HET WAARDEEREN VAN DE GESLACHTSLIEFDE

HET WAARDEEREN VAN DE GESLACHTSLIEFDEHet begrip geslachtsliefde.—De houding van het middeleeuwsch ascetisme.—St. Bernard en St. Udo van Cluny.—Het wijzen van de asceten op het bij elkaar liggen van de sexueele en de excretie-organen.—De liefde als een sacrament der natuur.—De voorstelling van de onreinheid van wat betrekking heeft op het geslacht in de primitieve godsdiensten in het algemeen.—Theorieën over den oorsprong van deze voorstelling.—Het anti-ascetische element in den bijbel en het oudste Christendom.—Clemens van Alexandrië.—De houding van den heiligen Augustinus.—De erkenning van de heiligheid van het lichaam door Tertullianus, Rufinus en Athanasius.—De hervorming.—Het sexueele instinct beschouwd als dierlijk.—Het menschelijk sexueele instinct gelijkt niet op dat van het dier.—Wellust en liefde.—De definitie van liefde.—Liefde en namen voor liefde zijn onbekend in sommige deelen van de wereld.—De romantische liefde heeft zich eerst laat ontwikkeld bij het blanke ras.—Het mysterie van het sexueel verlangen. De kwestie of liefde een begoocheling is.—De geestelijke zoowel als de physieke bouw van de wereld berust voor een deel op sexueele liefde.—Het getuigenis van mannen van intellect voor de alléén-heerschappij van de liefde.Het zal blijken, dat de gehouden bespreking over de naaktheid een diepere beteekenis heeft dan men uit het voorafgaande zou afleiden. De hygiënische waarde, zoowel physiek als geestelijk, van gemeenzaamheid met de naaktheid gedurende de eerste jaren van het leven, hoe groot ze ook wezen mag, is niet de eenige waarde, die zulk een gemeenzaamheid bezit. Behalve haar æsthetische waarde ligt er ook een moreele waarde in, een bron van dynamische kracht. En nog een stap verder gaande, mogen we wel zeggen dat ze een geestelijke waarde heeft met betrekking tot onze geheele opvatting van de sexueele aandrift. Onze houding tegenover het naakte lichaam is de toetssteen van onze houding tegenover het geslachts-instinct. Als ons eigen lichaam en dat van onze medemenschen ons in ons binnenste schandelijk of walgelijk toeschijnt, dan zal niets ooit in werkelijkheid onze opvattingen over sexueele liefde veredelen of louteren. Liefde verlangt naar het vleesch, en als het vleesch schandelijk is, dan moet hij, dieliefheeft, schandelijk zijn. “Se la cosa amata è vile”, zooals Leonardo da Vinci vol diepe wijsheid opmerkte, “l’amante se fa vile”. Hoe onlogisch ze ook geweest mag zijn, er was inderdaad eenige rechtvaardiging voor de oude Christelijke identificatie van het vleesch met het sexueele instinct. Zij staan of vallen te zamen; wij kunnen niet het eene verlagen en het andere verheerlijken. Zooals onze gevoelens zijn tegenover de naaktheid, zoo zullen onze gevoelens zijn tegenover de liefde.“De mensch is niets dan vuil sperma, een zak vol mest, het voedsel voor wormen.… Gij hebt nooit een vuiler mesthoop gezien”. Dat was het resultaat van deMeditationes Piissimae1van St. Bernardus in het klooster. Soms wilden die middeleeuwsche monniken inderdaad wel toegeven, dat de huid een zekere oppervlakkige schoonheid bezat, maar zij gaven dat alleen toe om met meer nadruk te wijzen op de leelijkheid van het lichaam, als het ontdaan was van dezen schijn van schoonheid, en spanden al hun perverse intellectueele scherpzinnigheid en hun woeste ironie in, om met begeerigen spot te wijzen op ieder onderdeel van wat hun de armzalige menschelijke figuur toescheen. De heilige Odo van Cluny, de beminnelijke heilige, een pionier in zijn appreciatie van de wilde schoonheid der Alpen, die hij dikwijls was doorgetrokken, was er bijzonder ver in, de schoonheid van het menschelijk lichaam naar beneden te halen. Hij zegt met nadruk, dat schoonheid alleen in de huid ligt; als wij onder de huid konden zien, dan zouden vrouwen niets dan walging opwekken. Haar bekoorlijkheden zijn slechts bloed, slijm en gal. Als wij weigeren vuil en slijm aan te raken, zelfs maar met de toppen van onze vingers, hoe kunnen we dan begeeren een zak met vuil te omarmen?2De middeleeuwsche monniken van de meer beschouwende soort vonden hier dikwijls een heerlijk veld van meditatie, en de Christelijke wereld in het algemeen was er tevreden mee hun opinies in meer of minder verdunde lezing aan te nemen, of protesteerde er tenminste nooit bepaald tegen.Zelfs mannen van de wetenschap namen deze opvattingen aanen beginnen zich eerst nu los te maken van dat oude bijgeloof. R. de Graef vond het noodig in de Voorrede van zijn beroemde verhandeling over de voortbrengingsorganen van vrouwen,De Mulierum Organis Generatione Inservientibus, opgedragen aan Cosmo III de Medici in 1672, zich over het onderwerp van zijn werk te verontschuldigen. Zelfs een eeuw later veroordeelde Linnaeus in zijn groote werk,The System of Nature, als “afschuwelijk” de nauwkeurige studie der vrouwelijke genitaliën, hoewel hij het wetenschappelijk belang van zulke nasporingen toegaf. En als mannen van de wetenschap het moeilijk gevonden hebben tot een objectief standpunt te komen over vrouwen, dan kunnen we ons niet verwonderen, dat middeleeuwsche en nog oudere opvattingen dikwijls fijn doorweven zijn geweest met de ideeën van philosofische en half philosofische schrijvers3.We mogen als een speciale variëteit van het ascetisch bezien van de sekse beschouwen,—want de asceten grondden vrijelijk, zooals we zien, maar niet geheel terecht, hun ascetisme voor een groot deel op æsthetische overwegingen—dat herhaalde wijzen op het bij elkaar liggen van de sexueele en de excretorische centra, hetgeen in de oude Kerk zijn uitdrukking vond in de geringschattende bewering van Augustinus: “Inter faeces et urinam nascimur”, en dat blijft voortbestaan bij velen, die het in het geheel niet altijd in verband brengen met godsdienstig ascetisme4. “Als resultaat van welk een belachelijke zuinigheid, en van welk een Mephistopheles ironie”, vraagt Tarde5,“heeft de Natuur gemeend, dat een functie zoo verheven, zoo de poëtische en philosofische hymnen, die ze bezongen hebben, waardig, niet beter verdiende dan haar uitsluitend orgaan te hebben te zamen met dat van de minste lichamelijke functies?”Wij mogen er echter op wijzen, dat deze beschouwing van de zaak, hoewel onbewust, zelf het gevolg is van de ascetische depreciatie van het lichaam. Van een wetenschappelijk standpunt zijn de processen van stofwisseling van het lichaam van a tot z, alle met elkander ineen geweven en van gelijke waardigheid, hetzij ze chemisch of psychologisch beschouwd worden. Wij kunnen niet eenig speciaal chemisch of biologisch proces afzonderen en verklaren: Dit is leelijk. Zelfs wat wij uitwerpsel noemen, helpt nog de stof opbouwen van onze levens. Eten is sommigen een walgelijke bezigheid toegeschenen. Maar toch is het mogelijk geweest tezeggen, met Thoreau, dat “de goden inderdaad bedoeld hebben, dat de menschen zich als de goden zouden voeden, evenals zij zelve, met hun eigen nectar en ambrosia … Ik heb gevoeld, dat eten een sacrament werd, een middel tot gemeenschap, een extatische oefening, en een zitten aan de avondmaalstafel der wereld”.De sacramenten van de natuur zijn op deze wijze overal samengeweven in het weefsel van de lichamen van mannen en vrouwen. Lippen, goed om te kussen, zijn voor alles goed om mee te eten en te drinken. Zoo opeengehoopt en over elkaar heen geschoven zijn de centra van kracht langzamerhand geworden, in den langen loop der ontwikkeling, dat alle slijmvliezen van de natuurlijke lichaamsopeningen, door de gevoeligheid, die zij verkregen hebben bij hun speciale werkzaamheid, werktuigen zijn geworden, die de ziel in vervoering kunnen brengen bij de aanraking in liefde; het is nutteloos verschil te maken tusschen hoog en laag, rein of onrein; ze zijn alle gelijkelijk reeds geheiligd door de uiterste wijding der natuur. De neus ontvangt den levensadem; de vagina ontvangt het levenswater. Ten slotte moet de waarde en liefelijkheid van het leven afgemeten worden naar de waarde en liefelijkheid, die de werktuigen van het leven voor ons hebben. De zwellende borsten zijn zulke goddelijk mooie teekenen van vrouwelijkheid ter wille van het kind, dat er mogelijk aan hangen en zuigen zal; de groote lijnen van de heupen zijn zoo wellustig ter wille van het kind, dat zij mogelijk eens zullen bevatten; er kan hier geen onderscheid gemaakt worden, wij kunnen de wortels niet van den boom scheiden. Het is waar, dat de hoogste functie van de mannelijkheid—het overreiken van de levenslamp aan toekomstige rassen, ten uitvoer wordt gebracht door hetzelfde werktuig, dat tot dagelijkschen afvoer van de blaas dient. Er is honend gezegd, dat wij geboren worden tusschen urine en uitwerpselen; er kon ook, vol eerbied, gezegd worden, dat de doorgang door dit geboortekanaal een sacrament is der natuur, heiliger en van meer beteekenis dan menschen het ooit zouden kunnen bedenken.Soms zijn deze verhoudingen opgemerkt en is hun beteekenis erkend door een soort van mystischeintuïtie. Wij nemen nu en dan sporen van zulk een inzicht waar, eerst onder de dichters en later onder de medici van de Renaissance. In 1864 zet Rolfincius, in zijnOrdo et Methodus Generationi Partium etc.aan het begin van zijn tweede deel, gewijd aan de geslachtsdeelen der vrouw, uiteen, wat oude schrijvers gezegd hebben over de Eleusische en andere mysteriën en over de toewijding en reinheid, vereischt van hen, die de heilige riten naderden.“Zoo is het ook met ons,”gaat hij voort,“bij de riten van het wetenschappelijk onderzoek. Ook wij werken met heilige dingen. De geslachtorganen moeten onder heilige dingen gerekend worden. Zij, die deze altaren naderen, moeten komen met vromen geest. Laat de profanen buiten staan,laat de deuren gesloten worden”. In die dagen waren, zelfs voor de wetenschap, alleen geloof enintuïtiemogelijk. Het is eerst in de laatste jaren, dat demicroscoopvan den histoloog en het proefbuisje van den physiologischen chemicus hem van een verstandelijke basis voorzien hebben. Het is niet langer mogelijk, de natuur in tweeën te knippen en te verzekeren, dat ze hier rein is en daar onrein6.Er schijnt dus geen voldoende grond te zijn om het eens te zijn met hen, die het bij elkaar liggen van de voortbrengende en de excretorische centra beschouwen als “een dom knoeiwerk der natuur”. Een associatie, die zoo oud en primitief is als de natuur, kan alleen stuitend toeschijnen aan hen, wier gevoelens ziekelijk onnatuurlijk geworden zijn. We mogen verder opmerken, dat de anus, die aesthetisch het minst aantrekkelijke is van de excretorische centra, betrekkelijk ver verwijderd is van de sexueele centra, en dat, zooals R. Hellmann vele jaren geleden opmerkte, toen hij deze kwestie besprak (Ueber Geschlechtsfreiheit, p. 82): “In de eerste plaats pas afgescheiden urine niets bijzonder onaangenaams in zich heeft, en in de tweede plaats, als ze dat al had, we dan wel mochten bedenken, dat een rozenroode mond in het geheel niet zijn bekoring verliest, alleen omdat hij niet aanlokkend is om te kussen op het oogenblik, dat zijn bezitter bezig is te braken”.Een geestelijke oppert zelfs in een zijner geschriften, dat wij verder mogen gaan en een positief voordeel vinden in deze nabijheid. “Ik ben blij, dat gij het niet eens zijt met den man, die vond, dat de natuur geknoeid had, toen ze de genitaliën gebruikte voor de doeleinden van het urineeren; afgezien van teleologische en theologische redenen zou ik die redeneeringslijn niet kunnen volgen. Ik vind, dat er geen reden is voor walging wat de organen voor het urineeren betreft, hoewel ik gevoel, dat de anus nooit aantrekkelijk kan zijn voor den normalen geest; maar de anus is geheel afgescheiden van de genitaliën. Mijn opinie is, dat het nabij elkaar liggen een goed doel heeft, doordat het de organen min of meer geheim maakt, behalve in tijden van sexueele opwinding of in die van liefde. Het resultaat is, dat die deelen in gewone tijden een zekere mate van weerzin wekken, maar een sterke aantrekking oefenen in tijden van sexueele werkzaamheid. Vandaar dat het gewone beschermen van de geslachtsdeelen, uit vrees afkeer te wekken, zeer hun aantrekkelijkheid verhoogt op andere tijden, wanneer de sexueele werkzaamheid onbeperkt is. Verder is het gevoel van afkeer zelf alleen het resultaat van gewoonte en gevoelen, hoe nuttig het ook is, en volgens de Schrift is alles rein en goed. Het ascetisch gevoel van tegenzin berust, als we terug gaan tot zijn oosprong, op anderen dan christelijken invloed. Het christendom kwam voort uit het Judaisme, dat geen gevoel had voor de onreinheid van het huwelijk, want “onrein” beteekent in het Oude Testament eenvoudig “heilig”. De ascetische zijde van den godsdienst van het christendom is geen deel van den godsdienst van Christus, zooals hij kwam uit de handen van den stichter, en het moderne gevoel in deze zaak is een weifelend overblijfsel van de ketterij van de Manichaeërs”. Ik mag er echter wel bijvoegen, dat er, zooals Northcote zegt (Christianity and SexProblems, p.14), naast de vrije erkenning van sexualiteit in het Oude Testament, een kring van denkbeelden is, die blijk geeft van een gevoel van onreinheid en schaamte wat de sekse betreft. Het christendom heeft deze gemengde gevoelens geërfd. Het is inderdaad onder de oude en primitieve volken een ver verspreid en bijna algemeen gevoelen geweest, dat er iets onreinsen zondigs is in de dingen van het geslacht, zoodat zij, die een godsdienstig leven zouden willen leiden, sexueele verhoudingen moeten vermijden; zelfs in Indië heeft het coelibaat eerbied ingeboezemd (zie b.v. Westermarck,Marriage, pp.et seq.) Wat den oorspronkelijken grond van dit denkbeeld aangaat—dien we hier niet nauwkeuriger behoeven te bespreken—zijn vele theorieën op den voorgrond gebracht; de heilige Augustinus zet, in zijnDe Civitate Deihet vernuftige idee uiteen, dat de penis, omdat hij onderhevig is aan spontane bewegingen en erecties, die niet door den wil beheerscht worden, een orgaan is om zich over te schamen, dat de geheele geslachtssfeer in zijn schande meetrekt. Westermarck beweert, dat er onder bijna alle volken gevoelens voorkomen tegen sexueele verhoudingen met leden van dezelfde familie of hetzelfde huishouden, en daar het geslacht zoo verbannen werd uit de sfeer van het huiselijk leven, ontstond er een opvatting over de onreinheid ervan; Northcote wijst op het feit, dat het van hetbeginaf aan noodig is geweest verborgenheid te zoeken voor sexueelen omgang, omdat het paar op dat oogenblik een prooi zou zijn voor vijandelijke aanvallen, en dat door een gemakkelijken overgang de sekse beschouwd begon te worden als iets, dat verborgen behoort te worden en daarom als iets zondigs. (Diderot had reeds in zijnSupplément au Voyage de Bougainvillegewezen op dit motief voor afzondering als “het eenige natuurlijke element voor kuischheid”). Crawley heeft een groot deel van zijn suggestief werk,The Mystic Rose, gewijd aan het aantoonen van het feit, dat voor den wilde de sekse een gevaarlijk en verzwakkend element in het leven is en daarom zondig.Het zou echter een dwaling zijn te denken, dat zulke mannen als St. Bernard en de heilige Odo van Cluny, hoe bewonderenswaardig zij ook de ascetische en zelfs de algemeen Christelijke gezichtspunten van hun eigen tijd vertegenwoordigden, beschouwd moeten worden als geheel typische voorbeelden van het echt Christelijke en primitief Christelijke gezichtspunt. Voor zoover ik heb kunnen ontdekken, vinden wij deze geconcentreerde intellectueele en emotioneele woestheid van aanval op het lichaam niet tijdens de eerste duizend jaar van het Christendom; die ontwikkelde zich eerst op het oogenblik toen, met paus Gregorius VII, het middeleeuwsche Christendom de climax bereikte van zijn overwinning over de zielen van de Europeesche menschen, in de instelling van het coelibaat van de wereldlijke geestelijkheid en den groei van de groote, in kloosters verzamelde gemeenschappen van monniken in streng geregelde en afgezonderde orden7. Daarvoor deden de leeraars van het ascetisme meer hun best om aan te sporen tot kuischheid en zedigheid dan dat ze een aanval deden op het geheele lichaam; zij concentreerden hun aandachtliever op geestelijke deugden dan op physieke onvolkomenheden.En als wij tot de Evangeliën teruggaan, dan vinden we weinig van den middeleeuwschen ascetischen geest in de gezegden en daden, die van Jezus vermeld worden, waarvan we zelfs eerder mogen zeggen dat ze over het geheel, niettegenstaande het ascetisme dat er aan ten grondslag ligt, een zekere teerheid openbaren en een toegevendheid jegens het lichaam, terwijl zelfs Paulus, hoewel hij niet zacht is voor het lichaam, tot eerbied er voor aanspoort als voor een tempel van den Heiligen Geest.Wij kunnen niet verwachten, dat wij de Kerkvaders sympathiek gezind zullen vinden tegenover het vertoonen van het naakte menschelijk lichaam, want hun positie was gegrond op een opstand tegen het heidendom en het heidendom had het lichaam gekoesterd. De naaktheid was meer speciaal verbonden geweest met het publieke bad, het gymnasium en het tooneel; en daar het van harte deze heidensche instellingen afkeurde, werkte het Christendom de naaktheid tegen. Het feit, dat gemeenzaamheid met de naaktheid eer gunstig dan ongunstig was voor de kuischheid, waaraan ze zooveel waarde hechtte, kon de Kerk—hoewel ze op zekeren tijd de naaktheid opnam in het ritueel van den doop—voor het grootste deel niet inzien, als deze kuischheid al werkelijk een feit was, hetwelk de speciale condities van het decadente klassieke leven neiging hadden gehad te verbergen. Maar in hun bepaalde voorkeur voor het aangekleede lichaam boven het naakte aarzelden de eerste Christenen dikwijls om den verderen stap te doen door te verzekeren, dat het lichaam een brandpunt is van onreinheid en dat de physieke sexueele organen een uitvindsel zijn van den duivel. Integendeel spraken sommige van de beroemdste Kerkvaders, vooral zij die tot de Grieksche kerk behoorden en die den levenwekkenden adem gevoeld hadden van het Grieksche denken, zich nu en dan uit over de onderwerpen natuur, sekse, en het lichaam in een geest, die de instemming verworven zou hebben van Goethe en Whitman.Clemens van Alexandrië was, met al de excentriciteit van zijn overfijn intellect, de meest Grieksche van al de Kerkvaders en het is niet te verwonderen, dat de laatste glimp van klassiek licht, die van zijn geest uitstraalde, eenig licht wierp over deze kwestie van sekse. Hij protesteerde bv. tegen die preutschheid die, toen de zon van de klassieke wereld onderging, begonnen was het leven te overschaduwen. “Wij moeten ons niet schamen te noemen wat God zich niet geschaamd heeft te maken”8. Het was een merkwaardige verklaring omdat, terwijl ze het oude klassieke gevoel aannam van geen schaamte jegens de natuur, ze dat gevoelplaatste op een nieuwe en godsdienstige basis in overeenstemming met het Christendom. Over het geheel, hoewel niet altijd consequent, verdedigt Clemens van Alexandrië het lichaam en de sexueele functies tegen hen, die ze met verachting behandelden. En daar de zaak van het geslacht de zaak is der vrouwen, houdt hij de waardigheid der vrouwen altijd krachtig staande en verkondigt hij ook de heiligheid van het huwelijk, een staat, dien hij somtijds plaatst boven dien der maagdelijkheid?9Ongelukkig, het moet gezegd worden, meende de heilige Augustinus—een andere Noord-Afrikaner, maar uit Romeinsch Carthago en niet uit Grieksch Alexandrië—dat hij een overtuigend antwoord had op het argument dat Clemens opperde, en zoo groot was de kracht van zijn hartstochtelijk en machtig genie, dat hij ten slotte zijn antwoord overheerschend kon maken. Voor Augustinus was de zonde erfelijk, en de zonde had haar specialen zetel in de sexueele organen; de daad der zonde had de oorspronkelijke goddelijke daad der schepping gewijzigd, en wij kunnen de sekse en de sexueele organen niet behandelen alsof er geen erfzonde was geweest. Onze genitaliën, verklaart hij, zijn schandelijk geworden omdat zij, door de zonde, nu in beweging gebracht worden door de wellust. Toch neemt Augustinus op verre na niet de middeleeuwsche ascetische houding aan van minachtenden haat jegens het lichaam. Niets kan verder van Odo van Cluny af zijn dan het enthusiasme van Augustinus over het lichaam, zelfs over de volkomen harmonie van de deelen onder de huid. “Ik geloof, dat wij tot het besluit kunnen komen”, zegt hij zelfs, “dat bij het scheppen van het menschelijk lichaam de schoonheid meer in het oog gehouden is dan het nut. Waarlijk, nut is een voorbijgaand iets, en de tijd zal komen dat we elkanders schoonheid kunnen genieten zonder wellust”10. Zelfs in de sfeer van sekse zou hij geneigd zijn reinheid en schoonheid aan te nemen, afgescheiden van den erfelijken invloed van Adam’s zonde. In het Paradijs, zegt hij, als het Paradijs was blijven bestaan, zou de daad van het voortbrengen even eenvoudig zijn geweest en vrij van schande als de daad van de hand bij het uitstrooien van het zaad op de aarde. “Sexueele vereeniging zou onder de heerschappij van den wil geweest zijn zonder eenig sexueel verlangen. Het zaad zou in de vagina gebracht worden op even eenvoudige wijze als de menstrueele vloeistof er nu uitgeworpen wordt. Er zouden geen woorden geweest zijn die obsceen genoemd konden worden, maaral wat van deze deelen kon gezegd worden, zou even rein geweest zijn als wat gezegd wordt van de andere deelen van het lichaam”11. Dat is echter voor Augustinus wat had kunnen wezen in het Paradijs, waar, naar hij meende, sexueel verlangen niet bestond. Zooals de dingen zijn, meende hij, is het juist dat wij ons schamen, doen wij goed te blozen. En het was natuurlijk dat, zooals Clemens van Alexandrië vermeldt, vele ketters verder gingen op dezen weg en geloofden dat, terwijl God den mensch maakte tot aan den navel, de rest door een andere macht gemaakt was; zulke ketters hebben zelfs nu nog hun aanhangers onder ons.Evenzeer in de Oostersche als in de Westersche kerken echter, zoowel voor en na Augustinus, hoewel niet dikwijls er na, hebben groote Kerkvaders en leeraars meeningen geuit, die eer die van Clemens dan die van Augustinus herroepen. Wij kunnen niet veel waarde hechten aan de uiting van den buitensporigen en dikwijls zichzelf tegensprekenden Tertullianus, maar het is de moeite waard op te merken, dat, terwijl hij verklaarde dat de vrouw de poort is tot de hel, hij toch ook gezegd heeft, dat wij de natuur moeten naderen met eerbied en niet met een blos. “Natura veneranda est, non erubescenda”. “Geen Christelijk schrijver”, heeft men gezegd, “heeft zoo energiek gesproken tegen de kettersche verachting van het lichaam als Tertullianus. Lichaam en ziel zijn, volgens Tertullianus, ten nauwste verbonden. De ziel is het levensprincipe van het lichaam, maar er is geen werkzaamheid van de ziel, die zich niet openbaart door en invloed ondervindt van het vleesch”12. Van meer belang is Rufinus Tyrannius, de vriend en medeleerling van den heiligen Jeronimus, in de vierde eeuw, die een commentaar schreef op de Apostolische geloofsleer, die zeer in aanzien was bij de oude en middeleeuwsche kerk en die zelfs nu nog gewaardeerd wordt. Rufinus zegt, in antwoord aan hen, die verklaarden dat er obsceniteit was in het feit van de geboorte van Christus door de sexueele organen van een vrouw, dat God de sexueele organen geschapen heeft, en dat “het niet de natuur is, maar alleen de opinie der menschen, die ons leert dat deze deelen obsceen zijn. Verder zijn al de deelen van het lichaam gemaakt van dezelfde klei, welke verschillen er ook mogen zijn in hun gebruik en hun functies”13. Hij bekijkt de zaak zooals wezien, wel vroom, maar toch natuurlijk en eenvoudig, zooals Clemens, en niet zooals Augustinus door het verwringende medium van een theologisch systeem. Athanasius sprak in de Oostelijke Kerk in denzelfden geest als Rufinus in de Westelijke. Een zekere monnik, genaamd Amun, had veel verdriet ondervonden door het voorkomen van zaaduitstortingen in den slaap, en hij schreef aan Athanasius om te vragen of zulke uitstortingen zonde zijn. In den brief, dien hij tot antwoord schreef, tracht Athanasius Amun gerust te stellen. “Alle dingen”, zegt hij tot hem, “zijn rein voor den reine. Want wat, vraag ik u, lieve en vrome vriend, kan er voor zondigs of van nature onreins zijn in een uitwerpsel? De mensch is het werk van Gods handen. Er is zeker niets in ons dat onrein is”14. Als wij deze uitingen lezen, gevoelen wij, dat de zaden van preutschheid en verhitheid reeds in den geest van het volk aanwezig zijn, maar toch zien wij ook dat sommige van de meest bekende denkers van de eerste Christelijke Kerk in opvallend contrast met de meer ziekelijke en kleingeestige middeleeuwsche asceten, duidelijk afgezonderd stonden van de populaire beweging. Over het geheel werden zij overstemd, omdat het Christendom, evenals het Boeddhisme, van het begin af aan een kiem in zich droeg, die zich leende tot ascetische onthouding, en het sexueele leven is altijd de eerste impuls, die opgeofferd moet worden aan den hartstocht voor onthouding. Maar er waren