Chapter 39

Zoo bestaat de neiging, dat met den groei van de beschaving het opvatten van het huwelijk als een contract meer en meer in discrediet geraakt. Aan den anderen kant wordt erkend, datpersoonlijke contracten niet in harmonie zijn met onze algemeene en maatschappelijke houding, want, als wij het denkbeeld verwerpen, dat een menschelijk wezen zich bij contract mag verkoopen als slaaf, hoeveel te meer moeten we dan het denkbeeld verwerpen, dat menschen een contract zouden aangaan voor de nog intiemere verhouding van een getrouwd man of getrouwde vrouw; aan den anderen kant voelt men, dat het denkbeeld van van tevoren opgemaakte contracten in een zaak, waarover het individu zelf geen contrôle heeft, volkomen onwerkelijk is en als er strenge regels van billijkheid heerschen, noodzakelijk van geen waarde. Het is waar, dat er nog voortdurend schrijvers gevonden worden, die hun denkbeelden verkondigen over de plichten of de voorrechten, die vervat zijn in het “contract” van het huwelijk, en die de beteekenis van het woord “contract” in dezen zin niet meer analyseeren dan de Hervormers deden; maar men kan ternauwernood zeggen, dat deze schrijvers verder gekomen zijn dan het alphabet van het onderwerp, waarover ze leerstellingen verkondigen.Het overbrengen van het huwelijk van de Kerk naar den Staat, hetgeen wij in de landen, waar het ’t eerst voorkwam danken aan het Protestantisme, en in de Engelsch sprekende landen voornamelijk aan het Puritanisme, had, terwijl het een noodzakelijk stadium was, ongelukkig het gevolg, dat het de sexueele verhoudingen verwereldlijkte. Dat is te zeggen, dat het ’t verheven element in de liefde, dat in werkelijkheid het essentieele deel van zulke verhoudingen is, negeerde, en dat het alle aandacht concentreerde op die vormelijke en toevallige deelen van het huwelijk, die alleen op een strenge en nauwkeurige wijze behandeld kunnen worden, en die eigenlijk alleen het onderwerp kunnen vormen van contracten. De canonieke wet, hoe fantastisch en onmogelijk zij ook in vele van haar ontwikkelingen werd, drong tenminste aan op het natuurlijke en werkelijke feit van het huwelijk als bovenal een lichamelijke vereeniging, terwijl ze, terzelfder tijd dat huwelijk niet beschouwde als enkel een wereldlijk zakelijk contract, maar als een geheiligde en verheven functie, een goddelijk feit, en het symbool van het goddelijkste feit van de wereld. Tegenwoordig komen we terug tot de opvatting van de Canonisten over het huwelijk op een hooger en vrijer plan, wij komen terug tot de verheven beschouwing van de canonieke wet, terwijl we toch het individualisme behouden, hetwelk de Puriteinen ten onrechte meenden dat zij konden verkrijgen op de basis van verwereldlijking, terwijl wij verder erkennen, dat de geheele zaak behoort tot de persoonlijke sfeer van moreele verantwoordelijkheid. Zooals Hobhouse, toen hij de geschiedenis van de ontwikkeling der moderne huwelijks-opvatting naging, terecht gezegd heeft, het sacramenteele denkbeeld van het huwelijk is weer voor den daggekomen, maar op een hooger niveau; “van een sacrament in den magischen zin is het een sacrament in den ethischen zin geworden”. Zoo zullen wij komen, hoewel wij het wettelijk nog niet bereikt hebben, tot het huwelijk, gevormd en in stand gehouden door wederzijdsche toestemming, “een vereeniging tusschen twee vrije en verantwoordelijke personen, waarbij de wettelijke rechten van beide verzekerd worden”52.Sommigen meenen, dat men, als men het huwelijk beschouwt als een sacrament, dan ook noodzakelijk het oude Katholieke gezichtspunt moet aannemen, dat belichaamd is in de canonieke wet, dat het huwelijk onontbindbaar is. Dat is echter een vergissing. Zelfs de Canonisten hebben nooit een samenhangende en steekhoudende reden kunnen opgeven voor de onontbindbaarheid van het huwelijk; die zich met eenigen grond kon aanbevelen, terwijl Luther en Milton en Wilhelm von Humboldt, die den godsdienstigen en heiligen aard van de sexueele vereeniging staande hielden—hoewel ze voorzichtig waren met het gebruiken van het woord “sacrament” met het oog op wat er in de kerk onder begrepen wordt—wel verre van te meenen, dat de heiligheid ervan onontbindbaarheid in zich sloot, in den tegenovergestelden zin spraken. Dit gezichtspunt kan zelfs van zuiver Protestantsch standpunt verdedigd worden. “Ik meen”, zegt Mr. G. C. Maberly, “dat de definitie van hetPrayerBookvan een sacrament “als een uiterlijk en zichtbaar teeken van een innerlijkeen geestelijke genade”, algemeen aangenomen wordt. In het huwelijk zijn de wettige en physieke vereenigingen de uiterlijke en zichtbare teekenen, terwijl de innerlijke en geestelijke genade is de door God gegeven liefde, die maakt, dat de vereeniging van hart en ziel is: en juist omdat ik dit gezichtspunt over het huwelijk inneem, meen ik, dat de wettige en physieke vereeniging moest verbroken worden, telkens als de geestelijke vereeniging van onzelfzuchtige, goddelijke liefde en toegenegenheid opgehouden heeft te bestaan. Het schijnt mij toe, dat de sacramenteele beschouwing van het huwelijk ons dwingt te zeggen, dat zij, die de wettelijke en lichamelijke vereeniging voortzetten als de geestelijke vereeniging opgehouden heeft te bestaan, bezig zijn—om nog eens uit hetPrayer Bookwoorden aan te halen, die van toepassing zijn op hen, die het uiterlijke teeken nemen van een ander sacrament, als de innerlijke en geestelijke genade niet aanwezig is—“hun eigen verdoemenis te eten”.”Als we van het standpunt, dat we nu bereikt hebben, terugzien op de echtscheidingskwestie, dan zien we, naarmate de moderne wijzen van beschouwing van de moderne huwelijksverhoudingen duidelijker door de gemeenschap beginnen erkend te worden, dat die kwestie enorm vereenvoudigd zal worden. Als het huwelijk niet enkel een contract is, maar een wijze van zich gedragen, en zelfs een heilige daad, is het vrije deelnemen van beide partijen noodig om het in stand te houden. Het denkbeeld in te voeren van misdaad en straf bij de echtscheiding, het aanmoedigen van wederzijdsche beschuldigingen, het aan de wereld openbaren van de geheimen van het hart of van de zinnen, is niet alleen immoreel, het is ten eenenmale misplaatst. In de kwestie: wanneer een huwelijk opgehouden heeft een huwelijk te zijn, kunnen de twee betrokken partijen alleen de opperste rechters zijn; de Staat, alsde Staat er bij geroepen wordt, kan alleen de uitspraak opteekenen, die zij doen, en kan er alleen op letten, dat er geen onrechtvaardigheid geschiedt bij het ten uitvoer brengen van de uitspraak53.Toen we in het vorige hoofdstuk de richting bespraken, waarin de sexueele moraal neiging heeft zich te ontwikkelen met de ontwikkeling van de beschaving, kwamen we tot de conclusie, dat ze in haar hoofdlijnen vooral persoonlijke verantwoordelijkheid in zich sloot. Een verhouding, die onder natuurvolken vastgelegd is door een maatschappelijke gewoonte, die niemand durft te breken, en op een hooger trap van beschaving door vormelijke wetten, die naar de letter moeten opgevolgd worden, zelfs als ze gebroken worden naar den geest, wordt langzamerhand overgebracht in de sfeer van individueele moreele verantwoordelijkheid. Zulk een overdracht heeft natuurlijk geen beteekenis, en is zelfs onmogelijk, tenzij de toenemende kracht van den moreelen band vergezeld gaat van een toenemende kracht van den vormelijken band. Alleen door het losser maken van de kunstmatige beperkingen kunnen de natuurlijke beperkingen hun volle heerschappij uitoefenen. Dat proces heeft plaats op twee wijzen, voor een deel op een basis van onverschilligheid voor het vormelijke huwelijk, die de massa overal gekenmerkt heeft en ongetwijfeld teruggaat tot de tiende eeuw voordat de overheersching van het kerkelijke huwelijk begon, en voor een deel door de vooruitgaande wijziging van de huwelijkswetten, die noodzakelijk gemaakt werden door de behoeften van de bezittende klassen, die er op uit waren de staatserkenning van hun vereenigingen te verzekeren. Het geheele proces is noodzakelijk een geleidelijk en zelfs onmerkbaar proces. Het is niet mogelijk de bepaalde data vast te stellen van de stadiën, waarlangs de Kerk de enorme revolutie bewerkte, waardoor zij verkreeg en eindelijk aan den Staat overdroeg de volkomen contrôle op het huwelijk, want die revolutie werd bewerkt zonder inmenging van eenige wet. Het zal even moeilijk zijn het overgaan te bemerken van de contrôle op het huwelijk van den Staat op de betrokken individuen, en nog des te moeilijker omdat, hoewel het essentieele en intieme persoonlijke feit van het huwelijk niet een eigenlijke zaak is voor contrôle van den Staat, er toch bepaalde kanten zijn aan het huwelijk, die zoo nauw de belangen van de gemeenschap raken, dat de Staat verplicht is er op aan te dringen, dat ze opgeschreven worden en om aandeel te nemen in de regeling ervan.Er wordt soms gezegd, dat het resultaat van het losser maken van de vormelijke gebondenheid van de huwelijksverhouding zou zijn een neiging tot moreele laksheid. Zij, die dit zeggen, zien het feit over het hoofd, dat laksheid neiging heeft haar maximum te bereiken als resultaat van gebondenheid, en dat daar, waar de strenge enkel uiterlijke autoriteit van een star huwelijk overheerschend is, de uitersten van ongebondenheid het meest bloeien. Het is, om dezelfde reden, ook ontwijfelbaar waar, dat ieder plotseling wegnemen van beperkingen noodzakelijk een reactie met zich brengt naar het tegenovergesteld uiterste van losbandigheid; een slaaf wordt niet ineens veranderd in een zelfstandigen vrije. Toch moeten we ons herinneren, dat de huwelijksorde bestond duizende jaren voordat er eenige poging gedaan werd om ze door menschelijke wetgeving in willekeurige vormen te kneden. Zulk een wetgeving was, naar we gezien hebben, de poging van den menschelijken geest om de eischen van zijn eigen instincten met meer nadruk te bevestigen. Maar het eindresultaat ervan is, dat ze de instincten, die ze geïnspireerd hebben, eerder verstikt en tegenhoudt dan dat zij ze bevordert. Het geleidelijk verdwijnen ervan geeft aan de natuurlijke orde vrij baan54.De groote waarheid, dat dwang niet werkelijk een kracht is aan den kant van de deugd, maar aan den kant van de ondeugd, is duidelijk erkend geworden door het genie van Rabelais, toen hij van zijn idealen maatschappelijken staat, de Abdij van Thelema, zeide, dat er maar één paragraaf was in het geheele reglement:Fay ce que vouldras. “Omdat” zeide Rabelais (Boek I, hoofdst. VII), “vrije menschen, die van goede geboorte en wel opgevoed zijn, en die zich in goede gezelschappen bewegen, van nature een instinct hebben en een drang, die hen tot deugdzame daden dwingt en hen van de ondeugd terughoudt. Indien deze zelfde menschen door lage onderwerping en dwang ten onder gebracht zijn en ten onder gehouden worden, dan keeren zij zich af van die edele gezindheid, waarin ze vrijwillig geneigd waren tot de deugd, om dien band der dienstbaarheid af te schudden en te verbreken”. Zoo dat, als een man en vrouw, die onder den regel van Thelema geleefd hadden, elkander huwden, hun wederzijdsche liefde, naar Rabelais ons vertelt, onverminderd voort zou duren tot den dag van hun dood.Als het verlies van autonome vrijheid niet leidt tot losbandigen opstand, loopt ze het tegenovergestelde gevaar en heeft neiging om te worden een zwak zich verlaten op een uiterlijken steun. De kunstmatige steun van de regeling van het huwelijk van Staatswege gelijkt dan op den kunstmatigen steun van het lichaam, die geleverd wordt door het dragen van het corset. De redenen voor en tegen het aannemen van een kunstmatigen steun zijn in beide gevallen dezelfde. Een corset geeft werkelijk een gevoel van steun; het geeft zonder moeite een tamelijk bevredigend uiterlijk van fatsoen; het is een werkelijke bescherming tegen ongevallen. Maar de prijs, ten koste waarvan het dit voordeel geeft, is groot, en de voordeelen zelf bestaan alleen maar onder onnatuurlijke omstandigheden. Het corset belemmert den vorm en de gezonde ontwikkeling van de organen; het verzwakt het stelsel der vrije spieren; het is onbestaanbaar met volmaakte gratie en schoonheid; het vermindert de som van de actieve energie, Het oefent, om kort te gaan, dezelfdesoort van invloed uit op de physieke verantwoordelijkheid als het vormelijk huwelijk op de moreele verantwoordelijkheid.Het is maar al te dikwijls vergeten, en moet daarom herhaald worden, dat getrouwde menschen niet te zamen blijven terwille van den een of anderen godsdienstigen of wettelijken band; die band is alleen maar het historisch gevolg van hun natuurlijke neiging om tezamen te blijven, een neiging, die zelf veel ouder is dan de geschiedenis. “De liefde zou nu nog in de wereld bestaan, even rein en even duurzaam”, zegt Shufeldt (Medico-Legal Journal, Dec. 1897), “als de mensch nooit het “huwelijk” had uitgevonden. Waarlijk verwante paren zoudenelkandertrouw gebleven zijn zoo lang het leven duurde. Eerst als de menschen trachten de natuur te verbeteren, treden misdaad, ziekte en ongeluk op”. “Het afschaffen van het huwelijk in den vorm, zooals die nu in praktijk gebracht wordt”, schreef Godwin meer dan een eeuw geleden (Political Justice, tweede uitgave, 1796, deel I p. 248),“zal met geen nadeelen gepaard gaan. Wij zijn geneigd het ons voor te stellen als de voorbode van brutalen lust en verdorvenheid. Maar het gebeurt in dit geval werkelijk, evenals in andere gevallen, dat de positieve wetten, die gemaakt zijn om onze ondeugden in bedwang te houden, die juist aanwakkeren en vermeerderen”. En waar Professor Law aandringt op de kracht van het monogamisch gevoelen in de moderne maatschappij, merkt hij naar waarheid op (International Journal of Ethics, Oct. 1896), dat de opstand tegen strakke huwelijksbanden “in werkelijkheid berust juist op het strakker maken van de ware banden van huwelijksgenegenheid, te zamen met een redelijke en volkomen gepaste vastberadenheid van den kant van het individu om, in een zoo belangrijke zaak, niets minder dan het echte artikel aan te nemen”. “Als op eenmaal”, zegt Professor Woods Hutchinson (Contemporary Review, Sept. 1905),“alle huwelijksbanden, die nu bestaan, verbroken of voor onwettig verklaard werden, dan zouden acht tiende van alle paren binnen de acht-en-veertig uur hertrouwd zijn, en zeven tiende zouden met bajonetten niet uit elkaar gehouden kunnen worden”. Een proef van deze soort op kleine schaal was in 1909 te zien in een Engelsch dorp in Buckinghamshire. Er werd ontdekt dat de kerk van het kerspel nooit vergunning gekregen had voor het sluiten van huwelijken, en dat dus alle menschen, die in die kerk in de laatste halve eeuw getrouwd waren, door geen wettig huwelijk gebonden waren. Toch maakte, voor zoover als men te weten kon komen, geen enkel van de paren, die zoo bevrijd waren van den wettelijken dwang van het huwelijk, gebruik van de verkregen vrijheid. Gezien zulk een feit is het werkelijk onmogelijk eenige moreele waarde te hechten aan den vorm van het huwelijk.Het is zeker onvermijdelijk, dat in een periode van overgang, de natuurlijke orde tot zekere hoogte verstoord wordt door het blijven bestaan, zij het dan in een verminderden vorm, van uiterlijke banden, waarvan men bewust begint te erkennen, dat ze vijandig zijn aan de gebiedende heerschappij van individueele moreele verantwoordelijkheid. Dit kunnen we tegenwoordig duidelijk opmerken. Een overgevoelige angst om te ontsnappen aan uiterlijken dwang brengt met zich een onderschatten van de beteekenis van persoonlijke beperking in de huwelijksverhouding. Iedereen kent waarschijnlijk wel gevallen, waarin een paar jarenlang te zamen zal leven zonder den wettigen huwelijksband aan te gaan, niettegenstaande moeilijkheden in hun wederzijdsche verhouding, die al lang aanleiding zouden hebben gegeven tot een scheiding van tafel en bed of tot een echtscheiding, als zij wettig getrouwd waren geweest. Als de moeilijkheden, die onafscheidelijk verbondenzijn aan de huwelijksverhouding, gecompliceerd worden door de moeilijkheden, die komen door uiterlijken dwang, dan slaat de ontwikkeling van de moreele verantwoordelijkheid twee wegen in, en voert tot gevolgen, die niet geheel bevredigend zijn. Dit heeft men gezien in de Vereenigde Staten van Amerika en er is door Amerikaansche denkers reeds dikwijls de aandacht op gevestigd. Het is natuurlijk voornamelijk in vrouwen opgemerkt, omdat de nieuwe groei van persoonlijke vrijheid en moreele verantwoordelijkheid zich onder de vrouwen voornamelijk heeft doen gevoelen. Het eerste ontstaan van deze nieuwe impulsen, vooral als ze samengaan, wat zoo dikwijls gebeurt, met onervarenheid en onwetendheid, voert tot ontevredenheid met de natuurlijke orde, tot een eisch van onmogelijke bestaansvoorwaarden, en tot een ongeschiktheid niet alleen voor de willekeurige banden van de wet, maar zelfs voor de gezonde en noodzakelijke banden van het menschelijk maatschappelijk leven. Het is altijd een harde les voor jonge en idealistische menschen, dat wij, om de natuur te beheerschen, haar moeten gehoorzamen; dit kan alleen geleerd worden door aanraking met het leven en door het bereiken van den vollen menschelijken wasdom.Dr. Felix Adler vestigde (in een toespraak in deSociety of Ethical Culturein New-York, Nov. 17, 1889) de aandacht op wat hij beschouwde als de diepst gewortelde oorzaak van een overmatig voorkomen van echtscheiding in Amerika. “Het valsche denkbeeld van individueele vrijheid wordt in Amerika algemeen aangenomen”, en als het wordt toegepast op het familieleven, voert het dikwijls tot ongeduld met de plichten, die het individu òf door zijn geboorte heeft gekregen òf vrijwillig op zich heeft genomen. “Ik ben geneigd te gelooven, dat de veelvuldigheid van de echtscheiding in geen geringe mate moet worden toegeschreven aan den invloed van democratische denkbeelden—dat is van valsche democratische denkbeelden—en onze hoop is gevestigd op een hoogere en meer ware democratie”. Een latere Amerikaansche auteur, ditmaal een vrouw, Anna A. Rogers (“Why American Marriages Fail”,Atlantic Monthly, Sept., 1907) spreekt in denzelfden geest, misschien op minder geschikte wijze. Zij zegt, dat echtscheidingen in Amerika zooveel voorkomen om drie redenen: 1. het niet begrijpen van de vrouw, dat het huwelijk haar werk is in de wereld; 2. haar aangroeiend individualisme; 3. het verlies van de kunst om te geven, die vervangen is door een zeer ontwikkelde neiging om te ontvangen. De Amerikaansche vrouw, zegt deze schrijfster, heeft bij het ontdekken van haar eigen individualiteit nog niet geleerd hoe ze die beheerschen moet; die individualiteit is nog “in hooge mate een nuttelooze, onrustige factor die haarzelf even weinig vrede brengt als de in haar onmiddellijke nabijheid levende personen”. Haar omstandigheden hebben neiging van haar te maken “een merkwaardig afwijkende bastaardvorm; een tusschending tusschen een prachtigen, tamelijk ongemanierden jongen en een bedorven veeleischendedemi-mondaine, die in deze wereld van niemand oprecht houdt dan van zichzelf alleen”. Zij heeft nog niet geleerd, dat het hoogste vrouwenwerk in de wereld alleen bereikt kan worden door het vrijwillig aannemen van de beperkingen van het huwelijk. Dezelfde schrijver voegt er bij, dat de fout niet alleen berust bij de Amerikaansche vrouwen, maar ook bij de Amerikaansche mannen. Hun vergoding van hun vrouwen is grootendeels de oorzaak van die onverdraagzaamheid en zelfzucht, die de oorzaak zijn van zooveel echtscheidingen; “Amerikaansche vrouwen worden, als regel, buitensporig vertroeteld en vereerd”.Maar de mannen, die zich hiertoe leenen, voelen niet, dat zij hun vrouwen kunnen behandelen met dezelfde kameraadschappelijkheid, waarmee de Franschen hun vrouwen behandelen, of met hetzelfde vertrouwen haar raad zoeken; de Amerikaansche vrouw is op een onwerkelijk voetstuk geplaatst. Toch wijst een ander Amerikaansch schrijver er op (Rafford Pyke, “Husbands and Wives”,Cosmopolitan, 1902), dat maar een klein deel der Amerikaansche huwelijken werkelijk ongelukkig is, en dat dat voornamelijk in de meer beschaafde standen voorkomt, waar de vrouwenbeweging ingang vindt; het komt meer voor, dat de vrouw teleurgesteld is in het huwelijk dan de man, en dit komt voornamelijk doordat zij niet in staat is haar individualiteit, niet noodzakelijk ondergeschikt te maken aan, maar te doen opgaan in een evenboortige met de zijne. “Het huwelijk wordt tegenwoordig in zijn succes meer en meer afhankelijk van de aanpassing aan omstandigheden, die psychisch zijn. Terwijl het in vroegere generaties voldoende was, dat een vereeniging physiek wederkeerig zou zijn, moet ze in onze eeuw ook psychisch wederkeerig zijn. En terwijl vroeger de gemeenschap van de belangen gemakkelijk bereikt werd, wordt dat nu veel moeilijker doordat de vrouwen van tegenwoordig niet geneigd zijn haar afzonderlijke persoonlijkheid te doen opgaan in die van haar man. En toch, als zij dit niet doet, hoe kan ze dan een volkomen en volmaakte belangstelling hebben in het te zamen leven, en hoe kan hij dat hebben?”Professor Münsterburg, de beroemde psycholoog, die zich op een breeder standpunt plaatst in zijn vrijmoedige, maar waardeerende studie van Amerikaansche instellingen,The Americans, wijst er op, dat de invloed van de vrouwen op de moraal in Amerika niet in alle opzichten bevredigend geweest is, in zooverre ze neiging heeft gehad ondiepheid en oppervlakkigheid aan te moedigen. “De Amerikaansche vrouw, die nauwelijks een greintje opvoeding heeft”, merkt hij op (p. 587), “is dadelijk klaar met een oordeel over ieder mogelijk onderwerp … De aanmatiging van dit vrouwelijk gebrek aan kennis is het symptoom van een diepen trek in het vrouwelijk karakter en in de vrouwelijke ziel, en wijst op gevaren, die voortkomen uit het overheerschen van de vrouw in het intellectueele leven … En in geen ander beschaafd land worden ethische opvattingen zoo verteerd door bijgeloof”.Zooals we gezien hebben wordt het huwelijk, volgens de moderne opvattingen, als een vrijwillige vereeniging erkend, die door twee vrije, gelijke, en moreel verantwoordelijke persoonlijkheden aangegaan wordt; men beschouwt die vereeniging eer als een ethisch sacrament dan als een contract, zoodat het in zijn wezen, als physieke en geestelijke band buiten de sfeer van de handelingen van den staat ligt. Het is noodig geweest dit punt uit te werken, voordat wij komen aan wat aan velen een totaal er aan tegenovergesteld gezichtspunt van het huwelijk zal toeschijnen. Als de huwelijksvereeniging zelf geen zaak kan zijn voor een contract, zoo leidt ze toch natuurlijk tot een feit, dat noodzakelijkerwijze een zaak is van een implicite of explicite overeenkomst, een zaak bovendien, waarbij de gemeenschap in haar geheel een werkelijk en gepast belang heeft: dat is het feit van de voortplanting55.De oude Egyptenaren—bij wie de huwelijksinstellingen zooelastisch waren en de positie der vrouwen zoo hoog—erkenden een voorloopige en lichte huwelijksband, met het doel de vruchtbaarheid te onderzoeken56. Bij ons treft de wet zulke vaderlijke maatregelen niet, zij laat aan de jonge paren zelf de verantwoordelijkheid over voor alle eventueele proeven, een permissie, waarvan deze paren, zooals we gezien hebben, in ruime mate gebruik maken, terwijl ze gewoonlijk het wettelijk huwelijk sluiten vóor de geboorte van hun kind. Die wettelijke band is de erkenning, dat het inleiden van een nieuw individu in de gemeenschap niet, als de sexueele vereeniging, uitsluitend een persoonlijk feit is, maar dat het een maatschappelijk feit is, een feit, dat den staat wel moet aangaan. En hoe meer wij onderzoek doen naar de neiging van de moderne huwelijksbeweging, des te meer zullen we erkennen, dat de houding van vrijheid, van individueele moreele verantwoordelijkheid bij het vormen van sexueele verhoudingen gecompenseerd moet worden door een houding van gestrengheid, van nauwgezet maatschappelijk toezicht in de kwestie van de voortplanting. Twee personen, die een erotische verhouding aangaan, zijn, als zij tot de overtuiging komen dat hun verhouding een werkelijk huwelijk is, dat zijn natuurlijk doel heeft in de voortplanting, verplicht een contract te onderteekenen, dat, hoewel het henzelf persoonlijk vrij laat, toch hen allebei moet binden aan hun plichten jegens hun kinderen57.Er is een dubbele noodzakelijkheid voor zulk een handelwijze, zelfs afgezien van het feit, dat het in de hoogste mate in het belang van de ouders zelf is. Het is noodig in het belang van het kind. Het is noodig in het belang van den staat. Een kind kan opgevoed worden, en goed opgevoed, door een van de ouders, die daartoe in staat is. Maar om een kind voldoende toe te rusten voor zijn intrede in het leven, zijn de beide ouders even noodig. De Staat van zijn kant—dat is te zeggen, de gemeenschap, waarvan de ouders en het kind gelijkelijk deel uitmaken—is verplicht te weten wie de personen zijn, die borgen zijn geworden voor een nieuw individu, dat nu in hun midden is ingeleid. De meest individualistische en de meest socialistischeStaat zijn gelijkelijk verplicht, als ze trouw zijn aan hun belangen, zoowel hun biologische als hun economische belangen, aan te dringen op het volle wettige en erkende ouderschap van den vader en de moeder van ieder kind. Dat wordt duidelijk geëischt door het belang van het kind; het wordt ook duidelijk geëischt door het belang van den Staat.De slagboom, die zich in het Christendom tegenover de natuurlijke erkenning van dit feit gesteld heeft, dat zoo schadelijk is zoowel voor het kind als voor den staat, is klaarblijkelijk de starheid van het huwelijkssysteem geweest, meer speciaal zooals het door de canonieke wet gevormd is. De Canonisten hechtten een waarlijk buitengewoon groote waarde aan decopula carnaliszooals zij het technisch noemden. Voor hen lag het centrum van het huwelijk in de vagina; voor hen had de aanwezigheid of de afwezigheid van een kind weinig belang. De vagina is, zooals wij weten, niet altijd een even stevig centrum gebleken tot steun van het huwelijk, en dat centrum wordt nu langzamerhand overgebracht op het kind. Als wij ons van de Canonisten afwenden naar de geschriften van de modernen, zooals Ellen Key, die zoo juist weergeeft wat in den laatsten tijd het meest karakteristiek en essentieel is in de neigingen der huwelijksontwikkeling, dan schijnen we een nieuwe wereld te zijn binnengetreden, zelfs een door nieuw licht bestraalde wereld. Want “in de nieuwe sexueele moraal gaat het licht, evenals in Corregio’sNotte, uit van het kind”58.Ongetwijfeld is deze verandering in ruime mate een zaak van gevoel, van, zooals we soms minachtend zeggen, uitsluitend gevoel, hoewel er in de menschelijke zaken niets zoo machtig is als dat gevoel, en de revolutie, bewerkt door Jezus, de latere revolutie, bewerkt door Rousseau, waren voornamelijk revoluties in gevoel. Maar de verandering is ook een zaak van de aangroeiende erkenning van belangen en rechten, en als zoodanig openbaart ze zich in de wet. We kunnen er nauwelijks aan twijfelen, dat wij bezig zijn een tijd te naderen, waarop algemeen begrepen zal worden, dat de intrede van ieder kind in de wereld, zonder uitzondering, voorafgegaan behoorde te worden door het vormen van een huwelijkscontract, dat, terwijl het op geenerlei wijze den vader en de moeder aan plichten bindt, of aan eenige voorrechten jegens elkander, hen beiden bindt aan hun kind en terzelfder tijd hun verantwoordelijkheid jegens den Staat verzekert. Het is voor den Staat onmogelijk meer te krijgen, maar het moest hem onmogelijk zijn minder te eischen. Zulk een contract “huwt” den vader en de moeder, voor zoover het ouderschap van het individueele kind betreft, en in geen ander opzicht; het is een contract, dat hunverleden, tegenwoordige, of toekomstige verhoudingen jegens andere personen volkomen onaangeroerd laat, anders zou het niet mogelijk zijn het af te dwingen. In alle deelen van de wereld begint deze elementaire eisch van maatschappelijke moraal langzamerhand erkend te worden, en daar hij invloed heeft op honderd duizenden kinderen59, die jaarlijks gebrandmerkt worden als “onwettig” door geen daad van henzelf, kan niemand zeggen, dat de erkenning te vroeg is gekomen. Tot nog toe schijnt ze nergens volkomen te zijn.De meeste pogingen of voorstellen tot regeling der rechten van onwettige kinderen hebben betrekking op het wettigen van vereenigingen van een minder bindenden graad dan het tegenwoordige wettige huwelijk. Zulke vereenigingen zouden dan moeten dienen om andere verkeerdheden tegen te gaan. Zoo zegt een Engelsch schrijver, die veel studie gemaakt heeft van sexueele kwesties, in een particulieren brief: “Het beste geneesmiddel voor de losbandigheid van ongetrouwde mannen en de geestelijke en lichamelijke ellenden van onthouding bij vrouwen zou te vinden zijn in een erkend fatsoenlijk systeem van vrije vereenigingen en proefhuwelijken, waarbij omgang met preventieve middelen in praktijk gebracht wordt, totdat het paar oud genoeg is om ouders te worden, en totdat zij voldoende middelen bezitten om een familie te onderhouden. Het vooruitzicht van een bestaan zonder liefde is voor jonge mannen en vrouwen van een vurigen aard ondragelijk en even verschrikkelijk als het vooruitzicht van pijnlijke ziekte en dood. Maar ik denk, dat de oude orde van zaken binnen kort zal moeten veranderen”.In de Teutonische landen bestaat er een duidelijk te onderscheiden gevoelsstrooming in de richting van het instellen van wettige vereenigingen van een lagere soort dan het huwelijk. Zij bestaan in Zweden, evenals in Noorwegen, waar bij een onlangs uitgevaardigde wet het onwettige kind aanspraak heeft op dezelfde rechten met betrekking tot beide ouders als het wettige kind, den naam van den vader draagt, en zijn bezittingen erft (Die Neue Generation, Juli, 1901, p. 303). In Frankrijk heeft de bekende rechter Magnard, die zoo eervol bekend is door zijn houding in gevallen van kindermoord door jonge moeders, gezegd: “Ik wilde van ganscher harte, dat naast de instelling van het huwelijk zooals het nu bestaat, een vrije vereeniging bestond, gevormd door een enkele verklaring voor een overheidspersoon en die bijna dezelfde familierechten gaf als het gewone huwelijk”. Deze wensch heeft in ruimen kring weerklank gevonden.In China worden, hoewel polygamie in de strikte beteekenis niet kan gezegd worden te bestaan, de belangen van het kind, de vrouw en de staat gelijkelijk beschermd door den man in staat te stellen een soort bij-huwelijk aan te gaan met de moeder van zijn kind. “Dank zij dit systeem”, zegt Paul d’Enjoy (La Revue, Sept. 1905), “dat den man toestaat te trouwen met de vrouw, die hij wenscht, zonder daarin verhinderd te worden door vorige en niet verbroken vereenigingen, is het te begrijpen, dat we opmerken, dat er geen verleide en verlaten meisjes zijn, behalve zulke, die geen wet zou kunnen redden van wat werkelijk aangeboren verdorvenheid is; en dat er geen onwettige kinderen zijn, behalve zulke, wier moeders ongelukkigerwijze dichter bij de dieren staan door haar zinnen, dan bij menschelijke wezens, door haar verstand en waardigheid”.Het nieuwe wetboek van Japan, dat in vele opzichten zoo vooruitstrevend is, staat toe, dat een onwettig kind “erkend” zal worden door het aangevenbij den ambtenaar van den burgerlijken stand; als een getrouwd man zoo’n kind erkent, dan schijnt het, dat het kind door zijn vrouw als haar eigen kan aangenomen worden, hoewel het niet werkelijk gewettigd is. Deze stand van zaken vertegenwoordigt een overgangsstadium; het kan nauwelijks gezegd worden, dat het de rechten erkent van de moeder van het “erkende” kind. Japan, mogen we hier aan toevoegen, heeft het principe aangenomen van de automatische wettiging door het huwelijk, van de kinderen die aan het paar geboren zijn vóór het huwelijk.In Australië, waar vrouwen een grooter aandeel hebben in het maken en uitvoeren van de wetten dan elders, begint men eenige belangstelling te wijden aan de rechten van onwettige kinderen. Zoo kan in Zuid-Wales het vaderschap bewezen worden vòòr de geboorte, en de vader zorgt (op bevel van de overheid) voor huisvesting een maand vòor en een maand nà de geboorte, zoowel als voor de baker, den dokter, en voor kleeding, en stelt een borg, dat hij zijn verplichtingen zal nakomen; na de geboorte betaalt hij, na uitspraak van de overheidspersoon een wekelijksche som voor het onderhoud van het kind. Een “ongehuwde” moeder kan ook zes maanden lang in een openbare instelling op staatskosten onderhouden worden, om haar in staat te stellen zich aan haar kind te hechten.Zulke bepalingen hebben zich ontwikkeld uit het in ruimen kring erkende recht van de ongetrouwde vrouw om ondersteuning voor haar kind te eischen van zijn vader. In Frankrijk echter, en in de wetboeken, die het Fransche voorbeeld volgen, is het wettelijk niet geoorloofd navraag te doen naar het vaderschap van een onwettig kind. Het is onnoodig te zeggen, dat zulk een wet even onbillijk is tegenover de moeder, als tegenover het kind, als tegenover den staat. In Australië gaat de wet naar het tegenovergestelde, zeker redelijker uiterste en staat zelfs aan de moeder, die meerdere minnaars gehad heeft, toe, zelf uit te kiezen, wien ze verantwoordelijk wil stellen voor haar kind. Het Duitsche wetboek kiest den middenweg, en komt alleen aan die ongetrouwde moeder te hulp, die één minnaar heeft gehad. In al zulke gevallen echter is de hulp, die gegeven wordt, alleen geldelijk; ze verzekert de moeder geen erkenning of respect, en (naar Wahrmund naar waarheid gezegd heeft in zijnEhe und Eherecht) is het nòg noodig aan te dringen op de “onvoorwaardelijke heiligheid van het moederschap, dat, onder welke omstandigheden het ook voorkomt, aanspraak heeft op respect en bescherming van de maatschappij”.We moeten hieraan toevoegen, dat, uit maatschappelijk gezichtspunt, het niet de sexueele vereeniging is, die wettelijke erkenning behoeft, maar het kind, dat het product is van die vereeniging. Het zou bovendien een hopelooze zaak zijn te trachten alle sexueele verhoudingen te wettigen, maar het is betrekkelijk gemakkelijk alle kinderen te erkennen.Er is in vroeger tijd veel geredetwist over den specialen vorm, dien het huwelijk behoorde aan te nemen. Vele theoretici hebben hun vernuft ingespannen voor het uitvinden en prediken van nieuwe en ongewone huwelijksschikkingen, als panacee voor maatschappelijke nooden; terwijl anderen nog grootere energie hebben ten toon gespreid bij het bestrijden van zulke voorstellen als revolutionair. We mogen al zulke besprekingen, van beide zijden, als nutteloos beschouwen.In de eerste plaats zijn de huwelijksgewoonten veel te fundamenteel, veel te intiem ingeweven met het wezen van het menschelijk, ja van het dierlijk samenleven, om ook maar in de geringste mate geschokt te worden door de theorieën of de praktijken van enkeleindividuen of groepen van individuen. De monogamie—de min of meer langdurende cohabitatie van twee individuen van verschillend geslacht—is het overheerschend type geweest van de sexueele verhouding onder de hoogere werveldieren en wel het grootste gedeelte van de geschiedenis der menschheid door. Dit wordt zelfs toegegeven door hen, die meenen (zonder eenig redelijk bewijs), dat de mensch door een stadium gegaan is van sexueelepromiscuïteit. Er zijn neigingen geweest tot varieeren in beide richtingen, maar in het hoogste zoowel als in het laagste stadium is, voor zoover we zien kunnen, de monogamie de heerschende regel.Het moet ook in de tweede plaats gezegd worden, dat het natuurlijk overheerschen van de monogamie als normaal type van sexueele verhouding, geenszins variaties uitsluit. Veeleer laat ze die toe. “Er is niets precies in de Natuur”, zooals Diderot zegt. De lijn van de Natuur is een kromme, die slingert naar beide zijden van den norm. Zulke slingeringen komen onvermijdelijk voor in harmonie met veranderingen van de omgeving, en, ongetwijfeld, met eigenaardigheden van persoonlijke dispositie. Zoolang geen willekeurige en enkel uiterlijke poging wordt gedaan om de Natuur te dwingen, wordt de harmonie des levens in stand gehouden. Bij zekere soort van eenden worden, als er mannetjes te veel zijn, polyandrische families gevormd, en dan zorgen de twee mannetjes zonderjaloezievoor hun vrouwtje, maar als de geslachten weer gelijk in aantal worden, wordt de monogame orde weer ingesteld. De natuurlijke menschelijke afwijkingen van de monogamische orde schijnen over het algemeen van dezen aard te zijn en ze schijnen in hooge mate beïnvloed te worden door de maatschappelijke en economische omgeving. De meest gewone variatie en degene, die het duidelijkst een biologischen grondslag heeft, is de neiging tot polygynie, die in alle stadiën van de beschaving gevonden wordt, zelfs in een niet erkenden en min of meer gemengden vorm in de hoogste beschaving60. We moeten echter niet vergeten, dat erkende polygynie geen regel is, zelfs niet, waar ze overheerschend is; ze wordt alleen maar toegestaan; er is nooit zoo’n overvloed van vrouwen, dat meer dan enkele van de rijkere en meer invloedrijke personen meer dan één vrouw kunnen hebben61.Verder moet men in gedachte houden, dat een zekere elasticiteit van de formeele zijde van het huwelijk, terwijl ze aan den eenen kant variaties toelaat van de algemeene monogamische orde, waar die gezond zijn of noodig om het evenwicht in natuurlijke toestanden te herstellen, aan den anderen kant zulke variaties in zooverre binnen de perken houdt, als zij berusten op den storenden invloed van kunstmatige beperking. Veel van de polygynie, en van de polyandrie ook, die tegenwoordig onder ons heerscht, is een geheel kunstmatige en onnatuurlijke vorm van polygamie. Huwelijken, die op een meer natuurlijke basis zouden ontbonden worden, kunnen wettelijk niet ontbonden worden, en daarom nemen de betrokken partijen, in plaats van van deelgenoot te veranderen en zoo de natuurlijke monogamische orde te bewaren, er andere deelgenooten bij en voeren zoo een onnatuurlijke polygamie in. Er zullen altijd variaties zijn van de monogame orde en de beschaving staat tegenover sexueele variaties geenszins vijandig. Of we deze verhoudingen beschouwen als wettig of als onwettig, ze zullen er altijd zijn; daar kunnen we zeker van zijn. De maatschappelijke wijsheid schijnt aan den eenen kant de huwelijksverhouding buigzaam genoeg te zullen maken om deze afwijkingen tot een minimum terug te brengen—niet omdat zulke afwijkingen uit hun aard slecht zijn, maar omdat ze niet met geweld in het leven moesten geroepen worden—en aan den anderen kant aan deze afwijkingen, als zij voorkomen in zoodanige mate erkenning te zullen verschaffen, dat ze hunnadeeligeninvloed verliezen en te zorgen, dat er rechtvaardigheid beoefend wordt jegens alle betrokken partijen. Wij vergeten maar al te dikwijls, dat het feit dat wij zulke variaties niet willen erkennen, alleen maar beteekent, dat wij in zulke gevallen een onwettige permissie geven om onrechtvaardigheid te bedrijven. In die deelen van de wereld, waar polygynie erkend wordt als een gepermitteerde variatie, is een man wettelijk gehouden aan zijn natuurlijke verplichtingen jegens al zijn sexueele deelgenooten en jegens de kinderen, die hij bij die deelgenooten heeft. In geen deel van de wereld is de polygynie zoo overheerschend als in de Christelijke landen; in geen deel van de wereld is het zoo gemakkelijk voor een man om te ontsnappen aan de verplichtingen, die hij zich door de polygynie op den hals gehaald heeft. En doordat we een man in staat stellen, zoo gemakkelijk te ontsnappen aan de verplichtingen van zijn polygame verhoudingen, moedigen wij hem, als hij gewetenloos is, aan, om ze aan te gaan; wij stellen een premie op de immoraliteit, die we uit de hoogte veroordeelen62. Onze polygyniebestaat niet wettelijk, en daarom kunnen de verplichtingen ervan ook geen wettig bestaan hebben. Men zegt, dat de struisvogel zijn hoofd in het zand steekt om moeilijkheden te ontloopen door te weigeren er naar te kijken; maar er is nog een bekend dier, dat zoo doet, en het heet Mensch.Monogamie, in de fundamenteele biologische beteekenis, is de natuurlijke orde, waartoe de meerderheid van de sexueele feiten altijd van nature zal vervallen, omdat ze de verhouding is, die het meest gepast overeenkomt met alle physieke en geestelijke feiten, die er bij behooren. Maar als we ons voor oogen stellen, dat sexueele verhoudingen in de eerste plaats de menschen aangaan, die er bij betrokken zijn, en als we verder weten, dat het belang van de maatschappij in zulke verhoudingen beperkt is tot de kinderen, die zij voortbrengen, dan zullen we ook weten, dat het vaststellen bij de wet van het aantal vrouwen, met wie een man sexueele gemeenschap zal hebben, en het aantal mannen, waarmee een vrouw zich zal vereenigen onredelijker is dan het zou zijn om bij de wet vast te stellen hoeveel kinderen zij zullen voortbrengen. De Staat heeft het recht om te zeggen, of hij weinig burgers noodig heeft of veel; maar als hij tracht het aantal sexueele verhoudingen van zijn leden te regelen, dan beproeft de Staat een onmogelijke taak en maakt zich tevens schuldig aan een onbeschaamdheid.Er is altijd in zekere stadiën van de beschaving een neiging om aan te dringen op een zuiver formeele en uiterlijke eenvormigheid, en een daarmee overeenkomend onvermogen om te zien, niet alleen dat zulk een eenvormigheid onwerkelijk is, maar dat ze ook een nadeelige uitwerking heeft, in zooverre ze weldadige variaties uitsluit. De neiging is geenszins beperkt tot de sexueele sfeer. In Engeland is er bij voorbeeld een neiging om bouwwetten te maken, die wat de huizen betreft, allerlei bepalingen opleggen, die in theorie weldadig zijn, maar die in de praktijk verkeerde uitwerking hebben, omdat zij vele eenvoudige en uitstekende menschelijke woonplaatsen absoluut onwettig maken, alleen omdat zulke woonplaatsen niet beantwoorden aan bepalingen, die, onder sommige omstandigheden niet alleen onnoodig zijn, maar kwaad stichten.Variatie is een feit, dat zal bestaan of wij het willen of niet; ze kan alleen gezond worden als we ze erkennen en toestaan. Misschien moeten we zelfs wel erkennen, dat het een duidelijker sprekende neiging is in de beschaving dan in meer primitieve maatschappelijke stadiën. Zoo zegt Gerson (Sexual-Probleme, Sept., 1908, p. 538), dat, evenals de beschaafde mensch niet tevreden kan zijn met het ruwe en eentonige voedsel, waar de boer tevreden mee is, het in sexueele zaken evenzoo gaat; de boerenjongen en het boerenmeisje zijnin hun sexueele verhoudingen bijna altijd monogaam, maar beschaafde menschen, met hun meer veelzijdige gevoelige smaak, hebben neiging om naar verandering te snakken. Senancour (De l’Amour, deel II, “Du Partage”, p. 127) schijnt de mogelijkheid aan te nemen van huwelijks-variaties, zooals van het samen deelen van een vrouw, mits er niets gedaan wordt om naijver op te wekken, of om nadeel toe te brengen aan de reinheid der ziel. Lecky verklaarde aan het eind van zijnHistory of European Morals, dat hij geloofde, dat, terwijl de duurzame vereeniging van twee personen het normale en overheerschende type is van het huwelijk, er geenszins uit volgt, dat dit, in het belang der maatschappij, de eenige vorm zou zijn. Evenzoo zegt Remy de Goncourt (Physique de l’Amour, p. 186), die toch constateert, dat het paar de natuurlijke huwelijksvorm is en de duurzame verlenging ervan een voorwaarde van menschelijke superioriteit, dat de duurzaamheid van de vereeniging slechts met moeite kan worden tot stand gebracht. Zoo zegt ook Prof. W. Thomas (Sex and Society, 1907, p. 193), die de monogamie beschouwt als dienstbaar aan maatschappelijke doeleinden: “Van het biologisch standpunt gesproken beantwoordt de monogamie in den regel niet aan de voorwaarden van de hoogste prikkeling, omdat hier de problematische en bedriegelijke elementen tot zekere hoogte verdwijnen, en het voorwerp van de belangstelling zoo gewoon is geworden voor het bewustzijn, dat gevoelsreacties gewijzigd worden. Dit is de oorspronkelijke verklaring van het feit, dat getrouwde mannen en vrouwen zoo dikwijls belangstelling gaan voelen voor anderen dan hun deelgenooten in het huwelijk”.Pepys, wiens onbewuste zelf-analyse zoo vele psychologische neigingen uitmuntend illustreert, toont duidelijk aan hoe—door een gevoelslogica, dieper dan eenige intellectueele logica—de toewijding aan de monogamie bestaat naast een onweerstaanbaren hartstocht voor sexueele verandering. Met een voortdurend terugkomende grillige aantrekking tot een lange reeks van vrouwen, behoudt hij doorloopend een diepe en onveranderlijke genegenheid voor zijn beminnelijke jonge vrouw. In de intimiteit van zijnDiaryverwijst hij dikwijls naar haar in woorden, die niet geveinsd kunnen zijn; hij geniet van haar gezelschap; hij is zeer precies op haar kleeding; hij verheugt zich zeer in haar vorderingen in de muziek, en besteedt veel geld aan haar opvoeding; hij is bepaald jaloersch als hij haar in gezelschap vindt van een man. Zijn bijkomende verhoudingen met andere vrouwen komen onweerstaanbaar weer voor, maar hij wenscht ze in het geheel niet van langen duur te maken of toe te staan, dat ze hem te zeer in beslag nemen. Pepys vertegenwoordigt een gewoon type van den beschaafden “monogamist”, die volkomen oprecht is en ten zeerste overtuigd in zijn pleidooi voor de monogamie, zooals hij ze begrijpt, maar die toch tevens gelooft en ook handelt naar het geloof, dat de monogamie geenszins de behoefte aan sexueele variatie uitsluit. Het gezegde van Lord Morley (Diderot, deel II, p. 20), dat “de man van instinct polygaam is”, kan in zijn geheel niet aangenomen worden, maar als wij het zoo uitleggen, dat het beteekent, dat de man een instinctief monogaam dier is met een bijkomenden wensch naar sexueele variatie, dan is er veel ten gunste daarvan te zeggen.Vrouwen moeten even vrij zijn als mannen om haar eigen liefdeleven te vormen. Velen meenen echter, dat zulk een vrijheid van de zijde der vrouwen uitgeoefend zal of moest worden binnen nauwer grenzen (zie b.v., Bloch,Sexual Life of Our Time, hoofdst. X). Voor een deel meent men, dat deze beperking berust op een grooter geabsorbeerd zijn van de vrouw in de taak van de geboorte en de opvoeding van de kinderen, en voor een deel aan een geringeren omvang van psychische activiteit.“Een man”, zegt G. Hirth, (Wege zur Liebe, p. 342),“heeft niet alleen in zijn intellectueele horizon plaats voor zeer verschillende belangen, maar zijn macht van erotische uitzetting is veel grooter en meer onderscheiden dan die van vrouwen, hoewel hij misschien niet de intimiteit en de diepte van de toewijding van een vrouw heeft”. Wemogen wel zeggen, dat, daar variaties in de sexueele orde onvermijdelijk zullen plaats vinden hetzij we ze erkennen en er gezag aan toekennen of niet, er waarschijnlijk geen schade gedaan wordt als we het gewicht van maatschappelijk en wettig gezag gebruiken aan den kant, die gewoonlijk beschouwd wordt als de beste, en, voor zoover als mogelijk is den anderen kant met schande bedekken. Er zijn vele duidelijk in het oog springende fouten in zulk een houding, afgezien van het in de hoogste mate belangrijke feit, dat het hechten van schande aan sexueele verhoudingen een verachtelijke wreedheid is tegenover de vrouwen, die onvermijdelijk degenen zijn, die er het meest onder lijden. Niet het minst van belang is de onrechtvaardigheid en het belemmeren van levensenergie, die het aan de betere en meer nauwgezette menschen bezorgt ten gunste van de minder goede en minder nauwgezette. Dit gebeurt altijd als het gezag zijn macht uitoefent ten voordeele van een vorm. Toen in de dertiende eeuw Alexander III—een van de grootste en machtigste heerschers, ten tijde van het Christendom geconsulteerd werd door den bisschop van Exeter over ondergeschikte geestelijken, die trouwden ondanks ’t verbod van de kerk, raadde de paus hem, onderzoek te doen naar het leven en het karakter van de overtreders; als zij geregelde gewoonten hadden en een ernstigen moraal, dan moesten ze met geweld gescheiden worden en hun vrouwen moesten weggejaagd worden; als zij mannen waren van bekend onordelijken aard, dan moest hun toegestaan worden hun vrouwen bij zich te houden, als ze dat wenschten (Lea,History of Sacerdotal Celibacy, derde uitgave, deel I, p. 396). Het was een slimme politiek, en ze werd ook elders door denzelfden paus gevolgd, maar het is gemakkelijk te zien, dat ze indruischt tegen de moraal in iedere beteekenis van het woord. Ze verwoestte het geluk en de werkkracht van de beste mannen; ze liet de slechtste mannen volkomen vrij. Nu zijn we volkomen bereid om de verkeerde resultaten van deze politiek te erkennen; ze werd aanbevolen door een paus en zeven honderd jaar geleden ten uitvoer gebracht. Toch brengen we in Engeland tegenwoordig precies dezelfde politiek in praktijk door middel van onze echtscheidingsbepalingen, die in ruimen kring worden rondgestrooid. Geen van de paren, die gescheiden zijn—en die nooit op het coelibaat getraind zijn als de Katholieke geestelijkheid van tegenwoordig—mag weer trouwen; in werkelijkheid bevelen we de meer nauwgezette onder hen om celibatairs te worden, en aan de minder nauwgezette geven wij de permissie om te doen wat ze willen. Dit proces wordt uitgevoerd ten gevolge van de traagheid van de gemeenschap in het algemeen, en als het ooit gebeurt, dat er argumenten voor aangehaald worden, dan zijn die van een zoo verouderden aard, dat ze alleen maar een medelijdenden glimlach kunnen te voorschijn roepen.We mogen hier aan toevoegen, dat er nog een reden is, waarom het brandmerken van sexueele variaties van den norm als “immoreel” niet zoo onschuldig is als sommigen het doen voorkomen: zulke variaties schijnen niet ongewoon te zijn onder mannen en vrouwen van uitmuntende bekwaamheid, wier krachten onbelemmerd noodig zijn in den dienst van de menschheid. Te pogen zulke menschen te doen passen in de nauwe vormen, die goed zijn voor de meerderheid, is niet alleen een onrechtvaardigheid jegens hen als individuen, maar het is een vergrijp jegens de maatschappij, die redelijkerwijze mag eischen dat haar beste leden niet zullen belemmerd worden in haar dienst. Het denkbeeld, dat de mensch, wiens sexueele behoeften verschillend zijn van die van het gemiddelde, noodzakelijkerwijze een maatschappelijk slecht persoon moet zijn, is een denkbeeld, dat niet op feiten berust. Ieder geval moet op zichzelf beschouwd worden.Ongetwijfeld is in alle stadiën van de menschelijke cultuur de meest gewone variatie van de normale monogamie geweest de polygynie of de sexueele vereeniging van éen man met meer dan een vrouw. Soms is ze maatschappelijk en wettelijk erkend geworden,en soms niet, maar ze is altijd voorgekomen. Polyandrie, of de vereeniging van een vrouw met meer dan een man is betrekkelijk zeldzaam geweest en om begrijpelijke redenen; mannen zijn gewoonlijk in een betere conditie geweest, economisch en wettelijk, om een huishouden te organiseeren met zichzelf als middelpunt; een vrouw is, anders dan een man, door de natuur en dikwijls door de gewoonte lange tijden achtereen voor den omgang ongeschikt; een vrouw heeft bovendien haar gedachten en haar liefde meer op haar kinderen geconcentreerd. Afgezien hiervan wijzen de biologische mannelijke tradities veel meer op polygynie dan de vrouwelijke tradities op polyandrie wijzen. Hoewel het waar is, dat een vrouw een veel grootere mate van sexueelen omgang kan verdragen dan een man, blijft het ook waar, dat de verschijnselen van het hofmaken in de natuur het tot den plicht van den man gemaakt hebben om er op uit te zijn, sexueel zijn attentie te wijden aan de vrouw, wier rol het geweest is zedig haar keuze uit te stellen, totdat ze zeker is van haar voorkeur. Polygynische toestanden zijn ook voordeelig gebleken, daar zij aan de krachtigste en meest succesvolle leden van een gemeenschap hebben toegestaan het grootste aantal deelgenooten te hebben en zoo hun eigen superieure eigenschappen over te dragen.“Polygamie”, schrijft Woods Hutchinson (Contemporary Review, Oct. 1904) die de voordeelen van de monogamie wel degelijk erkent, “als een instelling van het ras, heeft, onder dieren zoowel als onder menschen, vele belangrijke voordeelen, en ze heeft zoowel in menschelijke als in voor-menschelijke tijden geleid tot het voortbrengen van een zeer hoog type zoowel van individueele als van maatschappelijke ontwikkeling”. Hij wijst er op, dat ze het verstand, de samenwerking en de verdeeling van den arbeid vermeerdert, terwijl de scherpe wedstrijd om vrouwen de zwakkere en minder aantrekkelijke mannen uitschakelt.Onder onze Europeesche voorouders, evenzeer als onder de Germanen en de Kelten, bestonden polygynie en andere sexueele vormen als nu en dan voorkomende variaties. Tacitus merkte polygynie op in Duitschland, en Caesar vond in Engeland, dat broeders hun vrouwen te zamen hadden en dan werden de kinderen toegekend aan den man, aan wien de vrouw het eerst ten huwelijk was gegeven (zie b.v. van TrailSocial England, deel I, p. 103, voor een bespreking van dit punt). De assistent van den echtgenoot, die kon worden opgeroepen om de vrouw te bevruchten als de man impotent was, bestond ook in Duitschland; dit was een Indo-Germaansche instelling (Schrader,Reallexicon, art. “Zeugungshelfer”). De daarmee overeenkomende instelling van de bijzit is nog dieper geworteld en nog verder verspreid. Tot betrekkelijk korten tijd geleden had,—in overeenstemming met de tradities van de Romeinsche wet, de bijzit een erkende en geëerde positie, lager dan die van de vrouw, maar met bepaalde wettelijke rechten, hoewel het niet altijd wettig of zelfs maar gewoon was voor een getrouwd man om een bijzit te hebben. In het oude Wales werd, evenals in Rome, de bijzit erkend en nooit veracht. (R. B. Holt, “Marriage Laws of the Cymri”,Journal Anthropological Institute, Aug. en Nov. 1898, p. 155), Het feit, dat, als een bijzit het huis van een getrouwd man betrad, haar waardigheid en haar wettelijke positie minder waren dan die van de vrouw, bewaarden den vrede en beschermden de belangenvan de vrouw (Een echtgenoot in Korea kan geen bijzit in zijn huis nemen zonder de toestemming van zijn vrouw, maar zij maakt maar zelden bezwaren, en schijnt van het gezelschap te genieten, zegt Louise Jordan Miln, Quaint Korea, 1895, p. 92). Wij moeten ons herinneren, zooals Dufour zegt, over den tijd van Karel den Groote (Histoire de la Prostitution, deel III. p. 226), dat in het oude Europa “bijzit” een eervolle term was; de bijzit was in het geheel niet een maitres, en ze kon van echtbreuk beschuldigd worden even goed als de vrouw. In Engeland, op het einde der dertiende eeuw, spreekt Bracton van deconcubina legitimaals recht hebbende op bepaalde rechten en welwillendheden, en zoo was de toestand ook in andere deelen van Europa, soms verscheidene eeuwen later (zie Lea,History of Sacerdotal Celibacy, deel I, p. 230). De Christelijke kerk was in den aanvang dikwijls geneigd de bijzit te erkennen, in ieder geval ten minste als ze verbonden was aan den ongetrouwden man, want wij kunnen in de Kerk “den wensch nasporen om iedere duurzame vereeniging tusschen een man en een vrouw te beschouwen alsof ze den aard heeft van een huwelijk in de oogen van God, en daarom in het oordeel van de Kerk” (art. “Concubinage”, Smith and Cheetham,Dictionary of Christian Antiquities). Dit was het gevoelen van den heiligen Augustinus (die zelf, voor zijn bekeering, een bijzit had, die blijkbaar een Christin was), en het concilie van Toledo liet een ongetrouwd man toe, die trouw was aan zijn bijzit. Naarmate de wet van de Katholieke kerk meer en meer star werd, verloor ze noodzakelijkerwijze de voeling met de menschelijke nooden. Zoo was het echter niet in den eersten tijd van de kerk, in de eeuwen, toen ze de meeste levenskracht had. In die eeuwen werd zelfs de krachtigste algemeene regel van de monogamie minder streng toegepast, als zulk een verslapping verstandig scheen. Dit was bijvoorbeeld zoo in het geval van sexueele impotentie. Zoo zegt in het begin van de achtste eeuw Gregorius II, in een antwoord aan Bonifacius, den apostel in Duitschland, op een vraag van dezen laatsten, dat, als een vrouw door physieke onbekwaamheid niet in staat is haar huwelijksplichten te vervullen, het aan een echtgenoot geoorloofd is een tweede vrouw te nemen, hoewel hij moet blijven voortgaan de eerste te onderhouden. Wat later geeft Aartsbisschop Egbert van York, voorzichtiger, in zijnDialogus de Institutione Ecclesiaticatoe, dat, als de eene van twee getrouwde personen invalide is, de andere met toestemming van de invalidene, weer mag trouwen, maar dat de invalidene niet weer mag trouwen tijdens het leven van den ander. Impotentie tijdens het huwelijk maakte natuurlijk het huwelijk nietig zonder de tusschenkomst van de kerkelijke wet. Maar Thomas van Aquino en latere theologen geven toe, dat een buitengewoon groote tegenzin tegen een vrouw een man in zijn eigen oogen kan rechtvaardigen om zich in zijn betrekking tot haar als impotent te beschouwen. Deze regels zijn, natuurlijk, geheel afgescheiden van de permissie om de huwelijkswetten te breken, die aan koningen en prinsen wordt gegeven; zulke permissies gelden niet als bewijsmateriaal van de regels van de kerk, want, zooals het concilie van Constantinopel voorzichtig besliste in 809, “De goddelijke wet heeft geen macht jegens koningen” (art. “Bigamy”,Dictionary of Christian Antiquities). De wet van de monogamie werd ook minder streng toegepast in gevallen van gedwongen of vrijwillige verlating. Zoo bepaalde het concilie van Vermerie (752). dat, als een vrouw haar man niet wil vergezellen als hij gedwongen is zijn heer te volgen naar een ander land, hij weer mag trouwen, als hij geen hoop heeft ooit terug te keeren. Theodorus van Canterbury (638) zegt o.a. dat een man, als zijn vrouw door den vijand is weggevoerd en hij haar niet terug kan krijgen, na verloop van een jaar weer mag trouwen, of, als er nog eenige kans is, dat hij haar terug kan krijgen, na verloop van vijf jaar; de vrouw kan dat ook doen. Zulke regels, al zijn ze niet algemeen, wijzen, zooals Merrick zegt (art. “Marriage”,Dictionary of Christian Antiquities), op een bereidwilligheid “om tegemoet te komen aan speciale gevallen, als ze zich voordoen”.Toen de canonieke wet star begon te worden en de Katholieke kerk haar geschiktheid verloor om zich aan het leven aan te passen, werden sexueele variaties niet langer erkend binnen haar sfeer. We moeten voor eenige verdere beweging wachten tot de Hervorming. Velen van de eerste Protestantsche hervormers, vooral in Duitschland, waren bereid zich in een aanzienlijke mate naar het leven te schikken in de sexueele verhoudingen. Zoo raadde Luther aan getrouwde vrouwen, die impotente mannen hadden aan, in geval er geen wensch bestond of geen gelegenheid tot echtscheiding, om sexueele verhoudingen te hebben met een anderen man, liefst met den broeder van den man; de kinderen werden dan gerekend te zijn van den echtgenoot (“Die Sexuelle Frage bei Luther”,Mutterschutz, Sept. 1908).In Engeland kon de puriteinsche geest, die zich in zoo ruime mate bezig hield met de hervorming van het huwelijk, wel niet anders dan betrokken raken in de kwestie van sexueele variaties, en van tijd tot tijd vinden wij het voorstel om de polygynie te wettigen. Zoo publiceerde, in 1658, “A Person of Quality” in Londen een klein geschriftje, dat aan denLord Protectorwas opgedragen, getiteldA Remedy for Uncleanness. Het was in den vorm van een aantal vragen gesteld, vragend waarom we niet polygamie zouden toelaten, om echtbreuk en kindermoord te voorkomen. De schrijver vraagt, of het niet “zou overeen te brengen zijn met een geest van genade, en in alle opzichten overeenkomstig de principes van een man, die godvreezend is en de heiligheid lief heeft, om meer dan een vrouw te hebben voor zijn eigen gebruik … Hij, die den os of den ezel neemt van een ander man is ongetwijfeld een overtreder; maar hij, die zich buiten de verleiding stelt door ze zelf te hebben, schijnt een recht, eerlijk en welmeenend man te zijn”.Meer dan een eeuw later (1780), heeft ook een knap, geleerd en beroemd Londensch geestelijke van hoog karakter (die een rechtsgeleerde was geweest eer hij geestelijke werd), de Reverent Martin Madan, de polygamie aangeraden in een boek, genaamdThelyphthora: or a Treatise of Female Ruin. Madan was in nauw contact gebracht met de prostitutie door een kapelaanschap in het Lock Hospital, en, evenals de puriteinsche advocaat van de polygamie, kwam hij tot de conclusie, dat het alleen door de hervorming van het huwelijk mogelijk is tegen de prostitutie te werken en tegen de nadeelen van sexueelen omgang buiten het huwelijk. Zijn merkwaardig boek wekte veel tegenspraak en veroordeeling, zoodat hij het wenschelijk vond Londen te verlaten en buiten te gaan wonen. Voorstellen tot verandering van het huwelijk zijn sindsdien nooit weer van de kerk gekomen, maar van moralisten en philosophen, niet zelden echter van schrijvers van bepaald godsdienstig karakter. Senancour, die een zoo gevoelige en teere moralist in de sexueele sfeer was, voerde een gematigde bespreking over polygamie in in zijnDe l’Amour(deel II, p. 117–126). Het scheen hem toe, dat ze niet positief tegenovergesteld aan en niet positief in overeenstemming met de algemeene neiging van onze tegenwoordige conventies was, en hij besloot, dat “de methode van bemiddeling voor een deel zou zijn niet langer te eischen, dat de vereeniging van een man en een vrouw alleen zou ophouden met den dood van een van beiden”. Cope, de bioloog, uitte een meer gedecideerde opinie. “Er zijn sommige gevallen van ontbering”, zeide hij, “waarvoor zulk een permissie het geneesmiddel zou zijn. Dat zou bijvoorbeeld het geval zijn, als de man of de vrouw het slachtoffer waren geworden van een ongeneeslijke ziekte; of, als beide partijen kinderloos waren, of in andere gevallen, die men zich denken kan”. Er moest geen dwang zijn in eenige richting, en volle verantwoordelijkheid, zooals nu. Zulke gevallen moesten alleen maar als uitzondering voorkomen, en ze moesten de vijandschap van de maatschappij niet opwekken. Voor het grootste deel, merkt Cope op, “is de beste wijze om de polygamie te behandelen ze aan zich zelf over te laten” (E. D. Cope. “The Marriage Problem”,Open Court, Nov. 15 en 22 1888). In Engeland was Dr. John Chapman, de uitgever van deWestminster Review, een nauw bondgenoot van de leiders van de bewegingder Radicalen in het tijdperk van Victoria, tegen het geven van voorschriften door den Staat over den vorm van het huwelijk; hij meende, dat een zekere mate van sexueele variatie weldadig zou zijn voor de maatschappij. Zoo schreef hij in 1884 (in een vertrouwelijken brief): “Ik denk, dat, naarmate de menschen minder zelfzuchtig worden, polygamie (d.i. polygynie) en zelfs polyandrie, in een veredelden vorm, steeds meer zullen voorkomen”.James Hinton, die een paar jaren later veel gedachten en veel aandacht wijdde aan de sexueele kwestie, en ze zelfs beschouwde als het grootste van de moreele problemen, was evenzeer voor een grootere aanpassing aan het leven en aan menschelijke behoeften van de huwelijksregelingen, en een zooals de Christelijke kerk in het eerst toeliet. Het huwelijk, verklaarde hij, moet “ondergeschikt zijn aan den dienst”, daar het huwelijk, evenals de Sabbath, gemaakt is voor den mensch en niet de mensch voor het huwelijk. Zoo wilde hij, in het geval dat de eene deelgenoot krankzinnig werd, den anderen deelgenoot toestaan te hertrouwen, terwijl de aanspraken van den krankzinnigen deelgenoot geldig bleven in geval van herstel. Dat zou een vorm zijn van polygamie, maar Hinton was er zorgvuldig op bedacht er op te wijzen, dat hij met “polygamie” bedoelde “minder een speciale huwelijksorde, dan wel zulk een orde als het best aan het doel beantwoordt, en die dus buitengemeen veranderlijk moet wezen. De monogamie moge goed zijn, zelfs de eenige goede orde, als ze komt bij vrije keuze; maar eenwetervoor is een ander ding. De sexueele verhouding moet eennatuurlijkezaak zijn. Het ware maatschappelijke leven zal niet zijn eenige vastgestelde en bepaalde verhouding, als van monogamie, polygamie, of iets anders, maar een volkomen ondergeschiktheid van iedere sexueele verhouding aan de rede en het menschelijk welzijn”.Ellen Key, die een enthoesiast voorstandster is van de monogamie, en die meent, dat de ontwikkeling in de beschaafde maatschappij van persoonlijke liefde alle gevaar voor het aangroeien van de polygamie uitsluit, geeft toch toe, dat er variaties bestaan. Zij heeft dezelfde oplossingen van moeilijke problemen voor oogen als Goethe voor zich had, toen hij in zijnStellatrachtte aan te toonen, dat de kracht van banden van liefde en teedere herinneringen te groot is om toe te laten, dat ze door nieuwe verbroken zullen worden. Het probleem van de sexueele variatie echter, merkt zij op (Liebe und Ethik, p. 12) is, onder moderne voorwaarden van vorm veranderd, het is niet langer de strijd tusschen den eisch van de maatschappij van een strenge huwelijksorde en den eisch van het individu van sexueele bevrediging, maar het is het probleem geworden van het in harmonie brengen van de veredeling van het ras met verhoogde eischen van erotisch geluk. Zij wijst er ook op, dat het bestaan van een deelgenoot, die behoefte heeft aan den zorg van den anderen deelgenoot als verpleegster of als intellectueele makker, dien anderen deelgenoot in het geheel niet berooft van het recht op vaderschap en moederschap, en dat zulke rechten moeten beschermd worden. (Ellen Key,Ueber Liebe und Ehe, pp. 166–168).Een op den voorgrond tredend en groot voorstander van de polygynie, niet als een slechts zelden voorkomende variatie, maar als een huwelijk van hooger orde dan de monogamie, wordt tegenwoordig gevonden in Professor Christian von Ehrenfels van Praag (zie b.v. zijnSexualethik, 1908; “Die Postulate des Lebens”.Sexual-Probleme, Oct. 1908; en brief aan Ellen Key in haarUeber Liebe und Ehe, p. 466). Ehrenfels meent, dat het aantal mannen, dat ongeschikt is voor een bevredigende reproductie veel grooter is dan dat van vrouwen, en dat daarom, als deze buiten beschouwing gelaten worden, een polygynische huwelijksorde noodig wordt. Hij noemt dit “reproductie-huwelijk” (Zeugungsehe), en denkt dat het moreel hooger zal staan dan dit. Het zou gebaseerd zijn op persoonlijke contracten. Ehrenfels meent, dat de vrouwen geen bezwaar zouden hebben, omdat een vrouw, naar hij gelooft, minder waarde hecht aan een man als minnaar dan als vader van haar kind. Ehrenfeld’s leer is ernstig aangevallen van vele zijden, en zijn voorstellen zijn nietin den lijn van onzen vooruitgang. Eenige radicale wijziging van de bestaande monogame huwelijksorde is niet te verwachten, zelfs als het algemeen erkend werd, hetgeen niet kan gezegd worden, dat ze wenschelijk is. De kwestie van sexueele variaties, moeten we ons herinneren, is niet een kwestie van het invoeren van een geheel nieuwen vorm van huwelijk, maar alleen van het erkennen van het recht van individuen, om buitengewone gevallen van dat huwelijk aan te nemen, en van het erkennen van de daarmee overeenstemmende verplichtingen van zulke individuen om de verantwoording op zich te nemen van ieder van die afwijkende vormen, die ze het beste zullen vinden. Voor zoover de kwestie van de sexueele variatie van het huwelijk meer is dan dit, is ze, volgens Hinton, een dynamische methode om te werken aan de afschaffing van de gevaarlijkepromiscuïteitvan de prostitutie. Een strenge huwelijksorde sluit prostitutie in zich; een buigzame huwelijksorde maakt voor een groot deel—hoewel misschien niet geheel—de prostitutie overbodig. De democratische moraal van tegenwoordig is, voor zoover de aanwijzingen gaan, tegenovergesteld aan een klasse vanquasi-slaven, met verminderde maatschappelijke rechten, zooals de prostituées altijd in meerdere of mindere mate vormen. Het blijkt ook tamelijk duidelijk, dat de snel aangroeiende invloed van de medische hygiëne aan dezelfde zijde werkt. Wij mogen daarom in de toekomst redelijkerwijze een langzame, maar gestadige toename verwachten van de erkenning, en zelfs van de uitbreiding van die variaties in de monogamische orde, die in werkelijkheid nooit opgehouden hebben te bestaan.Het is bedroevend, dat het, in dezen tijd van de wereldgeschiedenis, bijna twee duizend jaar nadat de wijze wetgevers van Rome hun werk voltooid hadden, nog noodig is tot het besluit te komen, dat we tegenwoordig eerst in een der eerste stadiën zijn van het plaatsen van het huwelijk op een redelijke en menschelijke basis. Ik heb er herhaaldelijk op gewezen in hoe groote mate de canonieke wet verantwoordelijk geweest is voor deze vertraging in de ontwikkeling. Men kan inderdaad zeggen, dat de geheele houding van de Kerk, nadat ze volkomen wereldlijke heerschappij verkregen had, verantwoordelijk moet gesteld worden. In de vroegere eeuwen was de houding van het Christendom over het geheel bewonderenswaardig. Het hield groote idealen hoog, maar het onthield zich van het opdringen van deze idealen tot iederen prijs; zoo bleven de idealen echt en konden ze niet ontaarden in enkel huichelachtige ledige vormen; veel buigzaamheid werd toegestaan, als ze voor het welzijn der menschen scheen noodig te zijn en als ze ingesteld werd om kwaad en onrechtvaardigheid te vermijden. Maar, toen de Kerk wereldlijke macht verkreeg, en toen die macht geconcentreerd raakte in de handen van Pausen, die moreele en godsdienstige belangen ondergeschikt maakten aan politieke belangen, toen sloeg men de aanspraken van het verstand en de humaniteit in den wind. Het ideaal werd niet meer een feit dan het tevoren was, maar het werd nu behandeld als een feit. De menschelijke verhoudingen bleven wat zij tevoren waren, even gecompliceerd en verschillend, maar van nu af aan werd éen streng willekeurig voorbeeld gesteld, dat bewonderenswaardig was als een ideaal, maar erger dan ledig als een vorm, en alle afwijkingen daarvan werden behandeld òf als niet te bestaanòf als verkeerd. Alle leven werd uit de meest vitale menschelijke instellingen verdreven en eerst nu begint er weer beweging in te komen.Als wij—resumeerend—den loop nagaan, die de regeling van het huwelijk gehad heeft in het Christelijke tijdperk, het eenige tijdperk dat ons onmiddellijk aangaat, dan is het niet moeilijk de hoofdlijnen ervan te volgen. Het huwelijk begon als een bijzondere instelling, die de kerk, zonder ze te kunnen controleeren, bereid was in te zegenen, zooals ze zoo menige andere wereldlijke zaak inzegende; zij probeerde nog niet de natuurlijke aanpassing ervan aan menschelijke behoeften te beperken. Maar langzamerhand en onmerkbaar, zonder tusschenkomst van de wet, verkreeg het Christendom de volle heerschappij over het huwelijk, overeenkomstig de reeds ontwikkelde opvattingen over het kwaad van den lust, de deugd der kuischheid, de doodzonde van de ontucht, en, na door den invloed van deze heerschende opvattingen de buigzaamheid van het huwelijk in alle richtingen te hebben beperkt, plaatste ze het op een verheven, maar smal voetstuk als een sacrament. Om redenen, die in het geheel niet liggen in de natuur van de sexueele verhoudingen, maar die waarschijnlijk aan de priester-wetgevers dringend toeschenen, die haar assimileerden met de wijding tot priester, werd het huwelijk voor onontbindbaar verklaard. Niets was zoo gemakkelijk om binnen te gaan als de poort van het huwelijk, maar, evenals een muizenval, ging ze alleen naar binnen open en niet naar buiten; eens er in, kon men er levend niet weer uit komen. De regeling van het huwelijk door de kerk was, terwijl ze, evenals het coelibaat van de geestelijkheid, een succes was uit het oogpunt van kerkelijke politiek, en zelfs in het eerst uit het oogpunt van beschaving, want ze bracht orde in een maatschappelijken chaos, toch op den langen duur een mislukking uit een oogpunt van maatschappij en moraal. Aan den eenen kant verviel ze in belachelijke spitsvondigheden en haarkloverijen; aan den anderen kant had ze, omdat ze niet berustte op hetzij de rede of op de menschelijkheid, niets van die geschiktheid tot aanpassen aan de behoeften van het leven, die het Christendom in zijn eersten tijd in zoo ruime mate behield, terwijl het toch verheven idealen hoog hield. Aan den traditioneelen kant werd dit huwelijkswetboek onbeholpen en onpractisch; aan den biologischen kant was het een wanhopige misgreep. Zoo was dus de weg gebaand tot de opvatting der Protestanten van het huwelijk als een contract, maar die opvatting werd minder op den voorgrond gebracht ter wille van zich zelf, dan als een protest tegen de moeilijkheden en dwaasheden van de Katholieke canonieke, wet. Deze beschouwing als contract, die nog in ruime mate bestaat, zelfs nu nog, nam spoedig veel over van de leerstellingen van de canonieke wet over het huwelijk, en werd in de praktijkeen soort van hervormde en verwereldlijkte canonieke wet. Ze paste zich eenigszins meer aan aan de moderne behoeften, maar ze behield veel van de starheid van het Katholieke huwelijk zonder den sacramenteelen aard ervan, en ze deed nooit een poging om meer dan in naam een contract te worden. Ze is te beschouwen als een compromis van deelen, die niet bij elkaar passen en ze is een overgangsstadium geweest naar het vrije persoonlijke huwelijk. Wij kunnen die phase herkennen in de neiging, die in de beschaafde landen duidelijk uitgesproken is, naar een steeds toenemende rekbaarheid van het huwelijk. Het denkbeeld en zelfs het feit van het huwelijk door overeenstemming en van de echtscheiding bij gebrek aan die overeenstemming, waar we nu heen gaan, is in werkelijkheid nooit geheel uitgestorven geweest. In de Latijnsche landen is het blijven bestaan in de traditie van de Romeinsche wet; in de Engelsch sprekende landen is het samengegroeid met den geest van het puritanisme, die er op aandringt, dat in de dingen die het individu alleen aangaan, het individu zelf opperste rechter moet zijn. Die leer, toegepast op het huwelijk, werd in Engeland schitterend tot uitdrukking gebracht door het genie van Milton, en in Amerika is zij het zuurdeesem geweest, dat nog voortwerkt in de huwelijkswetgeving naar een onvermijdelijk doel, dat nog nauwelijks in het zicht is. Het huwelijkssysteem van de toekomst zal op het oude Christelijke systeem gelijken in zoover het den geheiligden en sacramenteelen aard zal erkennen van de sexueele verhouding, en het zal gelijken op de burgerlijke opvatting in zooverre het er op zal aandringen, dat het huwelijk, wat de voortplanting aangaat, openlijk door den Staat zal worden geregistreerd. Maar in tegenstelling met de kerk zal het erkennen, dat het huwelijk, in zoover het zuiver een sexueele verhouding is, een persoonlijke zaak is, waarvan de voorwaarden moeten overgelaten worden aan de personen, die er in betrokken zijn; en in tegenstelling met de burgerlijke theorie zal het erkennen, dat het huwelijk in zijn wezen een feit is en geen contract, hoewel het aanleiding kan geven tot contracten, zoolang die contracten dat essentieele feit niet raken. En in een opzicht zal het gaan boven de kerkelijke opvatting en de burgerlijke opvatting beide. De mensch heeft in den laatsten tijd de heerschappij verkregen over zijn eigen voortbrengende krachten, en die heerschappij brengt mee een verplaatsen van het centrum van den ernst van het huwelijk, in zooverre het huwelijk een staatszaak is, van de vagina naar het kind, dat de vrucht is van den schoot. Het huwelijk, als een instelling van den Staat, zal zich concentreeren, niet om de sexueele verhouding, maar om het kind, dat het resultaat is van die verhouding. In zooverre het huwelijk een onschendbaar openlijk contract is, zal het van zulk een aard zijn, dat het vanzelf met zijn bescherming zal dekken ieder kind, dat in de wereld geboren wordt, zoodat ieder kindeen wettigen vader en een wettige moeder zal hebben. Aan den eenen kant heeft het huwelijk dus neiging om minder bindend te worden; aan den anderen kant heeft het neiging meer bindend te worden. Aan den persoonlijken kant is het een intieme en heilige verhouding, waarmee de Staat niet te maken heeft; aan den maatschappelijken kant is het het aannemen van het verantwoordelijk openlijk borg zijn voor een nieuw lid van den Staat. Sommigen onder ons zijn bezig de eerste van deze beschouwingswijzen van het huwelijk te bevorderen, anderen de tweede. Beide zijn noodig om een volkomen harmonie te vormen. Het is noodig de twee beschouwingswijzen van het huwelijk afzonderlijk te houden, om gelijkelijk rechtvaardigheid te betrachten jegens het individu en jegens den Staat, maar als het huwelijk zijn idealen staat bereikt, worden die twee beschouwingswijzen tot een.

