De verkiezingen van 1905.—De overwinning van de linkerzijde.
De kiezerscampagne werd geopend met de openbaarmaking van het gemeenschappelijk program van actie, vastgesteld door de Liberale Unie en den Vrijzinnig-Democratischen Bond. Hunne verdeeldheden van af het begin van 1901 hadden op bizondere wijze de zaak van hunne tegenstanders gediend. Dezen keer namen zij zich bijtijds voor, alle mogelijke geschillen te onderdrukken en van den 21enJanuari 1903 af gingen zij eene Unie aan op zoo wijd terrein, dat zij hoopten te zien, dat zich aan hunne zijde de andere fracties van links zouden opstellen, van af de Oud-liberalen tot aan de Sociaal-democraten.
Hun zeer kort en zeer handig program had dezen voornaamsten inhoud: ontwikkeling van de openbare school, sociale hervormingen, reorganisatie van het leger en een volksleger, besparing van financiën, instelling van een redelijker systeem van directe belastingen en vooral herziening van de grondwet. Op dit laatste punt, het belangrijkste, hadden de leiders, de heeren Goeman Borgesius en Marchant al de hulpmiddelen van hun vruchtbaren geest in werking gebracht om niemands neigingen te kwetsen. Wat zij wilden, dat was niet de totale herziening van de grondwet, maar alleen die van artikel 80,dat het kiesrecht binnen grenzen opsloot, die de wetgever niet kon overkomen.
Om dit doel te bereiken moest men met overleg handelen, want de linkerzijde had verre van eenzelfde opinie over den zin van deze gedeeltelijke herziening. De Oud-liberalen vonden de grenzen te wijd getrokken; de Liberale Unie had zich kortelings verdeeld ten aanzien van de kwestie, of het wel de tijd voor deze hervorming was; en men wist het, dat de Sociaal-democraten voor allen en tegen allen in het algemeen kiesrecht eischten.
In deze omstandigheden een oplossing te vinden, die allen kon bevredigen, was bizonder moeilijk. Zich te verklaren vóór het algemeen kiesrecht, dat was den rechtervleugel van de liberale troepen van zich te vervreemden; zich voor het beperkte kiesrecht te verklaren, dat was den mogelijken steun van de uiterste linkerzijde zich te ontzeggen. Men had alle krachten en aller medewerking, waar zij ook vandaan kwamen, noodig om te overwinnen.
In dit dilemma vonden de heeren Goeman Borgesius en Marchant op vernuftige wijze een schoone oplossing: Men zou herziening aanvragen, maar men zou zich wel voor uitlegging wachten. Men zou dan uitsluitend bedoelen om uit artikel 80 de bestaande beperking door te streepen en men zou aan de Tweede Kamer volle vrijheid laten om het kiesrecht naar haar zin te regelen. Op zulk eene wijze zou de grondwet zelve aan den gewonen wetgever een blanco pagina verschaffen, waarop hij vervolgens kon schrijven, wat hij wilde. Men hoopte, dat iedere partij zich bevlijtigen zou dit blanco artikel te eischen, in de hoop hare eigen begrippen er op te doen schrijven. De Vrijzinnig-democraten verheelden niet, dat in navolging van de Socialisten zij er het algemeene kiesrecht begeerden te zien, maar niets verhinderde, naar men geloofde, de Oud-liberalen te eischen dat er iets anders op geschreven zou worden.
Niettemin bracht deze oplossing, die tot niets besloot, niet al de resultaten teweeg, die men er van verwachtte. Zij voldeed de Vrijzinnig-democraten niet. Zij vermocht niet het wantrouwen en de halsstarrigheid van de Oud-liberalenweg te nemen, van hen, die over 't geheel zeer begeerig waren om de wapenen, zooveel gebruikt als zij waren, in het grondwettig arsenaal te laten om er richtingen, die hen buiten zinnen brachten, mede te bestrijden.
Overigens waren zij in dit voorstel niet geraadpleegd en hun voorzichtig conservatisme maakte er zich ongerust over. Hierdoor wordt verklaard, waarom in hun manifest aan de liberale kiezers, in de Nieuwe Rotterdammer Courant op den 18enFebruari 1905 gepubliceerd, zij verklaarden, dat het niet wenschelijk was, dat eene herziening van de kieswet op den voorgrond werd gesteld, met de bedoeling om een voorloopige en noodzakelijke hervorming van de grondwet tot stand te brengen. Evenwel spraken zij zich in een andere passage uit ten gunste voor een geleidelijke uitbreiding van het kiesrecht in overeenstemming met de toeneming van de verstandelijke ontwikkeling en van de stoffelijke onafhankelijkheid van de burgers. Het geheele manifest proclameerde de noodzakelijkheid om front te maken tegen het christelijke gouvernement, en hun verlangen zich ten behoeve der gemeenschappelijke actie met de groepen van den meer of minder liberalen stam te verstaan. Maar zij wilden met hun eigen program tot den vijand gaan en konden in dit oogenblik tenminste het niet verlaten, om de hand naar de uiterste linkerzijde uit te strekken, naar de Socialisten, waarvoor zij vreesden als voor de nachtmerrie.
Zij waren gereeder van gedachten, dit beslissende gebaar niet te zullen maken, want men gevoelde reeds, zooals een van hen, de heer Van Houten, later erkende, dat voor hen het beste was de Roomsche Kerk en hare bondgenooten te bestrijden. »Men moest vóór alles«, zoo trachtte de heer De Louter te bewijzen, »zich vrijmaken van de clericale heerschappij, die werkelijkheid was, terwijl de socialistische heerschappij slechts een hersenschim is«. Voor het oogenblik bepaalden zij zich er toe hun eventueelen steun aan deUnie-liberalenen zelfs aan de Vrijzinnig-democraten toe te zeggen.
Zonder volkomen voldaan te zijn over deze vorderingen, die zij stelliger en onbepaalder hadden gewenscht, maaktendeze laatsten er staat op voor een vollediger liberale concentratie. Intusschen hadden de Liberale Unie en de Vrijzinnig-democratische Bond, na de districten onder hunne candidaten verdeeld te hebben en zoo de kans van slagen het grootst te hebben gemaakt, aan hunne comité's hetzelfde wachtwoord gegeven, hoewel met eenige verscheidenheid. »Geen candidaten stellen«, zoo was het eerste »tegenover oud-liberale afgevaardigden, die in 't bezit van een zetel zijn.
»Zich er van te onthouden om candidaten er tegenover te stellen«, zoo luidde het tweede, »zoodra zal blijken, dat de zetel ernstig gevaar zou loopen in de handen van de confessioneele partijen te geraken.«
***
Tegenover de liberale concentratie, die zich langzamerhand nauwer aaneensloot, had de Christelijke coalitie zijne stellingen ingenomen.
