerk was geweest, zeker, er klonk iets in haar ooren dat God haar zou bijstaan. Ze was op de verkeerde weg geweest om moedwillig het huis te verlaten. Als Jan haar in de steek liet, ja dan werd ’t wat anders!...

Nu voor het huis, aarzelde ze opeens. Terwijl ze aan de schelleknop rukte, kreeg ze klaar ’t besef dat ze overijld handelde. Ze wist toch ternauwernood wat ze dominee moest vertellen, ze schrikte ervan en keek of ze nog niet weg zou kunnen sluipen, doch de deur ging al open, er bleef nu niets anders meer over als te blijven. Ze hoopte nu maar, dat dominee niet thuis mocht wezen. En gelukkig, de meid zei, dat ze ’t niet wist en in de studeerkamer zou gaan kijken. Of ze dan even wilde binnenkomen?

Op de mat, achter de deur, nu ze de meid naar achter zag sjokken, voelde ze zich beschroomd, verlegen. Als hij nu wel eens thuis was... Ze werd erg onrustig, maar haar oogen en haar gedachten werden al gevangen door de blankheid van de marmergang, de hagelwitte muren, de lange looper en de kleedjes zoo netjes voor elke deur, en terwijl ze dit alles nauwkeurig bekeek, kwam de meid al terug, opende de deur van de spreekkamer, zei gewoonte-effen:

—Dominee komt derèk bij u...

’t Ontstelde haar. Nu moest ze praten, hem alles behoorlijk voorleggen. Hoe zou ze dat kunnen inkleeden? Ja net... natuurlijk zeggen dat haar man zoo’n beest voor haar was, dat ze van hem af wou. De stoel, waar ze met de rokken zwaar op zat, gloeide onder haar. Nu kierde de deur open en dominee trad binnen, de lange pijp in de mond. Ze stond dadelijk op, stamelde verward uit verlegenheid.

Maar dominee wenkte dat ze zou blijven zitten. Hij nam ook een stoel, en tusschen de smakhalen door aan zijn lange pijp vroeg hij zalvend-kalm waarmee hij haar van dienst kon wezen.

Ze bedaarde al weer. In ’t begin nog wat hakkelend, dan langzaam-aan toch vaster, begon ze haar relaas: dat ze onmogelijk bij hem kon blijven, omdat hij dronk, haar slecht behandelde, en de vraag wat dominee daarvan dacht. ’t Was zoo geen leven, ze moest eigenlijk de kost verdienen voor hem erbij.

Dominee liet haar uitspreken, liet zelfs zijn pijphaal achterwege, luisterde vol meewarigheid, zijn stijf-geplooid hoofd in zachte knikjes meedeinend, als aanmoediging om voort te gaan bij ’t uitstorten van haar tot snikkends-toeë overkroptheid. Hij dacht: ga je gang kind als je dat kan verlichten; hij smookte ook weer aan zijn pijp.

Zij vertelde en ratelde door, maar dominee, die het toch wat lang begon te duren, keek haar af en toe eens strakjes aan, en dat maakte haar van de wijs, zoodat ze plotseling zweeg.

Dominee scheen evenmin al gereed te zijn met zijn woorden, en dat oogenblik van dubbel zwijgen pijnde haar ’t meest. Ze begon er aan te twijfelen of ze wel had overtuigd en wilde weer beginnen, doch dominee voorkwam haar met een beweging van zijn blanke hand en zei:

—En hebt-ge samen aleens overlegd, al ’t mogelijke beproefd?

—Overlegd? vroeg ze verwonderd.

—Ja, ’t is geen kleinigheid als men eerst elkaar houw en trouw heeft beloofd, dan van elkaar te scheiden... zeker ’t leven is moeilijk... heel moeilijk soms... en God bezoekt de zijnen... doch daarom mag men ook tot zoo iets niet in overijling overgaan.

Ze raakte nog meer in de war, wist niet wat te antwoorden,—en dominee praatte maar door, allemaal met zulke mooie woorden, dat ze er bijna van aan ’t snikken raakte, hem niet dorst aan te kijken.

—En hebt-ge kindertjes, moeder... hebt ge daar wel aangedacht?

—Dood! zei ze somber.

—Zoo, dat is wel hard... dat kan ik me begrijpen... al maakt dit aan de andere kant ’t ook weer gemakkelijk... ge kunt u dan geheel aan uw man wijden, hem van dat slechte leven, van de drank afhouden...

—Als ’k dat maar kòn, snikte ze uit, als ’k dat maar kon... ’k heb alles geprobeerd.

—Kom moedertje, moed. Een boom valt niet inéén slag... de drank is een leelijke duivel, die laat niet ineens los;... doch een liefhebbende vrouw vermag veel?