Zoo bestaat de neiging, dat met den groei van de beschaving het opvatten van het huwelijk als een contract meer en meer in discrediet geraakt. Aan den anderen kant wordt erkend, datpersoonlijke contracten niet in harmonie zijn met onze algemeene en maatschappelijke houding, want, als wij het denkbeeld verwerpen, dat een menschelijk wezen zich bij contract mag verkoopen als slaaf, hoeveel te meer moeten we dan het denkbeeld verwerpen, dat menschen een contract zouden aangaan voor de nog intiemere verhouding van een getrouwd man of getrouwde vrouw; aan den anderen kant voelt men, dat het denkbeeld van van tevoren opgemaakte contracten in een zaak, waarover het individu zelf geen contrôle heeft, volkomen onwerkelijk is en als er strenge regels van billijkheid heerschen, noodzakelijk van geen waarde. Het is waar, dat er nog voortdurend schrijvers gevonden worden, die hun denkbeelden verkondigen over de plichten of de voorrechten, die vervat zijn in het “contract” van het huwelijk, en die de beteekenis van het woord “contract” in dezen zin niet meer analyseeren dan de Hervormers deden; maar men kan ternauwernood zeggen, dat deze schrijvers verder gekomen zijn dan het alphabet van het onderwerp, waarover ze leerstellingen verkondigen.Het overbrengen van het huwelijk van de Kerk naar den Staat, hetgeen wij in de landen, waar het ’t eerst voorkwam danken aan het Protestantisme, en in de Engelsch sprekende landen voornamelijk aan het Puritanisme, had, terwijl het een noodzakelijk stadium was, ongelukkig het gevolg, dat het de sexueele verhoudingen verwereldlijkte. Dat is te zeggen, dat het ’t verheven element in de liefde, dat in werkelijkheid het essentieele deel van zulke verhoudingen is, negeerde, en dat het alle aandacht concentreerde op die vormelijke en toevallige deelen van het huwelijk, die alleen op een strenge en nauwkeurige wijze behandeld kunnen worden, en die eigenlijk alleen het onderwerp kunnen vormen van contracten. De canonieke wet, hoe fantastisch en onmogelijk zij ook in vele van haar ontwikkelingen werd, drong tenminste aan op het natuurlijke en werkelijke feit van het huwelijk als bovenal een lichamelijke vereeniging, terwijl ze, terzelfder tijd dat huwelijk niet beschouwde als enkel een wereldlijk zakelijk contract, maar als een geheiligde en verheven functie, een goddelijk feit, en het symbool van het goddelijkste feit van de wereld. Tegenwoordig komen we terug tot de opvatting van de Canonisten over het huwelijk op een hooger en vrijer plan, wij komen terug tot de verheven beschouwing van de canonieke wet, terwijl we toch het individualisme behouden, hetwelk de Puriteinen ten onrechte meenden dat zij konden verkrijgen op de basis van verwereldlijking, terwijl wij verder erkennen, dat de geheele zaak behoort tot de persoonlijke sfeer van moreele verantwoordelijkheid. Zooals Hobhouse, toen hij de geschiedenis van de ontwikkeling der moderne huwelijks-opvatting naging, terecht gezegd heeft, het sacramenteele denkbeeld van het huwelijk is weer voor den daggekomen, maar op een hooger niveau; “van een sacrament in den magischen zin is het een sacrament in den ethischen zin geworden”. Zoo zullen wij komen, hoewel wij het wettelijk nog niet bereikt hebben, tot het huwelijk, gevormd en in stand gehouden door wederzijdsche toestemming, “een vereeniging tusschen twee vrije en verantwoordelijke personen, waarbij de wettelijke rechten van beide verzekerd worden”52.Sommigen meenen, dat men, als men het huwelijk beschouwt als een sacrament, dan ook noodzakelijk het oude Katholieke gezichtspunt moet aannemen, dat belichaamd is in de canonieke wet, dat het huwelijk onontbindbaar is. Dat is echter een vergissing. Zelfs de Canonisten hebben nooit een samenhangende en steekhoudende reden kunnen opgeven voor de onontbindbaarheid van het huwelijk; die zich met eenigen grond kon aanbevelen, terwijl Luther en Milton en Wilhelm von Humboldt, die den godsdienstigen en heiligen aard van de sexueele vereeniging staande hielden—hoewel ze voorzichtig waren met het gebruiken van het woord “sacrament” met het oog op wat er in de kerk onder begrepen wordt—wel verre van te meenen, dat de heiligheid ervan onontbindbaarheid in zich sloot, in den tegenovergestelden zin spraken. Dit gezichtspunt kan zelfs van zuiver Protestantsch standpunt verdedigd worden. “Ik meen”, zegt Mr. G. C. Maberly, “dat de definitie van hetPrayerBookvan een sacrament “als een uiterlijk en zichtbaar teeken van een innerlijkeen geestelijke genade”, algemeen aangenomen wordt. In het huwelijk zijn de wettige en physieke vereenigingen de uiterlijke en zichtbare teekenen, terwijl de innerlijke en geestelijke genade is de door God gegeven liefde, die maakt, dat de vereeniging van hart en ziel is: en juist omdat ik dit gezichtspunt over het huwelijk inneem, meen ik, dat de wettige en physieke vereeniging moest verbroken worden, telkens als de geestelijke vereeniging van onzelfzuchtige, goddelijke liefde en toegenegenheid opgehouden heeft te bestaan. Het schijnt mij toe, dat de sacramenteele beschouwing van het huwelijk ons dwingt te zeggen, dat zij, die de wettelijke en lichamelijke vereeniging voortzetten als de geestelijke vereeniging opgehouden heeft te bestaan, bezig zijn—om nog eens uit hetPrayer Bookwoorden aan te halen, die van toepassing zijn op hen, die het uiterlijke teeken nemen van een ander sacrament, als de innerlijke en geestelijke genade niet aanwezig is—“hun eigen verdoemenis te eten”.”Als we van het standpunt, dat we nu bereikt hebben, terugzien op de echtscheidingskwestie, dan zien we, naarmate de moderne wijzen van beschouwing van de moderne huwelijksverhoudingen duidelijker door de gemeenschap beginnen erkend te worden, dat die kwestie enorm vereenvoudigd zal worden. Als het huwelijk niet enkel een contract is, maar een wijze van zich gedragen, en zelfs een heilige daad, is het vrije deelnemen van beide partijen noodig om het in stand te houden. Het denkbeeld in te voeren van misdaad en straf bij de echtscheiding, het aanmoedigen van wederzijdsche beschuldigingen, het aan de wereld openbaren van de geheimen van het hart of van de zinnen, is niet alleen immoreel, het is ten eenenmale misplaatst. In de kwestie: wanneer een huwelijk opgehouden heeft een huwelijk te zijn, kunnen de twee betrokken partijen alleen de opperste rechters zijn; de Staat, alsde Staat er bij geroepen wordt, kan alleen de uitspraak opteekenen, die zij doen, en kan er alleen op letten, dat er geen onrechtvaardigheid geschiedt bij het ten uitvoer brengen van de uitspraak53.Toen we in het vorige hoofdstuk de richting bespraken, waarin de sexueele moraal neiging heeft zich te ontwikkelen met de ontwikkeling van de beschaving, kwamen we tot de conclusie, dat ze in haar hoofdlijnen vooral persoonlijke verantwoordelijkheid in zich sloot. Een verhouding, die onder natuurvolken vastgelegd is door een maatschappelijke gewoonte, die niemand durft te breken, en op een hooger trap van beschaving door vormelijke wetten, die naar de letter moeten opgevolgd worden, zelfs als ze gebroken worden naar den geest, wordt langzamerhand overgebracht in de sfeer van individueele moreele verantwoordelijkheid. Zulk een overdracht heeft natuurlijk geen beteekenis, en is zelfs onmogelijk, tenzij de toenemende kracht van den moreelen band vergezeld gaat van een toenemende kracht van den vormelijken band. Alleen door het losser maken van de kunstmatige beperkingen kunnen de natuurlijke beperkingen hun volle heerschappij uitoefenen. Dat proces heeft plaats op twee wijzen, voor een deel op een basis van onverschilligheid voor het vormelijke huwelijk, die de massa overal gekenmerkt heeft en ongetwijfeld teruggaat tot de tiende eeuw voordat de overheersching van het kerkelijke huwelijk begon, en voor een deel door de vooruitgaande wijziging van de huwelijkswetten, die noodzakelijk gemaakt werden door de behoeften van de bezittende klassen, die er op uit waren de staatserkenning van hun vereenigingen te verzekeren. Het geheele proces is noodzakelijk een geleidelijk en zelfs onmerkbaar proces. Het is niet mogelijk de bepaalde data vast te stellen van de stadiën, waarlangs de Kerk de enorme revolutie bewerkte, waardoor zij verkreeg en eindelijk aan den Staat overdroeg de volkomen contrôle op het huwelijk, want die revolutie werd bewerkt zonder inmenging van eenige wet. Het zal even moeilijk zijn het overgaan te bemerken van de contrôle op het huwelijk van den Staat op de betrokken individuen, en nog des te moeilijker omdat, hoewel het essentieele en intieme persoonlijke feit van het huwelijk niet een eigenlijke zaak is voor contrôle van den Staat, er toch bepaalde kanten zijn aan het huwelijk, die zoo nauw de belangen van de gemeenschap raken, dat de Staat verplicht is er op aan te dringen, dat ze opgeschreven worden en om aandeel te nemen in de regeling ervan.Er wordt soms gezegd, dat het resultaat van het losser maken van de vormelijke gebondenheid van de huwelijksverhouding zou zijn een neiging tot moreele laksheid. Zij, die dit zeggen, zien het feit over het hoofd, dat laksheid neiging heeft haar maximum te bereiken als resultaat van gebondenheid, en dat daar, waar de strenge enkel uiterlijke autoriteit van een star huwelijk overheerschend is, de uitersten van ongebondenheid het meest bloeien. Het is, om dezelfde reden, ook ontwijfelbaar waar, dat ieder plotseling wegnemen van beperkingen noodzakelijk een reactie met zich brengt naar het tegenovergesteld uiterste van losbandigheid; een slaaf wordt niet ineens veranderd in een zelfstandigen vrije. Toch moeten we ons herinneren, dat de huwelijksorde bestond duizende jaren voordat er eenige poging gedaan werd om ze door menschelijke wetgeving in willekeurige vormen te kneden. Zulk een wetgeving was, naar we gezien hebben, de poging van den menschelijken geest om de eischen van zijn eigen instincten met meer nadruk te bevestigen. Maar het eindresultaat ervan is, dat ze de instincten, die ze geïnspireerd hebben, eerder verstikt en tegenhoudt dan dat zij ze bevordert. Het geleidelijk verdwijnen ervan geeft aan de natuurlijke orde vrij baan54.De groote waarheid, dat dwang niet werkelijk een kracht is aan den kant van de deugd, maar aan den kant van de ondeugd, is duidelijk erkend geworden door het genie van Rabelais, toen hij van zijn idealen maatschappelijken staat, de Abdij van Thelema, zeide, dat er maar één paragraaf was in het geheele reglement:Fay ce que vouldras. “Omdat” zeide Rabelais (Boek I, hoofdst. VII), “vrije menschen, die van goede geboorte en wel opgevoed zijn, en die zich in goede gezelschappen bewegen, van nature een instinct hebben en een drang, die hen tot deugdzame daden dwingt en hen van de ondeugd terughoudt. Indien deze zelfde menschen door lage onderwerping en dwang ten onder gebracht zijn en ten onder gehouden worden, dan keeren zij zich af van die edele gezindheid, waarin ze vrijwillig geneigd waren tot de deugd, om dien band der dienstbaarheid af te schudden en te verbreken”. Zoo dat, als een man en vrouw, die onder den regel van Thelema geleefd hadden, elkander huwden, hun wederzijdsche liefde, naar Rabelais ons vertelt, onverminderd voort zou duren tot den dag van hun dood.Als het verlies van autonome vrijheid niet leidt tot losbandigen opstand, loopt ze het tegenovergestelde gevaar en heeft neiging om te worden een zwak zich verlaten op een uiterlijken steun. De kunstmatige steun van de regeling van het huwelijk van Staatswege gelijkt dan op den kunstmatigen steun van het lichaam, die geleverd wordt door het dragen van het corset. De redenen voor en tegen het aannemen van een kunstmatigen steun zijn in beide gevallen dezelfde. Een corset geeft werkelijk een gevoel van steun; het geeft zonder moeite een tamelijk bevredigend uiterlijk van fatsoen; het is een werkelijke bescherming tegen ongevallen. Maar de prijs, ten koste waarvan het dit voordeel geeft, is groot, en de voordeelen zelf bestaan alleen maar onder onnatuurlijke omstandigheden. Het corset belemmert den vorm en de gezonde ontwikkeling van de organen; het verzwakt het stelsel der vrije spieren; het is onbestaanbaar met volmaakte gratie en schoonheid; het vermindert de som van de actieve energie, Het oefent, om kort te gaan, dezelfdesoort van invloed uit op de physieke verantwoordelijkheid als het vormelijk huwelijk op de moreele verantwoordelijkheid.Het is maar al te dikwijls vergeten, en moet daarom herhaald worden, dat getrouwde menschen niet te zamen blijven terwille van den een of anderen godsdienstigen of wettelijken band; die band is alleen maar het historisch gevolg van hun natuurlijke neiging om tezamen te blijven, een neiging, die zelf veel ouder is dan de geschiedenis. “De liefde zou nu nog in de wereld bestaan, even rein en even duurzaam”, zegt Shufeldt (Medico-Legal Journal, Dec. 1897), “als de mensch nooit het “huwelijk” had uitgevonden. Waarlijk verwante paren zoudenelkandertrouw gebleven zijn zoo lang het leven duurde. Eerst als de menschen trachten de natuur te verbeteren, treden misdaad, ziekte en ongeluk op”. “Het afschaffen van het huwelijk in den vorm, zooals die nu in praktijk gebracht wordt”, schreef Godwin meer dan een eeuw geleden (Political Justice, tweede uitgave, 1796, deel I p. 248),“zal met geen nadeelen gepaard gaan. Wij zijn geneigd het ons voor te stellen als de voorbode van brutalen lust en verdorvenheid. Maar het gebeurt in dit geval werkelijk, evenals in andere gevallen, dat de positieve wetten, die gemaakt zijn om onze ondeugden in bedwang te houden, die juist aanwakkeren en vermeerderen”. En waar Professor Law aandringt op de kracht van het monogamisch gevoelen in de moderne maatschappij, merkt hij naar waarheid op (International Journal of Ethics, Oct. 1896), dat de opstand tegen strakke huwelijksbanden “in werkelijkheid berust juist op het strakker maken van de ware banden van huwelijksgenegenheid, te zamen met een redelijke en volkomen gepaste vastberadenheid van den kant van het individu om, in een zoo belangrijke zaak, niets minder dan het echte artikel aan te nemen”. “Als op eenmaal”, zegt Professor Woods Hutchinson (Contemporary Review, Sept. 1905),“alle huwelijksbanden, die nu bestaan, verbroken of voor onwettig verklaard werden, dan zouden acht tiende van alle paren binnen de acht-en-veertig uur hertrouwd zijn, en zeven tiende zouden met bajonetten niet uit elkaar gehouden kunnen worden”. Een proef van deze soort op kleine schaal was in 1909 te zien in een Engelsch dorp in Buckinghamshire. Er werd ontdekt dat de kerk van het kerspel nooit vergunning gekregen had voor het sluiten van huwelijken, en dat dus alle menschen, die in die kerk in de laatste halve eeuw getrouwd waren, door geen wettig huwelijk gebonden waren. Toch maakte, voor zoover als men te weten kon komen, geen enkel van de paren, die zoo bevrijd waren van den wettelijken dwang van het huwelijk, gebruik van de verkregen vrijheid. Gezien zulk een feit is het werkelijk onmogelijk eenige moreele waarde te hechten aan den vorm van het huwelijk.Het is zeker onvermijdelijk, dat in een periode van overgang, de natuurlijke orde tot zekere hoogte verstoord wordt door het blijven bestaan, zij het dan in een verminderden vorm, van uiterlijke banden, waarvan men bewust begint te erkennen, dat ze vijandig zijn aan de gebiedende heerschappij van individueele moreele verantwoordelijkheid. Dit kunnen we tegenwoordig duidelijk opmerken. Een overgevoelige angst om te ontsnappen aan uiterlijken dwang brengt met zich een onderschatten van de beteekenis van persoonlijke beperking in de huwelijksverhouding. Iedereen kent waarschijnlijk wel gevallen, waarin een paar jarenlang te zamen zal leven zonder den wettigen huwelijksband aan te gaan, niettegenstaande moeilijkheden in hun wederzijdsche verhouding, die al lang aanleiding zouden hebben gegeven tot een scheiding van tafel en bed of tot een echtscheiding, als zij wettig getrouwd waren geweest. Als de moeilijkheden, die onafscheidelijk verbondenzijn aan de huwelijksverhouding, gecompliceerd worden door de moeilijkheden, die komen door uiterlijken dwang, dan slaat de ontwikkeling van de moreele verantwoordelijkheid twee wegen in, en voert tot gevolgen, die niet geheel bevredigend zijn. Dit heeft men gezien in de Vereenigde Staten van Amerika en er is door Amerikaansche denkers reeds dikwijls de aandacht op gevestigd. Het is natuurlijk voornamelijk in vrouwen opgemerkt, omdat de nieuwe groei van persoonlijke vrijheid en moreele verantwoordelijkheid zich onder de vrouwen voornamelijk heeft doen gevoelen. Het eerste ontstaan van deze nieuwe impulsen, vooral als ze samengaan, wat zoo dikwijls gebeurt, met onervarenheid en onwetendheid, voert tot ontevredenheid met de natuurlijke orde, tot een eisch van onmogelijke bestaansvoorwaarden, en tot een ongeschiktheid niet alleen voor de willekeurige banden van de wet, maar zelfs voor de gezonde en noodzakelijke banden van het menschelijk maatschappelijk leven. Het is altijd een harde les voor jonge en idealistische menschen, dat wij, om de natuur te beheerschen, haar moeten gehoorzamen; dit kan alleen geleerd worden door aanraking met het leven en door het bereiken van den vollen menschelijken wasdom.Dr. Felix Adler vestigde (in een toespraak in deSociety of Ethical Culturein New-York, Nov. 17, 1889) de aandacht op wat hij beschouwde als de diepst gewortelde oorzaak van een overmatig voorkomen van echtscheiding in Amerika. “Het valsche denkbeeld van individueele vrijheid wordt in Amerika algemeen aangenomen”, en als het wordt toegepast op het familieleven, voert het dikwijls tot ongeduld met de plichten, die het individu òf door zijn geboorte heeft gekregen òf vrijwillig op zich heeft genomen. “Ik ben geneigd te gelooven, dat de veelvuldigheid van de echtscheiding in geen geringe mate moet worden toegeschreven aan den invloed van democratische denkbeelden—dat is van valsche democratische denkbeelden—en onze hoop is gevestigd op een hoogere en meer ware democratie”. Een latere Amerikaansche auteur, ditmaal een vrouw, Anna A. Rogers (“Why American Marriages Fail”,Atlantic Monthly, Sept., 1907) spreekt in denzelfden geest, misschien op minder geschikte wijze. Zij zegt, dat echtscheidingen in Amerika zooveel voorkomen om drie redenen: 1. het niet begrijpen van de vrouw, dat het huwelijk haar werk is in de wereld; 2. haar aangroeiend individualisme; 3. het verlies van de kunst om te geven, die vervangen is door een zeer ontwikkelde neiging om te ontvangen. De Amerikaansche vrouw, zegt deze schrijfster, heeft bij het ontdekken van haar eigen individualiteit nog niet geleerd hoe ze die beheerschen moet; die individualiteit is nog “in hooge mate een nuttelooze, onrustige factor die haarzelf even weinig vrede brengt als de in haar onmiddellijke nabijheid levende personen”. Haar omstandigheden hebben neiging van haar te maken “een merkwaardig afwijkende bastaardvorm; een tusschending tusschen een prachtigen, tamelijk ongemanierden jongen en een bedorven veeleischendedemi-mondaine, die in deze wereld van niemand oprecht houdt dan van zichzelf alleen”. Zij heeft nog niet geleerd, dat het hoogste vrouwenwerk in de wereld alleen bereikt kan worden door het vrijwillig aannemen van de beperkingen van het huwelijk. Dezelfde schrijver voegt er bij, dat de fout niet alleen berust bij de Amerikaansche vrouwen, maar ook bij de Amerikaansche mannen. Hun vergoding van hun vrouwen is grootendeels de oorzaak van die onverdraagzaamheid en zelfzucht, die de oorzaak zijn van zooveel echtscheidingen; “Amerikaansche vrouwen worden, als regel, buitensporig vertroeteld en vereerd”.Maar de mannen, die zich hiertoe leenen, voelen niet, dat zij hun vrouwen kunnen behandelen met dezelfde kameraadschappelijkheid, waarmee de Franschen hun vrouwen behandelen, of met hetzelfde vertrouwen haar raad zoeken; de Amerikaansche vrouw is op een onwerkelijk voetstuk geplaatst. Toch wijst een ander Amerikaansch schrijver er op (Rafford Pyke, “Husbands and Wives”,Cosmopolitan, 1902), dat maar een klein deel der Amerikaansche huwelijken werkelijk ongelukkig is, en dat dat voornamelijk in de meer beschaafde standen voorkomt, waar de vrouwenbeweging ingang vindt; het komt meer voor, dat de vrouw teleurgesteld is in het huwelijk dan de man, en dit komt voornamelijk doordat zij niet in staat is haar individualiteit, niet noodzakelijk ondergeschikt te maken aan, maar te doen opgaan in een evenboortige met de zijne. “Het huwelijk wordt tegenwoordig in zijn succes meer en meer afhankelijk van de aanpassing aan omstandigheden, die psychisch zijn. Terwijl het in vroegere generaties voldoende was, dat een vereeniging physiek wederkeerig zou zijn, moet ze in onze eeuw ook psychisch wederkeerig zijn. En terwijl vroeger de gemeenschap van de belangen gemakkelijk bereikt werd, wordt dat nu veel moeilijker doordat de vrouwen van tegenwoordig niet geneigd zijn haar afzonderlijke persoonlijkheid te doen opgaan in die van haar man. En toch, als zij dit niet doet, hoe kan ze dan een volkomen en volmaakte belangstelling hebben in het te zamen leven, en hoe kan hij dat hebben?”Professor Münsterburg, de beroemde psycholoog, die zich op een breeder standpunt plaatst in zijn vrijmoedige, maar waardeerende studie van Amerikaansche instellingen,The Americans, wijst er op, dat de invloed van de vrouwen op de moraal in Amerika niet in alle opzichten bevredigend geweest is, in zooverre ze neiging heeft gehad ondiepheid en oppervlakkigheid aan te moedigen. “De Amerikaansche vrouw, die nauwelijks een greintje opvoeding heeft”, merkt hij op (p. 587), “is dadelijk klaar met een oordeel over ieder mogelijk onderwerp … De aanmatiging van dit vrouwelijk gebrek aan kennis is het symptoom van een diepen trek in het vrouwelijk karakter en in de vrouwelijke ziel, en wijst op gevaren, die voortkomen uit het overheerschen van de vrouw in het intellectueele leven … En in geen ander beschaafd land worden ethische opvattingen zoo verteerd door bijgeloof”.Zooals we gezien hebben wordt het huwelijk, volgens de moderne opvattingen, als een vrijwillige vereeniging erkend, die door twee vrije, gelijke, en moreel verantwoordelijke persoonlijkheden aangegaan wordt; men beschouwt die vereeniging eer als een ethisch sacrament dan als een contract, zoodat het in zijn wezen, als physieke en geestelijke band buiten de sfeer van de handelingen van den staat ligt. Het is noodig geweest dit punt uit te werken, voordat wij komen aan wat aan velen een totaal er aan tegenovergesteld gezichtspunt van het huwelijk zal toeschijnen. Als de huwelijksvereeniging zelf geen zaak kan zijn voor een contract, zoo leidt ze toch natuurlijk tot een feit, dat noodzakelijkerwijze een zaak is van een implicite of explicite overeenkomst, een zaak bovendien, waarbij de gemeenschap in haar geheel een werkelijk en gepast belang heeft: dat is het feit van de voortplanting55.De oude Egyptenaren—bij wie de huwelijksinstellingen zooelastisch waren en de positie der vrouwen zoo hoog—erkenden een voorloopige en lichte huwelijksband, met het doel de vruchtbaarheid te onderzoeken56. Bij ons treft de wet zulke vaderlijke maatregelen niet, zij laat aan de jonge paren zelf de verantwoordelijkheid over voor alle eventueele proeven, een permissie, waarvan deze paren, zooals we gezien hebben, in ruime mate gebruik maken, terwijl ze gewoonlijk het wettelijk huwelijk sluiten vóor de geboorte van hun kind. Die wettelijke band is de erkenning, dat het inleiden van een nieuw individu in de gemeenschap niet, als de sexueele vereeniging, uitsluitend een persoonlijk feit is, maar dat het een maatschappelijk feit is, een feit, dat den staat wel moet aangaan. En hoe meer wij onderzoek doen naar de neiging van de moderne huwelijksbeweging, des te meer zullen we erkennen, dat de houding van vrijheid, van individueele moreele verantwoordelijkheid bij het vormen van sexueele verhoudingen gecompenseerd moet worden door een houding van gestrengheid, van nauwgezet maatschappelijk toezicht in de kwestie van de voortplanting. Twee personen, die een erotische verhouding aangaan, zijn, als zij tot de overtuiging komen dat hun verhouding een werkelijk huwelijk is, dat zijn natuurlijk doel heeft in de voortplanting, verplicht een contract te onderteekenen, dat, hoewel het henzelf persoonlijk vrij laat, toch hen allebei moet binden aan hun plichten jegens hun kinderen57.Er is een dubbele noodzakelijkheid voor zulk een handelwijze, zelfs afgezien van het feit, dat het in de hoogste mate in het belang van de ouders zelf is. Het is noodig in het belang van het kind. Het is noodig in het belang van den staat. Een kind kan opgevoed worden, en goed opgevoed, door een van de ouders, die daartoe in staat is. Maar om een kind voldoende toe te rusten voor zijn intrede in het leven, zijn de beide ouders even noodig. De Staat van zijn kant—dat is te zeggen, de gemeenschap, waarvan de ouders en het kind gelijkelijk deel uitmaken—is verplicht te weten wie de personen zijn, die borgen zijn geworden voor een nieuw individu, dat nu in hun midden is ingeleid. De meest individualistische en de meest socialistischeStaat zijn gelijkelijk verplicht, als ze trouw zijn aan hun belangen, zoowel hun biologische als hun economische belangen, aan te dringen op het volle wettige en erkende ouderschap van den vader en de moeder van ieder kind. Dat wordt duidelijk geëischt door het belang van het kind; het wordt ook duidelijk geëischt door het belang van den Staat.De slagboom, die zich in het Christendom tegenover de natuurlijke erkenning van dit feit gesteld heeft, dat zoo schadelijk is zoowel voor het kind als voor den staat, is klaarblijkelijk de starheid van het huwelijkssysteem geweest, meer speciaal zooals het door de canonieke wet gevormd is. De Canonisten hechtten een waarlijk buitengewoon groote waarde aan decopula carnaliszooals zij het technisch noemden. Voor hen lag het centrum van het huwelijk in de vagina; voor hen had de aanwezigheid of de afwezigheid van een kind weinig belang. De vagina is, zooals wij weten, niet altijd een even stevig centrum gebleken tot steun van het huwelijk, en dat centrum wordt nu langzamerhand overgebracht op het kind. Als wij ons van de Canonisten afwenden naar de geschriften van de modernen, zooals Ellen Key, die zoo juist weergeeft wat in den laatsten tijd het meest karakteristiek en essentieel is in de neigingen der huwelijksontwikkeling, dan schijnen we een nieuwe wereld te zijn binnengetreden, zelfs een door nieuw licht bestraalde wereld. Want “in de nieuwe sexueele moraal gaat het licht, evenals in Corregio’sNotte, uit van het kind”58.Ongetwijfeld is deze verandering in ruime mate een zaak van gevoel, van, zooals we soms minachtend zeggen, uitsluitend gevoel, hoewel er in de menschelijke zaken niets zoo machtig is als dat gevoel, en de revolutie, bewerkt door Jezus, de latere revolutie, bewerkt door Rousseau, waren voornamelijk revoluties in gevoel. Maar de verandering is ook een zaak van de aangroeiende erkenning van belangen en rechten, en als zoodanig openbaart ze zich in de wet. We kunnen er nauwelijks aan twijfelen, dat wij bezig zijn een tijd te naderen, waarop algemeen begrepen zal worden, dat de intrede van ieder kind in de wereld, zonder uitzondering, voorafgegaan behoorde te worden door het vormen van een huwelijkscontract, dat, terwijl het op geenerlei wijze den vader en de moeder aan plichten bindt, of aan eenige voorrechten jegens elkander, hen beiden bindt aan hun kind en terzelfder tijd hun verantwoordelijkheid jegens den Staat verzekert. Het is voor den Staat onmogelijk meer te krijgen, maar het moest hem onmogelijk zijn minder te eischen. Zulk een contract “huwt” den vader en de moeder, voor zoover het ouderschap van het individueele kind betreft, en in geen ander opzicht; het is een contract, dat hunverleden, tegenwoordige, of toekomstige verhoudingen jegens andere personen volkomen onaangeroerd laat, anders zou het niet mogelijk zijn het af te dwingen. In alle deelen van de wereld begint deze elementaire eisch van maatschappelijke moraal langzamerhand erkend te worden, en daar hij invloed heeft op honderd duizenden kinderen59, die jaarlijks gebrandmerkt worden als “onwettig” door geen daad van henzelf, kan niemand zeggen, dat de erkenning te vroeg is gekomen. Tot nog toe schijnt ze nergens volkomen te zijn.De meeste pogingen of voorstellen tot regeling der rechten van onwettige kinderen hebben betrekking op het wettigen van vereenigingen van een minder bindenden graad dan het tegenwoordige wettige huwelijk. Zulke vereenigingen zouden dan moeten dienen om andere verkeerdheden tegen te gaan. Zoo zegt een Engelsch schrijver, die veel studie gemaakt heeft van sexueele kwesties, in een particulieren brief: “Het beste geneesmiddel voor de losbandigheid van ongetrouwde mannen en de geestelijke en lichamelijke ellenden van onthouding bij vrouwen zou te vinden zijn in een erkend fatsoenlijk systeem van vrije vereenigingen en proefhuwelijken, waarbij omgang met preventieve middelen in praktijk gebracht wordt, totdat het paar oud genoeg is om ouders te worden, en totdat zij voldoende middelen bezitten om een familie te onderhouden. Het vooruitzicht van een bestaan zonder liefde is voor jonge mannen en vrouwen van een vurigen aard ondragelijk en even verschrikkelijk als het vooruitzicht van pijnlijke ziekte en dood. Maar ik denk, dat de oude orde van zaken binnen kort zal moeten veranderen”.In de Teutonische landen bestaat er een duidelijk te onderscheiden gevoelsstrooming in de richting van het instellen van wettige vereenigingen van een lagere soort dan het huwelijk. Zij bestaan in Zweden, evenals in Noorwegen, waar bij een onlangs uitgevaardigde wet het onwettige kind aanspraak heeft op dezelfde rechten met betrekking tot beide ouders als het wettige kind, den naam van den vader draagt, en zijn bezittingen erft (Die Neue Generation, Juli, 1901, p. 303). In Frankrijk heeft de bekende rechter Magnard, die zoo eervol bekend is door zijn houding in gevallen van kindermoord door jonge moeders, gezegd: “Ik wilde van ganscher harte, dat naast de instelling van het huwelijk zooals het nu bestaat, een vrije vereeniging bestond, gevormd door een enkele verklaring voor een overheidspersoon en die bijna dezelfde familierechten gaf als het gewone huwelijk”. Deze wensch heeft in ruimen kring weerklank gevonden.In China worden, hoewel polygamie in de strikte beteekenis niet kan gezegd worden te bestaan, de belangen van het kind, de vrouw en de staat gelijkelijk beschermd door den man in staat te stellen een soort bij-huwelijk aan te gaan met de moeder van zijn kind. “Dank zij dit systeem”, zegt Paul d’Enjoy (La Revue, Sept. 1905), “dat den man toestaat te trouwen met de vrouw, die hij wenscht, zonder daarin verhinderd te worden door vorige en niet verbroken vereenigingen, is het te begrijpen, dat we opmerken, dat er geen verleide en verlaten meisjes zijn, behalve zulke, die geen wet zou kunnen redden van wat werkelijk aangeboren verdorvenheid is; en dat er geen onwettige kinderen zijn, behalve zulke, wier moeders ongelukkigerwijze dichter bij de dieren staan door haar zinnen, dan bij menschelijke wezens, door haar verstand en waardigheid”.Het nieuwe wetboek van Japan, dat in vele opzichten zoo vooruitstrevend is, staat toe, dat een onwettig kind “erkend” zal worden door het aangevenbij den ambtenaar van den burgerlijken stand; als een getrouwd man zoo’n kind erkent, dan schijnt het, dat het kind door zijn vrouw als haar eigen kan aangenomen worden, hoewel het niet werkelijk gewettigd is. Deze stand van zaken vertegenwoordigt een overgangsstadium; het kan nauwelijks gezegd worden, dat het de rechten erkent van de moeder van het “erkende” kind. Japan, mogen we hier aan toevoegen, heeft het principe aangenomen van de automatische wettiging door het huwelijk, van de kinderen die aan het paar geboren zijn vóór het huwelijk.In Australië, waar vrouwen een grooter aandeel hebben in het maken en uitvoeren van de wetten dan elders, begint men eenige belangstelling te wijden aan de rechten van onwettige kinderen. Zoo kan in Zuid-Wales het vaderschap bewezen worden vòòr de geboorte, en de vader zorgt (op bevel van de overheid) voor huisvesting een maand vòor en een maand nà de geboorte, zoowel als voor de baker, den dokter, en voor kleeding, en stelt een borg, dat hij zijn verplichtingen zal nakomen; na de geboorte betaalt hij, na uitspraak van de overheidspersoon een wekelijksche som voor het onderhoud van het kind. Een “ongehuwde” moeder kan ook zes maanden lang in een openbare instelling op staatskosten onderhouden worden, om haar in staat te stellen zich aan haar kind te hechten.Zulke bepalingen hebben zich ontwikkeld uit het in ruimen kring erkende recht van de ongetrouwde vrouw om ondersteuning voor haar kind te eischen van zijn vader. In Frankrijk echter, en in de wetboeken, die het Fransche voorbeeld volgen, is het wettelijk niet geoorloofd navraag te doen naar het vaderschap van een onwettig kind. Het is onnoodig te zeggen, dat zulk een wet even onbillijk is tegenover de moeder, als tegenover het kind, als tegenover den staat. In Australië gaat de wet naar het tegenovergestelde, zeker redelijker uiterste en staat zelfs aan de moeder, die meerdere minnaars gehad heeft, toe, zelf uit te kiezen, wien ze verantwoordelijk wil stellen voor haar kind. Het Duitsche wetboek kiest den middenweg, en komt alleen aan die ongetrouwde moeder te hulp, die één minnaar heeft gehad. In al zulke gevallen echter is de hulp, die gegeven wordt, alleen geldelijk; ze verzekert de moeder geen erkenning of respect, en (naar Wahrmund naar waarheid gezegd heeft in zijnEhe und Eherecht) is het nòg noodig aan te dringen op de “onvoorwaardelijke heiligheid van het moederschap, dat, onder welke omstandigheden het ook voorkomt, aanspraak heeft op respect en bescherming van de maatschappij”.We moeten hieraan toevoegen, dat, uit maatschappelijk gezichtspunt, het niet de sexueele vereeniging is, die wettelijke erkenning behoeft, maar het kind, dat het product is van die vereeniging. Het zou bovendien een hopelooze zaak zijn te trachten alle sexueele verhoudingen te wettigen, maar het is betrekkelijk gemakkelijk alle kinderen te erkennen.Er is in vroeger tijd veel geredetwist over den specialen vorm, dien het huwelijk behoorde aan te nemen. Vele theoretici hebben hun vernuft ingespannen voor het uitvinden en prediken van nieuwe en ongewone huwelijksschikkingen, als panacee voor maatschappelijke nooden; terwijl anderen nog grootere energie hebben ten toon gespreid bij het bestrijden van zulke voorstellen als revolutionair. We mogen al zulke besprekingen, van beide zijden, als nutteloos beschouwen.In de eerste plaats zijn de huwelijksgewoonten veel te fundamenteel, veel te intiem ingeweven met het wezen van het menschelijk, ja van het dierlijk samenleven, om ook maar in de geringste mate geschokt te worden door de theorieën of de praktijken van enkeleindividuen of groepen van individuen. De monogamie—de min of meer langdurende cohabitatie van twee individuen van verschillend geslacht—is het overheerschend type geweest van de sexueele verhouding onder de hoogere werveldieren en wel het grootste gedeelte van de geschiedenis der menschheid door. Dit wordt zelfs toegegeven door hen, die meenen (zonder eenig redelijk bewijs), dat de mensch door een stadium gegaan is van sexueelepromiscuïteit. Er zijn neigingen geweest tot varieeren in beide richtingen, maar in het hoogste zoowel als in het laagste stadium is, voor zoover we zien kunnen, de monogamie de heerschende regel.Het moet ook in de tweede plaats gezegd worden, dat het natuurlijk overheerschen van de monogamie als normaal type van sexueele verhouding, geenszins variaties uitsluit. Veeleer laat ze die toe. “Er is niets precies in de Natuur”, zooals Diderot zegt. De lijn van de Natuur is een kromme, die slingert naar beide zijden van den norm. Zulke slingeringen komen onvermijdelijk voor in harmonie met veranderingen van de omgeving, en, ongetwijfeld, met eigenaardigheden van persoonlijke dispositie. Zoolang geen willekeurige en enkel uiterlijke poging wordt gedaan om de Natuur te dwingen, wordt de harmonie des levens in stand gehouden. Bij zekere soort van eenden worden, als er mannetjes te veel zijn, polyandrische families gevormd, en dan zorgen de twee mannetjes zonderjaloezievoor hun vrouwtje, maar als de geslachten weer gelijk in aantal worden, wordt de monogame orde weer ingesteld. De natuurlijke menschelijke afwijkingen van de monogamische orde schijnen over het algemeen van dezen aard te zijn en ze schijnen in hooge mate beïnvloed te worden door de maatschappelijke en economische omgeving. De meest gewone variatie en degene, die het duidelijkst een biologischen grondslag heeft, is de neiging tot polygynie, die in alle stadiën van de beschaving gevonden wordt, zelfs in een niet erkenden en min of meer gemengden vorm in de hoogste beschaving60. We moeten echter niet vergeten, dat erkende polygynie geen regel is, zelfs niet, waar ze overheerschend is; ze wordt alleen maar toegestaan; er is nooit zoo’n overvloed van vrouwen, dat meer dan enkele van de rijkere en meer invloedrijke personen meer dan één vrouw kunnen hebben61.Verder moet men in gedachte houden, dat een zekere elasticiteit van de formeele zijde van het huwelijk, terwijl ze aan den eenen kant variaties toelaat van de algemeene monogamische orde, waar die gezond zijn of noodig om het evenwicht in natuurlijke toestanden te herstellen, aan den anderen kant zulke variaties in zooverre binnen de perken houdt, als zij berusten op den storenden invloed van kunstmatige beperking. Veel van de polygynie, en van de polyandrie ook, die tegenwoordig onder ons heerscht, is een geheel kunstmatige en onnatuurlijke vorm van polygamie. Huwelijken, die op een meer natuurlijke basis zouden ontbonden worden, kunnen wettelijk niet ontbonden worden, en daarom nemen de betrokken partijen, in plaats van van deelgenoot te veranderen en zoo de natuurlijke monogamische orde te bewaren, er andere deelgenooten bij en voeren zoo een onnatuurlijke polygamie in. Er zullen altijd variaties zijn van de monogame orde en de beschaving staat tegenover sexueele variaties geenszins vijandig. Of we deze verhoudingen beschouwen als wettig of als onwettig, ze zullen er altijd zijn; daar kunnen we zeker van zijn. De maatschappelijke wijsheid schijnt aan den eenen kant de huwelijksverhouding buigzaam genoeg te zullen maken om deze afwijkingen tot een minimum terug te brengen—niet omdat zulke afwijkingen uit hun aard slecht zijn, maar omdat ze niet met geweld in het leven moesten geroepen worden—en aan den anderen kant aan deze afwijkingen, als zij voorkomen in zoodanige mate erkenning te zullen verschaffen, dat ze hunnadeeligeninvloed verliezen en te zorgen, dat er rechtvaardigheid beoefend wordt jegens alle betrokken partijen. Wij vergeten maar al te dikwijls, dat het feit dat wij zulke variaties niet willen erkennen, alleen maar beteekent, dat wij in zulke gevallen een onwettige permissie geven om onrechtvaardigheid te bedrijven. In die deelen van de wereld, waar polygynie erkend wordt als een gepermitteerde variatie, is een man wettelijk gehouden aan zijn natuurlijke verplichtingen jegens al zijn sexueele deelgenooten en jegens de kinderen, die hij bij die deelgenooten heeft. In geen deel van de wereld is de polygynie zoo overheerschend als in de Christelijke landen; in geen deel van de wereld is het zoo gemakkelijk voor een man om te ontsnappen aan de verplichtingen, die hij zich door de polygynie op den hals gehaald heeft. En doordat we een man in staat stellen, zoo gemakkelijk te ontsnappen aan de verplichtingen van zijn polygame verhoudingen, moedigen wij hem, als hij gewetenloos is, aan, om ze aan te gaan; wij stellen een premie op de immoraliteit, die we uit de hoogte veroordeelen62. Onze polygyniebestaat niet wettelijk, en daarom kunnen de verplichtingen ervan ook geen wettig bestaan hebben. Men zegt, dat de struisvogel zijn hoofd in het zand steekt om moeilijkheden te ontloopen door te weigeren er naar te kijken; maar er is nog een bekend dier, dat zoo doet, en het heet Mensch.Monogamie, in de fundamenteele biologische beteekenis, is de natuurlijke orde, waartoe de meerderheid van de sexueele feiten altijd van nature zal vervallen, omdat ze de verhouding is, die het meest gepast overeenkomt met alle physieke en geestelijke feiten, die er bij behooren. Maar als we ons voor oogen stellen, dat sexueele verhoudingen in de eerste plaats de menschen aangaan, die er bij betrokken zijn, en als we verder weten, dat het belang van de maatschappij in zulke verhoudingen beperkt is tot de kinderen, die zij voortbrengen, dan zullen we ook weten, dat het vaststellen bij de wet van het aantal vrouwen, met wie een man sexueele gemeenschap zal hebben, en het aantal mannen, waarmee een vrouw zich zal vereenigen onredelijker is dan het zou zijn om bij de wet vast te stellen hoeveel kinderen zij zullen voortbrengen. De Staat heeft het recht om te zeggen, of hij weinig burgers noodig heeft of veel; maar als hij tracht het aantal sexueele verhoudingen van zijn leden te regelen, dan beproeft de Staat een onmogelijke taak en maakt zich tevens schuldig aan een onbeschaamdheid.Er is altijd in zekere stadiën van de beschaving een neiging om aan te dringen op een zuiver formeele en uiterlijke eenvormigheid, en een daarmee overeenkomend onvermogen om te zien, niet alleen dat zulk een eenvormigheid onwerkelijk is, maar dat ze ook een nadeelige uitwerking heeft, in zooverre ze weldadige variaties uitsluit. De neiging is geenszins beperkt tot de sexueele sfeer. In Engeland is er bij voorbeeld een neiging om bouwwetten te maken, die wat de huizen betreft, allerlei bepalingen opleggen, die in theorie weldadig zijn, maar die in de praktijk verkeerde uitwerking hebben, omdat zij vele eenvoudige en uitstekende menschelijke woonplaatsen absoluut onwettig maken, alleen omdat zulke woonplaatsen niet beantwoorden aan bepalingen, die, onder sommige omstandigheden niet alleen onnoodig zijn, maar kwaad stichten.Variatie is een feit, dat zal bestaan of wij het willen of niet; ze kan alleen gezond worden als we ze erkennen en toestaan. Misschien moeten we zelfs wel erkennen, dat het een duidelijker sprekende neiging is in de beschaving dan in meer primitieve maatschappelijke stadiën. Zoo zegt Gerson (Sexual-Probleme, Sept., 1908, p. 538), dat, evenals de beschaafde mensch niet tevreden kan zijn met het ruwe en eentonige voedsel, waar de boer tevreden mee is, het in sexueele zaken evenzoo gaat; de boerenjongen en het boerenmeisje zijnin hun sexueele verhoudingen bijna altijd monogaam, maar beschaafde menschen, met hun meer veelzijdige gevoelige smaak, hebben neiging om naar verandering te snakken. Senancour (De l’Amour, deel II, “Du Partage”, p. 127) schijnt de mogelijkheid aan te nemen van huwelijks-variaties, zooals van het samen deelen van een vrouw, mits er niets gedaan wordt om naijver op te wekken, of om nadeel toe te brengen aan de reinheid der ziel. Lecky verklaarde aan het eind van zijnHistory of European Morals, dat hij geloofde, dat, terwijl de duurzame vereeniging van twee personen het normale en overheerschende type is van het huwelijk, er geenszins uit volgt, dat dit, in het belang der maatschappij, de eenige vorm zou zijn. Evenzoo zegt Remy de Goncourt (Physique de l’Amour, p. 186), die toch constateert, dat het paar de natuurlijke huwelijksvorm is en de duurzame verlenging ervan een voorwaarde van menschelijke superioriteit, dat de duurzaamheid van de vereeniging slechts met moeite kan worden tot stand gebracht. Zoo zegt ook Prof. W. Thomas (Sex and Society, 1907, p. 193), die de monogamie beschouwt als dienstbaar aan maatschappelijke doeleinden: “Van het biologisch standpunt gesproken beantwoordt de monogamie in den regel niet aan de voorwaarden van de hoogste prikkeling, omdat hier de problematische en bedriegelijke elementen tot zekere hoogte verdwijnen, en het voorwerp van de belangstelling zoo gewoon is geworden voor het bewustzijn, dat gevoelsreacties gewijzigd worden. Dit is de oorspronkelijke verklaring van het feit, dat getrouwde mannen en vrouwen zoo dikwijls belangstelling gaan voelen voor anderen dan hun deelgenooten in het huwelijk”.Pepys, wiens onbewuste zelf-analyse zoo vele psychologische neigingen uitmuntend illustreert, toont duidelijk aan hoe—door een gevoelslogica, dieper dan eenige intellectueele logica—de toewijding aan de monogamie bestaat naast een onweerstaanbaren hartstocht voor sexueele verandering. Met een voortdurend terugkomende grillige aantrekking tot een lange reeks van vrouwen, behoudt hij doorloopend een diepe en onveranderlijke genegenheid voor zijn beminnelijke jonge vrouw. In de intimiteit van zijnDiaryverwijst hij dikwijls naar haar in woorden, die niet geveinsd kunnen zijn; hij geniet van haar gezelschap; hij is zeer precies op haar kleeding; hij verheugt zich zeer in haar vorderingen in de muziek, en besteedt veel geld aan haar opvoeding; hij is bepaald jaloersch als hij haar in gezelschap vindt van een man. Zijn bijkomende verhoudingen met andere vrouwen komen onweerstaanbaar weer voor, maar hij wenscht ze in het geheel niet van langen duur te maken of toe te staan, dat ze hem te zeer in beslag nemen. Pepys vertegenwoordigt een gewoon type van den beschaafden “monogamist”, die volkomen oprecht is en ten zeerste overtuigd in zijn pleidooi voor de monogamie, zooals hij ze begrijpt, maar die toch tevens gelooft en ook handelt naar het geloof, dat de monogamie geenszins de behoefte aan sexueele variatie uitsluit. Het gezegde van Lord Morley (Diderot, deel II, p. 20), dat “de man van instinct polygaam is”, kan in zijn geheel niet aangenomen worden, maar als wij het zoo uitleggen, dat het beteekent, dat de man een instinctief monogaam dier is met een bijkomenden wensch naar sexueele variatie, dan is er veel ten gunste daarvan te zeggen.Vrouwen moeten even vrij zijn als mannen om haar eigen liefdeleven te vormen. Velen meenen echter, dat zulk een vrijheid van de zijde der vrouwen uitgeoefend zal of moest worden binnen nauwer grenzen (zie b.v., Bloch,Sexual Life of Our Time, hoofdst. X). Voor een deel meent men, dat deze beperking berust op een grooter geabsorbeerd zijn van de vrouw in de taak van de geboorte en de opvoeding van de kinderen, en voor een deel aan een geringeren omvang van psychische activiteit.“Een man”, zegt G. Hirth, (Wege zur Liebe, p. 342),“heeft niet alleen in zijn intellectueele horizon plaats voor zeer verschillende belangen, maar zijn macht van erotische uitzetting is veel grooter en meer onderscheiden dan die van vrouwen, hoewel hij misschien niet de intimiteit en de diepte van de toewijding van een vrouw heeft”. Wemogen wel zeggen, dat, daar variaties in de sexueele orde onvermijdelijk zullen plaats vinden hetzij we ze erkennen en er gezag aan toekennen of niet, er waarschijnlijk geen schade gedaan wordt als we het gewicht van maatschappelijk en wettig gezag gebruiken aan den kant, die gewoonlijk beschouwd wordt als de beste, en, voor zoover als mogelijk is den anderen kant met schande bedekken. Er zijn vele duidelijk in het oog springende fouten in zulk een houding, afgezien van het in de hoogste mate belangrijke feit, dat het hechten van schande aan sexueele verhoudingen een verachtelijke wreedheid is tegenover de vrouwen, die onvermijdelijk degenen zijn, die er het meest onder lijden. Niet het minst van belang is de onrechtvaardigheid en het belemmeren van levensenergie, die het aan de betere en meer nauwgezette menschen bezorgt ten gunste van de minder goede en minder nauwgezette. Dit gebeurt altijd als het gezag zijn macht uitoefent ten voordeele van een vorm. Toen in de dertiende eeuw Alexander III—een van de grootste en machtigste heerschers, ten tijde van het Christendom geconsulteerd werd door den bisschop van Exeter over ondergeschikte geestelijken, die trouwden ondanks ’t verbod van de kerk, raadde de paus hem, onderzoek te doen naar het leven en het karakter van de overtreders; als zij geregelde gewoonten hadden en een ernstigen moraal, dan moesten ze met geweld gescheiden worden en hun vrouwen moesten weggejaagd worden; als zij mannen waren van bekend onordelijken aard, dan moest hun toegestaan worden hun vrouwen bij zich te houden, als ze dat wenschten (Lea,History of Sacerdotal Celibacy, derde uitgave, deel I, p. 396). Het was een slimme politiek, en ze werd ook elders door denzelfden paus gevolgd, maar het is gemakkelijk te zien, dat ze indruischt tegen de moraal in iedere beteekenis van het woord. Ze verwoestte het geluk en de werkkracht van de beste mannen; ze liet de slechtste mannen volkomen vrij. Nu zijn we volkomen bereid om de verkeerde resultaten van deze politiek te erkennen; ze werd aanbevolen door een paus en zeven honderd jaar geleden ten uitvoer gebracht. Toch brengen we in Engeland tegenwoordig precies dezelfde politiek in praktijk door middel van onze echtscheidingsbepalingen, die in ruimen kring worden rondgestrooid. Geen van de paren, die gescheiden zijn—en die nooit op het coelibaat getraind zijn als de Katholieke geestelijkheid van tegenwoordig—mag weer trouwen; in werkelijkheid bevelen we de meer nauwgezette onder hen om celibatairs te worden, en aan de minder nauwgezette geven wij de permissie om te doen wat ze willen. Dit proces wordt uitgevoerd ten gevolge van de traagheid van de gemeenschap in het algemeen, en als het ooit gebeurt, dat er argumenten voor aangehaald worden, dan zijn die van een zoo verouderden aard, dat ze alleen maar een medelijdenden glimlach kunnen te voorschijn roepen.We mogen hier aan toevoegen, dat er nog een reden is, waarom het brandmerken van sexueele variaties van den norm als “immoreel” niet zoo onschuldig is als sommigen het doen voorkomen: zulke variaties schijnen niet ongewoon te zijn onder mannen en vrouwen van uitmuntende bekwaamheid, wier krachten onbelemmerd noodig zijn in den dienst van de menschheid. Te pogen zulke menschen te doen passen in de nauwe vormen, die goed zijn voor de meerderheid, is niet alleen een onrechtvaardigheid jegens hen als individuen, maar het is een vergrijp jegens de maatschappij, die redelijkerwijze mag eischen dat haar beste leden niet zullen belemmerd worden in haar dienst. Het denkbeeld, dat de mensch, wiens sexueele behoeften verschillend zijn van die van het gemiddelde, noodzakelijkerwijze een maatschappelijk slecht persoon moet zijn, is een denkbeeld, dat niet op feiten berust. Ieder geval moet op zichzelf beschouwd worden.Ongetwijfeld is in alle stadiën van de menschelijke cultuur de meest gewone variatie van de normale monogamie geweest de polygynie of de sexueele vereeniging van éen man met meer dan een vrouw. Soms is ze maatschappelijk en wettelijk erkend geworden,en soms niet, maar ze is altijd voorgekomen. Polyandrie, of de vereeniging van een vrouw met meer dan een man is betrekkelijk zeldzaam geweest en om begrijpelijke redenen; mannen zijn gewoonlijk in een betere conditie geweest, economisch en wettelijk, om een huishouden te organiseeren met zichzelf als middelpunt; een vrouw is, anders dan een man, door de natuur en dikwijls door de gewoonte lange tijden achtereen voor den omgang ongeschikt; een vrouw heeft bovendien haar gedachten en haar liefde meer op haar kinderen geconcentreerd. Afgezien hiervan wijzen de biologische mannelijke tradities veel meer op polygynie dan de vrouwelijke tradities op polyandrie wijzen. Hoewel het waar is, dat een vrouw een veel grootere mate van sexueelen omgang kan verdragen dan een man, blijft het ook waar, dat de verschijnselen van het hofmaken in de natuur het tot den plicht van den man gemaakt hebben om er op uit te zijn, sexueel zijn attentie te wijden aan de vrouw, wier rol het geweest is zedig haar keuze uit te stellen, totdat ze zeker is van haar voorkeur. Polygynische toestanden zijn ook voordeelig gebleken, daar zij aan de krachtigste en meest succesvolle leden van een gemeenschap hebben toegestaan het grootste aantal deelgenooten te hebben en zoo hun eigen superieure eigenschappen over te dragen.“Polygamie”, schrijft Woods Hutchinson (Contemporary Review, Oct. 1904) die de voordeelen van de monogamie wel degelijk erkent, “als een instelling van het ras, heeft, onder dieren zoowel als onder menschen, vele belangrijke voordeelen, en ze heeft zoowel in menschelijke als in voor-menschelijke tijden geleid tot het voortbrengen van een zeer hoog type zoowel van individueele als van maatschappelijke ontwikkeling”. Hij wijst er op, dat ze het verstand, de samenwerking en de verdeeling van den arbeid vermeerdert, terwijl de scherpe wedstrijd om vrouwen de zwakkere en minder aantrekkelijke mannen uitschakelt.Onder onze Europeesche voorouders, evenzeer als onder de Germanen en de Kelten, bestonden polygynie en andere sexueele vormen als nu en dan voorkomende variaties. Tacitus merkte polygynie op in Duitschland, en Caesar vond in Engeland, dat broeders hun vrouwen te zamen hadden en dan werden de kinderen toegekend aan den man, aan wien de vrouw het eerst ten huwelijk was gegeven (zie b.v. van TrailSocial England, deel I, p. 103, voor een bespreking van dit punt). De assistent van den echtgenoot, die kon worden opgeroepen om de vrouw te bevruchten als de man impotent was, bestond ook in Duitschland; dit was een Indo-Germaansche instelling (Schrader,Reallexicon, art. “Zeugungshelfer”). De daarmee overeenkomende instelling van de bijzit is nog dieper geworteld en nog verder verspreid. Tot betrekkelijk korten tijd geleden had,—in overeenstemming met de tradities van de Romeinsche wet, de bijzit een erkende en geëerde positie, lager dan die van de vrouw, maar met bepaalde wettelijke rechten, hoewel het niet altijd wettig of zelfs maar gewoon was voor een getrouwd man om een bijzit te hebben. In het oude Wales werd, evenals in Rome, de bijzit erkend en nooit veracht. (R. B. Holt, “Marriage Laws of the Cymri”,Journal Anthropological Institute, Aug. en Nov. 1898, p. 155), Het feit, dat, als een bijzit het huis van een getrouwd man betrad, haar waardigheid en haar wettelijke positie minder waren dan die van de vrouw, bewaarden den vrede en beschermden de belangenvan de vrouw (Een echtgenoot in Korea kan geen bijzit in zijn huis nemen zonder de toestemming van zijn vrouw, maar zij maakt maar zelden bezwaren, en schijnt van het gezelschap te genieten, zegt Louise Jordan Miln, Quaint Korea, 1895, p. 92). Wij moeten ons herinneren, zooals Dufour zegt, over den tijd van Karel den Groote (Histoire de la Prostitution, deel III. p. 226), dat in het oude Europa “bijzit” een eervolle term was; de bijzit was in het geheel niet een maitres, en ze kon van echtbreuk beschuldigd worden even goed als de vrouw. In Engeland, op het einde der dertiende eeuw, spreekt Bracton van deconcubina legitimaals recht hebbende op bepaalde rechten en welwillendheden, en zoo was de toestand ook in andere deelen van Europa, soms verscheidene eeuwen later (zie Lea,History of Sacerdotal Celibacy, deel I, p. 230). De Christelijke kerk was in den aanvang dikwijls geneigd de bijzit te erkennen, in ieder geval ten minste als ze verbonden was aan den ongetrouwden man, want wij kunnen in de Kerk “den wensch nasporen om iedere duurzame vereeniging tusschen een man en een vrouw te beschouwen alsof ze den aard heeft van een huwelijk in de oogen van God, en daarom in het oordeel van de Kerk” (art. “Concubinage”, Smith and Cheetham,Dictionary of Christian Antiquities). Dit was het gevoelen van den heiligen Augustinus (die zelf, voor zijn bekeering, een bijzit had, die blijkbaar een Christin was), en het concilie van Toledo liet een ongetrouwd man toe, die trouw was aan zijn bijzit. Naarmate de wet van de Katholieke kerk meer en meer star werd, verloor ze noodzakelijkerwijze de voeling met de menschelijke nooden. Zoo was het echter niet in den eersten tijd van de kerk, in de eeuwen, toen ze de meeste levenskracht had. In die eeuwen werd zelfs de krachtigste algemeene regel van de monogamie minder streng toegepast, als zulk een verslapping verstandig scheen. Dit was bijvoorbeeld zoo in het geval van sexueele impotentie. Zoo zegt in het begin van de achtste eeuw Gregorius II, in een antwoord aan Bonifacius, den apostel in Duitschland, op een vraag van dezen laatsten, dat, als een vrouw door physieke onbekwaamheid niet in staat is haar huwelijksplichten te vervullen, het aan een echtgenoot geoorloofd is een tweede vrouw te nemen, hoewel hij moet blijven voortgaan de eerste te onderhouden. Wat later geeft Aartsbisschop Egbert van York, voorzichtiger, in zijnDialogus de Institutione Ecclesiaticatoe, dat, als de eene van twee getrouwde personen invalide is, de andere met toestemming van de invalidene, weer mag trouwen, maar dat de invalidene niet weer mag trouwen tijdens het leven van den ander. Impotentie tijdens het huwelijk maakte natuurlijk het huwelijk nietig zonder de tusschenkomst van de kerkelijke wet. Maar Thomas van Aquino en latere theologen geven toe, dat een buitengewoon groote tegenzin tegen een vrouw een man in zijn eigen oogen kan rechtvaardigen om zich in zijn betrekking tot haar als impotent te beschouwen. Deze regels zijn, natuurlijk, geheel afgescheiden van de permissie om de huwelijkswetten te breken, die aan koningen en prinsen wordt gegeven; zulke permissies gelden niet als bewijsmateriaal van de regels van de kerk, want, zooals het concilie van Constantinopel voorzichtig besliste in 809, “De goddelijke wet heeft geen macht jegens koningen” (art. “Bigamy”,Dictionary of Christian Antiquities). De wet van de monogamie werd ook minder streng toegepast in gevallen van gedwongen of vrijwillige verlating. Zoo bepaalde het concilie van Vermerie (752). dat, als een vrouw haar man niet wil vergezellen als hij gedwongen is zijn heer te volgen naar een ander land, hij weer mag trouwen, als hij geen hoop heeft ooit terug te keeren. Theodorus van Canterbury (638) zegt o.a. dat een man, als zijn vrouw door den vijand is weggevoerd en hij haar niet terug kan krijgen, na verloop van een jaar weer mag trouwen, of, als er nog eenige kans is, dat hij haar terug kan krijgen, na verloop van vijf jaar; de vrouw kan dat ook doen. Zulke regels, al zijn ze niet algemeen, wijzen, zooals Merrick zegt (art. “Marriage”,Dictionary of Christian Antiquities), op een bereidwilligheid “om tegemoet te komen aan speciale gevallen, als ze zich voordoen”.Toen de canonieke wet star begon te worden en de Katholieke kerk haar geschiktheid verloor om zich aan het leven aan te passen, werden sexueele variaties niet langer erkend binnen haar sfeer. We moeten voor eenige verdere beweging wachten tot de Hervorming. Velen van de eerste Protestantsche hervormers, vooral in Duitschland, waren bereid zich in een aanzienlijke mate naar het leven te schikken in de sexueele verhoudingen. Zoo raadde Luther aan getrouwde vrouwen, die impotente mannen hadden aan, in geval er geen wensch bestond of geen gelegenheid tot echtscheiding, om sexueele verhoudingen te hebben met een anderen man, liefst met den broeder van den man; de kinderen werden dan gerekend te zijn van den echtgenoot (“Die Sexuelle Frage bei Luther”,Mutterschutz, Sept. 1908).In Engeland kon de puriteinsche geest, die zich in zoo ruime mate bezig hield met de hervorming van het huwelijk, wel niet anders dan betrokken raken in de kwestie van sexueele variaties, en van tijd tot tijd vinden wij het voorstel om de polygynie te wettigen. Zoo publiceerde, in 1658, “A Person of Quality” in Londen een klein geschriftje, dat aan denLord Protectorwas opgedragen, getiteldA Remedy for Uncleanness. Het was in den vorm van een aantal vragen gesteld, vragend waarom we niet polygamie zouden toelaten, om echtbreuk en kindermoord te voorkomen. De schrijver vraagt, of het niet “zou overeen te brengen zijn met een geest van genade, en in alle opzichten overeenkomstig de principes van een man, die godvreezend is en de heiligheid lief heeft, om meer dan een vrouw te hebben voor zijn eigen gebruik … Hij, die den os of den ezel neemt van een ander man is ongetwijfeld een overtreder; maar hij, die zich buiten de verleiding stelt door ze zelf te hebben, schijnt een recht, eerlijk en welmeenend man te zijn”.Meer dan een eeuw later (1780), heeft ook een knap, geleerd en beroemd Londensch geestelijke van hoog karakter (die een rechtsgeleerde was geweest eer hij geestelijke werd), de Reverent Martin Madan, de polygamie aangeraden in een boek, genaamdThelyphthora: or a Treatise of Female Ruin. Madan was in nauw contact gebracht met de prostitutie door een kapelaanschap in het Lock Hospital, en, evenals de puriteinsche advocaat van de polygamie, kwam hij tot de conclusie, dat het alleen door de hervorming van het huwelijk mogelijk is tegen de prostitutie te werken en tegen de nadeelen van sexueelen omgang buiten het huwelijk. Zijn merkwaardig boek wekte veel tegenspraak en veroordeeling, zoodat hij het wenschelijk vond Londen te verlaten en buiten te gaan wonen. Voorstellen tot verandering van het huwelijk zijn sindsdien nooit weer van de kerk gekomen, maar van moralisten en philosophen, niet zelden echter van schrijvers van bepaald godsdienstig karakter. Senancour, die een zoo gevoelige en teere moralist in de sexueele sfeer was, voerde een gematigde bespreking over polygamie in in zijnDe l’Amour(deel II, p. 117–126). Het scheen hem toe, dat ze niet positief tegenovergesteld aan en niet positief in overeenstemming met de algemeene neiging van onze tegenwoordige conventies was, en hij besloot, dat “de methode van bemiddeling voor een deel zou zijn niet langer te eischen, dat de vereeniging van een man en een vrouw alleen zou ophouden met den dood van een van beiden”. Cope, de bioloog, uitte een meer gedecideerde opinie. “Er zijn sommige gevallen van ontbering”, zeide hij, “waarvoor zulk een permissie het geneesmiddel zou zijn. Dat zou bijvoorbeeld het geval zijn, als de man of de vrouw het slachtoffer waren geworden van een ongeneeslijke ziekte; of, als beide partijen kinderloos waren, of in andere gevallen, die men zich denken kan”. Er moest geen dwang zijn in eenige richting, en volle verantwoordelijkheid, zooals nu. Zulke gevallen moesten alleen maar als uitzondering voorkomen, en ze moesten de vijandschap van de maatschappij niet opwekken. Voor het grootste deel, merkt Cope op, “is de beste wijze om de polygamie te behandelen ze aan zich zelf over te laten” (E. D. Cope. “The Marriage Problem”,Open Court, Nov. 15 en 22 1888). In Engeland was Dr. John Chapman, de uitgever van deWestminster Review, een nauw bondgenoot van de leiders van de bewegingder Radicalen in het tijdperk van Victoria, tegen het geven van voorschriften door den Staat over den vorm van het huwelijk; hij meende, dat een zekere mate van sexueele variatie weldadig zou zijn voor de maatschappij. Zoo schreef hij in 1884 (in een vertrouwelijken brief): “Ik denk, dat, naarmate de menschen minder zelfzuchtig worden, polygamie (d.i. polygynie) en zelfs polyandrie, in een veredelden vorm, steeds meer zullen voorkomen”.James Hinton, die een paar jaren later veel gedachten en veel aandacht wijdde aan de sexueele kwestie, en ze zelfs beschouwde als het grootste van de moreele problemen, was evenzeer voor een grootere aanpassing aan het leven en aan menschelijke behoeften van de huwelijksregelingen, en een zooals de Christelijke kerk in het eerst toeliet. Het huwelijk, verklaarde hij, moet “ondergeschikt zijn aan den dienst”, daar het huwelijk, evenals de Sabbath, gemaakt is voor den mensch en niet de mensch voor het huwelijk. Zoo wilde hij, in het geval dat de eene deelgenoot krankzinnig werd, den anderen deelgenoot toestaan te hertrouwen, terwijl de aanspraken van den krankzinnigen deelgenoot geldig bleven in geval van herstel. Dat zou een vorm zijn van polygamie, maar Hinton was er zorgvuldig op bedacht er op te wijzen, dat hij met “polygamie” bedoelde “minder een speciale huwelijksorde, dan wel zulk een orde als het best aan het doel beantwoordt, en die dus buitengemeen veranderlijk moet wezen. De monogamie moge goed zijn, zelfs de eenige goede orde, als ze komt bij vrije keuze; maar eenwetervoor is een ander ding. De sexueele verhouding moet eennatuurlijkezaak zijn. Het ware maatschappelijke leven zal niet zijn eenige vastgestelde en bepaalde verhouding, als van monogamie, polygamie, of iets anders, maar een volkomen ondergeschiktheid van iedere sexueele verhouding aan de rede en het menschelijk welzijn”.Ellen Key, die een enthoesiast voorstandster is van de monogamie, en die meent, dat de ontwikkeling in de beschaafde maatschappij van persoonlijke liefde alle gevaar voor het aangroeien van de polygamie uitsluit, geeft toch toe, dat er variaties bestaan. Zij heeft dezelfde oplossingen van moeilijke problemen voor oogen als Goethe voor zich had, toen hij in zijnStellatrachtte aan te toonen, dat de kracht van banden van liefde en teedere herinneringen te groot is om toe te laten, dat ze door nieuwe verbroken zullen worden. Het probleem van de sexueele variatie echter, merkt zij op (Liebe und Ethik, p. 12) is, onder moderne voorwaarden van vorm veranderd, het is niet langer de strijd tusschen den eisch van de maatschappij van een strenge huwelijksorde en den eisch van het individu van sexueele bevrediging, maar het is het probleem geworden van het in harmonie brengen van de veredeling van het ras met verhoogde eischen van erotisch geluk. Zij wijst er ook op, dat het bestaan van een deelgenoot, die behoefte heeft aan den zorg van den anderen deelgenoot als verpleegster of als intellectueele makker, dien anderen deelgenoot in het geheel niet berooft van het recht op vaderschap en moederschap, en dat zulke rechten moeten beschermd worden. (Ellen Key,Ueber Liebe und Ehe, pp. 166–168).Een op den voorgrond tredend en groot voorstander van de polygynie, niet als een slechts zelden voorkomende variatie, maar als een huwelijk van hooger orde dan de monogamie, wordt tegenwoordig gevonden in Professor Christian von Ehrenfels van Praag (zie b.v. zijnSexualethik, 1908; “Die Postulate des Lebens”.Sexual-Probleme, Oct. 1908; en brief aan Ellen Key in haarUeber Liebe und Ehe, p. 466). Ehrenfels meent, dat het aantal mannen, dat ongeschikt is voor een bevredigende reproductie veel grooter is dan dat van vrouwen, en dat daarom, als deze buiten beschouwing gelaten worden, een polygynische huwelijksorde noodig wordt. Hij noemt dit “reproductie-huwelijk” (Zeugungsehe), en denkt dat het moreel hooger zal staan dan dit. Het zou gebaseerd zijn op persoonlijke contracten. Ehrenfels meent, dat de vrouwen geen bezwaar zouden hebben, omdat een vrouw, naar hij gelooft, minder waarde hecht aan een man als minnaar dan als vader van haar kind. Ehrenfeld’s leer is ernstig aangevallen van vele zijden, en zijn voorstellen zijn nietin den lijn van onzen vooruitgang. Eenige radicale wijziging van de bestaande monogame huwelijksorde is niet te verwachten, zelfs als het algemeen erkend werd, hetgeen niet kan gezegd worden, dat ze wenschelijk is. De kwestie van sexueele variaties, moeten we ons herinneren, is niet een kwestie van het invoeren van een geheel nieuwen vorm van huwelijk, maar alleen van het erkennen van het recht van individuen, om buitengewone gevallen van dat huwelijk aan te nemen, en van het erkennen van de daarmee overeenstemmende verplichtingen van zulke individuen om de verantwoording op zich te nemen van ieder van die afwijkende vormen, die ze het beste zullen vinden. Voor zoover de kwestie van de sexueele variatie van het huwelijk meer is dan dit, is ze, volgens Hinton, een dynamische methode om te werken aan de afschaffing van de gevaarlijkepromiscuïteitvan de prostitutie. Een strenge huwelijksorde sluit prostitutie in zich; een buigzame huwelijksorde maakt voor een groot deel—hoewel misschien niet geheel—de prostitutie overbodig. De democratische moraal van tegenwoordig is, voor zoover de aanwijzingen gaan, tegenovergesteld aan een klasse vanquasi-slaven, met verminderde maatschappelijke rechten, zooals de prostituées altijd in meerdere of mindere mate vormen. Het blijkt ook tamelijk duidelijk, dat de snel aangroeiende invloed van de medische hygiëne aan dezelfde zijde werkt. Wij mogen daarom in de toekomst redelijkerwijze een langzame, maar gestadige toename verwachten van de erkenning, en zelfs van de uitbreiding van die variaties in de monogamische orde, die in werkelijkheid nooit opgehouden hebben te bestaan.Het is bedroevend, dat het, in dezen tijd van de wereldgeschiedenis, bijna twee duizend jaar nadat de wijze wetgevers van Rome hun werk voltooid hadden, nog noodig is tot het besluit te komen, dat we tegenwoordig eerst in een der eerste stadiën zijn van het plaatsen van het huwelijk op een redelijke en menschelijke basis. Ik heb er herhaaldelijk op gewezen in hoe groote mate de canonieke wet verantwoordelijk geweest is voor deze vertraging in de ontwikkeling. Men kan inderdaad zeggen, dat de geheele houding van de Kerk, nadat ze volkomen wereldlijke heerschappij verkregen had, verantwoordelijk moet gesteld worden. In de vroegere eeuwen was de houding van het Christendom over het geheel bewonderenswaardig. Het hield groote idealen hoog, maar het onthield zich van het opdringen van deze idealen tot iederen prijs; zoo bleven de idealen echt en konden ze niet ontaarden in enkel huichelachtige ledige vormen; veel buigzaamheid werd toegestaan, als ze voor het welzijn der menschen scheen noodig te zijn en als ze ingesteld werd om kwaad en onrechtvaardigheid te vermijden. Maar, toen de Kerk wereldlijke macht verkreeg, en toen die macht geconcentreerd raakte in de handen van Pausen, die moreele en godsdienstige belangen ondergeschikt maakten aan politieke belangen, toen sloeg men de aanspraken van het verstand en de humaniteit in den wind. Het ideaal werd niet meer een feit dan het tevoren was, maar het werd nu behandeld als een feit. De menschelijke verhoudingen bleven wat zij tevoren waren, even gecompliceerd en verschillend, maar van nu af aan werd éen streng willekeurig voorbeeld gesteld, dat bewonderenswaardig was als een ideaal, maar erger dan ledig als een vorm, en alle afwijkingen daarvan werden behandeld òf als niet te bestaanòf als verkeerd. Alle leven werd uit de meest vitale menschelijke instellingen verdreven en eerst nu begint er weer beweging in te komen.Als wij—resumeerend—den loop nagaan, die de regeling van het huwelijk gehad heeft in het Christelijke tijdperk, het eenige tijdperk dat ons onmiddellijk aangaat, dan is het niet moeilijk de hoofdlijnen ervan te volgen. Het huwelijk begon als een bijzondere instelling, die de kerk, zonder ze te kunnen controleeren, bereid was in te zegenen, zooals ze zoo menige andere wereldlijke zaak inzegende; zij probeerde nog niet de natuurlijke aanpassing ervan aan menschelijke behoeften te beperken. Maar langzamerhand en onmerkbaar, zonder tusschenkomst van de wet, verkreeg het Christendom de volle heerschappij over het huwelijk, overeenkomstig de reeds ontwikkelde opvattingen over het kwaad van den lust, de deugd der kuischheid, de doodzonde van de ontucht, en, na door den invloed van deze heerschende opvattingen de buigzaamheid van het huwelijk in alle richtingen te hebben beperkt, plaatste ze het op een verheven, maar smal voetstuk als een sacrament. Om redenen, die in het geheel niet liggen in de natuur van de sexueele verhoudingen, maar die waarschijnlijk aan de priester-wetgevers dringend toeschenen, die haar assimileerden met de wijding tot priester, werd het huwelijk voor onontbindbaar verklaard. Niets was zoo gemakkelijk om binnen te gaan als de poort van het huwelijk, maar, evenals een muizenval, ging ze alleen naar binnen open en niet naar buiten; eens er in, kon men er levend niet weer uit komen. De regeling van het huwelijk door de kerk was, terwijl ze, evenals het coelibaat van de geestelijkheid, een succes was uit het oogpunt van kerkelijke politiek, en zelfs in het eerst uit het oogpunt van beschaving, want ze bracht orde in een maatschappelijken chaos, toch op den langen duur een mislukking uit een oogpunt van maatschappij en moraal. Aan den eenen kant verviel ze in belachelijke spitsvondigheden en haarkloverijen; aan den anderen kant had ze, omdat ze niet berustte op hetzij de rede of op de menschelijkheid, niets van die geschiktheid tot aanpassen aan de behoeften van het leven, die het Christendom in zijn eersten tijd in zoo ruime mate behield, terwijl het toch verheven idealen hoog hield. Aan den traditioneelen kant werd dit huwelijkswetboek onbeholpen en onpractisch; aan den biologischen kant was het een wanhopige misgreep. Zoo was dus de weg gebaand tot de opvatting der Protestanten van het huwelijk als een contract, maar die opvatting werd minder op den voorgrond gebracht ter wille van zich zelf, dan als een protest tegen de moeilijkheden en dwaasheden van de Katholieke canonieke, wet. Deze beschouwing als contract, die nog in ruime mate bestaat, zelfs nu nog, nam spoedig veel over van de leerstellingen van de canonieke wet over het huwelijk, en werd in de praktijkeen soort van hervormde en verwereldlijkte canonieke wet. Ze paste zich eenigszins meer aan aan de moderne behoeften, maar ze behield veel van de starheid van het Katholieke huwelijk zonder den sacramenteelen aard ervan, en ze deed nooit een poging om meer dan in naam een contract te worden. Ze is te beschouwen als een compromis van deelen, die niet bij elkaar passen en ze is een overgangsstadium geweest naar het vrije persoonlijke huwelijk. Wij kunnen die phase herkennen in de neiging, die in de beschaafde landen duidelijk uitgesproken is, naar een steeds toenemende rekbaarheid van het huwelijk. Het denkbeeld en zelfs het feit van het huwelijk door overeenstemming en van de echtscheiding bij gebrek aan die overeenstemming, waar we nu heen gaan, is in werkelijkheid nooit geheel uitgestorven geweest. In de Latijnsche landen is het blijven bestaan in de traditie van de Romeinsche wet; in de Engelsch sprekende landen is het samengegroeid met den geest van het puritanisme, die er op aandringt, dat in de dingen die het individu alleen aangaan, het individu zelf opperste rechter moet zijn. Die leer, toegepast op het huwelijk, werd in Engeland schitterend tot uitdrukking gebracht door het genie van Milton, en in Amerika is zij het zuurdeesem geweest, dat nog voortwerkt in de huwelijkswetgeving naar een onvermijdelijk doel, dat nog nauwelijks in het zicht is. Het huwelijkssysteem van de toekomst zal op het oude Christelijke systeem gelijken in zoover het den geheiligden en sacramenteelen aard zal erkennen van de sexueele verhouding, en het zal gelijken op de burgerlijke opvatting in zooverre het er op zal aandringen, dat het huwelijk, wat de voortplanting aangaat, openlijk door den Staat zal worden geregistreerd. Maar in tegenstelling met de kerk zal het erkennen, dat het huwelijk, in zoover het zuiver een sexueele verhouding is, een persoonlijke zaak is, waarvan de voorwaarden moeten overgelaten worden aan de personen, die er in betrokken zijn; en in tegenstelling met de burgerlijke theorie zal het erkennen, dat het huwelijk in zijn wezen een feit is en geen contract, hoewel het aanleiding kan geven tot contracten, zoolang die contracten dat essentieele feit niet raken. En in een opzicht zal het gaan boven de kerkelijke opvatting en de burgerlijke opvatting beide. De mensch heeft in den laatsten tijd de heerschappij verkregen over zijn eigen voortbrengende krachten, en die heerschappij brengt mee een verplaatsen van het centrum van den ernst van het huwelijk, in zooverre het huwelijk een staatszaak is, van de vagina naar het kind, dat de vrucht is van den schoot. Het huwelijk, als een instelling van den Staat, zal zich concentreeren, niet om de sexueele verhouding, maar om het kind, dat het resultaat is van die verhouding. In zooverre het huwelijk een onschendbaar openlijk contract is, zal het van zulk een aard zijn, dat het vanzelf met zijn bescherming zal dekken ieder kind, dat in de wereld geboren wordt, zoodat ieder kindeen wettigen vader en een wettige moeder zal hebben. Aan den eenen kant heeft het huwelijk dus neiging om minder bindend te worden; aan den anderen kant heeft het neiging meer bindend te worden. Aan den persoonlijken kant is het een intieme en heilige verhouding, waarmee de Staat niet te maken heeft; aan den maatschappelijken kant is het het aannemen van het verantwoordelijk openlijk borg zijn voor een nieuw lid van den Staat. Sommigen onder ons zijn bezig de eerste van deze beschouwingswijzen van het huwelijk te bevorderen, anderen de tweede. Beide zijn noodig om een volkomen harmonie te vormen. Het is noodig de twee beschouwingswijzen van het huwelijk afzonderlijk te houden, om gelijkelijk rechtvaardigheid te betrachten jegens het individu en jegens den Staat, maar als het huwelijk zijn idealen staat bereikt, worden die twee beschouwingswijzen tot een.

