[Inhoud]NASCHRIFT.Vele jaren later bevond de schrijver van dit verhaal zich alleen op weg van Mexico naar Hermosillo. Nog was hij na een reis van zeven en vijftig dagen, slechts weinige mijlen van laatstgenoemde stad verwijderd, toen de nacht hem overviel, en zoowel de vermoeidheid van zijn paard en zijn eigene behoefte aan rust, als ook zijn onbekendheid met de landstreek, waarin hij zich bevond, hem aanspoorden zich tot de bewoners eener eenzame haciënda, wier licht hem van verre toescheen, te wenden, en voor dien nacht hunne gastvrijheid in te roepen. Met de meeste bereidwilligheid werd deze hem geschonken; en daaraan had hij te danken de kennismaking met eene familie, die hem van het eerste oogenblik zoodanig boeide, dat hij hun welgemeend aanbod om zijn verblijf ten hunnent eenige dagen te rekken, met vreugde aannam.Wat hem in dit huisgezin vooral aantrok, was niet zoozeer de goede verstandhouding, waarin al de leden, ook de bedienden daaronder gerekend, tot elkander stonden, noch hun patriarchale levenswijze, noch de hartelijkheid, waarmede zij hem in hun midden opnamen, als wel de vreemdsoortige bestanddeelen, waaruit het was samengesteld; en de ernstige tint, die over het geheele huis en over hun geheele wijze van doen gespreid lag.Een bijna honderdjarige grijsaard, eene deftige oude dame van ten naastebij tachtig; een krachtvol man van vijftig, met schitterende oogen en sterk sprekende gelaatstrekken, eene vrouw, die, ofschoon haar veertigste jaar voorbij, nog schoon mocht heeten, en vijf of zes bekoorlijke kinderen, van verschillenden leeftijd, vormden het eigenlijke huisgezin; op gelijken voet met dezen stonden, naar het scheen, nog twee andere mannen, die naar hun uitzicht en naar hun gewaad te oordeelen, eer in de prairiën van het verre westen dan in zulk een rustig verblijf te huis behoorden, en bovendien, een Indiaan, een Roodhuid, kennelijk uit den stam der Comanchen, die de lieveling der kinderen was. Behalve dezen waren er een aantal bedienden van verschillenden rang, die echter allen als leden des huisgezins werden beschouwd en behandeld.Het leven dier goede lieden evenwel was, naar het mij toescheen,[204]niet altijd zoo kalm en rustig geweest als thans; ik verbeeldde mij dat zij eerst na vele en zware stormen in de haven van het huiselijk geluk waren aangeland. Aller gelaat droeg dien stempel van edele waardigheid, die slechts het gevolg kan zijn van groote doorgestane rampen, en de rimpels op hun voorhoofd waren te diep om niet de sprekende getuigen te zijn van een lang en bitter lijden.Ik brandde van nieuwsgierigheid, om meer van hun vorigen levensloop te vernemen; bescheidenheid alleen sloot mij den mond, die tot vragen gereed was. Doch zoo doende verviel ik in een toestand van afgetrokkenheid, die den gastheer niet ontging. Op zijn aandringen bekende ik eindelijk, welke de reden was van mijn onbeleefde stilzwijgendheid.Wat hij mij toen verhaalde, lezer, behoef ik u niet weder te verhalen, als ik u eenvoudig mededeel, dat de namen der mij omringende hoofdpersonen waren: don Ramon Garillas de Savedra,doñaJesusita, don Rafaël,doñaLuz, Goedsmoeds, de Zwarte Eland en de Arendskop.Ik beken het, die lotgevallen, verteld door hem, die er de hoofdrol in had gespeeld, in tegenwoordigheid van zoovelen, die er aan hadden deelgenomen, wekten mijne belangstelling in