Chapter 24

Voor zoover het bewijsmateriaal gaat, dient het om aan tetoonen, dat prostituées over het algemeen het type naderen dat we zooals in het voorafgaande deel aangetoond is, met reden kunnen beschouwen als speciaal te wijzen op ontwikkelde sexualiteit. Het is echter onnoodig deze kwestie te bespreken voordat onze anthropometrische kennis van prostituées meer omvattend en meer precies is.3.De moreele rechtvaardiging van de prostitutie.—Er zijn moralisten—zij zijn er altijd geweest en vele van hen zijn menschen wier opinie de ernstigste achting verdient—die meenen, dat mits de hygiënische voorwaarden verbeterd worden, het bestaan van de prostitutie geen ernstig probleem ter oplossing biedt. Ze is, zeggen zij, op zijn slechtst, een noodzakelijk kwaad, en, op zijn best, een weldadige instelling, het bolwerk van het tehuis, de onvermijdelijke keerzijde van het huwelijk. “De immoreele bewaakster van de publieke moraal”, is de definitie van prostituées gegeven door een schrijver, die de zaak van een laag standpunt beschouwt, en een ander, die de zaak meer verheven bekijkt, schrijft: “De prostituée vervult een maatschappelijke zending. Zij is de bewaakster van de maagdelijke kuischheid, het afvoerkanaal voor overspelige begeerte, de beschermster van getrouwde vrouwen, die een laat moederschap vreezen; het is haar rol op te treden als schild voor “het gezin””. “Als vrouwelijke Decii”, zeide Balzac in zijnPhysiologie du Mariagevan prostituées, “offeren zij zich op voor de republiek en maken van haar lichamen een borstwering ter bescherming van respectabele families”. Op dezelfde wijze noemde Schopenhauer prostituées “menschelijke slachtoffers op het altaar der monogamie”. Lecky vereenigt, in een vele malen aangehaalde passage der rhetorica84het hoogere en het lagere standpunt over de prostituée in de menschelijke maatschappij, en hij tracht er zelfs een priesterlijk karakter aan te geven. “Het uiterste type van de ondeugd”, verklaarde hij, “is ten slotte de meest krachtdadige bewaakster van de deugd. Als zij er niet was, zou de ongerepte reinheid van onnoemelijk veel huizen besmet zijn, en niet weinige van de vrouwen, die in den trots van haar niet in verleiding gebrachte kuischheid aan de prostituée denken met een siddering van verontwaardiging, zouden zonder haar de ellenden van berouw en van wanhoop gekend hebben. Op die eene onteerde en onwaardige gestalte zijn al de hartstochten geconcentreerd, die de wereld met schande hadden kunnen vullen. Zij blijft, terwijl geloofsbelijdenissen en maatschappijen opkomen en te gronde gaan, de eeuwige priesteres van de menschelijkheid, bezoedeld door de zonden van het volk”85.Ik weet niet, of de Grieken ernstig gedacht hebben over de moreele rechtvaardiging van de prostitutie. Zij hadden haar geen bijzonder hinderlijke vormen laten aannemen en voor het grootste deel waren ze bereid haar te aanvaarden.De Romeinen namen ze gewoonlijk ook aan, maar, naar ons toeschijnt, niet zoo gemakkelijk. Er was een strenge, ernstige, bijna Puriteinsche geest in de Romeinen van de oude garde en soms schijnen zij de behoefte gevoeld te hebben zich te verzekeren, dat de prostitutie werkelijk moreel te rechtvaardigen was. Het is van belang op te merken, dat zij zich graag in de herinnering brachten dat Cicero gezegd had, dat hij blij was als hij een man uit een bordeel zag komen, omdat hij anders misschien de vrouw van zijn buurman onteerd zou hebben86.De maatschappelijke noodzakelijkheid van de prostitutie is het oudste van al de argumenten van moralisten, die het dulden van prostituées prediken; en als we de eeuwige geldigheid aannemen van het huwelijkssysteem, waarmee tegelijk de prostitutie zich ontwikkeld heeft, en van de theoretische moraal, die op dat systeem gebaseerd is, dan is dit een zeer krachtig, zoo niet een onweerlegbaar argument.De komst van het Christendom, met zijn speciale houding jegens het “vleesch” veroorzaakte noodzakelijk een enorme toename van belangstelling voor de moreele gezichtspunten van de prostitutie. Toen de prostitutie niet veroordeeld werd, werd het natuurlijk noodzakelijk haar te rechtvaardigen; het was niet mogelijk voor een kerk met min of meer ascetische idealen zulk een zaak met welwillende onverschilligheid te behandelen. Als regel schijnen we wel overal te vinden, dat de meer onafhankelijke geestelijken, die geen verantwoording hadden, geneigd waren ze te veroordeelen, terwijl die theologen, die de zware verantwoordelijkheden van kerkelijk staatmansschap op hun schouders geladen hadden, over ’t algemeen getoond hebben de prostitutie te rechtvaardigen, zij het dan ook aarzelend. Hiervan hebben we een uiterst belangrijk voorbeeld in den heiligen Augustinus, na den heiligen Paulus den voornaamsten stichter van de Christelijke kerk. In een verhandeling in 386 geschreven om de goddelijke regeling van de wereld te rechtvaardigen, verklaart hij dat, evenals de beul, hoe terugstootend hij ook zijn mag, een noodzakelijke plaats in de maatschappij inneemt, evenzoo de prostituée en haars gelijken, hoe vuil en leelijk en slecht zij ook zijn mogen, noodzakelijk zijn;verban de prostituées uit de maatschappij en gij zoudt de wereld met wellust bezoedelen: “Aufer meritrices de rebus humanis, turbaveris omnia libidinibus”87. Aquino, de eenige theologische denker van het Christendom, die tegelijk met Augustinus genoemd kan worden, was in deze kwestie van de prostitutie van dezelfde meening als hij. Hij hield vol, dat ontucht doodzonde was, maar hij nam de noodzakelijkheid aan van de prostitutie, als een nuttig deel van den bouw der maatschappij, en hij vergelijkt ze bij de afvoerkanalen van een paleis88. “Prostitutie in steden is gelijk aan het riool in een paleis; neem de riolen weg en het paleis wordt een onreine, stinkende plaats”. Liquori, de meest invloedrijke theoloog van den nieuweren tijd, was van dezelfde meening.Deze aarzelende en half toegevende houding jegens de prostitutie hebben de theologen inderdaad over het algemeen aangenomen. Sommige wilden, in navolging van Augustinus en Aquino, de prostitutie dulden om grooter kwaad te voorkomen; anderen waren er geheel en al tegen; en weer anderen wilden ze in de steden toelaten, maar nergens anders. Het werd echter algemeen door theologen aangenomen, dat de prostituée recht heeft op haar loon, en dat ze niet verplicht is het terug te geven89. De vroegere moralisten van het Christendom vonden het niet moeilijk staande te houden, dat er geen zonde in is een huis te verhuren aan een prostituée tot het uitoefenen van haar bedrijf; absolutie werd hiervoor altijd gegeven en onthouding niet geëischt90. Ontucht bleef echter altijd een zonde en van de twaalfde eeuw af heeft de kerk een reeks van pogingen gedaan om prostituées te bekeeren. Alle Katholieke theologen zijn van meening, dat een prostituée verplicht is de zonde der prostitutie te biechten, en de meeste theologen, hoewel niet alle, hebben gemeend, dat ook een man den omgang met een prostituée moet biechten. Terzelfder tijd, dat er een zekere toegevendheid was jegens de prostituée zelf, was de kerk altijd zeer streng jegens hen, die leefden van de voordeelen van het bevorderen van de prostitutie, jegens delenones. Zoo weigerde het Concilie van Elvira, dat bereid was zonder boetedoening de prostituée die trouwde, te ontvangen, absolutie te geven, zelfs bij hun dood, aan personen, die schuldig geweest waren aanlenocinium91.Het protestantisme, dat den biechtstoel opgeruimd had, kon indeze, evenals in vele andere zaken van sexueele moraal gewoonlijk aan de noodzakelijkheid ontsnappen eenige bepaalde en verantwoordelijke uitleggingen te geven over de moreele positie van de prostitutie. Zoo het al eenige meening te kennen gaf, of eenige praktische voorschriften trachtte in te leiden, dan grondde het zich natuurlijk op de bijbelsche bevelen tegen de ontucht, zooals ze uitgedrukt zijn door den heiligen Paulus, en het toonde geen genade voor de prostitutie, noch verdraagzaamheid. Deze houding, de houding der Puriteinen, was des te gemakkelijker in Protestantsche landen, met uitzondering van speciale districten op bepaalde tijden—zooals Genève en Nieuw-Engeland in de zeventiende en de achttiende eeuw—omdat theologen in deze landen eerder geroepen zijn geweest godsdienstige vermaningen te geven dan praktische politiek toe te passen. Deze laatste taak hebben ze aan anderen overgelaten, en zoo is er dikwijls een zekere verwarring en onzekerheid ontstaan in den geest van den protestantschen leek. Deze weifelende houding der theologen wordt in Engeland zeer duidelijk gemaakt door Burton, een nadenkend en ernstig auteur, die een eeuw na de hervorming schrijft. Hij verwijst met gemengden bijval naar “onze Pseudo-Katholieken”, die streng zijn jegens echtbreuk, maar toegevend jegens ontucht; zij zijn het misschien eens met Cato, dat de laatste aangemoedigd moet worden om erger verkeerdheden thuis te vermijden, en die meent, dat bordeelen “even noodzakelijk zijn als kerken” en dat het goed is heele huizen“vol courtisanen in de steden te houden”. “Zij houden het voor onmogelijk”, gaat hij voort, “dat niets uitvoerende jonge menschen als ze jong, rijk en vroolijk zijn, dat zooveel knechts en monniken, fatsoenlijk zouden leven, zij noemen het een te tyrannieken last hen te dwingen kuisch te zijn, en kunnen absoluut niet toestaan, dat arme mannen, jongere broeders of soldaten trouwen zouden, evenmin als zieke menschen, ordebroeders, priesters of bedienden. Om dus zoowel den een als den ander tevreden te stellen, verdragen zij deze soort van bordeelen en schuilhoeken en doen er een oogje voor toe. Vele argumenten hebben zij om te bewijzen, dat ze wettig en noodzakelijk zijn, en dat ze geduld moeten worden, evenals de woeker; zonder kwestie is er in de politiek niets tegen in te brengen, maar veel in den godsdienst”92.Niet voor het begin van de volgende eeuw is het oude argument van Augustinus ter moreele rechtvaardiging van de prostitutie in het protestantsche Engeland moedig en beslist uiteengezet door Bernard Mandeville in zijnFable of the Bees; toen het boek voor het eerst uitkwam, scheen men het zoo stuitend te vinden, dat het verboden werd. “Als courtisanen en sletten vervolgd moestenworden met zooveel gestrengheid als sommige menschen het zouden willen”, schreef Mandeville, “wat voor sleutels en grendels zouden we dan wel moeten hebben om de eer van onze vrouwen en meisjes te bewaren?… Het is duidelijk, dat het noodig is een deel der vrouwen op te offeren om het andere deel te beschermen en vuilheid van nog erger soort te voorkomen. Daaruit meenikdat ik met recht mag besluiten, dat kuischheid gesteund kanworden door uitspatting, en dat de beste der deugden de hulp noodig heeft van de ergste der ondeugden”93. Na den tijd van Mandeville begon deze beschouwing van de prostitutie gewoon te worden in protestantsche zoowel als in andere landen, hoewel ze gewoonlijk niet zoo duidelijk uitgedrukt werd.Het kan van belang zijn een paar meer moderne voorbeelden samen te brengen van gezegden, die voor de moreele rechtvaardiging van de prostitutie spreken.Zoo legt in Frankrijk Meusnier de Querlon in zijn geschiedenis vanPsaphion, geschreven in het midden van de achttiende eeuw, vele zeer belangwekkende overdenkingen over het leven en de positie van de prostituée in den mond van een Grieksche courtisane. Zij verdedigt haar beroep met veel bekwaamheid en zegt dat, terwijl mannen zich verbeelden dat prostituées alleen maar de verachte slachtoffers zijn van hun genoegens, deze vermeende tyrannen in werkelijkheid het slachtoffer worden; dat zij de behoeften bevredigen van de vrouwen, die zij onder hun voeten vertrappen, en dat zij zelve in gelijke mate de verachting verdienen, waarmee zij haar behandelen. “Wij betalen walging met walging, zooals zij zeker wel moeten bemerken. Wij geven hun dikwijls niets dan een standbeeld, en als zij zich verhit aan ongevoelige bekoorlijkheden te goed doen, genieten wij in rustige koelheid hun zinnelijkheid. Dan hernemen wij onze rechten. Wat warm bloed heeft deze trotsche schepsels aan onze voeten gebracht en ons meesteressen gemaakt van hun lot. Aan welke zijde, vraag ik u, is het voordeel?” Maar alle mannen, voegt zij er bij, zijn niet zoo onrechtvaardig jegens de prostituée, en zij gaat voort, niet zonder lichte ironie, een lofrede te houden op het nut, het gemak en de voordeelen van het bordeel.Een groot aantal van de moderne schrijvers over de prostitutie noemen met nadruk den maatschappelijk weldadigen aard ervan. Zoo eindigt Charles Richard zijn boek over dit onderwerp met deze woorden: “Het gedrag van de maatschappij jegens de prostitutie moet uitgaan van het principe van dankbaarheid zonder valsche schaamte, voor het nut ervan en medelijden voor de arme schepsels, ten koste van wie dit nut verkregen wordt” (La Prostitution devant le Philosophe, 1882, p. 171). “Het huwelijk duurzaam maken is het moeilijk maken”, merkt een Amerikaansch medisch schrijver op; “het moeilijk maken is het uitstellen; het uitstellen is in de gemeenschap houden een toenemend aantal sexueel volkomen individuen, met normale, of in gevallen waar langdurige onderdrukking is geweest, overmatige sexueele begeerte. Het maatschappelijk kwaad is het natuurlijk gevolg van de physieke natuur van den mensch, zijn geërfde impulsen, en de kunstmatige omstandigheden, waaronder hij gedwongen is te leven” (“The Social Evil”,Medicine, Augustus en September, 1906). Woods Hutchinson beschouwt, terwijl hij met sterke afkeuring van de prostitutie spreekt en prostituées beschouwt als “de ergste exemplaren van haar sekse”, toch de prostitutie als een maatschappelijke werking van de hoogste waarde. “Uit een medisch-economisch gezichtspunt noem ik haar eenvan de groote selectieve en elimineerende factoren van de natuur en van de hoogste waarde voor de gemeenschap. We kunnen ze in het ruwe karakteriseeren als een veiligheidsklep voor de instelling van het huwelijk” (The Gospel According to Darwin, p. 193;cf.het artikel van denzelfden schrijver over “The Economics of Prostitution”, opgesomd inBoston Medical and Surgical Journal, November 21, 1895). Adolf Gerson zegt in ongeveer denzelfden geest (“Die Ursache der Prostitution”,Sexual-Probleme, September 1908), dat “prostitutie een van de middelen is die de natuur gebruikt om de teelkracht der menschen te beperken, en vooral om den tijd der sexueele rijpheid te verschuiven”. Molinari meent, dat de maatschappelijke voordeelen van de prostitutie van het begin af op verschillende wijzen tot uiting zijn gekomen; door bijvoorbeeld de meer overmatige uitingen van de sexueele impuls onvruchtbaar te maken nam de prostitutie de noodzakelijkheid weg van kindermoord op overtollige kinderen en leidde ze tot het tegengaan van die primitieve methode om de bevolking te beperken (G. de Molinari,La Viriculture, p. 45). Op geheel andere wijze dan die, vermeld door Molinari, heeft de prostitutie zelfs in zeer late tijden geleid tot het laten varen van kindermoord. In de Chineesche provincie Ping-Yang zegt Matignon, was het vele jaren geleden niet ongewoon voor arme ouders om 40 percent van hun pasgeboren meisjes te dooden, of zelfs allemaal, want zij waren te duur om ze op te voeden en ze brachten niets in, omdat mannen, die wilden trouwen, gemakkelijk een vrouw konden krijgen in de naburige provincie Wenchu, waar vrouwen zeergemakkelijkte krijgen waren. Nu maakt echter de betere verbinding met Shang-Hai per stoomboot het zeer gemakkelijk voor meisjes de bordeelen van Shang-Hai te bereiken, waar zij geld kunnen verdienen voor haar families; de gewoonte haar te dooden is daarom uitgestorven (Matignon,Archives d’Anthropologie Criminelle, 1896. p. 72). “Onder de tegenwoordige omstandigheden”, schrijft Dr. F. Erhard (“Auch ein Wort zur Ehereform”,Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang 1, Heft 9), “is prostitutie (in de ruimste beteekenis, vrije verhoudingen medegerekend) noodig, opdat jonge menschen de vrouwen eenigermate kunnen leeren kennen, want conventioneele conversatie is daarvoor niet voldoende; een juiste kennis van de vrouwelijke gedachtengang is echter noodig voor een goede keuze, daar het maar zelden mogelijk is zich te verlaten op de betrouwbaarheid van het instinct. Het is ook goed, dat mannen zich de horens afloopen vóor het huwelijk, want de polygame neiging zal ergens doorbreken. De prostitutie zal alleen die mannen bederven, aan wie niet veel te bederven is, en als zij zoo het verlangen naar het huwelijk verliezen, dan zouden hun ongeboren kinderen reden hebben dankbaar te zijn”. Neisser, Näcke en vele anderen hebben voor de prostitutie gepleit en zelfs voor bordeelen, als “noodzakelijk kwaad”.Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat velen zelfs van de sterkste voorstanders van de moreele voordeelen der prostitutie meenen, dat eenige verbetering nog wel wenschelijk is. Zoo verwacht Bérault een tijd, waarop van overheidswege bewaakte bordeelen minder veracht zullen zijn. Verschillende verbeteringen kunnen ze, meent hij, in de naaste toekomst “ontdoen van de barbaarsche eigenschappen, die ze voor de sceptische of onwetende menigte verachtelijk maken, terwijl hun tastbare voordeelen een einde zullen maken aan de minachting, die opgewekt wordt door hun cynisch aanzien” (La Maison de Tolérance, Thèse de Paris, 1904).4.De beschavingswaarde van de prostitutie.—Het moreele argument voor de prostitutie is gebaseerd op het geloof, dat ons huwelijkssysteem zoo oneindig kostbaar is, dat een instelling, die als bolwerk ervoor dient in stand gehouden moet worden, hoe leelijk of hoe verwerpelijk op zich zelf zij ook is. Er is echter een ander argument ter ondersteuning van de prostitutie, waaropternauwernood de nadruk valt dien het verdient. Ik bedoel haar invloed, voor zoover ze een element van vroolijkheid en afwisseling, dat op een of andere wijze noodzakelijk is, voegt in de geordende samenstelling van het moderne leven, een verlichting van den sleur der mechanische routine een afleiding in de saaie en fatsoenlijke eentonigheid ervan. Dit is wat anders dan de meer specifieke functie van de prostitutie als een veiligheidsklep voor overtollige sexueele energie, en dit kan zelfs van beteekenis worden voor hen, die weinig of geen omgang hebben met prostituées. Dit element kunnen we noemen de beschavingswaarde van de prostitutie.Het zijn niet alleen de algemeene eigenschappen van de beschaving, maar meer speciaal de eigenschappen van het stadsleven, die dezen factor van beteekenis maken. Het stadsleven legt door den druk van de concurrentie een zeer strenge en veel krachten eischende routine op van vervelend werk. Terzelfder tijd maakt het mannen en vrouwen meer gevoelig voor nieuwe indrukken, meer verlangend naar opwinding en verandering. Het vermeerdert de gelegenheden tot maatschappelijken omgang; het vermindert de kansen op ontdekking van onwettigen omgang, terwijl het meteen het sluiten van een huwelijk verzwaart, want doordat het de maatschappelijke ambities en de uitgaven verhoogt, verschuift het den tijd, waarop een huisgezin kan opgezet worden. Het stadsleven verschuift het huwelijk en maakt toch de middelen van vergoeding voor het huwelijk meer dringend noodzakelijk94.Er kan niet de minste twijfel aan zijn, dat dit de beweegreden is—de poging om de onvolkomen gelegenheden voor zelfontwikkeling, die onze mechanische en arbeidzame maatschappij vol beperkingen aanbiedt, aan te vullen—die een van de voornaamste oorzaken vormt, die vrouwen er toe brengt, tijdelijk of voor goed, het leven van prostituée te kiezen. Wij hebben gezien, dat de economische factor, zooals vroeger gemeend werd, geenszins de hoofdrol speelt bij deze keuze. En er is ook geen reden om te veronderstellen, dat een buitengewoon sterke sexueele impuls de leidende factor is. Maar een groot aantal jonge vrouwen keeren zich instinctief naar het leven van prostituée, omdat zij bewogen worden door een duisteren drang, die ze haast zelf niet kunnen verstaan of uitleggen, en waarvan ze zich dikwijls schamen hem te openbaren. Het is daarom verwonderlijk, dat deze beweegreden zoo’n groote plaats inneemt, zelfs in de formeele statistiekenvan de prostitutie. Merrick vond in Londen, dat 5000, of bijna een derde van de prostituées, die hij onderzocht, met liefde een tehuis of een betrekking opgaven “voor een leven van pleizier”, en hij acht dit de hoofdreden voor de prostitutie95. In Amerika vond Sanger dat “neiging” bijna bovenaan stond onder de oorzaken voor de prostitutie, terwijl Woods Hutchinson vond, dat “liefde tot vertoon, weelde en ijdelheid” op verre na de eerste plaats innamen. “Verveling en tegenzin tegen het werk” is de reden, die aangegeven wordt door een groot aantal Belgische meisjes, als zij aan de politie haar wensch te kennen geven om als prostituées ingeschreven te worden. In Italië meent men, dat een gelijke beweegreden een belangrijke rol speelt. In Rusland komt “verlangen naar vermaak” op de tweede plaats onder de oorzaken van de prostitutie. Ik geloof, dat er geen twijfel aan kan zijn, dat, zooals een oplettend waarnemer van het Londensche leven gezegd heeft, het probleem van de prostitutie “in den grond is een wild en onweerstaanbaar verlangen naar opwinding, een ernstige en opzettelijke opstand tegen de eentonigheid van alledaagsche idealen, en de geestdoodende verveling van het alledagsleven”96. Het is deze factor van de prostitutie, mogen we redelijker wijze besluiten, die voornamelijk verantwoordelijk is voor het feit, waarop F. Schiller97gewezen heeft, dat met de ontwikkeling van de beschaving de toevoer van prostituées neiging heeft grooter te worden dan de vraag.Charles Booth schijnt van dezelfde meening te zijn, en citeert (Life and Labor of the People, Third Series, deel VII, p. 364) uit een rapport van een reddingsgenootschap: “De algemeene opvatting is, dat deze vrouwen verlangend zijn een leven van zonde te verlaten. De duidelijke en eenvoudige waarheid is, dat zij, voor het meerendeel, in het geheel geen behoefte hebben om gered te worden. Zoovele van deze vrouwen beschouwen de prostitutie niet als een zonde en willen ze niet als zoodanig beschouwen. “Ik word iederen avond meegenomen om in een restaurant te eten en daarna naar een publieke vermakelijkheid te gaan; waarom zou ik dat opgeven?””Merrick, die vond, dat vijf percent van de 14.000 prostituées, die in de Millbank gevangenis kwamen, gewend waren godsdienstige gebruiken te vereenigen met het uitoefenen van haar beroep, zegt ook naar aanleiding van haar gevoelens over moraal: “Ikben er van overtuigd, dat er vele arme mannen en vrouwen zijn, die in het geheel niet begrijpen, wat het woord “immoraliteit” beteekent. Uit beleefdheid zullen ze misschien ja zeggen op wat ge zegt, maar zij begrijpen uw bedoeling niet als gij spreekt van deugd of reinheid; gij spreekt eenvoudig over hen heen” (Merrick,op.cit., p. 28). Dezelfde houding kan men overal onder prostituées vinden. In Italië vermeldt Ferriani een meisje van vijftien jaar, dat, toen ze beschuldigd werd van onbetamelijkheid met een man in een park, met veel tranen en veel verontwaardiging ontkende. Hij bracht haar eindelijk tot bekentenis, en vroeg haar toen: “Waarom heb je geprobeerd mij te doen gelooven, dat je geen kwaad gedaan hadt?” Zij aarzelde, glimlachte, en zeide: “Omdatzij zeggen, dat meisjes niet moeten doen, wat ik doe, maar dat ze moeten werken. Maar ik ben, wat ik ben, en het gaat hen niet aan”. Deze houding is dikwijls meer dan een instinctief gevoel; bij intelligente prostituées wordt het dikwijls een wel-overwogen overtuiging. “Ik kan alles dragen, als het moet”, schreef de schrijfster van hetTagebuch einer Verlorenen(p. 291), “zelfs ernstige en edele minachting, maar geen spot. Minachting—ja, als ze verdiend is. Als een arm en mooi meisje met een moe en bitter hart alleen staat in de wereld, van alles uitgesloten, omringd door verzoekingen en verleidingen, die zich aan alle kanten aanbieden, en als ze dan toch, uit innerlijke overtuiging het grauwe en eentonige pad kiest van verzaking en van de burgerlijke moraal, dan erken ik in dat meisje een persoonlijkheid, die een zeker recht heeft met minachtend medelijden neer te zien op zwakkere meisjes. Maar die ganzen, die, onder de oogen van haar hoeders en levenslange eigenaars altijd op zachte groene weiden gegraasd hebben, hebben zeker geen recht minachtend te lachen over haar, die niet zoo gelukkig geweest zijn”. En we moeten niet meenen, dat er noodzakelijk eenig sophisme behoeft te wezen in de zelf-rechtvaardiging van de prostituée. Sommige van onze beste denkers en waarnemers zijn tot een conclusie gekomen, die niet ongelijk is aan deze. “De werkelijke toestanden van de maatschappij verzetten zich tegen ieder hoog moreel gevoel in vrouwen”, merkt Marro op (La Pubertà, p. 462), “want tusschen haar, die zich verkoopen in prostitutie en haar, die zich verkoopen in het huwelijk, bestaat het eenige verschil in den prijs en den duur van het contract”.Wij hebben reeds gezien welk een groot percentage in de prostitutie geleverd wordt door haar, die den huiselijken dienst verlaten hebben om dit leven te volgen (Antep. 264). Het is niet moeilijk in dit feit een bewijs te vinden voor de soort van impuls, die er een vrouw toe drijft de loopbaan van prostituée te kiezen. “De dienstbode, in onze maatschappij van gelijkheid”, schreef Goncourt, nadat hij vroegere tijden in de herinnering gebracht heeft, toen haar dikwijls een plaats ingeruimd werd in het familieleven, “is niets anders geworden dan een betaalde paria, een machine voor het doen van huishoudelijk werk, en het wordt haar niet langer toegestaan het menschelijk leven van haar werkgever te deelen”98. En in Engeland, vinden we, zelfs al een halve eeuw geleden, de zelfde gezegden over de positie van de dienstbode: “huiselijke dienst is een volkomen slavernij”, met vroege uren en late uren en voortdurend trappen op en neer loopen, tot de benen gezwollen zijn; “er schijnt dikwijls een mate van vernuft gebruikt te worden, een betere zaak waardig, om de grootstmogelijke hoeveelheid werk uit de huiselijke machine te halen”; bovendien is zij “een soort bliksemafleider” voor het slechte humeur en de ziekelijke gevoelens van haar meesteres en van de jonge dames; zoodat, als sommigen gezegd hebben, “ik mij zoo ellendig voelde, dat het me niet kon schelen wat er van me terecht kwam, ik wilde maar, dat ik dood was”99. De dienstbode staat buiten alle menschelijke verhoudingen; zij mag niet het bestaan verraden van een eenvoudige impuls of natuurlijke behoefte. Tevens leeft zij op den rand der weelde; zij is omringd door de tantaliseerende visioenen van genoegen en amusement, waarnaar haar frissche jonge natuur verlangt100. Het kan geen verwondering wekken dat zij, overwerkt en aangetrokken door lediggang vol genot den eenigen sprong doet, die haar in staat zal stellen te genieten van de schitterende zijden der beschaafde maatschappij, die haar zoo begeerlijk toeschijnen101.Er wordt soms gezegd, dat het overheerschend veel voorkomen van de prostitutie onder meisjes, die vroeger dienstboden waren, komt, doordat zoo ontzettend veel dienstmeisjes verleid worden door den heer des huizes of door de jonge heeren van de familie, waar zij dienen, en zoo de straat op gedreven worden. Dit is ongetwijfeld in een zeker aantal gevallen, misschien soms in een vrij aanzienlijk aantal, een beslissende factor, maar het schijnt wel nauwelijks de hoofd-factor te zijn. Het bestaan van betrekkingen tusschen dienstboden en heeren des huizes, moeten we bedenken, sluit geenszins noodzakelijk verleiding in. In een groot aantal gevallen is de dienstbode in een huishouden, in sexueele zaken, eer de leermeesteres dan de leerling. (In “The Sexual Impulse in Women”, in een ander werk van mijn hand, heb ik de rol besproken, die dienstmeisjes spelen als inwijdsters in sexueele zaken van de jonge jongens, in de huishoudens waarin ze geplaatst zijn). De meer preciese statistieken der oorzaken van de prostitutie geven zelden verleiding aan als de voornaamste oorzaak in meer dan ongeveer 20 percent van de gevallen, hoewel dit klaarblijkelijk een van de beweegredenen is, die het gemakkelijkst te bekennen is (zieantep. 