I.EDELHART.[Inhoud]I.DE PRAIRIE.Ten westen van de Vereenigde Staten, strekt zich over een afstand van honderden mijlen, aan gene zijde van deMississippieen onmetelijk grondgebied uit, dat tot op dezen dag onbekend en onbebouwd ligt, en waar noch het huis van den blanke, noch de hut van den Indiaan zich verheft. Deze uitgestrekte woestenij,—eene aaneenschakeling van sombere wouden, met ongebaande wegen, die er allengs door het voetspoor der wilde dieren werden gevormd, afgewisseld door onafzienbare groene prairiën met hoog en dicht gras, dat het minste windje doet golven,—wordt door ontzaglijke stroomen besproeid, waarvan de grooteCanada-Rivier, deArkansasen deRoode Rivierde voornaamste zijn.Op deze in plantengroei zoo rijke gronden zwerven tallooze kudden van wilde paarden, buffels, elands en langhorens rond, alsmede die duizenderlei soorten van dieren, welke de beschaving der overige deelen van Amerika van dag tot dag verder voortdrijft, en die in deze weiden hunne vroegere vrijheid wedervinden.Ook hebben de machtigste stammen der Indianen in deze landstreek hun jachtverblijf gevestigd. DeDelawaren, deCricks, deOsagenoverschrijden de grenzen der woestijn in den omtrek der Amerikaansche koloniën, waarmede eenige zwakke banden van beschaving hen beginnen te vereenigen, worstelend tegen de horden derPawnies,Zwartvoeten,AssiniboinenenComanchen, onbedwongenvolksstammen, zwervende inwoners der prairiën of der bergen die in alle richtingen deze wildernis doorkruisen, waarvan niemand hunner[25]zich het bezit durft toeëigenen, maar die zij, met onderling goedvinden als het ware, verwoesten, zich in grooten getale tot de jacht vereenigend, alsof het een oorlog gold.En inderdaad, de vijanden, aan wier ontmoeting men in deze woestijn blootgesteld is, zijn velerlei; zonder hier nog van de wilde dieren te spreken, zijn er bovendien de jagers, de bevervangers of pelsjagers en de partijgangers, die voor de Indianen niet minder geducht zijn dan voor hunne landgenooten. Ook is de prairie het droevig tooneel van onophoudelijke en verschrikkelijke gevechten, inderdaad weinig meer dan een uitgestrekte doodsakker, waar ieder jaar, duizenden van onverschrokken mannen, in eenguerrillaoorlog zonder genade, spoorloos verdwijnen.Niets is grootscher en majestueuzer dan de aanblik van die prairiën, waarover de Voorzienigheid met kwistige hand ontelbare rijkdommen heeft uitgestort; niets is bekoorlijker dan die groene weiden, die dichte bosschen, die breede stroomen; het droefgeestig murmelen van het water tegen het oeverzand, het gezang der duizende vogels onder het gebladerte verscholen, de sprongen der dieren tusschen het hooge gras,—alles bekoort, alles trekt den verbaasden reiziger aan, en sleept hem mede, tot hij weldra, als slachtoffer zijner verrukking, in een dier tallooze strikken valt, te midden der bloemen onder zijne voeten gespannen, en zijne onvoorzichtige nieuwsgierigheid met het leven boet.Tegen het einde van het jaar 1837, in de laatste dagen van de maand September, door de IndianenMaan der vallende bladeren,—Inaqui Quisis—genaamd, zat een jong mensch, dien men aan zijne gelaatskleur, ondanks zijn volkomen Indiaansch kostuum, gemakkelijk voor een blanke herkende, een uur na zonsondergang, nabij een vuur, waaraan de behoefte in dit jaargetijde zich begon te doen gevoelen, op een der meest onbekende plaatsen van de prairie, die wij zooeven beschreven hebben.Deze man was hoogstens vijf- of zes en dertig jaren oud, ofschoon eenige diepe rimpels op zijn breed maar bleek voorhoofd, een hoogeren ouderdom schenen aan te duiden.Zijne gelaatstrekken waren schoon en edel, en droegen het stempel van dien trots en van die wilskracht, welke het leven in de woestijn schenkt. Zijne zwarte oogen, door dikke wenkbrauwen overschaduwd, hadden een zachte en droefgeestige uitdrukking, die hun gloed en levendigheid eenigermate temperde; het onderste gedeelte van zijn gelaat verdween achter een langen dichten baard, welks blauwachtige tint scherp afstak bij de bleekheid zijner trekken.Zijne gestalte was rijzig, slank en welgevormd; zijne gespierde ledematen toonden, dat hij met ongemeene kracht begaafd was. Zijn geheele persoonlijkheid eindelijk boezemde dien eerbied in, dien de physieke schoonheid in deze streken eerder verwekt, dan in onze maatschappij, waar zij bijna altijd met ruwheid en onbeschoftheid gepaard gaat.[26]Zijn kostuum was eenvoudig, en bestond uit eenmitasse,—een soort van nauwe broek—die tot aan de enkels reikte en met een lederen gordel aan de heupen was bevestigd, en uit een jachtkiel van gebleekt katoen, met wol van verschillende kleuren geborduurd, die hem tot halverwege de beenen kwam. Deze kiel, van voren open, liet zijn bruine borst zien, waarover een zwart fluweelen schoudermantel hing, die door een dunne stalen ketting werd vastgehouden. Laarzen van ongelooid hertsleder beschutten hem tegen slangebeten, en reikten hem tot aan de knieën; een muts van bevervel, waaraan men den staart had gelaten, die naar achteren afhing, bedekte zijn hoofd, terwijl lange lokken van weelderig zwart haar, dat hier en daar reeds begon te grijzen, over zijne breede schouders golfden.Die man was een jager.Een prachtige buks met getrokken loop, vóór hem geplaatst onder het bereik zijner hand, de weitasch die hij aan een bandelier om zijne schouders droeg en de twee buffelhorens, die met kruit en kogels gevuld aan zijn gordel hingen, lieten te dezen opzichte geen twijfel meer over. Twee lange dubbele pistolen waren achteloos bij zijn karabijn neêrgeworpen.De jager, gewapend met eenmachete, een korte, rechte sabel, die nooit de zijde van een prairie-bewoner verlaat, was bezig met zorgvuldig een bever te villen, tevens het oog houdende op een hertenbout, die over het vuur hing te braden, en aandachtig luisterende naar elk gerucht, dat zich in de prairiën hooren deed. De plaats waar deze man zich bevond, was uitmuntend gekozen voor een halt van eenige uren.Het was een opene plek op den top van een vrij hoogen heuvel, die door zijne ligging te midden van eene groote vlakte, een onverwachten overval onmogelijk maakte. Op eenige schreden afstand van de plaats, waar de jager zijn bivak had opgeslagen, stroomde een beek, die naar beneden stortende een kleinen maar schoonen waterval vormde. Het hooge en overvloedige gras bood een uitmuntendepasto(weide) voor twee trotsche paarden, met wilde en fonkelende oogen, die aan een blok gebonden eenige schreden van daar hun voedsel zochten. Het houtvuur, van drie kanten door eene rots beschermd, liet slechts eene dunne, op eenigen afstand onzichtbare rookwolk ontsnappen, en een gordijn van eeuwen oude boomen verborg het kamp voor de onbescheiden blikken van hen, die waarschijnlijk in den omtrek in hinderlaag gelegen waren.Kortom, al deze voorzorgen, zoo noodzakelijk voor de veiligheid van den jager, waren met eene behoedzaamheid gekozen, die eene diepe kennis verraadt van het leven der woudloopers.De roodachtige gloed van de ondergaande zon kleurde de toppen der hooge boomen: de zon was op het punt van achter de bergen, die den horizont begrensden, te verdwijnen, toen de paarden plotseling hun maaltijd afbraken, de koppen opstaken en de ooren spitsten: alles teekenen van ongerustheid, die den jager niet ontgingen.