ook andere kiemen in het Christendom, en Luther, die op zijn eigen plebejische wijze opkwam voor de rechten van het lichaam, ofschoon hij brak met het middeleeuwsch ascetisme, stelde daardoor geenszins de tradities van de oudste Christelijke Kerk ter zijde.Ik heb gemeend, dat het de moeite waard was dezen bewijsgrond aan te voeren, alhoewel ik zeer wel weet, dat de feiten der Natuur geen meerderen steun verkrijgen door het gezag van de Kerkvaders of zelfs van den Bijbel. De natuur en de menschheid hebben bestaan vóór den Bijbel en zouden voortgaan te bestaan al zou de Bijbel vergeten zijn. Maar de houding van het Christendom op dit punt is zoo dikwijls zonder voorbehoud veroordeeld geworden, dat het wel goed schijnt aan te toonen, dat in zijn beste oogenblikken, toen het een jonge en aangroeiende macht in de wereld was, de uitingen van het Christendom dikwijls gelijkluidend waren met die van de Natuur en van de rede. Er zijn vele menschen, mogen we er aan toevoegen, die het een troost vinden te weten, dat zij, als zij in deze zaak den natuurlijken en verstandelijken weg volgen, daardoor niet geheel en al breken met de godsdienstige tradities van hun ras.Het is wel nauwelijks noodig op te merken, dat wij, als wij ons van het Christendom afwenden naar de andere groote wereldgodsdiensten, gewoonlijkzoo’n dubbelzinnige houding jegens de sekse niet ontmoeten. De Mohammedanen waren even nadrukkelijk in het beweren, dat de sekse heilig was, als zij waren in hun zorg voor de lichamelijke reinheid; zij waren bereid de sexueele functies in het leven hiernamaals mee te nemen, en zij hebben zich nooit, zooals Luther en zoo vele andere Christenen, vermoeid met peinzen over het gebrek aan bezigheid in den Hemel. In Indië, hoewel Indië het tehuis is van de uiterste vormen van godsdienstig ascetisme, is de sexueele liefde in een grootere mate, geheiligd en vergoddelijkt geworden dan in eenig ander deel van de wereld. “Het schijnt nooit in de hoofden van de Hindoe-wetgevers te zijn opgekomen”, zeide Sir William Jones lang geleden (Works, vol. ii, p. 311), “dat iets natuurlijks hinderlijk obsceen zou kunnen zijn, een eigenaardigheid, die al hun geschriften doordringt, maar die geen bewijs is voor de verdorvenheid van hun zeden”. De sexueele daad heeft in Indië dikwijls een godsdienstige beteekenis gehad, en de meest nauwkeurige bijzonderheden van het sexueele leven en de verscheidenheden ervan zijn in Indische erotische verhandelingen op ernstige wijze besproken, terwijl nergens anders de anatomische en physiologische sexueele eigenaardigheden van vrouwen met zulk een nauwkeurigen en devoten eerbied zijn bestudeerd. “Liefde heeft in Indië, zoowel in theorie als in de praktijk” merkt Richard Schmidt op (Beiträge zur Indischen Erotik, p. 2) “een belangrijkheid, zooals wij ons zelfs niet kunnen voorstellen”.In Protestantsche landen heeft de invloed van de Hervorming, door de sekse als iets natuurlijks in eere te herstellen, indirect er toe geleid, in het populaire voelen jegens de sekse den smaad van zondigheid te vervangen door den smaad van dierlijkheid. Voortaan moet de sexueele impuls worden verborgen of opgetooid, om fatsoenlijk menschelijk te worden. Dit blijkt duidelijk uit een passage in het dagboek van Pepys, in de zeventiende eeuw. Op den morgen na den huwelijksdag was het gewoonte pas getrouwde menschen met muziek wakker te maken; de afwezigheid van deze muziek bij een bepaalde gelegenheid (in 1667), maakte op Pepys den indruk “alsof zij zoo maar als een paar honden bij elkaar waren gekomen”. Wij geven niet langer om de muziek, maar hetzelfde gevoelen bestaat nog in den wensch naar andere vermommingen en versieringen voor den sexueelen impuls. Wij stellen ons niet altijd duidelijk voor oogen, dat liefde haar eigen heiliging met zich brengt.Als tegenwoordig de tegenzin tegen de sexueele zijde van het leven zich vertoont, wordt bijna altijd beweerd niet zoozeer, dat ze “zondig” is als wel dat ze “dierlijk” is. Ze wordt beschouwd als dat deel van den mensch, dat hem het nauwste verbindt met de lagere dieren. Het moest nauwelijks noodig zijn er op te wijzen, dat dit een dwaling is. Van wat voor zijde we ze ook naderen, de bewering, dat sekse bij den mensch en bij de dieren hetzelfde is kan niet volgehouden worden. Van het standpunt van hen, die deze identiteit aannemen, zou het juister zijn te zeggen, dat de menschen inferieur zijn aan de dieren, dan dat ze gelijk zijn met de dieren, want bij dieren is onder natuurlijke omstandigheden het sexueele instinct strikt ondergeschikt aan de voortplantingen zeer weinig onderhevig aan afwijking, zoo dat van het standpunt van hen, die de sekse willen kleineeren, de dieren dichter bij het ideaal zijn, en zulke menschen moeten met Woods Hutchinson zeggen: “Alles te zamen genomen hebben onze dier-voorouders evenveel reden zich over ons te schamen, als wij over hen”. Maar als we de zaak bezien van een ruimer biologisch standpunt van ontwikkeling, dan moet onze conclusie geheel verschillend zijn.Wel verre van aan de dieren gelijk te zijn, behooren de menschelijke sexueele impulsen onder de minst op de dieren gelijkende aanwinsten van den mensch. De menschelijke sexueele sfeer verschilt in een buitengewoon groote mate van de dierlijke sexueele sfeer15. Ademhalen is een dierlijke functie en hierin kunnen we niet wedijveren met de vogels; beweging is een dierlijke functie en hier kunnen wij de viervoeters niet evenaren; wij zijn niet merkbaar vooruit gegaan wat onze circuleerende, verteringbevorderende, nier- of leverfuncties betreft. Zelfs wat het gezicht en het gehoor betreft, zijn er veel dieren, die scherper van gezicht zijn dan de mensch, en vele, die in staat zijn geluiden te hooren, die voor hem onhoorbaar zijn. Maar er zijn geen dieren, waarbij het sexueele instinct zoo gevoelig is, zoo hoog ontwikkeld, zoo verscheiden in zijn uitingen, zoo voortdurend waakzaam, zoo in staat om uit te stralen naar de hoogste en de verst verwijderde deelen van het organisme. De sexueele werkzaamheden van den man en van de vrouw behooren niet tot dat lagere deel van onze natuur, dat ons degradeert tot het niveau van het “dier”, maar tot het hoogere deel, dat ons opheft tot al de hoogste werkzaamheden en idealen, waartoe we in staat zijn. Het is waar, dat er voornamelijk in den mond van enkele onwetende en slecht opgevoede vrouwen over sekse gesproken wordt als “dierlijk” of als “het dierlijke deel van onze natuur”16. Maar daar vrouwen de moeders en de onderwijzeressen zijn van het menschelijk ras is dit een onwetendheid en een blijk van slechte opvoeding, die niet te spoedig met wortel en tak kunnen uitgeroeid worden.Er zijn sommigen, die schijnen te denken, dat zij de weegschaal in evenwicht hebben gehouden en de zaak voor goed opgelost, als zij erkennen, dat sexueele liefde zoowel mooi kan zijn als walgelijk, en dat beide beschouwingen even normaal en wettig zijn. “Luister om de beurt”, merkt Tarde op, “naar twee mannen,die de een koud, de ander vurig, de een kuisch, de ander verliefd, beiden even welopgevoed en ruim van geest, de waarde van hetzelfde ding bepalen: de een noemt walgelijk, leelijk, weerzinwekkend en dierlijk, wat de ander heerlijk, verrukkelijk, onuitsprekelijk, goddelijk noemt. Wat voor den een, in de Christelijke phraseologie, een onvergeeflijke zonde is, dat is voor den ander de staat van ware genade. Daden, die voor den een een treurige en nu en dan voorkomende noodzakelijkheid schijnen te zijn, vlekken die zorgvuldig uitgewischt moeten worden door lange tusschenpoozen van zelfbeheersching, zijn voor den ander de gouden spijkers, waar het geheele overige levensgedrag en bestaan van afhangt, de dingen, die alleen aan het menschelijk leven zijn waarde geven”17. Toch mogen we wel betwijfelen of deze beide personen “even welopgevoed en ruim van geest” zijn. De wilde gevoelt, dat sekse gevaarlijk is en hij heeft gelijk. Maar de mensch, die gevoelt dat de sexueele impuls slecht is, of zelfs maar laag bij den grond en vulgair, is een absurditeit in het heelal, een afwijking. Hij is evenals die menschen in onze krankzinnigengestichten, die gevoelen, dat het instinct om zich te voeden slecht is en zoo er toe overgaan om zich uit te hongeren. Zij zijn evenzeer geestelijke verworpelingen in het heelal, welks kinderen zij zijn. Het is een andere zaak, als een mensch verklaart, dat hij persoonlijk in zijn geval een ascetisch ideaal heeft, dat hem er toe brengt zich zooveel mogelijk te onthouden van een van beide of van beide impulsen. De mensch, die gezond ascetisch is, streeft naar een discipline, die te hulp komt aan het ideaal, dat hij zich persoonlijk gesteld heeft. Hij kan theoretisch nog in harmonie blijven met het heelal, waartoe hij behoort. Maar verachting uit te spreken over het sexueele leven, den sluier der “onreinheid” er over uit te spreiden, dat is, zooals Nietzsche verklaarde, de onvergeeflijke zonde tegen den Heiligen Geest van het Leven.Er zijn veel menschen, die vooroordeel en rede trachten te verzoenen in hun waardeering van de liefde door een scherpe scheidingslijn te trekken tusschen “lust” en “liefde”, de eene verwerpend en de andere goedkeurend. Het is zeer juist zulk een onderscheid te maken, maar de wijze waarop het gemaakt wordt, kan gewoonlijk in het geheel geen onderzoek verdragen. Wij moeten uitmaken, wat we meenen met “wellust” en wat we meenen met “liefde”, en dat is niet gemakkelijk, als zij beschouwd moeten worden alsof ze elkaar uitsluiten. Soms wordt gezegd, dat we onder “lust” moeten verstaan een roekeloos toegeven aan den sexueelen impuls zonder op andere overwegingen te letten. Als we hem zoo verstaan, kunnen we hem veilig verwerpen. Maar dat is een volkomen willekeurige definitie van het woord. “Lust”is inderdaad een zeer dubbelzinnig woord; het is een goed woord, dat zijn moreele waarde veranderd heeft, en daarom moeten wij het zeer zorgvuldig verklaren, eer wij het durven gebruiken. Eigenlijk gezegd, is “lust” een volkomen kleurloos woord18en beteekent eenvoudig verlangen in het algemeen en sexueel verlangen in het bijzonder; het komt overeen met “honger” of “dorst”; het in een beleedigende beteekenis te gebruiken is ongeveer hetzelfde als aan te nemen, dat het woord “hongerig” dezelfde beleedigende beteekenis heeft als “begeerig”. Het resultaat is geweest, dat gevoelige geesten verontwaardigd het woord “lust” in verband met de liefde verwerpen19. In het vroegste gebruik van onze taal, had “lust” den zin van gezonde en normale sexueele kracht; nu is het woord zoo zeer naar beneden gehaald, dat, hoewel het gemakkelijk zou zijn het weer op zijn juiste plaats, die nog open blijft, te brengen, de poging hiertoe welhaast een hopelooze taak lijkt. Wij hebben de bronnen van gevoel in deze zaken zoozeer vergiftigd met middeleeuwsche ascetische ruwheden, dat al onze woorden voor sekse spoedig neiging-hebben met modder bespat te geraken; we kunnen ze oprapen uit de modder, waarin ze gevallen zijn en trachten ze te reinigen, maar aan vele oogen zullen ze toch nog vuil toeschijnen. Een gevolg van deze neiging is, dat wij geen eenvoudig, precies, natuurlijk woord hebben voor de liefde van de seksen, en we gedwongen worden onze toevlucht te nemen tot den algemeenen term, die zoo veelomvattend is, dat men in Engeland en in de meeste andere landen die den toon aangeven, met hetzelfde woord spreekt van God “liefhebben” of van eten “houden”.Liefde, in de sexueele beteekenis, is in het kort beschouwd, een samenstelling van lust (in den primitieven en ongekleurden zin van sexueele aandoening) en vriendschap. Er kan geen sexueele liefde zijn zonder lust; maar, aan den anderen kant, niet voordat stroomen van lust in het organisme zijn uitgestraald, zoo, dat zij andere deelen van het psychische organisme raken—ten minste de aandoeningen en de maatschappelijke gevoelens—is het sexueele liefde. Lust, de specifieke sexueeleimpuls, is wel het eerste en meest essentieele element in deze samenstelling, want die alleen is geschikt voor het doel van de reproductie, niet alleen bij dieren maar ook bij menschen. Maar niet voordat lust zich uitgezet heeft en uitgestraald is, ontwikkelt hij zich tot de heerlijke en betooverende bloem der liefde. Wij mogen ons voor den geest halen, wat onder de planten gebeurt: aan den eenen kant hebben wij de lagere organismen, waarbij het sexueele leven beknopt en cryptogamisch voortgaat zonder ooit eenigen overvloed van schitterende bloemen over de wereld uit te storten, en aan den anderen kant de hoogere planten, waar sekse zich geopenbaard vertoont en zich aanmerkelijk uitgezet heeft in vorm en kleur en geur.Terwijl “lust” natuurlijk over de geheele wereld bekend is, en er overal woorden zijn om hem aan te duiden, is “liefde” niet algemeen bekend, en in vele talen zijn er geen woorden voor “liefde”. De mislukte pogingen om liefde te vinden, zijn dikwijls opmerkelijk en onverwacht. We kunnen ze soms vinden, waar we ze het minst verwachten. Het sexueele verlangen raakte zelfs bij sommige dieren geïdealiseerd, (zooals Sergi opgemerkt heeft), voornamelijk bij vogels, want als een vogel zich dood treurt over zijn wijfje, kan dat niet voortkomen uit het ongecompliceerde sexueele instinct, maar moet het de combinatie in zich sluiten van dat instinct met de andere levenselementen in een mate, die zeldzaam is zelfs onder de meest beschaafde menschen. Sommige wilde stammen schijnen geen fundamenteele voorstelling te hebben over liefde, en (zooals de Amerikaansche Nahua’s) geen elementair woord er voor, terwijl er, aan den anderen kant, in Quichua, in de taal van de oude Peruvianen, bijna zeshonderd combinaties zijn van het werkwoordmunay, liefhebben. Bij sommige volken schijnt de liefde beperkt te zijn tot de vrouwen. Letourneau (L’Evolution Littéraire, p. 529) wijst er op, dat in verschillende deelen van de wereld vrouwen de leiding genomen hebben in het scheppen van erotische poëzie. In dit verband mogen we de opmerking maken, dat zelfmoorden uit erotische overwegingen bij primitieve volken voornamelijk voorkomen onder vrouwen (Zeitschrift für Sozialwissenschaft, 1899, P. 578). Verscheidene natuurvolken hebben liefdeliederen, b.v. de Suaheli (Velten, in zijnProsa und Poesie der Suaheli, wijdt een deel aan liefdeliederen, geschreven in de taal der Suaheli). D. G. Brinton zegt, in een belangwekkend geschrift over “The Conception of Love in Some American Languages” (Proceedings American Philosophical Society, vol. XXIII, p. 546; 1886), dat de woorden voor liefde in deze taal blijk geven van vier hoofdwijzen om het begrip uit te drukken: (1) ongearticuleerde uitroepen van emotie; (2) betuigingen van hetzelfde te zijn of op elkaar te gelijken; (3) betuigingen van samen te hooren en verbonden te zijn; (4) betuigingen van een wensch, verlangen of een begeerte. Brinton voegt er bij, dat “deze zelfde denkbeelden ten grondslag liggen aan de meeste woorden voor liefde in de groote Arische taalgroep”. Het opmerkelijke feit doet zich echter voor, dat de menschen, die de Arische taal spraken, langzaam waren in het ontwikkelen van hun opvatting van sexueele liefde. Brinton merkt op, dat de Amerikaansche Mayas gesteld moeten worden boven de volken van oude Arische beschaving, in dit opzicht, dat zij een grondwoord bezitten voor de vreugde der liefde, dat naar zijn beteekenis zuiver psychisch was en strikt betrekking had op den geestelijken toestand, en niet op gelijkheid noch op verlangen. Zelfs de Grieken waren laat met het vormen van eenig ideaal van sexueele liefde. Dit is duidelijk aangetoond door E. F. M. Benecke in zijnAntimachus of Colophon and the Position of Women in Greek Poetry, een boek, dat eenige gewaagde stellingenbevat, maar dat van het tegenwoordige standpunt uit zeer leerzaam is. De Grieksche lyrische dichters schreven om zoo te zeggen geen liefdeliederen aan vrouwen vóor Anacreon, en de zijne werden eerst geschreven toen hij oud was. Ware liefde was voor de Grieken bijna altijd homosexueel. De Ionische lyrische dichters van het oude Griekenland beschouwden de vrouw alleen als speelgoed en als de stichtster van de familie. Theognis vergelijkt het huwelijk bij het fokken van vee; Alcman spreekt, als hij complimenteus wil zijn voor de Spartaansche meisjes, van haar als van zijn “vrouwelijke vrienden”. Aeschylus laat zelfs een vader zeggen, dat zijn dochters zich zullen misdragen als zij aan zichzelf zijn overgelaten. Er is geen sexueele liefde bij Sophocles, en bij Euripides zijn het alleen de vrouwen die verliefd worden. Benecke komt tot het besluit (p. 67), dat in Griekenland sexueele liefde tot een tamelijk laat tijdstip in minachting was, en dat ze beschouwd werd als niet waardig om in het publiek besproken of voorgesteld te worden. Het was in Groot-Griekenland eerder dan in Griekenland zelf, dat mannen belangstelling hadden voor vrouwen, en het was niet eerder dan in den tijd van Alexander, en vooral bij Asclepiades, zegt Benecke, dat de liefde van vrouwen beschouwd werd als een zaak van leven en dood. Daarna komt de opvatting van de sexueele liefde, van het romantisch gezichtspunt, in het Europeesche leven. Met de Keltische geschiedenis van Tristam verschijnt ze, naar Gaston Paris opmerkt, eindelijk in de Christelijke Europeesche wereld der poëzie als het voornaamste punt in het menschelijk leven, de groote drijfkracht voor het gedrag der menschen.Romantische liefde is echter tot de massa in Europa niet doorgedrongen. In de zestiende eeuw, of in den tijd dat de ballade van “Glasgerion” geschreven werd, zien wij aangenomen, dat de verhouding van een boer tot zijn meisje beperkt is tot de enkele daad van sexueelen omgang; hij kust haar niet bij het komen of bij het weggaan; alleen de ridder, de man van de hoogere klasse denkt er aan, die teedere beleefdheid aan te bieden. En heden ten dage is, bijvoorbeeld in de streek tusschen Oost-Friesland en de Alpen, naar Bloch meedeelt (Sexualleben unserer Zeit, p. 29) in navolging van E. H. Meyer, het woord “liefde” bij de groote massa onbekend en erkent men alleen den ruwen tegenhanger ervan.Aan de andere zijde van de wereld, in Japan, schijnt sexueele liefde evenzeer in discrediet te zijn als het was in het oude Griekenland; zoo merkt Miss Tsuda, het hoofd van een Japansche school en zelf een Christin, op (zooals aangehaald wordt door Mrs. Fraser inWorld’s Work and Play, Dec.1906): “Dat woord “liefde” is tot nog toe een woord geweest, dat niet bekend was onder onze meisjes, in de buitenlandsche beteekenis. Plicht, onderwerping, vriendelijkheid—dat waren de gevoelens, die een meisje voor den echtgenoot moest hebben, die voor haar gekozen was—en vele gelukkige, harmonische huwelijken waren hiervan het resultaat. Nu zeggen uwe lieve, sentimenteele buitenlandsche vrouwen tot onze meisjes: “Het is slecht te trouwen zonder liefde; de gehoorzaamheid aan ouders voert in zulk een geval tot geweld aandoen aan de natuur en aan het Christendom. Als je van een man houdt, moet je alles opofferen om hem te trouwen”.”Als liefde echter volledig ontwikkeld is, wordt ze een aandoening van een enorme uitgebreidheid en zeer samengesteld, en lust wordt, zelfs in de beste beteekenis van dat woord, een element, dat staat naast vele andere elementen. Herbert Spencer heeft, in een belangwekkende passage van zijnPrinciples of Psychology(Deel IV, hoofdst. VIII), liefde ontleed in negen onderscheiden en belangrijke elementen: (1) de physieke sexueele impuls; (2) het gevoel voor schoonheid; (3) genegenheid; (4) bewondering en eerbied;(5) behoefte aan goedkeuring; (6) gevoel van eigenwaarde; (7) gevoel van eigendomsrecht; (8) grooter vrijheid van handelen door de afwezigheid van persoonlijke hinderpalen; (9) verheffing van de sympathieën. “Deze hartstocht”, zegt hij ten slotte,“smelt de meeste van de elementaire opwindingen, waartoe we in staat zijn, tot een enorm groote massa samen”.Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat het definieeren van de sexueele liefde, of zelfs het ontleden van de samenstellingen ervan, in het geheel niet hetzelfde is als het verklaren van het mysterie. Wij trachten ons verstand te bevredigen door middel van een samenhangend beeld der liefde, maar de afstand tusschen dat beeld en de werkelijkheid van de aandoening, die we ondervinden, moet altijd onmeetbaar en niet te overbruggen zijn. “Er is geen woord dat meer uitgesproken wordt dan dat van liefde”, schreef Bonstetten vele jaren geleden, “en toch is er geen onderwerp, dat geheimzinniger is. Van dat, wat ons het naaste raakt, weten we het minste. Wij kunnen den loop van de sterren en we weten niet, hoe we liefhebben”. En hoe bedreven we ook geworden zijn in het ontdekken en ontleden van de oorzaken, de bijkomstigheden en de resultaten van de liefde, moeten we toch nog heden dezelfde bekentenis doen. Wij kunnen trachten, zooals sommigen gedaan hebben, liefde te verklaren als een vorm van honger en dorst, of als een kracht, die overeenkomt met electriciteit, of als een soort van magnetisme, of als een soort van chemische affiniteit, of als een reflexwerking, maar deze verklaringen zijn niets meer dan pogingen om voor onszelf de grootheid van het verschijnsel, waarmee we te doen hebben, tot uitdrukking te brengen.Wat altijd de menschen bij het denken over de sexueele liefde verbluft heeft, is de schijnbare onevenredigheid van de oorzaak ervan, het enorme verschil tusschen het noodzakelijk beperkte deel slijmvlies, dat het einddoel van zulke liefde is en de oceaan van wereld-omvattende gevoelens, waartoe het de toegang verleent, zoodat, naar Remy de Gourmont gezegd heeft, “de slijmvliezen, krachtens een onoplosbaar mysterie, in hun donkere plooien al de rijkdommen besloten houden van het oneindige”. Het is een mysterie, waardoor de denker en de kunstenaar gelijkelijk overweldigd worden. Donnay beeldt, in zijn spel L’Escalade, een koud en streng man van de wetenschap uit, die liefde alleen beschouwt als een geestelijke ongesteldheid, die genezen kan worden evenals andere ongesteldheden en die tenslotte zelf wanhopig verliefd wordt. Hij dringt in de kamer van het meisje binnen op een ladder, midden in den nacht, en breekt los in een langen en hartstochtelijken woordenvloed: “Alles wat met je in aanraking komt, wordt voor mij geheimzinnig en heilig. O! te denken, dat iets zoo wel bekends als een vrouwenlichaam, dat beeldhouwers gemodelleerd hebben, waar dichters over gezongen hebben, dat mannen van de wetenschap, zooals ik, hebben ontleed, dat dit plotseling een onbekend mysterie moet worden en een oneindige vreugde, alleen omdat het ’t lichaam is van een bepaalde vrouw—wat een waanzin! En toch, dat is, wat ik gevoel”20.Dat de liefde een natuurlijke waanzin is, een tijdelijke begoocheling, die het individu gedwongen is te lijden ter wille van het ras, is een uitleg, die menigeen, die door dit mysterie in verwarring is geraakt, in de gedachte is gekomen. Dat was, zooals wij weten, de uitleg, door Schopenhauer gegeven. Als een jonge man en een meisje elkaar in de armen vallen in liefdesextase, dan verbeelden zij zich, dat zij hun eigen geluk zoeken. Maar dat is zoo niet, zeide Schopenhauer; zij worden bedrogen door den genius van het ras tot zij meenen, dat zij een persoonlijk doel nastreven, opdat zij er toe gebracht zouden worden een veel grooter onpersoonlijk doel te bereiken: het scheppen van het toekomstige ras. De hevigheid van hun hartstocht is niet de maatstaf voor het persoonlijk geluk, dat zij verkrijgen zullen, maar de maatstaf voor hun geschiktheid om nakomelingschap voort te brengen. Als zij den hartstocht volgen en de raadgevingen van zorgvuldige voorzichtigheid in den wind slaan, dan offeren de jonge man en hetmeisjein werkelijkheid hun kansen op zelfzuchtig geluk op en vervullen zij de grootere doeleinden der Natuur. Zooals Schopenhauer de zaak zag, was er geen vulgaire illusie. De minnenden dachten, dat zij een grenzenloos persoonlijk geluk bereikten; zij bedrogen zich waarschijnlijk. Maar zij bedrogen zich, niet omdat de werkelijkheid minder was dan hun voorstelling, maar omdat ze meer was; inplaats van alleen maar een persoonlijk doel na te streven, zooals zij meenden, volbrengen zij het scheppingswerk van de wereld, een taak, die beter ongedaan was gebleven, zooals Schopenhauer het beschouwde, maar een taak waarvan hij de grootschheid volkomen erkende21.We moeten er aan denken, dat in de lagere beteekenis van het woord, liefde een ontgoocheling zijn kan en dat dikwijls ook is. Een man kan zich vergissen, of bedrogen worden door het voorwerp, dat hem aantrekt, in de eigenschappen die zij bezit of die ze niet bezit. Bij de eerste liefde, als ze in de jeugd voorkomt, is zulke teleurstelling zeker volkomen normaal, en bij zekere typen, die vatbaar voor indrukken en ontvlambaar zijn, heeft dit veel kans voor te komen. Deze soort van teleurstelling, hoewel ze veel meer voorkomt en veel meer in het oog valt in liefdezaken—en ernstiger is, omdat de huwelijksbandzoo strak is—heeft neiging in iedere verhouding van het leven voor te komen. Voor de meeste menschen echter, en dat wel niet voor de minst verstandige of de minst