Chapter 50

Wat de positieve eigenschappen aangaat, waar de Staat recht heeft bij het aanmoedigen van het moederschap een premie op te stellen, is het nog te vroeg om met volkomen zekerheid daarover te spreken. De negatieve eugeniek is de positieve eugeniek vooruit; het is gemakkelijker verkeerde stammen te ontdekken dan om volkomen zeker te zijn van goede. Zoowel van wetenschappelijke als van maatschappelijke zijde beginnen wij echter duidelijker in te zien welk doel we willen bereiken en meer precies te weten met welke middelen we dat doel moeten bereiken41.Zelfs wanneer we een tamelijk duidelijk inzicht gekregen hebben welke stammen en individuen wij met recht mogen aanmoedigen om de taak te ondernemen geschikte burgers voor den Staat voort te brengen, zijn de problemen der voortplanting daarmede nog geenszins ten einde. Voordat we er ook maar onderzoek naar kunnen doen wat de voorwaarden zijn, waaronder uitgekozen individuen zich het best zullen voortplanten, is daar nog de allereerste vraag, die beslist moet worden: of die individuen vruchtbaar en potent zijn, want dit wordt niet gewaarborgd door het feit dat ze van goede stammen komen, en zelfs is het feit, dat een man en een vrouw met andere personen vruchtbaar zijn in het geheel geen positieve proef, dat ze met elkaar vruchtbaar zullen zijn. Onder de groote massa’s van de bevolking, die niet trachten hun vereenigingen te wettigen voordat die vereenigingen vruchtbaar gebleken zijn, wordt deze moeilijkheid op eenvoudige en praktische wijze opgelost. De kwestie is echter bij den tegenwoordigen staat der huwelijkswet in de meeste landen ernstig en vol risico voor die klassen, die gewoon zijn zich in het wettig huwelijk te binden zonder dat ze iets weten van hun potentie en hun vruchtbaarheid met elkaar. De zaak wordt meestal aan het toeval overgelaten, en daar het wettig huwelijk gewoonlijk niet ontbonden kan worden, op grond dat er geen nakomelingen zijn, zelfs al wordt de voortplanting gewoonlijk verklaard tot het voornaamste doel van het huwelijk te behooren, wordt de kwestie zeer ernstig. Steriliteit komt voor bij 7 % tot 15 % van alle huwelijken, en in zeer vele daarvan is ze een bron van groot verdriet. Dit zou, in zekere mate, vermeden kunnen worden door een onderzoek voor het huwelijk, en bijna geheel, door te bepalen dat, daar een huwelijk alleen door de nakomelingen belang heeft voor den Staat, een wettig huwelijk na een bepaalden tijd ontbonden zou kunnen worden bij afwezigheid van nakomelingen.Vroeger meende men dat, als een vereeniging onvruchtbaar bleek, dit de schuld was van de vrouw. Die meening is men lang te boven, maar, ook nu nog, interesseert een man zich gewoonlijk veel meer voor zijn potentie, dat is, zijn geschiktheid om de mechanische daad van dencoïtusuit te voeren, dan voor zijn vruchtbaarheid, dat is zijn geschiktheid om levende spermatozoën voort te brengen; terwijl toch deze laatste omstandigheid een veel meer vóórkomende bron is van steriliteit. “Van iederen man”, zegt Arthur Cooper (British Medical Journal, 11 Mei 1907), “die een sexueel gebrek of een sexueele misvorming heeft, of die geleden heeft aan een kwaal of een beleediging van de genito-urinale organen, zelfs als die betrekkelijk gering of eenzijdig is, en terwijl zijn macht tot paren ongeschonden kan gebleven zijn, moet men veronderstellen dat hij misschien steriel is, totdat er eenig bewijsvan het tegendeel verkregen is”. In geval van een steriel huwelijk moest de mogelijke oorzaak eerst nagespoord worden bij den man, want het is betrekkelijk gemakkelijk het zaad te onderzoeken en zich te vergewissen of het actieve spermatozoën bevat. Prinsen zegt in een veel omvattende studie over steriele huwelijken (“Die Sterilen Ehen”,Zeitschrift für Sozialwissenschaft, 1904, afl. 1 en 2), dat in twee vijfden van de steriele huwelijken de fout bij den man ligt; een derde van zulke huwelijken is het resultaat van venerische ziekten bij den echtgenoot zelf, of overgebracht op de vrouw. Gonorrhoe wordt tegenwoordig niet beschouwd als een zoo belangrijke oorzaak van steriliteit als eenige jaren geleden; Schenk beschouwt ze als verantwoordelijk ervoor maar ongeveer dertien percent van de steriele huwelijken (vergelijk Kisch,The Sexual Life of Woman). Pinkus (Archiv für Gynäkologie, 1907) vond dat, van de bijna honderd gevallen, waarin hij de beide deelgenooten onderzocht, in 24.4 percent de steriliteit direct berustte bij den man, en in 15.8 percent indirect, omdat ze veroorzaakt was door gonorrhoe, waarmee hij zijn vrouw geïnfecteerd had.Als steriliteit het gevolg is van een gebrek in de spermatozoën van den man, en als ze niet vóor het huwelijk ontdekt is, wat gewoonlijk wel gekund had, dan is nu en dan de vraag gerezen de vrouw door andere middelen te bevruchten. Echtscheiding op grond van steriliteit is niet mogelijk, en zelfs als dat was, heeft het paar, hoewel het een kind wil hebben, dikwijls niet den minsten wensch om te scheiden. Onder deze omstandigheden is nu en dan de poging gedaan om het gewenschte doel te bereiken, zonder af te wijken van in ruimen kring aangenomen regels der moraal, om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen door injectie met het zaad van een gezond man. Er zijn door verschillende bekende mannen, van John Hunter tot Schwalbe, pogingen gedaan om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen, maar het is bijna altijd zeer moeilijk te doen, en dikwijls geheel onmogelijk. Dit laat zich gemakkelijk verklaren, als wij ons in het geheugen roepen, waar al op gewezen is (zie boven p. 524) dat de erotische opwinding bij de vrouw tot het verzekeren van de conceptie van grooten invloed is; het is klaarblijkelijk een moeilijke taak, zelfs voor de meest gevoelige vrouw om erotisch enthusiasme te voelen voor een medischen spuit. Schwalbe vermeldt bijvoorbeeld een geval (Deutsche Medizinische Wochenschrift, Aug. 1908, p. 510) waarin—ten gevolge van de steriliteit van den man en den wensch van de vrouw om, met goedvinden van den man, met het zaad van een anderen man bevrucht te worden,—hij herhaalde zorgvuldige pogingen deed om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen; deze pogingen hadden echter geen resultaat, en de drie betrokken partijen legden zich ten slotte neer bij de gewone wijze van omgang, die succes had. In een ander geval, door Schwalbe vermeld, waarin de man impotent was, maar niet steriel, werden zes pogingen gedaan om kunstmatige bevruchting te bewerken, en werd van verdere pogingen afgezien, omdat allen, die er bij betrokken waren, er van walgden.De algemeene opinie is, over het geheel, niet geweest vóor het gebruik van kunstmatige bevruchting, zelfs afgezien van de mogelijkheid van succes. Zoo heeft in Frankrijk, waar een uitgebreide literatuur over het onderwerp bestaat, de Parijsche Medische Faculteit in 1885, na eenige aarzeling, geweigerd de stelling van Gérard aan te nemen over de geschiedenis van de kunstmatige bevruchting, die later afzonderlijk uitgegeven is. In 1883 heeft het gerechtshof te Bordeaux verklaard, dat kunstmatige bevruchting onwettig was en een maatschappelijk gevaar. In 1897 verklaarde ook de Heilige Stoel dat het gebruik onwettig was (“Artificial Fecundation before the Inquisition”,British Medical Journal, 5 Maart 1898). Geheel onafhankelijk van deze houding van de geneeskunde, de wet en de Kerk, schijnt het voorzeker, dat zij, die een nageslacht wenschen, als regel goed zullen doen den natuurlijken weg te volgen, die ook de beste is, of anders aan anderen de taak der voortplanting over te laten, waar ze niet voldoende voor zijn toegerust.Als wij er ons van overtuigd hebben, dat twee individuen beide tot gezonde stammen behooren, en verder, dat ze beide geschikt zijn voor de voortplanting, dan blijft er nog over te overwegen, onder welke omstandigheden zij het best verwekking kunnen tot stand brengen42. Dan rijst bijvoorbeeld de vraag, die zoo dikwijls gedaan wordt, wat is de beste leeftijd voor de voortplanting?De overwegingen, die bij het beantwoorden van deze kwestie van gewicht zijn, zijn van twee verschillende soorten, physiologisch en sociaal of moreel. Dat is te zeggen, dat aan den eenen kant physieke rijpheid volkomen moet bereikt zijn, en dat de sexueele cellen volkomen moeten ontwikkeld zijn; terwijl aan den anderen kant de man in staat moet zijn om een gezin te onderhouden, en dat beide deelgenooten een oefening in het leven zullen hebben ontvangen, die hen in staat stelt op gepaste wijze de verantwoordelijkheden en zorgen op zich te nemen, die samengaan met het opvoeden van kinderen. Terwijl er op verschillende tijden verschillende meeningen zijn geuit, schijnt de algemeene opinie aangaande den besten tijd der voortplanting in Europa in de laatste eeuwen nauwelijks veel gewisseld te hebben. Hesiodus zeide al, dat een vrouw moest trouwen op haar vijftiende jaar en een man op zijn dertigste43, maar obstetrici zijn gewoonlijk tot het besluit gekomen, dat zoowel in het belang van de ouders als van de kinderen het leven der voortplanting niet moet beginnen bij vrouwen, voordat ze twintig zijn en bij mannen voordat ze vijf en twintig zijn44. Na de dertig bij vrouwen en na de vijf en dertig of veertig bij mannen schijnen de beste voorwaarden tot de voortbrenging te verminderen45. Tegenwoordig is er in Engeland en inverschillende andere beschaafde landen een neiging geweest om den leeftijd voor het huwelijk te verhoogen tot een steeds grooter aantal jaren, gemiddeld een paar jaar later dan de leeftijd, die gewoonlijk aangenomen wordt als de gunstigste leeftijd voor het begin van het voortplantingsleven. Maar over het geheel wijkt het gemiddelde zelden ver af van den aangenomen standaard en er schijnt geen reden te zijn, waarom we deze neiging zouden wijzigen.Toch volgt hier in het geheel niet uit, dat groote verschillen niet onder speciale omstandigheden, niet alleen vergefelijk, maar zelfs wenschelijk zijn. De man is in sommige gevallen in staat tot de voortplanting van ongeveer dertien jaar tot ver over de negentig, en op dezen hoogen leeftijd kan het nageslacht, zelfs als het niet opmerkelijk is door groote physieke kracht, hooge intellectueele kwaliteiten bezitten. (Zie bv. Havelock Ellis,A Study of British Genius, blz. 120et seq.). Geschiktheid tot voortbrengen van de vrouw begint al vroeger (soms op haar achtste jaar), hoewel ze gewoonlijk ophoudt met de vijftig of vroeger, en dat ze slechts in enkele gevallen voortduurt tot zestig of daarboven. Er worden gevallen vermeld van kinderen, die geboren zijn, terwijl de moeder negen en vijftig jaar was (bv.Lancet, 5 Aug. 1905, p. 419). Lepage (Comptes-rendus Sociêté d’Obstétrique de Paris, Oct. 1903) vermeldt een geval van een eerstgeborene, waarvan de moeder zeven en vijftig jaar was; het kind werd dood geboren. Kisch (Sexual Life of Woman, deel II) verwijst naar de gevallen van zwangerschap bij oudere vrouwen, en er wordt van verschillende gevallen melding gemaakt in hetBritish Medical Journal, 8 Aug. 1903, p. 325.Van meer belang is de kwestie van vroege zwangerschap. Verschillende onderzoekers hebben hun aandacht aan deze kwestie gewijd. Zoo heeft Spitta (in een Marburger inaugureele dissertatie, 1895) een