hooge mate op. Ik vatte dadelijk het voornemen op daaraan door een geregelde mededeeling de bekendheid te geven waarop zij aanspraak hebben. Hebben zij, onder mijne hand aan belangrijkheid verloren, niet aan die lotgevallen, aan mij alléén ligt de schuld, en misschien aan den lezer, die al te zeer gewoon is aan het lezen van romans, om nog vatbaar te zijn voor den diepen indruk, dien de werkelijkheid soms kan te weeg brengen.Acht dagen later verliet ik, diep getroffen, het huis, waarin ik met zoo gulle vriendelijkheid ontvangen was; maar in plaats van naar Hermosillo te gaan en mij aldaar in te schepen naar Guaymas, gelijk eerst mijn voornemen was geweest, maakte ik met den Arendskop een uitstapje naar Apacheria, een uitstapje, gedurende hetwelk het toeval mij getuige deed zijn van een aantal buitengewone voorvallen, die ik u misschien later zal mededeelen, als het blijken zal, dat dit verhaal u niet al te zeer heeft verveeld.EINDE.[205][Inhoud]INHOUD.INLEIDING.DE VADERVLOEK.Bladz.1.Hermosillo1.2.De haciënda del Milagro7.3.Het vonnis12.4.De moeder18.I.EDELHART.1.De prairie24.2.De jagers29.3.Het spoor34.4.De reizigers39.5.De Comanchen44.6.De redder49.7.De verrassing54.8.De Indiaansche wraak59.9.De schim64.10.De verschansing69.11.De koop74.12.Psychologie79.13.De bijenjacht83.14.De Zwarte Eland89.15.De bevers94.16.Verraad[206]99.17.De Arendskop105.18.Nô Eusébio110.19.De raad der opperhoofden115.20.De marteling120.II.OUAKTEHNO.—HIJ DIE DOODT.1.Edelhart127.2.De roovers132.3.De zelfopoffering137.4.De doctor142.5.Het verbond147.6.De laatste aanval151.7.Het gevecht156.8.De grot van den Kopergroen160.9.Staatkunde165.10.Tweestrijd170.11.De gevangenen176.12.De krijgslist180.13.De wet der prairiën185.14.De straf190.15.De vergiffenis197.Naschrift.ColofonBeschikbaarheidDit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line opwww.gutenberg.org.Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam opwww.pgdp.net.Dit werk is een vertaling vanLes Trappeurs de l’Arkansasuit 1858. Een Engelse vertaling is beschikbaar in Project Gutenberg alsThe Trappers of Arkansas; or The Loyal Heart.MetadataTitel:De Pelsjagers van de ArkansasAuteur:Gustave Aimard (1818–1883)InfoBijdrager:Johan Jacob Antonie Goeverneur (1809–1889)InfoIllustrator:Charles Rochussen (1814–1894)InfoTaal:Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)Oorspronkelijke uitgiftedatum:1882CoderingDit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.Documentgeschiedenis2021-06-07 Begonnen.Externe ReferentiesDit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.VerbeteringenDe volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:BladzijdeBronVerbeteringBewerkingsafstandVII,VIIGerstaeckerGerstäcker2 / 13,3CampanaCampaña1 / 0Passim.donadoña1 / 0Passim.DonaDoña1 / 011,11,22,187,187senoraseñora1 / 011maarwaar114onmiddelijkonmiddellijk117,20,140[Niet in bron],122hinnekendhinnikend124MissisippiMississippi124,139volkstammenvolksstammen125guerrilaguerrilla127[Niet in bron];127,57,90,101,101,125,136,155,160,183,185,192,194[Niet in bron].139,40,54,90,97,187senoritaseñorita1 / 042,42,82,82,86,87,87,91,92,93,93,95,96,96,104,104,105,105,108SenoritaSeñorita1 / 049,96,121[Niet in bron]”149,96,184[Niet in bron]»155SquatersSquatters155squaterssquatters169,116,[Verwijderd]171,84,105,140,183,183.?174barrikadenbarricaden182SenoraSeñora1 / 098!?1101?!1107,107,?1121[Niet in bron]„1139hetHet1149majestueusemajestueuze1168maïscigaarmaïs-cigaar1168doordedoor de1184om datomdat1191zoowelzoo wel1192Scalpscalp1196rafoefeningstrafoefening2