In een schoone rede had de heer Kolkman, die Dr. Schaepman was opgevolgd aan het hoofd van de Roomsch Katholieke Kamerclub, de noodzakelijkheid doen uitkomen van nauwe vereeniging met de Antirevolutionairen, om de zege van de Christelijke ideeën te voltooien, om de ramp van een staat zonder God te vermijden. En de algemeene vergadering van de Roomsche kiesvereenigingen had besloten om hare candidaten met dit eenvoudig program voor te dragen: Handhaving van de Christelijke regeeringsmeerderheid en trouwe medewerking tot vollediger uitvoering van het regeeringsprogram, zooals dat in de Troonrede van 1901 is vervat geweest.
Aan den anderen kant stelde zich de Deputatenvergadering van de Antirevolutionaire partij op hetzelfde standpunt, en Dr. Bavinck, aan wien Dr. Kuyper de leiding der partij had overgedragen, drukte in zijne uitnoodiging van de kiezers tot den heiligen strijd zijn vertrouwen uit op de overwinning.
Waarlijk, alle kansen schenen aan de zijde van de rechter-coalitie te liggen. Nooit was de verstandhoudingtusschen de verbondenen beter geweest. Evenals in 1901 hadden zij de districten onder elkander verdeeld, om boosaardigen wedijver en versplintering der krachten te vermijden. Deze politieke verdeeling had men ook toegepast op de nieuwe Christelijk-historische partij van de heer DeSavorninLohman en Dr.De Visser en op de Friesch-Christelijke-historischen. Ds. Bronsveld bleef wel is waar in zijne vijandschap tegenover het »monsterverbond« volharden, maar zijn gezag was zeer verzwakt door de breuk met Dr. de Visser; en zelfs degenen, die eertijds aan zijne zijde Dr. Kuyper bestreden hadden, zooals Ds. Buitendijk, verlieten hem om zich wederom in 't openbaar met de Christelijke politiek van de rechterzijde te vereenigen.
Er was wel van de Antirevolutionairen onder de leiding van den heer Staalman, afgevaardigde van den Helder, een nieuw deel afgegaan, dat zich Christelijk-democratisch noemde, maar zij waren zeer klein in getal en er was naar men geloofde geen reden, om zich met hen te bemoeien, dewijl hun politiek en hun overdreven eischen hun ondergang voorspelden.
De toestand was dus bizonder gunstig. De rechtsche meerderheid bezat 58 zetels, waarvan slechts weinige ernstig bedreigd werden. Er was alle grond om dadelijk bij de eerste stemming op een gemakkelijke overwinning te hopen. Op zijn slechtst genomen, kon de rechterzijde zeven zetels verliezen, zonder dat de macht in andere handen zou overgaan, en verloor zij meer, dan was het absoluut zeker, dat de liberale concentratie nooit genoeg zou winnen, om tot de samenstelling van een ministerie te geraken zonder verplicht te zijn den steun van de Sociaal-democraten te zoeken en zonder de Kamer dicht bij het doode punt te brengen, dat haar reeds eenmaal als een gek om zijn spil had doen draaien.
***
De strijd was hard en ging met eene ruwheid gepaard, zooals geen enkele vorige verkiezing had doen zien. Detaktiek der Liberalen bestond daarin om al de grieven te vergaderen en ze opnieuw op te wekken. Terzelfder tijd dat zij zich stelden tegen het clericalisme en tegen de godsdienst-oorlogspolitiek, die naar zij zeiden gepredikt was door het gouvernement, legden zij er zich op toe om de oude strijd tusschen Protestanten en Roomschen aan te wakkeren. Terwijl sommigen een rechtstreeksche charge uitvoerden onder leiding van den heer Van Houten tegen de Roomschen, die zij ervan beschuldigden, dat zij met hulp van hun eigen secten de Hervormde Kerk wilden verwoesten, deden de anderen op zeer handige wijze een zijdelingschen aanval op hen, door hun de beleedigingen te herinneren, die zij tevoren van de kant der Antirevolutionairen hadden moeten ondergaan. En allen tegelijk vielen Dr.Kuyper met woede aan, dien zij »een ramp voor het land« noemden. Alle critiek, alle wrok, die zij bijeen hadden vergaderd tegen dezen man, die in hunne oogen een politiek van onverzettelijkheid en krachtige actie voerde, werd den vrijen loop gegeven en rumoerige dagen braken voor het land aan. Tot dezen stormloop vereenigden zich al de ontevredenen, al degenen die maar eenigermate en te eeniger tijd zich over Dr. Kuyper hadden te beklagen gehad, hetzij tegenover hem als kerkhervormer, als journalist, als staatsman of als minister-president.
Zoo werd het 16 Juni 1905. De resultaten van dezen dag, waarop in geheel Nederland de verkiezingskoorts woedde, maakten alle voorspellingen ijdel. Naar de berekeningen, die op dat tijdstip waren gemaakt, hadden zich van de 617.760 kiezers, die deelgenomen hadden aan de stemming, 332,763 uitgesproken voor de regeeringspolitiek en 283.907 tegen haar.
Toch bereikte de rechtsche partij het gedachte succes niet, want 44 van hare candidaten slechts kwamen als overwinnaars uit de stembus tevoorschijn, terwijl zij minstens 48 hadden verwacht, en van dezen waren er slechts 13 Antirevolutionairen tegen 23 Roomschen, 7 Christelijk-Historischen en 1 Friesch-christelijk historische vertegenwoordiger. De heer Staalman had zijn eigen candidatuurin vele districten gesteld, met de bedoeling herstemmingen te veroorzaken, waaruit hij met goed fatsoen zou tevoorschijn komen, maar hij zag zich met zijn weinige aanhangers gansch bedrogen uitkomen. Inplaats van een voldoend stemmencijfer voor de Christelijk-democratische partij te halen, werd hij nog in zijn eigen district, den Helder, verslagen door de radicaal Gerritsen. Zijne nederlaag, hoe verdiend ze ook was, beteekende niettemin het verlies van een zetel voor rechts. Een ander, dat voor haar nog gevoeliger was, werd haar toegebracht in het district Gorkum, waar de opvolger van den Antirevolutionair Seret werd geslagen door den oud-minister Pierson.
