Chapter 12

Het hooge belang van kuischheid, en zelfs van ascetisme, is nooit te eeniger tijd, of in een van levenskracht tintelende menschenmaatschappij, geheel zonder erkenning gebleven. Soms is de kuischheid in de schatting der menschen verheerlijkt en soms is ze naar beneden gehaald; ze heeft herhaaldelijk den aard van haar uitingen gewijzigd; maar ze is er altijd geweest. Wat meer zegt: zonder haar kan niemand een mooien, zelfs een deel van een mooien kijk op de Natuur hebben. “De glorie van de wereld wordt alleen gezien door een kuischen geest”, zeide Thoreau met zijn fijne overdrijving. “Voor een ieder, voor wien dit feit geen ontzagwekkend, maar toch mooi mysterie is, bestaan er geen bloemen in de Natuur”. Zonder kuischheid is het onmogelijk de waardigheid van sexueele liefde staande te houden. De maatschappij, waarin de waardeering daarvan tot een minimum daalt, is in de laatste stadia van ontaarding. Kuischheid heeft voor sexueele liefde een belang, dat ze nooit verliezen kan, en het allerminst tegenwoordig.Het is volkomen waar, dat gedurende de achttiende en negentiende eeuw vele moreel en intellectueel zeer hoogstaande mannen hetideaal van kuischheid uitdrukkelijk veroordeeld hebben. De groote Buffon weigerde kuischheid als een ideaal te erkennen en verwees toornig naar “die soort van krankzinnigheid, die de maagdelijkheid van een meisje tot iets wezenlijks gemaakt heeft”, terwijl William Morris eens, op de hem eigen openhartige wijze, in een bijeenkomst van deFellowship of the New Lifeverklaarde, dat het“ascetisme de meest weerzinwekkende ondeugd is, die de menschelijke natuur bezocht heeft”. Blake, hoewel hij in den meest conventioneelen zin een strikt moreel man was, voelt niets dan minachting voor kuischheid en voedt soms een soort van godsdienstigen eerbied voor het denkbeeld van onkuischheid. Ook Shelley, die in sexueele zaken misschien niet verstandig geweest is, maar die toch nauwelijks onkuisch genoemd kan worden, schijnt dikwijls godsdienst en moraal te verbinden niet met kuischheid, maar met onkuischheid, en ongeveer hetzelfde kan van James Hinton1gezegd worden. Maar al deze mannen—mèt andere mannen van een hoog karakter, die soortgelijke meeningen hebben uitgesproken—waren in opstand tegen valsche, decadente en conventioneele vormen van kuischheid. Zij kantten zich niet tegen een ideaal; zij trachtten een ideaal te stellen op de plaats waar zij bemerkten, dat een schadelijk voorwendsel prijkte als een moreele werkelijkheid.Wij kunnen geen ideaal van kuischheid aannemen, als we niet onbarmhartig alle onnatuurlijke en ledige vormen van kuischheid verwerpen. Als kuischheid alleen maar is een vermoeiende poging om in de sexueele sfeer te wedijveren met de prestaties van mannen, die voor hun beroep vasten, een poging, die al de krachten van het organisme verbruikt, en op geen grooter succes uitloopt dan de abstinentie die ze in zich heeft, dan is ze zeker een onwaardig ideaal. Als ze is een zwak zich onderwerpen aan een uiterlijke wet der conventie, omdat men geen moed heeft er mee te breken, dan is ze in het geheel geen ideaal. Als ze een moreel voorschrift is, dat door de eene sekse opgedrongen wordt aan de andere, dan is ze een onrechtvaardigheid en prikkelt tot verzet. Als ze is een zich onthouden van de gebruikelijke vormen van sexualiteit, die dan vervangen worden door meer abnormale of meer geheime vormen, dan is ze eenvoudig een onwerkelijkheid, gebaseerd op een verkeerde voorstelling. En als ze alleen is een uiterlijk aannemen van conventies zonder eenige verdere aanname, zelfs in de daad, dan is ze een verachtelijke klucht. Dit zijn de vormen vankuischheid, die, in de laatste twee eeuwen, vele fijngevoelige mannen met kracht hebben verworpen.Het feit, dat kuischheid of ascetisme een werkelijke deugd is, die aanleiding geeft tot mooie gebruiken, wordt duidelijk, als we ons voor oogen stellen, dat ze gebloeid heeft in alle tijden, in verband met alle soorten van godsdiensten en de meest verschillende moreele wetboeken. Wij vinden ze geldend onder natuurvolken, en de speciale deugden dier natuurvolken—harding, weerstandsvermogen en doodsverachting—zijn innig verbonden met het kweeken van kuischheid en ascetisme2. Het is waar, dat natuurvolken zelden een ideaal van kuischheid hebben in de lagere moderne beteekenis als een toestand van doorloopende abstinentie van sexueele verhoudingen, die dan op zichzelf verdienstelijk zou zijn, afgezien van ieder nut. Zij eeren kuischheid om de magische of werkelijke waarde ervan, als een methode van zelfbeheersching, die medewerkt tot het bereiken van belangrijke doeleinden. Het vermogen om pijn en dwang te verdragen is bijna altijd een hoofdbestanddeel bij het inwijden van jonge menschen tijdens de puberteit. De gewoonte, zich te onthouden van sexueelen omgang vóor oorlogs- of jachtexpedities en andere ernstige ondernemingen, die groote inspanning van spieren en hersenen vereischen is, welke de motieven ook zijn waar ze aan toegeschreven wordt, een wijze methode om kracht te sparen. De zeer ver verspreide gewoonte omgang te vermijden tijdens de zwangerschap en het zoogen, is weer een uitmuntende voorzorgsmaatregel in de sexueelehygiëne, die het onder de meer beschaafde volken zeer moeilijk is te blijven in acht nemen. Natuurvolken weten ook zeer wel hoe waardevol sexueele matigheid, te zamen met vasten en eenzaamheid is, om de geschiktheid te verkrijgen voor buitengewone geestelijke krachten.Zoo geeft C. Hill Tout (Journal Anthropological Institute, Jan.–Juni 1905, pp. 143–145) een belangwekkend verslag van de zelftucht, waaraan diegenen onder de Salische Indianen van Britsch Columbia zich onderwerpen, die shamanistische krachten trachten te verkrijgen. De psychische uitwerking van zulk oefenen op deze menschen is, naar Hill Tout zegt, boven allen twijfel verheven. “Ze stelt hen in staat daden van buitengewone kracht, behendigheid en uithoudingsvermogen te ondernemen en te volbrengen; en ze geeft hun nu en dan, behalve een algemeene verheffing van de zinnen, ontwijfelbaar clairvoyante en andere bovennatuurlijke geestelijke en lichamelijke krachten”. Ook aan de andere zijde van de wereld zijn, zooals aangetoond wordt door deReports of the Anthropological Expedition to Torres Straits(vol. V, p. 321), dergelijke gewoonten gebruikelijk om bovennatuurlijke krachten te verkrijgen.Er zijn fundamenteele psychologische redenen voor het veel voorkomen van het ascetisme en voor de opmerkelijke wijze, waarop het zelfvernietiging in zich sluit, zelfs acuut physiek lijden. Zulke pijn is een werkelijke psychische prikkel, vooral bij licht neurotische personen. Het bewijs hiervoor gaf een jonge vrouw, een patient van Janet, die leed aan geestelijke depressie en die gewoon was verlichting te vinden door even haar handen en voeten te branden. Zij begreep zelf duidelijk den aard van haar daden. “Ik voel”, zeide zij, “dat ik een krachtsinspanning doe, als ik mijn handen op de kachel houd, of als ik kokend water op mijn voeten giet; het is een daad van geweld en ze maakt mij wakker: ik voel, dat ze werkelijk door mijzelf gedaan wordt en niet door een ander … Een geestelijke inspanning op zichzelf is mij te moeilijk; ik moet er physieke krachtsinspanningen voor in de plaats stellen. Ik heb op geen andere wijze succes gehad; dat is alles; als ik mijzelf er toe breng mij te branden, maak ik mijn geest voor verscheidene dagen vrijer, lichter en actiever. Waarom spreekt gij van mijn behoefte aan zelfkastijding? Mijn ouders gelooven hieraan, maar het is belachelijk. Het zou een zelfkastijding zijn als het lijden aanbracht, maar ik geniet van dit lijden, het geeft mij mijn geestvermogens terug; het verhindert, dat mijn gedachten stilstaan; wat zou men niet doen om zulk een geluk te bereiken?” (P. Janet, “The Pathogenesis of Some Impulsions”,Journal of Abnormal Psychology, April 1906). Als wij dit psychologisch proces begrijpen, dan kunnen we beseffen hoe het komt, dat zelfs bij de hoogere godsdiensten, hoeveel ze overigens ook mogen verschillen, de praktische waarde van ascetisme en zelfkastijding bijna algemeen erkend is als noodzakelijk ter bereiking van den meest verheven godsdienstigen staat en met volkomen opgewektheid. “Ascetisme en extase zijn onafscheidelijk”, zooals Probst-Biraben aan het begin van een belangwekkend geschrift over het Mohammedaansche mysticisme opmerkt (“L’Extase dans le Mysticisme Musulman”,Revue Philosophique, Nov. 1906). Slechts door ascetisme bereikt men de geestelijke volmaking.Zoo komt het, dat natuurvolken in ruime mate hun dikwijls bewonderenswaardige handhaving van ascetisme niet gronden op den praktischen basis, die het zou rechtvaardigen, maar op den godsdienstigen grondslag, die in discrediet komt met het aangroeien van het verstand3. Maar zelfs als de nauwgezette voorschriften van natuurvolken, zoowel in sexueele als in niet-sexueele zaken zonder eenigen merkbaren gezonden basis zijn, dan kan toch niet gezegd worden dat ze volkomen nutteloos zijn, als zij er toe leiden zelfbeheersching en het gevoel van eerbied aan te moedigen4. Dezoogenaamde intelligente en praktische volken, die oorspronkelijke gebruiken opgeven, omdat die hun doelloos toeschijnen of zelfs belachelijk, moesten een nog fijner practischen zin hebben en een nog grooter verstand om te begrijpen dat, al zijn de redenen voor de gebruiken verkeerd geweest, toch de gebruiken zelf noodzakelijke methoden kunnen geweest zijn om persoonlijke en maatschappelijke capaciteiten te verkrijgen. Het gebeurt voortdurend in den loop van de beschaving, dat wij oude gebruiken moeten doen herleven, en dat wij ze moeten voorzien van nieuwe redenen.Als wij de moreele hoedanigheid van kuischheid onder de natuurvolken beschouwen, dan moeten we zorgvuldig die kuischheid afscheiden, die onder half barbaarsche volken uitsluitend aan vrouwen opgelegd is. Deze heeft in het geheel geen moreele hoedanigheid, want ze wordt niet uitgeoefend als een nuttige tucht, maar ze wordt alleen opgedrongen om de economische en erotische waarde van de vrouwen te verhoogen. Vele autoriteiten meenen, dat het beschouwen van vrouwen als eigendom, de ware oorzaak is voor het wijd verspreide aandringen op maagdelijkheid in bruiden. Zoo zegt A. B. Ellis, waar hij spreekt over de Westkust van Afrika (Yoruba-Speaking Peoples, pp. 183et seq.), dat meisjes van goeden stand verloofd worden terwijl ze nog slechts kinderen zijn, en dat ze zorgvuldig tegen mannen beschermd worden; terwijl meisjes van de lagere klassen zelden verloofd zijn, en mogen leven, zooals ze dat zelf willen. “In deze gewoonte van kinderverlovingen vinden we waarschijnlijk den sleutel tot dien merkwaardigen eerbied voor kuischheid vóór het huwelijk, die niet alleen gevonden wordt onder de stammen van de Goudkust en de Slavenkust, maar ook onder vele andere onbeschaafde volken in verschillende deelen der wereld”. In een geheel anderen streek, in Noord-Siberië, “zien de Yakuts”, zooals Sieroshevski zegt (Journal Anthropological Institute, Jan.—Juni 1901, p. 96), “niets immoreels in onwettige liefde, als er maar niemand materieele schade door ondervindt. Het is waar, dat ouders een dochter beknorren, als haar gedrag hen dreigt te berooven van hun deel aan den bruidsschat; maar als zij eenmaal de hoop verloren hebben haar uit te huwelijken, of als de bruidschat betaald is, dan vertoonen zij een volkomen onverschilligheid voor haar gedrag. Meisjes, die geen huwelijk meer verwachten, worden in het geheel niet teruggehouden; als zij het decorum in acht nemen, dan is dat alleen uit eerbied voor de gewoonte”. Westermarck toont ook (inHistory of Human Marriage, pp. 123et seq.) het verband aan tusschen de hooge achting voor de maagdelijkheid en de opvatting de vrouw als bezit te beschouwen, en als hij in zijn later werk,The Origin and Development of the Moral Ideas(vol. II, Ch. XLII), op de kwestie terugkomt, na er op gewezen te hebben, dat “het koophuwelijk zoo den standaard der vrouwelijke kuischheid heeft verhoogd”, verwijst hij (p. 437) naar het veelbeteekenend feit, dat het verleiden van een ongetrouwd meisje “voornamelijk, zoo niet uitsluitend, beschouwd wordt als een beleediging, aangedaan aan de ouders of de familie van het meisje”, en er is geen aanwijzing, dat natuurvolken ooit gemeend hebben, dat er eenig kwaad gedaan werd aan de vrouw zelf. Westermarck zegt terzelfder tijd, dat de voorkeur aan maagdelijkheid gegeven, ook een biologischen basis heeft in het instinctieve gevoel van jaloezie jegens vrouwen, die omgang hebben gehad met andere mannen, en vooral in de erotische bekoring, die er voor mannen gelegen is in den gemoedstoestand van verlegenheid, die met maagdelijkheid samengaat.Het is nauwelijks nodig hier bij te voegen, dat het aandringen op maagdelijkheid van bruiden in het geheel niet, zooals A. B. Ellis schijnt te meenen, beperkt is tot onbeschaafde volken, en het is ook niet noodig, dat het koopen van vrouwen er altijd mede samengaat. De voorkeur bestaat nogsteeds, niet alleen krachtens zijn natuurlijken biologischen basis, maar als een verfijning en uitbreiding van het denkbeeld dat de vrouw eigendom is, onder die volken, die evenals wijzelven een vorm van huwelijk hebben geërfd, die tot zekere hoogte gebaseerd is op den koop van de vrouw. Onder zulke omstandigheden heeft de kuischheid van een vrouw een belangrijke maatschappelijke functie te vervullen, daar ze, zooals Mrs. Mona Caird gezegd heeft (The Morality of Marriage, 1897, p. 88), de wachthond is van het bezit van den man. Het feit, dat geen element van ideale moraal in het geding komt, blijkt wel uit het gewoonlijk afwezig zijn van eenigen eisch van kuischheid vóór het huwelijk bij den man.Wij moeten niet meenen, dat, indien er, zooals meestal het geval is, geen volkomen en voortdurend verbod van buitenechtelijken omgang is, enkel onbeperkte vrijheid overheerschend is. Dat is blijkbaar nooit ergens onder onvervalschte natuurvolken het geval geweest. Regel is blijkbaar, dat er, evenals onder de stammen in Straat Torres (Reports Cambridge Anthropological Expeditionvol. v, p. 275), geen volkomen onthouding is vóór het huwelijk, maar ook geen onbeperkte vrijheid.Het voorbeeld van Tahiti is leerrijk wat het algemeen voorkomen van kuischheid betreft onder volken, die wij gewoonlijk beschouwen als op lagen trap van beschaving staande. Tahiti is, volgens allen, die het bezocht hebben, van de eerste onderzoekers af tot dien beroemden Amerikaanschen dokter wijlen Dr. Nicholas Senn toe, een eiland, dat eigenschappen bezit van natuurlijke schoonheid en uitmuntendheid van klimaat, die we onmogelijk te hoog kunnen stellen. “Ik scheen overgeplant te zijn in den hof van Eden”, zeide Bougainville in 1768. Maar, vooral onder den invloed van de eerste Engelsche zendelingen, die denkbeelden hadden over theoretische moraal, geheel verschillend van die van de bewoners van die eilanden, zijn de bewoners van Tahiti het geijkte voorbeeld geworden van een bevolking, overgegeven aan losbandigheid en al de verschrikkelijke gevolgen ervan. Zoo zegt William Ellis in zijn beroemdePolynesian Researches(second edition, 1832, vol. i Ch. IX), dat de bewoners van Tahiti “de ergste bevlekkingen in praktijk brachten, waaraan een mensch schuldig kon zijn”, hoewel hij ze niet nader aanduidt. Als wij echter zorgvuldig de verhalen van de eerste bezoekers van Tahiti nagaan, voordat de bevolking besmet werd door de aanraking met de Europeanen, dan wordt het duidelijk, dat deze beschouwing ernstig behoefte heeft aan wijziging. “De groote overvloed van goed en voedzaam voedsel”, schreef een der eerste onderzoekers, J. R. Forster (Observations Made on a Voyage Round the World, 1778, pp. 231, 409, 422), “gepaard met het mooie klimaat, de schoonheid en de toeschietelijkheid van de vrouwen van het land, noodigen zeer tot de vreugden en genoegens van de liefde. Zij beginnen al zeer vroeg zich over te geven aan de meest losbandige tooneelen. Hun liederen, hun dansen en dramatische uitvoeringen, ademen een geest van weelderigheid”. Toch wordt hij ieder keer gedrongen feiten mede te deelen, die blijk geven van de deugden van deze menschen. Hoewel tamelijk verwijfd van bouw, zijn ze athletisch, zegt hij. Bovendien vechten zij in hun oorlogen met grooten moed en ongeëvenaarde dapperheid. Verder zijn ze gastvrij. Hij merkt op, dat zij hun getrouwde vrouwen met grooten eerbied behandelen, en dat de vrouwen over het algemeen bijna de gelijken zijn van de mannen, zoowel in verstand als in maatschappelijke positie; hij geeft een mooie beschrijving van de vrouwen. “In het kort, hun karakter is zoo beminnelijk”, besluit Forster, “als dat van eenige natie, die ooit onverbeterd uit de handen der Natuur kwam”, en hij merkt op, dat, zooals door de volken van de Zuidzee in het algemeen gevoeld werd, we altijd, als we naar dit gelukkige eiland kwamen, duidelijk den rijkdom en het geluk van zijn inwoners konden bemerken.Het is ook opmerkelijk, dat ondanks het groote belang, dat de bewoners van Tahiti hechtten aan de erotische zijde van het leven, zij niet te kort schoten in eerbied voor de kuischheid. Toen Cook, die Tahiti verscheidene malenbezocht, te midden van “dit welwillende en menschlievende” volk was, merkte hij hun achting voor kuischheid op, en bevond hij, dat, niet alleen verloofde meisjes streng bewaakt werden voor het huwelijk, maar dat men ook meende, dat mannen, die zich eenigen tijd voor het huwelijk van sexueelen omgang onthouden hadden, bij hun dood onmiddellijk naar het verblijf der gezegenden overgingen. “Hun gedrag schijnt, bij alle gelegenheden, een groote openhartigheid en edelmoedigheid van aard aan te duiden. Ik heb ze nooit, onder welke moeilijkheid ook, zien werken onder een schijn van angst, nadat het kritieke oogenblik voorbij was. En ook schijnt nooit de zorg hun voorhoofd te rimpelen. Integendeel kan zelfs de nadering van den dood hun gewone levendigheid niet veranderen” (Third voyage of Discovery, 1776–1780). Turnbull bezocht Tahiti op een lateren tijd, (A Voyage Round the World in 1800, etc., pp. 374–5), maar terwijl hij allerlei ondeugden onder hen vindt, moet hij toch hun deugden erkennen: “Hun wijze van vreemdelingen toe te spreken, is, van den koning tot den minsten onderdaan, in de hoogste mate beleefd en minzaam … Zij leven voorzeker onder elkaar in meer harmonie dan het de gewoonte is onder Europeanen. Den geheelen tijd, dat ik onder hen verkeerde, heb ik nooit zoo iets als een gevecht gezien … Ik herinner mij niet, dat ik ooit een bewoner van Tahiti gezien heb, die uit zijn humeur was. Zij bespotten elkaar vrijer dan de Europeanen, maar deze spotternijen worden nooit slecht opgenomen … Wat voedsel aangaat, is het, geloof ik, een onveranderlijke wet in Tahiti, dat al wat de een bezit, voor allen gemeenschappelijk is”. Zoo zien we, dat zelfs bij een volk, waarnaar gewoonlijk verwezen wordt als naar het voorbeeld bij uitnemendheid van een natie, die overgegeven is aan onbeteugelde losbandigheid, de eischen der kuischheid werden erkend, en vele andere deugden krachtig bloeiden. De bewoners van Tahiti waren dapper, gastvrij, vol zelfbedwang, beleefd, zij sloegen acht op de behoeften van anderen, waren ridderlijk voor vrouwen, waardeerden zelfs de voordeelen van sexueele beperking, in een mate, zooals ze zelden of misschien wel nooit gekend is onder die Christelijke naties, die op hen hebben neergezien, alsof ze overgegeven waren aan verschrikkelijke ondeugden.Als wij ons van de natuurvolken afwenden naar de volken in de barbaarsche en de beschaafde stadiën, vinden wij een algemeene neiging tot kuischheid, in zoover ze een gewoon bezit is onder de lagere klassen, die minder in acht genomen behoeft te worden, of alleen maar behouden wordt als een traditioneele conventie, die in onbruik begint te geraken. De oude beweegredenen voor de kuischheid in primitieve godsdiensten entabuhebben hun kracht verloren en geen nieuwe beweegredenen zijn ervoor in de plaats gekomen. “Hoewel de vooruitgang der beschaving”, schreef Gibbon lang geleden, “ongetwijfeld er toe bijgedragen heeft de woestere hartstochten van de menschelijke natuur te verzachten, schijnt ze minder gunstig geweest te zijn voor de deugd der kuischheid”, en Westermarck komt tot het besluit, dat “ongeregelde betrekkingen tusschen de seksen over het geheel een neiging hebben vertoond zich met den voortgang van de beschaving te ontwikkelen”.Het voornaamste verschil in de maatschappelijke functie van kuischheid als deugd, schijnt bij den overgang van primitieve toestanden tot de hoogere stadiën van beschaving, te zijn, dat ze ophoudt te bestaan als een algemeene hygiënische maatregelof als een algemeene regel van ceremonieel, en voor het grootste deel beperkt wordt tot speciale philosofische en godsdienstige sekten, die ze tot een uitersten graad, min of meer als een beroep aankweeken. Dit is de stand van zaken in het Romeinsche Keizerrijk tijdens de eerste eeuwen van het Christelijk tijdperk5. Het Christendom zelf was in het begin een van die sekten, welke bekoord waren door het ideaal van de kuischheid; maar door zijn grootere levenskracht verving het al de andere en drong ten slotte zijn idealen, niet zijn primitieve gebruiken, op aan de Europeesche maatschappij in het algemeen.De kuischheid vertoonde zich in het primitieve Christendom op twee verschillende, toch niet aan elkaar tegenovergestelde wijzen. Aan den eenen kant nam het een strengen en praktischen vorm aan bij krachtige mannen en vrouwen, die, na opgevoed te zijn in een maatschappij, die een hoogen graad van sexueele vrijheid toestaat, plotseling overtuigd werden van het zondige van zulk een toegeven. De strijd met de maatschappij, waarin ze geboren waren, en met hun eigen oude aandriften en gewoonten, werd zoo hevig, dat zij zich dikwijls gedrongen zagen zich geheel van de wereld terug te trekken. Zoo kwam het, dat de dorre woestijnen van Egypte bevolkt werden met hermieten, die zich voornamelijk bezig hielden met het vraagstuk, hun eigen vleesch te onderwerpen. Men kan wel zeggen, dat hun aandacht voor sexueele zaken, ook merkbaar in de oudste Christelijke literatuur, veel grooter was, dan het geval was in de heidensche maatschappij, die zij verlaten hadden. Het heidendom was toegevend in sexueele aangelegenheden, en kon ze dus uit zijn gedachten bannen, zoodat we in de klassieke literatuur zeer weinig melding vinden gemaakt van sexueele bijzonderheden, behalve bij schrijvers zooals Martialis, Juvenalis en Petronius, die ze speciaal voor satirische doeleinden invoeren. Maar de Christenen konden niet ontsnappen aan de benauwenis der sexualiteit; ze was altijd met hen. Wij krijgen nu en dan belangwekkende kijkjes op hun worstelingen, in de Brieven van den heiligen Jeronimus, die zelf een athleet geweest is in dezen ascetischen strijd.“O, hoe dikwijls”, schreef de heilige Jeronimus aan Antiochia, de maagd aan wie hij een van de langste en meest belangwekkende van zijn brieven richtte, “heb ik in de woestijn, in die wijde eenzaamheid, die, verbrand door de gloeiende stralen der zon, slechts een afschuwelijke woonplaats aanbiedt aan monniken, mijzelf voorgesteld te midden van de genoegens van Rome! Ik was alleen, want mijn ziel was vol bitterheid. Mijn ledematen waren bedekt met een ellendigen zak en mijn huid was zoo zwart als die van een Ethiopiër.Iederen dag weende en steunde ik, en als ik buiten mijn wil door slaap overvallen werd, lag mijn magere lichaam op den naakten grond. Ik zeg niets van mijn voedsel en drank, want in de wildernis hebben zelfs zieken geen anderen drank dan koud water, en gekookt voedsel wordt beschouwd als een weelde. Nu dan, ik, die mijzelf uit vrees voor de hel tot deze gevangenis veroordeeld had, een metgezel van schorpioenen en wilde dieren, scheen dikwijls in mijn verbeelding onder troepen jonge meisjes te vertoeven. Mijn gezicht was bleek van het vasten en mijn geest in mijn koude lichaam gloeide van begeerte; het vuur der wellust vlamde nog op in een lichaam, dat reeds dood scheen. Dan, van alle hulp verstoken als ik was, wierp ik mij voor de voeten van Jezus, waschte ze met mijn tranen en droogde ze met mijn haren en bracht mijn vleesch door lang vasten ten onder. Ik herinner mij, dat ik meer dan eens den nacht doorbracht schreeuwende en mij op de borst slaande, tot God mij vrede zond”. “Onze eeuw”, schreef de heilige Chrysostomus in zijnDiscourse to Those Who keep Virgins in Their Houses, “heeft vele mannen gezien, die hun lichamen met kettingen gebonden hebben, die zich gekleed hebben in zakken, die zich teruggetrokken hebben tot de toppen der bergen, waar zij geleefd hebben in voortdurend bidden en vasten, en die het voorbeeld gaven van de strengste tucht en alle vrouwen verboden den drempel van hun nederige woning te overtreden; en toch, ondanks al de gestrengheid, die zij op zichzelf toepasten, konden zij nog maar met moeite de woede van hun hartstochten onderdrukken”. Hilarion, zegt Jeronimus, zag visioenen van naakte vrouwen als hij neerlag op zijn eenzaam leger, en heerlijke maaltijden, als hij neerzat aan zijn sober maal. Zulke ondervindingen maakten de eerste heiligen zeer nauwgezet. “Zij zeiden”, zoo vertelt men ons in de belangwekkende geschiedenis van de Egyptische kluizenaars in hetParadise of the Holy Fathersvan Palladius, hetwelk behoort tot de vierde eeuw (A. W. Budge,The Paradise, vol. II, p. 129), “dat Abbâ Isaac uitging en op den weg een voetspoor van een vrouw vond, en hij dacht er over na in zijn geest en vernietigde hem, zeggende, “als een broeder hem ziet, zou hij kunnen vallen”.”Evenzoo mochten, volgens de regels van den heiligen Caesarius van Arles voor nonnen, geen kleedingstukken van mannen in het klooster gebracht worden om ze te wasschen of te verstellen. Zelfs in den ouderdom bleef er nog een zekere ongerustheid bestaan over de kuischheid. Een van de broeders, naar ons verteld wordt inThe Paradise(p. 132) zeide tot Abbâ Zeno, “Zie, gij zijt oud geworden, hoe ishetmet de ontucht?” De waardige heilige antwoordde, “Ze klopt aan, maar ze gaat voorbij”.Naarmate de eeuwen voorbijgingen bleef dezelfde groote ongerustheid nog bestaan, en de oude strijd kwam voortdurend weer voor den dag (zie b.v. Migne’sDictionnaire d’Ascétisme, art. “Démon, Tentation du”). Het is waar, dat sommige heiligen zoo bovenaardsch aangelegd waren, dat zij nooit den prikkel van het sexueel verlangen gevoelden. Deze schijnen echter uitzondering geweest te zijn. De heilige Benedictus en de heilige Franciscus ondervonden zeer zeker de moeilijkheid van het ten onder brengen van het vleesch. De heilige Magdalena de Pozzi rolde zich, om sexueele verlangens te verjagen, tot bloedens toe op doornige struiken. Sommige heiligen hadden een speciale ton met water in hun cellen waar ze in konden gaan staan (Lea,SacerdotalCelibacy, vol. I, p. 124). Aan den anderen kant vertelt ons de heilige Angela de Fulginio in haarVisiones(cap. XIX) dat zij, zoolang, totdat haar biechtvader het haar verbood, brandende kolen in haar geheime deelen bracht, in de hoop door werkelijk vuur het branden van de ontuchtige begeerte uit te dooven. St. Aldhelm, de heilige bisschop van Sherborne in de achtste eeuw, nam ook een homoeopathische wijze van behandelen aan, en dan van een meer letterlijke soort, want William van Malmsbury zegt, dat hij, als hij door het vleesch in verleiding kwam, vrouwen bij zich liet komen zitten en liggen, totdat hij weer kalm werd; de methode bleek zeer doelmatig, omdat, naar men meende, de Duivel voelde, dat hij voor den gek was gehouden.Na eenigen tijd werd de Katholieke praktijk en theorie van het ascetisme meer formeel en uitgebreid, en de weldadige gevolgen ervan strekten zich, naar men meende, verder uit dan het individu zelf. “Ascetisme van het Christelijk standpunt”, schrijft Brenier de Montmorand in een belangwekkende studie (“Ascétisme et Mysticisme”,Revue Philosophique, Maart, 1904) “is niets anders dan al de therapeutische middelen, samenwerkend tot moreele heiliging. De Christelijke asceet is een athleet, die zijn verdorven natuur tracht te veranderen en een weg tot God te banen door de hinderpalen heen, die door zijn hartstochten en door de wereld veroorzaakt worden. Hij werkt niet alleen in zijn eigen belang, maar—door den terugslag van verdienste, welke die der solidariteit in de dwaling weer goed maakt—voor het nut en het heil van de geheele maatschappij”.Dit is het gezichtspunt van de ascese, waarop het oudste Christendom het meest den nadruk gelegd heeft. Maar er is een ander gezichtspunt, dat misschien minder gewoon is, maar dat in het geheel niet minder van belang is geweest. Primitieve Christelijke kuischheid was aan den eenen kant een strenge tucht. Aan den anderen kant was ze romantisch en dit was wel de meest speciaal Christelijke kant, want athletisch ascetisme is verbonden geweest met de meest verschillende godsdienstige en philosofische geloofsbelijdenissen. Als ze niet de bekoring bezeten had van een nieuwe sensatie, van een verrukkelijke vrijheid, van een onbekend avontuur, dan zou ze nooit de Europeesche wereld veroverd hebben. Er zijn er in die wereld maar enkelen, die den aanleg voor moreele athleten in zich hebben; er zijn er velen, die op de aantrekkelijkheid van het romantische reageeren.De Christenen verwierpen de grovere vormen van sexueel toegeven, maar terwijl ze dat deden, gaven zij zich met des te meer ijver over aan de meer verfijnde vormen van sexueele intimiteit. Zij kweekten een verhouding aan van broeders en zusters, zij kusten elkaar; op een bepaalden tijd schaamden zij zich niet, bij de geestelijke braspartij van den doop bij voorbeeld, volkomen naakt te zijn6.Een zeer leerrijk beeld van de vormen, die de kuischheid onder de eerste Christenen aannam, is ons gegeven in de verhandeling van den heiligen ChrysostomusAgainst Those who Keep Virgins in their Houses. Onze vaders, begint Chrysostomus, kenden alleen maar twee vormen van sexueele intimiteit, huwelijk en ontucht. Nu is er een nieuwe vorm voor den dag gekomen: mannen nemen jonge meisjes in hun huis en houden die daar doorloopend, terwijl ze haar maagdelijkheid eerbiedigen. “Wat”, vraagt Chrysostomus, “is de reden? Het schijnt mij toe, dat het leven te zamen met een vrouw, aangenaam is, zelfs buiten huwelijksvereeniging en vleeschelijken omgang. Dat is mijn gevoelen; en misschien is hetniet mijn gevoelen alleen; het is misschien ook het gevoelen van deze mannen. Zij zouden hun eer niet zoo te grabbel gooien en geen aanleiding geven tot zulke schandalen, als dit genoegen niet hevig en tyranniek was.