XI.

XI.In de witkalkige gasthuiszaal, eerst weken later, kwam hij tot kennis terug.Bij ’t eerste, flauwe oogenopenen voelde hij de blanke, gedempte rust als iets koels, oneigens, een stijve strakte buiten hem om. Zijn lichaam leek niet van hem zelf te zijn, eêr een slap ding dat naast hem, ergens anders lag; in zijn hoofd, dof en zwaar, drongen niet dadelijk gedachten door. Met halfgesloten, nog verduisterde blik, staarde hij blind, zelfverloren in de witte blankte, die hem omgaf,—en langzaam-aan merkte hij eerst de omgeving, de vele andere bedden, waarop zieken, evenals hij, uitgestrekt lagen. Waar was hij toch? in deze wereld of in een andere? Wat gebeurde er met hem, wat hadden ze met hem uitgevoerd, dat hij nog leefde, dat hij weer hoorde en zag? Een poos lag hij zoo stil te kijken tot hij vaag begreep, dat hij in een ziekenhuis was.Een zuster stevende stemmig aan. ’t Verwonderdehem aldoor, dat niemand aan zijn bed zat, dat hij niemand om hem zag, terwijl hij zich zoo geducht had moeten weren. Toch vond hij het goeddoende zoo rustig te liggen, zoo stil alleen, en nu de zuster op hem aanstreek, liet hij de half-geopende oogen zacht toeluiken, verroerde zich niet.De zuster boog zich over hem heen; haar warme adem voelde hij op zijn kil gezicht. Strak bleef hij liggen, onbewogen, alsof hij sliep. ’t Leek hem dat hij zoolang had gesproken, gevochten en gestreden, dat hij moe en uitgeput nu rust moest hebben. Met gesloten oogen bleef hij staren in ’t vage, zich moeite gevend om na te denken.Hoe raakte hij eigenlijk in ’t water en op welke manier, en door wíe werd hij eruit gehaald? Hij wist het niet dadelijk, doch langzamerhand werd ’t hem wat klaarder. Nee, hij wou niets meer ervan weten. ’t Was om te rillen!... Zachtjes-aan raakte hij weer buiten kennis en dommelde in.Bij ’t opnieuw wakker-worden voelde hij zich helderder, ja minder dof en zwaar van hoofd! De strakke witheid der zaal omlichtte hem egaal koel. Hij kende het hier al, toch moest hij zich klaar herinneren, dat hij in ’t ziekenhuis lag.Een bleek, zwart ernstig man, zag hij voor zich. Natuurlijk de dokter!Even keek hij naar hem òp, deed weer de oogen toe, om te ontwijken. De ander vroeg hem:—Nou, hoe is ’t d’ ermee, baasje?—’t Gaat nogal dokter... licht in ’t hoofd, en ik heb geen beenen.—Nou, die heb je wel, dàt verzeker ik je!—O! ik bedoel maar zoo voor ’t gevoel...De dokter nikte, lachte, vatte losjes de pols, nikte weer bevredigend. Baller liet z’n gedachten gaan, een inval schoot bij hem op. Nu vroeg hij, zichzelf verwonderend over de zwakheid van z’n stem:—Ben ik erg ziek geweest?—Nou dat gaat nog al... op ’t kantje af... aldoor veertig... maar je bent een taaie... stevige longen hoor!Baller moest erom glimlachen, keek wat ongeloovig en glimlachte nogeens, heel pijnlijk. Dan sprak de dokter opnieuw:—Ga nou maar slapen, morgen hoor je wel meer ervan!De dokter tipte al weg,—en hij lag weer alleen. Zoo, zoo! Hij haalde het dus van de dood op. In dat ijskoude water en bij ’t nippertje van zinken, geen wonder, dat-ie ’n ziekte ervan opliep. Longontsteking of wat zei de dokter ook weer? Die vreeselijke droomen, dàt vechten en zich schrap zetten, zeker koorts gehad, ijlende koortsen! Vaag zag hij ’t vervaarlijk geval, dat zich als een vast schrikbeeld hem vervolgde, nu weer opdagen. Een instinkt zei hem daaraan niet toe te mogen geven. Nee-nee, hij won er niet meer over denken... liever slapen, zich koest houden en eten. Zwaar voelde hij ’t vreemde,’t strakke van alles rondom, en dàt drong berustigend op hem in. De zorgen van de zuster deden hem goed. Die zuster zei ook, dat hij niet mocht denken, enkel maar rusten.Een paar dagen verliepen zonder dat hij zich van iets rekenschap kon geven. Zijn lichaam sterkte aan, ’t voelde niet meer zoo vreemd, zoo ijl, en ’t werd weer meer één met ’t bed, met hem zelf. De vrees voor ijlende koortsen drong elke herinnering van feiten bij hem weg. Hij verstijfde, verstarde zichzelf, maakte zijn geest bot; van ’t verleden wou hij niets meer weten, zich niets herinneren, uit vrees dat de verschrikking terug zou kunnen komen. Alle anderen kregen bezoek, maar hij wou niemand zien.Dan op ’n keer zei de zuster weifelend:—Daar zijn kennissen van u, vrouw Hesselaar en h’r man... wil u die ontvangen?Op de naam Hesselaar ontstelde hij al, schudde het zwart-behaarde bleeke hoofd krampachtig, stootte er zenuwend uit:—Nee-nee, g’n mensch wil ik hier hebben,.... u mag niemand toelaten!—Heel goed, heel goed! kalmeerde de zuster, ’t is ook beter van niet! Ze ijlde al weg.