Zoo bestaat de neiging, dat met den groei van de beschaving het opvatten van het huwelijk als een contract meer en meer in discrediet geraakt. Aan den anderen kant wordt erkend, datpersoonlijke contracten niet in harmonie zijn met onze algemeene en maatschappelijke houding, want, als wij het denkbeeld verwerpen, dat een menschelijk wezen zich bij contract mag verkoopen als slaaf, hoeveel te meer moeten we dan het denkbeeld verwerpen, dat menschen een contract zouden aangaan voor de nog intiemere verhouding van een getrouwd man of getrouwde vrouw; aan den anderen kant voelt men, dat het denkbeeld van van tevoren opgemaakte contracten in een zaak, waarover het individu zelf geen contrôle heeft, volkomen onwerkelijk is en als er strenge regels van billijkheid heerschen, noodzakelijk van geen waarde. Het is waar, dat er nog voortdurend schrijvers gevonden worden, die hun denkbeelden verkondigen over de plichten of de voorrechten, die vervat zijn in het “contract” van het huwelijk, en die de beteekenis van het woord “contract” in dezen zin niet meer analyseeren dan de Hervormers deden; maar men kan ternauwernood zeggen, dat deze schrijvers verder gekomen zijn dan het alphabet van het onderwerp, waarover ze leerstellingen verkondigen.Het overbrengen van het huwelijk van de Kerk naar den Staat, hetgeen wij in de landen, waar het ’t eerst voorkwam danken aan het Protestantisme, en in de Engelsch sprekende landen voornamelijk aan het Puritanisme, had, terwijl het een noodzakelijk stadium was, ongelukkig het gevolg, dat het de sexueele verhoudingen verwereldlijkte. Dat is te zeggen, dat het ’t verheven element in de liefde, dat in werkelijkheid het essentieele deel van zulke verhoudingen is, negeerde, en dat het alle aandacht concentreerde op die vormelijke en toevallige deelen van het huwelijk, die alleen op een strenge en nauwkeurige wijze behandeld kunnen worden, en die eigenlijk alleen het onderwerp kunnen vormen van contracten. De canonieke wet, hoe fantastisch en onmogelijk zij ook in vele van haar ontwikkelingen werd, drong tenminste aan op het natuurlijke en werkelijke feit van het huwelijk als bovenal een lichamelijke vereeniging, terwijl ze, terzelfder tijd dat huwelijk niet beschouwde als enkel een wereldlijk zakelijk contract, maar als een geheiligde en verheven functie, een goddelijk feit, en het symbool van het goddelijkste feit van de wereld. Tegenwoordig komen we terug tot de opvatting van de Canonisten over het huwelijk op een hooger en vrijer plan, wij komen terug tot de verheven beschouwing van de canonieke wet, terwijl we toch het individualisme behouden, hetwelk de Puriteinen ten onrechte meenden dat zij konden verkrijgen op de basis van verwereldlijking, terwijl wij verder erkennen, dat de geheele zaak behoort tot de persoonlijke sfeer van moreele verantwoordelijkheid. Zooals Hobhouse, toen hij de geschiedenis van de ontwikkeling der moderne huwelijks-opvatting naging, terecht gezegd heeft, het sacramenteele denkbeeld van het huwelijk is weer voor den daggekomen, maar op een hooger niveau; “van een sacrament in den magischen zin is het een sacrament in den ethischen zin geworden”. Zoo zullen wij komen, hoewel wij het wettelijk nog niet bereikt hebben, tot het huwelijk, gevormd en in stand gehouden door wederzijdsche toestemming, “een vereeniging tusschen twee vrije en verantwoordelijke personen, waarbij de wettelijke rechten van beide verzekerd worden”52.Sommigen meenen, dat men, als men het huwelijk beschouwt als een sacrament, dan ook noodzakelijk het oude Katholieke gezichtspunt moet aannemen, dat belichaamd is in de canonieke wet, dat het huwelijk onontbindbaar is. Dat is echter een vergissing. Zelfs de Canonisten hebben nooit een samenhangende en steekhoudende reden kunnen opgeven voor de onontbindbaarheid van het huwelijk; die zich met eenigen grond kon aanbevelen, terwijl Luther en Milton en Wilhelm von Humboldt, die den godsdienstigen en heiligen aard van de sexueele vereeniging staande hielden—hoewel ze voorzichtig waren met het gebruiken van het woord “sacrament” met het oog op wat er in de kerk onder begrepen wordt—wel verre van te meenen, dat de heiligheid ervan onontbindbaarheid in zich sloot, in den tegenovergestelden zin spraken. Dit gezichtspunt kan zelfs van zuiver Protestantsch standpunt verdedigd worden. “Ik meen”, zegt Mr. G. C. Maberly, “dat de definitie van hetPrayerBookvan een sacrament “als een uiterlijk en zichtbaar teeken van een innerlijkeen geestelijke genade”, algemeen aangenomen wordt. In het huwelijk zijn de wettige en physieke vereenigingen de uiterlijke en zichtbare teekenen, terwijl de innerlijke en geestelijke genade is de door God gegeven liefde, die maakt, dat de vereeniging van hart en ziel is: en juist omdat ik dit gezichtspunt over het huwelijk inneem, meen ik, dat de wettige en physieke vereeniging moest verbroken worden, telkens als de geestelijke vereeniging van onzelfzuchtige, goddelijke liefde en toegenegenheid opgehouden heeft te bestaan. Het schijnt mij toe, dat de sacramenteele beschouwing van het huwelijk ons dwingt te zeggen, dat zij, die de wettelijke en lichamelijke vereeniging voortzetten als de geestelijke vereeniging opgehouden heeft te bestaan, bezig zijn—om nog eens uit hetPrayer Bookwoorden aan te halen, die van toepassing zijn op hen, die het uiterlijke teeken nemen van een ander sacrament, als de innerlijke en geestelijke genade niet aanwezig is—“hun eigen verdoemenis te eten”.”Als we van het standpunt, dat we nu bereikt hebben, terugzien op de echtscheidingskwestie, dan zien we, naarmate de moderne wijzen van beschouwing van de moderne huwelijksverhoudingen duidelijker door de gemeenschap beginnen erkend te worden, dat die kwestie enorm vereenvoudigd zal worden. Als het huwelijk niet enkel een contract is, maar een wijze van zich gedragen, en zelfs een heilige daad, is het vrije deelnemen van beide partijen noodig om het in stand te houden. Het denkbeeld in te voeren van misdaad en straf bij de echtscheiding, het aanmoedigen van wederzijdsche beschuldigingen, het aan de wereld openbaren van de geheimen van het hart of van de zinnen, is niet alleen immoreel, het is ten eenenmale misplaatst. In de kwestie: wanneer een huwelijk opgehouden heeft een huwelijk te zijn, kunnen de twee betrokken partijen alleen de opperste rechters zijn; de Staat, alsde Staat er bij geroepen wordt, kan alleen de uitspraak opteekenen, die zij doen, en kan er alleen op letten, dat er geen onrechtvaardigheid geschiedt bij het ten uitvoer brengen van de uitspraak53.Toen we in het vorige hoofdstuk de richting bespraken, waarin de sexueele moraal neiging heeft zich te ontwikkelen met de ontwikkeling van de beschaving, kwamen we tot de conclusie, dat ze in haar hoofdlijnen vooral persoonlijke verantwoordelijkheid in zich sloot. Een verhouding, die onder natuurvolken vastgelegd is door een maatschappelijke gewoonte, die niemand durft te breken, en op een hooger trap van beschaving door vormelijke wetten, die naar de letter moeten opgevolgd worden, zelfs als ze gebroken worden naar den geest, wordt langzamerhand overgebracht in de sfeer van individueele moreele verantwoordelijkheid. Zulk een overdracht heeft natuurlijk geen beteekenis, en is zelfs onmogelijk, tenzij de toenemende kracht van den moreelen band vergezeld gaat van een toenemende kracht van den vormelijken band. Alleen door het losser maken van de kunstmatige beperkingen kunnen de natuurlijke beperkingen hun volle heerschappij uitoefenen. Dat proces heeft plaats op twee wijzen, voor een deel op een basis van onverschilligheid voor het vormelijke huwelijk, die de massa overal gekenmerkt heeft en ongetwijfeld teruggaat tot de tiende eeuw voordat de overheersching van het kerkelijke huwelijk begon, en voor een deel door de vooruitgaande wijziging van de huwelijkswetten, die noodzakelijk gemaakt werden door de behoeften van de bezittende klassen, die er op uit waren de staatserkenning van hun vereenigingen te verzekeren. Het geheele proces is noodzakelijk een geleidelijk en zelfs onmerkbaar proces. Het is niet mogelijk de bepaalde data vast te stellen van de stadiën, waarlangs de Kerk de enorme revolutie bewerkte, waardoor zij verkreeg en eindelijk aan den Staat overdroeg de volkomen contrôle op het huwelijk, want die revolutie werd bewerkt zonder inmenging van eenige wet. Het zal even moeilijk zijn het overgaan te bemerken van de contrôle op het huwelijk van den Staat op de betrokken individuen, en nog des te moeilijker omdat, hoewel het essentieele en intieme persoonlijke feit van het huwelijk niet een eigenlijke zaak is voor contrôle van den Staat, er toch bepaalde kanten zijn aan het huwelijk, die zoo nauw de belangen van de gemeenschap raken, dat de Staat verplicht is er op aan te dringen, dat ze opgeschreven worden en om aandeel te nemen in de regeling ervan.Er wordt soms gezegd, dat het resultaat van het losser maken van de vormelijke gebondenheid van de huwelijksverhouding zou zijn een neiging tot moreele laksheid. Zij, die dit zeggen, zien het feit over het hoofd, dat laksheid neiging heeft haar maximum te bereiken als resultaat van gebondenheid, en dat daar, waar de strenge enkel uiterlijke autoriteit van een star huwelijk overheerschend is, de uitersten van ongebondenheid het meest bloeien. Het is, om dezelfde reden, ook ontwijfelbaar waar, dat ieder plotseling wegnemen van beperkingen noodzakelijk een reactie met zich brengt naar het tegenovergesteld uiterste van losbandigheid; een slaaf wordt niet ineens veranderd in een zelfstandigen vrije. Toch moeten we ons herinneren, dat de huwelijksorde bestond duizende jaren voordat er eenige poging gedaan werd om ze door menschelijke wetgeving in willekeurige vormen te kneden. Zulk een wetgeving was, naar we gezien hebben, de poging van den menschelijken geest om de eischen van zijn eigen instincten met meer nadruk te bevestigen. Maar het eindresultaat ervan is, dat ze de instincten, die ze geïnspireerd hebben, eerder verstikt en tegenhoudt dan dat zij ze bevordert. Het geleidelijk verdwijnen ervan geeft aan de natuurlijke orde vrij baan54.De groote waarheid, dat dwang niet werkelijk een kracht is aan den kant van de deugd, maar aan den kant van de ondeugd, is duidelijk erkend geworden door het genie van Rabelais, toen hij van zijn idealen maatschappelijken staat, de Abdij van Thelema, zeide, dat er maar één paragraaf was in het geheele reglement:Fay ce que vouldras. “Omdat” zeide Rabelais (Boek I, hoofdst. VII), “vrije menschen, die van goede geboorte en wel opgevoed zijn, en die zich in goede gezelschappen bewegen, van nature een instinct hebben en een drang, die hen tot deugdzame daden dwingt en hen van de ondeugd terughoudt. Indien deze zelfde menschen door lage onderwerping en dwang ten onder gebracht zijn en ten onder gehouden worden, dan keeren zij zich af van die edele gezindheid, waarin ze vrijwillig geneigd waren tot de deugd, om dien band der dienstbaarheid af te schudden en te verbreken”. Zoo dat, als een man en vrouw, die onder den regel van Thelema geleefd hadden, elkander huwden, hun wederzijdsche liefde, naar Rabelais ons vertelt, onverminderd voort zou duren tot den dag van hun dood.Als het verlies van autonome vrijheid niet leidt tot losbandigen opstand, loopt ze het tegenovergestelde gevaar en heeft neiging om te worden een zwak zich verlaten op een uiterlijken steun. De kunstmatige steun van de regeling van het huwelijk van Staatswege gelijkt dan op den kunstmatigen steun van het lichaam, die geleverd wordt door het dragen van het corset. De redenen voor en tegen het aannemen van een kunstmatigen steun zijn in beide gevallen dezelfde. Een corset geeft werkelijk een gevoel van steun; het geeft zonder moeite een tamelijk bevredigend uiterlijk van fatsoen; het is een werkelijke bescherming tegen ongevallen. Maar de prijs, ten koste waarvan het dit voordeel geeft, is groot, en de voordeelen zelf bestaan alleen maar onder onnatuurlijke omstandigheden. Het corset belemmert den vorm en de gezonde ontwikkeling van de organen; het verzwakt het stelsel der vrije spieren; het is onbestaanbaar met volmaakte gratie en schoonheid; het vermindert de som van de actieve energie, Het oefent, om kort te gaan, dezelfdesoort van invloed uit op de physieke verantwoordelijkheid als het vormelijk huwelijk op de moreele verantwoordelijkheid.Het is maar al te dikwijls vergeten, en moet daarom herhaald worden, dat getrouwde menschen niet te zamen blijven terwille van den een of anderen godsdienstigen of wettelijken band; die band is alleen maar het historisch gevolg van hun natuurlijke neiging om tezamen te blijven, een neiging, die zelf veel ouder is dan de geschiedenis. “De liefde zou nu nog in de wereld bestaan, even rein en even duurzaam”, zegt Shufeldt (Medico-Legal Journal, Dec. 1897), “als de mensch nooit het “huwelijk” had uitgevonden. Waarlijk verwante paren zoudenelkandertrouw gebleven zijn zoo lang het leven duurde. Eerst als de menschen trachten de natuur te verbeteren, treden misdaad, ziekte en ongeluk op”. “Het afschaffen van het huwelijk in den vorm, zooals die nu in praktijk gebracht wordt”, schreef Godwin meer dan een eeuw geleden (Political Justice, tweede uitgave, 1796, deel I p. 248),“zal met geen nadeelen gepaard gaan. Wij zijn geneigd het ons voor te stellen als de voorbode van brutalen lust en verdorvenheid. Maar het gebeurt in dit geval werkelijk, evenals in andere gevallen, dat de positieve wetten, die gemaakt zijn om onze ondeugden in bedwang te houden, die juist aanwakkeren en vermeerderen”. En waar Professor Law aandringt op de kracht van het monogamisch gevoelen in de moderne maatschappij, merkt hij naar waarheid op (International Journal of Ethics, Oct. 1896), dat de opstand tegen strakke huwelijksbanden “in werkelijkheid berust juist op het strakker maken van de ware banden van huwelijksgenegenheid, te zamen met een redelijke en volkomen gepaste vastberadenheid van den kant van het individu om, in een zoo belangrijke zaak, niets minder dan het echte artikel aan te nemen”. “Als op eenmaal”, zegt Professor Woods Hutchinson (Contemporary Review, Sept. 1905),“alle huwelijksbanden, die nu bestaan, verbroken of voor onwettig verklaard werden, dan zouden acht tiende van alle paren binnen de acht-en-veertig uur hertrouwd zijn, en zeven tiende zouden met bajonetten niet uit elkaar gehouden kunnen worden”. Een proef van deze soort op kleine schaal was in 1909 te zien in een Engelsch dorp in Buckinghamshire. Er werd ontdekt dat de kerk van het kerspel nooit vergunning gekregen had voor het sluiten van huwelijken, en dat dus alle menschen, die in die kerk in de laatste halve eeuw getrouwd waren, door geen wettig huwelijk gebonden waren. Toch maakte, voor zoover als men te weten kon komen, geen enkel van de paren, die zoo bevrijd waren van den wettelijken dwang van het huwelijk, gebruik van de verkregen vrijheid. Gezien zulk een feit is het werkelijk onmogelijk eenige moreele waarde te hechten aan den vorm van het huwelijk.Het is zeker onvermijdelijk, dat in een periode van overgang, de natuurlijke orde tot zekere hoogte verstoord wordt door het blijven bestaan, zij het dan in een verminderden vorm, van uiterlijke banden, waarvan men bewust begint te erkennen, dat ze vijandig zijn aan de gebiedende heerschappij van individueele moreele verantwoordelijkheid. Dit kunnen we tegenwoordig duidelijk opmerken. Een overgevoelige angst om te ontsnappen aan uiterlijken dwang brengt met zich een onderschatten van de beteekenis van persoonlijke beperking in de huwelijksverhouding. Iedereen kent waarschijnlijk wel gevallen, waarin een paar jarenlang te zamen zal leven zonder den wettigen huwelijksband aan te gaan, niettegenstaande moeilijkheden in hun wederzijdsche verhouding, die al lang aanleiding zouden hebben gegeven tot een scheiding van tafel en bed of tot een echtscheiding, als zij wettig getrouwd waren geweest. Als de moeilijkheden, die onafscheidelijk verbondenzijn aan de huwelijksverhouding, gecompliceerd worden door de moeilijkheden, die komen door uiterlijken dwang, dan slaat de ontwikkeling van de moreele verantwoordelijkheid twee wegen in, en voert tot gevolgen, die niet geheel bevredigend zijn. Dit heeft men gezien in de Vereenigde Staten van Amerika en er is door Amerikaansche denkers reeds dikwijls de aandacht op gevestigd. Het is natuurlijk voornamelijk in vrouwen opgemerkt, omdat de nieuwe groei van persoonlijke vrijheid en moreele verantwoordelijkheid zich onder de vrouwen voornamelijk heeft doen gevoelen. Het eerste ontstaan van deze nieuwe impulsen, vooral als ze samengaan, wat zoo dikwijls gebeurt, met onervarenheid en onwetendheid, voert tot ontevredenheid met de natuurlijke orde, tot een eisch van onmogelijke bestaansvoorwaarden, en tot een ongeschiktheid niet alleen voor de willekeurige banden van de wet, maar zelfs voor de gezonde en noodzakelijke banden van het menschelijk maatschappelijk leven. Het is altijd een harde les voor jonge en idealistische menschen, dat wij, om de natuur te beheerschen, haar moeten gehoorzamen; dit kan alleen geleerd worden door aanraking met het leven en door het bereiken van den vollen menschelijken wasdom.Dr. Felix Adler vestigde (in een toespraak in deSociety of Ethical Culturein New-York, Nov. 17, 1889) de aandacht op wat hij beschouwde als de diepst gewortelde oorzaak van een overmatig voorkomen van echtscheiding in Amerika. “Het valsche denkbeeld van individueele vrijheid wordt in Amerika algemeen aangenomen”, en als het wordt toegepast op het familieleven, voert het dikwijls tot ongeduld met de plichten, die het individu òf door zijn geboorte heeft gekregen òf vrijwillig op zich heeft genomen. “Ik ben geneigd te gelooven, dat de veelvuldigheid van de echtscheiding in geen geringe mate moet worden toegeschreven aan den invloed van democratische denkbeelden—dat is van valsche democratische denkbeelden—en onze hoop is gevestigd op een hoogere en meer ware democratie”. Een latere Amerikaansche auteur, ditmaal een vrouw, Anna A. Rogers (“Why American Marriages Fail”,Atlantic Monthly, Sept., 1907) spreekt in denzelfden geest, misschien op minder geschikte wijze. Zij zegt, dat echtscheidingen in Amerika zooveel voorkomen om drie redenen: 1. het niet begrijpen van de vrouw, dat het huwelijk haar werk is in de wereld; 2. haar aangroeiend individualisme; 3. het verlies van de kunst om te geven, die vervangen is door een zeer ontwikkelde neiging om te ontvangen. De Amerikaansche vrouw, zegt deze schrijfster, heeft bij het ontdekken van haar eigen individualiteit nog niet geleerd hoe ze die beheerschen moet; die individualiteit is nog “in hooge mate een nuttelooze, onrustige factor die haarzelf even weinig vrede brengt als de in haar onmiddellijke nabijheid levende personen”. Haar omstandigheden hebben neiging van haar te maken “een merkwaardig afwijkende bastaardvorm; een tusschending tusschen een prachtigen, tamelijk ongemanierden jongen en een bedorven veeleischendedemi-mondaine, die in deze wereld van niemand oprecht houdt dan van zichzelf alleen”. Zij heeft nog niet geleerd, dat het hoogste vrouwenwerk in de wereld alleen bereikt kan worden door het vrijwillig aannemen van de beperkingen van het huwelijk. Dezelfde schrijver voegt er bij, dat de fout niet alleen berust bij de Amerikaansche vrouwen, maar ook bij de Amerikaansche mannen. Hun vergoding van hun vrouwen is grootendeels de oorzaak van die onverdraagzaamheid en zelfzucht, die de oorzaak zijn van zooveel echtscheidingen; “Amerikaansche vrouwen worden, als regel, buitensporig vertroeteld en vereerd”.Maar de mannen, die zich hiertoe leenen, voelen niet, dat zij hun vrouwen kunnen behandelen met dezelfde kameraadschappelijkheid, waarmee de Franschen hun vrouwen behandelen, of met hetzelfde vertrouwen haar raad zoeken; de Amerikaansche vrouw is op een onwerkelijk voetstuk geplaatst. Toch wijst een ander Amerikaansch schrijver er op (Rafford Pyke, “Husbands and Wives”,Cosmopolitan, 1902), dat maar een klein deel der Amerikaansche huwelijken werkelijk ongelukkig is, en dat dat voornamelijk in de meer beschaafde standen voorkomt, waar de vrouwenbeweging ingang vindt; het komt meer voor, dat de vrouw teleurgesteld is in het huwelijk dan de man, en dit komt voornamelijk doordat zij niet in staat is haar individualiteit, niet noodzakelijk ondergeschikt te maken aan, maar te doen opgaan in een evenboortige met de zijne. “Het huwelijk wordt tegenwoordig in zijn succes meer en meer afhankelijk van de aanpassing aan omstandigheden, die psychisch zijn. Terwijl het in vroegere generaties voldoende was, dat een vereeniging physiek wederkeerig zou zijn, moet ze in onze eeuw ook psychisch wederkeerig zijn. En terwijl vroeger de gemeenschap van de belangen gemakkelijk bereikt werd, wordt dat nu veel moeilijker doordat de vrouwen van tegenwoordig niet geneigd zijn haar afzonderlijke persoonlijkheid te doen opgaan in die van haar man. En toch, als zij dit niet doet, hoe kan ze dan een volkomen en volmaakte belangstelling hebben in het te zamen leven, en hoe kan hij dat hebben?”Professor Münsterburg, de beroemde psycholoog, die zich op een breeder standpunt plaatst in zijn vrijmoedige, maar waardeerende studie van Amerikaansche instellingen,The Americans, wijst er op, dat de invloed van de vrouwen op de moraal in Amerika niet in alle opzichten bevredigend geweest is, in zooverre ze neiging heeft gehad ondiepheid en oppervlakkigheid aan te moedigen. “De Amerikaansche vrouw, die nauwelijks een greintje opvoeding heeft”, merkt hij op (p. 587), “is dadelijk klaar met een oordeel over ieder mogelijk onderwerp … De aanmatiging van dit vrouwelijk gebrek aan kennis is het symptoom van een diepen trek in het vrouwelijk karakter en in de vrouwelijke ziel, en wijst op gevaren, die voortkomen uit het overheerschen van de vrouw in het intellectueele leven … En in geen ander beschaafd land worden ethische opvattingen zoo verteerd door bijgeloof”.Zooals we gezien hebben wordt het huwelijk, volgens de moderne opvattingen, als een vrijwillige vereeniging erkend, die door twee vrije, gelijke, en moreel verantwoordelijke persoonlijkheden aangegaan wordt; men beschouwt die vereeniging eer als een ethisch sacrament dan als een contract, zoodat het in zijn wezen, als physieke en geestelijke band buiten de sfeer van de handelingen van den staat ligt. Het is noodig geweest dit punt uit te werken, voordat wij komen aan wat aan velen een totaal er aan tegenovergesteld gezichtspunt van het huwelijk zal toeschijnen. Als de huwelijksvereeniging zelf geen zaak kan zijn voor een contract, zoo leidt ze toch natuurlijk tot een feit, dat noodzakelijkerwijze een zaak is van een implicite of explicite overeenkomst, een zaak bovendien, waarbij de gemeenschap in haar geheel een werkelijk en gepast belang heeft: dat is het feit van de voortplanting55.De oude Egyptenaren—bij wie de huwelijksinstellingen zooelastisch waren en de positie der vrouwen zoo hoog—erkenden een voorloopige en lichte huwelijksband, met het doel de vruchtbaarheid te onderzoeken56. Bij ons treft de wet zulke vaderlijke maatregelen niet, zij laat aan de jonge paren zelf de verantwoordelijkheid over voor alle eventueele proeven, een permissie, waarvan deze paren, zooals we gezien hebben, in ruime mate gebruik maken, terwijl ze gewoonlijk het wettelijk huwelijk sluiten vóor de geboorte van hun kind. Die wettelijke band is de erkenning, dat het inleiden van een nieuw individu in de gemeenschap niet, als de sexueele vereeniging, uitsluitend een persoonlijk feit is, maar dat het een maatschappelijk feit is, een feit, dat den staat wel moet aangaan. En hoe meer wij onderzoek doen naar de neiging van de moderne huwelijksbeweging, des te meer zullen we erkennen, dat de houding van vrijheid, van individueele moreele verantwoordelijkheid bij het vormen van sexueele verhoudingen gecompenseerd moet worden door een houding van gestrengheid, van nauwgezet maatschappelijk toezicht in de kwestie van de voortplanting. Twee personen, die een erotische verhouding aangaan, zijn, als zij tot de overtuiging komen dat hun verhouding een werkelijk huwelijk is, dat zijn natuurlijk doel heeft in de voortplanting, verplicht een contract te onderteekenen, dat, hoewel het henzelf persoonlijk vrij laat, toch hen allebei moet binden aan hun plichten jegens hun kinderen57.Er is een dubbele noodzakelijkheid voor zulk een handelwijze, zelfs afgezien van het feit, dat het in de hoogste mate in het belang van de ouders zelf is. Het is noodig in het belang van het kind. Het is noodig in het belang van den staat. Een kind kan opgevoed worden, en goed opgevoed, door een van de ouders, die daartoe in staat is. Maar om een kind voldoende toe te rusten voor zijn intrede in het leven, zijn de beide ouders even noodig. De Staat van zijn kant—dat is te zeggen, de gemeenschap, waarvan de ouders en het kind gelijkelijk deel uitmaken—is verplicht te weten wie de personen zijn, die borgen zijn geworden voor een nieuw individu, dat nu in hun midden is ingeleid. De meest individualistische en de meest socialistischeStaat zijn gelijkelijk verplicht, als ze trouw zijn aan hun belangen, zoowel hun biologische als hun economische belangen, aan te dringen op het volle wettige en erkende ouderschap van den vader en de moeder van ieder kind. Dat wordt duidelijk geëischt door het belang van het kind; het wordt ook duidelijk geëischt door het belang van den Staat.De slagboom, die zich in het Christendom tegenover de natuurlijke erkenning van dit feit gesteld heeft, dat zoo schadelijk is zoowel voor het kind als voor den staat, is klaarblijkelijk de starheid van het huwelijkssysteem geweest, meer speciaal zooals het door de canonieke wet gevormd is. De Canonisten hechtten een waarlijk buitengewoon groote waarde aan decopula carnaliszooals zij het technisch noemden. Voor hen lag het centrum van het huwelijk in de vagina; voor hen had de aanwezigheid of de afwezigheid van een kind weinig belang. De vagina is, zooals wij weten, niet altijd een even stevig centrum gebleken tot steun van het huwelijk, en dat centrum wordt nu langzamerhand overgebracht op het kind. Als wij ons van de Canonisten afwenden naar de geschriften van de modernen, zooals Ellen Key, die zoo juist weergeeft wat in den laatsten tijd het meest karakteristiek en essentieel is in de neigingen der huwelijksontwikkeling, dan schijnen we een nieuwe wereld te zijn binnengetreden, zelfs een door nieuw licht bestraalde wereld. Want “in de nieuwe sexueele moraal gaat het licht, evenals in Corregio’sNotte, uit van het kind”58.Ongetwijfeld is deze verandering in ruime mate een zaak van gevoel, van, zooals we soms minachtend zeggen, uitsluitend gevoel, hoewel er in de menschelijke zaken niets zoo machtig is als dat gevoel, en de revolutie, bewerkt door Jezus, de latere revolutie, bewerkt door Rousseau, waren voornamelijk revoluties in gevoel. Maar de verandering is ook een zaak van de aangroeiende erkenning van belangen en rechten, en als zoodanig openbaart ze zich in de wet. We kunnen er nauwelijks aan twijfelen, dat wij bezig zijn een tijd te naderen, waarop algemeen begrepen zal worden, dat de intrede van ieder kind in de wereld, zonder uitzondering, voorafgegaan behoorde te worden door het vormen van een huwelijkscontract, dat, terwijl het op geenerlei wijze den vader en de moeder aan plichten bindt, of aan eenige voorrechten jegens elkander, hen beiden bindt aan hun kind en terzelfder tijd hun verantwoordelijkheid jegens den Staat verzekert. Het is voor den Staat onmogelijk meer te krijgen, maar het moest hem onmogelijk zijn minder te eischen. Zulk een contract “huwt” den vader en de moeder, voor zoover het ouderschap van het individueele kind betreft, en in geen ander opzicht; het is een contract, dat hunverleden, tegenwoordige, of toekomstige verhoudingen jegens andere personen volkomen onaangeroerd laat, anders zou het niet mogelijk zijn het af te dwingen. In alle deelen van de wereld begint deze elementaire eisch van maatschappelijke moraal langzamerhand erkend te worden, en daar hij invloed heeft op honderd duizenden kinderen59, die jaarlijks gebrandmerkt worden als “onwettig” door geen daad van henzelf, kan niemand zeggen, dat de erkenning te vroeg is gekomen. Tot nog toe schijnt ze nergens volkomen te zijn.De meeste pogingen of voorstellen tot regeling der rechten van onwettige kinderen hebben betrekking op het wettigen van vereenigingen van een minder bindenden graad dan het tegenwoordige wettige huwelijk. Zulke vereenigingen zouden dan moeten dienen om andere verkeerdheden tegen te gaan. Zoo zegt een Engelsch schrijver, die veel studie gemaakt heeft van sexueele kwesties, in een particulieren brief: “Het beste geneesmiddel voor de losbandigheid van ongetrouwde mannen en de geestelijke en lichamelijke ellenden van onthouding bij vrouwen zou te vinden zijn in een erkend fatsoenlijk systeem van vrije vereenigingen en proefhuwelijken, waarbij omgang met preventieve middelen in praktijk gebracht wordt, totdat het paar oud genoeg is om ouders te worden, en totdat zij voldoende middelen bezitten om een familie te onderhouden. Het vooruitzicht van een bestaan zonder liefde is voor jonge mannen en vrouwen van een vurigen aard ondragelijk en even verschrikkelijk als het vooruitzicht van pijnlijke ziekte en dood. Maar ik denk, dat de oude orde van zaken binnen kort zal moeten veranderen”.In de Teutonische landen bestaat er een duidelijk te onderscheiden gevoelsstrooming in de richting van het instellen van wettige vereenigingen van een lagere soort dan het huwelijk. Zij bestaan in Zweden, evenals in Noorwegen, waar bij een onlangs uitgevaardigde wet het onwettige kind aanspraak heeft op dezelfde rechten met betrekking tot beide ouders als het wettige kind, den naam van den vader draagt, en zijn bezittingen erft (Die Neue Generation, Juli, 1901, p. 303). In Frankrijk heeft de bekende rechter Magnard, die zoo eervol bekend is door zijn houding in gevallen van kindermoord door jonge moeders, gezegd: “Ik wilde van ganscher harte, dat naast de instelling van het huwelijk zooals het nu bestaat, een vrije vereeniging bestond, gevormd door een enkele verklaring voor een overheidspersoon en die bijna dezelfde familierechten gaf als het gewone huwelijk”. Deze wensch heeft in ruimen kring weerklank gevonden.In China worden, hoewel polygamie in de strikte beteekenis niet kan gezegd worden te bestaan, de belangen van het kind, de vrouw en de staat gelijkelijk beschermd door den man in staat te stellen een soort bij-huwelijk aan te gaan met de moeder van zijn kind. “Dank zij dit systeem”, zegt Paul d’Enjoy (La Revue, Sept. 1905), “dat den man toestaat te trouwen met de vrouw, die hij wenscht, zonder daarin verhinderd te worden door vorige en niet verbroken vereenigingen, is het te begrijpen, dat we opmerken, dat er geen verleide en verlaten meisjes zijn, behalve zulke, die geen wet zou kunnen redden van wat werkelijk aangeboren verdorvenheid is; en dat er geen onwettige kinderen zijn, behalve zulke, wier moeders ongelukkigerwijze dichter bij de dieren staan door haar zinnen, dan bij menschelijke wezens, door haar verstand en waardigheid”.Het nieuwe wetboek van Japan, dat in vele opzichten zoo vooruitstrevend is, staat toe, dat een onwettig kind “erkend” zal worden door het aangevenbij den ambtenaar van den burgerlijken stand; als een getrouwd man zoo’n kind erkent, dan schijnt het, dat het kind door zijn vrouw als haar eigen kan aangenomen worden, hoewel het niet werkelijk gewettigd is. Deze stand van zaken vertegenwoordigt een overgangsstadium; het kan nauwelijks gezegd worden, dat het de rechten erkent van de moeder van het “erkende” kind. Japan, mogen we hier aan toevoegen, heeft het principe aangenomen van de automatische wettiging door het huwelijk, van de kinderen die aan het paar geboren zijn vóór het huwelijk.In Australië, waar vrouwen een grooter aandeel hebben in het maken en uitvoeren van de wetten dan elders, begint men eenige belangstelling te wijden aan de rechten van onwettige kinderen. Zoo kan in Zuid-Wales het vaderschap bewezen worden vòòr de geboorte, en de vader zorgt (op bevel van de overheid) voor huisvesting een maand vòor en een maand nà de geboorte, zoowel als voor de baker, den dokter, en voor kleeding, en stelt een borg, dat hij zijn verplichtingen zal nakomen; na de geboorte betaalt hij, na uitspraak van de overheidspersoon een wekelijksche som voor het onderhoud van het kind. Een “ongehuwde” moeder kan ook zes maanden lang in een openbare instelling op staatskosten onderhouden worden, om haar in staat te stellen zich aan haar kind te hechten.Zulke bepalingen hebben zich ontwikkeld uit het in ruimen kring erkende recht van de ongetrouwde vrouw om ondersteuning voor haar kind te eischen van zijn vader. In Frankrijk echter, en in de wetboeken, die het Fransche voorbeeld volgen, is het wettelijk niet geoorloofd navraag te doen naar het vaderschap van een onwettig kind. Het is onnoodig te zeggen, dat zulk een wet even onbillijk is tegenover de moeder, als tegenover het kind, als tegenover den staat. In Australië gaat de wet naar het tegenovergestelde, zeker redelijker uiterste en staat zelfs aan de moeder, die meerdere minnaars gehad heeft, toe, zelf uit te kiezen, wien ze verantwoordelijk wil stellen voor haar kind. Het Duitsche wetboek kiest den middenweg, en komt alleen aan die ongetrouwde moeder te hulp, die één minnaar heeft gehad. In al zulke gevallen echter is de hulp, die gegeven wordt, alleen geldelijk; ze verzekert de moeder geen erkenning of respect, en (naar Wahrmund naar waarheid gezegd heeft in zijnEhe und Eherecht) is het nòg noodig aan te dringen op de “onvoorwaardelijke heiligheid van het moederschap, dat, onder welke omstandigheden het ook voorkomt, aanspraak heeft op respect en bescherming van de maatschappij”.We moeten hieraan toevoegen, dat, uit maatschappelijk gezichtspunt, het niet de sexueele vereeniging is, die wettelijke erkenning behoeft, maar het kind, dat het product is van die vereeniging. Het zou bovendien een hopelooze zaak zijn te trachten alle sexueele verhoudingen te wettigen, maar het is betrekkelijk gemakkelijk alle kinderen te erkennen.Er is in vroeger tijd veel geredetwist over den specialen vorm, dien het huwelijk behoorde aan te nemen. Vele theoretici hebben hun vernuft ingespannen voor het uitvinden en prediken van nieuwe en ongewone huwelijksschikkingen, als panacee voor maatschappelijke nooden; terwijl anderen nog grootere energie hebben ten toon gespreid bij het bestrijden van zulke voorstellen als revolutionair. We mogen al zulke besprekingen, van beide zijden, als nutteloos beschouwen.In de eerste plaats zijn de huwelijksgewoonten veel te fundamenteel, veel te intiem ingeweven met het wezen van het menschelijk, ja van het dierlijk samenleven, om ook maar in de geringste mate geschokt te worden door de theorieën of de praktijken van enkeleindividuen of groepen van individuen. De monogamie—de min of meer langdurende cohabitatie van twee individuen van verschillend geslacht—is het overheerschend type geweest van de sexueele verhouding onder de hoogere werveldieren en wel het grootste gedeelte van de geschiedenis der menschheid door. Dit wordt zelfs toegegeven door hen, die meenen (zonder eenig redelijk bewijs), dat de mensch door een stadium gegaan is van sexueelepromiscuïteit. Er zijn neigingen geweest tot varieeren in beide richtingen, maar in het hoogste zoowel als in het laagste stadium is, voor zoover we zien kunnen, de monogamie de heerschende regel.Het moet ook in de tweede plaats gezegd worden, dat het natuurlijk overheerschen van de monogamie als normaal type van sexueele verhouding, geenszins variaties uitsluit. Veeleer laat ze die toe. “Er is niets precies in de Natuur”, zooals Diderot zegt. De lijn van de Natuur is een kromme, die slingert naar beide zijden van den norm. Zulke slingeringen komen onvermijdelijk voor in harmonie met veranderingen van de omgeving, en, ongetwijfeld, met eigenaardigheden van persoonlijke dispositie. Zoolang geen willekeurige en enkel uiterlijke poging wordt gedaan om de Natuur te dwingen, wordt de harmonie des levens in stand gehouden. Bij zekere soort van eenden worden, als er mannetjes te veel zijn, polyandrische families gevormd, en dan zorgen de twee mannetjes zonderjaloezievoor hun vrouwtje, maar als de geslachten weer gelijk in aantal worden, wordt de monogame orde weer ingesteld. De natuurlijke menschelijke afwijkingen van de monogamische orde schijnen over het algemeen van dezen aard te zijn en ze schijnen in hooge mate beïnvloed te worden door de maatschappelijke en economische omgeving. De meest gewone variatie en degene, die het duidelijkst een biologischen grondslag heeft, is de neiging tot polygynie, die in alle stadiën van de beschaving gevonden wordt, zelfs in een niet erkenden en min of meer gemengden vorm in de hoogste beschaving60. We moeten echter niet vergeten, dat erkende polygynie geen regel is, zelfs niet, waar ze overheerschend is; ze wordt alleen maar toegestaan; er is nooit zoo’n overvloed van vrouwen, dat meer dan enkele van de rijkere en meer invloedrijke personen meer dan één vrouw kunnen hebben61.Verder moet men in gedachte houden, dat een zekere elasticiteit van de formeele zijde van het huwelijk, terwijl ze aan den eenen kant variaties toelaat van de algemeene monogamische orde, waar die gezond zijn of noodig om het evenwicht in natuurlijke toestanden te herstellen, aan den anderen kant zulke variaties in zooverre binnen de perken houdt, als zij berusten op den storenden invloed van kunstmatige beperking. Veel van de polygynie, en van de polyandrie ook, die tegenwoordig onder ons heerscht, is een geheel kunstmatige en onnatuurlijke vorm van polygamie. Huwelijken, die op een meer natuurlijke basis zouden ontbonden worden, kunnen wettelijk niet ontbonden worden, en daarom nemen de betrokken partijen, in plaats van van deelgenoot te veranderen en zoo de natuurlijke monogamische orde te bewaren, er andere deelgenooten bij en voeren zoo een onnatuurlijke polygamie in. Er zullen altijd variaties zijn van de monogame orde en de beschaving staat tegenover sexueele variaties geenszins vijandig. Of we deze verhoudingen beschouwen als wettig of als onwettig, ze zullen er altijd zijn; daar kunnen we zeker van zijn. De maatschappelijke wijsheid schijnt aan den eenen kant de huwelijksverhouding buigzaam genoeg te zullen maken om deze afwijkingen tot een minimum terug te brengen—niet omdat zulke afwijkingen uit hun aard slecht zijn, maar omdat ze niet met geweld in het leven moesten geroepen worden—en aan den anderen kant aan deze afwijkingen, als zij voorkomen in zoodanige mate erkenning te zullen verschaffen, dat ze hunnadeeligeninvloed verliezen en te zorgen, dat er rechtvaardigheid beoefend wordt jegens alle betrokken partijen. Wij vergeten maar al te dikwijls, dat het feit dat wij zulke variaties niet willen erkennen, alleen maar beteekent, dat wij in zulke gevallen een onwettige permissie geven om onrechtvaardigheid te bedrijven. In die deelen van de wereld, waar polygynie erkend wordt als een gepermitteerde variatie, is een man wettelijk gehouden aan zijn natuurlijke verplichtingen jegens al zijn sexueele deelgenooten en jegens de kinderen, die hij bij die deelgenooten heeft. In geen deel van de wereld is de polygynie zoo overheerschend als in de Christelijke landen; in geen deel van de wereld is het zoo gemakkelijk voor een man om te ontsnappen aan de verplichtingen, die hij zich door de polygynie op den hals gehaald heeft. En doordat we een man in staat stellen, zoo gemakkelijk te ontsnappen aan de verplichtingen van zijn polygame verhoudingen, moedigen wij hem, als hij gewetenloos is, aan, om ze aan te gaan; wij stellen een premie op de immoraliteit, die we uit de hoogte veroordeelen62. Onze polygyniebestaat niet wettelijk, en daarom kunnen de verplichtingen ervan ook geen wettig bestaan hebben. Men zegt, dat de struisvogel zijn hoofd in het zand steekt om moeilijkheden te ontloopen door te weigeren er naar te kijken; maar er is nog een bekend dier, dat zoo doet, en het heet Mensch.Monogamie, in de fundamenteele biologische beteekenis, is de natuurlijke orde, waartoe de meerderheid van de sexueele feiten altijd van nature zal vervallen, omdat ze de verhouding is, die het meest gepast overeenkomt met alle physieke en geestelijke feiten, die er bij behooren. Maar als we ons voor oogen stellen, dat sexueele verhoudingen in de eerste plaats de menschen aangaan, die er bij betrokken zijn, en als we verder weten, dat het belang van de maatschappij in zulke verhoudingen beperkt is tot de kinderen, die zij voortbrengen, dan zullen we ook weten, dat het vaststellen bij de wet van het aantal vrouwen, met wie een man sexueele gemeenschap zal hebben, en het aantal mannen, waarmee een vrouw zich zal vereenigen onredelijker is dan het zou zijn om bij de wet vast te stellen hoeveel kinderen zij zullen voortbrengen. De Staat heeft het recht om te zeggen, of hij weinig burgers noodig heeft of veel; maar als hij tracht het aantal sexueele verhoudingen van zijn leden te regelen, dan beproeft de Staat een onmogelijke taak en maakt zich tevens schuldig aan een onbeschaamdheid.Er is altijd in zekere stadiën van de beschaving een neiging om aan te dringen op een zuiver formeele en uiterlijke eenvormigheid, en een daarmee overeenkomend onvermogen om te zien, niet alleen dat zulk een eenvormigheid onwerkelijk is, maar dat ze ook een nadeelige uitwerking heeft, in zooverre ze weldadige variaties uitsluit. De neiging is geenszins beperkt tot de sexueele sfeer. In Engeland is er bij voorbeeld een neiging om bouwwetten te maken, die wat de huizen betreft, allerlei bepalingen opleggen, die in theorie weldadig zijn, maar die in de praktijk verkeerde uitwerking hebben, omdat zij vele eenvoudige en uitstekende menschelijke woonplaatsen absoluut onwettig maken, alleen omdat zulke woonplaatsen niet beantwoorden aan bepalingen, die, onder sommige omstandigheden niet alleen onnoodig zijn, maar kwaad stichten.Variatie is een feit, dat zal bestaan of wij het willen of niet; ze kan alleen gezond worden als we ze erkennen en toestaan. Misschien moeten we zelfs wel erkennen, dat het een duidelijker sprekende neiging is in de beschaving dan in meer primitieve maatschappelijke stadiën. Zoo zegt Gerson (Sexual-Probleme, Sept., 1908, p. 538), dat, evenals de beschaafde mensch niet tevreden kan zijn met het ruwe en eentonige voedsel, waar de boer tevreden mee is, het in sexueele zaken evenzoo gaat; de boerenjongen en het boerenmeisje zijnin hun sexueele verhoudingen bijna altijd monogaam, maar beschaafde menschen, met hun meer veelzijdige gevoelige smaak, hebben neiging om naar verandering te snakken. Senancour (De l’Amour, deel II, “Du Partage”, p. 127) schijnt de mogelijkheid aan te nemen van huwelijks-variaties, zooals van het samen deelen van een vrouw, mits er niets gedaan wordt om naijver op te wekken, of om nadeel toe te brengen aan de reinheid der ziel. Lecky verklaarde aan het eind van zijnHistory of European Morals, dat hij geloofde, dat, terwijl de duurzame vereeniging van twee personen het normale en overheerschende type is van het huwelijk, er geenszins uit volgt, dat dit, in het belang der maatschappij, de eenige vorm zou zijn. Evenzoo zegt Remy de Goncourt (Physique de l’Amour, p. 186), die toch constateert, dat het paar de natuurlijke huwelijksvorm is en de duurzame verlenging ervan een voorwaarde van menschelijke superioriteit, dat de duurzaamheid van de vereeniging slechts met moeite kan worden tot stand gebracht. Zoo zegt ook Prof. W. Thomas (Sex and Society, 1907, p. 193), die de monogamie beschouwt als dienstbaar aan maatschappelijke doeleinden: “Van het biologisch standpunt gesproken beantwoordt de monogamie in den regel niet aan de voorwaarden van de hoogste prikkeling, omdat hier de problematische en bedriegelijke elementen tot zekere hoogte verdwijnen, en het voorwerp van de belangstelling zoo gewoon is geworden voor het bewustzijn, dat gevoelsreacties gewijzigd worden. Dit is de oorspronkelijke verklaring van het feit, dat getrouwde mannen en vrouwen zoo dikwijls belangstelling gaan voelen voor anderen dan hun deelgenooten in het huwelijk”.Pepys, wiens onbewuste zelf-analyse zoo vele psychologische neigingen uitmuntend illustreert, toont duidelijk aan hoe—door een gevoelslogica, dieper dan eenige intellectueele logica—de toewijding aan de monogamie bestaat naast een onweerstaanbaren hartstocht voor sexueele verandering. Met een voortdurend terugkomende grillige aantrekking tot een lange reeks van vrouwen, behoudt hij doorloopend een diepe en onveranderlijke genegenheid voor zijn beminnelijke jonge vrouw. In de intimiteit van zijnDiaryverwijst hij dikwijls naar haar in woorden, die niet geveinsd kunnen zijn; hij geniet van haar gezelschap; hij is zeer precies op haar kleeding; hij verheugt zich zeer in haar vorderingen in de muziek, en besteedt veel geld aan haar opvoeding; hij is bepaald jaloersch als hij haar in gezelschap vindt van een man. Zijn bijkomende verhoudingen met andere vrouwen komen onweerstaanbaar weer voor, maar hij wenscht ze in het geheel niet van langen duur te maken of toe te staan, dat ze hem te zeer in beslag nemen. Pepys vertegenwoordigt een gewoon type van den beschaafden “monogamist”, die volkomen oprecht is en ten zeerste overtuigd in zijn pleidooi voor de monogamie, zooals hij ze begrijpt, maar die toch tevens gelooft en ook handelt naar het geloof, dat de monogamie geenszins de behoefte aan sexueele variatie uitsluit. Het gezegde van Lord Morley (Diderot, deel II, p. 20), dat “de man van instinct polygaam is”, kan in zijn geheel niet aangenomen worden, maar als wij het zoo uitleggen, dat het beteekent, dat de man een instinctief monogaam dier is met een bijkomenden wensch naar sexueele variatie, dan is er veel ten gunste daarvan te zeggen.Vrouwen moeten even vrij zijn als mannen om haar eigen liefdeleven te vormen. Velen meenen echter, dat zulk een vrijheid van de zijde der vrouwen uitgeoefend zal of moest worden binnen nauwer grenzen (zie b.v., Bloch,Sexual Life of Our Time, hoofdst. X). Voor een deel meent men, dat deze beperking berust op een grooter geabsorbeerd zijn van de vrouw in de taak van de geboorte en de opvoeding van de kinderen, en voor een deel aan een geringeren omvang van psychische activiteit.“Een man”, zegt G. Hirth, (Wege zur Liebe, p. 342),“heeft niet alleen in zijn intellectueele horizon plaats voor zeer verschillende belangen, maar zijn macht van erotische uitzetting is veel grooter en meer onderscheiden dan die van vrouwen, hoewel hij misschien niet de intimiteit en de diepte van de toewijding van een vrouw heeft”. Wemogen wel zeggen, dat, daar variaties in de sexueele orde onvermijdelijk zullen plaats vinden hetzij we ze erkennen en er gezag aan toekennen of niet, er waarschijnlijk geen schade gedaan wordt als we het gewicht van maatschappelijk en wettig gezag gebruiken aan den kant, die gewoonlijk beschouwd wordt als de beste, en, voor zoover als mogelijk is den anderen kant met schande bedekken. Er zijn vele duidelijk in het oog springende fouten in zulk een houding, afgezien van het in de hoogste mate belangrijke feit, dat het hechten van schande aan sexueele verhoudingen een verachtelijke wreedheid is tegenover de vrouwen, die onvermijdelijk degenen zijn, die er het meest onder lijden. Niet het minst van belang is de onrechtvaardigheid en het belemmeren van levensenergie, die het aan de betere en meer nauwgezette menschen bezorgt ten gunste van de minder goede en minder nauwgezette. Dit gebeurt altijd als het gezag zijn macht uitoefent ten voordeele van een vorm. Toen in de dertiende eeuw Alexander III—een van de grootste en machtigste heerschers, ten tijde van het Christendom geconsulteerd werd door den bisschop van Exeter over ondergeschikte geestelijken, die trouwden ondanks ’t verbod van de kerk, raadde de paus hem, onderzoek te doen naar het leven en het karakter van de overtreders; als zij geregelde gewoonten hadden en een ernstigen moraal, dan moesten ze met geweld gescheiden worden en hun vrouwen moesten weggejaagd worden; als zij mannen waren van bekend onordelijken aard, dan moest hun toegestaan worden hun vrouwen bij zich te houden, als ze dat wenschten (Lea,History of Sacerdotal Celibacy, derde uitgave, deel I, p. 396). Het was een slimme politiek, en ze werd ook elders door denzelfden paus gevolgd, maar het is gemakkelijk te zien, dat ze indruischt tegen de moraal in iedere beteekenis van het woord. Ze verwoestte het geluk en de werkkracht van de beste mannen; ze liet de slechtste mannen volkomen vrij. Nu zijn we volkomen bereid om de verkeerde resultaten van deze politiek te erkennen; ze werd aanbevolen door een paus en zeven honderd jaar geleden ten uitvoer gebracht. Toch brengen we in Engeland tegenwoordig precies dezelfde politiek in praktijk door middel van onze echtscheidingsbepalingen, die in ruimen kring worden rondgestrooid. Geen van de paren, die gescheiden zijn—en die nooit op het coelibaat getraind zijn als de Katholieke geestelijkheid van tegenwoordig—mag weer trouwen; in werkelijkheid bevelen we de meer nauwgezette onder hen om celibatairs te worden, en aan de minder nauwgezette geven wij de permissie om te doen wat ze willen. Dit proces wordt uitgevoerd ten gevolge van de traagheid van de gemeenschap in het algemeen, en als het ooit gebeurt, dat er argumenten voor aangehaald worden, dan zijn die van een zoo verouderden aard, dat ze alleen maar een medelijdenden glimlach kunnen te voorschijn roepen.We mogen hier aan toevoegen, dat er nog een reden is, waarom het brandmerken van sexueele variaties van den norm als “immoreel” niet zoo onschuldig is als sommigen het doen voorkomen: zulke variaties schijnen niet ongewoon te zijn onder mannen en vrouwen van uitmuntende bekwaamheid, wier krachten onbelemmerd noodig zijn in den dienst van de menschheid. Te pogen zulke menschen te doen passen in de nauwe vormen, die goed zijn voor de meerderheid, is niet alleen een onrechtvaardigheid jegens hen als individuen, maar het is een vergrijp jegens de maatschappij, die redelijkerwijze mag eischen dat haar beste leden niet zullen belemmerd worden in haar dienst. Het denkbeeld, dat de mensch, wiens sexueele behoeften verschillend zijn van die van het gemiddelde, noodzakelijkerwijze een maatschappelijk slecht persoon moet zijn, is een denkbeeld, dat niet op feiten berust. Ieder geval moet op zichzelf beschouwd worden.Ongetwijfeld is in alle stadiën van de menschelijke cultuur de meest gewone variatie van de normale monogamie geweest de polygynie of de sexueele vereeniging van éen man met meer dan een vrouw. Soms is ze maatschappelijk en wettelijk erkend geworden,en soms niet, maar ze is altijd voorgekomen. Polyandrie, of de vereeniging van een vrouw met meer dan een man is betrekkelijk zeldzaam geweest en om begrijpelijke redenen; mannen zijn gewoonlijk in een betere conditie geweest, economisch en wettelijk, om een huishouden te organiseeren met zichzelf als middelpunt; een vrouw is, anders dan een man, door de natuur en dikwijls door de gewoonte lange tijden achtereen voor den omgang ongeschikt; een vrouw heeft bovendien haar gedachten en haar liefde meer op haar kinderen geconcentreerd. Afgezien hiervan wijzen de biologische mannelijke tradities veel meer op polygynie dan de vrouwelijke tradities op polyandrie wijzen. Hoewel het waar is, dat een vrouw een veel grootere mate van sexueelen omgang kan verdragen dan een man, blijft het ook waar, dat de verschijnselen van het hofmaken in de natuur het tot den plicht van den man gemaakt hebben om er op uit te zijn, sexueel zijn attentie te wijden aan de vrouw, wier rol het geweest is zedig haar keuze uit te stellen, totdat ze zeker is van haar voorkeur. Polygynische toestanden zijn ook voordeelig gebleken, daar zij aan de krachtigste en meest succesvolle leden van een gemeenschap hebben toegestaan het grootste aantal deelgenooten te hebben en zoo hun eigen superieure eigenschappen over te dragen.“Polygamie”, schrijft Woods Hutchinson (Contemporary Review, Oct. 1904) die de voordeelen van de monogamie wel degelijk erkent, “als een instelling van het ras, heeft, onder dieren zoowel als onder menschen, vele belangrijke voordeelen, en ze heeft zoowel in menschelijke als in voor-menschelijke tijden geleid tot het voortbrengen van een zeer hoog type zoowel van individueele als van maatschappelijke ontwikkeling”. Hij wijst er op, dat ze het verstand, de samenwerking en de verdeeling van den arbeid vermeerdert, terwijl de scherpe wedstrijd om vrouwen de zwakkere en minder aantrekkelijke mannen uitschakelt.Onder onze Europeesche voorouders, evenzeer als onder de Germanen en de Kelten, bestonden polygynie en andere sexueele vormen als nu en dan voorkomende variaties. Tacitus merkte polygynie op in Duitschland, en Caesar vond in Engeland, dat broeders hun vrouwen te zamen hadden en dan werden de kinderen toegekend aan den man, aan wien de vrouw het eerst ten huwelijk was gegeven (zie b.v. van TrailSocial England, deel I, p. 103, voor een bespreking van dit punt). De assistent van den echtgenoot, die kon worden opgeroepen om de vrouw te bevruchten als de man impotent was, bestond ook in Duitschland; dit was een Indo-Germaansche instelling (Schrader,Reallexicon, art. “Zeugungshelfer”). De daarmee overeenkomende instelling van de bijzit is nog dieper geworteld en nog verder verspreid. Tot betrekkelijk korten tijd geleden had,—in overeenstemming met de tradities van de Romeinsche wet, de bijzit een erkende en geëerde positie, lager dan die van de vrouw, maar met bepaalde wettelijke rechten, hoewel het niet altijd wettig of zelfs maar gewoon was voor een getrouwd man om een bijzit te hebben. In het oude Wales werd, evenals in Rome, de bijzit erkend en nooit veracht. (R. B. Holt, “Marriage Laws of the Cymri”,Journal Anthropological Institute, Aug. en Nov. 1898, p. 155), Het feit, dat, als een bijzit het huis van een getrouwd man betrad, haar waardigheid en haar wettelijke positie minder waren dan die van de vrouw, bewaarden den vrede en beschermden de belangenvan de vrouw (Een echtgenoot in Korea kan geen bijzit in zijn huis nemen zonder de toestemming van zijn vrouw, maar zij maakt maar zelden bezwaren, en schijnt van het gezelschap te genieten, zegt Louise Jordan Miln, Quaint Korea, 1895, p. 92). Wij moeten ons herinneren, zooals Dufour zegt, over den tijd van Karel den Groote (Histoire de la Prostitution, deel III. p. 226), dat in het oude Europa “bijzit” een eervolle term was; de bijzit was in het geheel niet een maitres, en ze kon van echtbreuk beschuldigd worden even goed als de vrouw. In Engeland, op het einde der dertiende eeuw, spreekt Bracton van deconcubina legitimaals recht hebbende op bepaalde rechten en welwillendheden, en zoo was de toestand ook in andere deelen van Europa, soms verscheidene eeuwen later (zie Lea,History of Sacerdotal Celibacy, deel I, p. 230). De Christelijke kerk was in den aanvang dikwijls geneigd de bijzit te erkennen, in ieder geval ten minste als ze verbonden was aan den ongetrouwden man, want wij kunnen in de Kerk “den wensch nasporen om iedere duurzame vereeniging tusschen een man en een vrouw te beschouwen alsof ze den aard heeft van een huwelijk in de oogen van God, en daarom in het oordeel van de Kerk” (art. “Concubinage”, Smith and Cheetham,Dictionary of Christian Antiquities). Dit was het gevoelen van den heiligen Augustinus (die zelf, voor zijn bekeering, een bijzit had, die blijkbaar een Christin was), en het concilie van Toledo liet een ongetrouwd man toe, die trouw was aan zijn bijzit. Naarmate de wet van de Katholieke kerk meer en meer star werd, verloor ze noodzakelijkerwijze de voeling met de menschelijke nooden. Zoo was het echter niet in den eersten tijd van de kerk, in de eeuwen, toen ze de meeste levenskracht had. In die eeuwen werd zelfs de krachtigste algemeene regel van de monogamie minder streng toegepast, als zulk een verslapping verstandig scheen. Dit was bijvoorbeeld zoo in het geval van sexueele impotentie. Zoo zegt in het begin van de achtste eeuw Gregorius II, in een antwoord aan Bonifacius, den apostel in Duitschland, op een vraag van dezen laatsten, dat, als een vrouw door physieke onbekwaamheid niet in staat is haar huwelijksplichten te vervullen, het aan een echtgenoot geoorloofd is een tweede vrouw te nemen, hoewel hij moet blijven voortgaan de eerste te onderhouden. Wat later geeft Aartsbisschop Egbert van York, voorzichtiger, in zijnDialogus de Institutione Ecclesiaticatoe, dat, als de eene van twee getrouwde personen invalide is, de andere met toestemming van de invalidene, weer mag trouwen, maar dat de invalidene niet weer mag trouwen tijdens het leven van den ander. Impotentie tijdens het huwelijk maakte natuurlijk het huwelijk nietig zonder de tusschenkomst van de kerkelijke wet. Maar Thomas van Aquino en latere theologen geven toe, dat een buitengewoon groote tegenzin tegen een vrouw een man in zijn eigen oogen kan rechtvaardigen om zich in zijn betrekking tot haar als impotent te beschouwen. Deze regels zijn, natuurlijk, geheel afgescheiden van de permissie om de huwelijkswetten te breken, die aan koningen en prinsen wordt gegeven; zulke permissies gelden niet als bewijsmateriaal van de regels van de kerk, want, zooals het concilie van Constantinopel voorzichtig besliste in 809, “De goddelijke wet heeft geen macht jegens koningen” (art. “Bigamy”,Dictionary of Christian Antiquities). De wet van de monogamie werd ook minder streng toegepast in gevallen van gedwongen of vrijwillige verlating. Zoo bepaalde het concilie van Vermerie (752). dat, als een vrouw haar man niet wil vergezellen als hij gedwongen is zijn heer te volgen naar een ander land, hij weer mag trouwen, als hij geen hoop heeft ooit terug te keeren. Theodorus van Canterbury (638) zegt o.a. dat een man, als zijn vrouw door den vijand is weggevoerd en hij haar niet terug kan krijgen, na verloop van een jaar weer mag trouwen, of, als er nog eenige kans is, dat hij haar terug kan krijgen, na verloop van vijf jaar; de vrouw kan dat ook doen. Zulke regels, al zijn ze niet algemeen, wijzen, zooals Merrick zegt (art. “Marriage”,Dictionary of Christian Antiquities), op een bereidwilligheid “om tegemoet te komen aan speciale gevallen, als ze zich voordoen”.Toen de canonieke wet star begon te worden en de Katholieke kerk haar geschiktheid verloor om zich aan het leven aan te passen, werden sexueele variaties niet langer erkend binnen haar sfeer. We moeten voor eenige verdere beweging wachten tot de Hervorming. Velen van de eerste Protestantsche hervormers, vooral in Duitschland, waren bereid zich in een aanzienlijke mate naar het leven te schikken in de sexueele verhoudingen. Zoo raadde Luther aan getrouwde vrouwen, die impotente mannen hadden aan, in geval er geen wensch bestond of geen gelegenheid tot echtscheiding, om sexueele verhoudingen te hebben met een anderen man, liefst met den broeder van den man; de kinderen werden dan gerekend te zijn van den echtgenoot (“Die Sexuelle Frage bei Luther”,Mutterschutz, Sept. 1908).In Engeland kon de puriteinsche geest, die zich in zoo ruime mate bezig hield met de hervorming van het huwelijk, wel niet anders dan betrokken raken in de kwestie van sexueele variaties, en van tijd tot tijd vinden wij het voorstel om de polygynie te wettigen. Zoo publiceerde, in 1658, “A Person of Quality” in Londen een klein geschriftje, dat aan denLord Protectorwas opgedragen, getiteldA Remedy for Uncleanness. Het was in den vorm van een aantal vragen gesteld, vragend waarom we niet polygamie zouden toelaten, om echtbreuk en kindermoord te voorkomen. De schrijver vraagt, of het niet “zou overeen te brengen zijn met een geest van genade, en in alle opzichten overeenkomstig de principes van een man, die godvreezend is en de heiligheid lief heeft, om meer dan een vrouw te hebben voor zijn eigen gebruik … Hij, die den os of den ezel neemt van een ander man is ongetwijfeld een overtreder; maar hij, die zich buiten de verleiding stelt door ze zelf te hebben, schijnt een recht, eerlijk en welmeenend man te zijn”.Meer dan een eeuw later (1780), heeft ook een knap, geleerd en beroemd Londensch geestelijke van hoog karakter (die een rechtsgeleerde was geweest eer hij geestelijke werd), de Reverent Martin Madan, de polygamie aangeraden in een boek, genaamdThelyphthora: or a Treatise of Female Ruin. Madan was in nauw contact gebracht met de prostitutie door een kapelaanschap in het Lock Hospital, en, evenals de puriteinsche advocaat van de polygamie, kwam hij tot de conclusie, dat het alleen door de hervorming van het huwelijk mogelijk is tegen de prostitutie te werken en tegen de nadeelen van sexueelen omgang buiten het huwelijk. Zijn merkwaardig boek wekte veel tegenspraak en veroordeeling, zoodat hij het wenschelijk vond Londen te verlaten en buiten te gaan wonen. Voorstellen tot verandering van het huwelijk zijn sindsdien nooit weer van de kerk gekomen, maar van moralisten en philosophen, niet zelden echter van schrijvers van bepaald godsdienstig karakter. Senancour, die een zoo gevoelige en teere moralist in de sexueele sfeer was, voerde een gematigde bespreking over polygamie in in zijnDe l’Amour(deel II, p. 117–126). Het scheen hem toe, dat ze niet positief tegenovergesteld aan en niet positief in overeenstemming met de algemeene neiging van onze tegenwoordige conventies was, en hij besloot, dat “de methode van bemiddeling voor een deel zou zijn niet langer te eischen, dat de vereeniging van een man en een vrouw alleen zou ophouden met den dood van een van beiden”. Cope, de bioloog, uitte een meer gedecideerde opinie. “Er zijn sommige gevallen van ontbering”, zeide hij, “waarvoor zulk een permissie het geneesmiddel zou zijn. Dat zou bijvoorbeeld het geval zijn, als de man of de vrouw het slachtoffer waren geworden van een ongeneeslijke ziekte; of, als beide partijen kinderloos waren, of in andere gevallen, die men zich denken kan”. Er moest geen dwang zijn in eenige richting, en volle verantwoordelijkheid, zooals nu. Zulke gevallen moesten alleen maar als uitzondering voorkomen, en ze moesten de vijandschap van de maatschappij niet opwekken. Voor het grootste deel, merkt Cope op, “is de beste wijze om de polygamie te behandelen ze aan zich zelf over te laten” (E. D. Cope. “The Marriage Problem”,Open Court, Nov. 15 en 22 1888). In Engeland was Dr. John Chapman, de uitgever van deWestminster Review, een nauw bondgenoot van de leiders van de bewegingder Radicalen in het tijdperk van Victoria, tegen het geven van voorschriften door den Staat over den vorm van het huwelijk; hij meende, dat een zekere mate van sexueele variatie weldadig zou zijn voor de maatschappij. Zoo schreef hij in 1884 (in een vertrouwelijken brief): “Ik denk, dat, naarmate de menschen minder zelfzuchtig worden, polygamie (d.i. polygynie) en zelfs polyandrie, in een veredelden vorm, steeds meer zullen voorkomen”.James Hinton, die een paar jaren later veel gedachten en veel aandacht wijdde aan de sexueele kwestie, en ze zelfs beschouwde als het grootste van de moreele problemen, was evenzeer voor een grootere aanpassing aan het leven en aan menschelijke behoeften van de huwelijksregelingen, en een zooals de Christelijke kerk in het eerst toeliet. Het huwelijk, verklaarde hij, moet “ondergeschikt zijn aan den dienst”, daar het huwelijk, evenals de Sabbath, gemaakt is voor den mensch en niet de mensch voor het huwelijk. Zoo wilde hij, in het geval dat de eene deelgenoot krankzinnig werd, den anderen deelgenoot toestaan te hertrouwen, terwijl de aanspraken van den krankzinnigen deelgenoot geldig bleven in geval van herstel. Dat zou een vorm zijn van polygamie, maar Hinton was er zorgvuldig op bedacht er op te wijzen, dat hij met “polygamie” bedoelde “minder een speciale huwelijksorde, dan wel zulk een orde als het best aan het doel beantwoordt, en die dus buitengemeen veranderlijk moet wezen. De monogamie moge goed zijn, zelfs de eenige goede orde, als ze komt bij vrije keuze; maar eenwetervoor is een ander ding. De sexueele verhouding moet eennatuurlijkezaak zijn. Het ware maatschappelijke leven zal niet zijn eenige vastgestelde en bepaalde verhouding, als van monogamie, polygamie, of iets anders, maar een volkomen ondergeschiktheid van iedere sexueele verhouding aan de rede en het menschelijk welzijn”.Ellen Key, die een enthoesiast voorstandster is van de monogamie, en die meent, dat de ontwikkeling in de beschaafde maatschappij van persoonlijke liefde alle gevaar voor het aangroeien van de polygamie uitsluit, geeft toch toe, dat er variaties bestaan. Zij heeft dezelfde oplossingen van moeilijke problemen voor oogen als Goethe voor zich had, toen hij in zijnStellatrachtte aan te toonen, dat de kracht van banden van liefde en teedere herinneringen te groot is om toe te laten, dat ze door nieuwe verbroken zullen worden. Het probleem van de sexueele variatie echter, merkt zij op (Liebe und Ethik, p. 12) is, onder moderne voorwaarden van vorm veranderd, het is niet langer de strijd tusschen den eisch van de maatschappij van een strenge huwelijksorde en den eisch van het individu van sexueele bevrediging, maar het is het probleem geworden van het in harmonie brengen van de veredeling van het ras met verhoogde eischen van erotisch geluk. Zij wijst er ook op, dat het bestaan van een deelgenoot, die behoefte heeft aan den zorg van den anderen deelgenoot als verpleegster of als intellectueele makker, dien anderen deelgenoot in het geheel niet berooft van het recht op vaderschap en moederschap, en dat zulke rechten moeten beschermd worden. (Ellen Key,Ueber Liebe und Ehe, pp. 166–168).Een op den voorgrond tredend en groot voorstander van de polygynie, niet als een slechts zelden voorkomende variatie, maar als een huwelijk van hooger orde dan de monogamie, wordt tegenwoordig gevonden in Professor Christian von Ehrenfels van Praag (zie b.v. zijnSexualethik, 1908; “Die Postulate des Lebens”.Sexual-Probleme, Oct. 1908; en brief aan Ellen Key in haarUeber Liebe und Ehe, p. 466). Ehrenfels meent, dat het aantal mannen, dat ongeschikt is voor een bevredigende reproductie veel grooter is dan dat van vrouwen, en dat daarom, als deze buiten beschouwing gelaten worden, een polygynische huwelijksorde noodig wordt. Hij noemt dit “reproductie-huwelijk” (Zeugungsehe), en denkt dat het moreel hooger zal staan dan dit. Het zou gebaseerd zijn op persoonlijke contracten. Ehrenfels meent, dat de vrouwen geen bezwaar zouden hebben, omdat een vrouw, naar hij gelooft, minder waarde hecht aan een man als minnaar dan als vader van haar kind. Ehrenfeld’s leer is ernstig aangevallen van vele zijden, en zijn voorstellen zijn nietin den lijn van onzen vooruitgang. Eenige radicale wijziging van de bestaande monogame huwelijksorde is niet te verwachten, zelfs als het algemeen erkend werd, hetgeen niet kan gezegd worden, dat ze wenschelijk is. De kwestie van sexueele variaties, moeten we ons herinneren, is niet een kwestie van het invoeren van een geheel nieuwen vorm van huwelijk, maar alleen van het erkennen van het recht van individuen, om buitengewone gevallen van dat huwelijk aan te nemen, en van het erkennen van de daarmee overeenstemmende verplichtingen van zulke individuen om de verantwoording op zich te nemen van ieder van die afwijkende vormen, die ze het beste zullen vinden. Voor zoover de kwestie van de sexueele variatie van het huwelijk meer is dan dit, is ze, volgens Hinton, een dynamische methode om te werken aan de afschaffing van de gevaarlijkepromiscuïteitvan de prostitutie. Een strenge huwelijksorde sluit prostitutie in zich; een buigzame huwelijksorde maakt voor een groot deel—hoewel misschien niet geheel—de prostitutie overbodig. De democratische moraal van tegenwoordig is, voor zoover de aanwijzingen gaan, tegenovergesteld aan een klasse vanquasi-slaven, met verminderde maatschappelijke rechten, zooals de prostituées altijd in meerdere of mindere mate vormen. Het blijkt ook tamelijk duidelijk, dat de snel aangroeiende invloed van de medische hygiëne aan dezelfde zijde werkt. Wij mogen daarom in de toekomst redelijkerwijze een langzame, maar gestadige toename verwachten van de erkenning, en zelfs van de uitbreiding van die variaties in de monogamische orde, die in werkelijkheid nooit opgehouden hebben te bestaan.Het is bedroevend, dat het, in dezen tijd van de wereldgeschiedenis, bijna twee duizend jaar nadat de wijze wetgevers van Rome hun werk voltooid hadden, nog noodig is tot het besluit te komen, dat we tegenwoordig eerst in een der eerste stadiën zijn van het plaatsen van het huwelijk op een redelijke en menschelijke basis. Ik heb er herhaaldelijk op gewezen in hoe groote mate de canonieke wet verantwoordelijk geweest is voor deze vertraging in de ontwikkeling. Men kan inderdaad zeggen, dat de geheele houding van de Kerk, nadat ze volkomen wereldlijke heerschappij verkregen had, verantwoordelijk moet gesteld worden. In de vroegere eeuwen was de houding van het Christendom over het geheel bewonderenswaardig. Het hield groote idealen hoog, maar het onthield zich van het opdringen van deze idealen tot iederen prijs; zoo bleven de idealen echt en konden ze niet ontaarden in enkel huichelachtige ledige vormen; veel buigzaamheid werd toegestaan, als ze voor het welzijn der menschen scheen noodig te zijn en als ze ingesteld werd om kwaad en onrechtvaardigheid te vermijden. Maar, toen de Kerk wereldlijke macht verkreeg, en toen die macht geconcentreerd raakte in de handen van Pausen, die moreele en godsdienstige belangen ondergeschikt maakten aan politieke belangen, toen sloeg men de aanspraken van het verstand en de humaniteit in den wind. Het ideaal werd niet meer een feit dan het tevoren was, maar het werd nu behandeld als een feit. De menschelijke verhoudingen bleven wat zij tevoren waren, even gecompliceerd en verschillend, maar van nu af aan werd éen streng willekeurig voorbeeld gesteld, dat bewonderenswaardig was als een ideaal, maar erger dan ledig als een vorm, en alle afwijkingen daarvan werden behandeld òf als niet te bestaanòf als verkeerd. Alle leven werd uit de meest vitale menschelijke instellingen verdreven en eerst nu begint er weer beweging in te komen.Als wij—resumeerend—den loop nagaan, die de regeling van het huwelijk gehad heeft in het Christelijke tijdperk, het eenige tijdperk dat ons onmiddellijk aangaat, dan is het niet moeilijk de hoofdlijnen ervan te volgen. Het huwelijk begon als een bijzondere instelling, die de kerk, zonder ze te kunnen controleeren, bereid was in te zegenen, zooals ze zoo menige andere wereldlijke zaak inzegende; zij probeerde nog niet de natuurlijke aanpassing ervan aan menschelijke behoeften te beperken. Maar langzamerhand en onmerkbaar, zonder tusschenkomst van de wet, verkreeg het Christendom de volle heerschappij over het huwelijk, overeenkomstig de reeds ontwikkelde opvattingen over het kwaad van den lust, de deugd der kuischheid, de doodzonde van de ontucht, en, na door den invloed van deze heerschende opvattingen de buigzaamheid van het huwelijk in alle richtingen te hebben beperkt, plaatste ze het op een verheven, maar smal voetstuk als een sacrament. Om redenen, die in het geheel niet liggen in de natuur van de sexueele verhoudingen, maar die waarschijnlijk aan de priester-wetgevers dringend toeschenen, die haar assimileerden met de wijding tot priester, werd het huwelijk voor onontbindbaar verklaard. Niets was zoo gemakkelijk om binnen te gaan als de poort van het huwelijk, maar, evenals een muizenval, ging ze alleen naar binnen open en niet naar buiten; eens er in, kon men er levend niet weer uit komen. De regeling van het huwelijk door de kerk was, terwijl ze, evenals het coelibaat van de geestelijkheid, een succes was uit het oogpunt van kerkelijke politiek, en zelfs in het eerst uit het oogpunt van beschaving, want ze bracht orde in een maatschappelijken chaos, toch op den langen duur een mislukking uit een oogpunt van maatschappij en moraal. Aan den eenen kant verviel ze in belachelijke spitsvondigheden en haarkloverijen; aan den anderen kant had ze, omdat ze niet berustte op hetzij de rede of op de menschelijkheid, niets van die geschiktheid tot aanpassen aan de behoeften van het leven, die het Christendom in zijn eersten tijd in zoo ruime mate behield, terwijl het toch verheven idealen hoog hield. Aan den traditioneelen kant werd dit huwelijkswetboek onbeholpen en onpractisch; aan den biologischen kant was het een wanhopige misgreep. Zoo was dus de weg gebaand tot de opvatting der Protestanten van het huwelijk als een contract, maar die opvatting werd minder op den voorgrond gebracht ter wille van zich zelf, dan als een protest tegen de moeilijkheden en dwaasheden van de Katholieke canonieke, wet. Deze beschouwing als contract, die nog in ruime mate bestaat, zelfs nu nog, nam spoedig veel over van de leerstellingen van de canonieke wet over het huwelijk, en werd in de praktijkeen soort van hervormde en verwereldlijkte canonieke wet. Ze paste zich eenigszins meer aan aan de moderne behoeften, maar ze behield veel van de starheid van het Katholieke huwelijk zonder den sacramenteelen aard ervan, en ze deed nooit een poging om meer dan in naam een contract te worden. Ze is te beschouwen als een compromis van deelen, die niet bij elkaar passen en ze is een overgangsstadium geweest naar het vrije persoonlijke huwelijk. Wij kunnen die phase herkennen in de neiging, die in de beschaafde landen duidelijk uitgesproken is, naar een steeds toenemende rekbaarheid van het huwelijk. Het denkbeeld en zelfs het feit van het huwelijk door overeenstemming en van de echtscheiding bij gebrek aan die overeenstemming, waar we nu heen gaan, is in werkelijkheid nooit geheel uitgestorven geweest. In de Latijnsche landen is het blijven bestaan in de traditie van de Romeinsche wet; in de Engelsch sprekende landen is het samengegroeid met den geest van het puritanisme, die er op aandringt, dat in de dingen die het individu alleen aangaan, het individu zelf opperste rechter moet zijn. Die leer, toegepast op het huwelijk, werd in Engeland schitterend tot uitdrukking gebracht door het genie van Milton, en in Amerika is zij het zuurdeesem geweest, dat nog voortwerkt in de huwelijkswetgeving naar een onvermijdelijk doel, dat nog nauwelijks in het zicht is. Het huwelijkssysteem van de toekomst zal op het oude Christelijke systeem gelijken in zoover het den geheiligden en sacramenteelen aard zal erkennen van de sexueele verhouding, en het zal gelijken op de burgerlijke opvatting in zooverre het er op zal aandringen, dat het huwelijk, wat de voortplanting aangaat, openlijk door den Staat zal worden geregistreerd. Maar in tegenstelling met de kerk zal het erkennen, dat het huwelijk, in zoover het zuiver een sexueele verhouding is, een persoonlijke zaak is, waarvan de voorwaarden moeten overgelaten worden aan de personen, die er in betrokken zijn; en in tegenstelling met de burgerlijke theorie zal het erkennen, dat het huwelijk in zijn wezen een feit is en geen contract, hoewel het aanleiding kan geven tot contracten, zoolang die contracten dat essentieele feit niet raken. En in een opzicht zal het gaan boven de kerkelijke opvatting en de burgerlijke opvatting beide. De mensch heeft in den laatsten tijd de heerschappij verkregen over zijn eigen voortbrengende krachten, en die heerschappij brengt mee een verplaatsen van het centrum van den ernst van het huwelijk, in zooverre het huwelijk een staatszaak is, van de vagina naar het kind, dat de vrucht is van den schoot. Het huwelijk, als een instelling van den Staat, zal zich concentreeren, niet om de sexueele verhouding, maar om het kind, dat het resultaat is van die verhouding. In zooverre het huwelijk een onschendbaar openlijk contract is, zal het van zulk een aard zijn, dat het vanzelf met zijn bescherming zal dekken ieder kind, dat in de wereld geboren wordt, zoodat ieder kindeen wettigen vader en een wettige moeder zal hebben. Aan den eenen kant heeft het huwelijk dus neiging om minder bindend te worden; aan den anderen kant heeft het neiging meer bindend te worden. Aan den persoonlijken kant is het een intieme en heilige verhouding, waarmee de Staat niet te maken heeft; aan den maatschappelijken kant is het het aannemen van het verantwoordelijk openlijk borg zijn voor een nieuw lid van den Staat. Sommigen onder ons zijn bezig de eerste van deze beschouwingswijzen van het huwelijk te bevorderen, anderen de tweede. Beide zijn noodig om een volkomen harmonie te vormen. Het is noodig de twee beschouwingswijzen van het huwelijk afzonderlijk te houden, om gelijkelijk rechtvaardigheid te betrachten jegens het individu en jegens den Staat, maar als het huwelijk zijn idealen staat bereikt, worden die twee beschouwingswijzen tot een.