256). Verleiding door een of anderen werkgever vormt maar een deel (gewoonlijk minder dan de helft) zelfs van deze gevallen. Het speciale geval van verleiding van dienstboden door den heer des huizes kan dus geen zeer groote rol spelen als factor bij de prostitutie.De statistieken over de afkomst van onwettige kinderen hebben ook eenige betrekking op deze zaak. In een serie van 180 ongehuwde moeders, die geholpen zijn door den Berlijnschen bond voor moederbescherming, wordenbijzonderheden gegeven over de bezigheden der moeders, en voor zoover mogelijk, ook van de vaders. De moeders waren voor een derde dienstmeisjes, en de groote meerderheid van de rest waren winkeljuffrouwen, of meisjes, die thuis werkten. Bij de vaders (van de 120 gevallen) kwamen bovenaan werklui (33), dan kooplui (22); maar een klein aantal (20 tot 25) kon beschreven worden als “heeren”, en zelfs dit aantal verliest iets van zijn beteekenis als er op gewezen wordt, dat sommige van de meisjes ook van de middelklasse waren; in negentien gevallen waren de vaders getrouwde mannen (Mutterschutz, Januari, 1907, p. 45).De meeste autoriteiten in de verschillende landen zijn van meening, dat meisjes, die prostituée worden (gewoonlijk tusschen de vijftien en de twintig jaar) haar maagdelijkheid op jeugdigen leeftijd verloren hebben, en in de groote meerderheid der gevallen door mannen van haar eigen klasse. “Het meisje uit het volk valt door het volk”, zeide Reuss in Frankrijk (La Prostitution, p. 41). “Het zijn haars gelijken, werklieden evenals zij, die de eerste vruchten plukken van haar schoonheid en haar maagdelijkheid. De man van de wereld, die haar met goud en juweelen belaadt, krijgt alleen wat zij overlaten”. Ook Martineau (De la Prostitution Clandestine, 1885) toonde aan, dat prostituées gewoonlijk onteerd worden door mannen van haar eigen klasse. En Jeannel, in Bordeaux vond reden om te gelooven, dat het niet voornamelijk haar meesters zijn, die dienstmeisjes verleiden; zij gaan dikwijls in dienst, omdat ze op het land verleid zijn, terwijl luie, begeerige en domme meisjes van het land naar de stad gestuurd worden om te dienen. In Edinburg vond W. Tait (Magdalenism, 1842), dat soldaten meer dan eenige andere klasse in de gemeenschap de verleiders zijn van vrouwen, en dat vooral de Hooglanders in dit opzicht bekend zijn. Soldaten hebben deze reputatie overal, en vooral in Duitschland vindt men steeds, dat de tegenwoordigheid van soldaten in een plaats op het platteland, zooals bij de jaarlijkschemanoeuvres, de oorzaak is van onkuischheid en onwettige geboorten; zoo is het ook in Oostenrijk, waar lang geleden Gross-Hoffinger heeft geconstateerd, dat soldaten verantwoordelijk waren voor ten minste een derde van alle onwettige geboorten, een aandeel, dat geheel buiten verhouding is tot hun aantal. In Italië vond Morro, bij zijn onderzoekingen naar de oorzaak van het verlies der maagdelijkheid bij twee en twintig prostituées, dat tien zich min of meer spontaan gaven aan minnaars of meesters, dat tien zwichtten in de verwachting van een huwelijk, en dat twee verkracht waren (La Pubertà, p. 461). Het verlies van de maagdelijkheid, hoewel het misschien niet de eerste oorzaak van de prostitutie is, leidt er toch dikwijls toe. “Als een deur eenmaal opengebroken is”, zeide een prostituée tot hem, “dan is het moeilijk ze gesloten te houden”. In Sardinië zijn, zooals A. Mantegazza en Ciuffo vonden, prostituées zeer dikwijls dienstmeisjes van het land, die reeds onteerd zijn door mannen van haar eigen klasse.Deze beschavingsfactor van de prostitutie, de invloed van weelde en opwinding en verfijning, die het meisje uit het volk aantrekken, zooals de vlam de mot aantrekt, blijkt uit het feit, dat het de bewoonsters van het land zijn, die voornamelijk voor de bekoring bezwijken. De meisjes, wier jonge ontvlambare en orgiastische impulsen, soms aangewakkerd door een klein aangeboren gebrek aan zenuw-evenwicht, latent gebleven zijn in de saaie eentonigheid van het leven op het land, vinden eindelijk haar volkomen bevrediging in de loopbaan van prostituée. Voor het stadsmeisje, dat in de stad is geboren en opgevoed, heeft deze loopbaan gewoonlijk niet veel aantrekkingskracht, tenzij zij van het begin af aan opgevoed is in een omgeving, die haar predisponeert om zete kiezen. Zij is van haar jeugd af gewoon aan de prikkels van de steedsche beschaving en zij bedwelmen haar niet; zij is, bovendien beter in staat op zich zelf te passen dan het meisje van het land, en ze weet te veel van de werkelijke feiten van het leven der prostituée, om zeer verlangend te zijn haar loopbaan te kiezen. Bovendien bezit de familie waartoe zij behoort, waarschijnlijk ook een aangeboren of verkregen weerstandsvermogen tegen de evenwicht-verstorende invloeden, dat het hun mogelijk gemaakt heeft zich in het stadsleven staande te houden. Zij is immuun geworden tegen de vergiften van dat leven102.In alle groote steden is een groot deel, zoo niet de meerderheid van de inwoners, gewoonlijk buiten de stad geboren (in Londen zijn maar vijftig percent van de hoofden van gezinnen bepaald vermeld als in Londen geboren); en het is dus niet te verwonderen, dat ook prostituées dikwijls van buiten de stad komen. Toch blijft het een feit van beteekenis, dat een zoo typisch steedsch verschijnsel als de prostitutie, in zoo ruime mate van nieuwe leden voorzien wordt van het land. Dit is overal het geval. Merrick noemt de streken op, waar 14.000 prostituées vandaan kwamen, die in de Millbank gevangenis terecht kwamen. Middlesex, Kent, Surrey, Essex en Devon zijn de graafschappen, die bovenaan staan, en Merrick taxeert het aantal voor Londen uit de vier graafschappen, die Londen vormen, op 7000, of de helft van het geheel; militaire steden, zooals Colchester en marine-havens, zooals Plymouth, voorzien Londen van veel prostituées; Ierland levert er veel meer dan Schotland, en Duitschland veel meer dan eenig ander Europeesch land, terwijl Frankrijk bijna in het geheel niet vertegenwoordigd is (Merrick,Work Among the Fallen, 1890, pp. 14–16). Het is natuurlijk mogelijk, dat de verhoudingen onder haar, die in een gevangenis komen, niet nauwkeurig de verhoudingen weergeven der prostituées in het algemeen. De lijsten van het Londensche reddingshuis van het Leger des Heils wijzen er op, dat zestig percent van de meisjes en de vrouwen van buiten komen (A. Sherwell,Life in West London, hoofdst. V). Dit is precies dezelfde verhouding die Tait een halve eeuw vroeger, onder prostituées in het algemeen, in Edinburg vond. Sanger zegt, dat van de 2000 prostituées in New-York er wel 1238 in het buitenland geboren waren (706 in Ierland), terwijl van de overige 762 de eene helft geboren was in den staat New-York, en een beslist (hoewel de juiste getallen niet aangegeven zijn) nog kleinere verhouding in de stad New-York. Prostituées komen uit het Noorden—waar het klimaat onpleizierig is, en waar fabrieksarbeid en zittende bezigheden het meest voorkomen—veel meer dan uit het Zuiden; zoo zond Maine, een koude, gure zeestaat, vier en twintig van deze prostituées naar New-York, terwijl Virginië, op denzelfden afstand liggende, dat er naar denzelfden maatstaf gerekend twee en zeventig moest gestuurd hebben, er maar negen zond; er was een zelfde verschil tusschen Rhode Island en Maryland (Sanger,History of Prostitution, p. 452). Het is leerrijk hier den invloed op te merken van een somber klimaat en eentonigen arbeid op het aanwakkeren van de begeerte naar een “leven van pleizier”. In Frankrijk is er, zooals op een kaart in het werk van Parent-Duchâtelet aangetoond wordt (deel I, pp. 37–64, 1857) als het land verdeeld wordt in vijf gordels, die van Oost naar West loopen, een voortdurende vermindering in het aantal prostituéesdat iedere gordel naar Parijs zendt, naarmate we verder Zuidwaarts komen. Weinig meer dan een derde schijnt tot Parijs te behooren, en, evenals in Amerika, is het het ernstige en hard werkende Noorden met zijn betrekkelijk koud klimaat, dat het grootste contingent levert; zelfs in het oude Frankrijk merkt Dufour op (op. cit., deel IV, hoofdst. XV), was prostitutie, zooals blijkt uit defabliauxenromans, minder schandelijk in delangue d’oildan in delangue d’oc, zoodat zij ongetwijfeld zeldzaam was in het Zuiden. Op een later tijd zegt Reuss (La Prostitution, p. 12) dat “bijna al de prostituées uit Parijs van buiten komen”. Jeannel merkte op, dat van de duizend prostituées uit Bordeaux er maar zes en veertig in de stad thuis behoorden, en Potton (Appendix bij Parent-Duchâtelet, deel II, p. 446) zegt, dat van bijna vier duizend prostituées uit Lyon er maar 376 uit Lyon zelf waren. In Weenen merkt Schrank, in 1873, op, dat van meer dan 1500 prostituées er maar 615 in Weenen geboren waren. De algemeene regel is, zooals we zullen gezien hebben, hoewel de variaties vele zijn, dat weinig meer dan een derde van de prostituées van een stad stadskinderen zijn.Het is opmerkelijk dat deze neiging van de prostituée om van ver naar steden toe te komen, deze zwervende neiging—die zij tegenwoordig gemeen heeft met de kellners—niet een modern verschijnsel is. “Er zijn weinig steden in Lombardije, of Frankrijk, of Gallië”, schreef de heilige Bonifacius, “waar niet een echtbreekster is of een prostituée van de Engelsche natie”, en de heilige schrijft dit toe aan de gewoonte der pelgrimstochten naar buitenlandsche heilige plaatsen. In den tegenwoordigen tijd is er geen duidelijk merkbaar Engelsch element onder de prostituées van het vasteland. Zoo zijn in Parijs volgens Reuss (La Prostitution, p. 12) de buitenlandsche prostituées in afnemende orde Belgisch, Duitsch (Elzas-Lotharingen), Zwitsersch (vooral uit Genève), Italiaansch, Spaansch, en eerst dan Engelsch. Kenners in deze zaak zeggen dat de Engelsche prostituée, in vergelijking met haar zuster van het vasteland (en vooral uit Frankrijk), niet voordeelig uitkomt, omdat ze gewoonlijk hebberig is in geldzaken en niet zeer bekoorlijk.Het is de beschaving, hoewel niet het fijnste en het beste in de beschaving, die meer dan iets anders vrouwen roept tot de prostitutie. Het is noodig er op te wijzen dat ook de man door diezelfde beschaving tot de prostitutie gedreven wordt. De gewone en op onwetendheid berustende veronderstelling, dat de prostitutie bestaat om de grove zinnelijkheid van den jongen ongehuwden man te bevredigen, en dat, als hij geleerd heeft grove sexueele impulsen te bedwingen of er toe gebracht is vroeg te trouwen de prostituée geen bezoek zal ontvangen, is volkomen onjuist. Als alle mannen heel jong trouwden, dan zou niet alleen het geneesmiddel erger zijn dan de kwaal—het is hier de plaats niet dat punt verder te bespreken—maar het middel zou de kwaal niet genezen. De prostituée is iets meer dan een kanaal om overtollige sexueele energie af te voeren, en haar aantrekkingskracht houdt in het geheel niet op te bestaan als mannen getrouwd zijn, want een groot aantal van de mannen die prostituées bezoeken, zoo niet de meesten, zijn getrouwd. En toch, of zij getrouwd zijn of ongetrouwd, de beweegreden die hen naar de prostituée voert, is niet uitsluitend wellust.In Engeland, merkt een schrijver, die goed op de hoogte is, op, dat “de waarde van het huwelijk als moreele factor blijkt uit het feit, dat al de betereprostituées in Londen bijna geheel onderhouden worden door getrouwde mannen”, terwijl ook in Duitschland, zooals in een belangwekkende serie van herinneringen van een vroegere prostituée,Beichte einer Gefallenendoor Hedwig Hard (p. 208), gezegd wordt, de meeste mannen, die prostituées bezoeken, getrouwd zijn. Deze bewering is waarschijnlijk overdreven. Neisser zegt dat maar vijf en twintig percent van gevallen van gonorrhoe voorkomen bij getrouwde mannen. Deze opgave is waarschijnlijk onjuist in omgekeerden zin, omdat getrouwde mannen zich in het verkeer met prostituées meestal zeer in acht nemen, meer dan de jonge en ongetrouwde mannen. Wat de beweegreden aangaat, die getrouwde mannen tot de prostitutie brengt, vertelt Hedwig Hard uit haar eigen ervaringen een voorval, dat leerzaam en ongetwijfeld typisch is. In de stad, waar zij rustig als prostituée woonde, werd een man van den hoogsten maatschappelijken stand door een vriend bij haar geïntroduceerd, en bezocht haar regelmatig. Zij had dikwijls zijn vrouw gezien en bewonderd, die een van de gevierde schoonheden van de plaats was en twee lieve kinderen had; man en vrouw schenen elkander zeer genegen, en ieder benijdde hen hun geluk. Hij was een man van verstand en beschaving, die Hedwig’s liefde tot boeken aanmoedigde; zij geraakte zeer aan hem gehecht en eens waagde zij hem te vragen hoe hij zijn lieve, mooie vrouw kon verlaten om naar iemand toe te gaan, die niet waard was haar schoenriemen los te binden. “Ja, kind”, antwoordde hij, “maar al haar schoonheid en ontwikkeling geeft mij niets voor mijn hart. Zij is koud, koud als ijs, fatsoenlijk en bovenal phlegmatiek. Vertroeteld en verwend als zij is, leeft zij alleen voor zich zelf; wij zijn twee goede kameraden en niets meer. Als ik bijvoorbeeld ’s avonds uit de societeit kom en naar haar bed ga, misschien wel een beetje opgewonden, dan wordt ze zenuwachtig en vindt het ongepast, dat ik haar wakker maak. Als ik haar kus, dan verdedigt zij zich en vertelt mij, dat ik verschrikkelijk naar sigaren en wijn ruik. En als ik misschien meer probeer, dan springt ze uit bed, wordt boos alsof ik haar aanviel, en dreigt uit het raam te springen als ik haar aanraak. Dus laat ik haar om den wille der vrede met rust en kom hier”. Er kan geen twijfel aan zijn, dat dit de ondervinding is van veel getrouwde mannen, die graag geliefde zoowel als vriendin in hun vrouwen zouden vinden. Maar de vrouwen hebben, met een verscheidenheid van oorzaken, bewezen, dat ze niet in staat zijn de sexueele makkers te worden van haar echtgenooten. En de echtgenooten, zonder dat ze gedreven worden door eenigen sterken hartstocht of door begeerte naar ontrouw, zoeken buitenshuis wat ze thuis niet vinden kunnen.Dit is niet de eenige reden, waarom mannen prostituées bezoeken. Zelfs mannen, die gelukkig getrouwd zijn met vrouwen, die in de voornaamste opzichten bij hen passen, ondervinden dikwijls na eenige jaren huwelijksleven, een geheimzinnig verlangen naar afwisseling. Zij zijn hun vrouwen niet moe, zij hebben niet de minste wensch of bedoeling om haar te verlaten, zij willen haar, als zij het helpen kunnen, niet de minste pijn veroorzaken. Maar nu en dan worden ze door een onweerstaanbaren, en onwillekeurigen drang er toe gebracht een tijdelijke intimiteit te zoeken met vrouwen, met wie ze voor niets ter wereld zich voor goed zouden willen binden. Pepys, wiensDiary, afgezien van de andere verdienstelijke eigenschappen ervan, een psychologisch document van waarde is, levert een zeer karakteristiek voorbeeld van deze soort van impuls. Hij heeft een jonge, lieve vrouw getrouwd, aan wie hij zeer gehecht is, en hij leeft gelukkig met haar, op een paar nu en dan voorkomende twisten na, die spoedig door kussen uit den weg geruimd zijn; zijn liefde gaat samen met jaloezie, een jaloezie, die, zooals hij toegeeft, volkomen onredelijk is, want zij is een trouwe, liefhebbende vrouw. Toch kan Pepys, eenige jaren na zijn huwelijk, en midden in een leven van ingespannen beroepsbezigheid, de verleiding niet weerstaan de tijdelijke gunsten te zoeken van andere vrouwen, zelden prostituées, maar bijna altijd vrouwen van lagen maatschappelijken stand—winkeljuffrouwen, vrouwen van werklieden, fatsoenlijke dienstmeisjes.Dikwijls is hij er mee tevreden haar naar een rustig bierhuis mee te nemen, en zich een paar gewone vrijheden te veroorloven. Soms weigeren zij absoluut meer dan dit toe te staan; als dat gebeurt dankt hij herhaaldelijk den almachtigen God (zooals hij ’s avonds in zijnDiaryschrijft), dat hij bewaard is gebleven voor verleiding en voor tijd- en geldverlies; telkens weer is hij geneigd de gelofte te doen, dat het niet weer zal gebeuren. Toch gebeurt het altijd weer. Pepys is volkomen waar tegenover zich zelf; hij doet geen poging zich te rechtvaardigen of te excuseeren; hij weet, dat hij voor de verleiding bezweken is; het is een impuls, die nu en dan over hem komt, een impuls, dien hij niet in staat schijnt te zijn lang te weerstaan. Ondanks dit alles blijft hij een achtenswaardig en ijverig ambtenaar, en in de meeste opzichten een tamelijk deugdzaam man, met een echten afkeer van lichtzinnige menschen en onbeteekenende praatjes. De houding van Pepys wordt met onvergelijkelijken eenvoud en openhartigheid uiteengezet, omdat hij deze dingen voor zijn eigen oogen alleen neerschrijft, maar zijn geval is in werkelijkheid dat van een groot aantal andere mannen, misschien wel van den typischenhomme moyen sensuel(zie Pepys,Diary, ed.Wheatley;e.g., deel IV,passim).Er is een derde klasse van getrouwde mannen, minder groot in aantal, maar niet onbelangrijk, die gedwongen zijn prostituées te bezoeken: de klasse van sexueel geperverteerde mannen. Er zijn vele redenen, waarom zulke mannen kunnen wenschen te trouwen, en in sommige gevallen trouwen ze vrouwen, met wie zij den eigenaardigen vorm van sexueele bevrediging, waarnaar ze verlangen, kunnen verkrijgen. Maar in een groot aantal gevallen is dit niet mogelijk. De conventioneel opgevoede vrouw kan zichzelf er niet toe brengen zelfs maar aan een volkomen onschuldige fetischachtige gril van haar echtgenoot toe te geven, want die is te vreemd aan haar gevoelens en te onbegrijpelijk voor haar ideeën, zelfs als ze oprecht verliefd op hem is; in vele gevallen zou de echtgenoot niet durven vragen en ternauwernood zelfs wenschen, dat zijn vrouw er zich toe zou leenen de fantastische of misschien vernederende rol te spelen, die zijn wenschen eischen. In zulk een geval wendt hij zich natuurlijk tot de prostituée, de eenige vrouw, wier beroep het is in zijn bijzondere behoeften te voorzien. Het huwelijk heeft dezen mannen geen verlichting gebracht, en zij vormen een groot aantal cliënten van elke prostituée in iedere groote stad. De meest gewone prostituée van eenige ervaring kan gevallen meedeelen van haar eigen bezoekers, geschikt om een verhandeling over psychopatische sexualiteit te illustreeren. Het is hier voldoende een aanhaling weer te geven uit de bekentenissen van een jonge Londensche prostituée (Strand), zooals ze van haar lippen zijn neergeschreven door een vriend, aan wien ik het document dank; ik heb alleen een paar alledaagsche woorden in meer technische termen veranderd. Nadat ze beschreven had hoe, toen zij nog een dorpskind van dertien jaar was, een rijke, oude heer dikwijls kwam en zich aan haar en andere meisjes vertoonde, en hoe hij eindelijk gearresteerd werd en gevangen genomen, sprak zij over de perversiteiten, die ze ontmoet had, sedert zij prostituée was geworden. Zij kende een jongen man van ongeveer vijf en twintig jaar, gewoonlijk in een sportpakje gekleed, die altijd met een paar levende duiven kwam, die hij in een mand meebracht. Zij en het meisje, waar ze mee samenwoonde moesten zich ontkleeden, de duiven nemen en ze den nek omdraaien; hij stond dan voor haar, en als de nekken omgedraaid werden, trad bij hem geprikkeldheid op. Eens ontmoette zij een man op straat en hij vroeg haar of hij met haar mee mocht gaan en haar schoenen mocht likken. Zij stemde toe en hij nam haar mee naar een hotel, betaalde een halve guinje voor een kamer, en, toen ze ging zitten, kroop hij onder de tafel en likte haar schoenen, die vol modder waren; meer deed hij niet. Dan waren er dingen, zeide zij, die te vuil waren om te vertellen; bv. een man kwam met haar en haar vriendin naar huis, en liet haar in zijn mond urineeren. Zij had ook verhalen van geeseling, meestal van mannen, die de meisjes met de zweep sloegen, zeldzamer van mannen, die graag door haar geslagen werden. Een man, dieiedere keer een nieuw riet meebracht, sloeg haar vriendin tot bloedens toe. Zij kende een anderen man, die niets deed dan haar hard op de billen slaan. Nu wortelen al deze dingen, die tot het gewone dagwerk van de prostituée behooren, in diepe en onweerstaanbare impulsen. Zij moeten een of anderen uitweg vinden. Maar alleen op de prostituée kan men rekenen, omdat haar belang en haar opvoeding het meebrengen, om den natuurlijken tegenzin tegen zulke handelingen te boven te komen en wenschen te bevredigen, die, als ze niet bevredigd werden, misschien andere en gevaarlijker vormen zouden aannemen.Hoewel Woods Hutchinson met instemming de verklaring van een vriend aanhaalt: “Van de duizende prostituées heb ik er nooit een gezien met goede manieren aan tafel”, gaat van de prostituée toch werkelijk, hoewel dan niet in voldoende mate, de bekoring van de beschaving uit. “Er was geen huis, waarin ik van tijd tot tijd het gezicht van een dame zien en de stem van een dame hooren kon”, schreef de romanschrijver Anthony Trollope in zijnAutobiographieover zijn leven, toen hij pas in Londen was. “Geen opwekking tot fatsoenlijke vertrouwelijkheid kwam op mijn weg. Het schijnt mij toe, dat in zulke omstandigheden de verleidingen van een losbandig leven bijna zeker de overhand zullen krijgen over een jongen man. De verleiding kreeg in ieder geval de overhand over mij”. In iedere groote stad, heeft men gezegd, zijn er duizende mannen, die niet het recht hebben eenige andere vrouw dan een kellnerin bij haar voornaam te noemen103. Al de schoone glans der beschaving schittert om hen heen in de straten, maar zij moeten op een afstand blijven. Het is de prostituée, die deze bekoring van de stad belichaamt, veel beter dan de maagdelijke vrouw, zelfs als intimiteit met haar binnen hun bereik was. De prostituée vertegenwoordigt ze, omdat zij ze zelf voelt, omdat zij zelfs haar vrouweneer opgeofferd heeft in de poging zich er mee te vereenzelvigen. Zij heeft ongebreidelde vrouwelijke instincten, zij is een meesteres in de vrouwelijke kunst zich op te sieren, zij kan tot hem spreken over de geheimen van de vrouwelijkheid en de weelden van haar geslacht met een zaakkennis en een vrijheid, waartoe het onschuldige meisje, dat aan haar huis gekluisterd is, niet in staat zou zijn. Zij is voor hem niet alleen daardoor aantrekkelijk, omdat zij de lagere sexueele begeerten bevredigen kan, maar ook omdat zij op hare wijze een kunstenares is, een deskundigein de kunst van vrouwelijke uitbuiting, een leidster op het gebied der mode. Want dit is zij, en er zijn, zooals Simmel in zijnPhilosophie der Modegezegd heeft, goede psychologische redenen, waarom zij dit altijd moet zijn. Haar onzekere maatschappelijke positie maakt alles, wat conventioneel en wettig is, hatelijk in haar oogen, terwijl haar temperament voortdurende nieuwigheden verrukkelijk voor haar maakt. In nieuwe modes vindt zij “een æsthetischen vorm van dat instinct van vernieling, dat eigen schijnt te zijn aan het leven van alle paria’s, in zooverre zij geestelijk niet volkomen slaven zijn geworden”.“Hoe verwonderlijk het ook aan sommigen moge toeschijnen”, merkt een modern schrijver op, “prostituées moeten op hetzelfde niveau gesteld worden als kunstenaars. Beide gebruiken hun gaven en talenten tot vreugde en genoegen van anderen, en, als regel, tegen betaling. Wat is het essentieele verschil tusschen een zangeres, die hoorders genoegen geeft met haar keel en een prostituée, die haar bezoekers genoegen geeft met een ander deel van haar lichaam? Alle kunst werkt op de zinnen”. Hij verwijst naar het belangrijke feit, dat acteurs en voornamelijk actrices vroeger veelal even weinig geacht werden als prostituées nu (R. Hellmann,Ueber Geschlechtsfreiheit, pp. 245–252).Bernaldo de Quiros en Llanas Aguilaniedo (La Mala Vida en Madrid, p. 242) gaan denzelfden invloed na nog lager op den maatschappelijken ladder. Zij beschrijven de vuilere soort vancafé’s chantant, waar, in Spanje en elders, de slechtste en meest gedegenereerde vrouwelijke schepsels kellnerinnen worden (en soms zangeressen en danseressen), die dan de rol spelen van liefelijke en gedistingeerdehetarenvoor een publiek van voerlieden en winkelbedienden, die deze plaatsen bezoeken. “Gekleed met wat den jongen man toeschijnt onberispelijke smaak te zijn, met zorgvuldig gefriseerde haren, en een schoon gezicht, dat versierd is met bloemen of sieraden, minzaam en soms hooghartig, in bekoring en in tooi verheven boven de andere vrouwen, die hij kent, worden de kellnerinnen het mooiste voorbeeld van defemme galante, die hij kan zien en toespreken, de courtisane van zijn sfeer”.Maar terwijl de prostituée voor den eenvoudigen, onwetenden en hongerigen jongen man aantrekkelijk is als belichaming van veel van de verfijning en perversiteiten van de beschaving, oefent zij op vele meer gecompliceerde en beschaafde mannen een aantrekkingskracht uit van een bijna tegenovergestelde soort. Zij trekt aan door haar frissche en natuurlijke ruwheid, haar vrije bekendheid met de ruwste feiten van het leven; en heft hen zoo voor een oogenblik op uit de verdorrende atmosfeer van kunstmatig denken en onwerkelijk gevoel, waarin zoo vele beschaafde personen gedwongen zijn het grootste deel van hun leven door te hengen. Zij voelen met de woorden, die de koninklijke vriend van een vrouw van dit temperament moet gebruikt hebben, toen hij een verklaring gaf van haar onbegrijpelijken invloed op hem: “Zij is zoo schitterend vulgair!”Ter illlustratie van deze zijde van de aantrekkingskracht der prostitutie, wil ik hier een passage aanhalen, waarin de romanschrijver Hermant, in zijnConfessions d’un Enfantd’Hier(Lettre VII), de redenen uiteengezet heeft, die er het overbeschaafde kind van een beschaafde eeuw, dat toch geenszinsradicaal of volkomen slecht is, toe kunnen brengen voldoening te vinden in den omgang met prostituées: “Zoolang mijn hart niet getroffen was, was het voorwerp van mijn satisfactie mij volkomen onverschillig. Ik hield bovendien veel van absolute vrijheid en die is alleen mogelijk in den kring van deze anonieme schepsels en in haar afgezonderde woonplaats. Daar kan men zich alles veroorloven. Tegenover andere vrouwen, hoe laag we haar ook zoeken, moeten zekere égards in acht genomen worden, een soort van protocol. Tegen de prostituée kan men alles zeggen: men is beschermd door zijn incognito en men weet zeker, dat niemand ooit te weten komt, wat men met haar beleeft. Ik maakte gebruik van deze vrijheid, zoo aantrekkelijk voor iemand van mijn leeftijd, maar met een perverse fantasie, die niet bij mijn jaren paste. Ik weet nauwelijks waar ik de woorden vandaan haalde, die ik tot haar zeide, want ze kwamen niet overeen met mijn smaak, die eenvoudig was en, als ik het zeggen mag, klassiek. Het is waar, dat onbeperkt naturalisme in liefdezaken altijd neigt tot het perverse, een feit dat alleen op het eerste gezicht paradox kan schijnen. Natuurvolken hebben veel trekken gemeen met gedegenereerden. Ik was echter alleen in woorden losbandig; en dit waren de eenige gelegenheden, waarbij ik mij herinneren kan, dat ik ernstig onwaarheid gesproken heb. Maar die behoefte, die ik toen ondervond, om een lage soort van onwaardige instincten uit te drijven, schijnt mij karakteristiek toe en vernederend. Ik mag er bij voegen, dat ik zelfs te midden van deze uitspattingen een zekere terughouding behield. De aanrakingen, waaraan ik mij overgaf, bezoedelden mij niet; er bleef niets van over, als ik naar huis terugkeerde. Ik heb altijd, uit dien geforceerden en onverschilligen omgang de gewoonte behouden om geen gewicht te hechten aan de handelingen van het vleesch. De liefdefunctie, die godsdienst en moraal omgeven hebben met geheimzinnigheid en gekruid met zonde, schijnt mij een functie toe als iedere andere, een beetje laag bij den grond, maar aangenaam, en een, waarvoor het gebruikelijk epiloog te lang is.… Deze soort kameraadschap duurde maar korten tijd”. Bovenstaande ontleding van de houding van een beslist gewoon type van den beschaafden modernen man schijnt juist te zijn, maar het zal misschien bij sommige lezers opkomen, dat men van een omgang, die er toe geleid heeft de “handeling van het vleesch” te beschouwen als te zijn van geen waarde, bezwaarlijk zeggen kan, dat ze geen smet nagelaten heeft.Op ongeveer gelijke wijze stelt Henri de Régnier in zijn romanLes Rencontres de Monsieur Bréot(p. 50) Bercaillé voor als iemand die bepaald bij voorkeur zijn genoegen zoekt bij dienstmeisjes, liever dan bij dames, want genoegen geven was, in zijn idee, een soort van dienst, die vrijwel overeenkwam met de diensten, die zij gewend waren te bewijzen; en daarbij zijn zij stevig en gezellig; zij hebben de naïviteit, die altijd bekoort en zij worden niet licht teruggestooten door die kleine voorvallen, die misschien het kieskeurige gevoel van fijn opgevoede dames zouden hinderen.Bloch, die speciaal den nadruk gelegd heeft op deze zijde van de aantrekkingskracht der prostitutie (Das Sexualleben unserer Zeit, pp. 359–362), verwijst naar den teeren en gevoeligen jongen Deenschen schrijver, J. P. Jakobsen, die scherp het contrast schijnt gevoeld te hebben tusschen de hoogere en meer gewone impulsen en de nu en dan voorkomende uitbarsting van wat hij voelde als de lagere instincten; in zijnNiels Lyhnebeschrijft hij het soort van dubbel leven, waarbij een man veertien dagen trouw is aan den God, dien hij vereert, en dan overwonnen wordt door andere machten, die hem dolzinnig meevoeren naar wat hij voelt als vernederend, pervers en vuil. “Op zulke oogenblikken”, merkt Bloch op, “is de man een ander wezen. De “twee zielen” in zijn borst worden werkelijkheid. Is dat de beroemde geleerde, de verheven idealist, de fijn besnaarde aestheticus, de kunstenaar, die ons zooveel mooie werken gegeven heeft in poëzie en schilderkunst? Wij herkennen hem niet meer, want op zulke oogenblikken is een ander wezen aan de oppervlakte gekomen, een andere natuur is in hem in beweging en drijft hem met hetgeweld van een natuurkracht naar dingen, waarvan zijn “hooger bewustzijn” de beschaafde man in hem, zou rillen”. Bloch meent, dat we hier te doen hebben met een soort normaal mannelijk masochisme en dat de prostitutie dient om dat te bevredigen.