wijze, blijft de herinnering aan de liefdeverrukking, zelfs als de tijd van die verrukking voorbij is, toch bestaan als, op zijn minst, de herinnering aan een van de meest werkelijke en essentieele feiten van het leven22.Sommige schrijvers schijnen de geneigdheid tot ontgoocheling en teleurstelling in liefdeszaken te verwarren met de meeromvattende kwestie van een wijsgeerige illusie in de beteekenis van Schopenhauer. Tot zekere hoogte bestaat deze verwarring misschien in het gesprek over liefde door Renouvier en Prot inLa Nouvelle Monadologie(pp. 216 et seq.). Waar zij overwegen of liefde al of niet een begoocheling is, antwoorden zij, dat ze dat is of niet is naar gelang we al of niet worden beheerscht door zelfzucht en onrechtvaardigheid. “Het is geen essentieele dwaling geweest, die voorgezeten heeft bij de schepping van denafgod, want de afgod is alleen maar wat in alle dingen hetidealeis. Maar om het ideale in de liefde te verwezenlijken zijn er twee menschen noodig, en dat is de groote moeilijkheid. We zijn nooit gerechtigd,”zoo besluiten ze,“verachting op onze liefde te werpen, of zelfs op het voorwerp ervan; want als het waar is dat wij niet in het bezit zijn geraakt van de hoogste schoonheid van de wereld, dan is het even waar, dat wij zelf niet een trap van volmaking bereikt hebben, die ons reden zou gegeven hebben om met recht een zoo grooten prijs te eischen”. En misschien mogen we er wel aan toevoegen, dat de meeste van ons ten slotte moeten toegeven als wij eerlijk zijn jegens onszelf, dat de liefdeprijzen, die we in de wereld verkregen hebben, wat hun gebreken ook zijn, veel grooter zijn dan we verdiend hebben.Wij mogen wel erkennen, dat in zekeren zin niet alleen de liefde, maar al de hartstochten en begeerten van de menschen illusies zijn. In die beteekenis is het Evangelie van Boeddha gerechtvaardigd, en wij mogen wel de inspiratie erkennen van Shakespeare (inthe Tempest) en van Calderon (inLa Vida es Sueno), die voelden, dat ten slotte de geheele wereld een droom is zonder inhoud. Maar niet dan in deze groote en laatste visie kunnen wij van illusie spreken; wij kunnen niet toegeven, dat liefde een begoocheling is in eenige speciale en bijzondere beteekenis, waaronder de andere wenschen en aspiraties niet vallen. Integendeel is zij de meest vaste van alle werkelijkheden. Al de vormen van vooruitgang van het leven zijn opgebouwd op de sexueele aantrekking.Als wij de werking erkennen van sexueele keuze—zooals we wel bijna moeten doen als we ze ontdoen van de dingen, die er aan toegevoegd zijn zonder tot het wezen ervan te behooren23—dan heeft liefde de juiste vorm en kleur, de essentieele schoonheid gegeven, aan het leven van dieren en menschen gelijkelijk.Als wij verder bedenken dat, zooals vele onderzoekers meenen, niet alleen de physieke bouw van het leven, maar ook de geestelijke bouw ervan—onze maatschappelijke gevoelens, onze moraal, onze godsdienst, onze poëzie en kunst—ten minste in zekere mate opgebouwd zijn op de sexueele impulsen, en dat zij, als ze al bestaan hadden, zeker geheel verschillend zouden geweest zijn, als andere dan sexueele wijzen van voortplanten geheerscht hadden in de wereld, dan kunnen we gemakkelijk erkennen, dat we slechts in verwarring kunnen geraken door de liefde af te wijzen als een begoocheling. Het geheele gebouw van het leven wankelt dan, want zooals de idealist Schiller lang geleden gezegd heeft, het is geheel en al opgebouwd van honger en van liefde. Liefde te beschouwen als in eenige speciale beteekenis een begoocheling, is niets anders dan het vallen in den strik van een ondiep cynisme. Liefde is alleen maar een waan in zooverre het geheele leven een waan is, en als wij het feit van het leven aannemen, dan is het onphilosofisch te weigeren het feit van de liefde aan te nemen.Het is onnoodig hier de functies der liefde in de wereld te verheerlijken; het is voldoende de werking ervan na te gaan in eigen sfeer. Het kan echter de moeite loonen eenige uitdrukkingen aan te halen van denkers van verschillende scholen, die aangetoond hebben wat hun de ver strekkende beteekenis toescheen van de sexueele emoties voor het moreele leven. “De hartstochten zijn het hemelsch vuur, dat leven geeft aan de moreele wereld”, schreef Helvetius lang geleden inDe l’Esprit. “De werkzaamheid van den geest is afhankelijk van de werkzaamheid van de hartstochten, en het is ten tijde van de hartstochten, van den leeftijd van vijf en twintig tot vijf en dertig of veertig, dat mannen tot de grootste inspanningen van deugd en genie in staat zijn”. “Wat de sekse raakt”, schreef Zola, “raakt het middelpunt van het maatschappelijk leven”. Zelfs ons gevoel voor de goed- of afkeuring van anderen heeft een sexueelen oorsprong, beweert Professor Thomas (Psychological Review, Jan. 1904, pp. 61–67), en het is de liefde, die de bron is van gevoeligheid in het algemeen en van de altruïstische zijde van het leven. “Het optreden van sekse”, tracht Professor Woods Hutchinson aan te toonen (“Love as a Factor in Evolution”,Monist, 1898), “de ontwikkeling van mannelijkheid en vrouwelijkheid, was niet alleen de grondslag voor genegenheid, de bron van alle moraal, maar een enorm economisch voordeel voor het ras en een absolute noodzakelijkheid voor den vooruitgang. Daarin vinden we het eerst eenig bewust verlangen naar een actieven impuls jegens een medeschepsel”. “Als de mensch beroofd werd van het voortplantingsinstinct, en van alles wat daar geestelijk uit voortkomt”, riep Maudsley uit in zijnPhysiology of Mind, “dan zou op dat oogenblik alle poëzie en misschien ook alle zin voor moraal uit zijn levenverdwijnen”. “We schijnen onszelf verheerlijkt, sterker, rijker, meer volkomen toe; wezijnmeer volkomen”, zegt Nietzsche (Der Wille zur Macht, p. 389), “we vinden hier de kunst als een organische functie: we vinden ze gelegd in het meest engelachtig instinct der “liefde”: we vinden ze als de grootste prikkel van het leven … Het is niet alleen, dat ze het gevoel voor woorden verandert: hij, die liefheeft,ismeer waard,issterker. Bij dieren brengt deze toestand nieuwe wapens tot stand, kleuren en vormen, vooral nieuwe bewegingen, nieuwe rhythmen, een nieuwe verlokkende muziek. Het is niet anders met den mensch … Zelfs in de kunst is de deur voor hem geopend. Als wij uit de lyrische werken in woorden en geluiden datgene verwijderen, wat door dat inwendige vuur wordt ingegeven, wat blijft er dan over in de poëzie en de muziek?L’Art pour l’artmisschien, de bluffende virtuositeit van oude kikkers, die in hun moeras omkomen. De geheele rest is door de liefde in het leven geroepen”.Het zou gemakkelijk zijn meerdere aanhalingen te geven, die aantoonen hoeveel verschillende denkers tot de conclusie zijn gekomen, dat de sexueele liefde (daarbij ingesloten de vader- en vooral de moederliefde) de bron is van de voornaamste uitingen in het leven. In hoeverre zij gerechtvaardigd zijn in die conclusie, het is niet onze zaak er navraag naar te doen.Het is ongetwijfeld waar, dat, zooals we gezien hebben toen we de excentrieke en onvolkomene verdeeling van het begrip liefde, en zelfs van woorden voor liefde, over de geheele wereld, bespraken, volstrekt niet alle menschen even geschikt zijn om, in welken tijd van hun leven ook, de aandoeningen van sexueele exaltatie te ondervinden. Het verschil tusschen den ridder en den boer bestaat nog en beiden kunnen soms in alle maatschappelijke lagen gevonden worden. Zelfs de uitingen van sexueel genot, het is onnoodig er op te wijzen, berusten gewoonlijk op een zuiver physieken basis en hebben weinig uitwerking op het intellectueele deel der natuur24. Maar dit is niet het geval met de menschen, die het krachtigst invloed hebben uitgeoefend op de gedachte en de gevoelens van de wereld. De persoonlijke realiteit van de liefde, het belang ervan voor het leven van het individu, dat zijn feiten, waarvan getuigenis afgelegd is door eenige van de grootste denkers, na levens gewijd aan intellectueelen arbeid. De ondervinding van Renan, die tegen het einde van zijn leven in zijn merkwaardig dramaL’Abbesse de Jouarreaan zijn overtuiging uitdrukking gaf, dat, zelfs van het standpunt van kuischheid, de liefde tenslotte het hoogste is in de wereld, staat in het geheel niet alleen. “Liefde is altijd beschouwd geweest als een mindere uiting van menschelijke muziek, de eerzucht als de hoogere”, schreef Tarde, de beroemde socioloog, op het einde van zijn leven. “Maar zal het altijd zoo zijn? Zijn er geen redenen om te denken, dat de toekomst misschienvoor ons in bewaring heeft de onuitsprekelijke verrassing van een omkeering van die wereldorde?” Laplace nam, een half uur voor zijn dood, een deel op van zijn eigenMécanique Céleste, en zeide:“Dat is allemaal waardeloos, er is niets waar dan de liefde”. Comte, die zijn leven besteed had aan het opbouwen van een positieve philosophie, die absoluut werkelijk zou zijn, vond (zooals we wel kunnen zeggen, dat de groote Engelsche positivist Mill ook vond) het toppunt van al zijn idealen in een vrouw, die zooals hij zeide, was Egeria en Beatrice en Laura in éen persoon, en hij schreef: “Er is niets werkelijk in de wereld dan de liefde. Men krijgt genoeg van denken en zelfs van handelen; men krijgt nooit genoeg van liefhebben en ook niet van het te zeggen. Bij de ergste kwellingen van de liefde heb ik nooit opgehouden te voelen, dat de hoofdzaak voor geluk is, dat het hart op waardige wijze gevuld zal zijn—zelfs met pijn, de bitterste pijn”. En Sophie Kowalewsky schreef pathetisch, na intellectueele successen, die haar onder de meest beroemden van haar geslacht geplaatst hebben: “Waarom kan niemand mij liefhebben? Ik zou meer kunnen geven dan de meeste vrouwen, en toch worden de meest onbeteekenende vrouwen bemind en ik niet”. Liefde, schijnen ze allen te zeggen, is het eenige ding, dat in hoogste instantie de moeite waard is. De grootste en schitterendste van de intellectueele reuzen der wereld bereiken blijkbaar, in hun oogenblikken van hoogste inzicht, het gewone niveau van de nederige en bijna anonieme personen, die, afgesloten van de wereld, schrevenThe Imitation of ChristofThe Letters of a Portuguese Nun. En hoeveel anderen!1Meditationes Piissimae de Cognitione Humanae Conditionis, Migne’sPatrologia, vol. CLXXIV, p. 489, cap. III, “De Dignitate Animae et Vilitate Corporis”. Het kan de moeite loonen, de krachtige taal van het origineel meer uitvoerig aan te halen. “Si diligenter consideres quid per os et nares caeterosque corporis meatus egrediatur vilius sterquilinum numquam vidisti.… Attende, homo, quid fuisti ante ortum, et quid es ab ortu usque ad occasum, atque quid eris post hanc vitam. Profecto fuit quando non eras: postea de vili materia factus, et vilissimo panno involutus, menstruali sanguine in utero materno fuisti nutritus, et tunica tua fuit pelvis secundina. Nihil aliud est homo quam sperma fetidum, saccus stercorum, cibus vermium.… Quid suberbis, pulvis et cinis, cujus conceptus cula, nasci miseria, vivere poena, mori angustia?”↑2Zie (in de uitgave van Mignes)S. Odonis abbatis Cluniacensis Collationes, lib. II, cap. IX.↑3Dühren (Neue Forschungen über die Marquis de Sade, pp. 432et seq.) bewijst hoe het ascetisch beschouwen van het lichaam van de vrouw b.v. hardnekkig stand hield bij Schopenhauer en De Sade.↑4In “The Evolution of Modesty” in het eerste deel van dezeStudies, en wederom in het vijfde deel bij het bespreken van de urolagnia in de studie over “Erotic Symbolism”, zijn de wederkeerige reacties van de sexueele en de excretorische centra volledig behandeld.↑5“La Morale Sexuelle”,Archives d’Anthropologie Criminelle, Jan., 1907.↑6De bovenstaande aanhaling, nu licht gewijzigd, vormde oorspronkelijk een onuitgegeven deel van een essay over Walt Whitman inThe New Spirit, het eerst uitgegeven in 1889.↑7Zelfs in de negende eeuw echter, toen de kloosterbeweging zich snel ontwikkelde, waren er eenige, die aan de neigingen van de nieuwe asceten weerstand boden. Zoo schreef in 850 Ratramnus, de monnik, een verhandeling (Liber de eo quod Christus ex Virgine natus est) om te bewijzen, dat Maria werkelijk Jezus baarde door haar sexueele organen, en niet, zooals sommige overdreven personen begonnen te denken, dat alleen maar mogelijk kon zijn door de meer door de conventie fatsoenlijk geoordeelde borsten. De sexueele organen waren geheiligd. “Spiritus sanctus … et thalamum tanto dignum sponso sanctifivavit et portam” (Achery,Specilegium, vol. i. p. 55).↑8Paedagogus, lib. II, cap. X. Ergens anders (id., lib. II, hoofdst. VI) geeft hij meer in bijzonderheden een opgave, die hetzelfde bevat.↑9Zie bv. Wilhelm Capitaine,Die Moral des Clemens von Alexandrien, pp. 112et seq.↑10De Civitate Dei, lib. XXII, cap. XXIV. “Het is nergens voor noodig”, zegt hij weer (id., lib. XIV, cap. V) “dat wij in onze zonden en ondeugden den aard van het vleesch aanklagen tot beleediging van den Schepper, want in zijn eigen soort en in zijn eigen mate is het vleesch goed”.↑11De heilige Augustinus,De Civitate Dei, lib. XIV, cap. XXIII–XXVI. Chrysostomus en Gregorius, van Nyssa, meenden, dat in het Paradijs menschelijke wezens zich zouden vermenigvuldigd hebben door een speciale wijze van scheppen, maar dat is niet de leer, aangenomen door de katholieke kerk.↑12W. Capitaine,Die Moral des Clemens von Alexandrien, pp. 112et seq.Zonder het lichaam zou er, verklaarde Tertullianus, geen maagdelijkheid zijn en geen redding. De ziel zelf is lichamelijk. Hij voert inderdaad zijn idee van de alomtegenwoordigheid van het lichaam tot in het belachelijke door.↑13Rufinus,Commentarius in Symbolum Apostolorum, cap. XII.↑14Migne,Patrologia Græca, vol. XXVI, pp. 1170et seq.↑15Zelfs in hun physieken bouw vertoonen de menschelijke sexueele organen, in vergelijking met die van de lagere dieren, in het oog vallende verschillen (zie Havelock Ellis, “The Mechanism of Detumescence”).↑16Het kan misschien goed zijn met Forel (Die sexuelle Frage, p. 208), er op te wijzen, dat het woord “dierlijk” algemeen en gewoonlijk geheel onjuist gebruikt wordt in dit verband. Inderdaad, niet alleen voor de hoogere maar ook voor de lagere uitingen van den sexueelen impuls zou het gewoonlijk juister zijn in plaats daarvan den term “menschelijk” te gebruiken.↑17Loc. cit.,Archives d’Anthropologie Criminelle, Jan., 1907.↑18Het heeft echter kleur gekregen en is al in de oudste geschiedenis van het Christendom in verdenking gekomen. Terwijl de heilige Augustinus (De Civitate Dei, lib. xiv, cap. XV), toegeeft, dat libido of lust de algemeene naam is voor alle begeerte, voegt hij er aan toe, dat het speciaal gebruikt voor de sexueele begeerte, terecht en behoorlijk vermengd is met gevoelens van schaamte.↑19Hinton geeft een goeden uitleg van dit gevoelen. “Wij noemen lust”, zegt hij in zijn manuscript, “de eenvoudigste en natuurlijkste verlangens. We zouden evengoed honger en dorst “lust” kunnen noemen als de sexueele hartstochten, als wij alleen maar den drang van de natuur willen aanduiden. Wij noemen die ten onrechte “lust” en belasteren zoodoende wreedaardig hen, aan wie we hem toeschrijven en geven aanleiding tot absolute wanorde. Want, door dwaas de eischen der natuur te verwarren met lust, doen we ze geweld aan.”↑20Vele eeuwen tevoren had een ander Fransch schrijver, de bekende dokterA. Laurentius (Des Laurens) in zijnHistoria Anatomica Humani Corporis(lib. VIII, Quaestio VII) eveneens gepeinsd over “de ongelooflijke begeerte naarcoïtus”, en gevraagd hoe het kwam, dat “dat goddelijke dier, vol van rede en oordeel, dat wij Mensch noemen, aangetrokken moet worden tot die obscene deelen van vrouwen, die bevlekt zijn met vuil en, evenals een riool, in de onderste deelen van het lichaam geplaatst zijn”. Het is opmerkelijk, dat van het begin af aan en evenzeer onder mannen van godsdienst, mannen van wetenschap en mannen van letterkunde, de geheimzinnigheid van dit probleem zich bijzonder opgedrongen heeft aan den geest der Franschen.↑21Schopenhauer,Die Welt als Wille und Vorstellung, vol. II, pp. 608 et seq.↑22“Misschien is er wel nauwelijks een man”, schreef Maltus, een geestelijke, zowel als een van de diepste denkers van zijn tijd (Essay on the Principle of Population, 1798, hoofdst. XI), “die eenmaal het ware genot van deugdzame liefde ondervonden heeft, die, hoe groot zijn intellectueele genoegens ook geweest mogen zijn, niet op dezen tijd terugziet als op de zonnige plek van zijn geheele leven, waar zijn verbeelding gaarne verwijlt, die hij herdenkt en beschouwt met het teerste leedwezen en die hij het meest zou wenschen nog eens weer te beleven. De voorrang van intellectueele genoegens boven sexueele bestaat eerder daarin, dat ze meer tijd in beslag nemen en dat ze een wijder kring beslaan, en daarin dat ze niet zoo gemakkelijk verzadigen, dan daarin, dat ze meer werkelijk en essentieel zijn.”↑23Het geheele argument van een ander deel van dezeStudiesover “Sexual Selection in Man” wijst in deze richting.↑24“Misschien zijn wel de meeste gewone mannen”, merkt Forel op (Die sexuelle Frage, p. 307), maar in geringe mate in staat tot de opwinding der liefde; zij staan op zijn hoogst op het standpunt van dengourmet, dat in het geheel niet noodzakelijk een immoreel standpunt is, maar zeker niet het standpunt der poëzie.↑

HET WAARDEEREN VAN DE GESLACHTSLIEFDEHet begrip geslachtsliefde.—De houding van het middeleeuwsch ascetisme.—St. Bernard en St. Udo van Cluny.—Het wijzen van de asceten op het bij elkaar liggen van de sexueele en de excretie-organen.—De liefde als een sacrament der natuur.—De voorstelling van de onreinheid van wat betrekking heeft op het geslacht in de primitieve godsdiensten in het algemeen.—Theorieën over den oorsprong van deze voorstelling.—Het anti-ascetische element in den bijbel en het oudste Christendom.—Clemens van Alexandrië.—De houding van den heiligen Augustinus.—De erkenning van de heiligheid van het lichaam door Tertullianus, Rufinus en Athanasius.—De hervorming.—Het sexueele instinct beschouwd als dierlijk.—Het menschelijk sexueele instinct gelijkt niet op dat van het dier.—Wellust en liefde.—De definitie van liefde.—Liefde en namen voor liefde zijn onbekend in sommige deelen van de wereld.—De romantische liefde heeft zich eerst laat ontwikkeld bij het blanke ras.—Het mysterie van het sexueel verlangen. De kwestie of liefde een begoocheling is.—De geestelijke zoowel als de physieke bouw van de wereld berust voor een deel op sexueele liefde.—Het getuigenis van mannen van intellect voor de alléén-heerschappij van de liefde.Het zal blijken, dat de gehouden bespreking over de naaktheid een diepere beteekenis heeft dan men uit het voorafgaande zou afleiden. De hygiënische waarde, zoowel physiek als geestelijk, van gemeenzaamheid met de naaktheid gedurende de eerste jaren van het leven, hoe groot ze ook wezen mag, is niet de eenige waarde, die zulk een gemeenzaamheid bezit. Behalve haar æsthetische waarde ligt er ook een moreele waarde in, een bron van dynamische kracht. En nog een stap verder gaande, mogen we wel zeggen dat ze een geestelijke waarde heeft met betrekking tot onze geheele opvatting van de sexueele aandrift. Onze houding tegenover het naakte lichaam is de toetssteen van onze houding tegenover het geslachts-instinct. Als ons eigen lichaam en dat van onze medemenschen ons in ons binnenste schandelijk of walgelijk toeschijnt, dan zal niets ooit in werkelijkheid onze opvattingen over sexueele liefde veredelen of louteren. Liefde verlangt naar het vleesch, en als het vleesch schandelijk is, dan moet hij, dieliefheeft, schandelijk zijn. “Se la cosa amata è vile”, zooals Leonardo da Vinci vol diepe wijsheid opmerkte, “l’amante se fa vile”. Hoe onlogisch ze ook geweest mag zijn, er was inderdaad eenige rechtvaardiging voor de oude Christelijke identificatie van het vleesch met het sexueele instinct. Zij staan of vallen te zamen; wij kunnen niet het eene verlagen en het andere verheerlijken. Zooals onze gevoelens zijn tegenover de naaktheid, zoo zullen onze gevoelens zijn tegenover de liefde.“De mensch is niets dan vuil sperma, een zak vol mest, het voedsel voor wormen.… Gij hebt nooit een vuiler mesthoop gezien”. Dat was het resultaat van deMeditationes Piissimae1van St. Bernardus in het klooster. Soms wilden die middeleeuwsche monniken inderdaad wel toegeven, dat de huid een zekere oppervlakkige schoonheid bezat, maar zij gaven dat alleen toe om met meer nadruk te wijzen op de leelijkheid van het lichaam, als het ontdaan was van dezen schijn van schoonheid, en spanden al hun perverse intellectueele scherpzinnigheid en hun woeste ironie in, om met begeerigen spot te wijzen op ieder onderdeel van wat hun de armzalige menschelijke figuur toescheen. De heilige Odo van Cluny, de beminnelijke heilige, een pionier in zijn appreciatie van de wilde schoonheid der Alpen, die hij dikwijls was doorgetrokken, was er bijzonder ver in, de schoonheid van het menschelijk lichaam naar beneden te halen. Hij zegt met nadruk, dat schoonheid alleen in de huid ligt; als wij onder de huid konden zien, dan zouden vrouwen niets dan walging opwekken. Haar bekoorlijkheden zijn slechts bloed, slijm en gal. Als wij weigeren vuil en slijm aan te raken, zelfs maar met de toppen van onze vingers, hoe kunnen we dan begeeren een zak met vuil te omarmen?2De middeleeuwsche monniken van de meer beschouwende soort vonden hier dikwijls een heerlijk veld van meditatie, en de Christelijke wereld in het algemeen was er tevreden mee hun opinies in meer of minder verdunde lezing aan te nemen, of protesteerde er tenminste nooit bepaald tegen.Zelfs mannen van de wetenschap namen deze opvattingen aanen beginnen zich eerst nu los te maken van dat oude bijgeloof. R. de Graef vond het noodig in de Voorrede van zijn beroemde verhandeling over de voortbrengingsorganen van vrouwen,De Mulierum Organis Generatione Inservientibus, opgedragen aan Cosmo III de Medici in 1672, zich over het onderwerp van zijn werk te verontschuldigen. Zelfs een eeuw later veroordeelde Linnaeus in zijn groote werk,The System of Nature, als “afschuwelijk” de nauwkeurige studie der vrouwelijke genitaliën, hoewel hij het wetenschappelijk belang van zulke nasporingen toegaf. En als mannen van de wetenschap het moeilijk gevonden hebben tot een objectief standpunt te komen over vrouwen, dan kunnen we ons niet verwonderen, dat middeleeuwsche en nog oudere opvattingen dikwijls fijn doorweven zijn geweest met de ideeën van philosofische en half philosofische schrijvers3.We mogen als een speciale variëteit van het ascetisch bezien van de sekse beschouwen,—want de asceten grondden vrijelijk, zooals we zien, maar niet geheel terecht, hun ascetisme voor een groot deel op æsthetische overwegingen—dat herhaalde wijzen op het bij elkaar liggen van de sexueele en de excretorische centra, hetgeen in de oude Kerk zijn uitdrukking vond in de geringschattende bewering van Augustinus: “Inter faeces et urinam nascimur”, en dat blijft voortbestaan bij velen, die het in het geheel niet altijd in verband brengen met godsdienstig ascetisme4. “Als resultaat van welk een belachelijke zuinigheid, en van welk een Mephistopheles ironie”, vraagt Tarde5,“heeft de Natuur gemeend, dat een functie zoo verheven, zoo de poëtische en philosofische hymnen, die ze bezongen hebben, waardig, niet beter verdiende dan haar uitsluitend orgaan te hebben te zamen met dat van de minste lichamelijke functies?”Wij mogen er echter op wijzen, dat deze beschouwing van de zaak, hoewel onbewust, zelf het gevolg is van de ascetische depreciatie van het lichaam. Van een wetenschappelijk standpunt zijn de processen van stofwisseling van het lichaam van a tot z, alle met elkander ineen geweven en van gelijke waardigheid, hetzij ze chemisch of psychologisch beschouwd worden. Wij kunnen niet eenig speciaal chemisch of biologisch proces afzonderen en verklaren: Dit is leelijk. Zelfs wat wij uitwerpsel noemen, helpt nog de stof opbouwen van onze levens. Eten is sommigen een walgelijke bezigheid toegeschenen. Maar toch is het mogelijk geweest tezeggen, met Thoreau, dat “de goden inderdaad bedoeld hebben, dat de menschen zich als de goden zouden voeden, evenals zij zelve, met hun eigen nectar en ambrosia … Ik heb gevoeld, dat eten een sacrament werd, een middel tot gemeenschap, een extatische oefening, en een zitten aan de avondmaalstafel der wereld”.De sacramenten van de natuur zijn op deze wijze overal samengeweven in het weefsel van de lichamen van mannen en vrouwen. Lippen, goed om te kussen, zijn voor alles goed om mee te eten en te drinken. Zoo opeengehoopt en over elkaar heen geschoven zijn de centra van kracht langzamerhand geworden, in den langen loop der ontwikkeling, dat alle slijmvliezen van de natuurlijke lichaamsopeningen, door de gevoeligheid, die zij verkregen hebben bij hun speciale werkzaamheid, werktuigen zijn geworden, die de ziel in vervoering kunnen brengen bij de aanraking in liefde; het is nutteloos verschil te maken tusschen hoog en laag, rein of onrein; ze zijn alle gelijkelijk reeds geheiligd door de uiterste wijding der natuur. De neus ontvangt den levensadem; de vagina ontvangt het levenswater. Ten slotte moet de waarde en liefelijkheid van het leven afgemeten worden naar de waarde en liefelijkheid, die de werktuigen van het leven voor ons hebben. De zwellende borsten zijn zulke goddelijk mooie teekenen van vrouwelijkheid ter wille van het kind, dat er mogelijk aan hangen en zuigen zal; de groote lijnen van de heupen zijn zoo wellustig ter wille van het kind, dat zij mogelijk eens zullen bevatten; er kan hier geen onderscheid gemaakt worden, wij kunnen de wortels niet van den boom scheiden. Het is waar, dat de hoogste functie van de mannelijkheid—het overreiken van de levenslamp aan toekomstige rassen, ten uitvoer wordt gebracht door hetzelfde werktuig, dat tot dagelijkschen afvoer van de blaas dient. Er is honend gezegd, dat wij geboren worden tusschen urine en uitwerpselen; er kon ook, vol eerbied, gezegd worden, dat de doorgang door dit geboortekanaal een sacrament is der natuur, heiliger en van meer beteekenis dan menschen het ooit zouden kunnen bedenken.Soms zijn deze verhoudingen opgemerkt en is hun beteekenis erkend door een soort van mystischeintuïtie. Wij nemen nu en dan sporen van zulk een inzicht waar, eerst onder de dichters en later onder de medici van de Renaissance. In 1864 zet Rolfincius, in zijnOrdo et Methodus Generationi Partium etc.aan het begin van zijn tweede deel, gewijd aan de geslachtsdeelen der vrouw, uiteen, wat oude schrijvers gezegd hebben over de Eleusische en andere mysteriën en over de toewijding en reinheid, vereischt van hen, die de heilige riten naderden.