—Geen mensch... geen mensch! herhaalde hij nog eens, voor zichzelf. Ik wil met niemand te doen hebben.En zoo bleef het.De dokter vond ’t opperbest. ’t Werkte de genezing in de hand!De dagen streken voort. Geleidelijk-aan werd hij beter, sterker, en hij mocht al eenige uurtjes per dag opzitten, maar zijn weerzin tegen ’t verleden bleef. Zijn herinnering omkorstte hij met een starheid van niets willen herdenken.De Hesselaars kwamen nogeens op ’n Zondag, en ook de vroegere buren, doch hij bleef hardnekkig weigeren ze te ontvangen.Alleen de dominee durfde hij niet zoo behandelen. Die zat aan zijn bed, zonder dat hij ’t recht merkte. De zalvende woorden met wrang eronder de stichtende vermaning van zich te beteren, in ’t vervolg zijn God niet te beleedigen, niet zoo te drinken, àl dat geteem liet hij kalm langs zich heenglijden. Wat wist zoo’n man van zijn mizerie... wat begreep hij weinig, als die nog sprak, dat God z’n vrouw uit ’t leven nam, om hem wellicht te redden. Hoe ’n kreupele praat.Welnee, z’n vrouw maakte ’n eind d’eran, en daarvoor moest hij boeten, zoo zat het in elkaar! Maar hij hield z’n meening voor zich, vond het niet de moeite waard verder erover te praten.Door ’t volhardend zwijgen, het stugge nikken, merkte de dominee ’t mindere gewenscht-zijn, vertrok al gauw, na ’n poosje van onvruchtbaar geredeneer.’t Bezoek van dominee verstarde Baller nog meer in zijn trage denken. Toch welden vragen bij hemop over z’n vrouws dood en het treurige verloop; hij wilde weten op welke wijze zij werd begraven, en waar z’n boeltje bleef. Maar nu nog niet, dàt zou later wel blijken, dan was ’t vroeg genoeg!Het nuchtere dagelijksche leven liet zich vanzelf weer gelden. Schuchter ondervroeg hij de zuster, die een direkt antwoord nog eerst ontweek, hem aan ’t eind niet onkundig kon laten en ’t dan maar zonder veel omwegen zei.—Je vrouw, zei ze, is van gemeentewege gekist en begraven... en je huisraad... ja, u begrijpt! de huisbaas moest toch z’n woning terughebben, en toen is het geloof ik, op de stadstimmertuin ondergebracht...Hij nikte. ’t Kon niet anders! Begraven op kosten van de stad?.... Als ’n kind begon hij te schreien.De zuster troostte, zei dan flink:—Kom, kom, ’t is heel netjes en fatsoenlijk gegaan..... een groot woord van de stad, maar eigenlijk komt het op ’t zelfde neer wie de kosten betaalt, ja zeker!Hij zuchtte. Zijn tranen droogden op,—en hij verstrakte, verstomde weer. Op kosten van de stad, van de armen begraven? Dat was ’t lot van haar, die hij tot zijn vrouw maakte. Klaar zag hij voor zich al wat hij haar tekort had gedaan. Jammerlijk was-ie weggezakt van jaar tot jaar en trok haar mee.’n Schrille gedachte, niet uit hem zelf, maar alsvan een ander viel hem te binnen. Hij herinnerde zich een vaag gesprek, een gefluister tusschen twee verpleegsters, die meenden dat hij sliep, en die ’t over hem hadden, o zeker, omdat al wat ze zeien wel op hem sloeg.De eene zuster, een rooie, een socialiste, wilde de verpleging van gemeentewege vrijgeviger hebben. Ieder mensch, beweerde ze, had recht op ’t leven, op verzorging. De andere weerlegde fel, schamperde dat al die opvattingen maar betreklijk waren; ’t kwam erop aan wat je ’n mensch noemde. Kijk ’es naar zoo’n man, wat kost die geen geld aan verpleging, en met welk recht en met welk nut? Alleen omdat-ie geboren is, wil drinken, luieren, praatsmaken zonder te werken? Er zijn tal van dieren, die nuttiger zijn dan al die sterk-beklaagde menschen. Theorieën van geluk voor allen zijn goed, als ’t algemeen eerst wat hooger staat. Maak toch onderscheid tusschen menschen en wat er voor doorgaat!Hij wist niet precies meer wat de andere ertegen inbracht. ’t Was iets van de omstandigheden, die de mensch zoo maken, van ’n uitzondering, waarvoor ’t geheel niet behoefde te lijden, maar hoe ook, ’t raakte hem. En ’t was waar. Wat verrichtte hij in ’t leven? Niks, enkel ongeluk bracht hij aan. Wat zou hij nou nog kunnen doen?..... niemendal! hij deugde nergens voor. Een afgezakte, een afgetrapte was-ie..... kostte geld voor niets.Waarom hadden ze hem toch niet laten verdrinken?Dan was ’t uit geweest. Nou moest hij opnieuw aan de gang, anderen lastig vallen, en daarbij gebrek lijjen!De dominee had hem hulp toegezegd en óók de zuster, dezelfde nog wel, die zóó hard over hem sprak. Och ja, zeker, ze wou de moed er bij hem inhoûen, zei telkens dat hij van voren-af moest beginnen.Maar wat gaf dàt alles? Hij zag de toestand duidelijk voor zich. De kwelling, het tobben begon nu eerst goed.