overzicht gegeven van de klinische geschiedenis van 260 weeën bij primiparae van 18 jaar en daaronder, zooals hij ze waargenomen had in de Marburger kraaminrichting. Hij bevond, dat de gezondheid in het algemeen tijdens de zwangerschap niet slechter was dan die van andere zwangere vrouwen, terwijl de sterfte onder de kinderen bij de geboorte en in de volgende weken niet hoog was, en de sterfte onder de moeders volstrekt niet hoog was. Picard (in een Parijsche thesis, 1903) heeft de bevalling bestudeerd bij acht en dertig moeders onder den leeftijd van zeventien jaar. Hij vond, dat, hoewel het pelvis zeker nog niet geheel ontwikkeld is bij zeer jonge meisjes, de gewrichten en beenderen echter veel elastischer zijn dan bij volwassenen, zoodat de bevalling, wel verre van moeilijker te zijn, gewoonlijk vlug en gemakkelijk is. De weeën verloopen over het algemeen normaal in deze gevallen, en, zelfs als er onregelmatigheden voorkomen (lage plaatsing van de placenta is een gewone onregelmatigheid) is het opmerkelijk, dat de patienten er niet onder lijden, zooals oudere vrouwen. Het gemiddelde gewicht van het kind was ongeveer 6 pond; soms was speciale verzorging noodig in de eerste dagen na de geboorte, misschien omdat de weeën in deze gevallen altijd wat langzaam verloopen. Het herstel van de moeder verliep, in ieder geval, volkomen normaal, en het feit, dat deze jonge moeders weer spoediger zwanger worden dan primiparae van rijper leeftijd, draagt er verder toe bij, om aan te toonen, dat bevallingen vóór den leeftijd van zestien jaar op geenerlei wijze nadeelig zijn voor de moeder. Gache (Annales de Gynécologie etd’Obstrétique, Dec, 1904) heeft een en negentig bevallingen waargenomen van moeders onder de zeventienjaar, in hetRawsonHospitaal in Buenos Ayres; zij waren van zoogenaamd Latijnsch ras, meest Spaansch of Italiaansch. Gache vond, dat deze moeders in het geheel niet meer blootgesteld waren aan miskraam of andere complicaties van de zwangerschap dan andere. Behalve in vier gevallen van tamelijk nauw bekken, was de verlossing normaal, hoewel ze wat langer duurde dan bij oudere primiparae. Schade aan de weeke deelen werd echter zelden toegebracht, en, als ze voorkwam, was ze spoedig weer genezen. Het gemiddelde gewicht van het kind was 3,039 gram, of ruim 6 pond. Het verdient opmerking, dat de meeste waarnemers gewoonlijk vinden, dat zeer vroege zwangerschappen voorkomen bij vrouwen, die op ongewoon jeugdigen leeftijd beginnen te menstrueeren, b.v., een paar jaar voordat de vroege zwangerschap optreedt.Het is echter duidelijk, dat bij jonge moeders alles bijzonder goed verloopt, terwijl er niet de minste twijfel aan bestaat, dat zij buitengewoon flinke kinderen ter wereld brengen. Kleinwächter vond zelfs, dat, hoe jonger de moeder is, des te grooter het kind. Niet alleen physiek zijn de kinderen van jonge moeders beter. Marro heeft opgemerkt (Pubertà, p. 257), dat de kinderen van moeders onder de 21 jaar beter zijn, dan die van oudere moeders, zoowel in gedrag als in verstand, mits de vaders niet te oud zijn of te jong. Gedetailleerde bijzonderheden over afzonderlijke gevallen bevestigen deze feiten, zoowel voor de moeder als voor het kind. Zoo vermeldt Milner (Lancet, Juni 7, 1902) een geval van zwangerschap bij een meisje van veertien jaar; de weeën waren niet hevig en de verlossing was gemakkelijk. E. B. Wales, uit New Jersey, heeft de geschiedenis vermeld (weergegeven in deMedical Reprints, Sept. 15, 1890) van een negerin, die op elfjarigen leeftijd zwanger werd. Zij was middelmatig groot, eer lang en teer, maar goed ontwikkeld en ze begon te menstrueeren op den leeftijd van tien jaar. Zij was goed gezond en opgewekt tijdens de zwangerschap, en tot werken in staat. De bevalling was gemakkelijk en natuurlijk, duurde niet bijzonder lang en was blijkbaar niet bijzonder pijnlijk, want er was geen gekreun of opwinding. Het kind was een mooie, gezonde jongen, die niet minder woog dan elf pond. Moeder en kind maakten het beiden goed, en er was rijkelijk melkafscheiding. Whiteside Robertson (British Medical Journal, Jan. 18, 1902) heeft een geval vermeld van zwangerschap op den leeftijd van dertien jaar, bij een meisje uit de Kaapkolonie, dat uit een ander gezichtspunt opmerkelijk is. Zij scheen tijdens de zwangerschap anaemisch te zijn, slecht ontwikkeld, met slecht ontwikkeld bekken. Toch had een normale bevalling plaats, op den juisten tijd, zonder moeite of beschadigingen, en het kraambed verliep in ieder opzicht goed. Het kind was goed gevormd en woog 7½ pond. “Ik heb zelden een primipara gemakkelijker weeën zien hebben”, besloot Robertson, “en ik heb er nooit een gezien, die de verwerkelijking van het moederschap met meer bevrediging tegemoet zag”.De feiten, die bijeen gebracht zijn door obstetrici aangaande de goede resultaten van vroege zwangerschap, voor moeder zoowel als voor kind, zijn nog niet met die aandacht beschouwd geworden, die ze verdienen. Zij worden echter bevestigd door vele algemeene neigingen, die tegenwoordig erkend worden. Het veel beteekenend feit is, bij voorbeeld, bekend, dat bij moeders boven de dertig het aantal miskramen en ontijdige geboorten tweemaal zoo groot is als bij moeders tusschen den leeftijd van vijftien en twintig, die in dit opzicht weer hooger staan dan de moeders van den leeftijd tusschen de twintig en de dertig (StatistischesJahrbuch, Budapest, 1905). Verder heeft Matthews Duncan aangetoond, in zijn lezing te Goulstone, dat de kansen op steriliteit bij een vrouw toenemen met den leeftijd. Er is verder aangetoond door Kisch(Sexual Life of Woman, PartII), dat, hoe ouder een vrouw bij het huwelijk is, des te grooter het gemiddelde tijdsverloop is voor de eerste bevalling, een neiging, die er op schijnt te wijzen, dat de zeer jonge vrouwen in de beste conditie zijn voor de voortplanting; Kisch is niet geneigd te denken, dat dit betrekking heeft op vrouwen onder de twintig, maar het feit, dat door andere accoucheurs opgemerkt is, dat moeders onder de achttien neiginghebben na een buitengewoon kort tijdsverloop weer zwanger te worden, neutraliseert de door Kisch gemaakte uitzondering. We kunnen er ook op wijzen, dat, bij kinderen van zeer jonge moeders, de seksen meer gelijk zijn in aantal dan het geval is met oudere moeders. Dit zou er op schijnen te wijzen, dat we hier staan tegenover een normaal evenwicht, dat afneemt, naarmate de leeftijd van de moeder meer verandert in abnormale richting.Het gemak van de geboorte op een vroegen leeftijd, kunnen we opmerken, komt overeen met een gelijk gemak bij den sexueelen omgang, een feit, dat dikwijls over het hoofd is gezien. In Rusland, waar het huwelijk nog vroeg plaats vindt, had het vroeger al plaats, als de vrouw eerst twaalf of dertien jaar oud was, en Guttceit (Dreissig Jahre Praxis, deel I, p. 324) zegt, dat vrouwen, die op dezen leeftijd trouwden, hem verzekerd hadden, dat de eerstecoïtusgeen speciale moeilijkheden meebracht.Er is ongetwijfeld tegenwoordig een groote mate van vooroordeel jegens het vroege moederschap. Voor een deel ligt dit er aan, dat men niet heeft kunnen inzien, dat vrouwen sexueel veel vroeger rijp zijn dan mannen, physiek zoowel al psychisch (zie boven p. 35). Er is een verschil van ongeveer vijf jaar. Dit verschil is al erkend geworden duizenden van jaren geleden, in het oude geloof, dat de leeftijd van de keuze tot de voortplanting ongeveer twintig of minder is voor vrouwen, maar omstreeks vijf en twintig voor mannen; en men heeft onlangs ontdekt dat, terwijl de man nooit bekwaam is tot verwekken vóor zijn dertiende jaar, de vrouw in sommige gevallen op haar achtste jaar al zwanger kan worden. (Eenige van de voorbeelden, die vermeld zijn, zijn aangehaald door Kisch). Gedeeltelijk is er ook bezwaar tegen het op zich nemen van een zoo zware verantwoordelijkheid als die van het moederschap door een jong meisje, en er bestaat een zeer redelijk gevoel, dat de verplichtingen van een duurzamen huwelijksband niet op een jeugdigen leeftijd moeten op zich genomen worden. Aan den anderen kant is het, afgezien van de physieke voordeelen, zoowel wat de moeder aangaat als het kind, in zake vroege zwangerschappen, een voordeel voor het kind een jonge moeder te hebben, die zich met sympathie en zonder terughouding aan zijn belangen kan wijden, in plaats van het droevige schouwspel te leveren, dat we zoo dikwijls zien in de vrouw van middelbaren leeftijd, die moeder wordt als haar jeugd en geestelijke buigzaamheid voorbij zijn, en haar gewoonten en smaak zich in andere banen hebben vastgelegd; het is soms een groote zegen geweest, zelfs voor de allergrootste mannen, als Goethe, dat ze een jonge moeder gehad hebben. Het zou in veel gevallen ook een voordeel zijn voor de vrouw zelf, als zij haar hoofdtaak als moeder op haar vijf en twintigste jaar tot een einde had gebracht, zoodat ze dan, niet gehinderd door het krijgen van kinderen en van rijpere ondervinding, vrij zou kunnen zijn om zich te wijden aan de ruime werkzaamheden in de buitenwereld, waarvoor zij misschien geschikt is.Zulk een inrichting van de aangelegenheid der voortplanting van vrouwen zou, klaarblijkelijk alleen maar een variatie zijn op het nu bestaande, en zou waarschijnlijk ongeschikt zijn voor de meerderheid. Ieder geval moet afzonderlijk beoordeeld worden. De beste leeftijd voor de voortplanting zal waarschijnlijk steeds, voor de meeste vrouwen tenminste, gerekend worden omstreeks de twintig. Maar in een tijd als de tegenwoordige, waarin er een ongelukkige neiging is om het moederschap uit te stellen, wordt het noodig de voordeelen van vroeg moederschap, in vele gevallen, te doen uitkomen.Er zijn andere voorwaarden, die gunstig of ongunstig zijn voor de voortplanting, waarvan het nu onnoodig is ze in bijzonderheden te bespreken, daar ze reeds op overeenkomstige plaatsen in mijne andere werken behandeld zijn. Daar is, bijvoorbeeld, de vraag, welke tijd van het jaar en van den menstrueelen cyclus de meest geschikte is om gekozen te worden voor de voortplanting.De beste tijd is waarschijnlijk die, waarop de sexueele begeerte het sterkst is, dat is de tijd waarop de conceptie natuurlijk het meest zal voorkomen. Dit zegt men dat in de lente is, of in den vroegen zomer46, en onmiddellijk na (of kort voor) de periode van de menstruatie. De Chineezen hebben opgemerkt, dat de laatste dagen van de menstruatie en de twee volgende dagen—die overeenkomen met den “oestrus” de gunstigste tijd zijn voor de bevruchting, en Bossi, uit Genua, heeft gevonden, dat de groote meerderheid der succesvolle gevallen, zoowel van natuurlijke als van kunstmatige bevruchting, in dien tijd plaats vinden47. Soranus zoowel als de Talmud hebben den tijd omstreeks de menstruatie aangeduid als de beste voor de bevruchting, en Susruta, de Indische medicus, zeide, dat, in dezen tijd, zwangerschap het gemakkelijkste intreedt, omdat dan de mond van de schoot van de vrouw open is als de bloem van de waterlelie in den zonneschijn.We hebben nu het punt weder bereikt, waar we van zijn uitgegaan, het oogenblik van de conceptie, en weer ligt het kind in den schoot van de moeder. Er blijft niets meer te zeggen over. De goddelijke kringloop van het leven is volbracht.