“Zoo is het ook met ons,”gaat hij voort,“bij de riten van het wetenschappelijk onderzoek. Ook wij werken met heilige dingen. De geslachtorganen moeten onder heilige dingen gerekend worden. Zij, die deze altaren naderen, moeten komen met vromen geest. Laat de profanen buiten staan,laat de deuren gesloten worden”. In die dagen waren, zelfs voor de wetenschap, alleen geloof enintuïtiemogelijk. Het is eerst in de laatste jaren, dat demicroscoopvan den histoloog en het proefbuisje van den physiologischen chemicus hem van een verstandelijke basis voorzien hebben. Het is niet langer mogelijk, de natuur in tweeën te knippen en te verzekeren, dat ze hier rein is en daar onrein6.Er schijnt dus geen voldoende grond te zijn om het eens te zijn met hen, die het bij elkaar liggen van de voortbrengende en de excretorische centra beschouwen als “een dom knoeiwerk der natuur”. Een associatie, die zoo oud en primitief is als de natuur, kan alleen stuitend toeschijnen aan hen, wier gevoelens ziekelijk onnatuurlijk geworden zijn. We mogen verder opmerken, dat de anus, die aesthetisch het minst aantrekkelijke is van de excretorische centra, betrekkelijk ver verwijderd is van de sexueele centra, en dat, zooals R. Hellmann vele jaren geleden opmerkte, toen hij deze kwestie besprak (Ueber Geschlechtsfreiheit, p. 82): “In de eerste plaats pas afgescheiden urine niets bijzonder onaangenaams in zich heeft, en in de tweede plaats, als ze dat al had, we dan wel mochten bedenken, dat een rozenroode mond in het geheel niet zijn bekoring verliest, alleen omdat hij niet aanlokkend is om te kussen op het oogenblik, dat zijn bezitter bezig is te braken”.Een geestelijke oppert zelfs in een zijner geschriften, dat wij verder mogen gaan en een positief voordeel vinden in deze nabijheid. “Ik ben blij, dat gij het niet eens zijt met den man, die vond, dat de natuur geknoeid had, toen ze de genitaliën gebruikte voor de doeleinden van het urineeren; afgezien van teleologische en theologische redenen zou ik die redeneeringslijn niet kunnen volgen. Ik vind, dat er geen reden is voor walging wat de organen voor het urineeren betreft, hoewel ik gevoel, dat de anus nooit aantrekkelijk kan zijn voor den normalen geest; maar de anus is geheel afgescheiden van de genitaliën. Mijn opinie is, dat het nabij elkaar liggen een goed doel heeft, doordat het de organen min of meer geheim maakt, behalve in tijden van sexueele opwinding of in die van liefde. Het resultaat is, dat die deelen in gewone tijden een zekere mate van weerzin wekken, maar een sterke aantrekking oefenen in tijden van sexueele werkzaamheid. Vandaar dat het gewone beschermen van de geslachtsdeelen, uit vrees afkeer te wekken, zeer hun aantrekkelijkheid verhoogt op andere tijden, wanneer de sexueele werkzaamheid onbeperkt is. Verder is het gevoel van afkeer zelf alleen het resultaat van gewoonte en gevoelen, hoe nuttig het ook is, en volgens de Schrift is alles rein en goed. Het ascetisch gevoel van tegenzin berust, als we terug gaan tot zijn oosprong, op anderen dan christelijken invloed. Het christendom kwam voort uit het Judaisme, dat geen gevoel had voor de onreinheid van het huwelijk, want “onrein” beteekent in het Oude Testament eenvoudig “heilig”. De ascetische zijde van den godsdienst van het christendom is geen deel van den godsdienst van Christus, zooals hij kwam uit de handen van den stichter, en het moderne gevoel in deze zaak is een weifelend overblijfsel van de ketterij van de Manichaeërs”. Ik mag er echter wel bijvoegen, dat er, zooals Northcote zegt (Christianity and SexProblems, p.14), naast de vrije erkenning van sexualiteit in het Oude Testament, een kring van denkbeelden is, die blijk geeft van een gevoel van onreinheid en schaamte wat de sekse betreft. Het christendom heeft deze gemengde gevoelens geërfd. Het is inderdaad onder de oude en primitieve volken een ver verspreid en bijna algemeen gevoelen geweest, dat er iets onreinsen zondigs is in de dingen van het geslacht, zoodat zij, die een godsdienstig leven zouden willen leiden, sexueele verhoudingen moeten vermijden; zelfs in Indië heeft het coelibaat eerbied ingeboezemd (zie b.v. Westermarck,Marriage, pp.et seq.) Wat den oorspronkelijken grond van dit denkbeeld aangaat—dien we hier niet nauwkeuriger behoeven te bespreken—zijn vele theorieën op den voorgrond gebracht; de heilige Augustinus zet, in zijnDe Civitate Deihet vernuftige idee uiteen, dat de penis, omdat hij onderhevig is aan spontane bewegingen en erecties, die niet door den wil beheerscht worden, een orgaan is om zich over te schamen, dat de geheele geslachtssfeer in zijn schande meetrekt. Westermarck beweert, dat er onder bijna alle volken gevoelens voorkomen tegen sexueele verhoudingen met leden van dezelfde familie of hetzelfde huishouden, en daar het geslacht zoo verbannen werd uit de sfeer van het huiselijk leven, ontstond er een opvatting over de onreinheid ervan; Northcote wijst op het feit, dat het van hetbeginaf aan noodig is geweest verborgenheid te zoeken voor sexueelen omgang, omdat het paar op dat oogenblik een prooi zou zijn voor vijandelijke aanvallen, en dat door een gemakkelijken overgang de sekse beschouwd begon te worden als iets, dat verborgen behoort te worden en daarom als iets zondigs. (Diderot had reeds in zijnSupplément au Voyage de Bougainvillegewezen op dit motief voor afzondering als “het eenige natuurlijke element voor kuischheid”). Crawley heeft een groot deel van zijn suggestief werk,The Mystic Rose, gewijd aan het aantoonen van het feit, dat voor den wilde de sekse een gevaarlijk en verzwakkend element in het leven is en daarom zondig.Het zou echter een dwaling zijn te denken, dat zulke mannen als St. Bernard en de heilige Odo van Cluny, hoe bewonderenswaardig zij ook de ascetische en zelfs de algemeen Christelijke gezichtspunten van hun eigen tijd vertegenwoordigden, beschouwd moeten worden als geheel typische voorbeelden van het echt Christelijke en primitief Christelijke gezichtspunt. Voor zoover ik heb kunnen ontdekken, vinden wij deze geconcentreerde intellectueele en emotioneele woestheid van aanval op het lichaam niet tijdens de eerste duizend jaar van het Christendom; die ontwikkelde zich eerst op het oogenblik toen, met paus Gregorius VII, het middeleeuwsche Christendom de climax bereikte van zijn overwinning over de zielen van de Europeesche menschen, in de instelling van het coelibaat van de wereldlijke geestelijkheid en den groei van de groote, in kloosters verzamelde gemeenschappen van monniken in streng geregelde en afgezonderde orden7. Daarvoor deden de leeraars van het ascetisme meer hun best om aan te sporen tot kuischheid en zedigheid dan dat ze een aanval deden op het geheele lichaam; zij concentreerden hun aandachtliever op geestelijke deugden dan op physieke onvolkomenheden.En als wij tot de Evangeliën teruggaan, dan vinden we weinig van den middeleeuwschen ascetischen geest in de gezegden en daden, die van Jezus vermeld worden, waarvan we zelfs eerder mogen zeggen dat ze over het geheel, niettegenstaande het ascetisme dat er aan ten grondslag ligt, een zekere teerheid openbaren en een toegevendheid jegens het lichaam, terwijl zelfs Paulus, hoewel hij niet zacht is voor het lichaam, tot eerbied er voor aanspoort als voor een tempel van den Heiligen Geest.Wij kunnen niet verwachten, dat wij de Kerkvaders sympathiek gezind zullen vinden tegenover het vertoonen van het naakte menschelijk lichaam, want hun positie was gegrond op een opstand tegen het heidendom en het heidendom had het lichaam gekoesterd. De naaktheid was meer speciaal verbonden geweest met het publieke bad, het gymnasium en het tooneel; en daar het van harte deze heidensche instellingen afkeurde, werkte het Christendom de naaktheid tegen. Het feit, dat gemeenzaamheid met de naaktheid eer gunstig dan ongunstig was voor de kuischheid, waaraan ze zooveel waarde hechtte, kon de Kerk—hoewel ze op zekeren tijd de naaktheid opnam in het ritueel van den doop—voor het grootste deel niet inzien, als deze kuischheid al werkelijk een feit was, hetwelk de speciale condities van het decadente klassieke leven neiging hadden gehad te verbergen. Maar in hun bepaalde voorkeur voor het aangekleede lichaam boven het naakte aarzelden de eerste Christenen dikwijls om den verderen stap te doen door te verzekeren, dat het lichaam een brandpunt is van onreinheid en dat de physieke sexueele organen een uitvindsel zijn van den duivel. Integendeel spraken sommige van de beroemdste Kerkvaders, vooral zij die tot de Grieksche kerk behoorden en die den levenwekkenden adem gevoeld hadden van het Grieksche denken, zich nu en dan uit over de onderwerpen natuur, sekse, en het lichaam in een geest, die de instemming verworven zou hebben van Goethe en Whitman.Clemens van Alexandrië was, met al de excentriciteit van zijn overfijn intellect, de meest Grieksche van al de Kerkvaders en het is niet te verwonderen, dat de laatste glimp van klassiek licht, die van zijn geest uitstraalde, eenig licht wierp over deze kwestie van sekse. Hij protesteerde bv. tegen die preutschheid die, toen de zon van de klassieke wereld onderging, begonnen was het leven te overschaduwen. “Wij moeten ons niet schamen te noemen wat God zich niet geschaamd heeft te maken”8. Het was een merkwaardige verklaring omdat, terwijl ze het oude klassieke gevoel aannam van geen schaamte jegens de natuur, ze dat gevoelplaatste op een nieuwe en godsdienstige basis in overeenstemming met het Christendom. Over het geheel, hoewel niet altijd consequent, verdedigt Clemens van Alexandrië het lichaam en de sexueele functies tegen hen, die ze met verachting behandelden. En daar de zaak van het geslacht de zaak is der vrouwen, houdt hij de waardigheid der vrouwen altijd krachtig staande en verkondigt hij ook de heiligheid van het huwelijk, een staat, dien hij somtijds plaatst boven dien der maagdelijkheid?9Ongelukkig, het moet gezegd worden, meende de heilige Augustinus—een andere Noord-Afrikaner, maar uit Romeinsch Carthago en niet uit Grieksch Alexandrië—dat hij een overtuigend antwoord had op het argument dat Clemens opperde, en zoo groot was de kracht van zijn hartstochtelijk en machtig genie, dat hij ten slotte zijn antwoord overheerschend kon maken. Voor Augustinus was de zonde erfelijk, en de zonde had haar specialen zetel in de sexueele organen; de daad der zonde had de oorspronkelijke goddelijke daad der schepping gewijzigd, en wij kunnen de sekse en de sexueele organen niet behandelen alsof er geen erfzonde was geweest. Onze genitaliën, verklaart hij, zijn schandelijk geworden omdat zij, door de zonde, nu in beweging gebracht worden door de wellust. Toch neemt Augustinus op verre na niet de middeleeuwsche ascetische houding aan van minachtenden haat jegens het lichaam. Niets kan verder van Odo van Cluny af zijn dan het enthusiasme van Augustinus over het lichaam, zelfs over de volkomen harmonie van de deelen onder de huid. “Ik geloof, dat wij tot het besluit kunnen komen”, zegt hij zelfs, “dat bij het scheppen van het menschelijk lichaam de schoonheid meer in het oog gehouden is dan het nut. Waarlijk, nut is een voorbijgaand iets, en de tijd zal komen dat we elkanders schoonheid kunnen genieten zonder wellust”10. Zelfs in de sfeer van sekse zou hij geneigd zijn reinheid en schoonheid aan te nemen, afgescheiden van den erfelijken invloed van Adam’s zonde. In het Paradijs, zegt hij, als het Paradijs was blijven bestaan, zou de daad van het voortbrengen even eenvoudig zijn geweest en vrij van schande als de daad van de hand bij het uitstrooien van het zaad op de aarde. “Sexueele vereeniging zou onder de heerschappij van den wil geweest zijn zonder eenig sexueel verlangen. Het zaad zou in de vagina gebracht worden op even eenvoudige wijze als de menstrueele vloeistof er nu uitgeworpen wordt. Er zouden geen woorden geweest zijn die obsceen genoemd konden worden, maaral wat van deze deelen kon gezegd worden, zou even rein geweest zijn als wat gezegd wordt van de andere deelen van het lichaam”11. Dat is echter voor Augustinus wat had kunnen wezen in het Paradijs, waar, naar hij meende, sexueel verlangen niet bestond. Zooals de dingen zijn, meende hij, is het juist dat wij ons schamen, doen wij goed te blozen. En het was natuurlijk dat, zooals Clemens van Alexandrië vermeldt, vele ketters verder gingen op dezen weg en geloofden dat, terwijl God den mensch maakte tot aan den navel, de rest door een andere macht gemaakt was; zulke ketters hebben zelfs nu nog hun aanhangers onder ons.Evenzeer in de Oostersche als in de Westersche kerken echter, zoowel voor en na Augustinus, hoewel niet dikwijls er na, hebben groote Kerkvaders en leeraars meeningen geuit, die eer die van Clemens dan die van Augustinus herroepen. Wij kunnen niet veel waarde hechten aan de uiting van den buitensporigen en dikwijls zichzelf tegensprekenden Tertullianus, maar het is de moeite waard op te merken, dat, terwijl hij verklaarde dat de vrouw de poort is tot de hel, hij toch ook gezegd heeft, dat wij de natuur moeten naderen met eerbied en niet met een blos. “Natura veneranda est, non erubescenda”. “Geen Christelijk schrijver”, heeft men gezegd, “heeft zoo energiek gesproken tegen de kettersche verachting van het lichaam als Tertullianus. Lichaam en ziel zijn, volgens Tertullianus, ten nauwste verbonden. De ziel is het levensprincipe van het lichaam, maar er is geen werkzaamheid van de ziel, die zich niet openbaart door en invloed ondervindt van het vleesch”12. Van meer belang is Rufinus Tyrannius, de vriend en medeleerling van den heiligen Jeronimus, in de vierde eeuw, die een commentaar schreef op de Apostolische geloofsleer, die zeer in aanzien was bij de oude en middeleeuwsche kerk en die zelfs nu nog gewaardeerd wordt. Rufinus zegt, in antwoord aan hen, die verklaarden dat er obsceniteit was in het feit van de geboorte van Christus door de sexueele organen van een vrouw, dat God de sexueele organen geschapen heeft, en dat “het niet de natuur is, maar alleen de opinie der menschen, die ons leert dat deze deelen obsceen zijn. Verder zijn al de deelen van het lichaam gemaakt van dezelfde klei, welke verschillen er ook mogen zijn in hun gebruik en hun functies”13. Hij bekijkt de zaak zooals wezien, wel vroom, maar toch natuurlijk en eenvoudig, zooals Clemens, en niet zooals Augustinus door het verwringende medium van een theologisch systeem. Athanasius sprak in de Oostelijke Kerk in denzelfden geest als Rufinus in de Westelijke. Een zekere monnik, genaamd Amun, had veel verdriet ondervonden door het voorkomen van zaaduitstortingen in den slaap, en hij schreef aan Athanasius om te vragen of zulke uitstortingen zonde zijn. In den brief, dien hij tot antwoord schreef, tracht Athanasius Amun gerust te stellen. “Alle dingen”, zegt hij tot hem, “zijn rein voor den reine. Want wat, vraag ik u, lieve en vrome vriend, kan er voor zondigs of van nature onreins zijn in een uitwerpsel? De mensch is het werk van Gods handen. Er is zeker niets in ons dat onrein is”14. Als wij deze uitingen lezen, gevoelen wij, dat de zaden van preutschheid en verhitheid reeds in den geest van het volk aanwezig zijn, maar toch zien wij ook dat sommige van de meest bekende denkers van de eerste Christelijke Kerk in opvallend contrast met de meer ziekelijke en kleingeestige middeleeuwsche asceten, duidelijk afgezonderd stonden van de populaire beweging. Over het geheel werden zij overstemd, omdat het Christendom, evenals het Boeddhisme, van het begin af aan een kiem in zich droeg, die zich leende tot ascetische onthouding, en het sexueele leven is altijd de eerste impuls, die opgeofferd moet worden aan den hartstocht voor onthouding. Maar er waren ook andere kiemen in het Christendom, en Luther, die op zijn eigen plebejische wijze opkwam voor de rechten van het lichaam, ofschoon hij brak met het middeleeuwsch ascetisme, stelde daardoor geenszins de tradities van de oudste Christelijke Kerk ter zijde.Ik heb gemeend, dat het de moeite waard was dezen bewijsgrond aan te voeren, alhoewel ik zeer wel weet, dat de feiten der Natuur geen meerderen steun verkrijgen door het gezag van de Kerkvaders of zelfs van den Bijbel. De natuur en de menschheid hebben bestaan vóór den Bijbel en zouden voortgaan te bestaan al zou de Bijbel vergeten zijn. Maar de houding van het Christendom op dit punt is zoo dikwijls zonder voorbehoud veroordeeld geworden, dat het wel goed schijnt aan te toonen, dat in zijn beste oogenblikken, toen het een jonge en aangroeiende macht in de wereld was, de uitingen van het Christendom dikwijls gelijkluidend waren met die van de Natuur en van de rede. Er zijn vele menschen, mogen we er aan toevoegen, die het een troost vinden te weten, dat zij, als zij in deze zaak den natuurlijken en verstandelijken weg volgen, daardoor niet geheel en al breken met de godsdienstige tradities van hun ras.Het is wel nauwelijks noodig op te merken, dat wij, als wij ons van het Christendom afwenden naar de andere groote wereldgodsdiensten, gewoonlijkzoo’n dubbelzinnige houding jegens de sekse niet ontmoeten. De Mohammedanen waren even nadrukkelijk in het beweren, dat de sekse heilig was, als zij waren in hun zorg voor de lichamelijke reinheid; zij waren bereid de sexueele functies in het leven hiernamaals mee te nemen, en zij hebben zich nooit, zooals Luther en zoo vele andere Christenen, vermoeid met peinzen over het gebrek aan bezigheid in den Hemel. In Indië, hoewel Indië het tehuis is van de uiterste vormen van godsdienstig ascetisme, is de sexueele liefde in een grootere mate, geheiligd en vergoddelijkt geworden dan in eenig ander deel van de wereld. “Het schijnt nooit in de hoofden van de Hindoe-wetgevers te zijn opgekomen”, zeide Sir William Jones lang geleden (Works, vol. ii, p. 311), “dat iets natuurlijks hinderlijk obsceen zou kunnen zijn, een eigenaardigheid, die al hun geschriften doordringt, maar die geen bewijs is voor de verdorvenheid van hun zeden”. De sexueele daad heeft in Indië dikwijls een godsdienstige beteekenis gehad, en de meest nauwkeurige bijzonderheden van het sexueele leven en de verscheidenheden ervan zijn in Indische erotische verhandelingen op ernstige wijze besproken, terwijl nergens anders de anatomische en physiologische sexueele eigenaardigheden van vrouwen met zulk een nauwkeurigen en devoten eerbied zijn bestudeerd. “Liefde heeft in Indië, zoowel in theorie als in de praktijk” merkt Richard Schmidt op (Beiträge zur Indischen Erotik, p. 2) “een belangrijkheid, zooals wij ons zelfs niet kunnen voorstellen”.In Protestantsche landen heeft de invloed van de Hervorming, door de sekse als iets natuurlijks in eere te herstellen, indirect er toe geleid, in het populaire voelen jegens de sekse den smaad van zondigheid te vervangen door den smaad van dierlijkheid. Voortaan moet de sexueele impuls worden verborgen of opgetooid, om fatsoenlijk menschelijk te worden. Dit blijkt duidelijk uit een passage in het dagboek van Pepys, in de zeventiende eeuw. Op den morgen na den huwelijksdag was het gewoonte pas getrouwde menschen met muziek wakker te maken; de afwezigheid van deze muziek bij een bepaalde gelegenheid (in 1667), maakte op Pepys den indruk “alsof zij zoo maar als een paar honden bij elkaar waren gekomen”. Wij geven niet langer om de muziek, maar hetzelfde gevoelen bestaat nog in den wensch naar andere vermommingen en versieringen voor den sexueelen impuls. Wij stellen ons niet altijd duidelijk voor oogen, dat liefde haar eigen heiliging met zich brengt.Als tegenwoordig de tegenzin tegen de sexueele zijde van het leven zich vertoont, wordt bijna altijd beweerd niet zoozeer, dat ze “zondig” is als wel dat ze “dierlijk” is. Ze wordt beschouwd als dat deel van den mensch, dat hem het nauwste verbindt met de lagere dieren. Het moest nauwelijks noodig zijn er op te wijzen, dat dit een dwaling is. Van wat voor zijde we ze ook naderen, de bewering, dat sekse bij den mensch en bij de dieren hetzelfde is kan niet volgehouden worden. Van het standpunt van hen, die deze identiteit aannemen, zou het juister zijn te zeggen, dat de menschen inferieur zijn aan de dieren, dan dat ze gelijk zijn met de dieren, want bij dieren is onder natuurlijke omstandigheden het sexueele instinct strikt ondergeschikt aan de voortplantingen zeer weinig onderhevig aan afwijking, zoo dat van het standpunt van hen, die de sekse willen kleineeren, de dieren dichter bij het ideaal zijn, en zulke menschen moeten met Woods Hutchinson zeggen: “Alles te zamen genomen hebben onze dier-voorouders evenveel reden zich over ons te schamen, als wij over hen”. Maar als we de zaak bezien van een ruimer biologisch standpunt van ontwikkeling, dan moet onze conclusie geheel verschillend zijn.Wel verre van aan de dieren gelijk te zijn, behooren de menschelijke sexueele impulsen onder de minst op de dieren gelijkende aanwinsten van den mensch. De menschelijke sexueele sfeer verschilt in een buitengewoon groote mate van de dierlijke sexueele sfeer15. Ademhalen is een dierlijke functie en hierin kunnen we niet wedijveren met de vogels; beweging is een dierlijke functie en hier kunnen wij de viervoeters niet evenaren; wij zijn niet merkbaar vooruit gegaan wat onze circuleerende, verteringbevorderende, nier- of leverfuncties betreft. Zelfs wat het gezicht en het gehoor betreft, zijn er veel dieren, die scherper van gezicht zijn dan de mensch, en vele, die in staat zijn geluiden te hooren, die voor hem onhoorbaar zijn. Maar er zijn geen dieren, waarbij het sexueele instinct zoo gevoelig is, zoo hoog ontwikkeld, zoo verscheiden in zijn uitingen, zoo voortdurend waakzaam, zoo in staat om uit te stralen naar de hoogste en de verst verwijderde deelen van het organisme. De sexueele werkzaamheden van den man en van de vrouw behooren niet tot dat lagere deel van onze natuur, dat ons degradeert tot het niveau van het “dier”, maar tot het hoogere deel, dat ons opheft tot al de hoogste werkzaamheden en idealen, waartoe we in staat zijn. Het is waar, dat er voornamelijk in den mond van enkele onwetende en slecht opgevoede vrouwen over sekse gesproken wordt als “dierlijk” of als “het dierlijke deel van onze natuur”16. Maar daar vrouwen de moeders en de onderwijzeressen zijn van het menschelijk ras is dit een onwetendheid en een blijk van slechte opvoeding, die niet te spoedig met wortel en tak kunnen uitgeroeid worden.Er zijn sommigen, die schijnen te denken, dat zij de weegschaal in evenwicht hebben gehouden en de zaak voor goed opgelost, als zij erkennen, dat sexueele liefde zoowel mooi kan zijn als walgelijk, en dat beide beschouwingen even normaal en wettig zijn. “Luister om de beurt”, merkt Tarde op, “naar twee mannen,die de een koud, de ander vurig, de een kuisch, de ander verliefd, beiden even welopgevoed en ruim van geest, de waarde van hetzelfde ding bepalen: de een noemt walgelijk, leelijk, weerzinwekkend en dierlijk, wat de ander heerlijk, verrukkelijk, onuitsprekelijk, goddelijk noemt. Wat voor den een, in de Christelijke phraseologie, een onvergeeflijke zonde is, dat is voor den ander de staat van ware genade. Daden, die voor den een een treurige en nu en dan voorkomende noodzakelijkheid schijnen te zijn, vlekken die zorgvuldig uitgewischt moeten worden door lange tusschenpoozen van zelfbeheersching, zijn voor den ander de gouden spijkers, waar het geheele overige levensgedrag en bestaan van afhangt, de dingen, die alleen aan het menschelijk leven zijn waarde geven”17. Toch mogen we wel betwijfelen of deze beide personen “even welopgevoed en ruim van geest” zijn. De wilde gevoelt, dat sekse gevaarlijk is