Zoo bestaat de neiging, dat met den groei van de beschaving het opvatten van het huwelijk als een contract meer en meer in discrediet geraakt. Aan den anderen kant wordt erkend, datpersoonlijke contracten niet in harmonie zijn met onze algemeene en maatschappelijke houding, want, als wij het denkbeeld verwerpen, dat een menschelijk wezen zich bij contract mag verkoopen als slaaf, hoeveel te meer moeten we dan het denkbeeld verwerpen, dat menschen een contract zouden aangaan voor de nog intiemere verhouding van een getrouwd man of getrouwde vrouw; aan den anderen kant voelt men, dat het denkbeeld van van tevoren opgemaakte contracten in een zaak, waarover het individu zelf geen contrôle heeft, volkomen onwerkelijk is en als er strenge regels van billijkheid heerschen, noodzakelijk van geen waarde. Het is waar, dat er nog voortdurend schrijvers gevonden worden, die hun denkbeelden verkondigen over de plichten of de voorrechten, die vervat zijn in het “contract” van het huwelijk, en die de beteekenis van het woord “contract” in dezen zin niet meer analyseeren dan de Hervormers deden; maar men kan ternauwernood zeggen, dat deze schrijvers verder gekomen zijn dan het alphabet van het onderwerp, waarover ze leerstellingen verkondigen.