Wat de positieve eigenschappen aangaat, waar de Staat recht heeft bij het aanmoedigen van het moederschap een premie op te stellen, is het nog te vroeg om met volkomen zekerheid daarover te spreken. De negatieve eugeniek is de positieve eugeniek vooruit; het is gemakkelijker verkeerde stammen te ontdekken dan om volkomen zeker te zijn van goede. Zoowel van wetenschappelijke als van maatschappelijke zijde beginnen wij echter duidelijker in te zien welk doel we willen bereiken en meer precies te weten met welke middelen we dat doel moeten bereiken41.Zelfs wanneer we een tamelijk duidelijk inzicht gekregen hebben welke stammen en individuen wij met recht mogen aanmoedigen om de taak te ondernemen geschikte burgers voor den Staat voort te brengen, zijn de problemen der voortplanting daarmede nog geenszins ten einde. Voordat we er ook maar onderzoek naar kunnen doen wat de voorwaarden zijn, waaronder uitgekozen individuen zich het best zullen voortplanten, is daar nog de allereerste vraag, die beslist moet worden: of die individuen vruchtbaar en potent zijn, want dit wordt niet gewaarborgd door het feit dat ze van goede stammen komen, en zelfs is het feit, dat een man en een vrouw met andere personen vruchtbaar zijn in het geheel geen positieve proef, dat ze met elkaar vruchtbaar zullen zijn. Onder de groote massa’s van de bevolking, die niet trachten hun vereenigingen te wettigen voordat die vereenigingen vruchtbaar gebleken zijn, wordt deze moeilijkheid op eenvoudige en praktische wijze opgelost. De kwestie is echter bij den tegenwoordigen staat der huwelijkswet in de meeste landen ernstig en vol risico voor die klassen, die gewoon zijn zich in het wettig huwelijk te binden zonder dat ze iets weten van hun potentie en hun vruchtbaarheid met elkaar. De zaak wordt meestal aan het toeval overgelaten, en daar het wettig huwelijk gewoonlijk niet ontbonden kan worden, op grond dat er geen nakomelingen zijn, zelfs al wordt de voortplanting gewoonlijk verklaard tot het voornaamste doel van het huwelijk te behooren, wordt de kwestie zeer ernstig. Steriliteit komt voor bij 7 % tot 15 % van alle huwelijken, en in zeer vele daarvan is ze een bron van groot verdriet. Dit zou, in zekere mate, vermeden kunnen worden door een onderzoek voor het huwelijk, en bijna geheel, door te bepalen dat, daar een huwelijk alleen door de nakomelingen belang heeft voor den Staat, een wettig huwelijk na een bepaalden tijd ontbonden zou kunnen worden bij afwezigheid van nakomelingen.Vroeger meende men dat, als een vereeniging onvruchtbaar bleek, dit de schuld was van de vrouw. Die meening is men lang te boven, maar, ook nu nog, interesseert een man zich gewoonlijk veel meer voor zijn potentie, dat is, zijn geschiktheid om de mechanische daad van dencoïtusuit te voeren, dan voor zijn vruchtbaarheid, dat is zijn geschiktheid om levende spermatozoën voort te brengen; terwijl toch deze laatste omstandigheid een veel meer vóórkomende bron is van steriliteit. “Van iederen man”, zegt Arthur Cooper (British Medical Journal, 11 Mei 1907), “die een sexueel gebrek of een sexueele misvorming heeft, of die geleden heeft aan een kwaal of een beleediging van de genito-urinale organen, zelfs als die betrekkelijk gering of eenzijdig is, en terwijl zijn macht tot paren ongeschonden kan gebleven zijn, moet men veronderstellen dat hij misschien steriel is, totdat er eenig bewijsvan het tegendeel verkregen is”. In geval van een steriel huwelijk moest de mogelijke oorzaak eerst nagespoord worden bij den man, want het is betrekkelijk gemakkelijk het zaad te onderzoeken en zich te vergewissen of het actieve spermatozoën bevat. Prinsen zegt in een veel omvattende studie over steriele huwelijken (“Die Sterilen Ehen”,Zeitschrift für Sozialwissenschaft, 1904, afl. 1 en 2), dat in twee vijfden van de steriele huwelijken de fout bij den man ligt; een derde van zulke huwelijken is het resultaat van venerische ziekten bij den echtgenoot zelf, of overgebracht op de vrouw. Gonorrhoe wordt tegenwoordig niet beschouwd als een zoo belangrijke oorzaak van steriliteit als eenige jaren geleden; Schenk beschouwt ze als verantwoordelijk ervoor maar ongeveer dertien percent van de steriele huwelijken (vergelijk Kisch,The Sexual Life of Woman). Pinkus (Archiv für Gynäkologie, 1907) vond dat, van de bijna honderd gevallen, waarin hij de beide deelgenooten onderzocht, in 24.4 percent de steriliteit direct berustte bij den man, en in 15.8 percent indirect, omdat ze veroorzaakt was door gonorrhoe, waarmee hij zijn vrouw geïnfecteerd had.Als steriliteit het gevolg is van een gebrek in de spermatozoën van den man, en als ze niet vóor het huwelijk ontdekt is, wat gewoonlijk wel gekund had, dan is nu en dan de vraag gerezen de vrouw door andere middelen te bevruchten. Echtscheiding op grond van steriliteit is niet mogelijk, en zelfs als dat was, heeft het paar, hoewel het een kind wil hebben, dikwijls niet den minsten wensch om te scheiden. Onder deze omstandigheden is nu en dan de poging gedaan om het gewenschte doel te bereiken, zonder af te wijken van in ruimen kring aangenomen regels der moraal, om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen door injectie met het zaad van een gezond man. Er zijn door verschillende bekende mannen, van John Hunter tot Schwalbe, pogingen gedaan om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen, maar het is bijna altijd zeer moeilijk te doen, en dikwijls geheel onmogelijk. Dit laat zich gemakkelijk verklaren, als wij ons in het geheugen roepen, waar al op gewezen is (zie boven p. 524) dat de erotische opwinding bij de vrouw tot het verzekeren van de conceptie van grooten invloed is; het is klaarblijkelijk een moeilijke taak, zelfs voor de meest gevoelige vrouw om erotisch enthusiasme te voelen voor een medischen spuit. Schwalbe vermeldt bijvoorbeeld een geval (Deutsche Medizinische Wochenschrift, Aug. 1908, p. 510) waarin—ten gevolge van de steriliteit van den man en den wensch van de vrouw om, met goedvinden van den man, met het zaad van een anderen man bevrucht te worden,—hij herhaalde zorgvuldige pogingen deed om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen; deze pogingen hadden echter geen resultaat, en de drie betrokken partijen legden zich ten slotte neer bij de gewone wijze van omgang, die succes had. In een ander geval, door Schwalbe vermeld, waarin de man impotent was, maar niet steriel, werden zes pogingen gedaan om kunstmatige bevruchting te bewerken, en werd van verdere pogingen afgezien, omdat allen, die er bij betrokken waren, er van walgden.De algemeene opinie is, over het geheel, niet geweest vóor het gebruik van kunstmatige bevruchting, zelfs afgezien van de mogelijkheid van succes. Zoo heeft in Frankrijk, waar een uitgebreide literatuur over het onderwerp bestaat, de Parijsche Medische Faculteit in 1885, na eenige aarzeling, geweigerd de stelling van Gérard aan te nemen over de geschiedenis van de kunstmatige bevruchting, die later afzonderlijk uitgegeven is. In 1883 heeft het gerechtshof te Bordeaux verklaard, dat kunstmatige bevruchting onwettig was en een maatschappelijk gevaar. In 1897 verklaarde ook de Heilige Stoel dat het gebruik onwettig was (“Artificial Fecundation before the Inquisition”,British Medical Journal, 5 Maart 1898). Geheel onafhankelijk van deze houding van de geneeskunde, de wet en de Kerk, schijnt het voorzeker, dat zij, die een nageslacht wenschen, als regel goed zullen doen den natuurlijken weg te volgen, die ook de beste is, of anders aan anderen de taak der voortplanting over te laten, waar ze niet voldoende voor zijn toegerust.Als wij er ons van overtuigd hebben, dat twee individuen beide tot gezonde stammen behooren, en verder, dat ze beide geschikt zijn voor de voortplanting, dan blijft er nog over te overwegen, onder welke omstandigheden zij het best verwekking kunnen tot stand brengen42. Dan rijst bijvoorbeeld de vraag, die zoo dikwijls gedaan wordt, wat is de beste leeftijd voor de voortplanting?De overwegingen, die bij het beantwoorden van deze kwestie van gewicht zijn, zijn van twee verschillende soorten, physiologisch en sociaal of moreel. Dat is te zeggen, dat aan den eenen kant physieke rijpheid volkomen moet bereikt zijn, en dat de sexueele cellen volkomen moeten ontwikkeld zijn; terwijl aan den anderen kant de man in staat moet zijn om een gezin te onderhouden, en dat beide deelgenooten een oefening in het leven zullen hebben ontvangen, die hen in staat stelt op gepaste wijze de verantwoordelijkheden en zorgen op zich te nemen, die samengaan met het opvoeden van kinderen. Terwijl er op verschillende tijden verschillende meeningen zijn geuit, schijnt de algemeene opinie aangaande den besten tijd der voortplanting in Europa in de laatste eeuwen nauwelijks veel gewisseld te hebben. Hesiodus zeide al, dat een vrouw moest trouwen op haar vijftiende jaar en een man op zijn dertigste43, maar obstetrici zijn gewoonlijk tot het besluit gekomen, dat zoowel in het belang van de ouders als van de kinderen het leven der voortplanting niet moet beginnen bij vrouwen, voordat ze twintig zijn en bij mannen voordat ze vijf en twintig zijn44. Na de dertig bij vrouwen en na de vijf en dertig of veertig bij mannen schijnen de beste voorwaarden tot de voortbrenging te verminderen45. Tegenwoordig is er in Engeland en inverschillende andere beschaafde landen een neiging geweest om den leeftijd voor het huwelijk te verhoogen tot een steeds grooter aantal jaren, gemiddeld een paar jaar later dan de leeftijd, die gewoonlijk aangenomen wordt als de gunstigste leeftijd voor het begin van het voortplantingsleven. Maar over het geheel wijkt het gemiddelde zelden ver af van den aangenomen standaard en er schijnt geen reden te zijn, waarom we deze neiging zouden wijzigen.Toch volgt hier in het geheel niet uit, dat groote verschillen niet onder speciale omstandigheden, niet alleen vergefelijk, maar zelfs wenschelijk zijn. De man is in sommige gevallen in staat tot de voortplanting van ongeveer dertien jaar tot ver over de negentig, en op dezen hoogen leeftijd kan het nageslacht, zelfs als het niet opmerkelijk is door groote physieke kracht, hooge intellectueele kwaliteiten bezitten. (Zie bv. Havelock Ellis,A Study of British Genius, blz. 120et seq.). Geschiktheid tot voortbrengen van de vrouw begint al vroeger (soms op haar achtste jaar), hoewel ze gewoonlijk ophoudt met de vijftig of vroeger, en dat ze slechts in enkele gevallen voortduurt tot zestig of daarboven. Er worden gevallen vermeld van kinderen, die geboren zijn, terwijl de moeder negen en vijftig jaar was (bv.Lancet, 5 Aug. 1905, p. 419). Lepage (Comptes-rendus Sociêté d’Obstétrique de Paris, Oct. 1903) vermeldt een geval van een eerstgeborene, waarvan de moeder zeven en vijftig jaar was; het kind werd dood geboren. Kisch (Sexual Life of Woman, deel II) verwijst naar de gevallen van zwangerschap bij oudere vrouwen, en er wordt van verschillende gevallen melding gemaakt in hetBritish Medical Journal, 8 Aug. 1903, p. 325.Van meer belang is de kwestie van vroege zwangerschap. Verschillende onderzoekers hebben hun aandacht aan deze kwestie gewijd. Zoo heeft Spitta (in een Marburger inaugureele dissertatie, 1895) een overzicht gegeven van de klinische geschiedenis van 260 weeën bij primiparae van 18 jaar en daaronder, zooals hij ze waargenomen had in de Marburger kraaminrichting. Hij bevond, dat de gezondheid in het algemeen tijdens de zwangerschap niet slechter was dan die van andere zwangere vrouwen, terwijl de sterfte onder de kinderen bij de geboorte en in de volgende weken niet hoog was, en de sterfte onder de moeders volstrekt niet hoog was. Picard (in een Parijsche thesis, 1903) heeft de bevalling bestudeerd bij acht en dertig moeders onder den leeftijd van zeventien jaar. Hij vond, dat, hoewel het pelvis zeker nog niet geheel ontwikkeld is bij zeer jonge meisjes, de gewrichten en beenderen echter veel elastischer zijn dan bij volwassenen, zoodat de bevalling, wel verre van moeilijker te zijn, gewoonlijk vlug en gemakkelijk is. De weeën verloopen over het algemeen normaal in deze gevallen, en, zelfs als er onregelmatigheden voorkomen (lage plaatsing van de placenta is een gewone onregelmatigheid) is het opmerkelijk, dat de patienten er niet onder lijden, zooals oudere vrouwen. Het gemiddelde gewicht van het kind was ongeveer 6 pond; soms was speciale verzorging noodig in de eerste dagen na de geboorte, misschien omdat de weeën in deze gevallen altijd wat langzaam verloopen. Het herstel van de moeder verliep, in ieder geval, volkomen normaal, en het feit, dat deze jonge moeders weer spoediger zwanger worden dan primiparae van rijper leeftijd, draagt er verder toe bij, om aan te toonen, dat bevallingen vóór den leeftijd van zestien jaar op geenerlei wijze nadeelig zijn voor de moeder. Gache (Annales de Gynécologie etd’Obstrétique, Dec, 1904) heeft een en negentig bevallingen waargenomen van moeders onder de zeventienjaar, in hetRawsonHospitaal in Buenos Ayres; zij waren van zoogenaamd Latijnsch ras, meest Spaansch of Italiaansch. Gache vond, dat deze moeders in het geheel niet meer blootgesteld waren aan miskraam of andere complicaties van de zwangerschap dan andere. Behalve in vier gevallen van tamelijk nauw bekken, was de verlossing normaal, hoewel ze wat langer duurde dan bij oudere primiparae. Schade aan de weeke deelen werd echter zelden toegebracht, en, als ze voorkwam, was ze spoedig weer genezen. Het gemiddelde gewicht van het kind was 3,039 gram, of ruim 6 pond. Het verdient opmerking, dat de meeste waarnemers gewoonlijk vinden, dat zeer vroege zwangerschappen voorkomen bij vrouwen, die op ongewoon jeugdigen leeftijd beginnen te menstrueeren, b.v., een paar jaar voordat de vroege zwangerschap optreedt.Het is echter duidelijk, dat bij jonge moeders alles bijzonder goed verloopt, terwijl er niet de minste twijfel aan bestaat, dat zij buitengewoon flinke kinderen ter wereld brengen. Kleinwächter vond zelfs, dat, hoe jonger de moeder is, des te grooter het kind. Niet alleen physiek zijn de kinderen van jonge moeders beter. Marro heeft opgemerkt (Pubertà, p. 257), dat de kinderen van moeders onder de 21 jaar beter zijn, dan die van oudere moeders, zoowel in gedrag als in verstand, mits de vaders niet te oud zijn of te jong. Gedetailleerde bijzonderheden over afzonderlijke gevallen bevestigen deze feiten, zoowel voor de moeder als voor het kind. Zoo vermeldt Milner (Lancet, Juni 7, 1902) een geval van zwangerschap bij een meisje van veertien jaar; de weeën waren niet hevig en de verlossing was gemakkelijk. E. B. Wales, uit New Jersey, heeft de geschiedenis vermeld (weergegeven in deMedical Reprints, Sept. 15, 1890) van een negerin, die op elfjarigen leeftijd zwanger werd. Zij was middelmatig groot, eer lang en teer, maar goed ontwikkeld en ze begon te menstrueeren op den leeftijd van tien jaar. Zij was goed gezond en opgewekt tijdens de zwangerschap, en tot werken in staat. De bevalling was gemakkelijk en natuurlijk, duurde niet bijzonder lang en was blijkbaar niet bijzonder pijnlijk, want er was geen gekreun of opwinding. Het kind was een mooie, gezonde jongen, die niet minder woog dan elf pond. Moeder en kind maakten het beiden goed, en er was rijkelijk melkafscheiding. Whiteside Robertson (British Medical Journal, Jan. 18, 1902) heeft een geval vermeld van zwangerschap op den leeftijd van dertien jaar, bij een meisje uit de Kaapkolonie, dat uit een ander gezichtspunt opmerkelijk is. Zij scheen tijdens de zwangerschap anaemisch te zijn, slecht ontwikkeld, met slecht ontwikkeld bekken. Toch had een normale bevalling plaats, op den juisten tijd, zonder moeite of beschadigingen, en het kraambed verliep in ieder opzicht goed. Het kind was goed gevormd en woog 7½ pond. “Ik heb zelden een primipara gemakkelijker weeën zien hebben”, besloot Robertson, “en ik heb er nooit een gezien, die de verwerkelijking van het moederschap met meer bevrediging tegemoet zag”.De feiten, die bijeen gebracht zijn door obstetrici aangaande de goede resultaten van vroege zwangerschap, voor moeder zoowel als voor kind, zijn nog niet met die aandacht beschouwd geworden, die ze verdienen. Zij worden echter bevestigd door vele algemeene neigingen, die tegenwoordig erkend worden. Het veel beteekenend feit is, bij voorbeeld, bekend, dat bij moeders boven de dertig het aantal miskramen en ontijdige geboorten tweemaal zoo groot is als bij moeders tusschen den leeftijd van vijftien en twintig, die in dit opzicht weer hooger staan dan de moeders van den leeftijd tusschen de twintig en de dertig (StatistischesJahrbuch, Budapest, 1905). Verder heeft Matthews Duncan aangetoond, in zijn lezing te Goulstone, dat de kansen op steriliteit bij een vrouw toenemen met den leeftijd. Er is verder aangetoond door Kisch(Sexual Life of Woman, PartII), dat, hoe ouder een vrouw bij het huwelijk is, des te grooter het gemiddelde tijdsverloop is voor de eerste bevalling, een neiging, die er op schijnt te wijzen, dat de zeer jonge vrouwen in de beste conditie zijn voor de voortplanting; Kisch is niet geneigd te denken, dat dit betrekking heeft op vrouwen onder de twintig, maar het feit, dat door andere accoucheurs opgemerkt is, dat moeders onder de achttien neiginghebben na een buitengewoon kort tijdsverloop weer zwanger te worden, neutraliseert de door Kisch gemaakte uitzondering. We kunnen er ook op wijzen, dat, bij kinderen van zeer jonge moeders, de seksen meer gelijk zijn in aantal dan het geval is met oudere moeders. Dit zou er op schijnen te wijzen, dat we hier staan tegenover een normaal evenwicht, dat afneemt, naarmate de leeftijd van de moeder meer verandert in abnormale richting.Het gemak van de geboorte op een vroegen leeftijd, kunnen we opmerken, komt overeen met een gelijk gemak bij den sexueelen omgang, een feit, dat dikwijls over het hoofd is gezien. In Rusland, waar het huwelijk nog vroeg plaats vindt, had het vroeger al plaats, als de vrouw eerst twaalf of dertien jaar oud was, en Guttceit (Dreissig Jahre Praxis, deel I, p. 324) zegt, dat vrouwen, die op dezen leeftijd trouwden, hem verzekerd hadden, dat de eerstecoïtusgeen speciale moeilijkheden meebracht.Er is ongetwijfeld tegenwoordig een groote mate van vooroordeel jegens het vroege moederschap. Voor een deel ligt dit er aan, dat men niet heeft kunnen inzien, dat vrouwen sexueel veel vroeger rijp zijn dan mannen, physiek zoowel al psychisch (zie boven p. 35). Er is een verschil van ongeveer vijf jaar. Dit verschil is al erkend geworden duizenden van jaren geleden, in het oude geloof, dat de leeftijd van de keuze tot de voortplanting ongeveer twintig of minder is voor vrouwen, maar omstreeks vijf en twintig voor mannen; en men heeft onlangs ontdekt dat, terwijl de man nooit bekwaam is tot verwekken vóor zijn dertiende jaar, de vrouw in sommige gevallen op haar achtste jaar al zwanger kan worden. (Eenige van de voorbeelden, die vermeld zijn, zijn aangehaald door Kisch). Gedeeltelijk is er ook bezwaar tegen het op zich nemen van een zoo zware verantwoordelijkheid als die van het moederschap door een jong meisje, en er bestaat een zeer redelijk gevoel, dat de verplichtingen van een duurzamen huwelijksband niet op een jeugdigen leeftijd moeten op zich genomen worden. Aan den anderen kant is het, afgezien van de physieke voordeelen, zoowel wat de moeder aangaat als het kind, in zake vroege zwangerschappen, een voordeel voor het kind een jonge moeder te hebben, die zich met sympathie en zonder terughouding aan zijn belangen kan wijden, in plaats van het droevige schouwspel te leveren, dat we zoo dikwijls zien in de vrouw van middelbaren leeftijd, die moeder wordt als haar jeugd en geestelijke buigzaamheid voorbij zijn, en haar gewoonten en smaak zich in andere banen hebben vastgelegd; het is soms een groote zegen geweest, zelfs voor de allergrootste mannen, als Goethe, dat ze een jonge moeder gehad hebben. Het zou in veel gevallen ook een voordeel zijn voor de vrouw zelf, als zij haar hoofdtaak als moeder op haar vijf en twintigste jaar tot een einde had gebracht, zoodat ze dan, niet gehinderd door het krijgen van kinderen en van rijpere ondervinding, vrij zou kunnen zijn om zich te wijden aan de ruime werkzaamheden in de buitenwereld, waarvoor zij misschien geschikt is.Zulk een inrichting van de aangelegenheid der voortplanting van vrouwen zou, klaarblijkelijk alleen maar een variatie zijn op het nu bestaande, en zou waarschijnlijk ongeschikt zijn voor de meerderheid. Ieder geval moet afzonderlijk beoordeeld worden. De beste leeftijd voor de voortplanting zal waarschijnlijk steeds, voor de meeste vrouwen tenminste, gerekend worden omstreeks de twintig. Maar in een tijd als de tegenwoordige, waarin er een ongelukkige neiging is om het moederschap uit te stellen, wordt het noodig de voordeelen van vroeg moederschap, in vele gevallen, te doen uitkomen.Er zijn andere voorwaarden, die gunstig of ongunstig zijn voor de voortplanting, waarvan het nu onnoodig is ze in bijzonderheden te bespreken, daar ze reeds op overeenkomstige plaatsen in mijne andere werken behandeld zijn. Daar is, bijvoorbeeld, de vraag, welke tijd van het jaar en van den menstrueelen cyclus de meest geschikte is om gekozen te worden voor de voortplanting.De beste tijd is waarschijnlijk die, waarop de sexueele begeerte het sterkst is, dat is de tijd waarop de conceptie natuurlijk het meest zal voorkomen. Dit zegt men dat in de lente is, of in den vroegen zomer46, en onmiddellijk na (of kort voor) de periode van de menstruatie. De Chineezen hebben opgemerkt, dat de laatste dagen van de menstruatie en de twee volgende dagen—die overeenkomen met den “oestrus” de gunstigste tijd zijn voor de bevruchting, en Bossi, uit Genua, heeft gevonden, dat de groote meerderheid der succesvolle gevallen, zoowel van natuurlijke als van kunstmatige bevruchting, in dien tijd plaats vinden47. Soranus zoowel als de Talmud hebben den tijd omstreeks de menstruatie aangeduid als de beste voor de bevruchting, en Susruta, de Indische medicus, zeide, dat, in dezen tijd, zwangerschap het gemakkelijkste intreedt, omdat dan de mond van de schoot van de vrouw open is als de bloem van de waterlelie in den zonneschijn.We hebben nu het punt weder bereikt, waar we van zijn uitgegaan, het oogenblik van de conceptie, en weer ligt het kind in den schoot van de moeder. Er blijft niets meer te zeggen over. De goddelijke kringloop van het leven is volbracht.