XI.In de witkalkige gasthuiszaal, eerst weken later, kwam hij tot kennis terug.Bij ’t eerste, flauwe oogenopenen voelde hij de blanke, gedempte rust als iets koels, oneigens, een stijve strakte buiten hem om. Zijn lichaam leek niet van hem zelf te zijn, eêr een slap ding dat naast hem, ergens anders lag; in zijn hoofd, dof en zwaar, drongen niet dadelijk gedachten door. Met halfgesloten, nog verduisterde blik, staarde hij blind, zelfverloren in de witte blankte, die hem omgaf,—en langzaam-aan merkte hij eerst de omgeving, de vele andere bedden, waarop zieken, evenals hij, uitgestrekt lagen. Waar was hij toch? in deze wereld of in een andere? Wat gebeurde er met hem, wat hadden ze met hem uitgevoerd, dat hij nog leefde, dat hij weer hoorde en zag? Een poos lag hij zoo stil te kijken tot hij vaag begreep, dat hij in een ziekenhuis was.Een zuster stevende stemmig aan. ’t Verwonderdehem aldoor, dat niemand aan zijn bed zat, dat hij niemand om hem zag, terwijl hij zich zoo geducht had moeten weren. Toch vond hij het goeddoende zoo rustig te liggen, zoo stil alleen, en nu de zuster op hem aanstreek, liet hij de half-geopende oogen zacht toeluiken, verroerde zich niet.De zuster boog zich over hem heen; haar warme adem voelde hij op zijn kil gezicht. Strak bleef hij liggen, onbewogen, alsof hij sliep. ’t Leek hem dat hij zoolang had gesproken, gevochten en gestreden, dat hij moe en uitgeput nu rust moest hebben. Met gesloten oogen bleef hij staren in ’t vage, zich moeite gevend om na te denken.Hoe raakte hij eigenlijk in ’t water en op welke manier, en door wíe werd hij eruit gehaald? Hij wist het niet dadelijk, doch langzamerhand werd ’t hem wat klaarder. Nee, hij wou niets meer ervan weten. ’t Was om te rillen!... Zachtjes-aan raakte hij weer buiten kennis en dommelde in.Bij ’t opnieuw wakker-worden voelde hij zich helderder, ja minder dof en zwaar van hoofd! De strakke witheid der zaal omlichtte hem egaal koel. Hij kende het hier al, toch moest hij zich klaar herinneren, dat hij in ’t ziekenhuis lag.Een bleek, zwart ernstig man, zag hij voor zich. Natuurlijk de dokter!Even keek hij naar hem òp, deed weer de oogen toe, om te ontwijken. De ander vroeg hem:—Nou, hoe is ’t d’ ermee, baasje?—’t Gaat nogal dokter... licht in ’t hoofd, en ik heb geen beenen.—Nou, die heb je wel, dàt verzeker ik je!—O! ik bedoel maar zoo voor ’t gevoel...De dokter nikte, lachte, vatte losjes de pols, nikte weer bevredigend. Baller liet z’n gedachten gaan, een inval schoot bij hem op. Nu vroeg hij, zichzelf verwonderend over de zwakheid van z’n stem:—Ben ik erg ziek geweest?—Nou dat gaat nog al... op ’t kantje af... aldoor veertig... maar je bent een taaie... stevige longen hoor!Baller moest erom glimlachen, keek wat ongeloovig en glimlachte nogeens, heel pijnlijk. Dan sprak de dokter opnieuw:—Ga nou maar slapen, morgen hoor je wel meer ervan!De dokter tipte al weg,—en hij lag weer alleen. Zoo, zoo! Hij haalde het dus van de dood op. In dat ijskoude water en bij ’t nippertje van zinken, geen wonder, dat-ie ’n ziekte ervan opliep. Longontsteking of wat zei de dokter ook weer? Die vreeselijke droomen, dàt vechten en zich schrap zetten, zeker koorts gehad, ijlende koortsen! Vaag zag hij ’t vervaarlijk geval, dat zich als een vast schrikbeeld hem vervolgde, nu weer opdagen. Een instinkt zei hem daaraan niet toe te mogen geven. Nee-nee, hij won er niet meer over denken... liever slapen, zich koest houden en eten. Zwaar voelde hij ’t vreemde,’t strakke van alles rondom, en dàt drong berustigend op hem in. De zorgen van de zuster deden hem goed. Die zuster zei ook, dat hij niet mocht denken, enkel maar rusten.Een paar dagen verliepen zonder dat hij zich van iets rekenschap kon geven. Zijn lichaam sterkte aan, ’t voelde niet meer zoo vreemd, zoo ijl, en ’t werd weer meer één met ’t bed, met hem zelf. De vrees voor ijlende koortsen drong elke herinnering van feiten bij hem weg. Hij verstijfde, verstarde zichzelf, maakte zijn geest bot; van ’t verleden wou hij niets meer weten, zich niets herinneren, uit vrees dat de verschrikking terug zou kunnen komen. Alle anderen kregen bezoek, maar hij wou niemand zien.Dan op ’n keer zei de zuster weifelend:—Daar zijn kennissen van u, vrouw Hesselaar en h’r man... wil u die ontvangen?Op de naam Hesselaar ontstelde hij al, schudde het zwart-behaarde bleeke hoofd krampachtig, stootte er zenuwend uit:—Nee-nee, g’n mensch wil ik hier hebben,.... u mag niemand toelaten!—Heel goed, heel goed! kalmeerde de zuster, ’t is ook beter van niet! Ze ijlde al weg.—Geen mensch... geen mensch! herhaalde hij nog eens, voor zichzelf. Ik wil met niemand te doen hebben.En zoo bleef het.De dokter vond ’t opperbest. ’t Werkte de genezing in de hand!De dagen streken voort. Geleidelijk-aan werd hij beter, sterker, en hij mocht al eenige uurtjes per dag opzitten, maar zijn weerzin tegen ’t verleden bleef. Zijn herinnering omkorstte hij met een starheid van niets willen herdenken.De Hesselaars kwamen nogeens op ’n Zondag, en ook de vroegere buren, doch hij bleef hardnekkig weigeren ze te ontvangen.Alleen de dominee durfde hij niet zoo behandelen. Die zat aan zijn bed, zonder dat hij ’t recht merkte. De zalvende woorden met wrang eronder de stichtende vermaning van zich te beteren, in ’t vervolg zijn God niet te beleedigen, niet zoo te drinken, àl dat geteem liet hij kalm langs zich heenglijden. Wat wist zoo’n man van zijn mizerie... wat begreep hij weinig, als die nog sprak, dat God z’n vrouw uit ’t leven nam, om hem wellicht te redden. Hoe ’n kreupele praat.Welnee, z’n vrouw maakte ’n eind d’eran, en daarvoor moest hij boeten, zoo zat het in elkaar! Maar hij hield z’n meening voor zich, vond het niet de moeite waard verder erover te praten.Door ’t volhardend zwijgen, het stugge nikken, merkte de dominee ’t mindere gewenscht-zijn, vertrok al gauw, na ’n poosje van onvruchtbaar geredeneer.’t Bezoek van dominee verstarde Baller nog meer in zijn trage denken. Toch welden vragen bij hemop over z’n vrouws dood en het treurige verloop; hij wilde weten op welke wijze zij werd begraven, en waar z’n boeltje bleef. Maar nu nog niet, dàt zou later wel blijken, dan was ’t vroeg genoeg!Het nuchtere dagelijksche leven liet zich vanzelf weer gelden. Schuchter ondervroeg hij de zuster, die een direkt antwoord nog eerst ontweek, hem aan ’t eind niet onkundig kon laten en ’t dan maar zonder veel omwegen zei.—Je vrouw, zei ze, is van gemeentewege gekist en begraven... en je huisraad... ja, u begrijpt! de huisbaas moest toch z’n woning terughebben, en toen is het geloof ik, op de stadstimmertuin ondergebracht...Hij nikte. ’t Kon niet anders! Begraven op kosten van de stad?.... Als ’n kind begon hij te schreien.De zuster troostte, zei dan flink:—Kom, kom, ’t is heel netjes en fatsoenlijk gegaan..... een groot woord van de stad, maar eigenlijk komt het op ’t zelfde neer wie de kosten betaalt, ja zeker!Hij zuchtte. Zijn tranen droogden op,—en hij verstrakte, verstomde weer. Op kosten van de stad, van de armen begraven? Dat was ’t lot van haar, die hij tot zijn vrouw maakte. Klaar zag hij voor zich al wat hij haar tekort had gedaan. Jammerlijk was-ie weggezakt van jaar tot jaar en trok haar mee.’n Schrille gedachte, niet uit hem zelf, maar alsvan een ander viel hem te binnen. Hij herinnerde zich een vaag gesprek, een gefluister tusschen twee verpleegsters, die meenden dat hij sliep, en die ’t over hem hadden, o zeker, omdat al wat ze zeien wel op hem sloeg.De eene zuster, een rooie, een socialiste, wilde de verpleging van gemeentewege vrijgeviger hebben. Ieder mensch, beweerde ze, had recht op ’t leven, op verzorging. De andere weerlegde fel, schamperde dat al die opvattingen maar betreklijk waren; ’t kwam erop aan wat je ’n mensch noemde. Kijk ’es naar zoo’n man, wat kost die geen geld aan verpleging, en met welk recht en met welk nut? Alleen omdat-ie geboren is, wil drinken, luieren, praatsmaken zonder te werken? Er zijn tal van dieren, die nuttiger zijn dan al die sterk-beklaagde menschen. Theorieën van geluk voor allen zijn goed, als ’t algemeen eerst wat hooger staat. Maak toch onderscheid tusschen menschen en wat er voor doorgaat!Hij wist niet precies meer wat de andere ertegen inbracht. ’t Was iets van de omstandigheden, die de mensch zoo maken, van ’n uitzondering, waarvoor ’t geheel niet behoefde te lijden, maar hoe ook, ’t raakte hem. En ’t was waar. Wat verrichtte hij in ’t leven? Niks, enkel ongeluk bracht hij aan. Wat zou hij nou nog kunnen doen?..... niemendal! hij deugde nergens voor. Een afgezakte, een afgetrapte was-ie..... kostte geld voor niets.Waarom hadden ze hem toch niet laten verdrinken?Dan was ’t uit geweest. Nou moest hij opnieuw aan de gang, anderen lastig vallen, en daarbij gebrek lijjen!De dominee had hem hulp toegezegd en óók de zuster, dezelfde nog wel, die zóó hard over hem sprak. Och ja, zeker, ze wou de moed er bij hem inhoûen, zei telkens dat hij van voren-af moest beginnen.Maar wat gaf dàt alles? Hij zag de toestand duidelijk voor zich. De kwelling, het tobben begon nu eerst goed.