en hij heeft gelijk. Maar de mensch, die gevoelt dat de sexueele impuls slecht is, of zelfs maar laag bij den grond en vulgair, is een absurditeit in het heelal, een afwijking. Hij is evenals die menschen in onze krankzinnigengestichten, die gevoelen, dat het instinct om zich te voeden slecht is en zoo er toe overgaan om zich uit te hongeren. Zij zijn evenzeer geestelijke verworpelingen in het heelal, welks kinderen zij zijn. Het is een andere zaak, als een mensch verklaart, dat hij persoonlijk in zijn geval een ascetisch ideaal heeft, dat hem er toe brengt zich zooveel mogelijk te onthouden van een van beide of van beide impulsen. De mensch, die gezond ascetisch is, streeft naar een discipline, die te hulp komt aan het ideaal, dat hij zich persoonlijk gesteld heeft. Hij kan theoretisch nog in harmonie blijven met het heelal, waartoe hij behoort. Maar verachting uit te spreken over het sexueele leven, den sluier der “onreinheid” er over uit te spreiden, dat is, zooals Nietzsche verklaarde, de onvergeeflijke zonde tegen den Heiligen Geest van het Leven.Er zijn veel menschen, die vooroordeel en rede trachten te verzoenen in hun waardeering van de liefde door een scherpe scheidingslijn te trekken tusschen “lust” en “liefde”, de eene verwerpend en de andere goedkeurend. Het is zeer juist zulk een onderscheid te maken, maar de wijze waarop het gemaakt wordt, kan gewoonlijk in het geheel geen onderzoek verdragen. Wij moeten uitmaken, wat we meenen met “wellust” en wat we meenen met “liefde”, en dat is niet gemakkelijk, als zij beschouwd moeten worden alsof ze elkaar uitsluiten. Soms wordt gezegd, dat we onder “lust” moeten verstaan een roekeloos toegeven aan den sexueelen impuls zonder op andere overwegingen te letten. Als we hem zoo verstaan, kunnen we hem veilig verwerpen. Maar dat is een volkomen willekeurige definitie van het woord. “Lust”is inderdaad een zeer dubbelzinnig woord; het is een goed woord, dat zijn moreele waarde veranderd heeft, en daarom moeten wij het zeer zorgvuldig verklaren, eer wij het durven gebruiken. Eigenlijk gezegd, is “lust” een volkomen kleurloos woord18en beteekent eenvoudig verlangen in het algemeen en sexueel verlangen in het bijzonder; het komt overeen met “honger” of “dorst”; het in een beleedigende beteekenis te gebruiken is ongeveer hetzelfde als aan te nemen, dat het woord “hongerig” dezelfde beleedigende beteekenis heeft als “begeerig”. Het resultaat is geweest, dat gevoelige geesten verontwaardigd het woord “lust” in verband met de liefde verwerpen19. In het vroegste gebruik van onze taal, had “lust” den zin van gezonde en normale sexueele kracht; nu is het woord zoo zeer naar beneden gehaald, dat, hoewel het gemakkelijk zou zijn het weer op zijn juiste plaats, die nog open blijft, te brengen, de poging hiertoe welhaast een hopelooze taak lijkt. Wij hebben de bronnen van gevoel in deze zaken zoozeer vergiftigd met middeleeuwsche ascetische ruwheden, dat al onze woorden voor sekse spoedig neiging-hebben met modder bespat te geraken; we kunnen ze oprapen uit de modder, waarin ze gevallen zijn en trachten ze te reinigen, maar aan vele oogen zullen ze toch nog vuil toeschijnen. Een gevolg van deze neiging is, dat wij geen eenvoudig, precies, natuurlijk woord hebben voor de liefde van de seksen, en we gedwongen worden onze toevlucht te nemen tot den algemeenen term, die zoo veelomvattend is, dat men in Engeland en in de meeste andere landen die den toon aangeven, met hetzelfde woord spreekt van God “liefhebben” of van eten “houden”.Liefde, in de sexueele beteekenis, is in het kort beschouwd, een samenstelling van lust (in den primitieven en ongekleurden zin van sexueele aandoening) en vriendschap. Er kan geen sexueele liefde zijn zonder lust; maar, aan den anderen kant, niet voordat stroomen van lust in het organisme zijn uitgestraald, zoo, dat zij andere deelen van het psychische organisme raken—ten minste de aandoeningen en de maatschappelijke gevoelens—is het sexueele liefde. Lust, de specifieke sexueeleimpuls, is wel het eerste en meest essentieele element in deze samenstelling, want die alleen is geschikt voor het doel van de reproductie, niet alleen bij dieren maar ook bij menschen. Maar niet voordat lust zich uitgezet heeft en uitgestraald is, ontwikkelt hij zich tot de heerlijke en betooverende bloem der liefde. Wij mogen ons voor den geest halen, wat onder de planten gebeurt: aan den eenen kant hebben wij de lagere organismen, waarbij het sexueele leven beknopt en cryptogamisch voortgaat zonder ooit eenigen overvloed van schitterende bloemen over de wereld uit te storten, en aan den anderen kant de hoogere planten, waar sekse zich geopenbaard vertoont en zich aanmerkelijk uitgezet heeft in vorm en kleur en geur.Terwijl “lust” natuurlijk over de geheele wereld bekend is, en er overal woorden zijn om hem aan te duiden, is “liefde” niet algemeen bekend, en in vele talen zijn er geen woorden voor “liefde”. De mislukte pogingen om liefde te vinden, zijn dikwijls opmerkelijk en onverwacht. We kunnen ze soms vinden, waar we ze het minst verwachten. Het sexueele verlangen raakte zelfs bij sommige dieren geïdealiseerd, (zooals Sergi opgemerkt heeft), voornamelijk bij vogels, want als een vogel zich dood treurt over zijn wijfje, kan dat niet voortkomen uit het ongecompliceerde sexueele instinct, maar moet het de combinatie in zich sluiten van dat instinct met de andere levenselementen in een mate, die zeldzaam is zelfs onder de meest beschaafde menschen. Sommige wilde stammen schijnen geen fundamenteele voorstelling te hebben over liefde, en (zooals de Amerikaansche Nahua’s) geen elementair woord er voor, terwijl er, aan den anderen kant, in Quichua, in de taal van de oude Peruvianen, bijna zeshonderd combinaties zijn van het werkwoordmunay, liefhebben. Bij sommige volken schijnt de liefde beperkt te zijn tot de vrouwen. Letourneau (L’Evolution Littéraire, p. 529) wijst er op, dat in verschillende deelen van de wereld vrouwen de leiding genomen hebben in het scheppen van erotische poëzie. In dit verband mogen we de opmerking maken, dat zelfmoorden uit erotische overwegingen bij primitieve volken voornamelijk voorkomen onder vrouwen (Zeitschrift für Sozialwissenschaft, 1899, P. 578). Verscheidene natuurvolken hebben liefdeliederen, b.v. de Suaheli (Velten, in zijnProsa und Poesie der Suaheli, wijdt een deel aan liefdeliederen, geschreven in de taal der Suaheli). D. G. Brinton zegt, in een belangwekkend geschrift over “The Conception of Love in Some American Languages” (Proceedings American Philosophical Society, vol. XXIII, p. 546; 1886), dat de woorden voor liefde in deze taal blijk geven van vier hoofdwijzen om het begrip uit te drukken: (1) ongearticuleerde uitroepen van emotie; (2) betuigingen van hetzelfde te zijn of op elkaar te gelijken; (3) betuigingen van samen te hooren en verbonden te zijn; (4) betuigingen van een wensch, verlangen of een begeerte. Brinton voegt er bij, dat “deze zelfde denkbeelden ten grondslag liggen aan de meeste woorden voor liefde in de groote Arische taalgroep”. Het opmerkelijke feit doet zich echter voor, dat de menschen, die de Arische taal spraken, langzaam waren in het ontwikkelen van hun opvatting van sexueele liefde. Brinton merkt op, dat de Amerikaansche Mayas gesteld moeten worden boven de volken van oude Arische beschaving, in dit opzicht, dat zij een grondwoord bezitten voor de vreugde der liefde, dat naar zijn beteekenis zuiver psychisch was en strikt betrekking had op den geestelijken toestand, en niet op gelijkheid noch op verlangen. Zelfs de Grieken waren laat met het vormen van eenig ideaal van sexueele liefde. Dit is duidelijk aangetoond door E. F. M. Benecke in zijnAntimachus of Colophon and the Position of Women in Greek Poetry, een boek, dat eenige gewaagde stellingenbevat, maar dat van het tegenwoordige standpunt uit zeer leerzaam is. De Grieksche lyrische dichters schreven om zoo te zeggen geen liefdeliederen aan vrouwen vóor Anacreon, en de zijne werden eerst geschreven toen hij oud was. Ware liefde was voor de Grieken bijna altijd homosexueel. De Ionische lyrische dichters van het oude Griekenland beschouwden de vrouw alleen als speelgoed en als de stichtster van de familie. Theognis vergelijkt het huwelijk bij het fokken van vee; Alcman spreekt, als hij complimenteus wil zijn voor de Spartaansche meisjes, van haar als van zijn “vrouwelijke vrienden”. Aeschylus laat zelfs een vader zeggen, dat zijn dochters zich zullen misdragen als zij aan zichzelf zijn overgelaten. Er is geen sexueele liefde bij Sophocles, en bij Euripides zijn het alleen de vrouwen die verliefd worden. Benecke komt tot het besluit (p. 67), dat in Griekenland sexueele liefde tot een tamelijk laat tijdstip in minachting was, en dat ze beschouwd werd als niet waardig om in het publiek besproken of voorgesteld te worden. Het was in Groot-Griekenland eerder dan in Griekenland zelf, dat mannen belangstelling hadden voor vrouwen, en het was niet eerder dan in den tijd van Alexander, en vooral bij Asclepiades, zegt Benecke, dat de liefde van vrouwen beschouwd werd als een zaak van leven en dood. Daarna komt de opvatting van de sexueele liefde, van het romantisch gezichtspunt, in het Europeesche leven. Met de Keltische geschiedenis van Tristam verschijnt ze, naar Gaston Paris opmerkt, eindelijk in de Christelijke Europeesche wereld der poëzie als het voornaamste punt in het menschelijk leven, de groote drijfkracht voor het gedrag der menschen.Romantische liefde is echter tot de massa in Europa niet doorgedrongen. In de zestiende eeuw, of in den tijd dat de ballade van “Glasgerion” geschreven werd, zien wij aangenomen, dat de verhouding van een boer tot zijn meisje beperkt is tot de enkele daad van sexueelen omgang; hij kust haar niet bij het komen of bij het weggaan; alleen de ridder, de man van de hoogere klasse denkt er aan, die teedere beleefdheid aan te bieden. En heden ten dage is, bijvoorbeeld in de streek tusschen Oost-Friesland en de Alpen, naar Bloch meedeelt (Sexualleben unserer Zeit, p. 29) in navolging van E. H. Meyer, het woord “liefde” bij de groote massa onbekend en erkent men alleen den ruwen tegenhanger ervan.Aan de andere zijde van de wereld, in Japan, schijnt sexueele liefde evenzeer in discrediet te zijn als het was in het oude Griekenland; zoo merkt Miss Tsuda, het hoofd van een Japansche school en zelf een Christin, op (zooals aangehaald wordt door Mrs. Fraser inWorld’s Work and Play, Dec.1906): “Dat woord “liefde” is tot nog toe een woord geweest, dat niet bekend was onder onze meisjes, in de buitenlandsche beteekenis. Plicht, onderwerping, vriendelijkheid—dat waren de gevoelens, die een meisje voor den echtgenoot moest hebben, die voor haar gekozen was—en vele gelukkige, harmonische huwelijken waren hiervan het resultaat. Nu zeggen uwe lieve, sentimenteele buitenlandsche vrouwen tot onze meisjes: “Het is slecht te trouwen zonder liefde; de gehoorzaamheid aan ouders voert in zulk een geval tot geweld aandoen aan de natuur en aan het Christendom. Als je van een man houdt, moet je alles opofferen om hem te trouwen”.”Als liefde echter volledig ontwikkeld is, wordt ze een aandoening van een enorme uitgebreidheid en zeer samengesteld, en lust wordt, zelfs in de beste beteekenis van dat woord, een element, dat staat naast vele andere elementen. Herbert Spencer heeft, in een belangwekkende passage van zijnPrinciples of Psychology(Deel IV, hoofdst. VIII), liefde ontleed in negen onderscheiden en belangrijke elementen: (1) de physieke sexueele impuls; (2) het gevoel voor schoonheid; (3) genegenheid; (4) bewondering en eerbied;(5) behoefte aan goedkeuring; (6) gevoel van eigenwaarde; (7) gevoel van eigendomsrecht; (8) grooter vrijheid van handelen door de afwezigheid van persoonlijke hinderpalen; (9) verheffing van de sympathieën. “Deze hartstocht”, zegt hij ten slotte,“smelt de meeste van de elementaire opwindingen, waartoe we in staat zijn, tot een enorm groote massa samen”.Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat het definieeren van de sexueele liefde, of zelfs het ontleden van de samenstellingen ervan, in het geheel niet hetzelfde is als het verklaren van het mysterie. Wij trachten ons verstand te bevredigen door middel van een samenhangend beeld der liefde, maar de afstand tusschen dat beeld en de werkelijkheid van de aandoening, die we ondervinden, moet altijd onmeetbaar en niet te overbruggen zijn. “Er is geen woord dat meer uitgesproken wordt dan dat van liefde”, schreef Bonstetten vele jaren geleden, “en toch is er geen onderwerp, dat geheimzinniger is. Van dat, wat ons het naaste raakt, weten we het minste. Wij kunnen den loop van de sterren en we weten niet, hoe we liefhebben”. En hoe bedreven we ook geworden zijn in het ontdekken en ontleden van de oorzaken, de bijkomstigheden en de resultaten van de liefde, moeten we toch nog heden dezelfde bekentenis doen. Wij kunnen trachten, zooals sommigen gedaan hebben, liefde te verklaren als een vorm van honger en dorst, of als een kracht, die overeenkomt met electriciteit, of als een soort van magnetisme, of als een soort van chemische affiniteit, of als een reflexwerking, maar deze verklaringen zijn niets meer dan pogingen om voor onszelf de grootheid van het verschijnsel, waarmee we te doen hebben, tot uitdrukking te brengen.Wat altijd de menschen bij het denken over de sexueele liefde verbluft heeft, is de schijnbare onevenredigheid van de oorzaak ervan, het enorme verschil tusschen het noodzakelijk beperkte deel slijmvlies, dat het einddoel van zulke liefde is en de oceaan van wereld-omvattende gevoelens, waartoe het de toegang verleent, zoodat, naar Remy de Gourmont gezegd heeft, “de slijmvliezen, krachtens een onoplosbaar mysterie, in hun donkere plooien al de rijkdommen besloten houden van het oneindige”. Het is een mysterie, waardoor de denker en de kunstenaar gelijkelijk overweldigd worden. Donnay beeldt, in zijn spel L’Escalade, een koud en streng man van de wetenschap uit, die liefde alleen beschouwt als een geestelijke ongesteldheid, die genezen kan worden evenals andere ongesteldheden en die tenslotte zelf wanhopig verliefd wordt. Hij dringt in de kamer van het meisje binnen op een ladder, midden in den nacht, en breekt los in een langen en hartstochtelijken woordenvloed: “Alles wat met je in aanraking komt, wordt voor mij geheimzinnig en heilig. O! te denken, dat iets zoo wel bekends als een vrouwenlichaam, dat beeldhouwers gemodelleerd hebben, waar dichters over gezongen hebben, dat mannen van de wetenschap, zooals ik, hebben ontleed, dat dit plotseling een onbekend mysterie moet worden en een oneindige vreugde, alleen omdat het ’t lichaam is van een bepaalde vrouw—wat een waanzin! En toch, dat is, wat ik gevoel”20.Dat de liefde een natuurlijke waanzin is, een tijdelijke begoocheling, die het individu gedwongen is te lijden ter wille van het ras, is een uitleg, die menigeen, die door dit mysterie in verwarring is geraakt, in de gedachte is gekomen. Dat was, zooals wij weten, de uitleg, door Schopenhauer gegeven. Als een jonge man en een meisje elkaar in de armen vallen in liefdesextase, dan verbeelden zij zich, dat zij hun eigen geluk zoeken. Maar dat is zoo niet, zeide Schopenhauer; zij worden bedrogen door den genius van het ras tot zij meenen, dat zij een persoonlijk doel nastreven, opdat zij er toe gebracht zouden worden een veel grooter onpersoonlijk doel te bereiken: het scheppen van het toekomstige ras. De hevigheid van hun hartstocht is niet de maatstaf voor het persoonlijk geluk, dat zij verkrijgen zullen, maar de maatstaf voor hun geschiktheid om nakomelingschap voort te brengen. Als zij den hartstocht volgen en de raadgevingen van zorgvuldige voorzichtigheid in den wind slaan, dan offeren de jonge man en hetmeisjein werkelijkheid hun kansen op zelfzuchtig geluk op en vervullen zij de grootere doeleinden der Natuur. Zooals Schopenhauer de zaak zag, was er geen vulgaire illusie. De minnenden dachten, dat zij een grenzenloos persoonlijk geluk bereikten; zij bedrogen zich waarschijnlijk. Maar zij bedrogen zich, niet omdat de werkelijkheid minder was dan hun voorstelling, maar omdat ze meer was; inplaats van alleen maar een persoonlijk doel na te streven, zooals zij meenden, volbrengen zij het scheppingswerk van de wereld, een taak, die beter ongedaan was gebleven, zooals Schopenhauer het beschouwde, maar een taak waarvan hij de grootschheid volkomen erkende21.We moeten er aan denken, dat in de lagere beteekenis van het woord, liefde een ontgoocheling zijn kan en dat dikwijls ook is. Een man kan zich vergissen, of bedrogen worden door het voorwerp, dat hem aantrekt, in de eigenschappen die zij bezit of die ze niet bezit. Bij de eerste liefde, als ze in de jeugd voorkomt, is zulke teleurstelling zeker volkomen normaal, en bij zekere typen, die vatbaar voor indrukken en ontvlambaar zijn, heeft dit veel kans voor te komen. Deze soort van teleurstelling, hoewel ze veel meer voorkomt en veel meer in het oog valt in liefdezaken—en ernstiger is, omdat de huwelijksbandzoo strak is—heeft neiging in iedere verhouding van het leven voor te komen. Voor de meeste menschen echter, en dat wel niet voor de minst verstandige of de minst wijze, blijft de herinnering aan de liefdeverrukking, zelfs als de tijd van die verrukking voorbij is, toch bestaan als, op zijn minst, de herinnering aan een van de meest werkelijke en essentieele feiten van het leven22.Sommige schrijvers schijnen de geneigdheid tot ontgoocheling en teleurstelling in liefdeszaken te verwarren met de meeromvattende kwestie van een wijsgeerige illusie in de beteekenis van Schopenhauer. Tot zekere hoogte bestaat deze verwarring misschien in het gesprek over liefde door Renouvier en Prot inLa Nouvelle Monadologie(pp. 216 et seq.). Waar zij overwegen of liefde al of niet een begoocheling is, antwoorden zij, dat ze dat is of niet is naar gelang we al of niet worden beheerscht door zelfzucht en onrechtvaardigheid. “Het is geen essentieele dwaling geweest, die voorgezeten heeft bij de schepping van denafgod, want de afgod is alleen maar wat in alle dingen hetidealeis. Maar om het ideale in de liefde te verwezenlijken zijn er twee menschen noodig, en dat is de groote moeilijkheid. We zijn nooit gerechtigd,”zoo besluiten ze,“verachting op onze liefde te werpen, of zelfs op het voorwerp ervan; want als het waar is dat wij niet in het bezit zijn geraakt van de hoogste schoonheid van de wereld, dan is het even waar, dat wij zelf niet een trap van volmaking bereikt hebben, die ons reden zou gegeven hebben om met recht een zoo grooten prijs te eischen”. En misschien mogen we er wel aan toevoegen, dat de meeste van ons ten slotte moeten toegeven als wij eerlijk zijn jegens onszelf, dat de liefdeprijzen, die we in de wereld verkregen hebben, wat hun gebreken ook zijn, veel grooter zijn dan we verdiend hebben.Wij mogen wel erkennen, dat in zekeren zin niet alleen de liefde, maar al de hartstochten en begeerten van de menschen illusies zijn. In die beteekenis is het Evangelie van Boeddha gerechtvaardigd, en wij mogen wel de inspiratie erkennen van Shakespeare (inthe Tempest) en van Calderon (inLa Vida es Sueno), die voelden, dat ten slotte de geheele wereld een droom is zonder inhoud. Maar niet dan in deze groote en laatste visie kunnen wij van illusie spreken; wij kunnen niet toegeven, dat liefde een begoocheling is in eenige speciale en bijzondere beteekenis, waaronder de andere wenschen en aspiraties niet vallen. Integendeel is zij de meest vaste van alle werkelijkheden. Al de vormen van vooruitgang van het leven zijn opgebouwd op de sexueele aantrekking.Als wij de werking erkennen van sexueele keuze—zooals we wel bijna moeten doen als we ze ontdoen van de dingen, die er aan toegevoegd zijn zonder tot het wezen ervan te behooren23—dan heeft liefde de juiste vorm en kleur, de essentieele schoonheid gegeven, aan het leven van dieren en menschen gelijkelijk.Als wij verder bedenken dat, zooals vele onderzoekers meenen, niet alleen de physieke bouw van het leven, maar ook de geestelijke bouw ervan—onze maatschappelijke gevoelens, onze moraal, onze godsdienst, onze poëzie en kunst—ten minste in zekere mate opgebouwd zijn op de sexueele impulsen, en dat zij, als ze al bestaan hadden, zeker geheel verschillend zouden geweest zijn, als andere dan sexueele wijzen van voortplanten geheerscht hadden in de wereld, dan kunnen we gemakkelijk erkennen, dat we slechts in verwarring kunnen geraken door de liefde af te wijzen als een begoocheling. Het geheele gebouw van het leven wankelt dan, want zooals de idealist Schiller lang geleden gezegd heeft, het is geheel en al opgebouwd van honger en van liefde. Liefde te beschouwen als in eenige speciale beteekenis een begoocheling, is niets anders dan het vallen in den strik van een ondiep cynisme. Liefde is alleen maar een waan in zooverre het geheele leven een waan is, en als wij het feit van het leven aannemen, dan is het onphilosofisch te weigeren het feit van de liefde aan te nemen.Het is onnoodig hier de functies der liefde in de wereld te verheerlijken; het is voldoende de werking ervan na te gaan in eigen sfeer. Het kan echter de moeite loonen eenige uitdrukkingen aan te halen van denkers van verschillende scholen, die aangetoond hebben wat hun de ver strekkende beteekenis toescheen van de sexueele emoties voor het moreele leven. “De hartstochten zijn het hemelsch vuur, dat leven geeft aan de moreele wereld”, schreef Helvetius lang geleden inDe l’Esprit. “De werkzaamheid van den geest is afhankelijk van de werkzaamheid van de hartstochten, en het is ten tijde van de hartstochten, van den leeftijd van vijf en twintig tot vijf en dertig of veertig, dat mannen tot de grootste inspanningen van deugd en genie in staat zijn”. “Wat de sekse raakt”, schreef Zola, “raakt het middelpunt van het maatschappelijk leven”. Zelfs ons gevoel voor de goed- of afkeuring van anderen heeft een sexueelen oorsprong, beweert Professor Thomas (Psychological Review, Jan. 1904, pp. 61–67), en het is de liefde, die de bron is van gevoeligheid in het algemeen en van de altruïstische zijde van het leven. “Het optreden van sekse”, tracht Professor Woods Hutchinson aan te toonen (“Love as a Factor in Evolution”,Monist, 1898), “de ontwikkeling van mannelijkheid en vrouwelijkheid, was niet alleen de grondslag voor genegenheid, de bron van alle moraal, maar een enorm economisch voordeel voor het ras en een absolute noodzakelijkheid voor den vooruitgang. Daarin vinden we het eerst eenig bewust verlangen naar een actieven impuls jegens een medeschepsel”. “Als de mensch beroofd werd van het voortplantingsinstinct, en van alles wat daar geestelijk uit voortkomt”, riep Maudsley uit in zijnPhysiology of Mind, “dan zou op dat oogenblik alle poëzie en misschien ook alle zin voor moraal uit zijn levenverdwijnen”. “We schijnen onszelf verheerlijkt, sterker, rijker, meer volkomen toe; wezijnmeer volkomen”, zegt Nietzsche (Der Wille zur Macht, p. 389), “we vinden hier de kunst als een organische functie: we vinden ze gelegd in het meest engelachtig instinct der “liefde”: we vinden ze als de grootste prikkel van het leven … Het is niet alleen, dat ze het gevoel voor woorden verandert: hij, die liefheeft,ismeer waard,issterker. Bij dieren brengt deze toestand nieuwe wapens tot stand, kleuren en vormen, vooral nieuwe bewegingen, nieuwe rhythmen, een nieuwe verlokkende muziek. Het is niet anders met den mensch … Zelfs in de kunst is de deur voor hem geopend. Als wij uit de lyrische werken in woorden en geluiden datgene verwijderen, wat door dat inwendige vuur wordt ingegeven, wat blijft er dan over in de poëzie en de muziek?L’Art pour l’artmisschien, de bluffende virtuositeit van oude kikkers, die in hun moeras omkomen. De geheele rest is door de liefde in het leven geroepen”.Het zou gemakkelijk zijn meerdere aanhalingen te geven, die aantoonen hoeveel verschillende denkers tot de conclusie zijn gekomen, dat de sexueele liefde (daarbij ingesloten de vader- en vooral de moederliefde) de bron is van de voornaamste uitingen in het leven. In hoeverre zij gerechtvaardigd zijn in die conclusie, het is niet onze zaak er navraag naar te doen.Het is ongetwijfeld waar, dat, zooals we gezien hebben toen we de excentrieke en onvolkomene verdeeling van het begrip liefde, en zelfs van woorden voor liefde, over de geheele wereld, bespraken, volstrekt niet alle menschen even geschikt zijn om, in welken tijd van hun leven ook, de aandoeningen van sexueele exaltatie te ondervinden. Het verschil tusschen den ridder en den boer bestaat nog en beiden kunnen soms in alle maatschappelijke lagen gevonden worden. Zelfs de uitingen van sexueel genot, het is onnoodig er op te wijzen, berusten gewoonlijk op een zuiver physieken basis en hebben weinig uitwerking op het intellectueele deel der natuur24. Maar dit is niet het geval met de menschen, die het krachtigst invloed hebben uitgeoefend op de gedachte en de gevoelens van de wereld. De persoonlijke realiteit van de liefde, het belang ervan voor het leven van het individu, dat zijn feiten, waarvan getuigenis afgelegd is door eenige van de grootste denkers, na levens gewijd aan intellectueelen arbeid. De ondervinding van Renan, die tegen het einde van zijn leven in zijn merkwaardig dramaL’Abbesse de Jouarreaan zijn overtuiging uitdrukking gaf, dat, zelfs van het standpunt van kuischheid, de liefde tenslotte het hoogste is in de wereld, staat in het geheel niet alleen. “Liefde is altijd beschouwd geweest als een mindere uiting van menschelijke muziek, de eerzucht als de hoogere”, schreef Tarde, de beroemde socioloog, op het einde van zijn leven. “Maar zal het altijd zoo zijn? Zijn er geen redenen om te denken, dat de toekomst misschienvoor ons in bewaring heeft de onuitsprekelijke verrassing van een omkeering van die wereldorde?” Laplace nam, een half uur voor zijn dood, een deel op van zijn eigenMécanique Céleste, en zeide:“Dat is allemaal waardeloos, er is niets waar dan de liefde”. Comte, die zijn leven besteed had aan het opbouwen van een positieve philosophie, die absoluut werkelijk zou zijn, vond (zooals we wel kunnen zeggen, dat de groote Engelsche positivist Mill ook vond) het toppunt van al zijn idealen in een vrouw, die zooals hij zeide, was Egeria en Beatrice en Laura in éen persoon, en hij schreef: “Er is niets werkelijk in de wereld dan de liefde. Men krijgt genoeg van denken en zelfs van handelen; men krijgt nooit genoeg van liefhebben en ook niet van het te zeggen. Bij de ergste kwellingen van de liefde heb ik nooit opgehouden te voelen, dat de hoofdzaak voor geluk is, dat het hart op waardige wijze gevuld zal zijn—zelfs met pijn, de bitterste pijn”. En Sophie Kowalewsky schreef pathetisch, na intellectueele successen, die haar onder de meest beroemden van haar geslacht geplaatst hebben: “Waarom kan niemand mij liefhebben? Ik zou meer kunnen geven dan de meeste vrouwen, en toch worden de meest onbeteekenende vrouwen bemind en ik niet”. Liefde, schijnen ze allen te zeggen, is het eenige ding, dat in hoogste instantie de moeite waard is. De grootste en schitterendste van de intellectueele reuzen der wereld bereiken blijkbaar, in hun oogenblikken van hoogste inzicht, het gewone niveau van de nederige en bijna anonieme personen, die, afgesloten van de wereld, schrevenThe Imitation of ChristofThe Letters of a Portuguese Nun. En hoeveel anderen!1Meditationes Piissimae de Cognitione Humanae Conditionis, Migne’sPatrologia, vol. CLXXIV, p. 489, cap. III, “De Dignitate Animae et Vilitate Corporis”. Het kan de moeite loonen, de krachtige taal van het origineel meer uitvoerig aan te halen. “Si diligenter consideres quid per os et nares caeterosque corporis meatus egrediatur vilius sterquilinum numquam vidisti.