Wat de positieve eigenschappen aangaat, waar de Staat recht heeft bij het aanmoedigen van het moederschap een premie op te stellen, is het nog te vroeg om met volkomen zekerheid daarover te spreken. De negatieve eugeniek is de positieve eugeniek vooruit; het is gemakkelijker verkeerde stammen te ontdekken dan om volkomen zeker te zijn van goede. Zoowel van wetenschappelijke als van maatschappelijke zijde beginnen wij echter duidelijker in te zien welk doel we willen bereiken en meer precies te weten met welke middelen we dat doel moeten bereiken41.Zelfs wanneer we een tamelijk duidelijk inzicht gekregen hebben welke stammen en individuen wij met recht mogen aanmoedigen om de taak te ondernemen geschikte burgers voor den Staat voort te brengen, zijn de problemen der voortplanting daarmede nog geenszins ten einde. Voordat we er ook maar onderzoek naar kunnen doen wat de voorwaarden zijn, waaronder uitgekozen individuen zich het best zullen voortplanten, is daar nog de allereerste vraag, die beslist moet worden: of die individuen vruchtbaar en potent zijn, want dit wordt niet gewaarborgd door het feit dat ze van goede stammen komen, en zelfs is het feit, dat een man en een vrouw met andere personen vruchtbaar zijn in het geheel geen positieve proef, dat ze met elkaar vruchtbaar zullen zijn. Onder de groote massa’s van de bevolking, die niet trachten hun vereenigingen te wettigen voordat die vereenigingen vruchtbaar gebleken zijn, wordt deze moeilijkheid op eenvoudige en praktische wijze opgelost. De kwestie is echter bij den tegenwoordigen staat der huwelijkswet in de meeste landen ernstig en vol risico voor die klassen, die gewoon zijn zich in het wettig huwelijk te binden zonder dat ze iets weten van hun potentie en hun vruchtbaarheid met elkaar. De zaak wordt meestal aan het toeval overgelaten, en daar het wettig huwelijk gewoonlijk niet ontbonden kan worden, op grond dat er geen nakomelingen zijn, zelfs al wordt de voortplanting gewoonlijk verklaard tot het voornaamste doel van het huwelijk te behooren, wordt de kwestie zeer ernstig. Steriliteit komt voor bij 7 % tot 15 % van alle huwelijken, en in zeer vele daarvan is ze een bron van groot verdriet. Dit zou, in zekere mate, vermeden kunnen worden door een onderzoek voor het huwelijk, en bijna geheel, door te bepalen dat, daar een huwelijk alleen door de nakomelingen belang heeft voor den Staat, een wettig huwelijk na een bepaalden tijd ontbonden zou kunnen worden bij afwezigheid van nakomelingen.Vroeger meende men dat, als een vereeniging onvruchtbaar bleek, dit de schuld was van de vrouw. Die meening is men lang te boven, maar, ook nu nog, interesseert een man zich gewoonlijk veel meer voor zijn potentie, dat is, zijn geschiktheid om de mechanische daad van dencoïtusuit te voeren, dan voor zijn vruchtbaarheid, dat is zijn geschiktheid om levende spermatozoën voort te brengen; terwijl toch deze laatste omstandigheid een veel meer vóórkomende bron is van steriliteit. “Van iederen man”, zegt Arthur Cooper (British Medical Journal, 11 Mei 1907), “die een sexueel gebrek of een sexueele misvorming heeft, of die geleden heeft aan een kwaal of een beleediging van de genito-urinale organen, zelfs als die betrekkelijk gering of eenzijdig is, en terwijl zijn macht tot paren ongeschonden kan gebleven zijn, moet men veronderstellen dat hij misschien steriel is, totdat er eenig bewijsvan het tegendeel verkregen is”. In geval van een steriel huwelijk moest de mogelijke oorzaak eerst nagespoord worden bij den man, want het is betrekkelijk gemakkelijk het zaad te onderzoeken en zich te vergewissen of het actieve spermatozoën bevat. Prinsen zegt in een veel omvattende studie over steriele huwelijken (“Die Sterilen Ehen”,Zeitschrift für Sozialwissenschaft, 1904, afl. 1 en 2), dat in twee vijfden van de steriele huwelijken de fout bij den man ligt; een derde van zulke huwelijken is het resultaat van venerische ziekten bij den echtgenoot zelf, of overgebracht op de vrouw. Gonorrhoe wordt tegenwoordig niet beschouwd als een zoo belangrijke oorzaak van steriliteit als eenige jaren geleden; Schenk beschouwt ze als verantwoordelijk ervoor maar ongeveer dertien percent van de steriele huwelijken (vergelijk Kisch,The Sexual Life of Woman). Pinkus (Archiv für Gynäkologie, 1907) vond dat, van de bijna honderd gevallen, waarin hij de beide deelgenooten onderzocht, in 24.4 percent de steriliteit direct berustte bij den man, en in 15.8 percent indirect, omdat ze veroorzaakt was door gonorrhoe, waarmee hij zijn vrouw geïnfecteerd had.Als steriliteit het gevolg is van een gebrek in de spermatozoën van den man, en als ze niet vóor het huwelijk ontdekt is, wat gewoonlijk wel gekund had, dan is nu en dan de vraag gerezen de vrouw door andere middelen te bevruchten. Echtscheiding op grond van steriliteit is niet mogelijk, en zelfs als dat was, heeft het paar, hoewel het een kind wil hebben, dikwijls niet den minsten wensch om te scheiden. Onder deze omstandigheden is nu en dan de poging gedaan om het gewenschte doel te bereiken, zonder af te wijken van in ruimen kring aangenomen regels der moraal, om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen door injectie met het zaad van een gezond man. Er zijn door verschillende bekende mannen, van John Hunter tot Schwalbe, pogingen gedaan om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen, maar het is bijna altijd zeer moeilijk te doen, en dikwijls geheel onmogelijk. Dit laat zich gemakkelijk verklaren, als wij ons in het geheugen roepen, waar al op gewezen is (zie boven p. 524) dat de erotische opwinding bij de vrouw tot het verzekeren van de conceptie van grooten invloed is; het is klaarblijkelijk een moeilijke taak, zelfs voor de meest gevoelige vrouw om erotisch enthusiasme te voelen voor een medischen spuit. Schwalbe vermeldt bijvoorbeeld een geval (Deutsche Medizinische Wochenschrift, Aug. 1908, p. 510) waarin—ten gevolge van de steriliteit van den man en den wensch van de vrouw om, met goedvinden van den man, met het zaad van een anderen man bevrucht te worden,—hij herhaalde zorgvuldige pogingen deed om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen; deze pogingen hadden echter geen resultaat, en de drie betrokken partijen legden zich ten slotte neer bij de gewone wijze van omgang, die succes had. In een ander geval, door Schwalbe vermeld, waarin de man impotent was, maar niet steriel, werden zes pogingen gedaan om kunstmatige bevruchting te bewerken, en werd van verdere pogingen afgezien, omdat allen, die er bij betrokken waren, er van walgden.De algemeene opinie is, over het geheel, niet geweest vóor het gebruik van kunstmatige bevruchting, zelfs afgezien van de mogelijkheid van succes. Zoo heeft in Frankrijk, waar een uitgebreide literatuur over het onderwerp bestaat, de Parijsche Medische Faculteit in 1885, na eenige aarzeling, geweigerd de stelling van Gérard aan te nemen over de geschiedenis van de kunstmatige bevruchting, die later afzonderlijk uitgegeven is. In 1883 heeft het gerechtshof te Bordeaux verklaard, dat kunstmatige bevruchting onwettig was en een maatschappelijk gevaar. In 1897 verklaarde ook de Heilige Stoel dat het gebruik onwettig was (“Artificial Fecundation before the Inquisition”,British Medical Journal, 5 Maart 1898). Geheel onafhankelijk van deze houding van de geneeskunde, de wet en de Kerk, schijnt het voorzeker, dat zij, die een nageslacht wenschen, als regel goed zullen doen den natuurlijken weg te volgen, die ook de beste is, of anders aan anderen de taak der voortplanting over te laten, waar ze niet voldoende voor zijn toegerust.Als wij er ons van overtuigd hebben, dat twee individuen beide tot gezonde stammen behooren, en verder, dat ze beide geschikt zijn voor de voortplanting, dan blijft er nog over te overwegen, onder welke omstandigheden zij het best verwekking kunnen tot stand brengen42. Dan rijst bijvoorbeeld de vraag, die zoo dikwijls gedaan wordt, wat is de beste leeftijd voor de voortplanting?De overwegingen, die bij het beantwoorden van deze kwestie van gewicht zijn, zijn van twee verschillende soorten, physiologisch en sociaal of moreel. Dat is te zeggen, dat aan den eenen kant physieke rijpheid volkomen moet bereikt zijn, en dat de sexueele cellen volkomen moeten ontwikkeld zijn; terwijl aan den anderen kant de man in staat moet zijn om een gezin te onderhouden, en dat beide deelgenooten een oefening in het leven zullen hebben ontvangen, die hen in staat stelt op gepaste wijze de verantwoordelijkheden en zorgen op zich te nemen, die samengaan met het opvoeden van kinderen. Terwijl er op verschillende tijden verschillende meeningen zijn geuit, schijnt de algemeene opinie aangaande den besten tijd der voortplanting in Europa in de laatste eeuwen nauwelijks veel gewisseld te hebben. Hesiodus zeide al, dat een vrouw moest trouwen op haar vijftiende jaar en een man op zijn dertigste43, maar obstetrici zijn gewoonlijk tot het besluit gekomen, dat zoowel in het belang van de ouders als van de kinderen het leven der voortplanting niet moet beginnen bij vrouwen, voordat ze twintig zijn en bij mannen voordat ze vijf en twintig zijn44. Na de dertig bij vrouwen en na de vijf en dertig of veertig bij mannen schijnen de beste voorwaarden tot de voortbrenging te verminderen45. Tegenwoordig is er in Engeland en inverschillende andere beschaafde landen een neiging geweest om den leeftijd voor het huwelijk te verhoogen tot een steeds grooter aantal jaren, gemiddeld een paar jaar later dan de leeftijd, die gewoonlijk aangenomen wordt als de gunstigste leeftijd voor het begin van het voortplantingsleven. Maar over het geheel wijkt het gemiddelde zelden ver af van den aangenomen standaard en er schijnt geen reden te zijn, waarom we deze neiging zouden wijzigen.Toch volgt hier in het geheel niet uit, dat groote verschillen niet onder speciale omstandigheden, niet alleen vergefelijk, maar zelfs wenschelijk zijn. De man is in sommige gevallen in staat tot de voortplanting van ongeveer dertien jaar tot ver over de negentig, en op dezen hoogen leeftijd kan het nageslacht, zelfs als het niet opmerkelijk is door groote physieke kracht, hooge intellectueele kwaliteiten bezitten. (Zie bv. Havelock Ellis,A Study of British Genius, blz. 120et seq.). Geschiktheid tot voortbrengen van de vrouw begint al vroeger (soms op haar achtste jaar), hoewel ze gewoonlijk ophoudt met de vijftig of vroeger, en dat ze slechts in enkele gevallen voortduurt tot zestig of daarboven. Er worden gevallen vermeld van kinderen, die geboren zijn, terwijl de moeder negen en vijftig jaar was (bv.Lancet, 5 Aug. 1905, p. 419). Lepage (Comptes-rendus Sociêté d’Obstétrique de Paris, Oct. 1903) vermeldt een geval van een eerstgeborene, waarvan de moeder zeven en vijftig jaar was; het kind werd dood geboren. Kisch (Sexual Life of Woman, deel II) verwijst naar de gevallen van zwangerschap bij oudere vrouwen, en er wordt van verschillende gevallen melding gemaakt in hetBritish Medical Journal, 8 Aug. 1903, p. 325.Van meer belang is de kwestie van vroege zwangerschap. Verschillende onderzoekers hebben hun aandacht aan deze kwestie gewijd. Zoo heeft Spitta (in een Marburger inaugureele dissertatie, 1895) een overzicht gegeven van de klinische geschiedenis van 260 weeën bij primiparae van 18 jaar en daaronder, zooals hij ze waargenomen had in de Marburger kraaminrichting. Hij bevond, dat de gezondheid in het algemeen tijdens de zwangerschap niet slechter was dan die van andere zwangere vrouwen, terwijl de sterfte onder de kinderen bij de geboorte en in de volgende weken niet hoog was, en de sterfte onder de moeders volstrekt niet hoog was. Picard (in een Parijsche thesis, 1903) heeft de bevalling bestudeerd bij acht en dertig moeders onder den leeftijd van zeventien jaar. Hij vond, dat, hoewel het pelvis zeker nog niet geheel ontwikkeld is bij zeer jonge meisjes, de gewrichten en beenderen echter veel elastischer zijn dan bij volwassenen, zoodat de bevalling, wel verre van moeilijker te zijn, gewoonlijk vlug en gemakkelijk is. De weeën verloopen over het algemeen normaal in deze gevallen, en, zelfs als er onregelmatigheden voorkomen (lage plaatsing van de placenta is een gewone onregelmatigheid) is het opmerkelijk, dat de patienten er niet onder lijden, zooals oudere vrouwen. Het gemiddelde gewicht van het kind was ongeveer 6 pond; soms was speciale verzorging noodig in de eerste dagen na de geboorte, misschien omdat de weeën in deze gevallen altijd wat langzaam verloopen. Het herstel van de moeder verliep, in ieder geval, volkomen normaal, en het feit, dat deze jonge moeders weer spoediger zwanger worden dan primiparae van rijper leeftijd, draagt er verder toe bij, om aan te toonen, dat bevallingen vóór den leeftijd van zestien jaar op geenerlei wijze nadeelig zijn voor de moeder. Gache (Annales de Gynécologie etd’Obstrétique, Dec, 1904) heeft een en negentig bevallingen waargenomen van moeders onder de zeventienjaar, in hetRawsonHospitaal in Buenos Ayres; zij waren van zoogenaamd Latijnsch ras, meest Spaansch of Italiaansch. Gache vond, dat deze moeders in het geheel niet meer blootgesteld waren aan miskraam of andere complicaties van de zwangerschap dan andere. Behalve in vier gevallen van tamelijk nauw bekken, was de verlossing normaal, hoewel ze wat langer duurde dan bij oudere primiparae. Schade aan de weeke deelen werd echter zelden toegebracht, en, als ze voorkwam, was ze spoedig weer genezen. Het gemiddelde gewicht van het kind was 3,039 gram, of ruim 6 pond. Het verdient opmerking, dat de meeste waarnemers gewoonlijk vinden, dat zeer vroege zwangerschappen voorkomen bij vrouwen, die op ongewoon jeugdigen leeftijd beginnen te menstrueeren, b.v., een paar jaar voordat de vroege zwangerschap optreedt.Het is echter duidelijk, dat bij jonge moeders alles bijzonder goed verloopt, terwijl er niet de minste twijfel aan bestaat, dat zij buitengewoon flinke kinderen ter wereld brengen. Kleinwächter vond zelfs, dat, hoe jonger de moeder is, des te grooter het kind. Niet alleen physiek zijn de kinderen van jonge moeders beter. Marro heeft opgemerkt (Pubertà, p. 257), dat de kinderen van moeders onder de 21 jaar beter zijn, dan die van oudere moeders, zoowel in gedrag als in verstand, mits de vaders niet te oud zijn of te jong. Gedetailleerde bijzonderheden over afzonderlijke gevallen bevestigen deze feiten, zoowel voor de moeder als voor het kind. Zoo vermeldt Milner (Lancet, Juni 7, 1902) een geval van zwangerschap bij een meisje van veertien jaar; de weeën waren niet hevig en de verlossing was gemakkelijk. E. B. Wales, uit New Jersey, heeft de geschiedenis vermeld (weergegeven in deMedical Reprints, Sept. 15, 1890) van een negerin, die op elfjarigen leeftijd zwanger werd. Zij was middelmatig groot, eer lang en teer, maar goed ontwikkeld en ze begon te menstrueeren op den leeftijd van tien jaar. Zij was goed gezond en opgewekt tijdens de zwangerschap, en tot werken in staat. De bevalling was gemakkelijk en natuurlijk, duurde niet bijzonder lang en was blijkbaar niet bijzonder pijnlijk, want er was geen gekreun of opwinding. Het kind was een mooie, gezonde jongen, die niet minder woog dan elf pond. Moeder en kind maakten het beiden goed, en er was rijkelijk melkafscheiding. Whiteside Robertson (British Medical Journal, Jan. 18, 1902) heeft een geval vermeld van zwangerschap op den leeftijd van dertien jaar, bij een meisje uit de Kaapkolonie, dat uit een ander gezichtspunt opmerkelijk is. Zij scheen tijdens de zwangerschap anaemisch te zijn, slecht ontwikkeld, met slecht ontwikkeld bekken. Toch had een normale bevalling plaats, op den juisten tijd, zonder moeite of beschadigingen, en het kraambed verliep in ieder opzicht goed. Het kind was goed gevormd en woog 7½ pond. “Ik heb zelden een primipara gemakkelijker weeën zien hebben”, besloot Robertson, “en ik heb er nooit een gezien, die de verwerkelijking van het moederschap met meer bevrediging tegemoet zag”.De feiten, die bijeen gebracht zijn door obstetrici aangaande de goede resultaten van vroege zwangerschap, voor moeder zoowel als voor kind, zijn nog niet met die aandacht beschouwd geworden, die ze verdienen. Zij worden echter bevestigd door vele algemeene neigingen, die tegenwoordig erkend worden. Het veel beteekenend feit is, bij voorbeeld, bekend, dat bij moeders boven de dertig het aantal miskramen en ontijdige geboorten tweemaal zoo groot is als bij moeders tusschen den leeftijd van vijftien en twintig, die in dit opzicht weer hooger staan dan de moeders van den leeftijd tusschen de twintig en de dertig (StatistischesJahrbuch, Budapest, 1905). Verder heeft Matthews Duncan aangetoond, in zijn lezing te Goulstone, dat de kansen op steriliteit bij een vrouw toenemen met den leeftijd. Er is verder aangetoond door Kisch(Sexual Life of Woman, PartII), dat, hoe ouder een vrouw bij het huwelijk is, des te grooter het gemiddelde tijdsverloop is voor de eerste bevalling, een neiging, die er op schijnt te wijzen, dat de zeer jonge vrouwen in de beste conditie zijn voor de voortplanting; Kisch is niet geneigd te denken, dat dit betrekking heeft op vrouwen onder de twintig, maar het feit, dat door andere accoucheurs opgemerkt is, dat moeders onder de achttien neiginghebben na een buitengewoon kort tijdsverloop weer zwanger te worden, neutraliseert de door Kisch gemaakte uitzondering. We kunnen er ook op wijzen, dat, bij kinderen van zeer jonge moeders, de seksen meer gelijk zijn in aantal dan het geval is met oudere moeders. Dit zou er op schijnen te wijzen, dat we hier staan tegenover een normaal evenwicht, dat afneemt, naarmate de leeftijd van de moeder meer verandert in abnormale richting.Het gemak van de geboorte op een vroegen leeftijd, kunnen we opmerken, komt overeen met een gelijk gemak bij den sexueelen omgang, een feit, dat dikwijls over het hoofd is gezien. In Rusland, waar het huwelijk nog vroeg plaats vindt, had het vroeger al plaats, als de vrouw eerst twaalf of dertien jaar oud was, en Guttceit (Dreissig Jahre Praxis, deel I, p. 324) zegt, dat vrouwen, die op dezen leeftijd trouwden, hem verzekerd hadden, dat de eerstecoïtusgeen speciale moeilijkheden meebracht.Er is ongetwijfeld tegenwoordig een groote mate van vooroordeel jegens het vroege moederschap. Voor een deel ligt dit er aan, dat men niet heeft kunnen inzien, dat vrouwen sexueel veel vroeger rijp zijn dan mannen, physiek zoowel al psychisch (zie boven p. 35). Er is een verschil van ongeveer vijf jaar. Dit verschil is al erkend geworden duizenden van jaren geleden, in het oude geloof, dat de leeftijd van de keuze tot de voortplanting ongeveer twintig of minder is voor vrouwen, maar omstreeks vijf en twintig voor mannen; en men heeft onlangs ontdekt dat, terwijl de man nooit bekwaam is tot verwekken vóor zijn dertiende jaar, de vrouw in sommige gevallen op haar achtste jaar al zwanger kan worden. (Eenige van de voorbeelden, die vermeld zijn, zijn aangehaald door Kisch). Gedeeltelijk is er ook bezwaar tegen het op zich nemen van een zoo zware verantwoordelijkheid als die van het moederschap door een jong meisje, en er bestaat een zeer redelijk gevoel, dat de verplichtingen van een duurzamen huwelijksband niet op een jeugdigen leeftijd moeten op zich genomen worden. Aan den anderen kant is het, afgezien van de physieke voordeelen, zoowel wat de moeder aangaat als het kind, in zake vroege zwangerschappen, een voordeel voor het kind een jonge moeder te hebben, die zich met sympathie en zonder terughouding aan zijn belangen kan wijden, in plaats van het droevige schouwspel te leveren, dat we zoo dikwijls zien in de vrouw van middelbaren leeftijd, die moeder wordt als haar jeugd en geestelijke buigzaamheid voorbij zijn, en haar gewoonten en smaak zich in andere banen hebben vastgelegd; het is soms een groote zegen geweest, zelfs voor de allergrootste mannen, als Goethe, dat ze een jonge moeder gehad hebben. Het zou in veel gevallen ook een voordeel zijn voor de vrouw zelf, als zij haar hoofdtaak als moeder op haar vijf en twintigste jaar tot een einde had gebracht, zoodat ze dan, niet gehinderd door het krijgen van kinderen en van rijpere ondervinding, vrij zou kunnen zijn om zich te wijden aan de ruime werkzaamheden in de buitenwereld, waarvoor zij misschien geschikt is.Zulk een inrichting van de aangelegenheid der voortplanting van vrouwen zou, klaarblijkelijk alleen maar een variatie zijn op het nu bestaande, en zou waarschijnlijk ongeschikt zijn voor de meerderheid. Ieder geval moet afzonderlijk beoordeeld worden. De beste leeftijd voor de voortplanting zal waarschijnlijk steeds, voor de meeste vrouwen tenminste, gerekend worden omstreeks de twintig. Maar in een tijd als de tegenwoordige, waarin er een ongelukkige neiging is om het moederschap uit te stellen, wordt het noodig de voordeelen van vroeg moederschap, in vele gevallen, te doen uitkomen.Er zijn andere voorwaarden, die gunstig of ongunstig zijn voor de voortplanting, waarvan het nu onnoodig is ze in bijzonderheden te bespreken, daar ze reeds op overeenkomstige plaatsen in mijne andere werken behandeld zijn. Daar is, bijvoorbeeld, de vraag, welke tijd van het jaar en van den menstrueelen cyclus de meest geschikte is om gekozen te worden voor de voortplanting.De beste tijd is waarschijnlijk die, waarop de sexueele begeerte het sterkst is, dat is de tijd waarop de conceptie natuurlijk het meest zal voorkomen. Dit zegt men dat in de lente is, of in den vroegen zomer46, en onmiddellijk na (of kort voor) de periode van de menstruatie. De Chineezen hebben opgemerkt, dat de laatste dagen van de menstruatie en de twee volgende dagen—die overeenkomen met den “oestrus” de gunstigste tijd zijn voor de bevruchting, en Bossi, uit Genua, heeft gevonden, dat de groote meerderheid der succesvolle gevallen, zoowel van natuurlijke als van kunstmatige bevruchting, in dien tijd plaats vinden47. Soranus zoowel als de Talmud hebben den tijd omstreeks de menstruatie aangeduid als de beste voor de bevruchting, en Susruta, de Indische medicus, zeide, dat, in dezen tijd, zwangerschap het gemakkelijkste intreedt, omdat dan de mond van de schoot van de vrouw open is als de bloem van de waterlelie in den zonneschijn.We hebben nu het punt weder bereikt, waar we van zijn uitgegaan, het oogenblik van de conceptie, en weer ligt het kind in den schoot van de moeder. Er blijft niets meer te zeggen over. De goddelijke kringloop van het leven is volbracht.