XI.In de witkalkige gasthuiszaal, eerst weken later, kwam hij tot kennis terug.Bij ’t eerste, flauwe oogenopenen voelde hij de blanke, gedempte rust als iets koels, oneigens, een stijve strakte buiten hem om. Zijn lichaam leek niet van hem zelf te zijn, eêr een slap ding dat naast hem, ergens anders lag; in zijn hoofd, dof en zwaar, drongen niet dadelijk gedachten door. Met halfgesloten, nog verduisterde blik, staarde hij blind, zelfverloren in de witte blankte, die hem omgaf,—en langzaam-aan merkte hij eerst de omgeving, de vele andere bedden, waarop zieken, evenals hij, uitgestrekt lagen. Waar was hij toch? in deze wereld of in een andere? Wat gebeurde er met hem, wat hadden ze met hem uitgevoerd, dat hij nog leefde, dat hij weer hoorde en zag? Een poos lag hij zoo stil te kijken tot hij vaag begreep, dat hij in een ziekenhuis was.Een zuster stevende stemmig aan. ’t Verwonderdehem aldoor, dat niemand aan zijn bed zat, dat hij niemand om hem zag, terwijl hij zich zoo geducht had moeten weren. Toch vond hij het goeddoende zoo rustig te liggen, zoo stil alleen, en nu de zuster op hem aanstreek, liet hij de half-geopende oogen zacht toeluiken, verroerde zich niet.De zuster boog zich over hem heen; haar warme adem voelde hij op zijn kil gezicht. Strak bleef hij liggen, onbewogen, alsof hij sliep. ’t Leek hem dat hij zoolang had gesproken, gevochten en gestreden, dat hij moe en uitgeput nu rust moest hebben. Met gesloten oogen bleef hij staren in ’t vage, zich moeite gevend om na te denken.Hoe raakte hij eigenlijk in ’t water en op welke manier, en door wíe werd hij eruit gehaald? Hij wist het niet dadelijk, doch langzamerhand werd ’t hem wat klaarder. Nee, hij wou niets meer ervan weten. ’t Was om te rillen!... Zachtjes-aan raakte hij weer buiten kennis en dommelde in.Bij ’t opnieuw wakker-worden voelde hij zich helderder, ja minder dof en zwaar van hoofd! De strakke witheid der zaal omlichtte hem egaal koel. Hij kende het hier al, toch moest hij zich klaar herinneren, dat hij in ’t ziekenhuis lag.Een bleek, zwart ernstig man, zag hij voor zich. Natuurlijk de dokter!Even keek hij naar hem òp, deed weer de oogen toe, om te ontwijken. De ander vroeg hem:—Nou, hoe is ’t d’ ermee, baasje?—’t Gaat nogal dokter... licht in ’t hoofd, en ik heb geen beenen.—Nou, die heb je wel, dàt verzeker ik je!—O! ik bedoel maar zoo voor ’t gevoel...De dokter nikte, lachte, vatte losjes de pols, nikte weer bevredigend. Baller liet z’n gedachten gaan, een inval schoot bij hem op. Nu vroeg hij, zichzelf verwonderend over de zwakheid van z’n stem:—Ben ik erg ziek geweest?—Nou dat gaat nog al... op ’t kantje af... aldoor veertig... maar je bent een taaie... stevige longen hoor!Baller moest erom glimlachen, keek wat ongeloovig en glimlachte nogeens, heel pijnlijk. Dan sprak de dokter opnieuw:—Ga nou maar slapen, morgen hoor je wel meer ervan!De dokter tipte al weg,—en hij lag weer alleen. Zoo, zoo! Hij haalde het dus van de dood op. In dat ijskoude water en bij ’t nippertje van zinken, geen wonder, dat-ie ’n ziekte ervan opliep. Longontsteking of wat zei de dokter ook weer? Die vreeselijke droomen, dàt vechten en zich schrap zetten, zeker koorts gehad, ijlende koortsen! Vaag zag hij ’t vervaarlijk geval, dat zich als een vast schrikbeeld hem vervolgde, nu weer opdagen. Een instinkt zei hem daaraan niet toe te mogen geven. Nee-nee, hij won er niet meer over denken... liever slapen, zich koest houden en eten. Zwaar voelde hij ’t vreemde,’t strakke van alles rondom, en dàt drong berustigend op hem in. De zorgen van de zuster deden hem goed. Die zuster zei ook, dat hij niet mocht denken, enkel maar rusten.Een paar dagen verliepen zonder dat hij zich van iets rekenschap kon geven. Zijn lichaam sterkte aan, ’t voelde niet meer zoo vreemd, zoo ijl, en ’t werd weer meer één met ’t bed, met hem zelf. De vrees voor ijlende koortsen drong elke herinnering van feiten bij hem weg. Hij verstijfde, verstarde zichzelf, maakte zijn geest bot; van ’t verleden wou hij niets meer weten, zich niets herinneren, uit vrees dat de verschrikking terug zou kunnen komen. Alle anderen kregen bezoek, maar hij wou niemand zien.Dan op ’n keer zei de zuster weifelend:—Daar zijn kennissen van u, vrouw Hesselaar en h’r man... wil u die ontvangen?Op de naam Hesselaar ontstelde hij al, schudde het zwart-behaarde bleeke hoofd krampachtig, stootte er zenuwend uit:—Nee-nee, g’n mensch wil ik hier hebben,.... u mag niemand toelaten!—Heel goed, heel goed! kalmeerde de zuster, ’t is ook beter van niet! Ze ijlde al weg.—Geen mensch... geen mensch! herhaalde hij nog eens, voor zichzelf. Ik wil met niemand te doen hebben.En zoo bleef het.De dokter vond ’t opperbest. ’t Werkte de genezing in de hand!De dagen streken voort. Geleidelijk-aan werd hij beter, sterker, en hij mocht al eenige uurtjes per dag opzitten, maar zijn weerzin tegen ’t verleden bleef. Zijn herinnering omkorstte hij met een starheid van niets willen herdenken.De Hesselaars kwamen nogeens op ’n Zondag, en ook de vroegere buren, doch hij bleef hardnekkig weigeren ze te ontvangen.Alleen de dominee durfde hij niet zoo behandelen. Die zat aan zijn bed, zonder dat hij ’t recht merkte. De zalvende woorden met wrang eronder de stichtende vermaning van zich te beteren, in ’t vervolg zijn God niet te beleedigen, niet zoo te drinken, àl dat geteem liet hij kalm langs zich heenglijden. Wat wist zoo’n man van zijn mizerie... wat begreep hij weinig, als die nog sprak, dat God z’n vrouw uit ’t leven nam, om hem wellicht te redden. Hoe ’n kreupele praat.Welnee, z’n vrouw maakte ’n eind d’eran, en daarvoor moest hij boeten, zoo zat het in elkaar! Maar hij hield z’n meening voor zich, vond het niet de moeite waard verder erover te praten.Door ’t volhardend zwijgen, het stugge nikken, merkte de dominee ’t mindere gewenscht-zijn, vertrok al gauw, na ’n poosje van onvruchtbaar geredeneer.’t Bezoek van dominee verstarde Baller nog meer in zijn trage denken. Toch welden vragen bij hemop over z’n vrouws dood en het treurige verloop; hij wilde weten op welke wijze zij werd begraven, en waar z’n boeltje bleef. Maar nu nog niet, dàt zou later wel blijken, dan was ’t vroeg genoeg!Het nuchtere dagelijksche leven liet zich vanzelf weer gelden. Schuchter ondervroeg hij de zuster, die een direkt antwoord nog eerst ontweek, hem aan ’t eind niet onkundig kon laten en ’t dan maar zonder veel omwegen zei.—Je vrouw, zei ze, is van gemeentewege gekist en begraven... en je huisraad... ja, u begrijpt! de huisbaas moest toch z’n woning terughebben, en toen is het geloof ik, op de stadstimmertuin ondergebracht...Hij nikte. ’t Kon niet anders! Begraven op kosten van de stad?.... Als ’n kind begon hij te schreien.De zuster troostte, zei dan flink:—Kom, kom, ’t is heel netjes en fatsoenlijk gegaan..... een groot woord van de stad, maar eigenlijk komt het op ’t zelfde neer wie de kosten betaalt, ja zeker!Hij zuchtte. Zijn tranen droogden op,—en hij verstrakte, verstomde weer. Op kosten van de stad, van de armen begraven? Dat was ’t lot van haar, die hij tot zijn vrouw maakte. Klaar zag hij voor zich al wat hij haar tekort had gedaan. Jammerlijk was-ie weggezakt van jaar tot jaar en trok haar mee.’n Schrille gedachte, niet uit hem zelf, maar alsvan een ander viel hem te binnen. Hij herinnerde zich een vaag gesprek, een gefluister tusschen twee verpleegsters, die meenden dat hij sliep, en die ’t over hem hadden, o zeker, omdat al wat ze zeien wel op hem sloeg.De eene zuster, een rooie, een socialiste, wilde de verpleging van gemeentewege vrijgeviger hebben. Ieder mensch, beweerde ze, had recht op ’t leven, op verzorging. De andere weerlegde fel, schamperde dat al die opvattingen maar betreklijk waren; ’t kwam erop aan wat je ’n mensch noemde. Kijk ’es naar zoo’n man, wat kost die geen geld aan verpleging, en met welk recht en met welk nut? Alleen omdat-ie geboren is, wil drinken, luieren, praatsmaken zonder te werken? Er zijn tal van dieren, die nuttiger zijn dan al die sterk-beklaagde menschen. Theorieën van geluk voor allen zijn goed, als ’t algemeen eerst wat hooger staat. Maak toch onderscheid tusschen menschen en wat er voor doorgaat!Hij wist niet precies meer wat de andere ertegen inbracht. ’t Was iets van de omstandigheden, die de mensch zoo maken, van ’n uitzondering, waarvoor ’t geheel niet behoefde te lijden, maar hoe ook, ’t raakte hem. En ’t was waar. Wat verrichtte hij in ’t leven? Niks, enkel ongeluk bracht hij aan. Wat zou hij nou nog kunnen doen?..... niemendal! hij deugde nergens voor. Een afgezakte, een afgetrapte was-ie..... kostte geld voor niets.Waarom hadden ze hem toch niet laten verdrinken?Dan was ’t uit geweest. Nou moest hij opnieuw aan de gang, anderen lastig vallen, en daarbij gebrek lijjen!De dominee had hem hulp toegezegd en óók de zuster, dezelfde nog wel, die zóó hard over hem sprak. Och ja, zeker, ze wou de moed er bij hem inhoûen, zei telkens dat hij van voren-af moest beginnen.Maar wat gaf dàt alles? Hij zag de toestand duidelijk voor zich. De kwelling, het tobben begon nu eerst goed.