… Dat deze verhouding werkelijk genoegen geeft, dat ze een liefde veroorzaakt, die vuriger is dan huwelijksvereeniging, zal u misschien in het eerst verwonderen. Maar als ik u de bewijzen geef, zult ge overtuigd zijn van de waarheid mijner bewering”.In het huwelijk, gaat hij voort, leidt de afwezigheid van beperking der begeerte dikwijls tot spoedige walging, en zelfs afgezien daarvan verwoesten de sexueele omgang, zwangerschap, geboorte, het zoogen, het opvoeden van kinderen, en al de moeiten en pijnen en angsten, die met deze dingen samengaan, de jeugd en stompen het genoegen af. De maagd is vrij van deze lasten. Zij behoudt haar kracht en jeugd, en zelfs op den leeftijd van veertig kan zij wedijveren met het jonge huwbare meisje. “Een dubbele gloed brandt dus in het hart van hem, die haar liefheeft en met haar leeft, en nooit dooft de bevrediging van het verlangen de heldere vlam, die voortdurend in kracht toeneemt”. Chrysostomus beschrijft in bijzonderheden al de kleine zorgen en attenties, waaraan de moderne meisjes van zijn tijd behoefte hadden, en die deze mannen met vreugde aan hun maagdelijke geliefden besteedden, zoowel in het publiek als tehuis. Hij kan echter niet nalaten te denken, dat de man, die een vrouw, wier maagdelijkheid hij eerbiedigt, met kussen en liefkoozingen overlaadt, zichzelf Tantaluskwellingen aandoet. Maar deze nieuwe verfijning van teedere kuischheid, die als een heerlijkeontdekkingkwam tot de eerste Christenen, die resoluut de losbandigheid van de heidensche wereld hadden verworpen, had diepe wortels geschoten, zooals wij kunnen opmerken uit de veelvuldigheid, waarmee de ernstige Kerkvaders, bang voor schandaal, zich geroepen gevoelden ze te laken, hoewel hun veroordeeling soms niet zonder geheime sympathie is7.Er was éen vorm, waarin de nieuwe Christelijke kuischheid overvloedig en ongehinderd bloeide: zij maakte zich meester van de literatuur. De bekoorlijkste en zeker de meest populaire literatuur van de oudste kerk vormden de onnoemelijk vele legenden van erotische kuischheid—tot zekere hoogte misschien wel gebaseerd op feiten—die samengevat zijn in deActa Sanctorum. Wij kunnen, zelfs in de meest eenvoudige en weinig wonderbaarlijkeoudste Christelijke verslagen van het martelaarschap van vrouwen zien, dat de schrijvers zich volkomen bewust waren van de teere bekoring van de heldin, die, evenals Perpetua, in Carthago, door wilde dieren in de arena heen en weer geworpen, opstaat om zich in haar gescheurde kleeren te hullen en haar verwarde haren in orde te brengen8. Van deze legenden tot de verhalen van romantisch avontuur was een gemakkelijke stap. Onder deze heerlijke verhalen mag ik voornamelijk verwijzen naar de legende van Thekla, die, misschien wel ten onrechte, al in de eerste eeuw gesteld wordt, “De Bruid en Bruidegom van Indië” in de handelingen vanJudas Thomas, “De Maagd vanAntiochië”, verteld door den heiligen Ambrosius, de geschiedenis van “Achillus en Nereus”, “Mygdonia en Karish”, en “Twee Minnenden van Auvergne”, zooals ze verteld zijn door Gregorius van Tours. De oudste Christelijke literatuur is vol van verhalen van minnenden, die hun kuischheid bewaard hadden, en die toch de heerlijkste geheimen van de liefde hadden ontdekt.Thekla’s dag is de drie en twintigste September. Er is een zeer goede Syrische lezing (door Lipsius en anderen beschouwd als ouder dan de Grieksche vertaling) van deHandelingen van Paul en Thekla(zie b.v. van Wright, deApocryphal Acts). Deze Acts behooren tot het tweede gedeelte van de tweede eeuw. De geschiedenis is, dat Thekla, daar ze weerstand bood aan den hartstocht van den hoogepriester vanSyrië, naakt op een gordel (subligaculum) na, geplaatst werd op den rug van een leeuwin, die haar de voeten likte en tegen de andere dieren vocht, en die bij haar verdediging stierf. De andere dieren deden haar echter geen kwaad en zij werd eindelijk los gelaten. Een koningin overlaadde haar met geld, zij veranderde haar kleeding om er als een man uit te zien, ging op reis om Paulus te ontmoeten, en bereikte een hoogen ouderdom. Sir W. M. Ramsay heeft een belangwekkende studie over dezeHandelingengeschreven (The Church in the Roman Empire, hoofdstuk XVI). Hij meent, dat deHandelingenhun grondslag vinden in een document uit de eerste eeuw, en hij ziet kans om verscheidene elementen van waarheid uit het verhaal los te warren. Hij zegt, dat het het eenige bewijs is, hetwelk wij bezitten van de denkbeelden en van de daden van vrouwen gedurende de eerste eeuw in Klein-Azië, waar haar positie zoo hoog was en haar invloed zoo groot. Thekla vertegenwoordigt de handhaving van de rechten der vrouw en zij diende het sacrament van den doop toe, hoewel deze trekken in de bestaande vertalingen van deHandelingenonduidelijk geworden zijn of uitgewischt.Sommige van de meest typische van deze Christelijke legenden worden beschreven als Gnostisch in oorsprong, met iets van de zaden van het Manichaeisch dualisme, die vervat waren in den schoot van het gnosticisme, terwijl de geest van deze legenden ook zeer Montanistisch is, met de gemengde kuischheid en gloed, den uitgesproken feministischen toon, die past bij den oorsprong ervan in Klein-Azië, en die het kenmerk was van het Montanisme. Het kan echter niet ontkend worden, dat zij in grooten getale overgingen in den stroom van Christelijke traditie, en een essentieel en belangwekkend deel van die traditie vormen. (Renan wijst, in zijnMarc-Aurèle, hoofdst. IX en XV, op de enorme schuld van het Christendom aan Gnostische en Montanistischebijdragen). Een karakteristiek voorbeeld is de geschiedenis van “De Verloofde uit Indië” in deHandelingenvanJudas Thomas(Wright’sApocryphal Acts). Judas Thomas werd door zijn meester Jezus verkocht aan een Indischen koopman, die een timmerman noodig had om met hem naar Indië te gaan. Toen ze zich in de stad Sandaruk ontscheepten, hoorden ze de tonen van muziek en zang, en werd hun verteld, dat het het huwelijksfeest was van de dochter des konings, waarbij allen moesten tegenwoordig zijn, rijken en armen, slaven en vrijen, vreemdelingen en burgers. Judas Thomas ging, met zijn nieuwen meester naar het feestmaal en lag aan, met een myrthe guirlande op zijn hoofd geplaatst. Toen een Joodsche fluitspeler kwam en tegenover hem ging staan en speelde, zong hij de liederen van Christus, en zij zagen, dat hij schooner was dan allen, die daar waren en de koning liet hem roepen om het jonge paar te zegenen in de huwelijkskamer. En toen zij allen weg waren gegaan en de deur van de huwelijkskamer gesloten was, naderde de bruigom de bruid, en het scheen hem toe, alsof Judas Thomas nog met haar praatte. Maar het was onze Heer, die tot hem zeide: “Ik ben niet Judas, maar zijnen broeder”. En onze Heer zat neer op het bed naast de jonge menschen en begon tot ze te zeggen: “Herinner u, mijn kinderen, wat mijn broeder tot u gesproken heeft, en weet aan wien hij u opgedragen heeft, en weet, dat als gij uzelven bewaart voor dien onreinen omgang, gij reine tempels zult worden en beveiligd tegen vele en verborgen smarten en tegen den zwaren zorg van kinderen, waarvan het einde altijd bittere smart is. Om hunnentwille zult gij onderdrukkers worden en roovers, en gij zult bitter lijden door hun verkeerdheden. Want kinderen zijn de oorzaak van vele ellenden; hetzij de koning beslag op hen legt, of dat een duivel ze te pakken neemt, of dat zij bezocht worden door verlamming. En als zij gezond zijn, komen zij tot het kwade, door echtbreken of diefstal, of ontucht of begeerte, of ijdelheid. Maar als gij u door mij wilt laten raden, en uzelven rein voor God zult bewaren, dan zult gij levende kinderen hebben, tot wie geen van deze ellenden en bezwaren komen; en gij zult zonder zorg zijn en zonder ergernis en zonder smart, en gij zult hopen op den tijd, waarop gij het ware huwelijksfeest zult aanschouwen”. Het jonge paar was overtuigd; zij zagen van den wellust af en onze Heer verdween. En ’s morgens toen de dag aanbrak, liet de koning de tafel vroeg aanrichten, en bracht die binnen bij den bruidegom en de bruid. En hij vond ze tegenover elkaar zitten, en het gelaat der bruid was onbedekt en de bruidegom was zeer vroolijk. De moeder van de bruid zeide tot haar: “Waarom zit je zoo en schaam je je niet, maar doet net alsof je al lang getrouwd waart, vele dagen?” En ook haar vader zeide tot haar: “Is het de groote liefde voor je echtgenoot, die je ervan terughoudt je te sluieren?” En de bruid antwoordde en zeide: “Waarlijk vader, mijn liefde is zeer groot, en ik bid den Heer, dat ik deze liefde, die ik vannacht ondervonden heb, zal blijven behouden. Ik ben niet gesluierd, omdat de sluier der verdorvenheid van mij afgenomen is, en ik schaam mij niet, omdat de daad, die schaamte geeft, ver van mij verwijderd is, en ik ben opgewekt en vroolijk, en ik veracht deze daad der verdorvenheid en de vreugden van dit huwelijksfeest, omdat ik uitgenoodigd ben tot het ware huwelijksfeest, Ik heb met mijn echtgenoot geen omgang gehad, waarvan het einde bitter berouw is, omdat ik verloofd ben met den waren Echtgenoot”. De echtgenoot antwoordde ook in dezelfden geest, zeer natuurlijk tot schrik van den Koning, die een bode zond naar den toovenaar, aan wien hij gevraagd had zijn ongelukkige dochter te zegenen. Maar Judas Thomas had de stad reeds verlaten en in de herberg, waar hij gelogeerd had, vond de bottelier van den Koning alleen den fluitspeler, die daar zat en weende, omdat hij hem niet meegenomen had. Hij was echter blij, toen hij hoorde wat er gebeurd was, haastte zich naar het jonge paar en woonde daarna altijd met hen samen. De Koning werd ten slotte ook verzoend en alles eindigde in kuischheid en geluk.In deze zelfdeHandelingenvanJudas Thomas, die niet van later datumzijn dan van de vierde eeuw, vinden we (vierde daad), de geschiedenis van Mygdonia en Karish. Mygdonia, de vrouw van Karish, wordt door Thomas overtuigd en vlucht, naakt, alleen bedekt door een gordijn van de kamerdeur, dat zij omgeslagen heeft, van haar echtgenoot naar haar oude min. Met de min gaat zij naar Thomas, die heilige olie over haar hoofd giet, terwijl hij de min verzoekt haar er geheel mee te zalven; dan wordt er een laken om haar lendenen geslagen en hij doopt haar; waarna zij aangekleed wordt en hij haar het sacrament geeft. De jonge verrukking over de kuischheid wordt soms lyrisch, en Judas Thomas roept uit: “Reinheid is de athleet, die niet overwonnen wordt. Reinheid is de waarheid, die niet terugdeinst. Reinheid is waardig voor God, een vertrouwde dienares voor Hem te zijn. Reinheid is de boodschapper van eendracht, die de vredestijdingen brengt”.Een andere kuischheidslegende wordt gegeven in de episode van Drusiana inThe history of the Apostles, die volgens de traditie toegeschreven wordt aan Abdias, den Bisschop van Babylon (Bk. v. hoofdst. IV,et seq.). Drusiana is de vrouw van Andronicus; ze is zoo vroom, dat ze geen omgang met hem wil hebben. De jongeling Callimachus wordt doodelijk op haar verliefd, en zijn verliefde pogingen hebben vele opwindende avonturen ten gevolge, maar ten slotte overwint de kuischheid van Drusiana.Eenkarakteristiekvoorbeeld van de literatuur die wij hier bedoelen, is de geschiedenis van den heiligen Ambrosius over “de Maagd in het Bordeel” (verteld in zijnDe Virginibus, Migne’s editie van de werken van Ambrosius, deelen iii–iv, p. 211). Een zekere maagd, vertelt de heilige Ambrosius ons, die onlangs in Antiochië woonde, werd veroordeeld om òf aan de goden te worden geofferd òf om naar het bordeel te gaan. Zij koos het laatste alternatief. Maar de eerste man, die bij haar binnen kwam, was een Christen soldaat, die haar “zuster” noemde en die haar verzocht niet te vreezen. Hij stelde voor, dat zij van kleederen zouden verwisselen. Dit werd gedaan en zij ontsnapte, terwijl de soldaat weggevoerd werd, om ter dood gebracht te worden. Op de plaats van de terechtstelling kwam zij echter te voorschijn en riep, dat het niet den dood was, dien ze vreesde, maar de schande. Hij stond er echter op, dat hij in haar plaats ter dood veroordeeld werd. Ten slotte werd de kroon van het martelaarschap, waarvoor ze gestreden hadden, aan beiden toegekend.In de oudere documenten van deze romantische literatuur der kuischheid nemen we voortdurend waar, dat er op kuischheid aangedrongen wordt, volstrekt niet voornamelijk om de belooning ervoor na den dood, en ook zelfs niet, omdat de maagd, die er zich aan wijdt, in Christus een altijd jongen minnaar ziet, wiens guldenharige schoonheid soms met nadruk vermeld wordt. De voornaamste bekoring ervan ligt in de eigen vrijheid, en in de zekerheid, dat men ontkomt aan al de moeiten, ongemakken en banden van het huwelijk. Deze oudste Christelijke beweging van romantische kuischheid was klaarblijkelijk in groote mate een opstand van vrouwen tegen de mannen en tegen het huwelijk. Dit wordt wel duidelijk uit de leerzame geschiedenis, die men veronderstelt dat haar oorsprong heeft in de derde eeuw, van de eunuchen Achilles en Nereus, zooals ze verteld wordt in deActa Sanctorum, van den 12en Mei. Achilles en Nereus waren Christelijke eunuchen van de slaapkamer van Domitia, een maagd van edele geboorte, die verwant was aan Keizer Domitianus en verloofd met Aurelianus, den zoon van den consul. Eens, toen hun meesteres bezig was zich te versieren met haar juweelen en haar purperen gewaden, met goud geborduurd, begonnen zij om beurten haar te spreken over al de genoegens en voordeelen van de maagdelijkheid, vergeleken met een huwelijk met niet meer dan één man. Zij had ten gevolge daarvan veel te lijden van Aurelianus, en toen hij bewerkte, dat zij naar een eiland verbannen werd, ging zij daarheen met Achilles en Nereus, die ter dood gebracht werden. Als een onderdeel van het verhaal wordt de dood van Felicula, een andere kuischheidsheldin, beschreven. Toen zij op de pijnbank gelegd werd,weigerde zij voortdurend Jezus te verloochenen, dien zij haar minnaar noemde. “Ego non nego amatorem meum”.Een speciale afdeeling van deze literatuur heeft betrekking op de geschiedenissen van de bekeeringen of het berouw van courtisanes. De heilige Martinianus bijvoorbeeld (Feb. 13) werd in verleiding gebracht door de courtisane Zoe, maar bekeerde haar. De geschiedenis van de heilige Margaretha van Cortona (Feb. 22),een berouwvolle courtisane, is van lateren datum, want zij behoort tot de dertiende eeuw. Het mooiste document in deze literatuur is waarschijnlijk de laatste, de Italiaansche stichtelijke legende uit de veertiende eeuw, genaamdThe Life of Saint Mary Magdalen, die gewoonlijk in verband gebracht wordt met den naam van Frater Dominico Cavalca. (Ze is in het Engelsch vertaald). Het is de zoo fijn en mooi vertelde legende van de kuische en hartstochtelijke liefde van de beminnelijke zondares Maria Magdalena voor haar geliefden Meester.Naarmate de tijd verliep, werd het aandringen op de vreugden van de kuischheid in dit leven minder in het oog vallend, en werd zij meer en meer beschouwd als de toestand, die alleen zijn volledige belooning vindt in het toekomstig leven. Toch worden zelfs in de bekoorlijke geschiedenis van Gregorius van Tours van “De Twee minnenden van Auvergne”, waarin deze houding duidelijk is, de genoegens van kuische liefde in dit leven evenzeer op den voorgrond gesteld als in een van de eerste legenden (Historia Francorum, lib. I, hoofdst. XLII). Twee senatoren van Auvergne hadden ieder een eenig kind en die verloofden zij met elkaar. Toen de huwelijksdag kwam en het jonge paar te bed gelegd was, keerde de bruid zich naar den muur en weende bitterlijk. De bruidegom smeekte haar hem te zeggen wat er was; toen keerde zij zich tot hem en zeide, dat zij haar verdriet niet kon uitwisschen, al zou zij al de dagen van haar leven weenen, want dat zij besloten had haar kleine lichaam onbevlekt aan Christus te geven, onaangeroerd door mannen; nu had zij in plaats van onsterfelijke rozen alleen maar verlepte rozen op haar voorhoofd gehad, die het eer mismaakten dan dat zij het versierden, en in plaats van den bruidsschat van het Paradijs, dien Christus haar beloofd had, was zij de echtgenoote geworden van een sterfelijk man. Zij beklaagde haar droevig lot lang en met veel liefelijke welsprekendheid. Ten laatste voelde de bruidegom, door haar lieve woorden overtuigd, dat het eeuwige leven voor hem geschenen had als een groot licht, en verklaarde hij, dat als zij zich wenschte te onthouden van vleeschelijke begeerten, hij dat ook wilde. Zij was zeer dankbaar, en met gevouwen handen vielen zij in slaap. Verscheidene jaren leefden zij zoo te zamen, in kuischheid hetzelfde bed deelende. Ten slotte stierf zij en werd begraven; haar minnaar gaf haar onbevlekt over in de handen van Christus. Spoedig daarna stierf ook hij en werd in een afzonderlijke graftombe begraven. Toen geschiedde er een wonder, dat de grootschheid van deze kuische liefde duidelijk in het licht stelde, want de twee lichamen werden gevonden, op geheimzinnige wijze bijeen geplaatst. Tot op dezen dag, zoo besluit Gregorius (schrijvende in de zesde eeuw), noemen de menschen van de plaats hen “De Twee Minnenden”.Hoewel Renan (Marc-Aurèle, hoofdst. XV) met korte woorden de aandacht op het bestaan van deze uitgebreide oude Christelijke literatuur vestigt, die de romantiek der kuischheid voortzet, schijnt ze tot nog toe weinig of niet bestudeerd te zijn. Ze heeft echter groot belang, niet alleen om zichzelf, maar ter wille van de psychologische beteekenis, daar ze den aard van de beweegkrachten duidelijk maakt, die de kuischheid gemakkelijk en aantrekkelijk maakten voor de menschen van de vroegste Christelijke wereld, zelfs als ze volkomen sexueele abstinentie met zich bracht. De oude Kerk vervloekte de erotiek van de Heidensche wereld en bande ze uit op de meest krachtdadige wijze door een eigen nieuwe en fijnere erotiek er voor in de plaats te stellen.Gedurende de middeleeuwen begon de oorspronkelijke frischheidvan de Christelijke kuischheid haar bekoring te verliezen. Geen kuischheidslegenden werden geschreven en in het werkelijke leven zochten de menschen geen avonturen meer op het gebied der kuischheid. Voor zoover de oude idealen al in leven bleven, was dit op het wereldsch gebied der ridderlijkheid. De laatste bekende figuur, die streefde naar de heldenfeiten van de eerste Christenen was Robert van Arbrissel in Normandië.Robert van Arbrissel, die, in de elfde eeuw, de beroemde en bekende orde van Fontevrault voor vrouwen stichtte, kwam uit Bretagne. Deze Keltische oorsprong is ongetwijfeld van beteekenis, want hij kan misschien zijn nooit falenden ijver en zijn enthusiaste vereering voor vrouwen verklaren. Zelfs zij, onder zijn vrienden, die afkeurden wat zij zijn schandelijk gedrag noemden, leggen getuigenis af van zijn nooit falend vroolijk temperament, zijn wakkerheid in het handelen, zijn bereidwilligheid voor welke daad van humaniteit ook en zijn volkomen vrij zijn van gestrengheid. Hij trok groote massa’s menschen van allerlei soort aan, vooral vrouwen, ook prostituées, en zijn invloed over vrouwen was groot. Eens ging hij in een bordeel om zijn voeten te warmen en bekeerde terloops alle vrouwen die daar waren. “Wie zijt gij?” vroeg een van haar, “ik ben hier al vijf en twintig jaar en niemand is mij hier ooit komen spreken over God”. Robert’s betrekking tot de nonnen vanFontevraultwas zeer intiem, en hij sliep dikwijls met haar. Dit wordt door vrienden van hem, bisschoppen en abten, nauwkeurig beschreven, waarvan een opmerkt, dat Robert “een nieuwen, maar vruchteloozen vorm van martelaarschap ontdekt had”. Een koninklijke abdis van Fontevrault, in de zeventiende eeuw, beweerde, dat de vereerde stichter van de orde met geen mogelijkheid schuldig kon geweest zijn aan zulk schandelijk gedrag, en dat de brieven daarom valsch moesten zijn en liet de origineelen vernietigen voor zoover dat mogelijk was. De Bollandisten namen, in een niet wetenschappelijk en onvolledig verslag van de zaak (Acta Sanctorum, Feb. 25), dit gezichtspunt over. J. von Walter echter toont in een onlangs verschenen en grondige studie over Robert van Arbrissel (Die Ersten Wanderprediger Frankreichs, deel I) aan, dat er hoegenaamd geen reden is om aan het echte, authentieke en betrouwbare karakter van de bestreden brieven te twijfelen.De vroeg-Christelijke kuischheidslegenden hadden echter hun opvolgers.Aucassin et Nicolette, dat waarschijnlijk in Noordelijk Frankrijk geschreven is tegen het einde van de twaalfde eeuw, is vooral de afstammeling van de geschiedenissen in deActa Sanctorumen elders. Het belichaamde hun geest, droeg hem verder en vereenigde hun teer gevoel voor kuischheid en reinheid met het ideaal van monogamische liefde.Aucassin et Nicolettewas de doodsklok van de primitief Christelijke kuischheidslegende. Het was de ontdekking, dat de kuische verfijningen van teerheid en toewijding mogelijk waren binnen de strikt normale sfeer van sexueele liefde.Er waren minstens twee oorzaken, die de neiging hadden de primitief Christelijke voorliefde voor de kuischheid uit te wisschen, zelfs afgezonderd van den invloed van de Kerk-autoriteiten bij het terugdringen van de romantische uitingen ervan. In de eerste plaats verwijderde het ondergaan van de oude heidensche wereld, met zijn gewoonte en tot op zekere hoogte zijn ideaal van sexueele toegevendheid,den achtergrond, die gratie en teerheid gegeven had aan de teedere vrijheid der jonge Christenen. In de tweede plaats waren de gestrengheden, die de eerste Christenen met vreugde in praktijk hadden gebracht ter wille van de gezondheid hunner ziel, beroofd van hun bekoring en vrijwilligheid, toen zij tot een formeel deel gemaakt waren van strafwetboeken voor zonde, eerst in de Poenitentialia en later in de handen van biechtvaders. Dit was, we mogen het er aan toevoegen, te meer noodzakelijk geworden, omdat het ideaal van Christelijke kuischheid niet langer in ruimen kring het bezit was van verfijnde menschen, die immuun gemaakt waren tegen heidensche losbandigheid, doordat zij te midden daarvan opgevoed waren en er zelf in ondergedompeld waren geweest. Het was klaarblijkelijk van het begin af aan een ernstige zaak voor de hartstochtelijke Noord-Afrikanen het ideaal van kuischheid te handhaven en toen het Christendom zich over Noordelijk Europa verspreidde, scheen het bijna een hopelooze taak de idealen ervan te acclamatiseeren onder de wilde Germanen. Later werd het noodig, het celibaat aan de vaste geestelijkheid op te leggen door de sterke kracht van kerkelijke authoriteit, terwijl vrijwillig celibaat alleen levendig gehouden werd door een opeenvolgende reeks van godsdienstige enthusiasten, die telkens weer nieuwe orden stichtten. Een ascetisme, dat zoo opgedrongen was, kon niet altijd vergezeld gaan van de vurige exaltatie, die noodig is om het in stand te houden, en in zijn kunstmatige pogingen tot zelfbehoud, viel het dikwijls van de onzekere hoogten in de diepten van onbeteugelde losbandigheid9. Toen de middeleeuwen voorbij waren, begonnen helderziende denkers het fatale van alle gewaagde pogingen om de normale grenzen van de menschelijkheid te buiten te gaan, te erkennen. “Qui veut faire l’ange”, zeide Pascal, terwijl hij met scherpte deze beschouwing van de zaak opsomde, “fait la bête”. Dat was dikwijls duidelijk gebleken in de geschiedenis van de Kerk.In de zevende eeuw begonnen de Poenitentialia in gebruik te komen; ze werden gedurende de negende en tiende eeuw zeer overheerschend en hadden groote authoriteit. Zij waren wetslichamen, gedeeltelijk geestelijk en gedeeltelijk wereldsch, en werden gegoten in den vorm van catalogussen van vergrijpen met de juiste maat van straf, voorgeschreven voor ieder vergrijp. Zij vertegenwoordigden de introductie van maatschappelijke orde onder ongetemde barbaren en waren meer wetboeken van strafwet dan deel vaneen systeem van sacramenteele confessie en boetedoening. In Frankrijk en Spanje, waar reeds orde en regel bestond op een Christelijke basis, waren zij weinig noodig. Zij hadden hun oorsprong in Ierland en Engeland en bloeiden voornamelijk in Duitschland; Karel de Groote ondersteunde ze (zie, b.v. Lea,History of Auricular Confession, deel II, p. 96, ook hoofdst. XVII; Hugh Williams, uitgave van Gildas, deel II, Appendix 3; de voornaamste Poenitentialia worden vermeld in deBussordnungenvan Wasserschleben). In 1216 maakte het Lateraansch concilie, onder Innocentius III, biechten verplichtend. Het voorrecht van den priester om de mate van de straf te regelen naar omstandigheden met grooter buigzaamheid dan de strenge Poenitentialia toelieten, werd eerst absoluut gehandhaafd door Peter van Poitiers. Toen wierp Alain van Rijssel de Poenitentialia als verouderd ter zijde en verklaarde, dat de priester zelf navraag moest doen naar de omstandigheden van iedere zonde en precies de schuld ervan moest afwegen. (Lea, op. cit., deel II, p. 171).Lang voor dezen tijd echter hadden de idealen der kuischheid, voor zoover zij een belangrijke mate van zelfbeheersching in zich sloten, ofschoon zij stevig vast gegroeid waren in de conventioneele tradities en idealen van de Christelijke Kerk, opgehouden eenige bekoring of kracht te hebben voor de bevolking, die in het Christendom leefde. Onder de Noordelijke barbaren, met hun verschillende tradities van een krachtiger en natuurlijker soort achter zich, werden de geslachts-eischen dikwijls vrijmoedig ten toon gespreid. De monnik Ordericus Vitalis vestigt in de elfde eeuw de aandacht op wat hij noemt de “wulpschheid” van de vrouwen van de Noorsche veroveraars van Engeland, die, toen ze alleen thuis gelaten waren, boodschappen stuurden, dat ze, als haar echtgenooten niet spoedig terug kwamen, andere mannen zouden nemen. Het celibaat van de geestelijkheid werd alleen met de grootste moeite ingesteld en toen het ingesteld was, werden de geestelijken onkuisch. Aartsbisschop Odo van Rouaan, in de dertiende eeuw, vermeldde in het dagboek van de bezoeken in zijn diocese, dat er éen onkuische geestelijke was op iedere vijf gemeenten, en zelfs toont de monnik Salimbene in zijn merkwaardige autobiographie met betrekking tot het Italië van denzelfden tijd aan, hoe weinig kuischheid in het godsdienstige leven in acht genomen werd. Kuischheid kon nu alleen gehandhaafd worden door geweld, gewoonlijk door de moreele kracht van kerkelijke autoriteit, die zelf door onkuischheid ondermijnd werd, maar soms zelfs door physiek geweld. Het was in de dertiende eeuw, volgens de opinie van sommigen, dat de kuischheidsgordel (cingula castatis) zich het eerst begint te vertoonen, maar de voornaamste autoriteit Caufeynon(La Ceinture de Chasteté, 1904) meent, dat ze dateert uit de Renaissance (Schultz,Das höfische Leben zur Zeit der Minnesänger, deel V. p. 272; Krauss,Anthropophyteia, deel III, p. 247). In de zestiende eeuw werden de kloosters bijna tot bordeelen, zooals we hooren op het niet bestreden gezag van Burchard, een secretaris van den Paus, in zijnDiarium, uitgegeven door Thuasne, die nog meer autoriteiten voor deze bewering samenbrengt in een noot onder aan de bladzij (deel II, p. 79); dat zij dat bleven in de achttiende eeuw, zien wij duidelijk in de bladzijden van deMémoiresvan Casanova en in veel andere documenten van dien tijd.De Renaissance en de opkomst van het humanisme had ongetwijfeld invloed op het gevoel jegens het ascetisme en de kuischheid. Aan den eenen kant werd er een nieuwe en oude wettiging gevonden voor het niet in acht nemen van deugden, die de menschen begonnen te beschouwen als enkel monnikachtig, en aan den anderen kant begonnen de fijnere geesten, die den invloed van de nieuwe beweging ondervonden, zich duidelijk bewust te worden, dat kuischheid beter gekweekt kan worden en in acht genomendoor hen, die vrij waren te doen zooals zij wilden, dan door hen, die onder den dwang stonden van priesterlijke autoriteit. Dat is het gevoel, dat in Montaigne overheerscht,en dat is het idee van Rabelais, toen hij het tot den eenigen regel van zijn abdij van Thelème maakte: “Fay ce que vouldras”.Iets later werd deze leer in verschillende toonaarden herhaald door vele schrijvers, alle meer of min verlicht door de beschaving, die door de Renaissance in de mode was gebracht. “Zoolang Danae vrij was”, merkt Ferrand op in zijn verhandeling uit de zestiende eeuw,De la Maladie d’Amour, “was zij kuisch”. En Sir Kenelm Digby, de laatste vertegenwoordiger van den geest der Renaissance, wijst in zijnPrivate Memoirsop het feit, dat de vrijheid, die Lycurgus “de wijste menschelijke wetgever, die er ooit geweest is”, aan de vrouwen gaf om haar lichaam te geven aan mannen, tot wie zij zich door edele genegenheid en door de hoop op een goed nageslacht voelden aangetrokken, de ware oorzaak was, dat “werkelijke kuischheid in Sparta meer bloeide dan in eenig ander deel van de wereld”.In Protestantsche landen werd het ascetisch ideaal nog verder in discrediet gebracht door de Hervorming, die voor een groot gedeelte een opstand was tegen gedwongen celibaat. Zoodoende werd de godsdienst niet langer aan de zijde van de kuischheid geplaatst. In de achttiende eeuw, zoo niet eerder, werd de autoriteit van de Natuur ook gewoonlijk ingeroepen tegen de kuischheid. Zoo is het gekomen, dat in de laatste twee eeuwen ernstige denkers maar gedeeltelijk gunstig gestemd waren jegens de kuischheid. Het begon gevoeld te worden, dat een ongelukkige en schadelijke vergissing begaan was door te trachten een verheven ideaal te handhaven, hetgeen huichelarij aanmoedigde. “Het menschelijk ras zou veel winnen”, zooals Senancour in het begin der negentiende eeuw in zijn merkwaardig boek over liefde schreef, “als de deugd niet zoo moeilijk gemaakt werd. De verdienste zou niet zoo groot zijn, maar wat is het nut van een verhevenheid, die zelden kan volgehouden worden?”10.Er kan geen twijfel aan zijn, dat de overmatige minachting, waartoe de kuischheids-idee in de achttiende eeuw en later begon te vervallen, voornamelijk voortkwam uit het bestaan van die enkel uitwendige en conventioneel physieke kuischheid, die willekeurig opgedrongen werd, voor zoover ze opgedrongen kon worden, en die in zekere mate nog opgedrongen wordt, in naam of inwerkelijkheid,—aan alle respectabele vrouwen buiten het huwelijk. De opvatting van de physieke deugd der maagdelijkheid had de opvatting van de geestelijke deugd van kuischheid verlaagd. Een enkele gewoonte, voelde men, voorgeschreven aan een geheele sekse, of zij het wilde of niet, kon nooit de schoonheid en de bekoring bezitten van een deugd. Terzelfder tijd begon men zich voor oogen te stellen, dat de staat van gedwongen maagdelijkheid niet alleen niet een staat is, die bijzonder gunstig is voor het kweeken van werkelijke deugden, maar dat die verbonden is met eigenschappen, die niet langer beschouwd worden als te zijn van hooge waarde11.“Hoe willekeurig, kunstmatig en strijdig met de Natuur is het leven, dat nu in deze zaak der kuischheid aan vrouwen opgedrongen wordt!” schreef James Hinton veertig jaar geleden. “Denk aan dezen regel: “Een vrouw, die in overweging neemt, is verloren”. Wijscheppenhet gevaar, door de geheele vrouwelijkheid afhankelijk te maken van een punt als dit, en door haar te omringen met onnatuurlijke en bovennatuurlijke gevaren. Er wordt thans een lichtzinnige onredelijkheid belichaamd in het leven der vrouw; de tegenwoordige “deugd” is een ziekelijke ongezonde plant. De Natuur en God hebben nooit het leven van een vrouw zoo op de punt van een naald gewogen. Het geheele moderne denkbeeld der kuischheid heeft sensueele overdrijving in zich, die zeker voor een deel is overgebleven uit andere tijden, terwijl wat er goed in was voor het grootste gedeelte verdwenen is”.“De geheele bekoring der maagdelijkheid”, schreef een andere Philosoof, Guyau, “is onwetendheid. Maagdelijkheid kan, evenals sommige vruchten, alleen bewaard worden door een proces van verdroging”.Mérimée wees op denzelfden verdrogenden invloed van de maagdelijkheid. In een brief, gedateerd van 1859 schreef hij: “Ik vind, dat tegenwoordig de menschen veel te veel waarde hechten aan kuischheid. Niet, dat ik ontken, dat kuischheid een deugd is, maar er zijn graden in deugden evenals in ondeugden. Het schijnt belachelijk, dat een vrouw uit de maatschappij verbannen zal worden, omdat zij een minnaar gehad heeft, terwijl een vrouw, die gierig is, onoprecht en zuur, overal vrij uit kan gaan. De moraal van dezeeeuw is zeker niet die, die geleerd wordt in het Evangelie. Naar mijn meening is het beter te veel lief te hebben, dan te weinig. Tegenwoordig worden droge harten in de hoogte gestoken” (Revue des Deux Mondes, April, 1896).Dr. H. Paul heeft een daarmee verwant punt behandeld. Zij schrijft: “Er zijn meisjes, die zich, zelfs al als kinderen, geprostitueerd hebben door onanie en wulpsche gedachten. De reinheid harer zielen is al lang verloren en niets blijft voor haar verborgen, maar—zij hebben haar hymen bewaard! Dat is ter wille van den toekomstigen echtgenoot. Laat niemand haar onschuld durven betwijfelen, met dat onwederlegbaar bewijsmateriaal! En als dan een ander meisje, dat haar kindsheid in volkomen reinheid doorgebracht heeft, nu, met ontwaakte zinnen en warme, onstuimige vrouwelijkheid, zich in liefde of ook maar alleen in hartstocht aan een man geeft, dan staan ze allen op en roepen, dat zij “onteerd”is! En niet het minst het geprostitueerde meisje met het hymen. Zij is het juist, die het hardst schreeuwt en die de grootste steenen gooit. Toch behoeft de “onteerde” vrouw, die gezond en krachtig is, niet bang te zijn, te vertellen wat zij gedaan heeft aan den man, die haar ten huwelijk begeert, als zij spreekt van het eene menschelijke wezen tot het andere. Zij behoeft niet te blozen; zij heeft haar menschenrechten uitgeoefend en geen verstandig man zal haar om die reden minder achten”. (Dr. H. Paul, “Die Ueberschätzung der Jungfernschaft”,Geschlecht und GesellschaftBd. II, p. 14, 1907).In gelijken geest schrijft F. Erhard (Geschlecht und GesellschaftBd. I, p. 408): “Maagdelijkheid in een zekere beteekenis heeft haar waarde, maar in de gewone beteekenis wordt ze grootelijks te hoog geschat. Afgezonderd van het feit, dat een meisje, dat ze bezit, toch door en door verdorven kan zijn, leidt deze overschatting van de maagdelijkheid er toe, dat het meisje, die ze niet heeft, veracht wordt, en verder heeft ze tot resultaat gehad de ontwikkeling van een speciale industrie om meisjes klaar te maken, door middel van een preutsche kloosterachtige opvoeding, die haar echtgenooten de speciale delicatesse zullen brengen van een bruid, die nergens van weet. Natuurlijk kan dit alleen bereikt worden ten koste van iedere verstandige opvoeding. Wat de onontwikkelde kleine gans kan worden, dat kan niemand voorzien”.Freud (Sexual-Probleme, Maart, 1908) wijst ook op het slechte resultaat van de opvoeding voor het huwelijk, die aan de meisjes gegeven wordt op den basis van dit ideaal van maagdelijkheid. “Opvoeding onderneemt de taak de zinnelijkheid van een meisje terug te dringen tot den tijd van de verloving. Zij verbiedt niet alleen sexueele verhoudingen en stelt een hooge premie op onschuld, maar ze onttrekt de rijpende vrouwelijke individualiteit aan de verleiding, door een staat van onwetendheid te handhaven omtrent de praktische zijde van de rol, die zij in het leven zal moeten spelen, en door geen opwekking tot liefde toe te laten, die niet tot het huwelijk kan leiden. Het resultaat is, dat, als haar plotseling door de autoriteit van de ouders wordt toegestaan te verlieven, het meisje zich psychisch niet kan aanpassen, en dat zij het huwelijk ingaat, onzeker van haar eigen gevoelens. Als een gevolg van deze kunstmatige vertraging van de liefdesfunctie, brengt zij niets dan teleurstelling aan haar man, en is koel in haar physieke verhouding tot hem”.Senancour (De l’Amour, deel i, p. 285) meent zelfs, dat, als het mogelijk is de kwestie van de nakomelingschap er buiten te laten, niet alleen de wet van kuischheid gelijk zal worden voor de beide geslachten, maar dat er een neiging zal zijn om de verhouding van de seksen, in zekere mate, te veranderen. “Zelfbeheersching wordt dan een raad eerder dan een voorschrift, en dan zal in vrouwen de wellustige neiging met de meeste toegevendheid beschouwd worden. De man is gemaakt om te werken; hij ontmoet het pleizier alleen maar in het voorbijgaan; hij moet er mee tevreden zijn, dat de vrouwen zich er meer mee zullen bezig houden dan hij. Het zijn de mannen, die er door uitgeput raken, en mannen moeten altijd voor een deel hun wenschen beperken”.Als wij ons echter bevrijden van den band van een gedwongen physieke kuischheid, dan wordt het mogelijk kuischheid als een deugd in eere te herstellen. In den tegenwoordigen tijd kan het niet langer gezegd worden, dat er van den kant van denkers en moralisten eenige actieve vijandigheid jegens het denkbeeld van kuischheid bestaat; er is integendeel een neiging om de waarde van kuischheid te erkennen. Maar deze erkenning is vergezeld gegaan van een terugkeer tot de oudere en gezondere opvatting van de kuischheid. Het bewaren van een strenge sexueele abstinentie, niets dan de maagdelijkheid, kan alleen beschouwd worden als een pseudo-kuischheid. De eenige positieve deugd, die Aristoteles op dit gebied kon erkend hebben was een matiging, die beperking van de lagere impulsen in zich sloot, een wijs uitoefenen en niet een niet-uitoefenen12. De beste denkers van de Christelijke Kerk hebben dezelfde opvatting gehad; de heilige Basilius hechtte in zijn belangrijke reglementen voor monniken geen waarde aan zelftucht als een doel op zichzelf, maar beschouwde ze als een werktuig, om den geest in staat te stellen, macht over het vleesch te krijgen. De heilige Augustinus verklaarde, dat zelfbeheersching alleen uitstekend is, als ze in praktijk gebracht wordt in het geloof aan het hoogste goed13, en hij beschouwde kuischheid als “een ordelijke beweging van de ziel, die lagere dingen ondergeschikt maakt aan hoogere dingen, en die voornamelijk moet blijken in huwelijksverhoudingen”; Thomas van Aquino die de kuischheid op veelal dezelfde wijze aanduidde, definieerde onreinheid als het smaken van sexueel genot dat niet van de rechte soort is, noch wat het voorwerp, noch wat de omstandigheden aangaat14. Maar een tijdlang werden de stemmen van de groote moralisten niet gehoord. De deugd der kuischheid was ondergegaan in den populairen Christelijken hartstocht voor de vernietiging van het vleesch, en dat gezichtspunt werd in de zestiende eeuw ten slotte geheiligd door het Concilie van Trente, dat formeel een banvloek uitsprak over iedereen, die zou willen verklaren, dat de staat van maagdelijkheid en celibaat niet beter was dan de huwelijksstaat. Nu behoort de pseudo-kuischheid, die waarde had alleen op grond dat iedere soort van zelfbeheersching beter was dan iedere soort van sexueele verhouding, tot het verleden, behalve voor hen, die aan oude ascetische geloofsbelijdenissen hangen. De mystieke waarde van de maagdelijkheid is verdwenen; zij schijnt in den geest van den modernen mensch alleen maar het denkbeeld op te wekkenvan een pikantheid, die begeerd wordt door den verstokten lichtmis; het zijn de mannen, die zelf al lang den leeftijd der onschuld voorbij zijn, die zooveel waarde hechten aan de onschuld van hun bruiden. De opvatting van levenslange zelfbeheersching als een ideaal is ook verdwenen; op zijn best wordt ze beschouwd als een zaak van persoonlijke voorkeur. En de conventioneele veinzerij van algemeene kuischheid, om voor respectabel te gelden, begint men te beschouwen als een bezwaar, eer dan als een hulp voor het kweeken van eenige werkelijke kuischheid15.