Wat de positieve eigenschappen aangaat, waar de Staat recht heeft bij het aanmoedigen van het moederschap een premie op te stellen, is het nog te vroeg om met volkomen zekerheid daarover te spreken. De negatieve eugeniek is de positieve eugeniek vooruit; het is gemakkelijker verkeerde stammen te ontdekken dan om volkomen zeker te zijn van goede. Zoowel van wetenschappelijke als van maatschappelijke zijde beginnen wij echter duidelijker in te zien welk doel we willen bereiken en meer precies te weten met welke middelen we dat doel moeten bereiken41.

Zelfs wanneer we een tamelijk duidelijk inzicht gekregen hebben welke stammen en individuen wij met recht mogen aanmoedigen om de taak te ondernemen geschikte burgers voor den Staat voort te brengen, zijn de problemen der voortplanting daarmede nog geenszins ten einde. Voordat we er ook maar onderzoek naar kunnen doen wat de voorwaarden zijn, waaronder uitgekozen individuen zich het best zullen voortplanten, is daar nog de allereerste vraag, die beslist moet worden: of die individuen vruchtbaar en potent zijn, want dit wordt niet gewaarborgd door het feit dat ze van goede stammen komen, en zelfs is het feit, dat een man en een vrouw met andere personen vruchtbaar zijn in het geheel geen positieve proef, dat ze met elkaar vruchtbaar zullen zijn. Onder de groote massa’s van de bevolking, die niet trachten hun vereenigingen te wettigen voordat die vereenigingen vruchtbaar gebleken zijn, wordt deze moeilijkheid op eenvoudige en praktische wijze opgelost. De kwestie is echter bij den tegenwoordigen staat der huwelijkswet in de meeste landen ernstig en vol risico voor die klassen, die gewoon zijn zich in het wettig huwelijk te binden zonder dat ze iets weten van hun potentie en hun vruchtbaarheid met elkaar. De zaak wordt meestal aan het toeval overgelaten, en daar het wettig huwelijk gewoonlijk niet ontbonden kan worden, op grond dat er geen nakomelingen zijn, zelfs al wordt de voortplanting gewoonlijk verklaard tot het voornaamste doel van het huwelijk te behooren, wordt de kwestie zeer ernstig. Steriliteit komt voor bij 7 % tot 15 % van alle huwelijken, en in zeer vele daarvan is ze een bron van groot verdriet. Dit zou, in zekere mate, vermeden kunnen worden door een onderzoek voor het huwelijk, en bijna geheel, door te bepalen dat, daar een huwelijk alleen door de nakomelingen belang heeft voor den Staat, een wettig huwelijk na een bepaalden tijd ontbonden zou kunnen worden bij afwezigheid van nakomelingen.