Voor zoover het bewijsmateriaal gaat, dient het om aan tetoonen, dat prostituées over het algemeen het type naderen dat we zooals in het voorafgaande deel aangetoond is, met reden kunnen beschouwen als speciaal te wijzen op ontwikkelde sexualiteit. Het is echter onnoodig deze kwestie te bespreken voordat onze anthropometrische kennis van prostituées meer omvattend en meer precies is.3.De moreele rechtvaardiging van de prostitutie.—Er zijn moralisten—zij zijn er altijd geweest en vele van hen zijn menschen wier opinie de ernstigste achting verdient—die meenen, dat mits de hygiënische voorwaarden verbeterd worden, het bestaan van de prostitutie geen ernstig probleem ter oplossing biedt. Ze is, zeggen zij, op zijn slechtst, een noodzakelijk kwaad, en, op zijn best, een weldadige instelling, het bolwerk van het tehuis, de onvermijdelijke keerzijde van het huwelijk. “De immoreele bewaakster van de publieke moraal”, is de definitie van prostituées gegeven door een schrijver, die de zaak van een laag standpunt beschouwt, en een ander, die de zaak meer verheven bekijkt, schrijft: “De prostituée vervult een maatschappelijke zending. Zij is de bewaakster van de maagdelijke kuischheid, het afvoerkanaal voor overspelige begeerte, de beschermster van getrouwde vrouwen, die een laat moederschap vreezen; het is haar rol op te treden als schild voor “het gezin””. “Als vrouwelijke Decii”, zeide Balzac in zijnPhysiologie du Mariagevan prostituées, “offeren zij zich op voor de republiek en maken van haar lichamen een borstwering ter bescherming van respectabele families”. Op dezelfde wijze noemde Schopenhauer prostituées “menschelijke slachtoffers op het altaar der monogamie”. Lecky vereenigt, in een vele malen aangehaalde passage der rhetorica84het hoogere en het lagere standpunt over de prostituée in de menschelijke maatschappij, en hij tracht er zelfs een priesterlijk karakter aan te geven. “Het uiterste type van de ondeugd”, verklaarde hij, “is ten slotte de meest krachtdadige bewaakster van de deugd. Als zij er niet was, zou de ongerepte reinheid van onnoemelijk veel huizen besmet zijn, en niet weinige van de vrouwen, die in den trots van haar niet in verleiding gebrachte kuischheid aan de prostituée denken met een siddering van verontwaardiging, zouden zonder haar de ellenden van berouw en van wanhoop gekend hebben. Op die eene onteerde en onwaardige gestalte zijn al de hartstochten geconcentreerd, die de wereld met schande hadden kunnen vullen. Zij blijft, terwijl geloofsbelijdenissen en maatschappijen opkomen en te gronde gaan, de eeuwige priesteres van de menschelijkheid, bezoedeld door de zonden van het volk”85.Ik weet niet, of de Grieken ernstig gedacht hebben over de moreele rechtvaardiging van de prostitutie. Zij hadden haar geen bijzonder hinderlijke vormen laten aannemen en voor het grootste deel waren ze bereid haar te aanvaarden.De Romeinen namen ze gewoonlijk ook aan, maar, naar ons toeschijnt, niet zoo gemakkelijk. Er was een strenge, ernstige, bijna Puriteinsche geest in de Romeinen van de oude garde en soms schijnen zij de behoefte gevoeld te hebben zich te verzekeren, dat de prostitutie werkelijk moreel te rechtvaardigen was. Het is van belang op te merken, dat zij zich graag in de herinnering brachten dat Cicero gezegd had, dat hij blij was als hij een man uit een bordeel zag komen, omdat hij anders misschien de vrouw van zijn buurman onteerd zou hebben86.De maatschappelijke noodzakelijkheid van de prostitutie is het oudste van al de argumenten van moralisten, die het dulden van prostituées prediken; en als we de eeuwige geldigheid aannemen van het huwelijkssysteem, waarmee tegelijk de prostitutie zich ontwikkeld heeft, en van de theoretische moraal, die op dat systeem gebaseerd is, dan is dit een zeer krachtig, zoo niet een onweerlegbaar argument.De komst van het Christendom, met zijn speciale houding jegens het “vleesch” veroorzaakte noodzakelijk een enorme toename van belangstelling voor de moreele gezichtspunten van de prostitutie. Toen de prostitutie niet veroordeeld werd, werd het natuurlijk noodzakelijk haar te rechtvaardigen; het was niet mogelijk voor een kerk met min of meer ascetische idealen zulk een zaak met welwillende onverschilligheid te behandelen. Als regel schijnen we wel overal te vinden, dat de meer onafhankelijke geestelijken, die geen verantwoording hadden, geneigd waren ze te veroordeelen, terwijl die theologen, die de zware verantwoordelijkheden van kerkelijk staatmansschap op hun schouders geladen hadden, over ’t algemeen getoond hebben de prostitutie te rechtvaardigen, zij het dan ook aarzelend. Hiervan hebben we een uiterst belangrijk voorbeeld in den heiligen Augustinus, na den heiligen Paulus den voornaamsten stichter van de Christelijke kerk. In een verhandeling in 386 geschreven om de goddelijke regeling van de wereld te rechtvaardigen, verklaart hij dat, evenals de beul, hoe terugstootend hij ook zijn mag, een noodzakelijke plaats in de maatschappij inneemt, evenzoo de prostituée en haars gelijken, hoe vuil en leelijk en slecht zij ook zijn mogen, noodzakelijk zijn;verban de prostituées uit de maatschappij en gij zoudt de wereld met wellust bezoedelen: “Aufer meritrices de rebus humanis, turbaveris omnia libidinibus”87. Aquino, de eenige theologische denker van het Christendom, die tegelijk met Augustinus genoemd kan worden, was in deze kwestie van de prostitutie van dezelfde meening als hij. Hij hield vol, dat ontucht doodzonde was, maar hij nam de noodzakelijkheid aan van de prostitutie, als een nuttig deel van den bouw der maatschappij, en hij vergelijkt ze bij de afvoerkanalen van een paleis88. “Prostitutie in steden is gelijk aan het riool in een paleis; neem de riolen weg en het paleis wordt een onreine, stinkende plaats”. Liquori, de meest invloedrijke theoloog van den nieuweren tijd, was van dezelfde meening.Deze aarzelende en half toegevende houding jegens de prostitutie hebben de theologen inderdaad over het algemeen aangenomen. Sommige wilden, in navolging van Augustinus en Aquino, de prostitutie dulden om grooter kwaad te voorkomen; anderen waren er geheel en al tegen; en weer anderen wilden ze in de steden toelaten, maar nergens anders. Het werd echter algemeen door theologen aangenomen, dat de prostituée recht heeft op haar loon, en dat ze niet verplicht is het terug te geven89. De vroegere moralisten van het Christendom vonden het niet moeilijk staande te houden, dat er geen zonde in is een huis te verhuren aan een prostituée tot het uitoefenen van haar bedrijf; absolutie werd hiervoor altijd gegeven en onthouding niet geëischt90. Ontucht bleef echter altijd een zonde en van de twaalfde eeuw af heeft de kerk een reeks van pogingen gedaan om prostituées te bekeeren. Alle Katholieke theologen zijn van meening, dat een prostituée verplicht is de zonde der prostitutie te biechten, en de meeste theologen, hoewel niet alle, hebben gemeend, dat ook een man den omgang met een prostituée moet biechten. Terzelfder tijd, dat er een zekere toegevendheid was jegens de prostituée zelf, was de kerk altijd zeer streng jegens hen, die leefden van de voordeelen van het bevorderen van de prostitutie, jegens delenones. Zoo weigerde het Concilie van Elvira, dat bereid was zonder boetedoening de prostituée die trouwde, te ontvangen, absolutie te geven, zelfs bij hun dood, aan personen, die schuldig geweest waren aanlenocinium91.Het protestantisme, dat den biechtstoel opgeruimd had, kon indeze, evenals in vele andere zaken van sexueele moraal gewoonlijk aan de noodzakelijkheid ontsnappen eenige bepaalde en verantwoordelijke uitleggingen te geven over de moreele positie van de prostitutie. Zoo het al eenige meening te kennen gaf, of eenige praktische voorschriften trachtte in te leiden, dan grondde het zich natuurlijk op de bijbelsche bevelen tegen de ontucht, zooals ze uitgedrukt zijn door den heiligen Paulus, en het toonde geen genade voor de prostitutie, noch verdraagzaamheid. Deze houding, de houding der Puriteinen, was des te gemakkelijker in Protestantsche landen, met uitzondering van speciale districten op bepaalde tijden—zooals Genève en Nieuw-Engeland in de zeventiende en de achttiende eeuw—omdat theologen in deze landen eerder geroepen zijn geweest godsdienstige vermaningen te geven dan praktische politiek toe te passen. Deze laatste taak hebben ze aan anderen overgelaten, en zoo is er dikwijls een zekere verwarring en onzekerheid ontstaan in den geest van den protestantschen leek. Deze weifelende houding der theologen wordt in Engeland zeer duidelijk gemaakt door Burton, een nadenkend en ernstig auteur, die een eeuw na de hervorming schrijft. Hij verwijst met gemengden bijval naar “onze Pseudo-Katholieken”, die streng zijn jegens echtbreuk, maar toegevend jegens ontucht; zij zijn het misschien eens met Cato, dat de laatste aangemoedigd moet worden om erger verkeerdheden thuis te vermijden, en die meent, dat bordeelen “even noodzakelijk zijn als kerken” en dat het goed is heele huizen“vol courtisanen in de steden te houden”. “Zij houden het voor onmogelijk”, gaat hij voort, “dat niets uitvoerende jonge menschen als ze jong, rijk en vroolijk zijn, dat zooveel knechts en monniken, fatsoenlijk zouden leven, zij noemen het een te tyrannieken last hen te dwingen kuisch te zijn, en kunnen absoluut niet toestaan, dat arme mannen, jongere broeders of soldaten trouwen zouden, evenmin als zieke menschen, ordebroeders, priesters of bedienden. Om dus zoowel den een als den ander tevreden te stellen, verdragen zij deze soort van bordeelen en schuilhoeken en doen er een oogje voor toe. Vele argumenten hebben zij om te bewijzen, dat ze wettig en noodzakelijk zijn, en dat ze geduld moeten worden, evenals de woeker; zonder kwestie is er in de politiek niets tegen in te brengen, maar veel in den godsdienst”92.Niet voor het begin van de volgende eeuw is het oude argument van Augustinus ter moreele rechtvaardiging van de prostitutie in het protestantsche Engeland moedig en beslist uiteengezet door Bernard Mandeville in zijnFable of the Bees; toen het boek voor het eerst uitkwam, scheen men het zoo stuitend te vinden, dat het verboden werd. “Als courtisanen en sletten vervolgd moestenworden met zooveel gestrengheid als sommige menschen het zouden willen”, schreef Mandeville, “wat voor sleutels en grendels zouden we dan wel moeten hebben om de eer van onze vrouwen en meisjes te bewaren?… Het is duidelijk, dat het noodig is een deel der vrouwen op te offeren om het andere deel te beschermen en vuilheid van nog erger soort te voorkomen. Daaruit meenikdat ik met recht mag besluiten, dat kuischheid gesteund kanworden door uitspatting, en dat de beste der deugden de hulp noodig heeft van de ergste der ondeugden”93. Na den tijd van Mandeville begon deze beschouwing van de prostitutie gewoon te worden in protestantsche zoowel als in andere landen, hoewel ze gewoonlijk niet zoo duidelijk uitgedrukt werd.Het kan van belang zijn een paar meer moderne voorbeelden samen te brengen van gezegden, die voor de moreele rechtvaardiging van de prostitutie spreken.Zoo legt in Frankrijk Meusnier de Querlon in zijn geschiedenis vanPsaphion, geschreven in het midden van de achttiende eeuw, vele zeer belangwekkende overdenkingen over het leven en de positie van de prostituée in den mond van een Grieksche courtisane. Zij verdedigt haar beroep met veel bekwaamheid en zegt dat, terwijl mannen zich verbeelden dat prostituées alleen maar de verachte slachtoffers zijn van hun genoegens, deze vermeende tyrannen in werkelijkheid het slachtoffer worden; dat zij de behoeften bevredigen van de vrouwen, die zij onder hun voeten vertrappen, en dat zij zelve in gelijke mate de verachting verdienen, waarmee zij haar behandelen. “Wij betalen walging met walging, zooals zij zeker wel moeten bemerken. Wij geven hun dikwijls niets dan een standbeeld, en als zij zich verhit aan ongevoelige bekoorlijkheden te goed doen, genieten wij in rustige koelheid hun zinnelijkheid. Dan hernemen wij onze rechten. Wat warm bloed heeft deze trotsche schepsels aan onze voeten gebracht en ons meesteressen gemaakt van hun lot. Aan welke zijde, vraag ik u, is het voordeel?” Maar alle mannen, voegt zij er bij, zijn niet zoo onrechtvaardig jegens de prostituée, en zij gaat voort, niet zonder lichte ironie, een lofrede te houden op het nut, het gemak en de voordeelen van het bordeel.Een groot aantal van de moderne schrijvers over de prostitutie noemen met nadruk den maatschappelijk weldadigen aard ervan. Zoo eindigt Charles Richard zijn boek over dit onderwerp met deze woorden: “Het gedrag van de maatschappij jegens de prostitutie moet uitgaan van het principe van dankbaarheid zonder valsche schaamte, voor het nut ervan en medelijden voor de arme schepsels, ten koste van wie dit nut verkregen wordt” (La Prostitution devant le Philosophe, 1882, p. 171). “Het huwelijk duurzaam maken is het moeilijk maken”, merkt een Amerikaansch medisch schrijver op; “het moeilijk maken is het uitstellen; het uitstellen is in de gemeenschap houden een toenemend aantal sexueel volkomen individuen, met normale, of in gevallen waar langdurige onderdrukking is geweest, overmatige sexueele begeerte. Het maatschappelijk kwaad is het natuurlijk gevolg van de physieke natuur van den mensch, zijn geërfde impulsen, en de kunstmatige omstandigheden, waaronder hij gedwongen is te leven” (“The Social Evil”,Medicine, Augustus en September, 1906). Woods Hutchinson beschouwt, terwijl hij met sterke afkeuring van de prostitutie spreekt en prostituées beschouwt als “de ergste exemplaren van haar sekse”, toch de prostitutie als een maatschappelijke werking van de hoogste waarde. “Uit een medisch-economisch gezichtspunt noem ik haar eenvan de groote selectieve en elimineerende factoren van de natuur en van de hoogste waarde voor de gemeenschap. We kunnen ze in het ruwe karakteriseeren als een veiligheidsklep voor de instelling van het huwelijk” (The Gospel According to Darwin, p. 193;cf.het artikel van denzelfden schrijver over “The Economics of Prostitution”, opgesomd inBoston Medical and Surgical Journal, November 21, 1895). Adolf Gerson zegt in ongeveer denzelfden geest (“Die Ursache der Prostitution”,Sexual-Probleme, September 1908), dat “prostitutie een van de middelen is die de natuur gebruikt om de teelkracht der menschen te beperken, en vooral om den tijd der sexueele rijpheid te verschuiven”. Molinari meent, dat de maatschappelijke voordeelen van de prostitutie van het begin af op verschillende wijzen tot uiting zijn gekomen; door bijvoorbeeld de meer overmatige uitingen van de sexueele impuls onvruchtbaar te maken nam de prostitutie de noodzakelijkheid weg van kindermoord op overtollige kinderen en leidde ze tot het tegengaan van die primitieve methode om de bevolking te beperken (G. de Molinari,La Viriculture, p. 45). Op geheel andere wijze dan die, vermeld door Molinari, heeft de prostitutie zelfs in zeer late tijden geleid tot het laten varen van kindermoord. In de Chineesche provincie Ping-Yang zegt Matignon, was het vele jaren geleden niet ongewoon voor arme ouders om 40 percent van hun pasgeboren meisjes te dooden, of zelfs allemaal, want zij waren te duur om ze op te voeden en ze brachten niets in, omdat mannen, die wilden trouwen, gemakkelijk een vrouw konden krijgen in de naburige provincie Wenchu, waar vrouwen zeergemakkelijkte krijgen waren. Nu maakt echter de betere verbinding met Shang-Hai per stoomboot het zeer gemakkelijk voor meisjes de bordeelen van Shang-Hai te bereiken, waar zij geld kunnen verdienen voor haar families; de gewoonte haar te dooden is daarom uitgestorven (Matignon,Archives d’Anthropologie Criminelle, 1896. p. 72). “Onder de tegenwoordige omstandigheden”, schrijft Dr. F. Erhard (“Auch ein Wort zur Ehereform”,Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang 1, Heft 9), “is prostitutie (in de ruimste beteekenis, vrije verhoudingen medegerekend) noodig, opdat jonge menschen de vrouwen eenigermate kunnen leeren kennen, want conventioneele conversatie is daarvoor niet voldoende; een juiste kennis van de vrouwelijke gedachtengang is echter noodig voor een goede keuze, daar het maar zelden mogelijk is zich te verlaten op de betrouwbaarheid van het instinct. Het is ook goed, dat mannen zich de horens afloopen vóor het huwelijk, want de polygame neiging zal ergens doorbreken. De prostitutie zal alleen die mannen bederven, aan wie niet veel te bederven is, en als zij zoo het verlangen naar het huwelijk verliezen, dan zouden hun ongeboren kinderen reden hebben dankbaar te zijn”. Neisser, Näcke en vele anderen hebben voor de prostitutie gepleit en zelfs voor bordeelen, als “noodzakelijk kwaad”.Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat velen zelfs van de sterkste voorstanders van de moreele voordeelen der prostitutie meenen, dat eenige verbetering nog wel wenschelijk is. Zoo verwacht Bérault een tijd, waarop van overheidswege bewaakte bordeelen minder veracht zullen zijn. Verschillende verbeteringen kunnen ze, meent hij, in de naaste toekomst “ontdoen van de barbaarsche eigenschappen, die ze voor de sceptische of onwetende menigte verachtelijk maken, terwijl hun tastbare voordeelen een einde zullen maken aan de minachting, die opgewekt wordt door hun cynisch aanzien” (La Maison de Tolérance, Thèse de Paris, 1904).4.De beschavingswaarde van de prostitutie.—Het moreele argument voor de prostitutie is gebaseerd op het geloof, dat ons huwelijkssysteem zoo oneindig kostbaar is, dat een instelling, die als bolwerk ervoor dient in stand gehouden moet worden, hoe leelijk of hoe verwerpelijk op zich zelf zij ook is. Er is echter een ander argument ter ondersteuning van de prostitutie, waaropternauwernood de nadruk valt dien het verdient. Ik bedoel haar invloed, voor zoover ze een element van vroolijkheid en afwisseling, dat op een of andere wijze noodzakelijk is, voegt in de geordende samenstelling van het moderne leven, een verlichting van den sleur der mechanische routine een afleiding in de saaie en fatsoenlijke eentonigheid ervan. Dit is wat anders dan de meer specifieke functie van de prostitutie als een veiligheidsklep voor overtollige sexueele energie, en dit kan zelfs van beteekenis worden voor hen, die weinig of geen omgang hebben met prostituées. Dit element kunnen we noemen de beschavingswaarde van de prostitutie.Het zijn niet alleen de algemeene eigenschappen van de beschaving, maar meer speciaal de eigenschappen van het stadsleven, die dezen factor van beteekenis maken. Het stadsleven legt door den druk van de concurrentie een zeer strenge en veel krachten eischende routine op van vervelend werk. Terzelfder tijd maakt het mannen en vrouwen meer gevoelig voor nieuwe indrukken, meer verlangend naar opwinding en verandering. Het vermeerdert de gelegenheden tot maatschappelijken omgang; het vermindert de kansen op ontdekking van onwettigen omgang, terwijl het meteen het sluiten van een huwelijk verzwaart, want doordat het de maatschappelijke ambities en de uitgaven verhoogt, verschuift het den tijd, waarop een huisgezin kan opgezet worden. Het stadsleven verschuift het huwelijk en maakt toch de middelen van vergoeding voor het huwelijk meer dringend noodzakelijk94.Er kan niet de minste twijfel aan zijn, dat dit de beweegreden is—de poging om de onvolkomen gelegenheden voor zelfontwikkeling, die onze mechanische en arbeidzame maatschappij vol beperkingen aanbiedt, aan te vullen—die een van de voornaamste oorzaken vormt, die vrouwen er toe brengt, tijdelijk of voor goed, het leven van prostituée te kiezen. Wij hebben gezien, dat de economische factor, zooals vroeger gemeend werd, geenszins de hoofdrol speelt bij deze keuze. En er is ook geen reden om te veronderstellen, dat een buitengewoon sterke sexueele impuls de leidende factor is. Maar een groot aantal jonge vrouwen keeren zich instinctief naar het leven van prostituée, omdat zij bewogen worden door een duisteren drang, die ze haast zelf niet kunnen verstaan of uitleggen, en waarvan ze zich dikwijls schamen hem te openbaren. Het is daarom verwonderlijk, dat deze beweegreden zoo’n groote plaats inneemt, zelfs in de formeele statistiekenvan de prostitutie. Merrick vond in Londen, dat 5000, of bijna een derde van de prostituées, die hij onderzocht, met liefde een tehuis of een betrekking opgaven “voor een leven van pleizier”, en hij acht dit de hoofdreden voor de prostitutie95. In Amerika vond Sanger dat “neiging” bijna bovenaan stond onder de oorzaken voor de prostitutie, terwijl Woods Hutchinson vond, dat “liefde tot vertoon, weelde en ijdelheid” op verre na de eerste plaats innamen. “Verveling en tegenzin tegen het werk” is de reden, die aangegeven wordt door een groot aantal Belgische meisjes, als zij aan de politie haar wensch te kennen geven om als prostituées ingeschreven te worden. In Italië meent men, dat een gelijke beweegreden een belangrijke rol speelt. In Rusland komt “verlangen naar vermaak” op de tweede plaats onder de oorzaken van de prostitutie. Ik geloof, dat er geen twijfel aan kan zijn, dat, zooals een oplettend waarnemer van het Londensche leven gezegd heeft, het probleem van de prostitutie “in den grond is een wild en onweerstaanbaar verlangen naar opwinding, een ernstige en opzettelijke opstand tegen de eentonigheid van alledaagsche idealen, en de geestdoodende verveling van het alledagsleven”96. Het is deze factor van de prostitutie, mogen we redelijker wijze besluiten, die voornamelijk verantwoordelijk is voor het feit, waarop F. Schiller97gewezen heeft, dat met de ontwikkeling van de beschaving de toevoer van prostituées neiging heeft grooter te worden dan de vraag.Charles Booth schijnt van dezelfde meening te zijn, en citeert (Life and Labor of the People, Third Series, deel VII, p. 364) uit een rapport van een reddingsgenootschap: “De algemeene opvatting is, dat deze vrouwen verlangend zijn een leven van zonde te verlaten. De duidelijke en eenvoudige waarheid is, dat zij, voor het meerendeel, in het geheel geen behoefte hebben om gered te worden. Zoovele van deze vrouwen beschouwen de prostitutie niet als een zonde en willen ze niet als zoodanig beschouwen. “Ik word iederen avond meegenomen om in een restaurant te eten en daarna naar een publieke vermakelijkheid te gaan; waarom zou ik dat opgeven?””Merrick, die vond, dat vijf percent van de 14.000 prostituées, die in de Millbank gevangenis kwamen, gewend waren godsdienstige gebruiken te vereenigen met het uitoefenen van haar beroep, zegt ook naar aanleiding van haar gevoelens over moraal: “Ikben er van overtuigd, dat er vele arme mannen en vrouwen zijn, die in het geheel niet begrijpen, wat het woord “immoraliteit” beteekent. Uit beleefdheid zullen ze misschien ja zeggen op wat ge zegt, maar zij begrijpen uw bedoeling niet als gij spreekt van deugd of reinheid; gij spreekt eenvoudig over hen heen” (Merrick,op.cit., p. 28). Dezelfde houding kan men overal onder prostituées vinden. In Italië vermeldt Ferriani een meisje van vijftien jaar, dat, toen ze beschuldigd werd van onbetamelijkheid met een man in een park, met veel tranen en veel verontwaardiging ontkende. Hij bracht haar eindelijk tot bekentenis, en vroeg haar toen: “Waarom heb je geprobeerd mij te doen gelooven, dat je geen kwaad gedaan hadt?” Zij aarzelde, glimlachte, en zeide: “Omdatzij zeggen, dat meisjes niet moeten doen, wat ik doe, maar dat ze moeten werken. Maar ik ben, wat ik ben, en het gaat hen niet aan”. Deze houding is dikwijls meer dan een instinctief gevoel; bij intelligente prostituées wordt het dikwijls een wel-overwogen overtuiging. “Ik kan alles dragen, als het moet”, schreef de schrijfster van hetTagebuch einer Verlorenen(p. 291), “zelfs ernstige en edele minachting, maar geen spot. Minachting—ja, als ze verdiend is. Als een arm en mooi meisje met een moe en bitter hart alleen staat in de wereld, van alles uitgesloten, omringd door verzoekingen en verleidingen, die zich aan alle kanten aanbieden, en als ze dan toch, uit innerlijke overtuiging het grauwe en eentonige pad kiest van verzaking en van de burgerlijke moraal, dan erken ik in dat meisje een persoonlijkheid, die een zeker recht heeft met minachtend medelijden neer te zien op zwakkere meisjes. Maar die ganzen, die, onder de oogen van haar hoeders en levenslange eigenaars altijd op zachte groene weiden gegraasd hebben, hebben zeker geen recht minachtend te lachen over haar, die niet zoo gelukkig geweest zijn”. En we moeten niet meenen, dat er noodzakelijk eenig sophisme behoeft te wezen in de zelf-rechtvaardiging van de prostituée. Sommige van onze beste denkers en waarnemers zijn tot een conclusie gekomen, die niet ongelijk is aan deze. “De werkelijke toestanden van de maatschappij verzetten zich tegen ieder hoog moreel gevoel in vrouwen”, merkt Marro op (La Pubertà, p. 462), “want tusschen haar, die zich verkoopen in prostitutie en haar, die zich verkoopen in het huwelijk, bestaat het eenige verschil in den prijs en den duur van het contract”.Wij hebben reeds gezien welk een groot percentage in de prostitutie geleverd wordt door haar, die den huiselijken dienst verlaten hebben om dit leven te volgen (Antep. 264). Het is niet moeilijk in dit feit een bewijs te vinden voor de soort van impuls, die er een vrouw toe drijft de loopbaan van prostituée te kiezen. “De dienstbode, in onze maatschappij van gelijkheid”, schreef Goncourt, nadat hij vroegere tijden in de herinnering gebracht heeft, toen haar dikwijls een plaats ingeruimd werd in het familieleven, “is niets anders geworden dan een betaalde paria, een machine voor het doen van huishoudelijk werk, en het wordt haar niet langer toegestaan het menschelijk leven van haar werkgever te deelen”98. En in Engeland, vinden we, zelfs al een halve eeuw geleden, de zelfde gezegden over de positie van de dienstbode: “huiselijke dienst is een volkomen slavernij”, met vroege uren en late uren en voortdurend trappen op en neer loopen, tot de benen gezwollen zijn; “er schijnt dikwijls een mate van vernuft gebruikt te worden, een betere zaak waardig, om de grootstmogelijke hoeveelheid werk uit de huiselijke machine te halen”; bovendien is zij “een soort bliksemafleider” voor het slechte humeur en de ziekelijke gevoelens van haar meesteres en van de jonge dames; zoodat, als sommigen gezegd hebben, “ik mij zoo ellendig voelde, dat het me niet kon schelen wat er van me terecht kwam, ik wilde maar, dat ik dood was”99. De dienstbode staat buiten alle menschelijke verhoudingen; zij mag niet het bestaan verraden van een eenvoudige impuls of natuurlijke behoefte. Tevens leeft zij op den rand der weelde; zij is omringd door de tantaliseerende visioenen van genoegen en amusement, waarnaar haar frissche jonge natuur verlangt100. Het kan geen verwondering wekken dat zij, overwerkt en aangetrokken door lediggang vol genot den eenigen sprong doet, die haar in staat zal stellen te genieten van de schitterende zijden der beschaafde maatschappij, die haar zoo begeerlijk toeschijnen101.Er wordt soms gezegd, dat het overheerschend veel voorkomen van de prostitutie onder meisjes, die vroeger dienstboden waren, komt, doordat zoo ontzettend veel dienstmeisjes verleid worden door den heer des huizes of door de jonge heeren van de familie, waar zij dienen, en zoo de straat op gedreven worden. Dit is ongetwijfeld in een zeker aantal gevallen, misschien soms in een vrij aanzienlijk aantal, een beslissende factor, maar het schijnt wel nauwelijks de hoofd-factor te zijn. Het bestaan van betrekkingen tusschen dienstboden en heeren des huizes, moeten we bedenken, sluit geenszins noodzakelijk verleiding in. In een groot aantal gevallen is de dienstbode in een huishouden, in sexueele zaken, eer de leermeesteres dan de leerling. (In “The Sexual Impulse in Women”, in een ander werk van mijn hand, heb ik de rol besproken, die dienstmeisjes spelen als inwijdsters in sexueele zaken van de jonge jongens, in de huishoudens waarin ze geplaatst zijn). De meer preciese statistieken der oorzaken van de prostitutie geven zelden verleiding aan als de voornaamste oorzaak in meer dan ongeveer 20 percent van de gevallen, hoewel dit klaarblijkelijk een van de beweegredenen is, die het gemakkelijkst te bekennen is (zieantep. 256). Verleiding door een of anderen werkgever vormt maar een deel (gewoonlijk minder dan de helft) zelfs van deze gevallen. Het speciale geval van verleiding van dienstboden door den heer des huizes kan dus geen zeer groote rol spelen als factor bij de prostitutie.De statistieken over de afkomst van onwettige kinderen hebben ook eenige betrekking op deze zaak. In een serie van 180 ongehuwde moeders, die geholpen zijn door den Berlijnschen bond voor moederbescherming, wordenbijzonderheden gegeven over de bezigheden der moeders, en voor zoover mogelijk, ook van de vaders. De moeders waren voor een derde dienstmeisjes, en de groote meerderheid van de rest waren winkeljuffrouwen, of meisjes, die thuis werkten. Bij de vaders (van de 120 gevallen) kwamen bovenaan werklui (33), dan kooplui (22); maar een klein aantal (20 tot 25) kon beschreven worden als “heeren”, en zelfs dit aantal verliest iets van zijn beteekenis als er op gewezen wordt, dat sommige van de meisjes ook van de middelklasse waren; in negentien gevallen waren de vaders getrouwde mannen (Mutterschutz, Januari, 1907, p. 45).De meeste autoriteiten in de verschillende landen zijn van meening, dat meisjes, die prostituée worden (gewoonlijk tusschen de vijftien en de twintig jaar) haar maagdelijkheid op jeugdigen leeftijd verloren hebben, en in de groote meerderheid der gevallen door mannen van haar eigen klasse. “Het meisje uit het volk valt door het volk”, zeide Reuss in Frankrijk (La Prostitution, p. 41). “Het zijn haars gelijken, werklieden evenals zij, die de eerste vruchten plukken van haar schoonheid en haar maagdelijkheid. De man van de wereld, die haar met goud en juweelen belaadt, krijgt alleen wat zij overlaten”. Ook Martineau (De la Prostitution Clandestine, 1885) toonde aan, dat prostituées gewoonlijk onteerd worden door mannen van haar eigen klasse. En Jeannel, in Bordeaux vond reden om te gelooven, dat het niet voornamelijk haar meesters zijn, die dienstmeisjes verleiden; zij gaan dikwijls in dienst, omdat ze op het land verleid zijn, terwijl luie, begeerige en domme meisjes van het land naar de stad gestuurd worden om te dienen. In Edinburg vond W. Tait (Magdalenism, 1842), dat soldaten meer dan eenige andere klasse in de gemeenschap de verleiders zijn van vrouwen, en dat vooral de Hooglanders in dit opzicht bekend zijn. Soldaten hebben deze reputatie overal, en vooral in Duitschland vindt men steeds, dat de tegenwoordigheid van soldaten in een plaats op het platteland, zooals bij de jaarlijkschemanoeuvres, de oorzaak is van onkuischheid en onwettige geboorten; zoo is het ook in Oostenrijk, waar lang geleden Gross-Hoffinger heeft geconstateerd, dat soldaten verantwoordelijk waren voor ten minste een derde van alle onwettige geboorten, een aandeel, dat geheel buiten verhouding is tot hun aantal. In Italië vond Morro, bij zijn onderzoekingen naar de oorzaak van het verlies der maagdelijkheid bij twee en twintig prostituées, dat tien zich min of meer spontaan gaven aan minnaars of meesters, dat tien zwichtten in de verwachting van een huwelijk, en dat twee verkracht waren (La Pubertà, p. 461). Het verlies van de maagdelijkheid, hoewel het misschien niet de eerste oorzaak van de prostitutie is, leidt er toch dikwijls toe. “Als een deur eenmaal opengebroken is”, zeide een prostituée tot hem, “dan is het moeilijk ze gesloten te houden”. In Sardinië zijn, zooals A. Mantegazza en Ciuffo vonden, prostituées zeer dikwijls dienstmeisjes van het land, die reeds onteerd zijn door mannen van haar eigen klasse.Deze beschavingsfactor van de prostitutie, de invloed van weelde en opwinding en verfijning, die het meisje uit het volk aantrekken, zooals de vlam de mot aantrekt, blijkt uit het feit, dat het de bewoonsters van het land zijn, die voornamelijk voor de bekoring bezwijken. De meisjes, wier jonge ontvlambare en orgiastische impulsen, soms aangewakkerd door een klein aangeboren gebrek aan zenuw-evenwicht, latent gebleven zijn in de saaie eentonigheid van het leven op het land, vinden eindelijk haar volkomen bevrediging in de loopbaan van prostituée. Voor het stadsmeisje, dat in de stad is geboren en opgevoed, heeft deze loopbaan gewoonlijk niet veel aantrekkingskracht, tenzij zij van het begin af aan opgevoed is in een omgeving, die haar predisponeert om zete kiezen. Zij is van haar jeugd af gewoon aan de prikkels van de steedsche beschaving en zij bedwelmen haar niet; zij is, bovendien beter in staat op zich zelf te passen dan het meisje van het land, en ze weet te veel van de werkelijke feiten van het leven der prostituée, om zeer verlangend te zijn haar loopbaan te kiezen. Bovendien bezit de familie waartoe zij behoort, waarschijnlijk ook een aangeboren of verkregen weerstandsvermogen tegen de evenwicht-verstorende invloeden, dat het hun mogelijk gemaakt heeft zich in het stadsleven staande te houden. Zij is immuun geworden tegen de vergiften van dat leven102.In alle groote steden is een groot deel, zoo niet de meerderheid van de inwoners, gewoonlijk buiten de stad geboren (in Londen zijn maar vijftig percent van de hoofden van gezinnen bepaald vermeld als in Londen geboren); en het is dus niet te verwonderen, dat ook prostituées dikwijls van buiten de stad komen. Toch blijft het een feit van beteekenis, dat een zoo typisch steedsch verschijnsel als de prostitutie, in zoo ruime mate van nieuwe leden voorzien wordt van het land. Dit is overal het geval. Merrick noemt de streken op, waar 14.000 prostituées vandaan kwamen, die in de Millbank gevangenis terecht kwamen. Middlesex, Kent, Surrey, Essex en Devon zijn de graafschappen, die bovenaan staan, en Merrick taxeert het aantal voor Londen uit de vier graafschappen, die Londen vormen, op 7000, of de helft van het geheel; militaire steden, zooals Colchester en marine-havens, zooals Plymouth, voorzien Londen van veel prostituées; Ierland levert er veel meer dan Schotland, en Duitschland veel meer dan eenig ander Europeesch land, terwijl Frankrijk bijna in het geheel niet vertegenwoordigd is (Merrick,Work Among the Fallen, 1890, pp. 14–16). Het is natuurlijk mogelijk, dat de verhoudingen onder haar, die in een gevangenis komen, niet nauwkeurig de verhoudingen weergeven der prostituées in het algemeen. De lijsten van het Londensche reddingshuis van het Leger des Heils wijzen er op, dat zestig percent van de meisjes en de vrouwen van buiten komen (A. Sherwell,Life in West London, hoofdst. V). Dit is precies dezelfde verhouding die Tait een halve eeuw vroeger, onder prostituées in het algemeen, in Edinburg vond. Sanger zegt, dat van de 2000 prostituées in New-York er wel 1238 in het buitenland geboren waren (706 in Ierland), terwijl van de overige 762 de eene helft geboren was in den staat New-York, en een beslist (hoewel de juiste getallen niet aangegeven zijn) nog kleinere verhouding in de stad New-York. Prostituées komen uit het Noorden—waar het klimaat onpleizierig is, en waar fabrieksarbeid en zittende bezigheden het meest voorkomen—veel meer dan uit het Zuiden; zoo zond Maine, een koude, gure zeestaat, vier en twintig van deze prostituées naar New-York, terwijl Virginië, op denzelfden afstand liggende, dat er naar denzelfden maatstaf gerekend twee en zeventig moest gestuurd hebben, er maar negen zond; er was een zelfde verschil tusschen Rhode Island en Maryland (Sanger,History of Prostitution, p. 452). Het is leerrijk hier den invloed op te merken van een somber klimaat en eentonigen arbeid op het aanwakkeren van de begeerte naar een “leven van pleizier”. In Frankrijk is er, zooals op een kaart in het werk van Parent-Duchâtelet aangetoond wordt (deel I, pp. 37–64, 1857) als het land verdeeld wordt in vijf gordels, die van Oost naar West loopen, een voortdurende vermindering in het aantal prostituéesdat iedere gordel naar Parijs zendt, naarmate we verder Zuidwaarts komen. Weinig meer dan een derde schijnt tot Parijs te behooren, en, evenals in Amerika, is het het ernstige en hard werkende Noorden met zijn betrekkelijk koud klimaat, dat het grootste contingent levert; zelfs in het oude Frankrijk merkt Dufour op (op. cit., deel IV, hoofdst. XV), was prostitutie, zooals blijkt uit defabliauxenromans, minder schandelijk in delangue d’oildan in delangue d’oc, zoodat zij ongetwijfeld zeldzaam was in het Zuiden. Op een later tijd zegt Reuss (La Prostitution, p. 12) dat “bijna al de prostituées uit Parijs van buiten komen”. Jeannel merkte op, dat van de duizend prostituées uit Bordeaux er maar zes en veertig in de stad thuis behoorden, en Potton (Appendix bij Parent-Duchâtelet, deel II, p. 446) zegt, dat van bijna vier duizend prostituées uit Lyon er maar 376 uit Lyon zelf waren. In Weenen merkt Schrank, in 1873, op, dat van meer dan 1500 prostituées er maar 615 in Weenen geboren waren. De algemeene regel is, zooals we zullen gezien hebben, hoewel de variaties vele zijn, dat weinig meer dan een derde van de prostituées van een stad stadskinderen zijn.Het is opmerkelijk dat deze neiging van de prostituée om van ver naar steden toe te komen, deze zwervende neiging—die zij tegenwoordig gemeen heeft met de kellners—niet een modern verschijnsel is. “Er zijn weinig steden in Lombardije, of Frankrijk, of Gallië”, schreef de heilige Bonifacius, “waar niet een echtbreekster is of een prostituée van de Engelsche natie”, en de heilige schrijft dit toe aan de gewoonte der pelgrimstochten naar buitenlandsche heilige plaatsen. In den tegenwoordigen tijd is er geen duidelijk merkbaar Engelsch element onder de prostituées van het vasteland. Zoo zijn in Parijs volgens Reuss (La Prostitution, p. 12) de buitenlandsche prostituées in afnemende orde Belgisch, Duitsch (Elzas-Lotharingen), Zwitsersch (vooral uit Genève), Italiaansch, Spaansch, en eerst dan Engelsch. Kenners in deze zaak zeggen dat de Engelsche prostituée, in vergelijking met haar zuster van het vasteland (en vooral uit Frankrijk), niet voordeelig uitkomt, omdat ze gewoonlijk hebberig is in geldzaken en niet zeer bekoorlijk.Het is de beschaving, hoewel niet het fijnste en het beste in de beschaving, die meer dan iets anders vrouwen roept tot de prostitutie. Het is noodig er op te wijzen dat ook de man door diezelfde beschaving tot de prostitutie gedreven wordt. De gewone en op onwetendheid berustende veronderstelling, dat de prostitutie bestaat om de grove zinnelijkheid van den jongen ongehuwden man te bevredigen, en dat, als hij geleerd heeft grove sexueele impulsen te bedwingen of er toe gebracht is vroeg te trouwen de prostituée geen bezoek zal ontvangen, is volkomen onjuist. Als alle mannen heel jong trouwden, dan zou niet alleen het geneesmiddel erger zijn dan de kwaal—het is hier de plaats niet dat punt verder te bespreken—maar het middel zou de kwaal niet genezen. De prostituée is iets meer dan een kanaal om overtollige sexueele energie af te voeren, en haar aantrekkingskracht houdt in het geheel niet op te bestaan als mannen getrouwd zijn, want een groot aantal van de mannen die prostituées bezoeken, zoo niet de meesten, zijn getrouwd. En toch, of zij getrouwd zijn of ongetrouwd, de beweegreden die hen naar de prostituée voert, is niet uitsluitend wellust.In Engeland, merkt een schrijver, die goed op de hoogte is, op, dat “de waarde van het huwelijk als moreele factor blijkt uit het feit, dat al de betereprostituées in Londen bijna geheel onderhouden worden door getrouwde mannen”, terwijl ook in Duitschland, zooals in een belangwekkende serie van herinneringen van een vroegere prostituée,Beichte einer Gefallenendoor Hedwig Hard (p. 208), gezegd wordt, de meeste mannen, die prostituées bezoeken, getrouwd zijn. Deze bewering is waarschijnlijk overdreven. Neisser zegt dat maar vijf en twintig percent van gevallen van gonorrhoe voorkomen bij getrouwde mannen. Deze opgave is waarschijnlijk onjuist in omgekeerden zin, omdat getrouwde mannen zich in het verkeer met prostituées meestal zeer in acht nemen, meer dan de jonge en ongetrouwde mannen. Wat de beweegreden aangaat, die getrouwde mannen tot de prostitutie brengt, vertelt Hedwig Hard uit haar eigen ervaringen een voorval, dat leerzaam en ongetwijfeld typisch is. In de stad, waar zij rustig als prostituée woonde, werd een man van den hoogsten maatschappelijken stand door een vriend bij haar geïntroduceerd, en bezocht haar regelmatig. Zij had dikwijls zijn vrouw gezien en bewonderd, die een van de gevierde schoonheden van de plaats was en twee lieve kinderen had; man en vrouw schenen elkander zeer genegen, en ieder benijdde hen hun geluk. Hij was een man van verstand en beschaving, die Hedwig’s liefde tot boeken aanmoedigde; zij geraakte zeer aan hem gehecht en eens waagde zij hem te vragen hoe hij zijn lieve, mooie vrouw kon verlaten om naar iemand toe te gaan, die niet waard was haar schoenriemen los te binden. “Ja, kind”, antwoordde hij, “maar al haar schoonheid en ontwikkeling geeft mij niets voor mijn hart. Zij is koud, koud als ijs, fatsoenlijk en bovenal phlegmatiek. Vertroeteld en verwend als zij is, leeft zij alleen voor zich zelf; wij zijn twee goede kameraden en niets meer. Als ik bijvoorbeeld ’s avonds uit de societeit kom en naar haar bed ga, misschien wel een beetje opgewonden, dan wordt ze zenuwachtig en vindt het ongepast, dat ik haar wakker maak. Als ik haar kus, dan verdedigt zij zich en vertelt mij, dat ik verschrikkelijk naar sigaren en wijn ruik. En als ik misschien meer probeer, dan springt ze uit bed, wordt boos alsof ik haar aanviel, en dreigt uit het raam te springen als ik haar aanraak. Dus laat ik haar om den wille der vrede met rust en kom hier”. Er kan geen twijfel aan zijn, dat dit de ondervinding is van veel getrouwde mannen, die graag geliefde zoowel als vriendin in hun vrouwen zouden vinden. Maar de vrouwen hebben, met een verscheidenheid van oorzaken, bewezen, dat ze niet in staat zijn de sexueele makkers te worden van haar echtgenooten. En de echtgenooten, zonder dat ze gedreven worden door eenigen sterken hartstocht of door begeerte naar ontrouw, zoeken buitenshuis wat ze thuis niet vinden kunnen.Dit is niet de eenige reden, waarom mannen prostituées bezoeken. Zelfs mannen, die gelukkig getrouwd zijn met vrouwen, die in de voornaamste opzichten bij hen passen, ondervinden dikwijls na eenige jaren huwelijksleven, een geheimzinnig verlangen naar afwisseling. Zij zijn hun vrouwen niet moe, zij hebben niet de minste wensch of bedoeling om haar te verlaten, zij willen haar, als zij het helpen kunnen, niet de minste pijn veroorzaken. Maar nu en dan worden ze door een onweerstaanbaren, en onwillekeurigen drang er toe gebracht een tijdelijke intimiteit te zoeken met vrouwen, met wie ze voor niets ter wereld zich voor goed zouden willen binden. Pepys, wiensDiary, afgezien van de andere verdienstelijke eigenschappen ervan, een psychologisch document van waarde is, levert een zeer karakteristiek voorbeeld van deze soort van impuls. Hij heeft een jonge, lieve vrouw getrouwd, aan wie hij zeer gehecht is, en hij leeft gelukkig met haar, op een paar nu en dan voorkomende twisten na, die spoedig door kussen uit den weg geruimd zijn; zijn liefde gaat samen met jaloezie, een jaloezie, die, zooals hij toegeeft, volkomen onredelijk is, want zij is een trouwe, liefhebbende vrouw. Toch kan Pepys, eenige jaren na zijn huwelijk, en midden in een leven van ingespannen beroepsbezigheid, de verleiding niet weerstaan de tijdelijke gunsten te zoeken van andere vrouwen, zelden prostituées, maar bijna altijd vrouwen van lagen maatschappelijken stand—winkeljuffrouwen, vrouwen van werklieden, fatsoenlijke dienstmeisjes.Dikwijls is hij er mee tevreden haar naar een rustig bierhuis mee te nemen, en zich een paar gewone vrijheden te veroorloven. Soms weigeren zij absoluut meer dan dit toe te staan; als dat gebeurt dankt hij herhaaldelijk den almachtigen God (zooals hij ’s avonds in zijnDiaryschrijft), dat hij bewaard is gebleven voor verleiding en voor tijd- en geldverlies; telkens weer is hij geneigd de gelofte te doen, dat het niet weer zal gebeuren. Toch gebeurt het altijd weer. Pepys is volkomen waar tegenover zich zelf; hij doet geen poging zich te rechtvaardigen of te excuseeren; hij weet, dat hij voor de verleiding bezweken is; het is een impuls, die nu en dan over hem komt, een impuls, dien hij niet in staat schijnt te zijn lang te weerstaan. Ondanks dit alles blijft hij een achtenswaardig en ijverig ambtenaar, en in de meeste opzichten een tamelijk deugdzaam man, met een echten afkeer van lichtzinnige menschen en onbeteekenende praatjes. De houding van Pepys wordt met onvergelijkelijken eenvoud en openhartigheid uiteengezet, omdat hij deze dingen voor zijn eigen oogen alleen neerschrijft, maar zijn geval is in werkelijkheid dat van een groot aantal andere mannen, misschien wel van den typischenhomme moyen sensuel(zie Pepys,Diary, ed.Wheatley;e.g., deel IV,passim).Er is een derde klasse van getrouwde mannen, minder groot in aantal, maar niet onbelangrijk, die gedwongen zijn prostituées te bezoeken: de klasse van sexueel geperverteerde mannen. Er zijn vele redenen, waarom zulke mannen kunnen wenschen te trouwen, en in sommige gevallen trouwen ze vrouwen, met wie zij den eigenaardigen vorm van sexueele bevrediging, waarnaar ze verlangen, kunnen verkrijgen. Maar in een groot aantal gevallen is dit niet mogelijk. De conventioneel opgevoede vrouw kan zichzelf er niet toe brengen zelfs maar aan een volkomen onschuldige fetischachtige gril van haar echtgenoot toe te geven, want die is te vreemd aan haar gevoelens en te onbegrijpelijk voor haar ideeën, zelfs als ze oprecht verliefd op hem is; in vele gevallen zou de echtgenoot niet durven vragen en ternauwernood zelfs wenschen, dat zijn vrouw er zich toe zou leenen de fantastische of misschien vernederende rol te spelen, die zijn wenschen eischen. In zulk een geval wendt hij zich natuurlijk tot de prostituée, de eenige vrouw, wier beroep het is in zijn bijzondere behoeften te voorzien. Het huwelijk heeft dezen mannen geen verlichting gebracht, en zij vormen een groot aantal cliënten van elke prostituée in iedere groote stad. De meest gewone prostituée van eenige ervaring kan gevallen meedeelen van haar eigen bezoekers, geschikt om een verhandeling over psychopatische sexualiteit te illustreeren. Het is hier voldoende een aanhaling weer te geven uit de bekentenissen van een jonge Londensche prostituée (Strand), zooals ze van haar lippen zijn neergeschreven door een vriend, aan wien ik het document dank; ik heb alleen een paar alledaagsche woorden in meer technische termen veranderd. Nadat ze beschreven had hoe, toen zij nog een dorpskind van dertien jaar was, een rijke, oude heer dikwijls kwam en zich aan haar en andere meisjes vertoonde, en hoe hij eindelijk gearresteerd werd en gevangen genomen, sprak zij over de perversiteiten, die ze ontmoet had, sedert zij prostituée was geworden. Zij kende een jongen man van ongeveer vijf en twintig jaar, gewoonlijk in een sportpakje gekleed, die altijd met een paar levende duiven kwam, die hij in een mand meebracht. Zij en het meisje, waar ze mee samenwoonde moesten zich ontkleeden, de duiven nemen en ze den nek omdraaien; hij stond dan voor haar, en als de nekken omgedraaid werden, trad bij hem geprikkeldheid op. Eens ontmoette zij een man op straat en hij vroeg haar of hij met haar mee mocht gaan en haar schoenen mocht likken. Zij stemde toe en hij nam haar mee naar een hotel, betaalde een halve guinje voor een kamer, en, toen ze ging zitten, kroop hij onder de tafel en likte haar schoenen, die vol modder waren; meer deed hij niet. Dan waren er dingen, zeide zij, die te vuil waren om te vertellen; bv. een man kwam met haar en haar vriendin naar huis, en liet haar in zijn mond urineeren. Zij had ook verhalen van geeseling, meestal van mannen, die de meisjes met de zweep sloegen, zeldzamer van mannen, die graag door haar geslagen werden. Een man, dieiedere keer een nieuw riet meebracht, sloeg haar vriendin tot bloedens toe. Zij kende een anderen man, die niets deed dan haar hard op de billen slaan. Nu wortelen al deze dingen, die tot het gewone dagwerk van de prostituée behooren, in diepe en onweerstaanbare impulsen. Zij moeten een of anderen uitweg vinden. Maar alleen op de prostituée kan men rekenen, omdat haar belang en haar opvoeding het meebrengen, om den natuurlijken tegenzin tegen zulke handelingen te boven te komen en wenschen te bevredigen, die, als ze niet bevredigd werden, misschien andere en gevaarlijker vormen zouden aannemen.Hoewel Woods Hutchinson met instemming de verklaring van een vriend aanhaalt: “Van de duizende prostituées heb ik er nooit een gezien met goede manieren aan tafel”, gaat van de prostituée toch werkelijk, hoewel dan niet in voldoende mate, de bekoring van de beschaving uit. “Er was geen huis, waarin ik van tijd tot tijd het gezicht van een dame zien en de stem van een dame hooren kon”, schreef de romanschrijver Anthony Trollope in zijnAutobiographieover zijn leven, toen hij pas in Londen was. “Geen opwekking tot fatsoenlijke vertrouwelijkheid kwam op mijn weg. Het schijnt mij toe, dat in zulke omstandigheden de verleidingen van een losbandig leven bijna zeker de overhand zullen krijgen over een jongen man. De verleiding kreeg in ieder geval de overhand over mij”. In iedere groote stad, heeft men gezegd, zijn er duizende mannen, die niet het recht hebben eenige andere vrouw dan een kellnerin bij haar voornaam te noemen103. Al de schoone glans der beschaving schittert om hen heen in de straten, maar zij moeten op een afstand blijven. Het is de prostituée, die deze bekoring van de stad belichaamt, veel beter dan de maagdelijke vrouw, zelfs als intimiteit met haar binnen hun bereik was. De prostituée vertegenwoordigt ze, omdat zij ze zelf voelt, omdat zij zelfs haar vrouweneer opgeofferd heeft in de poging zich er mee te vereenzelvigen. Zij heeft ongebreidelde vrouwelijke instincten, zij is een meesteres in de vrouwelijke kunst zich op te sieren, zij kan tot hem spreken over de geheimen van de vrouwelijkheid en de weelden van haar geslacht met een zaakkennis en een vrijheid, waartoe het onschuldige meisje, dat aan haar huis gekluisterd is, niet in staat zou zijn. Zij is voor hem niet alleen daardoor aantrekkelijk, omdat zij de lagere sexueele begeerten bevredigen kan, maar ook omdat zij op hare wijze een kunstenares is, een deskundigein de kunst van vrouwelijke uitbuiting, een leidster op het gebied der mode. Want dit is zij, en er zijn, zooals Simmel in zijnPhilosophie der Modegezegd heeft, goede psychologische redenen, waarom zij dit altijd moet zijn. Haar onzekere maatschappelijke positie maakt alles, wat conventioneel en wettig is, hatelijk in haar oogen, terwijl haar temperament voortdurende nieuwigheden verrukkelijk voor haar maakt. In nieuwe modes vindt zij “een æsthetischen vorm van dat instinct van vernieling, dat eigen schijnt te zijn aan het leven van alle paria’s, in zooverre zij geestelijk niet volkomen slaven zijn geworden”.“Hoe verwonderlijk het ook aan sommigen moge toeschijnen”, merkt een modern schrijver op, “prostituées moeten op hetzelfde niveau gesteld worden als kunstenaars. Beide gebruiken hun gaven en talenten tot vreugde en genoegen van anderen, en, als regel, tegen betaling. Wat is het essentieele verschil tusschen een zangeres, die hoorders genoegen geeft met haar keel en een prostituée, die haar bezoekers genoegen geeft met een ander deel van haar lichaam? Alle kunst werkt op de zinnen”. Hij verwijst naar het belangrijke feit, dat acteurs en voornamelijk actrices vroeger veelal even weinig geacht werden als prostituées nu (R. Hellmann,Ueber Geschlechtsfreiheit, pp. 245–252).Bernaldo de Quiros en Llanas Aguilaniedo (La Mala Vida en Madrid, p. 242) gaan denzelfden invloed na nog lager op den maatschappelijken ladder. Zij beschrijven de vuilere soort vancafé’s chantant, waar, in Spanje en elders, de slechtste en meest gedegenereerde vrouwelijke schepsels kellnerinnen worden (en soms zangeressen en danseressen), die dan de rol spelen van liefelijke en gedistingeerdehetarenvoor een publiek van voerlieden en winkelbedienden, die deze plaatsen bezoeken. “Gekleed met wat den jongen man toeschijnt onberispelijke smaak te zijn, met zorgvuldig gefriseerde haren, en een schoon gezicht, dat versierd is met bloemen of sieraden, minzaam en soms hooghartig, in bekoring en in tooi verheven boven de andere vrouwen, die hij kent, worden de kellnerinnen het mooiste voorbeeld van defemme galante, die hij kan zien en toespreken, de courtisane van zijn sfeer”.Maar terwijl de prostituée voor den eenvoudigen, onwetenden en hongerigen jongen man aantrekkelijk is als belichaming van veel van de verfijning en perversiteiten van de beschaving, oefent zij op vele meer gecompliceerde en beschaafde mannen een aantrekkingskracht uit van een bijna tegenovergestelde soort. Zij trekt aan door haar frissche en natuurlijke ruwheid, haar vrije bekendheid met de ruwste feiten van het leven; en heft hen zoo voor een oogenblik op uit de verdorrende atmosfeer van kunstmatig denken en onwerkelijk gevoel, waarin zoo vele beschaafde personen gedwongen zijn het grootste deel van hun leven door te hengen. Zij voelen met de woorden, die de koninklijke vriend van een vrouw van dit temperament moet gebruikt hebben, toen hij een verklaring gaf van haar onbegrijpelijken invloed op hem: “Zij is zoo schitterend vulgair!”Ter illlustratie van deze zijde van de aantrekkingskracht der prostitutie, wil ik hier een passage aanhalen, waarin de romanschrijver Hermant, in zijnConfessions d’un Enfantd’Hier(Lettre VII), de redenen uiteengezet heeft, die er het overbeschaafde kind van een beschaafde eeuw, dat toch geenszinsradicaal of volkomen slecht is, toe kunnen brengen voldoening te vinden in den omgang met prostituées: “Zoolang mijn hart niet getroffen was, was het voorwerp van mijn satisfactie mij volkomen onverschillig. Ik hield bovendien veel van absolute vrijheid en die is alleen mogelijk in den kring van deze anonieme schepsels en in haar afgezonderde woonplaats. Daar kan men zich alles veroorloven. Tegenover andere vrouwen, hoe laag we haar ook zoeken, moeten zekere égards in acht genomen worden, een soort van protocol. Tegen de prostituée kan men alles zeggen: men is beschermd door zijn incognito en men weet zeker, dat niemand ooit te weten komt, wat men met haar beleeft. Ik maakte gebruik van deze vrijheid, zoo aantrekkelijk voor iemand van mijn leeftijd, maar met een perverse fantasie, die niet bij mijn jaren paste. Ik weet nauwelijks waar ik de woorden vandaan haalde, die ik tot haar zeide, want ze kwamen niet overeen met mijn smaak, die eenvoudig was en, als ik het zeggen mag, klassiek. Het is waar, dat onbeperkt naturalisme in liefdezaken altijd neigt tot het perverse, een feit dat alleen op het eerste gezicht paradox kan schijnen. Natuurvolken hebben veel trekken gemeen met gedegenereerden. Ik was echter alleen in woorden losbandig; en dit waren de eenige gelegenheden, waarbij ik mij herinneren kan, dat ik ernstig onwaarheid gesproken heb. Maar die behoefte, die ik toen ondervond, om een lage soort van onwaardige instincten uit te drijven, schijnt mij karakteristiek toe en vernederend. Ik mag er bij voegen, dat ik zelfs te midden van deze uitspattingen een zekere terughouding behield. De aanrakingen, waaraan ik mij overgaf, bezoedelden mij niet; er bleef niets van over, als ik naar huis terugkeerde. Ik heb altijd, uit dien geforceerden en onverschilligen omgang de gewoonte behouden om geen gewicht te hechten aan de handelingen van het vleesch. De liefdefunctie, die godsdienst en moraal omgeven hebben met geheimzinnigheid en gekruid met zonde, schijnt mij een functie toe als iedere andere, een beetje laag bij den grond, maar aangenaam, en een, waarvoor het gebruikelijk epiloog te lang is.… Deze soort kameraadschap duurde maar korten tijd”. Bovenstaande ontleding van de houding van een beslist gewoon type van den beschaafden modernen man schijnt juist te zijn, maar het zal misschien bij sommige lezers opkomen, dat men van een omgang, die er toe geleid heeft de “handeling van het vleesch” te beschouwen als te zijn van geen waarde, bezwaarlijk zeggen kan, dat ze geen smet nagelaten heeft.Op ongeveer gelijke wijze stelt Henri de Régnier in zijn romanLes Rencontres de Monsieur Bréot(p. 50) Bercaillé voor als iemand die bepaald bij voorkeur zijn genoegen zoekt bij dienstmeisjes, liever dan bij dames, want genoegen geven was, in zijn idee, een soort van dienst, die vrijwel overeenkwam met de diensten, die zij gewend waren te bewijzen; en daarbij zijn zij stevig en gezellig; zij hebben de naïviteit, die altijd bekoort en zij worden niet licht teruggestooten door die kleine voorvallen, die misschien het kieskeurige gevoel van fijn opgevoede dames zouden hinderen.Bloch, die speciaal den nadruk gelegd heeft op deze zijde van de aantrekkingskracht der prostitutie (Das Sexualleben unserer Zeit, pp. 359–362), verwijst naar den teeren en gevoeligen jongen Deenschen schrijver, J. P. Jakobsen, die scherp het contrast schijnt gevoeld te hebben tusschen de hoogere en meer gewone impulsen en de nu en dan voorkomende uitbarsting van wat hij voelde als de lagere instincten; in zijnNiels Lyhnebeschrijft hij het soort van dubbel leven, waarbij een man veertien dagen trouw is aan den God, dien hij vereert, en dan overwonnen wordt door andere machten, die hem dolzinnig meevoeren naar wat hij voelt als vernederend, pervers en vuil. “Op zulke oogenblikken”, merkt Bloch op, “is de man een ander wezen. De “twee zielen” in zijn borst worden werkelijkheid. Is dat de beroemde geleerde, de verheven idealist, de fijn besnaarde aestheticus, de kunstenaar, die ons zooveel mooie werken gegeven heeft in poëzie en schilderkunst? Wij herkennen hem niet meer, want op zulke oogenblikken is een ander wezen aan de oppervlakte gekomen, een andere natuur is in hem in beweging en drijft hem met hetgeweld van een natuurkracht naar dingen, waarvan zijn “hooger bewustzijn” de beschaafde man in hem, zou rillen”. Bloch meent, dat we hier te doen hebben met een soort normaal mannelijk masochisme en dat de prostitutie dient om dat te bevredigen.