Het overbrengen van het huwelijk van de Kerk naar den Staat, hetgeen wij in de landen, waar het ’t eerst voorkwam danken aan het Protestantisme, en in de Engelsch sprekende landen voornamelijk aan het Puritanisme, had, terwijl het een noodzakelijk stadium was, ongelukkig het gevolg, dat het de sexueele verhoudingen verwereldlijkte. Dat is te zeggen, dat het ’t verheven element in de liefde, dat in werkelijkheid het essentieele deel van zulke verhoudingen is, negeerde, en dat het alle aandacht concentreerde op die vormelijke en toevallige deelen van het huwelijk, die alleen op een strenge en nauwkeurige wijze behandeld kunnen worden, en die eigenlijk alleen het onderwerp kunnen vormen van contracten. De canonieke wet, hoe fantastisch en onmogelijk zij ook in vele van haar ontwikkelingen werd, drong tenminste aan op het natuurlijke en werkelijke feit van het huwelijk als bovenal een lichamelijke vereeniging, terwijl ze, terzelfder tijd dat huwelijk niet beschouwde als enkel een wereldlijk zakelijk contract, maar als een geheiligde en verheven functie, een goddelijk feit, en het symbool van het goddelijkste feit van de wereld. Tegenwoordig komen we terug tot de opvatting van de Canonisten over het huwelijk op een hooger en vrijer plan, wij komen terug tot de verheven beschouwing van de canonieke wet, terwijl we toch het individualisme behouden, hetwelk de Puriteinen ten onrechte meenden dat zij konden verkrijgen op de basis van verwereldlijking, terwijl wij verder erkennen, dat de geheele zaak behoort tot de persoonlijke sfeer van moreele verantwoordelijkheid. Zooals Hobhouse, toen hij de geschiedenis van de ontwikkeling der moderne huwelijks-opvatting naging, terecht gezegd heeft, het sacramenteele denkbeeld van het huwelijk is weer voor den daggekomen, maar op een hooger niveau; “van een sacrament in den magischen zin is het een sacrament in den ethischen zin geworden”. Zoo zullen wij komen, hoewel wij het wettelijk nog niet bereikt hebben, tot het huwelijk, gevormd en in stand gehouden door wederzijdsche toestemming, “een vereeniging tusschen twee vrije en verantwoordelijke personen, waarbij de wettelijke rechten van beide verzekerd worden”52.