Het hooge belang van kuischheid, en zelfs van ascetisme, is nooit te eeniger tijd, of in een van levenskracht tintelende menschenmaatschappij, geheel zonder erkenning gebleven. Soms is de kuischheid in de schatting der menschen verheerlijkt en soms is ze naar beneden gehaald; ze heeft herhaaldelijk den aard van haar uitingen gewijzigd; maar ze is er altijd geweest. Wat meer zegt: zonder haar kan niemand een mooien, zelfs een deel van een mooien kijk op de Natuur hebben. “De glorie van de wereld wordt alleen gezien door een kuischen geest”, zeide Thoreau met zijn fijne overdrijving. “Voor een ieder, voor wien dit feit geen ontzagwekkend, maar toch mooi mysterie is, bestaan er geen bloemen in de Natuur”. Zonder kuischheid is het onmogelijk de waardigheid van sexueele liefde staande te houden. De maatschappij, waarin de waardeering daarvan tot een minimum daalt, is in de laatste stadia van ontaarding. Kuischheid heeft voor sexueele liefde een belang, dat ze nooit verliezen kan, en het allerminst tegenwoordig.Het is volkomen waar, dat gedurende de achttiende en negentiende eeuw vele moreel en intellectueel zeer hoogstaande mannen hetideaal van kuischheid uitdrukkelijk veroordeeld hebben. De groote Buffon weigerde kuischheid als een ideaal te erkennen en verwees toornig naar “die soort van krankzinnigheid, die de maagdelijkheid van een meisje tot iets wezenlijks gemaakt heeft”, terwijl William Morris eens, op de hem eigen openhartige wijze, in een bijeenkomst van deFellowship of the New Lifeverklaarde, dat het“ascetisme de meest weerzinwekkende ondeugd is, die de menschelijke natuur bezocht heeft”. Blake, hoewel hij in den meest conventioneelen zin een strikt moreel man was, voelt niets dan minachting voor kuischheid en voedt soms een soort van godsdienstigen eerbied voor het denkbeeld van onkuischheid. Ook Shelley, die in sexueele zaken misschien niet verstandig geweest is, maar die toch nauwelijks onkuisch genoemd kan worden, schijnt dikwijls godsdienst en moraal te verbinden niet met kuischheid, maar met onkuischheid, en ongeveer hetzelfde kan van James Hinton1gezegd worden. Maar al deze mannen—mèt andere mannen van een hoog karakter, die soortgelijke meeningen hebben uitgesproken—waren in opstand tegen valsche, decadente en conventioneele vormen van kuischheid. Zij kantten zich niet tegen een ideaal; zij trachtten een ideaal te stellen op de plaats waar zij bemerkten, dat een schadelijk voorwendsel prijkte als een moreele werkelijkheid.Wij kunnen geen ideaal van kuischheid aannemen, als we niet onbarmhartig alle onnatuurlijke en ledige vormen van kuischheid verwerpen. Als kuischheid alleen maar is een vermoeiende poging om in de sexueele sfeer te wedijveren met de prestaties van mannen, die voor hun beroep vasten, een poging, die al de krachten van het organisme verbruikt, en op geen grooter succes uitloopt dan de abstinentie die ze in zich heeft, dan is ze zeker een onwaardig ideaal. Als ze is een zwak zich onderwerpen aan een uiterlijke wet der conventie, omdat men geen moed heeft er mee te breken, dan is ze in het geheel geen ideaal. Als ze een moreel voorschrift is, dat door de eene sekse opgedrongen wordt aan de andere, dan is ze een onrechtvaardigheid en prikkelt tot verzet. Als ze is een zich onthouden van de gebruikelijke vormen van sexualiteit, die dan vervangen worden door meer abnormale of meer geheime vormen, dan is ze eenvoudig een onwerkelijkheid, gebaseerd op een verkeerde voorstelling. En als ze alleen is een uiterlijk aannemen van conventies zonder eenige verdere aanname, zelfs in de daad, dan is ze een verachtelijke klucht. Dit zijn de vormen vankuischheid, die, in de laatste twee eeuwen, vele fijngevoelige mannen met kracht hebben verworpen.Het feit, dat kuischheid of ascetisme een werkelijke deugd is, die aanleiding geeft tot mooie gebruiken, wordt duidelijk, als we ons voor oogen stellen, dat ze gebloeid heeft in alle tijden, in verband met alle soorten van godsdiensten en de meest verschillende moreele wetboeken. Wij vinden ze geldend onder natuurvolken, en de speciale deugden dier natuurvolken—harding, weerstandsvermogen en doodsverachting—zijn innig verbonden met het kweeken van kuischheid en ascetisme2. Het is waar, dat natuurvolken zelden een ideaal van kuischheid hebben in de lagere moderne beteekenis als een toestand van doorloopende abstinentie van sexueele verhoudingen, die dan op zichzelf verdienstelijk zou zijn, afgezien van ieder nut. Zij eeren kuischheid om de magische of werkelijke waarde ervan, als een methode van zelfbeheersching, die medewerkt tot het bereiken van belangrijke doeleinden. Het vermogen om pijn en dwang te verdragen is bijna altijd een hoofdbestanddeel bij het inwijden van jonge menschen tijdens de puberteit. De gewoonte, zich te onthouden van sexueelen omgang vóor oorlogs- of jachtexpedities en andere ernstige ondernemingen, die groote inspanning van spieren en hersenen vereischen is, welke de motieven ook zijn waar ze aan toegeschreven wordt, een wijze methode om kracht te sparen. De zeer ver verspreide gewoonte omgang te vermijden tijdens de zwangerschap en het zoogen, is weer een uitmuntende voorzorgsmaatregel in de sexueelehygiëne, die het onder de meer beschaafde volken zeer moeilijk is te blijven in acht nemen. Natuurvolken weten ook zeer wel hoe waardevol sexueele matigheid, te zamen met vasten en eenzaamheid is, om de geschiktheid te verkrijgen voor buitengewone geestelijke krachten.Zoo geeft C. Hill Tout (Journal Anthropological Institute, Jan.–Juni 1905, pp. 143–145) een belangwekkend verslag van de zelftucht, waaraan diegenen onder de Salische Indianen van Britsch Columbia zich onderwerpen, die shamanistische krachten trachten te verkrijgen. De psychische uitwerking van zulk oefenen op deze menschen is, naar Hill Tout zegt, boven allen twijfel verheven. “Ze stelt hen in staat daden van buitengewone kracht, behendigheid en uithoudingsvermogen te ondernemen en te volbrengen; en ze geeft hun nu en dan, behalve een algemeene verheffing van de zinnen, ontwijfelbaar clairvoyante en andere bovennatuurlijke geestelijke en lichamelijke krachten”. Ook aan de andere zijde van de wereld zijn, zooals aangetoond wordt door deReports of the Anthropological Expedition to Torres Straits(vol. V, p. 321), dergelijke gewoonten gebruikelijk om bovennatuurlijke krachten te verkrijgen.Er zijn fundamenteele psychologische redenen voor het veel voorkomen van het ascetisme en voor de opmerkelijke wijze, waarop het zelfvernietiging in zich sluit, zelfs acuut physiek lijden. Zulke pijn is een werkelijke psychische prikkel, vooral bij licht neurotische personen. Het bewijs hiervoor gaf een jonge vrouw, een patient van Janet, die leed aan geestelijke depressie en die gewoon was verlichting te vinden door even haar handen en voeten te branden. Zij begreep zelf duidelijk den aard van haar daden. “Ik voel”, zeide zij, “dat ik een krachtsinspanning doe, als ik mijn handen op de kachel houd, of als ik kokend water op mijn voeten giet; het is een daad van geweld en ze maakt mij wakker: ik voel, dat ze werkelijk door mijzelf gedaan wordt en niet door een ander … Een geestelijke inspanning op zichzelf is mij te moeilijk; ik moet er physieke krachtsinspanningen voor in de plaats stellen. Ik heb op geen andere wijze succes gehad; dat is alles; als ik mijzelf er toe breng mij te branden, maak ik mijn geest voor verscheidene dagen vrijer, lichter en actiever. Waarom spreekt gij van mijn behoefte aan zelfkastijding? Mijn ouders gelooven hieraan, maar het is belachelijk. Het zou een zelfkastijding zijn als het lijden aanbracht, maar ik geniet van dit lijden, het geeft mij mijn geestvermogens terug; het verhindert, dat mijn gedachten stilstaan; wat zou men niet doen om zulk een geluk te bereiken?” (P. Janet, “The Pathogenesis of Some Impulsions”,Journal of Abnormal Psychology, April 1906). Als wij dit psychologisch proces begrijpen, dan kunnen we beseffen hoe het komt, dat zelfs bij de hoogere godsdiensten, hoeveel ze overigens ook mogen verschillen, de praktische waarde van ascetisme en zelfkastijding bijna algemeen erkend is als noodzakelijk ter bereiking van den meest verheven godsdienstigen staat en met volkomen opgewektheid. “Ascetisme en extase zijn onafscheidelijk”, zooals Probst-Biraben aan het begin van een belangwekkend geschrift over het Mohammedaansche mysticisme opmerkt (“L’Extase dans le Mysticisme Musulman”,Revue Philosophique, Nov. 1906). Slechts door ascetisme bereikt men de geestelijke volmaking.Zoo komt het, dat natuurvolken in ruime mate hun dikwijls bewonderenswaardige handhaving van ascetisme niet gronden op den praktischen basis, die het zou rechtvaardigen, maar op den godsdienstigen grondslag, die in discrediet komt met het aangroeien van het verstand3. Maar zelfs als de nauwgezette voorschriften van natuurvolken, zoowel in sexueele als in niet-sexueele zaken zonder eenigen merkbaren gezonden basis zijn, dan kan toch niet gezegd worden dat ze volkomen nutteloos zijn, als zij er toe leiden zelfbeheersching en het gevoel van eerbied aan te moedigen4. Dezoogenaamde intelligente en praktische volken, die oorspronkelijke gebruiken opgeven, omdat die hun doelloos toeschijnen of zelfs belachelijk, moesten een nog fijner practischen zin hebben en een nog grooter verstand om te begrijpen dat, al zijn de redenen voor de gebruiken verkeerd geweest, toch de gebruiken zelf noodzakelijke methoden kunnen geweest zijn om persoonlijke en maatschappelijke capaciteiten te verkrijgen. Het gebeurt voortdurend in den loop van de beschaving, dat wij oude gebruiken moeten doen herleven, en dat wij ze moeten voorzien van nieuwe redenen.Als wij de moreele hoedanigheid van kuischheid onder de natuurvolken beschouwen, dan moeten we zorgvuldig die kuischheid afscheiden, die onder half barbaarsche volken uitsluitend aan vrouwen opgelegd is. Deze heeft in het geheel geen moreele hoedanigheid, want ze wordt niet uitgeoefend als een nuttige tucht, maar ze wordt alleen opgedrongen om de economische en erotische waarde van de vrouwen te verhoogen. Vele autoriteiten meenen, dat het beschouwen van vrouwen als eigendom, de ware oorzaak is voor het wijd verspreide aandringen op maagdelijkheid in bruiden. Zoo zegt A. B. Ellis, waar hij spreekt over de Westkust van Afrika (Yoruba-Speaking Peoples, pp. 183et seq.), dat meisjes van goeden stand verloofd worden terwijl ze nog slechts kinderen zijn, en dat ze zorgvuldig tegen mannen beschermd worden; terwijl meisjes van de lagere klassen zelden verloofd zijn, en mogen leven, zooals ze dat zelf willen. “In deze gewoonte van kinderverlovingen vinden we waarschijnlijk den sleutel tot dien merkwaardigen eerbied voor kuischheid vóór het huwelijk, die niet alleen gevonden wordt onder de stammen van de Goudkust en de Slavenkust, maar ook onder vele andere onbeschaafde volken in verschillende deelen der wereld”. In een geheel anderen streek, in Noord-Siberië, “zien de Yakuts”, zooals Sieroshevski zegt (Journal Anthropological Institute, Jan.—Juni 1901, p. 96), “niets immoreels in onwettige liefde, als er maar niemand materieele schade door ondervindt. Het is waar, dat ouders een dochter beknorren, als haar gedrag hen dreigt te berooven van hun deel aan den bruidsschat; maar als zij eenmaal de hoop verloren hebben haar uit te huwelijken, of als de bruidschat betaald is, dan vertoonen zij een volkomen onverschilligheid voor haar gedrag. Meisjes, die geen huwelijk meer verwachten, worden in het geheel niet teruggehouden; als zij het decorum in acht nemen, dan is dat alleen uit eerbied voor de gewoonte”. Westermarck toont ook (inHistory of Human Marriage, pp. 123et seq.) het verband aan tusschen de hooge achting voor de maagdelijkheid en de opvatting de vrouw als bezit te beschouwen, en als hij in zijn later werk,The Origin and Development of the Moral Ideas(vol. II, Ch. XLII), op de kwestie terugkomt, na er op gewezen te hebben, dat “het koophuwelijk zoo den standaard der vrouwelijke kuischheid heeft verhoogd”, verwijst hij (p. 437) naar het veelbeteekenend feit, dat het verleiden van een ongetrouwd meisje “voornamelijk, zoo niet uitsluitend, beschouwd wordt als een beleediging, aangedaan aan de ouders of de familie van het meisje”, en er is geen aanwijzing, dat natuurvolken ooit gemeend hebben, dat er eenig kwaad gedaan werd aan de vrouw zelf. Westermarck zegt terzelfder tijd, dat de voorkeur aan maagdelijkheid gegeven, ook een biologischen basis heeft in het instinctieve gevoel van jaloezie jegens vrouwen, die omgang hebben gehad met andere mannen, en vooral in de erotische bekoring, die er voor mannen gelegen is in den gemoedstoestand van verlegenheid, die met maagdelijkheid samengaat.Het is nauwelijks nodig hier bij te voegen, dat het aandringen op maagdelijkheid van bruiden in het geheel niet, zooals A. B. Ellis schijnt te meenen, beperkt is tot onbeschaafde volken, en het is ook niet noodig, dat het koopen van vrouwen er altijd mede samengaat. De voorkeur bestaat nogsteeds, niet alleen krachtens zijn natuurlijken biologischen basis, maar als een verfijning en uitbreiding van het denkbeeld dat de vrouw eigendom is, onder die volken, die evenals wijzelven een vorm van huwelijk hebben geërfd, die tot zekere hoogte gebaseerd is op den koop van de vrouw. Onder zulke omstandigheden heeft de kuischheid van een vrouw een belangrijke maatschappelijke functie te vervullen, daar ze, zooals Mrs. Mona Caird gezegd heeft (The Morality of Marriage, 1897, p. 88), de wachthond is van het bezit van den man. Het feit, dat geen element van ideale moraal in het geding komt, blijkt wel uit het gewoonlijk afwezig zijn van eenigen eisch van kuischheid vóór het huwelijk bij den man.Wij moeten niet meenen, dat, indien er, zooals meestal het geval is, geen volkomen en voortdurend verbod van buitenechtelijken omgang is, enkel onbeperkte vrijheid overheerschend is. Dat is blijkbaar nooit ergens onder onvervalschte natuurvolken het geval geweest. Regel is blijkbaar, dat er, evenals onder de stammen in Straat Torres (Reports Cambridge Anthropological Expeditionvol. v, p. 275), geen volkomen onthouding is vóór het huwelijk, maar ook geen onbeperkte vrijheid.Het voorbeeld van Tahiti is leerrijk wat het algemeen voorkomen van kuischheid betreft onder volken, die wij gewoonlijk beschouwen als op lagen trap van beschaving staande. Tahiti is, volgens allen, die het bezocht hebben, van de eerste onderzoekers af tot dien beroemden Amerikaanschen dokter wijlen Dr. Nicholas Senn toe, een eiland, dat eigenschappen bezit van natuurlijke schoonheid en uitmuntendheid van klimaat, die we onmogelijk te hoog kunnen stellen. “Ik scheen overgeplant te zijn in den hof van Eden”, zeide Bougainville in 1768. Maar, vooral onder den invloed van de eerste Engelsche zendelingen, die denkbeelden hadden over theoretische moraal, geheel verschillend van die van de bewoners van die eilanden, zijn de bewoners van Tahiti het geijkte voorbeeld geworden van een bevolking, overgegeven aan losbandigheid en al de verschrikkelijke gevolgen ervan. Zoo zegt William Ellis in zijn beroemdePolynesian Researches(second edition, 1832, vol. i Ch. IX), dat de bewoners van Tahiti “de ergste bevlekkingen in praktijk brachten, waaraan een mensch schuldig kon zijn”, hoewel hij ze niet nader aanduidt. Als wij echter zorgvuldig de verhalen van de eerste bezoekers van Tahiti nagaan, voordat de bevolking besmet werd door de aanraking met de Europeanen, dan wordt het duidelijk, dat deze beschouwing ernstig behoefte heeft aan wijziging. “De groote overvloed van goed en voedzaam voedsel”, schreef een der eerste onderzoekers, J. R. Forster (Observations Made on a Voyage Round the World, 1778, pp. 231, 409, 422), “gepaard met het mooie klimaat, de schoonheid en de toeschietelijkheid van de vrouwen van het land, noodigen zeer tot de vreugden en genoegens van de liefde. Zij beginnen al zeer vroeg zich over te geven aan de meest losbandige tooneelen. Hun liederen, hun dansen en dramatische uitvoeringen, ademen een geest van weelderigheid”. Toch wordt hij ieder keer gedrongen feiten mede te deelen, die blijk geven van de deugden van deze menschen. Hoewel tamelijk verwijfd van bouw, zijn ze athletisch, zegt hij. Bovendien vechten zij in hun oorlogen met grooten moed en ongeëvenaarde dapperheid. Verder zijn ze gastvrij. Hij merkt op, dat zij hun getrouwde vrouwen met grooten eerbied behandelen, en dat de vrouwen over het algemeen bijna de gelijken zijn van de mannen, zoowel in verstand als in maatschappelijke positie; hij geeft een mooie beschrijving van de vrouwen. “In het kort, hun karakter is zoo beminnelijk”, besluit Forster, “als dat van eenige natie, die ooit onverbeterd uit de handen der Natuur kwam”, en hij merkt op, dat, zooals door de volken van de Zuidzee in het algemeen gevoeld werd, we altijd, als we naar dit gelukkige eiland kwamen, duidelijk den rijkdom en het geluk van zijn inwoners konden bemerken.Het is ook opmerkelijk, dat ondanks het groote belang, dat de bewoners van Tahiti hechtten aan de erotische zijde van het leven, zij niet te kort schoten in eerbied voor de kuischheid. Toen Cook, die Tahiti verscheidene malenbezocht, te midden van “dit welwillende en menschlievende” volk was, merkte hij hun achting voor kuischheid op, en bevond hij, dat, niet alleen verloofde meisjes streng bewaakt werden voor het huwelijk, maar dat men ook meende, dat mannen, die zich eenigen tijd voor het huwelijk van sexueelen omgang onthouden hadden, bij hun dood onmiddellijk naar het verblijf der gezegenden overgingen. “Hun gedrag schijnt, bij alle gelegenheden, een groote openhartigheid en edelmoedigheid van aard aan te duiden. Ik heb ze nooit, onder welke moeilijkheid ook, zien werken onder een schijn van angst, nadat het kritieke oogenblik voorbij was. En ook schijnt nooit de zorg hun voorhoofd te rimpelen. Integendeel kan zelfs de nadering van den dood hun gewone levendigheid niet veranderen” (Third voyage of Discovery, 1776–1780). Turnbull bezocht Tahiti op een lateren tijd, (A Voyage Round the World in 1800, etc., pp. 374–5), maar terwijl hij allerlei ondeugden onder hen vindt, moet hij toch hun deugden erkennen: “Hun wijze van vreemdelingen toe te spreken, is, van den koning tot den minsten onderdaan, in de hoogste mate beleefd en minzaam … Zij leven voorzeker onder elkaar in meer harmonie dan het de gewoonte is onder Europeanen. Den geheelen tijd, dat ik onder hen verkeerde, heb ik nooit zoo iets als een gevecht gezien … Ik herinner mij niet, dat ik ooit een bewoner van Tahiti gezien heb, die uit zijn humeur was. Zij bespotten elkaar vrijer dan de Europeanen, maar deze spotternijen worden nooit slecht opgenomen … Wat voedsel aangaat, is het, geloof ik, een onveranderlijke wet in Tahiti, dat al wat de een bezit, voor allen gemeenschappelijk is”. Zoo zien we, dat zelfs bij een volk, waarnaar gewoonlijk verwezen wordt als naar het voorbeeld bij uitnemendheid van een natie, die overgegeven is aan onbeteugelde losbandigheid, de eischen der kuischheid werden erkend, en vele andere deugden krachtig bloeiden. De bewoners van Tahiti waren dapper, gastvrij, vol zelfbedwang, beleefd, zij sloegen acht op de behoeften van anderen, waren ridderlijk voor vrouwen, waardeerden zelfs de voordeelen van sexueele beperking, in een mate, zooals ze zelden of misschien wel nooit gekend is onder die Christelijke naties, die op hen hebben neergezien, alsof ze overgegeven waren aan verschrikkelijke ondeugden.Als wij ons van de natuurvolken afwenden naar de volken in de barbaarsche en de beschaafde stadiën, vinden wij een algemeene neiging tot kuischheid, in zoover ze een gewoon bezit is onder de lagere klassen, die minder in acht genomen behoeft te worden, of alleen maar behouden wordt als een traditioneele conventie, die in onbruik begint te geraken. De oude beweegredenen voor de kuischheid in primitieve godsdiensten entabuhebben hun kracht verloren en geen nieuwe beweegredenen zijn ervoor in de plaats gekomen. “Hoewel de vooruitgang der beschaving”, schreef Gibbon lang geleden, “ongetwijfeld er toe bijgedragen heeft de woestere hartstochten van de menschelijke natuur te verzachten, schijnt ze minder gunstig geweest te zijn voor de deugd der kuischheid”, en Westermarck komt tot het besluit, dat “ongeregelde betrekkingen tusschen de seksen over het geheel een neiging hebben vertoond zich met den voortgang van de beschaving te ontwikkelen”.Het voornaamste verschil in de maatschappelijke functie van kuischheid als deugd, schijnt bij den overgang van primitieve toestanden tot de hoogere stadiën van beschaving, te zijn, dat ze ophoudt te bestaan als een algemeene hygiënische maatregelof als een algemeene regel van ceremonieel, en voor het grootste deel beperkt wordt tot speciale philosofische en godsdienstige sekten, die ze tot een uitersten graad, min of meer als een beroep aankweeken. Dit is de stand van zaken in het Romeinsche Keizerrijk tijdens de eerste eeuwen van het Christelijk tijdperk5. Het Christendom zelf was in het begin een van die sekten, welke bekoord waren door het ideaal van de kuischheid; maar door zijn grootere levenskracht verving het al de andere en drong ten slotte zijn idealen, niet zijn primitieve gebruiken, op aan de Europeesche maatschappij in het algemeen.De kuischheid vertoonde zich in het primitieve Christendom op twee verschillende, toch niet aan elkaar tegenovergestelde wijzen. Aan den eenen kant nam het een strengen en praktischen vorm aan bij krachtige mannen en vrouwen, die, na opgevoed te zijn in een maatschappij, die een hoogen graad van sexueele vrijheid toestaat, plotseling overtuigd werden van het zondige van zulk een toegeven. De strijd met de maatschappij, waarin ze geboren waren, en met hun eigen oude aandriften en gewoonten, werd zoo hevig, dat zij zich dikwijls gedrongen zagen zich geheel van de wereld terug te trekken. Zoo kwam het, dat de dorre woestijnen van Egypte bevolkt werden met hermieten, die zich voornamelijk bezig hielden met het vraagstuk, hun eigen vleesch te onderwerpen. Men kan wel zeggen, dat hun aandacht voor sexueele zaken, ook merkbaar in de oudste Christelijke literatuur, veel grooter was, dan het geval was in de heidensche maatschappij, die zij verlaten hadden. Het heidendom was toegevend in sexueele aangelegenheden, en kon ze dus uit zijn gedachten bannen, zoodat we in de klassieke literatuur zeer weinig melding vinden gemaakt van sexueele bijzonderheden, behalve bij schrijvers zooals Martialis, Juvenalis en Petronius, die ze speciaal voor satirische doeleinden invoeren. Maar de Christenen konden niet ontsnappen aan de benauwenis der sexualiteit; ze was altijd met hen. Wij krijgen nu en dan belangwekkende kijkjes op hun worstelingen, in de Brieven van den heiligen Jeronimus, die zelf een athleet geweest is in dezen ascetischen strijd.“O, hoe dikwijls”, schreef de heilige Jeronimus aan Antiochia, de maagd aan wie hij een van de langste en meest belangwekkende van zijn brieven richtte, “heb ik in de woestijn, in die wijde eenzaamheid, die, verbrand door de gloeiende stralen der zon, slechts een afschuwelijke woonplaats aanbiedt aan monniken, mijzelf voorgesteld te midden van de genoegens van Rome! Ik was alleen, want mijn ziel was vol bitterheid. Mijn ledematen waren bedekt met een ellendigen zak en mijn huid was zoo zwart als die van een Ethiopiër.Iederen dag weende en steunde ik, en als ik buiten mijn wil door slaap overvallen werd, lag mijn magere lichaam op den naakten grond. Ik zeg niets van mijn voedsel en drank, want in de wildernis hebben zelfs zieken geen anderen drank dan koud water, en gekookt voedsel wordt beschouwd als een weelde. Nu dan, ik, die mijzelf uit vrees voor de hel tot deze gevangenis veroordeeld had, een metgezel van schorpioenen en wilde dieren, scheen dikwijls in mijn verbeelding onder troepen jonge meisjes te vertoeven. Mijn gezicht was bleek van het vasten en mijn geest in mijn koude lichaam gloeide van begeerte; het vuur der wellust vlamde nog op in een lichaam, dat reeds dood scheen. Dan, van alle hulp verstoken als ik was, wierp ik mij voor de voeten van Jezus, waschte ze met mijn tranen en droogde ze met mijn haren en bracht mijn vleesch door lang vasten ten onder. Ik herinner mij, dat ik meer dan eens den nacht doorbracht schreeuwende en mij op de borst slaande, tot God mij vrede zond”. “Onze eeuw”, schreef de heilige Chrysostomus in zijnDiscourse to Those Who keep Virgins in Their Houses, “heeft vele mannen gezien, die hun lichamen met kettingen gebonden hebben, die zich gekleed hebben in zakken, die zich teruggetrokken hebben tot de toppen der bergen, waar zij geleefd hebben in voortdurend bidden en vasten, en die het voorbeeld gaven van de strengste tucht en alle vrouwen verboden den drempel van hun nederige woning te overtreden; en toch, ondanks al de gestrengheid, die zij op zichzelf toepasten, konden zij nog maar met moeite de woede van hun hartstochten onderdrukken”. Hilarion, zegt Jeronimus, zag visioenen van naakte vrouwen als hij neerlag op zijn eenzaam leger, en heerlijke maaltijden, als hij neerzat aan zijn sober maal. Zulke ondervindingen maakten de eerste heiligen zeer nauwgezet. “Zij zeiden”, zoo vertelt men ons in de belangwekkende geschiedenis van de Egyptische kluizenaars in hetParadise of the Holy Fathersvan Palladius, hetwelk behoort tot de vierde eeuw (A. W. Budge,The Paradise, vol. II, p. 129), “dat Abbâ Isaac uitging en op den weg een voetspoor van een vrouw vond, en hij dacht er over na in zijn geest en vernietigde hem, zeggende, “als een broeder hem ziet, zou hij kunnen vallen”.”Evenzoo mochten, volgens de regels van den heiligen Caesarius van Arles voor nonnen, geen kleedingstukken van mannen in het klooster gebracht worden om ze te wasschen of te verstellen. Zelfs in den ouderdom bleef er nog een zekere ongerustheid bestaan over de kuischheid. Een van de broeders, naar ons verteld wordt inThe Paradise(p. 132) zeide tot Abbâ Zeno, “Zie, gij zijt oud geworden, hoe ishetmet de ontucht?” De waardige heilige antwoordde, “Ze klopt aan, maar ze gaat voorbij”.Naarmate de eeuwen voorbijgingen bleef dezelfde groote ongerustheid nog bestaan, en de oude strijd kwam voortdurend weer voor den dag (zie b.v. Migne’sDictionnaire d’Ascétisme, art. “Démon, Tentation du”). Het is waar, dat sommige heiligen zoo bovenaardsch aangelegd waren, dat zij nooit den prikkel van het sexueel verlangen gevoelden. Deze schijnen echter uitzondering geweest te zijn. De heilige Benedictus en de heilige Franciscus ondervonden zeer zeker de moeilijkheid van het ten onder brengen van het vleesch. De heilige Magdalena de Pozzi rolde zich, om sexueele verlangens te verjagen, tot bloedens toe op doornige struiken. Sommige heiligen hadden een speciale ton met water in hun cellen waar ze in konden gaan staan (Lea,SacerdotalCelibacy, vol. I, p. 124). Aan den anderen kant vertelt ons de heilige Angela de Fulginio in haarVisiones(cap. XIX) dat zij, zoolang, totdat haar biechtvader het haar verbood, brandende kolen in haar geheime deelen bracht, in de hoop door werkelijk vuur het branden van de ontuchtige begeerte uit te dooven. St. Aldhelm, de heilige bisschop van Sherborne in de achtste eeuw, nam ook een homoeopathische wijze van behandelen aan, en dan van een meer letterlijke soort, want William van Malmsbury zegt, dat hij, als hij door het vleesch in verleiding kwam, vrouwen bij zich liet komen zitten en liggen, totdat hij weer kalm werd; de methode bleek zeer doelmatig, omdat, naar men meende, de Duivel voelde, dat hij voor den gek was gehouden.Na eenigen tijd werd de Katholieke praktijk en theorie van het ascetisme meer formeel en uitgebreid, en de weldadige gevolgen ervan strekten zich, naar men meende, verder uit dan het individu zelf. “Ascetisme van het Christelijk standpunt”, schrijft Brenier de Montmorand in een belangwekkende studie (“Ascétisme et Mysticisme”,Revue Philosophique, Maart, 1904) “is niets anders dan al de therapeutische middelen, samenwerkend tot moreele heiliging. De Christelijke asceet is een athleet, die zijn verdorven natuur tracht te veranderen en een weg tot God te banen door de hinderpalen heen, die door zijn hartstochten en door de wereld veroorzaakt worden. Hij werkt niet alleen in zijn eigen belang, maar—door den terugslag van verdienste, welke die der solidariteit in de dwaling weer goed maakt—voor het nut en het heil van de geheele maatschappij”.Dit is het gezichtspunt van de ascese, waarop het oudste Christendom het meest den nadruk gelegd heeft. Maar er is een ander gezichtspunt, dat misschien minder gewoon is, maar dat in het geheel niet minder van belang is geweest. Primitieve Christelijke kuischheid was aan den eenen kant een strenge tucht. Aan den anderen kant was ze romantisch en dit was wel de meest speciaal Christelijke kant, want athletisch ascetisme is verbonden geweest met de meest verschillende godsdienstige en philosofische geloofsbelijdenissen. Als ze niet de bekoring bezeten had van een nieuwe sensatie, van een verrukkelijke vrijheid, van een onbekend avontuur, dan zou ze nooit de Europeesche wereld veroverd hebben. Er zijn er in die wereld maar enkelen, die den aanleg voor moreele athleten in zich hebben; er zijn er velen, die op de aantrekkelijkheid van het romantische reageeren.De Christenen verwierpen de grovere vormen van sexueel toegeven, maar terwijl ze dat deden, gaven zij zich met des te meer ijver over aan de meer verfijnde vormen van sexueele intimiteit. Zij kweekten een verhouding aan van broeders en zusters, zij kusten elkaar; op een bepaalden tijd schaamden zij zich niet, bij de geestelijke braspartij van den doop bij voorbeeld, volkomen naakt te zijn6.Een zeer leerrijk beeld van de vormen, die de kuischheid onder de eerste Christenen aannam, is ons gegeven in de verhandeling van den heiligen ChrysostomusAgainst Those who Keep Virgins in their Houses. Onze vaders, begint Chrysostomus, kenden alleen maar twee vormen van sexueele intimiteit, huwelijk en ontucht. Nu is er een nieuwe vorm voor den dag gekomen: mannen nemen jonge meisjes in hun huis en houden die daar doorloopend, terwijl ze haar maagdelijkheid eerbiedigen. “Wat”, vraagt Chrysostomus, “is de reden? Het schijnt mij toe, dat het leven te zamen met een vrouw, aangenaam is, zelfs buiten huwelijksvereeniging en vleeschelijken omgang. Dat is mijn gevoelen; en misschien is hetniet mijn gevoelen alleen; het is misschien ook het gevoelen van deze mannen. Zij zouden hun eer niet zoo te grabbel gooien en geen aanleiding geven tot zulke schandalen, als dit genoegen niet hevig en tyranniek was.… Dat deze verhouding werkelijk genoegen geeft, dat ze een liefde veroorzaakt, die vuriger is dan huwelijksvereeniging, zal u misschien in het eerst verwonderen. Maar als ik u de bewijzen geef, zult ge overtuigd zijn van de waarheid mijner bewering”.In het huwelijk, gaat hij voort, leidt de afwezigheid van beperking der begeerte dikwijls tot spoedige walging, en zelfs afgezien daarvan verwoesten de sexueele omgang, zwangerschap, geboorte, het zoogen, het opvoeden van kinderen, en al de moeiten en pijnen en angsten, die met deze dingen samengaan, de jeugd en stompen het genoegen af. De maagd is vrij van deze lasten. Zij behoudt haar kracht en jeugd, en zelfs op den leeftijd van veertig kan zij wedijveren met het jonge huwbare meisje. “Een dubbele gloed brandt dus in het hart van hem, die haar liefheeft en met haar leeft, en nooit dooft de bevrediging van het verlangen de heldere vlam, die voortdurend in kracht toeneemt”. Chrysostomus beschrijft in bijzonderheden al de kleine zorgen en attenties, waaraan de moderne meisjes van zijn tijd behoefte hadden, en die deze mannen met vreugde aan hun maagdelijke geliefden besteedden, zoowel in het publiek als tehuis. Hij kan echter niet nalaten te denken, dat de man, die een vrouw, wier maagdelijkheid hij eerbiedigt, met kussen en liefkoozingen overlaadt, zichzelf Tantaluskwellingen aandoet. Maar deze nieuwe verfijning van teedere kuischheid, die als een heerlijkeontdekkingkwam tot de eerste Christenen, die resoluut de losbandigheid van de heidensche wereld hadden verworpen, had diepe wortels geschoten, zooals wij kunnen opmerken uit de veelvuldigheid, waarmee de ernstige Kerkvaders, bang voor schandaal, zich geroepen gevoelden ze te laken, hoewel hun veroordeeling soms niet zonder geheime sympathie is7.Er was éen vorm, waarin de nieuwe Christelijke kuischheid overvloedig en ongehinderd bloeide: zij maakte zich meester van de literatuur. De bekoorlijkste en zeker de meest populaire literatuur van de oudste kerk vormden de onnoemelijk vele legenden van erotische kuischheid—tot zekere hoogte misschien wel gebaseerd op feiten—die samengevat zijn in deActa Sanctorum. Wij kunnen, zelfs in de meest eenvoudige en weinig wonderbaarlijkeoudste Christelijke verslagen van het martelaarschap van vrouwen zien, dat de schrijvers zich volkomen bewust waren van de teere bekoring van de heldin, die, evenals Perpetua, in Carthago, door wilde dieren in de arena heen en weer geworpen, opstaat om zich in haar gescheurde kleeren te hullen en haar verwarde haren in orde te brengen8. Van deze legenden tot de verhalen van romantisch avontuur was een gemakkelijke stap. Onder deze heerlijke verhalen mag ik voornamelijk verwijzen naar de legende van Thekla, die, misschien wel ten onrechte, al in de eerste eeuw gesteld wordt, “De Bruid en Bruidegom van Indië” in de handelingen vanJudas Thomas, “De Maagd vanAntiochië”, verteld door den heiligen Ambrosius, de geschiedenis van “Achillus en Nereus”, “Mygdonia en Karish”, en “Twee Minnenden van Auvergne”, zooals ze verteld zijn door Gregorius van Tours. De oudste Christelijke literatuur is vol van verhalen van minnenden, die hun kuischheid bewaard hadden, en die toch de heerlijkste geheimen van de liefde hadden ontdekt.Thekla’s dag is de drie en twintigste September. Er is een zeer goede Syrische lezing (door Lipsius en anderen beschouwd als ouder dan de Grieksche vertaling) van deHandelingen van Paul en Thekla(zie b.v. van Wright, deApocryphal Acts). Deze Acts behooren tot het tweede gedeelte van de tweede eeuw. De geschiedenis is, dat Thekla, daar ze weerstand bood aan den hartstocht van den hoogepriester vanSyrië, naakt op een gordel (subligaculum) na, geplaatst werd op den rug van een leeuwin, die haar de voeten likte en tegen de andere dieren vocht, en die bij haar verdediging stierf. De andere dieren deden haar echter geen kwaad en zij werd eindelijk los gelaten. Een koningin overlaadde haar met geld, zij veranderde haar kleeding om er als een man uit te zien, ging op reis om Paulus te ontmoeten, en bereikte een hoogen ouderdom. Sir W. M. Ramsay heeft een belangwekkende studie over dezeHandelingengeschreven (The Church in the Roman Empire, hoofdstuk XVI). Hij meent, dat deHandelingenhun grondslag vinden in een document uit de eerste eeuw, en hij ziet kans om verscheidene elementen van waarheid uit het verhaal los te warren. Hij zegt, dat het het eenige bewijs is, hetwelk wij bezitten van de denkbeelden en van de daden van vrouwen gedurende de eerste eeuw in Klein-Azië, waar haar positie zoo hoog was en haar invloed zoo groot. Thekla vertegenwoordigt de handhaving van de rechten der vrouw en zij diende het sacrament van den doop toe, hoewel deze trekken in de bestaande vertalingen van deHandelingenonduidelijk geworden zijn of uitgewischt.Sommige van de meest typische van deze Christelijke legenden worden beschreven als Gnostisch in oorsprong, met iets van de zaden van het Manichaeisch dualisme, die vervat waren in den schoot van het gnosticisme, terwijl de geest van deze legenden ook zeer Montanistisch is, met de gemengde kuischheid en gloed, den uitgesproken feministischen toon, die past bij den oorsprong ervan in Klein-Azië, en die het kenmerk was van het Montanisme. Het kan echter niet ontkend worden, dat zij in grooten getale overgingen in den stroom van Christelijke traditie, en een essentieel en belangwekkend deel van die traditie vormen. (Renan wijst, in zijnMarc-Aurèle, hoofdst. IX en XV, op de enorme schuld van het Christendom aan Gnostische en Montanistischebijdragen). Een karakteristiek voorbeeld is de geschiedenis van “De Verloofde uit Indië” in deHandelingenvanJudas Thomas(Wright’sApocryphal Acts). Judas Thomas werd door zijn meester Jezus verkocht aan een Indischen koopman, die een timmerman noodig had om met hem naar Indië te gaan. Toen ze zich in de stad Sandaruk ontscheepten, hoorden ze de tonen van muziek en zang, en werd hun verteld, dat het het huwelijksfeest was van de dochter des konings, waarbij allen moesten tegenwoordig zijn, rijken en armen, slaven en vrijen, vreemdelingen en burgers. Judas Thomas ging, met zijn nieuwen meester naar het feestmaal en lag aan, met een myrthe guirlande op zijn hoofd geplaatst. Toen een Joodsche fluitspeler kwam en tegenover hem ging staan en speelde, zong hij de liederen van Christus, en zij zagen, dat hij schooner was dan allen, die daar waren en de koning liet hem roepen om het jonge paar te zegenen in de huwelijkskamer. En toen zij allen weg waren gegaan en de deur van de huwelijkskamer gesloten was, naderde de bruigom de bruid, en het scheen hem toe, alsof Judas Thomas nog met haar praatte. Maar het was onze Heer, die tot hem zeide: “Ik ben niet Judas, maar zijnen broeder”. En onze Heer zat neer op het bed naast de jonge menschen en begon tot ze te zeggen: “Herinner u, mijn kinderen, wat mijn broeder tot u gesproken heeft, en weet aan wien hij u opgedragen heeft, en weet, dat als gij uzelven bewaart voor dien onreinen omgang, gij reine tempels zult worden en beveiligd tegen vele en verborgen smarten en tegen den zwaren zorg van kinderen, waarvan het einde altijd bittere smart is. Om hunnentwille zult gij onderdrukkers worden en roovers, en gij zult bitter lijden door hun verkeerdheden. Want kinderen zijn de oorzaak van vele ellenden; hetzij de koning beslag op hen legt, of dat een duivel ze te pakken neemt, of dat zij bezocht worden door verlamming. En als zij gezond zijn, komen zij tot het kwade, door echtbreken of diefstal, of ontucht of begeerte, of ijdelheid. Maar als gij u door mij wilt laten raden, en uzelven rein voor God zult bewaren, dan zult gij levende kinderen hebben, tot wie geen van deze ellenden en bezwaren komen; en gij zult zonder zorg zijn en zonder ergernis en zonder smart, en gij zult hopen op den tijd, waarop gij het ware huwelijksfeest zult aanschouwen”. Het jonge paar was overtuigd; zij zagen van den wellust af en onze Heer verdween. En ’s morgens toen de dag aanbrak, liet de koning de tafel vroeg aanrichten, en bracht die binnen bij den bruidegom en de bruid. En hij vond ze tegenover elkaar zitten, en het gelaat der bruid was onbedekt en de bruidegom was zeer vroolijk. De moeder van de bruid zeide tot haar: “Waarom zit je zoo en schaam je je niet, maar doet net alsof je al lang getrouwd waart, vele dagen?” En ook haar vader zeide tot haar: “Is het de groote liefde voor je echtgenoot, die je ervan terughoudt je te sluieren?” En de bruid antwoordde en zeide: “Waarlijk vader, mijn liefde is zeer groot, en ik bid den Heer, dat ik deze liefde, die ik vannacht ondervonden heb, zal blijven behouden. Ik ben niet gesluierd, omdat de sluier der verdorvenheid van mij afgenomen is, en ik schaam mij niet, omdat de daad, die schaamte geeft, ver van mij verwijderd is, en ik ben opgewekt en vroolijk, en ik veracht deze daad der verdorvenheid en de vreugden van dit huwelijksfeest, omdat ik uitgenoodigd ben tot het ware huwelijksfeest, Ik heb met mijn echtgenoot geen omgang gehad, waarvan het einde bitter berouw is, omdat ik verloofd ben met den waren Echtgenoot”. De echtgenoot antwoordde ook in dezelfden geest, zeer natuurlijk tot schrik van den Koning, die een bode zond naar den toovenaar, aan wien hij gevraagd had zijn ongelukkige dochter te zegenen. Maar Judas Thomas had de stad reeds verlaten en in de herberg, waar hij gelogeerd had, vond de bottelier van den Koning alleen den fluitspeler, die daar zat en weende, omdat hij hem niet meegenomen had. Hij was echter blij, toen hij hoorde wat er gebeurd was, haastte zich naar het jonge paar en woonde daarna altijd met hen samen. De Koning werd ten slotte ook verzoend en alles eindigde in kuischheid en geluk.In deze zelfdeHandelingenvanJudas Thomas, die niet van later datumzijn dan van de vierde eeuw, vinden we (vierde daad), de geschiedenis van Mygdonia en Karish. Mygdonia, de vrouw van Karish, wordt door Thomas overtuigd en vlucht, naakt, alleen bedekt door een gordijn van de kamerdeur, dat zij omgeslagen heeft, van haar echtgenoot naar haar oude min. Met de min gaat zij naar Thomas, die heilige olie over haar hoofd giet, terwijl hij de min verzoekt haar er geheel mee te zalven; dan wordt er een laken om haar lendenen geslagen en hij doopt haar; waarna zij aangekleed wordt en hij haar het sacrament geeft. De jonge verrukking over de kuischheid wordt soms lyrisch, en Judas Thomas roept uit: “Reinheid is de athleet, die niet overwonnen wordt. Reinheid is de waarheid, die niet terugdeinst. Reinheid is waardig voor God, een vertrouwde dienares voor Hem te zijn. Reinheid is de boodschapper van eendracht, die de vredestijdingen brengt”.Een andere kuischheidslegende wordt gegeven in de episode van Drusiana inThe history of the Apostles, die volgens de traditie toegeschreven wordt aan Abdias, den Bisschop van Babylon (Bk. v. hoofdst. IV,et seq.). Drusiana is de vrouw van Andronicus; ze is zoo vroom, dat ze geen omgang met hem wil hebben. De jongeling Callimachus wordt doodelijk op haar verliefd, en zijn verliefde pogingen hebben vele opwindende avonturen ten gevolge, maar ten slotte overwint de kuischheid van Drusiana.Eenkarakteristiekvoorbeeld van de literatuur die wij hier bedoelen, is de geschiedenis van den heiligen Ambrosius over “de Maagd in het Bordeel” (verteld in zijnDe Virginibus, Migne’s editie van de werken van Ambrosius, deelen iii–iv, p. 211). Een zekere maagd, vertelt de heilige Ambrosius ons, die onlangs in Antiochië woonde, werd veroordeeld om òf aan de goden te worden geofferd òf om naar het bordeel te gaan. Zij koos het laatste alternatief. Maar de eerste man, die bij haar binnen kwam, was een Christen soldaat, die haar “zuster” noemde en die haar verzocht niet te vreezen. Hij stelde voor, dat zij van kleederen zouden verwisselen. Dit werd gedaan en zij ontsnapte, terwijl de soldaat weggevoerd werd, om ter dood gebracht te worden. Op de plaats van de terechtstelling kwam zij echter te voorschijn en riep, dat het niet den dood was, dien ze vreesde, maar de schande. Hij stond er echter op, dat hij in haar plaats ter dood veroordeeld werd. Ten slotte werd de kroon van het martelaarschap, waarvoor ze gestreden hadden, aan beiden toegekend.In de oudere documenten van deze romantische literatuur der kuischheid nemen we voortdurend waar, dat er op kuischheid aangedrongen wordt, volstrekt niet voornamelijk om de belooning ervoor na den dood, en ook zelfs niet, omdat de maagd, die er zich aan wijdt, in Christus een altijd jongen minnaar ziet, wiens guldenharige schoonheid soms met nadruk vermeld wordt. De voornaamste bekoring ervan ligt in de eigen vrijheid, en in de zekerheid, dat men ontkomt aan al de moeiten, ongemakken en banden van het huwelijk. Deze oudste Christelijke beweging van romantische kuischheid was klaarblijkelijk in groote mate een opstand van vrouwen tegen de mannen en tegen het huwelijk. Dit wordt wel duidelijk uit de leerzame geschiedenis, die men veronderstelt dat haar oorsprong heeft in de derde eeuw, van de eunuchen Achilles en Nereus, zooals ze verteld wordt in deActa Sanctorum, van den 12en Mei. Achilles en Nereus waren Christelijke eunuchen van de slaapkamer van Domitia, een maagd van edele geboorte, die verwant was aan Keizer Domitianus en verloofd met Aurelianus, den zoon van den consul. Eens, toen hun meesteres bezig was zich te versieren met haar juweelen en haar purperen gewaden, met goud geborduurd, begonnen zij om beurten haar te spreken over al de genoegens en voordeelen van de maagdelijkheid, vergeleken met een huwelijk met niet meer dan één man. Zij had ten gevolge daarvan veel te lijden van Aurelianus, en toen hij bewerkte, dat zij naar een eiland verbannen werd, ging zij daarheen met Achilles en Nereus, die ter dood gebracht werden. Als een onderdeel van het verhaal wordt de dood van Felicula, een andere kuischheidsheldin, beschreven. Toen zij op de pijnbank gelegd werd,weigerde zij voortdurend Jezus te verloochenen, dien zij haar minnaar noemde. “Ego non nego amatorem meum”.Een speciale afdeeling van deze literatuur heeft betrekking op de geschiedenissen van de bekeeringen of het berouw van courtisanes. De heilige Martinianus bijvoorbeeld (Feb. 13) werd in verleiding gebracht door de courtisane Zoe, maar bekeerde haar. De geschiedenis van de heilige Margaretha van Cortona (Feb. 22),een berouwvolle courtisane, is van lateren datum, want zij behoort tot de dertiende eeuw. Het mooiste document in deze literatuur is waarschijnlijk de laatste, de Italiaansche stichtelijke legende uit de veertiende eeuw, genaamdThe Life of Saint Mary Magdalen, die gewoonlijk in verband gebracht wordt met den naam van Frater Dominico Cavalca. (Ze is in het Engelsch vertaald). Het is de zoo fijn en mooi vertelde legende van de kuische en hartstochtelijke liefde van de beminnelijke zondares Maria Magdalena voor haar geliefden Meester.Naarmate de tijd verliep, werd het aandringen op de vreugden van de kuischheid in dit leven minder in het oog vallend, en werd zij meer en meer beschouwd als de toestand, die alleen zijn volledige belooning vindt in het toekomstig leven. Toch worden zelfs in de bekoorlijke geschiedenis van Gregorius van Tours van “De Twee minnenden van Auvergne”, waarin deze houding duidelijk is, de genoegens van kuische liefde in dit leven evenzeer op den voorgrond gesteld als in een van de eerste legenden (Historia Francorum, lib. I, hoofdst. XLII). Twee senatoren van Auvergne hadden ieder een eenig kind en die verloofden zij met elkaar. Toen de huwelijksdag kwam en het jonge paar te bed gelegd was, keerde de bruid zich naar den muur en weende bitterlijk. De bruidegom smeekte haar hem te zeggen wat er was; toen keerde zij zich tot hem en zeide, dat zij haar verdriet niet kon uitwisschen, al zou zij al de dagen van haar leven weenen, want dat zij besloten had haar kleine lichaam onbevlekt aan Christus te geven, onaangeroerd door mannen; nu had zij in plaats van onsterfelijke rozen alleen maar verlepte rozen op haar voorhoofd gehad, die het eer mismaakten dan dat zij het versierden, en in plaats van den bruidsschat van het Paradijs, dien Christus haar beloofd had, was zij de echtgenoote geworden van een sterfelijk man. Zij beklaagde haar droevig lot lang en met veel liefelijke welsprekendheid. Ten laatste voelde de bruidegom, door haar lieve woorden overtuigd, dat het eeuwige leven voor hem geschenen had als een groot licht, en verklaarde hij, dat als zij zich wenschte te onthouden van vleeschelijke begeerten, hij dat ook wilde. Zij was zeer dankbaar, en met gevouwen handen vielen zij in slaap. Verscheidene jaren leefden zij zoo te zamen, in kuischheid hetzelfde bed deelende. Ten slotte stierf zij en werd begraven; haar minnaar gaf haar onbevlekt over in de handen van Christus. Spoedig daarna stierf ook hij en werd in een afzonderlijke graftombe begraven. Toen geschiedde er een wonder, dat de grootschheid van deze kuische liefde duidelijk in het licht stelde, want de twee lichamen werden gevonden, op geheimzinnige wijze bijeen geplaatst. Tot op dezen dag, zoo besluit Gregorius (schrijvende in de zesde eeuw), noemen de menschen van de plaats hen “De Twee Minnenden”.Hoewel Renan (Marc-Aurèle, hoofdst. XV) met korte woorden de aandacht op het bestaan van deze uitgebreide oude Christelijke literatuur vestigt, die de romantiek der kuischheid voortzet, schijnt ze tot nog toe weinig of niet bestudeerd te zijn. Ze heeft echter groot belang, niet alleen om zichzelf, maar ter wille van de psychologische beteekenis, daar ze den aard van de beweegkrachten duidelijk maakt, die de kuischheid gemakkelijk en aantrekkelijk maakten voor de menschen van de vroegste Christelijke wereld, zelfs als ze volkomen sexueele abstinentie met zich bracht. De oude Kerk vervloekte de erotiek van de Heidensche wereld en bande ze uit op de meest krachtdadige wijze door een eigen nieuwe en fijnere erotiek er voor in de plaats te stellen.Gedurende de middeleeuwen begon de oorspronkelijke frischheidvan de Christelijke kuischheid haar bekoring te verliezen. Geen kuischheidslegenden werden geschreven en in het werkelijke leven zochten de menschen geen avonturen meer op het gebied der kuischheid. Voor zoover de oude idealen al in leven bleven, was dit op het wereldsch gebied der ridderlijkheid. De laatste bekende figuur, die streefde naar de heldenfeiten van de eerste Christenen was Robert van Arbrissel in Normandië.Robert van Arbrissel, die, in de elfde eeuw, de beroemde en bekende orde van Fontevrault voor vrouwen stichtte, kwam uit Bretagne. Deze Keltische oorsprong is ongetwijfeld van beteekenis, want hij kan misschien zijn nooit falenden ijver en zijn enthusiaste vereering voor vrouwen verklaren. Zelfs zij, onder zijn vrienden, die afkeurden wat zij zijn schandelijk gedrag noemden, leggen getuigenis af van zijn nooit falend vroolijk temperament, zijn wakkerheid in het handelen, zijn bereidwilligheid voor welke daad van humaniteit ook en zijn volkomen vrij zijn van gestrengheid. Hij trok groote massa’s menschen van allerlei soort aan, vooral vrouwen, ook prostituées, en zijn invloed over vrouwen was groot. Eens ging hij in een bordeel om zijn voeten te warmen en bekeerde terloops alle vrouwen die daar waren. “Wie zijt gij?” vroeg een van haar, “ik ben hier al vijf en twintig jaar en niemand is mij hier ooit komen spreken over God”. Robert’s betrekking tot de nonnen vanFontevraultwas zeer intiem, en hij sliep dikwijls met haar. Dit wordt door vrienden van hem, bisschoppen en abten, nauwkeurig beschreven, waarvan een opmerkt, dat Robert “een nieuwen, maar vruchteloozen vorm van martelaarschap ontdekt had”. Een koninklijke abdis van Fontevrault, in de zeventiende eeuw, beweerde, dat de vereerde stichter van de orde met geen mogelijkheid schuldig kon geweest zijn aan zulk schandelijk gedrag, en dat de brieven daarom valsch moesten zijn en liet de origineelen vernietigen voor zoover dat mogelijk was. De Bollandisten namen, in een niet wetenschappelijk en onvolledig verslag van de zaak (Acta Sanctorum, Feb. 25), dit gezichtspunt over. J. von Walter echter toont in een onlangs verschenen en grondige studie over Robert van Arbrissel (Die Ersten Wanderprediger Frankreichs, deel I) aan, dat er hoegenaamd geen reden is om aan het echte, authentieke en betrouwbare karakter van de bestreden brieven te twijfelen.De vroeg-Christelijke kuischheidslegenden hadden echter hun opvolgers.Aucassin et Nicolette, dat waarschijnlijk in Noordelijk Frankrijk geschreven is tegen het einde van de twaalfde eeuw, is vooral de afstammeling van de geschiedenissen in deActa Sanctorumen elders. Het belichaamde hun geest, droeg hem verder en vereenigde hun teer gevoel voor kuischheid en reinheid met het ideaal van monogamische liefde.Aucassin et Nicolettewas de doodsklok van de primitief Christelijke kuischheidslegende. Het was de ontdekking, dat de kuische verfijningen van teerheid en toewijding mogelijk waren binnen de strikt normale sfeer van sexueele liefde.Er waren minstens twee oorzaken, die de neiging hadden de primitief Christelijke voorliefde voor de kuischheid uit te wisschen, zelfs afgezonderd van den invloed van de Kerk-autoriteiten bij het terugdringen van de romantische uitingen ervan. In de eerste plaats verwijderde het ondergaan van de oude heidensche wereld, met zijn gewoonte en tot op zekere hoogte zijn ideaal van sexueele toegevendheid,den achtergrond, die gratie en teerheid gegeven had aan de teedere vrijheid der jonge Christenen. In de tweede plaats waren de gestrengheden, die de eerste Christenen met vreugde in praktijk hadden gebracht ter wille van de gezondheid hunner ziel, beroofd van hun bekoring en vrijwilligheid, toen zij tot een formeel deel gemaakt waren van strafwetboeken voor zonde, eerst in de Poenitentialia en later in de handen van biechtvaders. Dit was, we mogen het er aan toevoegen, te meer noodzakelijk geworden, omdat het ideaal van Christelijke kuischheid niet langer in ruimen kring het bezit was van verfijnde menschen, die immuun gemaakt waren tegen heidensche losbandigheid, doordat zij te midden daarvan opgevoed waren en er zelf in ondergedompeld waren geweest. Het was klaarblijkelijk van het begin af aan een ernstige zaak voor de hartstochtelijke Noord-Afrikanen het ideaal van kuischheid te handhaven en toen het Christendom zich over Noordelijk Europa verspreidde, scheen het bijna een hopelooze taak de idealen ervan te acclamatiseeren onder de wilde Germanen. Later werd het noodig, het celibaat aan de vaste geestelijkheid op te leggen door de sterke kracht van kerkelijke authoriteit, terwijl vrijwillig celibaat alleen levendig gehouden werd door een opeenvolgende reeks van godsdienstige enthusiasten, die telkens weer nieuwe orden stichtten. Een ascetisme, dat zoo opgedrongen was, kon niet altijd vergezeld gaan van de vurige exaltatie, die noodig is om het in stand te houden, en in zijn kunstmatige pogingen tot zelfbehoud, viel het dikwijls van de onzekere hoogten in de diepten van onbeteugelde losbandigheid9. Toen de middeleeuwen voorbij waren, begonnen helderziende denkers het fatale van alle gewaagde pogingen om de normale grenzen van de menschelijkheid te buiten te gaan, te erkennen. “Qui veut faire l’ange”, zeide Pascal, terwijl hij met scherpte deze beschouwing van de zaak opsomde, “fait la bête”. Dat was dikwijls duidelijk gebleken in de geschiedenis van de Kerk.In de zevende eeuw begonnen de Poenitentialia in gebruik te komen; ze werden gedurende de negende en tiende eeuw zeer overheerschend en hadden groote authoriteit. Zij waren wetslichamen, gedeeltelijk geestelijk en gedeeltelijk wereldsch, en werden gegoten in den vorm van catalogussen van vergrijpen met de juiste maat van straf, voorgeschreven voor ieder vergrijp. Zij vertegenwoordigden de introductie van maatschappelijke orde onder ongetemde barbaren en waren meer wetboeken van strafwet dan deel vaneen systeem van sacramenteele confessie en boetedoening. In Frankrijk en Spanje, waar reeds orde en regel bestond op een Christelijke basis, waren zij weinig noodig. Zij hadden hun oorsprong in Ierland en Engeland en bloeiden voornamelijk in Duitschland; Karel de Groote ondersteunde ze (zie, b.v. Lea,History of Auricular Confession, deel II, p. 96, ook hoofdst. XVII; Hugh Williams, uitgave van Gildas, deel II, Appendix 3; de voornaamste Poenitentialia worden vermeld in deBussordnungenvan Wasserschleben). In 1216 maakte het Lateraansch concilie, onder Innocentius III, biechten verplichtend. Het voorrecht van den priester om de mate van de straf te regelen naar omstandigheden met grooter buigzaamheid dan de strenge Poenitentialia toelieten, werd eerst absoluut gehandhaafd door Peter van Poitiers. Toen wierp Alain van Rijssel de Poenitentialia als verouderd ter zijde en verklaarde, dat de priester zelf navraag moest doen naar de omstandigheden van iedere zonde en precies de schuld ervan moest afwegen. (Lea, op. cit., deel II, p. 171).Lang voor dezen tijd echter hadden de idealen der kuischheid, voor zoover zij een belangrijke mate van zelfbeheersching in zich sloten, ofschoon zij stevig vast gegroeid waren in de conventioneele tradities en idealen van de Christelijke Kerk, opgehouden eenige bekoring of kracht te hebben voor de bevolking, die in het Christendom leefde. Onder de Noordelijke barbaren, met hun verschillende tradities van een krachtiger en natuurlijker soort achter zich, werden de geslachts-eischen dikwijls vrijmoedig ten toon gespreid. De monnik Ordericus Vitalis vestigt in de elfde eeuw de aandacht op wat hij noemt de “wulpschheid” van de vrouwen van de Noorsche veroveraars van Engeland, die, toen ze alleen thuis gelaten waren, boodschappen stuurden, dat ze, als haar echtgenooten niet spoedig terug kwamen, andere mannen zouden nemen. Het celibaat van de geestelijkheid werd alleen met de grootste moeite ingesteld en toen het ingesteld was, werden de geestelijken onkuisch. Aartsbisschop Odo van Rouaan, in de dertiende eeuw, vermeldde in het dagboek van de bezoeken in zijn diocese, dat er éen onkuische geestelijke was op iedere vijf gemeenten, en zelfs toont de monnik Salimbene in zijn merkwaardige autobiographie met betrekking tot het Italië van denzelfden tijd aan, hoe weinig kuischheid in het godsdienstige leven in acht genomen werd. Kuischheid kon nu alleen gehandhaafd worden door geweld, gewoonlijk door de moreele kracht van kerkelijke autoriteit, die zelf door onkuischheid ondermijnd werd, maar soms zelfs door physiek geweld. Het was in de dertiende eeuw, volgens de opinie van sommigen, dat de kuischheidsgordel (cingula castatis) zich het eerst begint te vertoonen, maar de voornaamste autoriteit Caufeynon(La Ceinture de Chasteté, 1904) meent, dat ze dateert uit de Renaissance (Schultz,Das höfische Leben zur Zeit der Minnesänger, deel V. p. 272; Krauss,Anthropophyteia, deel III, p. 247). In de zestiende eeuw werden de kloosters bijna tot bordeelen, zooals we hooren op het niet bestreden gezag van Burchard, een secretaris van den Paus, in zijnDiarium, uitgegeven door Thuasne, die nog meer autoriteiten voor deze bewering samenbrengt in een noot onder aan de bladzij (deel II, p. 79); dat zij dat bleven in de achttiende eeuw, zien wij duidelijk in de bladzijden van deMémoiresvan Casanova en in veel andere documenten van dien tijd.De Renaissance en de opkomst van het humanisme had ongetwijfeld invloed op het gevoel jegens het ascetisme en de kuischheid. Aan den eenen kant werd er een nieuwe en oude wettiging gevonden voor het niet in acht nemen van deugden, die de menschen begonnen te beschouwen als enkel monnikachtig, en aan den anderen kant begonnen de fijnere geesten, die den invloed van de nieuwe beweging ondervonden, zich duidelijk bewust te worden, dat kuischheid beter gekweekt kan worden en in acht genomendoor hen, die vrij waren te doen zooals zij wilden, dan door hen, die onder den dwang stonden van priesterlijke autoriteit. Dat is het gevoel, dat in Montaigne overheerscht,en dat is het idee van Rabelais, toen hij het tot den eenigen regel van zijn abdij van Thelème maakte: “Fay ce que vouldras”.Iets later werd deze leer in verschillende toonaarden herhaald door vele schrijvers, alle meer of min verlicht door de beschaving, die door de Renaissance in de mode was gebracht. “Zoolang Danae vrij was”, merkt Ferrand op in zijn verhandeling uit de zestiende eeuw,De la Maladie d’Amour, “was zij kuisch”. En Sir Kenelm Digby, de laatste vertegenwoordiger van den geest der Renaissance, wijst in zijnPrivate Memoirsop het feit, dat de vrijheid, die Lycurgus “de wijste menschelijke wetgever, die er ooit geweest is”, aan de vrouwen gaf om haar lichaam te geven aan mannen, tot wie zij zich door edele genegenheid en door de hoop op een goed nageslacht voelden aangetrokken, de ware oorzaak was, dat “werkelijke kuischheid in Sparta meer bloeide dan in eenig ander deel van de wereld”.In Protestantsche landen werd het ascetisch ideaal nog verder in discrediet gebracht door de Hervorming, die voor een groot gedeelte een opstand was tegen gedwongen celibaat. Zoodoende werd de godsdienst niet langer aan de zijde van de kuischheid geplaatst. In de achttiende eeuw, zoo niet eerder, werd de autoriteit van de Natuur ook gewoonlijk ingeroepen tegen de kuischheid. Zoo is het gekomen, dat in de laatste twee eeuwen ernstige denkers maar gedeeltelijk gunstig gestemd waren jegens de kuischheid. Het begon gevoeld te worden, dat een ongelukkige en schadelijke vergissing begaan was door te trachten een verheven ideaal te handhaven, hetgeen huichelarij aanmoedigde. “Het menschelijk ras zou veel winnen”, zooals Senancour in het begin der negentiende eeuw in zijn merkwaardig boek over liefde schreef, “als de deugd niet zoo moeilijk gemaakt werd. De verdienste zou niet zoo groot zijn, maar wat is het nut van een verhevenheid, die zelden kan volgehouden worden?”10.Er kan geen twijfel aan zijn, dat de overmatige minachting, waartoe de kuischheids-idee in de achttiende eeuw en later begon te vervallen, voornamelijk voortkwam uit het bestaan van die enkel uitwendige en conventioneel physieke kuischheid, die willekeurig opgedrongen werd, voor zoover ze opgedrongen kon worden, en die in zekere mate nog opgedrongen wordt, in naam of inwerkelijkheid,—aan alle respectabele vrouwen buiten het huwelijk. De opvatting van de physieke deugd der maagdelijkheid had de opvatting van de geestelijke deugd van kuischheid verlaagd. Een enkele gewoonte, voelde men, voorgeschreven aan een geheele sekse, of zij het wilde of niet, kon nooit de schoonheid en de bekoring bezitten van een deugd. Terzelfder tijd begon men zich voor oogen te stellen, dat de staat van gedwongen maagdelijkheid niet alleen niet een staat is, die bijzonder gunstig is voor het kweeken van werkelijke deugden, maar dat die verbonden is met eigenschappen, die niet langer beschouwd worden als te zijn van hooge waarde11.“Hoe willekeurig, kunstmatig en strijdig met de Natuur is het leven, dat nu in deze zaak der kuischheid aan vrouwen opgedrongen wordt!” schreef James Hinton veertig jaar geleden. “Denk aan dezen regel: “Een vrouw, die in overweging neemt, is verloren”. Wijscheppenhet gevaar, door de geheele vrouwelijkheid afhankelijk te maken van een punt als dit, en door haar te omringen met onnatuurlijke en bovennatuurlijke gevaren. Er wordt thans een lichtzinnige onredelijkheid belichaamd in het leven der vrouw; de tegenwoordige “deugd” is een ziekelijke ongezonde plant. De Natuur en God hebben nooit het leven van een vrouw zoo op de punt van een naald gewogen. Het geheele moderne denkbeeld der kuischheid heeft sensueele overdrijving in zich, die zeker voor een deel is overgebleven uit andere tijden, terwijl wat er goed in was voor het grootste gedeelte verdwenen is”.“De geheele bekoring der maagdelijkheid”, schreef een andere Philosoof, Guyau, “is onwetendheid. Maagdelijkheid kan, evenals sommige vruchten, alleen bewaard worden door een proces van verdroging”.Mérimée wees op denzelfden verdrogenden invloed van de maagdelijkheid. In een brief, gedateerd van 1859 schreef hij: “Ik vind, dat tegenwoordig de menschen veel te veel waarde hechten aan kuischheid. Niet, dat ik ontken, dat kuischheid een deugd is, maar er zijn graden in deugden evenals in ondeugden. Het schijnt belachelijk, dat een vrouw uit de maatschappij verbannen zal worden, omdat zij een minnaar gehad heeft, terwijl een vrouw, die gierig is, onoprecht en zuur, overal vrij uit kan gaan. De moraal van dezeeeuw is zeker niet die, die geleerd wordt in het Evangelie. Naar mijn meening is het beter te veel lief te hebben, dan te weinig. Tegenwoordig worden droge harten in de hoogte gestoken” (Revue des Deux Mondes, April, 1896).Dr. H. Paul heeft een daarmee verwant punt behandeld. Zij schrijft: “Er zijn meisjes, die zich, zelfs al als kinderen, geprostitueerd hebben door onanie en wulpsche gedachten. De reinheid harer zielen is al lang verloren en niets blijft voor haar verborgen, maar—zij hebben haar hymen bewaard! Dat is ter wille van den toekomstigen echtgenoot. Laat niemand haar onschuld durven betwijfelen, met dat onwederlegbaar bewijsmateriaal! En als dan een ander meisje, dat haar kindsheid in volkomen reinheid doorgebracht heeft, nu, met ontwaakte zinnen en warme, onstuimige vrouwelijkheid, zich in liefde of ook maar alleen in hartstocht aan een man geeft, dan staan ze allen op en roepen, dat zij “onteerd”is! En niet het minst het geprostitueerde meisje met het hymen. Zij is het juist, die het hardst schreeuwt en die de grootste steenen gooit. Toch behoeft de “onteerde” vrouw, die gezond en krachtig is, niet bang te zijn, te vertellen wat zij gedaan heeft aan den man, die haar ten huwelijk begeert, als zij spreekt van het eene menschelijke wezen tot het andere. Zij behoeft niet te blozen; zij heeft haar menschenrechten uitgeoefend en geen verstandig man zal haar om die reden minder achten”. (Dr. H. Paul, “Die Ueberschätzung der Jungfernschaft”,Geschlecht und GesellschaftBd. II, p. 14, 1907).In gelijken geest schrijft F. Erhard (Geschlecht und GesellschaftBd. I, p. 408): “Maagdelijkheid in een zekere beteekenis heeft haar waarde, maar in de gewone beteekenis wordt ze grootelijks te hoog geschat. Afgezonderd van het feit, dat een meisje, dat ze bezit, toch door en door verdorven kan zijn, leidt deze overschatting van de maagdelijkheid er toe, dat het meisje, die ze niet heeft, veracht wordt, en verder heeft ze tot resultaat gehad de ontwikkeling van een speciale industrie om meisjes klaar te maken, door middel van een preutsche kloosterachtige opvoeding, die haar echtgenooten de speciale delicatesse zullen brengen van een bruid, die nergens van weet. Natuurlijk kan dit alleen bereikt worden ten koste van iedere verstandige opvoeding. Wat de onontwikkelde kleine gans kan worden, dat kan niemand voorzien”.Freud (Sexual-Probleme, Maart, 1908) wijst ook op het slechte resultaat van de opvoeding voor het huwelijk, die aan de meisjes gegeven wordt op den basis van dit ideaal van maagdelijkheid. “Opvoeding onderneemt de taak de zinnelijkheid van een meisje terug te dringen tot den tijd van de verloving. Zij verbiedt niet alleen sexueele verhoudingen en stelt een hooge premie op onschuld, maar ze onttrekt de rijpende vrouwelijke individualiteit aan de verleiding, door een staat van onwetendheid te handhaven omtrent de praktische zijde van de rol, die zij in het leven zal moeten spelen, en door geen opwekking tot liefde toe te laten, die niet tot het huwelijk kan leiden. Het resultaat is, dat, als haar plotseling door de autoriteit van de ouders wordt toegestaan te verlieven, het meisje zich psychisch niet kan aanpassen, en dat zij het huwelijk ingaat, onzeker van haar eigen gevoelens. Als een gevolg van deze kunstmatige vertraging van de liefdesfunctie, brengt zij niets dan teleurstelling aan haar man, en is koel in haar physieke verhouding tot hem”.Senancour (De l’Amour, deel i, p. 285) meent zelfs, dat, als het mogelijk is de kwestie van de nakomelingschap er buiten te laten, niet alleen de wet van kuischheid gelijk zal worden voor de beide geslachten, maar dat er een neiging zal zijn om de verhouding van de seksen, in zekere mate, te veranderen. “Zelfbeheersching wordt dan een raad eerder dan een voorschrift, en dan zal in vrouwen de wellustige neiging met de meeste toegevendheid beschouwd worden. De man is gemaakt om te werken; hij ontmoet het pleizier alleen maar in het voorbijgaan; hij moet er mee tevreden zijn, dat de vrouwen zich er meer mee zullen bezig houden dan hij. Het zijn de mannen, die er door uitgeput raken, en mannen moeten altijd voor een deel hun wenschen beperken”.Als wij ons echter bevrijden van den band van een gedwongen physieke kuischheid, dan wordt het mogelijk kuischheid als een deugd in eere te herstellen. In den tegenwoordigen tijd kan het niet langer gezegd worden, dat er van den kant van denkers en moralisten eenige actieve vijandigheid jegens het denkbeeld van kuischheid bestaat; er is integendeel een neiging om de waarde van kuischheid te erkennen. Maar deze erkenning is vergezeld gegaan van een terugkeer tot de oudere en gezondere opvatting van de kuischheid. Het bewaren van een strenge sexueele abstinentie, niets dan de maagdelijkheid, kan alleen beschouwd worden als een pseudo-kuischheid. De eenige positieve deugd, die Aristoteles op dit gebied kon erkend hebben was een matiging, die beperking van de lagere impulsen in zich sloot, een wijs uitoefenen en niet een niet-uitoefenen12. De beste denkers van de Christelijke Kerk hebben dezelfde opvatting gehad; de heilige Basilius hechtte in zijn belangrijke reglementen voor monniken geen waarde aan zelftucht als een doel op zichzelf, maar beschouwde ze als een werktuig, om den geest in staat te stellen, macht over het vleesch te krijgen. De heilige Augustinus verklaarde, dat zelfbeheersching alleen uitstekend is, als ze in praktijk gebracht wordt in het geloof aan het hoogste goed13, en hij beschouwde kuischheid als “een ordelijke beweging van de ziel, die lagere dingen ondergeschikt maakt aan hoogere dingen, en die voornamelijk moet blijken in huwelijksverhoudingen”; Thomas van Aquino die de kuischheid op veelal dezelfde wijze aanduidde, definieerde onreinheid als het smaken van sexueel genot dat niet van de rechte soort is, noch wat het voorwerp, noch wat de omstandigheden aangaat14. Maar een tijdlang werden de stemmen van de groote moralisten niet gehoord. De deugd der kuischheid was ondergegaan in den populairen Christelijken hartstocht voor de vernietiging van het vleesch, en dat gezichtspunt werd in de zestiende eeuw ten slotte geheiligd door het Concilie van Trente, dat formeel een banvloek uitsprak over iedereen, die zou willen verklaren, dat de staat van maagdelijkheid en celibaat niet beter was dan de huwelijksstaat. Nu behoort de pseudo-kuischheid, die waarde had alleen op grond dat iedere soort van zelfbeheersching beter was dan iedere soort van sexueele verhouding, tot het verleden, behalve voor hen, die aan oude ascetische geloofsbelijdenissen hangen. De mystieke waarde van de maagdelijkheid is verdwenen; zij schijnt in den geest van den modernen mensch alleen maar het denkbeeld op te wekkenvan een pikantheid, die begeerd wordt door den verstokten lichtmis; het zijn de mannen, die zelf al lang den leeftijd der onschuld voorbij zijn, die zooveel waarde hechten aan de onschuld van hun bruiden. De opvatting van levenslange zelfbeheersching als een ideaal is ook verdwenen; op zijn best wordt ze beschouwd als een zaak van persoonlijke voorkeur. En de conventioneele veinzerij van algemeene kuischheid, om voor respectabel te gelden, begint men te beschouwen als een bezwaar, eer dan als een hulp voor het kweeken van eenige werkelijke kuischheid15.