[27]Ofschoon hij geen enkel verdacht geluid hoorde, en alles in den omtrek rustig scheen te zijn, haastte hij zich toch om de beverhuid voor het vuur over twee kruiselings geplaatste stokken te spannen, en zonder op te staan strekte hij de hand naar zijn karabijn uit.Driemaal achtereen, telkens met gelijke tusschenpoozen, deed zich het geschreeuw van den ekster hooren; de jager plaatste zijn karabijn lachend naast zich, en ging voort met voor het avondmaal te zorgen;bijna op hetzelfde oogenblik ontstond er beweging in de grashalmen en struiken, en twee prachtige speurhonden kwamen zich springend voor den jager neêrwerpen, die hen even streelde en veel moeite scheen te hebben, om zich van hunne liefkozingen te ontslaan.De paarden hadden onbezorgd hun afgebroken maaltijd voortgezet.Deze honden waren de voorloopers van een tweeden jager, die bijna te gelijkertijd op den heuveltop te voorschijn trad.Deze nieuwe personaadje, veel jonger dan de eerste, want hij scheen niet ouder dan twee en twintig jaar, was een groot, slank, vlug mensch, met gespierde vormen, een rond hoofd, twee grijze, verstandige oogen en een open en edel uiterlijk, waaraan zijne lange, blonde haren iets kinderlijks gaven. Hij was eveneens gekleed als zijn medgezel, en zoodra hij aankwam, wierp hij naast het vuur een rist vogels neder, die hij op zijne schouders droeg.De twee jagers begonnen toen, zonder een woord te wisselen, een van die soupers te bereiden, die door honger en vermoeidheid altijd uitmuntend worden gekruid.Het was geheel nacht geworden, de woestijn begon langzamerhand te leven; het gehuil der wilde dieren weêrklonk reeds in de prairie.Na smakelijk gesoupeerd te hebben, staken de jagers hunne pijpen op, en zich met den rug naar het vuur plaatsende, om door het schijnsel der vlammen niet verhinderd te worden de nadering van verdachte bezoekers te onderscheiden, die de duisternis hun kon aanbrengen, rookten zij met het stille genot van lieden, die na een langen en moeielijken dag, een oogenblik rust hebben, dat zij misschien in langen tijd niet zullen wedervinden.»Welnu?” zeide de eerste jager, lakoniek tusschen twee rookwolken in.»Gij hadt gelijk,” was het antwoord.»O, zoo!”»Ja, wij zijn te veel rechts afgegaan, dat heeft ons het spoor doen verliezen.”»Ik was er zeker van,” hernam de eerste; »ziet gij,Goedsmoeds, gij vertrouwt te veel op uw Canadasche gewoonten; de Indianen, waarmede wij hier te doen hebben, hebben niets gemeen met de Irokeezen, die de jachtgronden van uw land doorkruisen.” Goedsmoeds boog het hoofd ten teeken van toestemming.»Overigens,” hernam de ander, »is dit op het oogenblik van weinig belang; het voornaamste is, te weten wie de dieven zijn, die ons bestolen hebben.”[28]»Ik weet het.”»Goed zoo!” zeide de ander, met levendigheid zijn pijp uit den mond halende; »en wie zijn de Indianen die de vallen1, met mijn teeken gemerkt, hebben durven stelen?”»De Comanchen.”»Ik dacht het wel! Tien onzer beste vallen des nachts gestolen! Ik zweer u, Goedsmoeds, dat zij ze duur zullen betalen!.… En waar bevinden zich de Comanchen op het oogenblik?”»Hoogstens op twee mijlen afstands. Het is een troep plunderaars van twaalf man; volgens de richting, die zij nemen, gaan zij naar hunne bergen terug.”»Zij zullen er niet alle komen,” zeide de jager, een blik op zijn buks werpende.»Voor den duivel!” zeide Goedsmoeds met eenen ruwen lach, »zij zullen slechts hun verdiend loon krijgen; ik laat het aan u over,Edelhart, om ze voor hunne onbeschaamdheid te straffen; maar gij zult in uw besluit om u te wreken nog wel versterkt worden, als gij weet wie hen aanvoert.”»Zoo, zoo! Gij kent dus hun opperhoofd?”»Zoo wat,” zeide Goedsmoeds glimlachend, »het isNehunutah(Arendskop.)”»De Arendskop!” riep Edelhart opspringende, »o ja, dien ken ik maar al te goed, en God geve dat ik ditmaal met hem moge afrekenen. ZijneMocksens(halve laarzen) hebben mij lang genoeg in den weg geloopen.”Na deze woorden te hebben uitgesproken, met een uitdrukking van haat, die Goedsmoeds deed sidderen, nam de jager, nadat hij aan den toorn die hem beheerschte lucht had gegeven, zijn pijp weder op en begon weder met schijnbare onbezorgdheid te rooken, waardoor zijn medgezel zich echter volstrekt niet verschalken liet.Het gesprek werd afgebroken. De twee jagers schenen in ernstig gepeins verdiept, en rookten in stilte naast elkander voort.Ten laatste wendde Goedsmoeds zich tot zijn medgezel met de vraag: »Zal ik waken?”»Neen,” antwoordde Edelhart zachtjes, »slaap gij maar, ik zal wel voor u en voor mij de wacht houden.”Goedsmoeds legde zich, zonder de minste aanmerking te maken, bij het vuur neder, en was eenige minuten later in een gerusten slaap.Toen de leeuwerik zijn morgenlied deed hooren, wekte Edelhart, die den geheelen nacht onbewegelijk als een marmerblok op wacht had gezeten, zijn makker wederom op.»Het is tijd,” zeide hij.»Goed!” antwoordde Goedsmoeds, die dadelijk opstond. De jagers zadelden hunne paarden, klommen behoedzaam van den heuvel naar beneden, en volgden het spoor der Comanchen.[29]Op hetzelfde oogenblik verscheen de zon aan de kimmen, verdreef de nevels en wierp haar prachtig licht over de prairie.1Waarmede de bevers gevangen worden.↑
I.EDELHART.[Inhoud]I.DE PRAIRIE.Ten westen van de Vereenigde Staten, strekt zich over een afstand van honderden mijlen, aan gene zijde van deMississippieen onmetelijk grondgebied uit, dat tot op dezen dag onbekend en onbebouwd ligt, en waar noch het huis van den blanke, noch de hut van den Indiaan zich verheft. Deze uitgestrekte woestenij,—eene aaneenschakeling van sombere wouden, met ongebaande wegen, die er allengs door het voetspoor der wilde dieren werden gevormd, afgewisseld door onafzienbare groene prairiën met hoog en dicht gras, dat het minste windje doet golven,—wordt door ontzaglijke stroomen besproeid, waarvan de grooteCanada-Rivier, deArkansasen deRoode Rivierde voornaamste zijn.Op deze in plantengroei zoo rijke gronden zwerven tallooze kudden van wilde paarden, buffels, elands en langhorens rond, alsmede die duizenderlei soorten van dieren, welke de beschaving der overige deelen van Amerika van dag tot dag verder voortdrijft, en die in deze weiden hunne vroegere vrijheid wedervinden.Ook hebben de machtigste stammen der Indianen in deze landstreek hun jachtverblijf gevestigd. DeDelawaren, deCricks, deOsagenoverschrijden de grenzen der woestijn in den omtrek der Amerikaansche koloniën, waarmede eenige zwakke banden van beschaving hen beginnen te vereenigen, worstelend tegen de horden derPawnies,Zwartvoeten,AssiniboinenenComanchen, onbedwongenvolksstammen, zwervende inwoners der prairiën of der bergen die in alle richtingen deze wildernis doorkruisen, waarvan niemand hunner[25]zich het bezit durft toeëigenen, maar die zij, met onderling goedvinden als het ware, verwoesten, zich in grooten getale tot de jacht vereenigend, alsof het een oorlog gold.En inderdaad, de vijanden, aan wier ontmoeting men in deze woestijn blootgesteld is, zijn velerlei; zonder hier nog van de wilde dieren te spreken, zijn er bovendien de jagers, de bevervangers of pelsjagers en de partijgangers, die voor de Indianen niet minder geducht zijn dan voor hunne landgenooten. Ook is de prairie het droevig tooneel van onophoudelijke en verschrikkelijke gevechten, inderdaad weinig meer dan een uitgestrekte doodsakker, waar ieder jaar, duizenden van onverschrokken mannen, in eenguerrillaoorlog zonder genade, spoorloos verdwijnen.Niets is grootscher en majestueuzer dan de aanblik van die prairiën, waarover de Voorzienigheid met kwistige hand ontelbare rijkdommen heeft uitgestort; niets is bekoorlijker dan die groene weiden, die dichte bosschen, die breede stroomen; het