[Inhoud]VIII.DE GROT VAN DEN KOPERGROEN.Er waren twee dagen verloopen, na de in het vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen.Wij geleiden den lezer, tusschen drie en vier ure na den middag, in de door Goedsmoeds ontdekte hut, waar Edelhart bij voorkeur zijn verblijf hield. Het inwendige der grot, verlicht door tallooze toortsen van zeker hout, dat de Indianen kaarshout noemen, en die op gelijke afstanden in de nissen der rotsen stonden te branden, had[161]heel veel van eene legerplaats van heidens of bandieten. Een veertigtal jagers en Comanchen waren hier en daar verspreid; sommigen sliepen, anderen rookten, anderen wederom maakten hunne wapens schoon of herstelden hunne kleederen, nog anderen lagen geknield voor twee of drie vuren, waarboven groote ketels hingen, of roosterden ontzaglijke stukken wildbraad voor het middagmaal hunner kameraden. Bij elken ingang der grot stonden twee schildwachten, onbewegelijk, maar op alles nauwkeurig acht gevende, om voor het algemeene welzijn te waken.In een afzonderlijk vertrek, door een vooruitstekend rotsblok van de overige ruimte afgescheiden, zaten twee vrouwen en een man op ruwe houtblokken zachtjes te praten.Deze vrouwen warendoñaLuz en de moeder van Edelhart, de man, die onder het rooken van zijn maïs-cigaar het oog op haar gevestigd hield, en soms zich in het gesprek mengde, hetzij door een uitroep van verrassing, van bewondering, of van vreugde, was nô Eusébio, de oude Spaansche dienaar, van wien wij reeds meermalen in den loop van dit verhaal melding hebben gemaakt.Aan den ingang van dit vertrek, dat eene soort van kamer in de grot vormde, wandelde een ander man, met de handen op den rug en tusschen de tanden fluitend, heen en weder. Dat was de Zwarte Eland.Edelhart, de Arendskop en Goedsmoeds waren afwezig.Het gesprek der beide vrouwen scheen hun veel belang in te boezemen; de moeder van den jager wisselde vaak een veelbeteekenenden blik met haar ouden dienaar, die zijn cigaar uit had laten gaan, maar, zonder het te merken, werktuigelijk bleef doorrooken.»O,” zeide de oude dame, de handen samenvouwende en de oogen ten hemel slaande, »de vinger Gods is wel zichtbaar in dit alles.”»Ja,” antwoordde nô Eusébio met overtuiging. »Hij alléén heeft alles gedaan.”»En zeg mij, mijn lieve, heeft uw oom gedurende de twee maanden dat gij op reis zijt, u nooit laten merken, hetzij door woorden, hetzij door daden, wat het doel was van dien tocht?”»Nooit!” antwoorddedoñaLuz.»Het is vreemd,” prevelde de oude dame.»Ja vreemd, inderdaad,” herhaalde nô Eusébio, die voortging met aan zijn cigaar te trekken.»Maar,” hernam Edelharts moeder, »waarmede bracht uw oom sedert zijne komst in de prairiën, zijn tijd door? Vergeef mij, mijn kind, die vragen moeten u wel vreemd toeschijnen, maar zij zijn geenszins het gevolg van nieuwsgierigheid; later zult gij mij begrijpen; dan zult gij inzien hoe groot de belangstelling is, die gij mij inboezemt, en welke alleen mij noopt u te ondervragen.”»Ik twijfel er geenszins aan, mevrouw,” antwoorddedoñaLuz met[162]een bekoorlijk lachje; »ook maak ik geen bezwaar om uwe vragen te beantwoorden. Mijn oom is sedert onze komst in de prairiën zeer droefgeestig en bezorgd geweest; hij zocht bij voorkeur het gezelschap van menschen, die aan het woestijnleven gewoon waren, en als hij er zoo een ontmoette, bleef hij vaak vele uren achtereen met hem praten.”»En waarover ondervroeg hij hen dan, mijn kind, herinnert gij u dat ook?”»O hemel, mevrouw,” antwoordde het meisje, terwijl een lichte blos hare wangen kleurde, »ik moet u tot mijne schande bekennen, dat ik op die gesprekken niet veel acht gaf, daar ik ten minste dacht, dat zij mij al heel weinig aangingen. Ik, arm kind, die tot nu toe eene sombere en eentonige levenswijze geleid heb, en die de wereld slechts heb gezien door de tralies van mijn klooster, ik bewonderde de grootsche natuur, die als door betoovering zich voor mij ontrolde; ik had geene oogen genoeg om die wonderen te aanschouwen, en ik aanbad den schepper, wiens oneindige macht zich eensklaps aan mij openbaarde.”»Het is waar, lief kind, vergeef mij die vragen, die u moeten vermoeien, en waarvan gij het belang niet gissen kunt,” zeide de goede dame, haar een kus op het voorhoofd drukkende; »als gij wilt, zullen wij er later nog wel eens over spreken.”»Zoo als gij wilt, mevrouw,” antwoordde het meisje haar wederom kussende, »ik ben blijde met u te kunnen praten, en welk onderwerp gij kiezen moogt ik zal er altijd veel belang in stellen.”»Maar wij zitten hier niets te doen als te babbelen, en vergeten intusschen mijn armen zoon die sedert dezen morgen afwezig is, en die, naar hij mij gezegd heeft, nu reeds terug moest zijn.”»O, als hem maar niets overkomen is,” riepdoñaLuz angstig.»Gij stelt dan wel belang in hem?” vroeg de oude dame glimlachend.»O, mevrouw,” antwoordde zij aangedaan, terwijl haar gelaat zich met gloeiend rood overdekte, »hoe zou dit anders kunnen na de diensten, die hij ons bewezen heeft, en die welke hij ons nog bewijzen zal gelijk ik zeker weet?”»Mijn zoon heeft u beloofd uw oom te zullen bevrijden; wees overtuigd, dat hij zijne belofte vervullen zal.”»O, ik twijfel er niet aan, mevrouw! zulk een edel en groot karakter!” riep zij met verheffing van stem uit, »met hoeveel recht draagt hij den naam van Edelhart!”De oude dame en Eusébio zagen haar glimlachend aan; zij waren verheugd over de verrukking van het meisje.DoñaLuz bemerkte nu met welk eene aandacht men haar gadesloeg; zij hield verlegen op, en boog het hoofd voorover, nog sterker blozende dan te voren.»O,” zeide de oude dame, haar bij de hand grijpende, »ga gerust[163]voort, mijn kind, ik ben verrukt u zoo over mijn zoon te hooren spreken; ja,” voegde zij er treurig en als tot zichzelve sprekende bij, »ja, hij heeft een groot en edel karakter; gelijk alle groote geesten, wordt hij miskend; maar geduld, God beproeft hem, eens zal hem recht wedervaren: voor het aangezicht van allen.”»Zou hij gelukkig zijn?” waagde het meisje te vragen.»Dat zeg ik niet, mijn kind,” antwoordde de arme moeder met een onderdrukten zucht, »wie kan in deze wereld zich vleien, gelukkig te zijn? Ieder heeft een last om te dragen, maar de Almachtige geeft aan ieder kracht naar kruis.”Men hoorde eenige beweging in de grot, verscheidene mannen traden binnen.»Daar is uw zoon, mevrouw,” zeide de Zwarte Eland.»Verplicht, mijn vriend,” antwoordde zij.»O, zooveel te beter,” zeidedoñaLuz, verheugd opstaande.Maar beschaamd over deze onwillekeurige beweging, liet het meisje zich verlegen en blozend weder op hare zitplaats nedervallen.Het was inderdaad Edelhart die binnenkwam, maar hij was niet alleen. Goedsmoeds en de Arendskop, benevens verscheidene jagers vergezelden hem.Edelhart, zoodra hij zich in de grot bevond, begaf zich dadelijk met groote stappen naar de plaats, waar zijne moeder zat, hij gaf haar een kus op het voorhoofd, wendde zich toen totdoñaLuz, en groette haar met zekere onnatuurlijke gedwongenheid, die voor de oude dame niet onopgemerkt bleef.Het meisje groette hem niet minder stijf terug.»Nu,” zeide hij vroolijk, »gij zult u wel verveeld hebben, terwijl gij op mij zat te wachten, mijne edele gevangene! de tijd heeft u in deze grot wel lang moeten toeschijnen; vergeef mij, dat ik u in deze akelige woning geherbergd heb,doñaLuz, gij, die geboren zijt om prachtige paleizen te bewonen. Helaas! het is het prachtigste van al mijne verblijven.”»Bij de moeder van hem, die mij het leven gered heeft, mijnheer,” antwoordde het meisje met waardigheid, »gevoel ik mij als in de tegenwoordigheid eener koningin, welke ook de plaats moge zijn, die haar tot woning verstrekt.”»Gij zijt al te goed, mevrouw!” stamelde