XI.In de witkalkige gasthuiszaal, eerst weken later, kwam hij tot kennis terug.Bij ’t eerste, flauwe oogenopenen voelde hij de blanke, gedempte rust als iets koels, oneigens, een stijve strakte buiten hem om. Zijn lichaam leek niet van hem zelf te zijn, eêr een slap ding dat naast hem, ergens anders lag; in zijn hoofd, dof en zwaar, drongen niet dadelijk gedachten door. Met halfgesloten, nog verduisterde blik, staarde hij blind, zelfverloren in de witte blankte, die hem omgaf,—en langzaam-aan merkte hij eerst de omgeving, de vele andere bedden, waarop zieken, evenals hij, uitgestrekt lagen. Waar was hij toch? in deze wereld of in een andere? Wat gebeurde er met hem, wat hadden ze met hem uitgevoerd, dat hij nog leefde, dat hij weer hoorde en zag? Een poos lag hij zoo stil te kijken tot hij vaag begreep, dat hij in een ziekenhuis was.Een zuster stevende stemmig aan. ’t Verwonderdehem aldoor, dat niemand aan zijn bed zat, dat hij niemand om hem zag, terwijl hij zich zoo geducht had moeten weren. Toch vond hij het goeddoende zoo rustig te liggen, zoo stil alleen, en nu de zuster op hem aanstreek, liet hij de half-geopende oogen zacht toeluiken, verroerde zich niet.De zuster boog zich over hem heen; haar warme adem voelde hij op zijn kil gezicht. Strak bleef hij liggen, onbewogen, alsof hij sliep. ’t Leek hem dat hij zoolang had gesproken, gevochten en gestreden, dat hij moe en uitgeput nu rust moest hebben. Met gesloten oogen bleef hij staren in ’t vage, zich moeite gevend om na te denken.Hoe raakte hij eigenlijk in ’t water en op welke manier, en door wíe werd hij eruit gehaald? Hij wist het niet dadelijk, doch langzamerhand werd ’t hem wat klaarder. Nee, hij wou niets meer ervan weten. ’t Was om te rillen!... Zachtjes-aan raakte hij weer buiten kennis en dommelde in.Bij ’t opnieuw wakker-worden voelde hij zich helderder, ja minder dof en zwaar van hoofd! De strakke witheid der zaal omlichtte hem egaal koel. Hij kende het hier al, toch moest hij zich klaar herinneren, dat hij in ’t ziekenhuis lag.Een bleek, zwart ernstig man, zag hij voor zich. Natuurlijk de dokter!Even keek hij naar hem òp, deed weer de oogen toe, om te ontwijken. De ander vroeg hem:—Nou, hoe is ’t d’ ermee, baasje?—’t Gaat nogal dokter... licht in ’t hoofd, en ik heb geen beenen.—Nou, die heb je wel, dàt verzeker ik je!—O! ik bedoel maar zoo voor ’t gevoel...De dokter nikte, lachte, vatte losjes de pols, nikte weer bevredigend. Baller liet z’n gedachten gaan, een inval schoot bij hem op. Nu vroeg hij, zichzelf verwonderend over de zwakheid van z’n stem:—Ben ik erg ziek geweest?—Nou dat gaat nog al... op ’t kantje af... aldoor veertig... maar je bent een taaie... stevige longen hoor!Baller moest erom glimlachen, keek wat ongeloovig en glimlachte nogeens, heel pijnlijk. Dan sprak de dokter opnieuw:—Ga nou maar slapen, morgen hoor je wel meer ervan!De dokter tipte al weg,—en hij lag weer alleen. Zoo, zoo! Hij haalde het dus van de dood op. In dat ijskoude water en bij ’t nippertje van zinken, geen wonder, dat-ie ’n ziekte ervan opliep. Longontsteking of wat zei de dokter ook weer? Die vreeselijke droomen, dàt vechten en zich schrap zetten, zeker koorts gehad, ijlende koortsen! Vaag zag hij ’t vervaarlijk geval, dat zich als een vast schrikbeeld hem vervolgde, nu weer opdagen. Een instinkt zei hem daaraan niet toe te mogen geven. Nee-nee, hij won er niet meer over denken... liever slapen, zich koest houden en eten. Zwaar voelde hij ’t vreemde,’t strakke van alles rondom, en dàt drong berustigend op hem in. De zorgen van de zuster deden hem goed. Die zuster zei ook, dat hij niet mocht denken, enkel maar rusten.Een paar dagen verliepen zonder dat hij zich van iets rekenschap kon geven. Zijn lichaam sterkte aan, ’t voelde niet meer zoo vreemd, zoo ijl, en ’t werd weer meer één met ’t bed, met hem zelf. De vrees voor ijlende koortsen drong elke herinnering van feiten bij hem weg. Hij verstijfde, verstarde zichzelf, maakte zijn geest bot; van ’t verleden wou hij niets meer weten, zich niets herinneren, uit vrees dat de verschrikking terug zou kunnen komen. Alle anderen kregen bezoek, maar hij wou niemand zien.Dan op ’n keer zei de zuster weifelend:—Daar zijn kennissen van u, vrouw Hesselaar en h’r man... wil u die ontvangen?Op de naam Hesselaar ontstelde hij al, schudde het zwart-behaarde bleeke hoofd krampachtig, stootte er zenuwend uit:—Nee-nee, g’n mensch wil ik hier hebben,.... u mag niemand toelaten!—Heel goed, heel goed! kalmeerde de zuster, ’t is ook beter van niet! Ze ijlde al weg.—Geen mensch... geen mensch! herhaalde hij nog eens, voor zichzelf. Ik wil met niemand te doen hebben.En zoo bleef het.De dokter vond ’t opperbest. ’t Werkte de genezing in de hand!De dagen streken voort. Geleidelijk-aan werd hij beter, sterker, en hij mocht al eenige uurtjes per dag opzitten, maar zijn weerzin tegen ’t verleden bleef. Zijn herinnering omkorstte hij met een starheid van niets willen herdenken.De Hesselaars kwamen nogeens op ’n Zondag, en ook de vroegere buren, doch hij bleef hardnekkig weigeren ze te ontvangen.Alleen de dominee durfde hij niet zoo behandelen. Die zat aan zijn bed, zonder dat hij ’t recht merkte. De zalvende woorden met wrang eronder de stichtende vermaning van zich te beteren, in ’t vervolg zijn God niet te beleedigen, niet zoo te drinken, àl dat geteem liet hij kalm langs zich heenglijden. Wat wist zoo’n man van zijn mizerie... wat begreep hij weinig, als die nog sprak, dat God z’n vrouw uit ’t leven nam, om hem wellicht te redden. Hoe ’n kreupele praat.Welnee, z’n vrouw maakte ’n eind d’eran, en daarvoor moest hij boeten, zoo zat het in elkaar! Maar hij hield z’n meening voor zich, vond het niet de moeite waard verder erover te praten.Door ’t volhardend zwijgen, het stugge nikken, merkte de dominee ’t mindere gewenscht-zijn, vertrok al gauw, na ’n poosje van onvruchtbaar geredeneer.’t Bezoek van dominee verstarde Baller nog meer in zijn trage denken. Toch welden vragen bij hemop over z’n vrouws dood en het treurige verloop; hij wilde weten op welke wijze zij werd begraven, en waar z’n boeltje bleef. Maar nu nog niet, dàt zou later wel blijken, dan was ’t vroeg genoeg!Het nuchtere dagelijksche leven liet zich vanzelf weer gelden. Schuchter ondervroeg hij de zuster, die een direkt antwoord nog eerst ontweek, hem aan ’t eind niet onkundig kon laten en ’t dan maar zonder veel omwegen zei.—Je vrouw, zei ze, is van gemeentewege gekist en begraven... en je huisraad... ja, u begrijpt! de huisbaas moest toch z’n woning terughebben, en toen is het geloof ik, op de stadstimmertuin ondergebracht...Hij nikte. ’t Kon niet anders! Begraven op kosten van de stad?.... Als ’n kind begon hij te schreien.De zuster troostte, zei dan flink:—Kom, kom, ’t is heel netjes en fatsoenlijk gegaan..... een groot woord van de stad, maar eigenlijk komt het op ’t zelfde neer wie de kosten betaalt, ja zeker!Hij zuchtte. Zijn tranen droogden op,—en hij verstrakte, verstomde weer. Op kosten van de stad, van de armen begraven? Dat was ’t lot van haar, die hij tot zijn vrouw maakte. Klaar zag hij voor zich al wat hij haar tekort had gedaan. Jammerlijk was-ie weggezakt van jaar tot jaar en trok haar mee.’n Schrille gedachte, niet uit hem zelf, maar alsvan een ander viel hem te binnen. Hij herinnerde zich een vaag gesprek, een gefluister tusschen twee verpleegsters, die meenden dat hij sliep, en die ’t over hem hadden, o zeker, omdat al wat ze zeien wel op hem sloeg.De eene zuster, een rooie, een socialiste, wilde de verpleging van gemeentewege vrijgeviger hebben. Ieder mensch, beweerde ze, had recht op ’t leven, op verzorging. De andere weerlegde fel, schamperde dat al die opvattingen maar betreklijk waren; ’t kwam erop aan wat je ’n mensch noemde. Kijk ’es naar zoo’n man, wat kost die geen geld aan verpleging, en met welk recht en met welk nut? Alleen omdat-ie geboren is, wil drinken, luieren, praatsmaken zonder te werken? Er zijn tal van dieren, die nuttiger zijn dan al die sterk-beklaagde menschen. Theorieën van geluk voor allen zijn goed, als ’t algemeen eerst wat hooger staat. Maak toch onderscheid tusschen menschen en wat er voor doorgaat!Hij wist niet precies meer wat de andere ertegen inbracht. ’t Was iets van de omstandigheden, die de mensch zoo maken, van ’n uitzondering, waarvoor ’t geheel niet behoefde te lijden, maar hoe ook, ’t raakte hem. En ’t was waar. Wat verrichtte hij in ’t leven? Niks, enkel ongeluk bracht hij aan. Wat zou hij nou nog kunnen doen?..... niemendal! hij deugde nergens voor. Een afgezakte, een afgetrapte was-ie..... kostte geld voor niets.Waarom hadden ze hem toch niet laten verdrinken?Dan was ’t uit geweest. Nou moest hij opnieuw aan de gang, anderen lastig vallen, en daarbij gebrek lijjen!De dominee had hem hulp toegezegd en óók de zuster, dezelfde nog wel, die zóó hard over hem sprak. Och ja, zeker, ze wou de moed er bij hem inhoûen, zei telkens dat hij van voren-af moest beginnen.Maar wat gaf dàt alles? Hij zag de toestand duidelijk voor zich. De kwelling, het tobben begon nu eerst goed.