De linkerzijde van haar kant verloor de Unie-liberaal Lieftink, die er voor doorging in den oosthoek van Holland geliefd te zijn, wiens grootredenaar hij geweest was, of nog was. Desniettemin verkreeg zij bij de eerste ontmoeting 16 zetels meer dan 14 Juni 1901. Het was niet genoeg om victorie te roepen of zich te vleien, dat men de ministerieele meerderheid krachtig zou doen verdwijnen. Alle reden was er voor, om daarentegen te denken dat de rechterzijde voor de tweede keer minstens een voldoende meerderheid zou erlangen om de macht te behouden. Twee districten waren reeds zeker voor haar behouden, die van Grave en Zevenbergen, waar alleen Roomschen met elkander in herstemming kwamen.
In vele andere, in Sliedrecht, Kampen, Sneek en Leiden, was het getal der rechtsche stemmen grooter dan dat van al de liberale stemmen. Meer nog inEnschedehad een Roomsche grooten kans van slagen, en men kon op het succes der Antirevolutionairen in veel andere districten hopen. Maar hier hing alles af van de houding der Oud-liberalen en der Sociaal-democraten.
***
De strijd hernieuwde zich met des te grooter vuur, naarmate het beslissend oogenblik naderde. Hij werd gekenmerkt door een geheime overeenkomst, die met zorgwas bedekt gehouden, tusschen de Oud-liberalen en de Sociaal-democraten. De eersten hadden wel verklaard, dat hunne politiek onvereenigbaar was met die der Sociaal-democraten, maar hunne commissie van advies, die van oordeel was dat men vóór alles een eind moest maken aan het Kuyper-regime, besloot even vóór de stemming, dat zij in de districten, waar een candidaat van rechts met een Sociaal-democraat in herstemming kwam, het aan de plaatselijke besturen zou overlaten, om de houding aan te nemen, die het hoogste belang des lands eischte. Met andere woorden: zij ried hun indirect aan de Socialisten te steunen. De besturen hadden aan een half woord genoeg, en zij faalden niet om den raad uit te voeren.
Anderzijds was het niet twijfelachtig of de S. D. A. P., die twee maanden tevoren het besluit had genomen om bij de tweede maal hare stemmen eenig en alleen aan die candidaten te geven, die zich hadden uitgesproken vóór de urgentie van het algemeen kiesrecht, was bereid eerder hare beginselen te verloochenen dan den »Kuyperhaat« af te leggen. Zoo kwam het uit en met een goed-bewaard wachtwoord gaf zij haar partijgenooten vrijheid om te stemmen zooals zij dat wilden, zelfs vóór de Oud-liberalen, de meest-burgerlijke en conservatieve partij.
Zoo vormde de geheele linkerzijde slechts één enkel bloc, zich richtende tegen het clericalisme en de Christelijke politiek, verpersoonlijkt door de regeering van Dr. Kuyper.
Deze wanhopige pogingen, gevoegd bij een wonderbaar verkiezingsenthousiasme, brachten de Christelijke coalitie de nederlaag toe. De Roomschen, die zich er niet mede hadden gevleid, dat zij een eigen voordeel uit den strijd zouden behalen, behielden hunne 25 mandaten; maar bij dat aantal kwamen slechts 15 Antirevolutionairen, 7 Christelijk-Historischen en een Friesch-Christelijk-Historische. De linkerzijde had 52 afgevaardigden voor de Tweede Kamer verkregen.
De liberale pers begroette deze overwinning met een vreugdekreet: Kuyper is gevallen, Kuyper is er uit. Dat was het refrein, hetwelk de liberale organen ten beste gaven,zooals de Nieuwe Rotterdammer Courant en het Handelsblad. Het Socialistische blad »Het Volk« eischte voor zijne partij de eer op van den reus verslagen te hebben.
Toen de eerste razernij over de zegepraal over was, vroeg het land, als uit den droom komende, zich af, hoe de Liberalen tot dit onverwachte resultaat hadden kunnen komen. Zonder twijfel had de samentrekking van alle partijen van links tot een anticlericaal bloc er krachtig toe medegewerkt. Maar ook zeker had de groote Kuyperhaat, die gedurende eenige maanden chronisch had geheerscht, niet alleen de Liberalen en Socialisten, maar ook vele orthodoxe Protestanten, aanhangers van Dr. Bronsveld, overmachtigd, alsmede de Christelijk-Democraten en ook eenige wantrouwige en weinig-ontwikkelde Roomschen. Misschien zouden al die redenen niet voldoende zijn om het resultaat der herstemming te verklaren, indien zij niet waren vergezeld geweest van een manoeuvre van een groep van rechts n.l. de Friesch-Christelijk-Historischen. Hetzij uit wrok over de verwerping van hunne eischen, hetzij uit bovenmatig vertrouwen op de onmogelijkheid van een samengaan tusschen de Oud-liberalen en de Sociaal-democraten en meer nog van de zege van links, richtten zij zich naar den raad van een hunner leiders, den heer Wagenaar, en weigerden aan de Antirevolutionairen in drie districten hun steun namelijk in Utrecht, Leiden en Kampen. Deze onverstandige houding, die van gebrek aan flinke organisatie getuigde, was zeer waarschijnlijk de oorzaak voor het verlies van deze drie zetels voor de rechterzijde en bijgevolg van de nederlaag der ministerieele politiek.
Het liberaal ministerie De Meester.
Kuyper was gevallen. Twee dagen na de herstemming, den 1en Juli 1905, trok hij zich terug. Het ging er nu om, de traditie van de liberale ministeries weder op te vatten en dat was niet gemakkelijk. De zegevierende concentratie was uit ongelijksoortige deelen samengestelden het was dus moeilijk hieruit een ministerie tevoorschijn te brengen. De Liberalen van allerlei nuanceeringen van de Conservatieven tot de Vrijzinnig-democraten waren niet instaat een zuiver concentratie-ministerie samen te stellen. Het gewicht der gematigden bood wel het voordeel om dat van de geavanceerden in evenwicht te houden op de spil der Liberale Unie, maar hun gezamenlijke krachten omvatten slechts 45 afgevaardigden. De steun der Sociaal-democraten was onontbeerlijk om deze onregelmatig gevormde meerderheid vol te maken, bestaande uit 11 Oud-liberalen, 23 Unie-liberalen, 11 Vrijzinnig-democraten, 6 Sociaal-democraten en 1 onafhankelijke Socialist. »De Standaard” schreef ervan:»Wat ter wereld zou men dan met zulk eene meerderheid uitrichten?”
De beantwoording van deze vraag was des te moeilijker, dewijl men er zich totnutoe niet had over bekommerd. »Laat ons eerst maar den buit behalen, dan zullen wij verder zien.« De moeilijke tijd was aangebroken en in politieke kringen werden vele onderstellingen opgeworpen, combinaties opgesteld; kortstondige samenstellingen, die in elke periode van ministerieele crisis worden gemaakt om den volgenden dag te verdwijnen.