Voor zoover het bewijsmateriaal gaat, dient het om aan tetoonen, dat prostituées over het algemeen het type naderen dat we zooals in het voorafgaande deel aangetoond is, met reden kunnen beschouwen als speciaal te wijzen op ontwikkelde sexualiteit. Het is echter onnoodig deze kwestie te bespreken voordat onze anthropometrische kennis van prostituées meer omvattend en meer precies is.3.De moreele rechtvaardiging van de prostitutie.—Er zijn moralisten—zij zijn er altijd geweest en vele van hen zijn menschen wier opinie de ernstigste achting verdient—die meenen, dat mits de hygiënische voorwaarden verbeterd worden, het bestaan van de prostitutie geen ernstig probleem ter oplossing biedt. Ze is, zeggen zij, op zijn slechtst, een noodzakelijk kwaad, en, op zijn best, een weldadige instelling, het bolwerk van het tehuis, de onvermijdelijke keerzijde van het huwelijk. “De immoreele bewaakster van de publieke moraal”, is de definitie van prostituées gegeven door een schrijver, die de zaak van een laag standpunt beschouwt, en een ander, die de zaak meer verheven bekijkt, schrijft: “De prostituée vervult een maatschappelijke zending. Zij is de bewaakster van de maagdelijke kuischheid, het afvoerkanaal voor overspelige begeerte, de beschermster van getrouwde vrouwen, die een laat moederschap vreezen; het is haar rol op te treden als schild voor “het gezin””. “Als vrouwelijke Decii”, zeide Balzac in zijnPhysiologie du Mariagevan prostituées, “offeren zij zich op voor de republiek en maken van haar lichamen een borstwering ter bescherming van respectabele families”. Op dezelfde wijze noemde Schopenhauer prostituées “menschelijke slachtoffers op het altaar der monogamie”. Lecky vereenigt, in een vele malen aangehaalde passage der rhetorica84het hoogere en het lagere standpunt over de prostituée in de menschelijke maatschappij, en hij tracht er zelfs een priesterlijk karakter aan te geven. “Het uiterste type van de ondeugd”, verklaarde hij, “is ten slotte de meest krachtdadige bewaakster van de deugd. Als zij er niet was, zou de ongerepte reinheid van onnoemelijk veel huizen besmet zijn, en niet weinige van de vrouwen, die in den trots van haar niet in verleiding gebrachte kuischheid aan de prostituée denken met een siddering van verontwaardiging, zouden zonder haar de ellenden van berouw en van wanhoop gekend hebben. Op die eene onteerde en onwaardige gestalte zijn al de hartstochten geconcentreerd, die de wereld met schande hadden kunnen vullen. Zij blijft, terwijl geloofsbelijdenissen en maatschappijen opkomen en te gronde gaan, de eeuwige priesteres van de menschelijkheid, bezoedeld door de zonden van het volk”85.Ik weet niet, of de Grieken ernstig gedacht hebben over de moreele rechtvaardiging van de prostitutie. Zij hadden haar geen bijzonder hinderlijke vormen laten aannemen en voor het grootste deel waren ze bereid haar te aanvaarden.De Romeinen namen ze gewoonlijk ook aan, maar, naar ons toeschijnt, niet zoo gemakkelijk. Er was een strenge, ernstige, bijna Puriteinsche geest in de Romeinen van de oude garde en soms schijnen zij de behoefte gevoeld te hebben zich te verzekeren, dat de prostitutie werkelijk moreel te rechtvaardigen was. Het is van belang op te merken, dat zij zich graag in de herinnering brachten dat Cicero gezegd had, dat hij blij was als hij een man uit een bordeel zag komen, omdat hij anders misschien de vrouw van zijn buurman onteerd zou hebben86.De maatschappelijke noodzakelijkheid van de prostitutie is het oudste van al de argumenten van moralisten, die het dulden van prostituées prediken; en als we de eeuwige geldigheid aannemen van het huwelijkssysteem, waarmee tegelijk de prostitutie zich ontwikkeld heeft, en van de theoretische moraal, die op dat systeem gebaseerd is, dan is dit een zeer krachtig, zoo niet een onweerlegbaar argument.De komst van het Christendom, met zijn speciale houding jegens het “vleesch” veroorzaakte noodzakelijk een enorme toename van belangstelling voor de moreele gezichtspunten van de prostitutie. Toen de prostitutie niet veroordeeld werd, werd het natuurlijk noodzakelijk haar te rechtvaardigen; het was niet mogelijk voor een kerk met min of meer ascetische idealen zulk een zaak met welwillende onverschilligheid te behandelen. Als regel schijnen we wel overal te vinden, dat de meer onafhankelijke geestelijken, die geen verantwoording hadden, geneigd waren ze te veroordeelen, terwijl die theologen, die de zware verantwoordelijkheden van kerkelijk staatmansschap op hun schouders geladen hadden, over ’t algemeen getoond hebben de prostitutie te rechtvaardigen, zij het dan ook aarzelend. Hiervan hebben we een uiterst belangrijk voorbeeld in den heiligen Augustinus, na den heiligen Paulus den voornaamsten stichter van de Christelijke kerk. In een verhandeling in 386 geschreven om de goddelijke regeling van de wereld te rechtvaardigen, verklaart hij dat, evenals de beul, hoe terugstootend hij ook zijn mag, een noodzakelijke plaats in de maatschappij inneemt, evenzoo de prostituée en haars gelijken, hoe vuil en leelijk en slecht zij ook zijn mogen, noodzakelijk zijn;verban de prostituées uit de maatschappij en gij zoudt de wereld met wellust bezoedelen: “Aufer meritrices de rebus humanis, turbaveris omnia libidinibus”87. Aquino, de eenige theologische denker van het Christendom, die tegelijk met Augustinus genoemd kan worden, was in deze kwestie van de prostitutie van dezelfde meening als hij. Hij hield vol, dat ontucht doodzonde was, maar hij nam de noodzakelijkheid aan van de prostitutie, als een nuttig deel van den bouw der maatschappij, en hij vergelijkt ze bij de afvoerkanalen van een paleis88. “Prostitutie in steden is gelijk aan het riool in een paleis; neem de riolen weg en het paleis wordt een onreine, stinkende plaats”. Liquori, de meest invloedrijke theoloog van den nieuweren tijd, was van dezelfde meening.Deze aarzelende en half toegevende houding jegens de prostitutie hebben de theologen inderdaad over het algemeen aangenomen. Sommige wilden, in navolging van Augustinus en Aquino, de prostitutie dulden om grooter kwaad te voorkomen; anderen waren er geheel en al tegen; en weer anderen wilden ze in de steden toelaten, maar nergens anders. Het werd echter algemeen door theologen aangenomen, dat de prostituée recht heeft op haar loon, en dat ze niet verplicht is het terug te geven89. De vroegere moralisten van het Christendom vonden het niet moeilijk staande te houden, dat er geen zonde in is een huis te verhuren aan een prostituée tot het uitoefenen van haar bedrijf; absolutie werd hiervoor altijd gegeven en onthouding niet geëischt90. Ontucht bleef echter altijd een zonde en van de twaalfde eeuw af heeft de kerk een reeks van pogingen gedaan om prostituées te bekeeren. Alle Katholieke theologen zijn van meening, dat een prostituée verplicht is de zonde der prostitutie te biechten, en de meeste theologen, hoewel niet alle, hebben gemeend, dat ook een man den omgang met een prostituée moet biechten. Terzelfder tijd, dat er een zekere toegevendheid was jegens de prostituée zelf, was de kerk altijd zeer streng jegens hen, die leefden van de voordeelen van het bevorderen van de prostitutie, jegens delenones. Zoo weigerde het Concilie van Elvira, dat bereid was zonder boetedoening de prostituée die trouwde, te ontvangen, absolutie te geven, zelfs bij hun dood, aan personen, die schuldig geweest waren aanlenocinium91.Het protestantisme, dat den biechtstoel opgeruimd had, kon indeze, evenals in vele andere zaken van sexueele moraal gewoonlijk aan de noodzakelijkheid ontsnappen eenige bepaalde en verantwoordelijke uitleggingen te geven over de moreele positie van de prostitutie. Zoo het al eenige meening te kennen gaf, of eenige praktische voorschriften trachtte in te leiden, dan grondde het zich natuurlijk op de bijbelsche bevelen tegen de ontucht, zooals ze uitgedrukt zijn door den heiligen Paulus, en het toonde geen genade voor de prostitutie, noch verdraagzaamheid. Deze houding, de houding der Puriteinen, was des te gemakkelijker in Protestantsche landen, met uitzondering van speciale districten op bepaalde tijden—zooals Genève en Nieuw-Engeland in de zeventiende en de achttiende eeuw—omdat theologen in deze landen eerder geroepen zijn geweest godsdienstige vermaningen te geven dan praktische politiek toe te passen. Deze laatste taak hebben ze aan anderen overgelaten, en zoo is er dikwijls een zekere verwarring en onzekerheid ontstaan in den geest van den protestantschen leek. Deze weifelende houding der theologen wordt in Engeland zeer duidelijk gemaakt door Burton, een nadenkend en ernstig auteur, die een eeuw na de hervorming schrijft. Hij verwijst met gemengden bijval naar “onze Pseudo-Katholieken”, die streng zijn jegens echtbreuk, maar toegevend jegens ontucht; zij zijn het misschien eens met Cato, dat de laatste aangemoedigd moet worden om erger verkeerdheden thuis te vermijden, en die meent, dat bordeelen “even noodzakelijk zijn als kerken” en dat het goed is heele huizen“vol courtisanen in de steden te houden”. “Zij houden het voor onmogelijk”, gaat hij voort, “dat niets uitvoerende jonge menschen als ze jong, rijk en vroolijk zijn, dat zooveel knechts en monniken, fatsoenlijk zouden leven, zij noemen het een te tyrannieken last hen te dwingen kuisch te zijn, en kunnen absoluut niet toestaan, dat arme mannen, jongere broeders of soldaten trouwen zouden, evenmin als zieke menschen, ordebroeders, priesters of bedienden. Om dus zoowel den een als den ander tevreden te stellen, verdragen zij deze soort van bordeelen en schuilhoeken en doen er een oogje voor toe. Vele argumenten hebben zij om te bewijzen, dat ze wettig en noodzakelijk zijn, en dat ze geduld moeten worden, evenals de woeker; zonder kwestie is er in de politiek niets tegen in te brengen, maar veel in den godsdienst”92.Niet voor het begin van de volgende eeuw is het oude argument van Augustinus ter moreele rechtvaardiging van de prostitutie in het protestantsche Engeland moedig en beslist uiteengezet door Bernard Mandeville in zijnFable of the Bees; toen het boek voor het eerst uitkwam, scheen men het zoo stuitend te vinden, dat het verboden werd. “Als courtisanen en sletten vervolgd moestenworden met zooveel gestrengheid als sommige menschen het zouden willen”, schreef Mandeville, “wat voor sleutels en grendels zouden we dan wel moeten hebben om de eer van onze vrouwen en meisjes te bewaren?… Het is duidelijk, dat het noodig is een deel der vrouwen op te offeren om het andere deel te beschermen en vuilheid van nog erger soort te voorkomen. Daaruit meenikdat ik met recht mag besluiten, dat kuischheid gesteund kanworden door uitspatting, en dat de beste der deugden de hulp noodig heeft van de ergste der ondeugden”93. Na den tijd van Mandeville begon deze beschouwing van de prostitutie gewoon te worden in protestantsche zoowel als in andere landen, hoewel ze gewoonlijk niet zoo duidelijk uitgedrukt werd.Het kan van belang zijn een paar meer moderne voorbeelden samen te brengen van gezegden, die voor de moreele rechtvaardiging van de prostitutie spreken.Zoo legt in Frankrijk Meusnier de Querlon in zijn geschiedenis vanPsaphion, geschreven in het midden van de achttiende eeuw, vele zeer belangwekkende overdenkingen over het leven en de positie van de prostituée in den mond van een Grieksche courtisane. Zij verdedigt haar beroep met veel bekwaamheid en zegt dat, terwijl mannen zich verbeelden dat prostituées alleen maar de verachte slachtoffers zijn van hun genoegens, deze vermeende tyrannen in werkelijkheid het slachtoffer worden; dat zij de behoeften bevredigen van de vrouwen, die zij onder hun voeten vertrappen, en dat zij zelve in gelijke mate de verachting verdienen, waarmee zij haar behandelen. “Wij betalen walging met walging, zooals zij zeker wel moeten bemerken. Wij geven hun dikwijls niets dan een standbeeld, en als zij zich verhit aan ongevoelige bekoorlijkheden te goed doen, genieten wij in rustige koelheid hun zinnelijkheid. Dan hernemen wij onze rechten. Wat warm bloed heeft deze trotsche schepsels aan onze voeten gebracht en ons meesteressen gemaakt van hun lot. Aan welke zijde, vraag ik u, is het voordeel?” Maar alle mannen, voegt zij er bij, zijn niet zoo onrechtvaardig jegens de prostituée, en zij gaat voort, niet zonder lichte ironie, een lofrede te houden op het nut, het gemak en de voordeelen van het bordeel.Een groot aantal van de moderne schrijvers over de prostitutie noemen met nadruk den maatschappelijk weldadigen aard ervan. Zoo eindigt Charles Richard zijn boek over dit onderwerp met deze woorden: “Het gedrag van de maatschappij jegens de prostitutie moet uitgaan van het principe van dankbaarheid zonder valsche schaamte, voor het nut ervan en medelijden voor de arme schepsels, ten koste van wie dit nut verkregen wordt” (La Prostitution devant le Philosophe, 1882, p. 171). “Het huwelijk duurzaam maken is het moeilijk maken”, merkt een Amerikaansch medisch schrijver op; “het moeilijk maken is het uitstellen; het uitstellen is in de gemeenschap houden een toenemend aantal sexueel volkomen individuen, met normale, of in gevallen waar langdurige onderdrukking is geweest, overmatige sexueele begeerte. Het maatschappelijk kwaad is het natuurlijk gevolg van de physieke natuur van den mensch, zijn geërfde impulsen, en de kunstmatige omstandigheden, waaronder hij gedwongen is te leven” (“The Social Evil”,Medicine, Augustus en September, 1906). Woods Hutchinson beschouwt, terwijl hij met sterke afkeuring van de prostitutie spreekt en prostituées beschouwt als “de ergste exemplaren van haar sekse”, toch de prostitutie als een maatschappelijke werking van de hoogste waarde. “Uit een medisch-economisch gezichtspunt noem ik haar eenvan de groote selectieve en elimineerende factoren van de natuur en van de hoogste waarde voor de gemeenschap. We kunnen ze in het ruwe karakteriseeren als een veiligheidsklep voor de instelling van het huwelijk” (The Gospel According to Darwin, p. 193;cf.het artikel van denzelfden schrijver over “The Economics of Prostitution”, opgesomd inBoston Medical and Surgical Journal, November 21, 1895). Adolf Gerson zegt in ongeveer denzelfden geest (“Die Ursache der Prostitution”,Sexual-Probleme, September 1908), dat “prostitutie een van de middelen is die de natuur gebruikt om de teelkracht der menschen te beperken, en vooral om den tijd der sexueele rijpheid te verschuiven”. Molinari meent, dat de maatschappelijke voordeelen van de prostitutie van het begin af op verschillende wijzen tot uiting zijn gekomen; door bijvoorbeeld de meer overmatige uitingen van de sexueele impuls onvruchtbaar te maken nam de prostitutie de noodzakelijkheid weg van kindermoord op overtollige kinderen en leidde ze tot het tegengaan van die primitieve methode om de bevolking te beperken (G. de Molinari,La Viriculture, p. 45). Op geheel andere wijze dan die, vermeld door Molinari, heeft de prostitutie zelfs in zeer late tijden geleid tot het laten varen van kindermoord. In de Chineesche provincie Ping-Yang zegt Matignon, was het vele jaren geleden niet ongewoon voor arme ouders om 40 percent van hun pasgeboren meisjes te dooden, of zelfs allemaal, want zij waren te duur om ze op te voeden en ze brachten niets in, omdat mannen, die wilden trouwen, gemakkelijk een vrouw konden krijgen in de naburige provincie Wenchu, waar vrouwen zeergemakkelijkte krijgen waren. Nu maakt echter de betere verbinding met Shang-Hai per stoomboot het zeer gemakkelijk voor meisjes de bordeelen van Shang-Hai te bereiken, waar zij geld kunnen verdienen voor haar families; de gewoonte haar te dooden is daarom uitgestorven (Matignon,Archives d’Anthropologie Criminelle, 1896. p. 72). “Onder de tegenwoordige omstandigheden”, schrijft Dr. F. Erhard (“Auch ein Wort zur Ehereform”,Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang 1, Heft 9), “is prostitutie (in de ruimste beteekenis, vrije verhoudingen medegerekend) noodig, opdat jonge menschen de vrouwen eenigermate kunnen leeren kennen, want conventioneele conversatie is daarvoor niet voldoende; een juiste kennis van de vrouwelijke gedachtengang is echter noodig voor een goede keuze, daar het maar zelden mogelijk is zich te verlaten op de betrouwbaarheid van het instinct. Het is ook goed, dat mannen zich de horens afloopen vóor het huwelijk, want de polygame neiging zal ergens doorbreken. De prostitutie zal alleen die mannen bederven, aan wie niet veel te bederven is, en als zij zoo het verlangen naar het huwelijk verliezen, dan zouden hun ongeboren kinderen reden hebben dankbaar te zijn”. Neisser, Näcke en vele anderen hebben voor de prostitutie gepleit en zelfs voor bordeelen, als “noodzakelijk kwaad”.Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat velen zelfs van de sterkste voorstanders van de moreele voordeelen der prostitutie meenen, dat eenige verbetering nog wel wenschelijk is. Zoo verwacht Bérault een tijd, waarop van overheidswege bewaakte bordeelen minder veracht zullen zijn. Verschillende verbeteringen kunnen ze, meent hij, in de naaste toekomst “ontdoen van de barbaarsche eigenschappen, die ze voor de sceptische of onwetende menigte verachtelijk maken, terwijl hun tastbare voordeelen een einde zullen maken aan de minachting, die opgewekt wordt door hun cynisch aanzien” (La Maison de Tolérance, Thèse de Paris, 1904).4.De beschavingswaarde van de prostitutie.—Het moreele argument voor de prostitutie is gebaseerd op het geloof, dat ons huwelijkssysteem zoo oneindig kostbaar is, dat een instelling, die als bolwerk ervoor dient in stand gehouden moet worden, hoe leelijk of hoe verwerpelijk op zich zelf zij ook is. Er is echter een ander argument ter ondersteuning van de prostitutie, waaropternauwernood de nadruk valt dien het verdient. Ik bedoel haar invloed, voor zoover ze een element van vroolijkheid en afwisseling, dat op een of andere wijze noodzakelijk is, voegt in de geordende samenstelling van het moderne leven, een verlichting van den sleur der mechanische routine een afleiding in de saaie en fatsoenlijke eentonigheid ervan. Dit is wat anders dan de meer specifieke functie van de prostitutie als een veiligheidsklep voor overtollige sexueele energie, en dit kan zelfs van beteekenis worden voor hen, die weinig of geen omgang hebben met prostituées. Dit element kunnen we noemen de beschavingswaarde van de prostitutie.Het zijn niet alleen de algemeene eigenschappen van de beschaving, maar meer speciaal de eigenschappen van het stadsleven, die dezen factor van beteekenis maken. Het stadsleven legt door den druk van de concurrentie een zeer strenge en veel krachten eischende routine op van vervelend werk. Terzelfder tijd maakt het mannen en vrouwen meer gevoelig voor nieuwe indrukken, meer verlangend naar opwinding en verandering. Het vermeerdert de gelegenheden tot maatschappelijken omgang; het vermindert de kansen op ontdekking van onwettigen omgang, terwijl het meteen het sluiten van een huwelijk verzwaart, want doordat het de maatschappelijke ambities en de uitgaven verhoogt, verschuift het den tijd, waarop een huisgezin kan opgezet worden. Het stadsleven verschuift het huwelijk en maakt toch de middelen van vergoeding voor het huwelijk meer dringend noodzakelijk94.Er kan niet de minste twijfel aan zijn, dat dit de beweegreden is—de poging om de onvolkomen gelegenheden voor zelfontwikkeling, die onze mechanische en arbeidzame maatschappij vol beperkingen aanbiedt, aan te vullen—die een van de voornaamste oorzaken vormt, die vrouwen er toe brengt, tijdelijk of voor goed, het leven van prostituée te kiezen. Wij hebben gezien, dat de economische factor, zooals vroeger gemeend werd, geenszins de hoofdrol speelt bij deze keuze. En er is ook geen reden om te veronderstellen, dat een buitengewoon sterke sexueele impuls de leidende factor is. Maar een groot aantal jonge vrouwen keeren zich instinctief naar het leven van prostituée, omdat zij bewogen worden door een duisteren drang, die ze haast zelf niet kunnen verstaan of uitleggen, en waarvan ze zich dikwijls schamen hem te openbaren. Het is daarom verwonderlijk, dat deze beweegreden zoo’n groote plaats inneemt, zelfs in de formeele statistiekenvan de prostitutie. Merrick vond in Londen, dat 5000, of bijna een derde van de prostituées, die hij onderzocht, met liefde een tehuis of een betrekking opgaven “voor een leven van pleizier”, en hij acht dit de hoofdreden voor de prostitutie95. In Amerika vond Sanger dat “neiging” bijna bovenaan stond onder de oorzaken voor de prostitutie, terwijl Woods Hutchinson vond, dat “liefde tot vertoon, weelde en ijdelheid” op verre na de eerste plaats innamen. “Verveling en tegenzin tegen het werk” is de reden, die aangegeven wordt door een groot aantal Belgische meisjes, als zij aan de politie haar wensch te kennen geven om als prostituées ingeschreven te worden. In Italië meent men, dat een gelijke beweegreden een belangrijke rol speelt. In Rusland komt “verlangen naar vermaak” op de tweede plaats onder de oorzaken van de prostitutie. Ik geloof, dat er geen twijfel aan kan zijn, dat, zooals een oplettend waarnemer van het Londensche leven gezegd heeft, het probleem van de prostitutie “in den grond is een wild en onweerstaanbaar verlangen naar opwinding, een ernstige en opzettelijke opstand tegen de eentonigheid van alledaagsche idealen, en de geestdoodende verveling van het alledagsleven”96. Het is deze factor van de prostitutie, mogen we redelijker wijze besluiten, die voornamelijk verantwoordelijk is voor het feit, waarop F. Schiller97gewezen heeft, dat met de ontwikkeling van de beschaving de toevoer van prostituées neiging heeft grooter te worden dan de vraag.Charles Booth schijnt van dezelfde meening te zijn, en citeert (Life and Labor of the People, Third Series, deel VII, p. 364) uit een rapport van een reddingsgenootschap: “De algemeene opvatting is, dat deze vrouwen verlangend zijn een leven van zonde te verlaten. De duidelijke en eenvoudige waarheid is, dat zij, voor het meerendeel, in het geheel geen behoefte hebben om gered te worden. Zoovele van deze vrouwen beschouwen de prostitutie niet als een zonde en willen ze niet als zoodanig beschouwen. “Ik word iederen avond meegenomen om in een restaurant te eten en daarna naar een publieke vermakelijkheid te gaan; waarom zou ik dat opgeven?””Merrick, die vond, dat vijf percent van de 14.000 prostituées, die in de Millbank gevangenis kwamen, gewend waren godsdienstige gebruiken te vereenigen met het uitoefenen van haar beroep, zegt ook naar aanleiding van haar gevoelens over moraal: “Ikben er van overtuigd, dat er vele arme mannen en vrouwen zijn, die in het geheel niet begrijpen, wat het woord “immoraliteit” beteekent. Uit beleefdheid zullen ze misschien ja zeggen op wat ge zegt, maar zij begrijpen uw bedoeling niet als gij spreekt van deugd of reinheid; gij spreekt eenvoudig over hen heen” (Merrick,op.cit., p. 28). Dezelfde houding kan men overal onder prostituées vinden. In Italië vermeldt Ferriani een meisje van vijftien jaar, dat, toen ze beschuldigd werd van onbetamelijkheid met een man in een park, met veel tranen en veel verontwaardiging ontkende. Hij bracht haar eindelijk tot bekentenis, en vroeg haar toen: “Waarom heb je geprobeerd mij te doen gelooven, dat je geen kwaad gedaan hadt?” Zij aarzelde, glimlachte, en zeide: “Omdatzij zeggen, dat meisjes niet moeten doen, wat ik doe, maar dat ze moeten werken. Maar ik ben, wat ik ben, en het gaat hen niet aan”. Deze houding is dikwijls meer dan een instinctief gevoel; bij intelligente prostituées wordt het dikwijls een wel-overwogen overtuiging. “Ik kan alles dragen, als het moet”, schreef de schrijfster van hetTagebuch einer Verlorenen(p. 291), “zelfs ernstige en edele minachting, maar geen spot. Minachting—ja, als ze verdiend is. Als een arm en mooi meisje met een moe en bitter hart alleen staat in de wereld, van alles uitgesloten, omringd door verzoekingen en verleidingen, die zich aan alle kanten aanbieden, en als ze dan toch, uit innerlijke overtuiging het grauwe en eentonige pad kiest van verzaking en van de burgerlijke moraal, dan erken ik in dat meisje een persoonlijkheid, die een zeker recht heeft met minachtend medelijden neer te zien op zwakkere meisjes. Maar die ganzen, die, onder de oogen van haar hoeders en levenslange eigenaars altijd op zachte groene weiden gegraasd hebben, hebben zeker geen recht minachtend te lachen over haar, die niet zoo gelukkig geweest zijn”. En we moeten niet meenen, dat er noodzakelijk eenig sophisme behoeft te wezen in de zelf-rechtvaardiging van de prostituée. Sommige van onze beste denkers en waarnemers zijn tot een conclusie gekomen, die niet ongelijk is aan deze. “De werkelijke toestanden van de maatschappij verzetten zich tegen ieder hoog moreel gevoel in vrouwen”, merkt Marro op (La Pubertà, p. 462), “want tusschen haar, die zich verkoopen in prostitutie en haar, die zich verkoopen in het huwelijk, bestaat het eenige verschil in den prijs en den duur van het contract”.Wij hebben reeds gezien welk een groot percentage in de prostitutie geleverd wordt door haar, die den huiselijken dienst verlaten hebben om dit leven te volgen (Antep. 264). Het is niet moeilijk in dit feit een bewijs te vinden voor de soort van impuls, die er een vrouw toe drijft de loopbaan van prostituée te kiezen. “De dienstbode, in onze maatschappij van gelijkheid”, schreef Goncourt, nadat hij vroegere tijden in de herinnering gebracht heeft, toen haar dikwijls een plaats ingeruimd werd in het familieleven, “is niets anders geworden dan een betaalde paria, een machine voor het doen van huishoudelijk werk, en het wordt haar niet langer toegestaan het menschelijk leven van haar werkgever te deelen”98. En in Engeland, vinden we, zelfs al een halve eeuw geleden, de zelfde gezegden over de positie van de dienstbode: “huiselijke dienst is een volkomen slavernij”, met vroege uren en late uren en voortdurend trappen op en neer loopen, tot de benen gezwollen zijn; “er schijnt dikwijls een mate van vernuft gebruikt te worden, een betere zaak waardig, om de grootstmogelijke hoeveelheid werk uit de huiselijke machine te halen”; bovendien is zij “een soort bliksemafleider” voor het slechte humeur en de ziekelijke gevoelens van haar meesteres en van de jonge dames; zoodat, als sommigen gezegd hebben, “ik mij zoo ellendig voelde, dat het me niet kon schelen wat er van me terecht kwam, ik wilde maar, dat ik dood was”99. De dienstbode staat buiten alle menschelijke verhoudingen; zij mag niet het bestaan verraden van een eenvoudige impuls of natuurlijke behoefte. Tevens leeft zij op den rand der weelde; zij is omringd door de tantaliseerende visioenen van genoegen en amusement, waarnaar haar frissche jonge natuur verlangt100. Het kan geen verwondering wekken dat zij, overwerkt en aangetrokken door lediggang vol genot den eenigen sprong doet, die haar in staat zal stellen te genieten van de schitterende zijden der beschaafde maatschappij, die haar zoo begeerlijk toeschijnen101.Er wordt soms gezegd, dat het overheerschend veel voorkomen van de prostitutie onder meisjes, die vroeger dienstboden waren, komt, doordat zoo ontzettend veel dienstmeisjes verleid worden door den heer des huizes of door de jonge heeren van de familie, waar zij dienen, en zoo de straat op gedreven worden. Dit is ongetwijfeld in een zeker aantal gevallen, misschien soms in een vrij aanzienlijk aantal, een beslissende factor, maar het schijnt wel nauwelijks de hoofd-factor te zijn. Het bestaan van betrekkingen tusschen dienstboden en heeren des huizes, moeten we bedenken, sluit geenszins noodzakelijk verleiding in. In een groot aantal gevallen is de dienstbode in een huishouden, in sexueele zaken, eer de leermeesteres dan de leerling. (In “The Sexual Impulse in Women”, in een ander werk van mijn hand, heb ik de rol besproken, die dienstmeisjes spelen als inwijdsters in sexueele zaken van de jonge jongens, in de huishoudens waarin ze geplaatst zijn). De meer preciese statistieken der oorzaken van de prostitutie geven zelden verleiding aan als de voornaamste oorzaak in meer dan ongeveer 20 percent van de gevallen, hoewel dit klaarblijkelijk een van de beweegredenen is, die het gemakkelijkst te bekennen is (zieantep. 256). Verleiding door een of anderen werkgever vormt maar een deel (gewoonlijk minder dan de helft) zelfs van deze gevallen. Het speciale geval van verleiding van dienstboden door den heer des huizes kan dus geen zeer groote rol spelen als factor bij de prostitutie.De statistieken over de afkomst van onwettige kinderen hebben ook eenige betrekking op deze zaak. In een serie van 180 ongehuwde moeders, die geholpen zijn door den Berlijnschen bond voor moederbescherming, wordenbijzonderheden gegeven over de bezigheden der moeders, en voor zoover mogelijk, ook van de vaders. De moeders waren voor een derde dienstmeisjes, en de groote meerderheid van de rest waren winkeljuffrouwen, of meisjes, die thuis werkten. Bij de vaders (van de 120 gevallen) kwamen bovenaan werklui (33), dan kooplui (22); maar een klein aantal (20 tot 25) kon beschreven worden als “heeren”, en zelfs dit aantal verliest iets van zijn beteekenis als er op gewezen wordt, dat sommige van de meisjes ook van de middelklasse waren; in negentien gevallen waren de vaders getrouwde mannen (Mutterschutz, Januari, 1907, p. 45).De meeste autoriteiten in de verschillende landen zijn van meening, dat meisjes, die prostituée worden (gewoonlijk tusschen de vijftien en de twintig jaar) haar maagdelijkheid op jeugdigen leeftijd verloren hebben, en in de groote meerderheid der gevallen door mannen van haar eigen klasse. “Het meisje uit het volk valt door het volk”, zeide Reuss in Frankrijk (La Prostitution, p. 41). “Het zijn haars gelijken, werklieden evenals zij, die de eerste vruchten plukken van haar schoonheid en haar maagdelijkheid. De man van de wereld, die haar met goud en juweelen belaadt, krijgt alleen wat zij overlaten”. Ook Martineau (De la Prostitution Clandestine, 1885) toonde aan, dat prostituées gewoonlijk onteerd worden door mannen van haar eigen klasse. En Jeannel, in Bordeaux vond reden om te gelooven, dat het niet voornamelijk haar meesters zijn, die dienstmeisjes verleiden; zij gaan dikwijls in dienst, omdat ze op het land verleid zijn, terwijl luie, begeerige en domme meisjes van het land naar de stad gestuurd worden om te dienen. In Edinburg vond W. Tait (Magdalenism, 1842), dat soldaten meer dan eenige andere klasse in de gemeenschap de verleiders zijn van vrouwen, en dat vooral de Hooglanders in dit opzicht bekend zijn. Soldaten hebben deze reputatie overal, en vooral in Duitschland vindt men steeds, dat de tegenwoordigheid van soldaten in een plaats op het platteland, zooals bij de jaarlijkschemanoeuvres, de oorzaak is van onkuischheid en onwettige geboorten; zoo is het ook in Oostenrijk, waar lang geleden Gross-Hoffinger heeft geconstateerd, dat soldaten verantwoordelijk waren voor ten minste een derde van alle onwettige geboorten, een aandeel, dat geheel buiten verhouding is tot hun aantal. In Italië vond Morro, bij zijn onderzoekingen naar de oorzaak van het verlies der maagdelijkheid bij twee en twintig prostituées, dat tien zich min of meer spontaan gaven aan minnaars of meesters, dat tien zwichtten in de verwachting van een huwelijk, en dat twee verkracht waren (La Pubertà, p. 461). Het verlies van de maagdelijkheid, hoewel het misschien niet de eerste oorzaak van de prostitutie is, leidt er toch dikwijls toe. “Als een deur eenmaal opengebroken is”, zeide een prostituée tot hem, “dan is het moeilijk ze gesloten te houden”. In Sardinië zijn, zooals A. Mantegazza en Ciuffo vonden, prostituées zeer dikwijls dienstmeisjes van het land, die reeds onteerd zijn door mannen van haar eigen klasse.Deze beschavingsfactor van de prostitutie, de invloed van weelde en opwinding en verfijning, die het meisje uit het volk aantrekken, zooals de vlam de mot aantrekt, blijkt uit het feit, dat het de bewoonsters van het land zijn, die voornamelijk voor de bekoring bezwijken. De meisjes, wier jonge ontvlambare en orgiastische impulsen, soms aangewakkerd door een klein aangeboren gebrek aan zenuw-evenwicht, latent gebleven zijn in de saaie eentonigheid van het leven op het land, vinden eindelijk haar volkomen bevrediging in de loopbaan van prostituée. Voor het stadsmeisje, dat in de stad is geboren en opgevoed, heeft deze loopbaan gewoonlijk niet veel aantrekkingskracht, tenzij zij van het begin af aan opgevoed is in een omgeving, die haar predisponeert om zete kiezen. Zij is van haar jeugd af gewoon aan de prikkels van de steedsche beschaving en zij bedwelmen haar niet; zij is, bovendien beter in staat op zich zelf te passen dan het meisje van het land, en ze weet te veel van de werkelijke feiten van het leven der prostituée, om zeer verlangend te zijn haar loopbaan te kiezen. Bovendien bezit de familie waartoe zij behoort, waarschijnlijk ook een aangeboren of verkregen weerstandsvermogen tegen de evenwicht-verstorende invloeden, dat het hun mogelijk gemaakt heeft zich in het stadsleven staande te houden. Zij is immuun geworden tegen de vergiften van dat leven102.In alle groote steden is een groot deel, zoo niet de meerderheid van de inwoners, gewoonlijk buiten de stad geboren (in Londen zijn maar vijftig percent van de hoofden van gezinnen bepaald vermeld als in Londen geboren); en het is dus niet te verwonderen, dat ook prostituées dikwijls van buiten de stad komen. Toch blijft het een feit van beteekenis, dat een zoo typisch steedsch verschijnsel als de prostitutie, in zoo ruime mate van nieuwe leden voorzien wordt van het land. Dit is overal het geval. Merrick noemt de streken op, waar 14.000 prostituées vandaan kwamen, die in de Millbank gevangenis terecht kwamen. Middlesex, Kent, Surrey, Essex en Devon zijn de graafschappen, die bovenaan staan, en Merrick taxeert het aantal voor Londen uit de vier graafschappen, die Londen vormen, op 7000, of de helft van het geheel; militaire steden, zooals Colchester en marine-havens, zooals Plymouth, voorzien Londen van veel prostituées; Ierland levert er veel meer dan Schotland, en Duitschland veel meer dan eenig ander Europeesch land, terwijl Frankrijk bijna in het geheel niet vertegenwoordigd is (Merrick,Work Among the Fallen, 1890, pp. 14–16). Het is natuurlijk mogelijk, dat de verhoudingen onder haar, die in een gevangenis komen, niet nauwkeurig de verhoudingen weergeven der prostituées in het algemeen. De lijsten van het Londensche reddingshuis van het Leger des Heils wijzen er op, dat zestig percent van de meisjes en de vrouwen van buiten komen (A. Sherwell,Life in West London, hoofdst. V). Dit is precies dezelfde verhouding die Tait een halve eeuw vroeger, onder prostituées in het algemeen, in Edinburg vond. Sanger zegt, dat van de 2000 prostituées in New-York er wel 1238 in het buitenland geboren waren (706 in Ierland), terwijl van de overige 762 de eene helft geboren was in den staat New-York, en een beslist (hoewel de juiste getallen niet aangegeven zijn) nog kleinere verhouding in de stad New-York. Prostituées komen uit het Noorden—waar het klimaat onpleizierig is, en waar fabrieksarbeid en zittende bezigheden het meest voorkomen—veel meer dan uit het Zuiden; zoo zond Maine, een koude, gure zeestaat, vier en twintig van deze prostituées naar New-York, terwijl Virginië, op denzelfden afstand liggende, dat er naar denzelfden maatstaf gerekend twee en zeventig moest gestuurd hebben, er maar negen zond; er was een zelfde verschil tusschen Rhode Island en Maryland (Sanger,History of Prostitution, p. 452). Het is leerrijk hier den invloed op te merken van een somber klimaat en eentonigen arbeid op het aanwakkeren van de begeerte naar een “leven van pleizier”. In Frankrijk is er, zooals op een kaart in het werk van Parent-Duchâtelet aangetoond wordt (deel I, pp. 37–64, 1857) als het land verdeeld wordt in vijf gordels, die van Oost naar West loopen, een voortdurende vermindering in het aantal prostituéesdat iedere gordel naar Parijs zendt, naarmate we verder Zuidwaarts komen. Weinig meer dan een derde schijnt tot Parijs te behooren, en, evenals in Amerika, is het het ernstige en hard werkende Noorden met zijn betrekkelijk koud klimaat, dat het grootste contingent levert; zelfs in het oude Frankrijk merkt Dufour op (op. cit., deel IV, hoofdst. XV), was prostitutie, zooals blijkt uit defabliauxenromans, minder schandelijk in delangue d’oildan in delangue d’oc, zoodat zij ongetwijfeld zeldzaam was in het Zuiden. Op een later tijd zegt Reuss (La Prostitution, p. 12) dat “bijna al de prostituées uit Parijs van buiten komen”. Jeannel merkte op, dat van de duizend prostituées uit Bordeaux er maar zes en veertig in de stad thuis behoorden, en Potton (Appendix bij Parent-Duchâtelet, deel II, p. 446) zegt, dat van bijna vier duizend prostituées uit Lyon er maar 376 uit Lyon zelf waren. In Weenen merkt Schrank, in 1873, op, dat van meer dan 1500 prostituées er maar 615 in Weenen geboren waren. De algemeene regel is, zooals we zullen gezien hebben, hoewel de variaties vele zijn, dat weinig meer dan een derde van de prostituées van een stad stadskinderen zijn.Het is opmerkelijk dat deze neiging van de prostituée om van ver naar steden toe te komen, deze zwervende neiging—die zij tegenwoordig gemeen heeft met de kellners—niet een modern verschijnsel is. “Er zijn weinig steden in Lombardije, of Frankrijk, of Gallië”, schreef de heilige Bonifacius, “waar niet een echtbreekster is of een prostituée van de Engelsche natie”, en de heilige schrijft dit toe aan de gewoonte der pelgrimstochten naar buitenlandsche heilige plaatsen. In den tegenwoordigen tijd is er geen duidelijk merkbaar Engelsch element onder de prostituées van het vasteland. Zoo zijn in Parijs volgens Reuss (La Prostitution, p. 12) de buitenlandsche prostituées in afnemende orde Belgisch, Duitsch (Elzas-Lotharingen), Zwitsersch (vooral uit Genève), Italiaansch, Spaansch, en eerst dan Engelsch. Kenners in deze zaak zeggen dat de Engelsche prostituée, in vergelijking met haar zuster van het vasteland (en vooral uit Frankrijk), niet voordeelig uitkomt, omdat ze gewoonlijk hebberig is in geldzaken en niet zeer bekoorlijk.Het is de beschaving, hoewel niet het fijnste en het beste in de beschaving, die meer dan iets anders vrouwen roept tot de prostitutie. Het is noodig er op te wijzen dat ook de man door diezelfde beschaving tot de prostitutie gedreven wordt. De gewone en op onwetendheid berustende veronderstelling, dat de prostitutie bestaat om de grove zinnelijkheid van den jongen ongehuwden man te bevredigen, en dat, als hij geleerd heeft grove sexueele impulsen te bedwingen of er toe gebracht is vroeg te trouwen de prostituée geen bezoek zal ontvangen, is volkomen onjuist. Als alle mannen heel jong trouwden, dan zou niet alleen het geneesmiddel erger zijn dan de kwaal—het is hier de plaats niet dat punt verder te bespreken—maar het middel zou de kwaal niet genezen. De prostituée is iets meer dan een kanaal om overtollige sexueele energie af te voeren, en haar aantrekkingskracht houdt in het geheel niet op te bestaan als mannen getrouwd zijn, want een groot aantal van de mannen die prostituées bezoeken, zoo niet de meesten, zijn getrouwd. En toch, of zij getrouwd zijn of ongetrouwd, de beweegreden die hen naar de prostituée voert, is niet uitsluitend wellust.In Engeland, merkt een schrijver, die goed op de hoogte is, op, dat “de waarde van het huwelijk als moreele factor blijkt uit het feit, dat al de betereprostituées in Londen bijna geheel onderhouden worden door getrouwde mannen”, terwijl ook in Duitschland, zooals in een belangwekkende serie van herinneringen van een vroegere prostituée,Beichte einer Gefallenendoor Hedwig Hard (p. 208), gezegd wordt, de meeste mannen, die prostituées bezoeken, getrouwd zijn. Deze bewering is waarschijnlijk overdreven. Neisser zegt dat maar vijf en twintig percent van gevallen van gonorrhoe voorkomen bij getrouwde mannen. Deze opgave is waarschijnlijk onjuist in omgekeerden zin, omdat getrouwde mannen zich in het verkeer met prostituées meestal zeer in acht nemen, meer dan de jonge en ongetrouwde mannen. Wat de beweegreden aangaat, die getrouwde mannen tot de prostitutie brengt, vertelt Hedwig Hard uit haar eigen ervaringen een voorval, dat leerzaam en ongetwijfeld typisch is. In de stad, waar zij rustig als prostituée woonde, werd een man van den hoogsten maatschappelijken stand door een vriend bij haar geïntroduceerd, en bezocht haar regelmatig. Zij had dikwijls zijn vrouw gezien en bewonderd, die een van de gevierde schoonheden van de plaats was en twee lieve kinderen had; man en vrouw schenen elkander zeer genegen, en ieder benijdde hen hun geluk. Hij was een man van verstand en beschaving, die Hedwig’s liefde tot boeken aanmoedigde; zij geraakte zeer aan hem gehecht en eens waagde zij hem te vragen hoe hij zijn lieve, mooie vrouw kon verlaten om naar iemand toe te gaan, die niet waard was haar schoenriemen los te binden. “Ja, kind”, antwoordde hij, “maar al haar schoonheid en ontwikkeling geeft mij niets voor mijn hart. Zij is koud, koud als ijs, fatsoenlijk en bovenal phlegmatiek. Vertroeteld en verwend als zij is, leeft zij alleen voor zich zelf; wij zijn twee goede kameraden en niets meer. Als ik bijvoorbeeld ’s avonds uit de societeit kom en naar haar bed ga, misschien wel een beetje opgewonden, dan wordt ze zenuwachtig en vindt het ongepast, dat ik haar wakker maak. Als ik haar kus, dan verdedigt zij zich en vertelt mij, dat ik verschrikkelijk naar sigaren en wijn ruik. En als ik misschien meer probeer, dan springt ze uit bed, wordt boos alsof ik haar aanviel, en dreigt uit het raam te springen als ik haar aanraak. Dus laat ik haar om den wille der vrede met rust en kom hier”. Er kan geen twijfel aan zijn, dat dit de ondervinding is van veel getrouwde mannen, die graag geliefde zoowel als vriendin in hun vrouwen zouden vinden. Maar de vrouwen hebben, met een verscheidenheid van oorzaken, bewezen, dat ze niet in staat zijn de sexueele makkers te worden van haar echtgenooten. En de echtgenooten, zonder dat ze gedreven worden door eenigen sterken hartstocht of door begeerte naar ontrouw, zoeken buitenshuis wat ze thuis niet vinden kunnen.Dit is niet de eenige reden, waarom mannen prostituées bezoeken. Zelfs mannen, die gelukkig getrouwd zijn met vrouwen, die in de voornaamste opzichten bij hen passen, ondervinden dikwijls na eenige jaren huwelijksleven, een geheimzinnig verlangen naar afwisseling. Zij zijn hun vrouwen niet moe, zij hebben niet de minste wensch of bedoeling om haar te verlaten, zij willen haar, als zij het helpen kunnen, niet de minste pijn veroorzaken. Maar nu en dan worden ze door een onweerstaanbaren, en onwillekeurigen drang er toe gebracht een tijdelijke intimiteit te zoeken met vrouwen, met wie ze voor niets ter wereld zich voor goed zouden willen binden. Pepys, wiensDiary, afgezien van de andere verdienstelijke eigenschappen ervan, een psychologisch document van waarde is, levert een zeer karakteristiek voorbeeld van deze soort van impuls. Hij heeft een jonge, lieve vrouw getrouwd, aan wie hij zeer gehecht is, en hij leeft gelukkig met haar, op een paar nu en dan voorkomende twisten na, die spoedig door kussen uit den weg geruimd zijn; zijn liefde gaat samen met jaloezie, een jaloezie, die, zooals hij toegeeft, volkomen onredelijk is, want zij is een trouwe, liefhebbende vrouw. Toch kan Pepys, eenige jaren na zijn huwelijk, en midden in een leven van ingespannen beroepsbezigheid, de verleiding niet weerstaan de tijdelijke gunsten te zoeken van andere vrouwen, zelden prostituées, maar bijna altijd vrouwen van lagen maatschappelijken stand—winkeljuffrouwen, vrouwen van werklieden, fatsoenlijke dienstmeisjes.Dikwijls is hij er mee tevreden haar naar een rustig bierhuis mee te nemen, en zich een paar gewone vrijheden te veroorloven. Soms weigeren zij absoluut meer dan dit toe te staan; als dat gebeurt dankt hij herhaaldelijk den almachtigen God (zooals hij ’s avonds in zijnDiaryschrijft), dat hij bewaard is gebleven voor verleiding en voor tijd- en geldverlies; telkens weer is hij geneigd de gelofte te doen, dat het niet weer zal gebeuren. Toch gebeurt het altijd weer. Pepys is volkomen waar tegenover zich zelf; hij doet geen poging zich te rechtvaardigen of te excuseeren; hij weet, dat hij voor de verleiding bezweken is; het is een impuls, die nu en dan over hem komt, een impuls, dien hij niet in staat schijnt te zijn lang te weerstaan. Ondanks dit alles blijft hij een achtenswaardig en ijverig ambtenaar, en in de meeste opzichten een tamelijk deugdzaam man, met een echten afkeer van lichtzinnige menschen en onbeteekenende praatjes. De houding van Pepys wordt met onvergelijkelijken eenvoud en openhartigheid uiteengezet, omdat hij deze dingen voor zijn eigen oogen alleen neerschrijft, maar zijn geval is in werkelijkheid dat van een groot aantal andere mannen, misschien wel van den typischenhomme moyen sensuel(zie Pepys,Diary, ed.Wheatley;e.g., deel IV,passim).Er is een derde klasse van getrouwde mannen, minder groot in aantal, maar niet onbelangrijk, die gedwongen zijn prostituées te bezoeken: de klasse van sexueel geperverteerde mannen. Er zijn vele redenen, waarom zulke mannen kunnen wenschen te trouwen, en in sommige gevallen trouwen ze vrouwen, met wie zij den eigenaardigen vorm van sexueele bevrediging, waarnaar ze verlangen, kunnen verkrijgen. Maar in een groot aantal gevallen is dit niet mogelijk. De conventioneel opgevoede vrouw kan zichzelf er niet toe brengen zelfs maar aan een volkomen onschuldige fetischachtige gril van haar echtgenoot toe te geven, want die is te vreemd aan haar gevoelens en te onbegrijpelijk voor haar ideeën, zelfs als ze oprecht verliefd op hem is; in vele gevallen zou de echtgenoot niet durven vragen en ternauwernood zelfs wenschen, dat zijn vrouw er zich toe zou leenen de fantastische of misschien vernederende rol te spelen, die zijn wenschen eischen. In zulk een geval wendt hij zich natuurlijk tot de prostituée, de eenige vrouw, wier beroep het is in zijn bijzondere behoeften te voorzien. Het huwelijk heeft dezen mannen geen verlichting gebracht, en zij vormen een groot aantal cliënten van elke prostituée in iedere groote stad. De meest gewone prostituée van eenige ervaring kan gevallen meedeelen van haar eigen bezoekers, geschikt om een verhandeling over psychopatische sexualiteit te illustreeren. Het is hier voldoende een aanhaling weer te geven uit de bekentenissen van een jonge Londensche prostituée (Strand), zooals ze van haar lippen zijn neergeschreven door een vriend, aan wien ik het document dank; ik heb alleen een paar alledaagsche woorden in meer technische termen veranderd. Nadat ze beschreven had hoe, toen zij nog een dorpskind van dertien jaar was, een rijke, oude heer dikwijls kwam en zich aan haar en andere meisjes vertoonde, en hoe hij eindelijk gearresteerd werd en gevangen genomen, sprak zij over de perversiteiten, die ze ontmoet had, sedert zij prostituée was geworden. Zij kende een jongen man van ongeveer vijf en twintig jaar, gewoonlijk in een sportpakje gekleed, die altijd met een paar levende duiven kwam, die hij in een mand meebracht. Zij en het meisje, waar ze mee samenwoonde moesten zich ontkleeden, de duiven nemen en ze den nek omdraaien; hij stond dan voor haar, en als de nekken omgedraaid werden, trad bij hem geprikkeldheid op. Eens ontmoette zij een man op straat en hij vroeg haar of hij met haar mee mocht gaan en haar schoenen mocht likken. Zij stemde toe en hij nam haar mee naar een hotel, betaalde een halve guinje voor een kamer, en, toen ze ging zitten, kroop hij onder de tafel en likte haar schoenen, die vol modder waren; meer deed hij niet. Dan waren er dingen, zeide zij, die te vuil waren om te vertellen; bv. een man kwam met haar en haar vriendin naar huis, en liet haar in zijn mond urineeren. Zij had ook verhalen van geeseling, meestal van mannen, die de meisjes met de zweep sloegen, zeldzamer van mannen, die graag door haar geslagen werden. Een man, dieiedere keer een nieuw riet meebracht, sloeg haar vriendin tot bloedens toe. Zij kende een anderen man, die niets deed dan haar hard op de billen slaan. Nu wortelen al deze dingen, die tot het gewone dagwerk van de prostituée behooren, in diepe en onweerstaanbare impulsen. Zij moeten een of anderen uitweg vinden. Maar alleen op de prostituée kan men rekenen, omdat haar belang en haar opvoeding het meebrengen, om den natuurlijken tegenzin tegen zulke handelingen te boven te komen en wenschen te bevredigen, die, als ze niet bevredigd werden, misschien andere en gevaarlijker vormen zouden aannemen.Hoewel Woods Hutchinson met instemming de verklaring van een vriend aanhaalt: “Van de duizende prostituées heb ik er nooit een gezien met goede manieren aan tafel”, gaat van de prostituée toch werkelijk, hoewel dan niet in voldoende mate, de bekoring van de beschaving uit. “Er was geen huis, waarin ik van tijd tot tijd het gezicht van een dame zien en de stem van een dame hooren kon”, schreef de romanschrijver Anthony Trollope in zijnAutobiographieover zijn leven, toen hij pas in Londen was. “Geen opwekking tot fatsoenlijke vertrouwelijkheid kwam op mijn weg. Het schijnt mij toe, dat in zulke omstandigheden de verleidingen van een losbandig leven bijna zeker de overhand zullen krijgen over een jongen man. De verleiding kreeg in ieder geval de overhand over mij”. In iedere groote stad, heeft men gezegd, zijn er duizende mannen, die niet het recht hebben eenige andere vrouw dan een kellnerin bij haar voornaam te noemen103. Al de schoone glans der beschaving schittert om hen heen in de straten, maar zij moeten op een afstand blijven. Het is de prostituée, die deze bekoring van de stad belichaamt, veel beter dan de maagdelijke vrouw, zelfs als intimiteit met haar binnen hun bereik was. De prostituée vertegenwoordigt ze, omdat zij ze zelf voelt, omdat zij zelfs haar vrouweneer opgeofferd heeft in de poging zich er mee te vereenzelvigen. Zij heeft ongebreidelde vrouwelijke instincten, zij is een meesteres in de vrouwelijke kunst zich op te sieren, zij kan tot hem spreken over de geheimen van de vrouwelijkheid en de weelden van haar geslacht met een zaakkennis en een vrijheid, waartoe het onschuldige meisje, dat aan haar huis gekluisterd is, niet in staat zou zijn. Zij is voor hem niet alleen daardoor aantrekkelijk, omdat zij de lagere sexueele begeerten bevredigen kan, maar ook omdat zij op hare wijze een kunstenares is, een deskundigein de kunst van vrouwelijke uitbuiting, een leidster op het gebied der mode. Want dit is zij, en er zijn, zooals Simmel in zijnPhilosophie der Modegezegd heeft, goede psychologische redenen, waarom zij dit altijd moet zijn. Haar onzekere maatschappelijke positie maakt alles, wat conventioneel en wettig is, hatelijk in haar oogen, terwijl haar temperament voortdurende nieuwigheden verrukkelijk voor haar maakt. In nieuwe modes vindt zij “een æsthetischen vorm van dat instinct van vernieling, dat eigen schijnt te zijn aan het leven van alle paria’s, in zooverre zij geestelijk niet volkomen slaven zijn geworden”.“Hoe verwonderlijk het ook aan sommigen moge toeschijnen”, merkt een modern schrijver op, “prostituées moeten op hetzelfde niveau gesteld worden als kunstenaars. Beide gebruiken hun gaven en talenten tot vreugde en genoegen van anderen, en, als regel, tegen betaling. Wat is het essentieele verschil tusschen een zangeres, die hoorders genoegen geeft met haar keel en een prostituée, die haar bezoekers genoegen geeft met een ander deel van haar lichaam? Alle kunst werkt op de zinnen”. Hij verwijst naar het belangrijke feit, dat acteurs en voornamelijk actrices vroeger veelal even weinig geacht werden als prostituées nu (R. Hellmann,Ueber Geschlechtsfreiheit, pp. 245–252).Bernaldo de Quiros en Llanas Aguilaniedo (La Mala Vida en Madrid, p. 242) gaan denzelfden invloed na nog lager op den maatschappelijken ladder. Zij beschrijven de vuilere soort vancafé’s chantant, waar, in Spanje en elders, de slechtste en meest gedegenereerde vrouwelijke schepsels kellnerinnen worden (en soms zangeressen en danseressen), die dan de rol spelen van liefelijke en gedistingeerdehetarenvoor een publiek van voerlieden en winkelbedienden, die deze plaatsen bezoeken. “Gekleed met wat den jongen man toeschijnt onberispelijke smaak te zijn, met zorgvuldig gefriseerde haren, en een schoon gezicht, dat versierd is met bloemen of sieraden, minzaam en soms hooghartig, in bekoring en in tooi verheven boven de andere vrouwen, die hij kent, worden de kellnerinnen het mooiste voorbeeld van defemme galante, die hij kan zien en toespreken, de courtisane van zijn sfeer”.Maar terwijl de prostituée voor den eenvoudigen, onwetenden en hongerigen jongen man aantrekkelijk is als belichaming van veel van de verfijning en perversiteiten van de beschaving, oefent zij op vele meer gecompliceerde en beschaafde mannen een aantrekkingskracht uit van een bijna tegenovergestelde soort. Zij trekt aan door haar frissche en natuurlijke ruwheid, haar vrije bekendheid met de ruwste feiten van het leven; en heft hen zoo voor een oogenblik op uit de verdorrende atmosfeer van kunstmatig denken en onwerkelijk gevoel, waarin zoo vele beschaafde personen gedwongen zijn het grootste deel van hun leven door te hengen. Zij voelen met de woorden, die de koninklijke vriend van een vrouw van dit temperament moet gebruikt hebben, toen hij een verklaring gaf van haar onbegrijpelijken invloed op hem: “Zij is zoo schitterend vulgair!”Ter illlustratie van deze zijde van de aantrekkingskracht der prostitutie, wil ik hier een passage aanhalen, waarin de romanschrijver Hermant, in zijnConfessions d’un Enfantd’Hier(Lettre VII), de redenen uiteengezet heeft, die er het overbeschaafde kind van een beschaafde eeuw, dat toch geenszinsradicaal of volkomen slecht is, toe kunnen brengen voldoening te vinden in den omgang met prostituées: “Zoolang mijn hart niet getroffen was, was het voorwerp van mijn satisfactie mij volkomen onverschillig. Ik hield bovendien veel van absolute vrijheid en die is alleen mogelijk in den kring van deze anonieme schepsels en in haar afgezonderde woonplaats. Daar kan men zich alles veroorloven. Tegenover andere vrouwen, hoe laag we haar ook zoeken, moeten zekere égards in acht genomen worden, een soort van protocol. Tegen de prostituée kan men alles zeggen: men is beschermd door zijn incognito en men weet zeker, dat niemand ooit te weten komt, wat men met haar beleeft. Ik maakte gebruik van deze vrijheid, zoo aantrekkelijk voor iemand van mijn leeftijd, maar met een perverse fantasie, die niet bij mijn jaren paste. Ik weet nauwelijks waar ik de woorden vandaan haalde, die ik tot haar zeide, want ze kwamen niet overeen met mijn smaak, die eenvoudig was en, als ik het zeggen mag, klassiek. Het is waar, dat onbeperkt naturalisme in liefdezaken altijd neigt tot het perverse, een feit dat alleen op het eerste gezicht paradox kan schijnen. Natuurvolken hebben veel trekken gemeen met gedegenereerden. Ik was echter alleen in woorden losbandig; en dit waren de eenige gelegenheden, waarbij ik mij herinneren kan, dat ik ernstig onwaarheid gesproken heb. Maar die behoefte, die ik toen ondervond, om een lage soort van onwaardige instincten uit te drijven, schijnt mij karakteristiek toe en vernederend. Ik mag er bij voegen, dat ik zelfs te midden van deze uitspattingen een zekere terughouding behield. De aanrakingen, waaraan ik mij overgaf, bezoedelden mij niet; er bleef niets van over, als ik naar huis terugkeerde. Ik heb altijd, uit dien geforceerden en onverschilligen omgang de gewoonte behouden om geen gewicht te hechten aan de handelingen van het vleesch. De liefdefunctie, die godsdienst en moraal omgeven hebben met geheimzinnigheid en gekruid met zonde, schijnt mij een functie toe als iedere andere, een beetje laag bij den grond, maar aangenaam, en een, waarvoor het gebruikelijk epiloog te lang is.… Deze soort kameraadschap duurde maar korten tijd”. Bovenstaande ontleding van de houding van een beslist gewoon type van den beschaafden modernen man schijnt juist te zijn, maar het zal misschien bij sommige lezers opkomen, dat men van een omgang, die er toe geleid heeft de “handeling van het vleesch” te beschouwen als te zijn van geen waarde, bezwaarlijk zeggen kan, dat ze geen smet nagelaten heeft.Op ongeveer gelijke wijze stelt Henri de Régnier in zijn romanLes Rencontres de Monsieur Bréot(p. 50) Bercaillé voor als iemand die bepaald bij voorkeur zijn genoegen zoekt bij dienstmeisjes, liever dan bij dames, want genoegen geven was, in zijn idee, een soort van dienst, die vrijwel overeenkwam met de diensten, die zij gewend waren te bewijzen; en daarbij zijn zij stevig en gezellig; zij hebben de naïviteit, die altijd bekoort en zij worden niet licht teruggestooten door die kleine voorvallen, die misschien het kieskeurige gevoel van fijn opgevoede dames zouden hinderen.Bloch, die speciaal den nadruk gelegd heeft op deze zijde van de aantrekkingskracht der prostitutie (Das Sexualleben unserer Zeit, pp. 359–362), verwijst naar den teeren en gevoeligen jongen Deenschen schrijver, J. P. Jakobsen, die scherp het contrast schijnt gevoeld te hebben tusschen de hoogere en meer gewone impulsen en de nu en dan voorkomende uitbarsting van wat hij voelde als de lagere instincten; in zijnNiels Lyhnebeschrijft hij het soort van dubbel leven, waarbij een man veertien dagen trouw is aan den God, dien hij vereert, en dan overwonnen wordt door andere machten, die hem dolzinnig meevoeren naar wat hij voelt als vernederend, pervers en vuil. “Op zulke oogenblikken”, merkt Bloch op, “is de man een ander wezen. De “twee zielen” in zijn borst worden werkelijkheid. Is dat de beroemde geleerde, de verheven idealist, de fijn besnaarde aestheticus, de kunstenaar, die ons zooveel mooie werken gegeven heeft in poëzie en schilderkunst? Wij herkennen hem niet meer, want op zulke oogenblikken is een ander wezen aan de oppervlakte gekomen, een andere natuur is in hem in beweging en drijft hem met hetgeweld van een natuurkracht naar dingen, waarvan zijn “hooger bewustzijn” de beschaafde man in hem, zou rillen”. Bloch meent, dat we hier te doen hebben met een soort normaal mannelijk masochisme en dat de prostitutie dient om dat te bevredigen.