… Attende, homo, quid fuisti ante ortum, et quid es ab ortu usque ad occasum, atque quid eris post hanc vitam. Profecto fuit quando non eras: postea de vili materia factus, et vilissimo panno involutus, menstruali sanguine in utero materno fuisti nutritus, et tunica tua fuit pelvis secundina. Nihil aliud est homo quam sperma fetidum, saccus stercorum, cibus vermium.… Quid suberbis, pulvis et cinis, cujus conceptus cula, nasci miseria, vivere poena, mori angustia?”↑2Zie (in de uitgave van Mignes)S. Odonis abbatis Cluniacensis Collationes, lib. II, cap. IX.↑3Dühren (Neue Forschungen über die Marquis de Sade, pp. 432et seq.) bewijst hoe het ascetisch beschouwen van het lichaam van de vrouw b.v. hardnekkig stand hield bij Schopenhauer en De Sade.↑4In “The Evolution of Modesty” in het eerste deel van dezeStudies, en wederom in het vijfde deel bij het bespreken van de urolagnia in de studie over “Erotic Symbolism”, zijn de wederkeerige reacties van de sexueele en de excretorische centra volledig behandeld.↑5“La Morale Sexuelle”,Archives d’Anthropologie Criminelle, Jan., 1907.↑6De bovenstaande aanhaling, nu licht gewijzigd, vormde oorspronkelijk een onuitgegeven deel van een essay over Walt Whitman inThe New Spirit, het eerst uitgegeven in 1889.↑7Zelfs in de negende eeuw echter, toen de kloosterbeweging zich snel ontwikkelde, waren er eenige, die aan de neigingen van de nieuwe asceten weerstand boden. Zoo schreef in 850 Ratramnus, de monnik, een verhandeling (Liber de eo quod Christus ex Virgine natus est) om te bewijzen, dat Maria werkelijk Jezus baarde door haar sexueele organen, en niet, zooals sommige overdreven personen begonnen te denken, dat alleen maar mogelijk kon zijn door de meer door de conventie fatsoenlijk geoordeelde borsten. De sexueele organen waren geheiligd. “Spiritus sanctus … et thalamum tanto dignum sponso sanctifivavit et portam” (Achery,Specilegium, vol. i. p. 55).↑8Paedagogus, lib. II, cap. X. Ergens anders (id., lib. II, hoofdst. VI) geeft hij meer in bijzonderheden een opgave, die hetzelfde bevat.↑9Zie bv. Wilhelm Capitaine,Die Moral des Clemens von Alexandrien, pp. 112et seq.↑10De Civitate Dei, lib. XXII, cap. XXIV. “Het is nergens voor noodig”, zegt hij weer (id., lib. XIV, cap. V) “dat wij in onze zonden en ondeugden den aard van het vleesch aanklagen tot beleediging van den Schepper, want in zijn eigen soort en in zijn eigen mate is het vleesch goed”.↑11De heilige Augustinus,De Civitate Dei, lib. XIV, cap. XXIII–XXVI. Chrysostomus en Gregorius, van Nyssa, meenden, dat in het Paradijs menschelijke wezens zich zouden vermenigvuldigd hebben door een speciale wijze van scheppen, maar dat is niet de leer, aangenomen door de katholieke kerk.↑12W. Capitaine,Die Moral des Clemens von Alexandrien, pp. 112et seq.Zonder het lichaam zou er, verklaarde Tertullianus, geen maagdelijkheid zijn en geen redding. De ziel zelf is lichamelijk. Hij voert inderdaad zijn idee van de alomtegenwoordigheid van het lichaam tot in het belachelijke door.↑13Rufinus,Commentarius in Symbolum Apostolorum, cap. XII.↑14Migne,Patrologia Græca, vol. XXVI, pp. 1170et seq.↑15Zelfs in hun physieken bouw vertoonen de menschelijke sexueele organen, in vergelijking met die van de lagere dieren, in het oog vallende verschillen (zie Havelock Ellis, “The Mechanism of Detumescence”).↑16Het kan misschien goed zijn met Forel (Die sexuelle Frage, p. 208), er op te wijzen, dat het woord “dierlijk” algemeen en gewoonlijk geheel onjuist gebruikt wordt in dit verband. Inderdaad, niet alleen voor de hoogere maar ook voor de lagere uitingen van den sexueelen impuls zou het gewoonlijk juister zijn in plaats daarvan den term “menschelijk” te gebruiken.↑17Loc. cit.,Archives d’Anthropologie Criminelle, Jan., 1907.↑18Het heeft echter kleur gekregen en is al in de oudste geschiedenis van het Christendom in verdenking gekomen. Terwijl de heilige Augustinus (De Civitate Dei, lib. xiv, cap. XV), toegeeft, dat libido of lust de algemeene naam is voor alle begeerte, voegt hij er aan toe, dat het speciaal gebruikt voor de sexueele begeerte, terecht en behoorlijk vermengd is met gevoelens van schaamte.↑19Hinton geeft een goeden uitleg van dit gevoelen. “Wij noemen lust”, zegt hij in zijn manuscript, “de eenvoudigste en natuurlijkste verlangens. We zouden evengoed honger en dorst “lust” kunnen noemen als de sexueele hartstochten, als wij alleen maar den drang van de natuur willen aanduiden. Wij noemen die ten onrechte “lust” en belasteren zoodoende wreedaardig hen, aan wie we hem toeschrijven en geven aanleiding tot absolute wanorde. Want, door dwaas de eischen der natuur te verwarren met lust, doen we ze geweld aan.”↑20Vele eeuwen tevoren had een ander Fransch schrijver, de bekende dokterA. Laurentius (Des Laurens) in zijnHistoria Anatomica Humani Corporis(lib. VIII, Quaestio VII) eveneens gepeinsd over “de ongelooflijke begeerte naarcoïtus”, en gevraagd hoe het kwam, dat “dat goddelijke dier, vol van rede en oordeel, dat wij Mensch noemen, aangetrokken moet worden tot die obscene deelen van vrouwen, die bevlekt zijn met vuil en, evenals een riool, in de onderste deelen van het lichaam geplaatst zijn”. Het is opmerkelijk, dat van het begin af aan en evenzeer onder mannen van godsdienst, mannen van wetenschap en mannen van letterkunde, de geheimzinnigheid van dit probleem zich bijzonder opgedrongen heeft aan den geest der Franschen.↑21Schopenhauer,Die Welt als Wille und Vorstellung, vol. II, pp. 608 et seq.↑22“Misschien is er wel nauwelijks een man”, schreef Maltus, een geestelijke, zowel als een van de diepste denkers van zijn tijd (Essay on the Principle of Population, 1798, hoofdst. XI), “die eenmaal het ware genot van deugdzame liefde ondervonden heeft, die, hoe groot zijn intellectueele genoegens ook geweest mogen zijn, niet op dezen tijd terugziet als op de zonnige plek van zijn geheele leven, waar zijn verbeelding gaarne verwijlt, die hij herdenkt en beschouwt met het teerste leedwezen en die hij het meest zou wenschen nog eens weer te beleven. De voorrang van intellectueele genoegens boven sexueele bestaat eerder daarin, dat ze meer tijd in beslag nemen en dat ze een wijder kring beslaan, en daarin dat ze niet zoo gemakkelijk verzadigen, dan daarin, dat ze meer werkelijk en essentieel zijn.”↑23Het geheele argument van een ander deel van dezeStudiesover “Sexual Selection in Man” wijst in deze richting.↑24“Misschien zijn wel de meeste gewone mannen”, merkt Forel op (Die sexuelle Frage, p. 307), maar in geringe mate in staat tot de opwinding der liefde; zij staan op zijn hoogst op het standpunt van dengourmet, dat in het geheel niet noodzakelijk een immoreel standpunt is, maar zeker niet het standpunt der poëzie.↑

HET WAARDEEREN VAN DE GESLACHTSLIEFDEHet begrip geslachtsliefde.—De houding van het middeleeuwsch ascetisme.—St. Bernard en St. Udo van Cluny.—Het wijzen van de asceten op het bij elkaar liggen van de sexueele en de excretie-organen.—De liefde als een sacrament der natuur.—De voorstelling van de onreinheid van wat betrekking heeft op het geslacht in de primitieve godsdiensten in het algemeen.—Theorieën over den oorsprong van deze voorstelling.—Het anti-ascetische element in den bijbel en het oudste Christendom.—Clemens van Alexandrië.—De houding van den heiligen Augustinus.—De erkenning van de heiligheid van het lichaam door Tertullianus, Rufinus en Athanasius.—De hervorming.—Het sexueele instinct beschouwd als dierlijk.—Het menschelijk sexueele instinct gelijkt niet op dat van het dier.—Wellust en liefde.—De definitie van liefde.—Liefde en namen voor liefde zijn onbekend in sommige deelen van de wereld.—De romantische liefde heeft zich eerst laat ontwikkeld bij het blanke ras.—Het mysterie van het sexueel verlangen. De kwestie of liefde een begoocheling is.—De geestelijke zoowel als de physieke bouw van de wereld berust voor een deel op sexueele liefde.—Het getuigenis van mannen van intellect voor de alléén-heerschappij van de liefde.

Het begrip geslachtsliefde.—De houding van het middeleeuwsch ascetisme.—St. Bernard en St. Udo van Cluny.—Het wijzen van de asceten op het bij elkaar liggen van de sexueele en de excretie-organen.—De liefde als een sacrament der natuur.—De voorstelling van de onreinheid van wat betrekking heeft op het geslacht in de primitieve godsdiensten in het algemeen.—Theorieën over den oorsprong van deze voorstelling.—Het anti-ascetische element in den bijbel en het oudste Christendom.—Clemens van Alexandrië.—De houding van den heiligen Augustinus.—De erkenning van de heiligheid van het lichaam door Tertullianus, Rufinus en Athanasius.—De hervorming.—Het sexueele instinct beschouwd als dierlijk.—Het menschelijk sexueele instinct gelijkt niet op dat van het dier.—Wellust en liefde.—De definitie van liefde.—Liefde en namen voor liefde zijn onbekend in sommige deelen van de wereld.—De romantische liefde heeft zich eerst laat ontwikkeld bij het blanke ras.—Het mysterie van het sexueel verlangen. De kwestie of liefde een begoocheling is.—De geestelijke zoowel als de physieke bouw van de wereld berust voor een deel op sexueele liefde.—Het getuigenis van mannen van intellect voor de alléén-heerschappij van de liefde.

Het begrip geslachtsliefde.—De houding van het middeleeuwsch ascetisme.—St. Bernard en St. Udo van Cluny.—Het wijzen van de asceten op het bij elkaar liggen van de sexueele en de excretie-organen.—De liefde als een sacrament der natuur.—De voorstelling van de onreinheid van wat betrekking heeft op het geslacht in de primitieve godsdiensten in het algemeen.—Theorieën over den oorsprong van deze voorstelling.—Het anti-ascetische element in den bijbel en het oudste Christendom.—Clemens van Alexandrië.—De houding van den heiligen Augustinus.—De erkenning van de heiligheid van het lichaam door Tertullianus, Rufinus en Athanasius.—De hervorming.—Het sexueele instinct beschouwd als dierlijk.—Het menschelijk sexueele instinct gelijkt niet op dat van het dier.—Wellust en liefde.—De definitie van liefde.—Liefde en namen voor liefde zijn onbekend in sommige deelen van de wereld.—De romantische liefde heeft zich eerst laat ontwikkeld bij het blanke ras.—Het mysterie van het sexueel verlangen. De kwestie of liefde een begoocheling is.—De geestelijke zoowel als de physieke bouw van de wereld berust voor een deel op sexueele liefde.—Het getuigenis van mannen van intellect voor de alléén-heerschappij van de liefde.

Het zal blijken, dat de gehouden bespreking over de naaktheid een diepere beteekenis heeft dan men uit het voorafgaande zou afleiden. De hygiënische waarde, zoowel physiek als geestelijk, van gemeenzaamheid met de naaktheid gedurende de eerste jaren van het leven, hoe groot ze ook wezen mag, is niet de eenige waarde, die zulk een gemeenzaamheid bezit. Behalve haar æsthetische waarde ligt er ook een moreele waarde in, een bron van dynamische kracht. En nog een stap verder gaande, mogen we wel zeggen dat ze een geestelijke waarde heeft met betrekking tot onze geheele opvatting van de sexueele aandrift. Onze houding tegenover het naakte lichaam is de toetssteen van onze houding tegenover het geslachts-instinct. Als ons eigen lichaam en dat van onze medemenschen ons in ons binnenste schandelijk of walgelijk toeschijnt, dan zal niets ooit in werkelijkheid onze opvattingen over sexueele liefde veredelen of louteren. Liefde verlangt naar het vleesch, en als het vleesch schandelijk is, dan moet hij, dieliefheeft, schandelijk zijn. “Se la cosa amata è vile”, zooals Leonardo da Vinci vol diepe wijsheid opmerkte, “l’amante se fa vile”. Hoe onlogisch ze ook geweest mag zijn, er was inderdaad eenige rechtvaardiging voor de oude Christelijke identificatie van het vleesch met het sexueele instinct. Zij staan of vallen te zamen; wij kunnen niet het eene verlagen en het andere verheerlijken. Zooals onze gevoelens zijn tegenover de naaktheid, zoo zullen onze gevoelens zijn tegenover de liefde.“De mensch is niets dan vuil sperma, een zak vol mest, het voedsel voor wormen.… Gij hebt nooit een vuiler mesthoop gezien”. Dat was het resultaat van deMeditationes Piissimae1van St. Bernardus in het klooster. Soms wilden die middeleeuwsche monniken inderdaad wel toegeven, dat de huid een zekere oppervlakkige schoonheid bezat, maar zij gaven dat alleen toe om met meer nadruk te wijzen op de leelijkheid van het lichaam, als het ontdaan was van dezen schijn van schoonheid, en spanden al hun perverse intellectueele scherpzinnigheid en hun woeste ironie in, om met begeerigen spot te wijzen op ieder onderdeel van wat hun de armzalige menschelijke figuur toescheen. De heilige Odo van Cluny, de beminnelijke heilige, een pionier in zijn appreciatie van de wilde schoonheid der Alpen, die hij dikwijls was doorgetrokken, was er bijzonder ver in, de schoonheid van het menschelijk lichaam naar beneden te halen. Hij zegt met nadruk, dat schoonheid alleen in de huid ligt; als wij onder de huid konden zien, dan zouden vrouwen niets dan walging opwekken. Haar bekoorlijkheden zijn slechts bloed, slijm en gal. Als wij weigeren vuil en slijm aan te raken, zelfs maar met de toppen van onze vingers, hoe kunnen we dan begeeren een zak met vuil te omarmen?2De middeleeuwsche monniken van de meer beschouwende soort vonden hier dikwijls een heerlijk veld van meditatie, en de Christelijke wereld in het algemeen was er tevreden mee hun opinies in meer of minder verdunde lezing aan te nemen, of protesteerde er tenminste nooit bepaald tegen.Zelfs mannen van de wetenschap namen deze opvattingen aanen beginnen zich eerst nu los te maken van dat oude bijgeloof. R. de Graef vond het noodig in de Voorrede van zijn beroemde verhandeling over de voortbrengingsorganen van vrouwen,De Mulierum Organis Generatione Inservientibus, opgedragen aan Cosmo III de Medici in 1672, zich over het onderwerp van zijn werk te verontschuldigen. Zelfs een eeuw later veroordeelde Linnaeus in zijn groote werk,The System of Nature, als “afschuwelijk” de nauwkeurige studie der vrouwelijke genitaliën, hoewel hij het wetenschappelijk belang van zulke nasporingen toegaf. En als mannen van de wetenschap het moeilijk gevonden hebben tot een objectief standpunt te komen over vrouwen, dan kunnen we ons niet verwonderen, dat middeleeuwsche en nog oudere opvattingen dikwijls fijn doorweven zijn geweest met de ideeën van philosofische en half philosofische schrijvers3.We mogen als een speciale variëteit van het ascetisch bezien van de sekse beschouwen,—want de asceten grondden vrijelijk, zooals we zien, maar niet geheel terecht, hun ascetisme voor een groot deel op æsthetische overwegingen—dat herhaalde wijzen op het bij elkaar liggen van de sexueele en de excretorische centra, hetgeen in de oude Kerk zijn uitdrukking vond in de geringschattende bewering van Augustinus: “Inter faeces et urinam nascimur”, en dat blijft voortbestaan bij velen, die het in het geheel niet altijd in verband brengen met godsdienstig ascetisme4. “Als resultaat van welk een belachelijke zuinigheid, en van welk een Mephistopheles ironie”, vraagt Tarde5,“heeft de Natuur gemeend, dat een functie zoo verheven, zoo de poëtische en philosofische hymnen, die ze bezongen hebben, waardig, niet beter verdiende dan haar uitsluitend orgaan te hebben te zamen met dat van de minste lichamelijke functies?”Wij mogen er echter op wijzen, dat deze beschouwing van de zaak, hoewel onbewust, zelf het gevolg is van de ascetische depreciatie van het lichaam. Van een wetenschappelijk standpunt zijn de processen van stofwisseling van het lichaam van a tot z, alle met elkander ineen geweven en van gelijke waardigheid, hetzij ze chemisch of psychologisch beschouwd worden. Wij kunnen niet eenig speciaal chemisch of biologisch proces afzonderen en verklaren: Dit is leelijk. Zelfs wat wij uitwerpsel noemen, helpt nog de stof opbouwen van onze levens. Eten is sommigen een walgelijke bezigheid toegeschenen. Maar toch is het mogelijk geweest tezeggen, met Thoreau, dat “de goden inderdaad bedoeld hebben, dat de menschen zich als de goden zouden voeden, evenals zij zelve, met hun eigen nectar en ambrosia … Ik heb gevoeld, dat eten een sacrament werd, een middel tot gemeenschap, een extatische oefening, en een zitten aan de avondmaalstafel der wereld”.De sacramenten van de natuur zijn op deze wijze overal samengeweven in het weefsel van de lichamen van mannen en vrouwen. Lippen, goed om te kussen, zijn voor alles goed om mee te eten en te drinken. Zoo opeengehoopt en over elkaar heen geschoven zijn de centra van kracht langzamerhand geworden, in den langen loop der ontwikkeling, dat alle slijmvliezen van de natuurlijke lichaamsopeningen, door de gevoeligheid, die zij verkregen hebben bij hun speciale werkzaamheid, werktuigen zijn geworden, die de ziel in vervoering kunnen brengen bij de aanraking in liefde; het is nutteloos verschil te maken tusschen hoog en laag, rein of onrein; ze zijn alle gelijkelijk reeds geheiligd door de uiterste wijding der natuur. De neus ontvangt den levensadem; de vagina ontvangt het levenswater. Ten slotte moet de waarde en liefelijkheid van het leven afgemeten worden naar de waarde en liefelijkheid, die de werktuigen van het leven voor ons hebben. De zwellende borsten zijn zulke goddelijk mooie teekenen van vrouwelijkheid ter wille van het kind, dat er mogelijk aan hangen en zuigen zal; de groote lijnen van de heupen zijn zoo wellustig ter wille van het kind, dat zij mogelijk eens zullen bevatten; er kan hier geen onderscheid gemaakt worden, wij kunnen de wortels niet van den boom scheiden. Het is waar, dat de hoogste functie van de mannelijkheid—het overreiken van de levenslamp aan toekomstige rassen, ten uitvoer wordt gebracht door hetzelfde werktuig, dat tot dagelijkschen afvoer van de blaas dient. Er is honend gezegd, dat wij geboren worden tusschen urine en uitwerpselen; er kon ook, vol eerbied, gezegd worden, dat de doorgang door dit geboortekanaal een sacrament is der natuur, heiliger en van meer beteekenis dan menschen het ooit zouden kunnen bedenken.Soms zijn deze verhoudingen opgemerkt en is hun beteekenis erkend door een soort van mystischeintuïtie. Wij nemen nu en dan sporen van zulk een inzicht waar, eerst onder de dichters en later onder de medici van de Renaissance. In 1864 zet Rolfincius, in zijnOrdo et Methodus Generationi Partium etc.aan het begin van zijn tweede deel, gewijd aan de geslachtsdeelen der vrouw, uiteen, wat oude schrijvers gezegd hebben over de Eleusische en andere mysteriën en over de toewijding en reinheid, vereischt van hen, die de heilige riten naderden.“Zoo is het ook met ons,”gaat hij voort,“bij de riten van het wetenschappelijk onderzoek. Ook wij werken met heilige dingen. De geslachtorganen moeten onder heilige dingen gerekend worden. Zij, die deze altaren naderen, moeten komen met vromen geest. Laat de profanen buiten staan,laat de deuren gesloten worden”. In die dagen waren, zelfs voor de wetenschap, alleen geloof enintuïtiemogelijk. Het is eerst in de laatste jaren, dat demicroscoopvan den histoloog en het proefbuisje van den physiologischen chemicus hem van een verstandelijke basis voorzien hebben. Het is niet langer mogelijk, de natuur in tweeën te knippen en te verzekeren, dat ze hier rein is en daar onrein6.Er schijnt dus geen voldoende grond te zijn om het eens te zijn met hen, die het bij elkaar liggen van de voortbrengende en de excretorische centra beschouwen als “een dom knoeiwerk der natuur”. Een associatie, die zoo oud en primitief is als de natuur, kan alleen stuitend toeschijnen aan hen, wier gevoelens ziekelijk onnatuurlijk geworden zijn. We mogen verder opmerken, dat de anus, die aesthetisch het minst aantrekkelijke is van de excretorische centra, betrekkelijk ver verwijderd is van de sexueele centra, en dat, zooals R. Hellmann vele jaren geleden opmerkte, toen hij deze kwestie besprak (Ueber Geschlechtsfreiheit, p. 82): “In de eerste plaats pas afgescheiden urine niets bijzonder onaangenaams in zich heeft, en in de tweede plaats, als ze dat al had, we dan wel mochten bedenken, dat een rozenroode mond in het geheel niet zijn bekoring verliest, alleen omdat hij niet aanlokkend is om te kussen op het oogenblik, dat zijn bezitter bezig is te braken”.Een geestelijke oppert zelfs in een zijner geschriften, dat wij verder mogen gaan en een positief voordeel vinden in deze nabijheid. “Ik ben blij, dat gij het niet eens zijt met den man, die vond, dat de natuur geknoeid had, toen ze de genitaliën gebruikte voor de doeleinden van het urineeren; afgezien van teleologische en theologische redenen zou ik die redeneeringslijn niet kunnen volgen. Ik vind, dat er geen reden is voor walging wat de organen voor het urineeren betreft, hoewel ik gevoel, dat de anus nooit aantrekkelijk kan zijn voor den normalen geest; maar de anus is geheel afgescheiden van de genitaliën. Mijn opinie is, dat het nabij elkaar liggen een goed doel heeft, doordat het de organen min of meer geheim maakt, behalve in tijden van sexueele opwinding of in die van liefde. Het resultaat is, dat die deelen in gewone tijden een zekere mate van weerzin wekken, maar een sterke aantrekking oefenen in tijden van sexueele werkzaamheid. Vandaar dat het gewone beschermen van de geslachtsdeelen, uit vrees afkeer te wekken, zeer hun aantrekkelijkheid verhoogt op andere tijden, wanneer de sexueele werkzaamheid onbeperkt is. Verder is het gevoel van afkeer zelf alleen het resultaat van gewoonte en gevoelen, hoe nuttig het ook is, en volgens de Schrift is alles rein en goed. Het ascetisch gevoel van tegenzin berust, als we terug gaan tot zijn oosprong, op anderen dan christelijken invloed. Het christendom kwam voort uit het Judaisme, dat geen gevoel had voor de onreinheid van het huwelijk, want “onrein” beteekent in het Oude Testament eenvoudig “heilig”. De ascetische zijde van den godsdienst van het christendom is geen deel van den godsdienst van Christus, zooals hij kwam uit de handen van den stichter, en het moderne gevoel in deze zaak is een weifelend overblijfsel van de ketterij van de Manichaeërs”. Ik mag er echter wel bijvoegen, dat er, zooals Northcote zegt (Christianity and SexProblems, p.14), naast de vrije erkenning van sexualiteit in het Oude Testament, een kring van denkbeelden is, die blijk geeft van een gevoel van onreinheid en schaamte wat de sekse betreft. Het christendom heeft deze gemengde gevoelens geërfd. Het is inderdaad onder de oude en primitieve volken een ver verspreid en bijna algemeen