[Inhoud]NASCHRIFT.Vele jaren later bevond de schrijver van dit verhaal zich alleen op weg van Mexico naar Hermosillo. Nog was hij na een reis van zeven en vijftig dagen, slechts weinige mijlen van laatstgenoemde stad verwijderd, toen de nacht hem overviel, en zoowel de vermoeidheid van zijn paard en zijn eigene behoefte aan rust, als ook zijn onbekendheid met de landstreek, waarin hij zich bevond, hem aanspoorden zich tot de bewoners eener eenzame haciënda, wier licht hem van verre toescheen, te wenden, en voor dien nacht hunne gastvrijheid in te roepen. Met de meeste bereidwilligheid werd deze hem geschonken; en daaraan had hij te danken de kennismaking met eene familie, die hem van het eerste oogenblik zoodanig boeide, dat hij hun welgemeend aanbod om zijn verblijf ten hunnent eenige dagen te rekken, met vreugde aannam.Wat hem in dit huisgezin vooral aantrok, was niet zoozeer de goede verstandhouding, waarin al de leden, ook de bedienden daaronder gerekend, tot elkander stonden, noch hun patriarchale levenswijze, noch de hartelijkheid, waarmede zij hem in hun midden opnamen, als wel de vreemdsoortige bestanddeelen, waaruit het was samengesteld; en de ernstige tint, die over het geheele huis en over hun geheele wijze van doen gespreid lag.Een bijna honderdjarige grijsaard, eene deftige oude dame van ten naastebij tachtig; een krachtvol man van vijftig, met schitterende oogen en sterk sprekende gelaatstrekken, eene vrouw, die, ofschoon haar veertigste jaar voorbij, nog schoon mocht heeten, en vijf of zes bekoorlijke kinderen, van verschillenden leeftijd, vormden het eigenlijke huisgezin; op gelijken voet met dezen stonden, naar het scheen, nog twee andere mannen, die naar hun uitzicht en naar hun gewaad te oordeelen, eer in de prairiën van het verre westen dan in zulk een rustig verblijf te huis behoorden, en bovendien, een Indiaan, een Roodhuid, kennelijk uit den stam der Comanchen, die de lieveling der kinderen was. Behalve dezen waren er een aantal bedienden van verschillenden rang, die echter allen als leden des huisgezins werden beschouwd en behandeld.Het leven dier goede lieden evenwel was, naar het mij toescheen,[204]niet altijd zoo kalm en rustig geweest als thans; ik verbeeldde mij dat zij eerst na vele en zware stormen in de haven van het huiselijk geluk waren aangeland. Aller gelaat droeg dien stempel van edele waardigheid, die slechts het gevolg kan zijn van groote doorgestane rampen, en de rimpels op hun voorhoofd waren te diep om niet de sprekende getuigen te zijn van een lang en bitter lijden.Ik brandde van nieuwsgierigheid, om meer van hun vorigen levensloop te vernemen; bescheidenheid alleen sloot mij den mond, die tot vragen gereed was. Doch zoo doende verviel ik in een toestand van afgetrokkenheid, die den gastheer niet ontging. Op zijn aandringen bekende ik eindelijk, welke de reden was van mijn onbeleefde stilzwijgendheid.Wat hij mij toen verhaalde, lezer, behoef ik u niet weder te verhalen, als ik u eenvoudig mededeel, dat de namen der mij omringende hoofdpersonen waren: don Ramon Garillas de Savedra,doñaJesusita, don Rafaël,doñaLuz, Goedsmoeds, de Zwarte Eland