Voor zoover het bewijsmateriaal gaat, dient het om aan tetoonen, dat prostituées over het algemeen het type naderen dat we zooals in het voorafgaande deel aangetoond is, met reden kunnen beschouwen als speciaal te wijzen op ontwikkelde sexualiteit. Het is echter onnoodig deze kwestie te bespreken voordat onze anthropometrische kennis van prostituées meer omvattend en meer precies is.3.De moreele rechtvaardiging van de prostitutie.—Er zijn moralisten—zij zijn er altijd geweest en vele van hen zijn menschen wier opinie de ernstigste achting verdient—die meenen, dat mits de hygiënische voorwaarden verbeterd worden, het bestaan van de prostitutie geen ernstig probleem ter oplossing biedt. Ze is, zeggen zij, op zijn slechtst, een noodzakelijk kwaad, en, op zijn best, een weldadige instelling, het bolwerk van het tehuis, de onvermijdelijke keerzijde van het huwelijk. “De immoreele bewaakster van de publieke moraal”, is de definitie van prostituées gegeven door een schrijver, die de zaak van een laag standpunt beschouwt, en een ander, die de zaak meer verheven bekijkt, schrijft: “De prostituée vervult een maatschappelijke zending. Zij is de bewaakster van de maagdelijke kuischheid, het afvoerkanaal voor overspelige begeerte, de beschermster van getrouwde vrouwen, die een laat moederschap vreezen; het is haar rol op te treden als schild voor “het gezin””. “Als vrouwelijke Decii”, zeide Balzac in zijnPhysiologie du Mariagevan prostituées, “offeren zij zich op voor de republiek en maken van haar lichamen een borstwering ter bescherming van respectabele families”. Op dezelfde wijze noemde Schopenhauer prostituées “menschelijke slachtoffers op het altaar der monogamie”. Lecky vereenigt, in een vele malen aangehaalde passage der rhetorica84het hoogere en het lagere standpunt over de prostituée in de menschelijke maatschappij, en hij tracht er zelfs een priesterlijk karakter aan te geven. “Het uiterste type van de ondeugd”, verklaarde hij, “is ten slotte de meest krachtdadige bewaakster van de deugd. Als zij er niet was, zou de ongerepte reinheid van onnoemelijk veel huizen besmet zijn, en niet weinige van de vrouwen, die in den trots van haar niet in verleiding gebrachte kuischheid aan de prostituée denken met een siddering van verontwaardiging, zouden zonder haar de ellenden van berouw en van wanhoop gekend hebben. Op die eene onteerde en onwaardige gestalte zijn al de hartstochten geconcentreerd, die de wereld met schande hadden kunnen vullen. Zij blijft, terwijl geloofsbelijdenissen en maatschappijen opkomen en te gronde gaan, de eeuwige priesteres van de menschelijkheid, bezoedeld door de zonden van het volk”85.Ik weet niet, of de Grieken ernstig gedacht hebben over de moreele rechtvaardiging van de prostitutie. Zij hadden haar geen bijzonder hinderlijke vormen laten aannemen en voor het grootste deel waren ze bereid haar te aanvaarden.De Romeinen namen ze gewoonlijk ook aan, maar, naar ons toeschijnt, niet zoo gemakkelijk. Er was een strenge, ernstige, bijna Puriteinsche geest in de Romeinen van de oude garde en soms schijnen zij de behoefte gevoeld te hebben zich te verzekeren, dat de prostitutie werkelijk moreel te rechtvaardigen was. Het is van belang op te merken, dat zij zich graag in de herinnering brachten dat Cicero gezegd had, dat hij blij was als hij een man uit een bordeel zag komen, omdat hij anders misschien de vrouw van zijn buurman onteerd zou hebben86.De maatschappelijke noodzakelijkheid van de prostitutie is het oudste van al de argumenten van moralisten, die het dulden van prostituées prediken; en als we de eeuwige geldigheid aannemen van het huwelijkssysteem, waarmee tegelijk de prostitutie zich ontwikkeld heeft, en van de theoretische moraal, die op dat systeem gebaseerd is, dan is dit een zeer krachtig, zoo niet een onweerlegbaar argument.De komst van het Christendom, met zijn speciale houding jegens het “vleesch” veroorzaakte noodzakelijk een enorme toename van belangstelling voor de moreele gezichtspunten van de prostitutie. Toen de prostitutie niet veroordeeld werd, werd het natuurlijk noodzakelijk haar te rechtvaardigen; het was niet mogelijk voor een kerk met min of meer ascetische idealen zulk een zaak met welwillende onverschilligheid te behandelen. Als regel schijnen we wel overal te vinden, dat de meer onafhankelijke geestelijken, die geen verantwoording hadden, geneigd waren ze te veroordeelen, terwijl die theologen, die de zware verantwoordelijkheden van kerkelijk staatmansschap op hun schouders geladen hadden, over ’t algemeen getoond hebben de prostitutie te rechtvaardigen, zij het dan ook aarzelend. Hiervan hebben we een uiterst belangrijk voorbeeld in den heiligen Augustinus, na den heiligen Paulus den voornaamsten stichter van de Christelijke kerk. In een verhandeling in 386 geschreven om de goddelijke regeling van de wereld te rechtvaardigen, verklaart hij dat, evenals de beul, hoe terugstootend hij ook zijn mag, een noodzakelijke plaats in de maatschappij inneemt, evenzoo de prostituée en haars gelijken, hoe vuil en leelijk en slecht zij ook zijn mogen, noodzakelijk zijn;verban de prostituées uit de maatschappij en gij zoudt de wereld met wellust bezoedelen: “Aufer meritrices de rebus humanis, turbaveris omnia libidinibus”87. Aquino, de eenige theologische denker van het Christendom, die tegelijk met Augustinus genoemd kan worden, was in deze kwestie van de prostitutie van dezelfde meening als hij. Hij hield vol, dat ontucht doodzonde was, maar hij nam de noodzakelijkheid aan van de prostitutie, als een nuttig deel van den bouw der maatschappij, en hij vergelijkt ze bij de afvoerkanalen van een paleis88. “Prostitutie in steden is gelijk aan het riool in een paleis; neem de riolen weg en het paleis wordt een onreine, stinkende plaats”. Liquori, de meest invloedrijke theoloog van den nieuweren tijd, was van dezelfde meening.Deze aarzelende en half toegevende houding jegens de prostitutie hebben de theologen inderdaad over het algemeen aangenomen. Sommige wilden, in navolging van Augustinus en Aquino, de prostitutie dulden om grooter kwaad te voorkomen; anderen waren er geheel en al tegen; en weer anderen wilden ze in de steden toelaten, maar nergens anders. Het werd echter algemeen door theologen aangenomen, dat de prostituée recht heeft op haar loon, en dat ze niet verplicht is het terug te geven89. De vroegere moralisten van het Christendom vonden het niet moeilijk staande te houden, dat er geen zonde in is een huis te verhuren aan een prostituée tot het uitoefenen van haar bedrijf; absolutie werd hiervoor altijd gegeven en onthouding niet geëischt90. Ontucht bleef echter altijd een zonde en van de twaalfde eeuw af heeft de kerk een reeks van pogingen gedaan om prostituées te bekeeren. Alle Katholieke theologen zijn van meening, dat een prostituée verplicht is de zonde der prostitutie te biechten, en de meeste theologen, hoewel niet alle, hebben gemeend, dat ook een man den omgang met een prostituée moet biechten. Terzelfder tijd, dat er een zekere toegevendheid was jegens de prostituée zelf, was de kerk altijd zeer streng jegens hen, die leefden van de voordeelen van het bevorderen van de prostitutie, jegens delenones. Zoo weigerde het Concilie van Elvira, dat bereid was zonder boetedoening de prostituée die trouwde, te ontvangen, absolutie te geven, zelfs bij hun dood, aan personen, die schuldig geweest waren aanlenocinium91.Het protestantisme, dat den biechtstoel opgeruimd had, kon indeze, evenals in vele andere zaken van sexueele moraal gewoonlijk aan de noodzakelijkheid ontsnappen eenige bepaalde en verantwoordelijke uitleggingen te geven over de moreele positie van de prostitutie. Zoo het al eenige meening te kennen gaf, of eenige praktische voorschriften trachtte in te leiden, dan grondde het zich natuurlijk op de bijbelsche bevelen tegen de ontucht, zooals ze uitgedrukt zijn door den heiligen Paulus, en het toonde geen genade voor de prostitutie, noch verdraagzaamheid. Deze houding, de houding der Puriteinen, was des te gemakkelijker in Protestantsche landen, met uitzondering van speciale districten op bepaalde tijden—zooals Genève en Nieuw-Engeland in de zeventiende en de achttiende eeuw—omdat theologen in deze landen eerder geroepen zijn geweest godsdienstige vermaningen te geven dan praktische politiek toe te passen. Deze laatste taak hebben ze aan anderen overgelaten, en zoo is er dikwijls een zekere verwarring en onzekerheid ontstaan in den geest van den protestantschen leek. Deze weifelende houding der theologen wordt in Engeland zeer duidelijk gemaakt door Burton, een nadenkend en ernstig auteur, die een eeuw na de hervorming schrijft. Hij verwijst met gemengden bijval naar “onze Pseudo-Katholieken”, die streng zijn jegens echtbreuk, maar toegevend jegens ontucht; zij zijn het misschien eens met Cato, dat de laatste aangemoedigd moet worden om erger verkeerdheden thuis te vermijden, en die meent, dat bordeelen “even noodzakelijk zijn als kerken” en dat het goed is heele huizen“vol courtisanen in de steden te houden”. “Zij houden het voor onmogelijk”, gaat hij voort, “dat niets uitvoerende jonge menschen als ze jong, rijk en vroolijk zijn, dat zooveel knechts en monniken, fatsoenlijk zouden leven, zij noemen het een te tyrannieken last hen te dwingen kuisch te zijn, en kunnen absoluut niet toestaan, dat arme mannen, jongere broeders of soldaten trouwen zouden, evenmin als zieke menschen, ordebroeders, priesters of bedienden. Om dus zoowel den een als den ander tevreden te stellen, verdragen zij deze soort van bordeelen en schuilhoeken en doen er een oogje voor toe. Vele argumenten hebben zij om te bewijzen, dat ze wettig en noodzakelijk zijn, en dat ze geduld moeten worden, evenals de woeker; zonder kwestie is er in de politiek niets tegen in te brengen, maar veel in den godsdienst”92.Niet voor het begin van de volgende eeuw is het oude argument van Augustinus ter moreele rechtvaardiging van de prostitutie in het protestantsche Engeland moedig en beslist uiteengezet door Bernard Mandeville in zijnFable of the Bees; toen het boek voor het eerst uitkwam, scheen men het zoo stuitend te vinden, dat het verboden werd. “Als courtisanen en sletten vervolgd moestenworden met zooveel gestrengheid als sommige menschen het zouden willen”, schreef Mandeville, “wat voor sleutels en grendels zouden we dan wel moeten hebben om de eer van onze vrouwen en meisjes te bewaren?… Het is duidelijk, dat het noodig is een deel der vrouwen op te offeren om het andere deel te beschermen en vuilheid van nog erger soort te voorkomen. Daaruit meenikdat ik met recht mag besluiten, dat kuischheid gesteund kanworden door uitspatting, en dat de beste der deugden de hulp noodig heeft van de ergste der ondeugden”93. Na den tijd van Mandeville begon deze beschouwing van de prostitutie gewoon te worden in protestantsche zoowel als in andere landen, hoewel ze gewoonlijk niet zoo duidelijk uitgedrukt werd.Het kan van belang zijn een paar meer moderne voorbeelden samen te brengen van gezegden, die voor de moreele rechtvaardiging van de prostitutie spreken.Zoo legt in Frankrijk Meusnier de Querlon in zijn geschiedenis vanPsaphion, geschreven in het midden van de achttiende eeuw, vele zeer belangwekkende overdenkingen over het leven en de positie van de prostituée in den mond van een Grieksche courtisane. Zij verdedigt haar beroep met veel bekwaamheid en zegt dat, terwijl mannen zich verbeelden dat prostituées alleen maar de verachte slachtoffers zijn van hun genoegens, deze vermeende tyrannen in werkelijkheid het slachtoffer worden; dat zij de behoeften bevredigen van de vrouwen, die zij onder hun voeten vertrappen, en dat zij zelve in gelijke mate de verachting verdienen, waarmee zij haar behandelen. “Wij betalen walging met walging, zooals zij zeker wel moeten bemerken. Wij geven hun dikwijls niets dan een standbeeld, en als zij zich verhit aan ongevoelige bekoorlijkheden te goed doen, genieten wij in rustige koelheid hun zinnelijkheid. Dan hernemen wij onze rechten. Wat warm bloed heeft deze trotsche schepsels aan onze voeten gebracht en ons meesteressen gemaakt van hun lot. Aan welke zijde, vraag ik u, is het voordeel?” Maar alle mannen, voegt zij er bij, zijn niet zoo onrechtvaardig jegens de prostituée, en zij gaat voort, niet zonder lichte ironie, een lofrede te houden op het nut, het gemak en de voordeelen van het bordeel.Een groot aantal van de moderne schrijvers over de prostitutie noemen met nadruk den maatschappelijk weldadigen aard ervan. Zoo eindigt Charles Richard zijn boek over dit onderwerp met deze woorden: “Het gedrag van de maatschappij jegens de prostitutie moet uitgaan van het principe van dankbaarheid zonder valsche schaamte, voor het nut ervan en medelijden voor de arme schepsels, ten koste van wie dit nut verkregen wordt” (La Prostitution devant le Philosophe, 1882, p. 171). “Het huwelijk duurzaam maken is het moeilijk maken”, merkt een Amerikaansch medisch schrijver op; “het moeilijk maken is het uitstellen; het uitstellen is in de gemeenschap houden een toenemend aantal sexueel volkomen individuen, met normale, of in gevallen waar langdurige onderdrukking is geweest, overmatige sexueele begeerte. Het maatschappelijk kwaad is het natuurlijk gevolg van de physieke natuur van den mensch, zijn geërfde impulsen, en de kunstmatige omstandigheden, waaronder hij gedwongen is te leven” (“The Social Evil”,Medicine, Augustus en September, 1906). Woods Hutchinson beschouwt, terwijl hij met sterke afkeuring van de prostitutie spreekt en prostituées beschouwt als “de ergste exemplaren van haar sekse”, toch de prostitutie als een maatschappelijke werking van de hoogste waarde. “Uit een medisch-economisch gezichtspunt noem ik haar eenvan de groote selectieve en elimineerende factoren van de natuur en van de hoogste waarde voor de gemeenschap. We kunnen ze in het ruwe karakteriseeren als een veiligheidsklep voor de instelling van het huwelijk” (The Gospel According to Darwin, p. 193;cf.het artikel van denzelfden schrijver over “The Economics of Prostitution”, opgesomd inBoston Medical and Surgical Journal, November 21, 1895). Adolf Gerson zegt in ongeveer denzelfden geest (“Die Ursache der Prostitution”,Sexual-Probleme, September 1908), dat “prostitutie een van de middelen is die de natuur gebruikt om de teelkracht der menschen te beperken, en vooral om den tijd der sexueele rijpheid te verschuiven”. Molinari meent, dat de maatschappelijke voordeelen van de prostitutie van het begin af op verschillende wijzen tot uiting zijn gekomen; door bijvoorbeeld de meer overmatige uitingen van de sexueele impuls onvruchtbaar te maken nam de prostitutie de noodzakelijkheid weg van kindermoord op overtollige kinderen en leidde ze tot het tegengaan van die primitieve methode om de bevolking te beperken (G. de Molinari,La Viriculture, p. 45). Op geheel andere wijze dan die, vermeld door Molinari, heeft de prostitutie zelfs in zeer late tijden geleid tot het laten varen van kindermoord. In de Chineesche provincie Ping-Yang zegt Matignon, was het vele jaren geleden niet ongewoon voor arme ouders om 40 percent van hun pasgeboren meisjes te dooden, of zelfs allemaal, want zij waren te duur om ze op te voeden en ze brachten niets in, omdat mannen, die wilden trouwen, gemakkelijk een vrouw konden krijgen in de naburige provincie Wenchu, waar vrouwen zeergemakkelijkte krijgen waren. Nu maakt echter de betere verbinding met Shang-Hai per stoomboot het zeer gemakkelijk voor meisjes de bordeelen van Shang-Hai te bereiken, waar zij geld kunnen verdienen voor haar families; de gewoonte haar te dooden is daarom uitgestorven (Matignon,Archives d’Anthropologie Criminelle, 1896. p. 72). “Onder de tegenwoordige omstandigheden”, schrijft Dr. F. Erhard (“Auch ein Wort zur Ehereform”,Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang 1, Heft 9), “is prostitutie (in de ruimste beteekenis, vrije verhoudingen medegerekend) noodig, opdat jonge menschen de vrouwen eenigermate kunnen leeren kennen, want conventioneele conversatie is daarvoor niet voldoende; een juiste kennis van de vrouwelijke gedachtengang is echter noodig voor een goede keuze, daar het maar zelden mogelijk is zich te verlaten op de betrouwbaarheid van het instinct. Het is ook goed, dat mannen zich de horens afloopen vóor het huwelijk, want de polygame neiging zal ergens doorbreken. De prostitutie zal alleen die mannen bederven, aan wie niet veel te bederven is, en als zij zoo het verlangen naar het huwelijk verliezen, dan zouden hun ongeboren kinderen reden hebben dankbaar te zijn”. Neisser, Näcke en vele anderen hebben voor de prostitutie gepleit en zelfs voor bordeelen, als “noodzakelijk kwaad”.Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat velen zelfs van de sterkste voorstanders van de moreele voordeelen der prostitutie meenen, dat eenige verbetering nog wel wenschelijk is. Zoo verwacht Bérault een tijd, waarop van overheidswege bewaakte bordeelen minder veracht zullen zijn. Verschillende verbeteringen kunnen ze, meent hij, in de naaste toekomst “ontdoen van de barbaarsche eigenschappen, die ze voor de sceptische of onwetende menigte verachtelijk maken, terwijl hun tastbare voordeelen een einde zullen maken aan de minachting, die opgewekt wordt door hun cynisch aanzien” (La Maison de Tolérance, Thèse de Paris, 1904).4.De beschavingswaarde van de prostitutie.—Het moreele argument voor de prostitutie is gebaseerd op het geloof, dat ons huwelijkssysteem zoo oneindig kostbaar is, dat een instelling, die als bolwerk ervoor dient in stand gehouden moet worden, hoe leelijk of hoe verwerpelijk op zich zelf zij ook is. Er is echter een ander argument ter ondersteuning van de prostitutie, waaropternauwernood de nadruk valt dien het verdient. Ik bedoel haar invloed, voor zoover ze een element van vroolijkheid en afwisseling, dat op een of andere wijze noodzakelijk is, voegt in de geordende samenstelling van het moderne leven, een verlichting van den sleur der mechanische routine een afleiding in de saaie en fatsoenlijke eentonigheid ervan. Dit is wat anders dan de meer specifieke functie van de prostitutie als een veiligheidsklep voor overtollige sexueele energie, en dit kan zelfs van beteekenis worden voor hen, die weinig of geen omgang hebben met prostituées. Dit element kunnen we noemen de beschavingswaarde van de prostitutie.Het zijn niet alleen de algemeene eigenschappen van de beschaving, maar meer speciaal de eigenschappen van het stadsleven, die dezen factor van beteekenis maken. Het stadsleven legt door den druk van de concurrentie een zeer strenge en veel krachten eischende routine op van vervelend werk. Terzelfder tijd maakt het mannen en vrouwen meer gevoelig voor nieuwe indrukken, meer verlangend naar opwinding en verandering. Het vermeerdert de gelegenheden tot maatschappelijken omgang; het vermindert de kansen op ontdekking van onwettigen omgang, terwijl het meteen het sluiten van een huwelijk verzwaart, want doordat het de maatschappelijke ambities en de uitgaven verhoogt, verschuift het den tijd, waarop een huisgezin kan opgezet worden. Het stadsleven verschuift het huwelijk en maakt toch de middelen van vergoeding voor het huwelijk meer dringend noodzakelijk94.Er kan niet de minste twijfel aan zijn, dat dit de beweegreden is—de poging om de onvolkomen gelegenheden voor zelfontwikkeling, die onze mechanische en arbeidzame maatschappij vol beperkingen aanbiedt, aan te vullen—die een van de voornaamste oorzaken vormt, die vrouwen er toe brengt, tijdelijk of voor goed, het leven van prostituée te kiezen. Wij hebben gezien, dat de economische factor, zooals vroeger gemeend werd, geenszins de hoofdrol speelt bij deze keuze. En er is ook geen reden om te veronderstellen, dat een buitengewoon sterke sexueele impuls de leidende factor is. Maar een groot aantal jonge vrouwen keeren zich instinctief naar het leven van prostituée, omdat zij bewogen worden door een duisteren drang, die ze haast zelf niet kunnen verstaan of uitleggen, en waarvan ze zich dikwijls schamen hem te openbaren. Het is daarom verwonderlijk, dat deze beweegreden zoo’n groote plaats inneemt, zelfs in de formeele statistiekenvan de prostitutie. Merrick vond in Londen, dat 5000, of bijna een derde van de prostituées, die hij onderzocht, met liefde een tehuis of een betrekking opgaven “voor een leven van pleizier”, en hij acht dit de hoofdreden voor de prostitutie95. In Amerika vond Sanger dat “neiging” bijna bovenaan stond onder de oorzaken voor de prostitutie, terwijl Woods Hutchinson vond, dat “liefde tot vertoon, weelde en ijdelheid” op verre na de eerste plaats innamen. “Verveling en tegenzin tegen het werk” is de reden, die aangegeven wordt door een groot aantal Belgische meisjes, als zij aan de politie haar wensch te kennen geven om als prostituées ingeschreven te worden. In Italië meent men, dat een gelijke beweegreden een belangrijke rol speelt. In Rusland komt “verlangen naar vermaak” op de tweede plaats onder de oorzaken van de prostitutie. Ik geloof, dat er geen twijfel aan kan zijn, dat, zooals een oplettend waarnemer van het Londensche leven gezegd heeft, het probleem van de prostitutie “in den grond is een wild en onweerstaanbaar verlangen naar opwinding, een ernstige en opzettelijke opstand tegen de eentonigheid van alledaagsche idealen, en de geestdoodende verveling van het alledagsleven”96. Het is deze factor van de prostitutie, mogen we redelijker wijze besluiten, die voornamelijk verantwoordelijk is voor het feit, waarop F. Schiller97gewezen heeft, dat met de ontwikkeling van de beschaving de toevoer van prostituées neiging heeft grooter te worden dan de vraag.Charles Booth schijnt van dezelfde meening te zijn, en citeert (Life and Labor of the People, Third Series, deel VII, p. 364) uit een rapport van een reddingsgenootschap: “De algemeene opvatting is, dat deze vrouwen verlangend zijn een leven van zonde te verlaten. De duidelijke en eenvoudige waarheid is, dat zij, voor het meerendeel, in het geheel geen behoefte hebben om gered te worden. Zoovele van deze vrouwen beschouwen de prostitutie niet als een zonde en willen ze niet als zoodanig beschouwen. “Ik word iederen avond meegenomen om in een restaurant te eten en daarna naar een publieke vermakelijkheid te gaan; waarom zou ik dat opgeven?””Merrick, die vond, dat vijf percent van de 14.000 prostituées, die in de Millbank gevangenis kwamen, gewend waren godsdienstige gebruiken te vereenigen met het uitoefenen van haar beroep, zegt ook naar aanleiding van haar gevoelens over moraal: “Ikben er van overtuigd, dat er vele arme mannen en vrouwen zijn, die in het geheel niet begrijpen, wat het woord “immoraliteit” beteekent. Uit beleefdheid zullen ze misschien ja zeggen op wat ge zegt, maar zij begrijpen uw bedoeling niet als gij spreekt van deugd of reinheid; gij spreekt eenvoudig over hen heen” (Merrick,op.cit., p. 28). Dezelfde houding kan men overal onder prostituées vinden. In Italië vermeldt Ferriani een meisje van vijftien jaar, dat, toen ze beschuldigd werd van onbetamelijkheid met een man in een park, met veel tranen en veel verontwaardiging ontkende. Hij bracht haar eindelijk tot bekentenis, en vroeg haar toen: “Waarom heb je geprobeerd mij te doen gelooven, dat je geen kwaad gedaan hadt?” Zij aarzelde, glimlachte, en zeide: “Omdatzij zeggen, dat meisjes niet moeten doen, wat ik doe, maar dat ze moeten werken. Maar ik ben, wat ik ben, en het gaat hen niet aan”. Deze houding is dikwijls meer dan een instinctief gevoel; bij intelligente prostituées wordt het dikwijls een wel-overwogen overtuiging. “Ik kan alles dragen, als het moet”, schreef de schrijfster van hetTagebuch einer Verlorenen(p. 291), “zelfs ernstige en edele minachting, maar geen spot. Minachting—ja, als ze verdiend is. Als een arm en mooi meisje met een moe en bitter hart alleen staat in de wereld, van alles uitgesloten, omringd door verzoekingen en verleidingen, die zich aan alle kanten aanbieden, en als ze dan toch, uit innerlijke overtuiging het grauwe en eentonige pad kiest van verzaking en van de burgerlijke moraal, dan erken ik in dat meisje een persoonlijkheid, die een zeker recht heeft met minachtend medelijden neer te zien op zwakkere meisjes. Maar die ganzen, die, onder de oogen van haar hoeders en levenslange eigenaars altijd op zachte groene weiden gegraasd hebben, hebben zeker geen recht minachtend te lachen over haar, die niet zoo gelukkig geweest zijn”. En we moeten niet meenen, dat er noodzakelijk eenig sophisme behoeft te wezen in de zelf-rechtvaardiging van de prostituée. Sommige van onze beste denkers en waarnemers zijn tot een conclusie gekomen, die niet ongelijk is aan deze. “De werkelijke toestanden van de maatschappij verzetten zich tegen ieder hoog moreel gevoel in vrouwen”, merkt Marro op (La Pubertà, p. 462), “want tusschen haar, die zich verkoopen in prostitutie en haar, die zich verkoopen in het huwelijk, bestaat het eenige verschil in den prijs en den duur van het contract”.Wij hebben reeds gezien welk een groot percentage in de prostitutie geleverd wordt door haar, die den huiselijken dienst verlaten hebben om dit leven te volgen (Antep. 264). Het is niet moeilijk in dit feit een bewijs te vinden voor de soort van impuls, die er een vrouw toe drijft de loopbaan van prostituée te kiezen. “De dienstbode, in onze maatschappij van gelijkheid”, schreef Goncourt, nadat hij vroegere tijden in de herinnering gebracht heeft, toen haar dikwijls een plaats ingeruimd werd in het familieleven, “is niets anders geworden dan een betaalde paria, een machine voor het doen van huishoudelijk werk, en het wordt haar niet langer toegestaan het menschelijk leven van haar werkgever te deelen”98. En in Engeland, vinden we, zelfs al een halve eeuw geleden, de zelfde gezegden over de positie van de dienstbode: “huiselijke dienst is een volkomen slavernij”, met vroege uren en late uren en voortdurend trappen op en neer loopen, tot de benen gezwollen zijn; “er schijnt dikwijls een mate van vernuft gebruikt te worden, een betere zaak waardig, om de grootstmogelijke hoeveelheid werk uit de huiselijke machine te halen”; bovendien is zij “een soort bliksemafleider” voor het slechte humeur en de ziekelijke gevoelens van haar meesteres en van de jonge dames; zoodat, als sommigen gezegd hebben, “ik mij zoo ellendig voelde, dat het me niet kon schelen wat er van me terecht kwam, ik wilde maar, dat ik dood was”99. De dienstbode staat buiten alle menschelijke verhoudingen; zij mag niet het bestaan verraden van een eenvoudige impuls of natuurlijke behoefte. Tevens leeft zij op den rand der weelde; zij is omringd door de tantaliseerende visioenen van genoegen en amusement, waarnaar haar frissche jonge natuur verlangt100. Het kan geen verwondering wekken dat zij, overwerkt en aangetrokken door lediggang vol genot den eenigen sprong doet, die haar in staat zal stellen te genieten van de schitterende zijden der beschaafde maatschappij, die haar zoo begeerlijk toeschijnen101.Er wordt soms gezegd, dat het overheerschend veel voorkomen van de prostitutie onder meisjes, die vroeger dienstboden waren, komt, doordat zoo ontzettend veel dienstmeisjes verleid worden door den heer des huizes of door de jonge heeren van de familie, waar zij dienen, en zoo de straat op gedreven worden. Dit is ongetwijfeld in een zeker aantal gevallen, misschien soms in een vrij aanzienlijk aantal, een beslissende factor, maar het schijnt wel nauwelijks de hoofd-factor te zijn. Het bestaan van betrekkingen tusschen dienstboden en heeren des huizes, moeten we bedenken, sluit geenszins noodzakelijk verleiding in. In een groot aantal gevallen is de dienstbode in een huishouden, in sexueele zaken, eer de leermeesteres dan de leerling. (In “The Sexual Impulse in Women”, in een ander werk van mijn hand, heb ik de rol besproken, die dienstmeisjes spelen als inwijdsters in sexueele zaken van de jonge jongens, in de huishoudens waarin ze geplaatst zijn). De meer preciese statistieken der oorzaken van de prostitutie geven zelden verleiding aan als de voornaamste oorzaak in meer dan ongeveer 20 percent van de gevallen, hoewel dit klaarblijkelijk een van de beweegredenen is, die het gemakkelijkst te bekennen is (zieantep. 256). Verleiding door een of anderen werkgever vormt maar een deel (gewoonlijk minder dan de helft) zelfs van deze gevallen. Het speciale geval van verleiding van dienstboden door den heer des huizes kan dus geen zeer groote rol spelen als factor bij de prostitutie.De statistieken over de afkomst van onwettige kinderen hebben ook eenige betrekking op deze zaak. In een serie van 180 ongehuwde moeders, die geholpen zijn door den Berlijnschen bond voor moederbescherming, wordenbijzonderheden gegeven over de bezigheden der moeders, en voor zoover mogelijk, ook van de vaders. De moeders waren voor een derde dienstmeisjes, en de groote meerderheid van de rest waren winkeljuffrouwen, of meisjes, die thuis werkten. Bij de vaders (van de 120 gevallen) kwamen bovenaan werklui (33), dan kooplui (22); maar een klein aantal (20 tot 25) kon beschreven worden als “heeren”, en zelfs dit aantal verliest iets van zijn beteekenis als er op gewezen wordt, dat sommige van de meisjes ook van de middelklasse waren; in negentien gevallen waren de vaders getrouwde mannen (Mutterschutz, Januari, 1907, p. 45).De meeste autoriteiten in de verschillende landen zijn van meening, dat meisjes, die prostituée worden (gewoonlijk tusschen de vijftien en de twintig jaar) haar maagdelijkheid op jeugdigen leeftijd verloren hebben, en in de groote meerderheid der gevallen door mannen van haar eigen klasse. “Het meisje uit het volk valt door het volk”, zeide Reuss in Frankrijk (La Prostitution, p. 41). “Het zijn haars gelijken, werklieden evenals zij, die de eerste vruchten plukken van haar schoonheid en haar maagdelijkheid. De man van de wereld, die haar met goud en juweelen belaadt, krijgt alleen wat zij overlaten”. Ook Martineau (De la Prostitution Clandestine, 1885) toonde aan, dat prostituées gewoonlijk onteerd worden door mannen van haar eigen klasse. En Jeannel, in Bordeaux vond reden om te gelooven, dat het niet voornamelijk haar meesters zijn, die dienstmeisjes verleiden; zij gaan dikwijls in dienst, omdat ze op het land verleid zijn, terwijl luie, begeerige en domme meisjes van het land naar de stad gestuurd worden om te dienen. In Edinburg vond W. Tait (Magdalenism, 1842), dat soldaten meer dan eenige andere klasse in de gemeenschap de verleiders zijn van vrouwen, en dat vooral de Hooglanders in dit opzicht bekend zijn. Soldaten hebben deze reputatie overal, en vooral in Duitschland vindt men steeds, dat de tegenwoordigheid van soldaten in een plaats op het platteland, zooals bij de jaarlijkschemanoeuvres, de oorzaak is van onkuischheid en onwettige geboorten; zoo is het ook in Oostenrijk, waar lang geleden Gross-Hoffinger heeft geconstateerd, dat soldaten verantwoordelijk waren voor ten minste een derde van alle onwettige geboorten, een aandeel, dat geheel buiten verhouding is tot hun aantal. In Italië vond Morro, bij zijn onderzoekingen naar de oorzaak van het verlies der maagdelijkheid bij twee en twintig prostituées, dat tien zich min of meer spontaan gaven aan minnaars of meesters, dat tien zwichtten in de verwachting van een huwelijk, en dat twee verkracht waren (La Pubertà, p. 461). Het verlies van de maagdelijkheid, hoewel het misschien niet de eerste oorzaak van de prostitutie is, leidt er toch dikwijls toe. “Als een deur eenmaal opengebroken is”, zeide een prostituée tot hem, “dan is het moeilijk ze gesloten te houden”. In Sardinië zijn, zooals A. Mantegazza en Ciuffo vonden, prostituées zeer dikwijls dienstmeisjes van het land, die reeds onteerd zijn door mannen van haar eigen klasse.Deze beschavingsfactor van de prostitutie, de invloed van weelde en opwinding en verfijning, die het meisje uit het volk aantrekken, zooals de vlam de mot aantrekt, blijkt uit het feit, dat het de bewoonsters van het land zijn, die voornamelijk voor de bekoring bezwijken. De meisjes, wier jonge ontvlambare en orgiastische impulsen, soms aangewakkerd door een klein aangeboren gebrek aan zenuw-evenwicht, latent gebleven zijn in de saaie eentonigheid van het leven op het land, vinden eindelijk haar volkomen bevrediging in de loopbaan van prostituée. Voor het stadsmeisje, dat in de stad is geboren en opgevoed, heeft deze loopbaan gewoonlijk niet veel aantrekkingskracht, tenzij zij van het begin af aan opgevoed is in een omgeving, die haar predisponeert om zete kiezen. Zij is van haar jeugd af gewoon aan de prikkels van de steedsche beschaving en zij bedwelmen haar niet; zij is, bovendien beter in staat op zich zelf te passen dan het meisje van het land, en ze weet te veel van de werkelijke feiten van het leven der prostituée, om zeer verlangend te zijn haar loopbaan te kiezen. Bovendien bezit de familie waartoe zij behoort, waarschijnlijk ook een aangeboren of verkregen weerstandsvermogen tegen de evenwicht-verstorende invloeden, dat het hun mogelijk gemaakt heeft zich in het stadsleven staande te houden. Zij is immuun geworden tegen de vergiften van dat leven102.In alle groote steden is een groot deel, zoo niet de meerderheid van de inwoners, gewoonlijk buiten de stad geboren (in Londen zijn maar vijftig percent van de hoofden van gezinnen bepaald vermeld als in Londen geboren); en het is dus niet te verwonderen, dat ook prostituées dikwijls van buiten de stad komen. Toch blijft het een feit van beteekenis, dat een zoo typisch steedsch verschijnsel als de prostitutie, in zoo ruime mate van nieuwe leden voorzien wordt van het land. Dit is overal het geval. Merrick noemt de streken op, waar 14.000 prostituées vandaan kwamen, die in de Millbank gevangenis terecht kwamen. Middlesex, Kent, Surrey, Essex en Devon zijn de graafschappen, die bovenaan staan, en Merrick taxeert het aantal voor Londen uit de vier graafschappen, die Londen vormen, op 7000, of de helft van het geheel; militaire steden, zooals Colchester en marine-havens, zooals Plymouth, voorzien Londen van veel prostituées; Ierland levert er veel meer dan Schotland, en Duitschland veel meer dan eenig ander Europeesch land, terwijl Frankrijk bijna in het geheel niet vertegenwoordigd is (Merrick,Work Among the Fallen, 1890, pp. 14–16). Het is natuurlijk mogelijk, dat de verhoudingen onder haar, die in een gevangenis komen, niet nauwkeurig de verhoudingen weergeven der prostituées in het algemeen. De lijsten van het Londensche reddingshuis van het Leger des Heils wijzen er op, dat zestig percent van de meisjes en de vrouwen van buiten komen (A. Sherwell,Life in West London, hoofdst. V). Dit is precies dezelfde verhouding die Tait een halve eeuw vroeger, onder prostituées in het algemeen, in Edinburg vond. Sanger zegt, dat van de 2000 prostituées in New-York er wel 1238 in het buitenland geboren waren (706 in Ierland), terwijl van de overige 762 de eene helft geboren was in den staat New-York, en een beslist (hoewel de juiste getallen niet aangegeven zijn) nog kleinere verhouding in de stad New-York. Prostituées komen uit het Noorden—waar het klimaat onpleizierig is, en waar fabrieksarbeid en zittende bezigheden het meest voorkomen—veel meer dan uit het Zuiden; zoo zond Maine, een koude, gure zeestaat, vier en twintig van deze prostituées naar New-York, terwijl Virginië, op denzelfden afstand liggende, dat er naar denzelfden maatstaf gerekend twee en zeventig moest gestuurd hebben, er maar negen zond; er was een zelfde verschil tusschen Rhode Island en Maryland (Sanger,History of Prostitution, p. 452). Het is leerrijk hier den invloed op te merken van een somber klimaat en eentonigen arbeid op het aanwakkeren van de begeerte naar een “leven van pleizier”. In Frankrijk is er, zooals op een kaart in het werk van Parent-Duchâtelet aangetoond wordt (deel I, pp. 37–64, 1857) als het land verdeeld wordt in vijf gordels, die van Oost naar West loopen, een voortdurende vermindering in het aantal prostituéesdat iedere gordel naar Parijs zendt, naarmate we verder Zuidwaarts komen. Weinig meer dan een derde schijnt tot Parijs te behooren, en, evenals in Amerika, is het het ernstige en hard werkende Noorden met zijn betrekkelijk koud klimaat, dat het grootste contingent levert; zelfs in het oude Frankrijk merkt Dufour op (op. cit., deel IV, hoofdst. XV), was prostitutie, zooals blijkt uit defabliauxenromans, minder schandelijk in delangue d’oildan in delangue d’oc, zoodat zij ongetwijfeld zeldzaam was in het Zuiden. Op een later tijd zegt Reuss (La Prostitution, p. 12) dat “bijna al de prostituées uit Parijs van buiten komen”. Jeannel merkte op, dat van de duizend prostituées uit Bordeaux er maar zes en veertig in de stad thuis behoorden, en Potton (Appendix bij Parent-Duchâtelet, deel II, p. 446) zegt, dat van bijna vier duizend prostituées uit Lyon er maar 376 uit Lyon zelf waren. In Weenen merkt Schrank, in 1873, op, dat van meer dan 1500 prostituées er maar 615 in Weenen geboren waren. De algemeene regel is, zooals we zullen gezien hebben, hoewel de variaties vele zijn, dat weinig meer dan een derde van de prostituées van een stad stadskinderen zijn.Het is opmerkelijk dat deze neiging van de prostituée om van ver naar steden toe te komen, deze zwervende neiging—die zij tegenwoordig gemeen heeft met de kellners—niet een modern verschijnsel is. “Er zijn weinig steden in Lombardije, of Frankrijk, of Gallië”, schreef de heilige Bonifacius, “waar niet een echtbreekster is of een prostituée van de Engelsche natie”, en de heilige schrijft dit toe aan de gewoonte der pelgrimstochten naar buitenlandsche heilige plaatsen. In den tegenwoordigen tijd is er geen duidelijk merkbaar Engelsch element onder de prostituées van het vasteland. Zoo zijn in Parijs volgens Reuss (La Prostitution, p. 12) de buitenlandsche prostituées in afnemende orde Belgisch, Duitsch (Elzas-Lotharingen), Zwitsersch (vooral uit Genève), Italiaansch, Spaansch, en eerst dan Engelsch. Kenners in deze zaak zeggen dat de Engelsche prostituée, in vergelijking met haar zuster van het vasteland (en vooral uit Frankrijk), niet voordeelig uitkomt, omdat ze gewoonlijk hebberig is in geldzaken en niet zeer bekoorlijk.Het is de beschaving, hoewel niet het fijnste en het beste in de beschaving, die meer dan iets anders vrouwen roept tot de prostitutie. Het is noodig er op te wijzen dat ook de man door diezelfde beschaving tot de prostitutie gedreven wordt. De gewone en op onwetendheid berustende veronderstelling, dat de prostitutie bestaat om de grove zinnelijkheid van den jongen ongehuwden man te bevredigen, en dat, als hij geleerd heeft grove sexueele impulsen te bedwingen of er toe gebracht is vroeg te trouwen de prostituée geen bezoek zal ontvangen, is volkomen onjuist. Als alle mannen heel jong trouwden, dan zou niet alleen het geneesmiddel erger zijn dan de kwaal—het is hier de plaats niet dat punt verder te bespreken—maar het middel zou de kwaal niet genezen. De prostituée is iets meer dan een kanaal om overtollige sexueele energie af te voeren, en haar aantrekkingskracht houdt in het geheel niet op te bestaan als mannen getrouwd zijn, want een groot aantal van de mannen die prostituées bezoeken, zoo niet de meesten, zijn getrouwd. En toch, of zij getrouwd zijn of ongetrouwd, de beweegreden die hen naar de prostituée voert, is niet uitsluitend wellust.In Engeland, merkt een schrijver, die goed op de hoogte is, op, dat “de waarde van het huwelijk als moreele factor blijkt uit het feit, dat al de betereprostituées in Londen bijna geheel onderhouden worden door getrouwde mannen”, terwijl ook in Duitschland, zooals in een belangwekkende serie van herinneringen van een vroegere prostituée,Beichte einer Gefallenendoor Hedwig Hard (p. 208), gezegd wordt, de meeste mannen, die prostituées bezoeken, getrouwd zijn. Deze bewering is waarschijnlijk overdreven. Neisser zegt dat maar vijf en twintig percent van gevallen van gonorrhoe voorkomen bij getrouwde mannen. Deze opgave is waarschijnlijk onjuist in omgekeerden zin, omdat getrouwde mannen zich in het verkeer met prostituées meestal zeer in acht nemen, meer dan de jonge en ongetrouwde mannen. Wat de beweegreden aangaat, die getrouwde mannen tot de prostitutie brengt, vertelt Hedwig Hard uit haar eigen ervaringen een voorval, dat leerzaam en ongetwijfeld typisch is. In de stad, waar zij rustig als prostituée woonde, werd een man van den hoogsten maatschappelijken stand door een vriend bij haar geïntroduceerd, en bezocht haar regelmatig. Zij had dikwijls zijn vrouw gezien en bewonderd, die een van de gevierde schoonheden van de plaats was en twee lieve kinderen had; man en vrouw schenen elkander zeer genegen, en ieder benijdde hen hun geluk. Hij was een man van verstand en beschaving, die Hedwig’s liefde tot boeken aanmoedigde; zij geraakte zeer aan hem gehecht en eens waagde zij hem te vragen hoe hij zijn lieve, mooie vrouw kon verlaten om naar iemand toe te gaan, die niet waard was haar schoenriemen los te binden. “Ja, kind”, antwoordde hij, “maar al haar schoonheid en ontwikkeling geeft mij niets voor mijn hart. Zij is koud, koud als ijs, fatsoenlijk en bovenal phlegmatiek. Vertroeteld en verwend als zij is, leeft zij alleen voor zich zelf; wij zijn twee goede kameraden en niets meer. Als ik bijvoorbeeld ’s avonds uit de societeit kom en naar haar bed ga, misschien wel een beetje opgewonden, dan wordt ze zenuwachtig en vindt het ongepast, dat ik haar wakker maak. Als ik haar kus, dan verdedigt zij zich en vertelt mij, dat ik verschrikkelijk naar sigaren en wijn ruik. En als ik misschien meer probeer, dan springt ze uit bed, wordt boos alsof ik haar aanviel, en dreigt uit het raam te springen als ik haar aanraak. Dus laat ik haar om den wille der vrede met rust en kom hier”. Er kan geen twijfel aan zijn, dat dit de ondervinding is van veel getrouwde mannen, die graag geliefde zoowel als vriendin in hun vrouwen zouden vinden. Maar de vrouwen hebben, met een verscheidenheid van oorzaken, bewezen, dat ze niet in staat zijn de sexueele makkers te worden van haar echtgenooten. En de echtgenooten, zonder dat ze gedreven worden door eenigen sterken hartstocht of door begeerte naar ontrouw, zoeken buitenshuis wat ze thuis niet vinden kunnen.Dit is niet de eenige reden, waarom mannen prostituées bezoeken. Zelfs mannen, die gelukkig getrouwd zijn met vrouwen, die in de voornaamste opzichten bij hen passen, ondervinden dikwijls na eenige jaren huwelijksleven, een geheimzinnig verlangen naar afwisseling. Zij zijn hun vrouwen niet moe, zij hebben niet de minste wensch of bedoeling om haar te verlaten, zij willen haar, als zij het helpen kunnen, niet de minste pijn veroorzaken. Maar nu en dan worden ze door een onweerstaanbaren, en onwillekeurigen drang er toe gebracht een tijdelijke intimiteit te zoeken met vrouwen, met wie ze voor niets ter wereld zich voor goed zouden willen binden. Pepys, wiensDiary, afgezien van de andere verdienstelijke eigenschappen ervan, een psychologisch document van waarde is, levert een zeer karakteristiek voorbeeld van deze soort van impuls. Hij heeft een jonge, lieve vrouw getrouwd, aan wie hij zeer gehecht is, en hij leeft gelukkig met haar, op een paar nu en dan voorkomende twisten na, die spoedig door kussen uit den weg geruimd zijn; zijn liefde gaat samen met jaloezie, een jaloezie, die, zooals hij toegeeft, volkomen onredelijk is, want zij is een trouwe, liefhebbende vrouw. Toch kan Pepys, eenige jaren na zijn huwelijk, en midden in een leven van ingespannen beroepsbezigheid, de verleiding niet weerstaan de tijdelijke gunsten te zoeken van andere vrouwen, zelden prostituées, maar bijna altijd vrouwen van lagen maatschappelijken stand—winkeljuffrouwen, vrouwen van werklieden, fatsoenlijke dienstmeisjes.Dikwijls is hij er mee tevreden haar naar een rustig bierhuis mee te nemen, en zich een paar gewone vrijheden te veroorloven. Soms weigeren zij absoluut meer dan dit toe te staan; als dat gebeurt dankt hij herhaaldelijk den almachtigen God (zooals hij ’s avonds in zijnDiaryschrijft), dat hij bewaard is gebleven voor verleiding en voor tijd- en geldverlies; telkens weer is hij geneigd de gelofte te doen, dat het niet weer zal gebeuren. Toch gebeurt het altijd weer. Pepys is volkomen waar tegenover zich zelf; hij doet geen poging zich te rechtvaardigen of te excuseeren; hij weet, dat hij voor de verleiding bezweken is; het is een impuls, die nu en dan over hem komt, een impuls, dien hij niet in staat schijnt te zijn lang te weerstaan. Ondanks dit alles blijft hij een achtenswaardig en ijverig ambtenaar, en in de meeste opzichten een tamelijk deugdzaam man, met een echten afkeer van lichtzinnige menschen en onbeteekenende praatjes. De houding van Pepys wordt met onvergelijkelijken eenvoud en openhartigheid uiteengezet, omdat hij deze dingen voor zijn eigen oogen alleen neerschrijft, maar zijn geval is in werkelijkheid dat van een groot aantal andere mannen, misschien wel van den typischenhomme moyen sensuel(zie Pepys,Diary, ed.Wheatley;e.g., deel IV,passim).Er is een derde klasse van getrouwde mannen, minder groot in aantal, maar niet onbelangrijk, die gedwongen zijn prostituées te bezoeken: de klasse van sexueel geperverteerde mannen. Er zijn vele redenen, waarom zulke mannen kunnen wenschen te trouwen, en in sommige gevallen trouwen ze vrouwen, met wie zij den eigenaardigen vorm van sexueele bevrediging, waarnaar ze verlangen, kunnen verkrijgen. Maar in een groot aantal gevallen is dit niet mogelijk. De conventioneel opgevoede vrouw kan zichzelf er niet toe brengen zelfs maar aan een volkomen onschuldige fetischachtige gril van haar echtgenoot toe te geven, want die is te vreemd aan haar gevoelens en te onbegrijpelijk voor haar ideeën, zelfs als ze oprecht verliefd op hem is; in vele gevallen zou de echtgenoot niet durven vragen en ternauwernood zelfs wenschen, dat zijn vrouw er zich toe zou leenen de fantastische of misschien vernederende rol te spelen, die zijn wenschen eischen. In zulk een geval wendt hij zich natuurlijk tot de prostituée, de eenige vrouw, wier beroep het is in zijn bijzondere behoeften te voorzien. Het huwelijk heeft dezen mannen geen verlichting gebracht, en zij vormen een groot aantal cliënten van elke prostituée in iedere groote stad. De meest gewone prostituée van eenige ervaring kan gevallen meedeelen van haar eigen bezoekers, geschikt om een verhandeling over psychopatische sexualiteit te illustreeren. Het is hier voldoende een aanhaling weer te geven uit de bekentenissen van een jonge Londensche prostituée (Strand), zooals ze van haar lippen zijn neergeschreven door een vriend, aan wien ik het document dank; ik heb alleen een paar alledaagsche woorden in meer technische termen veranderd. Nadat ze beschreven had hoe, toen zij nog een dorpskind van dertien jaar was, een rijke, oude heer dikwijls kwam en zich aan haar en andere meisjes vertoonde, en hoe hij eindelijk gearresteerd werd en gevangen genomen, sprak zij over de perversiteiten, die ze ontmoet had, sedert zij prostituée was geworden. Zij kende een jongen man van ongeveer vijf en twintig jaar, gewoonlijk in een sportpakje gekleed, die altijd met een paar levende duiven kwam, die hij in een mand meebracht. Zij en het meisje, waar ze mee samenwoonde moesten zich ontkleeden, de duiven nemen en ze den nek omdraaien; hij stond dan voor haar, en als de nekken omgedraaid werden, trad bij hem geprikkeldheid op. Eens ontmoette zij een man op straat en hij vroeg haar of hij met haar mee mocht gaan en haar schoenen mocht likken. Zij stemde toe en hij nam haar mee naar een hotel, betaalde een halve guinje voor een kamer, en, toen ze ging zitten, kroop hij onder de tafel en likte haar schoenen, die vol modder waren; meer deed hij niet. Dan waren er dingen, zeide zij, die te vuil waren om te vertellen; bv. een man kwam met haar en haar vriendin naar huis, en liet haar in zijn mond urineeren. Zij had ook verhalen van geeseling, meestal van mannen, die de meisjes met de zweep sloegen, zeldzamer van mannen, die graag door haar geslagen werden. Een man, dieiedere keer een nieuw riet meebracht, sloeg haar vriendin tot bloedens toe. Zij kende een anderen man, die niets deed dan haar hard op de billen slaan. Nu wortelen al deze dingen, die tot het gewone dagwerk van de prostituée behooren, in diepe en onweerstaanbare impulsen. Zij moeten een of anderen uitweg vinden. Maar alleen op de prostituée kan men rekenen, omdat haar belang en haar opvoeding het meebrengen, om den natuurlijken tegenzin tegen zulke handelingen te boven te komen en wenschen te bevredigen, die, als ze niet bevredigd werden, misschien andere en gevaarlijker vormen zouden aannemen.Hoewel Woods Hutchinson met instemming de verklaring van een vriend aanhaalt: “Van de duizende prostituées heb ik er nooit een gezien met goede manieren aan tafel”, gaat van de prostituée toch werkelijk, hoewel dan niet in voldoende mate, de bekoring van de beschaving uit. “Er was geen huis, waarin ik van tijd tot tijd het gezicht van een dame zien en de stem van een dame hooren kon”, schreef de romanschrijver Anthony Trollope in zijnAutobiographieover zijn leven, toen hij pas in Londen was. “Geen opwekking tot fatsoenlijke vertrouwelijkheid kwam op mijn weg. Het schijnt mij toe, dat in zulke omstandigheden de verleidingen van een losbandig leven bijna zeker de overhand zullen krijgen over een jongen man. De verleiding kreeg in ieder geval de overhand over mij”. In iedere groote stad, heeft men gezegd, zijn er duizende mannen, die niet het recht hebben eenige andere vrouw dan een kellnerin bij haar voornaam te noemen103. Al de schoone glans der beschaving schittert om hen heen in de straten, maar zij moeten op een afstand blijven. Het is de prostituée, die deze bekoring van de stad belichaamt, veel beter dan de maagdelijke vrouw, zelfs als intimiteit met haar binnen hun bereik was. De prostituée vertegenwoordigt ze, omdat zij ze zelf voelt, omdat zij zelfs haar vrouweneer opgeofferd heeft in de poging zich er mee te vereenzelvigen. Zij heeft ongebreidelde vrouwelijke instincten, zij is een meesteres in de vrouwelijke kunst zich op te sieren, zij kan tot hem spreken over de geheimen van de vrouwelijkheid en de weelden van haar geslacht met een zaakkennis en een vrijheid, waartoe het onschuldige meisje, dat aan haar huis gekluisterd is, niet in staat zou zijn. Zij is voor hem niet alleen daardoor aantrekkelijk, omdat zij de lagere sexueele begeerten bevredigen kan, maar ook omdat zij op hare wijze een kunstenares is, een deskundigein de kunst van vrouwelijke uitbuiting, een leidster op het gebied der mode. Want dit is zij, en er zijn, zooals Simmel in zijnPhilosophie der Modegezegd heeft, goede psychologische redenen, waarom zij dit altijd moet zijn. Haar onzekere maatschappelijke positie maakt alles, wat conventioneel en wettig is, hatelijk in haar oogen, terwijl haar temperament voortdurende nieuwigheden verrukkelijk voor haar maakt. In nieuwe modes vindt zij “een æsthetischen vorm van dat instinct van vernieling, dat eigen schijnt te zijn aan het leven van alle paria’s, in zooverre zij geestelijk niet volkomen slaven zijn geworden”.“Hoe verwonderlijk het ook aan sommigen moge toeschijnen”, merkt een modern schrijver op, “prostituées moeten op hetzelfde niveau gesteld worden als kunstenaars. Beide gebruiken hun gaven en talenten tot vreugde en genoegen van anderen, en, als regel, tegen betaling. Wat is het essentieele verschil tusschen een zangeres, die hoorders genoegen geeft met haar keel en een prostituée, die haar bezoekers genoegen geeft met een ander deel van haar lichaam? Alle kunst werkt op de zinnen”. Hij verwijst naar het belangrijke feit, dat acteurs en voornamelijk actrices vroeger veelal even weinig geacht werden als prostituées nu (R. Hellmann,Ueber Geschlechtsfreiheit, pp. 245–252).Bernaldo de Quiros en Llanas Aguilaniedo (La Mala Vida en Madrid, p. 242) gaan denzelfden invloed na nog lager op den maatschappelijken ladder. Zij beschrijven de vuilere soort vancafé’s chantant, waar, in Spanje en elders, de slechtste en meest gedegenereerde vrouwelijke schepsels kellnerinnen worden (en soms zangeressen en danseressen), die dan de rol spelen van liefelijke en gedistingeerdehetarenvoor een publiek van voerlieden en winkelbedienden, die deze plaatsen bezoeken. “Gekleed met wat den jongen man toeschijnt onberispelijke smaak te zijn, met zorgvuldig gefriseerde haren, en een schoon gezicht, dat versierd is met bloemen of sieraden, minzaam en soms hooghartig, in bekoring en in tooi verheven boven de andere vrouwen, die hij kent, worden de kellnerinnen het mooiste voorbeeld van defemme galante, die hij kan zien en toespreken, de courtisane van zijn sfeer”.Maar terwijl de prostituée voor den eenvoudigen, onwetenden en hongerigen jongen man aantrekkelijk is als belichaming van veel van de verfijning en perversiteiten van de beschaving, oefent zij op vele meer gecompliceerde en beschaafde mannen een aantrekkingskracht uit van een bijna tegenovergestelde soort. Zij trekt aan door haar frissche en natuurlijke ruwheid, haar vrije bekendheid met de ruwste feiten van het leven; en heft hen zoo voor een oogenblik op uit de verdorrende atmosfeer van kunstmatig denken en onwerkelijk gevoel, waarin zoo vele beschaafde personen gedwongen zijn het grootste deel van hun leven door te hengen. Zij voelen met de woorden, die de koninklijke vriend van een vrouw van dit temperament moet gebruikt hebben, toen hij een verklaring gaf van haar onbegrijpelijken invloed op hem: “Zij is zoo schitterend vulgair!”Ter illlustratie van deze zijde van de aantrekkingskracht der prostitutie, wil ik hier een passage aanhalen, waarin de romanschrijver Hermant, in zijnConfessions d’un Enfantd’Hier(Lettre VII), de redenen uiteengezet heeft, die er het overbeschaafde kind van een beschaafde eeuw, dat toch geenszinsradicaal of volkomen slecht is, toe kunnen brengen voldoening te vinden in den omgang met prostituées: “Zoolang mijn hart niet getroffen was, was het voorwerp van mijn satisfactie mij volkomen onverschillig. Ik hield bovendien veel van absolute vrijheid en die is alleen mogelijk in den kring van deze anonieme schepsels en in haar afgezonderde woonplaats. Daar kan men zich alles veroorloven. Tegenover andere vrouwen, hoe laag we haar ook zoeken, moeten zekere égards in acht genomen worden, een soort van protocol. Tegen de prostituée kan men alles zeggen: men is beschermd door zijn incognito en men weet zeker, dat niemand ooit te weten komt, wat men met haar beleeft. Ik maakte gebruik van deze vrijheid, zoo aantrekkelijk voor iemand van mijn leeftijd, maar met een perverse fantasie, die niet bij mijn jaren paste. Ik weet nauwelijks waar ik de woorden vandaan haalde, die ik tot haar zeide, want ze kwamen niet overeen met mijn smaak, die eenvoudig was en, als ik het zeggen mag, klassiek. Het is waar, dat onbeperkt naturalisme in liefdezaken altijd neigt tot het perverse, een feit dat alleen op het eerste gezicht paradox kan schijnen. Natuurvolken hebben veel trekken gemeen met gedegenereerden. Ik was echter alleen in woorden losbandig; en dit waren de eenige gelegenheden, waarbij ik mij herinneren kan, dat ik ernstig onwaarheid gesproken heb. Maar die behoefte, die ik toen ondervond, om een lage soort van onwaardige instincten uit te drijven, schijnt mij karakteristiek toe en vernederend. Ik mag er bij voegen, dat ik zelfs te midden van deze uitspattingen een zekere terughouding behield. De aanrakingen, waaraan ik mij overgaf, bezoedelden mij niet; er bleef niets van over, als ik naar huis terugkeerde. Ik heb altijd, uit dien geforceerden en onverschilligen omgang de gewoonte behouden om geen gewicht te hechten aan de handelingen van het vleesch. De liefdefunctie, die godsdienst en moraal omgeven hebben met geheimzinnigheid en gekruid met zonde, schijnt mij een functie toe als iedere andere, een beetje laag bij den grond, maar aangenaam, en een, waarvoor het gebruikelijk epiloog te lang is.… Deze soort kameraadschap duurde maar korten tijd”. Bovenstaande ontleding van de houding van een beslist gewoon type van den beschaafden modernen man schijnt juist te zijn, maar het zal misschien bij sommige lezers opkomen, dat men van een omgang, die er toe geleid heeft de “handeling van het vleesch” te beschouwen als te zijn van geen waarde, bezwaarlijk zeggen kan, dat ze geen smet nagelaten heeft.Op ongeveer gelijke wijze stelt Henri de Régnier in zijn romanLes Rencontres de Monsieur Bréot(p. 50) Bercaillé voor als iemand die bepaald bij voorkeur zijn genoegen zoekt bij dienstmeisjes, liever dan bij dames, want genoegen geven was, in zijn idee, een soort van dienst, die vrijwel overeenkwam met de diensten, die zij gewend waren te bewijzen; en daarbij zijn zij stevig en gezellig; zij hebben de naïviteit, die altijd bekoort en zij worden niet licht teruggestooten door die kleine voorvallen, die misschien het kieskeurige gevoel van fijn opgevoede dames zouden hinderen.Bloch, die speciaal den nadruk gelegd heeft op deze zijde van de aantrekkingskracht der prostitutie (Das Sexualleben unserer Zeit, pp. 359–362), verwijst naar den teeren en gevoeligen jongen Deenschen schrijver, J. P. Jakobsen, die scherp het contrast schijnt gevoeld te hebben tusschen de hoogere en meer gewone impulsen en de nu en dan voorkomende uitbarsting van wat hij voelde als de lagere instincten; in zijnNiels Lyhnebeschrijft hij het soort van dubbel leven, waarbij een man veertien dagen trouw is aan den God, dien hij vereert, en dan overwonnen wordt door andere machten, die hem dolzinnig meevoeren naar wat hij voelt als vernederend, pervers en vuil. “Op zulke oogenblikken”, merkt Bloch op, “is de man een ander wezen. De “twee zielen” in zijn borst worden werkelijkheid. Is dat de beroemde geleerde, de verheven idealist, de fijn besnaarde aestheticus, de kunstenaar, die ons zooveel mooie werken gegeven heeft in poëzie en schilderkunst? Wij herkennen hem niet meer, want op zulke oogenblikken is een ander wezen aan de oppervlakte gekomen, een andere natuur is in hem in beweging en drijft hem met hetgeweld van een natuurkracht naar dingen, waarvan zijn “hooger bewustzijn” de beschaafde man in hem, zou rillen”. Bloch meent, dat we hier te doen hebben met een soort normaal mannelijk masochisme en dat de prostitutie dient om dat te bevredigen.