Het eenvoudigste scheen te zijn de linkerzijde te nemen zooals zij was en door de vereeniging van al hare elementen te regeeren, zelfs door er de Socialisten in op te nemen. Op die manier zou het ministerie nauwkeurig het »bloc”, dat gezegevierd had, vertegenwoordigen. Maar deze oplossing, logisch als zij was, nam niettemin de voorname bedenkingen en zware moeilijkheden niet uit den weg. Het program der Oud-liberalen was al te zeer in tegenspraak met dat der Sociaal-democraten, om een vergelijk mogelijk te maken. Welke politiek zou daarom een combinatie van dit soort kunnen voeren? Slechts ééne, de anticlericale politiek, die bij de nadering der algemeene verkiezingen bij de linkerconcentratie had voorgezeten. Welnu, men wist dat in een land als Nederland een zoodanige politiek spoedig zou verworpen worden door de natie en dat overigens elke poging om dezen weg op te gaan op de houding van de Eerste Kamerzou stuiten, waar de meerderheid aan de Christelijke partijen bleef.
Anderzijds door de Socialisten ter zijde te laten en een liberaal ministerie samen te stellen, zonder zich om de uiterste linkerzijde te bekommeren, zou men zich genoodzaakt zien een wankelend staatsstelsel te aanvaarden, waar tegenover de rechterzijde de regeering zou steunen op de Socialisten en op hen zou rekenen om haar te bestrijden. Deze manier van handelen zou waarschijnlijk uitloopen op den meer of minder haastigen val van een kabinet, dat op zulke broze grondslagen was gebouwd, want dat is tegenover zulke goed-georganiseerde partijen niet zeer praktisch.
Meester zijnde van den toestand, zouden zich de Socialisten vertoornd over de weigering, die hun gedaan was, om aandeel aan de regeering te hebben, wreken met hun beslisten tegenstand op een gegeven oogenblik.
Op het zien van deze moeilijkheden opperden eenige leden van rechts zonder weerklank te vinden de bedenking, dat het ministerie Kuyper de macht in handen had kunnen houden. Bij de voorwaarde zich te moeten beperken binnen de grenzen der neutrale zone en vooral die van den premier te vervangen, paarde zich de zekerheid, dat deze wijze van oplossing van de crisis de stemmen der Liberalen, die nu in sterke mate verward waren, zou vereenigen. Maar deze samenvoeging had geen kans van slagen. Alle ministers zonder uitzondering vonden dat hun reden van bestaan lag in de uitoefening van een Christelijke politiek en zij hielden zich er bij Dr. Kuyper in zijn terugtrekken te volgen.
Onder de gematigden van de liberale concentratie, brak zich een andere richting baan, die van vóór de verkiezingen aangegeven was door »Het Handelsblad”. Indien in de Tweede Kamer geen der partijen een vaste meerderheid bezit, een werkende meerderheid, wat zal men dan doen? Dan is er niets anders mogelijk dan eene vereeniging van de voornaamste vertegenwoordigers der verschillende richtingen b.v. dat dr. De Visser van de Protestanten, de heer Loeff van de Roomschen, minister Idenburg van de Anti-revolutionairen de hand gaf aan professor Van derVlugt Oud-liberaal, aan Fock Unie-liberaal, en zelfs aan den Vrijzinnig-democraat Dr. Bos. Een verbinding van dat soort zal wanneer zij ontstaan is, zich op het standpunt van een verstandig conservatisme plaatsen en een kalme wetgevende periode gematigd en vruchtbaar openen. Toen nu de verkiezingen achter den rug waren en door het liberale orgaan de voorziene onderstelling was geopperd, nam de pers van het linker centrum dit thema weder op, waarop het geen slechte motieven borduurde. Per slot van rekening ging het om een losmaken van de schikking der partijen en een reconstructie van deze naar een nieuw kenmerk, namelijk de mate van hun sociale strekkingen. Rechts derhalve moesten uitmaken de conservatieve elementen, links de meer democratische mannen.
Door deze nieuwe klassificatie, die slechts tijdelijk zou zijn, maar die men vuriglijk wenschte definitief te maken, zou er geen kwestie zijn van een christelijk ministerie, van wetten tot vrijmaking van het onderwijs, van een regeering die het volk zou zoeken te hypnotiseeren door op het klavier van het volksgeweten te spelen. Na Dr. Kuyper zou men ook nog zijn werk verwoesten en de monstercoalitie zou deelen in de nederlaag van haren leider. Zoo was het levendige verlangen van de gematigden van links. Zelfs zekere Vrijzinnig-democraten deelden in dezen droom om namelijk de sociale kwestie de grondslag te doen worden voor nieuwe partijen en nieuwe verbonden. Alleen de christelijke partijen verstonden het niet. De Roomsche bondgenooten in 't bizonder, die voornamelijk bedoeld werden met de uitnoodigingen van de democratische fracties van links, achtten terecht dat een dergelijke schikking een groote fout zou zijn en dat, daar zij zich op het terrein der beginselen bevonden, zij dit niet konden verlaten om zich op den bewegelijken grondslag van een kwestie te vestigen, belangrijk zonder twijfel in meer of mindere mate maar niet op den voorgrond. Om die reden dan ook verwierp de rechterzijde in haar geheel den discreten voorslag die haar was gedaan, en zij antwoordde met »De Tijd”: Het linker bloc heeft de overwinning behaald. Laat men nu elkander verstaan, zooals men zalwillen, om de vruchten er van te plukken, en een ministerie samen te stellen volgens hun wensch.
***
De taak was inderdaad bezwaarlijk. De tijd verliep en geene der ontworpen combinaties werd verwezenlijkt. Eenige dagen na de aftreding van Dr. Kuyper, had koningin Wilhelmina op »Het Loo”, na de heeren Van Karnebeek en Pierson, den voorzitter van de Liberale Unie, den heer Goeman Borgesius ontboden. Regelmatig zich aan het hoofd van de talrijkste groep van links bevindende, en in het centrum van de zegevierende concentratie, had hij de formeering van een kabinet in handen moeten nemen, maar zijn eigene persoonlijkheid was te scherp belijnd voor een Kamer, die juist aan scherpe lijnen gebrek had. Er kon geen sprake zijn van eenigen der staatslieden, die zich boven allen in den verkiezingsstrijd onderscheiden hadden, want alles deed vreezen, dat zij de onverzoenlijke oppositie van rechts niet zouden kunnen doorstaan. Eerst na menige bespreking, veel besluiteloosheid en onnutte onderhandelingen besloot de koningin personen van den tweeden rang te roepen en zij vertrouwde den heer Goeman Borgesius de samenstelling van een ministerie toe, waarvan hij zelf geen deel zou uitmaken. Het was de tweede maal, dat dergelijke manier van handelen in werking werd gesteld. Het precedent was van Thorbecke, maar de christelijke pers bleef onder deze omstandigheid niet in gebreke op te merken, dat een slecht precedent van geen waarde is, en dat bovendien de heer Borgesius niet Thorbecke was.