en de Arendskop.Ik beken het, die lotgevallen, verteld door hem, die er de hoofdrol in had gespeeld, in tegenwoordigheid van zoovelen, die er aan hadden deelgenomen, wekten mijne belangstelling in hooge mate op. Ik vatte dadelijk het voornemen op daaraan door een geregelde mededeeling de bekendheid te geven waarop zij aanspraak hebben. Hebben zij, onder mijne hand aan belangrijkheid verloren, niet aan die lotgevallen, aan mij alléén ligt de schuld, en misschien aan den lezer, die al te zeer gewoon is aan het lezen van romans, om nog vatbaar te zijn voor den diepen indruk, dien de werkelijkheid soms kan te weeg brengen.Acht dagen later verliet ik, diep getroffen, het huis, waarin ik met zoo gulle vriendelijkheid ontvangen was; maar in plaats van naar Hermosillo te gaan en mij aldaar in te schepen naar Guaymas, gelijk eerst mijn voornemen was geweest, maakte ik met den Arendskop een uitstapje naar Apacheria, een uitstapje, gedurende hetwelk het toeval mij getuige deed zijn van een aantal buitengewone voorvallen, die ik u misschien later zal mededeelen, als het blijken zal, dat dit verhaal u niet al te zeer heeft verveeld.EINDE.[205]
NASCHRIFT.
Vele jaren later bevond de schrijver van dit verhaal zich alleen op weg van Mexico naar Hermosillo. Nog was hij na een reis van zeven en vijftig dagen, slechts weinige mijlen van laatstgenoemde stad verwijderd, toen de nacht hem overviel, en zoowel de vermoeidheid van zijn paard en zijn eigene behoefte aan rust, als ook zijn onbekendheid met de landstreek, waarin hij zich bevond, hem aanspoorden zich tot de bewoners eener eenzame haciënda, wier licht hem van verre toescheen, te wenden, en voor dien nacht hunne gastvrijheid in te roepen. Met de meeste bereidwilligheid werd deze hem geschonken; en daaraan had hij te danken de kennismaking met eene familie, die hem van het eerste oogenblik zoodanig boeide, dat hij hun welgemeend aanbod om zijn verblijf ten hunnent eenige dagen te rekken, met vreugde aannam.Wat hem in dit huisgezin vooral aantrok, was niet zoozeer de goede verstandhouding, waarin al de leden, ook de bedienden daaronder gerekend, tot elkander stonden, noch hun patriarchale levenswijze, noch de hartelijkheid, waarmede zij hem in hun midden opnamen, als wel de vreemdsoortige bestanddeelen, waaruit het was samengesteld; en de ernstige tint, die over het geheele huis en over hun geheele wijze van doen gespreid lag.Een bijna honderdjarige grijsaard, eene deftige oude dame van ten naastebij tachtig; een krachtvol man van vijftig, met schitterende oogen en sterk sprekende gelaatstrekken, eene vrouw, die, ofschoon haar veertigste jaar voorbij, nog schoon mocht heeten, en vijf of zes bekoorlijke kinderen, van verschillenden leeftijd, vormden het eigenlijke huisgezin; op gelijken voet met dezen stonden, naar het scheen, nog twee andere mannen, die naar hun uitzicht en naar hun gewaad te oordeelen, eer in de prairiën van het verre westen dan in zulk een rustig verblijf te huis behoorden, en bovendien, een Indiaan, een Roodhuid, kennelijk uit den stam der Comanchen, die de lieveling der kinderen was. Behalve dezen waren er een aantal bedienden van verschillenden rang, die echter allen als leden des huisgezins werden beschouwd en behandeld.Het leven dier goede lieden evenwel was, naar het mij toescheen,[204]niet altijd zoo kalm en rustig