Voor zoover het bewijsmateriaal gaat, dient het om aan tetoonen, dat prostituées over het algemeen het type naderen dat we zooals in het voorafgaande deel aangetoond is, met reden kunnen beschouwen als speciaal te wijzen op ontwikkelde sexualiteit. Het is echter onnoodig deze kwestie te bespreken voordat onze anthropometrische kennis van prostituées meer omvattend en meer precies is.3.De moreele rechtvaardiging van de prostitutie.—Er zijn moralisten—zij zijn er altijd geweest en vele van hen zijn menschen wier opinie de ernstigste achting verdient—die meenen, dat mits de hygiënische voorwaarden verbeterd worden, het bestaan van de prostitutie geen ernstig probleem ter oplossing biedt. Ze is, zeggen zij, op zijn slechtst, een noodzakelijk kwaad, en, op zijn best, een weldadige instelling, het bolwerk van het tehuis, de onvermijdelijke keerzijde van het huwelijk. “De immoreele bewaakster van de publieke moraal”, is de definitie van prostituées gegeven door een schrijver, die de zaak van een laag standpunt beschouwt, en een ander, die de zaak meer verheven bekijkt, schrijft: “De prostituée vervult een maatschappelijke zending. Zij is de bewaakster van de maagdelijke kuischheid, het afvoerkanaal voor overspelige begeerte, de beschermster van getrouwde vrouwen, die een laat moederschap vreezen; het is haar rol op te treden als schild voor “het gezin””. “Als vrouwelijke Decii”, zeide Balzac in zijnPhysiologie du Mariagevan prostituées, “offeren zij zich op voor de republiek en maken van haar lichamen een borstwering ter bescherming van respectabele families”. Op dezelfde wijze noemde Schopenhauer prostituées “menschelijke slachtoffers op het altaar der monogamie”. Lecky vereenigt, in een vele malen aangehaalde passage der rhetorica84het hoogere en het lagere standpunt over de prostituée in de menschelijke maatschappij, en hij tracht er zelfs een priesterlijk karakter aan te geven. “Het uiterste type van de ondeugd”, verklaarde hij, “is ten slotte de meest krachtdadige bewaakster van de deugd. Als zij er niet was, zou de ongerepte reinheid van onnoemelijk veel huizen besmet zijn, en niet weinige van de vrouwen, die in den trots van haar niet in verleiding gebrachte kuischheid aan de prostituée denken met een siddering van verontwaardiging, zouden zonder haar de ellenden van berouw en van wanhoop gekend hebben. Op die eene onteerde en onwaardige gestalte zijn al de hartstochten geconcentreerd, die de wereld met schande hadden kunnen vullen. Zij blijft, terwijl geloofsbelijdenissen en maatschappijen opkomen en te gronde gaan, de eeuwige priesteres van de menschelijkheid, bezoedeld door de zonden van het volk”85.Ik weet niet, of de Grieken ernstig gedacht hebben over de moreele rechtvaardiging van de prostitutie. Zij hadden haar geen bijzonder hinderlijke vormen laten aannemen en voor het grootste deel waren ze bereid haar te aanvaarden.De Romeinen namen ze gewoonlijk ook aan, maar, naar ons toeschijnt, niet zoo gemakkelijk. Er was een strenge, ernstige, bijna Puriteinsche geest in de Romeinen van de oude garde en soms schijnen zij de behoefte gevoeld te hebben zich te verzekeren, dat de prostitutie werkelijk moreel te rechtvaardigen was. Het is van belang op te merken, dat zij zich graag in de herinnering brachten dat Cicero gezegd had, dat hij blij was als hij een man uit een bordeel zag komen, omdat hij anders misschien de vrouw van zijn buurman onteerd zou hebben86.De maatschappelijke noodzakelijkheid van de prostitutie is het oudste van al de argumenten van moralisten, die het dulden van prostituées prediken; en als we de eeuwige geldigheid aannemen van het huwelijkssysteem, waarmee tegelijk de prostitutie zich ontwikkeld heeft, en van de theoretische moraal, die op dat systeem gebaseerd is, dan is dit een zeer krachtig, zoo niet een onweerlegbaar argument.De komst van het Christendom, met zijn speciale houding jegens het “vleesch” veroorzaakte noodzakelijk een enorme toename van belangstelling voor de moreele gezichtspunten van de prostitutie. Toen de prostitutie niet veroordeeld werd, werd het natuurlijk noodzakelijk haar te rechtvaardigen; het was niet mogelijk voor een kerk met min of meer ascetische idealen zulk een zaak met welwillende onverschilligheid te behandelen. Als regel schijnen we wel overal te vinden, dat de meer onafhankelijke geestelijken, die geen verantwoording hadden, geneigd waren ze te veroordeelen, terwijl die theologen, die de zware verantwoordelijkheden van kerkelijk staatmansschap op hun schouders geladen hadden, over ’t algemeen getoond hebben de prostitutie te rechtvaardigen, zij het dan ook aarzelend. Hiervan hebben we een uiterst belangrijk voorbeeld in den heiligen Augustinus, na den heiligen Paulus den voornaamsten stichter van de Christelijke kerk. In een verhandeling in 386 geschreven om de goddelijke regeling van de wereld te rechtvaardigen, verklaart hij dat, evenals de beul, hoe terugstootend hij ook zijn mag, een noodzakelijke plaats in de maatschappij inneemt, evenzoo de prostituée en haars gelijken, hoe vuil en leelijk en slecht zij ook zijn mogen, noodzakelijk zijn;verban de prostituées uit de maatschappij en gij zoudt de wereld met wellust bezoedelen: “Aufer meritrices de rebus humanis, turbaveris omnia libidinibus”87. Aquino, de eenige theologische denker van het Christendom, die tegelijk met Augustinus genoemd kan worden, was in deze kwestie van de prostitutie van dezelfde meening als hij. Hij hield vol, dat ontucht doodzonde was, maar hij nam de noodzakelijkheid aan van de prostitutie, als een nuttig deel van den bouw der maatschappij, en hij vergelijkt ze bij de afvoerkanalen van een paleis88. “Prostitutie in steden is gelijk aan het riool in een paleis; neem de riolen weg en het paleis wordt een onreine, stinkende plaats”. Liquori, de meest invloedrijke theoloog van den nieuweren tijd, was van dezelfde meening.Deze aarzelende en half toegevende houding jegens de prostitutie hebben de theologen inderdaad over het algemeen aangenomen. Sommige wilden, in navolging van Augustinus en Aquino, de prostitutie dulden om grooter kwaad te voorkomen; anderen waren er geheel en al tegen; en weer anderen wilden ze in de steden toelaten, maar nergens anders. Het werd echter algemeen door theologen aangenomen, dat de prostituée recht heeft op haar loon, en dat ze niet verplicht is het terug te geven89. De vroegere moralisten van het Christendom vonden het niet moeilijk staande te houden, dat er geen zonde in is een huis te verhuren aan een prostituée tot het uitoefenen van haar bedrijf; absolutie werd hiervoor altijd gegeven en onthouding niet geëischt90. Ontucht bleef echter altijd een zonde en van de twaalfde eeuw af heeft de kerk een reeks van pogingen gedaan om prostituées te bekeeren. Alle Katholieke theologen zijn van meening, dat een prostituée verplicht is de zonde der prostitutie te biechten, en de meeste theologen, hoewel niet alle, hebben gemeend, dat ook een man den omgang met een prostituée moet biechten. Terzelfder tijd, dat er een zekere toegevendheid was jegens de prostituée zelf, was de kerk altijd zeer streng jegens hen, die leefden van de voordeelen van het bevorderen van de prostitutie, jegens delenones. Zoo weigerde het Concilie van Elvira, dat bereid was zonder boetedoening de prostituée die trouwde, te ontvangen, absolutie te geven, zelfs bij hun dood, aan personen, die schuldig geweest waren aanlenocinium91.Het protestantisme, dat den biechtstoel opgeruimd had, kon indeze, evenals in vele andere zaken van sexueele moraal gewoonlijk aan de noodzakelijkheid ontsnappen eenige bepaalde en verantwoordelijke uitleggingen te geven over de moreele positie van de prostitutie. Zoo het al eenige meening te kennen gaf, of eenige praktische voorschriften trachtte in te leiden, dan grondde het zich natuurlijk op de bijbelsche bevelen tegen de ontucht, zooals ze uitgedrukt zijn door den heiligen Paulus, en het toonde geen genade voor de prostitutie, noch verdraagzaamheid. Deze houding, de houding der Puriteinen, was des te gemakkelijker in Protestantsche landen, met uitzondering van speciale districten op bepaalde tijden—zooals Genève en Nieuw-Engeland in de zeventiende en de achttiende eeuw—omdat theologen in deze landen eerder geroepen zijn geweest godsdienstige vermaningen te geven dan praktische politiek toe te passen. Deze laatste taak hebben ze aan anderen overgelaten, en zoo is er dikwijls een zekere verwarring en onzekerheid ontstaan in den geest van den protestantschen leek. Deze weifelende houding der theologen wordt in Engeland zeer duidelijk gemaakt door Burton, een nadenkend en ernstig auteur, die een eeuw na de hervorming schrijft. Hij verwijst met gemengden bijval naar “onze Pseudo-Katholieken”, die streng zijn jegens echtbreuk, maar toegevend jegens ontucht; zij zijn het misschien eens met Cato, dat de laatste aangemoedigd moet worden om erger verkeerdheden thuis te vermijden, en die meent, dat bordeelen “even noodzakelijk zijn als kerken” en dat het goed is heele huizen“vol courtisanen in de steden te houden”. “Zij houden het voor onmogelijk”, gaat hij voort, “dat niets uitvoerende jonge menschen als ze jong, rijk en vroolijk zijn, dat zooveel knechts en monniken, fatsoenlijk zouden leven, zij noemen het een te tyrannieken last hen te dwingen kuisch te zijn, en kunnen absoluut niet toestaan, dat arme mannen, jongere broeders of soldaten trouwen zouden, evenmin als zieke menschen, ordebroeders, priesters of bedienden. Om dus zoowel den een als den ander tevreden te stellen, verdragen zij deze soort van bordeelen en schuilhoeken en doen er een oogje voor toe. Vele argumenten hebben zij om te bewijzen, dat ze wettig en noodzakelijk zijn, en dat ze geduld moeten worden, evenals de woeker; zonder kwestie is er in de politiek niets tegen in te brengen, maar veel in den godsdienst”92.Niet voor het begin van de volgende eeuw is het oude argument van Augustinus ter moreele rechtvaardiging van de prostitutie in het protestantsche Engeland moedig en beslist uiteengezet door Bernard Mandeville in zijnFable of the Bees; toen het boek voor het eerst uitkwam, scheen men het zoo stuitend te vinden, dat het verboden werd. “Als courtisanen en sletten vervolgd moestenworden met zooveel gestrengheid als sommige menschen het zouden willen”, schreef Mandeville, “wat voor sleutels en grendels zouden we dan wel moeten hebben om de eer van onze vrouwen en meisjes te bewaren?… Het is duidelijk, dat het noodig is een deel der vrouwen op te offeren om het andere deel te beschermen en vuilheid van nog erger soort te voorkomen. Daaruit meenikdat ik met recht mag besluiten, dat kuischheid gesteund kanworden door uitspatting, en dat de beste der deugden de hulp noodig heeft van de ergste der ondeugden”93. Na den tijd van Mandeville begon deze beschouwing van de prostitutie gewoon te worden in protestantsche zoowel als in andere landen, hoewel ze gewoonlijk niet zoo duidelijk uitgedrukt werd.Het kan van belang zijn een paar meer moderne voorbeelden samen te brengen van gezegden, die voor de moreele rechtvaardiging van de prostitutie spreken.Zoo legt in Frankrijk Meusnier de Querlon in zijn geschiedenis vanPsaphion, geschreven in het midden van de achttiende eeuw, vele zeer belangwekkende overdenkingen over het leven en de positie van de prostituée in den mond van een Grieksche courtisane. Zij verdedigt haar beroep met veel bekwaamheid en zegt dat, terwijl mannen zich verbeelden dat prostituées alleen maar de verachte slachtoffers zijn van hun genoegens, deze vermeende tyrannen in werkelijkheid het slachtoffer worden; dat zij de behoeften bevredigen van de vrouwen, die zij onder hun voeten vertrappen, en dat zij zelve in gelijke mate de verachting verdienen, waarmee zij haar behandelen. “Wij betalen walging met walging, zooals zij zeker wel moeten bemerken. Wij geven hun dikwijls niets dan een standbeeld, en als zij zich verhit aan ongevoelige bekoorlijkheden te goed doen, genieten wij in rustige koelheid hun zinnelijkheid. Dan hernemen wij onze rechten. Wat warm bloed heeft deze trotsche schepsels aan onze voeten gebracht en ons meesteressen gemaakt van hun lot. Aan welke zijde, vraag ik u, is het voordeel?” Maar alle mannen, voegt zij er bij, zijn niet zoo onrechtvaardig jegens de prostituée, en zij gaat voort, niet zonder lichte ironie, een lofrede te houden op het nut, het gemak en de voordeelen van het bordeel.Een groot aantal van de moderne schrijvers over de prostitutie noemen met nadruk den maatschappelijk weldadigen aard ervan. Zoo eindigt Charles Richard zijn boek over dit onderwerp met deze woorden: “Het gedrag van de maatschappij jegens de prostitutie moet uitgaan van het principe van dankbaarheid zonder valsche schaamte, voor het nut ervan en medelijden voor de arme schepsels, ten koste van wie dit nut verkregen wordt” (La Prostitution devant le Philosophe, 1882, p. 171). “Het huwelijk duurzaam maken is het moeilijk maken”, merkt een Amerikaansch medisch schrijver op; “het moeilijk maken is het uitstellen; het uitstellen is in de gemeenschap houden een toenemend aantal sexueel volkomen individuen, met normale, of in gevallen waar langdurige onderdrukking is geweest, overmatige sexueele begeerte. Het maatschappelijk kwaad is het natuurlijk gevolg van de physieke natuur van den mensch, zijn geërfde impulsen, en de kunstmatige omstandigheden, waaronder hij gedwongen is te leven” (“The Social Evil”,Medicine, Augustus en September, 1906). Woods Hutchinson beschouwt, terwijl hij met sterke afkeuring van de prostitutie spreekt en prostituées beschouwt als “de ergste exemplaren van haar sekse”, toch de prostitutie als een maatschappelijke werking van de hoogste waarde. “Uit een medisch-economisch gezichtspunt noem ik haar eenvan de groote selectieve en elimineerende factoren van de natuur en van de hoogste waarde voor de gemeenschap. We kunnen ze in het ruwe karakteriseeren als een veiligheidsklep voor de instelling van het huwelijk” (The Gospel According to Darwin, p. 193;cf.het artikel van denzelfden schrijver over “The Economics of Prostitution”, opgesomd inBoston Medical and Surgical Journal, November 21, 1895). Adolf Gerson zegt in ongeveer denzelfden geest (“Die Ursache der Prostitution”,Sexual-Probleme, September 1908), dat “prostitutie een van de middelen is die de natuur gebruikt om de teelkracht der menschen te beperken, en vooral om den tijd der sexueele rijpheid te verschuiven”. Molinari meent, dat de maatschappelijke voordeelen van de prostitutie van het begin af op verschillende wijzen tot uiting zijn gekomen; door bijvoorbeeld de meer overmatige uitingen van de sexueele impuls onvruchtbaar te maken nam de prostitutie de noodzakelijkheid weg van kindermoord op overtollige kinderen en leidde ze tot het tegengaan van die primitieve methode om de bevolking te beperken (G. de Molinari,La Viriculture, p. 45). Op geheel andere wijze dan die, vermeld door Molinari, heeft de prostitutie zelfs in zeer late tijden geleid tot het laten varen van kindermoord. In de Chineesche provincie Ping-Yang zegt Matignon, was het vele jaren geleden niet ongewoon voor arme ouders om 40 percent van hun pasgeboren meisjes te dooden, of zelfs allemaal, want zij waren te duur om ze op te voeden en ze brachten niets in, omdat mannen, die wilden trouwen, gemakkelijk een vrouw konden krijgen in de naburige provincie Wenchu, waar vrouwen zeergemakkelijkte krijgen waren. Nu maakt echter de betere verbinding met Shang-Hai per stoomboot het zeer gemakkelijk voor meisjes de bordeelen van Shang-Hai te bereiken, waar zij geld kunnen verdienen voor haar families; de gewoonte haar te dooden is daarom uitgestorven (Matignon,Archives d’Anthropologie Criminelle, 1896. p. 72). “Onder de tegenwoordige omstandigheden”, schrijft Dr. F. Erhard (“Auch ein Wort zur Ehereform”,Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang 1, Heft 9), “is prostitutie (in de ruimste beteekenis, vrije verhoudingen medegerekend) noodig, opdat jonge menschen de vrouwen eenigermate kunnen leeren kennen, want conventioneele conversatie is daarvoor niet voldoende; een juiste kennis van de vrouwelijke gedachtengang is echter noodig voor een goede keuze, daar het maar zelden mogelijk is zich te verlaten op de betrouwbaarheid van het instinct. Het is ook goed, dat mannen zich de horens afloopen vóor het huwelijk, want de polygame neiging zal ergens doorbreken. De prostitutie zal alleen die mannen bederven, aan wie niet veel te bederven is, en als zij zoo het verlangen naar het huwelijk verliezen, dan zouden hun ongeboren kinderen reden hebben dankbaar te zijn”. Neisser, Näcke en vele anderen hebben voor de prostitutie gepleit en zelfs voor bordeelen, als “noodzakelijk kwaad”.Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat velen zelfs van de sterkste voorstanders van de moreele voordeelen der prostitutie meenen, dat eenige verbetering nog wel wenschelijk is. Zoo verwacht Bérault een tijd, waarop van overheidswege bewaakte bordeelen minder veracht zullen zijn. Verschillende verbeteringen kunnen ze, meent hij, in de naaste toekomst “ontdoen van de barbaarsche eigenschappen, die ze voor de sceptische of onwetende menigte verachtelijk maken, terwijl hun tastbare voordeelen een einde zullen maken aan de minachting, die opgewekt wordt door hun cynisch aanzien” (La Maison de Tolérance, Thèse de Paris, 1904).4.De beschavingswaarde van de prostitutie.—Het moreele argument voor de prostitutie is gebaseerd op het geloof, dat ons huwelijkssysteem zoo oneindig kostbaar is, dat een instelling, die als bolwerk ervoor dient in stand gehouden moet worden, hoe leelijk of hoe verwerpelijk op zich zelf zij ook is. Er is echter een ander argument ter ondersteuning van de prostitutie, waaropternauwernood de nadruk valt dien het verdient. Ik bedoel haar invloed, voor zoover ze een element van vroolijkheid en afwisseling, dat op een of andere wijze noodzakelijk is, voegt in de geordende samenstelling van het moderne leven, een verlichting van den sleur der mechanische routine een afleiding in de saaie en fatsoenlijke eentonigheid ervan. Dit is wat anders dan de meer specifieke functie van de prostitutie als een veiligheidsklep voor overtollige sexueele energie, en dit kan zelfs van beteekenis worden voor hen, die weinig of geen omgang hebben met prostituées. Dit element kunnen we noemen de beschavingswaarde van de prostitutie.Het zijn niet alleen de algemeene eigenschappen van de beschaving, maar meer speciaal de eigenschappen van het stadsleven, die dezen factor van beteekenis maken. Het stadsleven legt door den druk van de concurrentie een zeer strenge en veel krachten eischende routine op van vervelend werk. Terzelfder tijd maakt het mannen en vrouwen meer gevoelig voor nieuwe indrukken, meer verlangend naar opwinding en verandering. Het vermeerdert de gelegenheden tot maatschappelijken omgang; het vermindert de kansen op ontdekking van onwettigen omgang, terwijl het meteen het sluiten van een huwelijk verzwaart, want doordat het de maatschappelijke ambities en de uitgaven verhoogt, verschuift het den tijd, waarop een huisgezin kan opgezet worden. Het stadsleven verschuift het huwelijk en maakt toch de middelen van vergoeding voor het huwelijk meer dringend noodzakelijk94.Er kan niet de minste twijfel aan zijn, dat dit de beweegreden is—de poging om de onvolkomen gelegenheden voor zelfontwikkeling, die onze mechanische en arbeidzame maatschappij vol beperkingen aanbiedt, aan te vullen—die een van de voornaamste oorzaken vormt, die vrouwen er toe brengt, tijdelijk of voor goed, het leven van prostituée te kiezen. Wij hebben gezien, dat de economische factor, zooals vroeger gemeend werd, geenszins de hoofdrol speelt bij deze keuze. En er is ook geen reden om te veronderstellen, dat een buitengewoon sterke sexueele impuls de leidende factor is. Maar een groot aantal jonge vrouwen keeren zich instinctief naar het leven van prostituée, omdat zij bewogen worden door een duisteren drang, die ze haast zelf niet kunnen verstaan of uitleggen, en waarvan ze zich dikwijls schamen hem te openbaren. Het is daarom verwonderlijk, dat deze beweegreden zoo’n groote plaats inneemt, zelfs in de formeele statistiekenvan de prostitutie. Merrick vond in Londen, dat 5000, of bijna een derde van de prostituées, die hij onderzocht, met liefde een tehuis of een betrekking opgaven “voor een leven van pleizier”, en hij acht dit de hoofdreden voor de prostitutie95. In Amerika vond Sanger dat “neiging” bijna bovenaan stond onder de oorzaken voor de prostitutie, terwijl Woods Hutchinson vond, dat “liefde tot vertoon, weelde en ijdelheid” op verre na de eerste plaats innamen. “Verveling en tegenzin tegen het werk” is de reden, die aangegeven wordt door een groot aantal Belgische meisjes, als zij aan de politie haar wensch te kennen geven om als prostituées ingeschreven te worden. In Italië meent men, dat een gelijke beweegreden een belangrijke rol speelt. In Rusland komt “verlangen naar vermaak” op de tweede plaats onder de oorzaken van de prostitutie. Ik geloof, dat er geen twijfel aan kan zijn, dat, zooals een oplettend waarnemer van het Londensche leven gezegd heeft, het probleem van de prostitutie “in den grond is een wild en onweerstaanbaar verlangen naar opwinding, een ernstige en opzettelijke opstand tegen de eentonigheid van alledaagsche idealen, en de geestdoodende verveling van het alledagsleven”96. Het is deze factor van de prostitutie, mogen we redelijker wijze besluiten, die voornamelijk verantwoordelijk is voor het feit, waarop F. Schiller97gewezen heeft, dat met de ontwikkeling van de beschaving de toevoer van prostituées neiging heeft grooter te worden dan de vraag.Charles Booth schijnt van dezelfde meening te zijn, en citeert (Life and Labor of the People, Third Series, deel VII, p. 364) uit een rapport van een reddingsgenootschap: “De algemeene opvatting is, dat deze vrouwen verlangend zijn een leven van zonde te verlaten. De duidelijke en eenvoudige waarheid is, dat zij, voor het meerendeel, in het geheel geen behoefte hebben om gered te worden. Zoovele van deze vrouwen beschouwen de prostitutie niet als een zonde en willen ze niet als zoodanig beschouwen. “Ik word iederen avond meegenomen om in een restaurant te eten en daarna naar een publieke vermakelijkheid te gaan; waarom zou ik dat opgeven?””Merrick, die vond, dat vijf percent van de 14.000 prostituées, die in de Millbank gevangenis kwamen, gewend waren godsdienstige gebruiken te vereenigen met het uitoefenen van haar beroep, zegt ook naar aanleiding van haar gevoelens over moraal: “Ikben er van overtuigd, dat er vele arme mannen en vrouwen zijn, die in het geheel niet begrijpen, wat het woord “immoraliteit” beteekent. Uit beleefdheid zullen ze misschien ja zeggen op wat ge zegt, maar zij begrijpen uw bedoeling niet als gij spreekt van deugd of reinheid; gij spreekt eenvoudig over hen heen” (Merrick,op.cit., p. 28). Dezelfde houding kan men overal onder prostituées vinden. In Italië vermeldt Ferriani een meisje van vijftien jaar, dat, toen ze beschuldigd werd van onbetamelijkheid met een man in een park, met veel tranen en veel verontwaardiging ontkende. Hij bracht haar eindelijk tot bekentenis, en vroeg haar toen: “Waarom heb je geprobeerd mij te doen gelooven, dat je geen kwaad gedaan hadt?” Zij aarzelde, glimlachte, en zeide: “Omdatzij zeggen, dat meisjes niet moeten doen, wat ik doe, maar dat ze moeten werken. Maar ik ben, wat ik ben, en het gaat hen niet aan”. Deze houding is dikwijls meer dan een instinctief gevoel; bij intelligente prostituées wordt het dikwijls een wel-overwogen overtuiging. “Ik kan alles dragen, als het moet”, schreef de schrijfster van hetTagebuch einer Verlorenen(p. 291), “zelfs ernstige en edele minachting, maar geen spot. Minachting—ja, als ze verdiend is. Als een arm en mooi meisje met een moe en bitter hart alleen staat in de wereld, van alles uitgesloten, omringd door verzoekingen en verleidingen, die zich aan alle kanten aanbieden, en als ze dan toch, uit innerlijke overtuiging het grauwe en eentonige pad kiest van verzaking en van de burgerlijke moraal, dan erken ik in dat meisje een persoonlijkheid, die een zeker recht heeft met minachtend medelijden neer te zien op zwakkere meisjes. Maar die ganzen, die, onder de oogen van haar hoeders en levenslange eigenaars altijd op zachte groene weiden gegraasd hebben, hebben zeker geen recht minachtend te lachen over haar, die niet zoo gelukkig geweest zijn”. En we moeten niet meenen, dat er noodzakelijk eenig sophisme behoeft te wezen in de zelf-rechtvaardiging van de prostituée. Sommige van onze beste denkers en waarnemers zijn tot een conclusie gekomen, die niet ongelijk is aan deze. “De werkelijke toestanden van de maatschappij verzetten zich tegen ieder hoog moreel gevoel in vrouwen”, merkt Marro op (La Pubertà, p. 462), “want tusschen haar, die zich verkoopen in prostitutie en haar, die zich verkoopen in het huwelijk, bestaat het eenige verschil in den prijs en den duur van het contract”.Wij hebben reeds gezien welk een groot percentage in de prostitutie geleverd wordt door haar, die den huiselijken dienst verlaten hebben om dit leven te volgen (Antep. 264). Het is niet moeilijk in dit feit een bewijs te vinden voor de soort van impuls, die er een vrouw toe drijft de loopbaan van prostituée te kiezen. “De dienstbode, in onze maatschappij van gelijkheid”, schreef Goncourt, nadat hij vroegere tijden in de herinnering gebracht heeft, toen haar dikwijls een plaats ingeruimd werd in het familieleven, “is niets anders geworden dan een betaalde paria, een machine voor het doen van huishoudelijk werk, en het wordt haar niet langer toegestaan het menschelijk leven van haar werkgever te deelen”98. En in Engeland, vinden we, zelfs al een halve eeuw geleden, de zelfde gezegden over de positie van de dienstbode: “huiselijke dienst is een volkomen slavernij”, met vroege uren en late uren en voortdurend trappen op en neer loopen, tot de benen gezwollen zijn; “er schijnt dikwijls een mate van vernuft gebruikt te worden, een betere zaak waardig, om de grootstmogelijke hoeveelheid werk uit de huiselijke machine te halen”; bovendien is zij “een soort bliksemafleider” voor het slechte humeur en de ziekelijke gevoelens van haar meesteres en van de jonge dames; zoodat, als sommigen gezegd hebben, “ik mij zoo ellendig voelde, dat het me niet kon schelen wat er van me terecht kwam, ik wilde maar, dat ik dood was”99. De dienstbode staat buiten alle menschelijke verhoudingen; zij mag niet het bestaan verraden van een eenvoudige impuls of natuurlijke behoefte. Tevens leeft zij op den rand der weelde; zij is omringd door de tantaliseerende visioenen van genoegen en amusement, waarnaar haar frissche jonge natuur verlangt100. Het kan geen verwondering wekken dat zij, overwerkt en aangetrokken door lediggang vol genot den eenigen sprong doet, die haar in staat zal stellen te genieten van de schitterende zijden der beschaafde maatschappij, die haar zoo begeerlijk toeschijnen101.Er wordt soms gezegd, dat het overheerschend veel voorkomen van de prostitutie onder meisjes, die vroeger dienstboden waren, komt, doordat zoo ontzettend veel dienstmeisjes verleid worden door den heer des huizes of door de jonge heeren van de familie, waar zij dienen, en zoo de straat op gedreven worden. Dit is ongetwijfeld in een zeker aantal gevallen, misschien soms in een vrij aanzienlijk aantal, een beslissende factor, maar het schijnt wel nauwelijks de hoofd-factor te zijn. Het bestaan van betrekkingen tusschen dienstboden en heeren des huizes, moeten we bedenken, sluit geenszins noodzakelijk verleiding in. In een groot aantal gevallen is de dienstbode in een huishouden, in sexueele zaken, eer de leermeesteres dan de leerling. (In “The Sexual Impulse in Women”, in een ander werk van mijn hand, heb ik de rol besproken, die dienstmeisjes spelen als inwijdsters in sexueele zaken van de jonge jongens, in de huishoudens waarin ze geplaatst zijn). De meer preciese statistieken der oorzaken van de prostitutie geven zelden verleiding aan als de voornaamste oorzaak in meer dan ongeveer 20 percent van de gevallen, hoewel dit klaarblijkelijk een van de beweegredenen is, die het gemakkelijkst te bekennen is (zieantep. 256). Verleiding door een of anderen werkgever vormt maar een deel (gewoonlijk minder dan de helft) zelfs van deze gevallen. Het speciale geval van verleiding van dienstboden door den heer des huizes kan dus geen zeer groote rol spelen als factor bij de prostitutie.De statistieken over de afkomst van onwettige kinderen hebben ook eenige betrekking op deze zaak. In een serie van 180 ongehuwde moeders, die geholpen zijn door den Berlijnschen bond voor moederbescherming, wordenbijzonderheden gegeven over de bezigheden der moeders, en voor zoover mogelijk, ook van de vaders. De moeders waren voor een derde dienstmeisjes, en de groote meerderheid van de rest waren winkeljuffrouwen, of meisjes, die thuis werkten. Bij de vaders (van de 120 gevallen) kwamen bovenaan werklui (33), dan kooplui (22); maar een klein aantal (20 tot 25) kon beschreven worden als “heeren”, en zelfs dit aantal verliest iets van zijn beteekenis als er op gewezen wordt, dat sommige van de meisjes ook van de middelklasse waren; in negentien gevallen waren de vaders getrouwde mannen (Mutterschutz, Januari, 1907, p. 45).De meeste autoriteiten in de verschillende landen zijn van meening, dat meisjes, die prostituée worden (gewoonlijk tusschen de vijftien en de twintig jaar) haar maagdelijkheid op jeugdigen leeftijd verloren hebben, en in de groote meerderheid der gevallen door mannen van haar eigen klasse. “Het meisje uit het volk valt door het volk”, zeide Reuss in Frankrijk (La Prostitution, p. 41). “Het zijn haars gelijken, werklieden evenals zij, die de eerste vruchten plukken van haar schoonheid en haar maagdelijkheid. De man van de wereld, die haar met goud en juweelen belaadt, krijgt alleen wat zij overlaten”. Ook Martineau (De la Prostitution Clandestine, 1885) toonde aan, dat prostituées gewoonlijk onteerd worden door mannen van haar eigen klasse. En Jeannel, in Bordeaux vond reden om te gelooven, dat het niet voornamelijk haar meesters zijn, die dienstmeisjes verleiden; zij gaan dikwijls in dienst, omdat ze op het land verleid zijn, terwijl luie, begeerige en domme meisjes van het land naar de stad gestuurd worden om te dienen. In Edinburg vond W. Tait (Magdalenism, 1842), dat soldaten meer dan eenige andere klasse in de gemeenschap de verleiders zijn van vrouwen, en dat vooral de Hooglanders in dit opzicht bekend zijn. Soldaten hebben deze reputatie overal, en vooral in Duitschland vindt men steeds, dat de tegenwoordigheid van soldaten in een plaats op het platteland, zooals bij de jaarlijkschemanoeuvres, de oorzaak is van onkuischheid en onwettige geboorten; zoo is het ook in Oostenrijk, waar lang geleden Gross-Hoffinger heeft geconstateerd, dat soldaten verantwoordelijk waren voor ten minste een derde van alle onwettige geboorten, een aandeel, dat geheel buiten verhouding is tot hun aantal. In Italië vond Morro, bij zijn onderzoekingen naar de oorzaak van het verlies der maagdelijkheid bij twee en twintig prostituées, dat tien zich min of meer spontaan gaven aan minnaars of meesters, dat tien zwichtten in de verwachting van een huwelijk, en dat twee verkracht waren (La Pubertà, p. 461). Het verlies van de maagdelijkheid, hoewel het misschien niet de eerste oorzaak van de prostitutie is, leidt er toch dikwijls toe. “Als een deur eenmaal opengebroken is”, zeide een prostituée tot hem, “dan is het moeilijk ze gesloten te houden”. In Sardinië zijn, zooals A. Mantegazza en Ciuffo vonden, prostituées zeer dikwijls dienstmeisjes van het land, die reeds onteerd zijn door mannen van haar eigen klasse.Deze beschavingsfactor van de prostitutie, de invloed van weelde en opwinding en verfijning, die het meisje uit het volk aantrekken, zooals de vlam de mot aantrekt, blijkt uit het feit, dat het de bewoonsters van het land zijn, die voornamelijk voor de bekoring bezwijken. De meisjes, wier jonge ontvlambare en orgiastische impulsen, soms aangewakkerd door een klein aangeboren gebrek aan zenuw-evenwicht, latent gebleven zijn in de saaie eentonigheid van het leven op het land, vinden eindelijk haar volkomen bevrediging in de loopbaan van prostituée. Voor het stadsmeisje, dat in de stad is geboren en opgevoed, heeft deze loopbaan gewoonlijk niet veel aantrekkingskracht, tenzij zij van het begin af aan opgevoed is in een omgeving, die haar predisponeert om zete kiezen. Zij is van haar jeugd af gewoon aan de prikkels van de steedsche beschaving en zij bedwelmen haar niet; zij is, bovendien beter in staat op zich zelf te passen dan het meisje van het land, en ze weet te veel van de werkelijke feiten van het leven der prostituée, om zeer verlangend te zijn haar loopbaan te kiezen. Bovendien bezit de familie waartoe zij behoort, waarschijnlijk ook een aangeboren of verkregen weerstandsvermogen tegen de evenwicht-verstorende invloeden, dat het hun mogelijk gemaakt heeft zich in het stadsleven staande te houden. Zij is immuun geworden tegen de vergiften van dat leven102.In alle groote steden is een groot deel, zoo niet de meerderheid van de inwoners, gewoonlijk buiten de stad geboren (in Londen zijn maar vijftig percent van de hoofden van gezinnen bepaald vermeld als in Londen geboren); en het is dus niet te verwonderen, dat ook prostituées dikwijls van buiten de stad komen. Toch blijft het een feit van beteekenis, dat een zoo typisch steedsch verschijnsel als de prostitutie, in zoo ruime mate van nieuwe leden voorzien wordt van het land. Dit is overal het geval. Merrick noemt de streken op, waar 14.000 prostituées vandaan kwamen, die in de Millbank gevangenis terecht kwamen. Middlesex, Kent, Surrey, Essex en Devon zijn de graafschappen, die bovenaan staan, en Merrick taxeert het aantal voor Londen uit de vier graafschappen, die Londen vormen, op 7000, of de helft van het geheel; militaire steden, zooals Colchester en marine-havens, zooals Plymouth, voorzien Londen van veel prostituées; Ierland levert er veel meer dan Schotland, en Duitschland veel meer dan eenig ander Europeesch land, terwijl Frankrijk bijna in het geheel niet vertegenwoordigd is (Merrick,Work Among the Fallen, 1890, pp. 14–16). Het is natuurlijk mogelijk, dat de verhoudingen onder haar, die in een gevangenis komen, niet nauwkeurig de verhoudingen weergeven der prostituées in het algemeen. De lijsten van het Londensche reddingshuis van het Leger des Heils wijzen er op, dat zestig percent van de meisjes en de vrouwen van buiten komen (A. Sherwell,Life in West London, hoofdst. V). Dit is precies dezelfde verhouding die Tait een halve eeuw vroeger, onder prostituées in het algemeen, in Edinburg vond. Sanger zegt, dat van de 2000 prostituées in New-York er wel 1238 in het buitenland geboren waren (706 in Ierland), terwijl van de overige 762 de eene helft geboren was in den staat New-York, en een beslist (hoewel de juiste getallen niet aangegeven zijn) nog kleinere verhouding in de stad New-York. Prostituées komen uit het Noorden—waar het klimaat onpleizierig is, en waar fabrieksarbeid en zittende bezigheden het meest voorkomen—veel meer dan uit het Zuiden; zoo zond Maine, een koude, gure zeestaat, vier en twintig van deze prostituées naar New-York, terwijl Virginië, op denzelfden afstand liggende, dat er naar denzelfden maatstaf gerekend twee en zeventig moest gestuurd hebben, er maar negen zond; er was een zelfde verschil tusschen Rhode Island en Maryland (Sanger,History of Prostitution, p. 452). Het is leerrijk hier den invloed op te merken van een somber klimaat en eentonigen arbeid op het aanwakkeren van de begeerte naar een “leven van pleizier”. In Frankrijk is er, zooals op een kaart in het werk van Parent-Duchâtelet aangetoond wordt (deel I, pp. 37–64, 1857) als het land verdeeld wordt in vijf gordels, die van Oost naar West loopen, een voortdurende vermindering in het aantal prostituéesdat iedere gordel naar Parijs zendt, naarmate we verder Zuidwaarts komen. Weinig meer dan een derde schijnt tot Parijs te behooren, en, evenals in Amerika, is het het ernstige en hard werkende Noorden met zijn betrekkelijk koud klimaat, dat het grootste contingent levert; zelfs in het oude Frankrijk merkt Dufour op (op. cit., deel IV, hoofdst. XV), was prostitutie, zooals blijkt uit defabliauxenromans, minder schandelijk in delangue d’oildan in delangue d’oc, zoodat zij ongetwijfeld zeldzaam was in het Zuiden. Op een later tijd zegt Reuss (La Prostitution, p. 12) dat “bijna al de prostituées uit Parijs van buiten komen”. Jeannel merkte op, dat van de duizend prostituées uit Bordeaux er maar zes en veertig in de stad thuis behoorden, en Potton (Appendix bij Parent-Duchâtelet, deel II, p. 446) zegt, dat van bijna vier duizend prostituées uit Lyon er maar 376 uit Lyon zelf waren. In Weenen merkt Schrank, in 1873, op, dat van meer dan 1500 prostituées er maar 615 in Weenen geboren waren. De algemeene regel is, zooals we zullen gezien hebben, hoewel de variaties vele zijn, dat weinig meer dan een derde van de prostituées van een stad stadskinderen zijn.Het is opmerkelijk dat deze neiging van de prostituée om van ver naar steden toe te komen, deze zwervende neiging—die zij tegenwoordig gemeen heeft met de kellners—niet een modern verschijnsel is. “Er zijn weinig steden in Lombardije, of Frankrijk, of Gallië”, schreef de heilige Bonifacius, “waar niet een echtbreekster is of een prostituée van de Engelsche natie”, en de heilige schrijft dit toe aan de gewoonte der pelgrimstochten naar buitenlandsche heilige plaatsen. In den tegenwoordigen tijd is er geen duidelijk merkbaar Engelsch element onder de prostituées van het vasteland. Zoo zijn in Parijs volgens Reuss (La Prostitution, p. 12) de buitenlandsche prostituées in afnemende orde Belgisch, Duitsch (Elzas-Lotharingen), Zwitsersch (vooral uit Genève), Italiaansch, Spaansch, en eerst dan Engelsch. Kenners in deze zaak zeggen dat de Engelsche prostituée, in vergelijking met haar zuster van het vasteland (en vooral uit Frankrijk), niet voordeelig uitkomt, omdat ze gewoonlijk hebberig is in geldzaken en niet zeer bekoorlijk.Het is de beschaving, hoewel niet het fijnste en het beste in de beschaving, die meer dan iets anders vrouwen roept tot de prostitutie. Het is noodig er op te wijzen dat ook de man door diezelfde beschaving tot de prostitutie gedreven wordt. De gewone en op onwetendheid berustende veronderstelling, dat de prostitutie bestaat om de grove zinnelijkheid van den jongen ongehuwden man te bevredigen, en dat, als hij geleerd heeft grove sexueele impulsen te bedwingen of er toe gebracht is vroeg te trouwen de prostituée geen bezoek zal ontvangen, is volkomen onjuist. Als alle mannen heel jong trouwden, dan zou niet alleen het geneesmiddel erger zijn dan de kwaal—het is hier de plaats niet dat punt verder te bespreken—maar het middel zou de kwaal niet genezen. De prostituée is iets meer dan een kanaal om overtollige sexueele energie af te voeren, en haar aantrekkingskracht houdt in het geheel niet op te bestaan als mannen getrouwd zijn, want een groot aantal van de mannen die prostituées bezoeken, zoo niet de meesten, zijn getrouwd. En toch, of zij getrouwd zijn of ongetrouwd, de beweegreden die hen naar de prostituée voert, is niet uitsluitend wellust.In Engeland, merkt een schrijver, die goed op de hoogte is, op, dat “de waarde van het huwelijk als moreele factor blijkt uit het feit, dat al de betereprostituées in Londen bijna geheel onderhouden worden door getrouwde mannen”, terwijl ook in Duitschland, zooals in een belangwekkende serie van herinneringen van een vroegere prostituée,Beichte einer Gefallenendoor Hedwig Hard (p. 208), gezegd wordt, de meeste mannen, die prostituées bezoeken, getrouwd zijn. Deze bewering is waarschijnlijk overdreven. Neisser zegt dat maar vijf en twintig percent van gevallen van gonorrhoe voorkomen bij getrouwde mannen. Deze opgave is waarschijnlijk onjuist in omgekeerden zin, omdat getrouwde mannen zich in het verkeer met prostituées meestal zeer in acht nemen, meer dan de jonge en ongetrouwde mannen. Wat de beweegreden aangaat, die getrouwde mannen tot de prostitutie brengt, vertelt Hedwig Hard uit haar eigen ervaringen een voorval, dat leerzaam en ongetwijfeld typisch is. In de stad, waar zij rustig als prostituée woonde, werd een man van den hoogsten maatschappelijken stand door een vriend bij haar geïntroduceerd, en bezocht haar regelmatig. Zij had dikwijls zijn vrouw gezien en bewonderd, die een van de gevierde schoonheden van de plaats was en twee lieve kinderen had; man en vrouw schenen elkander zeer genegen, en ieder benijdde hen hun geluk. Hij was een man van verstand en beschaving, die Hedwig’s liefde tot boeken aanmoedigde; zij geraakte zeer aan hem gehecht en eens waagde zij hem te vragen hoe hij zijn lieve, mooie vrouw kon verlaten om naar iemand toe te gaan, die niet waard was haar schoenriemen los te binden. “Ja, kind”, antwoordde hij, “maar al haar schoonheid en ontwikkeling geeft mij niets voor mijn hart. Zij is koud, koud als ijs, fatsoenlijk en bovenal phlegmatiek. Vertroeteld en verwend als zij is, leeft zij alleen voor zich zelf; wij zijn twee goede kameraden en niets meer. Als ik bijvoorbeeld ’s avonds uit de societeit kom en naar haar bed ga, misschien wel een beetje opgewonden, dan wordt ze zenuwachtig en vindt het ongepast, dat ik haar wakker maak. Als ik haar kus, dan verdedigt zij zich en vertelt mij, dat ik verschrikkelijk naar sigaren en wijn ruik. En als ik misschien meer probeer, dan springt ze uit bed, wordt boos alsof ik haar aanviel, en dreigt uit het raam te springen als ik haar aanraak. Dus laat ik haar om den wille der vrede met rust en kom hier”. Er kan geen twijfel aan zijn, dat dit de ondervinding is van veel getrouwde mannen, die graag geliefde zoowel als vriendin in hun vrouwen zouden vinden. Maar de vrouwen hebben, met een verscheidenheid van oorzaken, bewezen, dat ze niet in staat zijn de sexueele makkers te worden van haar echtgenooten. En de echtgenooten, zonder dat ze gedreven worden door eenigen sterken hartstocht of door begeerte naar ontrouw, zoeken buitenshuis wat ze thuis niet vinden kunnen.Dit is niet de eenige reden, waarom mannen prostituées bezoeken. Zelfs mannen, die gelukkig getrouwd zijn met vrouwen, die in de voornaamste opzichten bij hen passen, ondervinden dikwijls na eenige jaren huwelijksleven, een geheimzinnig verlangen naar afwisseling. Zij zijn hun vrouwen niet moe, zij hebben niet de minste wensch of bedoeling om haar te verlaten, zij willen haar, als zij het helpen kunnen, niet de minste pijn veroorzaken. Maar nu en dan worden ze door een onweerstaanbaren, en onwillekeurigen drang er toe gebracht een tijdelijke intimiteit te zoeken met vrouwen, met wie ze voor niets ter wereld zich voor goed zouden willen binden. Pepys, wiensDiary, afgezien van de andere verdienstelijke eigenschappen ervan, een psychologisch document van waarde is, levert een zeer karakteristiek voorbeeld van deze soort van impuls. Hij heeft een jonge, lieve vrouw getrouwd, aan wie hij zeer gehecht is, en hij leeft gelukkig met haar, op een paar nu en dan voorkomende twisten na, die spoedig door kussen uit den weg geruimd zijn; zijn liefde gaat samen met jaloezie, een jaloezie, die, zooals hij toegeeft, volkomen onredelijk is, want zij is een trouwe, liefhebbende vrouw. Toch kan Pepys, eenige jaren na zijn huwelijk, en midden in een leven van ingespannen beroepsbezigheid, de verleiding niet weerstaan de tijdelijke gunsten te zoeken van andere vrouwen, zelden prostituées, maar bijna altijd vrouwen van lagen maatschappelijken stand—winkeljuffrouwen, vrouwen van werklieden, fatsoenlijke dienstmeisjes.Dikwijls is hij er mee tevreden haar naar een rustig bierhuis mee te nemen, en zich een paar gewone vrijheden te veroorloven. Soms weigeren zij absoluut meer dan dit toe te staan; als dat gebeurt dankt hij herhaaldelijk den almachtigen God (zooals hij ’s avonds in zijnDiaryschrijft), dat hij bewaard is gebleven voor verleiding en voor tijd- en geldverlies; telkens weer is hij geneigd de gelofte te doen, dat het niet weer zal gebeuren. Toch gebeurt het altijd weer. Pepys is volkomen waar tegenover zich zelf; hij doet geen poging zich te rechtvaardigen of te excuseeren; hij weet, dat hij voor de verleiding bezweken is; het is een impuls, die nu en dan over hem komt, een impuls, dien hij niet in staat schijnt te zijn lang te weerstaan. Ondanks dit alles blijft hij een achtenswaardig en ijverig ambtenaar, en in de meeste opzichten een tamelijk deugdzaam man, met een echten afkeer van lichtzinnige menschen en onbeteekenende praatjes. De houding van Pepys wordt met onvergelijkelijken eenvoud en openhartigheid uiteengezet, omdat hij deze dingen voor zijn eigen oogen alleen neerschrijft, maar zijn geval is in werkelijkheid dat van een groot aantal andere mannen, misschien wel van den typischenhomme moyen sensuel(zie Pepys,Diary, ed.Wheatley;e.g., deel IV,passim).Er is een derde klasse van getrouwde mannen, minder groot in aantal, maar niet onbelangrijk, die gedwongen zijn prostituées te bezoeken: de klasse van sexueel geperverteerde mannen. Er zijn vele redenen, waarom zulke mannen kunnen wenschen te trouwen, en in sommige gevallen trouwen ze vrouwen, met wie zij den eigenaardigen vorm van sexueele bevrediging, waarnaar ze verlangen, kunnen verkrijgen. Maar in een groot aantal gevallen is dit niet mogelijk. De conventioneel opgevoede vrouw kan zichzelf er niet toe brengen zelfs maar aan een volkomen onschuldige fetischachtige gril van haar echtgenoot toe te geven, want die is te vreemd aan haar gevoelens en te onbegrijpelijk voor haar ideeën, zelfs als ze oprecht verliefd op hem is; in vele gevallen zou de echtgenoot niet durven vragen en ternauwernood zelfs wenschen, dat zijn vrouw er zich toe zou leenen de fantastische of misschien vernederende rol te spelen, die zijn wenschen eischen. In zulk een geval wendt hij zich natuurlijk tot de prostituée, de eenige vrouw, wier beroep het is in zijn bijzondere behoeften te voorzien. Het huwelijk heeft dezen mannen geen verlichting gebracht, en zij vormen een groot aantal cliënten van elke prostituée in iedere groote stad. De meest gewone prostituée van eenige ervaring kan gevallen meedeelen van haar eigen bezoekers, geschikt om een verhandeling over psychopatische sexualiteit te illustreeren. Het is hier voldoende een aanhaling weer te geven uit de bekentenissen van een jonge Londensche prostituée (Strand), zooals ze van haar lippen zijn neergeschreven door een vriend, aan wien ik het document dank; ik heb alleen een paar alledaagsche woorden in meer technische termen veranderd. Nadat ze beschreven had hoe, toen zij nog een dorpskind van dertien jaar was, een rijke, oude heer dikwijls kwam en zich aan haar en andere meisjes vertoonde, en hoe hij eindelijk gearresteerd werd en gevangen genomen, sprak zij over de perversiteiten, die ze ontmoet had, sedert zij prostituée was geworden. Zij kende een jongen man van ongeveer vijf en twintig jaar, gewoonlijk in een sportpakje gekleed, die altijd met een paar levende duiven kwam, die hij in een mand meebracht. Zij en het meisje, waar ze mee samenwoonde moesten zich ontkleeden, de duiven nemen en ze den nek omdraaien; hij stond dan voor haar, en als de nekken omgedraaid werden, trad bij hem geprikkeldheid op. Eens ontmoette zij een man op straat en hij vroeg haar of hij met haar mee mocht gaan en haar schoenen mocht likken. Zij stemde toe en hij nam haar mee naar een hotel, betaalde een halve guinje voor een kamer, en, toen ze ging zitten, kroop hij onder de tafel en likte haar schoenen, die vol modder waren; meer deed hij niet. Dan waren er dingen, zeide zij, die te vuil waren om te vertellen; bv. een man kwam met haar en haar vriendin naar huis, en liet haar in zijn mond urineeren. Zij had ook verhalen van geeseling, meestal van mannen, die de meisjes met de zweep sloegen, zeldzamer van mannen, die graag door haar geslagen werden. Een man, dieiedere keer een nieuw riet meebracht, sloeg haar vriendin tot bloedens toe. Zij kende een anderen man, die niets deed dan haar hard op de billen slaan. Nu wortelen al deze dingen, die tot het gewone dagwerk van de prostituée behooren, in diepe en onweerstaanbare impulsen. Zij moeten een of anderen uitweg vinden. Maar alleen op de prostituée kan men rekenen, omdat haar belang en haar opvoeding het meebrengen, om den natuurlijken tegenzin tegen zulke handelingen te boven te komen en wenschen te bevredigen, die, als ze niet bevredigd werden, misschien andere en gevaarlijker vormen zouden aannemen.Hoewel Woods Hutchinson met instemming de verklaring van een vriend aanhaalt: “Van de duizende prostituées heb ik er nooit een gezien met goede manieren aan tafel”, gaat van de prostituée toch werkelijk, hoewel dan niet in voldoende mate, de bekoring van de beschaving uit. “Er was geen huis, waarin ik van tijd tot tijd het gezicht van een dame zien en de stem van een dame hooren kon”, schreef de romanschrijver Anthony Trollope in zijnAutobiographieover zijn leven, toen hij pas in Londen was. “Geen opwekking tot fatsoenlijke vertrouwelijkheid kwam op mijn weg. Het schijnt mij toe, dat in zulke omstandigheden de verleidingen van een losbandig leven bijna zeker de overhand zullen krijgen over een jongen man. De verleiding kreeg in ieder geval de overhand over mij”. In iedere groote stad, heeft men gezegd, zijn er duizende mannen, die niet het recht hebben eenige andere vrouw dan een kellnerin bij haar voornaam te noemen103. Al de schoone glans der beschaving schittert om hen heen in de straten, maar zij moeten op een afstand blijven. Het is de prostituée, die deze bekoring van de stad belichaamt, veel beter dan de maagdelijke vrouw, zelfs als intimiteit met haar binnen hun bereik was. De prostituée vertegenwoordigt ze, omdat zij ze zelf voelt, omdat zij zelfs haar vrouweneer opgeofferd heeft in de poging zich er mee te vereenzelvigen. Zij heeft ongebreidelde vrouwelijke instincten, zij is een meesteres in de vrouwelijke kunst zich op te sieren, zij kan tot hem spreken over de geheimen van de vrouwelijkheid en de weelden van haar geslacht met een zaakkennis en een vrijheid, waartoe het onschuldige meisje, dat aan haar huis gekluisterd is, niet in staat zou zijn. Zij is voor hem niet alleen daardoor aantrekkelijk, omdat zij de lagere sexueele begeerten bevredigen kan, maar ook omdat zij op hare wijze een kunstenares is, een deskundigein de kunst van vrouwelijke uitbuiting, een leidster op het gebied der mode. Want dit is zij, en er zijn, zooals Simmel in zijnPhilosophie der Modegezegd heeft, goede psychologische redenen, waarom zij dit altijd moet zijn. Haar onzekere maatschappelijke positie maakt alles, wat conventioneel en wettig is, hatelijk in haar oogen, terwijl haar temperament voortdurende nieuwigheden verrukkelijk voor haar maakt. In nieuwe modes vindt zij “een æsthetischen vorm van dat instinct van vernieling, dat eigen schijnt te zijn aan het leven van alle paria’s, in zooverre zij geestelijk niet volkomen slaven zijn geworden”.“Hoe verwonderlijk het ook aan sommigen moge toeschijnen”, merkt een modern schrijver op, “prostituées moeten op hetzelfde niveau gesteld worden als kunstenaars. Beide gebruiken hun gaven en talenten tot vreugde en genoegen van anderen, en, als regel, tegen betaling. Wat is het essentieele verschil tusschen een zangeres, die hoorders genoegen geeft met haar keel en een prostituée, die haar bezoekers genoegen geeft met een ander deel van haar lichaam? Alle kunst werkt op de zinnen”. Hij verwijst naar het belangrijke feit, dat acteurs en voornamelijk actrices vroeger veelal even weinig geacht werden als prostituées nu (R. Hellmann,Ueber Geschlechtsfreiheit, pp. 245–252).Bernaldo de Quiros en Llanas Aguilaniedo (La Mala Vida en Madrid, p. 242) gaan denzelfden invloed na nog lager op den maatschappelijken ladder. Zij beschrijven de vuilere soort vancafé’s chantant, waar, in Spanje en elders, de slechtste en meest gedegenereerde vrouwelijke schepsels kellnerinnen worden (en soms zangeressen en danseressen), die dan de rol spelen van liefelijke en gedistingeerdehetarenvoor een publiek van voerlieden en winkelbedienden, die deze plaatsen bezoeken. “Gekleed met wat den jongen man toeschijnt onberispelijke smaak te zijn, met zorgvuldig gefriseerde haren, en een schoon gezicht, dat versierd is met bloemen of sieraden, minzaam en soms hooghartig, in bekoring en in tooi verheven boven de andere vrouwen, die hij kent, worden de kellnerinnen het mooiste voorbeeld van defemme galante, die hij kan zien en toespreken, de courtisane van zijn sfeer”.Maar terwijl de prostituée voor den eenvoudigen, onwetenden en hongerigen jongen man aantrekkelijk is als belichaming van veel van de verfijning en perversiteiten van de beschaving, oefent zij op vele meer gecompliceerde en beschaafde mannen een aantrekkingskracht uit van een bijna tegenovergestelde soort. Zij trekt aan door haar frissche en natuurlijke ruwheid, haar vrije bekendheid met de ruwste feiten van het leven; en heft hen zoo voor een oogenblik op uit de verdorrende atmosfeer van kunstmatig denken en onwerkelijk gevoel, waarin zoo vele beschaafde personen gedwongen zijn het grootste deel van hun leven door te hengen. Zij voelen met de woorden, die de koninklijke vriend van een vrouw van dit temperament moet gebruikt hebben, toen hij een verklaring gaf van haar onbegrijpelijken invloed op hem: “Zij is zoo schitterend vulgair!”Ter illlustratie van deze zijde van de aantrekkingskracht der prostitutie, wil ik hier een passage aanhalen, waarin de romanschrijver Hermant, in zijnConfessions d’un Enfantd’Hier(Lettre VII), de redenen uiteengezet heeft, die er het overbeschaafde kind van een beschaafde eeuw, dat toch geenszinsradicaal of volkomen slecht is, toe kunnen brengen voldoening te vinden in den omgang met prostituées: “Zoolang mijn hart niet getroffen was, was het voorwerp van mijn satisfactie mij volkomen onverschillig. Ik hield bovendien veel van absolute vrijheid en die is alleen mogelijk in den kring van deze anonieme schepsels en in haar afgezonderde woonplaats. Daar kan men zich alles veroorloven. Tegenover andere vrouwen, hoe laag we haar ook zoeken, moeten zekere égards in acht genomen worden, een soort van protocol. Tegen de prostituée kan men alles zeggen: men is beschermd door zijn incognito en men weet zeker, dat niemand ooit te weten komt, wat men met haar beleeft. Ik maakte gebruik van deze vrijheid, zoo aantrekkelijk voor iemand van mijn leeftijd, maar met een perverse fantasie, die niet bij mijn jaren paste. Ik weet nauwelijks waar ik de woorden vandaan haalde, die ik tot haar zeide, want ze kwamen niet overeen met mijn smaak, die eenvoudig was en, als ik het zeggen mag, klassiek. Het is waar, dat onbeperkt naturalisme in liefdezaken altijd neigt tot het perverse, een feit dat alleen op het eerste gezicht paradox kan schijnen. Natuurvolken hebben veel trekken gemeen met gedegenereerden. Ik was echter alleen in woorden losbandig; en dit waren de eenige gelegenheden, waarbij ik mij herinneren kan, dat ik ernstig onwaarheid gesproken heb. Maar die behoefte, die ik toen ondervond, om een lage soort van onwaardige instincten uit te drijven, schijnt mij karakteristiek toe en vernederend. Ik mag er bij voegen, dat ik zelfs te midden van deze uitspattingen een zekere terughouding behield. De aanrakingen, waaraan ik mij overgaf, bezoedelden mij niet; er bleef niets van over, als ik naar huis terugkeerde. Ik heb altijd, uit dien geforceerden en onverschilligen omgang de gewoonte behouden om geen gewicht te hechten aan de handelingen van het vleesch. De liefdefunctie, die godsdienst en moraal omgeven hebben met geheimzinnigheid en gekruid met zonde, schijnt mij een functie toe als iedere andere, een beetje laag bij den grond, maar aangenaam, en een, waarvoor het gebruikelijk epiloog te lang is.… Deze soort kameraadschap duurde maar korten tijd”. Bovenstaande ontleding van de houding van een beslist gewoon type van den beschaafden modernen man schijnt juist te zijn, maar het zal misschien bij sommige lezers opkomen, dat men van een omgang, die er toe geleid heeft de “handeling van het vleesch” te beschouwen als te zijn van geen waarde, bezwaarlijk zeggen kan, dat ze geen smet nagelaten heeft.Op ongeveer gelijke wijze stelt Henri de Régnier in zijn romanLes Rencontres de Monsieur Bréot(p. 50) Bercaillé voor als iemand die bepaald bij voorkeur zijn genoegen zoekt bij dienstmeisjes, liever dan bij dames, want genoegen geven was, in zijn idee, een soort van dienst, die vrijwel overeenkwam met de diensten, die zij gewend waren te bewijzen; en daarbij zijn zij stevig en gezellig; zij hebben de naïviteit, die altijd bekoort en zij worden niet licht teruggestooten door die kleine voorvallen, die misschien het kieskeurige gevoel van fijn opgevoede dames zouden hinderen.Bloch, die speciaal den nadruk gelegd heeft op deze zijde van de aantrekkingskracht der prostitutie (Das Sexualleben unserer Zeit, pp. 359–362), verwijst naar den teeren en gevoeligen jongen Deenschen schrijver, J. P. Jakobsen, die scherp het contrast schijnt gevoeld te hebben tusschen de hoogere en meer gewone impulsen en de nu en dan voorkomende uitbarsting van wat hij voelde als de lagere instincten; in zijnNiels Lyhnebeschrijft hij het soort van dubbel leven, waarbij een man veertien dagen trouw is aan den God, dien hij vereert, en dan overwonnen wordt door andere machten, die hem dolzinnig meevoeren naar wat hij voelt als vernederend, pervers en vuil. “Op zulke oogenblikken”, merkt Bloch op, “is de man een ander wezen. De “twee zielen” in zijn borst worden werkelijkheid. Is dat de beroemde geleerde, de verheven idealist, de fijn besnaarde aestheticus, de kunstenaar, die ons zooveel mooie werken gegeven heeft in poëzie en schilderkunst? Wij herkennen hem niet meer, want op zulke oogenblikken is een ander wezen aan de oppervlakte gekomen, een andere natuur is in hem in beweging en drijft hem met hetgeweld van een natuurkracht naar dingen, waarvan zijn “hooger bewustzijn” de beschaafde man in hem, zou rillen”. Bloch meent, dat we hier te doen hebben met een soort normaal mannelijk masochisme en dat de prostitutie dient om dat te bevredigen.

Voor zoover het bewijsmateriaal gaat, dient het om aan tetoonen, dat prostituées over het algemeen het type naderen dat we zooals in het voorafgaande deel aangetoond is, met reden kunnen beschouwen als speciaal te wijzen op ontwikkelde sexualiteit. Het is echter onnoodig deze kwestie te bespreken voordat onze anthropometrische kennis van prostituées meer omvattend en meer precies is.

3.De moreele rechtvaardiging van de prostitutie.—Er zijn moralisten—zij zijn er altijd geweest en vele van hen zijn menschen wier opinie de ernstigste achting verdient—die meenen, dat mits de hygiënische voorwaarden verbeterd worden, het bestaan van de prostitutie geen ernstig probleem ter oplossing biedt. Ze is, zeggen zij, op zijn slechtst, een noodzakelijk kwaad, en, op zijn best, een weldadige instelling, het bolwerk van het tehuis, de onvermijdelijke keerzijde van het huwelijk. “De immoreele bewaakster van de publieke moraal”, is de definitie van prostituées gegeven door een schrijver, die de zaak van een laag standpunt beschouwt, en een ander, die de zaak meer verheven bekijkt, schrijft: “De prostituée vervult een maatschappelijke zending. Zij is de bewaakster van de maagdelijke kuischheid, het afvoerkanaal voor overspelige begeerte, de beschermster van getrouwde vrouwen, die een laat moederschap vreezen; het is haar rol op te treden als schild voor “het gezin””. “Als vrouwelijke Decii”, zeide Balzac in zijnPhysiologie du Mariagevan prostituées, “offeren zij zich op voor de republiek en maken van haar lichamen een borstwering ter bescherming van respectabele families”. Op dezelfde wijze noemde Schopenhauer prostituées “menschelijke slachtoffers op het altaar der monogamie”. Lecky vereenigt, in een vele malen aangehaalde passage der rhetorica84het hoogere en het lagere standpunt over de prostituée in de menschelijke maatschappij, en hij tracht er zelfs een priesterlijk karakter aan te geven. “Het uiterste type van de ondeugd”, verklaarde hij, “is ten slotte de meest krachtdadige bewaakster van de deugd. Als zij er niet was, zou de ongerepte reinheid van onnoemelijk veel huizen besmet zijn, en niet weinige van de vrouwen, die in den trots van haar niet in verleiding gebrachte kuischheid aan de prostituée denken met een siddering van verontwaardiging, zouden zonder haar de ellenden van berouw en van wanhoop gekend hebben. Op die eene onteerde en onwaardige gestalte zijn al de hartstochten geconcentreerd, die de wereld met schande hadden kunnen vullen. Zij blijft, terwijl geloofsbelijdenissen en maatschappijen opkomen en te gronde gaan, de eeuwige priesteres van de menschelijkheid, bezoedeld door de zonden van het volk”85.

Ik weet niet, of de Grieken ernstig gedacht hebben over de moreele rechtvaardiging van de prostitutie. Zij hadden haar geen bijzonder hinderlijke vormen laten aannemen en voor het grootste deel waren ze bereid haar te aanvaarden.De Romeinen namen ze gewoonlijk ook aan, maar, naar ons toeschijnt, niet zoo gemakkelijk. Er was een strenge, ernstige, bijna Puriteinsche geest in de Romeinen van de oude garde en soms schijnen zij de behoefte gevoeld te hebben zich te verzekeren, dat de prostitutie werkelijk moreel te rechtvaardigen was. Het is van belang op te merken, dat zij zich graag in de herinnering brachten dat Cicero gezegd had, dat hij blij was als hij een man uit een bordeel zag komen, omdat hij anders misschien de vrouw van zijn buurman onteerd zou hebben86.

De maatschappelijke noodzakelijkheid van de prostitutie is het oudste van al de argumenten van moralisten, die het dulden van prostituées prediken; en als we de eeuwige geldigheid aannemen van het huwelijkssysteem, waarmee tegelijk de prostitutie zich ontwikkeld heeft, en van de theoretische moraal, die op dat systeem gebaseerd is, dan is dit een zeer krachtig, zoo niet een onweerlegbaar argument.

De komst van het Christendom, met zijn speciale houding jegens het “vleesch” veroorzaakte noodzakelijk een enorme toename van belangstelling voor de moreele gezichtspunten van de prostitutie. Toen de prostitutie niet veroordeeld werd, werd het natuurlijk noodzakelijk haar te rechtvaardigen; het was niet mogelijk voor een kerk met min of meer ascetische idealen zulk een zaak met welwillende onverschilligheid te behandelen. Als regel schijnen we wel overal te vinden, dat de meer onafhankelijke geestelijken, die geen verantwoording hadden, geneigd waren ze te veroordeelen, terwijl die theologen, die de zware verantwoordelijkheden van kerkelijk staatmansschap op hun schouders geladen hadden, over ’t algemeen getoond hebben de prostitutie te rechtvaardigen, zij het dan ook aarzelend. Hiervan hebben we een uiterst belangrijk voorbeeld in den heiligen Augustinus, na den heiligen Paulus den voornaamsten stichter van de Christelijke kerk. In een verhandeling in 386 geschreven om de goddelijke regeling van de wereld te rechtvaardigen, verklaart hij dat, evenals de beul, hoe terugstootend hij ook zijn mag, een noodzakelijke plaats in de maatschappij inneemt, evenzoo de prostituée en haars gelijken, hoe vuil en leelijk en slecht zij ook zijn mogen, noodzakelijk zijn;verban de prostituées uit de maatschappij en gij zoudt de wereld met wellust bezoedelen: “Aufer meritrices de rebus humanis, turbaveris omnia libidinibus”87. Aquino, de eenige theologische denker van het Christendom, die tegelijk met Augustinus genoemd kan worden, was in deze kwestie van de prostitutie van dezelfde meening als hij. Hij hield vol, dat ontucht doodzonde was, maar hij nam de noodzakelijkheid aan van de prostitutie, als een nuttig deel van den bouw der maatschappij, en hij vergelijkt ze bij de afvoerkanalen van een paleis88. “Prostitutie in steden is gelijk aan het riool in een paleis; neem de riolen weg en het paleis wordt een onreine, stinkende plaats”. Liquori, de meest invloedrijke theoloog van den nieuweren tijd, was van dezelfde meening.

Deze aarzelende en half toegevende houding jegens de prostitutie hebben de theologen inderdaad over het algemeen aangenomen. Sommige wilden, in navolging van Augustinus en Aquino, de prostitutie dulden om grooter kwaad te voorkomen; anderen waren er geheel en al tegen; en weer anderen wilden ze in de steden toelaten, maar nergens anders. Het werd echter algemeen door theologen aangenomen, dat de prostituée recht heeft op haar loon, en dat ze niet verplicht is het terug te geven89. De vroegere moralisten van het Christendom vonden het niet moeilijk staande te houden, dat er geen zonde in is een huis te verhuren aan een prostituée tot het uitoefenen van haar bedrijf; absolutie werd hiervoor altijd gegeven en onthouding niet geëischt90. Ontucht bleef echter altijd een zonde en van de twaalfde eeuw af heeft de kerk een reeks van pogingen gedaan om prostituées te bekeeren. Alle Katholieke theologen zijn van meening, dat een prostituée verplicht is de zonde der prostitutie te biechten, en de meeste theologen, hoewel niet alle, hebben gemeend, dat ook een man den omgang met een prostituée moet biechten. Terzelfder tijd, dat er een zekere toegevendheid was jegens de prostituée zelf, was de kerk altijd zeer streng jegens hen, die leefden van de voordeelen van het bevorderen van de prostitutie, jegens delenones. Zoo weigerde het Concilie van Elvira, dat bereid was zonder boetedoening de prostituée die trouwde, te ontvangen, absolutie te geven, zelfs bij hun dood, aan personen, die schuldig geweest waren aanlenocinium91.

Het protestantisme, dat den biechtstoel opgeruimd had, kon indeze, evenals in vele andere zaken van sexueele moraal gewoonlijk aan de noodzakelijkheid ontsnappen eenige bepaalde en verantwoordelijke uitleggingen te geven over de moreele positie van de prostitutie. Zoo het al eenige meening te kennen gaf, of eenige praktische voorschriften trachtte in te leiden, dan grondde het zich natuurlijk op de bijbelsche bevelen tegen de ontucht, zooals ze uitgedrukt zijn door den heiligen Paulus, en het toonde geen genade voor de prostitutie, noch verdraagzaamheid. Deze houding, de houding der Puriteinen, was des te gemakkelijker in Protestantsche landen, met uitzondering van speciale districten op bepaalde tijden—zooals Genève en Nieuw-Engeland in de zeventiende en de achttiende eeuw—omdat theologen in deze landen eerder geroepen zijn geweest godsdienstige vermaningen te geven dan praktische politiek toe te passen. Deze laatste taak hebben ze aan anderen overgelaten, en zoo is er dikwijls een zekere verwarring en onzekerheid ontstaan in den geest van den protestantschen leek. Deze weifelende houding der theologen wordt in Engeland zeer duidelijk gemaakt door Burton, een nadenkend en ernstig auteur, die een eeuw na de hervorming schrijft. Hij verwijst met gemengden bijval naar “onze Pseudo-Katholieken”, die streng zijn jegens echtbreuk, maar toegevend jegens ontucht; zij zijn het misschien eens met Cato, dat de laatste aangemoedigd moet worden om erger verkeerdheden thuis te vermijden, en die meent, dat bordeelen “even noodzakelijk zijn als kerken” en dat het goed is heele huizen“vol courtisanen in de steden te houden”. “Zij houden het voor onmogelijk”, gaat hij voort, “dat niets uitvoerende jonge menschen als ze jong, rijk en vroolijk zijn, dat zooveel knechts en monniken, fatsoenlijk zouden leven, zij noemen het een te tyrannieken last hen te dwingen kuisch te zijn, en kunnen absoluut niet toestaan, dat arme mannen, jongere broeders of soldaten trouwen zouden, evenmin als zieke menschen, ordebroeders, priesters of bedienden. Om dus zoowel den een als den ander tevreden te stellen, verdragen zij deze soort van bordeelen en schuilhoeken en doen er een oogje voor toe. Vele argumenten hebben zij om te bewijzen, dat ze wettig en noodzakelijk zijn, en dat ze geduld moeten worden, evenals de woeker; zonder kwestie is er in de politiek niets tegen in te brengen, maar veel in den godsdienst”92.

Niet voor het begin van de volgende eeuw is het oude argument van Augustinus ter moreele rechtvaardiging van de prostitutie in het protestantsche Engeland moedig en beslist uiteengezet door Bernard Mandeville in zijnFable of the Bees; toen het boek voor het eerst uitkwam, scheen men het zoo stuitend te vinden, dat het verboden werd. “Als courtisanen en sletten vervolgd moestenworden met zooveel gestrengheid als sommige menschen het zouden willen”, schreef Mandeville, “wat voor sleutels en grendels zouden we dan wel moeten hebben om de eer van onze vrouwen en meisjes te bewaren?… Het is duidelijk, dat het noodig is een deel der vrouwen op te offeren om het andere deel te beschermen en vuilheid van nog erger soort te voorkomen. Daaruit meenikdat ik met recht mag besluiten, dat kuischheid gesteund kanworden door uitspatting, en dat de beste der deugden de hulp noodig heeft van de ergste der ondeugden”93. Na den tijd van Mandeville begon deze beschouwing van de prostitutie gewoon te worden in protestantsche zoowel als in andere landen, hoewel ze gewoonlijk niet zoo duidelijk uitgedrukt werd.

Het kan van belang zijn een paar meer moderne voorbeelden samen te brengen van gezegden, die voor de moreele rechtvaardiging van de prostitutie spreken.Zoo legt in Frankrijk Meusnier de Querlon in zijn geschiedenis vanPsaphion, geschreven in het midden van de achttiende eeuw, vele zeer belangwekkende overdenkingen over het leven en de positie van de prostituée in den mond van een Grieksche courtisane. Zij verdedigt haar beroep met veel bekwaamheid en zegt dat, terwijl mannen zich verbeelden dat prostituées alleen maar de verachte slachtoffers zijn van hun genoegens, deze vermeende tyrannen in werkelijkheid het slachtoffer worden; dat zij de behoeften bevredigen van de vrouwen, die zij onder hun voeten vertrappen, en dat zij zelve in gelijke mate de verachting verdienen, waarmee zij haar behandelen. “Wij betalen walging met walging, zooals zij zeker wel moeten bemerken. Wij geven hun dikwijls niets dan een standbeeld, en als zij zich verhit aan ongevoelige bekoorlijkheden te goed doen, genieten wij in rustige koelheid hun zinnelijkheid. Dan hernemen wij onze rechten. Wat warm bloed heeft deze trotsche schepsels aan onze voeten gebracht en ons meesteressen gemaakt van hun lot. Aan welke zijde, vraag ik u, is het voordeel?” Maar alle mannen, voegt zij er bij, zijn niet zoo onrechtvaardig jegens de prostituée, en zij gaat voort, niet zonder lichte ironie, een lofrede te houden op het nut, het gemak en de voordeelen van het bordeel.Een groot aantal van de moderne schrijvers over de prostitutie noemen met nadruk den maatschappelijk weldadigen aard ervan. Zoo eindigt Charles Richard zijn boek over dit onderwerp met deze woorden: “Het gedrag van de maatschappij jegens de prostitutie moet uitgaan van het principe van dankbaarheid zonder valsche schaamte, voor het nut ervan en medelijden voor de arme schepsels, ten koste van wie dit nut verkregen wordt” (La Prostitution devant le Philosophe, 1882, p. 171). “Het huwelijk duurzaam maken is het moeilijk maken”, merkt een Amerikaansch medisch schrijver op; “het moeilijk maken is het uitstellen; het uitstellen is in de gemeenschap houden een toenemend aantal sexueel volkomen individuen, met normale, of in gevallen waar langdurige onderdrukking is geweest, overmatige sexueele begeerte. Het maatschappelijk kwaad is het natuurlijk gevolg van de physieke natuur van den mensch, zijn geërfde impulsen, en de kunstmatige omstandigheden, waaronder hij gedwongen is te leven” (“The Social Evil”,Medicine, Augustus en September, 1906). Woods Hutchinson beschouwt, terwijl hij met sterke afkeuring van de prostitutie spreekt en prostituées beschouwt als “de ergste exemplaren van haar sekse”, toch de prostitutie als een maatschappelijke werking van de hoogste waarde. “Uit een medisch-economisch gezichtspunt noem ik haar eenvan de groote selectieve en elimineerende factoren van de natuur en van de hoogste waarde voor de gemeenschap. We kunnen ze in het ruwe karakteriseeren als een veiligheidsklep voor de instelling van het huwelijk” (The Gospel According to Darwin, p. 193;cf.het artikel van denzelfden schrijver over “The Economics of Prostitution”, opgesomd inBoston Medical and Surgical Journal, November 21, 1895). Adolf Gerson zegt in ongeveer denzelfden geest (“Die Ursache der Prostitution”,Sexual-Probleme, September 1908), dat “prostitutie een van de middelen is die de natuur gebruikt om de teelkracht der menschen te beperken, en vooral om den tijd der sexueele rijpheid te verschuiven”. Molinari meent, dat de maatschappelijke voordeelen van de prostitutie van het begin af op verschillende wijzen tot uiting zijn gekomen; door bijvoorbeeld de meer overmatige uitingen van de sexueele impuls onvruchtbaar te maken nam de prostitutie de noodzakelijkheid weg van kindermoord op overtollige kinderen en leidde ze tot het tegengaan van die primitieve methode om de bevolking te beperken (G. de Molinari,La Viriculture, p. 45). Op geheel andere wijze dan die, vermeld door Molinari, heeft de prostitutie zelfs in zeer late tijden geleid tot het laten varen van kindermoord. In de Chineesche provincie Ping-Yang zegt Matignon, was het vele jaren geleden niet ongewoon voor arme ouders om 40 percent van hun pasgeboren meisjes te dooden, of zelfs allemaal, want zij waren te duur om ze op te voeden en ze brachten niets in, omdat mannen, die wilden trouwen, gemakkelijk een vrouw konden krijgen in de naburige provincie Wenchu, waar vrouwen zeergemakkelijkte krijgen waren. Nu maakt echter de betere verbinding met Shang-Hai per stoomboot het zeer gemakkelijk voor meisjes de bordeelen van Shang-Hai te bereiken, waar zij geld kunnen verdienen voor haar families; de gewoonte haar te dooden is daarom uitgestorven (Matignon,Archives d’Anthropologie Criminelle, 1896. p. 72). “Onder de tegenwoordige omstandigheden”, schrijft Dr. F. Erhard (“Auch ein Wort zur Ehereform”,Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang 1, Heft 9), “is prostitutie (in de ruimste beteekenis, vrije verhoudingen medegerekend) noodig, opdat jonge menschen de vrouwen eenigermate kunnen leeren kennen, want conventioneele conversatie is daarvoor niet voldoende; een juiste kennis van de vrouwelijke gedachtengang is echter noodig voor een goede keuze, daar het maar zelden mogelijk is zich te verlaten op de betrouwbaarheid van het instinct. Het is ook goed, dat mannen zich de horens afloopen vóor het huwelijk, want de polygame neiging zal ergens doorbreken. De prostitutie zal alleen die mannen bederven, aan wie niet veel te bederven is, en als zij zoo het verlangen naar het huwelijk verliezen, dan zouden hun ongeboren kinderen reden hebben dankbaar te zijn”. Neisser, Näcke en vele anderen hebben voor de prostitutie gepleit en zelfs voor bordeelen, als “noodzakelijk kwaad”.Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat velen zelfs van de sterkste voorstanders van de moreele voordeelen der prostitutie meenen, dat eenige verbetering nog wel wenschelijk is. Zoo verwacht Bérault een tijd, waarop van overheidswege bewaakte bordeelen minder veracht zullen zijn. Verschillende verbeteringen kunnen ze, meent hij, in de naaste toekomst “ontdoen van de barbaarsche eigenschappen, die ze voor de sceptische of onwetende menigte verachtelijk maken, terwijl hun tastbare voordeelen een einde zullen maken aan de minachting, die opgewekt wordt door hun cynisch aanzien” (La Maison de Tolérance, Thèse de Paris, 1904).

Het kan van belang zijn een paar meer moderne voorbeelden samen te brengen van gezegden, die voor de moreele rechtvaardiging van de prostitutie spreken.

Zoo legt in Frankrijk Meusnier de Querlon in zijn geschiedenis vanPsaphion, geschreven in het midden van de achttiende eeuw, vele zeer belangwekkende overdenkingen over het leven en de positie van de prostituée in den mond van een Grieksche courtisane. Zij verdedigt haar beroep met veel bekwaamheid en zegt dat, terwijl mannen zich verbeelden dat prostituées alleen maar de verachte slachtoffers zijn van hun genoegens, deze vermeende tyrannen in werkelijkheid het slachtoffer worden; dat zij de behoeften bevredigen van de vrouwen, die zij onder hun voeten vertrappen, en dat zij zelve in gelijke mate de verachting verdienen, waarmee zij haar behandelen. “Wij betalen walging met walging, zooals zij zeker wel moeten bemerken. Wij geven hun dikwijls niets dan een standbeeld, en als zij zich verhit aan ongevoelige bekoorlijkheden te goed doen, genieten wij in rustige koelheid hun zinnelijkheid. Dan hernemen wij onze rechten. Wat warm bloed heeft deze trotsche schepsels aan onze voeten gebracht en ons meesteressen gemaakt van hun lot. Aan welke zijde, vraag ik u, is het voordeel?” Maar alle mannen, voegt zij er bij, zijn niet zoo onrechtvaardig jegens de prostituée, en zij gaat voort, niet zonder lichte ironie, een lofrede te houden op het nut, het gemak en de voordeelen van het bordeel.

Een groot aantal van de moderne schrijvers over de prostitutie noemen met nadruk den maatschappelijk weldadigen aard ervan. Zoo eindigt Charles Richard zijn boek over dit onderwerp met deze woorden: “Het gedrag van de maatschappij jegens de prostitutie moet uitgaan van het principe van dankbaarheid zonder valsche schaamte, voor het nut ervan en medelijden voor de arme schepsels, ten koste van wie dit nut verkregen wordt” (La Prostitution devant le Philosophe, 1882, p. 171). “Het huwelijk duurzaam maken is het moeilijk maken”, merkt een Amerikaansch medisch schrijver op; “het moeilijk maken is het uitstellen; het uitstellen is in de gemeenschap houden een toenemend aantal sexueel volkomen individuen, met normale, of in gevallen waar langdurige onderdrukking is geweest, overmatige sexueele begeerte. Het maatschappelijk kwaad is het natuurlijk gevolg van de physieke natuur van den mensch, zijn geërfde impulsen, en de kunstmatige omstandigheden, waaronder hij gedwongen is te leven” (“The Social Evil”,Medicine, Augustus en September, 1906). Woods Hutchinson beschouwt, terwijl hij met sterke afkeuring van de prostitutie spreekt en prostituées beschouwt als “de ergste exemplaren van haar sekse”, toch de prostitutie als een maatschappelijke werking van de hoogste waarde. “Uit een medisch-economisch gezichtspunt noem ik haar eenvan de groote selectieve en elimineerende factoren van de natuur en van de hoogste waarde voor de gemeenschap. We kunnen ze in het ruwe karakteriseeren als een veiligheidsklep voor de instelling van het huwelijk” (The Gospel According to Darwin, p. 193;cf.het artikel van denzelfden schrijver over “The Economics of Prostitution”, opgesomd inBoston Medical and Surgical Journal, November 21, 1895). Adolf Gerson zegt in ongeveer denzelfden geest (“Die Ursache der Prostitution”,Sexual-Probleme, September 1908), dat “prostitutie een van de middelen is die de natuur gebruikt om de teelkracht der menschen te beperken, en vooral om den tijd der sexueele rijpheid te verschuiven”. Molinari meent, dat de maatschappelijke voordeelen van de prostitutie van het begin af op verschillende wijzen tot uiting zijn gekomen; door bijvoorbeeld de meer overmatige uitingen van de sexueele impuls onvruchtbaar te maken nam de prostitutie de noodzakelijkheid weg van kindermoord op overtollige kinderen en leidde ze tot het tegengaan van die primitieve methode om de bevolking te beperken (G. de Molinari,La Viriculture, p. 45). Op geheel andere wijze dan die, vermeld door Molinari, heeft de prostitutie zelfs in zeer late tijden geleid tot het laten varen van kindermoord. In de Chineesche provincie Ping-Yang zegt Matignon, was het vele jaren geleden niet ongewoon voor arme ouders om 40 percent van hun pasgeboren meisjes te dooden, of zelfs allemaal, want zij waren te duur om ze op te voeden en ze brachten niets in, omdat mannen, die wilden trouwen, gemakkelijk een vrouw konden krijgen in de naburige provincie Wenchu, waar vrouwen zeergemakkelijkte krijgen waren. Nu maakt echter de betere verbinding met Shang-Hai per stoomboot het zeer gemakkelijk voor meisjes de bordeelen van Shang-Hai te bereiken, waar zij geld kunnen verdienen voor haar families; de gewoonte haar te dooden is daarom uitgestorven (Matignon,Archives d’Anthropologie Criminelle, 1896. p. 72). “Onder de tegenwoordige omstandigheden”, schrijft Dr. F. Erhard (“Auch ein Wort zur Ehereform”,Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang 1, Heft 9), “is prostitutie (in de ruimste beteekenis, vrije verhoudingen medegerekend) noodig, opdat jonge menschen de vrouwen eenigermate kunnen leeren kennen, want conventioneele conversatie is daarvoor niet voldoende; een juiste kennis van de vrouwelijke gedachtengang is echter noodig voor een goede keuze, daar het maar zelden mogelijk is zich te verlaten op de betrouwbaarheid van het instinct. Het is ook goed, dat mannen zich de horens afloopen vóor het huwelijk, want de polygame neiging zal ergens doorbreken. De prostitutie zal alleen die mannen bederven, aan wie niet veel te bederven is, en als zij zoo het verlangen naar het huwelijk verliezen, dan zouden hun ongeboren kinderen reden hebben dankbaar te zijn”. Neisser, Näcke en vele anderen hebben voor de prostitutie gepleit en zelfs voor bordeelen, als “noodzakelijk kwaad”.

Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat velen zelfs van de sterkste voorstanders van de moreele voordeelen der prostitutie meenen, dat eenige verbetering nog wel wenschelijk is. Zoo verwacht Bérault een tijd, waarop van overheidswege bewaakte bordeelen minder veracht zullen zijn. Verschillende verbeteringen kunnen ze, meent hij, in de naaste toekomst “ontdoen van de barbaarsche eigenschappen, die ze voor de sceptische of onwetende menigte verachtelijk maken, terwijl hun tastbare voordeelen een einde zullen maken aan de minachting, die opgewekt wordt door hun cynisch aanzien” (La Maison de Tolérance, Thèse de Paris, 1904).

4.De beschavingswaarde van de prostitutie.—Het moreele argument voor de prostitutie is gebaseerd op het geloof, dat ons huwelijkssysteem zoo oneindig kostbaar is, dat een instelling, die als bolwerk ervoor dient in stand gehouden moet worden, hoe leelijk of hoe verwerpelijk op zich zelf zij ook is. Er is echter een ander argument ter ondersteuning van de prostitutie, waaropternauwernood de nadruk valt dien het verdient. Ik bedoel haar invloed, voor zoover ze een element van vroolijkheid en afwisseling, dat op een of andere wijze noodzakelijk is, voegt in de geordende samenstelling van het moderne leven, een verlichting van den sleur der mechanische routine een afleiding in de saaie en fatsoenlijke eentonigheid ervan. Dit is wat anders dan de meer specifieke functie van de prostitutie als een veiligheidsklep voor overtollige sexueele energie, en dit kan zelfs van beteekenis worden voor hen, die weinig of geen omgang hebben met prostituées. Dit element kunnen we noemen de beschavingswaarde van de prostitutie.

Het zijn niet alleen de algemeene eigenschappen van de beschaving, maar meer speciaal de eigenschappen van het stadsleven, die dezen factor van beteekenis maken. Het stadsleven legt door den druk van de concurrentie een zeer strenge en veel krachten eischende routine op van vervelend werk. Terzelfder tijd maakt het mannen en vrouwen meer gevoelig voor nieuwe indrukken, meer verlangend naar opwinding en verandering. Het vermeerdert de gelegenheden tot maatschappelijken omgang; het vermindert de kansen op ontdekking van onwettigen omgang, terwijl het meteen het sluiten van een huwelijk verzwaart, want doordat het de maatschappelijke ambities en de uitgaven verhoogt, verschuift het den tijd, waarop een huisgezin kan opgezet worden. Het stadsleven verschuift het huwelijk en maakt toch de middelen van vergoeding voor het huwelijk meer dringend noodzakelijk94.

Er kan niet de minste twijfel aan zijn, dat dit de beweegreden is—de poging om de onvolkomen gelegenheden voor zelfontwikkeling, die onze mechanische en arbeidzame maatschappij vol beperkingen aanbiedt, aan te vullen—die een van de voornaamste oorzaken vormt, die vrouwen er toe brengt, tijdelijk of voor goed, het leven van prostituée te kiezen. Wij hebben gezien, dat de economische factor, zooals vroeger gemeend werd, geenszins de hoofdrol speelt bij deze keuze. En er is ook geen reden om te veronderstellen, dat een buitengewoon sterke sexueele impuls de leidende factor is. Maar een groot aantal jonge vrouwen keeren zich instinctief naar het leven van prostituée, omdat zij bewogen worden door een duisteren drang, die ze haast zelf niet kunnen verstaan of uitleggen, en waarvan ze zich dikwijls schamen hem te openbaren. Het is daarom verwonderlijk, dat deze beweegreden zoo’n groote plaats inneemt, zelfs in de formeele statistiekenvan de prostitutie. Merrick vond in Londen, dat 5000, of bijna een derde van de prostituées, die hij onderzocht, met liefde een tehuis of een betrekking opgaven “voor een leven van pleizier”, en hij acht dit de hoofdreden voor de prostitutie95. In Amerika vond Sanger dat “neiging” bijna bovenaan stond onder de oorzaken voor de prostitutie, terwijl Woods Hutchinson vond, dat “liefde tot vertoon, weelde en ijdelheid” op verre na de eerste plaats innamen. “Verveling en tegenzin tegen het werk” is de reden, die aangegeven wordt door een groot aantal Belgische meisjes, als zij aan de politie haar wensch te kennen geven om als prostituées ingeschreven te worden. In Italië meent men, dat een gelijke beweegreden een belangrijke rol speelt. In Rusland komt “verlangen naar vermaak” op de tweede plaats onder de oorzaken van de prostitutie. Ik geloof, dat er geen twijfel aan kan zijn, dat, zooals een oplettend waarnemer van het Londensche leven gezegd heeft, het probleem van de prostitutie “in den grond is een wild en onweerstaanbaar verlangen naar opwinding, een ernstige en opzettelijke opstand tegen de eentonigheid van alledaagsche idealen, en de geestdoodende verveling van het alledagsleven”96. Het is deze factor van de prostitutie, mogen we redelijker wijze besluiten, die voornamelijk verantwoordelijk is voor het feit, waarop F. Schiller97gewezen heeft, dat met de ontwikkeling van de beschaving de toevoer van prostituées neiging heeft grooter te worden dan de vraag.

Charles Booth schijnt van dezelfde meening te zijn, en citeert (Life and Labor of the People, Third Series, deel VII, p. 364) uit een rapport van een reddingsgenootschap: “De algemeene opvatting is, dat deze vrouwen verlangend zijn een leven van zonde te verlaten. De duidelijke en eenvoudige waarheid is, dat zij, voor het meerendeel, in het geheel geen behoefte hebben om gered te worden. Zoovele van deze vrouwen beschouwen de prostitutie niet als een zonde en willen ze niet als zoodanig beschouwen. “Ik word iederen avond meegenomen om in een restaurant te eten en daarna naar een publieke vermakelijkheid te gaan; waarom zou ik dat opgeven?””Merrick, die vond, dat vijf percent van de 14.000 prostituées, die in de Millbank gevangenis kwamen, gewend waren godsdienstige gebruiken te vereenigen met het uitoefenen van haar beroep, zegt ook naar aanleiding van haar gevoelens over moraal: “Ikben er van overtuigd, dat er vele arme mannen en vrouwen zijn, die in het geheel niet begrijpen, wat het woord “immoraliteit” beteekent. Uit beleefdheid zullen ze misschien ja zeggen op wat ge zegt, maar zij begrijpen uw bedoeling niet als gij spreekt van deugd of reinheid; gij spreekt eenvoudig over hen heen” (Merrick,op.cit., p. 28). Dezelfde houding kan men overal onder prostituées vinden. In Italië vermeldt Ferriani een meisje van vijftien jaar, dat, toen ze beschuldigd werd van onbetamelijkheid met een man in een park, met veel tranen en veel verontwaardiging ontkende. Hij bracht haar eindelijk tot bekentenis, en vroeg haar toen: “Waarom heb je geprobeerd mij te doen gelooven, dat je geen kwaad gedaan hadt?” Zij aarzelde, glimlachte, en zeide: “Omdatzij zeggen, dat meisjes niet moeten doen, wat ik doe, maar dat ze moeten werken. Maar ik ben, wat ik ben, en het gaat hen niet aan”. Deze houding is dikwijls meer dan een instinctief gevoel; bij intelligente prostituées wordt het dikwijls een wel-overwogen overtuiging. “Ik kan alles dragen, als het moet”, schreef de schrijfster van hetTagebuch einer Verlorenen(p. 291), “zelfs ernstige en edele minachting, maar geen spot. Minachting—ja, als ze verdiend is. Als een arm en mooi meisje met een moe en bitter hart alleen staat in de wereld, van alles uitgesloten, omringd door verzoekingen en verleidingen, die zich aan alle kanten aanbieden, en als ze dan toch, uit innerlijke overtuiging het grauwe en eentonige pad kiest van verzaking en van de burgerlijke moraal, dan erken ik in dat meisje een persoonlijkheid, die een zeker recht heeft met minachtend medelijden neer te zien op zwakkere meisjes. Maar die ganzen, die, onder de oogen van haar hoeders en levenslange eigenaars altijd op zachte groene weiden gegraasd hebben, hebben zeker geen recht minachtend te lachen over haar, die niet zoo gelukkig geweest zijn”. En we moeten niet meenen, dat er noodzakelijk eenig sophisme behoeft te wezen in de zelf-rechtvaardiging van de prostituée. Sommige van onze beste denkers en waarnemers zijn tot een conclusie gekomen, die niet ongelijk is aan deze. “De werkelijke toestanden van de maatschappij verzetten zich tegen ieder hoog moreel gevoel in vrouwen”, merkt Marro op (La Pubertà, p. 462), “want tusschen haar, die zich verkoopen in prostitutie en haar, die zich verkoopen in het huwelijk, bestaat het eenige verschil in den prijs en den duur van het contract”.

Charles Booth schijnt van dezelfde meening te zijn, en citeert (Life and Labor of the People, Third Series, deel VII, p. 364) uit een rapport van een reddingsgenootschap: “De algemeene opvatting is, dat deze vrouwen verlangend zijn een leven van zonde te verlaten. De duidelijke en eenvoudige waarheid is, dat zij, voor het meerendeel, in het geheel geen behoefte hebben om gered te worden. Zoovele van deze vrouwen beschouwen de prostitutie niet als een zonde en willen ze niet als zoodanig beschouwen. “Ik word iederen avond meegenomen om in een restaurant te eten en daarna naar een publieke vermakelijkheid te gaan; waarom zou ik dat opgeven?””Merrick, die vond, dat vijf percent van de 14.000 prostituées, die in de Millbank gevangenis kwamen, gewend waren godsdienstige gebruiken te vereenigen met het uitoefenen van haar beroep, zegt ook naar aanleiding van haar gevoelens over moraal: “Ikben er van overtuigd, dat er vele arme mannen en vrouwen zijn, die in het geheel niet begrijpen, wat het woord “immoraliteit” beteekent. Uit beleefdheid zullen ze misschien ja zeggen op wat ge zegt, maar zij begrijpen uw bedoeling niet als gij spreekt van deugd of reinheid; gij spreekt eenvoudig over hen heen” (Merrick,op.cit., p. 28). Dezelfde houding kan men overal onder prostituées vinden. In Italië vermeldt Ferriani een meisje van vijftien jaar, dat, toen ze beschuldigd werd van onbetamelijkheid met een man in een park, met veel tranen en veel verontwaardiging ontkende. Hij bracht haar eindelijk tot bekentenis, en vroeg haar toen: “Waarom heb je geprobeerd mij te doen gelooven, dat je geen kwaad gedaan hadt?” Zij aarzelde, glimlachte, en zeide: “Omdatzij zeggen, dat meisjes niet moeten doen, wat ik doe, maar dat ze moeten werken. Maar ik ben, wat ik ben, en het gaat hen niet aan”. Deze houding is dikwijls meer dan een instinctief gevoel; bij intelligente prostituées wordt het dikwijls een wel-overwogen overtuiging. “Ik kan alles dragen, als het moet”, schreef de schrijfster van hetTagebuch einer Verlorenen(p. 291), “zelfs ernstige en edele minachting, maar geen spot. Minachting—ja, als ze verdiend is. Als een arm en mooi meisje met een moe en bitter hart alleen staat in de wereld, van alles uitgesloten, omringd door verzoekingen en verleidingen, die zich aan alle kanten aanbieden, en als ze dan toch, uit innerlijke overtuiging het grauwe en eentonige pad kiest van verzaking en van de burgerlijke moraal, dan erken ik in dat meisje een persoonlijkheid, die een zeker recht heeft met minachtend medelijden neer te zien op zwakkere meisjes. Maar die ganzen, die, onder de oogen van haar hoeders en levenslange eigenaars altijd op zachte groene weiden gegraasd hebben, hebben zeker geen recht minachtend te lachen over haar, die niet zoo gelukkig geweest zijn”. En we moeten niet meenen, dat er noodzakelijk eenig sophisme behoeft te wezen in de zelf-rechtvaardiging van de prostituée. Sommige van onze beste denkers en waarnemers zijn tot een conclusie gekomen, die niet ongelijk is aan deze. “De werkelijke toestanden van de maatschappij verzetten zich tegen ieder hoog moreel gevoel in vrouwen”, merkt Marro op (La Pubertà, p. 462), “want tusschen haar, die zich verkoopen in prostitutie en haar, die zich verkoopen in het huwelijk, bestaat het eenige verschil in den prijs en den duur van het contract”.

Wij hebben reeds gezien welk een groot percentage in de prostitutie geleverd wordt door haar, die den huiselijken dienst verlaten hebben om dit leven te volgen (Antep. 264). Het is niet moeilijk in dit feit een bewijs te vinden voor de soort van impuls, die er een vrouw toe drijft de loopbaan van prostituée te kiezen. “De dienstbode, in onze maatschappij van gelijkheid”, schreef Goncourt, nadat hij vroegere tijden in de herinnering gebracht heeft, toen haar dikwijls een plaats ingeruimd werd in het familieleven, “is niets anders geworden dan een betaalde paria, een machine voor het doen van huishoudelijk werk, en het wordt haar niet langer toegestaan het menschelijk leven van haar werkgever te deelen”98. En in Engeland, vinden we, zelfs al een halve eeuw geleden, de zelfde gezegden over de positie van de dienstbode: “huiselijke dienst is een volkomen slavernij”, met vroege uren en late uren en voortdurend trappen op en neer loopen, tot de benen gezwollen zijn; “er schijnt dikwijls een mate van vernuft gebruikt te worden, een betere zaak waardig, om de grootstmogelijke hoeveelheid werk uit de huiselijke machine te halen”; bovendien is zij “een soort bliksemafleider” voor het slechte humeur en de ziekelijke gevoelens van haar meesteres en van de jonge dames; zoodat, als sommigen gezegd hebben, “ik mij zoo ellendig voelde, dat het me niet kon schelen wat er van me terecht kwam, ik wilde maar, dat ik dood was”99. De dienstbode staat buiten alle menschelijke verhoudingen; zij mag niet het bestaan verraden van een eenvoudige impuls of natuurlijke behoefte. Tevens leeft zij op den rand der weelde; zij is omringd door de tantaliseerende visioenen van genoegen en amusement, waarnaar haar frissche jonge natuur verlangt100. Het kan geen verwondering wekken dat zij, overwerkt en aangetrokken door lediggang vol genot den eenigen sprong doet, die haar in staat zal stellen te genieten van de schitterende zijden der beschaafde maatschappij, die haar zoo begeerlijk toeschijnen101.

Er wordt soms gezegd, dat het overheerschend veel voorkomen van de prostitutie onder meisjes, die vroeger dienstboden waren, komt, doordat zoo ontzettend veel dienstmeisjes verleid worden door den heer des huizes of door de jonge heeren van de familie, waar zij dienen, en zoo de straat op gedreven worden. Dit is ongetwijfeld in een zeker aantal gevallen, misschien soms in een vrij aanzienlijk aantal, een beslissende factor, maar het schijnt wel nauwelijks de hoofd-factor te zijn. Het bestaan van betrekkingen tusschen dienstboden en heeren des huizes, moeten we bedenken, sluit geenszins noodzakelijk verleiding in. In een groot aantal gevallen is de dienstbode in een huishouden, in sexueele zaken, eer de leermeesteres dan de leerling. (In “The Sexual Impulse in Women”, in een ander werk van mijn hand, heb ik de rol besproken, die dienstmeisjes spelen als inwijdsters in sexueele zaken van de jonge jongens, in de huishoudens waarin ze geplaatst zijn). De meer preciese statistieken der oorzaken van de prostitutie geven zelden verleiding aan als de voornaamste oorzaak in meer dan ongeveer 20 percent van de gevallen, hoewel dit klaarblijkelijk een van de beweegredenen is, die het gemakkelijkst te bekennen is (zieantep. 256). Verleiding door een of anderen werkgever vormt maar een deel (gewoonlijk minder dan de helft) zelfs van deze gevallen. Het speciale geval van verleiding van dienstboden door den heer des huizes kan dus geen zeer groote rol spelen als factor bij de prostitutie.De statistieken over de afkomst van onwettige kinderen hebben ook eenige betrekking op deze zaak. In een serie van 180 ongehuwde moeders, die geholpen zijn door den Berlijnschen bond voor moederbescherming, wordenbijzonderheden gegeven over de bezigheden der moeders, en voor zoover mogelijk, ook van de vaders. De moeders waren voor een derde dienstmeisjes, en de groote meerderheid van de rest waren winkeljuffrouwen, of meisjes, die thuis werkten. Bij de vaders (van de 120 gevallen) kwamen bovenaan werklui (33), dan kooplui (22); maar een klein aantal (20 tot 25) kon beschreven worden als “heeren”, en zelfs dit aantal verliest iets van zijn beteekenis als er op gewezen wordt, dat sommige van de meisjes ook van de middelklasse waren; in negentien gevallen waren de vaders getrouwde mannen (Mutterschutz, Januari, 1907, p. 45).De meeste autoriteiten in de verschillende landen zijn van meening, dat meisjes, die prostituée worden (gewoonlijk tusschen de vijftien en de twintig jaar) haar maagdelijkheid op jeugdigen leeftijd verloren hebben, en in de groote meerderheid der gevallen door mannen van haar eigen klasse. “Het meisje uit het volk valt door het volk”, zeide Reuss in Frankrijk (La Prostitution, p. 41). “Het zijn haars gelijken, werklieden evenals zij, die de eerste vruchten plukken van haar schoonheid en haar maagdelijkheid. De man van de wereld, die haar met goud en juweelen belaadt, krijgt alleen wat zij overlaten”. Ook Martineau (De la Prostitution Clandestine, 1885) toonde aan, dat prostituées gewoonlijk onteerd worden door mannen van haar eigen klasse. En Jeannel, in Bordeaux vond reden om te gelooven, dat het niet voornamelijk haar meesters zijn, die dienstmeisjes verleiden; zij gaan dikwijls in dienst, omdat ze op het land verleid zijn, terwijl luie, begeerige en domme meisjes van het land naar de stad gestuurd worden om te dienen. In Edinburg vond W. Tait (Magdalenism, 1842), dat soldaten meer dan eenige andere klasse in de gemeenschap de verleiders zijn van vrouwen, en dat vooral de Hooglanders in dit opzicht bekend zijn. Soldaten hebben deze reputatie overal, en vooral in Duitschland vindt men steeds, dat de tegenwoordigheid van soldaten in een plaats op het platteland, zooals bij de jaarlijkschemanoeuvres, de oorzaak is van onkuischheid en onwettige geboorten; zoo is het ook in Oostenrijk, waar lang geleden Gross-Hoffinger heeft geconstateerd, dat soldaten verantwoordelijk waren voor ten minste een derde van alle onwettige geboorten, een aandeel, dat geheel buiten verhouding is tot hun aantal. In Italië vond Morro, bij zijn onderzoekingen naar de oorzaak van het verlies der maagdelijkheid bij twee en twintig prostituées, dat tien zich min of meer spontaan gaven aan minnaars of meesters, dat tien zwichtten in de verwachting van een huwelijk, en dat twee verkracht waren (La Pubertà, p. 461). Het verlies van de maagdelijkheid, hoewel het misschien niet de eerste oorzaak van de prostitutie is, leidt er toch dikwijls toe. “Als een deur eenmaal opengebroken is”, zeide een prostituée tot hem, “dan is het moeilijk ze gesloten te houden”. In Sardinië zijn, zooals A. Mantegazza en Ciuffo vonden, prostituées zeer dikwijls dienstmeisjes van het land, die reeds onteerd zijn door mannen van haar eigen klasse.

Er wordt soms gezegd, dat het overheerschend veel voorkomen van de prostitutie onder meisjes, die vroeger dienstboden waren, komt, doordat zoo ontzettend veel dienstmeisjes verleid worden door den heer des huizes of door de jonge heeren van de familie, waar zij dienen, en zoo de straat op gedreven worden. Dit is ongetwijfeld in een zeker aantal gevallen, misschien soms in een vrij aanzienlijk aantal, een beslissende factor, maar het schijnt wel nauwelijks de hoofd-factor te zijn. Het bestaan van betrekkingen tusschen dienstboden en heeren des huizes, moeten we bedenken, sluit geenszins noodzakelijk verleiding in. In een groot aantal gevallen is de dienstbode in een huishouden, in sexueele zaken, eer de leermeesteres dan de leerling. (In “The Sexual Impulse in Women”, in een ander werk van mijn hand, heb ik de rol besproken, die dienstmeisjes spelen als inwijdsters in sexueele zaken van de jonge jongens, in de huishoudens waarin ze geplaatst zijn). De meer preciese statistieken der oorzaken van de prostitutie geven zelden verleiding aan als de voornaamste oorzaak in meer dan ongeveer 20 percent van de gevallen, hoewel dit klaarblijkelijk een van de beweegredenen is, die het gemakkelijkst te bekennen is (zieantep. 256). Verleiding door een of anderen werkgever vormt maar een deel (gewoonlijk minder dan de helft) zelfs van deze gevallen. Het speciale geval van verleiding van dienstboden door den heer des huizes kan dus geen zeer groote rol spelen als factor bij de prostitutie.

De statistieken over de afkomst van onwettige kinderen hebben ook eenige betrekking op deze zaak. In een serie van 180 ongehuwde moeders, die geholpen zijn door den Berlijnschen bond voor moederbescherming, wordenbijzonderheden gegeven over de bezigheden der moeders, en voor zoover mogelijk, ook van de vaders. De moeders waren voor een derde dienstmeisjes, en de groote meerderheid van de rest waren winkeljuffrouwen, of meisjes, die thuis werkten. Bij de vaders (van de 120 gevallen) kwamen bovenaan werklui (33), dan kooplui (22); maar een klein aantal (20 tot 25) kon beschreven worden als “heeren”, en zelfs dit aantal verliest iets van zijn beteekenis als er op gewezen wordt, dat sommige van de meisjes ook van de middelklasse waren; in negentien gevallen waren de vaders getrouwde mannen (Mutterschutz, Januari, 1907, p. 45).

De meeste autoriteiten in de verschillende landen zijn van meening, dat meisjes, die prostituée worden (gewoonlijk tusschen de vijftien en de twintig jaar) haar maagdelijkheid op jeugdigen leeftijd verloren hebben, en in de groote meerderheid der gevallen door mannen van haar eigen klasse. “Het meisje uit het volk valt door het volk”, zeide Reuss in Frankrijk (La Prostitution, p. 41). “Het zijn haars gelijken, werklieden evenals zij, die de eerste vruchten plukken van haar schoonheid en haar maagdelijkheid. De man van de wereld, die haar met goud en juweelen belaadt, krijgt alleen wat zij overlaten”. Ook Martineau (De la Prostitution Clandestine, 1885) toonde aan, dat prostituées gewoonlijk onteerd worden door mannen van haar eigen klasse. En Jeannel, in Bordeaux vond reden om te gelooven, dat het niet voornamelijk haar meesters zijn, die dienstmeisjes verleiden; zij gaan dikwijls in dienst, omdat ze op het land verleid zijn, terwijl luie, begeerige en domme meisjes van het land naar de stad gestuurd worden om te dienen. In Edinburg vond W. Tait (Magdalenism, 1842), dat soldaten meer dan eenige andere klasse in de gemeenschap de verleiders zijn van vrouwen, en dat vooral de Hooglanders in dit opzicht bekend zijn. Soldaten hebben deze reputatie overal, en vooral in Duitschland vindt men steeds, dat de tegenwoordigheid van soldaten in een plaats op het platteland, zooals bij de jaarlijkschemanoeuvres, de oorzaak is van onkuischheid en onwettige geboorten; zoo is het ook in Oostenrijk, waar lang geleden Gross-Hoffinger heeft geconstateerd, dat soldaten verantwoordelijk waren voor ten minste een derde van alle onwettige geboorten, een aandeel, dat geheel buiten verhouding is tot hun aantal. In Italië vond Morro, bij zijn onderzoekingen naar de oorzaak van het verlies der maagdelijkheid bij twee en twintig prostituées, dat tien zich min of meer spontaan gaven aan minnaars of meesters, dat tien zwichtten in de verwachting van een huwelijk, en dat twee verkracht waren (La Pubertà, p. 461). Het verlies van de maagdelijkheid, hoewel het misschien niet de eerste oorzaak van de prostitutie is, leidt er toch dikwijls toe. “Als een deur eenmaal opengebroken is”, zeide een prostituée tot hem, “dan is het moeilijk ze gesloten te houden”. In Sardinië zijn, zooals A. Mantegazza en Ciuffo vonden, prostituées zeer dikwijls dienstmeisjes van het land, die reeds onteerd zijn door mannen van haar eigen klasse.

Deze beschavingsfactor van de prostitutie, de invloed van weelde en opwinding en verfijning, die het meisje uit het volk aantrekken, zooals de vlam de mot aantrekt, blijkt uit het feit, dat het de bewoonsters van het land zijn, die voornamelijk voor de bekoring bezwijken. De meisjes, wier jonge ontvlambare en orgiastische impulsen, soms aangewakkerd door een klein aangeboren gebrek aan zenuw-evenwicht, latent gebleven zijn in de saaie eentonigheid van het leven op het land, vinden eindelijk haar volkomen bevrediging in de loopbaan van prostituée. Voor het stadsmeisje, dat in de stad is geboren en opgevoed, heeft deze loopbaan gewoonlijk niet veel aantrekkingskracht, tenzij zij van het begin af aan opgevoed is in een omgeving, die haar predisponeert om zete kiezen. Zij is van haar jeugd af gewoon aan de prikkels van de steedsche beschaving en zij bedwelmen haar niet; zij is, bovendien beter in staat op zich zelf te passen dan het meisje van het land, en ze weet te veel van de werkelijke feiten van het leven der prostituée, om zeer verlangend te zijn haar loopbaan te kiezen. Bovendien bezit de familie waartoe zij behoort, waarschijnlijk ook een aangeboren of verkregen weerstandsvermogen tegen de evenwicht-verstorende invloeden, dat het hun mogelijk gemaakt heeft zich in het stadsleven staande te houden. Zij is immuun geworden tegen de vergiften van dat leven102.

In alle groote steden is een groot deel, zoo niet de meerderheid van de inwoners, gewoonlijk buiten de stad geboren (in Londen zijn maar vijftig percent van de hoofden van gezinnen bepaald vermeld als in Londen geboren); en het is dus niet te verwonderen, dat ook prostituées dikwijls van buiten de stad komen. Toch blijft het een feit van beteekenis, dat een zoo typisch steedsch verschijnsel als de prostitutie, in zoo ruime mate van nieuwe leden voorzien wordt van het land. Dit is overal het geval. Merrick noemt de streken op, waar 14.000 prostituées vandaan kwamen, die in de Millbank gevangenis terecht kwamen. Middlesex, Kent, Surrey, Essex en Devon zijn de graafschappen, die bovenaan staan, en Merrick taxeert het aantal voor Londen uit de vier graafschappen, die Londen vormen, op 7000, of de helft van het geheel; militaire steden, zooals Colchester en marine-havens, zooals Plymouth, voorzien Londen van veel prostituées; Ierland levert er veel meer dan Schotland, en Duitschland veel meer dan eenig ander Europeesch land, terwijl Frankrijk bijna in het geheel niet vertegenwoordigd is (Merrick,Work Among the Fallen, 1890, pp. 14–16). Het is natuurlijk mogelijk, dat de verhoudingen onder haar, die in een gevangenis komen, niet nauwkeurig de verhoudingen weergeven der prostituées in het algemeen. De lijsten van het Londensche reddingshuis van het Leger des Heils wijzen er op, dat zestig percent van de meisjes en de vrouwen van buiten komen (A. Sherwell,Life in West London, hoofdst. V). Dit is precies dezelfde verhouding die Tait een halve eeuw vroeger, onder prostituées in het algemeen, in Edinburg vond. Sanger zegt, dat van de 2000 prostituées in New-York er wel 1238 in het buitenland geboren waren (706 in Ierland), terwijl van de overige 762 de eene helft geboren was in den staat New-York, en een beslist (hoewel de juiste getallen niet aangegeven zijn) nog kleinere verhouding in de stad New-York. Prostituées komen uit het Noorden—waar het klimaat onpleizierig is, en waar fabrieksarbeid en zittende bezigheden het meest voorkomen—veel meer dan uit het Zuiden; zoo zond Maine, een koude, gure zeestaat, vier en twintig van deze prostituées naar New-York, terwijl Virginië, op denzelfden afstand liggende, dat er naar denzelfden maatstaf gerekend twee en zeventig moest gestuurd hebben, er maar negen zond; er was een zelfde verschil tusschen Rhode Island en Maryland (Sanger,History of Prostitution, p. 452). Het is leerrijk hier den invloed op te merken van een somber klimaat en eentonigen arbeid op het aanwakkeren van de begeerte naar een “leven van pleizier”. In Frankrijk is er, zooals op een kaart in het werk van Parent-Duchâtelet aangetoond wordt (deel I, pp. 37–64, 1857) als het land verdeeld wordt in vijf gordels, die van Oost naar West loopen, een voortdurende vermindering in het aantal prostituéesdat iedere gordel naar Parijs zendt, naarmate we verder Zuidwaarts komen. Weinig meer dan een derde schijnt tot Parijs te behooren, en, evenals in Amerika, is het het ernstige en hard werkende Noorden met zijn betrekkelijk koud klimaat, dat het grootste contingent levert; zelfs in het oude Frankrijk merkt Dufour op (op. cit., deel IV, hoofdst. XV), was prostitutie, zooals blijkt uit defabliauxenromans, minder schandelijk in delangue d’oildan in delangue d’oc, zoodat zij ongetwijfeld zeldzaam was in het Zuiden. Op een later tijd zegt Reuss (La Prostitution, p. 12) dat “bijna al de prostituées uit Parijs van buiten komen”. Jeannel merkte op, dat van de duizend prostituées uit Bordeaux er maar zes en veertig in de stad thuis behoorden, en Potton (Appendix bij Parent-Duchâtelet, deel II, p. 446) zegt, dat van bijna vier duizend prostituées uit Lyon er maar 376 uit Lyon zelf waren. In Weenen merkt Schrank, in 1873, op, dat van meer dan 1500 prostituées er maar 615 in Weenen geboren waren. De algemeene regel is, zooals we zullen gezien hebben, hoewel de variaties vele zijn, dat weinig meer dan een derde van de prostituées van een stad stadskinderen zijn.Het is opmerkelijk dat deze neiging van de prostituée om van ver naar steden toe te komen, deze zwervende neiging—die zij tegenwoordig gemeen heeft met de kellners—niet een modern verschijnsel is. “Er zijn weinig steden in Lombardije, of Frankrijk, of Gallië”, schreef de heilige Bonifacius, “waar niet een echtbreekster is of een prostituée van de Engelsche natie”, en de heilige schrijft dit toe aan de gewoonte der pelgrimstochten naar buitenlandsche heilige plaatsen. In den tegenwoordigen tijd is er geen duidelijk merkbaar Engelsch element onder de prostituées van het vasteland. Zoo zijn in Parijs volgens Reuss (La Prostitution, p. 12) de buitenlandsche prostituées in afnemende orde Belgisch, Duitsch (Elzas-Lotharingen), Zwitsersch (vooral uit Genève), Italiaansch, Spaansch, en eerst dan Engelsch. Kenners in deze zaak zeggen dat de Engelsche prostituée, in vergelijking met haar zuster van het vasteland (en vooral uit Frankrijk), niet voordeelig uitkomt, omdat ze gewoonlijk hebberig is in geldzaken en niet zeer bekoorlijk.

In alle groote steden is een groot deel, zoo niet de meerderheid van de inwoners, gewoonlijk buiten de stad geboren (in Londen zijn maar vijftig percent van de hoofden van gezinnen bepaald vermeld als in Londen geboren); en het is dus niet te verwonderen, dat ook prostituées dikwijls van buiten de stad komen. Toch blijft het een feit van beteekenis, dat een zoo typisch steedsch verschijnsel als de prostitutie, in zoo ruime mate van nieuwe leden voorzien wordt van het land. Dit is overal het geval. Merrick noemt de streken op, waar 14.000 prostituées vandaan kwamen, die in de Millbank gevangenis terecht kwamen. Middlesex, Kent, Surrey, Essex en Devon zijn de graafschappen, die bovenaan staan, en Merrick taxeert het aantal voor Londen uit de vier graafschappen, die Londen vormen, op 7000, of de helft van het geheel; militaire steden, zooals Colchester en marine-havens, zooals Plymouth, voorzien Londen van veel prostituées; Ierland levert er veel meer dan Schotland, en Duitschland veel meer dan eenig ander Europeesch land, terwijl Frankrijk bijna in het geheel niet vertegenwoordigd is (Merrick,Work Among the Fallen, 1890, pp. 14–16). Het is natuurlijk mogelijk, dat de verhoudingen onder haar, die in een gevangenis komen, niet nauwkeurig de verhoudingen weergeven der prostituées in het algemeen. De lijsten van het Londensche reddingshuis van het Leger des Heils wijzen er op, dat zestig percent van de meisjes en de vrouwen van buiten komen (A. Sherwell,Life in West London, hoofdst. V). Dit is precies dezelfde verhouding die Tait een halve eeuw vroeger, onder prostituées in het algemeen, in Edinburg vond. Sanger zegt, dat van de 2000 prostituées in New-York er wel 1238 in het buitenland geboren waren (706 in Ierland), terwijl van de overige 762 de eene helft geboren was in den staat New-York, en een beslist (hoewel de juiste getallen niet aangegeven zijn) nog kleinere verhouding in de stad New-York. Prostituées komen uit het Noorden—waar het klimaat onpleizierig is, en waar fabrieksarbeid en zittende bezigheden het meest voorkomen—veel meer dan uit het Zuiden; zoo zond Maine, een koude, gure zeestaat, vier en twintig van deze prostituées naar New-York, terwijl Virginië, op denzelfden afstand liggende, dat er naar denzelfden maatstaf gerekend twee en zeventig moest gestuurd hebben, er maar negen zond; er was een zelfde verschil tusschen Rhode Island en Maryland (Sanger,History of Prostitution, p. 452). Het is leerrijk hier den invloed op te merken van een somber klimaat en eentonigen arbeid op het aanwakkeren van de begeerte naar een “leven van pleizier”. In Frankrijk is er, zooals op een kaart in het werk van Parent-Duchâtelet aangetoond wordt (deel I, pp. 37–64, 1857) als het land verdeeld wordt in vijf gordels, die van Oost naar West loopen, een voortdurende vermindering in het aantal prostituéesdat iedere gordel naar Parijs zendt, naarmate we verder Zuidwaarts komen. Weinig meer dan een derde schijnt tot Parijs te behooren, en, evenals in Amerika, is het het ernstige en hard werkende Noorden met zijn betrekkelijk koud klimaat, dat het grootste contingent levert; zelfs in het oude Frankrijk merkt Dufour op (op. cit., deel IV, hoofdst. XV), was prostitutie, zooals blijkt uit defabliauxenromans, minder schandelijk in delangue d’oildan in delangue d’oc, zoodat zij ongetwijfeld zeldzaam was in het Zuiden. Op een later tijd zegt Reuss (La Prostitution, p. 12) dat “bijna al de prostituées uit Parijs van buiten komen”. Jeannel merkte op, dat van de duizend prostituées uit Bordeaux er maar zes en veertig in de stad thuis behoorden, en Potton (Appendix bij Parent-Duchâtelet, deel II, p. 446) zegt, dat van bijna vier duizend prostituées uit Lyon er maar 376 uit Lyon zelf waren. In Weenen merkt Schrank, in 1873, op, dat van meer dan 1500 prostituées er maar 615 in Weenen geboren waren. De algemeene regel is, zooals we zullen gezien hebben, hoewel de variaties vele zijn, dat weinig meer dan een derde van de prostituées van een stad stadskinderen zijn.

Het is opmerkelijk dat deze neiging van de prostituée om van ver naar steden toe te komen, deze zwervende neiging—die zij tegenwoordig gemeen heeft met de kellners—niet een modern verschijnsel is. “Er zijn weinig steden in Lombardije, of Frankrijk, of Gallië”, schreef de heilige Bonifacius, “waar niet een echtbreekster is of een prostituée van de Engelsche natie”, en de heilige schrijft dit toe aan de gewoonte der pelgrimstochten naar buitenlandsche heilige plaatsen. In den tegenwoordigen tijd is er geen duidelijk merkbaar Engelsch element onder de prostituées van het vasteland. Zoo zijn in Parijs volgens Reuss (La Prostitution, p. 12) de buitenlandsche prostituées in afnemende orde Belgisch, Duitsch (Elzas-Lotharingen), Zwitsersch (vooral uit Genève), Italiaansch, Spaansch, en eerst dan Engelsch. Kenners in deze zaak zeggen dat de Engelsche prostituée, in vergelijking met haar zuster van het vasteland (en vooral uit Frankrijk), niet voordeelig uitkomt, omdat ze gewoonlijk hebberig is in geldzaken en niet zeer bekoorlijk.

Het is de beschaving, hoewel niet het fijnste en het beste in de beschaving, die meer dan iets anders vrouwen roept tot de prostitutie. Het is noodig er op te wijzen dat ook de man door diezelfde beschaving tot de prostitutie gedreven wordt. De gewone en op onwetendheid berustende veronderstelling, dat de prostitutie bestaat om de grove zinnelijkheid van den jongen ongehuwden man te bevredigen, en dat, als hij geleerd heeft grove sexueele impulsen te bedwingen of er toe gebracht is vroeg te trouwen de prostituée geen bezoek zal ontvangen, is volkomen onjuist. Als alle mannen heel jong trouwden, dan zou niet alleen het geneesmiddel erger zijn dan de kwaal—het is hier de plaats niet dat punt verder te bespreken—maar het middel zou de kwaal niet genezen. De prostituée is iets meer dan een kanaal om overtollige sexueele energie af te voeren, en haar aantrekkingskracht houdt in het geheel niet op te bestaan als mannen getrouwd zijn, want een groot aantal van de mannen die prostituées bezoeken, zoo niet de meesten, zijn getrouwd. En toch, of zij getrouwd zijn of ongetrouwd, de beweegreden die hen naar de prostituée voert, is niet uitsluitend wellust.

In Engeland, merkt een schrijver, die goed op de hoogte is, op, dat “de waarde van het huwelijk als moreele factor blijkt uit het feit, dat al de betereprostituées in Londen bijna geheel onderhouden worden door getrouwde mannen”, terwijl ook in Duitschland, zooals in een belangwekkende serie van herinneringen van een vroegere prostituée,Beichte einer Gefallenendoor Hedwig Hard (p. 208), gezegd wordt, de meeste mannen, die prostituées bezoeken, getrouwd zijn. Deze bewering is waarschijnlijk overdreven. Neisser zegt dat maar vijf en twintig percent van gevallen van gonorrhoe voorkomen bij getrouwde mannen. Deze opgave is waarschijnlijk onjuist in omgekeerden zin, omdat getrouwde mannen zich in het verkeer met prostituées meestal zeer in acht nemen, meer dan de jonge en ongetrouwde mannen. Wat de beweegreden aangaat, die getrouwde mannen tot de prostitutie brengt, vertelt Hedwig Hard uit haar eigen ervaringen een voorval, dat leerzaam en ongetwijfeld typisch is. In de stad, waar zij rustig als prostituée woonde, werd een man van den hoogsten maatschappelijken stand door een vriend bij haar geïntroduceerd, en bezocht haar regelmatig. Zij had dikwijls zijn vrouw gezien en bewonderd, die een van de gevierde schoonheden van de plaats was en twee lieve kinderen had; man en vrouw schenen elkander zeer genegen, en ieder benijdde hen hun geluk. Hij was een man van verstand en beschaving, die Hedwig’s liefde tot boeken aanmoedigde; zij geraakte zeer aan hem gehecht en eens waagde zij hem te vragen hoe hij zijn lieve, mooie vrouw kon verlaten om naar iemand toe te gaan, die niet waard was haar schoenriemen los te binden. “Ja, kind”, antwoordde hij, “maar al haar schoonheid en ontwikkeling geeft mij niets voor mijn hart. Zij is koud, koud als ijs, fatsoenlijk en bovenal phlegmatiek. Vertroeteld en verwend als zij is, leeft zij alleen voor zich zelf; wij zijn twee goede kameraden en niets meer. Als ik bijvoorbeeld ’s avonds uit de societeit kom en naar haar bed ga, misschien wel een beetje opgewonden, dan wordt ze zenuwachtig en vindt het ongepast, dat ik haar wakker maak. Als ik haar kus, dan verdedigt zij zich en vertelt mij, dat ik verschrikkelijk naar sigaren en wijn ruik. En als ik misschien meer probeer, dan springt ze uit bed, wordt boos alsof ik haar aanviel, en dreigt uit het raam te springen als ik haar aanraak. Dus laat ik haar om den wille der vrede met rust en kom hier”. Er kan geen twijfel aan zijn, dat dit de ondervinding is van veel getrouwde mannen, die graag geliefde zoowel als vriendin in hun vrouwen zouden vinden. Maar de vrouwen hebben, met een verscheidenheid van oorzaken, bewezen, dat ze niet in staat zijn de sexueele makkers te worden van haar echtgenooten. En de echtgenooten, zonder dat ze gedreven worden door eenigen sterken hartstocht of door begeerte naar ontrouw, zoeken buitenshuis wat ze thuis niet vinden kunnen.Dit is niet de eenige reden, waarom mannen prostituées bezoeken. Zelfs mannen, die gelukkig getrouwd zijn met vrouwen, die in de voornaamste opzichten bij hen passen, ondervinden dikwijls na eenige jaren huwelijksleven, een geheimzinnig verlangen naar afwisseling. Zij zijn hun vrouwen niet moe, zij hebben niet de minste wensch of bedoeling om haar te verlaten, zij willen haar, als zij het helpen kunnen, niet de minste pijn veroorzaken. Maar nu en dan worden ze door een onweerstaanbaren, en onwillekeurigen drang er toe gebracht een tijdelijke intimiteit te zoeken met vrouwen, met wie ze voor niets ter wereld zich voor goed zouden willen binden. Pepys, wiensDiary, afgezien van de andere verdienstelijke eigenschappen ervan, een psychologisch document van waarde is, levert een zeer karakteristiek voorbeeld van deze soort van impuls. Hij heeft een jonge, lieve vrouw getrouwd, aan wie hij zeer gehecht is, en hij leeft gelukkig met haar, op een paar nu en dan voorkomende twisten na, die spoedig door kussen uit den weg geruimd zijn; zijn liefde gaat samen met jaloezie, een jaloezie, die, zooals hij toegeeft, volkomen onredelijk is, want zij is een trouwe, liefhebbende vrouw. Toch kan Pepys, eenige jaren na zijn huwelijk, en midden in een leven van ingespannen beroepsbezigheid, de verleiding niet weerstaan de tijdelijke gunsten te zoeken van andere vrouwen, zelden prostituées, maar bijna altijd vrouwen van lagen maatschappelijken stand—winkeljuffrouwen, vrouwen van werklieden, fatsoenlijke dienstmeisjes.Dikwijls is hij er mee tevreden haar naar een rustig bierhuis mee te nemen, en zich een paar gewone vrijheden te veroorloven. Soms weigeren zij absoluut meer dan dit toe te staan; als dat gebeurt dankt hij herhaaldelijk den almachtigen God (zooals hij ’s avonds in zijnDiaryschrijft), dat hij bewaard is gebleven voor verleiding en voor tijd- en geldverlies; telkens weer is hij geneigd de gelofte te doen, dat het niet weer zal gebeuren. Toch gebeurt het altijd weer. Pepys is volkomen waar tegenover zich zelf; hij doet geen poging zich te rechtvaardigen of te excuseeren; hij weet, dat hij voor de verleiding bezweken is; het is een impuls, die nu en dan over hem komt, een impuls, dien hij niet in staat schijnt te zijn lang te weerstaan. Ondanks dit alles blijft hij een achtenswaardig en ijverig ambtenaar, en in de meeste opzichten een tamelijk deugdzaam man, met een echten afkeer van lichtzinnige menschen en onbeteekenende praatjes. De houding van Pepys wordt met onvergelijkelijken eenvoud en openhartigheid uiteengezet, omdat hij deze dingen voor zijn eigen oogen alleen neerschrijft, maar zijn geval is in werkelijkheid dat van een groot aantal andere mannen, misschien wel van den typischenhomme moyen sensuel(zie Pepys,Diary, ed.Wheatley;e.g., deel IV,passim).Er is een derde klasse van getrouwde mannen, minder groot in aantal, maar niet onbelangrijk, die gedwongen zijn prostituées te bezoeken: de klasse van sexueel geperverteerde mannen. Er zijn vele redenen, waarom zulke mannen kunnen wenschen te trouwen, en in sommige gevallen trouwen ze vrouwen, met wie zij den eigenaardigen vorm van sexueele bevrediging, waarnaar ze verlangen, kunnen verkrijgen. Maar in een groot aantal gevallen is dit niet mogelijk. De conventioneel opgevoede vrouw kan zichzelf er niet toe brengen zelfs maar aan een volkomen onschuldige fetischachtige gril van haar echtgenoot toe te geven, want die is te vreemd aan haar gevoelens en te onbegrijpelijk voor haar ideeën, zelfs als ze oprecht verliefd op hem is; in vele gevallen zou de echtgenoot niet durven vragen en ternauwernood zelfs wenschen, dat zijn vrouw er zich toe zou leenen de fantastische of misschien vernederende rol te spelen, die zijn wenschen eischen. In zulk een geval wendt hij zich natuurlijk tot de prostituée, de eenige vrouw, wier beroep het is in zijn bijzondere behoeften te voorzien. Het huwelijk heeft dezen mannen geen verlichting gebracht, en zij vormen een groot aantal cliënten van elke prostituée in iedere groote stad. De meest gewone prostituée van eenige ervaring kan gevallen meedeelen van haar eigen bezoekers, geschikt om een verhandeling over psychopatische sexualiteit te illustreeren. Het is hier voldoende een aanhaling weer te geven uit de bekentenissen van een jonge Londensche prostituée (Strand), zooals ze van haar lippen zijn neergeschreven door een vriend, aan wien ik het document dank; ik heb alleen een paar alledaagsche woorden in meer technische termen veranderd. Nadat ze beschreven had hoe, toen zij nog een dorpskind van dertien jaar was, een rijke, oude heer dikwijls kwam en zich aan haar en andere meisjes vertoonde, en hoe hij eindelijk gearresteerd werd en gevangen genomen, sprak zij over de perversiteiten, die ze ontmoet had, sedert zij prostituée was geworden. Zij kende een jongen man van ongeveer vijf en twintig jaar, gewoonlijk in een sportpakje gekleed, die altijd met een paar levende duiven kwam, die hij in een mand meebracht. Zij en het meisje, waar ze mee samenwoonde moesten zich ontkleeden, de duiven nemen en ze den nek omdraaien; hij stond dan voor haar, en als de nekken omgedraaid werden, trad bij hem geprikkeldheid op. Eens ontmoette zij een man op straat en hij vroeg haar of hij met haar mee mocht gaan en haar schoenen mocht likken. Zij stemde toe en hij nam haar mee naar een hotel, betaalde een halve guinje voor een kamer, en, toen ze ging zitten, kroop hij onder de tafel en likte haar schoenen, die vol modder waren; meer deed hij niet. Dan waren er dingen, zeide zij, die te vuil waren om te vertellen; bv. een man kwam met haar en haar vriendin naar huis, en liet haar in zijn mond urineeren. Zij had ook verhalen van geeseling, meestal van mannen, die de meisjes met de zweep sloegen, zeldzamer van mannen, die graag door haar geslagen werden. Een man, dieiedere keer een nieuw riet meebracht, sloeg haar vriendin tot bloedens toe. Zij kende een anderen man, die niets deed dan haar hard op de billen slaan. Nu wortelen al deze dingen, die tot het gewone dagwerk van de prostituée behooren, in diepe en onweerstaanbare impulsen. Zij moeten een of anderen uitweg vinden. Maar alleen op de prostituée kan men rekenen, omdat haar belang en haar opvoeding het meebrengen, om den natuurlijken tegenzin tegen zulke handelingen te boven te komen en wenschen te bevredigen, die, als ze niet bevredigd werden, misschien andere en gevaarlijker vormen zouden aannemen.

In Engeland, merkt een schrijver, die goed op de hoogte is, op, dat “de waarde van het huwelijk als moreele factor blijkt uit het feit, dat al de betereprostituées in Londen bijna geheel onderhouden worden door getrouwde mannen”, terwijl ook in Duitschland, zooals in een belangwekkende serie van herinneringen van een vroegere prostituée,Beichte einer Gefallenendoor Hedwig Hard (p. 208), gezegd wordt, de meeste mannen, die prostituées bezoeken, getrouwd zijn. Deze bewering is waarschijnlijk overdreven. Neisser zegt dat maar vijf en twintig percent van gevallen van gonorrhoe voorkomen bij getrouwde mannen. Deze opgave is waarschijnlijk onjuist in omgekeerden zin, omdat getrouwde mannen zich in het verkeer met prostituées meestal zeer in acht nemen, meer dan de jonge en ongetrouwde mannen. Wat de beweegreden aangaat, die getrouwde mannen tot de prostitutie brengt, vertelt Hedwig Hard uit haar eigen ervaringen een voorval, dat leerzaam en ongetwijfeld typisch is. In de stad, waar zij rustig als prostituée woonde, werd een man van den hoogsten maatschappelijken stand door een vriend bij haar geïntroduceerd, en bezocht haar regelmatig. Zij had dikwijls zijn vrouw gezien en bewonderd, die een van de gevierde schoonheden van de plaats was en twee lieve kinderen had; man en vrouw schenen elkander zeer genegen, en ieder benijdde hen hun geluk. Hij was een man van verstand en beschaving, die Hedwig’s liefde tot boeken aanmoedigde; zij geraakte zeer aan hem gehecht en eens waagde zij hem te vragen hoe hij zijn lieve, mooie vrouw kon verlaten om naar iemand toe te gaan, die niet waard was haar schoenriemen los te binden. “Ja, kind”, antwoordde hij, “maar al haar schoonheid en ontwikkeling geeft mij niets voor mijn hart. Zij is koud, koud als ijs, fatsoenlijk en bovenal phlegmatiek. Vertroeteld en verwend als zij is, leeft zij alleen voor zich zelf; wij zijn twee goede kameraden en niets meer. Als ik bijvoorbeeld ’s avonds uit de societeit kom en naar haar bed ga, misschien wel een beetje opgewonden, dan wordt ze zenuwachtig en vindt het ongepast, dat ik haar wakker maak. Als ik haar kus, dan verdedigt zij zich en vertelt mij, dat ik verschrikkelijk naar sigaren en wijn ruik. En als ik misschien meer probeer, dan springt ze uit bed, wordt boos alsof ik haar aanviel, en dreigt uit het raam te springen als ik haar aanraak. Dus laat ik haar om den wille der vrede met rust en kom hier”. Er kan geen twijfel aan zijn, dat dit de ondervinding is van veel getrouwde mannen, die graag geliefde zoowel als vriendin in hun vrouwen zouden vinden. Maar de vrouwen hebben, met een verscheidenheid van oorzaken, bewezen, dat ze niet in staat zijn de sexueele makkers te worden van haar echtgenooten. En de echtgenooten, zonder dat ze gedreven worden door eenigen sterken hartstocht of door begeerte naar ontrouw, zoeken buitenshuis wat ze thuis niet vinden kunnen.

Dit is niet de eenige reden, waarom mannen prostituées bezoeken. Zelfs mannen, die gelukkig getrouwd zijn met vrouwen, die in de voornaamste opzichten bij hen passen, ondervinden dikwijls na eenige jaren huwelijksleven, een geheimzinnig verlangen naar afwisseling. Zij zijn hun vrouwen niet moe, zij hebben niet de minste wensch of bedoeling om haar te verlaten, zij willen haar, als zij het helpen kunnen, niet de minste pijn veroorzaken. Maar nu en dan worden ze door een onweerstaanbaren, en onwillekeurigen drang er toe gebracht een tijdelijke intimiteit te zoeken met vrouwen, met wie ze voor niets ter wereld zich voor goed zouden willen binden. Pepys, wiensDiary, afgezien van de andere verdienstelijke eigenschappen ervan, een psychologisch document van waarde is, levert een zeer karakteristiek voorbeeld van deze soort van impuls. Hij heeft een jonge, lieve vrouw getrouwd, aan wie hij zeer gehecht is, en hij leeft gelukkig met haar, op een paar nu en dan voorkomende twisten na, die spoedig door kussen uit den weg geruimd zijn; zijn liefde gaat samen met jaloezie, een jaloezie, die, zooals hij toegeeft, volkomen onredelijk is, want zij is een trouwe, liefhebbende vrouw. Toch kan Pepys, eenige jaren na zijn huwelijk, en midden in een leven van ingespannen beroepsbezigheid, de verleiding niet weerstaan de tijdelijke gunsten te zoeken van andere vrouwen, zelden prostituées, maar bijna altijd vrouwen van lagen maatschappelijken stand—winkeljuffrouwen, vrouwen van werklieden, fatsoenlijke dienstmeisjes.Dikwijls is hij er mee tevreden haar naar een rustig bierhuis mee te nemen, en zich een paar gewone vrijheden te veroorloven. Soms weigeren zij absoluut meer dan dit toe te staan; als dat gebeurt dankt hij herhaaldelijk den almachtigen God (zooals hij ’s avonds in zijnDiaryschrijft), dat hij bewaard is gebleven voor verleiding en voor tijd- en geldverlies; telkens weer is hij geneigd de gelofte te doen, dat het niet weer zal gebeuren. Toch gebeurt het altijd weer. Pepys is volkomen waar tegenover zich zelf; hij doet geen poging zich te rechtvaardigen of te excuseeren; hij weet, dat hij voor de verleiding bezweken is; het is een impuls, die nu en dan over hem komt, een impuls, dien hij niet in staat schijnt te zijn lang te weerstaan. Ondanks dit alles blijft hij een achtenswaardig en ijverig ambtenaar, en in de meeste opzichten een tamelijk deugdzaam man, met een echten afkeer van lichtzinnige menschen en onbeteekenende praatjes. De houding van Pepys wordt met onvergelijkelijken eenvoud en openhartigheid uiteengezet, omdat hij deze dingen voor zijn eigen oogen alleen neerschrijft, maar zijn geval is in werkelijkheid dat van een groot aantal andere mannen, misschien wel van den typischenhomme moyen sensuel(zie Pepys,Diary, ed.Wheatley;e.g., deel IV,passim).

Er is een derde klasse van getrouwde mannen, minder groot in aantal, maar niet onbelangrijk, die gedwongen zijn prostituées te bezoeken: de klasse van sexueel geperverteerde mannen. Er zijn vele redenen, waarom zulke mannen kunnen wenschen te trouwen, en in sommige gevallen trouwen ze vrouwen, met wie zij den eigenaardigen vorm van sexueele bevrediging, waarnaar ze verlangen, kunnen verkrijgen. Maar in een groot aantal gevallen is dit niet mogelijk. De conventioneel opgevoede vrouw kan zichzelf er niet toe brengen zelfs maar aan een volkomen onschuldige fetischachtige gril van haar echtgenoot toe te geven, want die is te vreemd aan haar gevoelens en te onbegrijpelijk voor haar ideeën, zelfs als ze oprecht verliefd op hem is; in vele gevallen zou de echtgenoot niet durven vragen en ternauwernood zelfs wenschen, dat zijn vrouw er zich toe zou leenen de fantastische of misschien vernederende rol te spelen, die zijn wenschen eischen. In zulk een geval wendt hij zich natuurlijk tot de prostituée, de eenige vrouw, wier beroep het is in zijn bijzondere behoeften te voorzien. Het huwelijk heeft dezen mannen geen verlichting gebracht, en zij vormen een groot aantal cliënten van elke prostituée in iedere groote stad. De meest gewone prostituée van eenige ervaring kan gevallen meedeelen van haar eigen bezoekers, geschikt om een verhandeling over psychopatische sexualiteit te illustreeren. Het is hier voldoende een aanhaling weer te geven uit de bekentenissen van een jonge Londensche prostituée (Strand), zooals ze van haar lippen zijn neergeschreven door een vriend, aan wien ik het document dank; ik heb alleen een paar alledaagsche woorden in meer technische termen veranderd. Nadat ze beschreven had hoe, toen zij nog een dorpskind van dertien jaar was, een rijke, oude heer dikwijls kwam en zich aan haar en andere meisjes vertoonde, en hoe hij eindelijk gearresteerd werd en gevangen genomen, sprak zij over de perversiteiten, die ze ontmoet had, sedert zij prostituée was geworden. Zij kende een jongen man van ongeveer vijf en twintig jaar, gewoonlijk in een sportpakje gekleed, die altijd met een paar levende duiven kwam, die hij in een mand meebracht. Zij en het meisje, waar ze mee samenwoonde moesten zich ontkleeden, de duiven nemen en ze den nek omdraaien; hij stond dan voor haar, en als de nekken omgedraaid werden, trad bij hem geprikkeldheid op. Eens ontmoette zij een man op straat en hij vroeg haar of hij met haar mee mocht gaan en haar schoenen mocht likken. Zij stemde toe en hij nam haar mee naar een hotel, betaalde een halve guinje voor een kamer, en, toen ze ging zitten, kroop hij onder de tafel en likte haar schoenen, die vol modder waren; meer deed hij niet. Dan waren er dingen, zeide zij, die te vuil waren om te vertellen; bv. een man kwam met haar en haar vriendin naar huis, en liet haar in zijn mond urineeren. Zij had ook verhalen van geeseling, meestal van mannen, die de meisjes met de zweep sloegen, zeldzamer van mannen, die graag door haar geslagen werden. Een man, dieiedere keer een nieuw riet meebracht, sloeg haar vriendin tot bloedens toe. Zij kende een anderen man, die niets deed dan haar hard op de billen slaan. Nu wortelen al deze dingen, die tot het gewone dagwerk van de prostituée behooren, in diepe en onweerstaanbare impulsen. Zij moeten een of anderen uitweg vinden. Maar alleen op de prostituée kan men rekenen, omdat haar belang en haar opvoeding het meebrengen, om den natuurlijken tegenzin tegen zulke handelingen te boven te komen en wenschen te bevredigen, die, als ze niet bevredigd werden, misschien andere en gevaarlijker vormen zouden aannemen.

Hoewel Woods Hutchinson met instemming de verklaring van een vriend aanhaalt: “Van de duizende prostituées heb ik er nooit een gezien met goede manieren aan tafel”, gaat van de prostituée toch werkelijk, hoewel dan niet in voldoende mate, de bekoring van de beschaving uit. “Er was geen huis, waarin ik van tijd tot tijd het gezicht van een dame zien en de stem van een dame hooren kon”, schreef de romanschrijver Anthony Trollope in zijnAutobiographieover zijn leven, toen hij pas in Londen was. “Geen opwekking tot fatsoenlijke vertrouwelijkheid kwam op mijn weg. Het schijnt mij toe, dat in zulke omstandigheden de verleidingen van een losbandig leven bijna zeker de overhand zullen krijgen over een jongen man. De verleiding kreeg in ieder geval de overhand over mij”. In iedere groote stad, heeft men gezegd, zijn er duizende mannen, die niet het recht hebben eenige andere vrouw dan een kellnerin bij haar voornaam te noemen103. Al de schoone glans der beschaving schittert om hen heen in de straten, maar zij moeten op een afstand blijven. Het is de prostituée, die deze bekoring van de stad belichaamt, veel beter dan de maagdelijke vrouw, zelfs als intimiteit met haar binnen hun bereik was. De prostituée vertegenwoordigt ze, omdat zij ze zelf voelt, omdat zij zelfs haar vrouweneer opgeofferd heeft in de poging zich er mee te vereenzelvigen. Zij heeft ongebreidelde vrouwelijke instincten, zij is een meesteres in de vrouwelijke kunst zich op te sieren, zij kan tot hem spreken over de geheimen van de vrouwelijkheid en de weelden van haar geslacht met een zaakkennis en een vrijheid, waartoe het onschuldige meisje, dat aan haar huis gekluisterd is, niet in staat zou zijn. Zij is voor hem niet alleen daardoor aantrekkelijk, omdat zij de lagere sexueele begeerten bevredigen kan, maar ook omdat zij op hare wijze een kunstenares is, een deskundigein de kunst van vrouwelijke uitbuiting, een leidster op het gebied der mode. Want dit is zij, en er zijn, zooals Simmel in zijnPhilosophie der Modegezegd heeft, goede psychologische redenen, waarom zij dit altijd moet zijn. Haar onzekere maatschappelijke positie maakt alles, wat conventioneel en wettig is, hatelijk in haar oogen, terwijl haar temperament voortdurende nieuwigheden verrukkelijk voor haar maakt. In nieuwe modes vindt zij “een æsthetischen vorm van dat instinct van vernieling, dat eigen schijnt te zijn aan het leven van alle paria’s, in zooverre zij geestelijk niet volkomen slaven zijn geworden”.

“Hoe verwonderlijk het ook aan sommigen moge toeschijnen”, merkt een modern schrijver op, “prostituées moeten op hetzelfde niveau gesteld worden als kunstenaars. Beide gebruiken hun gaven en talenten tot vreugde en genoegen van anderen, en, als regel, tegen betaling. Wat is het essentieele verschil tusschen een zangeres, die hoorders genoegen geeft met haar keel en een prostituée, die haar bezoekers genoegen geeft met een ander deel van haar lichaam? Alle kunst werkt op de zinnen”. Hij verwijst naar het belangrijke feit, dat acteurs en voornamelijk actrices vroeger veelal even weinig geacht werden als prostituées nu (R. Hellmann,Ueber Geschlechtsfreiheit, pp. 245–252).Bernaldo de Quiros en Llanas Aguilaniedo (La Mala Vida en Madrid, p. 242) gaan denzelfden invloed na nog lager op den maatschappelijken ladder. Zij beschrijven de vuilere soort vancafé’s chantant, waar, in Spanje en elders, de slechtste en meest gedegenereerde vrouwelijke schepsels kellnerinnen worden (en soms zangeressen en danseressen), die dan de rol spelen van liefelijke en gedistingeerdehetarenvoor een publiek van voerlieden en winkelbedienden, die deze plaatsen bezoeken. “Gekleed met wat den jongen man toeschijnt onberispelijke smaak te zijn, met zorgvuldig gefriseerde haren, en een schoon gezicht, dat versierd is met bloemen of sieraden, minzaam en soms hooghartig, in bekoring en in tooi verheven boven de andere vrouwen, die hij kent, worden de kellnerinnen het mooiste voorbeeld van defemme galante, die hij kan zien en toespreken, de courtisane van zijn sfeer”.

“Hoe verwonderlijk het ook aan sommigen moge toeschijnen”, merkt een modern schrijver op, “prostituées moeten op hetzelfde niveau gesteld worden als kunstenaars. Beide gebruiken hun gaven en talenten tot vreugde en genoegen van anderen, en, als regel, tegen betaling. Wat is het essentieele verschil tusschen een zangeres, die hoorders genoegen geeft met haar keel en een prostituée, die haar bezoekers genoegen geeft met een ander deel van haar lichaam? Alle kunst werkt op de zinnen”. Hij verwijst naar het belangrijke feit, dat acteurs en voornamelijk actrices vroeger veelal even weinig geacht werden als prostituées nu (R. Hellmann,Ueber Geschlechtsfreiheit, pp. 245–252).

Bernaldo de Quiros en Llanas Aguilaniedo (La Mala Vida en Madrid, p. 242) gaan denzelfden invloed na nog lager op den maatschappelijken ladder. Zij beschrijven de vuilere soort vancafé’s chantant, waar, in Spanje en elders, de slechtste en meest gedegenereerde vrouwelijke schepsels kellnerinnen worden (en soms zangeressen en danseressen), die dan de rol spelen van liefelijke en gedistingeerdehetarenvoor een publiek van voerlieden en winkelbedienden, die deze plaatsen bezoeken. “Gekleed met wat den jongen man toeschijnt onberispelijke smaak te zijn, met zorgvuldig gefriseerde haren, en een schoon gezicht, dat versierd is met bloemen of sieraden, minzaam en soms hooghartig, in bekoring en in tooi verheven boven de andere vrouwen, die hij kent, worden de kellnerinnen het mooiste voorbeeld van defemme galante, die hij kan zien en toespreken, de courtisane van zijn sfeer”.

Maar terwijl de prostituée voor den eenvoudigen, onwetenden en hongerigen jongen man aantrekkelijk is als belichaming van veel van de verfijning en perversiteiten van de beschaving, oefent zij op vele meer gecompliceerde en beschaafde mannen een aantrekkingskracht uit van een bijna tegenovergestelde soort. Zij trekt aan door haar frissche en natuurlijke ruwheid, haar vrije bekendheid met de ruwste feiten van het leven; en heft hen zoo voor een oogenblik op uit de verdorrende atmosfeer van kunstmatig denken en onwerkelijk gevoel, waarin zoo vele beschaafde personen gedwongen zijn het grootste deel van hun leven door te hengen. Zij voelen met de woorden, die de koninklijke vriend van een vrouw van dit temperament moet gebruikt hebben, toen hij een verklaring gaf van haar onbegrijpelijken invloed op hem: “Zij is zoo schitterend vulgair!”

Ter illlustratie van deze zijde van de aantrekkingskracht der prostitutie, wil ik hier een passage aanhalen, waarin de romanschrijver Hermant, in zijnConfessions d’un Enfantd’Hier(Lettre VII), de redenen uiteengezet heeft, die er het overbeschaafde kind van een beschaafde eeuw, dat toch geenszinsradicaal of volkomen slecht is, toe kunnen brengen voldoening te vinden in den omgang met prostituées: “Zoolang mijn hart niet getroffen was, was het voorwerp van mijn satisfactie mij volkomen onverschillig. Ik hield bovendien veel van absolute vrijheid en die is alleen mogelijk in den kring van deze anonieme schepsels en in haar afgezonderde woonplaats. Daar kan men zich alles veroorloven. Tegenover andere vrouwen, hoe laag we haar ook zoeken, moeten zekere égards in acht genomen worden, een soort van protocol. Tegen de prostituée kan men alles zeggen: men is beschermd door zijn incognito en men weet zeker, dat niemand ooit te weten komt, wat men met haar beleeft. Ik maakte gebruik van deze vrijheid, zoo aantrekkelijk voor iemand van mijn leeftijd, maar met een perverse fantasie, die niet bij mijn jaren paste. Ik weet nauwelijks waar ik de woorden vandaan haalde, die ik tot haar zeide, want ze kwamen niet overeen met mijn smaak, die eenvoudig was en, als ik het zeggen mag, klassiek. Het is waar, dat onbeperkt naturalisme in liefdezaken altijd neigt tot het perverse, een feit dat alleen op het eerste gezicht paradox kan schijnen. Natuurvolken hebben veel trekken gemeen met gedegenereerden. Ik was echter alleen in woorden losbandig; en dit waren de eenige gelegenheden, waarbij ik mij herinneren kan, dat ik ernstig onwaarheid gesproken heb. Maar die behoefte, die ik toen ondervond, om een lage soort van onwaardige instincten uit te drijven, schijnt mij karakteristiek toe en vernederend. Ik mag er bij voegen, dat ik zelfs te midden van deze uitspattingen een zekere terughouding behield. De aanrakingen, waaraan ik mij overgaf, bezoedelden mij niet; er bleef niets van over, als ik naar huis terugkeerde. Ik heb altijd, uit dien geforceerden en onverschilligen omgang de gewoonte behouden om geen gewicht te hechten aan de handelingen van het vleesch. De liefdefunctie, die godsdienst en moraal omgeven hebben met geheimzinnigheid en gekruid met zonde, schijnt mij een functie toe als iedere andere, een beetje laag bij den grond, maar aangenaam, en een, waarvoor het gebruikelijk epiloog te lang is.… Deze soort kameraadschap duurde maar korten tijd”. Bovenstaande ontleding van de houding van een beslist gewoon type van den beschaafden modernen man schijnt juist te zijn, maar het zal misschien bij sommige lezers opkomen, dat men van een omgang, die er toe geleid heeft de “handeling van het vleesch” te beschouwen als te zijn van geen waarde, bezwaarlijk zeggen kan, dat ze geen smet nagelaten heeft.Op ongeveer gelijke wijze stelt Henri de Régnier in zijn romanLes Rencontres de Monsieur Bréot(p. 50) Bercaillé voor als iemand die bepaald bij voorkeur zijn genoegen zoekt bij dienstmeisjes, liever dan bij dames, want genoegen geven was, in zijn idee, een soort van dienst, die vrijwel overeenkwam met de diensten, die zij gewend waren te bewijzen; en daarbij zijn zij stevig en gezellig; zij hebben de naïviteit, die altijd bekoort en zij worden niet licht teruggestooten door die kleine voorvallen, die misschien het kieskeurige gevoel van fijn opgevoede dames zouden hinderen.Bloch, die speciaal den nadruk gelegd heeft op deze zijde van de aantrekkingskracht der prostitutie (Das Sexualleben unserer Zeit, pp. 359–362), verwijst naar den teeren en gevoeligen jongen Deenschen schrijver, J. P. Jakobsen, die scherp het contrast schijnt gevoeld te hebben tusschen de hoogere en meer gewone impulsen en de nu en dan voorkomende uitbarsting van wat hij voelde als de lagere instincten; in zijnNiels Lyhnebeschrijft hij het soort van dubbel leven, waarbij een man veertien dagen trouw is aan den God, dien hij vereert, en dan overwonnen wordt door andere machten, die hem dolzinnig meevoeren naar wat hij voelt als vernederend, pervers en vuil. “Op zulke oogenblikken”, merkt Bloch op, “is de man een ander wezen. De “twee zielen” in zijn borst worden werkelijkheid. Is dat de beroemde geleerde, de verheven idealist, de fijn besnaarde aestheticus, de kunstenaar, die ons zooveel mooie werken gegeven heeft in poëzie en schilderkunst? Wij herkennen hem niet meer, want op zulke oogenblikken is een ander wezen aan de oppervlakte gekomen, een andere natuur is in hem in beweging en drijft hem met hetgeweld van een natuurkracht naar dingen, waarvan zijn “hooger bewustzijn” de beschaafde man in hem, zou rillen”. Bloch meent, dat we hier te doen hebben met een soort normaal mannelijk masochisme en dat de prostitutie dient om dat te bevredigen.

Ter illlustratie van deze zijde van de aantrekkingskracht der prostitutie, wil ik hier een passage aanhalen, waarin de romanschrijver Hermant, in zijnConfessions d’un Enfantd’Hier(Lettre VII), de redenen uiteengezet heeft, die er het overbeschaafde kind van een beschaafde eeuw, dat toch geenszinsradicaal of volkomen slecht is, toe kunnen brengen voldoening te vinden in den omgang met prostituées: “Zoolang mijn hart niet getroffen was, was het voorwerp van mijn satisfactie mij volkomen onverschillig. Ik hield bovendien veel van absolute vrijheid en die is alleen mogelijk in den kring van deze anonieme schepsels en in haar afgezonderde woonplaats. Daar kan men zich alles veroorloven. Tegenover andere vrouwen, hoe laag we haar ook zoeken, moeten zekere égards in acht genomen worden, een soort van protocol. Tegen de prostituée kan men alles zeggen: men is beschermd door zijn incognito en men weet zeker, dat niemand ooit te weten komt, wat men met haar beleeft. Ik maakte gebruik van deze vrijheid, zoo aantrekkelijk voor iemand van mijn leeftijd, maar met een perverse fantasie, die niet bij mijn jaren paste. Ik weet nauwelijks waar ik de woorden vandaan haalde, die ik tot haar zeide, want ze kwamen niet overeen met mijn smaak, die eenvoudig was en, als ik het zeggen mag, klassiek. Het is waar, dat onbeperkt naturalisme in liefdezaken altijd neigt tot het perverse, een feit dat alleen op het eerste gezicht paradox kan schijnen. Natuurvolken hebben veel trekken gemeen met gedegenereerden. Ik was echter alleen in woorden losbandig; en dit waren de eenige gelegenheden, waarbij ik mij herinneren kan, dat ik ernstig onwaarheid gesproken heb. Maar die behoefte, die ik toen ondervond, om een lage soort van onwaardige instincten uit te drijven, schijnt mij karakteristiek toe en vernederend. Ik mag er bij voegen, dat ik zelfs te midden van deze uitspattingen een zekere terughouding behield. De aanrakingen, waaraan ik mij overgaf, bezoedelden mij niet; er bleef niets van over, als ik naar huis terugkeerde. Ik heb altijd, uit dien geforceerden en onverschilligen omgang de gewoonte behouden om geen gewicht te hechten aan de handelingen van het vleesch. De liefdefunctie, die godsdienst en moraal omgeven hebben met geheimzinnigheid en gekruid met zonde, schijnt mij een functie toe als iedere andere, een beetje laag bij den grond, maar aangenaam, en een, waarvoor het gebruikelijk epiloog te lang is.… Deze soort kameraadschap duurde maar korten tijd”. Bovenstaande ontleding van de houding van een beslist gewoon type van den beschaafden modernen man schijnt juist te zijn, maar het zal misschien bij sommige lezers opkomen, dat men van een omgang, die er toe geleid heeft de “handeling van het vleesch” te beschouwen als te zijn van geen waarde, bezwaarlijk zeggen kan, dat ze geen smet nagelaten heeft.

Op ongeveer gelijke wijze stelt Henri de Régnier in zijn romanLes Rencontres de Monsieur Bréot(p. 50) Bercaillé voor als iemand die bepaald bij voorkeur zijn genoegen zoekt bij dienstmeisjes, liever dan bij dames, want genoegen geven was, in zijn idee, een soort van dienst, die vrijwel overeenkwam met de diensten, die zij gewend waren te bewijzen; en daarbij zijn zij stevig en gezellig; zij hebben de naïviteit, die altijd bekoort en zij worden niet licht teruggestooten door die kleine voorvallen, die misschien het kieskeurige gevoel van fijn opgevoede dames zouden hinderen.

Bloch, die speciaal den nadruk gelegd heeft op deze zijde van de aantrekkingskracht der prostitutie (Das Sexualleben unserer Zeit, pp. 359–362), verwijst naar den teeren en gevoeligen jongen Deenschen schrijver, J. P. Jakobsen, die scherp het contrast schijnt gevoeld te hebben tusschen de hoogere en meer gewone impulsen en de nu en dan voorkomende uitbarsting van wat hij voelde als de lagere instincten; in zijnNiels Lyhnebeschrijft hij het soort van dubbel leven, waarbij een man veertien dagen trouw is aan den God, dien hij vereert, en dan overwonnen wordt door andere machten, die hem dolzinnig meevoeren naar wat hij voelt als vernederend, pervers en vuil. “Op zulke oogenblikken”, merkt Bloch op, “is de man een ander wezen. De “twee zielen” in zijn borst worden werkelijkheid. Is dat de beroemde geleerde, de verheven idealist, de fijn besnaarde aestheticus, de kunstenaar, die ons zooveel mooie werken gegeven heeft in poëzie en schilderkunst? Wij herkennen hem niet meer, want op zulke oogenblikken is een ander wezen aan de oppervlakte gekomen, een andere natuur is in hem in beweging en drijft hem met hetgeweld van een natuurkracht naar dingen, waarvan zijn “hooger bewustzijn” de beschaafde man in hem, zou rillen”. Bloch meent, dat we hier te doen hebben met een soort normaal mannelijk masochisme en dat de prostitutie dient om dat te bevredigen.


Back to IndexNext