Het hooge belang van kuischheid, en zelfs van ascetisme, is nooit te eeniger tijd, of in een van levenskracht tintelende menschenmaatschappij, geheel zonder erkenning gebleven. Soms is de kuischheid in de schatting der menschen verheerlijkt en soms is ze naar beneden gehaald; ze heeft herhaaldelijk den aard van haar uitingen gewijzigd; maar ze is er altijd geweest. Wat meer zegt: zonder haar kan niemand een mooien, zelfs een deel van een mooien kijk op de Natuur hebben. “De glorie van de wereld wordt alleen gezien door een kuischen geest”, zeide Thoreau met zijn fijne overdrijving. “Voor een ieder, voor wien dit feit geen ontzagwekkend, maar toch mooi mysterie is, bestaan er geen bloemen in de Natuur”. Zonder kuischheid is het onmogelijk de waardigheid van sexueele liefde staande te houden. De maatschappij, waarin de waardeering daarvan tot een minimum daalt, is in de laatste stadia van ontaarding. Kuischheid heeft voor sexueele liefde een belang, dat ze nooit verliezen kan, en het allerminst tegenwoordig.Het is volkomen waar, dat gedurende de achttiende en negentiende eeuw vele moreel en intellectueel zeer hoogstaande mannen hetideaal van kuischheid uitdrukkelijk veroordeeld hebben. De groote Buffon weigerde kuischheid als een ideaal te erkennen en verwees toornig naar “die soort van krankzinnigheid, die de maagdelijkheid van een meisje tot iets wezenlijks gemaakt heeft”, terwijl William Morris eens, op de hem eigen openhartige wijze, in een bijeenkomst van deFellowship of the New Lifeverklaarde, dat het“ascetisme de meest weerzinwekkende ondeugd is, die de menschelijke natuur bezocht heeft”. Blake, hoewel hij in den meest conventioneelen zin een strikt moreel man was, voelt niets dan minachting voor kuischheid en voedt soms een soort van godsdienstigen eerbied voor het denkbeeld van onkuischheid. Ook Shelley, die in sexueele zaken misschien niet verstandig geweest is, maar die toch nauwelijks onkuisch genoemd kan worden, schijnt dikwijls godsdienst en moraal te verbinden niet met kuischheid, maar met onkuischheid, en ongeveer hetzelfde kan van James Hinton1gezegd worden. Maar al deze mannen—mèt andere mannen van een hoog karakter, die soortgelijke meeningen hebben uitgesproken—waren in opstand tegen valsche, decadente en conventioneele vormen van kuischheid. Zij kantten zich niet tegen een ideaal; zij trachtten een ideaal te stellen op de plaats waar zij bemerkten, dat een schadelijk voorwendsel prijkte als een moreele werkelijkheid.Wij kunnen geen ideaal van kuischheid aannemen, als we niet onbarmhartig alle onnatuurlijke en ledige vormen van kuischheid verwerpen. Als kuischheid alleen maar is een vermoeiende poging om in de sexueele sfeer te wedijveren met de prestaties van mannen, die voor hun beroep vasten, een poging, die al de krachten van het organisme verbruikt, en op geen grooter succes uitloopt dan de abstinentie die ze in zich heeft, dan is ze zeker een onwaardig ideaal. Als ze is een zwak zich onderwerpen aan een uiterlijke wet der conventie, omdat men geen moed heeft er mee te breken, dan is ze in het geheel geen ideaal. Als ze een moreel voorschrift is, dat door de eene sekse opgedrongen wordt aan de andere, dan is ze een onrechtvaardigheid en prikkelt tot verzet. Als ze is een zich onthouden van de gebruikelijke vormen van sexualiteit, die dan vervangen worden door meer abnormale of meer geheime vormen, dan is ze eenvoudig een onwerkelijkheid, gebaseerd op een verkeerde voorstelling. En als ze alleen is een uiterlijk aannemen van conventies zonder eenige verdere aanname, zelfs in de daad, dan is ze een verachtelijke klucht. Dit zijn de vormen vankuischheid, die, in de laatste twee eeuwen, vele fijngevoelige mannen met kracht hebben verworpen.Het feit, dat kuischheid of ascetisme een werkelijke deugd is, die aanleiding geeft tot mooie gebruiken, wordt duidelijk, als we ons voor oogen stellen, dat ze gebloeid heeft in alle tijden, in verband met alle soorten van godsdiensten en de meest verschillende moreele wetboeken. Wij vinden ze geldend onder natuurvolken, en de speciale deugden dier natuurvolken—harding, weerstandsvermogen en doodsverachting—zijn innig verbonden met het kweeken van kuischheid en ascetisme2. Het is waar, dat natuurvolken zelden een ideaal van kuischheid hebben in de lagere moderne beteekenis als een toestand van doorloopende abstinentie van sexueele verhoudingen, die dan op zichzelf verdienstelijk zou zijn, afgezien van ieder nut. Zij eeren kuischheid om de magische of werkelijke waarde ervan, als een methode van zelfbeheersching, die medewerkt tot het bereiken van belangrijke doeleinden. Het vermogen om pijn en dwang te verdragen is bijna altijd een hoofdbestanddeel bij het inwijden van jonge menschen tijdens de puberteit. De gewoonte, zich te onthouden van sexueelen omgang vóor oorlogs- of jachtexpedities en andere ernstige ondernemingen, die groote inspanning van spieren en hersenen vereischen is, welke de motieven ook zijn waar ze aan toegeschreven wordt, een wijze methode om kracht te sparen. De zeer ver verspreide gewoonte omgang te vermijden tijdens de zwangerschap en het zoogen, is weer een uitmuntende voorzorgsmaatregel in de sexueelehygiëne, die het onder de meer beschaafde volken zeer moeilijk is te blijven in acht nemen. Natuurvolken weten ook zeer wel hoe waardevol sexueele matigheid, te zamen met vasten en eenzaamheid is, om de geschiktheid te verkrijgen voor buitengewone geestelijke krachten.Zoo geeft C. Hill Tout (Journal Anthropological Institute, Jan.–Juni 1905, pp. 143–145) een belangwekkend verslag van de zelftucht, waaraan diegenen onder de Salische Indianen van Britsch Columbia zich onderwerpen, die shamanistische krachten trachten te verkrijgen. De psychische uitwerking van zulk oefenen op deze menschen is, naar Hill Tout zegt, boven allen twijfel verheven. “Ze stelt hen in staat daden van buitengewone kracht, behendigheid en uithoudingsvermogen te ondernemen en te volbrengen; en ze geeft hun nu en dan, behalve een algemeene verheffing van de zinnen, ontwijfelbaar clairvoyante en andere bovennatuurlijke geestelijke en lichamelijke krachten”. Ook aan de andere zijde van de wereld zijn, zooals aangetoond wordt door deReports of the Anthropological Expedition to Torres Straits(vol. V, p. 321), dergelijke gewoonten gebruikelijk om bovennatuurlijke krachten te verkrijgen.Er zijn fundamenteele psychologische redenen voor het veel voorkomen van het ascetisme en voor de opmerkelijke wijze, waarop het zelfvernietiging in zich sluit, zelfs acuut physiek lijden. Zulke pijn is een werkelijke psychische prikkel, vooral bij licht neurotische personen. Het bewijs hiervoor gaf een jonge vrouw, een patient van Janet, die leed aan geestelijke depressie en die gewoon was verlichting te vinden door even haar handen en voeten te branden. Zij begreep zelf duidelijk den aard van haar daden. “Ik voel”, zeide zij, “dat ik een krachtsinspanning doe, als ik mijn handen op de kachel houd, of als ik kokend water op mijn voeten giet; het is een daad van geweld en ze maakt mij wakker: ik voel, dat ze werkelijk door mijzelf gedaan wordt en niet door een ander … Een geestelijke inspanning op zichzelf is mij te moeilijk; ik moet er physieke krachtsinspanningen voor in de plaats stellen. Ik heb op geen andere wijze succes gehad; dat is alles; als ik mijzelf er toe breng mij te branden, maak ik mijn geest voor verscheidene dagen vrijer, lichter en actiever. Waarom spreekt gij van mijn behoefte aan zelfkastijding? Mijn ouders gelooven hieraan, maar het is belachelijk. Het zou een zelfkastijding zijn als het lijden aanbracht, maar ik geniet van dit lijden, het geeft mij mijn geestvermogens terug; het verhindert, dat mijn gedachten stilstaan; wat zou men niet doen om zulk een geluk te bereiken?” (P. Janet, “The Pathogenesis of Some Impulsions”,Journal of Abnormal Psychology, April 1906). Als wij dit psychologisch proces begrijpen, dan kunnen we beseffen hoe het komt, dat zelfs bij de hoogere godsdiensten, hoeveel ze overigens ook mogen verschillen, de praktische waarde van ascetisme en zelfkastijding bijna algemeen erkend is als noodzakelijk ter bereiking van den meest verheven godsdienstigen staat en met volkomen opgewektheid. “Ascetisme en extase zijn onafscheidelijk”, zooals Probst-Biraben aan het begin van een belangwekkend geschrift over het Mohammedaansche mysticisme opmerkt (“L’Extase dans le Mysticisme Musulman”,Revue Philosophique, Nov. 1906). Slechts door ascetisme bereikt men de geestelijke volmaking.Zoo komt het, dat natuurvolken in ruime mate hun dikwijls bewonderenswaardige handhaving van ascetisme niet gronden op den praktischen basis, die het zou rechtvaardigen, maar op den godsdienstigen grondslag, die in discrediet komt met het aangroeien van het verstand3. Maar zelfs als de nauwgezette voorschriften van natuurvolken, zoowel in sexueele als in niet-sexueele zaken zonder eenigen merkbaren gezonden basis zijn, dan kan toch niet gezegd worden dat ze volkomen nutteloos zijn, als zij er toe leiden zelfbeheersching en het gevoel van eerbied aan te moedigen4. Dezoogenaamde intelligente en praktische volken, die oorspronkelijke gebruiken opgeven, omdat die hun doelloos toeschijnen of zelfs belachelijk, moesten een nog fijner practischen zin hebben en een nog grooter verstand om te begrijpen dat, al zijn de redenen voor de gebruiken verkeerd geweest, toch de gebruiken zelf noodzakelijke methoden kunnen geweest zijn om persoonlijke en maatschappelijke capaciteiten te verkrijgen. Het gebeurt voortdurend in den loop van de beschaving, dat wij oude gebruiken moeten doen herleven, en dat wij ze moeten voorzien van nieuwe redenen.Als wij de moreele hoedanigheid van kuischheid onder de natuurvolken beschouwen, dan moeten we zorgvuldig die kuischheid afscheiden, die onder half barbaarsche volken uitsluitend aan vrouwen opgelegd is. Deze heeft in het geheel geen moreele hoedanigheid, want ze wordt niet uitgeoefend als een nuttige tucht, maar ze wordt alleen opgedrongen om de economische en erotische waarde van de vrouwen te verhoogen. Vele autoriteiten meenen, dat het beschouwen van vrouwen als eigendom, de ware oorzaak is voor het wijd verspreide aandringen op maagdelijkheid in bruiden. Zoo zegt A. B. Ellis, waar hij spreekt over de Westkust van Afrika (Yoruba-Speaking Peoples, pp. 183et seq.), dat meisjes van goeden stand verloofd worden terwijl ze nog slechts kinderen zijn, en dat ze zorgvuldig tegen mannen beschermd worden; terwijl meisjes van de lagere klassen zelden verloofd zijn, en mogen leven, zooals ze dat zelf willen. “In deze gewoonte van kinderverlovingen vinden we waarschijnlijk den sleutel tot dien merkwaardigen eerbied voor kuischheid vóór het huwelijk, die niet alleen gevonden wordt onder de stammen van de Goudkust en de Slavenkust, maar ook onder vele andere onbeschaafde volken in verschillende deelen der wereld”. In een geheel anderen streek, in Noord-Siberië, “zien de Yakuts”, zooals Sieroshevski zegt (Journal Anthropological Institute, Jan.—Juni 1901, p. 96), “niets immoreels in onwettige liefde, als er maar niemand materieele schade door ondervindt. Het is waar, dat ouders een dochter beknorren, als haar gedrag hen dreigt te berooven van hun deel aan den bruidsschat; maar als zij eenmaal de hoop verloren hebben haar uit te huwelijken, of als de bruidschat betaald is, dan vertoonen zij een volkomen onverschilligheid voor haar gedrag. Meisjes, die geen huwelijk meer verwachten, worden in het geheel niet teruggehouden; als zij het decorum in acht nemen, dan is dat alleen uit eerbied voor de gewoonte”. Westermarck toont ook (inHistory of Human Marriage, pp. 123et seq.) het verband aan tusschen de hooge achting voor de maagdelijkheid en de opvatting de vrouw als bezit te beschouwen, en als hij in zijn later werk,The Origin and Development of the Moral Ideas(vol. II, Ch. XLII), op de kwestie terugkomt, na er op gewezen te hebben, dat “het koophuwelijk zoo den standaard der vrouwelijke kuischheid heeft verhoogd”, verwijst hij (p. 437) naar het veelbeteekenend feit, dat het verleiden van een ongetrouwd meisje “voornamelijk, zoo niet uitsluitend, beschouwd wordt als een beleediging, aangedaan aan de ouders of de familie van het meisje”, en er is geen aanwijzing, dat natuurvolken ooit gemeend hebben, dat er eenig kwaad gedaan werd aan de vrouw zelf. Westermarck zegt terzelfder tijd, dat de voorkeur aan maagdelijkheid gegeven, ook een biologischen basis heeft in het instinctieve gevoel van jaloezie jegens vrouwen, die omgang hebben gehad met andere mannen, en vooral in de erotische bekoring, die er voor mannen gelegen is in den gemoedstoestand van verlegenheid, die met maagdelijkheid samengaat.Het is nauwelijks nodig hier bij te voegen, dat het aandringen op maagdelijkheid van bruiden in het geheel niet, zooals A. B. Ellis schijnt te meenen, beperkt is tot onbeschaafde volken, en het is ook niet noodig, dat het koopen van vrouwen er altijd mede samengaat. De voorkeur bestaat nogsteeds, niet alleen krachtens zijn natuurlijken biologischen basis, maar als een verfijning en uitbreiding van het denkbeeld dat de vrouw eigendom is, onder die volken, die evenals wijzelven een vorm van huwelijk hebben geërfd, die tot zekere hoogte gebaseerd is op den koop van de vrouw. Onder zulke omstandigheden heeft de kuischheid van een vrouw een belangrijke maatschappelijke functie te vervullen, daar ze, zooals Mrs. Mona Caird gezegd heeft (The Morality of Marriage, 1897, p. 88), de wachthond is van het bezit van den man. Het feit, dat geen element van ideale moraal in het geding komt, blijkt wel uit het gewoonlijk afwezig zijn van eenigen eisch van kuischheid vóór het huwelijk bij den man.Wij moeten niet meenen, dat, indien er, zooals meestal het geval is, geen volkomen en voortdurend verbod van buitenechtelijken omgang is, enkel onbeperkte vrijheid overheerschend is. Dat is blijkbaar nooit ergens onder onvervalschte natuurvolken het geval geweest. Regel is blijkbaar, dat er, evenals onder de stammen in Straat Torres (Reports Cambridge Anthropological Expeditionvol. v, p. 275), geen volkomen onthouding is vóór het huwelijk, maar ook geen onbeperkte vrijheid.Het voorbeeld van Tahiti is leerrijk wat het algemeen voorkomen van kuischheid betreft onder volken, die wij gewoonlijk beschouwen als op lagen trap van beschaving staande. Tahiti is, volgens allen, die het bezocht hebben, van de eerste onderzoekers af tot dien beroemden Amerikaanschen dokter wijlen Dr. Nicholas Senn toe, een eiland, dat eigenschappen bezit van natuurlijke schoonheid en uitmuntendheid van klimaat, die we onmogelijk te hoog kunnen stellen. “Ik scheen overgeplant te zijn in den hof van Eden”, zeide Bougainville in 1768. Maar, vooral onder den invloed van de eerste Engelsche zendelingen, die denkbeelden hadden over theoretische moraal, geheel verschillend van die van de bewoners van die eilanden, zijn de bewoners van Tahiti het geijkte voorbeeld geworden van een bevolking, overgegeven aan losbandigheid en al de verschrikkelijke gevolgen ervan. Zoo zegt William Ellis in zijn beroemdePolynesian Researches(second edition, 1832, vol. i Ch. IX), dat de bewoners van Tahiti “de ergste bevlekkingen in praktijk brachten, waaraan een mensch schuldig kon zijn”, hoewel hij ze niet nader aanduidt. Als wij echter zorgvuldig de verhalen van de eerste bezoekers van Tahiti nagaan, voordat de bevolking besmet werd door de aanraking met de Europeanen, dan wordt het duidelijk, dat deze beschouwing ernstig behoefte heeft aan wijziging. “De groote overvloed van goed en voedzaam voedsel”, schreef een der eerste onderzoekers, J. R. Forster (Observations Made on a Voyage Round the World, 1778, pp. 231, 409, 422), “gepaard met het mooie klimaat, de schoonheid en de toeschietelijkheid van de vrouwen van het land, noodigen zeer tot de vreugden en genoegens van de liefde. Zij beginnen al zeer vroeg zich over te geven aan de meest losbandige tooneelen. Hun liederen, hun dansen en dramatische uitvoeringen, ademen een geest van weelderigheid”. Toch wordt hij ieder keer gedrongen feiten mede te deelen, die blijk geven van de deugden van deze menschen. Hoewel tamelijk verwijfd van bouw, zijn ze athletisch, zegt hij. Bovendien vechten zij in hun oorlogen met grooten moed en ongeëvenaarde dapperheid. Verder zijn ze gastvrij. Hij merkt op, dat zij hun getrouwde vrouwen met grooten eerbied behandelen, en dat de vrouwen over het algemeen bijna de gelijken zijn van de mannen, zoowel in verstand als in maatschappelijke positie; hij geeft een mooie beschrijving van de vrouwen. “In het kort, hun karakter is zoo beminnelijk”, besluit Forster, “als dat van eenige natie, die ooit onverbeterd uit de handen der Natuur kwam”, en hij merkt op, dat, zooals door de volken van de Zuidzee in het algemeen gevoeld werd, we altijd, als we naar dit gelukkige eiland kwamen, duidelijk den rijkdom en het geluk van zijn inwoners konden bemerken.Het is ook opmerkelijk, dat ondanks het groote belang, dat de bewoners van Tahiti hechtten aan de erotische zijde van het leven, zij niet te kort schoten in eerbied voor de kuischheid. Toen Cook, die Tahiti verscheidene malenbezocht, te midden van “dit welwillende en menschlievende” volk was, merkte hij hun achting voor kuischheid op, en bevond hij, dat, niet alleen verloofde meisjes streng bewaakt werden voor het huwelijk, maar dat men ook meende, dat mannen, die zich eenigen tijd voor het huwelijk van sexueelen omgang onthouden hadden, bij hun dood onmiddellijk naar het verblijf der gezegenden overgingen. “Hun gedrag schijnt, bij alle gelegenheden, een groote openhartigheid en edelmoedigheid van aard aan te duiden. Ik heb ze nooit, onder welke moeilijkheid ook, zien werken onder een schijn van angst, nadat het kritieke oogenblik voorbij was. En ook schijnt nooit de zorg hun voorhoofd te rimpelen. Integendeel kan zelfs de nadering van den dood hun gewone levendigheid niet veranderen” (Third voyage of Discovery, 1776–1780). Turnbull bezocht Tahiti op een lateren tijd, (A Voyage Round the World in 1800, etc., pp. 374–5), maar terwijl hij allerlei ondeugden onder hen vindt, moet hij toch hun deugden erkennen: “Hun wijze van vreemdelingen toe te spreken, is, van den koning tot den minsten onderdaan, in de hoogste mate beleefd en minzaam … Zij leven voorzeker onder elkaar in meer harmonie dan het de gewoonte is onder Europeanen. Den geheelen tijd, dat ik onder hen verkeerde, heb ik nooit zoo iets als een gevecht gezien … Ik herinner mij niet, dat ik ooit een bewoner van Tahiti gezien heb, die uit zijn humeur was. Zij bespotten elkaar vrijer dan de Europeanen, maar deze spotternijen worden nooit slecht opgenomen … Wat voedsel aangaat, is het, geloof ik, een onveranderlijke wet in Tahiti, dat al wat de een bezit, voor allen gemeenschappelijk is”. Zoo zien we, dat zelfs bij een volk, waarnaar gewoonlijk verwezen wordt als naar het voorbeeld bij uitnemendheid van een natie, die overgegeven is aan onbeteugelde losbandigheid, de eischen der kuischheid werden erkend, en vele andere deugden krachtig bloeiden. De bewoners van Tahiti waren dapper, gastvrij, vol zelfbedwang, beleefd, zij sloegen acht op de behoeften van anderen, waren ridderlijk voor vrouwen, waardeerden zelfs de voordeelen van sexueele beperking, in een mate, zooals ze zelden of misschien wel nooit gekend is onder die Christelijke naties, die op hen hebben neergezien, alsof ze overgegeven waren aan verschrikkelijke ondeugden.Als wij ons van de natuurvolken afwenden naar de volken in de barbaarsche en de beschaafde stadiën, vinden wij een algemeene neiging tot kuischheid, in zoover ze een gewoon bezit is onder de lagere klassen, die minder in acht genomen behoeft te worden, of alleen maar behouden wordt als een traditioneele conventie, die in onbruik begint te geraken. De oude beweegredenen voor de kuischheid in primitieve godsdiensten entabuhebben hun kracht verloren en geen nieuwe beweegredenen zijn ervoor in de plaats gekomen. “Hoewel de vooruitgang der beschaving”, schreef Gibbon lang geleden, “ongetwijfeld er toe bijgedragen heeft de woestere hartstochten van de menschelijke natuur te verzachten, schijnt ze minder gunstig geweest te zijn voor de deugd der kuischheid”, en Westermarck komt tot het besluit, dat “ongeregelde betrekkingen tusschen de seksen over het geheel een neiging hebben vertoond zich met den voortgang van de beschaving te ontwikkelen”.Het voornaamste verschil in de maatschappelijke functie van kuischheid als deugd, schijnt bij den overgang van primitieve toestanden tot de hoogere stadiën van beschaving, te zijn, dat ze ophoudt te bestaan als een algemeene hygiënische maatregelof als een algemeene regel van ceremonieel, en voor het grootste deel beperkt wordt tot speciale philosofische en godsdienstige sekten, die ze tot een uitersten graad, min of meer als een beroep aankweeken. Dit is de stand van zaken in het Romeinsche Keizerrijk tijdens de eerste eeuwen van het Christelijk tijdperk5. Het Christendom zelf was in het begin een van die sekten, welke bekoord waren door het ideaal van de kuischheid; maar door zijn grootere levenskracht verving het al de andere en drong ten slotte zijn idealen, niet zijn primitieve gebruiken, op aan de Europeesche maatschappij in het algemeen.De kuischheid vertoonde zich in het primitieve Christendom op twee verschillende, toch niet aan elkaar tegenovergestelde wijzen. Aan den eenen kant nam het een strengen en praktischen vorm aan bij krachtige mannen en vrouwen, die, na opgevoed te zijn in een maatschappij, die een hoogen graad van sexueele vrijheid toestaat, plotseling overtuigd werden van het zondige van zulk een toegeven. De strijd met de maatschappij, waarin ze geboren waren, en met hun eigen oude aandriften en gewoonten, werd zoo hevig, dat zij zich dikwijls gedrongen zagen zich geheel van de wereld terug te trekken. Zoo kwam het, dat de dorre woestijnen van Egypte bevolkt werden met hermieten, die zich voornamelijk bezig hielden met het vraagstuk, hun eigen vleesch te onderwerpen. Men kan wel zeggen, dat hun aandacht voor sexueele zaken, ook merkbaar in de oudste Christelijke literatuur, veel grooter was, dan het geval was in de heidensche maatschappij, die zij verlaten hadden. Het heidendom was toegevend in sexueele aangelegenheden, en kon ze dus uit zijn gedachten bannen, zoodat we in de klassieke literatuur zeer weinig melding vinden gemaakt van sexueele bijzonderheden, behalve bij schrijvers zooals Martialis, Juvenalis en Petronius, die ze speciaal voor satirische doeleinden invoeren. Maar de Christenen konden niet ontsnappen aan de benauwenis der sexualiteit; ze was altijd met hen. Wij krijgen nu en dan belangwekkende kijkjes op hun worstelingen, in de Brieven van den heiligen Jeronimus, die zelf een athleet geweest is in dezen ascetischen strijd.“O, hoe dikwijls”, schreef de heilige Jeronimus aan Antiochia, de maagd aan wie hij een van de langste en meest belangwekkende van zijn brieven richtte, “heb ik in de woestijn, in die wijde eenzaamheid, die, verbrand door de gloeiende stralen der zon, slechts een afschuwelijke woonplaats aanbiedt aan monniken, mijzelf voorgesteld te midden van de genoegens van Rome! Ik was alleen, want mijn ziel was vol bitterheid. Mijn ledematen waren bedekt met een ellendigen zak en mijn huid was zoo zwart als die van een Ethiopiër.Iederen dag weende en steunde ik, en als ik buiten mijn wil door slaap overvallen werd, lag mijn magere lichaam op den naakten grond. Ik zeg niets van mijn voedsel en drank, want in de wildernis hebben zelfs zieken geen anderen drank dan koud water, en gekookt voedsel wordt beschouwd als een weelde. Nu dan, ik, die mijzelf uit vrees voor de hel tot deze gevangenis veroordeeld had, een metgezel van schorpioenen en wilde dieren, scheen dikwijls in mijn verbeelding onder troepen jonge meisjes te vertoeven. Mijn gezicht was bleek van het vasten en mijn geest in mijn koude lichaam gloeide van begeerte; het vuur der wellust vlamde nog op in een lichaam, dat reeds dood scheen. Dan, van alle hulp verstoken als ik was, wierp ik mij voor de voeten van Jezus, waschte ze met mijn tranen en droogde ze met mijn haren en bracht mijn vleesch door lang vasten ten onder. Ik herinner mij, dat ik meer dan eens den nacht doorbracht schreeuwende en mij op de borst slaande, tot God mij vrede zond”. “Onze eeuw”, schreef de heilige Chrysostomus in zijnDiscourse to Those Who keep Virgins in Their Houses, “heeft vele mannen gezien, die hun lichamen met kettingen gebonden hebben, die zich gekleed hebben in zakken, die zich teruggetrokken hebben tot de toppen der bergen, waar zij geleefd hebben in voortdurend bidden en vasten, en die het voorbeeld gaven van de strengste tucht en alle vrouwen verboden den drempel van hun nederige woning te overtreden; en toch, ondanks al de gestrengheid, die zij op zichzelf toepasten, konden zij nog maar met moeite de woede van hun hartstochten onderdrukken”. Hilarion, zegt Jeronimus, zag visioenen van naakte vrouwen als hij neerlag op zijn eenzaam leger, en heerlijke maaltijden, als hij neerzat aan zijn sober maal. Zulke ondervindingen maakten de eerste heiligen zeer nauwgezet. “Zij zeiden”, zoo vertelt men ons in de belangwekkende geschiedenis van de Egyptische kluizenaars in hetParadise of the Holy Fathersvan Palladius, hetwelk behoort tot de vierde eeuw (A. W. Budge,The Paradise, vol. II, p. 129), “dat Abbâ Isaac uitging en op den weg een voetspoor van een vrouw vond, en hij dacht er over na in zijn geest en vernietigde hem, zeggende, “als een broeder hem ziet, zou hij kunnen vallen”.”Evenzoo mochten, volgens de regels van den heiligen Caesarius van Arles voor nonnen, geen kleedingstukken van mannen in het klooster gebracht worden om ze te wasschen of te verstellen. Zelfs in den ouderdom bleef er nog een zekere ongerustheid bestaan over de kuischheid. Een van de broeders, naar ons verteld wordt inThe Paradise(p. 132) zeide tot Abbâ Zeno, “Zie, gij zijt oud geworden, hoe ishetmet de ontucht?” De waardige heilige antwoordde, “Ze klopt aan, maar ze gaat voorbij”.Naarmate de eeuwen voorbijgingen bleef dezelfde groote ongerustheid nog bestaan, en de oude strijd kwam voortdurend weer voor den dag (zie b.v. Migne’sDictionnaire d’Ascétisme, art. “Démon, Tentation du”). Het is waar, dat sommige heiligen zoo bovenaardsch aangelegd waren, dat zij nooit den prikkel van het sexueel verlangen gevoelden. Deze schijnen echter uitzondering geweest te zijn. De heilige Benedictus en de heilige Franciscus ondervonden zeer zeker de moeilijkheid van het ten onder brengen van het vleesch. De heilige Magdalena de Pozzi rolde zich, om sexueele verlangens te verjagen, tot bloedens toe op doornige struiken. Sommige heiligen hadden een speciale ton met water in hun cellen waar ze in konden gaan staan (Lea,SacerdotalCelibacy, vol. I, p. 124). Aan den anderen kant vertelt ons de heilige Angela de Fulginio in haarVisiones(cap. XIX) dat zij, zoolang, totdat haar biechtvader het haar verbood, brandende kolen in haar geheime deelen bracht, in de hoop door werkelijk vuur het branden van de ontuchtige begeerte uit te dooven. St. Aldhelm, de heilige bisschop van Sherborne in de achtste eeuw, nam ook een homoeopathische wijze van behandelen aan, en dan van een meer letterlijke soort, want William van Malmsbury zegt, dat hij, als hij door het vleesch in verleiding kwam, vrouwen bij zich liet komen zitten en liggen, totdat hij weer kalm werd; de methode bleek zeer doelmatig, omdat, naar men meende, de Duivel voelde, dat hij voor den gek was gehouden.Na eenigen tijd werd de Katholieke praktijk en theorie van het ascetisme meer formeel en uitgebreid, en de weldadige gevolgen ervan strekten zich, naar men meende, verder uit dan het individu zelf. “Ascetisme van het Christelijk standpunt”, schrijft Brenier de Montmorand in een belangwekkende studie (“Ascétisme et Mysticisme”,Revue Philosophique, Maart, 1904) “is niets anders dan al de therapeutische middelen, samenwerkend tot moreele heiliging. De Christelijke asceet is een athleet, die zijn verdorven natuur tracht te veranderen en een weg tot God te banen door de hinderpalen heen, die door zijn hartstochten en door de wereld veroorzaakt worden. Hij werkt niet alleen in zijn eigen belang, maar—door den terugslag van verdienste, welke die der solidariteit in de dwaling weer goed maakt—voor het nut en het heil van de geheele maatschappij”.Dit is het gezichtspunt van de ascese, waarop het oudste Christendom het meest den nadruk gelegd heeft. Maar er is een ander gezichtspunt, dat misschien minder gewoon is, maar dat in het geheel niet minder van belang is geweest. Primitieve Christelijke kuischheid was aan den eenen kant een strenge tucht. Aan den anderen kant was ze romantisch en dit was wel de meest speciaal Christelijke kant, want athletisch ascetisme is verbonden geweest met de meest verschillende godsdienstige en philosofische geloofsbelijdenissen. Als ze niet de bekoring bezeten had van een nieuwe sensatie, van een verrukkelijke vrijheid, van een onbekend avontuur, dan zou ze nooit de Europeesche wereld veroverd hebben. Er zijn er in die wereld maar enkelen, die den aanleg voor moreele athleten in zich hebben; er zijn er velen, die op de aantrekkelijkheid van het romantische reageeren.De Christenen verwierpen de grovere vormen van sexueel toegeven, maar terwijl ze dat deden, gaven zij zich met des te meer ijver over aan de meer verfijnde vormen van sexueele intimiteit. Zij kweekten een verhouding aan van broeders en zusters, zij kusten elkaar; op een bepaalden tijd schaamden zij zich niet, bij de geestelijke braspartij van den doop bij voorbeeld, volkomen naakt te zijn6.Een zeer leerrijk beeld van de vormen, die de kuischheid onder de eerste Christenen aannam, is ons gegeven in de verhandeling van den heiligen ChrysostomusAgainst Those who Keep Virgins in their Houses. Onze vaders, begint Chrysostomus, kenden alleen maar twee vormen van sexueele intimiteit, huwelijk en ontucht. Nu is er een nieuwe vorm voor den dag gekomen: mannen nemen jonge meisjes in hun huis en houden die daar doorloopend, terwijl ze haar maagdelijkheid eerbiedigen. “Wat”, vraagt Chrysostomus, “is de reden? Het schijnt mij toe, dat het leven te zamen met een vrouw, aangenaam is, zelfs buiten huwelijksvereeniging en vleeschelijken omgang. Dat is mijn gevoelen; en misschien is hetniet mijn gevoelen alleen; het is misschien ook het gevoelen van deze mannen. Zij zouden hun eer niet zoo te grabbel gooien en geen aanleiding geven tot zulke schandalen, als dit genoegen niet hevig en tyranniek was.… Dat deze verhouding werkelijk genoegen geeft, dat ze een liefde veroorzaakt, die vuriger is dan huwelijksvereeniging, zal u misschien in het eerst verwonderen. Maar als ik u de bewijzen geef, zult ge overtuigd zijn van de waarheid mijner bewering”.In het huwelijk, gaat hij voort, leidt de afwezigheid van beperking der begeerte dikwijls tot spoedige walging, en zelfs afgezien daarvan verwoesten de sexueele omgang, zwangerschap, geboorte, het zoogen, het opvoeden van kinderen, en al de moeiten en pijnen en angsten, die met deze dingen samengaan, de jeugd en stompen het genoegen af. De maagd is vrij van deze lasten. Zij behoudt haar kracht en jeugd, en zelfs op den leeftijd van veertig kan zij wedijveren met het jonge huwbare meisje. “Een dubbele gloed brandt dus in het hart van hem, die haar liefheeft en met haar leeft, en nooit dooft de bevrediging van het verlangen de heldere vlam, die voortdurend in kracht toeneemt”. Chrysostomus beschrijft in bijzonderheden al de kleine zorgen en attenties, waaraan de moderne meisjes van zijn tijd behoefte hadden, en die deze mannen met vreugde aan hun maagdelijke geliefden besteedden, zoowel in het publiek als tehuis. Hij kan echter niet nalaten te denken, dat de man, die een vrouw, wier maagdelijkheid hij eerbiedigt, met kussen en liefkoozingen overlaadt, zichzelf Tantaluskwellingen aandoet. Maar deze nieuwe verfijning van teedere kuischheid, die als een heerlijkeontdekkingkwam tot de eerste Christenen, die resoluut de losbandigheid van de heidensche wereld hadden verworpen, had diepe wortels geschoten, zooals wij kunnen opmerken uit de veelvuldigheid, waarmee de ernstige Kerkvaders, bang voor schandaal, zich geroepen gevoelden ze te laken, hoewel hun veroordeeling soms niet zonder geheime sympathie is7.Er was éen vorm, waarin de nieuwe Christelijke kuischheid overvloedig en ongehinderd bloeide: zij maakte zich meester van de literatuur. De bekoorlijkste en zeker de meest populaire literatuur van de oudste kerk vormden de onnoemelijk vele legenden van erotische kuischheid—tot zekere hoogte misschien wel gebaseerd op feiten—die samengevat zijn in deActa Sanctorum. Wij kunnen, zelfs in de meest eenvoudige en weinig wonderbaarlijkeoudste Christelijke verslagen van het martelaarschap van vrouwen zien, dat de schrijvers zich volkomen bewust waren van de teere bekoring van de heldin, die, evenals Perpetua, in Carthago, door wilde dieren in de arena heen en weer geworpen, opstaat om zich in haar gescheurde kleeren te hullen en haar verwarde haren in orde te brengen8. Van deze legenden tot de verhalen van romantisch avontuur was een gemakkelijke stap. Onder deze heerlijke verhalen mag ik voornamelijk verwijzen naar de legende van Thekla, die, misschien wel ten onrechte, al in de eerste eeuw gesteld wordt, “De Bruid en Bruidegom van Indië” in de handelingen vanJudas Thomas, “De Maagd vanAntiochië”, verteld door den heiligen Ambrosius, de geschiedenis van “Achillus en Nereus”, “Mygdonia en Karish”, en “Twee Minnenden van Auvergne”, zooals ze verteld zijn door Gregorius van Tours. De oudste Christelijke literatuur is vol van verhalen van minnenden, die hun kuischheid bewaard hadden, en die toch de heerlijkste geheimen van de liefde hadden ontdekt.Thekla’s dag is de drie en twintigste September. Er is een zeer goede Syrische lezing (door Lipsius en anderen beschouwd als ouder dan de Grieksche vertaling) van deHandelingen van Paul en Thekla(zie b.v. van Wright, deApocryphal Acts). Deze Acts behooren tot het tweede gedeelte van de tweede eeuw. De geschiedenis is, dat Thekla, daar ze weerstand bood aan den hartstocht van den hoogepriester vanSyrië, naakt op een gordel (subligaculum) na, geplaatst werd op den rug van een leeuwin, die haar de voeten likte en tegen de andere dieren vocht, en die bij haar verdediging stierf. De andere dieren deden haar echter geen kwaad en zij werd eindelijk los gelaten. Een koningin overlaadde haar met geld, zij veranderde haar kleeding om er als een man uit te zien, ging op reis om Paulus te ontmoeten, en bereikte een hoogen ouderdom. Sir W. M. Ramsay heeft een belangwekkende studie over dezeHandelingengeschreven (The Church in the Roman Empire, hoofdstuk XVI). Hij meent, dat deHandelingenhun grondslag vinden in een document uit de eerste eeuw, en hij ziet kans om verscheidene elementen van waarheid uit het verhaal los te warren. Hij zegt, dat het het eenige bewijs is, hetwelk wij bezitten van de denkbeelden en van de daden van vrouwen gedurende de eerste eeuw in Klein-Azië, waar haar positie zoo hoog was en haar invloed zoo groot. Thekla vertegenwoordigt de handhaving van de rechten der vrouw en zij diende het sacrament van den doop toe, hoewel deze trekken in de bestaande vertalingen van deHandelingenonduidelijk geworden zijn of uitgewischt.Sommige van de meest typische van deze Christelijke legenden worden beschreven als Gnostisch in oorsprong, met iets van de zaden van het Manichaeisch dualisme, die vervat waren in den schoot van het gnosticisme, terwijl de geest van deze legenden ook zeer Montanistisch is, met de gemengde kuischheid en gloed, den uitgesproken feministischen toon, die past bij den oorsprong ervan in Klein-Azië, en die het kenmerk was van het Montanisme. Het kan echter niet ontkend worden, dat zij in grooten getale overgingen in den stroom van Christelijke traditie, en een essentieel en belangwekkend deel van die traditie vormen. (Renan wijst, in zijnMarc-Aurèle, hoofdst. IX en XV, op de enorme schuld van het Christendom aan Gnostische en Montanistischebijdragen). Een karakteristiek voorbeeld is de geschiedenis van “De Verloofde uit Indië” in deHandelingenvanJudas Thomas(Wright’sApocryphal Acts). Judas Thomas werd door zijn meester Jezus verkocht aan een Indischen koopman, die een timmerman noodig had om met hem naar Indië te gaan. Toen ze zich in de stad Sandaruk ontscheepten, hoorden ze de tonen van muziek en zang, en werd hun verteld, dat het het huwelijksfeest was van de dochter des konings, waarbij allen moesten tegenwoordig zijn, rijken en armen, slaven en vrijen, vreemdelingen en burgers. Judas Thomas ging, met zijn nieuwen meester naar het feestmaal en lag aan, met een myrthe guirlande op zijn hoofd geplaatst. Toen een Joodsche fluitspeler kwam en tegenover hem ging staan en speelde, zong hij de liederen van Christus, en zij zagen, dat hij schooner was dan allen, die daar waren en de koning liet hem roepen om het jonge paar te zegenen in de huwelijkskamer. En toen zij allen weg waren gegaan en de deur van de huwelijkskamer gesloten was, naderde de bruigom de bruid, en het scheen hem toe, alsof Judas Thomas nog met haar praatte. Maar het was onze Heer, die tot hem zeide: “Ik ben niet Judas, maar zijnen broeder”. En onze Heer zat neer op het bed naast de jonge menschen en begon tot ze te zeggen: “Herinner u, mijn kinderen, wat mijn broeder tot u gesproken heeft, en weet aan wien hij u opgedragen heeft, en weet, dat als gij uzelven bewaart voor dien onreinen omgang, gij reine tempels zult worden en beveiligd tegen vele en verborgen smarten en tegen den zwaren zorg van kinderen, waarvan het einde altijd bittere smart is. Om hunnentwille zult gij onderdrukkers worden en roovers, en gij zult bitter lijden door hun verkeerdheden. Want kinderen zijn de oorzaak van vele ellenden; hetzij de koning beslag op hen legt, of dat een duivel ze te pakken neemt, of dat zij bezocht worden door verlamming. En als zij gezond zijn, komen zij tot het kwade, door echtbreken of diefstal, of ontucht of begeerte, of ijdelheid. Maar als gij u door mij wilt laten raden, en uzelven rein voor God zult bewaren, dan zult gij levende kinderen hebben, tot wie geen van deze ellenden en bezwaren komen; en gij zult zonder zorg zijn en zonder ergernis en zonder smart, en gij zult hopen op den tijd, waarop gij het ware huwelijksfeest zult aanschouwen”. Het jonge paar was overtuigd; zij zagen van den wellust af en onze Heer verdween. En ’s morgens toen de dag aanbrak, liet de koning de tafel vroeg aanrichten, en bracht die binnen bij den bruidegom en de bruid. En hij vond ze tegenover elkaar zitten, en het gelaat der bruid was onbedekt en de bruidegom was zeer vroolijk. De moeder van de bruid zeide tot haar: “Waarom zit je zoo en schaam je je niet, maar doet net alsof je al lang getrouwd waart, vele dagen?” En ook haar vader zeide tot haar: “Is het de groote liefde voor je echtgenoot, die je ervan terughoudt je te sluieren?” En de bruid antwoordde en zeide: “Waarlijk vader, mijn liefde is zeer groot, en ik bid den Heer, dat ik deze liefde, die ik vannacht ondervonden heb, zal blijven behouden. Ik ben niet gesluierd, omdat de sluier der verdorvenheid van mij afgenomen is, en ik schaam mij niet, omdat de daad, die schaamte geeft, ver van mij verwijderd is, en ik ben opgewekt en vroolijk, en ik veracht deze daad der verdorvenheid en de vreugden van dit huwelijksfeest, omdat ik uitgenoodigd ben tot het ware huwelijksfeest, Ik heb met mijn echtgenoot geen omgang gehad, waarvan het einde bitter berouw is, omdat ik verloofd ben met den waren Echtgenoot”. De echtgenoot antwoordde ook in dezelfden geest, zeer natuurlijk tot schrik van den Koning, die een bode zond naar den toovenaar, aan wien hij gevraagd had zijn ongelukkige dochter te zegenen. Maar Judas Thomas had de stad reeds verlaten en in de herberg, waar hij gelogeerd had, vond de bottelier van den Koning alleen den fluitspeler, die daar zat en weende, omdat hij hem niet meegenomen had. Hij was echter blij, toen hij hoorde wat er gebeurd was, haastte zich naar het jonge paar en woonde daarna altijd met hen samen. De Koning werd ten slotte ook verzoend en alles eindigde in kuischheid en geluk.In deze zelfdeHandelingenvanJudas Thomas, die niet van later datumzijn dan van de vierde eeuw, vinden we (vierde daad), de geschiedenis van Mygdonia en Karish. Mygdonia, de vrouw van Karish, wordt door Thomas overtuigd en vlucht, naakt, alleen bedekt door een gordijn van de kamerdeur, dat zij omgeslagen heeft, van haar echtgenoot naar haar oude min. Met de min gaat zij naar Thomas, die heilige olie over haar hoofd giet, terwijl hij de min verzoekt haar er geheel mee te zalven; dan wordt er een laken om haar lendenen geslagen en hij doopt haar; waarna zij aangekleed wordt en hij haar het sacrament geeft. De jonge verrukking over de kuischheid wordt soms lyrisch, en Judas Thomas roept uit: “Reinheid is de athleet, die niet overwonnen wordt. Reinheid is de waarheid, die niet terugdeinst. Reinheid is waardig voor God, een vertrouwde dienares voor Hem te zijn. Reinheid is de boodschapper van eendracht, die de vredestijdingen brengt”.Een andere kuischheidslegende wordt gegeven in de episode van Drusiana inThe history of the Apostles, die volgens de traditie toegeschreven wordt aan Abdias, den Bisschop van Babylon (Bk. v. hoofdst. IV,et seq.). Drusiana is de vrouw van Andronicus; ze is zoo vroom, dat ze geen omgang met hem wil hebben. De jongeling Callimachus wordt doodelijk op haar verliefd, en zijn verliefde pogingen hebben vele opwindende avonturen ten gevolge, maar ten slotte overwint de kuischheid van Drusiana.Eenkarakteristiekvoorbeeld van de literatuur die wij hier bedoelen, is de geschiedenis van den heiligen Ambrosius over “de Maagd in het Bordeel” (verteld in zijnDe Virginibus, Migne’s editie van de werken van Ambrosius, deelen iii–iv, p. 211). Een zekere maagd, vertelt de heilige Ambrosius ons, die onlangs in Antiochië woonde, werd veroordeeld om òf aan de goden te worden geofferd òf om naar het bordeel te gaan. Zij koos het laatste alternatief. Maar de eerste man, die bij haar binnen kwam, was een Christen soldaat, die haar “zuster” noemde en die haar verzocht niet te vreezen. Hij stelde voor, dat zij van kleederen zouden verwisselen. Dit werd gedaan en zij ontsnapte, terwijl de soldaat weggevoerd werd, om ter dood gebracht te worden. Op de plaats van de terechtstelling kwam zij echter te voorschijn en riep, dat het niet den dood was, dien ze vreesde, maar de schande. Hij stond er echter op, dat hij in haar plaats ter dood veroordeeld werd. Ten slotte werd de kroon van het martelaarschap, waarvoor ze gestreden hadden, aan beiden toegekend.In de oudere documenten van deze romantische literatuur der kuischheid nemen we voortdurend waar, dat er op kuischheid aangedrongen wordt, volstrekt niet voornamelijk om de belooning ervoor na den dood, en ook zelfs niet, omdat de maagd, die er zich aan wijdt, in Christus een altijd jongen minnaar ziet, wiens guldenharige schoonheid soms met nadruk vermeld wordt. De voornaamste bekoring ervan ligt in de eigen vrijheid, en in de zekerheid, dat men ontkomt aan al de moeiten, ongemakken en banden van het huwelijk. Deze oudste Christelijke beweging van romantische kuischheid was klaarblijkelijk in groote mate een opstand van vrouwen tegen de mannen en tegen het huwelijk. Dit wordt wel duidelijk uit de leerzame geschiedenis, die men veronderstelt dat haar oorsprong heeft in de derde eeuw, van de eunuchen Achilles en Nereus, zooals ze verteld wordt in deActa Sanctorum, van den 12en Mei. Achilles en Nereus waren Christelijke eunuchen van de slaapkamer van Domitia, een maagd van edele geboorte, die verwant was aan Keizer Domitianus en verloofd met Aurelianus, den zoon van den consul. Eens, toen hun meesteres bezig was zich te versieren met haar juweelen en haar purperen gewaden, met goud geborduurd, begonnen zij om beurten haar te spreken over al de genoegens en voordeelen van de maagdelijkheid, vergeleken met een huwelijk met niet meer dan één man. Zij had ten gevolge daarvan veel te lijden van Aurelianus, en toen hij bewerkte, dat zij naar een eiland verbannen werd, ging zij daarheen met Achilles en Nereus, die ter dood gebracht werden. Als een onderdeel van het verhaal wordt de dood van Felicula, een andere kuischheidsheldin, beschreven. Toen zij op de pijnbank gelegd werd,weigerde zij voortdurend Jezus te verloochenen, dien zij haar minnaar noemde. “Ego non nego amatorem meum”.Een speciale afdeeling van deze literatuur heeft betrekking op de geschiedenissen van de bekeeringen of het berouw van courtisanes. De heilige Martinianus bijvoorbeeld (Feb. 13) werd in verleiding gebracht door de courtisane Zoe, maar bekeerde haar. De geschiedenis van de heilige Margaretha van Cortona (Feb. 22),een berouwvolle courtisane, is van lateren datum, want zij behoort tot de dertiende eeuw. Het mooiste document in deze literatuur is waarschijnlijk de laatste, de Italiaansche stichtelijke legende uit de veertiende eeuw, genaamdThe Life of Saint Mary Magdalen, die gewoonlijk in verband gebracht wordt met den naam van Frater Dominico Cavalca. (Ze is in het Engelsch vertaald). Het is de zoo fijn en mooi vertelde legende van de kuische en hartstochtelijke liefde van de beminnelijke zondares Maria Magdalena voor haar geliefden Meester.Naarmate de tijd verliep, werd het aandringen op de vreugden van de kuischheid in dit leven minder in het oog vallend, en werd zij meer en meer beschouwd als de toestand, die alleen zijn volledige belooning vindt in het toekomstig leven. Toch worden zelfs in de bekoorlijke geschiedenis van Gregorius van Tours van “De Twee minnenden van Auvergne”, waarin deze houding duidelijk is, de genoegens van kuische liefde in dit leven evenzeer op den voorgrond gesteld als in een van de eerste legenden (Historia Francorum, lib. I, hoofdst. XLII). Twee senatoren van Auvergne hadden ieder een eenig kind en die verloofden zij met elkaar. Toen de huwelijksdag kwam en het jonge paar te bed gelegd was, keerde de bruid zich naar den muur en weende bitterlijk. De bruidegom smeekte haar hem te zeggen wat er was; toen keerde zij zich tot hem en zeide, dat zij haar verdriet niet kon uitwisschen, al zou zij al de dagen van haar leven weenen, want dat zij besloten had haar kleine lichaam onbevlekt aan Christus te geven, onaangeroerd door mannen; nu had zij in plaats van onsterfelijke rozen alleen maar verlepte rozen op haar voorhoofd gehad, die het eer mismaakten dan dat zij het versierden, en in plaats van den bruidsschat van het Paradijs, dien Christus haar beloofd had, was zij de echtgenoote geworden van een sterfelijk man. Zij beklaagde haar droevig lot lang en met veel liefelijke welsprekendheid. Ten laatste voelde de bruidegom, door haar lieve woorden overtuigd, dat het eeuwige leven voor hem geschenen had als een groot licht, en verklaarde hij, dat als zij zich wenschte te onthouden van vleeschelijke begeerten, hij dat ook wilde. Zij was zeer dankbaar, en met gevouwen handen vielen zij in slaap. Verscheidene jaren leefden zij zoo te zamen, in kuischheid hetzelfde bed deelende. Ten slotte stierf zij en werd begraven; haar minnaar gaf haar onbevlekt over in de handen van Christus. Spoedig daarna stierf ook hij en werd in een afzonderlijke graftombe begraven. Toen geschiedde er een wonder, dat de grootschheid van deze kuische liefde duidelijk in het licht stelde, want de twee lichamen werden gevonden, op geheimzinnige wijze bijeen geplaatst. Tot op dezen dag, zoo besluit Gregorius (schrijvende in de zesde eeuw), noemen de menschen van de plaats hen “De Twee Minnenden”.Hoewel Renan (Marc-Aurèle, hoofdst. XV) met korte woorden de aandacht op het bestaan van deze uitgebreide oude Christelijke literatuur vestigt, die de romantiek der kuischheid voortzet, schijnt ze tot nog toe weinig of niet bestudeerd te zijn. Ze heeft echter groot belang, niet alleen om zichzelf, maar ter wille van de psychologische beteekenis, daar ze den aard van de beweegkrachten duidelijk maakt, die de kuischheid gemakkelijk en aantrekkelijk maakten voor de menschen van de vroegste Christelijke wereld, zelfs als ze volkomen sexueele abstinentie met zich bracht. De oude Kerk vervloekte de erotiek van de Heidensche wereld en bande ze uit op de meest krachtdadige wijze door een eigen nieuwe en fijnere erotiek er voor in de plaats te stellen.Gedurende de middeleeuwen begon de oorspronkelijke frischheidvan de Christelijke kuischheid haar bekoring te verliezen. Geen kuischheidslegenden werden geschreven en in het werkelijke leven zochten de menschen geen avonturen meer op het gebied der kuischheid. Voor zoover de oude idealen al in leven bleven, was dit op het wereldsch gebied der ridderlijkheid. De laatste bekende figuur, die streefde naar de heldenfeiten van de eerste Christenen was Robert van Arbrissel in Normandië.Robert van Arbrissel, die, in de elfde eeuw, de beroemde en bekende orde van Fontevrault voor vrouwen stichtte, kwam uit Bretagne. Deze Keltische oorsprong is ongetwijfeld van beteekenis, want hij kan misschien zijn nooit falenden ijver en zijn enthusiaste vereering voor vrouwen verklaren. Zelfs zij, onder zijn vrienden, die afkeurden wat zij zijn schandelijk gedrag noemden, leggen getuigenis af van zijn nooit falend vroolijk temperament, zijn wakkerheid in het handelen, zijn bereidwilligheid voor welke daad van humaniteit ook en zijn volkomen vrij zijn van gestrengheid. Hij trok groote massa’s menschen van allerlei soort aan, vooral vrouwen, ook prostituées, en zijn invloed over vrouwen was groot. Eens ging hij in een bordeel om zijn voeten te warmen en bekeerde terloops alle vrouwen die daar waren. “Wie zijt gij?” vroeg een van haar, “ik ben hier al vijf en twintig jaar en niemand is mij hier ooit komen spreken over God”. Robert’s betrekking tot de nonnen vanFontevraultwas zeer intiem, en hij sliep dikwijls met haar. Dit wordt door vrienden van hem, bisschoppen en abten, nauwkeurig beschreven, waarvan een opmerkt, dat Robert “een nieuwen, maar vruchteloozen vorm van martelaarschap ontdekt had”. Een koninklijke abdis van Fontevrault, in de zeventiende eeuw, beweerde, dat de vereerde stichter van de orde met geen mogelijkheid schuldig kon geweest zijn aan zulk schandelijk gedrag, en dat de brieven daarom valsch moesten zijn en liet de origineelen vernietigen voor zoover dat mogelijk was. De Bollandisten namen, in een niet wetenschappelijk en onvolledig verslag van de zaak (Acta Sanctorum, Feb. 25), dit gezichtspunt over. J. von Walter echter toont in een onlangs verschenen en grondige studie over Robert van Arbrissel (Die Ersten Wanderprediger Frankreichs, deel I) aan, dat er hoegenaamd geen reden is om aan het echte, authentieke en betrouwbare karakter van de bestreden brieven te twijfelen.De vroeg-Christelijke kuischheidslegenden hadden echter hun opvolgers.Aucassin et Nicolette, dat waarschijnlijk in Noordelijk Frankrijk geschreven is tegen het einde van de twaalfde eeuw, is vooral de afstammeling van de geschiedenissen in deActa Sanctorumen elders. Het belichaamde hun geest, droeg hem verder en vereenigde hun teer gevoel voor kuischheid en reinheid met het ideaal van monogamische liefde.Aucassin et Nicolettewas de doodsklok van de primitief Christelijke kuischheidslegende. Het was de ontdekking, dat de kuische verfijningen van teerheid en toewijding mogelijk waren binnen de strikt normale sfeer van sexueele liefde.Er waren minstens twee oorzaken, die de neiging hadden de primitief Christelijke voorliefde voor de kuischheid uit te wisschen, zelfs afgezonderd van den invloed van de Kerk-autoriteiten bij het terugdringen van de romantische uitingen ervan. In de eerste plaats verwijderde het ondergaan van de oude heidensche wereld, met zijn gewoonte en tot op zekere hoogte zijn ideaal van sexueele toegevendheid,den achtergrond, die gratie en teerheid gegeven had aan de teedere vrijheid der jonge Christenen. In de tweede plaats waren de gestrengheden, die de eerste Christenen met vreugde in praktijk hadden gebracht ter wille van de gezondheid hunner ziel, beroofd van hun bekoring en vrijwilligheid, toen zij tot een formeel deel gemaakt waren van strafwetboeken voor zonde, eerst in de Poenitentialia en later in de handen van biechtvaders. Dit was, we mogen het er aan toevoegen, te meer noodzakelijk geworden, omdat het ideaal van Christelijke kuischheid niet langer in ruimen kring het bezit was van verfijnde menschen, die immuun gemaakt waren tegen heidensche losbandigheid, doordat zij te midden daarvan opgevoed waren en er zelf in ondergedompeld waren geweest. Het was klaarblijkelijk van het begin af aan een ernstige zaak voor de hartstochtelijke Noord-Afrikanen het ideaal van kuischheid te handhaven en toen het Christendom zich over Noordelijk Europa verspreidde, scheen het bijna een hopelooze taak de idealen ervan te acclamatiseeren onder de wilde Germanen. Later werd het noodig, het celibaat aan de vaste geestelijkheid op te leggen door de sterke kracht van kerkelijke authoriteit, terwijl vrijwillig celibaat alleen levendig gehouden werd door een opeenvolgende reeks van godsdienstige enthusiasten, die telkens weer nieuwe orden stichtten. Een ascetisme, dat zoo opgedrongen was, kon niet altijd vergezeld gaan van de vurige exaltatie, die noodig is om het in stand te houden, en in zijn kunstmatige pogingen tot zelfbehoud, viel het dikwijls van de onzekere hoogten in de diepten van onbeteugelde losbandigheid9. Toen de middeleeuwen voorbij waren, begonnen helderziende denkers het fatale van alle gewaagde pogingen om de normale grenzen van de menschelijkheid te buiten te gaan, te erkennen. “Qui veut faire l’ange”, zeide Pascal, terwijl hij met scherpte deze beschouwing van de zaak opsomde, “fait la bête”. Dat was dikwijls duidelijk gebleken in de geschiedenis van de Kerk.In de zevende eeuw begonnen de Poenitentialia in gebruik te komen; ze werden gedurende de negende en tiende eeuw zeer overheerschend en hadden groote authoriteit. Zij waren wetslichamen, gedeeltelijk geestelijk en gedeeltelijk wereldsch, en werden gegoten in den vorm van catalogussen van vergrijpen met de juiste maat van straf, voorgeschreven voor ieder vergrijp. Zij vertegenwoordigden de introductie van maatschappelijke orde onder ongetemde barbaren en waren meer wetboeken van strafwet dan deel vaneen systeem van sacramenteele confessie en boetedoening. In Frankrijk en Spanje, waar reeds orde en regel bestond op een Christelijke basis, waren zij weinig noodig. Zij hadden hun oorsprong in Ierland en Engeland en bloeiden voornamelijk in Duitschland; Karel de Groote ondersteunde ze (zie, b.v. Lea,History of Auricular Confession, deel II, p. 96, ook hoofdst. XVII; Hugh Williams, uitgave van Gildas, deel II, Appendix 3; de voornaamste Poenitentialia worden vermeld in deBussordnungenvan Wasserschleben). In 1216 maakte het Lateraansch concilie, onder Innocentius III, biechten verplichtend. Het voorrecht van den priester om de mate van de straf te regelen naar omstandigheden met grooter buigzaamheid dan de strenge Poenitentialia toelieten, werd eerst absoluut gehandhaafd door Peter van Poitiers. Toen wierp Alain van Rijssel de Poenitentialia als verouderd ter zijde en verklaarde, dat de priester zelf navraag moest doen naar de omstandigheden van iedere zonde en precies de schuld ervan moest afwegen. (Lea, op. cit., deel II, p. 171).Lang voor dezen tijd echter hadden de idealen der kuischheid, voor zoover zij een belangrijke mate van zelfbeheersching in zich sloten, ofschoon zij stevig vast gegroeid waren in de conventioneele tradities en idealen van de Christelijke Kerk, opgehouden eenige bekoring of kracht te hebben voor de bevolking, die in het Christendom leefde. Onder de Noordelijke barbaren, met hun verschillende tradities van een krachtiger en natuurlijker soort achter zich, werden de geslachts-eischen dikwijls vrijmoedig ten toon gespreid. De monnik Ordericus Vitalis vestigt in de elfde eeuw de aandacht op wat hij noemt de “wulpschheid” van de vrouwen van de Noorsche veroveraars van Engeland, die, toen ze alleen thuis gelaten waren, boodschappen stuurden, dat ze, als haar echtgenooten niet spoedig terug kwamen, andere mannen zouden nemen. Het celibaat van de geestelijkheid werd alleen met de grootste moeite ingesteld en toen het ingesteld was, werden de geestelijken onkuisch. Aartsbisschop Odo van Rouaan, in de dertiende eeuw, vermeldde in het dagboek van de bezoeken in zijn diocese, dat er éen onkuische geestelijke was op iedere vijf gemeenten, en zelfs toont de monnik Salimbene in zijn merkwaardige autobiographie met betrekking tot het Italië van denzelfden tijd aan, hoe weinig kuischheid in het godsdienstige leven in acht genomen werd. Kuischheid kon nu alleen gehandhaafd worden door geweld, gewoonlijk door de moreele kracht van kerkelijke autoriteit, die zelf door onkuischheid ondermijnd werd, maar soms zelfs door physiek geweld. Het was in de dertiende eeuw, volgens de opinie van sommigen, dat de kuischheidsgordel (cingula castatis) zich het eerst begint te vertoonen, maar de voornaamste autoriteit Caufeynon(La Ceinture de Chasteté, 1904) meent, dat ze dateert uit de Renaissance (Schultz,Das höfische Leben zur Zeit der Minnesänger, deel V. p. 272; Krauss,Anthropophyteia, deel III, p. 247). In de zestiende eeuw werden de kloosters bijna tot bordeelen, zooals we hooren op het niet bestreden gezag van Burchard, een secretaris van den Paus, in zijnDiarium, uitgegeven door Thuasne, die nog meer autoriteiten voor deze bewering samenbrengt in een noot onder aan de bladzij (deel II, p. 79); dat zij dat bleven in de achttiende eeuw, zien wij duidelijk in de bladzijden van deMémoiresvan Casanova en in veel andere documenten van dien tijd.De Renaissance en de opkomst van het humanisme had ongetwijfeld invloed op het gevoel jegens het ascetisme en de kuischheid. Aan den eenen kant werd er een nieuwe en oude wettiging gevonden voor het niet in acht nemen van deugden, die de menschen begonnen te beschouwen als enkel monnikachtig, en aan den anderen kant begonnen de fijnere geesten, die den invloed van de nieuwe beweging ondervonden, zich duidelijk bewust te worden, dat kuischheid beter gekweekt kan worden en in acht genomendoor hen, die vrij waren te doen zooals zij wilden, dan door hen, die onder den dwang stonden van priesterlijke autoriteit. Dat is het gevoel, dat in Montaigne overheerscht,en dat is het idee van Rabelais, toen hij het tot den eenigen regel van zijn abdij van Thelème maakte: “Fay ce que vouldras”.Iets later werd deze leer in verschillende toonaarden herhaald door vele schrijvers, alle meer of min verlicht door de beschaving, die door de Renaissance in de mode was gebracht. “Zoolang Danae vrij was”, merkt Ferrand op in zijn verhandeling uit de zestiende eeuw,De la Maladie d’Amour, “was zij kuisch”. En Sir Kenelm Digby, de laatste vertegenwoordiger van den geest der Renaissance, wijst in zijnPrivate Memoirsop het feit, dat de vrijheid, die Lycurgus “de wijste menschelijke wetgever, die er ooit geweest is”, aan de vrouwen gaf om haar lichaam te geven aan mannen, tot wie zij zich door edele genegenheid en door de hoop op een goed nageslacht voelden aangetrokken, de ware oorzaak was, dat “werkelijke kuischheid in Sparta meer bloeide dan in eenig ander deel van de wereld”.In Protestantsche landen werd het ascetisch ideaal nog verder in discrediet gebracht door de Hervorming, die voor een groot gedeelte een opstand was tegen gedwongen celibaat. Zoodoende werd de godsdienst niet langer aan de zijde van de kuischheid geplaatst. In de achttiende eeuw, zoo niet eerder, werd de autoriteit van de Natuur ook gewoonlijk ingeroepen tegen de kuischheid. Zoo is het gekomen, dat in de laatste twee eeuwen ernstige denkers maar gedeeltelijk gunstig gestemd waren jegens de kuischheid. Het begon gevoeld te worden, dat een ongelukkige en schadelijke vergissing begaan was door te trachten een verheven ideaal te handhaven, hetgeen huichelarij aanmoedigde. “Het menschelijk ras zou veel winnen”, zooals Senancour in het begin der negentiende eeuw in zijn merkwaardig boek over liefde schreef, “als de deugd niet zoo moeilijk gemaakt werd. De verdienste zou niet zoo groot zijn, maar wat is het nut van een verhevenheid, die zelden kan volgehouden worden?”10.Er kan geen twijfel aan zijn, dat de overmatige minachting, waartoe de kuischheids-idee in de achttiende eeuw en later begon te vervallen, voornamelijk voortkwam uit het bestaan van die enkel uitwendige en conventioneel physieke kuischheid, die willekeurig opgedrongen werd, voor zoover ze opgedrongen kon worden, en die in zekere mate nog opgedrongen wordt, in naam of inwerkelijkheid,—aan alle respectabele vrouwen buiten het huwelijk. De opvatting van de physieke deugd der maagdelijkheid had de opvatting van de geestelijke deugd van kuischheid verlaagd. Een enkele gewoonte, voelde men, voorgeschreven aan een geheele sekse, of zij het wilde of niet, kon nooit de schoonheid en de bekoring bezitten van een deugd. Terzelfder tijd begon men zich voor oogen te stellen, dat de staat van gedwongen maagdelijkheid niet alleen niet een staat is, die bijzonder gunstig is voor het kweeken van werkelijke deugden, maar dat die verbonden is met eigenschappen, die niet langer beschouwd worden als te zijn van hooge waarde11.“Hoe willekeurig, kunstmatig en strijdig met de Natuur is het leven, dat nu in deze zaak der kuischheid aan vrouwen opgedrongen wordt!” schreef James Hinton veertig jaar geleden. “Denk aan dezen regel: “Een vrouw, die in overweging neemt, is verloren”. Wijscheppenhet gevaar, door de geheele vrouwelijkheid afhankelijk te maken van een punt als dit, en door haar te omringen met onnatuurlijke en bovennatuurlijke gevaren. Er wordt thans een lichtzinnige onredelijkheid belichaamd in het leven der vrouw; de tegenwoordige “deugd” is een ziekelijke ongezonde plant. De Natuur en God hebben nooit het leven van een vrouw zoo op de punt van een naald gewogen. Het geheele moderne denkbeeld der kuischheid heeft sensueele overdrijving in zich, die zeker voor een deel is overgebleven uit andere tijden, terwijl wat er goed in was voor het grootste gedeelte verdwenen is”.“De geheele bekoring der maagdelijkheid”, schreef een andere Philosoof, Guyau, “is onwetendheid. Maagdelijkheid kan, evenals sommige vruchten, alleen bewaard worden door een proces van verdroging”.Mérimée wees op denzelfden verdrogenden invloed van de maagdelijkheid. In een brief, gedateerd van 1859 schreef hij: “Ik vind, dat tegenwoordig de menschen veel te veel waarde hechten aan kuischheid. Niet, dat ik ontken, dat kuischheid een deugd is, maar er zijn graden in deugden evenals in ondeugden. Het schijnt belachelijk, dat een vrouw uit de maatschappij verbannen zal worden, omdat zij een minnaar gehad heeft, terwijl een vrouw, die gierig is, onoprecht en zuur, overal vrij uit kan gaan. De moraal van dezeeeuw is zeker niet die, die geleerd wordt in het Evangelie. Naar mijn meening is het beter te veel lief te hebben, dan te weinig. Tegenwoordig worden droge harten in de hoogte gestoken” (Revue des Deux Mondes, April, 1896).Dr. H. Paul heeft een daarmee verwant punt behandeld. Zij schrijft: “Er zijn meisjes, die zich, zelfs al als kinderen, geprostitueerd hebben door onanie en wulpsche gedachten. De reinheid harer zielen is al lang verloren en niets blijft voor haar verborgen, maar—zij hebben haar hymen bewaard! Dat is ter wille van den toekomstigen echtgenoot. Laat niemand haar onschuld durven betwijfelen, met dat onwederlegbaar bewijsmateriaal! En als dan een ander meisje, dat haar kindsheid in volkomen reinheid doorgebracht heeft, nu, met ontwaakte zinnen en warme, onstuimige vrouwelijkheid, zich in liefde of ook maar alleen in hartstocht aan een man geeft, dan staan ze allen op en roepen, dat zij “onteerd”is! En niet het minst het geprostitueerde meisje met het hymen. Zij is het juist, die het hardst schreeuwt en die de grootste steenen gooit. Toch behoeft de “onteerde” vrouw, die gezond en krachtig is, niet bang te zijn, te vertellen wat zij gedaan heeft aan den man, die haar ten huwelijk begeert, als zij spreekt van het eene menschelijke wezen tot het andere. Zij behoeft niet te blozen; zij heeft haar menschenrechten uitgeoefend en geen verstandig man zal haar om die reden minder achten”. (Dr. H. Paul, “Die Ueberschätzung der Jungfernschaft”,Geschlecht und GesellschaftBd. II, p. 14, 1907).In gelijken geest schrijft F. Erhard (Geschlecht und GesellschaftBd. I, p. 408): “Maagdelijkheid in een zekere beteekenis heeft haar waarde, maar in de gewone beteekenis wordt ze grootelijks te hoog geschat. Afgezonderd van het feit, dat een meisje, dat ze bezit, toch door en door verdorven kan zijn, leidt deze overschatting van de maagdelijkheid er toe, dat het meisje, die ze niet heeft, veracht wordt, en verder heeft ze tot resultaat gehad de ontwikkeling van een speciale industrie om meisjes klaar te maken, door middel van een preutsche kloosterachtige opvoeding, die haar echtgenooten de speciale delicatesse zullen brengen van een bruid, die nergens van weet. Natuurlijk kan dit alleen bereikt worden ten koste van iedere verstandige opvoeding. Wat de onontwikkelde kleine gans kan worden, dat kan niemand voorzien”.Freud (Sexual-Probleme, Maart, 1908) wijst ook op het slechte resultaat van de opvoeding voor het huwelijk, die aan de meisjes gegeven wordt op den basis van dit ideaal van maagdelijkheid. “Opvoeding onderneemt de taak de zinnelijkheid van een meisje terug te dringen tot den tijd van de verloving. Zij verbiedt niet alleen sexueele verhoudingen en stelt een hooge premie op onschuld, maar ze onttrekt de rijpende vrouwelijke individualiteit aan de verleiding, door een staat van onwetendheid te handhaven omtrent de praktische zijde van de rol, die zij in het leven zal moeten spelen, en door geen opwekking tot liefde toe te laten, die niet tot het huwelijk kan leiden. Het resultaat is, dat, als haar plotseling door de autoriteit van de ouders wordt toegestaan te verlieven, het meisje zich psychisch niet kan aanpassen, en dat zij het huwelijk ingaat, onzeker van haar eigen gevoelens. Als een gevolg van deze kunstmatige vertraging van de liefdesfunctie, brengt zij niets dan teleurstelling aan haar man, en is koel in haar physieke verhouding tot hem”.Senancour (De l’Amour, deel i, p. 285) meent zelfs, dat, als het mogelijk is de kwestie van de nakomelingschap er buiten te laten, niet alleen de wet van kuischheid gelijk zal worden voor de beide geslachten, maar dat er een neiging zal zijn om de verhouding van de seksen, in zekere mate, te veranderen. “Zelfbeheersching wordt dan een raad eerder dan een voorschrift, en dan zal in vrouwen de wellustige neiging met de meeste toegevendheid beschouwd worden. De man is gemaakt om te werken; hij ontmoet het pleizier alleen maar in het voorbijgaan; hij moet er mee tevreden zijn, dat de vrouwen zich er meer mee zullen bezig houden dan hij. Het zijn de mannen, die er door uitgeput raken, en mannen moeten altijd voor een deel hun wenschen beperken”.Als wij ons echter bevrijden van den band van een gedwongen physieke kuischheid, dan wordt het mogelijk kuischheid als een deugd in eere te herstellen. In den tegenwoordigen tijd kan het niet langer gezegd worden, dat er van den kant van denkers en moralisten eenige actieve vijandigheid jegens het denkbeeld van kuischheid bestaat; er is integendeel een neiging om de waarde van kuischheid te erkennen. Maar deze erkenning is vergezeld gegaan van een terugkeer tot de oudere en gezondere opvatting van de kuischheid. Het bewaren van een strenge sexueele abstinentie, niets dan de maagdelijkheid, kan alleen beschouwd worden als een pseudo-kuischheid. De eenige positieve deugd, die Aristoteles op dit gebied kon erkend hebben was een matiging, die beperking van de lagere impulsen in zich sloot, een wijs uitoefenen en niet een niet-uitoefenen12. De beste denkers van de Christelijke Kerk hebben dezelfde opvatting gehad; de heilige Basilius hechtte in zijn belangrijke reglementen voor monniken geen waarde aan zelftucht als een doel op zichzelf, maar beschouwde ze als een werktuig, om den geest in staat te stellen, macht over het vleesch te krijgen. De heilige Augustinus verklaarde, dat zelfbeheersching alleen uitstekend is, als ze in praktijk gebracht wordt in het geloof aan het hoogste goed13, en hij beschouwde kuischheid als “een ordelijke beweging van de ziel, die lagere dingen ondergeschikt maakt aan hoogere dingen, en die voornamelijk moet blijken in huwelijksverhoudingen”; Thomas van Aquino die de kuischheid op veelal dezelfde wijze aanduidde, definieerde onreinheid als het smaken van sexueel genot dat niet van de rechte soort is, noch wat het voorwerp, noch wat de omstandigheden aangaat14. Maar een tijdlang werden de stemmen van de groote moralisten niet gehoord. De deugd der kuischheid was ondergegaan in den populairen Christelijken hartstocht voor de vernietiging van het vleesch, en dat gezichtspunt werd in de zestiende eeuw ten slotte geheiligd door het Concilie van Trente, dat formeel een banvloek uitsprak over iedereen, die zou willen verklaren, dat de staat van maagdelijkheid en celibaat niet beter was dan de huwelijksstaat. Nu behoort de pseudo-kuischheid, die waarde had alleen op grond dat iedere soort van zelfbeheersching beter was dan iedere soort van sexueele verhouding, tot het verleden, behalve voor hen, die aan oude ascetische geloofsbelijdenissen hangen. De mystieke waarde van de maagdelijkheid is verdwenen; zij schijnt in den geest van den modernen mensch alleen maar het denkbeeld op te wekkenvan een pikantheid, die begeerd wordt door den verstokten lichtmis; het zijn de mannen, die zelf al lang den leeftijd der onschuld voorbij zijn, die zooveel waarde hechten aan de onschuld van hun bruiden. De opvatting van levenslange zelfbeheersching als een ideaal is ook verdwenen; op zijn best wordt ze beschouwd als een zaak van persoonlijke voorkeur. En de conventioneele veinzerij van algemeene kuischheid, om voor respectabel te gelden, begint men te beschouwen als een bezwaar, eer dan als een hulp voor het kweeken van eenige werkelijke kuischheid15.