Sommigen meenen, dat men, als men het huwelijk beschouwt als een sacrament, dan ook noodzakelijk het oude Katholieke gezichtspunt moet aannemen, dat belichaamd is in de canonieke wet, dat het huwelijk onontbindbaar is. Dat is echter een vergissing. Zelfs de Canonisten hebben nooit een samenhangende en steekhoudende reden kunnen opgeven voor de onontbindbaarheid van het huwelijk; die zich met eenigen grond kon aanbevelen, terwijl Luther en Milton en Wilhelm von Humboldt, die den godsdienstigen en heiligen aard van de sexueele vereeniging staande hielden—hoewel ze voorzichtig waren met het gebruiken van het woord “sacrament” met het oog op wat er in de kerk onder begrepen wordt—wel verre van te meenen, dat de heiligheid ervan onontbindbaarheid in zich sloot, in den tegenovergestelden zin spraken. Dit gezichtspunt kan zelfs van zuiver Protestantsch standpunt verdedigd worden. “Ik meen”, zegt Mr. G. C. Maberly, “dat de definitie van hetPrayerBookvan een sacrament “als een uiterlijk en zichtbaar teeken van een innerlijkeen geestelijke genade”, algemeen aangenomen wordt. In het huwelijk zijn de wettige en physieke vereenigingen de uiterlijke en zichtbare teekenen, terwijl de innerlijke en geestelijke genade is de door God gegeven liefde, die maakt, dat de vereeniging van hart en ziel is: en juist omdat ik dit gezichtspunt over het huwelijk inneem, meen ik, dat de wettige en physieke vereeniging moest verbroken worden, telkens als de geestelijke vereeniging van onzelfzuchtige, goddelijke liefde en toegenegenheid opgehouden heeft te bestaan. Het schijnt mij toe, dat de sacramenteele beschouwing van het huwelijk ons dwingt te zeggen, dat zij, die de wettelijke en lichamelijke vereeniging voortzetten als de geestelijke vereeniging opgehouden heeft te bestaan, bezig zijn—om nog eens uit hetPrayer Bookwoorden aan te halen, die van toepassing zijn op hen, die het uiterlijke teeken nemen van een ander sacrament, als de innerlijke en geestelijke genade niet aanwezig is—“hun eigen verdoemenis te eten”.”

Sommigen meenen, dat men, als men het huwelijk beschouwt als een sacrament, dan ook noodzakelijk het oude Katholieke gezichtspunt moet aannemen, dat belichaamd is in de canonieke wet, dat het huwelijk onontbindbaar is. Dat is echter een vergissing. Zelfs de Canonisten hebben nooit een samenhangende en steekhoudende reden kunnen opgeven voor de onontbindbaarheid van het huwelijk; die zich met eenigen grond kon aanbevelen, terwijl Luther en Milton en Wilhelm von Humboldt, die den godsdienstigen en heiligen aard van de sexueele vereeniging staande hielden—hoewel ze voorzichtig waren met het gebruiken van het woord “sacrament” met het oog op wat er in de kerk onder begrepen wordt—wel verre van te meenen, dat de heiligheid ervan onontbindbaarheid in zich sloot, in den tegenovergestelden zin spraken. Dit gezichtspunt kan zelfs van zuiver Protestantsch standpunt verdedigd worden. “Ik meen”, zegt Mr. G. C. Maberly, “dat de definitie van hetPrayerBookvan een sacrament “als een uiterlijk en zichtbaar teeken van een innerlijkeen geestelijke genade”, algemeen aangenomen wordt. In het huwelijk zijn de wettige en physieke vereenigingen de uiterlijke en zichtbare teekenen, terwijl de innerlijke en geestelijke genade is de door God gegeven liefde, die maakt, dat de vereeniging van hart en ziel is: en juist omdat ik dit gezichtspunt over het huwelijk inneem, meen ik, dat de wettige en physieke vereeniging moest verbroken worden, telkens als de geestelijke vereeniging van onzelfzuchtige, goddelijke liefde en toegenegenheid opgehouden heeft te bestaan. Het schijnt mij toe, dat de sacramenteele beschouwing van het huwelijk ons dwingt te zeggen, dat zij, die de wettelijke en lichamelijke vereeniging voortzetten als de geestelijke vereeniging opgehouden heeft te bestaan, bezig zijn—om nog eens uit hetPrayer Bookwoorden aan te halen, die van toepassing zijn op hen, die het uiterlijke teeken nemen van een ander sacrament, als de innerlijke en geestelijke genade niet aanwezig is—“hun eigen verdoemenis te eten”.”

Als we van het standpunt, dat we nu bereikt hebben, terugzien op de echtscheidingskwestie, dan zien we, naarmate de moderne wijzen van beschouwing van de moderne huwelijksverhoudingen duidelijker door de gemeenschap beginnen erkend te worden, dat die kwestie enorm vereenvoudigd zal worden. Als het huwelijk niet enkel een contract is, maar een wijze van zich gedragen, en zelfs een heilige daad, is het vrije deelnemen van beide partijen noodig om het in stand te houden. Het denkbeeld in te voeren van misdaad en straf bij de echtscheiding, het aanmoedigen van wederzijdsche beschuldigingen, het aan de wereld openbaren van de geheimen van het hart of van de zinnen, is niet alleen immoreel, het is ten eenenmale misplaatst. In de kwestie: wanneer een huwelijk opgehouden heeft een huwelijk te zijn, kunnen de twee betrokken partijen alleen de opperste rechters zijn; de Staat, alsde Staat er bij geroepen wordt, kan alleen de uitspraak opteekenen, die zij doen, en kan er alleen op letten, dat er geen onrechtvaardigheid geschiedt bij het ten uitvoer brengen van de uitspraak53.

Toen we in het vorige hoofdstuk de richting bespraken, waarin de sexueele moraal neiging heeft zich te ontwikkelen met de ontwikkeling van de beschaving, kwamen we tot de conclusie, dat ze in haar hoofdlijnen vooral persoonlijke verantwoordelijkheid in zich sloot. Een verhouding, die onder natuurvolken vastgelegd is door een maatschappelijke gewoonte, die niemand durft te breken, en op een hooger trap van beschaving door vormelijke wetten, die naar de letter moeten opgevolgd worden, zelfs als ze gebroken worden naar den geest, wordt langzamerhand overgebracht in de sfeer van individueele moreele verantwoordelijkheid. Zulk een overdracht heeft natuurlijk geen beteekenis, en is zelfs onmogelijk, tenzij de toenemende kracht van den moreelen band vergezeld gaat van een toenemende kracht van den vormelijken band. Alleen door het losser maken van de kunstmatige beperkingen kunnen de natuurlijke beperkingen hun volle heerschappij uitoefenen. Dat proces heeft plaats op twee wijzen, voor een deel op een basis van onverschilligheid voor het vormelijke huwelijk, die de massa overal gekenmerkt heeft en ongetwijfeld teruggaat tot de tiende eeuw voordat de overheersching van het kerkelijke huwelijk begon, en voor een deel door de vooruitgaande wijziging van de huwelijkswetten, die noodzakelijk gemaakt werden door de behoeften van de bezittende klassen, die er op uit waren de staatserkenning van hun vereenigingen te verzekeren. Het geheele proces is noodzakelijk een geleidelijk en zelfs onmerkbaar proces. Het is niet mogelijk de bepaalde data vast te stellen van de stadiën, waarlangs de Kerk de enorme revolutie bewerkte, waardoor zij verkreeg en eindelijk aan den Staat overdroeg de volkomen contrôle op het huwelijk, want die revolutie werd bewerkt zonder inmenging van eenige wet. Het zal even moeilijk zijn het overgaan te bemerken van de contrôle op het huwelijk van den Staat op de betrokken individuen, en nog des te moeilijker omdat, hoewel het essentieele en intieme persoonlijke feit van het huwelijk niet een eigenlijke zaak is voor contrôle van den Staat, er toch bepaalde kanten zijn aan het huwelijk, die zoo nauw de belangen van de gemeenschap raken, dat de Staat verplicht is er op aan te dringen, dat ze opgeschreven worden en om aandeel te nemen in de regeling ervan.

Er wordt soms gezegd, dat het resultaat van het losser maken van de vormelijke gebondenheid van de huwelijksverhouding zou zijn een neiging tot moreele laksheid. Zij, die dit zeggen, zien het feit over het hoofd, dat laksheid neiging heeft haar maximum te bereiken als resultaat van gebondenheid, en dat daar, waar de strenge enkel uiterlijke autoriteit van een star huwelijk overheerschend is, de uitersten van ongebondenheid het meest bloeien. Het is, om dezelfde reden, ook ontwijfelbaar waar, dat ieder plotseling wegnemen van beperkingen noodzakelijk een reactie met zich brengt naar het tegenovergesteld uiterste van losbandigheid; een slaaf wordt niet ineens veranderd in een zelfstandigen vrije. Toch moeten we ons herinneren, dat de huwelijksorde bestond duizende jaren voordat er eenige poging gedaan werd om ze door menschelijke wetgeving in willekeurige vormen te kneden. Zulk een wetgeving was, naar we gezien hebben, de poging van den menschelijken geest om de eischen van zijn eigen instincten met meer nadruk te bevestigen. Maar het eindresultaat ervan is, dat ze de instincten, die ze geïnspireerd hebben, eerder verstikt en tegenhoudt dan dat zij ze bevordert. Het geleidelijk verdwijnen ervan geeft aan de natuurlijke orde vrij baan54.

De groote waarheid, dat dwang niet werkelijk een kracht is aan den kant van de deugd, maar aan den kant van de ondeugd, is duidelijk erkend geworden door het genie van Rabelais, toen hij van zijn idealen maatschappelijken staat, de Abdij van Thelema, zeide, dat er maar één paragraaf was in het geheele reglement:Fay ce que vouldras. “Omdat” zeide Rabelais (Boek I, hoofdst. VII), “vrije menschen, die van goede geboorte en wel opgevoed zijn, en die zich in goede gezelschappen bewegen, van nature een instinct hebben en een drang, die hen tot deugdzame daden dwingt en hen van de ondeugd terughoudt. Indien deze zelfde menschen door lage onderwerping en dwang ten onder gebracht zijn en ten onder gehouden worden, dan keeren zij zich af van die edele gezindheid, waarin ze vrijwillig geneigd waren tot de deugd, om dien band der dienstbaarheid af te schudden en te verbreken”. Zoo dat, als een man en vrouw, die onder den regel van Thelema geleefd hadden, elkander huwden, hun wederzijdsche liefde, naar Rabelais ons vertelt, onverminderd voort zou duren tot den dag van hun dood.Als het verlies van autonome vrijheid niet leidt tot losbandigen opstand, loopt ze het tegenovergestelde gevaar en heeft neiging om te worden een zwak zich verlaten op een uiterlijken steun. De kunstmatige steun van de regeling van het huwelijk van Staatswege gelijkt dan op den kunstmatigen steun van het lichaam, die geleverd wordt door het dragen van het corset. De redenen voor en tegen het aannemen van een kunstmatigen steun zijn in beide gevallen dezelfde. Een corset geeft werkelijk een gevoel van steun; het geeft zonder moeite een tamelijk bevredigend uiterlijk van fatsoen; het is een werkelijke bescherming tegen ongevallen. Maar de prijs, ten koste waarvan het dit voordeel geeft, is groot, en de voordeelen zelf bestaan alleen maar onder onnatuurlijke omstandigheden. Het corset belemmert den vorm en de gezonde ontwikkeling van de organen; het verzwakt het stelsel der vrije spieren; het is onbestaanbaar met volmaakte gratie en schoonheid; het vermindert de som van de actieve energie, Het oefent, om kort te gaan, dezelfdesoort van invloed uit op de physieke verantwoordelijkheid als het vormelijk huwelijk op de moreele verantwoordelijkheid.Het is maar al te dikwijls vergeten, en moet daarom herhaald worden, dat getrouwde menschen niet te zamen blijven terwille van den een of anderen godsdienstigen of wettelijken band; die band is alleen maar het historisch gevolg van hun natuurlijke neiging om tezamen te blijven, een neiging, die zelf veel ouder is dan de geschiedenis. “De liefde zou nu nog in de wereld bestaan, even rein en even duurzaam”, zegt Shufeldt (Medico-Legal Journal, Dec. 1897), “als de mensch nooit het “huwelijk” had uitgevonden. Waarlijk verwante paren zoudenelkandertrouw gebleven zijn zoo lang het leven duurde. Eerst als de menschen trachten de natuur te verbeteren, treden misdaad, ziekte en ongeluk op”. “Het afschaffen van het huwelijk in den vorm, zooals die nu in praktijk gebracht wordt”, schreef Godwin meer dan een eeuw geleden (Political Justice, tweede uitgave, 1796, deel I p. 248),“zal met geen nadeelen gepaard gaan. Wij zijn geneigd het ons voor te stellen als de voorbode van brutalen lust en verdorvenheid. Maar het gebeurt in dit geval werkelijk, evenals in andere gevallen, dat de positieve wetten, die gemaakt zijn om onze ondeugden in bedwang te houden, die juist aanwakkeren en vermeerderen”. En waar Professor Law aandringt op de kracht van het monogamisch gevoelen in de moderne maatschappij, merkt hij naar waarheid op (International Journal of Ethics, Oct. 1896), dat de opstand tegen strakke huwelijksbanden “in werkelijkheid berust juist op het strakker maken van de ware banden van huwelijksgenegenheid, te zamen met een redelijke en volkomen gepaste vastberadenheid van den kant van het individu om, in een zoo belangrijke zaak, niets minder dan het echte artikel aan te nemen”. “Als op eenmaal”, zegt Professor Woods Hutchinson (Contemporary Review, Sept. 1905),“alle huwelijksbanden, die nu bestaan, verbroken of voor onwettig verklaard werden, dan zouden acht tiende van alle paren binnen de acht-en-veertig uur hertrouwd zijn, en zeven tiende zouden met bajonetten niet uit elkaar gehouden kunnen worden”. Een proef van deze soort op kleine schaal was in 1909 te zien in een Engelsch dorp in Buckinghamshire. Er werd ontdekt dat de kerk van het kerspel nooit vergunning gekregen had voor het sluiten van huwelijken, en dat dus alle menschen, die in die kerk in de laatste halve eeuw getrouwd waren, door geen wettig huwelijk gebonden waren. Toch maakte, voor zoover als men te weten kon komen, geen enkel van de paren, die zoo bevrijd waren van den wettelijken dwang van het huwelijk, gebruik van de verkregen vrijheid. Gezien zulk een feit is het werkelijk onmogelijk eenige moreele waarde te hechten aan den vorm van het huwelijk.

De groote waarheid, dat dwang niet werkelijk een kracht is aan den kant van de deugd, maar aan den kant van de ondeugd, is duidelijk erkend geworden door het genie van Rabelais, toen hij van zijn idealen maatschappelijken staat, de Abdij van Thelema, zeide, dat er maar één paragraaf was in het geheele reglement:Fay ce que vouldras. “Omdat” zeide Rabelais (Boek I, hoofdst. VII), “vrije menschen, die van goede geboorte en wel opgevoed zijn, en die zich in goede gezelschappen bewegen, van nature een instinct hebben en een drang, die hen tot deugdzame daden dwingt en hen van de ondeugd terughoudt. Indien deze zelfde menschen door lage onderwerping en dwang ten onder gebracht zijn en ten onder gehouden worden, dan keeren zij zich af van die edele gezindheid, waarin ze vrijwillig geneigd waren tot de deugd, om dien band der dienstbaarheid af te schudden en te verbreken”. Zoo dat, als een man en vrouw, die onder den regel van Thelema geleefd hadden, elkander huwden, hun wederzijdsche liefde, naar Rabelais ons vertelt, onverminderd voort zou duren tot den dag van hun dood.

Als het verlies van autonome vrijheid niet leidt tot losbandigen opstand, loopt ze het tegenovergestelde gevaar en heeft neiging om te worden een zwak zich verlaten op een uiterlijken steun. De kunstmatige steun van de regeling van het huwelijk van Staatswege gelijkt dan op den kunstmatigen steun van het lichaam, die geleverd wordt door het dragen van het corset. De redenen voor en tegen het aannemen van een kunstmatigen steun zijn in beide gevallen dezelfde. Een corset geeft werkelijk een gevoel van steun; het geeft zonder moeite een tamelijk bevredigend uiterlijk van fatsoen; het is een werkelijke bescherming tegen ongevallen. Maar de prijs, ten koste waarvan het dit voordeel geeft, is groot, en de voordeelen zelf bestaan alleen maar onder onnatuurlijke omstandigheden. Het corset belemmert den vorm en de gezonde ontwikkeling van de organen; het verzwakt het stelsel der vrije spieren; het is onbestaanbaar met volmaakte gratie en schoonheid; het vermindert de som van de actieve energie, Het oefent, om kort te gaan, dezelfdesoort van invloed uit op de physieke verantwoordelijkheid als het vormelijk huwelijk op de moreele verantwoordelijkheid.

Het is maar al te dikwijls vergeten, en moet daarom herhaald worden, dat getrouwde menschen niet te zamen blijven terwille van den een of anderen godsdienstigen of wettelijken band; die band is alleen maar het historisch gevolg van hun natuurlijke neiging om tezamen te blijven, een neiging, die zelf veel ouder is dan de geschiedenis. “De liefde zou nu nog in de wereld bestaan, even rein en even duurzaam”, zegt Shufeldt (Medico-Legal Journal, Dec. 1897), “als de mensch nooit het “huwelijk” had uitgevonden. Waarlijk verwante paren zoudenelkandertrouw gebleven zijn zoo lang het leven duurde. Eerst als de menschen trachten de natuur te verbeteren, treden misdaad, ziekte en ongeluk op”. “Het afschaffen van het huwelijk in den vorm, zooals die nu in praktijk gebracht wordt”, schreef Godwin meer dan een eeuw geleden (Political Justice, tweede uitgave, 1796, deel I p. 248),“zal met geen nadeelen gepaard gaan. Wij zijn geneigd het ons voor te stellen als de voorbode van brutalen lust en verdorvenheid. Maar het gebeurt in dit geval werkelijk, evenals in andere gevallen, dat de positieve wetten, die gemaakt zijn om onze ondeugden in bedwang te houden, die juist aanwakkeren en vermeerderen”. En waar Professor Law aandringt op de kracht van het monogamisch gevoelen in de moderne maatschappij, merkt hij naar waarheid op (International Journal of Ethics, Oct. 1896), dat de opstand tegen strakke huwelijksbanden “in werkelijkheid berust juist op het strakker maken van de ware banden van huwelijksgenegenheid, te zamen met een redelijke en volkomen gepaste vastberadenheid van den kant van het individu om, in een zoo belangrijke zaak, niets minder dan het echte artikel aan te nemen”. “Als op eenmaal”, zegt Professor Woods Hutchinson (Contemporary Review, Sept. 1905),“alle huwelijksbanden, die nu bestaan, verbroken of voor onwettig verklaard werden, dan zouden acht tiende van alle paren binnen de acht-en-veertig uur hertrouwd zijn, en zeven tiende zouden met bajonetten niet uit elkaar gehouden kunnen worden”. Een proef van deze soort op kleine schaal was in 1909 te zien in een Engelsch dorp in Buckinghamshire. Er werd ontdekt dat de kerk van het kerspel nooit vergunning gekregen had voor het sluiten van huwelijken, en dat dus alle menschen, die in die kerk in de laatste halve eeuw getrouwd waren, door geen wettig huwelijk gebonden waren. Toch maakte, voor zoover als men te weten kon komen, geen enkel van de paren, die zoo bevrijd waren van den wettelijken dwang van het huwelijk, gebruik van de verkregen vrijheid. Gezien zulk een feit is het werkelijk onmogelijk eenige moreele waarde te hechten aan den vorm van het huwelijk.

Het is zeker onvermijdelijk, dat in een periode van overgang, de natuurlijke orde tot zekere hoogte verstoord wordt door het blijven bestaan, zij het dan in een verminderden vorm, van uiterlijke banden, waarvan men bewust begint te erkennen, dat ze vijandig zijn aan de gebiedende heerschappij van individueele moreele verantwoordelijkheid. Dit kunnen we tegenwoordig duidelijk opmerken. Een overgevoelige angst om te ontsnappen aan uiterlijken dwang brengt met zich een onderschatten van de beteekenis van persoonlijke beperking in de huwelijksverhouding. Iedereen kent waarschijnlijk wel gevallen, waarin een paar jarenlang te zamen zal leven zonder den wettigen huwelijksband aan te gaan, niettegenstaande moeilijkheden in hun wederzijdsche verhouding, die al lang aanleiding zouden hebben gegeven tot een scheiding van tafel en bed of tot een echtscheiding, als zij wettig getrouwd waren geweest. Als de moeilijkheden, die onafscheidelijk verbondenzijn aan de huwelijksverhouding, gecompliceerd worden door de moeilijkheden, die komen door uiterlijken dwang, dan slaat de ontwikkeling van de moreele verantwoordelijkheid twee wegen in, en voert tot gevolgen, die niet geheel bevredigend zijn. Dit heeft men gezien in de Vereenigde Staten van Amerika en er is door Amerikaansche denkers reeds dikwijls de aandacht op gevestigd. Het is natuurlijk voornamelijk in vrouwen opgemerkt, omdat de nieuwe groei van persoonlijke vrijheid en moreele verantwoordelijkheid zich onder de vrouwen voornamelijk heeft doen gevoelen. Het eerste ontstaan van deze nieuwe impulsen, vooral als ze samengaan, wat zoo dikwijls gebeurt, met onervarenheid en onwetendheid, voert tot ontevredenheid met de natuurlijke orde, tot een eisch van onmogelijke bestaansvoorwaarden, en tot een ongeschiktheid niet alleen voor de willekeurige banden van de wet, maar zelfs voor de gezonde en noodzakelijke banden van het menschelijk maatschappelijk leven. Het is altijd een harde les voor jonge en idealistische menschen, dat wij, om de natuur te beheerschen, haar moeten gehoorzamen; dit kan alleen geleerd worden door aanraking met het leven en door het bereiken van den vollen menschelijken wasdom.

Dr. Felix Adler vestigde (in een toespraak in deSociety of Ethical Culturein New-York, Nov. 17, 1889) de aandacht op wat hij beschouwde als de diepst gewortelde oorzaak van een overmatig voorkomen van echtscheiding in Amerika. “Het valsche denkbeeld van individueele vrijheid wordt in Amerika algemeen aangenomen”, en als het wordt toegepast op het familieleven, voert het dikwijls tot ongeduld met de plichten, die het individu òf door zijn geboorte heeft gekregen òf vrijwillig op zich heeft genomen. “Ik ben geneigd te gelooven, dat de veelvuldigheid van de echtscheiding in geen geringe mate moet worden toegeschreven aan den invloed van democratische denkbeelden—dat is van valsche democratische denkbeelden—en onze hoop is gevestigd op een hoogere en meer ware democratie”. Een latere Amerikaansche auteur, ditmaal een vrouw, Anna A. Rogers (“Why American Marriages Fail”,Atlantic Monthly, Sept., 1907) spreekt in denzelfden geest, misschien op minder geschikte wijze. Zij zegt, dat echtscheidingen in Amerika zooveel voorkomen om drie redenen: 1. het niet begrijpen van de vrouw, dat het huwelijk haar werk is in de wereld; 2. haar aangroeiend individualisme; 3. het verlies van de kunst om te geven, die vervangen is door een zeer ontwikkelde neiging om te ontvangen. De Amerikaansche vrouw, zegt deze schrijfster, heeft bij het ontdekken van haar eigen individualiteit nog niet geleerd hoe ze die beheerschen moet; die individualiteit is nog “in hooge mate een nuttelooze, onrustige factor die haarzelf even weinig vrede brengt als de in haar onmiddellijke nabijheid levende personen”. Haar omstandigheden hebben neiging van haar te maken “een merkwaardig afwijkende bastaardvorm; een tusschending tusschen een prachtigen, tamelijk ongemanierden jongen en een bedorven veeleischendedemi-mondaine, die in deze wereld van niemand oprecht houdt dan van zichzelf alleen”. Zij heeft nog niet geleerd, dat het hoogste vrouwenwerk in de wereld alleen bereikt kan worden door het vrijwillig aannemen van de beperkingen van het huwelijk. Dezelfde schrijver voegt er bij, dat de fout niet alleen berust bij de Amerikaansche vrouwen, maar ook bij de Amerikaansche mannen. Hun vergoding van hun vrouwen is grootendeels de oorzaak van die onverdraagzaamheid en zelfzucht, die de oorzaak zijn van zooveel echtscheidingen; “Amerikaansche vrouwen worden, als regel, buitensporig vertroeteld en vereerd”.Maar de mannen, die zich hiertoe leenen, voelen niet, dat zij hun vrouwen kunnen behandelen met dezelfde kameraadschappelijkheid, waarmee de Franschen hun vrouwen behandelen, of met hetzelfde vertrouwen haar raad zoeken; de Amerikaansche vrouw is op een onwerkelijk voetstuk geplaatst. Toch wijst een ander Amerikaansch schrijver er op (Rafford Pyke, “Husbands and Wives”,Cosmopolitan, 1902), dat maar een klein deel der Amerikaansche huwelijken werkelijk ongelukkig is, en dat dat voornamelijk in de meer beschaafde standen voorkomt, waar de vrouwenbeweging ingang vindt; het komt meer voor, dat de vrouw teleurgesteld is in het huwelijk dan de man, en dit komt voornamelijk doordat zij niet in staat is haar individualiteit, niet noodzakelijk ondergeschikt te maken aan, maar te doen opgaan in een evenboortige met de zijne. “Het huwelijk wordt tegenwoordig in zijn succes meer en meer afhankelijk van de aanpassing aan omstandigheden, die psychisch zijn. Terwijl het in vroegere generaties voldoende was, dat een vereeniging physiek wederkeerig zou zijn, moet ze in onze eeuw ook psychisch wederkeerig zijn. En terwijl vroeger de gemeenschap van de belangen gemakkelijk bereikt werd, wordt dat nu veel moeilijker doordat de vrouwen van tegenwoordig niet geneigd zijn haar afzonderlijke persoonlijkheid te doen opgaan in die van haar man. En toch, als zij dit niet doet, hoe kan ze dan een volkomen en volmaakte belangstelling hebben in het te zamen leven, en hoe kan hij dat hebben?”Professor Münsterburg, de beroemde psycholoog, die zich op een breeder standpunt plaatst in zijn vrijmoedige, maar waardeerende studie van Amerikaansche instellingen,The Americans, wijst er op, dat de invloed van de vrouwen op de moraal in Amerika niet in alle opzichten bevredigend geweest is, in zooverre ze neiging heeft gehad ondiepheid en oppervlakkigheid aan te moedigen. “De Amerikaansche vrouw, die nauwelijks een greintje opvoeding heeft”, merkt hij op (p. 587), “is dadelijk klaar met een oordeel over ieder mogelijk onderwerp … De aanmatiging van dit vrouwelijk gebrek aan kennis is het symptoom van een diepen trek in het vrouwelijk karakter en in de vrouwelijke ziel, en wijst op gevaren, die voortkomen uit het overheerschen van de vrouw in het intellectueele leven … En in geen ander beschaafd land worden ethische opvattingen zoo verteerd door bijgeloof”.

Dr. Felix Adler vestigde (in een toespraak in deSociety of Ethical Culturein New-York, Nov. 17, 1889) de aandacht op wat hij beschouwde als de diepst gewortelde oorzaak van een overmatig voorkomen van echtscheiding in Amerika. “Het valsche denkbeeld van individueele vrijheid wordt in Amerika algemeen aangenomen”, en als het wordt toegepast op het familieleven, voert het dikwijls tot ongeduld met de plichten, die het individu òf door zijn geboorte heeft gekregen òf vrijwillig op zich heeft genomen. “Ik ben geneigd te gelooven, dat de veelvuldigheid van de echtscheiding in geen geringe mate moet worden toegeschreven aan den invloed van democratische denkbeelden—dat is van valsche democratische denkbeelden—en onze hoop is gevestigd op een hoogere en meer ware democratie”. Een latere Amerikaansche auteur, ditmaal een vrouw, Anna A. Rogers (“Why American Marriages Fail”,Atlantic Monthly, Sept., 1907) spreekt in denzelfden geest, misschien op minder geschikte wijze. Zij zegt, dat echtscheidingen in Amerika zooveel voorkomen om drie redenen: 1. het niet begrijpen van de vrouw, dat het huwelijk haar werk is in de wereld; 2. haar aangroeiend individualisme; 3. het verlies van de kunst om te geven, die vervangen is door een zeer ontwikkelde neiging om te ontvangen. De Amerikaansche vrouw, zegt deze schrijfster, heeft bij het ontdekken van haar eigen individualiteit nog niet geleerd hoe ze die beheerschen moet; die individualiteit is nog “in hooge mate een nuttelooze, onrustige factor die haarzelf even weinig vrede brengt als de in haar onmiddellijke nabijheid levende personen”. Haar omstandigheden hebben neiging van haar te maken “een merkwaardig afwijkende bastaardvorm; een tusschending tusschen een prachtigen, tamelijk ongemanierden jongen en een bedorven veeleischendedemi-mondaine, die in deze wereld van niemand oprecht houdt dan van zichzelf alleen”. Zij heeft nog niet geleerd, dat het hoogste vrouwenwerk in de wereld alleen bereikt kan worden door het vrijwillig aannemen van de beperkingen van het huwelijk. Dezelfde schrijver voegt er bij, dat de fout niet alleen berust bij de Amerikaansche vrouwen, maar ook bij de Amerikaansche mannen. Hun vergoding van hun vrouwen is grootendeels de oorzaak van die onverdraagzaamheid en zelfzucht, die de oorzaak zijn van zooveel echtscheidingen; “Amerikaansche vrouwen worden, als regel, buitensporig vertroeteld en vereerd”.Maar de mannen, die zich hiertoe leenen, voelen niet, dat zij hun vrouwen kunnen behandelen met dezelfde kameraadschappelijkheid, waarmee de Franschen hun vrouwen behandelen, of met hetzelfde vertrouwen haar raad zoeken; de Amerikaansche vrouw is op een onwerkelijk voetstuk geplaatst. Toch wijst een ander Amerikaansch schrijver er op (Rafford Pyke, “Husbands and Wives”,Cosmopolitan, 1902), dat maar een klein deel der Amerikaansche huwelijken werkelijk ongelukkig is, en dat dat voornamelijk in de meer beschaafde standen voorkomt, waar de vrouwenbeweging ingang vindt; het komt meer voor, dat de vrouw teleurgesteld is in het huwelijk dan de man, en dit komt voornamelijk doordat zij niet in staat is haar individualiteit, niet noodzakelijk ondergeschikt te maken aan, maar te doen opgaan in een evenboortige met de zijne. “Het huwelijk wordt tegenwoordig in zijn succes meer en meer afhankelijk van de aanpassing aan omstandigheden, die psychisch zijn. Terwijl het in vroegere generaties voldoende was, dat een vereeniging physiek wederkeerig zou zijn, moet ze in onze eeuw ook psychisch wederkeerig zijn. En terwijl vroeger de gemeenschap van de belangen gemakkelijk bereikt werd, wordt dat nu veel moeilijker doordat de vrouwen van tegenwoordig niet geneigd zijn haar afzonderlijke persoonlijkheid te doen opgaan in die van haar man. En toch, als zij dit niet doet, hoe kan ze dan een volkomen en volmaakte belangstelling hebben in het te zamen leven, en hoe kan hij dat hebben?”