de jager; »gij maakt mij waarlijk verlegen.”»Welnu, mijn zoon,” viel de oude dame in, met het doel om eene andere wending te geven aan het gesprek dat voor de beide jonge lieden moeielijk begon te worden, »wat hebt gij van daag gedaan? Hebt gij goede tijding voor ons?DoñaLuz is zeer bezorgd omtrent het lot van haar oom; zij brandt van verlangen om hem weder te zien.”»Ik begrijp de ongerustheid van mevrouw,” antwoordde de jager, »ik hoop die weldra uit den weg te ruimen, wij hebben van daag[164]niet veel uitgericht, het is ons onmogelijk geweest het spoor der bandieten terug te vinden. Het is om gek te worden van woede. Gelukkig hebben wij bij onze terugkomst, niet ver van de grot, den doctor wedergevonden, die volgens zijne loffelijke gewoonte, bezig was met in de spleten der rotsen naar kruiden te zoeken; hij zeide ons, dat hij een man van een verdacht uiterlijk in den omtrek had zien ronddwalen. Wij zijn dadelijk op de jacht gegaan, en inderdaad ontdekten wij weldra een persoon, waarvan wij ons onverwijld meester maakten, en dien wij hierheen hebben gebracht.”»Gij ziet dus, mijnheer,” zeidedoñaLuz min of meer schalkachtig, »dat het zoeken van kruiden toch nog ergens goed voor is. De goede doctor heeft u naar alle waarschijnlijkheid een groote dienst bewezen.”»Zonder het te willen,” antwoordde Edelhart lachend.»Dat spreek ik niet tegen,” hernam het meisje schertsend, »maar hij heeft het toch niettemin gedaan; en dat hebt gij aan zijne liefhebberij voor de planten te danken.”»Het zoeken van planten heeft iets goeds, dat stem ik u toe; maar alles moet zijn tijd hebben, en de doctor, zonder dat ik hem iets verwijten wil, heeft den zijne niet altijd even goed gekozen.”Ondanks de ernstige feiten, waarop deze woorden zinspeelden, konden de omstanders zich niet weêrhouden, om ten koste van den ongelukkigen geleerde even te glimlachen.»Kom, kom,” zeidedoñaLuz, »ik wil niet dat men mijnen armen doctor aanvalt; hij is voor zijne achteloosheid zwaar genoeg gestraft door het verdriet, dat hem sedert dien noodlottigen dag verteert.”»Gij hebt gelijk, mevrouw; ik zal er niet meer van spreken; maar nu vraag ik uwe toestemming om u te verlaten; mijne kameraden sterven letterlijk van honger, en de brave lieden wachten op mij, om te gaan eten.”»Maar,” vroeg nô Eusébio, »dien man, dien gij aangehouden hebt, wat wilt gij daarmede doen?”»Dat weet ik nog niet; zoodra ik gegeten heb, zal ik hem ondervragen; zijne antwoorden zullen waarschijnlijk mijn gedrag ten zijnen opzichte besturen.”De ketels werden van het vuur genomen en de stukken wildbraad klein gesneden; de jagers en de Indianen zetten zich broederlijk naast elkander en aten met veel smaak.De dames werden afzonderlijk in haar vertrek bediend door nô Eusébio, die de plichten van hofmeester waarnam met eene zorgvuldigheid en een ernst, eene betere plaats waardig.De man, die bij den ingang der grot aangehouden was, was onder bewaking gesteld van twee sterke, van top tot teen gewapende jagers, die hem niet uit het oog verloren; maar hij scheen er volstrekt niet aan te denken om te ontvluchten; integendeel, hij deed de spijzen, die men beleefd genoeg geweest was voor hem neder te zetten, zeer veel eer aan.[165]Zoodra de maaltijd afgeloopen was, vereenigden de opperhoofden zich, en voerden eenige minuten lang te zamen een fluisterend gesprek. Daarna werd op bevel van Edelhart de gevangene voorgebracht, en maakte men zich gereed om hem te ondervragen. Deze man, dien men nog nauwelijks een blik waardig gekeurd had, werd dadelijk herkend, zoodra hij voor de opperhoofden stond, die een gebaar van verrassing niet konden weerhouden.»Kapitein Ouaktehno!” prevelde Edelhart verbaasd.»Ja, ik zelf, mijne heeren,” antwoordde de roover met spottende hooghartigheid; »wat hebt gij mij te vragen? Ik ben bereid u op alles te antwoorden.”
[Inhoud]VIII.DE GROT VAN DEN KOPERGROEN.Er waren twee dagen verloopen, na de in het vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen.Wij geleiden den lezer, tusschen drie en vier ure na den middag, in de door Goedsmoeds ontdekte hut, waar Edelhart bij voorkeur zijn verblijf hield. Het inwendige der grot, verlicht door tallooze toortsen van zeker hout, dat de Indianen kaarshout noemen, en die op gelijke afstanden in de nissen der rotsen stonden te branden, had[161]heel veel van eene legerplaats van heidens of bandieten. Een veertigtal jagers en Comanchen waren hier en daar verspreid; sommigen sliepen, anderen rookten, anderen wederom maakten hunne wapens schoon of herstelden hunne kleederen, nog anderen lagen geknield voor twee of drie vuren, waarboven groote ketels hingen, of roosterden ontzaglijke stukken wildbraad voor het middagmaal hunner kameraden. Bij elken ingang der grot stonden twee schildwachten, onbewegelijk, maar op alles nauwkeurig acht gevende, om voor het algemeene welzijn te waken.In een afzonderlijk vertrek, door een vooruitstekend rotsblok van de overige ruimte afgescheiden, zaten twee vrouwen en een man op ruwe houtblokken zachtjes te praten.Deze vrouwen warendoñaLuz en de moeder van Edelhart, de man, die onder het rooken van zijn maïs-cigaar het oog op haar gevestigd hield, en soms zich in het gesprek mengde, hetzij door een uitroep van verrassing, van bewondering, of van vreugde, was nô Eusébio, de oude Spaansche dienaar, van wien wij reeds meermalen in den loop van dit verhaal melding hebben gemaakt.Aan den ingang van dit vertrek, dat eene soort van kamer in de grot vormde, wandelde een ander man, met de handen op den rug en tusschen de tanden fluitend, heen en weder. Dat was de Zwarte Eland.Edelhart, de Arendskop en Goedsmoeds waren afwezig.Het gesprek der beide vrouwen scheen hun veel belang in te boezemen; de moeder van den jager wisselde vaak een veelbeteekenenden blik met haar ouden dienaar, die zijn cigaar uit had laten gaan, maar, zonder het te merken, werktuigelijk bleef doorrooken.»O,” zeide de oude dame, de handen samenvouwende en de oogen ten hemel slaande, »de vinger Gods is wel zichtbaar in dit alles.”»Ja,” antwoordde nô Eusébio met overtuiging. »Hij alléén heeft alles gedaan.”»En zeg mij, mijn lieve, heeft uw oom gedurende de twee maanden dat gij op reis zijt, u nooit laten merken, hetzij door woorden, hetzij door daden, wat het doel was van dien tocht?”»Nooit!” antwoorddedoñaLuz.»Het is vreemd,” prevelde de oude dame.»Ja vreemd, inderdaad,” herhaalde nô Eusébio, die voortging met aan zijn cigaar te trekken.»Maar,” hernam Edelharts moeder, »waarmede bracht uw oom sedert zijne komst in de prairiën, zijn tijd door? Vergeef mij, mijn kind, die vragen moeten u wel vreemd toeschijnen, maar zij zijn geenszins het gevolg van nieuwsgierigheid; later zult gij mij begrijpen; dan zult gij inzien hoe groot de belangstelling is, die gij mij inboezemt, en welke alleen mij noopt u te ondervragen.”»Ik twijfel er geenszins aan, mevrouw,” antwoorddedoñaLuz met[162]een bekoorlijk lachje; »ook maak ik geen bezwaar om uwe vragen te beantwoorden. Mijn oom is sedert onze komst in de prairiën zeer droefgeestig en bezorgd geweest; hij zocht bij voorkeur het gezelschap van menschen, die aan het woestijnleven gewoon waren, en als hij er zoo een ontmoette, bleef hij vaak vele uren achtereen met hem praten.”»En waarover ondervroeg hij hen dan, mijn kind, herinnert gij u dat ook?”»O hemel, mevrouw,” antwoordde het meisje, terwijl een lichte blos hare wangen kleurde, »ik moet u tot mijne schande bekennen, dat ik op die gesprekken niet veel acht gaf, daar ik ten minste dacht, dat zij mij al heel weinig aangingen. Ik, arm kind, die tot nu toe eene sombere en eentonige levenswijze geleid heb, en die de wereld slechts heb gezien door de tralies van mijn klooster, ik bewonderde de grootsche natuur, die als door betoovering zich voor mij ontrolde; ik had geene oogen genoeg om die wonderen te aanschouwen, en ik aanbad den schepper, wiens oneindige macht zich eensklaps aan mij openbaarde.”»Het is waar, lief kind, vergeef mij die vragen, die u moeten vermoeien, en waarvan gij het belang niet gissen kunt,” zeide de goede dame, haar een kus op het voorhoofd drukkende; »als gij wilt, zullen wij er later nog wel eens over spreken.”»Zoo als gij wilt, mevrouw,” antwoordde het meisje haar wederom kussende, »ik ben blijde met u te kunnen praten, en welk onderwerp gij kiezen moogt ik zal er altijd veel belang in stellen.”»Maar wij zitten hier niets te doen als te babbelen, en vergeten intusschen mijn armen zoon die sedert dezen morgen afwezig is, en die, naar hij mij gezegd heeft, nu reeds terug moest zijn.”»O, als hem maar niets overkomen is,” riepdoñaLuz angstig.»Gij stelt dan wel belang in hem?” vroeg de oude dame glimlachend.»O, mevrouw,” antwoordde zij aangedaan, terwijl haar gelaat zich met gloeiend rood overdekte, »hoe zou dit anders kunnen na de diensten, die hij ons bewezen heeft, en die welke hij ons nog bewijzen zal gelijk ik zeker weet?”»Mijn zoon heeft u beloofd uw oom te zullen bevrijden; wees overtuigd, dat hij zijne belofte vervullen zal.”»O, ik twijfel er niet aan, mevrouw! zulk een edel en groot karakter!” riep zij met verheffing van stem uit, »met hoeveel recht draagt hij den naam van Edelhart!”De oude dame en Eusébio zagen haar glimlachend aan; zij waren verheugd over de verrukking van het meisje.DoñaLuz bemerkte nu met welk eene aandacht men haar gadesloeg; zij hield verlegen op, en boog het hoofd voorover, nog sterker blozende dan te voren.»O,” zeide de oude dame, haar bij de hand grijpende, »ga gerust[163]voort, mijn kind, ik ben verrukt u zoo over mijn zoon te hooren spreken; ja,” voegde zij er treurig en als tot zichzelve sprekende bij, »ja, hij heeft een groot en edel karakter; gelijk alle groote geesten, wordt hij miskend; maar geduld, God beproeft hem, eens zal hem recht wedervaren: voor het aangezicht van allen.”»Zou hij gelukkig zijn?” waagde het meisje te vragen.»Dat zeg ik niet, mijn kind,” antwoordde de arme moeder met een onderdrukten zucht, »wie kan in deze wereld zich vleien, gelukkig te zijn? Ieder heeft een last om te dragen, maar de Almachtige geeft aan ieder kracht naar kruis.”Men hoorde eenige beweging in de grot, verscheidene mannen traden binnen.»Daar is uw zoon, mevrouw,” zeide de Zwarte Eland.»Verplicht, mijn vriend,” antwoordde zij.»O, zooveel te beter,” zeidedoñaLuz, verheugd opstaande.Maar beschaamd over deze onwillekeurige beweging, liet het meisje zich verlegen en blozend weder op hare zitplaats nedervallen.Het was inderdaad Edelhart die binnenkwam, maar hij was niet alleen. Goedsmoeds en de Arendskop, benevens verscheidene jagers vergezelden hem.Edelhart, zoodra hij zich in de grot bevond, begaf zich dadelijk met groote stappen naar de plaats, waar zijne moeder zat, hij gaf haar een kus op het voorhoofd, wendde zich toen totdoñaLuz, en groette haar met zekere onnatuurlijke gedwongenheid, die voor de oude dame niet onopgemerkt bleef.Het meisje groette hem niet minder stijf terug.»Nu,” zeide hij vroolijk, »gij zult u wel verveeld hebben, terwijl gij op mij zat te wachten, mijne edele gevangene! de tijd heeft u in deze grot wel lang moeten toeschijnen; vergeef mij, dat ik u in deze akelige woning geherbergd heb,doñaLuz, gij, die geboren zijt om prachtige paleizen te bewonen. Helaas! het is het prachtigste van al mijne verblijven.”»Bij de moeder van hem, die mij het leven gered heeft, mijnheer,” antwoordde het meisje met waardigheid, »gevoel ik mij als in de tegenwoordigheid eener koningin, welke ook de plaats moge zijn, die haar tot woning verstrekt.”»Gij zijt al te goed, mevrouw!” stamelde de jager; »gij maakt mij waarlijk verlegen.”»Welnu, mijn zoon,” viel de oude dame in, met het doel om eene andere wending te geven aan het gesprek dat voor de beide jonge lieden moeielijk begon te worden, »wat hebt gij van daag gedaan? Hebt gij goede tijding voor ons?DoñaLuz is zeer bezorgd omtrent het lot van haar oom; zij brandt van verlangen om hem weder te zien.”»Ik begrijp de ongerustheid van mevrouw,” antwoordde de jager, »ik hoop die weldra uit den weg te ruimen, wij hebben van daag[164]niet veel uitgericht, het is ons onmogelijk geweest het spoor der bandieten terug te vinden. Het is om gek te worden van woede. Gelukkig hebben wij bij onze terugkomst, niet ver van de grot, den doctor wedergevonden, die volgens zijne loffelijke gewoonte, bezig was met in de spleten der rotsen naar kruiden te zoeken; hij zeide ons, dat hij een man van een verdacht uiterlijk in den omtrek had zien ronddwalen. Wij zijn dadelijk op de jacht gegaan, en inderdaad ontdekten wij weldra een persoon, waarvan wij ons onverwijld meester maakten, en dien wij hierheen hebben gebracht.”»Gij ziet dus, mijnheer,” zeidedoñaLuz min of meer schalkachtig, »dat het zoeken van kruiden toch nog ergens goed voor is. De goede doctor heeft u naar alle waarschijnlijkheid een groote dienst bewezen.”»Zonder het te willen,” antwoordde Edelhart lachend.»Dat spreek ik niet tegen,” hernam het meisje schertsend, »maar hij heeft het toch niettemin gedaan; en dat hebt gij aan zijne liefhebberij voor de planten te danken.”»Het zoeken van planten heeft iets goeds, dat stem ik u toe; maar alles moet zijn tijd hebben, en de doctor, zonder dat ik hem iets verwijten wil, heeft den zijne niet altijd even goed gekozen.”Ondanks de ernstige feiten, waarop deze woorden zinspeelden, konden de omstanders zich niet weêrhouden, om ten koste van den ongelukkigen geleerde even te glimlachen.»Kom, kom,” zeidedoñaLuz, »ik wil niet dat men mijnen armen doctor aanvalt; hij is voor zijne achteloosheid zwaar genoeg gestraft door het verdriet, dat hem sedert dien noodlottigen dag verteert.”»Gij hebt gelijk, mevrouw; ik zal er niet meer van spreken; maar nu vraag ik uwe toestemming om u te verlaten; mijne kameraden sterven letterlijk van honger, en de brave lieden wachten op mij, om te gaan eten.”»Maar,” vroeg nô Eusébio, »dien man, dien gij aangehouden hebt, wat wilt gij daarmede doen?”»Dat weet ik nog niet; zoodra ik gegeten heb, zal ik hem ondervragen; zijne antwoorden zullen waarschijnlijk mijn gedrag ten zijnen opzichte besturen.”De ketels werden van het vuur genomen en de stukken wildbraad klein gesneden; de jagers en de Indianen zetten zich broederlijk naast elkander en aten met veel smaak.De dames werden afzonderlijk in haar vertrek bediend door nô Eusébio, die de plichten van hofmeester waarnam met eene zorgvuldigheid en een ernst, eene betere plaats waardig.De man, die bij den ingang der grot aangehouden was, was onder bewaking gesteld van twee sterke, van top tot teen gewapende jagers, die hem niet uit het oog verloren; maar hij scheen er volstrekt niet aan te denken om te ontvluchten; integendeel, hij deed de spijzen, die men beleefd genoeg geweest was voor hem neder te zetten, zeer veel eer aan.[165]Zoodra de maaltijd afgeloopen was, vereenigden de opperhoofden zich, en voerden eenige minuten lang te zamen een fluisterend gesprek. Daarna werd op bevel van Edelhart de gevangene voorgebracht, en maakte men zich gereed om hem te ondervragen. Deze man, dien men nog nauwelijks een blik waardig gekeurd had, werd dadelijk herkend, zoodra hij voor de opperhoofden stond, die een gebaar van verrassing niet konden weerhouden.»Kapitein Ouaktehno!” prevelde Edelhart verbaasd.»Ja, ik zelf, mijne heeren,” antwoordde de roover met spottende hooghartigheid; »wat hebt gij mij te vragen? Ik ben bereid u op alles te antwoorden.”
[Inhoud]VIII.DE GROT VAN DEN KOPERGROEN.Er waren twee dagen verloopen, na de in het vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen.Wij geleiden den lezer, tusschen drie en vier ure na den middag, in de door Goedsmoeds ontdekte hut, waar Edelhart bij voorkeur zijn verblijf hield. Het inwendige der grot, verlicht door tallooze toortsen van zeker hout, dat de Indianen kaarshout noemen, en die op gelijke afstanden in de nissen der rotsen stonden te branden, had[161]heel veel van eene legerplaats van heidens of bandieten. Een veertigtal jagers en Comanchen waren hier en daar verspreid; sommigen sliepen, anderen rookten, anderen wederom maakten hunne wapens schoon of herstelden hunne kleederen, nog anderen lagen geknield voor twee of drie vuren, waarboven groote ketels hingen, of roosterden ontzaglijke stukken wildbraad voor het middagmaal hunner kameraden. Bij elken ingang der grot stonden twee schildwachten, onbewegelijk, maar op alles nauwkeurig acht gevende, om voor het algemeene welzijn te waken.In een afzonderlijk vertrek, door een vooruitstekend rotsblok van de overige ruimte afgescheiden, zaten twee vrouwen en een man op ruwe houtblokken zachtjes te praten.Deze vrouwen warendoñaLuz en de moeder van Edelhart, de man, die onder het rooken van zijn maïs-cigaar het oog op haar gevestigd hield, en soms zich in het gesprek mengde, hetzij door een uitroep van verrassing, van bewondering, of van vreugde, was nô Eusébio, de oude Spaansche dienaar, van wien wij reeds meermalen in den loop van dit verhaal melding hebben gemaakt.Aan den ingang van dit vertrek, dat eene soort van kamer in de grot vormde, wandelde een ander man, met de handen op den rug en tusschen de tanden fluitend, heen en weder. Dat was de Zwarte Eland.Edelhart, de Arendskop en Goedsmoeds waren afwezig.Het gesprek der beide vrouwen scheen hun veel belang in te boezemen; de moeder van den jager wisselde vaak een veelbeteekenenden blik met haar ouden dienaar, die zijn cigaar uit had laten gaan, maar, zonder het te merken, werktuigelijk bleef doorrooken.»O,” zeide de oude dame, de handen samenvouwende en de oogen ten hemel slaande, »de vinger Gods is wel zichtbaar in dit alles.”»Ja,” antwoordde nô Eusébio met overtuiging. »Hij alléén heeft alles gedaan.”»En zeg mij, mijn lieve, heeft uw oom gedurende de twee maanden dat gij op reis zijt, u nooit laten merken, hetzij door woorden, hetzij door daden, wat het doel was van dien tocht?”»Nooit!” antwoorddedoñaLuz.»Het is vreemd,” prevelde de oude dame.»Ja vreemd, inderdaad,” herhaalde nô Eusébio, die voortging met aan zijn cigaar te trekken.»Maar,” hernam Edelharts moeder, »waarmede bracht uw oom sedert zijne komst in de prairiën, zijn tijd door? Vergeef mij, mijn kind, die vragen moeten u wel vreemd toeschijnen, maar zij zijn geenszins het gevolg van nieuwsgierigheid; later zult gij mij begrijpen; dan zult gij inzien hoe groot de belangstelling is, die gij mij inboezemt, en welke alleen mij noopt u te ondervragen.”»Ik twijfel er geenszins aan, mevrouw,” antwoorddedoñaLuz met[162]een bekoorlijk lachje; »ook maak ik geen bezwaar om uwe vragen te beantwoorden. Mijn oom is sedert onze komst in de prairiën zeer droefgeestig en bezorgd geweest; hij zocht bij voorkeur het gezelschap van menschen, die aan het woestijnleven gewoon waren, en als hij er zoo een ontmoette, bleef hij vaak vele uren achtereen met hem praten.”»En waarover ondervroeg hij hen dan, mijn kind, herinnert gij u dat ook?”»O hemel, mevrouw,” antwoordde het meisje, terwijl een lichte blos hare wangen kleurde, »ik moet u tot mijne schande bekennen, dat ik op die gesprekken niet veel acht gaf, daar ik ten minste dacht, dat zij mij al heel weinig aangingen. Ik, arm kind, die tot nu toe eene sombere en eentonige levenswijze geleid heb, en die de wereld slechts heb gezien door de tralies van mijn klooster, ik bewonderde de grootsche natuur, die als door betoovering zich voor mij ontrolde; ik had geene oogen genoeg om die wonderen te aanschouwen, en ik aanbad den schepper, wiens oneindige macht zich eensklaps aan mij openbaarde.”»Het is waar, lief kind, vergeef mij die vragen, die u moeten vermoeien, en waarvan gij het belang niet gissen kunt,” zeide de goede dame, haar een kus op het voorhoofd drukkende; »als gij wilt, zullen wij er later nog wel eens over spreken.”»Zoo als gij wilt, mevrouw,” antwoordde het meisje haar wederom kussende, »ik ben blijde met u te kunnen praten, en welk onderwerp gij kiezen moogt ik zal er altijd veel belang in stellen.”»Maar wij zitten hier niets te doen als te babbelen, en vergeten intusschen mijn armen zoon die sedert dezen morgen afwezig is, en die, naar hij mij gezegd heeft, nu reeds terug moest zijn.”»O, als hem maar niets overkomen is,” riepdoñaLuz angstig.»Gij stelt dan wel belang in hem?” vroeg de oude dame glimlachend.»O, mevrouw,” antwoordde zij aangedaan, terwijl haar gelaat zich met gloeiend rood overdekte, »hoe zou dit anders kunnen na de diensten, die hij ons bewezen heeft, en die welke hij ons nog bewijzen zal gelijk ik zeker weet?”»Mijn zoon heeft u beloofd uw oom te zullen bevrijden; wees overtuigd, dat hij zijne belofte vervullen zal.”»O, ik twijfel er niet aan, mevrouw! zulk een edel en groot karakter!” riep zij met verheffing van stem uit, »met hoeveel recht draagt hij den naam van Edelhart!”De oude dame en Eusébio zagen haar glimlachend aan; zij waren verheugd over de verrukking van het meisje.DoñaLuz bemerkte nu met welk eene aandacht men haar gadesloeg; zij hield verlegen op, en boog het hoofd voorover, nog sterker blozende dan te voren.»O,” zeide de oude dame, haar bij de hand grijpende, »ga gerust[163]voort, mijn kind, ik ben verrukt u zoo over mijn zoon te hooren spreken; ja,” voegde zij er treurig en als tot zichzelve sprekende bij, »ja, hij heeft een groot en edel karakter; gelijk alle groote geesten, wordt hij miskend; maar geduld, God beproeft hem, eens zal hem recht wedervaren: voor het aangezicht van allen.”»Zou hij gelukkig zijn?” waagde het meisje te vragen.»Dat zeg ik niet, mijn kind,” antwoordde de arme moeder met een onderdrukten zucht, »wie kan in deze wereld zich vleien, gelukkig te zijn? Ieder heeft een last om te dragen, maar de Almachtige geeft aan ieder kracht naar kruis.”Men hoorde eenige beweging in de grot, verscheidene mannen traden binnen.»Daar is uw zoon, mevrouw,” zeide de Zwarte Eland.»Verplicht, mijn vriend,” antwoordde zij.»O, zooveel te beter,” zeidedoñaLuz, verheugd opstaande.Maar beschaamd over deze onwillekeurige beweging, liet het meisje zich verlegen en blozend weder op hare zitplaats nedervallen.Het was inderdaad Edelhart die binnenkwam, maar hij was niet alleen. Goedsmoeds en de Arendskop, benevens verscheidene jagers vergezelden hem.Edelhart, zoodra hij zich in de grot bevond, begaf zich dadelijk met groote stappen naar de plaats, waar zijne moeder zat, hij gaf haar een kus op het voorhoofd, wendde zich toen totdoñaLuz, en groette haar met zekere onnatuurlijke gedwongenheid, die voor de oude dame niet onopgemerkt bleef.Het meisje groette hem niet minder stijf terug.»Nu,” zeide hij vroolijk, »gij zult u wel verveeld hebben, terwijl gij op mij zat te wachten, mijne edele gevangene! de tijd heeft u in deze grot wel lang moeten toeschijnen; vergeef mij, dat ik u in deze akelige woning geherbergd heb,doñaLuz, gij, die geboren zijt om prachtige paleizen te bewonen. Helaas! het is het prachtigste van al mijne verblijven.”»Bij de moeder van hem, die mij het leven gered heeft, mijnheer,” antwoordde het meisje met waardigheid, »gevoel ik mij als in de tegenwoordigheid eener koningin, welke ook de plaats moge zijn, die haar tot woning verstrekt.”»Gij zijt al te goed, mevrouw!” stamelde de jager; »gij maakt mij waarlijk verlegen.”»Welnu, mijn zoon,” viel de oude dame in, met het doel om eene andere wending te geven aan het gesprek dat voor de beide jonge lieden moeielijk begon te worden, »wat hebt gij van daag gedaan? Hebt gij goede tijding voor ons?DoñaLuz is zeer bezorgd omtrent het lot van haar oom; zij brandt van verlangen om hem weder te zien.”»Ik begrijp de ongerustheid van mevrouw,” antwoordde de jager, »ik hoop die weldra uit den weg te ruimen, wij hebben van daag[164]niet veel uitgericht, het is ons onmogelijk geweest het spoor der bandieten terug te vinden. Het is om gek te worden van woede. Gelukkig hebben wij bij onze terugkomst, niet ver van de grot, den doctor wedergevonden, die volgens zijne loffelijke gewoonte, bezig was met in de spleten der rotsen naar kruiden te zoeken; hij zeide ons, dat hij een man van een verdacht uiterlijk in den omtrek had zien ronddwalen. Wij zijn dadelijk op de jacht gegaan, en inderdaad ontdekten wij weldra een persoon, waarvan wij ons onverwijld meester maakten, en dien wij hierheen hebben gebracht.”»Gij ziet dus, mijnheer,” zeidedoñaLuz min of meer schalkachtig, »dat het zoeken van kruiden toch nog ergens goed voor is. De goede doctor heeft u naar alle waarschijnlijkheid een groote dienst bewezen.”»Zonder het te willen,” antwoordde Edelhart lachend.»Dat spreek ik niet tegen,” hernam het meisje schertsend, »maar hij heeft het toch niettemin gedaan; en dat hebt gij aan zijne liefhebberij voor de planten te danken.”»Het zoeken van planten heeft iets goeds, dat stem ik u toe; maar alles moet zijn tijd hebben, en de doctor, zonder dat ik hem iets verwijten wil, heeft den zijne niet altijd even goed gekozen.”Ondanks de ernstige feiten, waarop deze woorden zinspeelden, konden de omstanders zich niet weêrhouden, om ten koste van den ongelukkigen geleerde even te glimlachen.»Kom, kom,” zeidedoñaLuz, »ik wil niet dat men mijnen armen doctor aanvalt; hij is voor zijne achteloosheid zwaar genoeg gestraft door het verdriet, dat hem sedert dien noodlottigen dag verteert.”»Gij hebt gelijk, mevrouw; ik zal er niet meer van spreken; maar nu vraag ik uwe toestemming om u te verlaten; mijne kameraden sterven letterlijk van honger, en de brave lieden wachten op mij, om te gaan eten.”»Maar,” vroeg nô Eusébio, »dien man, dien gij aangehouden hebt, wat wilt gij daarmede doen?”»Dat weet ik nog niet; zoodra ik gegeten heb, zal ik hem ondervragen; zijne antwoorden zullen waarschijnlijk mijn gedrag ten zijnen opzichte besturen.”De ketels werden van het vuur genomen en de stukken wildbraad klein gesneden; de jagers en de Indianen zetten zich broederlijk naast elkander en aten met veel smaak.De dames werden afzonderlijk in haar vertrek bediend door nô Eusébio, die de plichten van hofmeester waarnam met eene zorgvuldigheid en een ernst, eene betere plaats waardig.De man, die bij den ingang der grot aangehouden was, was onder bewaking gesteld van twee sterke, van top tot teen gewapende jagers, die hem niet uit het oog verloren; maar hij scheen er volstrekt niet aan te denken om te ontvluchten; integendeel, hij deed de spijzen, die men beleefd genoeg geweest was voor hem neder te zetten, zeer veel eer aan.[165]Zoodra de maaltijd afgeloopen was, vereenigden de opperhoofden zich, en voerden eenige minuten lang te zamen een fluisterend gesprek. Daarna werd op bevel van Edelhart de gevangene voorgebracht, en maakte men zich gereed om hem te ondervragen. Deze man, dien men nog nauwelijks een blik waardig gekeurd had, werd dadelijk herkend, zoodra hij voor de opperhoofden stond, die een gebaar van verrassing niet konden weerhouden.»Kapitein Ouaktehno!” prevelde Edelhart verbaasd.»Ja, ik zelf, mijne heeren,” antwoordde de roover met spottende hooghartigheid; »wat hebt gij mij te vragen? Ik ben bereid u op alles te antwoorden.”
VIII.DE GROT VAN DEN KOPERGROEN.
Er waren twee dagen verloopen, na de in het vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen.Wij geleiden den lezer, tusschen drie en vier ure na den middag, in de door Goedsmoeds ontdekte hut, waar Edelhart bij voorkeur zijn verblijf hield. Het inwendige der grot, verlicht door tallooze toortsen van zeker hout, dat de Indianen kaarshout noemen, en die op gelijke afstanden in de nissen der rotsen stonden te branden, had[161]heel veel van eene legerplaats van heidens of bandieten. Een veertigtal jagers en Comanchen waren hier en daar verspreid; sommigen sliepen, anderen rookten, anderen wederom maakten hunne wapens schoon of herstelden hunne kleederen, nog anderen lagen geknield voor twee of drie vuren, waarboven groote ketels hingen, of roosterden ontzaglijke stukken wildbraad voor het middagmaal hunner kameraden. Bij elken ingang der grot stonden twee schildwachten, onbewegelijk, maar op alles nauwkeurig acht gevende, om voor het algemeene welzijn te waken.In een afzonderlijk vertrek, door een vooruitstekend rotsblok van de overige ruimte afgescheiden, zaten twee vrouwen en een man op ruwe houtblokken zachtjes te praten.Deze vrouwen warendoñaLuz en de moeder van Edelhart, de man, die onder het rooken van zijn maïs-cigaar het oog op haar gevestigd hield, en soms zich in het gesprek mengde, hetzij door een uitroep van verrassing, van bewondering, of van vreugde, was nô Eusébio, de oude Spaansche dienaar, van wien wij reeds meermalen in den loop van dit verhaal melding hebben gemaakt.Aan den ingang van dit vertrek, dat eene soort van kamer in de grot vormde, wandelde een ander man, met de handen op den rug en tusschen de tanden fluitend, heen en weder. Dat was de Zwarte Eland.Edelhart, de Arendskop en Goedsmoeds waren afwezig.Het gesprek der beide vrouwen scheen hun veel belang in te boezemen; de moeder van den jager wisselde vaak een veelbeteekenenden blik met haar ouden dienaar, die zijn cigaar uit had laten gaan, maar, zonder het te merken, werktuigelijk bleef doorrooken.»O,” zeide de oude dame, de handen samenvouwende en de oogen ten hemel slaande, »de vinger Gods is wel zichtbaar in dit alles.”»Ja,” antwoordde nô Eusébio met overtuiging. »Hij alléén heeft alles gedaan.”»En zeg mij, mijn lieve, heeft uw oom gedurende de twee maanden dat gij op reis zijt, u nooit laten merken, hetzij door woorden, hetzij door daden, wat het doel was van dien tocht?”»Nooit!” antwoorddedoñaLuz.»Het is vreemd,” prevelde de oude dame.»Ja vreemd, inderdaad,” herhaalde nô Eusébio, die voortging met aan zijn cigaar te trekken.»Maar,” hernam Edelharts moeder, »waarmede bracht uw oom sedert zijne komst in de prairiën, zijn tijd door? Vergeef mij, mijn kind, die vragen moeten u wel vreemd toeschijnen, maar zij zijn geenszins het gevolg van nieuwsgierigheid; later zult gij mij begrijpen; dan zult gij inzien hoe groot de belangstelling is, die gij mij inboezemt, en welke alleen mij noopt u te ondervragen.”»Ik twijfel er geenszins aan, mevrouw,” antwoorddedoñaLuz met[162]een bekoorlijk lachje; »ook maak ik geen bezwaar om uwe vragen te beantwoorden. Mijn oom is sedert onze komst in de prairiën zeer droefgeestig en bezorgd geweest; hij zocht bij voorkeur het gezelschap van menschen, die aan het woestijnleven gewoon waren, en als hij er zoo een ontmoette, bleef hij vaak vele uren achtereen met hem praten.”»En waarover ondervroeg hij hen dan, mijn kind, herinnert gij u dat ook?”»O hemel, mevrouw,” antwoordde het meisje, terwijl een lichte blos hare wangen kleurde, »ik moet u tot mijne schande bekennen, dat ik op die gesprekken niet veel acht gaf, daar ik ten minste dacht, dat zij mij al heel weinig aangingen. Ik, arm kind, die tot nu toe eene sombere en eentonige levenswijze geleid heb, en die de wereld slechts heb gezien door de tralies van mijn klooster, ik bewonderde de grootsche natuur, die als door betoovering zich voor mij ontrolde; ik had geene oogen genoeg om die wonderen te aanschouwen, en ik aanbad den schepper, wiens oneindige macht zich eensklaps aan mij openbaarde.”»Het is waar, lief kind, vergeef mij die vragen, die u moeten vermoeien, en waarvan gij het belang niet gissen kunt,” zeide de goede dame, haar een kus op het voorhoofd drukkende; »als gij wilt, zullen wij er later nog wel eens over spreken.”»Zoo als gij wilt, mevrouw,” antwoordde het meisje haar wederom kussende, »ik ben blijde met u te kunnen praten, en welk onderwerp gij kiezen moogt ik zal er altijd veel belang in stellen.”»Maar wij zitten hier niets te doen als te babbelen, en vergeten intusschen mijn armen zoon die sedert dezen morgen afwezig is, en die, naar hij mij gezegd heeft, nu reeds terug moest zijn.”»O, als hem maar niets overkomen is,” riepdoñaLuz angstig.»Gij stelt dan wel belang in hem?” vroeg de oude dame glimlachend.»O, mevrouw,” antwoordde zij aangedaan, terwijl haar gelaat zich met gloeiend rood overdekte, »hoe zou dit anders kunnen na de diensten, die hij ons bewezen heeft, en die welke hij ons nog bewijzen zal gelijk ik zeker weet?”»Mijn zoon heeft u beloofd uw oom te zullen bevrijden; wees overtuigd, dat hij zijne belofte vervullen zal.”»O, ik twijfel er niet aan, mevrouw! zulk een edel en groot karakter!” riep zij met verheffing van stem uit, »met hoeveel recht draagt hij den naam van Edelhart!”De oude dame en Eusébio zagen haar glimlachend aan; zij waren verheugd over de verrukking van het meisje.DoñaLuz bemerkte nu met welk eene aandacht men haar gadesloeg; zij hield verlegen op, en boog het hoofd voorover, nog sterker blozende dan te voren.»O,” zeide de oude dame, haar bij de hand grijpende, »ga gerust[163]voort, mijn kind, ik ben verrukt u zoo over mijn zoon te hooren spreken; ja,” voegde zij er treurig en als tot zichzelve sprekende bij, »ja, hij heeft een groot en edel karakter; gelijk alle groote geesten, wordt hij miskend; maar geduld, God beproeft hem, eens zal hem recht wedervaren: voor het aangezicht van allen.”»Zou hij gelukkig zijn?” waagde het meisje te vragen.»Dat zeg ik niet, mijn kind,” antwoordde de arme moeder met een onderdrukten zucht, »wie kan in deze wereld zich vleien, gelukkig te zijn? Ieder heeft een last om te dragen, maar de Almachtige geeft aan ieder kracht naar kruis.”Men hoorde eenige beweging in de grot, verscheidene mannen traden binnen.»Daar is uw zoon, mevrouw,” zeide de Zwarte Eland.»Verplicht, mijn vriend,” antwoordde zij.»O, zooveel te beter,” zeidedoñaLuz, verheugd opstaande.Maar beschaamd over deze onwillekeurige beweging, liet het meisje zich verlegen en blozend weder op hare zitplaats nedervallen.Het was inderdaad Edelhart die binnenkwam, maar hij was niet alleen. Goedsmoeds en de Arendskop, benevens verscheidene jagers vergezelden hem.Edelhart, zoodra hij zich in de grot bevond, begaf zich dadelijk met groote stappen naar de plaats, waar zijne moeder zat, hij gaf haar een kus op het voorhoofd, wendde zich toen totdoñaLuz, en groette haar met zekere onnatuurlijke gedwongenheid, die voor de oude dame niet onopgemerkt bleef.Het meisje groette hem niet minder stijf terug.»Nu,” zeide hij vroolijk, »gij zult u wel verveeld hebben, terwijl gij op mij zat te wachten, mijne edele gevangene! de tijd heeft u in deze grot wel lang moeten toeschijnen; vergeef mij, dat ik u in deze akelige woning geherbergd heb,doñaLuz, gij, die geboren zijt om prachtige paleizen te bewonen. Helaas! het is het prachtigste van al mijne verblijven.”»Bij de moeder van hem, die mij het leven gered heeft, mijnheer,” antwoordde het meisje met waardigheid, »gevoel ik mij als in de tegenwoordigheid eener koningin, welke ook de plaats moge zijn, die haar tot woning verstrekt.”»Gij zijt al te goed, mevrouw!” stamelde de jager; »gij maakt mij waarlijk verlegen.”»Welnu, mijn zoon,” viel de oude dame in, met het doel om eene andere wending te geven aan het gesprek dat voor de beide jonge lieden moeielijk begon te worden, »wat hebt gij van daag gedaan? Hebt gij goede tijding voor ons?DoñaLuz is zeer bezorgd omtrent het lot van haar oom; zij brandt van verlangen om hem weder te zien.”»Ik begrijp de ongerustheid van mevrouw,” antwoordde de jager, »ik hoop die weldra uit den weg te ruimen, wij hebben van daag[164]niet veel uitgericht, het is ons onmogelijk geweest het spoor der bandieten terug te vinden. Het is om gek te worden van woede. Gelukkig hebben wij bij onze terugkomst, niet ver van de grot, den doctor wedergevonden, die volgens zijne loffelijke gewoonte, bezig was met in de spleten der rotsen naar kruiden te zoeken; hij zeide ons, dat hij een man van een verdacht uiterlijk in den omtrek had zien ronddwalen. Wij zijn dadelijk op de jacht gegaan, en inderdaad ontdekten wij weldra een persoon, waarvan wij ons onverwijld meester maakten, en dien wij hierheen hebben gebracht.”»Gij ziet dus, mijnheer,” zeidedoñaLuz min of meer schalkachtig, »dat het zoeken van kruiden toch nog ergens goed voor is. De goede doctor heeft u naar alle waarschijnlijkheid een groote dienst bewezen.”»Zonder het te willen,” antwoordde Edelhart lachend.»Dat spreek ik niet tegen,” hernam het meisje schertsend, »maar hij heeft het toch niettemin gedaan; en dat hebt gij aan zijne liefhebberij voor de planten te danken.”»Het zoeken van planten heeft iets goeds, dat stem ik u toe; maar alles moet zijn tijd hebben, en de doctor, zonder dat ik hem iets verwijten wil, heeft den zijne niet altijd even goed gekozen.”Ondanks de ernstige feiten, waarop deze woorden zinspeelden, konden de omstanders zich niet weêrhouden, om ten koste van den ongelukkigen geleerde even te glimlachen.»Kom, kom,” zeidedoñaLuz, »ik wil niet dat men mijnen armen doctor aanvalt; hij is voor zijne achteloosheid zwaar genoeg gestraft door het verdriet, dat hem sedert dien noodlottigen dag verteert.”»Gij hebt gelijk, mevrouw; ik zal er niet meer van spreken; maar nu vraag ik uwe toestemming om u te verlaten; mijne kameraden sterven letterlijk van honger, en de brave lieden wachten op mij, om te gaan eten.”»Maar,” vroeg nô Eusébio, »dien man, dien gij aangehouden hebt, wat wilt gij daarmede doen?”»Dat weet ik nog niet; zoodra ik gegeten heb, zal ik hem ondervragen; zijne antwoorden zullen waarschijnlijk mijn gedrag ten zijnen opzichte besturen.”De ketels werden van het vuur genomen en de stukken wildbraad klein gesneden; de jagers en de Indianen zetten zich broederlijk naast elkander en aten met veel smaak.De dames werden afzonderlijk in haar vertrek bediend door nô Eusébio, die de plichten van hofmeester waarnam met eene zorgvuldigheid en een ernst, eene betere plaats waardig.De man, die bij den ingang der grot aangehouden was, was onder bewaking gesteld van twee sterke, van top tot teen gewapende jagers, die hem niet uit het oog verloren; maar hij scheen er volstrekt niet aan te denken om te ontvluchten; integendeel, hij deed de spijzen, die men beleefd genoeg geweest was voor hem neder te zetten, zeer veel eer aan.[165]Zoodra de maaltijd afgeloopen was, vereenigden de opperhoofden zich, en voerden eenige minuten lang te zamen een fluisterend gesprek. Daarna werd op bevel van Edelhart de gevangene voorgebracht, en maakte men zich gereed om hem te ondervragen. Deze man, dien men nog nauwelijks een blik waardig gekeurd had, werd dadelijk herkend, zoodra hij voor de opperhoofden stond, die een gebaar van verrassing niet konden weerhouden.»Kapitein Ouaktehno!” prevelde Edelhart verbaasd.»Ja, ik zelf, mijne heeren,” antwoordde de roover met spottende hooghartigheid; »wat hebt gij mij te vragen? Ik ben bereid u op alles te antwoorden.”
Er waren twee dagen verloopen, na de in het vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen.
Wij geleiden den lezer, tusschen drie en vier ure na den middag, in de door Goedsmoeds ontdekte hut, waar Edelhart bij voorkeur zijn verblijf hield. Het inwendige der grot, verlicht door tallooze toortsen van zeker hout, dat de Indianen kaarshout noemen, en die op gelijke afstanden in de nissen der rotsen stonden te branden, had[161]heel veel van eene legerplaats van heidens of bandieten. Een veertigtal jagers en Comanchen waren hier en daar verspreid; sommigen sliepen, anderen rookten, anderen wederom maakten hunne wapens schoon of herstelden hunne kleederen, nog anderen lagen geknield voor twee of drie vuren, waarboven groote ketels hingen, of roosterden ontzaglijke stukken wildbraad voor het middagmaal hunner kameraden. Bij elken ingang der grot stonden twee schildwachten, onbewegelijk, maar op alles nauwkeurig acht gevende, om voor het algemeene welzijn te waken.
In een afzonderlijk vertrek, door een vooruitstekend rotsblok van de overige ruimte afgescheiden, zaten twee vrouwen en een man op ruwe houtblokken zachtjes te praten.
Deze vrouwen warendoñaLuz en de moeder van Edelhart, de man, die onder het rooken van zijn maïs-cigaar het oog op haar gevestigd hield, en soms zich in het gesprek mengde, hetzij door een uitroep van verrassing, van bewondering, of van vreugde, was nô Eusébio, de oude Spaansche dienaar, van wien wij reeds meermalen in den loop van dit verhaal melding hebben gemaakt.
Aan den ingang van dit vertrek, dat eene soort van kamer in de grot vormde, wandelde een ander man, met de handen op den rug en tusschen de tanden fluitend, heen en weder. Dat was de Zwarte Eland.
Edelhart, de Arendskop en Goedsmoeds waren afwezig.
Het gesprek der beide vrouwen scheen hun veel belang in te boezemen; de moeder van den jager wisselde vaak een veelbeteekenenden blik met haar ouden dienaar, die zijn cigaar uit had laten gaan, maar, zonder het te merken, werktuigelijk bleef doorrooken.
»O,” zeide de oude dame, de handen samenvouwende en de oogen ten hemel slaande, »de vinger Gods is wel zichtbaar in dit alles.”
»Ja,” antwoordde nô Eusébio met overtuiging. »Hij alléén heeft alles gedaan.”
»En zeg mij, mijn lieve, heeft uw oom gedurende de twee maanden dat gij op reis zijt, u nooit laten merken, hetzij door woorden, hetzij door daden, wat het doel was van dien tocht?”
»Nooit!” antwoorddedoñaLuz.
»Het is vreemd,” prevelde de oude dame.
»Ja vreemd, inderdaad,” herhaalde nô Eusébio, die voortging met aan zijn cigaar te trekken.
»Maar,” hernam Edelharts moeder, »waarmede bracht uw oom sedert zijne komst in de prairiën, zijn tijd door? Vergeef mij, mijn kind, die vragen moeten u wel vreemd toeschijnen, maar zij zijn geenszins het gevolg van nieuwsgierigheid; later zult gij mij begrijpen; dan zult gij inzien hoe groot de belangstelling is, die gij mij inboezemt, en welke alleen mij noopt u te ondervragen.”
»Ik twijfel er geenszins aan, mevrouw,” antwoorddedoñaLuz met[162]een bekoorlijk lachje; »ook maak ik geen bezwaar om uwe vragen te beantwoorden. Mijn oom is sedert onze komst in de prairiën zeer droefgeestig en bezorgd geweest; hij zocht bij voorkeur het gezelschap van menschen, die aan het woestijnleven gewoon waren, en als hij er zoo een ontmoette, bleef hij vaak vele uren achtereen met hem praten.”
»En waarover ondervroeg hij hen dan, mijn kind, herinnert gij u dat ook?”
»O hemel, mevrouw,” antwoordde het meisje, terwijl een lichte blos hare wangen kleurde, »ik moet u tot mijne schande bekennen, dat ik op die gesprekken niet veel acht gaf, daar ik ten minste dacht, dat zij mij al heel weinig aangingen. Ik, arm kind, die tot nu toe eene sombere en eentonige levenswijze geleid heb, en die de wereld slechts heb gezien door de tralies van mijn klooster, ik bewonderde de grootsche natuur, die als door betoovering zich voor mij ontrolde; ik had geene oogen genoeg om die wonderen te aanschouwen, en ik aanbad den schepper, wiens oneindige macht zich eensklaps aan mij openbaarde.”
»Het is waar, lief kind, vergeef mij die vragen, die u moeten vermoeien, en waarvan gij het belang niet gissen kunt,” zeide de goede dame, haar een kus op het voorhoofd drukkende; »als gij wilt, zullen wij er later nog wel eens over spreken.”
»Zoo als gij wilt, mevrouw,” antwoordde het meisje haar wederom kussende, »ik ben blijde met u te kunnen praten, en welk onderwerp gij kiezen moogt ik zal er altijd veel belang in stellen.”
»Maar wij zitten hier niets te doen als te babbelen, en vergeten intusschen mijn armen zoon die sedert dezen morgen afwezig is, en die, naar hij mij gezegd heeft, nu reeds terug moest zijn.”
»O, als hem maar niets overkomen is,” riepdoñaLuz angstig.
»Gij stelt dan wel belang in hem?” vroeg de oude dame glimlachend.
»O, mevrouw,” antwoordde zij aangedaan, terwijl haar gelaat zich met gloeiend rood overdekte, »hoe zou dit anders kunnen na de diensten, die hij ons bewezen heeft, en die welke hij ons nog bewijzen zal gelijk ik zeker weet?”
»Mijn zoon heeft u beloofd uw oom te zullen bevrijden; wees overtuigd, dat hij zijne belofte vervullen zal.”
»O, ik twijfel er niet aan, mevrouw! zulk een edel en groot karakter!” riep zij met verheffing van stem uit, »met hoeveel recht draagt hij den naam van Edelhart!”
De oude dame en Eusébio zagen haar glimlachend aan; zij waren verheugd over de verrukking van het meisje.
DoñaLuz bemerkte nu met welk eene aandacht men haar gadesloeg; zij hield verlegen op, en boog het hoofd voorover, nog sterker blozende dan te voren.
»O,” zeide de oude dame, haar bij de hand grijpende, »ga gerust[163]voort, mijn kind, ik ben verrukt u zoo over mijn zoon te hooren spreken; ja,” voegde zij er treurig en als tot zichzelve sprekende bij, »ja, hij heeft een groot en edel karakter; gelijk alle groote geesten, wordt hij miskend; maar geduld, God beproeft hem, eens zal hem recht wedervaren: voor het aangezicht van allen.”
»Zou hij gelukkig zijn?” waagde het meisje te vragen.
»Dat zeg ik niet, mijn kind,” antwoordde de arme moeder met een onderdrukten zucht, »wie kan in deze wereld zich vleien, gelukkig te zijn? Ieder heeft een last om te dragen, maar de Almachtige geeft aan ieder kracht naar kruis.”
Men hoorde eenige beweging in de grot, verscheidene mannen traden binnen.
»Daar is uw zoon, mevrouw,” zeide de Zwarte Eland.
»Verplicht, mijn vriend,” antwoordde zij.
»O, zooveel te beter,” zeidedoñaLuz, verheugd opstaande.
Maar beschaamd over deze onwillekeurige beweging, liet het meisje zich verlegen en blozend weder op hare zitplaats nedervallen.
Het was inderdaad Edelhart die binnenkwam, maar hij was niet alleen. Goedsmoeds en de Arendskop, benevens verscheidene jagers vergezelden hem.
Edelhart, zoodra hij zich in de grot bevond, begaf zich dadelijk met groote stappen naar de plaats, waar zijne moeder zat, hij gaf haar een kus op het voorhoofd, wendde zich toen totdoñaLuz, en groette haar met zekere onnatuurlijke gedwongenheid, die voor de oude dame niet onopgemerkt bleef.
Het meisje groette hem niet minder stijf terug.
»Nu,” zeide hij vroolijk, »gij zult u wel verveeld hebben, terwijl gij op mij zat te wachten, mijne edele gevangene! de tijd heeft u in deze grot wel lang moeten toeschijnen; vergeef mij, dat ik u in deze akelige woning geherbergd heb,doñaLuz, gij, die geboren zijt om prachtige paleizen te bewonen. Helaas! het is het prachtigste van al mijne verblijven.”
»Bij de moeder van hem, die mij het leven gered heeft, mijnheer,” antwoordde het meisje met waardigheid, »gevoel ik mij als in de tegenwoordigheid eener koningin, welke ook de plaats moge zijn, die haar tot woning verstrekt.”
»Gij zijt al te goed, mevrouw!” stamelde de jager; »gij maakt mij waarlijk verlegen.”
»Welnu, mijn zoon,” viel de oude dame in, met het doel om eene andere wending te geven aan het gesprek dat voor de beide jonge lieden moeielijk begon te worden, »wat hebt gij van daag gedaan? Hebt gij goede tijding voor ons?DoñaLuz is zeer bezorgd omtrent het lot van haar oom; zij brandt van verlangen om hem weder te zien.”
»Ik begrijp de ongerustheid van mevrouw,” antwoordde de jager, »ik hoop die weldra uit den weg te ruimen, wij hebben van daag[164]niet veel uitgericht, het is ons onmogelijk geweest het spoor der bandieten terug te vinden. Het is om gek te worden van woede. Gelukkig hebben wij bij onze terugkomst, niet ver van de grot, den doctor wedergevonden, die volgens zijne loffelijke gewoonte, bezig was met in de spleten der rotsen naar kruiden te zoeken; hij zeide ons, dat hij een man van een verdacht uiterlijk in den omtrek had zien ronddwalen. Wij zijn dadelijk op de jacht gegaan, en inderdaad ontdekten wij weldra een persoon, waarvan wij ons onverwijld meester maakten, en dien wij hierheen hebben gebracht.”
»Gij ziet dus, mijnheer,” zeidedoñaLuz min of meer schalkachtig, »dat het zoeken van kruiden toch nog ergens goed voor is. De goede doctor heeft u naar alle waarschijnlijkheid een groote dienst bewezen.”
»Zonder het te willen,” antwoordde Edelhart lachend.
»Dat spreek ik niet tegen,” hernam het meisje schertsend, »maar hij heeft het toch niettemin gedaan; en dat hebt gij aan zijne liefhebberij voor de planten te danken.”
»Het zoeken van planten heeft iets goeds, dat stem ik u toe; maar alles moet zijn tijd hebben, en de doctor, zonder dat ik hem iets verwijten wil, heeft den zijne niet altijd even goed gekozen.”
Ondanks de ernstige feiten, waarop deze woorden zinspeelden, konden de omstanders zich niet weêrhouden, om ten koste van den ongelukkigen geleerde even te glimlachen.
»Kom, kom,” zeidedoñaLuz, »ik wil niet dat men mijnen armen doctor aanvalt; hij is voor zijne achteloosheid zwaar genoeg gestraft door het verdriet, dat hem sedert dien noodlottigen dag verteert.”
»Gij hebt gelijk, mevrouw; ik zal er niet meer van spreken; maar nu vraag ik uwe toestemming om u te verlaten; mijne kameraden sterven letterlijk van honger, en de brave lieden wachten op mij, om te gaan eten.”
»Maar,” vroeg nô Eusébio, »dien man, dien gij aangehouden hebt, wat wilt gij daarmede doen?”
»Dat weet ik nog niet; zoodra ik gegeten heb, zal ik hem ondervragen; zijne antwoorden zullen waarschijnlijk mijn gedrag ten zijnen opzichte besturen.”
De ketels werden van het vuur genomen en de stukken wildbraad klein gesneden; de jagers en de Indianen zetten zich broederlijk naast elkander en aten met veel smaak.
De dames werden afzonderlijk in haar vertrek bediend door nô Eusébio, die de plichten van hofmeester waarnam met eene zorgvuldigheid en een ernst, eene betere plaats waardig.
De man, die bij den ingang der grot aangehouden was, was onder bewaking gesteld van twee sterke, van top tot teen gewapende jagers, die hem niet uit het oog verloren; maar hij scheen er volstrekt niet aan te denken om te ontvluchten; integendeel, hij deed de spijzen, die men beleefd genoeg geweest was voor hem neder te zetten, zeer veel eer aan.[165]
Zoodra de maaltijd afgeloopen was, vereenigden de opperhoofden zich, en voerden eenige minuten lang te zamen een fluisterend gesprek. Daarna werd op bevel van Edelhart de gevangene voorgebracht, en maakte men zich gereed om hem te ondervragen. Deze man, dien men nog nauwelijks een blik waardig gekeurd had, werd dadelijk herkend, zoodra hij voor de opperhoofden stond, die een gebaar van verrassing niet konden weerhouden.
»Kapitein Ouaktehno!” prevelde Edelhart verbaasd.
»Ja, ik zelf, mijne heeren,” antwoordde de roover met spottende hooghartigheid; »wat hebt gij mij te vragen? Ik ben bereid u op alles te antwoorden.”