geweest als thans; ik verbeeldde mij dat zij eerst na vele en zware stormen in de haven van het huiselijk geluk waren aangeland. Aller gelaat droeg dien stempel van edele waardigheid, die slechts het gevolg kan zijn van groote doorgestane rampen, en de rimpels op hun voorhoofd waren te diep om niet de sprekende getuigen te zijn van een lang en bitter lijden.Ik brandde van nieuwsgierigheid, om meer van hun vorigen levensloop te vernemen; bescheidenheid alleen sloot mij den mond, die tot vragen gereed was. Doch zoo doende verviel ik in een toestand van afgetrokkenheid, die den gastheer niet ontging. Op zijn aandringen bekende ik eindelijk, welke de reden was van mijn onbeleefde stilzwijgendheid.Wat hij mij toen verhaalde, lezer, behoef ik u niet weder te verhalen, als ik u eenvoudig mededeel, dat de namen der mij omringende hoofdpersonen waren: don Ramon Garillas de Savedra,doñaJesusita, don Rafaël,doñaLuz, Goedsmoeds, de Zwarte Eland en de Arendskop.Ik beken het, die lotgevallen, verteld door hem, die er de hoofdrol in had gespeeld, in tegenwoordigheid van zoovelen, die er aan hadden deelgenomen, wekten mijne belangstelling in hooge mate op. Ik vatte dadelijk het voornemen op daaraan door een geregelde mededeeling de bekendheid te geven waarop zij aanspraak hebben. Hebben zij, onder mijne hand aan belangrijkheid verloren, niet aan die lotgevallen, aan mij alléén ligt de schuld, en misschien aan den lezer, die al te zeer gewoon is aan het lezen van romans, om nog vatbaar te zijn voor den diepen indruk, dien de werkelijkheid soms kan te weeg brengen.Acht dagen later verliet ik, diep getroffen, het huis, waarin ik met zoo gulle vriendelijkheid ontvangen was; maar in plaats van naar Hermosillo te gaan en mij aldaar in te schepen naar Guaymas, gelijk eerst mijn voornemen was geweest, maakte ik met den Arendskop een uitstapje naar Apacheria, een uitstapje, gedurende hetwelk het toeval mij getuige deed zijn van een aantal buitengewone voorvallen, die ik u misschien later zal mededeelen, als het blijken zal, dat dit verhaal u niet al te zeer heeft verveeld.EINDE.[205]
Vele jaren later bevond de schrijver van dit verhaal zich alleen op weg van Mexico naar Hermosillo. Nog was hij na een reis van zeven en vijftig dagen, slechts weinige mijlen van laatstgenoemde stad verwijderd, toen de nacht hem overviel, en zoowel de vermoeidheid van zijn paard en zijn eigene behoefte aan rust, als ook zijn onbekendheid met de landstreek, waarin hij zich bevond, hem aanspoorden zich tot de bewoners eener eenzame haciënda, wier licht hem van verre toescheen, te wenden, en voor dien nacht hunne gastvrijheid in te roepen. Met de meeste bereidwilligheid werd deze hem geschonken; en daaraan had hij te danken de kennismaking met eene familie, die hem van het eerste oogenblik zoodanig boeide, dat hij hun welgemeend aanbod om zijn verblijf ten hunnent eenige dagen te rekken, met vreugde aannam.
Wat hem in dit huisgezin vooral aantrok, was niet zoozeer de goede verstandhouding, waarin al de leden, ook de bedienden daaronder gerekend, tot elkander stonden, noch hun patriarchale levenswijze, noch de hartelijkheid, waarmede zij hem in hun midden opnamen, als wel de vreemdsoortige bestanddeelen, waaruit het was samengesteld; en de ernstige tint, die over het geheele huis en over hun geheele wijze van doen gespreid lag.