droefgeestig murmelen van het water tegen het oeverzand, het gezang der duizende vogels onder het gebladerte verscholen, de sprongen der dieren tusschen het hooge gras,—alles bekoort, alles trekt den verbaasden reiziger aan, en sleept hem mede, tot hij weldra, als slachtoffer zijner verrukking, in een dier tallooze strikken valt, te midden der bloemen onder zijne voeten gespannen, en zijne onvoorzichtige nieuwsgierigheid met het leven boet.Tegen het einde van het jaar 1837, in de laatste dagen van de maand September, door de IndianenMaan der vallende bladeren,—Inaqui Quisis—genaamd, zat een jong mensch, dien men aan zijne gelaatskleur, ondanks zijn volkomen Indiaansch kostuum, gemakkelijk voor een blanke herkende, een uur na zonsondergang, nabij een vuur, waaraan de behoefte in dit jaargetijde zich begon te doen gevoelen, op een der meest onbekende plaatsen van de prairie, die wij zooeven beschreven hebben.Deze man was hoogstens vijf- of zes en dertig jaren oud, ofschoon eenige diepe rimpels op zijn breed maar bleek voorhoofd, een hoogeren ouderdom schenen aan te duiden.Zijne gelaatstrekken waren schoon en edel, en droegen het stempel van dien trots en van die wilskracht, welke het leven in de woestijn schenkt. Zijne zwarte oogen, door dikke wenkbrauwen overschaduwd, hadden een zachte en droefgeestige uitdrukking, die hun gloed en levendigheid eenigermate temperde; het onderste gedeelte van zijn gelaat verdween achter een langen dichten baard, welks blauwachtige tint scherp afstak bij de bleekheid zijner trekken.Zijne gestalte was rijzig, slank en welgevormd; zijne gespierde ledematen toonden, dat hij met ongemeene kracht begaafd was. Zijn geheele persoonlijkheid eindelijk boezemde dien eerbied in, dien de physieke schoonheid in deze streken eerder verwekt, dan in onze maatschappij, waar zij bijna altijd met ruwheid en onbeschoftheid gepaard gaat.[26]Zijn kostuum was eenvoudig, en bestond uit eenmitasse,—een soort van nauwe broek—die tot aan de enkels reikte en met een lederen gordel aan de heupen was bevestigd, en uit een jachtkiel van gebleekt katoen, met wol van verschillende kleuren geborduurd, die hem tot halverwege de beenen kwam. Deze kiel, van voren open, liet zijn bruine borst zien, waarover een zwart fluweelen schoudermantel hing, die door een dunne stalen ketting werd vastgehouden. Laarzen van ongelooid hertsleder beschutten hem tegen slangebeten, en reikten hem tot aan de knieën; een muts van bevervel, waaraan men den staart had gelaten, die naar achteren afhing, bedekte zijn hoofd, terwijl lange lokken van weelderig zwart haar, dat hier en daar reeds begon te grijzen, over zijne breede schouders golfden.Die man was een jager.Een prachtige buks met getrokken loop, vóór hem geplaatst onder het bereik zijner hand, de weitasch die hij aan een bandelier om zijne schouders droeg en de twee buffelhorens, die met kruit en kogels gevuld aan zijn gordel hingen, lieten te dezen opzichte geen twijfel meer over. Twee lange dubbele pistolen waren achteloos bij zijn karabijn neêrgeworpen.De jager, gewapend met eenmachete, een korte, rechte sabel, die nooit de zijde van een prairie-bewoner verlaat, was bezig met zorgvuldig een bever te villen, tevens het oog houdende op een hertenbout, die over het vuur hing te braden, en aandachtig luisterende naar elk gerucht, dat zich in de prairiën hooren deed. De plaats waar deze man zich bevond, was uitmuntend gekozen voor een halt van eenige uren.Het was een opene plek op den top van een vrij hoogen heuvel, die door zijne ligging te midden van eene groote vlakte, een onverwachten overval onmogelijk maakte. Op eenige schreden afstand van de plaats, waar de jager zijn bivak had opgeslagen, stroomde een beek, die naar beneden stortende een kleinen maar schoonen waterval vormde. Het hooge en overvloedige gras bood een uitmuntendepasto(weide) voor twee trotsche paarden, met wilde en fonkelende oogen, die aan een blok gebonden eenige schreden van daar hun voedsel zochten. Het houtvuur, van drie kanten door eene rots beschermd, liet slechts eene dunne, op eenigen afstand onzichtbare rookwolk ontsnappen, en een gordijn van eeuwen oude boomen verborg het kamp voor de onbescheiden blikken van hen, die waarschijnlijk in den omtrek in hinderlaag gelegen waren.Kortom, al deze voorzorgen, zoo noodzakelijk voor de veiligheid van den jager, waren met eene behoedzaamheid gekozen, die eene diepe kennis verraadt van het leven der woudloopers.De roodachtige gloed van de ondergaande zon kleurde de toppen der hooge boomen: de zon was op het punt van achter de bergen, die den horizont begrensden, te verdwijnen, toen de paarden plotseling hun maaltijd afbraken, de koppen opstaken en de ooren spitsten: alles teekenen van ongerustheid, die den jager niet ontgingen.[27]Ofschoon hij geen enkel verdacht geluid hoorde, en alles in den omtrek rustig scheen te zijn, haastte hij zich toch om de beverhuid voor het vuur over twee kruiselings geplaatste stokken te spannen, en zonder op te staan strekte hij de hand naar zijn karabijn uit.Driemaal achtereen, telkens met gelijke tusschenpoozen, deed zich het geschreeuw van den ekster hooren; de jager plaatste zijn karabijn lachend naast zich, en ging voort met voor het avondmaal te zorgen;bijna op hetzelfde oogenblik ontstond er beweging in de grashalmen en struiken, en twee prachtige speurhonden kwamen zich springend voor den jager neêrwerpen, die hen even streelde en veel moeite scheen te hebben, om zich van hunne liefkozingen te ontslaan.De paarden hadden onbezorgd hun afgebroken maaltijd voortgezet.Deze honden waren de voorloopers van een tweeden jager, die bijna te gelijkertijd op den heuveltop te voorschijn trad.Deze nieuwe personaadje, veel jonger dan de eerste, want hij scheen niet ouder dan twee en twintig jaar, was een groot, slank, vlug mensch, met gespierde vormen, een rond hoofd, twee grijze, verstandige oogen en een open en edel uiterlijk, waaraan zijne lange, blonde haren iets kinderlijks gaven. Hij was eveneens gekleed als zijn medgezel, en zoodra hij aankwam, wierp hij naast het vuur een rist vogels neder, die hij op zijne schouders droeg.De twee jagers begonnen toen, zonder een woord te wisselen, een van die soupers te bereiden, die door honger en vermoeidheid altijd uitmuntend worden gekruid.Het was geheel nacht geworden, de woestijn begon langzamerhand te leven; het gehuil der wilde dieren weêrklonk reeds in de prairie.Na smakelijk gesoupeerd te hebben, staken de jagers hunne pijpen op, en zich met den rug naar het vuur plaatsende, om door het schijnsel der vlammen niet verhinderd te worden de nadering van verdachte bezoekers te onderscheiden, die de duisternis hun kon aanbrengen, rookten zij met het stille genot van lieden, die na een langen en moeielijken dag, een oogenblik rust hebben, dat zij misschien in langen tijd niet zullen wedervinden.»Welnu?” zeide de eerste jager, lakoniek tusschen twee rookwolken in.»Gij hadt gelijk,” was het antwoord.»O, zoo!”»Ja, wij zijn te veel rechts afgegaan, dat heeft ons het spoor doen verliezen.”»Ik was er zeker van,” hernam de eerste; »ziet gij,Goedsmoeds, gij vertrouwt te veel op uw Canadasche gewoonten; de Indianen, waarmede wij hier te doen hebben, hebben niets gemeen met de Irokeezen, die de jachtgronden van uw land doorkruisen.” Goedsmoeds boog het hoofd ten teeken van toestemming.»Overigens,” hernam de ander, »is dit op het oogenblik van weinig belang; het voornaamste is, te weten wie de dieven zijn, die ons bestolen hebben.”