De chef van de liberale Unie vond spoedig als voorzitter den heer De Meester, die in Indië geweest was en er reputatie als financier had verkregen. Deze ambtenaar, vreemd aan de ijverzucht der partijen en in 1904 om gezondheidsredenen in het moederland gekomen, bereidde zich voor om naar Indië terug te keeren, toen hij geschikt bleek om een ministerie van Financiën waar te nemen. Het moeilijkste had de heer Goeman Borgesius voor zijnkabinet verkregen. Hij had een premier gevonden, die niet te veel afschrikte, omdat hij zonder politiek verleden was. Hij voegde er voor Binnenlandsche Zaken den heer Rink, afgevaardigde van Arnhem, lid van het bestuur van de Liberale Unie, aan toe, wiens rol totnutoe weinig belangrijk in de Tweede Kamer was geweest en die naar alle waarschijnlijkheid in zijn nieuwe omgeving niet zou schitteren.
Hij plaatste voor Koloniën een ander Unie-liberaal, den heer Fock, van betrekkelijk-gematigden zin. Voor Justitie deed hij beroep op den heer Van Raalte, als Vrijzinnig-democraat. Buitenlandsche Zaken werd toevertrouwd aan den heer Tets van Goudriaan, die grijs was geworden in het diplomatieke harnas en in het kabinet de Oud-liberale richting vertegenwoordigde. Het ministerie werd ten slotte voltallig door den zeekapitein Cohen Stuart voor Marine, generaal Staal voor oorlog en voor Waterstaat door den heer Kraus, beroemd ingenieur en professor en rector-magnificusaan de Technische School te Delft, die deze benoeming niet aanvaardde dan onder de voorwaarde om in Chili de belangrijke werken te mogen uitvoeren, welke de regeering van dat ver-verwijderd land hem had opgedragen. Goeman Borgesius beloofde alles, begeerig als hij was als hoofd om aan ministerie De Meester dezen man van groote bekwaamheid en wezenlijke kracht te verbinden. Om zijne taak te vergemakkelijken, maakte een koninklijk besluit van den 11enSeptember 1905, het bestuur van Landbouw, Nijverhandel en Handel los van het departement Waterstaat om daarvoor een afzonderlijk ministerie te vormen, het welk de heer Veegens, oud-redacteur van het Vaderland, verkreeg, een Vrijzinnig-democraat, wiens richting grensde aan het Socialisme.
In zijn geheel was het een ministerie met doffe toonaarden, samengesteld uit staatslieden van den tweeden rang, en naar de gedachte van den samensteller, bestemd om zoo goed en kwaad als het ging, zonder groot gerucht en zonder groote hervorming de wetgeving weder op te vatten. De bladen der oppositie gaven het den bijnaamvan »blanco artikel«. Het was niet een »zakenkabinet« in den eigenlijken zin des woords, daar het geheel tegen den wil van den heer Van Houten zich niet beperkte tot de neutrale zône en zijn voornemen aankondigde om naar sociale hervormingen te staan. Het was liberaal, zoo zeide het, en dat was verstaanbaar, maar daar het verplicht was om te laveeren, opdat het de hulp van geheel tegenovergestelde richtingen behield, was het onbekwaam om iets door middel van zichzelven, zijn eigen krachten en volgens zijn eigen beginselen tot stand te brengen; een machteloos ministerie, dat aan de voorwaarden eenige jaren tevoren door zijn samensteller opgenoemd, niet beantwoordde. Want immers het bezat in zichzelven niet de noodige kracht om aan het volk de groote hervormingen te geven, die de meerderheid zonder onderscheid van partij of richting sedert lang scheen te begeeren.
***
Dit alles kwam nauwkeurig uit in de Troonrede van 19 September 1905, die het program van het nieuwe kabinet mededeelde.
Met duistere geleerdheid en gewilde gematigdheid kondigde zij hervormingen aan, die het voorwerp zouden zijn van den wetgevenden arbeid. Daartoe behoorden: herziening van enkele gedeelten van het strafrecht en van het handelsrecht, van de armenwet; voltooiing van het wetboek van het militaire strafrecht, wijzigingen in den dienst van het reservekader enz., zonder duidelijk den zin aan te geven, op welke wijze het ministerie deze hervormingen wilde verwezenlijken. Het voegde er aan toe, dat noodzakelijk de middelen voor de staatsbegrooting moesten versterkt worden, maar er werd niet bij gezegd, hoe men dat wenschte te doen. Ondertusschen erkende het, dat voor de uitvoering van de beloofde sociale hervormingen geld noodig was en dat derhalve deze eerst konden verkregen worden, wanneer de middelen daartoe gevonden waren. Tevens deelde het zijn voornemen weder om voor zijn rekening te nemen de ontwerpen van den oud-minister Loeff, voor zoover ze betrekking hadden op het arbeidscontracten de administratieve rechtspraak. Eindelijk sprak het zich uit over de grondwetsherziening, artikel 80, het vermaarde blancoartikel. Dit laatste punt was van het meeste gewicht en met groot ongeduld verwacht. Men meende dat hierin ten minste de ministerieele verklaring duidelijk zou zijn, en dat zij het wachtwoord zou bevatten, dat in de liberale concentratie gedurende den verkiezingsveldtocht leefde: dringende en dadelijkeafschaffingvan de hinderpalen, die door artikel 80 van de grondwet den gewonen wetgever waren gesteld voor de wettelijke regeling van het kiesrecht. Maar inplaats van zich precies aan dit punt te houden verbreedde het de hervormingslijst en benoemde als voorloopigen maatregel eene commissie om te onderzoeken, welke andere wijzigingen in de grondwet aangebracht moeten worden, waardoor inplaats van een gedeeltelijke een algemeene grondwetsherziening werd gesteld.
Deze manier van handelen, die naar men zeide geïnspireerd was door den kundigen chef van de Liberale Unie, was zeer verstandig. Zoo won men tijd zonder dat het ministerie door scherpe debatten in opspraak werd gebracht. Terwijl de commissie van onderzoek zich met de uiterste nauwkeurigheid aan haar taak wijdde, met de verstandige traagheid, waarmede de Nederlanders bij de oplossing van een belangrijke kwestie steeds te werk gaan, ging het ministerie met zijn arbeid voort zonder eenige opzien te baren, en leidde de bespreking over eenige wetten van lageren wetgevenden arbeid, zonder dat de Staten-Generaal den tijd hadden gehad de herzieningen tot een goed einde te brengen en de volgende verkiezingen reeds van de nieuwe herziening konden profiteeren. Dat was de toekomst laten zorgen en zelf voor den tegenwoordigen tijd op te passen en zoo de vrees der Oud-liberalen te doen bedaren. Het is evenwel moeilijk om allen tevreden te stellen, en het ongeduld van Vrijzinnig-democraten en Socialisten kon zich niet goed vereenigen met hetgeen zij noemden een capitulatie op het belangrijkste punt van het ministerieele program.
De oppositie hoorde de Troonrede met een ongeloovigenglimlach aan. Zij verborg niet haar spijt over het terugtrekken van Dr. Kuyper's wetsontwerp tot regeling van den arbeidsduur en het nalaten van de verzorging der moreele belangen van Indië en moederland. Evenwel toonde zij een zekere voldoening over het feit, dat het nieuwe kabinet zich niet had laten beinvloeden door de liberale pers in hare eischen aangaande herziening van de wet op het onderwijs en van andere partijwetten, onder de voorgaande wetgeving aangenomen. Zij was dankbaar voor de woorden van bevrediging, door het ministerie uitgesproken en zij beloofde, zoo de regeering de voorgestelde maatregelen zou indienen, zoolang het te steunen, als zij kon zonder dat hare beginselen hieronder leden.
De rechterzijde nam dus geen stelselmatig-vijandige houding aan. Dat kwam wel uit toen in de Tweede Kamer de bespreking aan de orde kwam van het arbeidscontract, het eenige nog eenigszins belangrijke werk, dat het ministerie ten einde bracht. De oppositie heeft er trouw aan medegearbeid en hare hulp verzekerde den goeden uitslag ervan.
Maar ondanks deze medewerking aan een hun noodzakelijk-toeschijnende hervorming, die reeds door den oud-minister Loeff op het program was gebracht, hebben toch de Christelijke partijen voortdurend een oppositie-politiek gevoerd. De grenslijn tusschen rechter en linkerzijde bleef gehandhaafd en alle openlijke of heimelijke pogingen om dezen te doen verdwijnen, door de eenheid van handeling van de oude steunpilaren van het kabinet Kuyper te breken, bleven ijdel. Het monsterverbond overleefde de stembusnederlaag van zijn hoofd en men gevoelde het, dat het voor een gunstig oogenblik zijn kracht en werkdadigheid bewaarde. Het linkerbloc had zich in den loop van den parlementairen arbeid eenigszins verwrongen. De Socialisten hadden er zich van losgemaakt en aan zekere teekenen kon men zien, dat er meer breuken ophanden waren.
Naar de erkenning van de grootste optimisten was de toestand van het ministerie gansch niet gezond. Door detusschentijdsche verkiezing te Leiden, waar de Christelijk-historische Dr. de Visser de plaats van den oud-liberaal Van der Vlugt innam, werd het er niet beter op.
***
Deze onzekere toestand had het ministerie zoo verstandig moeten maken om de baan van een zakenkabinet niet te verlaten. Maar het begreep het niet; door Borgesius, naar men zeide, gedrongen, die achter de coulissen het bestuurde, alsmede door de Vrijzinnig-democraten, had het de onvoorzichtigheid in de begrooting van 1907 met het doel het budget te verlagen, de hervorming van het leger op te nemen.
Men wete namelijk, dat in Nederland de miliciens, waaruit het leger bestaat, aan een vrij-eigenaardig stelsel onderworpen zijn. Sedert de wet van 1901 zijn de soldaten, die opgeroepen worden om het jaarlijksch contingent uit te maken, oorspronkelijk verplicht tot een dienst van acht en een halve maand. Gedurende het overige gedeelte van het jaar zouden de kazernes eigenlijk leeg moeten staan en zij zouden het werkelijk zijn indien niet de noodzakelijkheid van een altijd mogelijke mobilisatie, de eischen van kadervorming, en de vervulling van de hulpdiensten niet de handhaving oplegden van een deel der troepen, het blijvend gedeelte onder de wapenen gedurende vier maanden, dat een aantal van 7.500 mannen, in 30 garnizoenen verdeeld, niet mocht teboven gaan.
Sedert eenigen tijd hield een deel van links niet op, de opheffing van het blijvend gedeelte te vorderen, met de bedoeling om langzamerhand tot een volksleger te komen, dat niet meer als een afzonderlijk lichaam zou bestaan, van het overige deel der natie door militaristische denkbeelden, door een partijgeest, een kaste en een paradegeest uit vroegere eeuwen overgebleven, die geen reden van bestaan meer hadden, gescheiden. Het was de partij der Vrijzinnig-democraten, die openlijk naar één harmonisch en democratisch geheel streefde, dat de geheele natie zou omvatten, die eensgezind zou werken aande handhaving van de onafhankelijkheid des lands en aan het respect voor zijn grondgebied.
Deze theorieën waren de voorwaarde van samenwerking met de Liberale Unie geweest. Zij kwamen voor op het gezamenlijke program van de liberale concentratie en men verdacht er de regeering sterk van, dat deze er zich van af wilde maken, door de middelen voor het blijvend gedeelte te verminderen en deze te gebruiken voor de verhooging van het jaarlijksche contingent. Immers de minister van oorlog, generaal Staal, had tegen de eerste beloften van den heer De Meester in verklaard, dat hij hier niet uit spaarzaamheid handelde, maar dat hij de verkregen gelden noodig had voor een ander hoofdstuk van zijne begrooting.
Toen de begrooting van oorlog zoo werd ingediend bij de Tweede Kamer, ontmoette ze groote moeilijkheden. Men was er zich inderdaad van bewust, dat al de legerautoriteiten het ontwerp van generaal Staal geheel afkeurden, hetwelk zij tenminste slecht voorbereid achtten; en bovendien had men een ongunstigen indruk gekregen door de handeling van den minister, die was begonnen een deel der soldaten van het blijvende gedeelte naar huis te sturen, zonder de Tweede Kamer er in te kennen. Evenwel behield hij het vertrouwen van de Kamer, vergaderd op 21 December 1906, door de belofte, die door middel van den leider der Oud-liberalen aan de regeering ontrukt werd, dat de toepassing van eenige militaire maatregelen tot 1 April verdaagd zou worden.
Maar zoo was het niet in de Eerste Kamer, die het oogenblik niet gunstig achtte voor de vermindering van het blijvend gedeelte en bijgevolg de oorlogsbegrooting verwierp.
Zich solidair met generaal Staal verklarende, trad het kabinet in zijn geheel af, waardoor wel wat lichtvaardig een moeilijke crisis geopend werd. Zij duurde twee maanden en tegenover de weigering van de rechterzijde om de regeering te aanvaarden, kon zij niet anders opgelost worden dan door de terugkomst van het kabinet De Meester voorloopig zonder generaal Staal, dien op het genoemdetijdstip de Provinciale Staten van Noord-Holland naar de Eerste Kamer zonden, denkelijk om daar hen van naderbij te leeren kennen, die zulk een ongelukkig einde aan zijn ministerieele fortuinlijkheid gemaakt hadden.
***
Op dat oogenblik was in de politieke kringen aller aandacht gericht op de provinciale verkiezingen. Deze waren van te meer belang, derwijl de Provinciale Staten de leden der Eerste Kamer verkiezen en men terecht of te onrecht de liberalen er een weinig van verdacht, het vraagstuk van de vermindering van het blijvend gedeelte te hebben opgeschort om voor zich daardoor bij deze verkiezingen een voordeelige reclame te maken.
Het belang van den strijd lag grootendeels in Zuid-Holland. In de overige provincies scheen inderdaad de meerderheid te sterk hetzij van rechts of van links, om aan verandering te kunnen denken, of het mogelijke resultaat zou te gering zijn invloed op de houding van de Eerste Kamer kunnen oefenen.
Maar in Zuid-Holland was het anders. Tot 1901 had deze provincie een liberaal bewind gehad; nu nog waren er 36 liberalen in tegenover 46 rechtschen. Onder de 31 leden, die in Juni 1901 hun mandaat geëindigd zagen, bevonden zich 17 van links en 24 van rechts. Derhalve zou een verplaatsing van 5 of 6 stemmen voor de linker concentratie genoeg zijn om de meerderheid te behalen en tegelijk 10 zetels in de Eerste Kamer te heroveren en om wellicht door deze nieuwe Eerste Kamer tot een vernieuwing van het liberalisme in het land te komen.
Om dit te bereiken, spaarde het linker bloc geen enkel middel, waardoor de christelijke coalitie uit hare stellingen kon worden verjaagd. Het was bij deze gelegenheid meer saamverbonden dan ooit tevoren. Een vereenigingsverdrag verbond al degenen nauw met elkander, die den weidschen naam van liberaal droegen, namelijk: Oud-liberaal, Unie-liberaal en Vrijzinnig-democraat. Bovendien werd hetin bijzondere districten bij de herstemming gesteund door de Sociaal-democraten. Het driemanschap Tijdeman-Borgesius-Marchant, dat bij deze entente aan het hoofd stond, had nauwkeurig den veldtocht bepaald. Men hield niet verborgen, dat nu de overwinning van 1905 moest voltooid worden; dat de overwinning van dat jaar slechts halverwege was geweest zoolang de confessioneele meerderheid, die sedert de staatsgreep van 1904 in de Eerste Kamer heerschte, bleef bestaan en dat het van belang was aan de liberale regeering een Eerste Kamer te bezorgen, gewijd aan de liberale denkbeelden, opdat de regeering hare beloften zou kunnen vervullen en hare hervormingen tot een goed einde zou kunnen brengen.
Zoo namen de verkiezingen in de provincie Zuid-Holland een politieken tint aan tegen de ontbinding van de Eerste Kamer in 1904. Het was als een beslissende strijd tegen hetmonsterverbonden zijne deelhebbers, de mannen van de antithese. In één woord: het was een indirecte verkiezing voor de Eerste Kamer, vrijwel gelijk aan de verkiezingen voor een president van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika.
Onder de leiding van zijne chefs gaf de concentratie blijk van een ongelooflijk drukke werkzaamheid, die echter voor de Liberalen het ongelukkigste resultaat had, dat ooit door hen was ondervonden. Bij de eerste stemming op 11 Juni verloren zij, inplaats van te winnen, vele zetels. Meer nog dreigde de christelijke coalitie, die door hare eenheid en organisatie den woedenden aanval vermocht terug te slaan, bij de herstemming de meeste districten van Rotterdam, waaraan zij hare bizondere zorgen had gewijd, te veroveren. De linkerzijde verkreeg slechts twee zetels, terwijl men rechts 23 bij de eerste stemming verwierf.
Dat was meer dan een nederlaag, dat was verval.
Nog erger werd het daarna, toen de verkiezingen in Overijsel de meerderheid aan de christelijke partijen bezorgden, en in hun handen de Gedeputeerde Staten vielen, die tot dien tijd voortdurend liberaal waren geweest.
De herstemming bracht geen verzoeting van de bitterheidder eerste stemming teweeg. In Zuid-Holland overmeesterde de christelijke coalitie voor een deel de groote stad Rotterdam. In het derde district behaalde de heer Kolkman, leider van deRoomsch-Katholieke Kamerclub de zege over den Liberaal, den heer Van Dam, en in district 5 versloeg een Christelijk-historische, de heer Van Asch van Wijk, den heer Zimmerman, den jongen en vurigen burgemeester van Rotterdam.
In Friesland daarentegen was het resultaat, dat de meerderheid der Provinciale Staten, die bijna door de orthodoxen was verkregen, aan de Liberalen onttrokken werd, terwijl ze toch aan de linkerzijde bleef. De Provinciale vertegenwoordiging bevatte tengevolge der stemmingen, waarin de Socialisten 5 zetels wonnen: 22 Liberalen, 20 coalitiemannen en 8 Sociaal-democraten. Deze laatsten werden bijgevolg de scheidsrechters van den politieken toestand. Maar de rechterzijde had geen reden zich er over te verheugen, want het was te voorzien dat de Socialisten ervan zouden profiteeren, om spoedig of minder spoedig storm te loopen op de deuren van de Eerste Kamer en van de Liberalen ter vergoeding voor hunne medewerking te eischen, dat Friesland een of meer van de vier Eerste Kamerleden uit de Socialisten zou zenden. Desniettegenstaande liet dit feit den achteruitgang der liberale denkbeelden zien, overal behalve in Amsterdam.
***
De grootste inspanning van het Liberalisme, om in de Eerste Kamer het verloren terrein terug te winnen, was geheel mislukt en deze nederlaag schraagde zeker het wankelende ministerie niet, maar het zag zich het vertrouwen van het kiezerscorps ontzegd.
Begreep minister De Meester wel, dat de liberale regeering in zeer slechte verhouding kwam te staan en wilde hij wellicht voordat de toekomst hem ontging tenminste het vraagstuk van de herziening van de kieswet, het voornaamste van zijn program, aan de orde te stellen? Of wel, wilde hij daarmede de onmacht der wetgeving, waartegenhij zich met alle macht verzette, verbloemen? Hoe het zij, bij de opening van de Staten-Generaal op den 17enSeptember 1907, bracht hij onverhoeds de kieswetherziening in bespreking.