Een bijna honderdjarige grijsaard, eene deftige oude dame van ten naastebij tachtig; een krachtvol man van vijftig, met schitterende oogen en sterk sprekende gelaatstrekken, eene vrouw, die, ofschoon haar veertigste jaar voorbij, nog schoon mocht heeten, en vijf of zes bekoorlijke kinderen, van verschillenden leeftijd, vormden het eigenlijke huisgezin; op gelijken voet met dezen stonden, naar het scheen, nog twee andere mannen, die naar hun uitzicht en naar hun gewaad te oordeelen, eer in de prairiën van het verre westen dan in zulk een rustig verblijf te huis behoorden, en bovendien, een Indiaan, een Roodhuid, kennelijk uit den stam der Comanchen, die de lieveling der kinderen was. Behalve dezen waren er een aantal bedienden van verschillenden rang, die echter allen als leden des huisgezins werden beschouwd en behandeld.
Het leven dier goede lieden evenwel was, naar het mij toescheen,[204]niet altijd zoo kalm en rustig geweest als thans; ik verbeeldde mij dat zij eerst na vele en zware stormen in de haven van het huiselijk geluk waren aangeland. Aller gelaat droeg dien stempel van edele waardigheid, die slechts het gevolg kan zijn van groote doorgestane rampen, en de rimpels op hun voorhoofd waren te diep om niet de sprekende getuigen te zijn van een lang en bitter lijden.
Ik brandde van nieuwsgierigheid, om meer van hun vorigen levensloop te vernemen; bescheidenheid alleen sloot mij den mond, die tot vragen gereed was. Doch zoo doende verviel ik in een toestand van afgetrokkenheid, die den gastheer niet ontging. Op zijn aandringen bekende ik eindelijk, welke de reden was van mijn onbeleefde stilzwijgendheid.
Wat hij mij toen verhaalde, lezer, behoef ik u niet weder te verhalen, als ik u eenvoudig mededeel, dat de namen der mij omringende hoofdpersonen waren: don Ramon Garillas de Savedra,doñaJesusita, don Rafaël,doñaLuz, Goedsmoeds, de Zwarte Eland en de Arendskop.
Ik beken het, die lotgevallen, verteld door hem, die er de hoofdrol in had gespeeld, in tegenwoordigheid van zoovelen, die er aan hadden deelgenomen, wekten mijne belangstelling in hooge mate op. Ik vatte dadelijk het voornemen op daaraan door een geregelde mededeeling de bekendheid te geven waarop zij aanspraak hebben. Hebben zij, onder mijne hand aan belangrijkheid verloren, niet aan die lotgevallen, aan mij alléén ligt de schuld, en misschien aan den lezer, die al te zeer gewoon is aan het lezen van romans, om nog vatbaar te zijn voor den diepen indruk, dien de werkelijkheid soms kan te weeg brengen.
Acht dagen later verliet ik, diep getroffen, het huis, waarin ik met zoo gulle vriendelijkheid ontvangen was; maar in plaats van naar Hermosillo te gaan en mij aldaar in te schepen naar Guaymas, gelijk eerst mijn voornemen was geweest, maakte ik met den Arendskop een uitstapje naar Apacheria, een uitstapje, gedurende hetwelk het toeval mij getuige deed zijn van een aantal buitengewone voorvallen, die ik u misschien later zal mededeelen, als het blijken zal, dat dit verhaal u niet al te zeer heeft verveeld.
EINDE.
[205]
[Inhoud]INHOUD.INLEIDING.DE VADERVLOEK.Bladz.1.Hermosillo1.2.De haciënda del Milagro7.3.Het vonnis12.4.De moeder18.I.EDELHART.1.De prairie24.2.De jagers29.3.Het spoor34.4.De reizigers39.5.De Comanchen44.6.De redder49.7.De verrassing54.8.De Indiaansche wraak59.9.De schim64.10.De verschansing69.11.De koop74.12.Psychologie79.13.De bijenjacht83.14.De Zwarte Eland89.15.De bevers94.16.Verraad[206]99.17.De Arendskop105.18.Nô Eusébio110.19.De raad der opperhoofden115.20.De marteling120.II.OUAKTEHNO.—HIJ DIE DOODT.1.Edelhart127.2.De roovers132.3.De zelfopoffering137.4.De doctor142.5.Het verbond147.6.De laatste aanval151.7.Het gevecht156.8.De grot van den Kopergroen160.9.Staatkunde165.10.Tweestrijd170.11.De gevangenen176.12.De krijgslist180.13.De wet der prairiën185.14.De straf190.15.De vergiffenis197.Naschrift.