[28]»Ik weet het.”»Goed zoo!” zeide de ander, met levendigheid zijn pijp uit den mond halende; »en wie zijn de Indianen die de vallen1, met mijn teeken gemerkt, hebben durven stelen?”»De Comanchen.”»Ik dacht het wel! Tien onzer beste vallen des nachts gestolen! Ik zweer u, Goedsmoeds, dat zij ze duur zullen betalen!.… En waar bevinden zich de Comanchen op het oogenblik?”»Hoogstens op twee mijlen afstands. Het is een troep plunderaars van twaalf man; volgens de richting, die zij nemen, gaan zij naar hunne bergen terug.”»Zij zullen er niet alle komen,” zeide de jager, een blik op zijn buks werpende.»Voor den duivel!” zeide Goedsmoeds met eenen ruwen lach, »zij zullen slechts hun verdiend loon krijgen; ik laat het aan u over,Edelhart, om ze voor hunne onbeschaamdheid te straffen; maar gij zult in uw besluit om u te wreken nog wel versterkt worden, als gij weet wie hen aanvoert.”»Zoo, zoo! Gij kent dus hun opperhoofd?”»Zoo wat,” zeide Goedsmoeds glimlachend, »het isNehunutah(Arendskop.)”»De Arendskop!” riep Edelhart opspringende, »o ja, dien ken ik maar al te goed, en God geve dat ik ditmaal met hem moge afrekenen. ZijneMocksens(halve laarzen) hebben mij lang genoeg in den weg geloopen.”Na deze woorden te hebben uitgesproken, met een uitdrukking van haat, die Goedsmoeds deed sidderen, nam de jager, nadat hij aan den toorn die hem beheerschte lucht had gegeven, zijn pijp weder op en begon weder met schijnbare onbezorgdheid te rooken, waardoor zijn medgezel zich echter volstrekt niet verschalken liet.Het gesprek werd afgebroken. De twee jagers schenen in ernstig gepeins verdiept, en rookten in stilte naast elkander voort.Ten laatste wendde Goedsmoeds zich tot zijn medgezel met de vraag: »Zal ik waken?”»Neen,” antwoordde Edelhart zachtjes, »slaap gij maar, ik zal wel voor u en voor mij de wacht houden.”Goedsmoeds legde zich, zonder de minste aanmerking te maken, bij het vuur neder, en was eenige minuten later in een gerusten slaap.Toen de leeuwerik zijn morgenlied deed hooren, wekte Edelhart, die den geheelen nacht onbewegelijk als een marmerblok op wacht had gezeten, zijn makker wederom op.»Het is tijd,” zeide hij.»Goed!” antwoordde Goedsmoeds, die dadelijk opstond. De jagers zadelden hunne paarden, klommen behoedzaam van den heuvel naar beneden, en volgden het spoor der Comanchen.[29]Op hetzelfde oogenblik verscheen de zon aan de kimmen, verdreef de nevels en wierp haar prachtig licht over de prairie.1Waarmede de bevers gevangen worden.↑
[Inhoud]I.DE PRAIRIE.Ten westen van de Vereenigde Staten, strekt zich over een afstand van honderden mijlen, aan gene zijde van deMississippieen onmetelijk grondgebied uit, dat tot op dezen dag onbekend en onbebouwd ligt, en waar noch het huis van den blanke, noch de hut van den Indiaan zich verheft. Deze uitgestrekte woestenij,—eene aaneenschakeling van sombere wouden, met ongebaande wegen, die er allengs door het voetspoor der wilde dieren werden gevormd, afgewisseld door onafzienbare groene prairiën met hoog en dicht gras, dat het minste windje doet golven,—wordt door ontzaglijke stroomen besproeid, waarvan de grooteCanada-Rivier, deArkansasen deRoode Rivierde voornaamste zijn.Op deze in plantengroei zoo rijke gronden zwerven tallooze kudden van wilde paarden, buffels, elands en langhorens rond, alsmede die duizenderlei soorten van dieren, welke de beschaving der overige deelen van Amerika van dag tot dag verder voortdrijft, en die in deze weiden hunne vroegere vrijheid wedervinden.Ook hebben de machtigste stammen der Indianen in deze landstreek hun jachtverblijf gevestigd. DeDelawaren, deCricks, deOsagenoverschrijden de grenzen der woestijn in den omtrek der Amerikaansche koloniën, waarmede eenige zwakke banden van beschaving hen beginnen te vereenigen, worstelend tegen de horden derPawnies,Zwartvoeten,AssiniboinenenComanchen, onbedwongenvolksstammen, zwervende inwoners der prairiën of der bergen die in alle richtingen deze wildernis doorkruisen, waarvan niemand hunner[25]zich het bezit durft toeëigenen, maar die zij, met onderling goedvinden als het ware, verwoesten, zich in grooten getale tot de jacht vereenigend, alsof het een oorlog gold.En inderdaad, de vijanden, aan wier ontmoeting men in deze woestijn blootgesteld is, zijn velerlei; zonder hier nog van de wilde dieren te spreken, zijn er bovendien de jagers, de bevervangers of pelsjagers en de partijgangers, die voor de Indianen niet minder geducht zijn dan voor hunne landgenooten. Ook is de prairie het droevig tooneel van onophoudelijke en verschrikkelijke gevechten, inderdaad weinig meer dan een uitgestrekte doodsakker, waar ieder jaar, duizenden van onverschrokken mannen, in eenguerrillaoorlog zonder genade, spoorloos verdwijnen.Niets is grootscher en majestueuzer dan de aanblik van die prairiën, waarover de Voorzienigheid met kwistige hand ontelbare rijkdommen heeft uitgestort; niets is bekoorlijker dan die groene weiden, die dichte bosschen, die breede stroomen; het droefgeestig murmelen van het water tegen het oeverzand, het gezang der duizende vogels onder het gebladerte verscholen, de sprongen der dieren tusschen het hooge gras,—alles bekoort, alles trekt den verbaasden reiziger aan, en sleept hem mede, tot hij weldra, als slachtoffer zijner verrukking, in een dier tallooze strikken valt, te midden der bloemen onder zijne voeten gespannen, en zijne onvoorzichtige nieuwsgierigheid met het leven boet.Tegen het einde van het jaar 1837, in de laatste dagen van de maand September, door de IndianenMaan der vallende bladeren,—Inaqui Quisis—genaamd, zat een jong mensch, dien men aan zijne gelaatskleur, ondanks zijn volkomen Indiaansch kostuum, gemakkelijk voor een blanke herkende, een uur na zonsondergang, nabij een vuur, waaraan de behoefte in dit jaargetijde zich begon te doen gevoelen, op een der meest onbekende plaatsen van de prairie, die wij zooeven beschreven hebben.Deze man was hoogstens vijf- of zes en dertig jaren oud, ofschoon eenige diepe rimpels op zijn breed maar bleek voorhoofd, een hoogeren ouderdom schenen aan te duiden.Zijne gelaatstrekken waren schoon en edel, en droegen het stempel van dien trots en van die wilskracht, welke het leven in de woestijn schenkt. Zijne zwarte oogen, door dikke wenkbrauwen overschaduwd, hadden een zachte en droefgeestige uitdrukking, die hun gloed en levendigheid eenigermate temperde; het onderste gedeelte van zijn gelaat verdween achter een langen dichten baard, welks blauwachtige tint scherp afstak bij de bleekheid zijner trekken.Zijne gestalte was rijzig, slank en welgevormd; zijne gespierde ledematen toonden, dat hij met ongemeene kracht begaafd was. Zijn geheele persoonlijkheid eindelijk boezemde dien eerbied in, dien de physieke schoonheid in deze streken eerder verwekt, dan in onze maatschappij, waar zij bijna altijd met ruwheid en onbeschoftheid gepaard gaat.[26]Zijn kostuum was eenvoudig, en bestond uit eenmitasse,—een soort van nauwe broek—die tot aan de enkels reikte en met een lederen gordel aan de heupen was bevestigd, en uit een jachtkiel van gebleekt katoen, met wol van verschillende kleuren geborduurd, die hem tot halverwege de beenen kwam. Deze kiel, van voren open, liet zijn bruine borst zien, waarover een zwart fluweelen schoudermantel hing, die door een dunne stalen ketting werd vastgehouden. Laarzen van ongelooid hertsleder beschutten hem tegen slangebeten, en reikten hem tot aan de knieën; een muts van bevervel, waaraan men den staart had gelaten, die naar achteren afhing, bedekte zijn hoofd, terwijl lange lokken van weelderig zwart haar, dat hier en daar reeds begon te grijzen, over zijne breede schouders golfden.Die man was een jager.Een prachtige buks met getrokken loop, vóór hem geplaatst onder het bereik zijner hand, de weitasch die hij aan een bandelier om zijne schouders droeg en de twee buffelhorens, die met kruit en kogels gevuld aan zijn gordel hingen, lieten te dezen opzichte geen twijfel meer over. Twee lange dubbele pistolen waren achteloos bij zijn karabijn neêrgeworpen.De jager, gewapend met eenmachete, een korte, rechte sabel, die nooit de zijde van een prairie-bewoner verlaat, was bezig met zorgvuldig een bever te villen, tevens het oog houdende op een hertenbout, die over het vuur hing te braden, en aandachtig luisterende naar elk gerucht, dat zich in de prairiën hooren deed. De plaats waar deze man zich bevond, was uitmuntend gekozen voor een halt van eenige uren.Het was een opene plek op den top van een vrij hoogen heuvel, die door zijne ligging te midden van eene groote vlakte, een onverwachten overval onmogelijk maakte. Op eenige schreden afstand van de plaats, waar de jager zijn bivak had opgeslagen, stroomde een beek, die naar beneden stortende een kleinen maar schoonen waterval vormde. Het hooge en overvloedige gras bood een uitmuntendepasto(weide) voor twee trotsche paarden, met wilde en fonkelende oogen, die aan een blok gebonden eenige schreden van daar hun voedsel zochten. Het houtvuur, van drie kanten door eene rots beschermd, liet slechts eene dunne, op eenigen afstand onzichtbare rookwolk ontsnappen, en een gordijn van eeuwen oude boomen verborg het kamp voor de onbescheiden blikken van hen, die waarschijnlijk in den omtrek in hinderlaag gelegen waren.Kortom, al deze voorzorgen, zoo noodzakelijk voor de veiligheid van den jager, waren met eene behoedzaamheid gekozen, die eene diepe kennis verraadt van het leven der woudloopers.De roodachtige gloed van de ondergaande zon kleurde de toppen der hooge boomen: de zon was op het punt van achter de bergen, die den horizont begrensden, te verdwijnen, toen de paarden plotseling hun maaltijd afbraken, de koppen opstaken en de ooren spitsten: alles teekenen van ongerustheid, die den jager niet ontgingen.[27]Ofschoon hij geen enkel verdacht geluid hoorde, en alles in den omtrek rustig scheen te zijn, haastte hij zich toch om de beverhuid voor het vuur over twee kruiselings geplaatste stokken te spannen, en zonder op te staan strekte hij de hand naar zijn karabijn uit.Driemaal achtereen, telkens met gelijke tusschenpoozen, deed zich het geschreeuw van den ekster hooren; de jager plaatste zijn karabijn lachend naast zich, en ging voort met voor het avondmaal te zorgen;bijna op hetzelfde oogenblik ontstond er beweging in de grashalmen en struiken, en twee prachtige speurhonden kwamen zich springend voor den jager neêrwerpen, die hen even streelde en veel moeite scheen te hebben, om zich van hunne liefkozingen te ontslaan.De paarden hadden onbezorgd hun afgebroken maaltijd voortgezet.Deze honden waren de voorloopers van een tweeden jager, die bijna te gelijkertijd op den heuveltop te voorschijn trad.Deze nieuwe personaadje, veel jonger dan de eerste, want hij scheen niet ouder dan twee en twintig jaar, was een groot, slank, vlug mensch, met gespierde vormen, een rond hoofd, twee grijze, verstandige oogen en een open en edel uiterlijk, waaraan zijne lange, blonde haren iets kinderlijks gaven. Hij was eveneens gekleed als zijn medgezel, en zoodra hij aankwam, wierp hij naast het vuur een rist vogels neder, die hij op zijne schouders droeg.De twee jagers begonnen toen, zonder een woord te wisselen, een van die soupers te bereiden, die door honger en vermoeidheid altijd uitmuntend worden gekruid.Het was geheel nacht geworden, de woestijn begon langzamerhand te leven; het gehuil der wilde dieren weêrklonk reeds in de prairie.Na smakelijk gesoupeerd te hebben, staken de jagers hunne pijpen op, en zich met den rug naar het vuur plaatsende, om door het schijnsel der vlammen niet verhinderd te worden de nadering van verdachte bezoekers te onderscheiden, die de duisternis hun kon aanbrengen, rookten zij met het stille genot van lieden, die na een langen en moeielijken dag, een oogenblik rust hebben, dat zij misschien in langen tijd niet zullen wedervinden.»Welnu?” zeide de eerste jager, lakoniek tusschen twee rookwolken in.»Gij hadt gelijk,” was het antwoord.»O, zoo!”»Ja, wij zijn te veel rechts afgegaan, dat heeft ons het spoor doen verliezen.”»Ik was er zeker van,” hernam de eerste; »ziet gij,Goedsmoeds, gij vertrouwt te veel op uw Canadasche gewoonten; de Indianen, waarmede wij hier te doen hebben, hebben niets gemeen met de Irokeezen, die de jachtgronden van uw land doorkruisen.” Goedsmoeds boog het hoofd ten teeken van toestemming.»Overigens,” hernam de ander, »is dit op het oogenblik van weinig belang; het voornaamste is, te weten wie de dieven zijn, die ons bestolen hebben.”[28]»Ik weet het.”»Goed zoo!” zeide de ander, met levendigheid zijn pijp uit den mond halende; »en wie zijn de Indianen die de vallen1, met mijn teeken gemerkt, hebben durven stelen?”»De Comanchen.”»Ik dacht het wel! Tien onzer beste vallen des nachts gestolen! Ik zweer u, Goedsmoeds, dat zij ze duur zullen betalen!.… En waar bevinden zich de Comanchen op het oogenblik?”»Hoogstens op twee mijlen afstands. Het is een troep plunderaars van twaalf man; volgens de richting, die zij nemen, gaan zij naar hunne bergen terug.”»Zij zullen er niet alle komen,” zeide de jager, een blik op zijn buks werpende.»Voor den duivel!” zeide Goedsmoeds met eenen ruwen lach, »zij zullen slechts hun verdiend loon krijgen; ik laat het aan u over,Edelhart, om ze voor hunne onbeschaamdheid te straffen; maar gij zult in uw besluit om u te wreken nog wel versterkt worden, als gij weet wie hen aanvoert.”»Zoo, zoo! Gij kent dus hun opperhoofd?”»Zoo wat,” zeide Goedsmoeds glimlachend, »het isNehunutah(Arendskop.)”»De Arendskop!” riep Edelhart opspringende, »o ja, dien ken ik maar al te goed, en God geve dat ik ditmaal met hem moge afrekenen. ZijneMocksens(halve laarzen) hebben mij lang genoeg in den weg geloopen.”Na deze woorden te hebben uitgesproken, met een uitdrukking van haat, die Goedsmoeds deed sidderen, nam de jager, nadat hij aan den toorn die hem beheerschte lucht had gegeven, zijn pijp weder op en begon weder met schijnbare onbezorgdheid te rooken, waardoor zijn medgezel zich echter volstrekt niet verschalken liet.Het gesprek werd afgebroken. De twee jagers schenen in ernstig gepeins verdiept, en rookten in stilte naast elkander voort.Ten laatste wendde Goedsmoeds zich tot zijn medgezel met de vraag: »Zal ik waken?”»Neen,” antwoordde Edelhart zachtjes, »slaap gij maar, ik zal wel voor u en voor mij de wacht houden.”Goedsmoeds legde zich, zonder de minste aanmerking te maken, bij het vuur neder, en was eenige minuten later in een gerusten slaap.Toen de leeuwerik zijn morgenlied deed hooren, wekte Edelhart, die den geheelen nacht onbewegelijk als een marmerblok op wacht had gezeten, zijn makker wederom op.»Het is tijd,” zeide hij.»Goed!” antwoordde Goedsmoeds, die dadelijk opstond. De jagers zadelden hunne paarden, klommen behoedzaam van den heuvel naar beneden, en volgden het spoor der Comanchen.[29]Op hetzelfde oogenblik verscheen de zon aan de kimmen, verdreef de nevels en wierp haar prachtig licht over de prairie.1Waarmede de bevers gevangen worden.↑
I.DE PRAIRIE.