gevoelen geweest, dat er iets onreinsen zondigs is in de dingen van het geslacht, zoodat zij, die een godsdienstig leven zouden willen leiden, sexueele verhoudingen moeten vermijden; zelfs in Indië heeft het coelibaat eerbied ingeboezemd (zie b.v. Westermarck,Marriage, pp.et seq.) Wat den oorspronkelijken grond van dit denkbeeld aangaat—dien we hier niet nauwkeuriger behoeven te bespreken—zijn vele theorieën op den voorgrond gebracht; de heilige Augustinus zet, in zijnDe Civitate Deihet vernuftige idee uiteen, dat de penis, omdat hij onderhevig is aan spontane bewegingen en erecties, die niet door den wil beheerscht worden, een orgaan is om zich over te schamen, dat de geheele geslachtssfeer in zijn schande meetrekt. Westermarck beweert, dat er onder bijna alle volken gevoelens voorkomen tegen sexueele verhoudingen met leden van dezelfde familie of hetzelfde huishouden, en daar het geslacht zoo verbannen werd uit de sfeer van het huiselijk leven, ontstond er een opvatting over de onreinheid ervan; Northcote wijst op het feit, dat het van hetbeginaf aan noodig is geweest verborgenheid te zoeken voor sexueelen omgang, omdat het paar op dat oogenblik een prooi zou zijn voor vijandelijke aanvallen, en dat door een gemakkelijken overgang de sekse beschouwd begon te worden als iets, dat verborgen behoort te worden en daarom als iets zondigs. (Diderot had reeds in zijnSupplément au Voyage de Bougainvillegewezen op dit motief voor afzondering als “het eenige natuurlijke element voor kuischheid”). Crawley heeft een groot deel van zijn suggestief werk,The Mystic Rose, gewijd aan het aantoonen van het feit, dat voor den wilde de sekse een gevaarlijk en verzwakkend element in het leven is en daarom zondig.Het zou echter een dwaling zijn te denken, dat zulke mannen als St. Bernard en de heilige Odo van Cluny, hoe bewonderenswaardig zij ook de ascetische en zelfs de algemeen Christelijke gezichtspunten van hun eigen tijd vertegenwoordigden, beschouwd moeten worden als geheel typische voorbeelden van het echt Christelijke en primitief Christelijke gezichtspunt. Voor zoover ik heb kunnen ontdekken, vinden wij deze geconcentreerde intellectueele en emotioneele woestheid van aanval op het lichaam niet tijdens de eerste duizend jaar van het Christendom; die ontwikkelde zich eerst op het oogenblik toen, met paus Gregorius VII, het middeleeuwsche Christendom de climax bereikte van zijn overwinning over de zielen van de Europeesche menschen, in de instelling van het coelibaat van de wereldlijke geestelijkheid en den groei van de groote, in kloosters verzamelde gemeenschappen van monniken in streng geregelde en afgezonderde orden7. Daarvoor deden de leeraars van het ascetisme meer hun best om aan te sporen tot kuischheid en zedigheid dan dat ze een aanval deden op het geheele lichaam; zij concentreerden hun aandachtliever op geestelijke deugden dan op physieke onvolkomenheden.En als wij tot de Evangeliën teruggaan, dan vinden we weinig van den middeleeuwschen ascetischen geest in de gezegden en daden, die van Jezus vermeld worden, waarvan we zelfs eerder mogen zeggen dat ze over het geheel, niettegenstaande het ascetisme dat er aan ten grondslag ligt, een zekere teerheid openbaren en een toegevendheid jegens het lichaam, terwijl zelfs Paulus, hoewel hij niet zacht is voor het lichaam, tot eerbied er voor aanspoort als voor een tempel van den Heiligen Geest.Wij kunnen niet verwachten, dat wij de Kerkvaders sympathiek gezind zullen vinden tegenover het vertoonen van het naakte menschelijk lichaam, want hun positie was gegrond op een opstand tegen het heidendom en het heidendom had het lichaam gekoesterd. De naaktheid was meer speciaal verbonden geweest met het publieke bad, het gymnasium en het tooneel; en daar het van harte deze heidensche instellingen afkeurde, werkte het Christendom de naaktheid tegen. Het feit, dat gemeenzaamheid met de naaktheid eer gunstig dan ongunstig was voor de kuischheid, waaraan ze zooveel waarde hechtte, kon de Kerk—hoewel ze op zekeren tijd de naaktheid opnam in het ritueel van den doop—voor het grootste deel niet inzien, als deze kuischheid al werkelijk een feit was, hetwelk de speciale condities van het decadente klassieke leven neiging hadden gehad te verbergen. Maar in hun bepaalde voorkeur voor het aangekleede lichaam boven het naakte aarzelden de eerste Christenen dikwijls om den verderen stap te doen door te verzekeren, dat het lichaam een brandpunt is van onreinheid en dat de physieke sexueele organen een uitvindsel zijn van den duivel. Integendeel spraken sommige van de beroemdste Kerkvaders, vooral zij die tot de Grieksche kerk behoorden en die den levenwekkenden adem gevoeld hadden van het Grieksche denken, zich nu en dan uit over de onderwerpen natuur, sekse, en het lichaam in een geest, die de instemming verworven zou hebben van Goethe en Whitman.Clemens van Alexandrië was, met al de excentriciteit van zijn overfijn intellect, de meest Grieksche van al de Kerkvaders en het is niet te verwonderen, dat de laatste glimp van klassiek licht, die van zijn geest uitstraalde, eenig licht wierp over deze kwestie van sekse. Hij protesteerde bv. tegen die preutschheid die, toen de zon van de klassieke wereld onderging, begonnen was het leven te overschaduwen. “Wij moeten ons niet schamen te noemen wat God zich niet geschaamd heeft te maken”8. Het was een merkwaardige verklaring omdat, terwijl ze het oude klassieke gevoel aannam van geen schaamte jegens de natuur, ze dat gevoelplaatste op een nieuwe en godsdienstige basis in overeenstemming met het Christendom. Over het geheel, hoewel niet altijd consequent, verdedigt Clemens van Alexandrië het lichaam en de sexueele functies tegen hen, die ze met verachting behandelden. En daar de zaak van het geslacht de zaak is der vrouwen, houdt hij de waardigheid der vrouwen altijd krachtig staande en verkondigt hij ook de heiligheid van het huwelijk, een staat, dien hij somtijds plaatst boven dien der maagdelijkheid?9Ongelukkig, het moet gezegd worden, meende de heilige Augustinus—een andere Noord-Afrikaner, maar uit Romeinsch Carthago en niet uit Grieksch Alexandrië—dat hij een overtuigend antwoord had op het argument dat Clemens opperde, en zoo groot was de kracht van zijn hartstochtelijk en machtig genie, dat hij ten slotte zijn antwoord overheerschend kon maken. Voor Augustinus was de zonde erfelijk, en de zonde had haar specialen zetel in de sexueele organen; de daad der zonde had de oorspronkelijke goddelijke daad der schepping gewijzigd, en wij kunnen de sekse en de sexueele organen niet behandelen alsof er geen erfzonde was geweest. Onze genitaliën, verklaart hij, zijn schandelijk geworden omdat zij, door de zonde, nu in beweging gebracht worden door de wellust. Toch neemt Augustinus op verre na niet de middeleeuwsche ascetische houding aan van minachtenden haat jegens het lichaam. Niets kan verder van Odo van Cluny af zijn dan het enthusiasme van Augustinus over het lichaam, zelfs over de volkomen harmonie van de deelen onder de huid. “Ik geloof, dat wij tot het besluit kunnen komen”, zegt hij zelfs, “dat bij het scheppen van het menschelijk lichaam de schoonheid meer in het oog gehouden is dan het nut. Waarlijk, nut is een voorbijgaand iets, en de tijd zal komen dat we elkanders schoonheid kunnen genieten zonder wellust”10. Zelfs in de sfeer van sekse zou hij geneigd zijn reinheid en schoonheid aan te nemen, afgescheiden van den erfelijken invloed van Adam’s zonde. In het Paradijs, zegt hij, als het Paradijs was blijven bestaan, zou de daad van het voortbrengen even eenvoudig zijn geweest en vrij van schande als de daad van de hand bij het uitstrooien van het zaad op de aarde. “Sexueele vereeniging zou onder de heerschappij van den wil geweest zijn zonder eenig sexueel verlangen. Het zaad zou in de vagina gebracht worden op even eenvoudige wijze als de menstrueele vloeistof er nu uitgeworpen wordt. Er zouden geen woorden geweest zijn die obsceen genoemd konden worden, maaral wat van deze deelen kon gezegd worden, zou even rein geweest zijn als wat gezegd wordt van de andere deelen van het lichaam”11. Dat is echter voor Augustinus wat had kunnen wezen in het Paradijs, waar, naar hij meende, sexueel verlangen niet bestond. Zooals de dingen zijn, meende hij, is het juist dat wij ons schamen, doen wij goed te blozen. En het was natuurlijk dat, zooals Clemens van Alexandrië vermeldt, vele ketters verder gingen op dezen weg en geloofden dat, terwijl God den mensch maakte tot aan den navel, de rest door een andere macht gemaakt was; zulke ketters hebben zelfs nu nog hun aanhangers onder ons.Evenzeer in de Oostersche als in de Westersche kerken echter, zoowel voor en na Augustinus, hoewel niet dikwijls er na, hebben groote Kerkvaders en leeraars meeningen geuit, die eer die van Clemens dan die van Augustinus herroepen. Wij kunnen niet veel waarde hechten aan de uiting van den buitensporigen en dikwijls zichzelf tegensprekenden Tertullianus, maar het is de moeite waard op te merken, dat, terwijl hij verklaarde dat de vrouw de poort is tot de hel, hij toch ook gezegd heeft, dat wij de natuur moeten naderen met eerbied en niet met een blos. “Natura veneranda est, non erubescenda”. “Geen Christelijk schrijver”, heeft men gezegd, “heeft zoo energiek gesproken tegen de kettersche verachting van het lichaam als Tertullianus. Lichaam en ziel zijn, volgens Tertullianus, ten nauwste verbonden. De ziel is het levensprincipe van het lichaam, maar er is geen werkzaamheid van de ziel, die zich niet openbaart door en invloed ondervindt van het vleesch”12. Van meer belang is Rufinus Tyrannius, de vriend en medeleerling van den heiligen Jeronimus, in de vierde eeuw, die een commentaar schreef op de Apostolische geloofsleer, die zeer in aanzien was bij de oude en middeleeuwsche kerk en die zelfs nu nog gewaardeerd wordt. Rufinus zegt, in antwoord aan hen, die verklaarden dat er obsceniteit was in het feit van de geboorte van Christus door de sexueele organen van een vrouw, dat God de sexueele organen geschapen heeft, en dat “het niet de natuur is, maar alleen de opinie der menschen, die ons leert dat deze deelen obsceen zijn. Verder zijn al de deelen van het lichaam gemaakt van dezelfde klei, welke verschillen er ook mogen zijn in hun gebruik en hun functies”13. Hij bekijkt de zaak zooals wezien, wel vroom, maar toch natuurlijk en eenvoudig, zooals Clemens, en niet zooals Augustinus door het verwringende medium van een theologisch systeem. Athanasius sprak in de Oostelijke Kerk in denzelfden geest als Rufinus in de Westelijke. Een zekere monnik, genaamd Amun, had veel verdriet ondervonden door het voorkomen van zaaduitstortingen in den slaap, en hij schreef aan Athanasius om te vragen of zulke uitstortingen zonde zijn. In den brief, dien hij tot antwoord schreef, tracht Athanasius Amun gerust te stellen. “Alle dingen”, zegt hij tot hem, “zijn rein voor den reine. Want wat, vraag ik u, lieve en vrome vriend, kan er voor zondigs of van nature onreins zijn in een uitwerpsel? De mensch is het werk van Gods handen. Er is zeker niets in ons dat onrein is”14. Als wij deze uitingen lezen, gevoelen wij, dat de zaden van preutschheid en verhitheid reeds in den geest van het volk aanwezig zijn, maar toch zien wij ook dat sommige van de meest bekende denkers van de eerste Christelijke Kerk in opvallend contrast met de meer ziekelijke en kleingeestige middeleeuwsche asceten, duidelijk afgezonderd stonden van de populaire beweging. Over het geheel werden zij overstemd, omdat het Christendom, evenals het Boeddhisme, van het begin af aan een kiem in zich droeg, die zich leende tot ascetische onthouding, en het sexueele leven is altijd de eerste impuls, die opgeofferd moet worden aan den hartstocht voor onthouding. Maar er waren ook andere kiemen in het Christendom, en Luther, die op zijn eigen plebejische wijze opkwam voor de rechten van het lichaam, ofschoon hij brak met het middeleeuwsch ascetisme, stelde daardoor geenszins de tradities van de oudste Christelijke Kerk ter zijde.Ik heb gemeend, dat het de moeite waard was dezen bewijsgrond aan te voeren, alhoewel ik zeer wel weet, dat de feiten der Natuur geen meerderen steun verkrijgen door het gezag van de Kerkvaders of zelfs van den Bijbel. De natuur en de menschheid hebben bestaan vóór den Bijbel en zouden voortgaan te bestaan al zou de Bijbel vergeten zijn. Maar de houding van het Christendom op dit punt is zoo dikwijls zonder voorbehoud veroordeeld geworden, dat het wel goed schijnt aan te toonen, dat in zijn beste oogenblikken, toen het een jonge en aangroeiende macht in de wereld was, de uitingen van het Christendom dikwijls gelijkluidend waren met die van de Natuur en van de rede. Er zijn vele menschen, mogen we er aan toevoegen, die het een troost vinden te weten, dat zij, als zij in deze zaak den natuurlijken en verstandelijken weg volgen, daardoor niet geheel en al breken met de godsdienstige tradities van hun ras.Het is wel nauwelijks noodig op te merken, dat wij, als wij ons van het Christendom afwenden naar de andere groote wereldgodsdiensten, gewoonlijkzoo’n dubbelzinnige houding jegens de sekse niet ontmoeten. De Mohammedanen waren even nadrukkelijk in het beweren, dat de sekse heilig was, als zij waren in hun zorg voor de lichamelijke reinheid; zij waren bereid de sexueele functies in het leven hiernamaals mee te nemen, en zij hebben zich nooit, zooals Luther en zoo vele andere Christenen, vermoeid met peinzen over het gebrek aan bezigheid in den Hemel. In Indië, hoewel Indië het tehuis is van de uiterste vormen van godsdienstig ascetisme, is de sexueele liefde in een grootere mate, geheiligd en vergoddelijkt geworden dan in eenig ander deel van de wereld. “Het schijnt nooit in de hoofden van de Hindoe-wetgevers te zijn opgekomen”, zeide Sir William Jones lang geleden (Works, vol. ii, p. 311), “dat iets natuurlijks hinderlijk obsceen zou kunnen zijn, een eigenaardigheid, die al hun geschriften doordringt, maar die geen bewijs is voor de verdorvenheid van hun zeden”. De sexueele daad heeft in Indië dikwijls een godsdienstige beteekenis gehad, en de meest nauwkeurige bijzonderheden van het sexueele leven en de verscheidenheden ervan zijn in Indische erotische verhandelingen op ernstige wijze besproken, terwijl nergens anders de anatomische en physiologische sexueele eigenaardigheden van vrouwen met zulk een nauwkeurigen en devoten eerbied zijn bestudeerd. “Liefde heeft in Indië, zoowel in theorie als in de praktijk” merkt Richard Schmidt op (Beiträge zur Indischen Erotik, p. 2) “een belangrijkheid, zooals wij ons zelfs niet kunnen voorstellen”.In Protestantsche landen heeft de invloed van de Hervorming, door de sekse als iets natuurlijks in eere te herstellen, indirect er toe geleid, in het populaire voelen jegens de sekse den smaad van zondigheid te vervangen door den smaad van dierlijkheid. Voortaan moet de sexueele impuls worden verborgen of opgetooid, om fatsoenlijk menschelijk te worden. Dit blijkt duidelijk uit een passage in het dagboek van Pepys, in de zeventiende eeuw. Op den morgen na den huwelijksdag was het gewoonte pas getrouwde menschen met muziek wakker te maken; de afwezigheid van deze muziek bij een bepaalde gelegenheid (in 1667), maakte op Pepys den indruk “alsof zij zoo maar als een paar honden bij elkaar waren gekomen”. Wij geven niet langer om de muziek, maar hetzelfde gevoelen bestaat nog in den wensch naar andere vermommingen en versieringen voor den sexueelen impuls. Wij stellen ons niet altijd duidelijk voor oogen, dat liefde haar eigen heiliging met zich brengt.Als tegenwoordig de tegenzin tegen de sexueele zijde van het leven zich vertoont, wordt bijna altijd beweerd niet zoozeer, dat ze “zondig” is als wel dat ze “dierlijk” is. Ze wordt beschouwd als dat deel van den mensch, dat hem het nauwste verbindt met de lagere dieren. Het moest nauwelijks noodig zijn er op te wijzen, dat dit een dwaling is. Van wat voor zijde we ze ook naderen, de bewering, dat sekse bij den mensch en bij de dieren hetzelfde is kan niet volgehouden worden. Van het standpunt van hen, die deze identiteit aannemen, zou het juister zijn te zeggen, dat de menschen inferieur zijn aan de dieren, dan dat ze gelijk zijn met de dieren, want bij dieren is onder natuurlijke omstandigheden het sexueele instinct strikt ondergeschikt aan de voortplantingen zeer weinig onderhevig aan afwijking, zoo dat van het standpunt van hen, die de sekse willen kleineeren, de dieren dichter bij het ideaal zijn, en zulke menschen moeten met Woods Hutchinson zeggen: “Alles te zamen genomen hebben onze dier-voorouders evenveel reden zich over ons te schamen, als wij over hen”. Maar als we de zaak bezien van een ruimer biologisch standpunt van ontwikkeling, dan moet onze conclusie geheel verschillend zijn.Wel verre van aan de dieren gelijk te zijn, behooren de menschelijke sexueele impulsen onder de minst op de dieren gelijkende aanwinsten van den mensch. De menschelijke sexueele sfeer verschilt in een buitengewoon groote mate van de dierlijke sexueele sfeer15. Ademhalen is een dierlijke functie en hierin kunnen we niet wedijveren met de vogels; beweging is een dierlijke functie en hier kunnen wij de viervoeters niet evenaren; wij zijn niet merkbaar vooruit gegaan wat onze circuleerende, verteringbevorderende, nier- of leverfuncties betreft. Zelfs wat het gezicht en het gehoor betreft, zijn er veel dieren, die scherper van gezicht zijn dan de mensch, en vele, die in staat zijn geluiden te hooren, die voor hem onhoorbaar zijn. Maar er zijn geen dieren, waarbij het sexueele instinct zoo gevoelig is, zoo hoog ontwikkeld, zoo verscheiden in zijn uitingen, zoo voortdurend waakzaam, zoo in staat om uit te stralen naar de hoogste en de verst verwijderde deelen van het organisme. De sexueele werkzaamheden van den man en van de vrouw behooren niet tot dat lagere deel van onze natuur, dat ons degradeert tot het niveau van het “dier”, maar tot het hoogere deel, dat ons opheft tot al de hoogste werkzaamheden en idealen, waartoe we in staat zijn. Het is waar, dat er voornamelijk in den mond van enkele onwetende en slecht opgevoede vrouwen over sekse gesproken wordt als “dierlijk” of als “het dierlijke deel van onze natuur”16. Maar daar vrouwen de moeders en de onderwijzeressen zijn van het menschelijk ras is dit een onwetendheid en een blijk van slechte opvoeding, die niet te spoedig met wortel en tak kunnen uitgeroeid worden.Er zijn sommigen, die schijnen te denken, dat zij de weegschaal in evenwicht hebben gehouden en de zaak voor goed opgelost, als zij erkennen, dat sexueele liefde zoowel mooi kan zijn als walgelijk, en dat beide beschouwingen even normaal en wettig zijn. “Luister om de beurt”, merkt Tarde op, “naar twee mannen,die de een koud, de ander vurig, de een kuisch, de ander verliefd, beiden even welopgevoed en ruim van geest, de waarde van hetzelfde ding bepalen: de een noemt walgelijk, leelijk, weerzinwekkend en dierlijk, wat de ander heerlijk, verrukkelijk, onuitsprekelijk, goddelijk noemt. Wat voor den een, in de Christelijke phraseologie, een onvergeeflijke zonde is, dat is voor den ander de staat van ware genade. Daden, die voor den een een treurige en nu en dan voorkomende noodzakelijkheid schijnen te zijn, vlekken die zorgvuldig uitgewischt moeten worden door lange tusschenpoozen van zelfbeheersching, zijn voor den ander de gouden spijkers, waar het geheele overige levensgedrag en bestaan van afhangt, de dingen, die alleen aan het menschelijk leven zijn waarde geven”17. Toch mogen we wel betwijfelen of deze beide personen “even welopgevoed en ruim van geest” zijn. De wilde gevoelt, dat sekse gevaarlijk is en hij heeft gelijk. Maar de mensch, die gevoelt dat de sexueele impuls slecht is, of zelfs maar laag bij den grond en vulgair, is een absurditeit in het heelal, een afwijking. Hij is evenals die menschen in onze krankzinnigengestichten, die gevoelen, dat het instinct om zich te voeden slecht is en zoo er toe overgaan om zich uit te hongeren. Zij zijn evenzeer geestelijke verworpelingen in het heelal, welks kinderen zij zijn. Het is een andere zaak, als een mensch verklaart, dat hij persoonlijk in zijn geval een ascetisch ideaal heeft, dat hem er toe brengt zich zooveel mogelijk te onthouden van een van beide of van beide impulsen. De mensch, die gezond ascetisch is, streeft naar een discipline, die te hulp komt aan het ideaal, dat hij zich persoonlijk gesteld heeft. Hij kan theoretisch nog in harmonie blijven met het heelal, waartoe hij behoort. Maar verachting uit te spreken over het sexueele leven, den sluier der “onreinheid” er over uit te spreiden, dat is, zooals Nietzsche verklaarde, de onvergeeflijke zonde tegen den Heiligen Geest van het Leven.Er zijn veel menschen, die vooroordeel en rede trachten te verzoenen in hun waardeering van de liefde door een scherpe scheidingslijn te trekken tusschen “lust” en “liefde”, de eene verwerpend en de andere goedkeurend. Het is zeer juist zulk een onderscheid te maken, maar de wijze waarop het gemaakt wordt, kan gewoonlijk in het geheel geen onderzoek verdragen. Wij moeten uitmaken, wat we meenen met “wellust” en wat we meenen met “liefde”, en dat is niet gemakkelijk, als zij beschouwd moeten worden alsof ze elkaar uitsluiten. Soms wordt gezegd, dat we onder “lust” moeten verstaan een roekeloos toegeven aan den sexueelen impuls zonder op andere overwegingen te letten. Als we hem zoo verstaan, kunnen we hem veilig verwerpen. Maar dat is een volkomen willekeurige definitie van het woord. “Lust”is inderdaad een zeer dubbelzinnig woord; het is een goed woord, dat zijn moreele waarde veranderd heeft, en daarom moeten wij het zeer zorgvuldig verklaren, eer wij het durven gebruiken. Eigenlijk gezegd, is “lust” een volkomen kleurloos woord18en beteekent eenvoudig verlangen in het algemeen en sexueel verlangen in het bijzonder; het komt overeen met “honger” of “dorst”; het in een beleedigende beteekenis te gebruiken is ongeveer hetzelfde als aan te nemen, dat het woord “hongerig” dezelfde beleedigende beteekenis heeft als “begeerig”. Het resultaat is geweest, dat gevoelige geesten verontwaardigd het woord “lust” in verband met de liefde verwerpen19. In het vroegste gebruik van onze taal, had “lust” den zin van gezonde en normale sexueele kracht; nu is het woord zoo zeer naar beneden gehaald, dat, hoewel het gemakkelijk zou zijn het weer op zijn juiste plaats, die nog open blijft, te brengen, de poging hiertoe welhaast een hopelooze taak lijkt. Wij hebben de bronnen van gevoel in deze zaken zoozeer vergiftigd met middeleeuwsche ascetische ruwheden, dat al onze woorden voor sekse spoedig neiging-hebben met modder bespat te geraken; we kunnen ze oprapen uit de modder, waarin ze gevallen zijn en trachten ze te reinigen, maar aan vele oogen zullen ze toch nog vuil toeschijnen. Een gevolg van deze neiging is, dat wij geen eenvoudig, precies, natuurlijk woord hebben voor de liefde van de seksen, en we gedwongen worden onze toevlucht te nemen tot den algemeenen term, die zoo veelomvattend is, dat men in Engeland en in de meeste andere landen die den toon aangeven, met hetzelfde woord spreekt van God “liefhebben” of van eten “houden”.Liefde, in de sexueele beteekenis, is in het kort beschouwd, een samenstelling van lust (in den primitieven en ongekleurden zin van sexueele aandoening) en vriendschap. Er kan geen sexueele liefde zijn zonder lust; maar, aan den anderen kant, niet voordat stroomen van lust in het organisme zijn uitgestraald, zoo, dat zij andere deelen van het psychische organisme raken—ten minste de aandoeningen en de maatschappelijke gevoelens—is het sexueele liefde. Lust, de specifieke sexueeleimpuls, is wel het eerste en meest essentieele element in deze samenstelling, want die alleen is geschikt voor het doel van de reproductie, niet alleen bij dieren maar ook bij menschen. Maar niet voordat lust zich uitgezet heeft en uitgestraald is, ontwikkelt hij zich tot de heerlijke en betooverende bloem der liefde. Wij mogen ons voor den geest halen, wat onder de planten gebeurt: aan den eenen kant hebben wij de lagere organismen, waarbij het sexueele leven beknopt en cryptogamisch voortgaat zonder ooit eenigen overvloed van schitterende bloemen over de wereld uit te storten, en aan den anderen kant de hoogere planten, waar sekse zich geopenbaard vertoont en zich aanmerkelijk uitgezet heeft in vorm en kleur en geur.Terwijl “lust” natuurlijk over de geheele wereld bekend is, en er overal woorden zijn om hem aan te duiden, is “liefde” niet algemeen bekend, en in vele talen zijn er geen woorden voor “liefde”. De mislukte pogingen om liefde te vinden, zijn dikwijls opmerkelijk en onverwacht. We kunnen ze soms vinden, waar we ze het minst verwachten. Het sexueele verlangen raakte zelfs bij sommige dieren geïdealiseerd, (zooals Sergi opgemerkt heeft), voornamelijk bij vogels, want als een vogel zich dood treurt over zijn wijfje, kan dat niet voortkomen uit het ongecompliceerde sexueele instinct, maar moet het de combinatie in zich sluiten van dat instinct met de andere levenselementen in een mate, die