Vroeger meende men dat, als een vereeniging onvruchtbaar bleek, dit de schuld was van de vrouw. Die meening is men lang te boven, maar, ook nu nog, interesseert een man zich gewoonlijk veel meer voor zijn potentie, dat is, zijn geschiktheid om de mechanische daad van dencoïtusuit te voeren, dan voor zijn vruchtbaarheid, dat is zijn geschiktheid om levende spermatozoën voort te brengen; terwijl toch deze laatste omstandigheid een veel meer vóórkomende bron is van steriliteit. “Van iederen man”, zegt Arthur Cooper (British Medical Journal, 11 Mei 1907), “die een sexueel gebrek of een sexueele misvorming heeft, of die geleden heeft aan een kwaal of een beleediging van de genito-urinale organen, zelfs als die betrekkelijk gering of eenzijdig is, en terwijl zijn macht tot paren ongeschonden kan gebleven zijn, moet men veronderstellen dat hij misschien steriel is, totdat er eenig bewijsvan het tegendeel verkregen is”. In geval van een steriel huwelijk moest de mogelijke oorzaak eerst nagespoord worden bij den man, want het is betrekkelijk gemakkelijk het zaad te onderzoeken en zich te vergewissen of het actieve spermatozoën bevat. Prinsen zegt in een veel omvattende studie over steriele huwelijken (“Die Sterilen Ehen”,Zeitschrift für Sozialwissenschaft, 1904, afl. 1 en 2), dat in twee vijfden van de steriele huwelijken de fout bij den man ligt; een derde van zulke huwelijken is het resultaat van venerische ziekten bij den echtgenoot zelf, of overgebracht op de vrouw. Gonorrhoe wordt tegenwoordig niet beschouwd als een zoo belangrijke oorzaak van steriliteit als eenige jaren geleden; Schenk beschouwt ze als verantwoordelijk ervoor maar ongeveer dertien percent van de steriele huwelijken (vergelijk Kisch,The Sexual Life of Woman). Pinkus (Archiv für Gynäkologie, 1907) vond dat, van de bijna honderd gevallen, waarin hij de beide deelgenooten onderzocht, in 24.4 percent de steriliteit direct berustte bij den man, en in 15.8 percent indirect, omdat ze veroorzaakt was door gonorrhoe, waarmee hij zijn vrouw geïnfecteerd had.Als steriliteit het gevolg is van een gebrek in de spermatozoën van den man, en als ze niet vóor het huwelijk ontdekt is, wat gewoonlijk wel gekund had, dan is nu en dan de vraag gerezen de vrouw door andere middelen te bevruchten. Echtscheiding op grond van steriliteit is niet mogelijk, en zelfs als dat was, heeft het paar, hoewel het een kind wil hebben, dikwijls niet den minsten wensch om te scheiden. Onder deze omstandigheden is nu en dan de poging gedaan om het gewenschte doel te bereiken, zonder af te wijken van in ruimen kring aangenomen regels der moraal, om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen door injectie met het zaad van een gezond man. Er zijn door verschillende bekende mannen, van John Hunter tot Schwalbe, pogingen gedaan om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen, maar het is bijna altijd zeer moeilijk te doen, en dikwijls geheel onmogelijk. Dit laat zich gemakkelijk verklaren, als wij ons in het geheugen roepen, waar al op gewezen is (zie boven p. 524) dat de erotische opwinding bij de vrouw tot het verzekeren van de conceptie van grooten invloed is; het is klaarblijkelijk een moeilijke taak, zelfs voor de meest gevoelige vrouw om erotisch enthusiasme te voelen voor een medischen spuit. Schwalbe vermeldt bijvoorbeeld een geval (Deutsche Medizinische Wochenschrift, Aug. 1908, p. 510) waarin—ten gevolge van de steriliteit van den man en den wensch van de vrouw om, met goedvinden van den man, met het zaad van een anderen man bevrucht te worden,—hij herhaalde zorgvuldige pogingen deed om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen; deze pogingen hadden echter geen resultaat, en de drie betrokken partijen legden zich ten slotte neer bij de gewone wijze van omgang, die succes had. In een ander geval, door Schwalbe vermeld, waarin de man impotent was, maar niet steriel, werden zes pogingen gedaan om kunstmatige bevruchting te bewerken, en werd van verdere pogingen afgezien, omdat allen, die er bij betrokken waren, er van walgden.De algemeene opinie is, over het geheel, niet geweest vóor het gebruik van kunstmatige bevruchting, zelfs afgezien van de mogelijkheid van succes. Zoo heeft in Frankrijk, waar een uitgebreide literatuur over het onderwerp bestaat, de Parijsche Medische Faculteit in 1885, na eenige aarzeling, geweigerd de stelling van Gérard aan te nemen over de geschiedenis van de kunstmatige bevruchting, die later afzonderlijk uitgegeven is. In 1883 heeft het gerechtshof te Bordeaux verklaard, dat kunstmatige bevruchting onwettig was en een maatschappelijk gevaar. In 1897 verklaarde ook de Heilige Stoel dat het gebruik onwettig was (“Artificial Fecundation before the Inquisition”,British Medical Journal, 5 Maart 1898). Geheel onafhankelijk van deze houding van de geneeskunde, de wet en de Kerk, schijnt het voorzeker, dat zij, die een nageslacht wenschen, als regel goed zullen doen den natuurlijken weg te volgen, die ook de beste is, of anders aan anderen de taak der voortplanting over te laten, waar ze niet voldoende voor zijn toegerust.

Vroeger meende men dat, als een vereeniging onvruchtbaar bleek, dit de schuld was van de vrouw. Die meening is men lang te boven, maar, ook nu nog, interesseert een man zich gewoonlijk veel meer voor zijn potentie, dat is, zijn geschiktheid om de mechanische daad van dencoïtusuit te voeren, dan voor zijn vruchtbaarheid, dat is zijn geschiktheid om levende spermatozoën voort te brengen; terwijl toch deze laatste omstandigheid een veel meer vóórkomende bron is van steriliteit. “Van iederen man”, zegt Arthur Cooper (British Medical Journal, 11 Mei 1907), “die een sexueel gebrek of een sexueele misvorming heeft, of die geleden heeft aan een kwaal of een beleediging van de genito-urinale organen, zelfs als die betrekkelijk gering of eenzijdig is, en terwijl zijn macht tot paren ongeschonden kan gebleven zijn, moet men veronderstellen dat hij misschien steriel is, totdat er eenig bewijsvan het tegendeel verkregen is”. In geval van een steriel huwelijk moest de mogelijke oorzaak eerst nagespoord worden bij den man, want het is betrekkelijk gemakkelijk het zaad te onderzoeken en zich te vergewissen of het actieve spermatozoën bevat. Prinsen zegt in een veel omvattende studie over steriele huwelijken (“Die Sterilen Ehen”,Zeitschrift für Sozialwissenschaft, 1904, afl. 1 en 2), dat in twee vijfden van de steriele huwelijken de fout bij den man ligt; een derde van zulke huwelijken is het resultaat van venerische ziekten bij den echtgenoot zelf, of overgebracht op de vrouw. Gonorrhoe wordt tegenwoordig niet beschouwd als een zoo belangrijke oorzaak van steriliteit als eenige jaren geleden; Schenk beschouwt ze als verantwoordelijk ervoor maar ongeveer dertien percent van de steriele huwelijken (vergelijk Kisch,The Sexual Life of Woman). Pinkus (Archiv für Gynäkologie, 1907) vond dat, van de bijna honderd gevallen, waarin hij de beide deelgenooten onderzocht, in 24.4 percent de steriliteit direct berustte bij den man, en in 15.8 percent indirect, omdat ze veroorzaakt was door gonorrhoe, waarmee hij zijn vrouw geïnfecteerd had.

Als steriliteit het gevolg is van een gebrek in de spermatozoën van den man, en als ze niet vóor het huwelijk ontdekt is, wat gewoonlijk wel gekund had, dan is nu en dan de vraag gerezen de vrouw door andere middelen te bevruchten. Echtscheiding op grond van steriliteit is niet mogelijk, en zelfs als dat was, heeft het paar, hoewel het een kind wil hebben, dikwijls niet den minsten wensch om te scheiden. Onder deze omstandigheden is nu en dan de poging gedaan om het gewenschte doel te bereiken, zonder af te wijken van in ruimen kring aangenomen regels der moraal, om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen door injectie met het zaad van een gezond man. Er zijn door verschillende bekende mannen, van John Hunter tot Schwalbe, pogingen gedaan om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen, maar het is bijna altijd zeer moeilijk te doen, en dikwijls geheel onmogelijk. Dit laat zich gemakkelijk verklaren, als wij ons in het geheugen roepen, waar al op gewezen is (zie boven p. 524) dat de erotische opwinding bij de vrouw tot het verzekeren van de conceptie van grooten invloed is; het is klaarblijkelijk een moeilijke taak, zelfs voor de meest gevoelige vrouw om erotisch enthusiasme te voelen voor een medischen spuit. Schwalbe vermeldt bijvoorbeeld een geval (Deutsche Medizinische Wochenschrift, Aug. 1908, p. 510) waarin—ten gevolge van de steriliteit van den man en den wensch van de vrouw om, met goedvinden van den man, met het zaad van een anderen man bevrucht te worden,—hij herhaalde zorgvuldige pogingen deed om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen; deze pogingen hadden echter geen resultaat, en de drie betrokken partijen legden zich ten slotte neer bij de gewone wijze van omgang, die succes had. In een ander geval, door Schwalbe vermeld, waarin de man impotent was, maar niet steriel, werden zes pogingen gedaan om kunstmatige bevruchting te bewerken, en werd van verdere pogingen afgezien, omdat allen, die er bij betrokken waren, er van walgden.

De algemeene opinie is, over het geheel, niet geweest vóor het gebruik van kunstmatige bevruchting, zelfs afgezien van de mogelijkheid van succes. Zoo heeft in Frankrijk, waar een uitgebreide literatuur over het onderwerp bestaat, de Parijsche Medische Faculteit in 1885, na eenige aarzeling, geweigerd de stelling van Gérard aan te nemen over de geschiedenis van de kunstmatige bevruchting, die later afzonderlijk uitgegeven is. In 1883 heeft het gerechtshof te Bordeaux verklaard, dat kunstmatige bevruchting onwettig was en een maatschappelijk gevaar. In 1897 verklaarde ook de Heilige Stoel dat het gebruik onwettig was (“Artificial Fecundation before the Inquisition”,British Medical Journal, 5 Maart 1898). Geheel onafhankelijk van deze houding van de geneeskunde, de wet en de Kerk, schijnt het voorzeker, dat zij, die een nageslacht wenschen, als regel goed zullen doen den natuurlijken weg te volgen, die ook de beste is, of anders aan anderen de taak der voortplanting over te laten, waar ze niet voldoende voor zijn toegerust.