Ten westen van de Vereenigde Staten, strekt zich over een afstand van honderden mijlen, aan gene zijde van deMississippieen onmetelijk grondgebied uit, dat tot op dezen dag onbekend en onbebouwd ligt, en waar noch het huis van den blanke, noch de hut van den Indiaan zich verheft. Deze uitgestrekte woestenij,—eene aaneenschakeling van sombere wouden, met ongebaande wegen, die er allengs door het voetspoor der wilde dieren werden gevormd, afgewisseld door onafzienbare groene prairiën met hoog en dicht gras, dat het minste windje doet golven,—wordt door ontzaglijke stroomen besproeid, waarvan de grooteCanada-Rivier, deArkansasen deRoode Rivierde voornaamste zijn.Op deze in plantengroei zoo rijke gronden zwerven tallooze kudden van wilde paarden, buffels, elands en langhorens rond, alsmede die duizenderlei soorten van dieren, welke de beschaving der overige deelen van Amerika van dag tot dag verder voortdrijft, en die in deze weiden hunne vroegere vrijheid wedervinden.Ook hebben de machtigste stammen der Indianen in deze landstreek hun jachtverblijf gevestigd. DeDelawaren, deCricks, deOsagenoverschrijden de grenzen der woestijn in den omtrek der Amerikaansche koloniën, waarmede eenige zwakke banden van beschaving hen beginnen te vereenigen, worstelend tegen de horden derPawnies,Zwartvoeten,AssiniboinenenComanchen, onbedwongenvolksstammen, zwervende inwoners der prairiën of der bergen die in alle richtingen deze wildernis doorkruisen, waarvan niemand hunner[25]zich het bezit durft toeëigenen, maar die zij, met onderling goedvinden als het ware, verwoesten, zich in grooten getale tot de jacht vereenigend, alsof het een oorlog gold.En inderdaad, de vijanden, aan wier ontmoeting men in deze woestijn blootgesteld is, zijn velerlei; zonder hier nog van de wilde dieren te spreken, zijn er bovendien de jagers, de bevervangers of pelsjagers en de partijgangers, die voor de Indianen niet minder geducht zijn dan voor hunne landgenooten. Ook is de prairie het droevig tooneel van onophoudelijke en verschrikkelijke gevechten, inderdaad weinig meer dan een uitgestrekte doodsakker, waar ieder jaar, duizenden van onverschrokken mannen, in eenguerrillaoorlog zonder genade, spoorloos verdwijnen.Niets is grootscher en majestueuzer dan de aanblik van die prairiën, waarover de Voorzienigheid met kwistige hand ontelbare rijkdommen heeft uitgestort; niets is bekoorlijker dan die groene weiden, die dichte bosschen, die breede stroomen; het droefgeestig murmelen van het water tegen het oeverzand, het gezang der duizende vogels onder het gebladerte verscholen, de sprongen der dieren tusschen het hooge gras,—alles bekoort, alles trekt den verbaasden reiziger aan, en sleept hem mede, tot hij weldra, als slachtoffer zijner verrukking, in een dier tallooze strikken valt, te midden der bloemen onder zijne voeten gespannen, en zijne onvoorzichtige nieuwsgierigheid met het leven boet.Tegen het einde van het jaar 1837, in de laatste dagen van de maand September, door de IndianenMaan der vallende bladeren,—Inaqui Quisis—genaamd, zat een jong mensch, dien men aan zijne gelaatskleur, ondanks zijn volkomen Indiaansch kostuum, gemakkelijk voor een blanke herkende, een uur na zonsondergang, nabij een vuur, waaraan de behoefte in dit jaargetijde zich begon te doen gevoelen, op een der meest onbekende plaatsen van de prairie, die wij zooeven beschreven hebben.Deze man was hoogstens vijf- of zes en dertig jaren oud, ofschoon eenige diepe rimpels op zijn breed maar bleek voorhoofd, een hoogeren ouderdom schenen aan te duiden.Zijne gelaatstrekken waren schoon en edel, en droegen het stempel van dien trots en van die wilskracht, welke het leven in de woestijn schenkt. Zijne zwarte oogen, door dikke wenkbrauwen overschaduwd, hadden een zachte en droefgeestige uitdrukking, die hun gloed en levendigheid eenigermate temperde; het onderste gedeelte van zijn gelaat verdween achter een langen dichten baard, welks blauwachtige tint scherp afstak bij de bleekheid zijner trekken.Zijne gestalte was rijzig, slank en welgevormd; zijne gespierde ledematen toonden, dat hij met ongemeene kracht begaafd was. Zijn geheele persoonlijkheid eindelijk boezemde dien eerbied in, dien de physieke schoonheid in deze streken eerder verwekt, dan in onze maatschappij, waar zij bijna altijd met ruwheid en onbeschoftheid gepaard gaat.[26]Zijn kostuum was eenvoudig, en bestond uit eenmitasse,—een soort van nauwe broek—die tot aan de enkels reikte en met een lederen gordel aan de heupen was bevestigd, en uit een jachtkiel van gebleekt katoen, met wol van verschillende kleuren geborduurd, die hem tot halverwege de beenen kwam. Deze kiel, van voren open, liet zijn bruine borst zien, waarover een zwart fluweelen schoudermantel hing, die door een dunne stalen ketting werd vastgehouden. Laarzen van ongelooid hertsleder beschutten hem tegen slangebeten, en reikten hem tot aan de knieën; een muts van bevervel, waaraan men den staart had gelaten, die naar achteren afhing, bedekte zijn hoofd, terwijl lange lokken van weelderig zwart haar, dat hier en daar reeds begon te grijzen, over zijne breede schouders golfden.Die man was een jager.Een prachtige buks met getrokken loop, vóór hem geplaatst onder het bereik zijner hand, de weitasch die hij aan een bandelier om zijne schouders droeg en de twee buffelhorens, die met kruit en kogels gevuld aan zijn gordel hingen, lieten te dezen opzichte geen twijfel meer over. Twee lange dubbele pistolen waren achteloos bij zijn karabijn neêrgeworpen.De jager, gewapend met eenmachete, een korte, rechte sabel, die nooit de zijde van een prairie-bewoner verlaat, was bezig met zorgvuldig een bever te villen, tevens het oog houdende op een hertenbout, die over het vuur hing te braden, en aandachtig luisterende naar elk gerucht, dat zich in de prairiën hooren deed. De plaats waar deze man zich bevond, was uitmuntend gekozen voor een halt van eenige uren.Het was een opene plek op den top van een vrij hoogen heuvel, die door zijne ligging te midden van eene groote vlakte, een onverwachten overval onmogelijk maakte. Op eenige schreden afstand van de plaats, waar de jager zijn bivak had opgeslagen, stroomde een beek, die naar beneden stortende een kleinen maar schoonen waterval vormde. Het hooge en overvloedige gras bood een uitmuntendepasto(weide) voor twee trotsche paarden, met wilde en fonkelende oogen, die aan een blok gebonden eenige schreden van daar hun voedsel zochten. Het houtvuur, van drie kanten door eene rots beschermd, liet slechts eene dunne, op eenigen afstand onzichtbare rookwolk ontsnappen, en een gordijn van eeuwen oude boomen verborg het kamp voor de onbescheiden blikken van hen, die waarschijnlijk in den omtrek in hinderlaag gelegen waren.Kortom, al deze voorzorgen, zoo noodzakelijk voor de veiligheid van den jager, waren met eene behoedzaamheid gekozen, die eene diepe kennis verraadt van het leven der woudloopers.De roodachtige gloed van de ondergaande zon kleurde de toppen der hooge boomen: de zon was op het punt van achter de bergen, die den horizont begrensden, te verdwijnen, toen de paarden plotseling hun maaltijd afbraken, de koppen opstaken en de ooren spitsten: alles teekenen van ongerustheid, die den jager niet ontgingen.[27]Ofschoon hij geen enkel verdacht geluid hoorde, en alles in den omtrek rustig scheen te zijn, haastte hij zich toch om de beverhuid voor het vuur over twee kruiselings geplaatste stokken te spannen, en zonder op te staan strekte hij de hand naar zijn karabijn uit.Driemaal achtereen, telkens met gelijke tusschenpoozen, deed zich het geschreeuw van den ekster hooren; de jager plaatste zijn karabijn lachend naast zich, en ging voort met voor het avondmaal te zorgen;bijna op hetzelfde oogenblik ontstond er beweging in de grashalmen en struiken, en twee prachtige speurhonden kwamen zich springend voor den jager neêrwerpen, die hen even streelde en veel moeite scheen te hebben, om zich van hunne liefkozingen te ontslaan.De paarden hadden onbezorgd hun afgebroken maaltijd voortgezet.Deze honden waren de voorloopers van een tweeden jager, die bijna te gelijkertijd op den heuveltop te voorschijn trad.Deze nieuwe personaadje, veel jonger dan de eerste, want hij scheen niet ouder dan twee en twintig jaar, was een groot, slank, vlug mensch, met gespierde vormen, een rond hoofd, twee grijze, verstandige oogen en een open en edel uiterlijk, waaraan zijne lange, blonde haren iets kinderlijks gaven. Hij was eveneens gekleed als zijn medgezel, en zoodra hij aankwam, wierp hij naast het vuur een rist vogels neder, die hij op zijne schouders droeg.De twee jagers begonnen toen, zonder een woord te wisselen, een van die soupers te bereiden, die door honger en vermoeidheid altijd uitmuntend worden gekruid.Het was geheel nacht geworden, de woestijn begon langzamerhand te leven; het gehuil der wilde dieren weêrklonk reeds in de prairie.Na smakelijk gesoupeerd te hebben, staken de jagers hunne pijpen op, en zich met den rug naar het vuur plaatsende, om door het schijnsel der vlammen niet verhinderd te worden de nadering van verdachte bezoekers te onderscheiden, die de duisternis hun kon aanbrengen, rookten zij met het stille genot van lieden, die na een langen en moeielijken dag, een oogenblik rust hebben, dat zij misschien in langen tijd niet zullen wedervinden.»Welnu?” zeide de eerste jager, lakoniek tusschen twee rookwolken in.»Gij hadt gelijk,” was het antwoord.»O, zoo!”»Ja, wij zijn te veel rechts afgegaan, dat heeft ons het spoor doen verliezen.”»Ik was er zeker van,” hernam de eerste; »ziet gij,Goedsmoeds, gij vertrouwt te veel op uw Canadasche gewoonten; de Indianen, waarmede wij hier te doen hebben, hebben niets gemeen met de Irokeezen, die de jachtgronden van uw land doorkruisen.” Goedsmoeds boog het hoofd ten teeken van toestemming.»Overigens,” hernam de ander, »is dit op het oogenblik van weinig belang; het voornaamste is, te weten wie de dieven zijn, die ons bestolen hebben.”[28]»Ik weet het.”»Goed zoo!” zeide de ander, met levendigheid zijn pijp uit den mond halende; »en wie zijn de Indianen die de vallen1, met mijn teeken gemerkt, hebben durven stelen?”»De Comanchen.”»Ik dacht het wel! Tien onzer beste vallen des nachts gestolen! Ik zweer u, Goedsmoeds, dat zij ze duur zullen betalen!.… En waar bevinden zich de Comanchen op het oogenblik?”»Hoogstens op twee mijlen afstands. Het is een troep plunderaars van twaalf man; volgens de richting, die zij nemen, gaan zij naar hunne bergen terug.”»Zij zullen er niet alle komen,” zeide de jager, een blik op zijn buks werpende.»Voor den duivel!” zeide Goedsmoeds met eenen ruwen lach, »zij zullen slechts hun verdiend loon krijgen; ik laat het aan u over,Edelhart, om ze voor hunne onbeschaamdheid te straffen; maar gij zult in uw besluit om u te wreken nog wel versterkt worden, als gij weet wie hen aanvoert.”»Zoo, zoo! Gij kent dus hun opperhoofd?”»Zoo wat,” zeide Goedsmoeds glimlachend, »het isNehunutah(Arendskop.)”»De Arendskop!” riep Edelhart opspringende, »o ja, dien ken ik maar al te goed, en God geve dat ik ditmaal met hem moge afrekenen. ZijneMocksens(halve laarzen) hebben mij lang genoeg in den weg geloopen.”Na deze woorden te hebben uitgesproken, met een uitdrukking van haat, die Goedsmoeds deed sidderen, nam de jager, nadat hij aan den toorn die hem beheerschte lucht had gegeven, zijn pijp weder op en begon weder met schijnbare onbezorgdheid te rooken, waardoor zijn medgezel zich echter volstrekt niet verschalken liet.Het gesprek werd afgebroken. De twee jagers schenen in ernstig gepeins verdiept, en rookten in stilte naast elkander voort.Ten laatste wendde Goedsmoeds zich tot zijn medgezel met de vraag: »Zal ik waken?”»Neen,” antwoordde Edelhart zachtjes, »slaap gij maar, ik zal wel voor u en voor mij de wacht houden.”Goedsmoeds legde zich, zonder de minste aanmerking te maken, bij het vuur neder, en was eenige minuten later in een gerusten slaap.Toen de leeuwerik zijn morgenlied deed hooren, wekte Edelhart, die den geheelen nacht onbewegelijk als een marmerblok op wacht had gezeten, zijn makker wederom op.»Het is tijd,” zeide hij.»Goed!” antwoordde Goedsmoeds, die dadelijk opstond. De jagers zadelden hunne paarden, klommen behoedzaam van den heuvel naar beneden, en volgden het spoor der Comanchen.[29]Op hetzelfde oogenblik verscheen de zon aan de kimmen, verdreef de nevels en wierp haar prachtig licht over de prairie.
Ten westen van de Vereenigde Staten, strekt zich over een afstand van honderden mijlen, aan gene zijde van deMississippieen onmetelijk grondgebied uit, dat tot op dezen dag onbekend en onbebouwd ligt, en waar noch het huis van den blanke, noch de hut van den Indiaan zich verheft. Deze uitgestrekte woestenij,—eene aaneenschakeling van sombere wouden, met ongebaande wegen, die er allengs door het voetspoor der wilde dieren werden gevormd, afgewisseld door onafzienbare groene prairiën met hoog en dicht gras, dat het minste windje doet golven,—wordt door ontzaglijke stroomen besproeid, waarvan de grooteCanada-Rivier, deArkansasen deRoode Rivierde voornaamste zijn.
Op deze in plantengroei zoo rijke gronden zwerven tallooze kudden van wilde paarden, buffels, elands en langhorens rond, alsmede die duizenderlei soorten van dieren, welke de beschaving der overige deelen van Amerika van dag tot dag verder voortdrijft, en die in deze weiden hunne vroegere vrijheid wedervinden.
Ook hebben de machtigste stammen der Indianen in deze landstreek hun jachtverblijf gevestigd. DeDelawaren, deCricks, deOsagenoverschrijden de grenzen der woestijn in den omtrek der Amerikaansche koloniën, waarmede eenige zwakke banden van beschaving hen beginnen te vereenigen, worstelend tegen de horden derPawnies,Zwartvoeten,AssiniboinenenComanchen, onbedwongenvolksstammen, zwervende inwoners der prairiën of der bergen die in alle richtingen deze wildernis doorkruisen, waarvan niemand hunner[25]zich het bezit durft toeëigenen, maar die zij, met onderling goedvinden als het ware, verwoesten, zich in grooten getale tot de jacht vereenigend, alsof het een oorlog gold.
En inderdaad, de vijanden, aan wier ontmoeting men in deze woestijn blootgesteld is, zijn velerlei; zonder hier nog van de wilde dieren te spreken, zijn er bovendien de jagers, de bevervangers of pelsjagers en de partijgangers, die voor de Indianen niet minder geducht zijn dan voor hunne landgenooten. Ook is de prairie het droevig tooneel van onophoudelijke en verschrikkelijke gevechten, inderdaad weinig meer dan een uitgestrekte doodsakker, waar ieder jaar, duizenden van onverschrokken mannen, in eenguerrillaoorlog zonder genade, spoorloos verdwijnen.
Niets is grootscher en majestueuzer dan de aanblik van die prairiën, waarover de Voorzienigheid met kwistige hand ontelbare rijkdommen heeft uitgestort; niets is bekoorlijker dan die groene weiden, die dichte bosschen, die breede stroomen; het droefgeestig murmelen van het water tegen het oeverzand, het gezang der duizende vogels onder het gebladerte verscholen, de sprongen der dieren tusschen het hooge gras,—alles bekoort, alles trekt den verbaasden reiziger aan, en sleept hem mede, tot hij weldra, als slachtoffer zijner verrukking, in een dier tallooze strikken valt, te midden der bloemen onder zijne voeten gespannen, en zijne onvoorzichtige nieuwsgierigheid met het leven boet.
Tegen het einde van het jaar 1837, in de laatste dagen van de maand September, door de IndianenMaan der vallende bladeren,—Inaqui Quisis—genaamd, zat een jong mensch, dien men aan zijne gelaatskleur, ondanks zijn volkomen Indiaansch kostuum, gemakkelijk voor een blanke herkende, een uur na zonsondergang, nabij een vuur, waaraan de behoefte in dit jaargetijde zich begon te doen gevoelen, op een der meest onbekende plaatsen van de prairie, die wij zooeven beschreven hebben.
Deze man was hoogstens vijf- of zes en dertig jaren oud, ofschoon eenige diepe rimpels op zijn breed maar bleek voorhoofd, een hoogeren ouderdom schenen aan te duiden.
Zijne gelaatstrekken waren schoon en edel, en droegen het stempel van dien trots en van die wilskracht, welke het leven in de woestijn schenkt. Zijne zwarte oogen, door dikke wenkbrauwen overschaduwd, hadden een zachte en droefgeestige uitdrukking, die hun gloed en levendigheid eenigermate temperde; het onderste gedeelte van zijn gelaat verdween achter een langen dichten baard, welks blauwachtige tint scherp afstak bij de bleekheid zijner trekken.
Zijne gestalte was rijzig, slank en welgevormd; zijne gespierde ledematen toonden, dat hij met ongemeene kracht begaafd was. Zijn geheele persoonlijkheid eindelijk boezemde dien eerbied in, dien de physieke schoonheid in deze streken eerder verwekt, dan in onze maatschappij, waar zij bijna altijd met ruwheid en onbeschoftheid gepaard gaat.[26]
Zijn kostuum was eenvoudig, en bestond uit eenmitasse,—een soort van nauwe broek—die tot aan de enkels reikte en met een lederen gordel aan de heupen was bevestigd, en uit een jachtkiel van gebleekt katoen, met wol van verschillende kleuren geborduurd, die hem tot halverwege de beenen kwam. Deze kiel, van voren open, liet zijn bruine borst zien, waarover een zwart fluweelen schoudermantel hing, die door een dunne stalen ketting werd vastgehouden. Laarzen van ongelooid hertsleder beschutten hem tegen slangebeten, en reikten hem tot aan de knieën; een muts van bevervel, waaraan men den staart had gelaten, die naar achteren afhing, bedekte zijn hoofd, terwijl lange lokken van weelderig zwart haar, dat hier en daar reeds begon te grijzen, over zijne breede schouders golfden.