Doch wat hij aankondigde, was niet meer een generale herziening, zooals het verslag der Staatscommissie behelsde, hetwelk eenige maanden tevoren was medegedeeld, maar een gedeeltelijke herziening, die de grenzen door artikel 80 gesteld slechts overschreed om eenige wijzigingen aan te brengen in de samenstelling en de rechten der Eerste Kamer. De verwondering was algemeen en van alle kanten, zelfs in het liberale kamp, vond men, dat een staatscommissie te benoemen om de lijst van de punten der herziening wat te verbreeden en deze vervolgens bijna bij het punt van uitgang te laten, zonder zich meer om de conclusies van deze commissie te bekommeren, alsof zij niet bestond, een vreemd schouwspel was en wel een weinig met den samenhang spotten.
Ondanks de haast, die hij aan den dag legde om met de zoo beperkte hervorming te beginnen, had het ministerie niet den tijd om met het onderzoek een aanvang te maken. De aangekondigde ontwerpen waren nauwelijks ingediend, toen het zonder genade en zonder glorie onder de bespreking van de begrooting viel.
Sedert de aftreding van generaal Staal was de kwestie van het blijvend gedeelte opgeschort en de voorwaarde door den heer De Meester tot de hervatting van het bewind, van het indienen een nieuw ontwerp, scheen een doode letter gebleven te zijn. Wat nog meer inhad: de nieuwe minister van oorlog, de heer Van Rappard, had den 12enJuli een circulaire aan de korpscommandanten gezonden om den 1en December een deel van het blijvend gedeelte van de infanterie naar huis te zenden. Maar deze circulaire onderstelde, dat de kwestie door de Staten Generaal zou zijn afgewerkt vóór dien datum, en zij was het niet.
Ook werd deze ernstige kwestie door de bespreking der begrooting van 1908 wederom aan de orde gebracht in de Tweede Kamer, waaraan deze nog ernstigerkwestie werd toegevoegd, aangaande den toestand van het leger. Volgens algemeen oordeel was deze toestand ver van voldoende. Teekenen van ontmoediging en demoralisatie vertoonden zich overal. Om deze toestand van malaise, die er heerschte sedert het optreden van het ministerie De Meester, te doen ophouden, moest aan het hoofd een man komen te staan van groote militaire kennis, die de reorganisatie van het leger geleidelijk doorzette, noodzakelijk om tot het gewilde resultaatte komen, en een kloekheid, die onmisbaar is om vertrouwen in te boezemen.
Welnu, generaal Van Rappard was zulk een man niet. Een goed generaal, maar een betreurenswaardig minister, die zich door den loop der gebeurtenissen liet besturen, en het leek wel, of hij geen vast doel in het oog had en geen diepe overtuiging bij zich droeg. Sedert het begin van zijn ministerschap, had hij wel eenige wettelijke beschikkingen genomen van minder belang, maar op alle voornaamste punten scheen hij geen bizondere meening te hebben. Deze besluiteloosheid van karakter evenwel, die hem raad deed inwinnen bij de Kamer inplaats van aan hare goedkeuring een wèl-overwogen plan te onderwerpen, was niet de eenige oorzaak van de middelmatige hoedanigheden, die in het bestuur van zijn ministerieel-departement uitkwamen. De heer Van Rappard was tevens bovenal het slachtoffer van de moeilijkheden, door de linker concentratie teweeggebracht. Bij de verkiezingen van 1905 was zij naar de stembus gegaan met de inschrijving van twee punten in haar program: besparing van militaire uitgaven en een volksleger. Daaruit was de meening ontstaan, dat wanneer zij maar eens de zege behaalde, zij spoedig een hervorming onder zee- en landsoldaten zou invoeren, en dat zij, terwijl de militaire lasten werden verlicht, de waarde van het leger zou verhoogen. Zulke verwachtingen had zij onder het volk gebracht; en zoo kwam het dan, dat menschen van goeden wil, vreemdelingen in de staatkundige wereld, op wie de overwinnaars de waarmaking van hunne beloften hadden overgedragen, den kiezers onvoldaanheid inboezemden.Van besparing was geen sprake meer, de begrooting van 1908 bracht eene verhooging van 1 millioen boven die van 1907 aan en men was ver van zeker, dat die van de volgende jaren daarbij bleven. Wat betreft het volksleger, dit scheen meer en meer een droombeeld te zijn.
Deze opeenvolgende toestanden van afwachten, onzekerheid en bedrog hadden een malaise onder het volk teweeggebracht en een wezenlijke crisis in het leger.
Verscheidene sprekers constateerden het bij de bespreking in de Tweede Kamer; van den heer Heemskerk, den Antirevolutionair, af tot den heer Troelstra, den Socialistischen leider toe; en generaal Van Vlijmen trok uit naam van de Liberalen de conclusie, dat de verkregen resultaten in het leger niet in verhouding waren met de geldelijke offers, die Nederland werden opgelegd. Het was duidelijk, dat de minister niet meer het vertrouwen van de Tweede Kamer bezat.De verwerping van de oorlogsbegrooting in de zitting van 21 December 1907 was er het noodzakelijk gevolg van.
Bij deze nieuwe nederlaag aan zijn militaire politiek toegebracht, kon het ministerie met de aftreding van den heer Van Rappard niet volstaan. In minder dan een jaar tijds waren twee ministers op het parlementaire slagveld gesneuveld; de eene verslagen door den tegenstand der Eerste, en de andere door de oppositie van de Tweede Kamer, zoodat op dien manier de volksvertegenwoordiging in haar geheel zijne houding aangaande legerhervorming had veroordeeld. Hier komt nog bij, dat de minister van Marine, de heer Cohen Stuart, eveneens gedrongen was geworden om in dien tusschentijd af te treden. Zoo is het dan gemakkelijk te begrijpen, dat de heer De Meester, ook al vond hij een opvolger voor de zware taak van den heer Van Rappard, en dat was twijfelachtig, niet meer genoegzaam zedelijk overwicht had om zijne positie te handhaven en nog minder om het met Kamerontbinding te wagen. Uitermate verzwakt als het liberale ministerie was geworden in de twee jaren zijner regeering, waar het bij elke ontmoeting een weinig van zijn krachten prestige had verloren, stierf het, zooals het neutrale blad, »De Telegraaf” schreef, aan de gevolgen van de ziekte van stembusbeloften. Het werd gedwongen zijne onmacht om ze te verwezenlijken te erkennen en aan anderen het bestuur der nationale zaken over te laten. Zonder al te lang te dralen, deed het dit en den 26enDecember 1907 gaf het de gezamenlijkeportefeuillesaan de koningin over.