Professor Münsterburg, de beroemde psycholoog, die zich op een breeder standpunt plaatst in zijn vrijmoedige, maar waardeerende studie van Amerikaansche instellingen,The Americans, wijst er op, dat de invloed van de vrouwen op de moraal in Amerika niet in alle opzichten bevredigend geweest is, in zooverre ze neiging heeft gehad ondiepheid en oppervlakkigheid aan te moedigen. “De Amerikaansche vrouw, die nauwelijks een greintje opvoeding heeft”, merkt hij op (p. 587), “is dadelijk klaar met een oordeel over ieder mogelijk onderwerp … De aanmatiging van dit vrouwelijk gebrek aan kennis is het symptoom van een diepen trek in het vrouwelijk karakter en in de vrouwelijke ziel, en wijst op gevaren, die voortkomen uit het overheerschen van de vrouw in het intellectueele leven … En in geen ander beschaafd land worden ethische opvattingen zoo verteerd door bijgeloof”.

Zooals we gezien hebben wordt het huwelijk, volgens de moderne opvattingen, als een vrijwillige vereeniging erkend, die door twee vrije, gelijke, en moreel verantwoordelijke persoonlijkheden aangegaan wordt; men beschouwt die vereeniging eer als een ethisch sacrament dan als een contract, zoodat het in zijn wezen, als physieke en geestelijke band buiten de sfeer van de handelingen van den staat ligt. Het is noodig geweest dit punt uit te werken, voordat wij komen aan wat aan velen een totaal er aan tegenovergesteld gezichtspunt van het huwelijk zal toeschijnen. Als de huwelijksvereeniging zelf geen zaak kan zijn voor een contract, zoo leidt ze toch natuurlijk tot een feit, dat noodzakelijkerwijze een zaak is van een implicite of explicite overeenkomst, een zaak bovendien, waarbij de gemeenschap in haar geheel een werkelijk en gepast belang heeft: dat is het feit van de voortplanting55.

De oude Egyptenaren—bij wie de huwelijksinstellingen zooelastisch waren en de positie der vrouwen zoo hoog—erkenden een voorloopige en lichte huwelijksband, met het doel de vruchtbaarheid te onderzoeken56. Bij ons treft de wet zulke vaderlijke maatregelen niet, zij laat aan de jonge paren zelf de verantwoordelijkheid over voor alle eventueele proeven, een permissie, waarvan deze paren, zooals we gezien hebben, in ruime mate gebruik maken, terwijl ze gewoonlijk het wettelijk huwelijk sluiten vóor de geboorte van hun kind. Die wettelijke band is de erkenning, dat het inleiden van een nieuw individu in de gemeenschap niet, als de sexueele vereeniging, uitsluitend een persoonlijk feit is, maar dat het een maatschappelijk feit is, een feit, dat den staat wel moet aangaan. En hoe meer wij onderzoek doen naar de neiging van de moderne huwelijksbeweging, des te meer zullen we erkennen, dat de houding van vrijheid, van individueele moreele verantwoordelijkheid bij het vormen van sexueele verhoudingen gecompenseerd moet worden door een houding van gestrengheid, van nauwgezet maatschappelijk toezicht in de kwestie van de voortplanting. Twee personen, die een erotische verhouding aangaan, zijn, als zij tot de overtuiging komen dat hun verhouding een werkelijk huwelijk is, dat zijn natuurlijk doel heeft in de voortplanting, verplicht een contract te onderteekenen, dat, hoewel het henzelf persoonlijk vrij laat, toch hen allebei moet binden aan hun plichten jegens hun kinderen57.

Er is een dubbele noodzakelijkheid voor zulk een handelwijze, zelfs afgezien van het feit, dat het in de hoogste mate in het belang van de ouders zelf is. Het is noodig in het belang van het kind. Het is noodig in het belang van den staat. Een kind kan opgevoed worden, en goed opgevoed, door een van de ouders, die daartoe in staat is. Maar om een kind voldoende toe te rusten voor zijn intrede in het leven, zijn de beide ouders even noodig. De Staat van zijn kant—dat is te zeggen, de gemeenschap, waarvan de ouders en het kind gelijkelijk deel uitmaken—is verplicht te weten wie de personen zijn, die borgen zijn geworden voor een nieuw individu, dat nu in hun midden is ingeleid. De meest individualistische en de meest socialistischeStaat zijn gelijkelijk verplicht, als ze trouw zijn aan hun belangen, zoowel hun biologische als hun economische belangen, aan te dringen op het volle wettige en erkende ouderschap van den vader en de moeder van ieder kind. Dat wordt duidelijk geëischt door het belang van het kind; het wordt ook duidelijk geëischt door het belang van den Staat.

De slagboom, die zich in het Christendom tegenover de natuurlijke erkenning van dit feit gesteld heeft, dat zoo schadelijk is zoowel voor het kind als voor den staat, is klaarblijkelijk de starheid van het huwelijkssysteem geweest, meer speciaal zooals het door de canonieke wet gevormd is. De Canonisten hechtten een waarlijk buitengewoon groote waarde aan decopula carnaliszooals zij het technisch noemden. Voor hen lag het centrum van het huwelijk in de vagina; voor hen had de aanwezigheid of de afwezigheid van een kind weinig belang. De vagina is, zooals wij weten, niet altijd een even stevig centrum gebleken tot steun van het huwelijk, en dat centrum wordt nu langzamerhand overgebracht op het kind. Als wij ons van de Canonisten afwenden naar de geschriften van de modernen, zooals Ellen Key, die zoo juist weergeeft wat in den laatsten tijd het meest karakteristiek en essentieel is in de neigingen der huwelijksontwikkeling, dan schijnen we een nieuwe wereld te zijn binnengetreden, zelfs een door nieuw licht bestraalde wereld. Want “in de nieuwe sexueele moraal gaat het licht, evenals in Corregio’sNotte, uit van het kind”58.

Ongetwijfeld is deze verandering in ruime mate een zaak van gevoel, van, zooals we soms minachtend zeggen, uitsluitend gevoel, hoewel er in de menschelijke zaken niets zoo machtig is als dat gevoel, en de revolutie, bewerkt door Jezus, de latere revolutie, bewerkt door Rousseau, waren voornamelijk revoluties in gevoel. Maar de verandering is ook een zaak van de aangroeiende erkenning van belangen en rechten, en als zoodanig openbaart ze zich in de wet. We kunnen er nauwelijks aan twijfelen, dat wij bezig zijn een tijd te naderen, waarop algemeen begrepen zal worden, dat de intrede van ieder kind in de wereld, zonder uitzondering, voorafgegaan behoorde te worden door het vormen van een huwelijkscontract, dat, terwijl het op geenerlei wijze den vader en de moeder aan plichten bindt, of aan eenige voorrechten jegens elkander, hen beiden bindt aan hun kind en terzelfder tijd hun verantwoordelijkheid jegens den Staat verzekert. Het is voor den Staat onmogelijk meer te krijgen, maar het moest hem onmogelijk zijn minder te eischen. Zulk een contract “huwt” den vader en de moeder, voor zoover het ouderschap van het individueele kind betreft, en in geen ander opzicht; het is een contract, dat hunverleden, tegenwoordige, of toekomstige verhoudingen jegens andere personen volkomen onaangeroerd laat, anders zou het niet mogelijk zijn het af te dwingen. In alle deelen van de wereld begint deze elementaire eisch van maatschappelijke moraal langzamerhand erkend te worden, en daar hij invloed heeft op honderd duizenden kinderen59, die jaarlijks gebrandmerkt worden als “onwettig” door geen daad van henzelf, kan niemand zeggen, dat de erkenning te vroeg is gekomen. Tot nog toe schijnt ze nergens volkomen te zijn.

De meeste pogingen of voorstellen tot regeling der rechten van onwettige kinderen hebben betrekking op het wettigen van vereenigingen van een minder bindenden graad dan het tegenwoordige wettige huwelijk. Zulke vereenigingen zouden dan moeten dienen om andere verkeerdheden tegen te gaan. Zoo zegt een Engelsch schrijver, die veel studie gemaakt heeft van sexueele kwesties, in een particulieren brief: “Het beste geneesmiddel voor de losbandigheid van ongetrouwde mannen en de geestelijke en lichamelijke ellenden van onthouding bij vrouwen zou te vinden zijn in een erkend fatsoenlijk systeem van vrije vereenigingen en proefhuwelijken, waarbij omgang met preventieve middelen in praktijk gebracht wordt, totdat het paar oud genoeg is om ouders te worden, en totdat zij voldoende middelen bezitten om een familie te onderhouden. Het vooruitzicht van een bestaan zonder liefde is voor jonge mannen en vrouwen van een vurigen aard ondragelijk en even verschrikkelijk als het vooruitzicht van pijnlijke ziekte en dood. Maar ik denk, dat de oude orde van zaken binnen kort zal moeten veranderen”.In de Teutonische landen bestaat er een duidelijk te onderscheiden gevoelsstrooming in de richting van het instellen van wettige vereenigingen van een lagere soort dan het huwelijk. Zij bestaan in Zweden, evenals in Noorwegen, waar bij een onlangs uitgevaardigde wet het onwettige kind aanspraak heeft op dezelfde rechten met betrekking tot beide ouders als het wettige kind, den naam van den vader draagt, en zijn bezittingen erft (Die Neue Generation, Juli, 1901, p. 303). In Frankrijk heeft de bekende rechter Magnard, die zoo eervol bekend is door zijn houding in gevallen van kindermoord door jonge moeders, gezegd: “Ik wilde van ganscher harte, dat naast de instelling van het huwelijk zooals het nu bestaat, een vrije vereeniging bestond, gevormd door een enkele verklaring voor een overheidspersoon en die bijna dezelfde familierechten gaf als het gewone huwelijk”. Deze wensch heeft in ruimen kring weerklank gevonden.In China worden, hoewel polygamie in de strikte beteekenis niet kan gezegd worden te bestaan, de belangen van het kind, de vrouw en de staat gelijkelijk beschermd door den man in staat te stellen een soort bij-huwelijk aan te gaan met de moeder van zijn kind. “Dank zij dit systeem”, zegt Paul d’Enjoy (La Revue, Sept. 1905), “dat den man toestaat te trouwen met de vrouw, die hij wenscht, zonder daarin verhinderd te worden door vorige en niet verbroken vereenigingen, is het te begrijpen, dat we opmerken, dat er geen verleide en verlaten meisjes zijn, behalve zulke, die geen wet zou kunnen redden van wat werkelijk aangeboren verdorvenheid is; en dat er geen onwettige kinderen zijn, behalve zulke, wier moeders ongelukkigerwijze dichter bij de dieren staan door haar zinnen, dan bij menschelijke wezens, door haar verstand en waardigheid”.Het nieuwe wetboek van Japan, dat in vele opzichten zoo vooruitstrevend is, staat toe, dat een onwettig kind “erkend” zal worden door het aangevenbij den ambtenaar van den burgerlijken stand; als een getrouwd man zoo’n kind erkent, dan schijnt het, dat het kind door zijn vrouw als haar eigen kan aangenomen worden, hoewel het niet werkelijk gewettigd is. Deze stand van zaken vertegenwoordigt een overgangsstadium; het kan nauwelijks gezegd worden, dat het de rechten erkent van de moeder van het “erkende” kind. Japan, mogen we hier aan toevoegen, heeft het principe aangenomen van de automatische wettiging door het huwelijk, van de kinderen die aan het paar geboren zijn vóór het huwelijk.In Australië, waar vrouwen een grooter aandeel hebben in het maken en uitvoeren van de wetten dan elders, begint men eenige belangstelling te wijden aan de rechten van onwettige kinderen. Zoo kan in Zuid-Wales het vaderschap bewezen worden vòòr de geboorte, en de vader zorgt (op bevel van de overheid) voor huisvesting een maand vòor en een maand nà de geboorte, zoowel als voor de baker, den dokter, en voor kleeding, en stelt een borg, dat hij zijn verplichtingen zal nakomen; na de geboorte betaalt hij, na uitspraak van de overheidspersoon een wekelijksche som voor het onderhoud van het kind. Een “ongehuwde” moeder kan ook zes maanden lang in een openbare instelling op staatskosten onderhouden worden, om haar in staat te stellen zich aan haar kind te hechten.Zulke bepalingen hebben zich ontwikkeld uit het in ruimen kring erkende recht van de ongetrouwde vrouw om ondersteuning voor haar kind te eischen van zijn vader. In Frankrijk echter, en in de wetboeken, die het Fransche voorbeeld volgen, is het wettelijk niet geoorloofd navraag te doen naar het vaderschap van een onwettig kind. Het is onnoodig te zeggen, dat zulk een wet even onbillijk is tegenover de moeder, als tegenover het kind, als tegenover den staat. In Australië gaat de wet naar het tegenovergestelde, zeker redelijker uiterste en staat zelfs aan de moeder, die meerdere minnaars gehad heeft, toe, zelf uit te kiezen, wien ze verantwoordelijk wil stellen voor haar kind. Het Duitsche wetboek kiest den middenweg, en komt alleen aan die ongetrouwde moeder te hulp, die één minnaar heeft gehad. In al zulke gevallen echter is de hulp, die gegeven wordt, alleen geldelijk; ze verzekert de moeder geen erkenning of respect, en (naar Wahrmund naar waarheid gezegd heeft in zijnEhe und Eherecht) is het nòg noodig aan te dringen op de “onvoorwaardelijke heiligheid van het moederschap, dat, onder welke omstandigheden het ook voorkomt, aanspraak heeft op respect en bescherming van de maatschappij”.We moeten hieraan toevoegen, dat, uit maatschappelijk gezichtspunt, het niet de sexueele vereeniging is, die wettelijke erkenning behoeft, maar het kind, dat het product is van die vereeniging. Het zou bovendien een hopelooze zaak zijn te trachten alle sexueele verhoudingen te wettigen, maar het is betrekkelijk gemakkelijk alle kinderen te erkennen.

De meeste pogingen of voorstellen tot regeling der rechten van onwettige kinderen hebben betrekking op het wettigen van vereenigingen van een minder bindenden graad dan het tegenwoordige wettige huwelijk. Zulke vereenigingen zouden dan moeten dienen om andere verkeerdheden tegen te gaan. Zoo zegt een Engelsch schrijver, die veel studie gemaakt heeft van sexueele kwesties, in een particulieren brief: “Het beste geneesmiddel voor de losbandigheid van ongetrouwde mannen en de geestelijke en lichamelijke ellenden van onthouding bij vrouwen zou te vinden zijn in een erkend fatsoenlijk systeem van vrije vereenigingen en proefhuwelijken, waarbij omgang met preventieve middelen in praktijk gebracht wordt, totdat het paar oud genoeg is om ouders te worden, en totdat zij voldoende middelen bezitten om een familie te onderhouden. Het vooruitzicht van een bestaan zonder liefde is voor jonge mannen en vrouwen van een vurigen aard ondragelijk en even verschrikkelijk als het vooruitzicht van pijnlijke ziekte en dood. Maar ik denk, dat de oude orde van zaken binnen kort zal moeten veranderen”.

In de Teutonische landen bestaat er een duidelijk te onderscheiden gevoelsstrooming in de richting van het instellen van wettige vereenigingen van een lagere soort dan het huwelijk. Zij bestaan in Zweden, evenals in Noorwegen, waar bij een onlangs uitgevaardigde wet het onwettige kind aanspraak heeft op dezelfde rechten met betrekking tot beide ouders als het wettige kind, den naam van den vader draagt, en zijn bezittingen erft (Die Neue Generation, Juli, 1901, p. 303). In Frankrijk heeft de bekende rechter Magnard, die zoo eervol bekend is door zijn houding in gevallen van kindermoord door jonge moeders, gezegd: “Ik wilde van ganscher harte, dat naast de instelling van het huwelijk zooals het nu bestaat, een vrije vereeniging bestond, gevormd door een enkele verklaring voor een overheidspersoon en die bijna dezelfde familierechten gaf als het gewone huwelijk”. Deze wensch heeft in ruimen kring weerklank gevonden.

In China worden, hoewel polygamie in de strikte beteekenis niet kan gezegd worden te bestaan, de belangen van het kind, de vrouw en de staat gelijkelijk beschermd door den man in staat te stellen een soort bij-huwelijk aan te gaan met de moeder van zijn kind. “Dank zij dit systeem”, zegt Paul d’Enjoy (La Revue, Sept. 1905), “dat den man toestaat te trouwen met de vrouw, die hij wenscht, zonder daarin verhinderd te worden door vorige en niet verbroken vereenigingen, is het te begrijpen, dat we opmerken, dat er geen verleide en verlaten meisjes zijn, behalve zulke, die geen wet zou kunnen redden van wat werkelijk aangeboren verdorvenheid is; en dat er geen onwettige kinderen zijn, behalve zulke, wier moeders ongelukkigerwijze dichter bij de dieren staan door haar zinnen, dan bij menschelijke wezens, door haar verstand en waardigheid”.

Het nieuwe wetboek van Japan, dat in vele opzichten zoo vooruitstrevend is, staat toe, dat een onwettig kind “erkend” zal worden door het aangevenbij den ambtenaar van den burgerlijken stand; als een getrouwd man zoo’n kind erkent, dan schijnt het, dat het kind door zijn vrouw als haar eigen kan aangenomen worden, hoewel het niet werkelijk gewettigd is. Deze stand van zaken vertegenwoordigt een overgangsstadium; het kan nauwelijks gezegd worden, dat het de rechten erkent van de moeder van het “erkende” kind. Japan, mogen we hier aan toevoegen, heeft het principe aangenomen van de automatische wettiging door het huwelijk, van de kinderen die aan het paar geboren zijn vóór het huwelijk.

In Australië, waar vrouwen een grooter aandeel hebben in het maken en uitvoeren van de wetten dan elders, begint men eenige belangstelling te wijden aan de rechten van onwettige kinderen. Zoo kan in Zuid-Wales het vaderschap bewezen worden vòòr de geboorte, en de vader zorgt (op bevel van de overheid) voor huisvesting een maand vòor en een maand nà de geboorte, zoowel als voor de baker, den dokter, en voor kleeding, en stelt een borg, dat hij zijn verplichtingen zal nakomen; na de geboorte betaalt hij, na uitspraak van de overheidspersoon een wekelijksche som voor het onderhoud van het kind. Een “ongehuwde” moeder kan ook zes maanden lang in een openbare instelling op staatskosten onderhouden worden, om haar in staat te stellen zich aan haar kind te hechten.

Zulke bepalingen hebben zich ontwikkeld uit het in ruimen kring erkende recht van de ongetrouwde vrouw om ondersteuning voor haar kind te eischen van zijn vader. In Frankrijk echter, en in de wetboeken, die het Fransche voorbeeld volgen, is het wettelijk niet geoorloofd navraag te doen naar het vaderschap van een onwettig kind. Het is onnoodig te zeggen, dat zulk een wet even onbillijk is tegenover de moeder, als tegenover het kind, als tegenover den staat. In Australië gaat de wet naar het tegenovergestelde, zeker redelijker uiterste en staat zelfs aan de moeder, die meerdere minnaars gehad heeft, toe, zelf uit te kiezen, wien ze verantwoordelijk wil stellen voor haar kind. Het Duitsche wetboek kiest den middenweg, en komt alleen aan die ongetrouwde moeder te hulp, die één minnaar heeft gehad. In al zulke gevallen echter is de hulp, die gegeven wordt, alleen geldelijk; ze verzekert de moeder geen erkenning of respect, en (naar Wahrmund naar waarheid gezegd heeft in zijnEhe und Eherecht) is het nòg noodig aan te dringen op de “onvoorwaardelijke heiligheid van het moederschap, dat, onder welke omstandigheden het ook voorkomt, aanspraak heeft op respect en bescherming van de maatschappij”.

We moeten hieraan toevoegen, dat, uit maatschappelijk gezichtspunt, het niet de sexueele vereeniging is, die wettelijke erkenning behoeft, maar het kind, dat het product is van die vereeniging. Het zou bovendien een hopelooze zaak zijn te trachten alle sexueele verhoudingen te wettigen, maar het is betrekkelijk gemakkelijk alle kinderen te erkennen.

Er is in vroeger tijd veel geredetwist over den specialen vorm, dien het huwelijk behoorde aan te nemen. Vele theoretici hebben hun vernuft ingespannen voor het uitvinden en prediken van nieuwe en ongewone huwelijksschikkingen, als panacee voor maatschappelijke nooden; terwijl anderen nog grootere energie hebben ten toon gespreid bij het bestrijden van zulke voorstellen als revolutionair. We mogen al zulke besprekingen, van beide zijden, als nutteloos beschouwen.

In de eerste plaats zijn de huwelijksgewoonten veel te fundamenteel, veel te intiem ingeweven met het wezen van het menschelijk, ja van het dierlijk samenleven, om ook maar in de geringste mate geschokt te worden door de theorieën of de praktijken van enkeleindividuen of groepen van individuen. De monogamie—de min of meer langdurende cohabitatie van twee individuen van verschillend geslacht—is het overheerschend type geweest van de sexueele verhouding onder de hoogere werveldieren en wel het grootste gedeelte van de geschiedenis der menschheid door. Dit wordt zelfs toegegeven door hen, die meenen (zonder eenig redelijk bewijs), dat de mensch door een stadium gegaan is van sexueelepromiscuïteit. Er zijn neigingen geweest tot varieeren in beide richtingen, maar in het hoogste zoowel als in het laagste stadium is, voor zoover we zien kunnen, de monogamie de heerschende regel.

Het moet ook in de tweede plaats gezegd worden, dat het natuurlijk overheerschen van de monogamie als normaal type van sexueele verhouding, geenszins variaties uitsluit. Veeleer laat ze die toe. “Er is niets precies in de Natuur”, zooals Diderot zegt. De lijn van de Natuur is een kromme, die slingert naar beide zijden van den norm. Zulke slingeringen komen onvermijdelijk voor in harmonie met veranderingen van de omgeving, en, ongetwijfeld, met eigenaardigheden van persoonlijke dispositie. Zoolang geen willekeurige en enkel uiterlijke poging wordt gedaan om de Natuur te dwingen, wordt de harmonie des levens in stand gehouden. Bij zekere soort van eenden worden, als er mannetjes te veel zijn, polyandrische families gevormd, en dan zorgen de twee mannetjes zonderjaloezievoor hun vrouwtje, maar als de geslachten weer gelijk in aantal worden, wordt de monogame orde weer ingesteld. De natuurlijke menschelijke afwijkingen van de monogamische orde schijnen over het algemeen van dezen aard te zijn en ze schijnen in hooge mate beïnvloed te worden door de maatschappelijke en economische omgeving. De meest gewone variatie en degene, die het duidelijkst een biologischen grondslag heeft, is de neiging tot polygynie, die in alle stadiën van de beschaving gevonden wordt, zelfs in een niet erkenden en min of meer gemengden vorm in de hoogste beschaving60. We moeten echter niet vergeten, dat erkende polygynie geen regel is, zelfs niet, waar ze overheerschend is; ze wordt alleen maar toegestaan; er is nooit zoo’n overvloed van vrouwen, dat meer dan enkele van de rijkere en meer invloedrijke personen meer dan één vrouw kunnen hebben61.

Verder moet men in gedachte houden, dat een zekere elasticiteit van de formeele zijde van het huwelijk, terwijl ze aan den eenen kant variaties toelaat van de algemeene monogamische orde, waar die gezond zijn of noodig om het evenwicht in natuurlijke toestanden te herstellen, aan den anderen kant zulke variaties in zooverre binnen de perken houdt, als zij berusten op den storenden invloed van kunstmatige beperking. Veel van de polygynie, en van de polyandrie ook, die tegenwoordig onder ons heerscht, is een geheel kunstmatige en onnatuurlijke vorm van polygamie. Huwelijken, die op een meer natuurlijke basis zouden ontbonden worden, kunnen wettelijk niet ontbonden worden, en daarom nemen de betrokken partijen, in plaats van van deelgenoot te veranderen en zoo de natuurlijke monogamische orde te bewaren, er andere deelgenooten bij en voeren zoo een onnatuurlijke polygamie in. Er zullen altijd variaties zijn van de monogame orde en de beschaving staat tegenover sexueele variaties geenszins vijandig. Of we deze verhoudingen beschouwen als wettig of als onwettig, ze zullen er altijd zijn; daar kunnen we zeker van zijn. De maatschappelijke wijsheid schijnt aan den eenen kant de huwelijksverhouding buigzaam genoeg te zullen maken om deze afwijkingen tot een minimum terug te brengen—niet omdat zulke afwijkingen uit hun aard slecht zijn, maar omdat ze niet met geweld in het leven moesten geroepen worden—en aan den anderen kant aan deze afwijkingen, als zij voorkomen in zoodanige mate erkenning te zullen verschaffen, dat ze hunnadeeligeninvloed verliezen en te zorgen, dat er rechtvaardigheid beoefend wordt jegens alle betrokken partijen. Wij vergeten maar al te dikwijls, dat het feit dat wij zulke variaties niet willen erkennen, alleen maar beteekent, dat wij in zulke gevallen een onwettige permissie geven om onrechtvaardigheid te bedrijven. In die deelen van de wereld, waar polygynie erkend wordt als een gepermitteerde variatie, is een man wettelijk gehouden aan zijn natuurlijke verplichtingen jegens al zijn sexueele deelgenooten en jegens de kinderen, die hij bij die deelgenooten heeft. In geen deel van de wereld is de polygynie zoo overheerschend als in de Christelijke landen; in geen deel van de wereld is het zoo gemakkelijk voor een man om te ontsnappen aan de verplichtingen, die hij zich door de polygynie op den hals gehaald heeft. En doordat we een man in staat stellen, zoo gemakkelijk te ontsnappen aan de verplichtingen van zijn polygame verhoudingen, moedigen wij hem, als hij gewetenloos is, aan, om ze aan te gaan; wij stellen een premie op de immoraliteit, die we uit de hoogte veroordeelen62. Onze polygyniebestaat niet wettelijk, en daarom kunnen de verplichtingen ervan ook geen wettig bestaan hebben. Men zegt, dat de struisvogel zijn hoofd in het zand steekt om moeilijkheden te ontloopen door te weigeren er naar te kijken; maar er is nog een bekend dier, dat zoo doet, en het heet Mensch.

Monogamie, in de fundamenteele biologische beteekenis, is de natuurlijke orde, waartoe de meerderheid van de sexueele feiten altijd van nature zal vervallen, omdat ze de verhouding is, die het meest gepast overeenkomt met alle physieke en geestelijke feiten, die er bij behooren. Maar als we ons voor oogen stellen, dat sexueele verhoudingen in de eerste plaats de menschen aangaan, die er bij betrokken zijn, en als we verder weten, dat het belang van de maatschappij in zulke verhoudingen beperkt is tot de kinderen, die zij voortbrengen, dan zullen we ook weten, dat het vaststellen bij de wet van het aantal vrouwen, met wie een man sexueele gemeenschap zal hebben, en het aantal mannen, waarmee een vrouw zich zal vereenigen onredelijker is dan het zou zijn om bij de wet vast te stellen hoeveel kinderen zij zullen voortbrengen. De Staat heeft het recht om te zeggen, of hij weinig burgers noodig heeft of veel; maar als hij tracht het aantal sexueele verhoudingen van zijn leden te regelen, dan beproeft de Staat een onmogelijke taak en maakt zich tevens schuldig aan een onbeschaamdheid.

Er is altijd in zekere stadiën van de beschaving een neiging om aan te dringen op een zuiver formeele en uiterlijke eenvormigheid, en een daarmee overeenkomend onvermogen om te zien, niet alleen dat zulk een eenvormigheid onwerkelijk is, maar dat ze ook een nadeelige uitwerking heeft, in zooverre ze weldadige variaties uitsluit. De neiging is geenszins beperkt tot de sexueele sfeer. In Engeland is er bij voorbeeld een neiging om bouwwetten te maken, die wat de huizen betreft, allerlei bepalingen opleggen, die in theorie weldadig zijn, maar die in de praktijk verkeerde uitwerking hebben, omdat zij vele eenvoudige en uitstekende menschelijke woonplaatsen absoluut onwettig maken, alleen omdat zulke woonplaatsen niet beantwoorden aan bepalingen, die, onder sommige omstandigheden niet alleen onnoodig zijn, maar kwaad stichten.Variatie is een feit, dat zal bestaan of wij het willen of niet; ze kan alleen gezond worden als we ze erkennen en toestaan. Misschien moeten we zelfs wel erkennen, dat het een duidelijker sprekende neiging is in de beschaving dan in meer primitieve maatschappelijke stadiën. Zoo zegt Gerson (Sexual-Probleme, Sept., 1908, p. 538), dat, evenals de beschaafde mensch niet tevreden kan zijn met het ruwe en eentonige voedsel, waar de boer tevreden mee is, het in sexueele zaken evenzoo gaat; de boerenjongen en het boerenmeisje zijnin hun sexueele verhoudingen bijna altijd monogaam, maar beschaafde menschen, met hun meer veelzijdige gevoelige smaak, hebben neiging om naar verandering te snakken. Senancour (De l’Amour, deel II, “Du Partage”, p. 127) schijnt de mogelijkheid aan te nemen van huwelijks-variaties, zooals van het samen deelen van een vrouw, mits er niets gedaan wordt om naijver op te wekken, of om nadeel toe te brengen aan de reinheid der ziel. Lecky verklaarde aan het eind van zijnHistory of European Morals, dat hij geloofde, dat, terwijl de duurzame vereeniging van twee personen het normale en overheerschende type is van het huwelijk, er geenszins uit volgt, dat dit, in het belang der maatschappij, de eenige vorm zou zijn. Evenzoo zegt Remy de Goncourt (Physique de l’Amour, p. 186), die toch constateert, dat het paar de natuurlijke huwelijksvorm is en de duurzame verlenging ervan een voorwaarde van menschelijke superioriteit, dat de duurzaamheid van de vereeniging slechts met moeite kan worden tot stand gebracht. Zoo zegt ook Prof. W. Thomas (Sex and Society, 1907, p. 193), die de monogamie beschouwt als dienstbaar aan maatschappelijke doeleinden: “Van het biologisch standpunt gesproken beantwoordt de monogamie in den regel niet aan de voorwaarden van de hoogste prikkeling, omdat hier de problematische en bedriegelijke elementen tot zekere hoogte verdwijnen, en het voorwerp van de belangstelling zoo gewoon is geworden voor het bewustzijn, dat gevoelsreacties gewijzigd worden. Dit is de oorspronkelijke verklaring van het feit, dat getrouwde mannen en vrouwen zoo dikwijls belangstelling gaan voelen voor anderen dan hun deelgenooten in het huwelijk”.Pepys, wiens onbewuste zelf-analyse zoo vele psychologische neigingen uitmuntend illustreert, toont duidelijk aan hoe—door een gevoelslogica, dieper dan eenige intellectueele logica—de toewijding aan de monogamie bestaat naast een onweerstaanbaren hartstocht voor sexueele verandering. Met een voortdurend terugkomende grillige aantrekking tot een lange reeks van vrouwen, behoudt hij doorloopend een diepe en onveranderlijke genegenheid voor zijn beminnelijke jonge vrouw. In de intimiteit van zijnDiaryverwijst hij dikwijls naar haar in woorden, die niet geveinsd kunnen zijn; hij geniet van haar gezelschap; hij is zeer precies op haar kleeding; hij verheugt zich zeer in haar vorderingen in de muziek, en besteedt veel geld aan haar opvoeding; hij is bepaald jaloersch als hij haar in gezelschap vindt van een man. Zijn bijkomende verhoudingen met andere vrouwen komen onweerstaanbaar weer voor, maar hij wenscht ze in het geheel niet van langen duur te maken of toe te staan, dat ze hem te zeer in beslag nemen. Pepys vertegenwoordigt een gewoon type van den beschaafden “monogamist”, die volkomen oprecht is en ten zeerste overtuigd in zijn pleidooi voor de monogamie, zooals hij ze begrijpt, maar die toch tevens gelooft en ook handelt naar het geloof, dat de monogamie geenszins de behoefte aan sexueele variatie uitsluit. Het gezegde van Lord Morley (Diderot, deel II, p. 20), dat “de man van instinct polygaam is”, kan in zijn geheel niet aangenomen worden, maar als wij het zoo uitleggen, dat het beteekent, dat de man een instinctief monogaam dier is met een bijkomenden wensch naar sexueele variatie, dan is er veel ten gunste daarvan te zeggen.Vrouwen moeten even vrij zijn als mannen om haar eigen liefdeleven te vormen. Velen meenen echter, dat zulk een vrijheid van de zijde der vrouwen uitgeoefend zal of moest worden binnen nauwer grenzen (zie b.v., Bloch,Sexual Life of Our Time, hoofdst. X). Voor een deel meent men, dat deze beperking berust op een grooter geabsorbeerd zijn van de vrouw in de taak van de geboorte en de opvoeding van de kinderen, en voor een deel aan een geringeren omvang van psychische activiteit.“Een man”, zegt G. Hirth, (Wege zur Liebe, p. 342),“heeft niet alleen in zijn intellectueele horizon plaats voor zeer verschillende belangen, maar zijn macht van erotische uitzetting is veel grooter en meer onderscheiden dan die van vrouwen, hoewel hij misschien niet de intimiteit en de diepte van de toewijding van een vrouw heeft”. Wemogen wel zeggen, dat, daar variaties in de sexueele orde onvermijdelijk zullen plaats vinden hetzij we ze erkennen en er gezag aan toekennen of niet, er waarschijnlijk geen schade gedaan wordt als we het gewicht van maatschappelijk en wettig gezag gebruiken aan den kant, die gewoonlijk beschouwd wordt als de beste, en, voor zoover als mogelijk is den anderen kant met schande bedekken. Er zijn vele duidelijk in het oog springende fouten in zulk een houding, afgezien van het in de hoogste mate belangrijke feit, dat het hechten van schande aan sexueele verhoudingen een verachtelijke wreedheid is tegenover de vrouwen, die onvermijdelijk degenen zijn, die er het meest onder lijden. Niet het minst van belang is de onrechtvaardigheid en het belemmeren van levensenergie, die het aan de betere en meer nauwgezette menschen bezorgt ten gunste van de minder goede en minder nauwgezette. Dit gebeurt altijd als het gezag zijn macht uitoefent ten voordeele van een vorm. Toen in de dertiende eeuw Alexander III—een van de grootste en machtigste heerschers, ten tijde van het Christendom geconsulteerd werd door den bisschop van Exeter over ondergeschikte geestelijken, die trouwden ondanks ’t verbod van de kerk, raadde de paus hem, onderzoek te doen naar het leven en het karakter van de overtreders; als zij geregelde gewoonten hadden en een ernstigen moraal, dan moesten ze met geweld gescheiden worden en hun vrouwen moesten weggejaagd worden; als zij mannen waren van bekend onordelijken aard, dan moest hun toegestaan worden hun vrouwen bij zich te houden, als ze dat wenschten (Lea,History of Sacerdotal Celibacy, derde uitgave, deel I, p. 396). Het was een slimme politiek, en ze werd ook elders door denzelfden paus gevolgd, maar het is gemakkelijk te zien, dat ze indruischt tegen de moraal in iedere beteekenis van het woord. Ze verwoestte het geluk en de werkkracht van de beste mannen; ze liet de slechtste mannen volkomen vrij. Nu zijn we volkomen bereid om de verkeerde resultaten van deze politiek te erkennen; ze werd aanbevolen door een paus en zeven honderd jaar geleden ten uitvoer gebracht. Toch brengen we in Engeland tegenwoordig precies dezelfde politiek in praktijk door middel van onze echtscheidingsbepalingen, die in ruimen kring worden rondgestrooid. Geen van de paren, die gescheiden zijn—en die nooit op het coelibaat getraind zijn als de Katholieke geestelijkheid van tegenwoordig—mag weer trouwen; in werkelijkheid bevelen we de meer nauwgezette onder hen om celibatairs te worden, en aan de minder nauwgezette geven wij de permissie om te doen wat ze willen. Dit proces wordt uitgevoerd ten gevolge van de traagheid van de gemeenschap in het algemeen, en als het ooit gebeurt, dat er argumenten voor aangehaald worden, dan zijn die van een zoo verouderden aard, dat ze alleen maar een medelijdenden glimlach kunnen te voorschijn roepen.We mogen hier aan toevoegen, dat er nog een reden is, waarom het brandmerken van sexueele variaties van den norm als “immoreel” niet zoo onschuldig is als sommigen het doen voorkomen: zulke variaties schijnen niet ongewoon te zijn onder mannen en vrouwen van uitmuntende bekwaamheid, wier krachten onbelemmerd noodig zijn in den dienst van de menschheid. Te pogen zulke menschen te doen passen in de nauwe vormen, die goed zijn voor de meerderheid, is niet alleen een onrechtvaardigheid jegens hen als individuen, maar het is een vergrijp jegens de maatschappij, die redelijkerwijze mag eischen dat haar beste leden niet zullen belemmerd worden in haar dienst. Het denkbeeld, dat de mensch, wiens sexueele behoeften verschillend zijn van die van het gemiddelde, noodzakelijkerwijze een maatschappelijk slecht persoon moet zijn, is een denkbeeld, dat niet op feiten berust. Ieder geval moet op zichzelf beschouwd worden.

Er is altijd in zekere stadiën van de beschaving een neiging om aan te dringen op een zuiver formeele en uiterlijke eenvormigheid, en een daarmee overeenkomend onvermogen om te zien, niet alleen dat zulk een eenvormigheid onwerkelijk is, maar dat ze ook een nadeelige uitwerking heeft, in zooverre ze weldadige variaties uitsluit. De neiging is geenszins beperkt tot de sexueele sfeer. In Engeland is er bij voorbeeld een neiging om bouwwetten te maken, die wat de huizen betreft, allerlei bepalingen opleggen, die in theorie weldadig zijn, maar die in de praktijk verkeerde uitwerking hebben, omdat zij vele eenvoudige en uitstekende menschelijke woonplaatsen absoluut onwettig maken, alleen omdat zulke woonplaatsen niet beantwoorden aan bepalingen, die, onder sommige omstandigheden niet alleen onnoodig zijn, maar kwaad stichten.

Variatie is een feit, dat zal bestaan of wij het willen of niet; ze kan alleen gezond worden als we ze erkennen en toestaan. Misschien moeten we zelfs wel erkennen, dat het een duidelijker sprekende neiging is in de beschaving dan in meer primitieve maatschappelijke stadiën. Zoo zegt Gerson (Sexual-Probleme, Sept., 1908, p. 538), dat, evenals de beschaafde mensch niet tevreden kan zijn met het ruwe en eentonige voedsel, waar de boer tevreden mee is, het in sexueele zaken evenzoo gaat; de boerenjongen en het boerenmeisje zijnin hun sexueele verhoudingen bijna altijd monogaam, maar beschaafde menschen, met hun meer veelzijdige gevoelige smaak, hebben neiging om naar verandering te snakken. Senancour (De l’Amour, deel II, “Du Partage”, p. 127) schijnt de mogelijkheid aan te nemen van huwelijks-variaties, zooals van het samen deelen van een vrouw, mits er niets gedaan wordt om naijver op te wekken, of om nadeel toe te brengen aan de reinheid der ziel. Lecky verklaarde aan het eind van zijnHistory of European Morals, dat hij geloofde, dat, terwijl de duurzame vereeniging van twee personen het normale en overheerschende type is van het huwelijk, er geenszins uit volgt, dat dit, in het belang der maatschappij, de eenige vorm zou zijn. Evenzoo zegt Remy de Goncourt (Physique de l’Amour, p. 186), die toch constateert, dat het paar de natuurlijke huwelijksvorm is en de duurzame verlenging ervan een voorwaarde van menschelijke superioriteit, dat de duurzaamheid van de vereeniging slechts met moeite kan worden tot stand gebracht. Zoo zegt ook Prof. W. Thomas (Sex and Society, 1907, p. 193), die de monogamie beschouwt als dienstbaar aan maatschappelijke doeleinden: “Van het biologisch standpunt gesproken beantwoordt de monogamie in den regel niet aan de voorwaarden van de hoogste prikkeling, omdat hier de problematische en bedriegelijke elementen tot zekere hoogte verdwijnen, en het voorwerp van de belangstelling zoo gewoon is geworden voor het bewustzijn, dat gevoelsreacties gewijzigd worden. Dit is de oorspronkelijke verklaring van het feit, dat getrouwde mannen en vrouwen zoo dikwijls belangstelling gaan voelen voor anderen dan hun deelgenooten in het huwelijk”.

Pepys, wiens onbewuste zelf-analyse zoo vele psychologische neigingen uitmuntend illustreert, toont duidelijk aan hoe—door een gevoelslogica, dieper dan eenige intellectueele logica—de toewijding aan de monogamie bestaat naast een onweerstaanbaren hartstocht voor sexueele verandering. Met een voortdurend terugkomende grillige aantrekking tot een lange reeks van vrouwen, behoudt hij doorloopend een diepe en onveranderlijke genegenheid voor zijn beminnelijke jonge vrouw. In de intimiteit van zijnDiaryverwijst hij dikwijls naar haar in woorden, die niet geveinsd kunnen zijn; hij geniet van haar gezelschap; hij is zeer precies op haar kleeding; hij verheugt zich zeer in haar vorderingen in de muziek, en besteedt veel geld aan haar opvoeding; hij is bepaald jaloersch als hij haar in gezelschap vindt van een man. Zijn bijkomende verhoudingen met andere vrouwen komen onweerstaanbaar weer voor, maar hij wenscht ze in het geheel niet van langen duur te maken of toe te staan, dat ze hem te zeer in beslag nemen. Pepys vertegenwoordigt een gewoon type van den beschaafden “monogamist”, die volkomen oprecht is en ten zeerste overtuigd in zijn pleidooi voor de monogamie, zooals hij ze begrijpt, maar die toch tevens gelooft en ook handelt naar het geloof, dat de monogamie geenszins de behoefte aan sexueele variatie uitsluit. Het gezegde van Lord Morley (Diderot, deel II, p. 20), dat “de man van instinct polygaam is”, kan in zijn geheel niet aangenomen worden, maar als wij het zoo uitleggen, dat het beteekent, dat de man een instinctief monogaam dier is met een bijkomenden wensch naar sexueele variatie, dan is er veel ten gunste daarvan te zeggen.

Vrouwen moeten even vrij zijn als mannen om haar eigen liefdeleven te vormen. Velen meenen echter, dat zulk een vrijheid van de zijde der vrouwen uitgeoefend zal of moest worden binnen nauwer grenzen (zie b.v., Bloch,Sexual Life of Our Time, hoofdst. X). Voor een deel meent men, dat deze beperking berust op een grooter geabsorbeerd zijn van de vrouw in de taak van de geboorte en de opvoeding van de kinderen, en voor een deel aan een geringeren omvang van psychische activiteit.“Een man”, zegt G. Hirth, (Wege zur Liebe, p. 342),“heeft niet alleen in zijn intellectueele horizon plaats voor zeer verschillende belangen, maar zijn macht van erotische uitzetting is veel grooter en meer onderscheiden dan die van vrouwen, hoewel hij misschien niet de intimiteit en de diepte van de toewijding van een vrouw heeft”. Wemogen wel zeggen, dat, daar variaties in de sexueele orde onvermijdelijk zullen plaats vinden hetzij we ze erkennen en er gezag aan toekennen of niet, er waarschijnlijk geen schade gedaan wordt als we het gewicht van maatschappelijk en wettig gezag gebruiken aan den kant, die gewoonlijk beschouwd wordt als de beste, en, voor zoover als mogelijk is den anderen kant met schande bedekken. Er zijn vele duidelijk in het oog springende fouten in zulk een houding, afgezien van het in de hoogste mate belangrijke feit, dat het hechten van schande aan sexueele verhoudingen een verachtelijke wreedheid is tegenover de vrouwen, die onvermijdelijk degenen zijn, die er het meest onder lijden. Niet het minst van belang is de onrechtvaardigheid en het belemmeren van levensenergie, die het aan de betere en meer nauwgezette menschen bezorgt ten gunste van de minder goede en minder nauwgezette. Dit gebeurt altijd als het gezag zijn macht uitoefent ten voordeele van een vorm. Toen in de dertiende eeuw Alexander III—een van de grootste en machtigste heerschers, ten tijde van het Christendom geconsulteerd werd door den bisschop van Exeter over ondergeschikte geestelijken, die trouwden ondanks ’t verbod van de kerk, raadde de paus hem, onderzoek te doen naar het leven en het karakter van de overtreders; als zij geregelde gewoonten hadden en een ernstigen moraal, dan moesten ze met geweld gescheiden worden en hun vrouwen moesten weggejaagd worden; als zij mannen waren van bekend onordelijken aard, dan moest hun toegestaan worden hun vrouwen bij zich te houden, als ze dat wenschten (Lea,History of Sacerdotal Celibacy, derde uitgave, deel I, p. 396). Het was een slimme politiek, en ze werd ook elders door denzelfden paus gevolgd, maar het is gemakkelijk te zien, dat ze indruischt tegen de moraal in iedere beteekenis van het woord. Ze verwoestte het geluk en de werkkracht van de beste mannen; ze liet de slechtste mannen volkomen vrij. Nu zijn we volkomen bereid om de verkeerde resultaten van deze politiek te erkennen; ze werd aanbevolen door een paus en zeven honderd jaar geleden ten uitvoer gebracht. Toch brengen we in Engeland tegenwoordig precies dezelfde politiek in praktijk door middel van onze echtscheidingsbepalingen, die in ruimen kring worden rondgestrooid. Geen van de paren, die gescheiden zijn—en die nooit op het coelibaat getraind zijn als de Katholieke geestelijkheid van tegenwoordig—mag weer trouwen; in werkelijkheid bevelen we de meer nauwgezette onder hen om celibatairs te worden, en aan de minder nauwgezette geven wij de permissie om te doen wat ze willen. Dit proces wordt uitgevoerd ten gevolge van de traagheid van de gemeenschap in het algemeen, en als het ooit gebeurt, dat er argumenten voor aangehaald worden, dan zijn die van een zoo verouderden aard, dat ze alleen maar een medelijdenden glimlach kunnen te voorschijn roepen.