INHOUD.INLEIDING.DE VADERVLOEK.Bladz.1.Hermosillo1.2.De haciënda del Milagro7.3.Het vonnis12.4.De moeder18.I.EDELHART.1.De prairie24.2.De jagers29.3.Het spoor34.4.De reizigers39.5.De Comanchen44.6.De redder49.7.De verrassing54.8.De Indiaansche wraak59.9.De schim64.10.De verschansing69.11.De koop74.12.Psychologie79.13.De bijenjacht83.14.De Zwarte Eland89.15.De bevers94.16.Verraad[206]99.17.De Arendskop105.18.Nô Eusébio110.19.De raad der opperhoofden115.20.De marteling120.II.OUAKTEHNO.—HIJ DIE DOODT.1.Edelhart127.2.De roovers132.3.De zelfopoffering137.4.De doctor142.5.Het verbond147.6.De laatste aanval151.7.Het gevecht156.8.De grot van den Kopergroen160.9.Staatkunde165.10.Tweestrijd170.11.De gevangenen176.12.De krijgslist180.13.De wet der prairiën185.14.De straf190.15.De vergiffenis197.Naschrift.
ColofonBeschikbaarheidDit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line opwww.gutenberg.org.Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam opwww.pgdp.net.Dit werk is een vertaling vanLes Trappeurs de l’Arkansasuit 1858. Een Engelse vertaling is beschikbaar in Project Gutenberg alsThe Trappers of Arkansas; or The Loyal Heart.MetadataTitel:De Pelsjagers van de ArkansasAuteur:Gustave Aimard (1818–1883)InfoBijdrager:Johan Jacob Antonie Goeverneur (1809–1889)InfoIllustrator:Charles Rochussen (1814–1894)InfoTaal:Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)Oorspronkelijke uitgiftedatum:1882CoderingDit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.Documentgeschiedenis2021-06-07 Begonnen.Externe ReferentiesDit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.VerbeteringenDe volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:BladzijdeBronVerbeteringBewerkingsafstandVII,VIIGerstaeckerGerstäcker2 / 13,3CampanaCampaña1 / 0Passim.donadoña1 / 0Passim.DonaDoña1 / 011,11,22,187,187senoraseñora1 / 011maarwaar114onmiddelijkonmiddellijk117,20,140[Niet in bron],122hinnekendhinnikend124MissisippiMississippi124,139volkstammenvolksstammen125guerrilaguerrilla127[Niet in bron];127,57,90,101,101,125,136,155,160,183,185,192,194[Niet in bron].139,40,54,90,97,187senoritaseñorita1 / 042,42,82,82,86,87,87,91,92,93,93,95,96,96,104,104,105,105,108SenoritaSeñorita1 / 049,96,121[Niet in bron]”149,96,184[Niet in bron]»155SquatersSquatters155squaterssquatters169,116,[Verwijderd]171,84,105,140,183,183.?174barrikadenbarricaden182SenoraSeñora1 / 098!?1101?!1107,107,?1121[Niet in bron]„1139hetHet1149majestueusemajestueuze1168maïscigaarmaïs-cigaar1168doordedoor de1184om datomdat1191zoowelzoo wel1192Scalpscalp1196rafoefeningstrafoefening2
Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line opwww.gutenberg.org.
Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam opwww.pgdp.net.
Dit werk is een vertaling vanLes Trappeurs de l’Arkansasuit 1858. Een Engelse vertaling is beschikbaar in Project Gutenberg alsThe Trappers of Arkansas; or The Loyal Heart.
Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.
Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.
De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst: