Chapter 46

1Quaestionum Convivalium,lib. III, quaestio 6.↑2E. D. Cope, “The Marriage Problem”Open Court, Nov. 1888.↑3Columbusmeeting van deAmerican Medical Association, 1900.↑4Ellen Key,Ueber Liebe und Ehe, p. 24.↑5In een bewonderenswaardig artikel over Friedrich Schlegel’sLucinde(Mutterschutz, 1906, Heft 5) beschouwt Heinrich Meyer-Benfey, die er op wijst, dat de Katholieke opvatting van het huwelijk liefde toestond, maar ze niet verhief,Lucinde, met hare gebreken, als de eerste uitdrukking van de eenheid van de zinnen en de ziel, en, als zoodanig als de basis van de nieuwe zedeleer der liefde. We moeten er echter bijvoegen, dat vier honderd jaar geleden Pontano deze zelfde eenheid der liefde veel krachtiger en veel gezonder uitgesproken had dan Schlegel, hoewel het Latijnsche vers, frisch en vol leven als het is, zonder invloed bleef. Pontano’sCarmina, met de “De Amore Conjugali”, zijn eindelijk door Soldati in een schooluitgave herdrukt.↑6Van de dertiende tot de zeventiende eeuw was Ovidius inderdaad de meest populaire en invloedrijkste van de klassieke dichters. Zijn werken speelden een groote rol bij het vormen van de literatuur van de Renaissance, niet het minst in Engeland, waar Marlowe zijnAmoresvertaalde, en Shakespeare, tijdens de eerste jaren van zijn literaire werkzaamheid, hem veel verschuldigd was (zie bv. Sidney Lee, “Ovid and Shakespeare’s Sonnets”,Quarterly Review, April1909).↑7Dit is reeds in hoofdstuk II besproken.↑8Op den leeftijd van vijf en twintig jaar, naar G. Hirth opmerkt (Wege zur Heimat, p. 541) heeft een energiek en sexueel aangelegd man in een groote stad meestal al verhoudingen gehad met ongeveer vijf en twintig vrouwen, misschien al wel met vijftig, terwijl een wel opgevoede en beschaafde vrouw op dien leeftijd eerst begint de langzaam zich opeenhoopende opwindingen van de sekse te realiseeren.↑9In zijn studie over “Conjugal Aversion” (Journal Nervous and Mental Disease, Sept., 1892) wijst Smith Baker op de waarde van voldoende sexueele kennis voor het huwelijk voor het verminderen van de gevaren voor zulk een aversie.↑10“Het mag tot eer van de mannen gezegd worden”, merkt Adler naar waarheid op, (op. cit., p. 182), “dat het misschien niet dikwijls hun bewuste brutaliteit is, die in deze zaak het kwaad sticht, maar alleen gebrek aan handigheid en gebrek aan begrijpen. De man, die niet speciaal door de natuur en door de ondervinding begaafd is voor den psychischen omgang met vrouwen, zal waarschijnlijk niet, door zijn vroegeren omgang met Venus vulgivaga, eenige nuttige kennis mee ten huwelijk brengen, hetzij psychisch of physiek”.↑11“Den eersten nacht”, schrijft een correspondent over zijn huwelijk, “vond zij de daad zeer pijnlijk en was zij verschrikt en verwonderd over de grootte van mijn penis, en daarover, dat ik zoo plotseling op haar af kwam. Wij hadden vóór het huwelijk zeer openlijk over sexueele zaken gesproken, en het kwam nooit bij mij op, dat ze de bijzonderheden van de daad niet kende. Ik dacht, dat het haar zou hinderen over deze zaken te spreken; maar ik zie nu in, dat ik haar de dingen had moeten uitleggen. Vóór ik trouwde was ik tot de conclusie gekomen, dat de eerbied, die men aan zijn vrouw verschuldigd is, niet vereenigbaar was met een wijze van spreken, die indecent zou kunnen schijnen, en ook had ik besloten niet tot haar te spreken over wat ik toen meende, dat vuile dingen waren, zelfs over het naakt zijn, en haar naakt te hebben. Ik was inderdaad het slachtoffer van onware ingetogenheid; het was een kunstmatige reactie op het leven, dat ik vóór mijn huwelijk geleid had. Nu schijnt het mij natuurlijk toe, dat als men een vrouw liefheeft, men met haar doet wat in u of in haar opkomt. Als ik het niet als een fout gevoeld had zulke daden tusschen ons aan te moedigen, dan zou er zich tusschen ons een sexueele sympathie hebben kunnen vormen, die mij nauwer aan haar zou verbonden hebben”.↑12Montaigne,Essais, boek III, hoofdstuk V. Het is een feit van beteekenis, dat zelfs in de kwestie van inlichting, vrouwen, niettegenstaande veel onwetendheid en onervarenheid, dikwijls beter toegerust zijn voor het huwelijk dan mannen. Naar Fürbringer opmerkt (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 212), hoewel de vrouw gewoonlijk kuischer is bij het huwelijk dan de man, “is zij toch gewoonlijk beter ingelicht in zaken, die tot den huwelijkschen staat behooren, niettegenstaande nu en dan voorkomende verwondering wekkende bekentenissen.”↑13Een fijnvoelend man schrijft in een brief over zijn vrouw: “Zij verliest nooit haar gevoel van eigenwaarde, noch mijn respect voor haar, eenvoudig omdat wij wanhopig op elkander verliefd zijn, en alles, wat wij beiden doen—en wat menige prostituée weigeren zou—voor ons slechts de altijd nieuwe poging is om onzen hartstocht in handelingen om te zetten. Nu eerst begrijp ik, wat de woorden “den reine is alles rein” beteekenen, en dat hij, die liefheeft, zich over geen koenheid te schamen heeft. Ik heb het altijd gevoeld, dat haar lief te hebben beteekent een emancipatie tot het hoogere”. Het is duidelijk, dat alleen het innemen van zulk een houding, het voor een kuische vrouw mogelijk maakt, hartstochtelijk te zijn.↑14“Werkelijk verstaan te worden” naar Rafford Pyke terecht zegt, “te zeggen wat zij wil, haar innigste gedachten op haar eigene wijze te uiten, de traditioneele conventies, die haar hinderen en drukken op zij te schuiven iemand bij zich te hebben, met wien ze volkomen vrij kan zijn, en toch te weten, dat geen syllabe van wat zij zegt verkeerd uitgelegd of verkeerd begrepen zal worden, maar eer juist begrepen, zooals zij het alles voelt—hoe wonderheerlijk is dit voor iedere vrouw, en hoe weinig mannen zijn er, die het haar kunnen geven!”↑15In de jongste tijden is ze besproken geworden in verband met het veel voorkomen van spontane nachtelijke emissies.↑16Naar Zenobia’s gewoonte verwijst GibbonDecline and Fall, ed. Bury. dl. I, p. 302. De beslissing van de Koningin van Arragon wordt vermeld door een jurist uit Montpellier, Nicolas Bohier (Boerius) in zijnDecisiones, etc., ed. van 1579, p. 563; er wordt door Montaigne naar verwezen in zijnEssais, Bk. III, hoofdst. V.↑17Haller,Elementa Physiologiae, 1779, deel III, p. 57.↑18Hammond,Sexual Impotence, p. 129.↑19Fürbringer, Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 221.↑20Forel,Die Sexuelle Frage, p. 80.↑21Guyot,Bréviaire de l’Amour Expérimental, p. 144.↑22Erb,Ziemssen’sHandbuch, Band XI, II, p. 148. Guttceit beschouwde het ook zoo, dat de zeer ruime variaties, die gevonden worden, aangeboren en natuurlijk zijn. We kunnen er aan toevoegen, dat sommigen meenen, dat er rasverschillen zijn. Zoo is er geconstateerd, dat de aanleg van de Engelschen gering is, en die van de Franschen (vooral uit Provence, Languedoc, en Gascogne) groot, terwijl Loewenfeld meent, dat het Germaansche ras het Fransche overtreft in geschiktheid tot het veelvuldig herhalen van de geslachtsdaad. Het is waarschijnlijk, dat deze meeningen niet veel waarde hebben, en dat de voornaamste verschillen eerder individueel zijn dan dat ze tot het ras behooren.↑23Ribbing,L’HygièneSexuelle, p. 75. Kisch spreekt dezelfde opinie uit in zijnSexual Life of Woman.↑24Mohammed, die dikwijls égards voor vrouwen vertoonde, die zeer zeldzaam zijn bij de stichters van godsdiensten, is een uitzondering. Zijn voorschrift van eens per week was het recht van de vrouw, geheel onafhankelijk van het aantal vrouwen, dat een man zou kunnen hebben.↑25Hoe broos de aanspraak is van de “huwelijksrechten” kan voldoende blijken uit het feit, dat velen het er nu voor houden dat het woord “huwelijksrechten” zelf op een schrijffout berust, terwijl men voor “rights” (rechten) het evenzoo klinkende woord “rites” (riten) had moeten schrijven (zieNotes and Queries, 16 Mei 1891, 6 Mei 1899). Deze uitleg, moeten we er aan toevoegen, heeft alleen betrekking op den geijkten term, want er kan geen twijfel aan zijn, dat het denkbeeld, dat er aan ten grondslag ligt, zijn bestaan heeft, geheel onafhankelijk van het woord.↑26“In de meeste huwelijken die niet gelukkig zijn”, zegt Rafford Pyke in zijn interessant geschrift over “Husbands and Wives” (Cosmopolitan, 1902),“is het eer de vrouw dan de man, die de meeste malen teleurgesteld is”.↑27Het wordt echter door erotische schrijvers wel erkend, dat vrouwen soms een tamelijk actieve rol spelen. Zoo zegt Vatsyayana, dat de vrouw soms de positie van den man inneemt, en met bloemen in heur haar en met glimlachen en zuchten en met gebogen hoofd, hem liefkoozend en haar borsten tegen hem aandrukkende, zegt: “Je bent mijn veroveraar geweest; het is nu mijn beurt je om genade te doen smeeken”.↑28Zoo wordt, volgens Zache, onder de Swahili op den derden dag na het huwelijk den bruidegom door de zede toegestaan om de defloratie te voltooien,Zeitschrift für Ethnologie, 1899, II–III, p. 84.↑29De l’Amour, deel II, blz. 57.↑30Robert Michels, “Brautstandsmoral”,Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang I, Heft 12.↑31Hier is b.v. op gewezen door Rutgers, “Sexuelle Differenzierung”,Die Neue Generation, Dec., 1908.↑32Zoo zegt Rasmussen, dat onder de Eskimo’s, die nu en dan van vrouwen verwisselen, “een man gewoonlijk ontdekt dat zijn eigen vrouw, ondanks alles, de beste is”.↑33“Ik heb altijd gemeend met den nu overleden Professor Laycock”, merkt Clouston, (Hygiene of Mind, p. 214) “die een zeer fijn opmerker van de menschelijke natuur was, dat een getrouwd paar niet altijd samen behoeft te zijn om gelukkig te zijn, en dat in werkelijkheid tamelijk lange tijden van afwezigheid en scheidingen leiden kunnen tot een eindelijke en nauwere vereeniging”. Dat het lang stand houden van den hartstocht alleen bestaanbaar is met afwezigheid behoeft wel nauwelijks gezegd te worden; zooals Mary Wollstonecraft lang geleden gezegd heeft (Rights of Woman, original ed., p. 61), alleen bij afwezigheid of in het ongeluk is de hartstocht duurzaam. We kunnen er echter bij voegen, dat zij in haar liefdesbrieven aan Imlay schreef: “Ik heb altijd gezegd, dat twee menschen, die te zamen willen leven, niet lang gescheiden moeten wezen”.↑34“Uit een ruim gezichtspunt beschouwd”, zeide Arnold L. Gesell, in zijn belangwekkende studie over “Jealousy” (American Journal of Psychology, Oct. 1906), schijnt jaloezie een zoo noodzakelijk begeleidingsverschijnsel van het biologisch gedrag, midden in den concurrentiestrijd, dat men geneigd is ze genetisch als een van de oudste gemoedsbewegingen te beschouwen, die bijna synoniem is met den wensch om te leven, en ze bijna niet minder fundamenteel te maken dan vrees of toorn. Waarlijk, jaloezie gaat gemakkelijk over in toorn, en ze is zelf een soort van vrees.… In maatschappelijkheid en wederzijdsche hulp zien we de keerzijde van de medaille; maar de jaloezie, hoetegenmaatschappelijk ze ook mag zijn, behoudt een functie in de zoölogische anatomie: b.v. om het individu in bescherming te nemen tegen de groep. Het is het groote verbeteringsmiddel van de natuur tegenover de zuiver maatschappelijke gevoelens.↑35Vele voorbeelden hiervan vindt men bij Gesell in zijn studie over “Jealousy”.↑36Jaloezie is soms bij lagere rassen vermomd of gewijzigd door gewoonten van den stam. Zoo zegt Rasmussen (People of the Polar North, blz. 65), als hij verwijst naar het verwisselen door de Eskimo’s van hun vrouwen: “Een man heeft me eens verteld, dat hij zijn vrouw alleen sloeg, als ze geen andere mannen wilde ontvangen. Zij wilde met niemand iets te doen hebben dan met hem—en dat was haar eenige gebrek!” Rasmussen toont ergens anders aan, dat de Eskimo’s in staat zijn tot groote jaloezie.↑37Zie b.v. Moll,Sexualleben des Kindes, blz. 158; vergelijk van Gesell “Study ofJealousy”.↑38Jaloezie is bij dronkaards een algemeen bekend verschijnsel. Naar K. Birnbaum aantoont (“Das Sexualleben der Alkoholisten”,Sexual-Probleme, Jan.1909), is deze jaloezie in de meeste gevallen min of meer gegrond, want de vrouw, die genoeg heeft van haar man, zoekt natuurlijk elders sympathie en gezelschap. Toch gaat de jaloezie der drankzuchtigen veel verder dan haar basis, de feitelijke aanleiding er toe, en hangt samen met waandenkbeelden en hallucinaties. (Zie b.v. G. Dumas, “La Logique d’un Dément”,Revue Philosophique, Febr. 1908; ook Stefanowski, “Morbid Jealousy”,Alienist and Neurologist, Juli 1893).↑39Ellen Key,Over liefde en huwelijk, blz. 335.↑40Schrempf wijst er op (“Von Stella zu Klärchen”,Mutterschutz, 1906, afl. 7, p. 264), dat Goethe inEgmontgetracht heeft aan te toonen, dat een vrouw teruggestooten wordt door de liefde van een man, die niets anders kent dan zijn liefde voor haar, en dat het voor haar gemakkelijk is zich te wijden aan den man, wiens plannen liggen in de grootere wereld buiten haar. Er is een diepe waarheid in deze wijze van zien.↑41Eene bespreking over “Platonische vriendschap” van deze soort door verschillende auteurs, meest vrouwen, wier opinies bijna gelijkelijk verdeeld waren, kan men, bij voorbeeld, vinden in deLady’s Realm, Maart, 1900.↑42Er zijn ongetwijfeld belangrijke uitzonderingen. Zoo was de beroemde vriendschap van Mérimée met Mlle. Jenny Dacquin, die vervat is in deLettres à une Inconnuemisschien volkomen Platonisch aan den kant van Mérimée, terwijl Mlle. Dacquin zich aan die houding aanpaste. Vergelijk A. Lefebvre,La Célèbre Inconnue de Mérimée, 1908.↑43De minnebrieven van al deze beroemde personen zijn uitgegeven. Rosa Mayreder (Zur Kritik der Weiblichkeit, blz. 229et seq.) bespreekt de nederige en absolute wijze, waarop zelfs mannen van het meest mannelijke en heerschzuchtige genie zich overgeven aan de inspiratie van de geliefde vrouw. Het geval van de Brownings, die genoemd zijn“de held en de heldin van de mooiste liefdesgeschiedenis, die de wereld kent”, is vooral bekend; (Ellen Key heeft inMenschenover de Brownings geschreven uit dit gezichtspunt, en we kunnen verwijzen naar een artikel over de minnebrieven van de Brownings in deEdinburgh Review, April, 1899). Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat een erotische verhouding van veel belang kan zijn voor personen van groote intellectueele bekwaamheid, zelfs als de uitslag niet gelukkig is; van Mary Wollstonecraft, een van de op intellectueel gebied meest beroemde vrouwen kan gezegd worden, dat de brieven, die haar liefde bevatten voor den onwaardigen Imlay, tot de meest hartstochtelijke en pathetische minnebrieven behooren, die er in het Engelsch bestaan.↑

1Quaestionum Convivalium,lib. III, quaestio 6.↑2E. D. Cope, “The Marriage Problem”Open Court, Nov. 1888.↑3Columbusmeeting van deAmerican Medical Association, 1900.↑4Ellen Key,Ueber Liebe und Ehe, p. 24.↑5In een bewonderenswaardig artikel over Friedrich Schlegel’sLucinde(Mutterschutz, 1906, Heft 5) beschouwt Heinrich Meyer-Benfey, die er op wijst, dat de Katholieke opvatting van het huwelijk liefde toestond, maar ze niet verhief,Lucinde, met hare gebreken, als de eerste uitdrukking van de eenheid van de zinnen en de ziel, en, als zoodanig als de basis van de nieuwe zedeleer der liefde. We moeten er echter bijvoegen, dat vier honderd jaar geleden Pontano deze zelfde eenheid der liefde veel krachtiger en veel gezonder uitgesproken had dan Schlegel, hoewel het Latijnsche vers, frisch en vol leven als het is, zonder invloed bleef. Pontano’sCarmina, met de “De Amore Conjugali”, zijn eindelijk door Soldati in een schooluitgave herdrukt.↑6Van de dertiende tot de zeventiende eeuw was Ovidius inderdaad de meest populaire en invloedrijkste van de klassieke dichters. Zijn werken speelden een groote rol bij het vormen van de literatuur van de Renaissance, niet het minst in Engeland, waar Marlowe zijnAmoresvertaalde, en Shakespeare, tijdens de eerste jaren van zijn literaire werkzaamheid, hem veel verschuldigd was (zie bv. Sidney Lee, “Ovid and Shakespeare’s Sonnets”,Quarterly Review, April1909).↑7Dit is reeds in hoofdstuk II besproken.↑8Op den leeftijd van vijf en twintig jaar, naar G. Hirth opmerkt (Wege zur Heimat, p. 541) heeft een energiek en sexueel aangelegd man in een groote stad meestal al verhoudingen gehad met ongeveer vijf en twintig vrouwen, misschien al wel met vijftig, terwijl een wel opgevoede en beschaafde vrouw op dien leeftijd eerst begint de langzaam zich opeenhoopende opwindingen van de sekse te realiseeren.↑9In zijn studie over “Conjugal Aversion” (Journal Nervous and Mental Disease, Sept., 1892) wijst Smith Baker op de waarde van voldoende sexueele kennis voor het huwelijk voor het verminderen van de gevaren voor zulk een aversie.↑10“Het mag tot eer van de mannen gezegd worden”, merkt Adler naar waarheid op, (op. cit., p. 182), “dat het misschien niet dikwijls hun bewuste brutaliteit is, die in deze zaak het kwaad sticht, maar alleen gebrek aan handigheid en gebrek aan begrijpen. De man, die niet speciaal door de natuur en door de ondervinding begaafd is voor den psychischen omgang met vrouwen, zal waarschijnlijk niet, door zijn vroegeren omgang met Venus vulgivaga, eenige nuttige kennis mee ten huwelijk brengen, hetzij psychisch of physiek”.↑11“Den eersten nacht”, schrijft een correspondent over zijn huwelijk, “vond zij de daad zeer pijnlijk en was zij verschrikt en verwonderd over de grootte van mijn penis, en daarover, dat ik zoo plotseling op haar af kwam. Wij hadden vóór het huwelijk zeer openlijk over sexueele zaken gesproken, en het kwam nooit bij mij op, dat ze de bijzonderheden van de daad niet kende. Ik dacht, dat het haar zou hinderen over deze zaken te spreken; maar ik zie nu in, dat ik haar de dingen had moeten uitleggen. Vóór ik trouwde was ik tot de conclusie gekomen, dat de eerbied, die men aan zijn vrouw verschuldigd is, niet vereenigbaar was met een wijze van spreken, die indecent zou kunnen schijnen, en ook had ik besloten niet tot haar te spreken over wat ik toen meende, dat vuile dingen waren, zelfs over het naakt zijn, en haar naakt te hebben. Ik was inderdaad het slachtoffer van onware ingetogenheid; het was een kunstmatige reactie op het leven, dat ik vóór mijn huwelijk geleid had. Nu schijnt het mij natuurlijk toe, dat als men een vrouw liefheeft, men met haar doet wat in u of in haar opkomt. Als ik het niet als een fout gevoeld had zulke daden tusschen ons aan te moedigen, dan zou er zich tusschen ons een sexueele sympathie hebben kunnen vormen, die mij nauwer aan haar zou verbonden hebben”.↑12Montaigne,Essais, boek III, hoofdstuk V. Het is een feit van beteekenis, dat zelfs in de kwestie van inlichting, vrouwen, niettegenstaande veel onwetendheid en onervarenheid, dikwijls beter toegerust zijn voor het huwelijk dan mannen. Naar Fürbringer opmerkt (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 212), hoewel de vrouw gewoonlijk kuischer is bij het huwelijk dan de man, “is zij toch gewoonlijk beter ingelicht in zaken, die tot den huwelijkschen staat behooren, niettegenstaande nu en dan voorkomende verwondering wekkende bekentenissen.”↑13Een fijnvoelend man schrijft in een brief over zijn vrouw: “Zij verliest nooit haar gevoel van eigenwaarde, noch mijn respect voor haar, eenvoudig omdat wij wanhopig op elkander verliefd zijn, en alles, wat wij beiden doen—en wat menige prostituée weigeren zou—voor ons slechts de altijd nieuwe poging is om onzen hartstocht in handelingen om te zetten. Nu eerst begrijp ik, wat de woorden “den reine is alles rein” beteekenen, en dat hij, die liefheeft, zich over geen koenheid te schamen heeft. Ik heb het altijd gevoeld, dat haar lief te hebben beteekent een emancipatie tot het hoogere”. Het is duidelijk, dat alleen het innemen van zulk een houding, het voor een kuische vrouw mogelijk maakt, hartstochtelijk te zijn.↑14“Werkelijk verstaan te worden” naar Rafford Pyke terecht zegt, “te zeggen wat zij wil, haar innigste gedachten op haar eigene wijze te uiten, de traditioneele conventies, die haar hinderen en drukken op zij te schuiven iemand bij zich te hebben, met wien ze volkomen vrij kan zijn, en toch te weten, dat geen syllabe van wat zij zegt verkeerd uitgelegd of verkeerd begrepen zal worden, maar eer juist begrepen, zooals zij het alles voelt—hoe wonderheerlijk is dit voor iedere vrouw, en hoe weinig mannen zijn er, die het haar kunnen geven!”↑15In de jongste tijden is ze besproken geworden in verband met het veel voorkomen van spontane nachtelijke emissies.↑16Naar Zenobia’s gewoonte verwijst GibbonDecline and Fall, ed. Bury. dl. I, p. 302. De beslissing van de Koningin van Arragon wordt vermeld door een jurist uit Montpellier, Nicolas Bohier (Boerius) in zijnDecisiones, etc., ed. van 1579, p. 563; er wordt door Montaigne naar verwezen in zijnEssais, Bk. III, hoofdst. V.↑17Haller,Elementa Physiologiae, 1779, deel III, p. 57.↑18Hammond,Sexual Impotence, p. 129.↑19Fürbringer, Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 221.↑20Forel,Die Sexuelle Frage, p. 80.↑21Guyot,Bréviaire de l’Amour Expérimental, p. 144.↑22Erb,Ziemssen’sHandbuch, Band XI, II, p. 148. Guttceit beschouwde het ook zoo, dat de zeer ruime variaties, die gevonden worden, aangeboren en natuurlijk zijn. We kunnen er aan toevoegen, dat sommigen meenen, dat er rasverschillen zijn. Zoo is er geconstateerd, dat de aanleg van de Engelschen gering is, en die van de Franschen (vooral uit Provence, Languedoc, en Gascogne) groot, terwijl Loewenfeld meent, dat het Germaansche ras het Fransche overtreft in geschiktheid tot het veelvuldig herhalen van de geslachtsdaad. Het is waarschijnlijk, dat deze meeningen niet veel waarde hebben, en dat de voornaamste verschillen eerder individueel zijn dan dat ze tot het ras behooren.↑23Ribbing,L’HygièneSexuelle, p. 75. Kisch spreekt dezelfde opinie uit in zijnSexual Life of Woman.↑24Mohammed, die dikwijls égards voor vrouwen vertoonde, die zeer zeldzaam zijn bij de stichters van godsdiensten, is een uitzondering. Zijn voorschrift van eens per week was het recht van de vrouw, geheel onafhankelijk van het aantal vrouwen, dat een man zou kunnen hebben.↑25Hoe broos de aanspraak is van de “huwelijksrechten” kan voldoende blijken uit het feit, dat velen het er nu voor houden dat het woord “huwelijksrechten” zelf op een schrijffout berust, terwijl men voor “rights” (rechten) het evenzoo klinkende woord “rites” (riten) had moeten schrijven (zieNotes and Queries, 16 Mei 1891, 6 Mei 1899). Deze uitleg, moeten we er aan toevoegen, heeft alleen betrekking op den geijkten term, want er kan geen twijfel aan zijn, dat het denkbeeld, dat er aan ten grondslag ligt, zijn bestaan heeft, geheel onafhankelijk van het woord.↑26“In de meeste huwelijken die niet gelukkig zijn”, zegt Rafford Pyke in zijn interessant geschrift over “Husbands and Wives” (Cosmopolitan, 1902),“is het eer de vrouw dan de man, die de meeste malen teleurgesteld is”.↑27Het wordt echter door erotische schrijvers wel erkend, dat vrouwen soms een tamelijk actieve rol spelen. Zoo zegt Vatsyayana, dat de vrouw soms de positie van den man inneemt, en met bloemen in heur haar en met glimlachen en zuchten en met gebogen hoofd, hem liefkoozend en haar borsten tegen hem aandrukkende, zegt: “Je bent mijn veroveraar geweest; het is nu mijn beurt je om genade te doen smeeken”.↑28Zoo wordt, volgens Zache, onder de Swahili op den derden dag na het huwelijk den bruidegom door de zede toegestaan om de defloratie te voltooien,Zeitschrift für Ethnologie, 1899, II–III, p. 84.↑29De l’Amour, deel II, blz. 57.↑30Robert Michels, “Brautstandsmoral”,Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang I, Heft 12.↑31Hier is b.v. op gewezen door Rutgers, “Sexuelle Differenzierung”,Die Neue Generation, Dec., 1908.↑32Zoo zegt Rasmussen, dat onder de Eskimo’s, die nu en dan van vrouwen verwisselen, “een man gewoonlijk ontdekt dat zijn eigen vrouw, ondanks alles, de beste is”.↑33“Ik heb altijd gemeend met den nu overleden Professor Laycock”, merkt Clouston, (Hygiene of Mind, p. 214) “die een zeer fijn opmerker van de menschelijke natuur was, dat een getrouwd paar niet altijd samen behoeft te zijn om gelukkig te zijn, en dat in werkelijkheid tamelijk lange tijden van afwezigheid en scheidingen leiden kunnen tot een eindelijke en nauwere vereeniging”. Dat het lang stand houden van den hartstocht alleen bestaanbaar is met afwezigheid behoeft wel nauwelijks gezegd te worden; zooals Mary Wollstonecraft lang geleden gezegd heeft (Rights of Woman, original ed., p. 61), alleen bij afwezigheid of in het ongeluk is de hartstocht duurzaam. We kunnen er echter bij voegen, dat zij in haar liefdesbrieven aan Imlay schreef: “Ik heb altijd gezegd, dat twee menschen, die te zamen willen leven, niet lang gescheiden moeten wezen”.↑34“Uit een ruim gezichtspunt beschouwd”, zeide Arnold L. Gesell, in zijn belangwekkende studie over “Jealousy” (American Journal of Psychology, Oct. 1906), schijnt jaloezie een zoo noodzakelijk begeleidingsverschijnsel van het biologisch gedrag, midden in den concurrentiestrijd, dat men geneigd is ze genetisch als een van de oudste gemoedsbewegingen te beschouwen, die bijna synoniem is met den wensch om te leven, en ze bijna niet minder fundamenteel te maken dan vrees of toorn. Waarlijk, jaloezie gaat gemakkelijk over in toorn, en ze is zelf een soort van vrees.… In maatschappelijkheid en wederzijdsche hulp zien we de keerzijde van de medaille; maar de jaloezie, hoetegenmaatschappelijk ze ook mag zijn, behoudt een functie in de zoölogische anatomie: b.v. om het individu in bescherming te nemen tegen de groep. Het is het groote verbeteringsmiddel van de natuur tegenover de zuiver maatschappelijke gevoelens.↑35Vele voorbeelden hiervan vindt men bij Gesell in zijn studie over “Jealousy”.↑36Jaloezie is soms bij lagere rassen vermomd of gewijzigd door gewoonten van den stam. Zoo zegt Rasmussen (People of the Polar North, blz. 65), als hij verwijst naar het verwisselen door de Eskimo’s van hun vrouwen: “Een man heeft me eens verteld, dat hij zijn vrouw alleen sloeg, als ze geen andere mannen wilde ontvangen. Zij wilde met niemand iets te doen hebben dan met hem—en dat was haar eenige gebrek!” Rasmussen toont ergens anders aan, dat de Eskimo’s in staat zijn tot groote jaloezie.↑37Zie b.v. Moll,Sexualleben des Kindes, blz. 158; vergelijk van Gesell “Study ofJealousy”.↑38Jaloezie is bij dronkaards een algemeen bekend verschijnsel. Naar K. Birnbaum aantoont (“Das Sexualleben der Alkoholisten”,Sexual-Probleme, Jan.1909), is deze jaloezie in de meeste gevallen min of meer gegrond, want de vrouw, die genoeg heeft van haar man, zoekt natuurlijk elders sympathie en gezelschap. Toch gaat de jaloezie der drankzuchtigen veel verder dan haar basis, de feitelijke aanleiding er toe, en hangt samen met waandenkbeelden en hallucinaties. (Zie b.v. G. Dumas, “La Logique d’un Dément”,Revue Philosophique, Febr. 1908; ook Stefanowski, “Morbid Jealousy”,Alienist and Neurologist, Juli 1893).↑39Ellen Key,Over liefde en huwelijk, blz. 335.↑40Schrempf wijst er op (“Von Stella zu Klärchen”,Mutterschutz, 1906, afl. 7, p. 264), dat Goethe inEgmontgetracht heeft aan te toonen, dat een vrouw teruggestooten wordt door de liefde van een man, die niets anders kent dan zijn liefde voor haar, en dat het voor haar gemakkelijk is zich te wijden aan den man, wiens plannen liggen in de grootere wereld buiten haar. Er is een diepe waarheid in deze wijze van zien.↑41Eene bespreking over “Platonische vriendschap” van deze soort door verschillende auteurs, meest vrouwen, wier opinies bijna gelijkelijk verdeeld waren, kan men, bij voorbeeld, vinden in deLady’s Realm, Maart, 1900.↑42Er zijn ongetwijfeld belangrijke uitzonderingen. Zoo was de beroemde vriendschap van Mérimée met Mlle. Jenny Dacquin, die vervat is in deLettres à une Inconnuemisschien volkomen Platonisch aan den kant van Mérimée, terwijl Mlle. Dacquin zich aan die houding aanpaste. Vergelijk A. Lefebvre,La Célèbre Inconnue de Mérimée, 1908.↑43De minnebrieven van al deze beroemde personen zijn uitgegeven. Rosa Mayreder (Zur Kritik der Weiblichkeit, blz. 229et seq.) bespreekt de nederige en absolute wijze, waarop zelfs mannen van het meest mannelijke en heerschzuchtige genie zich overgeven aan de inspiratie van de geliefde vrouw. Het geval van de Brownings, die genoemd zijn“de held en de heldin van de mooiste liefdesgeschiedenis, die de wereld kent”, is vooral bekend; (Ellen Key heeft inMenschenover de Brownings geschreven uit dit gezichtspunt, en we kunnen verwijzen naar een artikel over de minnebrieven van de Brownings in deEdinburgh Review, April, 1899). Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat een erotische verhouding van veel belang kan zijn voor personen van groote intellectueele bekwaamheid, zelfs als de uitslag niet gelukkig is; van Mary Wollstonecraft, een van de op intellectueel gebied meest beroemde vrouwen kan gezegd worden, dat de brieven, die haar liefde bevatten voor den onwaardigen Imlay, tot de meest hartstochtelijke en pathetische minnebrieven behooren, die er in het Engelsch bestaan.↑

1Quaestionum Convivalium,lib. III, quaestio 6.↑2E. D. Cope, “The Marriage Problem”Open Court, Nov. 1888.↑3Columbusmeeting van deAmerican Medical Association, 1900.↑4Ellen Key,Ueber Liebe und Ehe, p. 24.↑5In een bewonderenswaardig artikel over Friedrich Schlegel’sLucinde(Mutterschutz, 1906, Heft 5) beschouwt Heinrich Meyer-Benfey, die er op wijst, dat de Katholieke opvatting van het huwelijk liefde toestond, maar ze niet verhief,Lucinde, met hare gebreken, als de eerste uitdrukking van de eenheid van de zinnen en de ziel, en, als zoodanig als de basis van de nieuwe zedeleer der liefde. We moeten er echter bijvoegen, dat vier honderd jaar geleden Pontano deze zelfde eenheid der liefde veel krachtiger en veel gezonder uitgesproken had dan Schlegel, hoewel het Latijnsche vers, frisch en vol leven als het is, zonder invloed bleef. Pontano’sCarmina, met de “De Amore Conjugali”, zijn eindelijk door Soldati in een schooluitgave herdrukt.↑6Van de dertiende tot de zeventiende eeuw was Ovidius inderdaad de meest populaire en invloedrijkste van de klassieke dichters. Zijn werken speelden een groote rol bij het vormen van de literatuur van de Renaissance, niet het minst in Engeland, waar Marlowe zijnAmoresvertaalde, en Shakespeare, tijdens de eerste jaren van zijn literaire werkzaamheid, hem veel verschuldigd was (zie bv. Sidney Lee, “Ovid and Shakespeare’s Sonnets”,Quarterly Review, April1909).↑7Dit is reeds in hoofdstuk II besproken.↑8Op den leeftijd van vijf en twintig jaar, naar G. Hirth opmerkt (Wege zur Heimat, p. 541) heeft een energiek en sexueel aangelegd man in een groote stad meestal al verhoudingen gehad met ongeveer vijf en twintig vrouwen, misschien al wel met vijftig, terwijl een wel opgevoede en beschaafde vrouw op dien leeftijd eerst begint de langzaam zich opeenhoopende opwindingen van de sekse te realiseeren.↑9In zijn studie over “Conjugal Aversion” (Journal Nervous and Mental Disease, Sept., 1892) wijst Smith Baker op de waarde van voldoende sexueele kennis voor het huwelijk voor het verminderen van de gevaren voor zulk een aversie.↑10“Het mag tot eer van de mannen gezegd worden”, merkt Adler naar waarheid op, (op. cit., p. 182), “dat het misschien niet dikwijls hun bewuste brutaliteit is, die in deze zaak het kwaad sticht, maar alleen gebrek aan handigheid en gebrek aan begrijpen. De man, die niet speciaal door de natuur en door de ondervinding begaafd is voor den psychischen omgang met vrouwen, zal waarschijnlijk niet, door zijn vroegeren omgang met Venus vulgivaga, eenige nuttige kennis mee ten huwelijk brengen, hetzij psychisch of physiek”.↑11“Den eersten nacht”, schrijft een correspondent over zijn huwelijk, “vond zij de daad zeer pijnlijk en was zij verschrikt en verwonderd over de grootte van mijn penis, en daarover, dat ik zoo plotseling op haar af kwam. Wij hadden vóór het huwelijk zeer openlijk over sexueele zaken gesproken, en het kwam nooit bij mij op, dat ze de bijzonderheden van de daad niet kende. Ik dacht, dat het haar zou hinderen over deze zaken te spreken; maar ik zie nu in, dat ik haar de dingen had moeten uitleggen. Vóór ik trouwde was ik tot de conclusie gekomen, dat de eerbied, die men aan zijn vrouw verschuldigd is, niet vereenigbaar was met een wijze van spreken, die indecent zou kunnen schijnen, en ook had ik besloten niet tot haar te spreken over wat ik toen meende, dat vuile dingen waren, zelfs over het naakt zijn, en haar naakt te hebben. Ik was inderdaad het slachtoffer van onware ingetogenheid; het was een kunstmatige reactie op het leven, dat ik vóór mijn huwelijk geleid had. Nu schijnt het mij natuurlijk toe, dat als men een vrouw liefheeft, men met haar doet wat in u of in haar opkomt. Als ik het niet als een fout gevoeld had zulke daden tusschen ons aan te moedigen, dan zou er zich tusschen ons een sexueele sympathie hebben kunnen vormen, die mij nauwer aan haar zou verbonden hebben”.↑12Montaigne,Essais, boek III, hoofdstuk V. Het is een feit van beteekenis, dat zelfs in de kwestie van inlichting, vrouwen, niettegenstaande veel onwetendheid en onervarenheid, dikwijls beter toegerust zijn voor het huwelijk dan mannen. Naar Fürbringer opmerkt (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 212), hoewel de vrouw gewoonlijk kuischer is bij het huwelijk dan de man, “is zij toch gewoonlijk beter ingelicht in zaken, die tot den huwelijkschen staat behooren, niettegenstaande nu en dan voorkomende verwondering wekkende bekentenissen.”↑13Een fijnvoelend man schrijft in een brief over zijn vrouw: “Zij verliest nooit haar gevoel van eigenwaarde, noch mijn respect voor haar, eenvoudig omdat wij wanhopig op elkander verliefd zijn, en alles, wat wij beiden doen—en wat menige prostituée weigeren zou—voor ons slechts de altijd nieuwe poging is om onzen hartstocht in handelingen om te zetten. Nu eerst begrijp ik, wat de woorden “den reine is alles rein” beteekenen, en dat hij, die liefheeft, zich over geen koenheid te schamen heeft. Ik heb het altijd gevoeld, dat haar lief te hebben beteekent een emancipatie tot het hoogere”. Het is duidelijk, dat alleen het innemen van zulk een houding, het voor een kuische vrouw mogelijk maakt, hartstochtelijk te zijn.↑14“Werkelijk verstaan te worden” naar Rafford Pyke terecht zegt, “te zeggen wat zij wil, haar innigste gedachten op haar eigene wijze te uiten, de traditioneele conventies, die haar hinderen en drukken op zij te schuiven iemand bij zich te hebben, met wien ze volkomen vrij kan zijn, en toch te weten, dat geen syllabe van wat zij zegt verkeerd uitgelegd of verkeerd begrepen zal worden, maar eer juist begrepen, zooals zij het alles voelt—hoe wonderheerlijk is dit voor iedere vrouw, en hoe weinig mannen zijn er, die het haar kunnen geven!”↑15In de jongste tijden is ze besproken geworden in verband met het veel voorkomen van spontane nachtelijke emissies.↑16Naar Zenobia’s gewoonte verwijst GibbonDecline and Fall, ed. Bury. dl. I, p. 302. De beslissing van de Koningin van Arragon wordt vermeld door een jurist uit Montpellier, Nicolas Bohier (Boerius) in zijnDecisiones, etc., ed. van 1579, p. 563; er wordt door Montaigne naar verwezen in zijnEssais, Bk. III, hoofdst. V.↑17Haller,Elementa Physiologiae, 1779, deel III, p. 57.↑18Hammond,Sexual Impotence, p. 129.↑19Fürbringer, Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 221.↑20Forel,Die Sexuelle Frage, p. 80.↑21Guyot,Bréviaire de l’Amour Expérimental, p. 144.↑22Erb,Ziemssen’sHandbuch, Band XI, II, p. 148. Guttceit beschouwde het ook zoo, dat de zeer ruime variaties, die gevonden worden, aangeboren en natuurlijk zijn. We kunnen er aan toevoegen, dat sommigen meenen, dat er rasverschillen zijn. Zoo is er geconstateerd, dat de aanleg van de Engelschen gering is, en die van de Franschen (vooral uit Provence, Languedoc, en Gascogne) groot, terwijl Loewenfeld meent, dat het Germaansche ras het Fransche overtreft in geschiktheid tot het veelvuldig herhalen van de geslachtsdaad. Het is waarschijnlijk, dat deze meeningen niet veel waarde hebben, en dat de voornaamste verschillen eerder individueel zijn dan dat ze tot het ras behooren.↑23Ribbing,L’HygièneSexuelle, p. 75. Kisch spreekt dezelfde opinie uit in zijnSexual Life of Woman.↑24Mohammed, die dikwijls égards voor vrouwen vertoonde, die zeer zeldzaam zijn bij de stichters van godsdiensten, is een uitzondering. Zijn voorschrift van eens per week was het recht van de vrouw, geheel onafhankelijk van het aantal vrouwen, dat een man zou kunnen hebben.↑25Hoe broos de aanspraak is van de “huwelijksrechten” kan voldoende blijken uit het feit, dat velen het er nu voor houden dat het woord “huwelijksrechten” zelf op een schrijffout berust, terwijl men voor “rights” (rechten) het evenzoo klinkende woord “rites” (riten) had moeten schrijven (zieNotes and Queries, 16 Mei 1891, 6 Mei 1899). Deze uitleg, moeten we er aan toevoegen, heeft alleen betrekking op den geijkten term, want er kan geen twijfel aan zijn, dat het denkbeeld, dat er aan ten grondslag ligt, zijn bestaan heeft, geheel onafhankelijk van het woord.↑26“In de meeste huwelijken die niet gelukkig zijn”, zegt Rafford Pyke in zijn interessant geschrift over “Husbands and Wives” (Cosmopolitan, 1902),“is het eer de vrouw dan de man, die de meeste malen teleurgesteld is”.↑27Het wordt echter door erotische schrijvers wel erkend, dat vrouwen soms een tamelijk actieve rol spelen. Zoo zegt Vatsyayana, dat de vrouw soms de positie van den man inneemt, en met bloemen in heur haar en met glimlachen en zuchten en met gebogen hoofd, hem liefkoozend en haar borsten tegen hem aandrukkende, zegt: “Je bent mijn veroveraar geweest; het is nu mijn beurt je om genade te doen smeeken”.↑28Zoo wordt, volgens Zache, onder de Swahili op den derden dag na het huwelijk den bruidegom door de zede toegestaan om de defloratie te voltooien,Zeitschrift für Ethnologie, 1899, II–III, p. 84.↑29De l’Amour, deel II, blz. 57.↑30Robert Michels, “Brautstandsmoral”,Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang I, Heft 12.↑31Hier is b.v. op gewezen door Rutgers, “Sexuelle Differenzierung”,Die Neue Generation, Dec., 1908.↑32Zoo zegt Rasmussen, dat onder de Eskimo’s, die nu en dan van vrouwen verwisselen, “een man gewoonlijk ontdekt dat zijn eigen vrouw, ondanks alles, de beste is”.↑33“Ik heb altijd gemeend met den nu overleden Professor Laycock”, merkt Clouston, (Hygiene of Mind, p. 214) “die een zeer fijn opmerker van de menschelijke natuur was, dat een getrouwd paar niet altijd samen behoeft te zijn om gelukkig te zijn, en dat in werkelijkheid tamelijk lange tijden van afwezigheid en scheidingen leiden kunnen tot een eindelijke en nauwere vereeniging”. Dat het lang stand houden van den hartstocht alleen bestaanbaar is met afwezigheid behoeft wel nauwelijks gezegd te worden; zooals Mary Wollstonecraft lang geleden gezegd heeft (Rights of Woman, original ed., p. 61), alleen bij afwezigheid of in het ongeluk is de hartstocht duurzaam. We kunnen er echter bij voegen, dat zij in haar liefdesbrieven aan Imlay schreef: “Ik heb altijd gezegd, dat twee menschen, die te zamen willen leven, niet lang gescheiden moeten wezen”.↑34“Uit een ruim gezichtspunt beschouwd”, zeide Arnold L. Gesell, in zijn belangwekkende studie over “Jealousy” (American Journal of Psychology, Oct. 1906), schijnt jaloezie een zoo noodzakelijk begeleidingsverschijnsel van het biologisch gedrag, midden in den concurrentiestrijd, dat men geneigd is ze genetisch als een van de oudste gemoedsbewegingen te beschouwen, die bijna synoniem is met den wensch om te leven, en ze bijna niet minder fundamenteel te maken dan vrees of toorn. Waarlijk, jaloezie gaat gemakkelijk over in toorn, en ze is zelf een soort van vrees.… In maatschappelijkheid en wederzijdsche hulp zien we de keerzijde van de medaille; maar de jaloezie, hoetegenmaatschappelijk ze ook mag zijn, behoudt een functie in de zoölogische anatomie: b.v. om het individu in bescherming te nemen tegen de groep. Het is het groote verbeteringsmiddel van de natuur tegenover de zuiver maatschappelijke gevoelens.↑35Vele voorbeelden hiervan vindt men bij Gesell in zijn studie over “Jealousy”.↑36Jaloezie is soms bij lagere rassen vermomd of gewijzigd door gewoonten van den stam. Zoo zegt Rasmussen (People of the Polar North, blz. 65), als hij verwijst naar het verwisselen door de Eskimo’s van hun vrouwen: “Een man heeft me eens verteld, dat hij zijn vrouw alleen sloeg, als ze geen andere mannen wilde ontvangen. Zij wilde met niemand iets te doen hebben dan met hem—en dat was haar eenige gebrek!” Rasmussen toont ergens anders aan, dat de Eskimo’s in staat zijn tot groote jaloezie.↑37Zie b.v. Moll,Sexualleben des Kindes, blz. 158; vergelijk van Gesell “Study ofJealousy”.↑38Jaloezie is bij dronkaards een algemeen bekend verschijnsel. Naar K. Birnbaum aantoont (“Das Sexualleben der Alkoholisten”,Sexual-Probleme, Jan.1909), is deze jaloezie in de meeste gevallen min of meer gegrond, want de vrouw, die genoeg heeft van haar man, zoekt natuurlijk elders sympathie en gezelschap. Toch gaat de jaloezie der drankzuchtigen veel verder dan haar basis, de feitelijke aanleiding er toe, en hangt samen met waandenkbeelden en hallucinaties. (Zie b.v. G. Dumas, “La Logique d’un Dément”,Revue Philosophique, Febr. 1908; ook Stefanowski, “Morbid Jealousy”,Alienist and Neurologist, Juli 1893).↑39Ellen Key,Over liefde en huwelijk, blz. 335.↑40Schrempf wijst er op (“Von Stella zu Klärchen”,Mutterschutz, 1906, afl. 7, p. 264), dat Goethe inEgmontgetracht heeft aan te toonen, dat een vrouw teruggestooten wordt door de liefde van een man, die niets anders kent dan zijn liefde voor haar, en dat het voor haar gemakkelijk is zich te wijden aan den man, wiens plannen liggen in de grootere wereld buiten haar. Er is een diepe waarheid in deze wijze van zien.↑41Eene bespreking over “Platonische vriendschap” van deze soort door verschillende auteurs, meest vrouwen, wier opinies bijna gelijkelijk verdeeld waren, kan men, bij voorbeeld, vinden in deLady’s Realm, Maart, 1900.↑42Er zijn ongetwijfeld belangrijke uitzonderingen. Zoo was de beroemde vriendschap van Mérimée met Mlle. Jenny Dacquin, die vervat is in deLettres à une Inconnuemisschien volkomen Platonisch aan den kant van Mérimée, terwijl Mlle. Dacquin zich aan die houding aanpaste. Vergelijk A. Lefebvre,La Célèbre Inconnue de Mérimée, 1908.↑43De minnebrieven van al deze beroemde personen zijn uitgegeven. Rosa Mayreder (Zur Kritik der Weiblichkeit, blz. 229et seq.) bespreekt de nederige en absolute wijze, waarop zelfs mannen van het meest mannelijke en heerschzuchtige genie zich overgeven aan de inspiratie van de geliefde vrouw. Het geval van de Brownings, die genoemd zijn“de held en de heldin van de mooiste liefdesgeschiedenis, die de wereld kent”, is vooral bekend; (Ellen Key heeft inMenschenover de Brownings geschreven uit dit gezichtspunt, en we kunnen verwijzen naar een artikel over de minnebrieven van de Brownings in deEdinburgh Review, April, 1899). Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat een erotische verhouding van veel belang kan zijn voor personen van groote intellectueele bekwaamheid, zelfs als de uitslag niet gelukkig is; van Mary Wollstonecraft, een van de op intellectueel gebied meest beroemde vrouwen kan gezegd worden, dat de brieven, die haar liefde bevatten voor den onwaardigen Imlay, tot de meest hartstochtelijke en pathetische minnebrieven behooren, die er in het Engelsch bestaan.↑

1Quaestionum Convivalium,lib. III, quaestio 6.↑2E. D. Cope, “The Marriage Problem”Open Court, Nov. 1888.↑3Columbusmeeting van deAmerican Medical Association, 1900.↑4Ellen Key,Ueber Liebe und Ehe, p. 24.↑5In een bewonderenswaardig artikel over Friedrich Schlegel’sLucinde(Mutterschutz, 1906, Heft 5) beschouwt Heinrich Meyer-Benfey, die er op wijst, dat de Katholieke opvatting van het huwelijk liefde toestond, maar ze niet verhief,Lucinde, met hare gebreken, als de eerste uitdrukking van de eenheid van de zinnen en de ziel, en, als zoodanig als de basis van de nieuwe zedeleer der liefde. We moeten er echter bijvoegen, dat vier honderd jaar geleden Pontano deze zelfde eenheid der liefde veel krachtiger en veel gezonder uitgesproken had dan Schlegel, hoewel het Latijnsche vers, frisch en vol leven als het is, zonder invloed bleef. Pontano’sCarmina, met de “De Amore Conjugali”, zijn eindelijk door Soldati in een schooluitgave herdrukt.↑6Van de dertiende tot de zeventiende eeuw was Ovidius inderdaad de meest populaire en invloedrijkste van de klassieke dichters. Zijn werken speelden een groote rol bij het vormen van de literatuur van de Renaissance, niet het minst in Engeland, waar Marlowe zijnAmoresvertaalde, en Shakespeare, tijdens de eerste jaren van zijn literaire werkzaamheid, hem veel verschuldigd was (zie bv. Sidney Lee, “Ovid and Shakespeare’s Sonnets”,Quarterly Review, April1909).↑7Dit is reeds in hoofdstuk II besproken.↑8Op den leeftijd van vijf en twintig jaar, naar G. Hirth opmerkt (Wege zur Heimat, p. 541) heeft een energiek en sexueel aangelegd man in een groote stad meestal al verhoudingen gehad met ongeveer vijf en twintig vrouwen, misschien al wel met vijftig, terwijl een wel opgevoede en beschaafde vrouw op dien leeftijd eerst begint de langzaam zich opeenhoopende opwindingen van de sekse te realiseeren.↑9In zijn studie over “Conjugal Aversion” (Journal Nervous and Mental Disease, Sept., 1892) wijst Smith Baker op de waarde van voldoende sexueele kennis voor het huwelijk voor het verminderen van de gevaren voor zulk een aversie.↑10“Het mag tot eer van de mannen gezegd worden”, merkt Adler naar waarheid op, (op. cit., p. 182), “dat het misschien niet dikwijls hun bewuste brutaliteit is, die in deze zaak het kwaad sticht, maar alleen gebrek aan handigheid en gebrek aan begrijpen. De man, die niet speciaal door de natuur en door de ondervinding begaafd is voor den psychischen omgang met vrouwen, zal waarschijnlijk niet, door zijn vroegeren omgang met Venus vulgivaga, eenige nuttige kennis mee ten huwelijk brengen, hetzij psychisch of physiek”.↑11“Den eersten nacht”, schrijft een correspondent over zijn huwelijk, “vond zij de daad zeer pijnlijk en was zij verschrikt en verwonderd over de grootte van mijn penis, en daarover, dat ik zoo plotseling op haar af kwam. Wij hadden vóór het huwelijk zeer openlijk over sexueele zaken gesproken, en het kwam nooit bij mij op, dat ze de bijzonderheden van de daad niet kende. Ik dacht, dat het haar zou hinderen over deze zaken te spreken; maar ik zie nu in, dat ik haar de dingen had moeten uitleggen. Vóór ik trouwde was ik tot de conclusie gekomen, dat de eerbied, die men aan zijn vrouw verschuldigd is, niet vereenigbaar was met een wijze van spreken, die indecent zou kunnen schijnen, en ook had ik besloten niet tot haar te spreken over wat ik toen meende, dat vuile dingen waren, zelfs over het naakt zijn, en haar naakt te hebben. Ik was inderdaad het slachtoffer van onware ingetogenheid; het was een kunstmatige reactie op het leven, dat ik vóór mijn huwelijk geleid had. Nu schijnt het mij natuurlijk toe, dat als men een vrouw liefheeft, men met haar doet wat in u of in haar opkomt. Als ik het niet als een fout gevoeld had zulke daden tusschen ons aan te moedigen, dan zou er zich tusschen ons een sexueele sympathie hebben kunnen vormen, die mij nauwer aan haar zou verbonden hebben”.↑12Montaigne,Essais, boek III, hoofdstuk V. Het is een feit van beteekenis, dat zelfs in de kwestie van inlichting, vrouwen, niettegenstaande veel onwetendheid en onervarenheid, dikwijls beter toegerust zijn voor het huwelijk dan mannen. Naar Fürbringer opmerkt (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 212), hoewel de vrouw gewoonlijk kuischer is bij het huwelijk dan de man, “is zij toch gewoonlijk beter ingelicht in zaken, die tot den huwelijkschen staat behooren, niettegenstaande nu en dan voorkomende verwondering wekkende bekentenissen.”↑13Een fijnvoelend man schrijft in een brief over zijn vrouw: “Zij verliest nooit haar gevoel van eigenwaarde, noch mijn respect voor haar, eenvoudig omdat wij wanhopig op elkander verliefd zijn, en alles, wat wij beiden doen—en wat menige prostituée weigeren zou—voor ons slechts de altijd nieuwe poging is om onzen hartstocht in handelingen om te zetten. Nu eerst begrijp ik, wat de woorden “den reine is alles rein” beteekenen, en dat hij, die liefheeft, zich over geen koenheid te schamen heeft. Ik heb het altijd gevoeld, dat haar lief te hebben beteekent een emancipatie tot het hoogere”. Het is duidelijk, dat alleen het innemen van zulk een houding, het voor een kuische vrouw mogelijk maakt, hartstochtelijk te zijn.↑14“Werkelijk verstaan te worden” naar Rafford Pyke terecht zegt, “te zeggen wat zij wil, haar innigste gedachten op haar eigene wijze te uiten, de traditioneele conventies, die haar hinderen en drukken op zij te schuiven iemand bij zich te hebben, met wien ze volkomen vrij kan zijn, en toch te weten, dat geen syllabe van wat zij zegt verkeerd uitgelegd of verkeerd begrepen zal worden, maar eer juist begrepen, zooals zij het alles voelt—hoe wonderheerlijk is dit voor iedere vrouw, en hoe weinig mannen zijn er, die het haar kunnen geven!”↑15In de jongste tijden is ze besproken geworden in verband met het veel voorkomen van spontane nachtelijke emissies.↑16Naar Zenobia’s gewoonte verwijst GibbonDecline and Fall, ed. Bury. dl. I, p. 302. De beslissing van de Koningin van Arragon wordt vermeld door een jurist uit Montpellier, Nicolas Bohier (Boerius) in zijnDecisiones, etc., ed. van 1579, p. 563; er wordt door Montaigne naar verwezen in zijnEssais, Bk. III, hoofdst. V.↑17Haller,Elementa Physiologiae, 1779, deel III, p. 57.↑18Hammond,Sexual Impotence, p. 129.↑19Fürbringer, Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 221.↑20Forel,Die Sexuelle Frage, p. 80.↑21Guyot,Bréviaire de l’Amour Expérimental, p. 144.↑22Erb,Ziemssen’sHandbuch, Band XI, II, p. 148. Guttceit beschouwde het ook zoo, dat de zeer ruime variaties, die gevonden worden, aangeboren en natuurlijk zijn. We kunnen er aan toevoegen, dat sommigen meenen, dat er rasverschillen zijn. Zoo is er geconstateerd, dat de aanleg van de Engelschen gering is, en die van de Franschen (vooral uit Provence, Languedoc, en Gascogne) groot, terwijl Loewenfeld meent, dat het Germaansche ras het Fransche overtreft in geschiktheid tot het veelvuldig herhalen van de geslachtsdaad. Het is waarschijnlijk, dat deze meeningen niet veel waarde hebben, en dat de voornaamste verschillen eerder individueel zijn dan dat ze tot het ras behooren.↑23Ribbing,L’HygièneSexuelle, p. 75. Kisch spreekt dezelfde opinie uit in zijnSexual Life of Woman.↑24Mohammed, die dikwijls égards voor vrouwen vertoonde, die zeer zeldzaam zijn bij de stichters van godsdiensten, is een uitzondering. Zijn voorschrift van eens per week was het recht van de vrouw, geheel onafhankelijk van het aantal vrouwen, dat een man zou kunnen hebben.↑25Hoe broos de aanspraak is van de “huwelijksrechten” kan voldoende blijken uit het feit, dat velen het er nu voor houden dat het woord “huwelijksrechten” zelf op een schrijffout berust, terwijl men voor “rights” (rechten) het evenzoo klinkende woord “rites” (riten) had moeten schrijven (zieNotes and Queries, 16 Mei 1891, 6 Mei 1899). Deze uitleg, moeten we er aan toevoegen, heeft alleen betrekking op den geijkten term, want er kan geen twijfel aan zijn, dat het denkbeeld, dat er aan ten grondslag ligt, zijn bestaan heeft, geheel onafhankelijk van het woord.↑26“In de meeste huwelijken die niet gelukkig zijn”, zegt Rafford Pyke in zijn interessant geschrift over “Husbands and Wives” (Cosmopolitan, 1902),“is het eer de vrouw dan de man, die de meeste malen teleurgesteld is”.↑27Het wordt echter door erotische schrijvers wel erkend, dat vrouwen soms een tamelijk actieve rol spelen. Zoo zegt Vatsyayana, dat de vrouw soms de positie van den man inneemt, en met bloemen in heur haar en met glimlachen en zuchten en met gebogen hoofd, hem liefkoozend en haar borsten tegen hem aandrukkende, zegt: “Je bent mijn veroveraar geweest; het is nu mijn beurt je om genade te doen smeeken”.↑28Zoo wordt, volgens Zache, onder de Swahili op den derden dag na het huwelijk den bruidegom door de zede toegestaan om de defloratie te voltooien,Zeitschrift für Ethnologie, 1899, II–III, p. 84.↑29De l’Amour, deel II, blz. 57.↑30Robert Michels, “Brautstandsmoral”,Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang I, Heft 12.↑31Hier is b.v. op gewezen door Rutgers, “Sexuelle Differenzierung”,Die Neue Generation, Dec., 1908.↑32Zoo zegt Rasmussen, dat onder de Eskimo’s, die nu en dan van vrouwen verwisselen, “een man gewoonlijk ontdekt dat zijn eigen vrouw, ondanks alles, de beste is”.↑33“Ik heb altijd gemeend met den nu overleden Professor Laycock”, merkt Clouston, (Hygiene of Mind, p. 214) “die een zeer fijn opmerker van de menschelijke natuur was, dat een getrouwd paar niet altijd samen behoeft te zijn om gelukkig te zijn, en dat in werkelijkheid tamelijk lange tijden van afwezigheid en scheidingen leiden kunnen tot een eindelijke en nauwere vereeniging”. Dat het lang stand houden van den hartstocht alleen bestaanbaar is met afwezigheid behoeft wel nauwelijks gezegd te worden; zooals Mary Wollstonecraft lang geleden gezegd heeft (Rights of Woman, original ed., p. 61), alleen bij afwezigheid of in het ongeluk is de hartstocht duurzaam. We kunnen er echter bij voegen, dat zij in haar liefdesbrieven aan Imlay schreef: “Ik heb altijd gezegd, dat twee menschen, die te zamen willen leven, niet lang gescheiden moeten wezen”.↑34“Uit een ruim gezichtspunt beschouwd”, zeide Arnold L. Gesell, in zijn belangwekkende studie over “Jealousy” (American Journal of Psychology, Oct. 1906), schijnt jaloezie een zoo noodzakelijk begeleidingsverschijnsel van het biologisch gedrag, midden in den concurrentiestrijd, dat men geneigd is ze genetisch als een van de oudste gemoedsbewegingen te beschouwen, die bijna synoniem is met den wensch om te leven, en ze bijna niet minder fundamenteel te maken dan vrees of toorn. Waarlijk, jaloezie gaat gemakkelijk over in toorn, en ze is zelf een soort van vrees.… In maatschappelijkheid en wederzijdsche hulp zien we de keerzijde van de medaille; maar de jaloezie, hoetegenmaatschappelijk ze ook mag zijn, behoudt een functie in de zoölogische anatomie: b.v. om het individu in bescherming te nemen tegen de groep. Het is het groote verbeteringsmiddel van de natuur tegenover de zuiver maatschappelijke gevoelens.↑35Vele voorbeelden hiervan vindt men bij Gesell in zijn studie over “Jealousy”.↑36Jaloezie is soms bij lagere rassen vermomd of gewijzigd door gewoonten van den stam. Zoo zegt Rasmussen (People of the Polar North, blz. 65), als hij verwijst naar het verwisselen door de Eskimo’s van hun vrouwen: “Een man heeft me eens verteld, dat hij zijn vrouw alleen sloeg, als ze geen andere mannen wilde ontvangen. Zij wilde met niemand iets te doen hebben dan met hem—en dat was haar eenige gebrek!” Rasmussen toont ergens anders aan, dat de Eskimo’s in staat zijn tot groote jaloezie.↑37Zie b.v. Moll,Sexualleben des Kindes, blz. 158; vergelijk van Gesell “Study ofJealousy”.↑38Jaloezie is bij dronkaards een algemeen bekend verschijnsel. Naar K. Birnbaum aantoont (“Das Sexualleben der Alkoholisten”,Sexual-Probleme, Jan.1909), is deze jaloezie in de meeste gevallen min of meer gegrond, want de vrouw, die genoeg heeft van haar man, zoekt natuurlijk elders sympathie en gezelschap. Toch gaat de jaloezie der drankzuchtigen veel verder dan haar basis, de feitelijke aanleiding er toe, en hangt samen met waandenkbeelden en hallucinaties. (Zie b.v. G. Dumas, “La Logique d’un Dément”,Revue Philosophique, Febr. 1908; ook Stefanowski, “Morbid Jealousy”,Alienist and Neurologist, Juli 1893).↑39Ellen Key,Over liefde en huwelijk, blz. 335.↑40Schrempf wijst er op (“Von Stella zu Klärchen”,Mutterschutz, 1906, afl. 7, p. 264), dat Goethe inEgmontgetracht heeft aan te toonen, dat een vrouw teruggestooten wordt door de liefde van een man, die niets anders kent dan zijn liefde voor haar, en dat het voor haar gemakkelijk is zich te wijden aan den man, wiens plannen liggen in de grootere wereld buiten haar. Er is een diepe waarheid in deze wijze van zien.↑41Eene bespreking over “Platonische vriendschap” van deze soort door verschillende auteurs, meest vrouwen, wier opinies bijna gelijkelijk verdeeld waren, kan men, bij voorbeeld, vinden in deLady’s Realm, Maart, 1900.↑42Er zijn ongetwijfeld belangrijke uitzonderingen. Zoo was de beroemde vriendschap van Mérimée met Mlle. Jenny Dacquin, die vervat is in deLettres à une Inconnuemisschien volkomen Platonisch aan den kant van Mérimée, terwijl Mlle. Dacquin zich aan die houding aanpaste. Vergelijk A. Lefebvre,La Célèbre Inconnue de Mérimée, 1908.↑43De minnebrieven van al deze beroemde personen zijn uitgegeven. Rosa Mayreder (Zur Kritik der Weiblichkeit, blz. 229et seq.) bespreekt de nederige en absolute wijze, waarop zelfs mannen van het meest mannelijke en heerschzuchtige genie zich overgeven aan de inspiratie van de geliefde vrouw. Het geval van de Brownings, die genoemd zijn“de held en de heldin van de mooiste liefdesgeschiedenis, die de wereld kent”, is vooral bekend; (Ellen Key heeft inMenschenover de Brownings geschreven uit dit gezichtspunt, en we kunnen verwijzen naar een artikel over de minnebrieven van de Brownings in deEdinburgh Review, April, 1899). Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat een erotische verhouding van veel belang kan zijn voor personen van groote intellectueele bekwaamheid, zelfs als de uitslag niet gelukkig is; van Mary Wollstonecraft, een van de op intellectueel gebied meest beroemde vrouwen kan gezegd worden, dat de brieven, die haar liefde bevatten voor den onwaardigen Imlay, tot de meest hartstochtelijke en pathetische minnebrieven behooren, die er in het Engelsch bestaan.↑

1Quaestionum Convivalium,lib. III, quaestio 6.↑

2E. D. Cope, “The Marriage Problem”Open Court, Nov. 1888.↑

3Columbusmeeting van deAmerican Medical Association, 1900.↑

4Ellen Key,Ueber Liebe und Ehe, p. 24.↑

5In een bewonderenswaardig artikel over Friedrich Schlegel’sLucinde(Mutterschutz, 1906, Heft 5) beschouwt Heinrich Meyer-Benfey, die er op wijst, dat de Katholieke opvatting van het huwelijk liefde toestond, maar ze niet verhief,Lucinde, met hare gebreken, als de eerste uitdrukking van de eenheid van de zinnen en de ziel, en, als zoodanig als de basis van de nieuwe zedeleer der liefde. We moeten er echter bijvoegen, dat vier honderd jaar geleden Pontano deze zelfde eenheid der liefde veel krachtiger en veel gezonder uitgesproken had dan Schlegel, hoewel het Latijnsche vers, frisch en vol leven als het is, zonder invloed bleef. Pontano’sCarmina, met de “De Amore Conjugali”, zijn eindelijk door Soldati in een schooluitgave herdrukt.↑

6Van de dertiende tot de zeventiende eeuw was Ovidius inderdaad de meest populaire en invloedrijkste van de klassieke dichters. Zijn werken speelden een groote rol bij het vormen van de literatuur van de Renaissance, niet het minst in Engeland, waar Marlowe zijnAmoresvertaalde, en Shakespeare, tijdens de eerste jaren van zijn literaire werkzaamheid, hem veel verschuldigd was (zie bv. Sidney Lee, “Ovid and Shakespeare’s Sonnets”,Quarterly Review, April1909).↑

7Dit is reeds in hoofdstuk II besproken.↑

8Op den leeftijd van vijf en twintig jaar, naar G. Hirth opmerkt (Wege zur Heimat, p. 541) heeft een energiek en sexueel aangelegd man in een groote stad meestal al verhoudingen gehad met ongeveer vijf en twintig vrouwen, misschien al wel met vijftig, terwijl een wel opgevoede en beschaafde vrouw op dien leeftijd eerst begint de langzaam zich opeenhoopende opwindingen van de sekse te realiseeren.↑

9In zijn studie over “Conjugal Aversion” (Journal Nervous and Mental Disease, Sept., 1892) wijst Smith Baker op de waarde van voldoende sexueele kennis voor het huwelijk voor het verminderen van de gevaren voor zulk een aversie.↑

10“Het mag tot eer van de mannen gezegd worden”, merkt Adler naar waarheid op, (op. cit., p. 182), “dat het misschien niet dikwijls hun bewuste brutaliteit is, die in deze zaak het kwaad sticht, maar alleen gebrek aan handigheid en gebrek aan begrijpen. De man, die niet speciaal door de natuur en door de ondervinding begaafd is voor den psychischen omgang met vrouwen, zal waarschijnlijk niet, door zijn vroegeren omgang met Venus vulgivaga, eenige nuttige kennis mee ten huwelijk brengen, hetzij psychisch of physiek”.↑

11“Den eersten nacht”, schrijft een correspondent over zijn huwelijk, “vond zij de daad zeer pijnlijk en was zij verschrikt en verwonderd over de grootte van mijn penis, en daarover, dat ik zoo plotseling op haar af kwam. Wij hadden vóór het huwelijk zeer openlijk over sexueele zaken gesproken, en het kwam nooit bij mij op, dat ze de bijzonderheden van de daad niet kende. Ik dacht, dat het haar zou hinderen over deze zaken te spreken; maar ik zie nu in, dat ik haar de dingen had moeten uitleggen. Vóór ik trouwde was ik tot de conclusie gekomen, dat de eerbied, die men aan zijn vrouw verschuldigd is, niet vereenigbaar was met een wijze van spreken, die indecent zou kunnen schijnen, en ook had ik besloten niet tot haar te spreken over wat ik toen meende, dat vuile dingen waren, zelfs over het naakt zijn, en haar naakt te hebben. Ik was inderdaad het slachtoffer van onware ingetogenheid; het was een kunstmatige reactie op het leven, dat ik vóór mijn huwelijk geleid had. Nu schijnt het mij natuurlijk toe, dat als men een vrouw liefheeft, men met haar doet wat in u of in haar opkomt. Als ik het niet als een fout gevoeld had zulke daden tusschen ons aan te moedigen, dan zou er zich tusschen ons een sexueele sympathie hebben kunnen vormen, die mij nauwer aan haar zou verbonden hebben”.↑

12Montaigne,Essais, boek III, hoofdstuk V. Het is een feit van beteekenis, dat zelfs in de kwestie van inlichting, vrouwen, niettegenstaande veel onwetendheid en onervarenheid, dikwijls beter toegerust zijn voor het huwelijk dan mannen. Naar Fürbringer opmerkt (Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 212), hoewel de vrouw gewoonlijk kuischer is bij het huwelijk dan de man, “is zij toch gewoonlijk beter ingelicht in zaken, die tot den huwelijkschen staat behooren, niettegenstaande nu en dan voorkomende verwondering wekkende bekentenissen.”↑

13Een fijnvoelend man schrijft in een brief over zijn vrouw: “Zij verliest nooit haar gevoel van eigenwaarde, noch mijn respect voor haar, eenvoudig omdat wij wanhopig op elkander verliefd zijn, en alles, wat wij beiden doen—en wat menige prostituée weigeren zou—voor ons slechts de altijd nieuwe poging is om onzen hartstocht in handelingen om te zetten. Nu eerst begrijp ik, wat de woorden “den reine is alles rein” beteekenen, en dat hij, die liefheeft, zich over geen koenheid te schamen heeft. Ik heb het altijd gevoeld, dat haar lief te hebben beteekent een emancipatie tot het hoogere”. Het is duidelijk, dat alleen het innemen van zulk een houding, het voor een kuische vrouw mogelijk maakt, hartstochtelijk te zijn.↑

14“Werkelijk verstaan te worden” naar Rafford Pyke terecht zegt, “te zeggen wat zij wil, haar innigste gedachten op haar eigene wijze te uiten, de traditioneele conventies, die haar hinderen en drukken op zij te schuiven iemand bij zich te hebben, met wien ze volkomen vrij kan zijn, en toch te weten, dat geen syllabe van wat zij zegt verkeerd uitgelegd of verkeerd begrepen zal worden, maar eer juist begrepen, zooals zij het alles voelt—hoe wonderheerlijk is dit voor iedere vrouw, en hoe weinig mannen zijn er, die het haar kunnen geven!”↑

15In de jongste tijden is ze besproken geworden in verband met het veel voorkomen van spontane nachtelijke emissies.↑

16Naar Zenobia’s gewoonte verwijst GibbonDecline and Fall, ed. Bury. dl. I, p. 302. De beslissing van de Koningin van Arragon wordt vermeld door een jurist uit Montpellier, Nicolas Bohier (Boerius) in zijnDecisiones, etc., ed. van 1579, p. 563; er wordt door Montaigne naar verwezen in zijnEssais, Bk. III, hoofdst. V.↑

17Haller,Elementa Physiologiae, 1779, deel III, p. 57.↑

18Hammond,Sexual Impotence, p. 129.↑

19Fürbringer, Senator en Kaminer,Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 221.↑

20Forel,Die Sexuelle Frage, p. 80.↑

21Guyot,Bréviaire de l’Amour Expérimental, p. 144.↑

22Erb,Ziemssen’sHandbuch, Band XI, II, p. 148. Guttceit beschouwde het ook zoo, dat de zeer ruime variaties, die gevonden worden, aangeboren en natuurlijk zijn. We kunnen er aan toevoegen, dat sommigen meenen, dat er rasverschillen zijn. Zoo is er geconstateerd, dat de aanleg van de Engelschen gering is, en die van de Franschen (vooral uit Provence, Languedoc, en Gascogne) groot, terwijl Loewenfeld meent, dat het Germaansche ras het Fransche overtreft in geschiktheid tot het veelvuldig herhalen van de geslachtsdaad. Het is waarschijnlijk, dat deze meeningen niet veel waarde hebben, en dat de voornaamste verschillen eerder individueel zijn dan dat ze tot het ras behooren.↑

23Ribbing,L’HygièneSexuelle, p. 75. Kisch spreekt dezelfde opinie uit in zijnSexual Life of Woman.↑

24Mohammed, die dikwijls égards voor vrouwen vertoonde, die zeer zeldzaam zijn bij de stichters van godsdiensten, is een uitzondering. Zijn voorschrift van eens per week was het recht van de vrouw, geheel onafhankelijk van het aantal vrouwen, dat een man zou kunnen hebben.↑

25Hoe broos de aanspraak is van de “huwelijksrechten” kan voldoende blijken uit het feit, dat velen het er nu voor houden dat het woord “huwelijksrechten” zelf op een schrijffout berust, terwijl men voor “rights” (rechten) het evenzoo klinkende woord “rites” (riten) had moeten schrijven (zieNotes and Queries, 16 Mei 1891, 6 Mei 1899). Deze uitleg, moeten we er aan toevoegen, heeft alleen betrekking op den geijkten term, want er kan geen twijfel aan zijn, dat het denkbeeld, dat er aan ten grondslag ligt, zijn bestaan heeft, geheel onafhankelijk van het woord.↑

26“In de meeste huwelijken die niet gelukkig zijn”, zegt Rafford Pyke in zijn interessant geschrift over “Husbands and Wives” (Cosmopolitan, 1902),“is het eer de vrouw dan de man, die de meeste malen teleurgesteld is”.↑

27Het wordt echter door erotische schrijvers wel erkend, dat vrouwen soms een tamelijk actieve rol spelen. Zoo zegt Vatsyayana, dat de vrouw soms de positie van den man inneemt, en met bloemen in heur haar en met glimlachen en zuchten en met gebogen hoofd, hem liefkoozend en haar borsten tegen hem aandrukkende, zegt: “Je bent mijn veroveraar geweest; het is nu mijn beurt je om genade te doen smeeken”.↑

28Zoo wordt, volgens Zache, onder de Swahili op den derden dag na het huwelijk den bruidegom door de zede toegestaan om de defloratie te voltooien,Zeitschrift für Ethnologie, 1899, II–III, p. 84.↑

29De l’Amour, deel II, blz. 57.↑

30Robert Michels, “Brautstandsmoral”,Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang I, Heft 12.↑

31Hier is b.v. op gewezen door Rutgers, “Sexuelle Differenzierung”,Die Neue Generation, Dec., 1908.↑

32Zoo zegt Rasmussen, dat onder de Eskimo’s, die nu en dan van vrouwen verwisselen, “een man gewoonlijk ontdekt dat zijn eigen vrouw, ondanks alles, de beste is”.↑

33“Ik heb altijd gemeend met den nu overleden Professor Laycock”, merkt Clouston, (Hygiene of Mind, p. 214) “die een zeer fijn opmerker van de menschelijke natuur was, dat een getrouwd paar niet altijd samen behoeft te zijn om gelukkig te zijn, en dat in werkelijkheid tamelijk lange tijden van afwezigheid en scheidingen leiden kunnen tot een eindelijke en nauwere vereeniging”. Dat het lang stand houden van den hartstocht alleen bestaanbaar is met afwezigheid behoeft wel nauwelijks gezegd te worden; zooals Mary Wollstonecraft lang geleden gezegd heeft (Rights of Woman, original ed., p. 61), alleen bij afwezigheid of in het ongeluk is de hartstocht duurzaam. We kunnen er echter bij voegen, dat zij in haar liefdesbrieven aan Imlay schreef: “Ik heb altijd gezegd, dat twee menschen, die te zamen willen leven, niet lang gescheiden moeten wezen”.↑

34“Uit een ruim gezichtspunt beschouwd”, zeide Arnold L. Gesell, in zijn belangwekkende studie over “Jealousy” (American Journal of Psychology, Oct. 1906), schijnt jaloezie een zoo noodzakelijk begeleidingsverschijnsel van het biologisch gedrag, midden in den concurrentiestrijd, dat men geneigd is ze genetisch als een van de oudste gemoedsbewegingen te beschouwen, die bijna synoniem is met den wensch om te leven, en ze bijna niet minder fundamenteel te maken dan vrees of toorn. Waarlijk, jaloezie gaat gemakkelijk over in toorn, en ze is zelf een soort van vrees.… In maatschappelijkheid en wederzijdsche hulp zien we de keerzijde van de medaille; maar de jaloezie, hoetegenmaatschappelijk ze ook mag zijn, behoudt een functie in de zoölogische anatomie: b.v. om het individu in bescherming te nemen tegen de groep. Het is het groote verbeteringsmiddel van de natuur tegenover de zuiver maatschappelijke gevoelens.↑

35Vele voorbeelden hiervan vindt men bij Gesell in zijn studie over “Jealousy”.↑

36Jaloezie is soms bij lagere rassen vermomd of gewijzigd door gewoonten van den stam. Zoo zegt Rasmussen (People of the Polar North, blz. 65), als hij verwijst naar het verwisselen door de Eskimo’s van hun vrouwen: “Een man heeft me eens verteld, dat hij zijn vrouw alleen sloeg, als ze geen andere mannen wilde ontvangen. Zij wilde met niemand iets te doen hebben dan met hem—en dat was haar eenige gebrek!” Rasmussen toont ergens anders aan, dat de Eskimo’s in staat zijn tot groote jaloezie.↑

37Zie b.v. Moll,Sexualleben des Kindes, blz. 158; vergelijk van Gesell “Study ofJealousy”.↑

38Jaloezie is bij dronkaards een algemeen bekend verschijnsel. Naar K. Birnbaum aantoont (“Das Sexualleben der Alkoholisten”,Sexual-Probleme, Jan.1909), is deze jaloezie in de meeste gevallen min of meer gegrond, want de vrouw, die genoeg heeft van haar man, zoekt natuurlijk elders sympathie en gezelschap. Toch gaat de jaloezie der drankzuchtigen veel verder dan haar basis, de feitelijke aanleiding er toe, en hangt samen met waandenkbeelden en hallucinaties. (Zie b.v. G. Dumas, “La Logique d’un Dément”,Revue Philosophique, Febr. 1908; ook Stefanowski, “Morbid Jealousy”,Alienist and Neurologist, Juli 1893).↑

39Ellen Key,Over liefde en huwelijk, blz. 335.↑

40Schrempf wijst er op (“Von Stella zu Klärchen”,Mutterschutz, 1906, afl. 7, p. 264), dat Goethe inEgmontgetracht heeft aan te toonen, dat een vrouw teruggestooten wordt door de liefde van een man, die niets anders kent dan zijn liefde voor haar, en dat het voor haar gemakkelijk is zich te wijden aan den man, wiens plannen liggen in de grootere wereld buiten haar. Er is een diepe waarheid in deze wijze van zien.↑

41Eene bespreking over “Platonische vriendschap” van deze soort door verschillende auteurs, meest vrouwen, wier opinies bijna gelijkelijk verdeeld waren, kan men, bij voorbeeld, vinden in deLady’s Realm, Maart, 1900.↑

42Er zijn ongetwijfeld belangrijke uitzonderingen. Zoo was de beroemde vriendschap van Mérimée met Mlle. Jenny Dacquin, die vervat is in deLettres à une Inconnuemisschien volkomen Platonisch aan den kant van Mérimée, terwijl Mlle. Dacquin zich aan die houding aanpaste. Vergelijk A. Lefebvre,La Célèbre Inconnue de Mérimée, 1908.↑

43De minnebrieven van al deze beroemde personen zijn uitgegeven. Rosa Mayreder (Zur Kritik der Weiblichkeit, blz. 229et seq.) bespreekt de nederige en absolute wijze, waarop zelfs mannen van het meest mannelijke en heerschzuchtige genie zich overgeven aan de inspiratie van de geliefde vrouw. Het geval van de Brownings, die genoemd zijn“de held en de heldin van de mooiste liefdesgeschiedenis, die de wereld kent”, is vooral bekend; (Ellen Key heeft inMenschenover de Brownings geschreven uit dit gezichtspunt, en we kunnen verwijzen naar een artikel over de minnebrieven van de Brownings in deEdinburgh Review, April, 1899). Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat een erotische verhouding van veel belang kan zijn voor personen van groote intellectueele bekwaamheid, zelfs als de uitslag niet gelukkig is; van Mary Wollstonecraft, een van de op intellectueel gebied meest beroemde vrouwen kan gezegd worden, dat de brieven, die haar liefde bevatten voor den onwaardigen Imlay, tot de meest hartstochtelijke en pathetische minnebrieven behooren, die er in het Engelsch bestaan.↑


Back to IndexNext