We mogen hier aan toevoegen, dat er nog een reden is, waarom het brandmerken van sexueele variaties van den norm als “immoreel” niet zoo onschuldig is als sommigen het doen voorkomen: zulke variaties schijnen niet ongewoon te zijn onder mannen en vrouwen van uitmuntende bekwaamheid, wier krachten onbelemmerd noodig zijn in den dienst van de menschheid. Te pogen zulke menschen te doen passen in de nauwe vormen, die goed zijn voor de meerderheid, is niet alleen een onrechtvaardigheid jegens hen als individuen, maar het is een vergrijp jegens de maatschappij, die redelijkerwijze mag eischen dat haar beste leden niet zullen belemmerd worden in haar dienst. Het denkbeeld, dat de mensch, wiens sexueele behoeften verschillend zijn van die van het gemiddelde, noodzakelijkerwijze een maatschappelijk slecht persoon moet zijn, is een denkbeeld, dat niet op feiten berust. Ieder geval moet op zichzelf beschouwd worden.

Ongetwijfeld is in alle stadiën van de menschelijke cultuur de meest gewone variatie van de normale monogamie geweest de polygynie of de sexueele vereeniging van éen man met meer dan een vrouw. Soms is ze maatschappelijk en wettelijk erkend geworden,en soms niet, maar ze is altijd voorgekomen. Polyandrie, of de vereeniging van een vrouw met meer dan een man is betrekkelijk zeldzaam geweest en om begrijpelijke redenen; mannen zijn gewoonlijk in een betere conditie geweest, economisch en wettelijk, om een huishouden te organiseeren met zichzelf als middelpunt; een vrouw is, anders dan een man, door de natuur en dikwijls door de gewoonte lange tijden achtereen voor den omgang ongeschikt; een vrouw heeft bovendien haar gedachten en haar liefde meer op haar kinderen geconcentreerd. Afgezien hiervan wijzen de biologische mannelijke tradities veel meer op polygynie dan de vrouwelijke tradities op polyandrie wijzen. Hoewel het waar is, dat een vrouw een veel grootere mate van sexueelen omgang kan verdragen dan een man, blijft het ook waar, dat de verschijnselen van het hofmaken in de natuur het tot den plicht van den man gemaakt hebben om er op uit te zijn, sexueel zijn attentie te wijden aan de vrouw, wier rol het geweest is zedig haar keuze uit te stellen, totdat ze zeker is van haar voorkeur. Polygynische toestanden zijn ook voordeelig gebleken, daar zij aan de krachtigste en meest succesvolle leden van een gemeenschap hebben toegestaan het grootste aantal deelgenooten te hebben en zoo hun eigen superieure eigenschappen over te dragen.

“Polygamie”, schrijft Woods Hutchinson (Contemporary Review, Oct. 1904) die de voordeelen van de monogamie wel degelijk erkent, “als een instelling van het ras, heeft, onder dieren zoowel als onder menschen, vele belangrijke voordeelen, en ze heeft zoowel in menschelijke als in voor-menschelijke tijden geleid tot het voortbrengen van een zeer hoog type zoowel van individueele als van maatschappelijke ontwikkeling”. Hij wijst er op, dat ze het verstand, de samenwerking en de verdeeling van den arbeid vermeerdert, terwijl de scherpe wedstrijd om vrouwen de zwakkere en minder aantrekkelijke mannen uitschakelt.Onder onze Europeesche voorouders, evenzeer als onder de Germanen en de Kelten, bestonden polygynie en andere sexueele vormen als nu en dan voorkomende variaties. Tacitus merkte polygynie op in Duitschland, en Caesar vond in Engeland, dat broeders hun vrouwen te zamen hadden en dan werden de kinderen toegekend aan den man, aan wien de vrouw het eerst ten huwelijk was gegeven (zie b.v. van TrailSocial England, deel I, p. 103, voor een bespreking van dit punt). De assistent van den echtgenoot, die kon worden opgeroepen om de vrouw te bevruchten als de man impotent was, bestond ook in Duitschland; dit was een Indo-Germaansche instelling (Schrader,Reallexicon, art. “Zeugungshelfer”). De daarmee overeenkomende instelling van de bijzit is nog dieper geworteld en nog verder verspreid. Tot betrekkelijk korten tijd geleden had,—in overeenstemming met de tradities van de Romeinsche wet, de bijzit een erkende en geëerde positie, lager dan die van de vrouw, maar met bepaalde wettelijke rechten, hoewel het niet altijd wettig of zelfs maar gewoon was voor een getrouwd man om een bijzit te hebben. In het oude Wales werd, evenals in Rome, de bijzit erkend en nooit veracht. (R. B. Holt, “Marriage Laws of the Cymri”,Journal Anthropological Institute, Aug. en Nov. 1898, p. 155), Het feit, dat, als een bijzit het huis van een getrouwd man betrad, haar waardigheid en haar wettelijke positie minder waren dan die van de vrouw, bewaarden den vrede en beschermden de belangenvan de vrouw (Een echtgenoot in Korea kan geen bijzit in zijn huis nemen zonder de toestemming van zijn vrouw, maar zij maakt maar zelden bezwaren, en schijnt van het gezelschap te genieten, zegt Louise Jordan Miln, Quaint Korea, 1895, p. 92). Wij moeten ons herinneren, zooals Dufour zegt, over den tijd van Karel den Groote (Histoire de la Prostitution, deel III. p. 226), dat in het oude Europa “bijzit” een eervolle term was; de bijzit was in het geheel niet een maitres, en ze kon van echtbreuk beschuldigd worden even goed als de vrouw. In Engeland, op het einde der dertiende eeuw, spreekt Bracton van deconcubina legitimaals recht hebbende op bepaalde rechten en welwillendheden, en zoo was de toestand ook in andere deelen van Europa, soms verscheidene eeuwen later (zie Lea,History of Sacerdotal Celibacy, deel I, p. 230). De Christelijke kerk was in den aanvang dikwijls geneigd de bijzit te erkennen, in ieder geval ten minste als ze verbonden was aan den ongetrouwden man, want wij kunnen in de Kerk “den wensch nasporen om iedere duurzame vereeniging tusschen een man en een vrouw te beschouwen alsof ze den aard heeft van een huwelijk in de oogen van God, en daarom in het oordeel van de Kerk” (art. “Concubinage”, Smith and Cheetham,Dictionary of Christian Antiquities). Dit was het gevoelen van den heiligen Augustinus (die zelf, voor zijn bekeering, een bijzit had, die blijkbaar een Christin was), en het concilie van Toledo liet een ongetrouwd man toe, die trouw was aan zijn bijzit. Naarmate de wet van de Katholieke kerk meer en meer star werd, verloor ze noodzakelijkerwijze de voeling met de menschelijke nooden. Zoo was het echter niet in den eersten tijd van de kerk, in de eeuwen, toen ze de meeste levenskracht had. In die eeuwen werd zelfs de krachtigste algemeene regel van de monogamie minder streng toegepast, als zulk een verslapping verstandig scheen. Dit was bijvoorbeeld zoo in het geval van sexueele impotentie. Zoo zegt in het begin van de achtste eeuw Gregorius II, in een antwoord aan Bonifacius, den apostel in Duitschland, op een vraag van dezen laatsten, dat, als een vrouw door physieke onbekwaamheid niet in staat is haar huwelijksplichten te vervullen, het aan een echtgenoot geoorloofd is een tweede vrouw te nemen, hoewel hij moet blijven voortgaan de eerste te onderhouden. Wat later geeft Aartsbisschop Egbert van York, voorzichtiger, in zijnDialogus de Institutione Ecclesiaticatoe, dat, als de eene van twee getrouwde personen invalide is, de andere met toestemming van de invalidene, weer mag trouwen, maar dat de invalidene niet weer mag trouwen tijdens het leven van den ander. Impotentie tijdens het huwelijk maakte natuurlijk het huwelijk nietig zonder de tusschenkomst van de kerkelijke wet. Maar Thomas van Aquino en latere theologen geven toe, dat een buitengewoon groote tegenzin tegen een vrouw een man in zijn eigen oogen kan rechtvaardigen om zich in zijn betrekking tot haar als impotent te beschouwen. Deze regels zijn, natuurlijk, geheel afgescheiden van de permissie om de huwelijkswetten te breken, die aan koningen en prinsen wordt gegeven; zulke permissies gelden niet als bewijsmateriaal van de regels van de kerk, want, zooals het concilie van Constantinopel voorzichtig besliste in 809, “De goddelijke wet heeft geen macht jegens koningen” (art. “Bigamy”,Dictionary of Christian Antiquities). De wet van de monogamie werd ook minder streng toegepast in gevallen van gedwongen of vrijwillige verlating. Zoo bepaalde het concilie van Vermerie (752). dat, als een vrouw haar man niet wil vergezellen als hij gedwongen is zijn heer te volgen naar een ander land, hij weer mag trouwen, als hij geen hoop heeft ooit terug te keeren. Theodorus van Canterbury (638) zegt o.a. dat een man, als zijn vrouw door den vijand is weggevoerd en hij haar niet terug kan krijgen, na verloop van een jaar weer mag trouwen, of, als er nog eenige kans is, dat hij haar terug kan krijgen, na verloop van vijf jaar; de vrouw kan dat ook doen. Zulke regels, al zijn ze niet algemeen, wijzen, zooals Merrick zegt (art. “Marriage”,Dictionary of Christian Antiquities), op een bereidwilligheid “om tegemoet te komen aan speciale gevallen, als ze zich voordoen”.Toen de canonieke wet star begon te worden en de Katholieke kerk haar geschiktheid verloor om zich aan het leven aan te passen, werden sexueele variaties niet langer erkend binnen haar sfeer. We moeten voor eenige verdere beweging wachten tot de Hervorming. Velen van de eerste Protestantsche hervormers, vooral in Duitschland, waren bereid zich in een aanzienlijke mate naar het leven te schikken in de sexueele verhoudingen. Zoo raadde Luther aan getrouwde vrouwen, die impotente mannen hadden aan, in geval er geen wensch bestond of geen gelegenheid tot echtscheiding, om sexueele verhoudingen te hebben met een anderen man, liefst met den broeder van den man; de kinderen werden dan gerekend te zijn van den echtgenoot (“Die Sexuelle Frage bei Luther”,Mutterschutz, Sept. 1908).In Engeland kon de puriteinsche geest, die zich in zoo ruime mate bezig hield met de hervorming van het huwelijk, wel niet anders dan betrokken raken in de kwestie van sexueele variaties, en van tijd tot tijd vinden wij het voorstel om de polygynie te wettigen. Zoo publiceerde, in 1658, “A Person of Quality” in Londen een klein geschriftje, dat aan denLord Protectorwas opgedragen, getiteldA Remedy for Uncleanness. Het was in den vorm van een aantal vragen gesteld, vragend waarom we niet polygamie zouden toelaten, om echtbreuk en kindermoord te voorkomen. De schrijver vraagt, of het niet “zou overeen te brengen zijn met een geest van genade, en in alle opzichten overeenkomstig de principes van een man, die godvreezend is en de heiligheid lief heeft, om meer dan een vrouw te hebben voor zijn eigen gebruik … Hij, die den os of den ezel neemt van een ander man is ongetwijfeld een overtreder; maar hij, die zich buiten de verleiding stelt door ze zelf te hebben, schijnt een recht, eerlijk en welmeenend man te zijn”.Meer dan een eeuw later (1780), heeft ook een knap, geleerd en beroemd Londensch geestelijke van hoog karakter (die een rechtsgeleerde was geweest eer hij geestelijke werd), de Reverent Martin Madan, de polygamie aangeraden in een boek, genaamdThelyphthora: or a Treatise of Female Ruin. Madan was in nauw contact gebracht met de prostitutie door een kapelaanschap in het Lock Hospital, en, evenals de puriteinsche advocaat van de polygamie, kwam hij tot de conclusie, dat het alleen door de hervorming van het huwelijk mogelijk is tegen de prostitutie te werken en tegen de nadeelen van sexueelen omgang buiten het huwelijk. Zijn merkwaardig boek wekte veel tegenspraak en veroordeeling, zoodat hij het wenschelijk vond Londen te verlaten en buiten te gaan wonen. Voorstellen tot verandering van het huwelijk zijn sindsdien nooit weer van de kerk gekomen, maar van moralisten en philosophen, niet zelden echter van schrijvers van bepaald godsdienstig karakter. Senancour, die een zoo gevoelige en teere moralist in de sexueele sfeer was, voerde een gematigde bespreking over polygamie in in zijnDe l’Amour(deel II, p. 117–126). Het scheen hem toe, dat ze niet positief tegenovergesteld aan en niet positief in overeenstemming met de algemeene neiging van onze tegenwoordige conventies was, en hij besloot, dat “de methode van bemiddeling voor een deel zou zijn niet langer te eischen, dat de vereeniging van een man en een vrouw alleen zou ophouden met den dood van een van beiden”. Cope, de bioloog, uitte een meer gedecideerde opinie. “Er zijn sommige gevallen van ontbering”, zeide hij, “waarvoor zulk een permissie het geneesmiddel zou zijn. Dat zou bijvoorbeeld het geval zijn, als de man of de vrouw het slachtoffer waren geworden van een ongeneeslijke ziekte; of, als beide partijen kinderloos waren, of in andere gevallen, die men zich denken kan”. Er moest geen dwang zijn in eenige richting, en volle verantwoordelijkheid, zooals nu. Zulke gevallen moesten alleen maar als uitzondering voorkomen, en ze moesten de vijandschap van de maatschappij niet opwekken. Voor het grootste deel, merkt Cope op, “is de beste wijze om de polygamie te behandelen ze aan zich zelf over te laten” (E. D. Cope. “The Marriage Problem”,Open Court, Nov. 15 en 22 1888). In Engeland was Dr. John Chapman, de uitgever van deWestminster Review, een nauw bondgenoot van de leiders van de bewegingder Radicalen in het tijdperk van Victoria, tegen het geven van voorschriften door den Staat over den vorm van het huwelijk; hij meende, dat een zekere mate van sexueele variatie weldadig zou zijn voor de maatschappij. Zoo schreef hij in 1884 (in een vertrouwelijken brief): “Ik denk, dat, naarmate de menschen minder zelfzuchtig worden, polygamie (d.i. polygynie) en zelfs polyandrie, in een veredelden vorm, steeds meer zullen voorkomen”.James Hinton, die een paar jaren later veel gedachten en veel aandacht wijdde aan de sexueele kwestie, en ze zelfs beschouwde als het grootste van de moreele problemen, was evenzeer voor een grootere aanpassing aan het leven en aan menschelijke behoeften van de huwelijksregelingen, en een zooals de Christelijke kerk in het eerst toeliet. Het huwelijk, verklaarde hij, moet “ondergeschikt zijn aan den dienst”, daar het huwelijk, evenals de Sabbath, gemaakt is voor den mensch en niet de mensch voor het huwelijk. Zoo wilde hij, in het geval dat de eene deelgenoot krankzinnig werd, den anderen deelgenoot toestaan te hertrouwen, terwijl de aanspraken van den krankzinnigen deelgenoot geldig bleven in geval van herstel. Dat zou een vorm zijn van polygamie, maar Hinton was er zorgvuldig op bedacht er op te wijzen, dat hij met “polygamie” bedoelde “minder een speciale huwelijksorde, dan wel zulk een orde als het best aan het doel beantwoordt, en die dus buitengemeen veranderlijk moet wezen. De monogamie moge goed zijn, zelfs de eenige goede orde, als ze komt bij vrije keuze; maar eenwetervoor is een ander ding. De sexueele verhouding moet eennatuurlijkezaak zijn. Het ware maatschappelijke leven zal niet zijn eenige vastgestelde en bepaalde verhouding, als van monogamie, polygamie, of iets anders, maar een volkomen ondergeschiktheid van iedere sexueele verhouding aan de rede en het menschelijk welzijn”.Ellen Key, die een enthoesiast voorstandster is van de monogamie, en die meent, dat de ontwikkeling in de beschaafde maatschappij van persoonlijke liefde alle gevaar voor het aangroeien van de polygamie uitsluit, geeft toch toe, dat er variaties bestaan. Zij heeft dezelfde oplossingen van moeilijke problemen voor oogen als Goethe voor zich had, toen hij in zijnStellatrachtte aan te toonen, dat de kracht van banden van liefde en teedere herinneringen te groot is om toe te laten, dat ze door nieuwe verbroken zullen worden. Het probleem van de sexueele variatie echter, merkt zij op (Liebe und Ethik, p. 12) is, onder moderne voorwaarden van vorm veranderd, het is niet langer de strijd tusschen den eisch van de maatschappij van een strenge huwelijksorde en den eisch van het individu van sexueele bevrediging, maar het is het probleem geworden van het in harmonie brengen van de veredeling van het ras met verhoogde eischen van erotisch geluk. Zij wijst er ook op, dat het bestaan van een deelgenoot, die behoefte heeft aan den zorg van den anderen deelgenoot als verpleegster of als intellectueele makker, dien anderen deelgenoot in het geheel niet berooft van het recht op vaderschap en moederschap, en dat zulke rechten moeten beschermd worden. (Ellen Key,Ueber Liebe und Ehe, pp. 166–168).Een op den voorgrond tredend en groot voorstander van de polygynie, niet als een slechts zelden voorkomende variatie, maar als een huwelijk van hooger orde dan de monogamie, wordt tegenwoordig gevonden in Professor Christian von Ehrenfels van Praag (zie b.v. zijnSexualethik, 1908; “Die Postulate des Lebens”.Sexual-Probleme, Oct. 1908; en brief aan Ellen Key in haarUeber Liebe und Ehe, p. 466). Ehrenfels meent, dat het aantal mannen, dat ongeschikt is voor een bevredigende reproductie veel grooter is dan dat van vrouwen, en dat daarom, als deze buiten beschouwing gelaten worden, een polygynische huwelijksorde noodig wordt. Hij noemt dit “reproductie-huwelijk” (Zeugungsehe), en denkt dat het moreel hooger zal staan dan dit. Het zou gebaseerd zijn op persoonlijke contracten. Ehrenfels meent, dat de vrouwen geen bezwaar zouden hebben, omdat een vrouw, naar hij gelooft, minder waarde hecht aan een man als minnaar dan als vader van haar kind. Ehrenfeld’s leer is ernstig aangevallen van vele zijden, en zijn voorstellen zijn nietin den lijn van onzen vooruitgang. Eenige radicale wijziging van de bestaande monogame huwelijksorde is niet te verwachten, zelfs als het algemeen erkend werd, hetgeen niet kan gezegd worden, dat ze wenschelijk is. De kwestie van sexueele variaties, moeten we ons herinneren, is niet een kwestie van het invoeren van een geheel nieuwen vorm van huwelijk, maar alleen van het erkennen van het recht van individuen, om buitengewone gevallen van dat huwelijk aan te nemen, en van het erkennen van de daarmee overeenstemmende verplichtingen van zulke individuen om de verantwoording op zich te nemen van ieder van die afwijkende vormen, die ze het beste zullen vinden. Voor zoover de kwestie van de sexueele variatie van het huwelijk meer is dan dit, is ze, volgens Hinton, een dynamische methode om te werken aan de afschaffing van de gevaarlijkepromiscuïteitvan de prostitutie. Een strenge huwelijksorde sluit prostitutie in zich; een buigzame huwelijksorde maakt voor een groot deel—hoewel misschien niet geheel—de prostitutie overbodig. De democratische moraal van tegenwoordig is, voor zoover de aanwijzingen gaan, tegenovergesteld aan een klasse vanquasi-slaven, met verminderde maatschappelijke rechten, zooals de prostituées altijd in meerdere of mindere mate vormen. Het blijkt ook tamelijk duidelijk, dat de snel aangroeiende invloed van de medische hygiëne aan dezelfde zijde werkt. Wij mogen daarom in de toekomst redelijkerwijze een langzame, maar gestadige toename verwachten van de erkenning, en zelfs van de uitbreiding van die variaties in de monogamische orde, die in werkelijkheid nooit opgehouden hebben te bestaan.

“Polygamie”, schrijft Woods Hutchinson (Contemporary Review, Oct. 1904) die de voordeelen van de monogamie wel degelijk erkent, “als een instelling van het ras, heeft, onder dieren zoowel als onder menschen, vele belangrijke voordeelen, en ze heeft zoowel in menschelijke als in voor-menschelijke tijden geleid tot het voortbrengen van een zeer hoog type zoowel van individueele als van maatschappelijke ontwikkeling”. Hij wijst er op, dat ze het verstand, de samenwerking en de verdeeling van den arbeid vermeerdert, terwijl de scherpe wedstrijd om vrouwen de zwakkere en minder aantrekkelijke mannen uitschakelt.

Onder onze Europeesche voorouders, evenzeer als onder de Germanen en de Kelten, bestonden polygynie en andere sexueele vormen als nu en dan voorkomende variaties. Tacitus merkte polygynie op in Duitschland, en Caesar vond in Engeland, dat broeders hun vrouwen te zamen hadden en dan werden de kinderen toegekend aan den man, aan wien de vrouw het eerst ten huwelijk was gegeven (zie b.v. van TrailSocial England, deel I, p. 103, voor een bespreking van dit punt). De assistent van den echtgenoot, die kon worden opgeroepen om de vrouw te bevruchten als de man impotent was, bestond ook in Duitschland; dit was een Indo-Germaansche instelling (Schrader,Reallexicon, art. “Zeugungshelfer”). De daarmee overeenkomende instelling van de bijzit is nog dieper geworteld en nog verder verspreid. Tot betrekkelijk korten tijd geleden had,—in overeenstemming met de tradities van de Romeinsche wet, de bijzit een erkende en geëerde positie, lager dan die van de vrouw, maar met bepaalde wettelijke rechten, hoewel het niet altijd wettig of zelfs maar gewoon was voor een getrouwd man om een bijzit te hebben. In het oude Wales werd, evenals in Rome, de bijzit erkend en nooit veracht. (R. B. Holt, “Marriage Laws of the Cymri”,Journal Anthropological Institute, Aug. en Nov. 1898, p. 155), Het feit, dat, als een bijzit het huis van een getrouwd man betrad, haar waardigheid en haar wettelijke positie minder waren dan die van de vrouw, bewaarden den vrede en beschermden de belangenvan de vrouw (Een echtgenoot in Korea kan geen bijzit in zijn huis nemen zonder de toestemming van zijn vrouw, maar zij maakt maar zelden bezwaren, en schijnt van het gezelschap te genieten, zegt Louise Jordan Miln, Quaint Korea, 1895, p. 92). Wij moeten ons herinneren, zooals Dufour zegt, over den tijd van Karel den Groote (Histoire de la Prostitution, deel III. p. 226), dat in het oude Europa “bijzit” een eervolle term was; de bijzit was in het geheel niet een maitres, en ze kon van echtbreuk beschuldigd worden even goed als de vrouw. In Engeland, op het einde der dertiende eeuw, spreekt Bracton van deconcubina legitimaals recht hebbende op bepaalde rechten en welwillendheden, en zoo was de toestand ook in andere deelen van Europa, soms verscheidene eeuwen later (zie Lea,History of Sacerdotal Celibacy, deel I, p. 230). De Christelijke kerk was in den aanvang dikwijls geneigd de bijzit te erkennen, in ieder geval ten minste als ze verbonden was aan den ongetrouwden man, want wij kunnen in de Kerk “den wensch nasporen om iedere duurzame vereeniging tusschen een man en een vrouw te beschouwen alsof ze den aard heeft van een huwelijk in de oogen van God, en daarom in het oordeel van de Kerk” (art. “Concubinage”, Smith and Cheetham,Dictionary of Christian Antiquities). Dit was het gevoelen van den heiligen Augustinus (die zelf, voor zijn bekeering, een bijzit had, die blijkbaar een Christin was), en het concilie van Toledo liet een ongetrouwd man toe, die trouw was aan zijn bijzit. Naarmate de wet van de Katholieke kerk meer en meer star werd, verloor ze noodzakelijkerwijze de voeling met de menschelijke nooden. Zoo was het echter niet in den eersten tijd van de kerk, in de eeuwen, toen ze de meeste levenskracht had. In die eeuwen werd zelfs de krachtigste algemeene regel van de monogamie minder streng toegepast, als zulk een verslapping verstandig scheen. Dit was bijvoorbeeld zoo in het geval van sexueele impotentie. Zoo zegt in het begin van de achtste eeuw Gregorius II, in een antwoord aan Bonifacius, den apostel in Duitschland, op een vraag van dezen laatsten, dat, als een vrouw door physieke onbekwaamheid niet in staat is haar huwelijksplichten te vervullen, het aan een echtgenoot geoorloofd is een tweede vrouw te nemen, hoewel hij moet blijven voortgaan de eerste te onderhouden. Wat later geeft Aartsbisschop Egbert van York, voorzichtiger, in zijnDialogus de Institutione Ecclesiaticatoe, dat, als de eene van twee getrouwde personen invalide is, de andere met toestemming van de invalidene, weer mag trouwen, maar dat de invalidene niet weer mag trouwen tijdens het leven van den ander. Impotentie tijdens het huwelijk maakte natuurlijk het huwelijk nietig zonder de tusschenkomst van de kerkelijke wet. Maar Thomas van Aquino en latere theologen geven toe, dat een buitengewoon groote tegenzin tegen een vrouw een man in zijn eigen oogen kan rechtvaardigen om zich in zijn betrekking tot haar als impotent te beschouwen. Deze regels zijn, natuurlijk, geheel afgescheiden van de permissie om de huwelijkswetten te breken, die aan koningen en prinsen wordt gegeven; zulke permissies gelden niet als bewijsmateriaal van de regels van de kerk, want, zooals het concilie van Constantinopel voorzichtig besliste in 809, “De goddelijke wet heeft geen macht jegens koningen” (art. “Bigamy”,Dictionary of Christian Antiquities). De wet van de monogamie werd ook minder streng toegepast in gevallen van gedwongen of vrijwillige verlating. Zoo bepaalde het concilie van Vermerie (752). dat, als een vrouw haar man niet wil vergezellen als hij gedwongen is zijn heer te volgen naar een ander land, hij weer mag trouwen, als hij geen hoop heeft ooit terug te keeren. Theodorus van Canterbury (638) zegt o.a. dat een man, als zijn vrouw door den vijand is weggevoerd en hij haar niet terug kan krijgen, na verloop van een jaar weer mag trouwen, of, als er nog eenige kans is, dat hij haar terug kan krijgen, na verloop van vijf jaar; de vrouw kan dat ook doen. Zulke regels, al zijn ze niet algemeen, wijzen, zooals Merrick zegt (art. “Marriage”,Dictionary of Christian Antiquities), op een bereidwilligheid “om tegemoet te komen aan speciale gevallen, als ze zich voordoen”.

Toen de canonieke wet star begon te worden en de Katholieke kerk haar geschiktheid verloor om zich aan het leven aan te passen, werden sexueele variaties niet langer erkend binnen haar sfeer. We moeten voor eenige verdere beweging wachten tot de Hervorming. Velen van de eerste Protestantsche hervormers, vooral in Duitschland, waren bereid zich in een aanzienlijke mate naar het leven te schikken in de sexueele verhoudingen. Zoo raadde Luther aan getrouwde vrouwen, die impotente mannen hadden aan, in geval er geen wensch bestond of geen gelegenheid tot echtscheiding, om sexueele verhoudingen te hebben met een anderen man, liefst met den broeder van den man; de kinderen werden dan gerekend te zijn van den echtgenoot (“Die Sexuelle Frage bei Luther”,Mutterschutz, Sept. 1908).

In Engeland kon de puriteinsche geest, die zich in zoo ruime mate bezig hield met de hervorming van het huwelijk, wel niet anders dan betrokken raken in de kwestie van sexueele variaties, en van tijd tot tijd vinden wij het voorstel om de polygynie te wettigen. Zoo publiceerde, in 1658, “A Person of Quality” in Londen een klein geschriftje, dat aan denLord Protectorwas opgedragen, getiteldA Remedy for Uncleanness. Het was in den vorm van een aantal vragen gesteld, vragend waarom we niet polygamie zouden toelaten, om echtbreuk en kindermoord te voorkomen. De schrijver vraagt, of het niet “zou overeen te brengen zijn met een geest van genade, en in alle opzichten overeenkomstig de principes van een man, die godvreezend is en de heiligheid lief heeft, om meer dan een vrouw te hebben voor zijn eigen gebruik … Hij, die den os of den ezel neemt van een ander man is ongetwijfeld een overtreder; maar hij, die zich buiten de verleiding stelt door ze zelf te hebben, schijnt een recht, eerlijk en welmeenend man te zijn”.

Meer dan een eeuw later (1780), heeft ook een knap, geleerd en beroemd Londensch geestelijke van hoog karakter (die een rechtsgeleerde was geweest eer hij geestelijke werd), de Reverent Martin Madan, de polygamie aangeraden in een boek, genaamdThelyphthora: or a Treatise of Female Ruin. Madan was in nauw contact gebracht met de prostitutie door een kapelaanschap in het Lock Hospital, en, evenals de puriteinsche advocaat van de polygamie, kwam hij tot de conclusie, dat het alleen door de hervorming van het huwelijk mogelijk is tegen de prostitutie te werken en tegen de nadeelen van sexueelen omgang buiten het huwelijk. Zijn merkwaardig boek wekte veel tegenspraak en veroordeeling, zoodat hij het wenschelijk vond Londen te verlaten en buiten te gaan wonen. Voorstellen tot verandering van het huwelijk zijn sindsdien nooit weer van de kerk gekomen, maar van moralisten en philosophen, niet zelden echter van schrijvers van bepaald godsdienstig karakter. Senancour, die een zoo gevoelige en teere moralist in de sexueele sfeer was, voerde een gematigde bespreking over polygamie in in zijnDe l’Amour(deel II, p. 117–126). Het scheen hem toe, dat ze niet positief tegenovergesteld aan en niet positief in overeenstemming met de algemeene neiging van onze tegenwoordige conventies was, en hij besloot, dat “de methode van bemiddeling voor een deel zou zijn niet langer te eischen, dat de vereeniging van een man en een vrouw alleen zou ophouden met den dood van een van beiden”. Cope, de bioloog, uitte een meer gedecideerde opinie. “Er zijn sommige gevallen van ontbering”, zeide hij, “waarvoor zulk een permissie het geneesmiddel zou zijn. Dat zou bijvoorbeeld het geval zijn, als de man of de vrouw het slachtoffer waren geworden van een ongeneeslijke ziekte; of, als beide partijen kinderloos waren, of in andere gevallen, die men zich denken kan”. Er moest geen dwang zijn in eenige richting, en volle verantwoordelijkheid, zooals nu. Zulke gevallen moesten alleen maar als uitzondering voorkomen, en ze moesten de vijandschap van de maatschappij niet opwekken. Voor het grootste deel, merkt Cope op, “is de beste wijze om de polygamie te behandelen ze aan zich zelf over te laten” (E. D. Cope. “The Marriage Problem”,Open Court, Nov. 15 en 22 1888). In Engeland was Dr. John Chapman, de uitgever van deWestminster Review, een nauw bondgenoot van de leiders van de bewegingder Radicalen in het tijdperk van Victoria, tegen het geven van voorschriften door den Staat over den vorm van het huwelijk; hij meende, dat een zekere mate van sexueele variatie weldadig zou zijn voor de maatschappij. Zoo schreef hij in 1884 (in een vertrouwelijken brief): “Ik denk, dat, naarmate de menschen minder zelfzuchtig worden, polygamie (d.i. polygynie) en zelfs polyandrie, in een veredelden vorm, steeds meer zullen voorkomen”.

James Hinton, die een paar jaren later veel gedachten en veel aandacht wijdde aan de sexueele kwestie, en ze zelfs beschouwde als het grootste van de moreele problemen, was evenzeer voor een grootere aanpassing aan het leven en aan menschelijke behoeften van de huwelijksregelingen, en een zooals de Christelijke kerk in het eerst toeliet. Het huwelijk, verklaarde hij, moet “ondergeschikt zijn aan den dienst”, daar het huwelijk, evenals de Sabbath, gemaakt is voor den mensch en niet de mensch voor het huwelijk. Zoo wilde hij, in het geval dat de eene deelgenoot krankzinnig werd, den anderen deelgenoot toestaan te hertrouwen, terwijl de aanspraken van den krankzinnigen deelgenoot geldig bleven in geval van herstel. Dat zou een vorm zijn van polygamie, maar Hinton was er zorgvuldig op bedacht er op te wijzen, dat hij met “polygamie” bedoelde “minder een speciale huwelijksorde, dan wel zulk een orde als het best aan het doel beantwoordt, en die dus buitengemeen veranderlijk moet wezen. De monogamie moge goed zijn, zelfs de eenige goede orde, als ze komt bij vrije keuze; maar eenwetervoor is een ander ding. De sexueele verhouding moet eennatuurlijkezaak zijn. Het ware maatschappelijke leven zal niet zijn eenige vastgestelde en bepaalde verhouding, als van monogamie, polygamie, of iets anders, maar een volkomen ondergeschiktheid van iedere sexueele verhouding aan de rede en het menschelijk welzijn”.

Ellen Key, die een enthoesiast voorstandster is van de monogamie, en die meent, dat de ontwikkeling in de beschaafde maatschappij van persoonlijke liefde alle gevaar voor het aangroeien van de polygamie uitsluit, geeft toch toe, dat er variaties bestaan. Zij heeft dezelfde oplossingen van moeilijke problemen voor oogen als Goethe voor zich had, toen hij in zijnStellatrachtte aan te toonen, dat de kracht van banden van liefde en teedere herinneringen te groot is om toe te laten, dat ze door nieuwe verbroken zullen worden. Het probleem van de sexueele variatie echter, merkt zij op (Liebe und Ethik, p. 12) is, onder moderne voorwaarden van vorm veranderd, het is niet langer de strijd tusschen den eisch van de maatschappij van een strenge huwelijksorde en den eisch van het individu van sexueele bevrediging, maar het is het probleem geworden van het in harmonie brengen van de veredeling van het ras met verhoogde eischen van erotisch geluk. Zij wijst er ook op, dat het bestaan van een deelgenoot, die behoefte heeft aan den zorg van den anderen deelgenoot als verpleegster of als intellectueele makker, dien anderen deelgenoot in het geheel niet berooft van het recht op vaderschap en moederschap, en dat zulke rechten moeten beschermd worden. (Ellen Key,Ueber Liebe und Ehe, pp. 166–168).

Een op den voorgrond tredend en groot voorstander van de polygynie, niet als een slechts zelden voorkomende variatie, maar als een huwelijk van hooger orde dan de monogamie, wordt tegenwoordig gevonden in Professor Christian von Ehrenfels van Praag (zie b.v. zijnSexualethik, 1908; “Die Postulate des Lebens”.Sexual-Probleme, Oct. 1908; en brief aan Ellen Key in haarUeber Liebe und Ehe, p. 466). Ehrenfels meent, dat het aantal mannen, dat ongeschikt is voor een bevredigende reproductie veel grooter is dan dat van vrouwen, en dat daarom, als deze buiten beschouwing gelaten worden, een polygynische huwelijksorde noodig wordt. Hij noemt dit “reproductie-huwelijk” (Zeugungsehe), en denkt dat het moreel hooger zal staan dan dit. Het zou gebaseerd zijn op persoonlijke contracten. Ehrenfels meent, dat de vrouwen geen bezwaar zouden hebben, omdat een vrouw, naar hij gelooft, minder waarde hecht aan een man als minnaar dan als vader van haar kind. Ehrenfeld’s leer is ernstig aangevallen van vele zijden, en zijn voorstellen zijn nietin den lijn van onzen vooruitgang. Eenige radicale wijziging van de bestaande monogame huwelijksorde is niet te verwachten, zelfs als het algemeen erkend werd, hetgeen niet kan gezegd worden, dat ze wenschelijk is. De kwestie van sexueele variaties, moeten we ons herinneren, is niet een kwestie van het invoeren van een geheel nieuwen vorm van huwelijk, maar alleen van het erkennen van het recht van individuen, om buitengewone gevallen van dat huwelijk aan te nemen, en van het erkennen van de daarmee overeenstemmende verplichtingen van zulke individuen om de verantwoording op zich te nemen van ieder van die afwijkende vormen, die ze het beste zullen vinden. Voor zoover de kwestie van de sexueele variatie van het huwelijk meer is dan dit, is ze, volgens Hinton, een dynamische methode om te werken aan de afschaffing van de gevaarlijkepromiscuïteitvan de prostitutie. Een strenge huwelijksorde sluit prostitutie in zich; een buigzame huwelijksorde maakt voor een groot deel—hoewel misschien niet geheel—de prostitutie overbodig. De democratische moraal van tegenwoordig is, voor zoover de aanwijzingen gaan, tegenovergesteld aan een klasse vanquasi-slaven, met verminderde maatschappelijke rechten, zooals de prostituées altijd in meerdere of mindere mate vormen. Het blijkt ook tamelijk duidelijk, dat de snel aangroeiende invloed van de medische hygiëne aan dezelfde zijde werkt. Wij mogen daarom in de toekomst redelijkerwijze een langzame, maar gestadige toename verwachten van de erkenning, en zelfs van de uitbreiding van die variaties in de monogamische orde, die in werkelijkheid nooit opgehouden hebben te bestaan.

Het is bedroevend, dat het, in dezen tijd van de wereldgeschiedenis, bijna twee duizend jaar nadat de wijze wetgevers van Rome hun werk voltooid hadden, nog noodig is tot het besluit te komen, dat we tegenwoordig eerst in een der eerste stadiën zijn van het plaatsen van het huwelijk op een redelijke en menschelijke basis. Ik heb er herhaaldelijk op gewezen in hoe groote mate de canonieke wet verantwoordelijk geweest is voor deze vertraging in de ontwikkeling. Men kan inderdaad zeggen, dat de geheele houding van de Kerk, nadat ze volkomen wereldlijke heerschappij verkregen had, verantwoordelijk moet gesteld worden. In de vroegere eeuwen was de houding van het Christendom over het geheel bewonderenswaardig. Het hield groote idealen hoog, maar het onthield zich van het opdringen van deze idealen tot iederen prijs; zoo bleven de idealen echt en konden ze niet ontaarden in enkel huichelachtige ledige vormen; veel buigzaamheid werd toegestaan, als ze voor het welzijn der menschen scheen noodig te zijn en als ze ingesteld werd om kwaad en onrechtvaardigheid te vermijden. Maar, toen de Kerk wereldlijke macht verkreeg, en toen die macht geconcentreerd raakte in de handen van Pausen, die moreele en godsdienstige belangen ondergeschikt maakten aan politieke belangen, toen sloeg men de aanspraken van het verstand en de humaniteit in den wind. Het ideaal werd niet meer een feit dan het tevoren was, maar het werd nu behandeld als een feit. De menschelijke verhoudingen bleven wat zij tevoren waren, even gecompliceerd en verschillend, maar van nu af aan werd éen streng willekeurig voorbeeld gesteld, dat bewonderenswaardig was als een ideaal, maar erger dan ledig als een vorm, en alle afwijkingen daarvan werden behandeld òf als niet te bestaanòf als verkeerd. Alle leven werd uit de meest vitale menschelijke instellingen verdreven en eerst nu begint er weer beweging in te komen.

Als wij—resumeerend—den loop nagaan, die de regeling van het huwelijk gehad heeft in het Christelijke tijdperk, het eenige tijdperk dat ons onmiddellijk aangaat, dan is het niet moeilijk de hoofdlijnen ervan te volgen. Het huwelijk begon als een bijzondere instelling, die de kerk, zonder ze te kunnen controleeren, bereid was in te zegenen, zooals ze zoo menige andere wereldlijke zaak inzegende; zij probeerde nog niet de natuurlijke aanpassing ervan aan menschelijke behoeften te beperken. Maar langzamerhand en onmerkbaar, zonder tusschenkomst van de wet, verkreeg het Christendom de volle heerschappij over het huwelijk, overeenkomstig de reeds ontwikkelde opvattingen over het kwaad van den lust, de deugd der kuischheid, de doodzonde van de ontucht, en, na door den invloed van deze heerschende opvattingen de buigzaamheid van het huwelijk in alle richtingen te hebben beperkt, plaatste ze het op een verheven, maar smal voetstuk als een sacrament. Om redenen, die in het geheel niet liggen in de natuur van de sexueele verhoudingen, maar die waarschijnlijk aan de priester-wetgevers dringend toeschenen, die haar assimileerden met de wijding tot priester, werd het huwelijk voor onontbindbaar verklaard. Niets was zoo gemakkelijk om binnen te gaan als de poort van het huwelijk, maar, evenals een muizenval, ging ze alleen naar binnen open en niet naar buiten; eens er in, kon men er levend niet weer uit komen. De regeling van het huwelijk door de kerk was, terwijl ze, evenals het coelibaat van de geestelijkheid, een succes was uit het oogpunt van kerkelijke politiek, en zelfs in het eerst uit het oogpunt van beschaving, want ze bracht orde in een maatschappelijken chaos, toch op den langen duur een mislukking uit een oogpunt van maatschappij en moraal. Aan den eenen kant verviel ze in belachelijke spitsvondigheden en haarkloverijen; aan den anderen kant had ze, omdat ze niet berustte op hetzij de rede of op de menschelijkheid, niets van die geschiktheid tot aanpassen aan de behoeften van het leven, die het Christendom in zijn eersten tijd in zoo ruime mate behield, terwijl het toch verheven idealen hoog hield. Aan den traditioneelen kant werd dit huwelijkswetboek onbeholpen en onpractisch; aan den biologischen kant was het een wanhopige misgreep. Zoo was dus de weg gebaand tot de opvatting der Protestanten van het huwelijk als een contract, maar die opvatting werd minder op den voorgrond gebracht ter wille van zich zelf, dan als een protest tegen de moeilijkheden en dwaasheden van de Katholieke canonieke, wet. Deze beschouwing als contract, die nog in ruime mate bestaat, zelfs nu nog, nam spoedig veel over van de leerstellingen van de canonieke wet over het huwelijk, en werd in de praktijkeen soort van hervormde en verwereldlijkte canonieke wet. Ze paste zich eenigszins meer aan aan de moderne behoeften, maar ze behield veel van de starheid van het Katholieke huwelijk zonder den sacramenteelen aard ervan, en ze deed nooit een poging om meer dan in naam een contract te worden. Ze is te beschouwen als een compromis van deelen, die niet bij elkaar passen en ze is een overgangsstadium geweest naar het vrije persoonlijke huwelijk. Wij kunnen die phase herkennen in de neiging, die in de beschaafde landen duidelijk uitgesproken is, naar een steeds toenemende rekbaarheid van het huwelijk. Het denkbeeld en zelfs het feit van het huwelijk door overeenstemming en van de echtscheiding bij gebrek aan die overeenstemming, waar we nu heen gaan, is in werkelijkheid nooit geheel uitgestorven geweest. In de Latijnsche landen is het blijven bestaan in de traditie van de Romeinsche wet; in de Engelsch sprekende landen is het samengegroeid met den geest van het puritanisme, die er op aandringt, dat in de dingen die het individu alleen aangaan, het individu zelf opperste rechter moet zijn. Die leer, toegepast op het huwelijk, werd in Engeland schitterend tot uitdrukking gebracht door het genie van Milton, en in Amerika is zij het zuurdeesem geweest, dat nog voortwerkt in de huwelijkswetgeving naar een onvermijdelijk doel, dat nog nauwelijks in het zicht is. Het huwelijkssysteem van de toekomst zal op het oude Christelijke systeem gelijken in zoover het den geheiligden en sacramenteelen aard zal erkennen van de sexueele verhouding, en het zal gelijken op de burgerlijke opvatting in zooverre het er op zal aandringen, dat het huwelijk, wat de voortplanting aangaat, openlijk door den Staat zal worden geregistreerd. Maar in tegenstelling met de kerk zal het erkennen, dat het huwelijk, in zoover het zuiver een sexueele verhouding is, een persoonlijke zaak is, waarvan de voorwaarden moeten overgelaten worden aan de personen, die er in betrokken zijn; en in tegenstelling met de burgerlijke theorie zal het erkennen, dat het huwelijk in zijn wezen een feit is en geen contract, hoewel het aanleiding kan geven tot contracten, zoolang die contracten dat essentieele feit niet raken. En in een opzicht zal het gaan boven de kerkelijke opvatting en de burgerlijke opvatting beide. De mensch heeft in den laatsten tijd de heerschappij verkregen over zijn eigen voortbrengende krachten, en die heerschappij brengt mee een verplaatsen van het centrum van den ernst van het huwelijk, in zooverre het huwelijk een staatszaak is, van de vagina naar het kind, dat de vrucht is van den schoot. Het huwelijk, als een instelling van den Staat, zal zich concentreeren, niet om de sexueele verhouding, maar om het kind, dat het resultaat is van die verhouding. In zooverre het huwelijk een onschendbaar openlijk contract is, zal het van zulk een aard zijn, dat het vanzelf met zijn bescherming zal dekken ieder kind, dat in de wereld geboren wordt, zoodat ieder kindeen wettigen vader en een wettige moeder zal hebben. Aan den eenen kant heeft het huwelijk dus neiging om minder bindend te worden; aan den anderen kant heeft het neiging meer bindend te worden. Aan den persoonlijken kant is het een intieme en heilige verhouding, waarmee de Staat niet te maken heeft; aan den maatschappelijken kant is het het aannemen van het verantwoordelijk openlijk borg zijn voor een nieuw lid van den Staat. Sommigen onder ons zijn bezig de eerste van deze beschouwingswijzen van het huwelijk te bevorderen, anderen de tweede. Beide zijn noodig om een volkomen harmonie te vormen. Het is noodig de twee beschouwingswijzen van het huwelijk afzonderlijk te houden, om gelijkelijk rechtvaardigheid te betrachten jegens het individu en jegens den Staat, maar als het huwelijk zijn idealen staat bereikt, worden die twee beschouwingswijzen tot een.


Back to IndexNext