Hij zweeg even om de woorden in haar te laten doordringen, vervolgde dan:

—U moet de moed niet zoo gauw opgeven, u moet uw man maar eens bij me sturen... dan zal ik hem onder handen nemen. Hoe is uw naam?

—Baller, dominee!

—Baller, juist... laten we de handen ineenslaan, en trachten met Gods hulp hem op een beter pad te brengen.

Dominee stond op, en ze rees schuchter mee, voelend zich klein, alsof ze zacht-aan in elkaar was getrapt. Van dominee’s tijd en welwillendheid mocht ze niet meer vorderen, dit begreep ze wel zoowat. De tranen glinsterden haar in de oogen nu ze opkeek naar zijn lange, statige gestalte, zoo net gekleed, zoo vlekken-loos in ’t zwart, en ze onderging een beving over haar eigen simpelheid.

—Kom moedertje, moed! zei weer de dominee, die de deur opendeed. Stuur hem maar eens bij me, tusschen twaalf en twee ben ik altijd thuis... en anders ’s avonds ook.

Zij schreed de kamer al uit, de gang in over de marmersteenen, naar de deur toe, waar ’t gepoetste koper van deurknop en ketting haar goudig tegenfonkelden. Ze hoorde dominee nog aldoor spreken, in al opwekkender bewoordingen, en ze wist niet teantwoorden; ze knikte enkel toestemmend met haar zware hoofd.

De meid schoot toe om de deur te openen, doch domineewenkte afwerend, zei:

—Laat het maar Antje...

Onder ’t praten door, drukte dominee haar flink de hand, sprak haar nogeens moed in, herhaalde, dat ze h’r man moest sturen, en nu stond vrouw Baller weer buiten.

Bedremmeld liep ze een eindje door, niet wetend hoe ze ’t zelf-had. Maar de schriele wind en ’t soppige weer maakten ’t haar wel duidelijk, O, daar had ze zich toch in de luren laten leggen, mooie praatjes genoeg, alsof ze daar van eten kon!

Waarom had ze niet liever om ’n drie gulden gevraagd... dan kon ze teminste uit de voeten... D’r man op een betere weg brengen, och lievehemel, hoe liet ze zich daarmee afscheepen...? De geurige dwalm van koffie en de lucht van vleesch dat gebraden werd, meegenomen uit ’t warme huis van dominee ze proefde nog op haar tong. Zoo neergeslagen was ze toch niet, of ’t streelde haar gehemelte... wat deed ze bij dominee, als ze vergat onderstand te vragen. Geld om zich de eerste dagen te redden bleef het eerste en ’t eenige wat haar kwelde. Met haar twaalf, dertien stuivers, die ze nog op zak had richtte ze niet veel uit, ze moest hebben om hier of daar te huren en vooral om van-nacht onder dak te komen. Waarom hing ze geen tafereel op, dat zehaar huis werd uitgezet, of dat hij was weggeloopen, maar ook in dit geval bleek ’t nog onzeker of ze wat had gekregen. Waarschijnlijk zou dominee haar naar ’t armbestuur hebben gezonden... misschien. Wie weet, nog beter zoo, al gaf het niet dadelijk, later bracht het wel in. Ze kon nu toch aankloppen, zeggen dat hij niet wou. Toch verwonderde ’t haar, dat ze toen ze er voor zat, aan vragen heelemaal niet dacht. Ze voelde zich te vol. ’t Kwam door de kerk. Als ze daar niet naar toe was gegaan, zou ze helderder van hoofd zijn geweest, beter geweten hebben wat ze deed.

De gedachte aan de koffie, aan ’t gebraden vleesch maakte haar ineens hongerig. Geen wonder, sedert van morgen liep ze rond, bijna nuchter. Een broodje kon ze natuurlijk koopen bij de bakker, maar ze kreeg behoefte aan wat warms.

Ze voelde zich huiverig van de koû. ’t Was ineens weer gaan vriezen. Waar kon ze als vrouw naartoe, schaftkelders waren er genoeg, maar daar zat het natuurlijk vol van de kerels. In de Volksbond was ’t niet beter, daar kon je als vrouw ook niet komen. Van de gaarkeuken had ze weleens hooren spreken, ja, dat leek een idee! wist ze nu maar waar die gaarkeukens uithingen? Vaag herinnerde ze zich van de Pijlsteeg, wist het niet zeker, daar kon ze eens gaan kijken, daar verloor ze niets mee.