Het hooge belang van kuischheid, en zelfs van ascetisme, is nooit te eeniger tijd, of in een van levenskracht tintelende menschenmaatschappij, geheel zonder erkenning gebleven. Soms is de kuischheid in de schatting der menschen verheerlijkt en soms is ze naar beneden gehaald; ze heeft herhaaldelijk den aard van haar uitingen gewijzigd; maar ze is er altijd geweest. Wat meer zegt: zonder haar kan niemand een mooien, zelfs een deel van een mooien kijk op de Natuur hebben. “De glorie van de wereld wordt alleen gezien door een kuischen geest”, zeide Thoreau met zijn fijne overdrijving. “Voor een ieder, voor wien dit feit geen ontzagwekkend, maar toch mooi mysterie is, bestaan er geen bloemen in de Natuur”. Zonder kuischheid is het onmogelijk de waardigheid van sexueele liefde staande te houden. De maatschappij, waarin de waardeering daarvan tot een minimum daalt, is in de laatste stadia van ontaarding. Kuischheid heeft voor sexueele liefde een belang, dat ze nooit verliezen kan, en het allerminst tegenwoordig.

Het is volkomen waar, dat gedurende de achttiende en negentiende eeuw vele moreel en intellectueel zeer hoogstaande mannen hetideaal van kuischheid uitdrukkelijk veroordeeld hebben. De groote Buffon weigerde kuischheid als een ideaal te erkennen en verwees toornig naar “die soort van krankzinnigheid, die de maagdelijkheid van een meisje tot iets wezenlijks gemaakt heeft”, terwijl William Morris eens, op de hem eigen openhartige wijze, in een bijeenkomst van deFellowship of the New Lifeverklaarde, dat het“ascetisme de meest weerzinwekkende ondeugd is, die de menschelijke natuur bezocht heeft”. Blake, hoewel hij in den meest conventioneelen zin een strikt moreel man was, voelt niets dan minachting voor kuischheid en voedt soms een soort van godsdienstigen eerbied voor het denkbeeld van onkuischheid. Ook Shelley, die in sexueele zaken misschien niet verstandig geweest is, maar die toch nauwelijks onkuisch genoemd kan worden, schijnt dikwijls godsdienst en moraal te verbinden niet met kuischheid, maar met onkuischheid, en ongeveer hetzelfde kan van James Hinton1gezegd worden. Maar al deze mannen—mèt andere mannen van een hoog karakter, die soortgelijke meeningen hebben uitgesproken—waren in opstand tegen valsche, decadente en conventioneele vormen van kuischheid. Zij kantten zich niet tegen een ideaal; zij trachtten een ideaal te stellen op de plaats waar zij bemerkten, dat een schadelijk voorwendsel prijkte als een moreele werkelijkheid.

Wij kunnen geen ideaal van kuischheid aannemen, als we niet onbarmhartig alle onnatuurlijke en ledige vormen van kuischheid verwerpen. Als kuischheid alleen maar is een vermoeiende poging om in de sexueele sfeer te wedijveren met de prestaties van mannen, die voor hun beroep vasten, een poging, die al de krachten van het organisme verbruikt, en op geen grooter succes uitloopt dan de abstinentie die ze in zich heeft, dan is ze zeker een onwaardig ideaal. Als ze is een zwak zich onderwerpen aan een uiterlijke wet der conventie, omdat men geen moed heeft er mee te breken, dan is ze in het geheel geen ideaal. Als ze een moreel voorschrift is, dat door de eene sekse opgedrongen wordt aan de andere, dan is ze een onrechtvaardigheid en prikkelt tot verzet. Als ze is een zich onthouden van de gebruikelijke vormen van sexualiteit, die dan vervangen worden door meer abnormale of meer geheime vormen, dan is ze eenvoudig een onwerkelijkheid, gebaseerd op een verkeerde voorstelling. En als ze alleen is een uiterlijk aannemen van conventies zonder eenige verdere aanname, zelfs in de daad, dan is ze een verachtelijke klucht. Dit zijn de vormen vankuischheid, die, in de laatste twee eeuwen, vele fijngevoelige mannen met kracht hebben verworpen.

Het feit, dat kuischheid of ascetisme een werkelijke deugd is, die aanleiding geeft tot mooie gebruiken, wordt duidelijk, als we ons voor oogen stellen, dat ze gebloeid heeft in alle tijden, in verband met alle soorten van godsdiensten en de meest verschillende moreele wetboeken. Wij vinden ze geldend onder natuurvolken, en de speciale deugden dier natuurvolken—harding, weerstandsvermogen en doodsverachting—zijn innig verbonden met het kweeken van kuischheid en ascetisme2. Het is waar, dat natuurvolken zelden een ideaal van kuischheid hebben in de lagere moderne beteekenis als een toestand van doorloopende abstinentie van sexueele verhoudingen, die dan op zichzelf verdienstelijk zou zijn, afgezien van ieder nut. Zij eeren kuischheid om de magische of werkelijke waarde ervan, als een methode van zelfbeheersching, die medewerkt tot het bereiken van belangrijke doeleinden. Het vermogen om pijn en dwang te verdragen is bijna altijd een hoofdbestanddeel bij het inwijden van jonge menschen tijdens de puberteit. De gewoonte, zich te onthouden van sexueelen omgang vóor oorlogs- of jachtexpedities en andere ernstige ondernemingen, die groote inspanning van spieren en hersenen vereischen is, welke de motieven ook zijn waar ze aan toegeschreven wordt, een wijze methode om kracht te sparen. De zeer ver verspreide gewoonte omgang te vermijden tijdens de zwangerschap en het zoogen, is weer een uitmuntende voorzorgsmaatregel in de sexueelehygiëne, die het onder de meer beschaafde volken zeer moeilijk is te blijven in acht nemen. Natuurvolken weten ook zeer wel hoe waardevol sexueele matigheid, te zamen met vasten en eenzaamheid is, om de geschiktheid te verkrijgen voor buitengewone geestelijke krachten.

Zoo geeft C. Hill Tout (Journal Anthropological Institute, Jan.–Juni 1905, pp. 143–145) een belangwekkend verslag van de zelftucht, waaraan diegenen onder de Salische Indianen van Britsch Columbia zich onderwerpen, die shamanistische krachten trachten te verkrijgen. De psychische uitwerking van zulk oefenen op deze menschen is, naar Hill Tout zegt, boven allen twijfel verheven. “Ze stelt hen in staat daden van buitengewone kracht, behendigheid en uithoudingsvermogen te ondernemen en te volbrengen; en ze geeft hun nu en dan, behalve een algemeene verheffing van de zinnen, ontwijfelbaar clairvoyante en andere bovennatuurlijke geestelijke en lichamelijke krachten”. Ook aan de andere zijde van de wereld zijn, zooals aangetoond wordt door deReports of the Anthropological Expedition to Torres Straits(vol. V, p. 321), dergelijke gewoonten gebruikelijk om bovennatuurlijke krachten te verkrijgen.Er zijn fundamenteele psychologische redenen voor het veel voorkomen van het ascetisme en voor de opmerkelijke wijze, waarop het zelfvernietiging in zich sluit, zelfs acuut physiek lijden. Zulke pijn is een werkelijke psychische prikkel, vooral bij licht neurotische personen. Het bewijs hiervoor gaf een jonge vrouw, een patient van Janet, die leed aan geestelijke depressie en die gewoon was verlichting te vinden door even haar handen en voeten te branden. Zij begreep zelf duidelijk den aard van haar daden. “Ik voel”, zeide zij, “dat ik een krachtsinspanning doe, als ik mijn handen op de kachel houd, of als ik kokend water op mijn voeten giet; het is een daad van geweld en ze maakt mij wakker: ik voel, dat ze werkelijk door mijzelf gedaan wordt en niet door een ander … Een geestelijke inspanning op zichzelf is mij te moeilijk; ik moet er physieke krachtsinspanningen voor in de plaats stellen. Ik heb op geen andere wijze succes gehad; dat is alles; als ik mijzelf er toe breng mij te branden, maak ik mijn geest voor verscheidene dagen vrijer, lichter en actiever. Waarom spreekt gij van mijn behoefte aan zelfkastijding? Mijn ouders gelooven hieraan, maar het is belachelijk. Het zou een zelfkastijding zijn als het lijden aanbracht, maar ik geniet van dit lijden, het geeft mij mijn geestvermogens terug; het verhindert, dat mijn gedachten stilstaan; wat zou men niet doen om zulk een geluk te bereiken?” (P. Janet, “The Pathogenesis of Some Impulsions”,Journal of Abnormal Psychology, April 1906). Als wij dit psychologisch proces begrijpen, dan kunnen we beseffen hoe het komt, dat zelfs bij de hoogere godsdiensten, hoeveel ze overigens ook mogen verschillen, de praktische waarde van ascetisme en zelfkastijding bijna algemeen erkend is als noodzakelijk ter bereiking van den meest verheven godsdienstigen staat en met volkomen opgewektheid. “Ascetisme en extase zijn onafscheidelijk”, zooals Probst-Biraben aan het begin van een belangwekkend geschrift over het Mohammedaansche mysticisme opmerkt (“L’Extase dans le Mysticisme Musulman”,Revue Philosophique, Nov. 1906). Slechts door ascetisme bereikt men de geestelijke volmaking.

Zoo geeft C. Hill Tout (Journal Anthropological Institute, Jan.–Juni 1905, pp. 143–145) een belangwekkend verslag van de zelftucht, waaraan diegenen onder de Salische Indianen van Britsch Columbia zich onderwerpen, die shamanistische krachten trachten te verkrijgen. De psychische uitwerking van zulk oefenen op deze menschen is, naar Hill Tout zegt, boven allen twijfel verheven. “Ze stelt hen in staat daden van buitengewone kracht, behendigheid en uithoudingsvermogen te ondernemen en te volbrengen; en ze geeft hun nu en dan, behalve een algemeene verheffing van de zinnen, ontwijfelbaar clairvoyante en andere bovennatuurlijke geestelijke en lichamelijke krachten”. Ook aan de andere zijde van de wereld zijn, zooals aangetoond wordt door deReports of the Anthropological Expedition to Torres Straits(vol. V, p. 321), dergelijke gewoonten gebruikelijk om bovennatuurlijke krachten te verkrijgen.

Er zijn fundamenteele psychologische redenen voor het veel voorkomen van het ascetisme en voor de opmerkelijke wijze, waarop het zelfvernietiging in zich sluit, zelfs acuut physiek lijden. Zulke pijn is een werkelijke psychische prikkel, vooral bij licht neurotische personen. Het bewijs hiervoor gaf een jonge vrouw, een patient van Janet, die leed aan geestelijke depressie en die gewoon was verlichting te vinden door even haar handen en voeten te branden. Zij begreep zelf duidelijk den aard van haar daden. “Ik voel”, zeide zij, “dat ik een krachtsinspanning doe, als ik mijn handen op de kachel houd, of als ik kokend water op mijn voeten giet; het is een daad van geweld en ze maakt mij wakker: ik voel, dat ze werkelijk door mijzelf gedaan wordt en niet door een ander … Een geestelijke inspanning op zichzelf is mij te moeilijk; ik moet er physieke krachtsinspanningen voor in de plaats stellen. Ik heb op geen andere wijze succes gehad; dat is alles; als ik mijzelf er toe breng mij te branden, maak ik mijn geest voor verscheidene dagen vrijer, lichter en actiever. Waarom spreekt gij van mijn behoefte aan zelfkastijding? Mijn ouders gelooven hieraan, maar het is belachelijk. Het zou een zelfkastijding zijn als het lijden aanbracht, maar ik geniet van dit lijden, het geeft mij mijn geestvermogens terug; het verhindert, dat mijn gedachten stilstaan; wat zou men niet doen om zulk een geluk te bereiken?” (P. Janet, “The Pathogenesis of Some Impulsions”,Journal of Abnormal Psychology, April 1906). Als wij dit psychologisch proces begrijpen, dan kunnen we beseffen hoe het komt, dat zelfs bij de hoogere godsdiensten, hoeveel ze overigens ook mogen verschillen, de praktische waarde van ascetisme en zelfkastijding bijna algemeen erkend is als noodzakelijk ter bereiking van den meest verheven godsdienstigen staat en met volkomen opgewektheid. “Ascetisme en extase zijn onafscheidelijk”, zooals Probst-Biraben aan het begin van een belangwekkend geschrift over het Mohammedaansche mysticisme opmerkt (“L’Extase dans le Mysticisme Musulman”,Revue Philosophique, Nov. 1906). Slechts door ascetisme bereikt men de geestelijke volmaking.

Zoo komt het, dat natuurvolken in ruime mate hun dikwijls bewonderenswaardige handhaving van ascetisme niet gronden op den praktischen basis, die het zou rechtvaardigen, maar op den godsdienstigen grondslag, die in discrediet komt met het aangroeien van het verstand3. Maar zelfs als de nauwgezette voorschriften van natuurvolken, zoowel in sexueele als in niet-sexueele zaken zonder eenigen merkbaren gezonden basis zijn, dan kan toch niet gezegd worden dat ze volkomen nutteloos zijn, als zij er toe leiden zelfbeheersching en het gevoel van eerbied aan te moedigen4. Dezoogenaamde intelligente en praktische volken, die oorspronkelijke gebruiken opgeven, omdat die hun doelloos toeschijnen of zelfs belachelijk, moesten een nog fijner practischen zin hebben en een nog grooter verstand om te begrijpen dat, al zijn de redenen voor de gebruiken verkeerd geweest, toch de gebruiken zelf noodzakelijke methoden kunnen geweest zijn om persoonlijke en maatschappelijke capaciteiten te verkrijgen. Het gebeurt voortdurend in den loop van de beschaving, dat wij oude gebruiken moeten doen herleven, en dat wij ze moeten voorzien van nieuwe redenen.

Als wij de moreele hoedanigheid van kuischheid onder de natuurvolken beschouwen, dan moeten we zorgvuldig die kuischheid afscheiden, die onder half barbaarsche volken uitsluitend aan vrouwen opgelegd is. Deze heeft in het geheel geen moreele hoedanigheid, want ze wordt niet uitgeoefend als een nuttige tucht, maar ze wordt alleen opgedrongen om de economische en erotische waarde van de vrouwen te verhoogen. Vele autoriteiten meenen, dat het beschouwen van vrouwen als eigendom, de ware oorzaak is voor het wijd verspreide aandringen op maagdelijkheid in bruiden. Zoo zegt A. B. Ellis, waar hij spreekt over de Westkust van Afrika (Yoruba-Speaking Peoples, pp. 183et seq.), dat meisjes van goeden stand verloofd worden terwijl ze nog slechts kinderen zijn, en dat ze zorgvuldig tegen mannen beschermd worden; terwijl meisjes van de lagere klassen zelden verloofd zijn, en mogen leven, zooals ze dat zelf willen. “In deze gewoonte van kinderverlovingen vinden we waarschijnlijk den sleutel tot dien merkwaardigen eerbied voor kuischheid vóór het huwelijk, die niet alleen gevonden wordt onder de stammen van de Goudkust en de Slavenkust, maar ook onder vele andere onbeschaafde volken in verschillende deelen der wereld”. In een geheel anderen streek, in Noord-Siberië, “zien de Yakuts”, zooals Sieroshevski zegt (Journal Anthropological Institute, Jan.—Juni 1901, p. 96), “niets immoreels in onwettige liefde, als er maar niemand materieele schade door ondervindt. Het is waar, dat ouders een dochter beknorren, als haar gedrag hen dreigt te berooven van hun deel aan den bruidsschat; maar als zij eenmaal de hoop verloren hebben haar uit te huwelijken, of als de bruidschat betaald is, dan vertoonen zij een volkomen onverschilligheid voor haar gedrag. Meisjes, die geen huwelijk meer verwachten, worden in het geheel niet teruggehouden; als zij het decorum in acht nemen, dan is dat alleen uit eerbied voor de gewoonte”. Westermarck toont ook (inHistory of Human Marriage, pp. 123et seq.) het verband aan tusschen de hooge achting voor de maagdelijkheid en de opvatting de vrouw als bezit te beschouwen, en als hij in zijn later werk,The Origin and Development of the Moral Ideas(vol. II, Ch. XLII), op de kwestie terugkomt, na er op gewezen te hebben, dat “het koophuwelijk zoo den standaard der vrouwelijke kuischheid heeft verhoogd”, verwijst hij (p. 437) naar het veelbeteekenend feit, dat het verleiden van een ongetrouwd meisje “voornamelijk, zoo niet uitsluitend, beschouwd wordt als een beleediging, aangedaan aan de ouders of de familie van het meisje”, en er is geen aanwijzing, dat natuurvolken ooit gemeend hebben, dat er eenig kwaad gedaan werd aan de vrouw zelf. Westermarck zegt terzelfder tijd, dat de voorkeur aan maagdelijkheid gegeven, ook een biologischen basis heeft in het instinctieve gevoel van jaloezie jegens vrouwen, die omgang hebben gehad met andere mannen, en vooral in de erotische bekoring, die er voor mannen gelegen is in den gemoedstoestand van verlegenheid, die met maagdelijkheid samengaat.Het is nauwelijks nodig hier bij te voegen, dat het aandringen op maagdelijkheid van bruiden in het geheel niet, zooals A. B. Ellis schijnt te meenen, beperkt is tot onbeschaafde volken, en het is ook niet noodig, dat het koopen van vrouwen er altijd mede samengaat. De voorkeur bestaat nogsteeds, niet alleen krachtens zijn natuurlijken biologischen basis, maar als een verfijning en uitbreiding van het denkbeeld dat de vrouw eigendom is, onder die volken, die evenals wijzelven een vorm van huwelijk hebben geërfd, die tot zekere hoogte gebaseerd is op den koop van de vrouw. Onder zulke omstandigheden heeft de kuischheid van een vrouw een belangrijke maatschappelijke functie te vervullen, daar ze, zooals Mrs. Mona Caird gezegd heeft (The Morality of Marriage, 1897, p. 88), de wachthond is van het bezit van den man. Het feit, dat geen element van ideale moraal in het geding komt, blijkt wel uit het gewoonlijk afwezig zijn van eenigen eisch van kuischheid vóór het huwelijk bij den man.Wij moeten niet meenen, dat, indien er, zooals meestal het geval is, geen volkomen en voortdurend verbod van buitenechtelijken omgang is, enkel onbeperkte vrijheid overheerschend is. Dat is blijkbaar nooit ergens onder onvervalschte natuurvolken het geval geweest. Regel is blijkbaar, dat er, evenals onder de stammen in Straat Torres (Reports Cambridge Anthropological Expeditionvol. v, p. 275), geen volkomen onthouding is vóór het huwelijk, maar ook geen onbeperkte vrijheid.Het voorbeeld van Tahiti is leerrijk wat het algemeen voorkomen van kuischheid betreft onder volken, die wij gewoonlijk beschouwen als op lagen trap van beschaving staande. Tahiti is, volgens allen, die het bezocht hebben, van de eerste onderzoekers af tot dien beroemden Amerikaanschen dokter wijlen Dr. Nicholas Senn toe, een eiland, dat eigenschappen bezit van natuurlijke schoonheid en uitmuntendheid van klimaat, die we onmogelijk te hoog kunnen stellen. “Ik scheen overgeplant te zijn in den hof van Eden”, zeide Bougainville in 1768. Maar, vooral onder den invloed van de eerste Engelsche zendelingen, die denkbeelden hadden over theoretische moraal, geheel verschillend van die van de bewoners van die eilanden, zijn de bewoners van Tahiti het geijkte voorbeeld geworden van een bevolking, overgegeven aan losbandigheid en al de verschrikkelijke gevolgen ervan. Zoo zegt William Ellis in zijn beroemdePolynesian Researches(second edition, 1832, vol. i Ch. IX), dat de bewoners van Tahiti “de ergste bevlekkingen in praktijk brachten, waaraan een mensch schuldig kon zijn”, hoewel hij ze niet nader aanduidt. Als wij echter zorgvuldig de verhalen van de eerste bezoekers van Tahiti nagaan, voordat de bevolking besmet werd door de aanraking met de Europeanen, dan wordt het duidelijk, dat deze beschouwing ernstig behoefte heeft aan wijziging. “De groote overvloed van goed en voedzaam voedsel”, schreef een der eerste onderzoekers, J. R. Forster (Observations Made on a Voyage Round the World, 1778, pp. 231, 409, 422), “gepaard met het mooie klimaat, de schoonheid en de toeschietelijkheid van de vrouwen van het land, noodigen zeer tot de vreugden en genoegens van de liefde. Zij beginnen al zeer vroeg zich over te geven aan de meest losbandige tooneelen. Hun liederen, hun dansen en dramatische uitvoeringen, ademen een geest van weelderigheid”. Toch wordt hij ieder keer gedrongen feiten mede te deelen, die blijk geven van de deugden van deze menschen. Hoewel tamelijk verwijfd van bouw, zijn ze athletisch, zegt hij. Bovendien vechten zij in hun oorlogen met grooten moed en ongeëvenaarde dapperheid. Verder zijn ze gastvrij. Hij merkt op, dat zij hun getrouwde vrouwen met grooten eerbied behandelen, en dat de vrouwen over het algemeen bijna de gelijken zijn van de mannen, zoowel in verstand als in maatschappelijke positie; hij geeft een mooie beschrijving van de vrouwen. “In het kort, hun karakter is zoo beminnelijk”, besluit Forster, “als dat van eenige natie, die ooit onverbeterd uit de handen der Natuur kwam”, en hij merkt op, dat, zooals door de volken van de Zuidzee in het algemeen gevoeld werd, we altijd, als we naar dit gelukkige eiland kwamen, duidelijk den rijkdom en het geluk van zijn inwoners konden bemerken.Het is ook opmerkelijk, dat ondanks het groote belang, dat de bewoners van Tahiti hechtten aan de erotische zijde van het leven, zij niet te kort schoten in eerbied voor de kuischheid. Toen Cook, die Tahiti verscheidene malenbezocht, te midden van “dit welwillende en menschlievende” volk was, merkte hij hun achting voor kuischheid op, en bevond hij, dat, niet alleen verloofde meisjes streng bewaakt werden voor het huwelijk, maar dat men ook meende, dat mannen, die zich eenigen tijd voor het huwelijk van sexueelen omgang onthouden hadden, bij hun dood onmiddellijk naar het verblijf der gezegenden overgingen. “Hun gedrag schijnt, bij alle gelegenheden, een groote openhartigheid en edelmoedigheid van aard aan te duiden. Ik heb ze nooit, onder welke moeilijkheid ook, zien werken onder een schijn van angst, nadat het kritieke oogenblik voorbij was. En ook schijnt nooit de zorg hun voorhoofd te rimpelen. Integendeel kan zelfs de nadering van den dood hun gewone levendigheid niet veranderen” (Third voyage of Discovery, 1776–1780). Turnbull bezocht Tahiti op een lateren tijd, (A Voyage Round the World in 1800, etc., pp. 374–5), maar terwijl hij allerlei ondeugden onder hen vindt, moet hij toch hun deugden erkennen: “Hun wijze van vreemdelingen toe te spreken, is, van den koning tot den minsten onderdaan, in de hoogste mate beleefd en minzaam … Zij leven voorzeker onder elkaar in meer harmonie dan het de gewoonte is onder Europeanen. Den geheelen tijd, dat ik onder hen verkeerde, heb ik nooit zoo iets als een gevecht gezien … Ik herinner mij niet, dat ik ooit een bewoner van Tahiti gezien heb, die uit zijn humeur was. Zij bespotten elkaar vrijer dan de Europeanen, maar deze spotternijen worden nooit slecht opgenomen … Wat voedsel aangaat, is het, geloof ik, een onveranderlijke wet in Tahiti, dat al wat de een bezit, voor allen gemeenschappelijk is”. Zoo zien we, dat zelfs bij een volk, waarnaar gewoonlijk verwezen wordt als naar het voorbeeld bij uitnemendheid van een natie, die overgegeven is aan onbeteugelde losbandigheid, de eischen der kuischheid werden erkend, en vele andere deugden krachtig bloeiden. De bewoners van Tahiti waren dapper, gastvrij, vol zelfbedwang, beleefd, zij sloegen acht op de behoeften van anderen, waren ridderlijk voor vrouwen, waardeerden zelfs de voordeelen van sexueele beperking, in een mate, zooals ze zelden of misschien wel nooit gekend is onder die Christelijke naties, die op hen hebben neergezien, alsof ze overgegeven waren aan verschrikkelijke ondeugden.

Als wij de moreele hoedanigheid van kuischheid onder de natuurvolken beschouwen, dan moeten we zorgvuldig die kuischheid afscheiden, die onder half barbaarsche volken uitsluitend aan vrouwen opgelegd is. Deze heeft in het geheel geen moreele hoedanigheid, want ze wordt niet uitgeoefend als een nuttige tucht, maar ze wordt alleen opgedrongen om de economische en erotische waarde van de vrouwen te verhoogen. Vele autoriteiten meenen, dat het beschouwen van vrouwen als eigendom, de ware oorzaak is voor het wijd verspreide aandringen op maagdelijkheid in bruiden. Zoo zegt A. B. Ellis, waar hij spreekt over de Westkust van Afrika (Yoruba-Speaking Peoples, pp. 183et seq.), dat meisjes van goeden stand verloofd worden terwijl ze nog slechts kinderen zijn, en dat ze zorgvuldig tegen mannen beschermd worden; terwijl meisjes van de lagere klassen zelden verloofd zijn, en mogen leven, zooals ze dat zelf willen. “In deze gewoonte van kinderverlovingen vinden we waarschijnlijk den sleutel tot dien merkwaardigen eerbied voor kuischheid vóór het huwelijk, die niet alleen gevonden wordt onder de stammen van de Goudkust en de Slavenkust, maar ook onder vele andere onbeschaafde volken in verschillende deelen der wereld”. In een geheel anderen streek, in Noord-Siberië, “zien de Yakuts”, zooals Sieroshevski zegt (Journal Anthropological Institute, Jan.—Juni 1901, p. 96), “niets immoreels in onwettige liefde, als er maar niemand materieele schade door ondervindt. Het is waar, dat ouders een dochter beknorren, als haar gedrag hen dreigt te berooven van hun deel aan den bruidsschat; maar als zij eenmaal de hoop verloren hebben haar uit te huwelijken, of als de bruidschat betaald is, dan vertoonen zij een volkomen onverschilligheid voor haar gedrag. Meisjes, die geen huwelijk meer verwachten, worden in het geheel niet teruggehouden; als zij het decorum in acht nemen, dan is dat alleen uit eerbied voor de gewoonte”. Westermarck toont ook (inHistory of Human Marriage, pp. 123et seq.) het verband aan tusschen de hooge achting voor de maagdelijkheid en de opvatting de vrouw als bezit te beschouwen, en als hij in zijn later werk,The Origin and Development of the Moral Ideas(vol. II, Ch. XLII), op de kwestie terugkomt, na er op gewezen te hebben, dat “het koophuwelijk zoo den standaard der vrouwelijke kuischheid heeft verhoogd”, verwijst hij (p. 437) naar het veelbeteekenend feit, dat het verleiden van een ongetrouwd meisje “voornamelijk, zoo niet uitsluitend, beschouwd wordt als een beleediging, aangedaan aan de ouders of de familie van het meisje”, en er is geen aanwijzing, dat natuurvolken ooit gemeend hebben, dat er eenig kwaad gedaan werd aan de vrouw zelf. Westermarck zegt terzelfder tijd, dat de voorkeur aan maagdelijkheid gegeven, ook een biologischen basis heeft in het instinctieve gevoel van jaloezie jegens vrouwen, die omgang hebben gehad met andere mannen, en vooral in de erotische bekoring, die er voor mannen gelegen is in den gemoedstoestand van verlegenheid, die met maagdelijkheid samengaat.

Het is nauwelijks nodig hier bij te voegen, dat het aandringen op maagdelijkheid van bruiden in het geheel niet, zooals A. B. Ellis schijnt te meenen, beperkt is tot onbeschaafde volken, en het is ook niet noodig, dat het koopen van vrouwen er altijd mede samengaat. De voorkeur bestaat nogsteeds, niet alleen krachtens zijn natuurlijken biologischen basis, maar als een verfijning en uitbreiding van het denkbeeld dat de vrouw eigendom is, onder die volken, die evenals wijzelven een vorm van huwelijk hebben geërfd, die tot zekere hoogte gebaseerd is op den koop van de vrouw. Onder zulke omstandigheden heeft de kuischheid van een vrouw een belangrijke maatschappelijke functie te vervullen, daar ze, zooals Mrs. Mona Caird gezegd heeft (The Morality of Marriage, 1897, p. 88), de wachthond is van het bezit van den man. Het feit, dat geen element van ideale moraal in het geding komt, blijkt wel uit het gewoonlijk afwezig zijn van eenigen eisch van kuischheid vóór het huwelijk bij den man.

Wij moeten niet meenen, dat, indien er, zooals meestal het geval is, geen volkomen en voortdurend verbod van buitenechtelijken omgang is, enkel onbeperkte vrijheid overheerschend is. Dat is blijkbaar nooit ergens onder onvervalschte natuurvolken het geval geweest. Regel is blijkbaar, dat er, evenals onder de stammen in Straat Torres (Reports Cambridge Anthropological Expeditionvol. v, p. 275), geen volkomen onthouding is vóór het huwelijk, maar ook geen onbeperkte vrijheid.

Het voorbeeld van Tahiti is leerrijk wat het algemeen voorkomen van kuischheid betreft onder volken, die wij gewoonlijk beschouwen als op lagen trap van beschaving staande. Tahiti is, volgens allen, die het bezocht hebben, van de eerste onderzoekers af tot dien beroemden Amerikaanschen dokter wijlen Dr. Nicholas Senn toe, een eiland, dat eigenschappen bezit van natuurlijke schoonheid en uitmuntendheid van klimaat, die we onmogelijk te hoog kunnen stellen. “Ik scheen overgeplant te zijn in den hof van Eden”, zeide Bougainville in 1768. Maar, vooral onder den invloed van de eerste Engelsche zendelingen, die denkbeelden hadden over theoretische moraal, geheel verschillend van die van de bewoners van die eilanden, zijn de bewoners van Tahiti het geijkte voorbeeld geworden van een bevolking, overgegeven aan losbandigheid en al de verschrikkelijke gevolgen ervan. Zoo zegt William Ellis in zijn beroemdePolynesian Researches(second edition, 1832, vol. i Ch. IX), dat de bewoners van Tahiti “de ergste bevlekkingen in praktijk brachten, waaraan een mensch schuldig kon zijn”, hoewel hij ze niet nader aanduidt. Als wij echter zorgvuldig de verhalen van de eerste bezoekers van Tahiti nagaan, voordat de bevolking besmet werd door de aanraking met de Europeanen, dan wordt het duidelijk, dat deze beschouwing ernstig behoefte heeft aan wijziging. “De groote overvloed van goed en voedzaam voedsel”, schreef een der eerste onderzoekers, J. R. Forster (Observations Made on a Voyage Round the World, 1778, pp. 231, 409, 422), “gepaard met het mooie klimaat, de schoonheid en de toeschietelijkheid van de vrouwen van het land, noodigen zeer tot de vreugden en genoegens van de liefde. Zij beginnen al zeer vroeg zich over te geven aan de meest losbandige tooneelen. Hun liederen, hun dansen en dramatische uitvoeringen, ademen een geest van weelderigheid”. Toch wordt hij ieder keer gedrongen feiten mede te deelen, die blijk geven van de deugden van deze menschen. Hoewel tamelijk verwijfd van bouw, zijn ze athletisch, zegt hij. Bovendien vechten zij in hun oorlogen met grooten moed en ongeëvenaarde dapperheid. Verder zijn ze gastvrij. Hij merkt op, dat zij hun getrouwde vrouwen met grooten eerbied behandelen, en dat de vrouwen over het algemeen bijna de gelijken zijn van de mannen, zoowel in verstand als in maatschappelijke positie; hij geeft een mooie beschrijving van de vrouwen. “In het kort, hun karakter is zoo beminnelijk”, besluit Forster, “als dat van eenige natie, die ooit onverbeterd uit de handen der Natuur kwam”, en hij merkt op, dat, zooals door de volken van de Zuidzee in het algemeen gevoeld werd, we altijd, als we naar dit gelukkige eiland kwamen, duidelijk den rijkdom en het geluk van zijn inwoners konden bemerken.Het is ook opmerkelijk, dat ondanks het groote belang, dat de bewoners van Tahiti hechtten aan de erotische zijde van het leven, zij niet te kort schoten in eerbied voor de kuischheid. Toen Cook, die Tahiti verscheidene malenbezocht, te midden van “dit welwillende en menschlievende” volk was, merkte hij hun achting voor kuischheid op, en bevond hij, dat, niet alleen verloofde meisjes streng bewaakt werden voor het huwelijk, maar dat men ook meende, dat mannen, die zich eenigen tijd voor het huwelijk van sexueelen omgang onthouden hadden, bij hun dood onmiddellijk naar het verblijf der gezegenden overgingen. “Hun gedrag schijnt, bij alle gelegenheden, een groote openhartigheid en edelmoedigheid van aard aan te duiden. Ik heb ze nooit, onder welke moeilijkheid ook, zien werken onder een schijn van angst, nadat het kritieke oogenblik voorbij was. En ook schijnt nooit de zorg hun voorhoofd te rimpelen. Integendeel kan zelfs de nadering van den dood hun gewone levendigheid niet veranderen” (Third voyage of Discovery, 1776–1780). Turnbull bezocht Tahiti op een lateren tijd, (A Voyage Round the World in 1800, etc., pp. 374–5), maar terwijl hij allerlei ondeugden onder hen vindt, moet hij toch hun deugden erkennen: “Hun wijze van vreemdelingen toe te spreken, is, van den koning tot den minsten onderdaan, in de hoogste mate beleefd en minzaam … Zij leven voorzeker onder elkaar in meer harmonie dan het de gewoonte is onder Europeanen. Den geheelen tijd, dat ik onder hen verkeerde, heb ik nooit zoo iets als een gevecht gezien … Ik herinner mij niet, dat ik ooit een bewoner van Tahiti gezien heb, die uit zijn humeur was. Zij bespotten elkaar vrijer dan de Europeanen, maar deze spotternijen worden nooit slecht opgenomen … Wat voedsel aangaat, is het, geloof ik, een onveranderlijke wet in Tahiti, dat al wat de een bezit, voor allen gemeenschappelijk is”. Zoo zien we, dat zelfs bij een volk, waarnaar gewoonlijk verwezen wordt als naar het voorbeeld bij uitnemendheid van een natie, die overgegeven is aan onbeteugelde losbandigheid, de eischen der kuischheid werden erkend, en vele andere deugden krachtig bloeiden. De bewoners van Tahiti waren dapper, gastvrij, vol zelfbedwang, beleefd, zij sloegen acht op de behoeften van anderen, waren ridderlijk voor vrouwen, waardeerden zelfs de voordeelen van sexueele beperking, in een mate, zooals ze zelden of misschien wel nooit gekend is onder die Christelijke naties, die op hen hebben neergezien, alsof ze overgegeven waren aan verschrikkelijke ondeugden.

Als wij ons van de natuurvolken afwenden naar de volken in de barbaarsche en de beschaafde stadiën, vinden wij een algemeene neiging tot kuischheid, in zoover ze een gewoon bezit is onder de lagere klassen, die minder in acht genomen behoeft te worden, of alleen maar behouden wordt als een traditioneele conventie, die in onbruik begint te geraken. De oude beweegredenen voor de kuischheid in primitieve godsdiensten entabuhebben hun kracht verloren en geen nieuwe beweegredenen zijn ervoor in de plaats gekomen. “Hoewel de vooruitgang der beschaving”, schreef Gibbon lang geleden, “ongetwijfeld er toe bijgedragen heeft de woestere hartstochten van de menschelijke natuur te verzachten, schijnt ze minder gunstig geweest te zijn voor de deugd der kuischheid”, en Westermarck komt tot het besluit, dat “ongeregelde betrekkingen tusschen de seksen over het geheel een neiging hebben vertoond zich met den voortgang van de beschaving te ontwikkelen”.

Het voornaamste verschil in de maatschappelijke functie van kuischheid als deugd, schijnt bij den overgang van primitieve toestanden tot de hoogere stadiën van beschaving, te zijn, dat ze ophoudt te bestaan als een algemeene hygiënische maatregelof als een algemeene regel van ceremonieel, en voor het grootste deel beperkt wordt tot speciale philosofische en godsdienstige sekten, die ze tot een uitersten graad, min of meer als een beroep aankweeken. Dit is de stand van zaken in het Romeinsche Keizerrijk tijdens de eerste eeuwen van het Christelijk tijdperk5. Het Christendom zelf was in het begin een van die sekten, welke bekoord waren door het ideaal van de kuischheid; maar door zijn grootere levenskracht verving het al de andere en drong ten slotte zijn idealen, niet zijn primitieve gebruiken, op aan de Europeesche maatschappij in het algemeen.

De kuischheid vertoonde zich in het primitieve Christendom op twee verschillende, toch niet aan elkaar tegenovergestelde wijzen. Aan den eenen kant nam het een strengen en praktischen vorm aan bij krachtige mannen en vrouwen, die, na opgevoed te zijn in een maatschappij, die een hoogen graad van sexueele vrijheid toestaat, plotseling overtuigd werden van het zondige van zulk een toegeven. De strijd met de maatschappij, waarin ze geboren waren, en met hun eigen oude aandriften en gewoonten, werd zoo hevig, dat zij zich dikwijls gedrongen zagen zich geheel van de wereld terug te trekken. Zoo kwam het, dat de dorre woestijnen van Egypte bevolkt werden met hermieten, die zich voornamelijk bezig hielden met het vraagstuk, hun eigen vleesch te onderwerpen. Men kan wel zeggen, dat hun aandacht voor sexueele zaken, ook merkbaar in de oudste Christelijke literatuur, veel grooter was, dan het geval was in de heidensche maatschappij, die zij verlaten hadden. Het heidendom was toegevend in sexueele aangelegenheden, en kon ze dus uit zijn gedachten bannen, zoodat we in de klassieke literatuur zeer weinig melding vinden gemaakt van sexueele bijzonderheden, behalve bij schrijvers zooals Martialis, Juvenalis en Petronius, die ze speciaal voor satirische doeleinden invoeren. Maar de Christenen konden niet ontsnappen aan de benauwenis der sexualiteit; ze was altijd met hen. Wij krijgen nu en dan belangwekkende kijkjes op hun worstelingen, in de Brieven van den heiligen Jeronimus, die zelf een athleet geweest is in dezen ascetischen strijd.

“O, hoe dikwijls”, schreef de heilige Jeronimus aan Antiochia, de maagd aan wie hij een van de langste en meest belangwekkende van zijn brieven richtte, “heb ik in de woestijn, in die wijde eenzaamheid, die, verbrand door de gloeiende stralen der zon, slechts een afschuwelijke woonplaats aanbiedt aan monniken, mijzelf voorgesteld te midden van de genoegens van Rome! Ik was alleen, want mijn ziel was vol bitterheid. Mijn ledematen waren bedekt met een ellendigen zak en mijn huid was zoo zwart als die van een Ethiopiër.Iederen dag weende en steunde ik, en als ik buiten mijn wil door slaap overvallen werd, lag mijn magere lichaam op den naakten grond. Ik zeg niets van mijn voedsel en drank, want in de wildernis hebben zelfs zieken geen anderen drank dan koud water, en gekookt voedsel wordt beschouwd als een weelde. Nu dan, ik, die mijzelf uit vrees voor de hel tot deze gevangenis veroordeeld had, een metgezel van schorpioenen en wilde dieren, scheen dikwijls in mijn verbeelding onder troepen jonge meisjes te vertoeven. Mijn gezicht was bleek van het vasten en mijn geest in mijn koude lichaam gloeide van begeerte; het vuur der wellust vlamde nog op in een lichaam, dat reeds dood scheen. Dan, van alle hulp verstoken als ik was, wierp ik mij voor de voeten van Jezus, waschte ze met mijn tranen en droogde ze met mijn haren en bracht mijn vleesch door lang vasten ten onder. Ik herinner mij, dat ik meer dan eens den nacht doorbracht schreeuwende en mij op de borst slaande, tot God mij vrede zond”. “Onze eeuw”, schreef de heilige Chrysostomus in zijnDiscourse to Those Who keep Virgins in Their Houses, “heeft vele mannen gezien, die hun lichamen met kettingen gebonden hebben, die zich gekleed hebben in zakken, die zich teruggetrokken hebben tot de toppen der bergen, waar zij geleefd hebben in voortdurend bidden en vasten, en die het voorbeeld gaven van de strengste tucht en alle vrouwen verboden den drempel van hun nederige woning te overtreden; en toch, ondanks al de gestrengheid, die zij op zichzelf toepasten, konden zij nog maar met moeite de woede van hun hartstochten onderdrukken”. Hilarion, zegt Jeronimus, zag visioenen van naakte vrouwen als hij neerlag op zijn eenzaam leger, en heerlijke maaltijden, als hij neerzat aan zijn sober maal. Zulke ondervindingen maakten de eerste heiligen zeer nauwgezet. “Zij zeiden”, zoo vertelt men ons in de belangwekkende geschiedenis van de Egyptische kluizenaars in hetParadise of the Holy Fathersvan Palladius, hetwelk behoort tot de vierde eeuw (A. W. Budge,The Paradise, vol. II, p. 129), “dat Abbâ Isaac uitging en op den weg een voetspoor van een vrouw vond, en hij dacht er over na in zijn geest en vernietigde hem, zeggende, “als een broeder hem ziet, zou hij kunnen vallen”.”Evenzoo mochten, volgens de regels van den heiligen Caesarius van Arles voor nonnen, geen kleedingstukken van mannen in het klooster gebracht worden om ze te wasschen of te verstellen. Zelfs in den ouderdom bleef er nog een zekere ongerustheid bestaan over de kuischheid. Een van de broeders, naar ons verteld wordt inThe Paradise(p. 132) zeide tot Abbâ Zeno, “Zie, gij zijt oud geworden, hoe ishetmet de ontucht?” De waardige heilige antwoordde, “Ze klopt aan, maar ze gaat voorbij”.Naarmate de eeuwen voorbijgingen bleef dezelfde groote ongerustheid nog bestaan, en de oude strijd kwam voortdurend weer voor den dag (zie b.v. Migne’sDictionnaire d’Ascétisme, art. “Démon, Tentation du”). Het is waar, dat sommige heiligen zoo bovenaardsch aangelegd waren, dat zij nooit den prikkel van het sexueel verlangen gevoelden. Deze schijnen echter uitzondering geweest te zijn. De heilige Benedictus en de heilige Franciscus ondervonden zeer zeker de moeilijkheid van het ten onder brengen van het vleesch. De heilige Magdalena de Pozzi rolde zich, om sexueele verlangens te verjagen, tot bloedens toe op doornige struiken. Sommige heiligen hadden een speciale ton met water in hun cellen waar ze in konden gaan staan (Lea,SacerdotalCelibacy, vol. I, p. 124). Aan den anderen kant vertelt ons de heilige Angela de Fulginio in haarVisiones(cap. XIX) dat zij, zoolang, totdat haar biechtvader het haar verbood, brandende kolen in haar geheime deelen bracht, in de hoop door werkelijk vuur het branden van de ontuchtige begeerte uit te dooven. St. Aldhelm, de heilige bisschop van Sherborne in de achtste eeuw, nam ook een homoeopathische wijze van behandelen aan, en dan van een meer letterlijke soort, want William van Malmsbury zegt, dat hij, als hij door het vleesch in verleiding kwam, vrouwen bij zich liet komen zitten en liggen, totdat hij weer kalm werd; de methode bleek zeer doelmatig, omdat, naar men meende, de Duivel voelde, dat hij voor den gek was gehouden.Na eenigen tijd werd de Katholieke praktijk en theorie van het ascetisme meer formeel en uitgebreid, en de weldadige gevolgen ervan strekten zich, naar men meende, verder uit dan het individu zelf. “Ascetisme van het Christelijk standpunt”, schrijft Brenier de Montmorand in een belangwekkende studie (“Ascétisme et Mysticisme”,Revue Philosophique, Maart, 1904) “is niets anders dan al de therapeutische middelen, samenwerkend tot moreele heiliging. De Christelijke asceet is een athleet, die zijn verdorven natuur tracht te veranderen en een weg tot God te banen door de hinderpalen heen, die door zijn hartstochten en door de wereld veroorzaakt worden. Hij werkt niet alleen in zijn eigen belang, maar—door den terugslag van verdienste, welke die der solidariteit in de dwaling weer goed maakt—voor het nut en het heil van de geheele maatschappij”.

“O, hoe dikwijls”, schreef de heilige Jeronimus aan Antiochia, de maagd aan wie hij een van de langste en meest belangwekkende van zijn brieven richtte, “heb ik in de woestijn, in die wijde eenzaamheid, die, verbrand door de gloeiende stralen der zon, slechts een afschuwelijke woonplaats aanbiedt aan monniken, mijzelf voorgesteld te midden van de genoegens van Rome! Ik was alleen, want mijn ziel was vol bitterheid. Mijn ledematen waren bedekt met een ellendigen zak en mijn huid was zoo zwart als die van een Ethiopiër.Iederen dag weende en steunde ik, en als ik buiten mijn wil door slaap overvallen werd, lag mijn magere lichaam op den naakten grond. Ik zeg niets van mijn voedsel en drank, want in de wildernis hebben zelfs zieken geen anderen drank dan koud water, en gekookt voedsel wordt beschouwd als een weelde. Nu dan, ik, die mijzelf uit vrees voor de hel tot deze gevangenis veroordeeld had, een metgezel van schorpioenen en wilde dieren, scheen dikwijls in mijn verbeelding onder troepen jonge meisjes te vertoeven. Mijn gezicht was bleek van het vasten en mijn geest in mijn koude lichaam gloeide van begeerte; het vuur der wellust vlamde nog op in een lichaam, dat reeds dood scheen. Dan, van alle hulp verstoken als ik was, wierp ik mij voor de voeten van Jezus, waschte ze met mijn tranen en droogde ze met mijn haren en bracht mijn vleesch door lang vasten ten onder. Ik herinner mij, dat ik meer dan eens den nacht doorbracht schreeuwende en mij op de borst slaande, tot God mij vrede zond”. “Onze eeuw”, schreef de heilige Chrysostomus in zijnDiscourse to Those Who keep Virgins in Their Houses, “heeft vele mannen gezien, die hun lichamen met kettingen gebonden hebben, die zich gekleed hebben in zakken, die zich teruggetrokken hebben tot de toppen der bergen, waar zij geleefd hebben in voortdurend bidden en vasten, en die het voorbeeld gaven van de strengste tucht en alle vrouwen verboden den drempel van hun nederige woning te overtreden; en toch, ondanks al de gestrengheid, die zij op zichzelf toepasten, konden zij nog maar met moeite de woede van hun hartstochten onderdrukken”. Hilarion, zegt Jeronimus, zag visioenen van naakte vrouwen als hij neerlag op zijn eenzaam leger, en heerlijke maaltijden, als hij neerzat aan zijn sober maal. Zulke ondervindingen maakten de eerste heiligen zeer nauwgezet. “Zij zeiden”, zoo vertelt men ons in de belangwekkende geschiedenis van de Egyptische kluizenaars in hetParadise of the Holy Fathersvan Palladius, hetwelk behoort tot de vierde eeuw (A. W. Budge,The Paradise, vol. II, p. 129), “dat Abbâ Isaac uitging en op den weg een voetspoor van een vrouw vond, en hij dacht er over na in zijn geest en vernietigde hem, zeggende, “als een broeder hem ziet, zou hij kunnen vallen”.”Evenzoo mochten, volgens de regels van den heiligen Caesarius van Arles voor nonnen, geen kleedingstukken van mannen in het klooster gebracht worden om ze te wasschen of te verstellen. Zelfs in den ouderdom bleef er nog een zekere ongerustheid bestaan over de kuischheid. Een van de broeders, naar ons verteld wordt inThe Paradise(p. 132) zeide tot Abbâ Zeno, “Zie, gij zijt oud geworden, hoe ishetmet de ontucht?” De waardige heilige antwoordde, “Ze klopt aan, maar ze gaat voorbij”.

Naarmate de eeuwen voorbijgingen bleef dezelfde groote ongerustheid nog bestaan, en de oude strijd kwam voortdurend weer voor den dag (zie b.v. Migne’sDictionnaire d’Ascétisme, art. “Démon, Tentation du”). Het is waar, dat sommige heiligen zoo bovenaardsch aangelegd waren, dat zij nooit den prikkel van het sexueel verlangen gevoelden. Deze schijnen echter uitzondering geweest te zijn. De heilige Benedictus en de heilige Franciscus ondervonden zeer zeker de moeilijkheid van het ten onder brengen van het vleesch. De heilige Magdalena de Pozzi rolde zich, om sexueele verlangens te verjagen, tot bloedens toe op doornige struiken. Sommige heiligen hadden een speciale ton met water in hun cellen waar ze in konden gaan staan (Lea,SacerdotalCelibacy, vol. I, p. 124). Aan den anderen kant vertelt ons de heilige Angela de Fulginio in haarVisiones(cap. XIX) dat zij, zoolang, totdat haar biechtvader het haar verbood, brandende kolen in haar geheime deelen bracht, in de hoop door werkelijk vuur het branden van de ontuchtige begeerte uit te dooven. St. Aldhelm, de heilige bisschop van Sherborne in de achtste eeuw, nam ook een homoeopathische wijze van behandelen aan, en dan van een meer letterlijke soort, want William van Malmsbury zegt, dat hij, als hij door het vleesch in verleiding kwam, vrouwen bij zich liet komen zitten en liggen, totdat hij weer kalm werd; de methode bleek zeer doelmatig, omdat, naar men meende, de Duivel voelde, dat hij voor den gek was gehouden.

Na eenigen tijd werd de Katholieke praktijk en theorie van het ascetisme meer formeel en uitgebreid, en de weldadige gevolgen ervan strekten zich, naar men meende, verder uit dan het individu zelf. “Ascetisme van het Christelijk standpunt”, schrijft Brenier de Montmorand in een belangwekkende studie (“Ascétisme et Mysticisme”,Revue Philosophique, Maart, 1904) “is niets anders dan al de therapeutische middelen, samenwerkend tot moreele heiliging. De Christelijke asceet is een athleet, die zijn verdorven natuur tracht te veranderen en een weg tot God te banen door de hinderpalen heen, die door zijn hartstochten en door de wereld veroorzaakt worden. Hij werkt niet alleen in zijn eigen belang, maar—door den terugslag van verdienste, welke die der solidariteit in de dwaling weer goed maakt—voor het nut en het heil van de geheele maatschappij”.

Dit is het gezichtspunt van de ascese, waarop het oudste Christendom het meest den nadruk gelegd heeft. Maar er is een ander gezichtspunt, dat misschien minder gewoon is, maar dat in het geheel niet minder van belang is geweest. Primitieve Christelijke kuischheid was aan den eenen kant een strenge tucht. Aan den anderen kant was ze romantisch en dit was wel de meest speciaal Christelijke kant, want athletisch ascetisme is verbonden geweest met de meest verschillende godsdienstige en philosofische geloofsbelijdenissen. Als ze niet de bekoring bezeten had van een nieuwe sensatie, van een verrukkelijke vrijheid, van een onbekend avontuur, dan zou ze nooit de Europeesche wereld veroverd hebben. Er zijn er in die wereld maar enkelen, die den aanleg voor moreele athleten in zich hebben; er zijn er velen, die op de aantrekkelijkheid van het romantische reageeren.

De Christenen verwierpen de grovere vormen van sexueel toegeven, maar terwijl ze dat deden, gaven zij zich met des te meer ijver over aan de meer verfijnde vormen van sexueele intimiteit. Zij kweekten een verhouding aan van broeders en zusters, zij kusten elkaar; op een bepaalden tijd schaamden zij zich niet, bij de geestelijke braspartij van den doop bij voorbeeld, volkomen naakt te zijn6.

Een zeer leerrijk beeld van de vormen, die de kuischheid onder de eerste Christenen aannam, is ons gegeven in de verhandeling van den heiligen ChrysostomusAgainst Those who Keep Virgins in their Houses. Onze vaders, begint Chrysostomus, kenden alleen maar twee vormen van sexueele intimiteit, huwelijk en ontucht. Nu is er een nieuwe vorm voor den dag gekomen: mannen nemen jonge meisjes in hun huis en houden die daar doorloopend, terwijl ze haar maagdelijkheid eerbiedigen. “Wat”, vraagt Chrysostomus, “is de reden? Het schijnt mij toe, dat het leven te zamen met een vrouw, aangenaam is, zelfs buiten huwelijksvereeniging en vleeschelijken omgang. Dat is mijn gevoelen; en misschien is hetniet mijn gevoelen alleen; het is misschien ook het gevoelen van deze mannen. Zij zouden hun eer niet zoo te grabbel gooien en geen aanleiding geven tot zulke schandalen, als dit genoegen niet hevig en tyranniek was.… Dat deze verhouding werkelijk genoegen geeft, dat ze een liefde veroorzaakt, die vuriger is dan huwelijksvereeniging, zal u misschien in het eerst verwonderen. Maar als ik u de bewijzen geef, zult ge overtuigd zijn van de waarheid mijner bewering”.In het huwelijk, gaat hij voort, leidt de afwezigheid van beperking der begeerte dikwijls tot spoedige walging, en zelfs afgezien daarvan verwoesten de sexueele omgang, zwangerschap, geboorte, het zoogen, het opvoeden van kinderen, en al de moeiten en pijnen en angsten, die met deze dingen samengaan, de jeugd en stompen het genoegen af. De maagd is vrij van deze lasten. Zij behoudt haar kracht en jeugd, en zelfs op den leeftijd van veertig kan zij wedijveren met het jonge huwbare meisje. “Een dubbele gloed brandt dus in het hart van hem, die haar liefheeft en met haar leeft, en nooit dooft de bevrediging van het verlangen de heldere vlam, die voortdurend in kracht toeneemt”. Chrysostomus beschrijft in bijzonderheden al de kleine zorgen en attenties, waaraan de moderne meisjes van zijn tijd behoefte hadden, en die deze mannen met vreugde aan hun maagdelijke geliefden besteedden, zoowel in het publiek als tehuis. Hij kan echter niet nalaten te denken, dat de man, die een vrouw, wier maagdelijkheid hij eerbiedigt, met kussen en liefkoozingen overlaadt, zichzelf Tantaluskwellingen aandoet. Maar deze nieuwe verfijning van teedere kuischheid, die als een heerlijkeontdekkingkwam tot de eerste Christenen, die resoluut de losbandigheid van de heidensche wereld hadden verworpen, had diepe wortels geschoten, zooals wij kunnen opmerken uit de veelvuldigheid, waarmee de ernstige Kerkvaders, bang voor schandaal, zich geroepen gevoelden ze te laken, hoewel hun veroordeeling soms niet zonder geheime sympathie is7.

Er was éen vorm, waarin de nieuwe Christelijke kuischheid overvloedig en ongehinderd bloeide: zij maakte zich meester van de literatuur. De bekoorlijkste en zeker de meest populaire literatuur van de oudste kerk vormden de onnoemelijk vele legenden van erotische kuischheid—tot zekere hoogte misschien wel gebaseerd op feiten—die samengevat zijn in deActa Sanctorum. Wij kunnen, zelfs in de meest eenvoudige en weinig wonderbaarlijkeoudste Christelijke verslagen van het martelaarschap van vrouwen zien, dat de schrijvers zich volkomen bewust waren van de teere bekoring van de heldin, die, evenals Perpetua, in Carthago, door wilde dieren in de arena heen en weer geworpen, opstaat om zich in haar gescheurde kleeren te hullen en haar verwarde haren in orde te brengen8. Van deze legenden tot de verhalen van romantisch avontuur was een gemakkelijke stap. Onder deze heerlijke verhalen mag ik voornamelijk verwijzen naar de legende van Thekla, die, misschien wel ten onrechte, al in de eerste eeuw gesteld wordt, “De Bruid en Bruidegom van Indië” in de handelingen vanJudas Thomas, “De Maagd vanAntiochië”, verteld door den heiligen Ambrosius, de geschiedenis van “Achillus en Nereus”, “Mygdonia en Karish”, en “Twee Minnenden van Auvergne”, zooals ze verteld zijn door Gregorius van Tours. De oudste Christelijke literatuur is vol van verhalen van minnenden, die hun kuischheid bewaard hadden, en die toch de heerlijkste geheimen van de liefde hadden ontdekt.

Thekla’s dag is de drie en twintigste September. Er is een zeer goede Syrische lezing (door Lipsius en anderen beschouwd als ouder dan de Grieksche vertaling) van deHandelingen van Paul en Thekla(zie b.v. van Wright, deApocryphal Acts). Deze Acts behooren tot het tweede gedeelte van de tweede eeuw. De geschiedenis is, dat Thekla, daar ze weerstand bood aan den hartstocht van den hoogepriester vanSyrië, naakt op een gordel (subligaculum) na, geplaatst werd op den rug van een leeuwin, die haar de voeten likte en tegen de andere dieren vocht, en die bij haar verdediging stierf. De andere dieren deden haar echter geen kwaad en zij werd eindelijk los gelaten. Een koningin overlaadde haar met geld, zij veranderde haar kleeding om er als een man uit te zien, ging op reis om Paulus te ontmoeten, en bereikte een hoogen ouderdom. Sir W. M. Ramsay heeft een belangwekkende studie over dezeHandelingengeschreven (The Church in the Roman Empire, hoofdstuk XVI). Hij meent, dat deHandelingenhun grondslag vinden in een document uit de eerste eeuw, en hij ziet kans om verscheidene elementen van waarheid uit het verhaal los te warren. Hij zegt, dat het het eenige bewijs is, hetwelk wij bezitten van de denkbeelden en van de daden van vrouwen gedurende de eerste eeuw in Klein-Azië, waar haar positie zoo hoog was en haar invloed zoo groot. Thekla vertegenwoordigt de handhaving van de rechten der vrouw en zij diende het sacrament van den doop toe, hoewel deze trekken in de bestaande vertalingen van deHandelingenonduidelijk geworden zijn of uitgewischt.Sommige van de meest typische van deze Christelijke legenden worden beschreven als Gnostisch in oorsprong, met iets van de zaden van het Manichaeisch dualisme, die vervat waren in den schoot van het gnosticisme, terwijl de geest van deze legenden ook zeer Montanistisch is, met de gemengde kuischheid en gloed, den uitgesproken feministischen toon, die past bij den oorsprong ervan in Klein-Azië, en die het kenmerk was van het Montanisme. Het kan echter niet ontkend worden, dat zij in grooten getale overgingen in den stroom van Christelijke traditie, en een essentieel en belangwekkend deel van die traditie vormen. (Renan wijst, in zijnMarc-Aurèle, hoofdst. IX en XV, op de enorme schuld van het Christendom aan Gnostische en Montanistischebijdragen). Een karakteristiek voorbeeld is de geschiedenis van “De Verloofde uit Indië” in deHandelingenvanJudas Thomas(Wright’sApocryphal Acts). Judas Thomas werd door zijn meester Jezus verkocht aan een Indischen koopman, die een timmerman noodig had om met hem naar Indië te gaan. Toen ze zich in de stad Sandaruk ontscheepten, hoorden ze de tonen van muziek en zang, en werd hun verteld, dat het het huwelijksfeest was van de dochter des konings, waarbij allen moesten tegenwoordig zijn, rijken en armen, slaven en vrijen, vreemdelingen en burgers. Judas Thomas ging, met zijn nieuwen meester naar het feestmaal en lag aan, met een myrthe guirlande op zijn hoofd geplaatst. Toen een Joodsche fluitspeler kwam en tegenover hem ging staan en speelde, zong hij de liederen van Christus, en zij zagen, dat hij schooner was dan allen, die daar waren en de koning liet hem roepen om het jonge paar te zegenen in de huwelijkskamer. En toen zij allen weg waren gegaan en de deur van de huwelijkskamer gesloten was, naderde de bruigom de bruid, en het scheen hem toe, alsof Judas Thomas nog met haar praatte. Maar het was onze Heer, die tot hem zeide: “Ik ben niet Judas, maar zijnen broeder”. En onze Heer zat neer op het bed naast de jonge menschen en begon tot ze te zeggen: “Herinner u, mijn kinderen, wat mijn broeder tot u gesproken heeft, en weet aan wien hij u opgedragen heeft, en weet, dat als gij uzelven bewaart voor dien onreinen omgang, gij reine tempels zult worden en beveiligd tegen vele en verborgen smarten en tegen den zwaren zorg van kinderen, waarvan het einde altijd bittere smart is. Om hunnentwille zult gij onderdrukkers worden en roovers, en gij zult bitter lijden door hun verkeerdheden. Want kinderen zijn de oorzaak van vele ellenden; hetzij de koning beslag op hen legt, of dat een duivel ze te pakken neemt, of dat zij bezocht worden door verlamming. En als zij gezond zijn, komen zij tot het kwade, door echtbreken of diefstal, of ontucht of begeerte, of ijdelheid. Maar als gij u door mij wilt laten raden, en uzelven rein voor God zult bewaren, dan zult gij levende kinderen hebben, tot wie geen van deze ellenden en bezwaren komen; en gij zult zonder zorg zijn en zonder ergernis en zonder smart, en gij zult hopen op den tijd, waarop gij het ware huwelijksfeest zult aanschouwen”. Het jonge paar was overtuigd; zij zagen van den wellust af en onze Heer verdween. En ’s morgens toen de dag aanbrak, liet de koning de tafel vroeg aanrichten, en bracht die binnen bij den bruidegom en de bruid. En hij vond ze tegenover elkaar zitten, en het gelaat der bruid was onbedekt en de bruidegom was zeer vroolijk. De moeder van de bruid zeide tot haar: “Waarom zit je zoo en schaam je je niet, maar doet net alsof je al lang getrouwd waart, vele dagen?” En ook haar vader zeide tot haar: “Is het de groote liefde voor je echtgenoot, die je ervan terughoudt je te sluieren?” En de bruid antwoordde en zeide: “Waarlijk vader, mijn liefde is zeer groot, en ik bid den Heer, dat ik deze liefde, die ik vannacht ondervonden heb, zal blijven behouden. Ik ben niet gesluierd, omdat de sluier der verdorvenheid van mij afgenomen is, en ik schaam mij niet, omdat de daad, die schaamte geeft, ver van mij verwijderd is, en ik ben opgewekt en vroolijk, en ik veracht deze daad der verdorvenheid en de vreugden van dit huwelijksfeest, omdat ik uitgenoodigd ben tot het ware huwelijksfeest, Ik heb met mijn echtgenoot geen omgang gehad, waarvan het einde bitter berouw is, omdat ik verloofd ben met den waren Echtgenoot”. De echtgenoot antwoordde ook in dezelfden geest, zeer natuurlijk tot schrik van den Koning, die een bode zond naar den toovenaar, aan wien hij gevraagd had zijn ongelukkige dochter te zegenen. Maar Judas Thomas had de stad reeds verlaten en in de herberg, waar hij gelogeerd had, vond de bottelier van den Koning alleen den fluitspeler, die daar zat en weende, omdat hij hem niet meegenomen had. Hij was echter blij, toen hij hoorde wat er gebeurd was, haastte zich naar het jonge paar en woonde daarna altijd met hen samen. De Koning werd ten slotte ook verzoend en alles eindigde in kuischheid en geluk.In deze zelfdeHandelingenvanJudas Thomas, die niet van later datumzijn dan van de vierde eeuw, vinden we (vierde daad), de geschiedenis van Mygdonia en Karish. Mygdonia, de vrouw van Karish, wordt door Thomas overtuigd en vlucht, naakt, alleen bedekt door een gordijn van de kamerdeur, dat zij omgeslagen heeft, van haar echtgenoot naar haar oude min. Met de min gaat zij naar Thomas, die heilige olie over haar hoofd giet, terwijl hij de min verzoekt haar er geheel mee te zalven; dan wordt er een laken om haar lendenen geslagen en hij doopt haar; waarna zij aangekleed wordt en hij haar het sacrament geeft. De jonge verrukking over de kuischheid wordt soms lyrisch, en Judas Thomas roept uit: “Reinheid is de athleet, die niet overwonnen wordt. Reinheid is de waarheid, die niet terugdeinst. Reinheid is waardig voor God, een vertrouwde dienares voor Hem te zijn. Reinheid is de boodschapper van eendracht, die de vredestijdingen brengt”.Een andere kuischheidslegende wordt gegeven in de episode van Drusiana inThe history of the Apostles, die volgens de traditie toegeschreven wordt aan Abdias, den Bisschop van Babylon (Bk. v. hoofdst. IV,et seq.). Drusiana is de vrouw van Andronicus; ze is zoo vroom, dat ze geen omgang met hem wil hebben. De jongeling Callimachus wordt doodelijk op haar verliefd, en zijn verliefde pogingen hebben vele opwindende avonturen ten gevolge, maar ten slotte overwint de kuischheid van Drusiana.Eenkarakteristiekvoorbeeld van de literatuur die wij hier bedoelen, is de geschiedenis van den heiligen Ambrosius over “de Maagd in het Bordeel” (verteld in zijnDe Virginibus, Migne’s editie van de werken van Ambrosius, deelen iii–iv, p. 211). Een zekere maagd, vertelt de heilige Ambrosius ons, die onlangs in Antiochië woonde, werd veroordeeld om òf aan de goden te worden geofferd òf om naar het bordeel te gaan. Zij koos het laatste alternatief. Maar de eerste man, die bij haar binnen kwam, was een Christen soldaat, die haar “zuster” noemde en die haar verzocht niet te vreezen. Hij stelde voor, dat zij van kleederen zouden verwisselen. Dit werd gedaan en zij ontsnapte, terwijl de soldaat weggevoerd werd, om ter dood gebracht te worden. Op de plaats van de terechtstelling kwam zij echter te voorschijn en riep, dat het niet den dood was, dien ze vreesde, maar de schande. Hij stond er echter op, dat hij in haar plaats ter dood veroordeeld werd. Ten slotte werd de kroon van het martelaarschap, waarvoor ze gestreden hadden, aan beiden toegekend.In de oudere documenten van deze romantische literatuur der kuischheid nemen we voortdurend waar, dat er op kuischheid aangedrongen wordt, volstrekt niet voornamelijk om de belooning ervoor na den dood, en ook zelfs niet, omdat de maagd, die er zich aan wijdt, in Christus een altijd jongen minnaar ziet, wiens guldenharige schoonheid soms met nadruk vermeld wordt. De voornaamste bekoring ervan ligt in de eigen vrijheid, en in de zekerheid, dat men ontkomt aan al de moeiten, ongemakken en banden van het huwelijk. Deze oudste Christelijke beweging van romantische kuischheid was klaarblijkelijk in groote mate een opstand van vrouwen tegen de mannen en tegen het huwelijk. Dit wordt wel duidelijk uit de leerzame geschiedenis, die men veronderstelt dat haar oorsprong heeft in de derde eeuw, van de eunuchen Achilles en Nereus, zooals ze verteld wordt in deActa Sanctorum, van den 12en Mei. Achilles en Nereus waren Christelijke eunuchen van de slaapkamer van Domitia, een maagd van edele geboorte, die verwant was aan Keizer Domitianus en verloofd met Aurelianus, den zoon van den consul. Eens, toen hun meesteres bezig was zich te versieren met haar juweelen en haar purperen gewaden, met goud geborduurd, begonnen zij om beurten haar te spreken over al de genoegens en voordeelen van de maagdelijkheid, vergeleken met een huwelijk met niet meer dan één man. Zij had ten gevolge daarvan veel te lijden van Aurelianus, en toen hij bewerkte, dat zij naar een eiland verbannen werd, ging zij daarheen met Achilles en Nereus, die ter dood gebracht werden. Als een onderdeel van het verhaal wordt de dood van Felicula, een andere kuischheidsheldin, beschreven. Toen zij op de pijnbank gelegd werd,weigerde zij voortdurend Jezus te verloochenen, dien zij haar minnaar noemde. “Ego non nego amatorem meum”.Een speciale afdeeling van deze literatuur heeft betrekking op de geschiedenissen van de bekeeringen of het berouw van courtisanes. De heilige Martinianus bijvoorbeeld (Feb. 13) werd in verleiding gebracht door de courtisane Zoe, maar bekeerde haar. De geschiedenis van de heilige Margaretha van Cortona (Feb. 22),een berouwvolle courtisane, is van lateren datum, want zij behoort tot de dertiende eeuw. Het mooiste document in deze literatuur is waarschijnlijk de laatste, de Italiaansche stichtelijke legende uit de veertiende eeuw, genaamdThe Life of Saint Mary Magdalen, die gewoonlijk in verband gebracht wordt met den naam van Frater Dominico Cavalca. (Ze is in het Engelsch vertaald). Het is de zoo fijn en mooi vertelde legende van de kuische en hartstochtelijke liefde van de beminnelijke zondares Maria Magdalena voor haar geliefden Meester.Naarmate de tijd verliep, werd het aandringen op de vreugden van de kuischheid in dit leven minder in het oog vallend, en werd zij meer en meer beschouwd als de toestand, die alleen zijn volledige belooning vindt in het toekomstig leven. Toch worden zelfs in de bekoorlijke geschiedenis van Gregorius van Tours van “De Twee minnenden van Auvergne”, waarin deze houding duidelijk is, de genoegens van kuische liefde in dit leven evenzeer op den voorgrond gesteld als in een van de eerste legenden (Historia Francorum, lib. I, hoofdst. XLII). Twee senatoren van Auvergne hadden ieder een eenig kind en die verloofden zij met elkaar. Toen de huwelijksdag kwam en het jonge paar te bed gelegd was, keerde de bruid zich naar den muur en weende bitterlijk. De bruidegom smeekte haar hem te zeggen wat er was; toen keerde zij zich tot hem en zeide, dat zij haar verdriet niet kon uitwisschen, al zou zij al de dagen van haar leven weenen, want dat zij besloten had haar kleine lichaam onbevlekt aan Christus te geven, onaangeroerd door mannen; nu had zij in plaats van onsterfelijke rozen alleen maar verlepte rozen op haar voorhoofd gehad, die het eer mismaakten dan dat zij het versierden, en in plaats van den bruidsschat van het Paradijs, dien Christus haar beloofd had, was zij de echtgenoote geworden van een sterfelijk man. Zij beklaagde haar droevig lot lang en met veel liefelijke welsprekendheid. Ten laatste voelde de bruidegom, door haar lieve woorden overtuigd, dat het eeuwige leven voor hem geschenen had als een groot licht, en verklaarde hij, dat als zij zich wenschte te onthouden van vleeschelijke begeerten, hij dat ook wilde. Zij was zeer dankbaar, en met gevouwen handen vielen zij in slaap. Verscheidene jaren leefden zij zoo te zamen, in kuischheid hetzelfde bed deelende. Ten slotte stierf zij en werd begraven; haar minnaar gaf haar onbevlekt over in de handen van Christus. Spoedig daarna stierf ook hij en werd in een afzonderlijke graftombe begraven. Toen geschiedde er een wonder, dat de grootschheid van deze kuische liefde duidelijk in het licht stelde, want de twee lichamen werden gevonden, op geheimzinnige wijze bijeen geplaatst. Tot op dezen dag, zoo besluit Gregorius (schrijvende in de zesde eeuw), noemen de menschen van de plaats hen “De Twee Minnenden”.Hoewel Renan (Marc-Aurèle, hoofdst. XV) met korte woorden de aandacht op het bestaan van deze uitgebreide oude Christelijke literatuur vestigt, die de romantiek der kuischheid voortzet, schijnt ze tot nog toe weinig of niet bestudeerd te zijn. Ze heeft echter groot belang, niet alleen om zichzelf, maar ter wille van de psychologische beteekenis, daar ze den aard van de beweegkrachten duidelijk maakt, die de kuischheid gemakkelijk en aantrekkelijk maakten voor de menschen van de vroegste Christelijke wereld, zelfs als ze volkomen sexueele abstinentie met zich bracht. De oude Kerk vervloekte de erotiek van de Heidensche wereld en bande ze uit op de meest krachtdadige wijze door een eigen nieuwe en fijnere erotiek er voor in de plaats te stellen.

Thekla’s dag is de drie en twintigste September. Er is een zeer goede Syrische lezing (door Lipsius en anderen beschouwd als ouder dan de Grieksche vertaling) van deHandelingen van Paul en Thekla(zie b.v. van Wright, deApocryphal Acts). Deze Acts behooren tot het tweede gedeelte van de tweede eeuw. De geschiedenis is, dat Thekla, daar ze weerstand bood aan den hartstocht van den hoogepriester vanSyrië, naakt op een gordel (subligaculum) na, geplaatst werd op den rug van een leeuwin, die haar de voeten likte en tegen de andere dieren vocht, en die bij haar verdediging stierf. De andere dieren deden haar echter geen kwaad en zij werd eindelijk los gelaten. Een koningin overlaadde haar met geld, zij veranderde haar kleeding om er als een man uit te zien, ging op reis om Paulus te ontmoeten, en bereikte een hoogen ouderdom. Sir W. M. Ramsay heeft een belangwekkende studie over dezeHandelingengeschreven (The Church in the Roman Empire, hoofdstuk XVI). Hij meent, dat deHandelingenhun grondslag vinden in een document uit de eerste eeuw, en hij ziet kans om verscheidene elementen van waarheid uit het verhaal los te warren. Hij zegt, dat het het eenige bewijs is, hetwelk wij bezitten van de denkbeelden en van de daden van vrouwen gedurende de eerste eeuw in Klein-Azië, waar haar positie zoo hoog was en haar invloed zoo groot. Thekla vertegenwoordigt de handhaving van de rechten der vrouw en zij diende het sacrament van den doop toe, hoewel deze trekken in de bestaande vertalingen van deHandelingenonduidelijk geworden zijn of uitgewischt.

Sommige van de meest typische van deze Christelijke legenden worden beschreven als Gnostisch in oorsprong, met iets van de zaden van het Manichaeisch dualisme, die vervat waren in den schoot van het gnosticisme, terwijl de geest van deze legenden ook zeer Montanistisch is, met de gemengde kuischheid en gloed, den uitgesproken feministischen toon, die past bij den oorsprong ervan in Klein-Azië, en die het kenmerk was van het Montanisme. Het kan echter niet ontkend worden, dat zij in grooten getale overgingen in den stroom van Christelijke traditie, en een essentieel en belangwekkend deel van die traditie vormen. (Renan wijst, in zijnMarc-Aurèle, hoofdst. IX en XV, op de enorme schuld van het Christendom aan Gnostische en Montanistischebijdragen). Een karakteristiek voorbeeld is de geschiedenis van “De Verloofde uit Indië” in deHandelingenvanJudas Thomas(Wright’sApocryphal Acts). Judas Thomas werd door zijn meester Jezus verkocht aan een Indischen koopman, die een timmerman noodig had om met hem naar Indië te gaan. Toen ze zich in de stad Sandaruk ontscheepten, hoorden ze de tonen van muziek en zang, en werd hun verteld, dat het het huwelijksfeest was van de dochter des konings, waarbij allen moesten tegenwoordig zijn, rijken en armen, slaven en vrijen, vreemdelingen en burgers. Judas Thomas ging, met zijn nieuwen meester naar het feestmaal en lag aan, met een myrthe guirlande op zijn hoofd geplaatst. Toen een Joodsche fluitspeler kwam en tegenover hem ging staan en speelde, zong hij de liederen van Christus, en zij zagen, dat hij schooner was dan allen, die daar waren en de koning liet hem roepen om het jonge paar te zegenen in de huwelijkskamer. En toen zij allen weg waren gegaan en de deur van de huwelijkskamer gesloten was, naderde de bruigom de bruid, en het scheen hem toe, alsof Judas Thomas nog met haar praatte. Maar het was onze Heer, die tot hem zeide: “Ik ben niet Judas, maar zijnen broeder”. En onze Heer zat neer op het bed naast de jonge menschen en begon tot ze te zeggen: “Herinner u, mijn kinderen, wat mijn broeder tot u gesproken heeft, en weet aan wien hij u opgedragen heeft, en weet, dat als gij uzelven bewaart voor dien onreinen omgang, gij reine tempels zult worden en beveiligd tegen vele en verborgen smarten en tegen den zwaren zorg van kinderen, waarvan het einde altijd bittere smart is. Om hunnentwille zult gij onderdrukkers worden en roovers, en gij zult bitter lijden door hun verkeerdheden. Want kinderen zijn de oorzaak van vele ellenden; hetzij de koning beslag op hen legt, of dat een duivel ze te pakken neemt, of dat zij bezocht worden door verlamming. En als zij gezond zijn, komen zij tot het kwade, door echtbreken of diefstal, of ontucht of begeerte, of ijdelheid. Maar als gij u door mij wilt laten raden, en uzelven rein voor God zult bewaren, dan zult gij levende kinderen hebben, tot wie geen van deze ellenden en bezwaren komen; en gij zult zonder zorg zijn en zonder ergernis en zonder smart, en gij zult hopen op den tijd, waarop gij het ware huwelijksfeest zult aanschouwen”. Het jonge paar was overtuigd; zij zagen van den wellust af en onze Heer verdween. En ’s morgens toen de dag aanbrak, liet de koning de tafel vroeg aanrichten, en bracht die binnen bij den bruidegom en de bruid. En hij vond ze tegenover elkaar zitten, en het gelaat der bruid was onbedekt en de bruidegom was zeer vroolijk. De moeder van de bruid zeide tot haar: “Waarom zit je zoo en schaam je je niet, maar doet net alsof je al lang getrouwd waart, vele dagen?” En ook haar vader zeide tot haar: “Is het de groote liefde voor je echtgenoot, die je ervan terughoudt je te sluieren?” En de bruid antwoordde en zeide: “Waarlijk vader, mijn liefde is zeer groot, en ik bid den Heer, dat ik deze liefde, die ik vannacht ondervonden heb, zal blijven behouden. Ik ben niet gesluierd, omdat de sluier der verdorvenheid van mij afgenomen is, en ik schaam mij niet, omdat de daad, die schaamte geeft, ver van mij verwijderd is, en ik ben opgewekt en vroolijk, en ik veracht deze daad der verdorvenheid en de vreugden van dit huwelijksfeest, omdat ik uitgenoodigd ben tot het ware huwelijksfeest, Ik heb met mijn echtgenoot geen omgang gehad, waarvan het einde bitter berouw is, omdat ik verloofd ben met den waren Echtgenoot”. De echtgenoot antwoordde ook in dezelfden geest, zeer natuurlijk tot schrik van den Koning, die een bode zond naar den toovenaar, aan wien hij gevraagd had zijn ongelukkige dochter te zegenen. Maar Judas Thomas had de stad reeds verlaten en in de herberg, waar hij gelogeerd had, vond de bottelier van den Koning alleen den fluitspeler, die daar zat en weende, omdat hij hem niet meegenomen had. Hij was echter blij, toen hij hoorde wat er gebeurd was, haastte zich naar het jonge paar en woonde daarna altijd met hen samen. De Koning werd ten slotte ook verzoend en alles eindigde in kuischheid en geluk.

In deze zelfdeHandelingenvanJudas Thomas, die niet van later datumzijn dan van de vierde eeuw, vinden we (vierde daad), de geschiedenis van Mygdonia en Karish. Mygdonia, de vrouw van Karish, wordt door Thomas overtuigd en vlucht, naakt, alleen bedekt door een gordijn van de kamerdeur, dat zij omgeslagen heeft, van haar echtgenoot naar haar oude min. Met de min gaat zij naar Thomas, die heilige olie over haar hoofd giet, terwijl hij de min verzoekt haar er geheel mee te zalven; dan wordt er een laken om haar lendenen geslagen en hij doopt haar; waarna zij aangekleed wordt en hij haar het sacrament geeft. De jonge verrukking over de kuischheid wordt soms lyrisch, en Judas Thomas roept uit: “Reinheid is de athleet, die niet overwonnen wordt. Reinheid is de waarheid, die niet terugdeinst. Reinheid is waardig voor God, een vertrouwde dienares voor Hem te zijn. Reinheid is de boodschapper van eendracht, die de vredestijdingen brengt”.

Een andere kuischheidslegende wordt gegeven in de episode van Drusiana inThe history of the Apostles, die volgens de traditie toegeschreven wordt aan Abdias, den Bisschop van Babylon (Bk. v. hoofdst. IV,et seq.). Drusiana is de vrouw van Andronicus; ze is zoo vroom, dat ze geen omgang met hem wil hebben. De jongeling Callimachus wordt doodelijk op haar verliefd, en zijn verliefde pogingen hebben vele opwindende avonturen ten gevolge, maar ten slotte overwint de kuischheid van Drusiana.

Eenkarakteristiekvoorbeeld van de literatuur die wij hier bedoelen, is de geschiedenis van den heiligen Ambrosius over “de Maagd in het Bordeel” (verteld in zijnDe Virginibus, Migne’s editie van de werken van Ambrosius, deelen iii–iv, p. 211). Een zekere maagd, vertelt de heilige Ambrosius ons, die onlangs in Antiochië woonde, werd veroordeeld om òf aan de goden te worden geofferd òf om naar het bordeel te gaan. Zij koos het laatste alternatief. Maar de eerste man, die bij haar binnen kwam, was een Christen soldaat, die haar “zuster” noemde en die haar verzocht niet te vreezen. Hij stelde voor, dat zij van kleederen zouden verwisselen. Dit werd gedaan en zij ontsnapte, terwijl de soldaat weggevoerd werd, om ter dood gebracht te worden. Op de plaats van de terechtstelling kwam zij echter te voorschijn en riep, dat het niet den dood was, dien ze vreesde, maar de schande. Hij stond er echter op, dat hij in haar plaats ter dood veroordeeld werd. Ten slotte werd de kroon van het martelaarschap, waarvoor ze gestreden hadden, aan beiden toegekend.

In de oudere documenten van deze romantische literatuur der kuischheid nemen we voortdurend waar, dat er op kuischheid aangedrongen wordt, volstrekt niet voornamelijk om de belooning ervoor na den dood, en ook zelfs niet, omdat de maagd, die er zich aan wijdt, in Christus een altijd jongen minnaar ziet, wiens guldenharige schoonheid soms met nadruk vermeld wordt. De voornaamste bekoring ervan ligt in de eigen vrijheid, en in de zekerheid, dat men ontkomt aan al de moeiten, ongemakken en banden van het huwelijk. Deze oudste Christelijke beweging van romantische kuischheid was klaarblijkelijk in groote mate een opstand van vrouwen tegen de mannen en tegen het huwelijk. Dit wordt wel duidelijk uit de leerzame geschiedenis, die men veronderstelt dat haar oorsprong heeft in de derde eeuw, van de eunuchen Achilles en Nereus, zooals ze verteld wordt in deActa Sanctorum, van den 12en Mei. Achilles en Nereus waren Christelijke eunuchen van de slaapkamer van Domitia, een maagd van edele geboorte, die verwant was aan Keizer Domitianus en verloofd met Aurelianus, den zoon van den consul. Eens, toen hun meesteres bezig was zich te versieren met haar juweelen en haar purperen gewaden, met goud geborduurd, begonnen zij om beurten haar te spreken over al de genoegens en voordeelen van de maagdelijkheid, vergeleken met een huwelijk met niet meer dan één man. Zij had ten gevolge daarvan veel te lijden van Aurelianus, en toen hij bewerkte, dat zij naar een eiland verbannen werd, ging zij daarheen met Achilles en Nereus, die ter dood gebracht werden. Als een onderdeel van het verhaal wordt de dood van Felicula, een andere kuischheidsheldin, beschreven. Toen zij op de pijnbank gelegd werd,weigerde zij voortdurend Jezus te verloochenen, dien zij haar minnaar noemde. “Ego non nego amatorem meum”.

Een speciale afdeeling van deze literatuur heeft betrekking op de geschiedenissen van de bekeeringen of het berouw van courtisanes. De heilige Martinianus bijvoorbeeld (Feb. 13) werd in verleiding gebracht door de courtisane Zoe, maar bekeerde haar. De geschiedenis van de heilige Margaretha van Cortona (Feb. 22),een berouwvolle courtisane, is van lateren datum, want zij behoort tot de dertiende eeuw. Het mooiste document in deze literatuur is waarschijnlijk de laatste, de Italiaansche stichtelijke legende uit de veertiende eeuw, genaamdThe Life of Saint Mary Magdalen, die gewoonlijk in verband gebracht wordt met den naam van Frater Dominico Cavalca. (Ze is in het Engelsch vertaald). Het is de zoo fijn en mooi vertelde legende van de kuische en hartstochtelijke liefde van de beminnelijke zondares Maria Magdalena voor haar geliefden Meester.

Naarmate de tijd verliep, werd het aandringen op de vreugden van de kuischheid in dit leven minder in het oog vallend, en werd zij meer en meer beschouwd als de toestand, die alleen zijn volledige belooning vindt in het toekomstig leven. Toch worden zelfs in de bekoorlijke geschiedenis van Gregorius van Tours van “De Twee minnenden van Auvergne”, waarin deze houding duidelijk is, de genoegens van kuische liefde in dit leven evenzeer op den voorgrond gesteld als in een van de eerste legenden (Historia Francorum, lib. I, hoofdst. XLII). Twee senatoren van Auvergne hadden ieder een eenig kind en die verloofden zij met elkaar. Toen de huwelijksdag kwam en het jonge paar te bed gelegd was, keerde de bruid zich naar den muur en weende bitterlijk. De bruidegom smeekte haar hem te zeggen wat er was; toen keerde zij zich tot hem en zeide, dat zij haar verdriet niet kon uitwisschen, al zou zij al de dagen van haar leven weenen, want dat zij besloten had haar kleine lichaam onbevlekt aan Christus te geven, onaangeroerd door mannen; nu had zij in plaats van onsterfelijke rozen alleen maar verlepte rozen op haar voorhoofd gehad, die het eer mismaakten dan dat zij het versierden, en in plaats van den bruidsschat van het Paradijs, dien Christus haar beloofd had, was zij de echtgenoote geworden van een sterfelijk man. Zij beklaagde haar droevig lot lang en met veel liefelijke welsprekendheid. Ten laatste voelde de bruidegom, door haar lieve woorden overtuigd, dat het eeuwige leven voor hem geschenen had als een groot licht, en verklaarde hij, dat als zij zich wenschte te onthouden van vleeschelijke begeerten, hij dat ook wilde. Zij was zeer dankbaar, en met gevouwen handen vielen zij in slaap. Verscheidene jaren leefden zij zoo te zamen, in kuischheid hetzelfde bed deelende. Ten slotte stierf zij en werd begraven; haar minnaar gaf haar onbevlekt over in de handen van Christus. Spoedig daarna stierf ook hij en werd in een afzonderlijke graftombe begraven. Toen geschiedde er een wonder, dat de grootschheid van deze kuische liefde duidelijk in het licht stelde, want de twee lichamen werden gevonden, op geheimzinnige wijze bijeen geplaatst. Tot op dezen dag, zoo besluit Gregorius (schrijvende in de zesde eeuw), noemen de menschen van de plaats hen “De Twee Minnenden”.

Hoewel Renan (Marc-Aurèle, hoofdst. XV) met korte woorden de aandacht op het bestaan van deze uitgebreide oude Christelijke literatuur vestigt, die de romantiek der kuischheid voortzet, schijnt ze tot nog toe weinig of niet bestudeerd te zijn. Ze heeft echter groot belang, niet alleen om zichzelf, maar ter wille van de psychologische beteekenis, daar ze den aard van de beweegkrachten duidelijk maakt, die de kuischheid gemakkelijk en aantrekkelijk maakten voor de menschen van de vroegste Christelijke wereld, zelfs als ze volkomen sexueele abstinentie met zich bracht. De oude Kerk vervloekte de erotiek van de Heidensche wereld en bande ze uit op de meest krachtdadige wijze door een eigen nieuwe en fijnere erotiek er voor in de plaats te stellen.

Gedurende de middeleeuwen begon de oorspronkelijke frischheidvan de Christelijke kuischheid haar bekoring te verliezen. Geen kuischheidslegenden werden geschreven en in het werkelijke leven zochten de menschen geen avonturen meer op het gebied der kuischheid. Voor zoover de oude idealen al in leven bleven, was dit op het wereldsch gebied der ridderlijkheid. De laatste bekende figuur, die streefde naar de heldenfeiten van de eerste Christenen was Robert van Arbrissel in Normandië.

Robert van Arbrissel, die, in de elfde eeuw, de beroemde en bekende orde van Fontevrault voor vrouwen stichtte, kwam uit Bretagne. Deze Keltische oorsprong is ongetwijfeld van beteekenis, want hij kan misschien zijn nooit falenden ijver en zijn enthusiaste vereering voor vrouwen verklaren. Zelfs zij, onder zijn vrienden, die afkeurden wat zij zijn schandelijk gedrag noemden, leggen getuigenis af van zijn nooit falend vroolijk temperament, zijn wakkerheid in het handelen, zijn bereidwilligheid voor welke daad van humaniteit ook en zijn volkomen vrij zijn van gestrengheid. Hij trok groote massa’s menschen van allerlei soort aan, vooral vrouwen, ook prostituées, en zijn invloed over vrouwen was groot. Eens ging hij in een bordeel om zijn voeten te warmen en bekeerde terloops alle vrouwen die daar waren. “Wie zijt gij?” vroeg een van haar, “ik ben hier al vijf en twintig jaar en niemand is mij hier ooit komen spreken over God”. Robert’s betrekking tot de nonnen vanFontevraultwas zeer intiem, en hij sliep dikwijls met haar. Dit wordt door vrienden van hem, bisschoppen en abten, nauwkeurig beschreven, waarvan een opmerkt, dat Robert “een nieuwen, maar vruchteloozen vorm van martelaarschap ontdekt had”. Een koninklijke abdis van Fontevrault, in de zeventiende eeuw, beweerde, dat de vereerde stichter van de orde met geen mogelijkheid schuldig kon geweest zijn aan zulk schandelijk gedrag, en dat de brieven daarom valsch moesten zijn en liet de origineelen vernietigen voor zoover dat mogelijk was. De Bollandisten namen, in een niet wetenschappelijk en onvolledig verslag van de zaak (Acta Sanctorum, Feb. 25), dit gezichtspunt over. J. von Walter echter toont in een onlangs verschenen en grondige studie over Robert van Arbrissel (Die Ersten Wanderprediger Frankreichs, deel I) aan, dat er hoegenaamd geen reden is om aan het echte, authentieke en betrouwbare karakter van de bestreden brieven te twijfelen.

Robert van Arbrissel, die, in de elfde eeuw, de beroemde en bekende orde van Fontevrault voor vrouwen stichtte, kwam uit Bretagne. Deze Keltische oorsprong is ongetwijfeld van beteekenis, want hij kan misschien zijn nooit falenden ijver en zijn enthusiaste vereering voor vrouwen verklaren. Zelfs zij, onder zijn vrienden, die afkeurden wat zij zijn schandelijk gedrag noemden, leggen getuigenis af van zijn nooit falend vroolijk temperament, zijn wakkerheid in het handelen, zijn bereidwilligheid voor welke daad van humaniteit ook en zijn volkomen vrij zijn van gestrengheid. Hij trok groote massa’s menschen van allerlei soort aan, vooral vrouwen, ook prostituées, en zijn invloed over vrouwen was groot. Eens ging hij in een bordeel om zijn voeten te warmen en bekeerde terloops alle vrouwen die daar waren. “Wie zijt gij?” vroeg een van haar, “ik ben hier al vijf en twintig jaar en niemand is mij hier ooit komen spreken over God”. Robert’s betrekking tot de nonnen vanFontevraultwas zeer intiem, en hij sliep dikwijls met haar. Dit wordt door vrienden van hem, bisschoppen en abten, nauwkeurig beschreven, waarvan een opmerkt, dat Robert “een nieuwen, maar vruchteloozen vorm van martelaarschap ontdekt had”. Een koninklijke abdis van Fontevrault, in de zeventiende eeuw, beweerde, dat de vereerde stichter van de orde met geen mogelijkheid schuldig kon geweest zijn aan zulk schandelijk gedrag, en dat de brieven daarom valsch moesten zijn en liet de origineelen vernietigen voor zoover dat mogelijk was. De Bollandisten namen, in een niet wetenschappelijk en onvolledig verslag van de zaak (Acta Sanctorum, Feb. 25), dit gezichtspunt over. J. von Walter echter toont in een onlangs verschenen en grondige studie over Robert van Arbrissel (Die Ersten Wanderprediger Frankreichs, deel I) aan, dat er hoegenaamd geen reden is om aan het echte, authentieke en betrouwbare karakter van de bestreden brieven te twijfelen.

De vroeg-Christelijke kuischheidslegenden hadden echter hun opvolgers.Aucassin et Nicolette, dat waarschijnlijk in Noordelijk Frankrijk geschreven is tegen het einde van de twaalfde eeuw, is vooral de afstammeling van de geschiedenissen in deActa Sanctorumen elders. Het belichaamde hun geest, droeg hem verder en vereenigde hun teer gevoel voor kuischheid en reinheid met het ideaal van monogamische liefde.Aucassin et Nicolettewas de doodsklok van de primitief Christelijke kuischheidslegende. Het was de ontdekking, dat de kuische verfijningen van teerheid en toewijding mogelijk waren binnen de strikt normale sfeer van sexueele liefde.

Er waren minstens twee oorzaken, die de neiging hadden de primitief Christelijke voorliefde voor de kuischheid uit te wisschen, zelfs afgezonderd van den invloed van de Kerk-autoriteiten bij het terugdringen van de romantische uitingen ervan. In de eerste plaats verwijderde het ondergaan van de oude heidensche wereld, met zijn gewoonte en tot op zekere hoogte zijn ideaal van sexueele toegevendheid,den achtergrond, die gratie en teerheid gegeven had aan de teedere vrijheid der jonge Christenen. In de tweede plaats waren de gestrengheden, die de eerste Christenen met vreugde in praktijk hadden gebracht ter wille van de gezondheid hunner ziel, beroofd van hun bekoring en vrijwilligheid, toen zij tot een formeel deel gemaakt waren van strafwetboeken voor zonde, eerst in de Poenitentialia en later in de handen van biechtvaders. Dit was, we mogen het er aan toevoegen, te meer noodzakelijk geworden, omdat het ideaal van Christelijke kuischheid niet langer in ruimen kring het bezit was van verfijnde menschen, die immuun gemaakt waren tegen heidensche losbandigheid, doordat zij te midden daarvan opgevoed waren en er zelf in ondergedompeld waren geweest. Het was klaarblijkelijk van het begin af aan een ernstige zaak voor de hartstochtelijke Noord-Afrikanen het ideaal van kuischheid te handhaven en toen het Christendom zich over Noordelijk Europa verspreidde, scheen het bijna een hopelooze taak de idealen ervan te acclamatiseeren onder de wilde Germanen. Later werd het noodig, het celibaat aan de vaste geestelijkheid op te leggen door de sterke kracht van kerkelijke authoriteit, terwijl vrijwillig celibaat alleen levendig gehouden werd door een opeenvolgende reeks van godsdienstige enthusiasten, die telkens weer nieuwe orden stichtten. Een ascetisme, dat zoo opgedrongen was, kon niet altijd vergezeld gaan van de vurige exaltatie, die noodig is om het in stand te houden, en in zijn kunstmatige pogingen tot zelfbehoud, viel het dikwijls van de onzekere hoogten in de diepten van onbeteugelde losbandigheid9. Toen de middeleeuwen voorbij waren, begonnen helderziende denkers het fatale van alle gewaagde pogingen om de normale grenzen van de menschelijkheid te buiten te gaan, te erkennen. “Qui veut faire l’ange”, zeide Pascal, terwijl hij met scherpte deze beschouwing van de zaak opsomde, “fait la bête”. Dat was dikwijls duidelijk gebleken in de geschiedenis van de Kerk.

In de zevende eeuw begonnen de Poenitentialia in gebruik te komen; ze werden gedurende de negende en tiende eeuw zeer overheerschend en hadden groote authoriteit. Zij waren wetslichamen, gedeeltelijk geestelijk en gedeeltelijk wereldsch, en werden gegoten in den vorm van catalogussen van vergrijpen met de juiste maat van straf, voorgeschreven voor ieder vergrijp. Zij vertegenwoordigden de introductie van maatschappelijke orde onder ongetemde barbaren en waren meer wetboeken van strafwet dan deel vaneen systeem van sacramenteele confessie en boetedoening. In Frankrijk en Spanje, waar reeds orde en regel bestond op een Christelijke basis, waren zij weinig noodig. Zij hadden hun oorsprong in Ierland en Engeland en bloeiden voornamelijk in Duitschland; Karel de Groote ondersteunde ze (zie, b.v. Lea,History of Auricular Confession, deel II, p. 96, ook hoofdst. XVII; Hugh Williams, uitgave van Gildas, deel II, Appendix 3; de voornaamste Poenitentialia worden vermeld in deBussordnungenvan Wasserschleben). In 1216 maakte het Lateraansch concilie, onder Innocentius III, biechten verplichtend. Het voorrecht van den priester om de mate van de straf te regelen naar omstandigheden met grooter buigzaamheid dan de strenge Poenitentialia toelieten, werd eerst absoluut gehandhaafd door Peter van Poitiers. Toen wierp Alain van Rijssel de Poenitentialia als verouderd ter zijde en verklaarde, dat de priester zelf navraag moest doen naar de omstandigheden van iedere zonde en precies de schuld ervan moest afwegen. (Lea, op. cit., deel II, p. 171).Lang voor dezen tijd echter hadden de idealen der kuischheid, voor zoover zij een belangrijke mate van zelfbeheersching in zich sloten, ofschoon zij stevig vast gegroeid waren in de conventioneele tradities en idealen van de Christelijke Kerk, opgehouden eenige bekoring of kracht te hebben voor de bevolking, die in het Christendom leefde. Onder de Noordelijke barbaren, met hun verschillende tradities van een krachtiger en natuurlijker soort achter zich, werden de geslachts-eischen dikwijls vrijmoedig ten toon gespreid. De monnik Ordericus Vitalis vestigt in de elfde eeuw de aandacht op wat hij noemt de “wulpschheid” van de vrouwen van de Noorsche veroveraars van Engeland, die, toen ze alleen thuis gelaten waren, boodschappen stuurden, dat ze, als haar echtgenooten niet spoedig terug kwamen, andere mannen zouden nemen. Het celibaat van de geestelijkheid werd alleen met de grootste moeite ingesteld en toen het ingesteld was, werden de geestelijken onkuisch. Aartsbisschop Odo van Rouaan, in de dertiende eeuw, vermeldde in het dagboek van de bezoeken in zijn diocese, dat er éen onkuische geestelijke was op iedere vijf gemeenten, en zelfs toont de monnik Salimbene in zijn merkwaardige autobiographie met betrekking tot het Italië van denzelfden tijd aan, hoe weinig kuischheid in het godsdienstige leven in acht genomen werd. Kuischheid kon nu alleen gehandhaafd worden door geweld, gewoonlijk door de moreele kracht van kerkelijke autoriteit, die zelf door onkuischheid ondermijnd werd, maar soms zelfs door physiek geweld. Het was in de dertiende eeuw, volgens de opinie van sommigen, dat de kuischheidsgordel (cingula castatis) zich het eerst begint te vertoonen, maar de voornaamste autoriteit Caufeynon(La Ceinture de Chasteté, 1904) meent, dat ze dateert uit de Renaissance (Schultz,Das höfische Leben zur Zeit der Minnesänger, deel V. p. 272; Krauss,Anthropophyteia, deel III, p. 247). In de zestiende eeuw werden de kloosters bijna tot bordeelen, zooals we hooren op het niet bestreden gezag van Burchard, een secretaris van den Paus, in zijnDiarium, uitgegeven door Thuasne, die nog meer autoriteiten voor deze bewering samenbrengt in een noot onder aan de bladzij (deel II, p. 79); dat zij dat bleven in de achttiende eeuw, zien wij duidelijk in de bladzijden van deMémoiresvan Casanova en in veel andere documenten van dien tijd.

In de zevende eeuw begonnen de Poenitentialia in gebruik te komen; ze werden gedurende de negende en tiende eeuw zeer overheerschend en hadden groote authoriteit. Zij waren wetslichamen, gedeeltelijk geestelijk en gedeeltelijk wereldsch, en werden gegoten in den vorm van catalogussen van vergrijpen met de juiste maat van straf, voorgeschreven voor ieder vergrijp. Zij vertegenwoordigden de introductie van maatschappelijke orde onder ongetemde barbaren en waren meer wetboeken van strafwet dan deel vaneen systeem van sacramenteele confessie en boetedoening. In Frankrijk en Spanje, waar reeds orde en regel bestond op een Christelijke basis, waren zij weinig noodig. Zij hadden hun oorsprong in Ierland en Engeland en bloeiden voornamelijk in Duitschland; Karel de Groote ondersteunde ze (zie, b.v. Lea,History of Auricular Confession, deel II, p. 96, ook hoofdst. XVII; Hugh Williams, uitgave van Gildas, deel II, Appendix 3; de voornaamste Poenitentialia worden vermeld in deBussordnungenvan Wasserschleben). In 1216 maakte het Lateraansch concilie, onder Innocentius III, biechten verplichtend. Het voorrecht van den priester om de mate van de straf te regelen naar omstandigheden met grooter buigzaamheid dan de strenge Poenitentialia toelieten, werd eerst absoluut gehandhaafd door Peter van Poitiers. Toen wierp Alain van Rijssel de Poenitentialia als verouderd ter zijde en verklaarde, dat de priester zelf navraag moest doen naar de omstandigheden van iedere zonde en precies de schuld ervan moest afwegen. (Lea, op. cit., deel II, p. 171).

Lang voor dezen tijd echter hadden de idealen der kuischheid, voor zoover zij een belangrijke mate van zelfbeheersching in zich sloten, ofschoon zij stevig vast gegroeid waren in de conventioneele tradities en idealen van de Christelijke Kerk, opgehouden eenige bekoring of kracht te hebben voor de bevolking, die in het Christendom leefde. Onder de Noordelijke barbaren, met hun verschillende tradities van een krachtiger en natuurlijker soort achter zich, werden de geslachts-eischen dikwijls vrijmoedig ten toon gespreid. De monnik Ordericus Vitalis vestigt in de elfde eeuw de aandacht op wat hij noemt de “wulpschheid” van de vrouwen van de Noorsche veroveraars van Engeland, die, toen ze alleen thuis gelaten waren, boodschappen stuurden, dat ze, als haar echtgenooten niet spoedig terug kwamen, andere mannen zouden nemen. Het celibaat van de geestelijkheid werd alleen met de grootste moeite ingesteld en toen het ingesteld was, werden de geestelijken onkuisch. Aartsbisschop Odo van Rouaan, in de dertiende eeuw, vermeldde in het dagboek van de bezoeken in zijn diocese, dat er éen onkuische geestelijke was op iedere vijf gemeenten, en zelfs toont de monnik Salimbene in zijn merkwaardige autobiographie met betrekking tot het Italië van denzelfden tijd aan, hoe weinig kuischheid in het godsdienstige leven in acht genomen werd. Kuischheid kon nu alleen gehandhaafd worden door geweld, gewoonlijk door de moreele kracht van kerkelijke autoriteit, die zelf door onkuischheid ondermijnd werd, maar soms zelfs door physiek geweld. Het was in de dertiende eeuw, volgens de opinie van sommigen, dat de kuischheidsgordel (cingula castatis) zich het eerst begint te vertoonen, maar de voornaamste autoriteit Caufeynon(La Ceinture de Chasteté, 1904) meent, dat ze dateert uit de Renaissance (Schultz,Das höfische Leben zur Zeit der Minnesänger, deel V. p. 272; Krauss,Anthropophyteia, deel III, p. 247). In de zestiende eeuw werden de kloosters bijna tot bordeelen, zooals we hooren op het niet bestreden gezag van Burchard, een secretaris van den Paus, in zijnDiarium, uitgegeven door Thuasne, die nog meer autoriteiten voor deze bewering samenbrengt in een noot onder aan de bladzij (deel II, p. 79); dat zij dat bleven in de achttiende eeuw, zien wij duidelijk in de bladzijden van deMémoiresvan Casanova en in veel andere documenten van dien tijd.

De Renaissance en de opkomst van het humanisme had ongetwijfeld invloed op het gevoel jegens het ascetisme en de kuischheid. Aan den eenen kant werd er een nieuwe en oude wettiging gevonden voor het niet in acht nemen van deugden, die de menschen begonnen te beschouwen als enkel monnikachtig, en aan den anderen kant begonnen de fijnere geesten, die den invloed van de nieuwe beweging ondervonden, zich duidelijk bewust te worden, dat kuischheid beter gekweekt kan worden en in acht genomendoor hen, die vrij waren te doen zooals zij wilden, dan door hen, die onder den dwang stonden van priesterlijke autoriteit. Dat is het gevoel, dat in Montaigne overheerscht,en dat is het idee van Rabelais, toen hij het tot den eenigen regel van zijn abdij van Thelème maakte: “Fay ce que vouldras”.

Iets later werd deze leer in verschillende toonaarden herhaald door vele schrijvers, alle meer of min verlicht door de beschaving, die door de Renaissance in de mode was gebracht. “Zoolang Danae vrij was”, merkt Ferrand op in zijn verhandeling uit de zestiende eeuw,De la Maladie d’Amour, “was zij kuisch”. En Sir Kenelm Digby, de laatste vertegenwoordiger van den geest der Renaissance, wijst in zijnPrivate Memoirsop het feit, dat de vrijheid, die Lycurgus “de wijste menschelijke wetgever, die er ooit geweest is”, aan de vrouwen gaf om haar lichaam te geven aan mannen, tot wie zij zich door edele genegenheid en door de hoop op een goed nageslacht voelden aangetrokken, de ware oorzaak was, dat “werkelijke kuischheid in Sparta meer bloeide dan in eenig ander deel van de wereld”.

Iets later werd deze leer in verschillende toonaarden herhaald door vele schrijvers, alle meer of min verlicht door de beschaving, die door de Renaissance in de mode was gebracht. “Zoolang Danae vrij was”, merkt Ferrand op in zijn verhandeling uit de zestiende eeuw,De la Maladie d’Amour, “was zij kuisch”. En Sir Kenelm Digby, de laatste vertegenwoordiger van den geest der Renaissance, wijst in zijnPrivate Memoirsop het feit, dat de vrijheid, die Lycurgus “de wijste menschelijke wetgever, die er ooit geweest is”, aan de vrouwen gaf om haar lichaam te geven aan mannen, tot wie zij zich door edele genegenheid en door de hoop op een goed nageslacht voelden aangetrokken, de ware oorzaak was, dat “werkelijke kuischheid in Sparta meer bloeide dan in eenig ander deel van de wereld”.

In Protestantsche landen werd het ascetisch ideaal nog verder in discrediet gebracht door de Hervorming, die voor een groot gedeelte een opstand was tegen gedwongen celibaat. Zoodoende werd de godsdienst niet langer aan de zijde van de kuischheid geplaatst. In de achttiende eeuw, zoo niet eerder, werd de autoriteit van de Natuur ook gewoonlijk ingeroepen tegen de kuischheid. Zoo is het gekomen, dat in de laatste twee eeuwen ernstige denkers maar gedeeltelijk gunstig gestemd waren jegens de kuischheid. Het begon gevoeld te worden, dat een ongelukkige en schadelijke vergissing begaan was door te trachten een verheven ideaal te handhaven, hetgeen huichelarij aanmoedigde. “Het menschelijk ras zou veel winnen”, zooals Senancour in het begin der negentiende eeuw in zijn merkwaardig boek over liefde schreef, “als de deugd niet zoo moeilijk gemaakt werd. De verdienste zou niet zoo groot zijn, maar wat is het nut van een verhevenheid, die zelden kan volgehouden worden?”10.

Er kan geen twijfel aan zijn, dat de overmatige minachting, waartoe de kuischheids-idee in de achttiende eeuw en later begon te vervallen, voornamelijk voortkwam uit het bestaan van die enkel uitwendige en conventioneel physieke kuischheid, die willekeurig opgedrongen werd, voor zoover ze opgedrongen kon worden, en die in zekere mate nog opgedrongen wordt, in naam of inwerkelijkheid,—aan alle respectabele vrouwen buiten het huwelijk. De opvatting van de physieke deugd der maagdelijkheid had de opvatting van de geestelijke deugd van kuischheid verlaagd. Een enkele gewoonte, voelde men, voorgeschreven aan een geheele sekse, of zij het wilde of niet, kon nooit de schoonheid en de bekoring bezitten van een deugd. Terzelfder tijd begon men zich voor oogen te stellen, dat de staat van gedwongen maagdelijkheid niet alleen niet een staat is, die bijzonder gunstig is voor het kweeken van werkelijke deugden, maar dat die verbonden is met eigenschappen, die niet langer beschouwd worden als te zijn van hooge waarde11.

“Hoe willekeurig, kunstmatig en strijdig met de Natuur is het leven, dat nu in deze zaak der kuischheid aan vrouwen opgedrongen wordt!” schreef James Hinton veertig jaar geleden. “Denk aan dezen regel: “Een vrouw, die in overweging neemt, is verloren”. Wijscheppenhet gevaar, door de geheele vrouwelijkheid afhankelijk te maken van een punt als dit, en door haar te omringen met onnatuurlijke en bovennatuurlijke gevaren. Er wordt thans een lichtzinnige onredelijkheid belichaamd in het leven der vrouw; de tegenwoordige “deugd” is een ziekelijke ongezonde plant. De Natuur en God hebben nooit het leven van een vrouw zoo op de punt van een naald gewogen. Het geheele moderne denkbeeld der kuischheid heeft sensueele overdrijving in zich, die zeker voor een deel is overgebleven uit andere tijden, terwijl wat er goed in was voor het grootste gedeelte verdwenen is”.“De geheele bekoring der maagdelijkheid”, schreef een andere Philosoof, Guyau, “is onwetendheid. Maagdelijkheid kan, evenals sommige vruchten, alleen bewaard worden door een proces van verdroging”.Mérimée wees op denzelfden verdrogenden invloed van de maagdelijkheid. In een brief, gedateerd van 1859 schreef hij: “Ik vind, dat tegenwoordig de menschen veel te veel waarde hechten aan kuischheid. Niet, dat ik ontken, dat kuischheid een deugd is, maar er zijn graden in deugden evenals in ondeugden. Het schijnt belachelijk, dat een vrouw uit de maatschappij verbannen zal worden, omdat zij een minnaar gehad heeft, terwijl een vrouw, die gierig is, onoprecht en zuur, overal vrij uit kan gaan. De moraal van dezeeeuw is zeker niet die, die geleerd wordt in het Evangelie. Naar mijn meening is het beter te veel lief te hebben, dan te weinig. Tegenwoordig worden droge harten in de hoogte gestoken” (Revue des Deux Mondes, April, 1896).Dr. H. Paul heeft een daarmee verwant punt behandeld. Zij schrijft: “Er zijn meisjes, die zich, zelfs al als kinderen, geprostitueerd hebben door onanie en wulpsche gedachten. De reinheid harer zielen is al lang verloren en niets blijft voor haar verborgen, maar—zij hebben haar hymen bewaard! Dat is ter wille van den toekomstigen echtgenoot. Laat niemand haar onschuld durven betwijfelen, met dat onwederlegbaar bewijsmateriaal! En als dan een ander meisje, dat haar kindsheid in volkomen reinheid doorgebracht heeft, nu, met ontwaakte zinnen en warme, onstuimige vrouwelijkheid, zich in liefde of ook maar alleen in hartstocht aan een man geeft, dan staan ze allen op en roepen, dat zij “onteerd”is! En niet het minst het geprostitueerde meisje met het hymen. Zij is het juist, die het hardst schreeuwt en die de grootste steenen gooit. Toch behoeft de “onteerde” vrouw, die gezond en krachtig is, niet bang te zijn, te vertellen wat zij gedaan heeft aan den man, die haar ten huwelijk begeert, als zij spreekt van het eene menschelijke wezen tot het andere. Zij behoeft niet te blozen; zij heeft haar menschenrechten uitgeoefend en geen verstandig man zal haar om die reden minder achten”. (Dr. H. Paul, “Die Ueberschätzung der Jungfernschaft”,Geschlecht und GesellschaftBd. II, p. 14, 1907).In gelijken geest schrijft F. Erhard (Geschlecht und GesellschaftBd. I, p. 408): “Maagdelijkheid in een zekere beteekenis heeft haar waarde, maar in de gewone beteekenis wordt ze grootelijks te hoog geschat. Afgezonderd van het feit, dat een meisje, dat ze bezit, toch door en door verdorven kan zijn, leidt deze overschatting van de maagdelijkheid er toe, dat het meisje, die ze niet heeft, veracht wordt, en verder heeft ze tot resultaat gehad de ontwikkeling van een speciale industrie om meisjes klaar te maken, door middel van een preutsche kloosterachtige opvoeding, die haar echtgenooten de speciale delicatesse zullen brengen van een bruid, die nergens van weet. Natuurlijk kan dit alleen bereikt worden ten koste van iedere verstandige opvoeding. Wat de onontwikkelde kleine gans kan worden, dat kan niemand voorzien”.Freud (Sexual-Probleme, Maart, 1908) wijst ook op het slechte resultaat van de opvoeding voor het huwelijk, die aan de meisjes gegeven wordt op den basis van dit ideaal van maagdelijkheid. “Opvoeding onderneemt de taak de zinnelijkheid van een meisje terug te dringen tot den tijd van de verloving. Zij verbiedt niet alleen sexueele verhoudingen en stelt een hooge premie op onschuld, maar ze onttrekt de rijpende vrouwelijke individualiteit aan de verleiding, door een staat van onwetendheid te handhaven omtrent de praktische zijde van de rol, die zij in het leven zal moeten spelen, en door geen opwekking tot liefde toe te laten, die niet tot het huwelijk kan leiden. Het resultaat is, dat, als haar plotseling door de autoriteit van de ouders wordt toegestaan te verlieven, het meisje zich psychisch niet kan aanpassen, en dat zij het huwelijk ingaat, onzeker van haar eigen gevoelens. Als een gevolg van deze kunstmatige vertraging van de liefdesfunctie, brengt zij niets dan teleurstelling aan haar man, en is koel in haar physieke verhouding tot hem”.Senancour (De l’Amour, deel i, p. 285) meent zelfs, dat, als het mogelijk is de kwestie van de nakomelingschap er buiten te laten, niet alleen de wet van kuischheid gelijk zal worden voor de beide geslachten, maar dat er een neiging zal zijn om de verhouding van de seksen, in zekere mate, te veranderen. “Zelfbeheersching wordt dan een raad eerder dan een voorschrift, en dan zal in vrouwen de wellustige neiging met de meeste toegevendheid beschouwd worden. De man is gemaakt om te werken; hij ontmoet het pleizier alleen maar in het voorbijgaan; hij moet er mee tevreden zijn, dat de vrouwen zich er meer mee zullen bezig houden dan hij. Het zijn de mannen, die er door uitgeput raken, en mannen moeten altijd voor een deel hun wenschen beperken”.

“Hoe willekeurig, kunstmatig en strijdig met de Natuur is het leven, dat nu in deze zaak der kuischheid aan vrouwen opgedrongen wordt!” schreef James Hinton veertig jaar geleden. “Denk aan dezen regel: “Een vrouw, die in overweging neemt, is verloren”. Wijscheppenhet gevaar, door de geheele vrouwelijkheid afhankelijk te maken van een punt als dit, en door haar te omringen met onnatuurlijke en bovennatuurlijke gevaren. Er wordt thans een lichtzinnige onredelijkheid belichaamd in het leven der vrouw; de tegenwoordige “deugd” is een ziekelijke ongezonde plant. De Natuur en God hebben nooit het leven van een vrouw zoo op de punt van een naald gewogen. Het geheele moderne denkbeeld der kuischheid heeft sensueele overdrijving in zich, die zeker voor een deel is overgebleven uit andere tijden, terwijl wat er goed in was voor het grootste gedeelte verdwenen is”.

“De geheele bekoring der maagdelijkheid”, schreef een andere Philosoof, Guyau, “is onwetendheid. Maagdelijkheid kan, evenals sommige vruchten, alleen bewaard worden door een proces van verdroging”.

Mérimée wees op denzelfden verdrogenden invloed van de maagdelijkheid. In een brief, gedateerd van 1859 schreef hij: “Ik vind, dat tegenwoordig de menschen veel te veel waarde hechten aan kuischheid. Niet, dat ik ontken, dat kuischheid een deugd is, maar er zijn graden in deugden evenals in ondeugden. Het schijnt belachelijk, dat een vrouw uit de maatschappij verbannen zal worden, omdat zij een minnaar gehad heeft, terwijl een vrouw, die gierig is, onoprecht en zuur, overal vrij uit kan gaan. De moraal van dezeeeuw is zeker niet die, die geleerd wordt in het Evangelie. Naar mijn meening is het beter te veel lief te hebben, dan te weinig. Tegenwoordig worden droge harten in de hoogte gestoken” (Revue des Deux Mondes, April, 1896).

Dr. H. Paul heeft een daarmee verwant punt behandeld. Zij schrijft: “Er zijn meisjes, die zich, zelfs al als kinderen, geprostitueerd hebben door onanie en wulpsche gedachten. De reinheid harer zielen is al lang verloren en niets blijft voor haar verborgen, maar—zij hebben haar hymen bewaard! Dat is ter wille van den toekomstigen echtgenoot. Laat niemand haar onschuld durven betwijfelen, met dat onwederlegbaar bewijsmateriaal! En als dan een ander meisje, dat haar kindsheid in volkomen reinheid doorgebracht heeft, nu, met ontwaakte zinnen en warme, onstuimige vrouwelijkheid, zich in liefde of ook maar alleen in hartstocht aan een man geeft, dan staan ze allen op en roepen, dat zij “onteerd”is! En niet het minst het geprostitueerde meisje met het hymen. Zij is het juist, die het hardst schreeuwt en die de grootste steenen gooit. Toch behoeft de “onteerde” vrouw, die gezond en krachtig is, niet bang te zijn, te vertellen wat zij gedaan heeft aan den man, die haar ten huwelijk begeert, als zij spreekt van het eene menschelijke wezen tot het andere. Zij behoeft niet te blozen; zij heeft haar menschenrechten uitgeoefend en geen verstandig man zal haar om die reden minder achten”. (Dr. H. Paul, “Die Ueberschätzung der Jungfernschaft”,Geschlecht und GesellschaftBd. II, p. 14, 1907).

In gelijken geest schrijft F. Erhard (Geschlecht und GesellschaftBd. I, p. 408): “Maagdelijkheid in een zekere beteekenis heeft haar waarde, maar in de gewone beteekenis wordt ze grootelijks te hoog geschat. Afgezonderd van het feit, dat een meisje, dat ze bezit, toch door en door verdorven kan zijn, leidt deze overschatting van de maagdelijkheid er toe, dat het meisje, die ze niet heeft, veracht wordt, en verder heeft ze tot resultaat gehad de ontwikkeling van een speciale industrie om meisjes klaar te maken, door middel van een preutsche kloosterachtige opvoeding, die haar echtgenooten de speciale delicatesse zullen brengen van een bruid, die nergens van weet. Natuurlijk kan dit alleen bereikt worden ten koste van iedere verstandige opvoeding. Wat de onontwikkelde kleine gans kan worden, dat kan niemand voorzien”.

Freud (Sexual-Probleme, Maart, 1908) wijst ook op het slechte resultaat van de opvoeding voor het huwelijk, die aan de meisjes gegeven wordt op den basis van dit ideaal van maagdelijkheid. “Opvoeding onderneemt de taak de zinnelijkheid van een meisje terug te dringen tot den tijd van de verloving. Zij verbiedt niet alleen sexueele verhoudingen en stelt een hooge premie op onschuld, maar ze onttrekt de rijpende vrouwelijke individualiteit aan de verleiding, door een staat van onwetendheid te handhaven omtrent de praktische zijde van de rol, die zij in het leven zal moeten spelen, en door geen opwekking tot liefde toe te laten, die niet tot het huwelijk kan leiden. Het resultaat is, dat, als haar plotseling door de autoriteit van de ouders wordt toegestaan te verlieven, het meisje zich psychisch niet kan aanpassen, en dat zij het huwelijk ingaat, onzeker van haar eigen gevoelens. Als een gevolg van deze kunstmatige vertraging van de liefdesfunctie, brengt zij niets dan teleurstelling aan haar man, en is koel in haar physieke verhouding tot hem”.

Senancour (De l’Amour, deel i, p. 285) meent zelfs, dat, als het mogelijk is de kwestie van de nakomelingschap er buiten te laten, niet alleen de wet van kuischheid gelijk zal worden voor de beide geslachten, maar dat er een neiging zal zijn om de verhouding van de seksen, in zekere mate, te veranderen. “Zelfbeheersching wordt dan een raad eerder dan een voorschrift, en dan zal in vrouwen de wellustige neiging met de meeste toegevendheid beschouwd worden. De man is gemaakt om te werken; hij ontmoet het pleizier alleen maar in het voorbijgaan; hij moet er mee tevreden zijn, dat de vrouwen zich er meer mee zullen bezig houden dan hij. Het zijn de mannen, die er door uitgeput raken, en mannen moeten altijd voor een deel hun wenschen beperken”.

Als wij ons echter bevrijden van den band van een gedwongen physieke kuischheid, dan wordt het mogelijk kuischheid als een deugd in eere te herstellen. In den tegenwoordigen tijd kan het niet langer gezegd worden, dat er van den kant van denkers en moralisten eenige actieve vijandigheid jegens het denkbeeld van kuischheid bestaat; er is integendeel een neiging om de waarde van kuischheid te erkennen. Maar deze erkenning is vergezeld gegaan van een terugkeer tot de oudere en gezondere opvatting van de kuischheid. Het bewaren van een strenge sexueele abstinentie, niets dan de maagdelijkheid, kan alleen beschouwd worden als een pseudo-kuischheid. De eenige positieve deugd, die Aristoteles op dit gebied kon erkend hebben was een matiging, die beperking van de lagere impulsen in zich sloot, een wijs uitoefenen en niet een niet-uitoefenen12. De beste denkers van de Christelijke Kerk hebben dezelfde opvatting gehad; de heilige Basilius hechtte in zijn belangrijke reglementen voor monniken geen waarde aan zelftucht als een doel op zichzelf, maar beschouwde ze als een werktuig, om den geest in staat te stellen, macht over het vleesch te krijgen. De heilige Augustinus verklaarde, dat zelfbeheersching alleen uitstekend is, als ze in praktijk gebracht wordt in het geloof aan het hoogste goed13, en hij beschouwde kuischheid als “een ordelijke beweging van de ziel, die lagere dingen ondergeschikt maakt aan hoogere dingen, en die voornamelijk moet blijken in huwelijksverhoudingen”; Thomas van Aquino die de kuischheid op veelal dezelfde wijze aanduidde, definieerde onreinheid als het smaken van sexueel genot dat niet van de rechte soort is, noch wat het voorwerp, noch wat de omstandigheden aangaat14. Maar een tijdlang werden de stemmen van de groote moralisten niet gehoord. De deugd der kuischheid was ondergegaan in den populairen Christelijken hartstocht voor de vernietiging van het vleesch, en dat gezichtspunt werd in de zestiende eeuw ten slotte geheiligd door het Concilie van Trente, dat formeel een banvloek uitsprak over iedereen, die zou willen verklaren, dat de staat van maagdelijkheid en celibaat niet beter was dan de huwelijksstaat. Nu behoort de pseudo-kuischheid, die waarde had alleen op grond dat iedere soort van zelfbeheersching beter was dan iedere soort van sexueele verhouding, tot het verleden, behalve voor hen, die aan oude ascetische geloofsbelijdenissen hangen. De mystieke waarde van de maagdelijkheid is verdwenen; zij schijnt in den geest van den modernen mensch alleen maar het denkbeeld op te wekkenvan een pikantheid, die begeerd wordt door den verstokten lichtmis; het zijn de mannen, die zelf al lang den leeftijd der onschuld voorbij zijn, die zooveel waarde hechten aan de onschuld van hun bruiden. De opvatting van levenslange zelfbeheersching als een ideaal is ook verdwenen; op zijn best wordt ze beschouwd als een zaak van persoonlijke voorkeur. En de conventioneele veinzerij van algemeene kuischheid, om voor respectabel te gelden, begint men te beschouwen als een bezwaar, eer dan als een hulp voor het kweeken van eenige werkelijke kuischheid15.


Back to IndexNext