Als wij er ons van overtuigd hebben, dat twee individuen beide tot gezonde stammen behooren, en verder, dat ze beide geschikt zijn voor de voortplanting, dan blijft er nog over te overwegen, onder welke omstandigheden zij het best verwekking kunnen tot stand brengen42. Dan rijst bijvoorbeeld de vraag, die zoo dikwijls gedaan wordt, wat is de beste leeftijd voor de voortplanting?

De overwegingen, die bij het beantwoorden van deze kwestie van gewicht zijn, zijn van twee verschillende soorten, physiologisch en sociaal of moreel. Dat is te zeggen, dat aan den eenen kant physieke rijpheid volkomen moet bereikt zijn, en dat de sexueele cellen volkomen moeten ontwikkeld zijn; terwijl aan den anderen kant de man in staat moet zijn om een gezin te onderhouden, en dat beide deelgenooten een oefening in het leven zullen hebben ontvangen, die hen in staat stelt op gepaste wijze de verantwoordelijkheden en zorgen op zich te nemen, die samengaan met het opvoeden van kinderen. Terwijl er op verschillende tijden verschillende meeningen zijn geuit, schijnt de algemeene opinie aangaande den besten tijd der voortplanting in Europa in de laatste eeuwen nauwelijks veel gewisseld te hebben. Hesiodus zeide al, dat een vrouw moest trouwen op haar vijftiende jaar en een man op zijn dertigste43, maar obstetrici zijn gewoonlijk tot het besluit gekomen, dat zoowel in het belang van de ouders als van de kinderen het leven der voortplanting niet moet beginnen bij vrouwen, voordat ze twintig zijn en bij mannen voordat ze vijf en twintig zijn44. Na de dertig bij vrouwen en na de vijf en dertig of veertig bij mannen schijnen de beste voorwaarden tot de voortbrenging te verminderen45. Tegenwoordig is er in Engeland en inverschillende andere beschaafde landen een neiging geweest om den leeftijd voor het huwelijk te verhoogen tot een steeds grooter aantal jaren, gemiddeld een paar jaar later dan de leeftijd, die gewoonlijk aangenomen wordt als de gunstigste leeftijd voor het begin van het voortplantingsleven. Maar over het geheel wijkt het gemiddelde zelden ver af van den aangenomen standaard en er schijnt geen reden te zijn, waarom we deze neiging zouden wijzigen.

Toch volgt hier in het geheel niet uit, dat groote verschillen niet onder speciale omstandigheden, niet alleen vergefelijk, maar zelfs wenschelijk zijn. De man is in sommige gevallen in staat tot de voortplanting van ongeveer dertien jaar tot ver over de negentig, en op dezen hoogen leeftijd kan het nageslacht, zelfs als het niet opmerkelijk is door groote physieke kracht, hooge intellectueele kwaliteiten bezitten. (Zie bv. Havelock Ellis,A Study of British Genius, blz. 120et seq.). Geschiktheid tot voortbrengen van de vrouw begint al vroeger (soms op haar achtste jaar), hoewel ze gewoonlijk ophoudt met de vijftig of vroeger, en dat ze slechts in enkele gevallen voortduurt tot zestig of daarboven. Er worden gevallen vermeld van kinderen, die geboren zijn, terwijl de moeder negen en vijftig jaar was (bv.Lancet, 5 Aug. 1905, p. 419). Lepage (Comptes-rendus Sociêté d’Obstétrique de Paris, Oct. 1903) vermeldt een geval van een eerstgeborene, waarvan de moeder zeven en vijftig jaar was; het kind werd dood geboren. Kisch (Sexual Life of Woman, deel II) verwijst naar de gevallen van zwangerschap bij oudere vrouwen, en er wordt van verschillende gevallen melding gemaakt in hetBritish Medical Journal, 8 Aug. 1903, p. 325.Van meer belang is de kwestie van vroege zwangerschap. Verschillende onderzoekers hebben hun aandacht aan deze kwestie gewijd. Zoo heeft Spitta (in een Marburger inaugureele dissertatie, 1895) een overzicht gegeven van de klinische geschiedenis van 260 weeën bij primiparae van 18 jaar en daaronder, zooals hij ze waargenomen had in de Marburger kraaminrichting. Hij bevond, dat de gezondheid in het algemeen tijdens de zwangerschap niet slechter was dan die van andere zwangere vrouwen, terwijl de sterfte onder de kinderen bij de geboorte en in de volgende weken niet hoog was, en de sterfte onder de moeders volstrekt niet hoog was. Picard (in een Parijsche thesis, 1903) heeft de bevalling bestudeerd bij acht en dertig moeders onder den leeftijd van zeventien jaar. Hij vond, dat, hoewel het pelvis zeker nog niet geheel ontwikkeld is bij zeer jonge meisjes, de gewrichten en beenderen echter veel elastischer zijn dan bij volwassenen, zoodat de bevalling, wel verre van moeilijker te zijn, gewoonlijk vlug en gemakkelijk is. De weeën verloopen over het algemeen normaal in deze gevallen, en, zelfs als er onregelmatigheden voorkomen (lage plaatsing van de placenta is een gewone onregelmatigheid) is het opmerkelijk, dat de patienten er niet onder lijden, zooals oudere vrouwen. Het gemiddelde gewicht van het kind was ongeveer 6 pond; soms was speciale verzorging noodig in de eerste dagen na de geboorte, misschien omdat de weeën in deze gevallen altijd wat langzaam verloopen. Het herstel van de moeder verliep, in ieder geval, volkomen normaal, en het feit, dat deze jonge moeders weer spoediger zwanger worden dan primiparae van rijper leeftijd, draagt er verder toe bij, om aan te toonen, dat bevallingen vóór den leeftijd van zestien jaar op geenerlei wijze nadeelig zijn voor de moeder. Gache (Annales de Gynécologie etd’Obstrétique, Dec, 1904) heeft een en negentig bevallingen waargenomen van moeders onder de zeventienjaar, in hetRawsonHospitaal in Buenos Ayres; zij waren van zoogenaamd Latijnsch ras, meest Spaansch of Italiaansch. Gache vond, dat deze moeders in het geheel niet meer blootgesteld waren aan miskraam of andere complicaties van de zwangerschap dan andere. Behalve in vier gevallen van tamelijk nauw bekken, was de verlossing normaal, hoewel ze wat langer duurde dan bij oudere primiparae. Schade aan de weeke deelen werd echter zelden toegebracht, en, als ze voorkwam, was ze spoedig weer genezen. Het gemiddelde gewicht van het kind was 3,039 gram, of ruim 6 pond. Het verdient opmerking, dat de meeste waarnemers gewoonlijk vinden, dat zeer vroege zwangerschappen voorkomen bij vrouwen, die op ongewoon jeugdigen leeftijd beginnen te menstrueeren, b.v., een paar jaar voordat de vroege zwangerschap optreedt.Het is echter duidelijk, dat bij jonge moeders alles bijzonder goed verloopt, terwijl er niet de minste twijfel aan bestaat, dat zij buitengewoon flinke kinderen ter wereld brengen. Kleinwächter vond zelfs, dat, hoe jonger de moeder is, des te grooter het kind. Niet alleen physiek zijn de kinderen van jonge moeders beter. Marro heeft opgemerkt (Pubertà, p. 257), dat de kinderen van moeders onder de 21 jaar beter zijn, dan die van oudere moeders, zoowel in gedrag als in verstand, mits de vaders niet te oud zijn of te jong. Gedetailleerde bijzonderheden over afzonderlijke gevallen bevestigen deze feiten, zoowel voor de moeder als voor het kind. Zoo vermeldt Milner (Lancet, Juni 7, 1902) een geval van zwangerschap bij een meisje van veertien jaar; de weeën waren niet hevig en de verlossing was gemakkelijk. E. B. Wales, uit New Jersey, heeft de geschiedenis vermeld (weergegeven in deMedical Reprints, Sept. 15, 1890) van een negerin, die op elfjarigen leeftijd zwanger werd. Zij was middelmatig groot, eer lang en teer, maar goed ontwikkeld en ze begon te menstrueeren op den leeftijd van tien jaar. Zij was goed gezond en opgewekt tijdens de zwangerschap, en tot werken in staat. De bevalling was gemakkelijk en natuurlijk, duurde niet bijzonder lang en was blijkbaar niet bijzonder pijnlijk, want er was geen gekreun of opwinding. Het kind was een mooie, gezonde jongen, die niet minder woog dan elf pond. Moeder en kind maakten het beiden goed, en er was rijkelijk melkafscheiding. Whiteside Robertson (British Medical Journal, Jan. 18, 1902) heeft een geval vermeld van zwangerschap op den leeftijd van dertien jaar, bij een meisje uit de Kaapkolonie, dat uit een ander gezichtspunt opmerkelijk is. Zij scheen tijdens de zwangerschap anaemisch te zijn, slecht ontwikkeld, met slecht ontwikkeld bekken. Toch had een normale bevalling plaats, op den juisten tijd, zonder moeite of beschadigingen, en het kraambed verliep in ieder opzicht goed. Het kind was goed gevormd en woog 7½ pond. “Ik heb zelden een primipara gemakkelijker weeën zien hebben”, besloot Robertson, “en ik heb er nooit een gezien, die de verwerkelijking van het moederschap met meer bevrediging tegemoet zag”.De feiten, die bijeen gebracht zijn door obstetrici aangaande de goede resultaten van vroege zwangerschap, voor moeder zoowel als voor kind, zijn nog niet met die aandacht beschouwd geworden, die ze verdienen. Zij worden echter bevestigd door vele algemeene neigingen, die tegenwoordig erkend worden. Het veel beteekenend feit is, bij voorbeeld, bekend, dat bij moeders boven de dertig het aantal miskramen en ontijdige geboorten tweemaal zoo groot is als bij moeders tusschen den leeftijd van vijftien en twintig, die in dit opzicht weer hooger staan dan de moeders van den leeftijd tusschen de twintig en de dertig (StatistischesJahrbuch, Budapest, 1905). Verder heeft Matthews Duncan aangetoond, in zijn lezing te Goulstone, dat de kansen op steriliteit bij een vrouw toenemen met den leeftijd. Er is verder aangetoond door Kisch(Sexual Life of Woman, PartII), dat, hoe ouder een vrouw bij het huwelijk is, des te grooter het gemiddelde tijdsverloop is voor de eerste bevalling, een neiging, die er op schijnt te wijzen, dat de zeer jonge vrouwen in de beste conditie zijn voor de voortplanting; Kisch is niet geneigd te denken, dat dit betrekking heeft op vrouwen onder de twintig, maar het feit, dat door andere accoucheurs opgemerkt is, dat moeders onder de achttien neiginghebben na een buitengewoon kort tijdsverloop weer zwanger te worden, neutraliseert de door Kisch gemaakte uitzondering. We kunnen er ook op wijzen, dat, bij kinderen van zeer jonge moeders, de seksen meer gelijk zijn in aantal dan het geval is met oudere moeders. Dit zou er op schijnen te wijzen, dat we hier staan tegenover een normaal evenwicht, dat afneemt, naarmate de leeftijd van de moeder meer verandert in abnormale richting.Het gemak van de geboorte op een vroegen leeftijd, kunnen we opmerken, komt overeen met een gelijk gemak bij den sexueelen omgang, een feit, dat dikwijls over het hoofd is gezien. In Rusland, waar het huwelijk nog vroeg plaats vindt, had het vroeger al plaats, als de vrouw eerst twaalf of dertien jaar oud was, en Guttceit (Dreissig Jahre Praxis, deel I, p. 324) zegt, dat vrouwen, die op dezen leeftijd trouwden, hem verzekerd hadden, dat de eerstecoïtusgeen speciale moeilijkheden meebracht.Er is ongetwijfeld tegenwoordig een groote mate van vooroordeel jegens het vroege moederschap. Voor een deel ligt dit er aan, dat men niet heeft kunnen inzien, dat vrouwen sexueel veel vroeger rijp zijn dan mannen, physiek zoowel al psychisch (zie boven p. 35). Er is een verschil van ongeveer vijf jaar. Dit verschil is al erkend geworden duizenden van jaren geleden, in het oude geloof, dat de leeftijd van de keuze tot de voortplanting ongeveer twintig of minder is voor vrouwen, maar omstreeks vijf en twintig voor mannen; en men heeft onlangs ontdekt dat, terwijl de man nooit bekwaam is tot verwekken vóor zijn dertiende jaar, de vrouw in sommige gevallen op haar achtste jaar al zwanger kan worden. (Eenige van de voorbeelden, die vermeld zijn, zijn aangehaald door Kisch). Gedeeltelijk is er ook bezwaar tegen het op zich nemen van een zoo zware verantwoordelijkheid als die van het moederschap door een jong meisje, en er bestaat een zeer redelijk gevoel, dat de verplichtingen van een duurzamen huwelijksband niet op een jeugdigen leeftijd moeten op zich genomen worden. Aan den anderen kant is het, afgezien van de physieke voordeelen, zoowel wat de moeder aangaat als het kind, in zake vroege zwangerschappen, een voordeel voor het kind een jonge moeder te hebben, die zich met sympathie en zonder terughouding aan zijn belangen kan wijden, in plaats van het droevige schouwspel te leveren, dat we zoo dikwijls zien in de vrouw van middelbaren leeftijd, die moeder wordt als haar jeugd en geestelijke buigzaamheid voorbij zijn, en haar gewoonten en smaak zich in andere banen hebben vastgelegd; het is soms een groote zegen geweest, zelfs voor de allergrootste mannen, als Goethe, dat ze een jonge moeder gehad hebben. Het zou in veel gevallen ook een voordeel zijn voor de vrouw zelf, als zij haar hoofdtaak als moeder op haar vijf en twintigste jaar tot een einde had gebracht, zoodat ze dan, niet gehinderd door het krijgen van kinderen en van rijpere ondervinding, vrij zou kunnen zijn om zich te wijden aan de ruime werkzaamheden in de buitenwereld, waarvoor zij misschien geschikt is.Zulk een inrichting van de aangelegenheid der voortplanting van vrouwen zou, klaarblijkelijk alleen maar een variatie zijn op het nu bestaande, en zou waarschijnlijk ongeschikt zijn voor de meerderheid. Ieder geval moet afzonderlijk beoordeeld worden. De beste leeftijd voor de voortplanting zal waarschijnlijk steeds, voor de meeste vrouwen tenminste, gerekend worden omstreeks de twintig. Maar in een tijd als de tegenwoordige, waarin er een ongelukkige neiging is om het moederschap uit te stellen, wordt het noodig de voordeelen van vroeg moederschap, in vele gevallen, te doen uitkomen.

Toch volgt hier in het geheel niet uit, dat groote verschillen niet onder speciale omstandigheden, niet alleen vergefelijk, maar zelfs wenschelijk zijn. De man is in sommige gevallen in staat tot de voortplanting van ongeveer dertien jaar tot ver over de negentig, en op dezen hoogen leeftijd kan het nageslacht, zelfs als het niet opmerkelijk is door groote physieke kracht, hooge intellectueele kwaliteiten bezitten. (Zie bv. Havelock Ellis,A Study of British Genius, blz. 120et seq.). Geschiktheid tot voortbrengen van de vrouw begint al vroeger (soms op haar achtste jaar), hoewel ze gewoonlijk ophoudt met de vijftig of vroeger, en dat ze slechts in enkele gevallen voortduurt tot zestig of daarboven. Er worden gevallen vermeld van kinderen, die geboren zijn, terwijl de moeder negen en vijftig jaar was (bv.Lancet, 5 Aug. 1905, p. 419). Lepage (Comptes-rendus Sociêté d’Obstétrique de Paris, Oct. 1903) vermeldt een geval van een eerstgeborene, waarvan de moeder zeven en vijftig jaar was; het kind werd dood geboren. Kisch (Sexual Life of Woman, deel II) verwijst naar de gevallen van zwangerschap bij oudere vrouwen, en er wordt van verschillende gevallen melding gemaakt in hetBritish Medical Journal, 8 Aug. 1903, p. 325.

Van meer belang is de kwestie van vroege zwangerschap. Verschillende onderzoekers hebben hun aandacht aan deze kwestie gewijd. Zoo heeft Spitta (in een Marburger inaugureele dissertatie, 1895) een overzicht gegeven van de klinische geschiedenis van 260 weeën bij primiparae van 18 jaar en daaronder, zooals hij ze waargenomen had in de Marburger kraaminrichting. Hij bevond, dat de gezondheid in het algemeen tijdens de zwangerschap niet slechter was dan die van andere zwangere vrouwen, terwijl de sterfte onder de kinderen bij de geboorte en in de volgende weken niet hoog was, en de sterfte onder de moeders volstrekt niet hoog was. Picard (in een Parijsche thesis, 1903) heeft de bevalling bestudeerd bij acht en dertig moeders onder den leeftijd van zeventien jaar. Hij vond, dat, hoewel het pelvis zeker nog niet geheel ontwikkeld is bij zeer jonge meisjes, de gewrichten en beenderen echter veel elastischer zijn dan bij volwassenen, zoodat de bevalling, wel verre van moeilijker te zijn, gewoonlijk vlug en gemakkelijk is. De weeën verloopen over het algemeen normaal in deze gevallen, en, zelfs als er onregelmatigheden voorkomen (lage plaatsing van de placenta is een gewone onregelmatigheid) is het opmerkelijk, dat de patienten er niet onder lijden, zooals oudere vrouwen. Het gemiddelde gewicht van het kind was ongeveer 6 pond; soms was speciale verzorging noodig in de eerste dagen na de geboorte, misschien omdat de weeën in deze gevallen altijd wat langzaam verloopen. Het herstel van de moeder verliep, in ieder geval, volkomen normaal, en het feit, dat deze jonge moeders weer spoediger zwanger worden dan primiparae van rijper leeftijd, draagt er verder toe bij, om aan te toonen, dat bevallingen vóór den leeftijd van zestien jaar op geenerlei wijze nadeelig zijn voor de moeder. Gache (Annales de Gynécologie etd’Obstrétique, Dec, 1904) heeft een en negentig bevallingen waargenomen van moeders onder de zeventienjaar, in hetRawsonHospitaal in Buenos Ayres; zij waren van zoogenaamd Latijnsch ras, meest Spaansch of Italiaansch. Gache vond, dat deze moeders in het geheel niet meer blootgesteld waren aan miskraam of andere complicaties van de zwangerschap dan andere. Behalve in vier gevallen van tamelijk nauw bekken, was de verlossing normaal, hoewel ze wat langer duurde dan bij oudere primiparae. Schade aan de weeke deelen werd echter zelden toegebracht, en, als ze voorkwam, was ze spoedig weer genezen. Het gemiddelde gewicht van het kind was 3,039 gram, of ruim 6 pond. Het verdient opmerking, dat de meeste waarnemers gewoonlijk vinden, dat zeer vroege zwangerschappen voorkomen bij vrouwen, die op ongewoon jeugdigen leeftijd beginnen te menstrueeren, b.v., een paar jaar voordat de vroege zwangerschap optreedt.

Het is echter duidelijk, dat bij jonge moeders alles bijzonder goed verloopt, terwijl er niet de minste twijfel aan bestaat, dat zij buitengewoon flinke kinderen ter wereld brengen. Kleinwächter vond zelfs, dat, hoe jonger de moeder is, des te grooter het kind. Niet alleen physiek zijn de kinderen van jonge moeders beter. Marro heeft opgemerkt (Pubertà, p. 257), dat de kinderen van moeders onder de 21 jaar beter zijn, dan die van oudere moeders, zoowel in gedrag als in verstand, mits de vaders niet te oud zijn of te jong. Gedetailleerde bijzonderheden over afzonderlijke gevallen bevestigen deze feiten, zoowel voor de moeder als voor het kind. Zoo vermeldt Milner (Lancet, Juni 7, 1902) een geval van zwangerschap bij een meisje van veertien jaar; de weeën waren niet hevig en de verlossing was gemakkelijk. E. B. Wales, uit New Jersey, heeft de geschiedenis vermeld (weergegeven in deMedical Reprints, Sept. 15, 1890) van een negerin, die op elfjarigen leeftijd zwanger werd. Zij was middelmatig groot, eer lang en teer, maar goed ontwikkeld en ze begon te menstrueeren op den leeftijd van tien jaar. Zij was goed gezond en opgewekt tijdens de zwangerschap, en tot werken in staat. De bevalling was gemakkelijk en natuurlijk, duurde niet bijzonder lang en was blijkbaar niet bijzonder pijnlijk, want er was geen gekreun of opwinding. Het kind was een mooie, gezonde jongen, die niet minder woog dan elf pond. Moeder en kind maakten het beiden goed, en er was rijkelijk melkafscheiding. Whiteside Robertson (British Medical Journal, Jan. 18, 1902) heeft een geval vermeld van zwangerschap op den leeftijd van dertien jaar, bij een meisje uit de Kaapkolonie, dat uit een ander gezichtspunt opmerkelijk is. Zij scheen tijdens de zwangerschap anaemisch te zijn, slecht ontwikkeld, met slecht ontwikkeld bekken. Toch had een normale bevalling plaats, op den juisten tijd, zonder moeite of beschadigingen, en het kraambed verliep in ieder opzicht goed. Het kind was goed gevormd en woog 7½ pond. “Ik heb zelden een primipara gemakkelijker weeën zien hebben”, besloot Robertson, “en ik heb er nooit een gezien, die de verwerkelijking van het moederschap met meer bevrediging tegemoet zag”.

De feiten, die bijeen gebracht zijn door obstetrici aangaande de goede resultaten van vroege zwangerschap, voor moeder zoowel als voor kind, zijn nog niet met die aandacht beschouwd geworden, die ze verdienen. Zij worden echter bevestigd door vele algemeene neigingen, die tegenwoordig erkend worden. Het veel beteekenend feit is, bij voorbeeld, bekend, dat bij moeders boven de dertig het aantal miskramen en ontijdige geboorten tweemaal zoo groot is als bij moeders tusschen den leeftijd van vijftien en twintig, die in dit opzicht weer hooger staan dan de moeders van den leeftijd tusschen de twintig en de dertig (StatistischesJahrbuch, Budapest, 1905). Verder heeft Matthews Duncan aangetoond, in zijn lezing te Goulstone, dat de kansen op steriliteit bij een vrouw toenemen met den leeftijd. Er is verder aangetoond door Kisch(Sexual Life of Woman, PartII), dat, hoe ouder een vrouw bij het huwelijk is, des te grooter het gemiddelde tijdsverloop is voor de eerste bevalling, een neiging, die er op schijnt te wijzen, dat de zeer jonge vrouwen in de beste conditie zijn voor de voortplanting; Kisch is niet geneigd te denken, dat dit betrekking heeft op vrouwen onder de twintig, maar het feit, dat door andere accoucheurs opgemerkt is, dat moeders onder de achttien neiginghebben na een buitengewoon kort tijdsverloop weer zwanger te worden, neutraliseert de door Kisch gemaakte uitzondering. We kunnen er ook op wijzen, dat, bij kinderen van zeer jonge moeders, de seksen meer gelijk zijn in aantal dan het geval is met oudere moeders. Dit zou er op schijnen te wijzen, dat we hier staan tegenover een normaal evenwicht, dat afneemt, naarmate de leeftijd van de moeder meer verandert in abnormale richting.

Het gemak van de geboorte op een vroegen leeftijd, kunnen we opmerken, komt overeen met een gelijk gemak bij den sexueelen omgang, een feit, dat dikwijls over het hoofd is gezien. In Rusland, waar het huwelijk nog vroeg plaats vindt, had het vroeger al plaats, als de vrouw eerst twaalf of dertien jaar oud was, en Guttceit (Dreissig Jahre Praxis, deel I, p. 324) zegt, dat vrouwen, die op dezen leeftijd trouwden, hem verzekerd hadden, dat de eerstecoïtusgeen speciale moeilijkheden meebracht.

Er is ongetwijfeld tegenwoordig een groote mate van vooroordeel jegens het vroege moederschap. Voor een deel ligt dit er aan, dat men niet heeft kunnen inzien, dat vrouwen sexueel veel vroeger rijp zijn dan mannen, physiek zoowel al psychisch (zie boven p. 35). Er is een verschil van ongeveer vijf jaar. Dit verschil is al erkend geworden duizenden van jaren geleden, in het oude geloof, dat de leeftijd van de keuze tot de voortplanting ongeveer twintig of minder is voor vrouwen, maar omstreeks vijf en twintig voor mannen; en men heeft onlangs ontdekt dat, terwijl de man nooit bekwaam is tot verwekken vóor zijn dertiende jaar, de vrouw in sommige gevallen op haar achtste jaar al zwanger kan worden. (Eenige van de voorbeelden, die vermeld zijn, zijn aangehaald door Kisch). Gedeeltelijk is er ook bezwaar tegen het op zich nemen van een zoo zware verantwoordelijkheid als die van het moederschap door een jong meisje, en er bestaat een zeer redelijk gevoel, dat de verplichtingen van een duurzamen huwelijksband niet op een jeugdigen leeftijd moeten op zich genomen worden. Aan den anderen kant is het, afgezien van de physieke voordeelen, zoowel wat de moeder aangaat als het kind, in zake vroege zwangerschappen, een voordeel voor het kind een jonge moeder te hebben, die zich met sympathie en zonder terughouding aan zijn belangen kan wijden, in plaats van het droevige schouwspel te leveren, dat we zoo dikwijls zien in de vrouw van middelbaren leeftijd, die moeder wordt als haar jeugd en geestelijke buigzaamheid voorbij zijn, en haar gewoonten en smaak zich in andere banen hebben vastgelegd; het is soms een groote zegen geweest, zelfs voor de allergrootste mannen, als Goethe, dat ze een jonge moeder gehad hebben. Het zou in veel gevallen ook een voordeel zijn voor de vrouw zelf, als zij haar hoofdtaak als moeder op haar vijf en twintigste jaar tot een einde had gebracht, zoodat ze dan, niet gehinderd door het krijgen van kinderen en van rijpere ondervinding, vrij zou kunnen zijn om zich te wijden aan de ruime werkzaamheden in de buitenwereld, waarvoor zij misschien geschikt is.

Zulk een inrichting van de aangelegenheid der voortplanting van vrouwen zou, klaarblijkelijk alleen maar een variatie zijn op het nu bestaande, en zou waarschijnlijk ongeschikt zijn voor de meerderheid. Ieder geval moet afzonderlijk beoordeeld worden. De beste leeftijd voor de voortplanting zal waarschijnlijk steeds, voor de meeste vrouwen tenminste, gerekend worden omstreeks de twintig. Maar in een tijd als de tegenwoordige, waarin er een ongelukkige neiging is om het moederschap uit te stellen, wordt het noodig de voordeelen van vroeg moederschap, in vele gevallen, te doen uitkomen.

Er zijn andere voorwaarden, die gunstig of ongunstig zijn voor de voortplanting, waarvan het nu onnoodig is ze in bijzonderheden te bespreken, daar ze reeds op overeenkomstige plaatsen in mijne andere werken behandeld zijn. Daar is, bijvoorbeeld, de vraag, welke tijd van het jaar en van den menstrueelen cyclus de meest geschikte is om gekozen te worden voor de voortplanting.De beste tijd is waarschijnlijk die, waarop de sexueele begeerte het sterkst is, dat is de tijd waarop de conceptie natuurlijk het meest zal voorkomen. Dit zegt men dat in de lente is, of in den vroegen zomer46, en onmiddellijk na (of kort voor) de periode van de menstruatie. De Chineezen hebben opgemerkt, dat de laatste dagen van de menstruatie en de twee volgende dagen—die overeenkomen met den “oestrus” de gunstigste tijd zijn voor de bevruchting, en Bossi, uit Genua, heeft gevonden, dat de groote meerderheid der succesvolle gevallen, zoowel van natuurlijke als van kunstmatige bevruchting, in dien tijd plaats vinden47. Soranus zoowel als de Talmud hebben den tijd omstreeks de menstruatie aangeduid als de beste voor de bevruchting, en Susruta, de Indische medicus, zeide, dat, in dezen tijd, zwangerschap het gemakkelijkste intreedt, omdat dan de mond van de schoot van de vrouw open is als de bloem van de waterlelie in den zonneschijn.

We hebben nu het punt weder bereikt, waar we van zijn uitgegaan, het oogenblik van de conceptie, en weer ligt het kind in den schoot van de moeder. Er blijft niets meer te zeggen over. De goddelijke kringloop van het leven is volbracht.


Back to IndexNext