Ze butterde weer voort in de drabbige sneeuw, die door de vrieskoû tot morsìg ijs ging stijven. Gladde,diepe voren lagen overal gekerfd door de wagenraderen; ze hadden ruwe kanten, waaronder nog ’t dooiwater sieperde. ’t Leek wel of ze op glas trapte, zoo scherp waren de pasbevroren dooi-ríchels.

In de Pijlsteeg zag ze ’t groote bord van de gaarkeuken, wel drie keer liep ze voorbij en weer terug, ze durfde niet binnen te gaan, uit schroom en verlegenheid. Een vrouw alleen is toch maar een arme stumper.

Eindelijk beet ze flink door en stapte op de deur aan, en merkte dat het gebouw was gesloten. Ze begreep ’t eerst niet, bleef aan de deur rammelen in schuw gemaakt-ernstig rondkijken. Een voorbijganger zei:

—Zondags is ’t maar tot één uur open!

Daar stond ze nu. Haar tijd verbabbelde ze bij dominee en de kerk maakte haar week en lammenadig; ze voelde zich geheel verslagen. Waar moest ze naar toe?

Voor haar twaalf stuivers kon ze vannacht wel ergens onder dak raken, maar wat volgde dan? Een heimelijke angst beving haar, dat het met ’t logies-zoeken evenzoo zou vergaan als nu met de gaarkeuken. Voor dat leven moest-je zijn geboren. Op straat zwerven? nee dat ging niet! Ze griezelde ervoor.

De kou werd nijpend, schrijnde vel en ooren. ’t Bracht haar in gedachten de avond van gisteren toen het ook vroor en ’t daarna sneeuwde. De kamer kreeg nu weer voor haar de oude bekoring. ’t Was wel nietveel wat er stond, maar ze zat toch beschut—en met een beetje kokes kan je ’t warm stoken.

Ze kocht bij een bakker een broodje, slokte het gulzig naar binnen in een weinig-begaan steegje, zich voelend als een diefegge, als een die loopt op verkeerde wegen en dingen doet, die ’t daglicht niet kunnen velen. ’t Broodje naar binnen geduwd, verzadigde haar niet. Zij moest er nog een koopen, peuzelde dat ongezien onder ’t loopen op, maar de maag scheen niet minder leeg te blijven. ’t Feit verwonderde haar, in haar gewone doen had ze bijna geen behoefte aan eten, affijn brood bleef dan ook maar brood, ze moest wat warmte hebben.

De huiselijke woning trok haar zoo aan, èn ze wou er toch niet heen. Nee, ze moest het volhouden, zoolang mogelijk, dan kon ze nog altijd zien wat ze deed.

Ze sjokte en stapte weer stevig door, maar ’t verhielp niet, dat ze zich hoe langer hoe moeër voelde worden. De eenzaamheid tusschen al die menschen op hun best greep haar al sterker aan, en de kou sneed door haar kleeren heen, vlijmde straf, tot op ’t lijf. Ze dacht eraan op een stoep wat uit te rusten, maar daarvoor was ’t nog te veel dag. Ze schold zich zelf weer uit dat ze dom was geweest om de dominee niet om geld te vragen. Ze kon ’t nog doen, ze zou hem niet loslaten. Nee, dat zou ze zeker niet, morgen, overmorgen ging ze naar hem toe.

Maar als ze dat deed, zoo schoot het ineens doorhaar heen, dan moest ze nu toch naar huis. Nee-nee, dat niet, hoewel, als-ie veel drukte en herrie maakte gaf het een reden om flink bij dominee in beklag te komen. Of ’t veel zou helpen, daaraan twijfelde ze, toch, het plan mocht ze niet loslaten.

Misschien was-ie niet eens thuis; misschien ook zelf weggeloopen... ’t kon allemaal. De gedachte vervulde haar met nieuwe hoop. Als hij eens de woning alléén liet, dan had ze wat ze zocht en verlangde. Was ’t kristelijk wat ze daar dacht, nee, zeker niet, maar wat beteekende dat...? Toch niet prettig! Ze schreef op haar briefje dat hij haar niet weerom zou zien en nu kwam ze toch, o, hij zou haar bespotten, maar ze kon zeggen dat dominee haar had weerom gezonden.

Heel sterk trok haar nu de kamer, waarin ze dadelijk vuur zou aanleggen, ze ging enkel naar huis terug, om op hulp van dominee te kunnen rekenen, al begreep ze zelf niet best, waarom ze ineens daarop steunde. Dat kwam omdat ze vanmorgen in de kerk was geweest, zeker, er klonk iets in haar ooren dat God haar zou bijstaan. Ze was op de verkeerde weg geweest om moedwillig het huis te verlaten. Als Jan haar in de steek liet, ja dan werd ’t wat anders!...


Back to IndexNext