XI.

In de witkalkige gasthuiszaal, eerst weken later, kwam hij tot kennis terug.Bij ’t eerste, flauwe oogenopenen voelde hij de blanke, gedempte rust als iets koels, oneigens, een stijve strakte buiten hem om. Zijn lichaam leek niet van hem zelf te zijn, eêr een slap ding dat naast hem, ergens anders lag; in zijn hoofd, dof en zwaar, drongen niet dadelijk gedachten door. Met halfgesloten, nog verduisterde blik, staarde hij blind, zelfverloren in de witte blankte, die hem omgaf,—en langzaam-aan merkte hij eerst de omgeving, de vele andere bedden, waarop zieken, evenals hij, uitgestrekt lagen. Waar was hij toch? in deze wereld of in een andere? Wat gebeurde er met hem, wat hadden ze met hem uitgevoerd, dat hij nog leefde, dat hij weer hoorde en zag? Een poos lag hij zoo stil te kijken tot hij vaag begreep, dat hij in een ziekenhuis was.Een zuster stevende stemmig aan. ’t Verwonderdehem aldoor, dat niemand aan zijn bed zat, dat hij niemand om hem zag, terwijl hij zich zoo geducht had moeten weren. Toch vond hij het goeddoende zoo rustig te liggen, zoo stil alleen, en nu de zuster op hem aanstreek, liet hij de half-geopende oogen zacht toeluiken, verroerde zich niet.De zuster boog zich over hem heen; haar warme adem voelde hij op zijn kil gezicht. Strak bleef hij liggen, onbewogen, alsof hij sliep. ’t Leek hem dat hij zoolang had gesproken, gevochten en gestreden, dat hij moe en uitgeput nu rust moest hebben. Met gesloten oogen bleef hij staren in ’t vage, zich moeite gevend om na te denken.Hoe raakte hij eigenlijk in ’t water en op welke manier, en door wíe werd hij eruit gehaald? Hij wist het niet dadelijk, doch langzamerhand werd ’t hem wat klaarder. Nee, hij wou niets meer ervan weten. ’t Was om te rillen!... Zachtjes-aan raakte hij weer buiten kennis en dommelde in.Bij ’t opnieuw wakker-worden voelde hij zich helderder, ja minder dof en zwaar van hoofd! De strakke witheid der zaal omlichtte hem egaal koel. Hij kende het hier al, toch moest hij zich klaar herinneren, dat hij in ’t ziekenhuis lag.Een bleek, zwart ernstig man, zag hij voor zich. Natuurlijk de dokter!Even keek hij naar hem òp, deed weer de oogen toe, om te ontwijken. De ander vroeg hem:—Nou, hoe is ’t d’ ermee, baasje?—’t Gaat nogal dokter... licht in ’t hoofd, en ik heb geen beenen.—Nou, die heb je wel, dàt verzeker ik je!—O! ik bedoel maar zoo voor ’t gevoel...De dokter nikte, lachte, vatte losjes de pols, nikte weer bevredigend. Baller liet z’n gedachten gaan, een inval schoot bij hem op. Nu vroeg hij, zichzelf verwonderend over de zwakheid van z’n stem:—Ben ik erg ziek geweest?—Nou dat gaat nog al... op ’t kantje af... aldoor veertig... maar je bent een taaie... stevige longen hoor!Baller moest erom glimlachen, keek wat ongeloovig en glimlachte nogeens, heel pijnlijk. Dan sprak de dokter opnieuw:—Ga nou maar slapen, morgen hoor je wel meer ervan!De dokter tipte al weg,—en hij lag weer alleen. Zoo, zoo! Hij haalde het dus van de dood op. In dat ijskoude water en bij ’t nippertje van zinken, geen wonder, dat-ie ’n ziekte ervan opliep. Longontsteking of wat zei de dokter ook weer? Die vreeselijke droomen, dàt vechten en zich schrap zetten, zeker koorts gehad, ijlende koortsen! Vaag zag hij ’t vervaarlijk geval, dat zich als een vast schrikbeeld hem vervolgde, nu weer opdagen. Een instinkt zei hem daaraan niet toe te mogen geven. Nee-nee, hij won er niet meer over denken... liever slapen, zich koest houden en eten. Zwaar voelde hij ’t vreemde,’t strakke van alles rondom, en dàt drong berustigend op hem in. De zorgen van de zuster deden hem goed. Die zuster zei ook, dat hij niet mocht denken, enkel maar rusten.Een paar dagen verliepen zonder dat hij zich van iets rekenschap kon geven. Zijn lichaam sterkte aan, ’t voelde niet meer zoo vreemd, zoo ijl, en ’t werd weer meer één met ’t bed, met hem zelf. De vrees voor ijlende koortsen drong elke herinnering van feiten bij hem weg. Hij verstijfde, verstarde zichzelf, maakte zijn geest bot; van ’t verleden wou hij niets meer weten, zich niets herinneren, uit vrees dat de verschrikking terug zou kunnen komen. Alle anderen kregen bezoek, maar hij wou niemand zien.Dan op ’n keer zei de zuster weifelend:—Daar zijn kennissen van u, vrouw Hesselaar en h’r man... wil u die ontvangen?Op de naam Hesselaar ontstelde hij al, schudde het zwart-behaarde bleeke hoofd krampachtig, stootte er zenuwend uit:—Nee-nee, g’n mensch wil ik hier hebben,.... u mag niemand toelaten!—Heel goed, heel goed! kalmeerde de zuster, ’t is ook beter van niet! Ze ijlde al weg.—Geen mensch... geen mensch! herhaalde hij nog eens, voor zichzelf. Ik wil met niemand te doen hebben.En zoo bleef het.De dokter vond ’t opperbest. ’t Werkte de genezing in de hand!De dagen streken voort. Geleidelijk-aan werd hij beter, sterker, en hij mocht al eenige uurtjes per dag opzitten, maar zijn weerzin tegen ’t verleden bleef. Zijn herinnering omkorstte hij met een starheid van niets willen herdenken.De Hesselaars kwamen nogeens op ’n Zondag, en ook de vroegere buren, doch hij bleef hardnekkig weigeren ze te ontvangen.Alleen de dominee durfde hij niet zoo behandelen. Die zat aan zijn bed, zonder dat hij ’t recht merkte. De zalvende woorden met wrang eronder de stichtende vermaning van zich te beteren, in ’t vervolg zijn God niet te beleedigen, niet zoo te drinken, àl dat geteem liet hij kalm langs zich heenglijden. Wat wist zoo’n man van zijn mizerie... wat begreep hij weinig, als die nog sprak, dat God z’n vrouw uit ’t leven nam, om hem wellicht te redden. Hoe ’n kreupele praat.Welnee, z’n vrouw maakte ’n eind d’eran, en daarvoor moest hij boeten, zoo zat het in elkaar! Maar hij hield z’n meening voor zich, vond het niet de moeite waard verder erover te praten.Door ’t volhardend zwijgen, het stugge nikken, merkte de dominee ’t mindere gewenscht-zijn, vertrok al gauw, na ’n poosje van onvruchtbaar geredeneer.’t Bezoek van dominee verstarde Baller nog meer in zijn trage denken. Toch welden vragen bij hemop over z’n vrouws dood en het treurige verloop; hij wilde weten op welke wijze zij werd begraven, en waar z’n boeltje bleef. Maar nu nog niet, dàt zou later wel blijken, dan was ’t vroeg genoeg!Het nuchtere dagelijksche leven liet zich vanzelf weer gelden. Schuchter ondervroeg hij de zuster, die een direkt antwoord nog eerst ontweek, hem aan ’t eind niet onkundig kon laten en ’t dan maar zonder veel omwegen zei.—Je vrouw, zei ze, is van gemeentewege gekist en begraven... en je huisraad... ja, u begrijpt! de huisbaas moest toch z’n woning terughebben, en toen is het geloof ik, op de stadstimmertuin ondergebracht...Hij nikte. ’t Kon niet anders! Begraven op kosten van de stad?.... Als ’n kind begon hij te schreien.De zuster troostte, zei dan flink:—Kom, kom, ’t is heel netjes en fatsoenlijk gegaan..... een groot woord van de stad, maar eigenlijk komt het op ’t zelfde neer wie de kosten betaalt, ja zeker!Hij zuchtte. Zijn tranen droogden op,—en hij verstrakte, verstomde weer. Op kosten van de stad, van de armen begraven? Dat was ’t lot van haar, die hij tot zijn vrouw maakte. Klaar zag hij voor zich al wat hij haar tekort had gedaan. Jammerlijk was-ie weggezakt van jaar tot jaar en trok haar mee.’n Schrille gedachte, niet uit hem zelf, maar alsvan een ander viel hem te binnen. Hij herinnerde zich een vaag gesprek, een gefluister tusschen twee verpleegsters, die meenden dat hij sliep, en die ’t over hem hadden, o zeker, omdat al wat ze zeien wel op hem sloeg.De eene zuster, een rooie, een socialiste, wilde de verpleging van gemeentewege vrijgeviger hebben. Ieder mensch, beweerde ze, had recht op ’t leven, op verzorging. De andere weerlegde fel, schamperde dat al die opvattingen maar betreklijk waren; ’t kwam erop aan wat je ’n mensch noemde. Kijk ’es naar zoo’n man, wat kost die geen geld aan verpleging, en met welk recht en met welk nut? Alleen omdat-ie geboren is, wil drinken, luieren, praatsmaken zonder te werken? Er zijn tal van dieren, die nuttiger zijn dan al die sterk-beklaagde menschen. Theorieën van geluk voor allen zijn goed, als ’t algemeen eerst wat hooger staat. Maak toch onderscheid tusschen menschen en wat er voor doorgaat!Hij wist niet precies meer wat de andere ertegen inbracht. ’t Was iets van de omstandigheden, die de mensch zoo maken, van ’n uitzondering, waarvoor ’t geheel niet behoefde te lijden, maar hoe ook, ’t raakte hem. En ’t was waar. Wat verrichtte hij in ’t leven? Niks, enkel ongeluk bracht hij aan. Wat zou hij nou nog kunnen doen?..... niemendal! hij deugde nergens voor. Een afgezakte, een afgetrapte was-ie..... kostte geld voor niets.Waarom hadden ze hem toch niet laten verdrinken?Dan was ’t uit geweest. Nou moest hij opnieuw aan de gang, anderen lastig vallen, en daarbij gebrek lijjen!De dominee had hem hulp toegezegd en óók de zuster, dezelfde nog wel, die zóó hard over hem sprak. Och ja, zeker, ze wou de moed er bij hem inhoûen, zei telkens dat hij van voren-af moest beginnen.Maar wat gaf dàt alles? Hij zag de toestand duidelijk voor zich. De kwelling, het tobben begon nu eerst goed.