Die man was een jager.
Een prachtige buks met getrokken loop, vóór hem geplaatst onder het bereik zijner hand, de weitasch die hij aan een bandelier om zijne schouders droeg en de twee buffelhorens, die met kruit en kogels gevuld aan zijn gordel hingen, lieten te dezen opzichte geen twijfel meer over. Twee lange dubbele pistolen waren achteloos bij zijn karabijn neêrgeworpen.
De jager, gewapend met eenmachete, een korte, rechte sabel, die nooit de zijde van een prairie-bewoner verlaat, was bezig met zorgvuldig een bever te villen, tevens het oog houdende op een hertenbout, die over het vuur hing te braden, en aandachtig luisterende naar elk gerucht, dat zich in de prairiën hooren deed. De plaats waar deze man zich bevond, was uitmuntend gekozen voor een halt van eenige uren.
Het was een opene plek op den top van een vrij hoogen heuvel, die door zijne ligging te midden van eene groote vlakte, een onverwachten overval onmogelijk maakte. Op eenige schreden afstand van de plaats, waar de jager zijn bivak had opgeslagen, stroomde een beek, die naar beneden stortende een kleinen maar schoonen waterval vormde. Het hooge en overvloedige gras bood een uitmuntendepasto(weide) voor twee trotsche paarden, met wilde en fonkelende oogen, die aan een blok gebonden eenige schreden van daar hun voedsel zochten. Het houtvuur, van drie kanten door eene rots beschermd, liet slechts eene dunne, op eenigen afstand onzichtbare rookwolk ontsnappen, en een gordijn van eeuwen oude boomen verborg het kamp voor de onbescheiden blikken van hen, die waarschijnlijk in den omtrek in hinderlaag gelegen waren.
Kortom, al deze voorzorgen, zoo noodzakelijk voor de veiligheid van den jager, waren met eene behoedzaamheid gekozen, die eene diepe kennis verraadt van het leven der woudloopers.
De roodachtige gloed van de ondergaande zon kleurde de toppen der hooge boomen: de zon was op het punt van achter de bergen, die den horizont begrensden, te verdwijnen, toen de paarden plotseling hun maaltijd afbraken, de koppen opstaken en de ooren spitsten: alles teekenen van ongerustheid, die den jager niet ontgingen.[27]
Ofschoon hij geen enkel verdacht geluid hoorde, en alles in den omtrek rustig scheen te zijn, haastte hij zich toch om de beverhuid voor het vuur over twee kruiselings geplaatste stokken te spannen, en zonder op te staan strekte hij de hand naar zijn karabijn uit.
Driemaal achtereen, telkens met gelijke tusschenpoozen, deed zich het geschreeuw van den ekster hooren; de jager plaatste zijn karabijn lachend naast zich, en ging voort met voor het avondmaal te zorgen;bijna op hetzelfde oogenblik ontstond er beweging in de grashalmen en struiken, en twee prachtige speurhonden kwamen zich springend voor den jager neêrwerpen, die hen even streelde en veel moeite scheen te hebben, om zich van hunne liefkozingen te ontslaan.
De paarden hadden onbezorgd hun afgebroken maaltijd voortgezet.
Deze honden waren de voorloopers van een tweeden jager, die bijna te gelijkertijd op den heuveltop te voorschijn trad.
Deze nieuwe personaadje, veel jonger dan de eerste, want hij scheen niet ouder dan twee en twintig jaar, was een groot, slank, vlug mensch, met gespierde vormen, een rond hoofd, twee grijze, verstandige oogen en een open en edel uiterlijk, waaraan zijne lange, blonde haren iets kinderlijks gaven. Hij was eveneens gekleed als zijn medgezel, en zoodra hij aankwam, wierp hij naast het vuur een rist vogels neder, die hij op zijne schouders droeg.
De twee jagers begonnen toen, zonder een woord te wisselen, een van die soupers te bereiden, die door honger en vermoeidheid altijd uitmuntend worden gekruid.
Het was geheel nacht geworden, de woestijn begon langzamerhand te leven; het gehuil der wilde dieren weêrklonk reeds in de prairie.
Na smakelijk gesoupeerd te hebben, staken de jagers hunne pijpen op, en zich met den rug naar het vuur plaatsende, om door het schijnsel der vlammen niet verhinderd te worden de nadering van verdachte bezoekers te onderscheiden, die de duisternis hun kon aanbrengen, rookten zij met het stille genot van lieden, die na een langen en moeielijken dag, een oogenblik rust hebben, dat zij misschien in langen tijd niet zullen wedervinden.
»Welnu?” zeide de eerste jager, lakoniek tusschen twee rookwolken in.
»Gij hadt gelijk,” was het antwoord.
»O, zoo!”
»Ja, wij zijn te veel rechts afgegaan, dat heeft ons het spoor doen verliezen.”
»Ik was er zeker van,” hernam de eerste; »ziet gij,Goedsmoeds, gij vertrouwt te veel op uw Canadasche gewoonten; de Indianen, waarmede wij hier te doen hebben, hebben niets gemeen met de Irokeezen, die de jachtgronden van uw land doorkruisen.” Goedsmoeds boog het hoofd ten teeken van toestemming.
»Overigens,” hernam de ander, »is dit op het oogenblik van weinig belang; het voornaamste is, te weten wie de dieven zijn, die ons bestolen hebben.”[28]
»Ik weet het.”
»Goed zoo!” zeide de ander, met levendigheid zijn pijp uit den mond halende; »en wie zijn de Indianen die de vallen1, met mijn teeken gemerkt, hebben durven stelen?”
»De Comanchen.”
»Ik dacht het wel! Tien onzer beste vallen des nachts gestolen! Ik zweer u, Goedsmoeds, dat zij ze duur zullen betalen!.… En waar bevinden zich de Comanchen op het oogenblik?”
»Hoogstens op twee mijlen afstands. Het is een troep plunderaars van twaalf man; volgens de richting, die zij nemen, gaan zij naar hunne bergen terug.”
»Zij zullen er niet alle komen,” zeide de jager, een blik op zijn buks werpende.
»Voor den duivel!” zeide Goedsmoeds met eenen ruwen lach, »zij zullen slechts hun verdiend loon krijgen; ik laat het aan u over,Edelhart, om ze voor hunne onbeschaamdheid te straffen; maar gij zult in uw besluit om u te wreken nog wel versterkt worden, als gij weet wie hen aanvoert.”
»Zoo, zoo! Gij kent dus hun opperhoofd?”
»Zoo wat,” zeide Goedsmoeds glimlachend, »het isNehunutah(Arendskop.)”
»De Arendskop!” riep Edelhart opspringende, »o ja, dien ken ik maar al te goed, en God geve dat ik ditmaal met hem moge afrekenen. ZijneMocksens(halve laarzen) hebben mij lang genoeg in den weg geloopen.”
Na deze woorden te hebben uitgesproken, met een uitdrukking van haat, die Goedsmoeds deed sidderen, nam de jager, nadat hij aan den toorn die hem beheerschte lucht had gegeven, zijn pijp weder op en begon weder met schijnbare onbezorgdheid te rooken, waardoor zijn medgezel zich echter volstrekt niet verschalken liet.
Het gesprek werd afgebroken. De twee jagers schenen in ernstig gepeins verdiept, en rookten in stilte naast elkander voort.
Ten laatste wendde Goedsmoeds zich tot zijn medgezel met de vraag: »Zal ik waken?”
»Neen,” antwoordde Edelhart zachtjes, »slaap gij maar, ik zal wel voor u en voor mij de wacht houden.”
Goedsmoeds legde zich, zonder de minste aanmerking te maken, bij het vuur neder, en was eenige minuten later in een gerusten slaap.
Toen de leeuwerik zijn morgenlied deed hooren, wekte Edelhart, die den geheelen nacht onbewegelijk als een marmerblok op wacht had gezeten, zijn makker wederom op.
»Het is tijd,” zeide hij.
»Goed!” antwoordde Goedsmoeds, die dadelijk opstond. De jagers zadelden hunne paarden, klommen behoedzaam van den heuvel naar beneden, en volgden het spoor der Comanchen.[29]
Op hetzelfde oogenblik verscheen de zon aan de kimmen, verdreef de nevels en wierp haar prachtig licht over de prairie.
1Waarmede de bevers gevangen worden.↑
1Waarmede de bevers gevangen worden.↑
1Waarmede de bevers gevangen worden.↑
1Waarmede de bevers gevangen worden.↑