In de witkalkige gasthuiszaal, eerst weken later, kwam hij tot kennis terug.

Bij ’t eerste, flauwe oogenopenen voelde hij de blanke, gedempte rust als iets koels, oneigens, een stijve strakte buiten hem om. Zijn lichaam leek niet van hem zelf te zijn, eêr een slap ding dat naast hem, ergens anders lag; in zijn hoofd, dof en zwaar, drongen niet dadelijk gedachten door. Met halfgesloten, nog verduisterde blik, staarde hij blind, zelfverloren in de witte blankte, die hem omgaf,—en langzaam-aan merkte hij eerst de omgeving, de vele andere bedden, waarop zieken, evenals hij, uitgestrekt lagen. Waar was hij toch? in deze wereld of in een andere? Wat gebeurde er met hem, wat hadden ze met hem uitgevoerd, dat hij nog leefde, dat hij weer hoorde en zag? Een poos lag hij zoo stil te kijken tot hij vaag begreep, dat hij in een ziekenhuis was.

Een zuster stevende stemmig aan. ’t Verwonderdehem aldoor, dat niemand aan zijn bed zat, dat hij niemand om hem zag, terwijl hij zich zoo geducht had moeten weren. Toch vond hij het goeddoende zoo rustig te liggen, zoo stil alleen, en nu de zuster op hem aanstreek, liet hij de half-geopende oogen zacht toeluiken, verroerde zich niet.

De zuster boog zich over hem heen; haar warme adem voelde hij op zijn kil gezicht. Strak bleef hij liggen, onbewogen, alsof hij sliep. ’t Leek hem dat hij zoolang had gesproken, gevochten en gestreden, dat hij moe en uitgeput nu rust moest hebben. Met gesloten oogen bleef hij staren in ’t vage, zich moeite gevend om na te denken.

Hoe raakte hij eigenlijk in ’t water en op welke manier, en door wíe werd hij eruit gehaald? Hij wist het niet dadelijk, doch langzamerhand werd ’t hem wat klaarder. Nee, hij wou niets meer ervan weten. ’t Was om te rillen!... Zachtjes-aan raakte hij weer buiten kennis en dommelde in.

Bij ’t opnieuw wakker-worden voelde hij zich helderder, ja minder dof en zwaar van hoofd! De strakke witheid der zaal omlichtte hem egaal koel. Hij kende het hier al, toch moest hij zich klaar herinneren, dat hij in ’t ziekenhuis lag.

Een bleek, zwart ernstig man, zag hij voor zich. Natuurlijk de dokter!

Even keek hij naar hem òp, deed weer de oogen toe, om te ontwijken. De ander vroeg hem:

—Nou, hoe is ’t d’ ermee, baasje?

—’t Gaat nogal dokter... licht in ’t hoofd, en ik heb geen beenen.

—Nou, die heb je wel, dàt verzeker ik je!

—O! ik bedoel maar zoo voor ’t gevoel...

De dokter nikte, lachte, vatte losjes de pols, nikte weer bevredigend. Baller liet z’n gedachten gaan, een inval schoot bij hem op. Nu vroeg hij, zichzelf verwonderend over de zwakheid van z’n stem:

—Ben ik erg ziek geweest?

—Nou dat gaat nog al... op ’t kantje af... aldoor veertig... maar je bent een taaie... stevige longen hoor!

Baller moest erom glimlachen, keek wat ongeloovig en glimlachte nogeens, heel pijnlijk. Dan sprak de dokter opnieuw:

—Ga nou maar slapen, morgen hoor je wel meer ervan!

De dokter tipte al weg,—en hij lag weer alleen. Zoo, zoo! Hij haalde het dus van de dood op. In dat ijskoude water en bij ’t nippertje van zinken, geen wonder, dat-ie ’n ziekte ervan opliep. Longontsteking of wat zei de dokter ook weer? Die vreeselijke droomen, dàt vechten en zich schrap zetten, zeker koorts gehad, ijlende koortsen! Vaag zag hij ’t vervaarlijk geval, dat zich als een vast schrikbeeld hem vervolgde, nu weer opdagen. Een instinkt zei hem daaraan niet toe te mogen geven. Nee-nee, hij won er niet meer over denken... liever slapen, zich koest houden en eten. Zwaar voelde hij ’t vreemde,’t strakke van alles rondom, en dàt drong berustigend op hem in. De zorgen van de zuster deden hem goed. Die zuster zei ook, dat hij niet mocht denken, enkel maar rusten.

Een paar dagen verliepen zonder dat hij zich van iets rekenschap kon geven. Zijn lichaam sterkte aan, ’t voelde niet meer zoo vreemd, zoo ijl, en ’t werd weer meer één met ’t bed, met hem zelf. De vrees voor ijlende koortsen drong elke herinnering van feiten bij hem weg. Hij verstijfde, verstarde zichzelf, maakte zijn geest bot; van ’t verleden wou hij niets meer weten, zich niets herinneren, uit vrees dat de verschrikking terug zou kunnen komen. Alle anderen kregen bezoek, maar hij wou niemand zien.

Dan op ’n keer zei de zuster weifelend:

—Daar zijn kennissen van u, vrouw Hesselaar en h’r man... wil u die ontvangen?

Op de naam Hesselaar ontstelde hij al, schudde het zwart-behaarde bleeke hoofd krampachtig, stootte er zenuwend uit:

—Nee-nee, g’n mensch wil ik hier hebben,.... u mag niemand toelaten!

—Heel goed, heel goed! kalmeerde de zuster, ’t is ook beter van niet! Ze ijlde al weg.

—Geen mensch... geen mensch! herhaalde hij nog eens, voor zichzelf. Ik wil met niemand te doen hebben.

En zoo bleef het.

De dokter vond ’t opperbest. ’t Werkte de genezing in de hand!

De dagen streken voort. Geleidelijk-aan werd hij beter, sterker, en hij mocht al eenige uurtjes per dag opzitten, maar zijn weerzin tegen ’t verleden bleef. Zijn herinnering omkorstte hij met een starheid van niets willen herdenken.

De Hesselaars kwamen nogeens op ’n Zondag, en ook de vroegere buren, doch hij bleef hardnekkig weigeren ze te ontvangen.

Alleen de dominee durfde hij niet zoo behandelen. Die zat aan zijn bed, zonder dat hij ’t recht merkte. De zalvende woorden met wrang eronder de stichtende vermaning van zich te beteren, in ’t vervolg zijn God niet te beleedigen, niet zoo te drinken, àl dat geteem liet hij kalm langs zich heenglijden. Wat wist zoo’n man van zijn mizerie... wat begreep hij weinig, als die nog sprak, dat God z’n vrouw uit ’t leven nam, om hem wellicht te redden. Hoe ’n kreupele praat.Welnee, z’n vrouw maakte ’n eind d’eran, en daarvoor moest hij boeten, zoo zat het in elkaar! Maar hij hield z’n meening voor zich, vond het niet de moeite waard verder erover te praten.

Door ’t volhardend zwijgen, het stugge nikken, merkte de dominee ’t mindere gewenscht-zijn, vertrok al gauw, na ’n poosje van onvruchtbaar geredeneer.

’t Bezoek van dominee verstarde Baller nog meer in zijn trage denken. Toch welden vragen bij hemop over z’n vrouws dood en het treurige verloop; hij wilde weten op welke wijze zij werd begraven, en waar z’n boeltje bleef. Maar nu nog niet, dàt zou later wel blijken, dan was ’t vroeg genoeg!

Het nuchtere dagelijksche leven liet zich vanzelf weer gelden. Schuchter ondervroeg hij de zuster, die een direkt antwoord nog eerst ontweek, hem aan ’t eind niet onkundig kon laten en ’t dan maar zonder veel omwegen zei.

—Je vrouw, zei ze, is van gemeentewege gekist en begraven... en je huisraad... ja, u begrijpt! de huisbaas moest toch z’n woning terughebben, en toen is het geloof ik, op de stadstimmertuin ondergebracht...

Hij nikte. ’t Kon niet anders! Begraven op kosten van de stad?.... Als ’n kind begon hij te schreien.

De zuster troostte, zei dan flink:

—Kom, kom, ’t is heel netjes en fatsoenlijk gegaan..... een groot woord van de stad, maar eigenlijk komt het op ’t zelfde neer wie de kosten betaalt, ja zeker!

Hij zuchtte. Zijn tranen droogden op,—en hij verstrakte, verstomde weer. Op kosten van de stad, van de armen begraven? Dat was ’t lot van haar, die hij tot zijn vrouw maakte. Klaar zag hij voor zich al wat hij haar tekort had gedaan. Jammerlijk was-ie weggezakt van jaar tot jaar en trok haar mee.

’n Schrille gedachte, niet uit hem zelf, maar alsvan een ander viel hem te binnen. Hij herinnerde zich een vaag gesprek, een gefluister tusschen twee verpleegsters, die meenden dat hij sliep, en die ’t over hem hadden, o zeker, omdat al wat ze zeien wel op hem sloeg.

De eene zuster, een rooie, een socialiste, wilde de verpleging van gemeentewege vrijgeviger hebben. Ieder mensch, beweerde ze, had recht op ’t leven, op verzorging. De andere weerlegde fel, schamperde dat al die opvattingen maar betreklijk waren; ’t kwam erop aan wat je ’n mensch noemde. Kijk ’es naar zoo’n man, wat kost die geen geld aan verpleging, en met welk recht en met welk nut? Alleen omdat-ie geboren is, wil drinken, luieren, praatsmaken zonder te werken? Er zijn tal van dieren, die nuttiger zijn dan al die sterk-beklaagde menschen. Theorieën van geluk voor allen zijn goed, als ’t algemeen eerst wat hooger staat. Maak toch onderscheid tusschen menschen en wat er voor doorgaat!

Hij wist niet precies meer wat de andere ertegen inbracht. ’t Was iets van de omstandigheden, die de mensch zoo maken, van ’n uitzondering, waarvoor ’t geheel niet behoefde te lijden, maar hoe ook, ’t raakte hem. En ’t was waar. Wat verrichtte hij in ’t leven? Niks, enkel ongeluk bracht hij aan. Wat zou hij nou nog kunnen doen?..... niemendal! hij deugde nergens voor. Een afgezakte, een afgetrapte was-ie..... kostte geld voor niets.

Waarom hadden ze hem toch niet laten verdrinken?Dan was ’t uit geweest. Nou moest hij opnieuw aan de gang, anderen lastig vallen, en daarbij gebrek lijjen!

De dominee had hem hulp toegezegd en óók de zuster, dezelfde nog wel, die zóó hard over hem sprak. Och ja, zeker, ze wou de moed er bij hem inhoûen, zei telkens dat hij van voren-af moest beginnen.

Maar wat gaf dàt alles? Hij zag de toestand duidelijk voor zich. De kwelling, het tobben begon nu eerst goed.


Back to IndexNext