zeldzaam is zelfs onder de meest beschaafde menschen. Sommige wilde stammen schijnen geen fundamenteele voorstelling te hebben over liefde, en (zooals de Amerikaansche Nahua’s) geen elementair woord er voor, terwijl er, aan den anderen kant, in Quichua, in de taal van de oude Peruvianen, bijna zeshonderd combinaties zijn van het werkwoordmunay, liefhebben. Bij sommige volken schijnt de liefde beperkt te zijn tot de vrouwen. Letourneau (L’Evolution Littéraire, p. 529) wijst er op, dat in verschillende deelen van de wereld vrouwen de leiding genomen hebben in het scheppen van erotische poëzie. In dit verband mogen we de opmerking maken, dat zelfmoorden uit erotische overwegingen bij primitieve volken voornamelijk voorkomen onder vrouwen (Zeitschrift für Sozialwissenschaft, 1899, P. 578). Verscheidene natuurvolken hebben liefdeliederen, b.v. de Suaheli (Velten, in zijnProsa und Poesie der Suaheli, wijdt een deel aan liefdeliederen, geschreven in de taal der Suaheli). D. G. Brinton zegt, in een belangwekkend geschrift over “The Conception of Love in Some American Languages” (Proceedings American Philosophical Society, vol. XXIII, p. 546; 1886), dat de woorden voor liefde in deze taal blijk geven van vier hoofdwijzen om het begrip uit te drukken: (1) ongearticuleerde uitroepen van emotie; (2) betuigingen van hetzelfde te zijn of op elkaar te gelijken; (3) betuigingen van samen te hooren en verbonden te zijn; (4) betuigingen van een wensch, verlangen of een begeerte. Brinton voegt er bij, dat “deze zelfde denkbeelden ten grondslag liggen aan de meeste woorden voor liefde in de groote Arische taalgroep”. Het opmerkelijke feit doet zich echter voor, dat de menschen, die de Arische taal spraken, langzaam waren in het ontwikkelen van hun opvatting van sexueele liefde. Brinton merkt op, dat de Amerikaansche Mayas gesteld moeten worden boven de volken van oude Arische beschaving, in dit opzicht, dat zij een grondwoord bezitten voor de vreugde der liefde, dat naar zijn beteekenis zuiver psychisch was en strikt betrekking had op den geestelijken toestand, en niet op gelijkheid noch op verlangen. Zelfs de Grieken waren laat met het vormen van eenig ideaal van sexueele liefde. Dit is duidelijk aangetoond door E. F. M. Benecke in zijnAntimachus of Colophon and the Position of Women in Greek Poetry, een boek, dat eenige gewaagde stellingenbevat, maar dat van het tegenwoordige standpunt uit zeer leerzaam is. De Grieksche lyrische dichters schreven om zoo te zeggen geen liefdeliederen aan vrouwen vóor Anacreon, en de zijne werden eerst geschreven toen hij oud was. Ware liefde was voor de Grieken bijna altijd homosexueel. De Ionische lyrische dichters van het oude Griekenland beschouwden de vrouw alleen als speelgoed en als de stichtster van de familie. Theognis vergelijkt het huwelijk bij het fokken van vee; Alcman spreekt, als hij complimenteus wil zijn voor de Spartaansche meisjes, van haar als van zijn “vrouwelijke vrienden”. Aeschylus laat zelfs een vader zeggen, dat zijn dochters zich zullen misdragen als zij aan zichzelf zijn overgelaten. Er is geen sexueele liefde bij Sophocles, en bij Euripides zijn het alleen de vrouwen die verliefd worden. Benecke komt tot het besluit (p. 67), dat in Griekenland sexueele liefde tot een tamelijk laat tijdstip in minachting was, en dat ze beschouwd werd als niet waardig om in het publiek besproken of voorgesteld te worden. Het was in Groot-Griekenland eerder dan in Griekenland zelf, dat mannen belangstelling hadden voor vrouwen, en het was niet eerder dan in den tijd van Alexander, en vooral bij Asclepiades, zegt Benecke, dat de liefde van vrouwen beschouwd werd als een zaak van leven en dood. Daarna komt de opvatting van de sexueele liefde, van het romantisch gezichtspunt, in het Europeesche leven. Met de Keltische geschiedenis van Tristam verschijnt ze, naar Gaston Paris opmerkt, eindelijk in de Christelijke Europeesche wereld der poëzie als het voornaamste punt in het menschelijk leven, de groote drijfkracht voor het gedrag der menschen.Romantische liefde is echter tot de massa in Europa niet doorgedrongen. In de zestiende eeuw, of in den tijd dat de ballade van “Glasgerion” geschreven werd, zien wij aangenomen, dat de verhouding van een boer tot zijn meisje beperkt is tot de enkele daad van sexueelen omgang; hij kust haar niet bij het komen of bij het weggaan; alleen de ridder, de man van de hoogere klasse denkt er aan, die teedere beleefdheid aan te bieden. En heden ten dage is, bijvoorbeeld in de streek tusschen Oost-Friesland en de Alpen, naar Bloch meedeelt (Sexualleben unserer Zeit, p. 29) in navolging van E. H. Meyer, het woord “liefde” bij de groote massa onbekend en erkent men alleen den ruwen tegenhanger ervan.Aan de andere zijde van de wereld, in Japan, schijnt sexueele liefde evenzeer in discrediet te zijn als het was in het oude Griekenland; zoo merkt Miss Tsuda, het hoofd van een Japansche school en zelf een Christin, op (zooals aangehaald wordt door Mrs. Fraser inWorld’s Work and Play, Dec.1906): “Dat woord “liefde” is tot nog toe een woord geweest, dat niet bekend was onder onze meisjes, in de buitenlandsche beteekenis. Plicht, onderwerping, vriendelijkheid—dat waren de gevoelens, die een meisje voor den echtgenoot moest hebben, die voor haar gekozen was—en vele gelukkige, harmonische huwelijken waren hiervan het resultaat. Nu zeggen uwe lieve, sentimenteele buitenlandsche vrouwen tot onze meisjes: “Het is slecht te trouwen zonder liefde; de gehoorzaamheid aan ouders voert in zulk een geval tot geweld aandoen aan de natuur en aan het Christendom. Als je van een man houdt, moet je alles opofferen om hem te trouwen”.”Als liefde echter volledig ontwikkeld is, wordt ze een aandoening van een enorme uitgebreidheid en zeer samengesteld, en lust wordt, zelfs in de beste beteekenis van dat woord, een element, dat staat naast vele andere elementen. Herbert Spencer heeft, in een belangwekkende passage van zijnPrinciples of Psychology(Deel IV, hoofdst. VIII), liefde ontleed in negen onderscheiden en belangrijke elementen: (1) de physieke sexueele impuls; (2) het gevoel voor schoonheid; (3) genegenheid; (4) bewondering en eerbied;(5) behoefte aan goedkeuring; (6) gevoel van eigenwaarde; (7) gevoel van eigendomsrecht; (8) grooter vrijheid van handelen door de afwezigheid van persoonlijke hinderpalen; (9) verheffing van de sympathieën. “Deze hartstocht”, zegt hij ten slotte,“smelt de meeste van de elementaire opwindingen, waartoe we in staat zijn, tot een enorm groote massa samen”.Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat het definieeren van de sexueele liefde, of zelfs het ontleden van de samenstellingen ervan, in het geheel niet hetzelfde is als het verklaren van het mysterie. Wij trachten ons verstand te bevredigen door middel van een samenhangend beeld der liefde, maar de afstand tusschen dat beeld en de werkelijkheid van de aandoening, die we ondervinden, moet altijd onmeetbaar en niet te overbruggen zijn. “Er is geen woord dat meer uitgesproken wordt dan dat van liefde”, schreef Bonstetten vele jaren geleden, “en toch is er geen onderwerp, dat geheimzinniger is. Van dat, wat ons het naaste raakt, weten we het minste. Wij kunnen den loop van de sterren en we weten niet, hoe we liefhebben”. En hoe bedreven we ook geworden zijn in het ontdekken en ontleden van de oorzaken, de bijkomstigheden en de resultaten van de liefde, moeten we toch nog heden dezelfde bekentenis doen. Wij kunnen trachten, zooals sommigen gedaan hebben, liefde te verklaren als een vorm van honger en dorst, of als een kracht, die overeenkomt met electriciteit, of als een soort van magnetisme, of als een soort van chemische affiniteit, of als een reflexwerking, maar deze verklaringen zijn niets meer dan pogingen om voor onszelf de grootheid van het verschijnsel, waarmee we te doen hebben, tot uitdrukking te brengen.Wat altijd de menschen bij het denken over de sexueele liefde verbluft heeft, is de schijnbare onevenredigheid van de oorzaak ervan, het enorme verschil tusschen het noodzakelijk beperkte deel slijmvlies, dat het einddoel van zulke liefde is en de oceaan van wereld-omvattende gevoelens, waartoe het de toegang verleent, zoodat, naar Remy de Gourmont gezegd heeft, “de slijmvliezen, krachtens een onoplosbaar mysterie, in hun donkere plooien al de rijkdommen besloten houden van het oneindige”. Het is een mysterie, waardoor de denker en de kunstenaar gelijkelijk overweldigd worden. Donnay beeldt, in zijn spel L’Escalade, een koud en streng man van de wetenschap uit, die liefde alleen beschouwt als een geestelijke ongesteldheid, die genezen kan worden evenals andere ongesteldheden en die tenslotte zelf wanhopig verliefd wordt. Hij dringt in de kamer van het meisje binnen op een ladder, midden in den nacht, en breekt los in een langen en hartstochtelijken woordenvloed: “Alles wat met je in aanraking komt, wordt voor mij geheimzinnig en heilig. O! te denken, dat iets zoo wel bekends als een vrouwenlichaam, dat beeldhouwers gemodelleerd hebben, waar dichters over gezongen hebben, dat mannen van de wetenschap, zooals ik, hebben ontleed, dat dit plotseling een onbekend mysterie moet worden en een oneindige vreugde, alleen omdat het ’t lichaam is van een bepaalde vrouw—wat een waanzin! En toch, dat is, wat ik gevoel”20.Dat de liefde een natuurlijke waanzin is, een tijdelijke begoocheling, die het individu gedwongen is te lijden ter wille van het ras, is een uitleg, die menigeen, die door dit mysterie in verwarring is geraakt, in de gedachte is gekomen. Dat was, zooals wij weten, de uitleg, door Schopenhauer gegeven. Als een jonge man en een meisje elkaar in de armen vallen in liefdesextase, dan verbeelden zij zich, dat zij hun eigen geluk zoeken. Maar dat is zoo niet, zeide Schopenhauer; zij worden bedrogen door den genius van het ras tot zij meenen, dat zij een persoonlijk doel nastreven, opdat zij er toe gebracht zouden worden een veel grooter onpersoonlijk doel te bereiken: het scheppen van het toekomstige ras. De hevigheid van hun hartstocht is niet de maatstaf voor het persoonlijk geluk, dat zij verkrijgen zullen, maar de maatstaf voor hun geschiktheid om nakomelingschap voort te brengen. Als zij den hartstocht volgen en de raadgevingen van zorgvuldige voorzichtigheid in den wind slaan, dan offeren de jonge man en hetmeisjein werkelijkheid hun kansen op zelfzuchtig geluk op en vervullen zij de grootere doeleinden der Natuur. Zooals Schopenhauer de zaak zag, was er geen vulgaire illusie. De minnenden dachten, dat zij een grenzenloos persoonlijk geluk bereikten; zij bedrogen zich waarschijnlijk. Maar zij bedrogen zich, niet omdat de werkelijkheid minder was dan hun voorstelling, maar omdat ze meer was; inplaats van alleen maar een persoonlijk doel na te streven, zooals zij meenden, volbrengen zij het scheppingswerk van de wereld, een taak, die beter ongedaan was gebleven, zooals Schopenhauer het beschouwde, maar een taak waarvan hij de grootschheid volkomen erkende21.We moeten er aan denken, dat in de lagere beteekenis van het woord, liefde een ontgoocheling zijn kan en dat dikwijls ook is. Een man kan zich vergissen, of bedrogen worden door het voorwerp, dat hem aantrekt, in de eigenschappen die zij bezit of die ze niet bezit. Bij de eerste liefde, als ze in de jeugd voorkomt, is zulke teleurstelling zeker volkomen normaal, en bij zekere typen, die vatbaar voor indrukken en ontvlambaar zijn, heeft dit veel kans voor te komen. Deze soort van teleurstelling, hoewel ze veel meer voorkomt en veel meer in het oog valt in liefdezaken—en ernstiger is, omdat de huwelijksbandzoo strak is—heeft neiging in iedere verhouding van het leven voor te komen. Voor de meeste menschen echter, en dat wel niet voor de minst verstandige of de minst wijze, blijft de herinnering aan de liefdeverrukking, zelfs als de tijd van die verrukking voorbij is, toch bestaan als, op zijn minst, de herinnering aan een van de meest werkelijke en essentieele feiten van het leven22.Sommige schrijvers schijnen de geneigdheid tot ontgoocheling en teleurstelling in liefdeszaken te verwarren met de meeromvattende kwestie van een wijsgeerige illusie in de beteekenis van Schopenhauer. Tot zekere hoogte bestaat deze verwarring misschien in het gesprek over liefde door Renouvier en Prot inLa Nouvelle Monadologie(pp. 216 et seq.). Waar zij overwegen of liefde al of niet een begoocheling is, antwoorden zij, dat ze dat is of niet is naar gelang we al of niet worden beheerscht door zelfzucht en onrechtvaardigheid. “Het is geen essentieele dwaling geweest, die voorgezeten heeft bij de schepping van denafgod, want de afgod is alleen maar wat in alle dingen hetidealeis. Maar om het ideale in de liefde te verwezenlijken zijn er twee menschen noodig, en dat is de groote moeilijkheid. We zijn nooit gerechtigd,”zoo besluiten ze,“verachting op onze liefde te werpen, of zelfs op het voorwerp ervan; want als het waar is dat wij niet in het bezit zijn geraakt van de hoogste schoonheid van de wereld, dan is het even waar, dat wij zelf niet een trap van volmaking bereikt hebben, die ons reden zou gegeven hebben om met recht een zoo grooten prijs te eischen”. En misschien mogen we er wel aan toevoegen, dat de meeste van ons ten slotte moeten toegeven als wij eerlijk zijn jegens onszelf, dat de liefdeprijzen, die we in de wereld verkregen hebben, wat hun gebreken ook zijn, veel grooter zijn dan we verdiend hebben.Wij mogen wel erkennen, dat in zekeren zin niet alleen de liefde, maar al de hartstochten en begeerten van de menschen illusies zijn. In die beteekenis is het Evangelie van Boeddha gerechtvaardigd, en wij mogen wel de inspiratie erkennen van Shakespeare (inthe Tempest) en van Calderon (inLa Vida es Sueno), die voelden, dat ten slotte de geheele wereld een droom is zonder inhoud. Maar niet dan in deze groote en laatste visie kunnen wij van illusie spreken; wij kunnen niet toegeven, dat liefde een begoocheling is in eenige speciale en bijzondere beteekenis, waaronder de andere wenschen en aspiraties niet vallen. Integendeel is zij de meest vaste van alle werkelijkheden. Al de vormen van vooruitgang van het leven zijn opgebouwd op de sexueele aantrekking.Als wij de werking erkennen van sexueele keuze—zooals we wel bijna moeten doen als we ze ontdoen van de dingen, die er aan toegevoegd zijn zonder tot het wezen ervan te behooren23—dan heeft liefde de juiste vorm en kleur, de essentieele schoonheid gegeven, aan het leven van dieren en menschen gelijkelijk.Als wij verder bedenken dat, zooals vele onderzoekers meenen, niet alleen de physieke bouw van het leven, maar ook de geestelijke bouw ervan—onze maatschappelijke gevoelens, onze moraal, onze godsdienst, onze poëzie en kunst—ten minste in zekere mate opgebouwd zijn op de sexueele impulsen, en dat zij, als ze al bestaan hadden, zeker geheel verschillend zouden geweest zijn, als andere dan sexueele wijzen van voortplanten geheerscht hadden in de wereld, dan kunnen we gemakkelijk erkennen, dat we slechts in verwarring kunnen geraken door de liefde af te wijzen als een begoocheling. Het geheele gebouw van het leven wankelt dan, want zooals de idealist Schiller lang geleden gezegd heeft, het is geheel en al opgebouwd van honger en van liefde. Liefde te beschouwen als in eenige speciale beteekenis een begoocheling, is niets anders dan het vallen in den strik van een ondiep cynisme. Liefde is alleen maar een waan in zooverre het geheele leven een waan is, en als wij het feit van het leven aannemen, dan is het onphilosofisch te weigeren het feit van de liefde aan te nemen.Het is onnoodig hier de functies der liefde in de wereld te verheerlijken; het is voldoende de werking ervan na te gaan in eigen sfeer. Het kan echter de moeite loonen eenige uitdrukkingen aan te halen van denkers van verschillende scholen, die aangetoond hebben wat hun de ver strekkende beteekenis toescheen van de sexueele emoties voor het moreele leven. “De hartstochten zijn het hemelsch vuur, dat leven geeft aan de moreele wereld”, schreef Helvetius lang geleden inDe l’Esprit. “De werkzaamheid van den geest is afhankelijk van de werkzaamheid van de hartstochten, en het is ten tijde van de hartstochten, van den leeftijd van vijf en twintig tot vijf en dertig of veertig, dat mannen tot de grootste inspanningen van deugd en genie in staat zijn”. “Wat de sekse raakt”, schreef Zola, “raakt het middelpunt van het maatschappelijk leven”. Zelfs ons gevoel voor de goed- of afkeuring van anderen heeft een sexueelen oorsprong, beweert Professor Thomas (Psychological Review, Jan. 1904, pp. 61–67), en het is de liefde, die de bron is van gevoeligheid in het algemeen en van de altruïstische zijde van het leven. “Het optreden van sekse”, tracht Professor Woods Hutchinson aan te toonen (“Love as a Factor in Evolution”,Monist, 1898), “de ontwikkeling van mannelijkheid en vrouwelijkheid, was niet alleen de grondslag voor genegenheid, de bron van alle moraal, maar een enorm economisch voordeel voor het ras en een absolute noodzakelijkheid voor den vooruitgang. Daarin vinden we het eerst eenig bewust verlangen naar een actieven impuls jegens een medeschepsel”. “Als de mensch beroofd werd van het voortplantingsinstinct, en van alles wat daar geestelijk uit voortkomt”, riep Maudsley uit in zijnPhysiology of Mind, “dan zou op dat oogenblik alle poëzie en misschien ook alle zin voor moraal uit zijn levenverdwijnen”. “We schijnen onszelf verheerlijkt, sterker, rijker, meer volkomen toe; wezijnmeer volkomen”, zegt Nietzsche (Der Wille zur Macht, p. 389), “we vinden hier de kunst als een organische functie: we vinden ze gelegd in het meest engelachtig instinct der “liefde”: we vinden ze als de grootste prikkel van het leven … Het is niet alleen, dat ze het gevoel voor woorden verandert: hij, die liefheeft,ismeer waard,issterker. Bij dieren brengt deze toestand nieuwe wapens tot stand, kleuren en vormen, vooral nieuwe bewegingen, nieuwe rhythmen, een nieuwe verlokkende muziek. Het is niet anders met den mensch … Zelfs in de kunst is de deur voor hem geopend. Als wij uit de lyrische werken in woorden en geluiden datgene verwijderen, wat door dat inwendige vuur wordt ingegeven, wat blijft er dan over in de poëzie en de muziek?L’Art pour l’artmisschien, de bluffende virtuositeit van oude kikkers, die in hun moeras omkomen. De geheele rest is door de liefde in het leven geroepen”.Het zou gemakkelijk zijn meerdere aanhalingen te geven, die aantoonen hoeveel verschillende denkers tot de conclusie zijn gekomen, dat de sexueele liefde (daarbij ingesloten de vader- en vooral de moederliefde) de bron is van de voornaamste uitingen in het leven. In hoeverre zij gerechtvaardigd zijn in die conclusie, het is niet onze zaak er navraag naar te doen.Het is ongetwijfeld waar, dat, zooals we gezien hebben toen we de excentrieke en onvolkomene verdeeling van het begrip liefde, en zelfs van woorden voor liefde, over de geheele wereld, bespraken, volstrekt niet alle menschen even geschikt zijn om, in welken tijd van hun leven ook, de aandoeningen van sexueele exaltatie te ondervinden. Het verschil tusschen den ridder en den boer bestaat nog en beiden kunnen soms in alle maatschappelijke lagen gevonden worden. Zelfs de uitingen van sexueel genot, het is onnoodig er op te wijzen, berusten gewoonlijk op een zuiver physieken basis en hebben weinig uitwerking op het intellectueele deel der natuur24. Maar dit is niet het geval met de menschen, die het krachtigst invloed hebben uitgeoefend op de gedachte en de gevoelens van de wereld. De persoonlijke realiteit van de liefde, het belang ervan voor het leven van het individu, dat zijn feiten, waarvan getuigenis afgelegd is door eenige van de grootste denkers, na levens gewijd aan intellectueelen arbeid. De ondervinding van Renan, die tegen het einde van zijn leven in zijn merkwaardig dramaL’Abbesse de Jouarreaan zijn overtuiging uitdrukking gaf, dat, zelfs van het standpunt van kuischheid, de liefde tenslotte het hoogste is in de wereld, staat in het geheel niet alleen. “Liefde is altijd beschouwd geweest als een mindere uiting van menschelijke muziek, de eerzucht als de hoogere”, schreef Tarde, de beroemde socioloog, op het einde van zijn leven. “Maar zal het altijd zoo zijn? Zijn er geen redenen om te denken, dat de toekomst misschienvoor ons in bewaring heeft de onuitsprekelijke verrassing van een omkeering van die wereldorde?” Laplace nam, een half uur voor zijn dood, een deel op van zijn eigenMécanique Céleste, en zeide:“Dat is allemaal waardeloos, er is niets waar dan de liefde”. Comte, die zijn leven besteed had aan het opbouwen van een positieve philosophie, die absoluut werkelijk zou zijn, vond (zooals we wel kunnen zeggen, dat de groote Engelsche positivist Mill ook vond) het toppunt van al zijn idealen in een vrouw, die zooals hij zeide, was Egeria en Beatrice en Laura in éen persoon, en hij schreef: “Er is niets werkelijk in de wereld dan de liefde. Men krijgt genoeg van denken en zelfs van handelen; men krijgt nooit genoeg van liefhebben en ook niet van het te zeggen. Bij de ergste kwellingen van de liefde heb ik nooit opgehouden te voelen, dat de hoofdzaak voor geluk is, dat het hart op waardige wijze gevuld zal zijn—zelfs met pijn, de bitterste pijn”. En Sophie Kowalewsky schreef pathetisch, na intellectueele successen, die haar onder de meest beroemden van haar geslacht geplaatst hebben: “Waarom kan niemand mij liefhebben? Ik zou meer kunnen geven dan de meeste vrouwen, en toch worden de meest onbeteekenende vrouwen bemind en ik niet”. Liefde, schijnen ze allen te zeggen, is het eenige ding, dat in hoogste instantie de moeite waard is. De grootste en schitterendste van de intellectueele reuzen der wereld bereiken blijkbaar, in hun oogenblikken van hoogste inzicht, het gewone niveau van de nederige en bijna anonieme personen, die, afgesloten van de wereld, schrevenThe Imitation of ChristofThe Letters of a Portuguese Nun. En hoeveel anderen!

Het zal blijken, dat de gehouden bespreking over de naaktheid een diepere beteekenis heeft dan men uit het voorafgaande zou afleiden. De hygiënische waarde, zoowel physiek als geestelijk, van gemeenzaamheid met de naaktheid gedurende de eerste jaren van het leven, hoe groot ze ook wezen mag, is niet de eenige waarde, die zulk een gemeenzaamheid bezit. Behalve haar æsthetische waarde ligt er ook een moreele waarde in, een bron van dynamische kracht. En nog een stap verder gaande, mogen we wel zeggen dat ze een geestelijke waarde heeft met betrekking tot onze geheele opvatting van de sexueele aandrift. Onze houding tegenover het naakte lichaam is de toetssteen van onze houding tegenover het geslachts-instinct. Als ons eigen lichaam en dat van onze medemenschen ons in ons binnenste schandelijk of walgelijk toeschijnt, dan zal niets ooit in werkelijkheid onze opvattingen over sexueele liefde veredelen of louteren. Liefde verlangt naar het vleesch, en als het vleesch schandelijk is, dan moet hij, dieliefheeft, schandelijk zijn. “Se la cosa amata è vile”, zooals Leonardo da Vinci vol diepe wijsheid opmerkte, “l’amante se fa vile”. Hoe onlogisch ze ook geweest mag zijn, er was inderdaad eenige rechtvaardiging voor de oude Christelijke identificatie van het vleesch met het sexueele instinct. Zij staan of vallen te zamen; wij kunnen niet het eene verlagen en het andere verheerlijken. Zooals onze gevoelens zijn tegenover de naaktheid, zoo zullen onze gevoelens zijn tegenover de liefde.

“De mensch is niets dan vuil sperma, een zak vol mest, het voedsel voor wormen.… Gij hebt nooit een vuiler mesthoop gezien”. Dat was het resultaat van deMeditationes Piissimae1van St. Bernardus in het klooster. Soms wilden die middeleeuwsche monniken inderdaad wel toegeven, dat de huid een zekere oppervlakkige schoonheid bezat, maar zij gaven dat alleen toe om met meer nadruk te wijzen op de leelijkheid van het lichaam, als het ontdaan was van dezen schijn van schoonheid, en spanden al hun perverse intellectueele scherpzinnigheid en hun woeste ironie in, om met begeerigen spot te wijzen op ieder onderdeel van wat hun de armzalige menschelijke figuur toescheen. De heilige Odo van Cluny, de beminnelijke heilige, een pionier in zijn appreciatie van de wilde schoonheid der Alpen, die hij dikwijls was doorgetrokken, was er bijzonder ver in, de schoonheid van het menschelijk lichaam naar beneden te halen. Hij zegt met nadruk, dat schoonheid alleen in de huid ligt; als wij onder de huid konden zien, dan zouden vrouwen niets dan walging opwekken. Haar bekoorlijkheden zijn slechts bloed, slijm en gal. Als wij weigeren vuil en slijm aan te raken, zelfs maar met de toppen van onze vingers, hoe kunnen we dan begeeren een zak met vuil te omarmen?2De middeleeuwsche monniken van de meer beschouwende soort vonden hier dikwijls een heerlijk veld van meditatie, en de Christelijke wereld in het algemeen was er tevreden mee hun opinies in meer of minder verdunde lezing aan te nemen, of protesteerde er tenminste nooit bepaald tegen.

Zelfs mannen van de wetenschap namen deze opvattingen aanen beginnen zich eerst nu los te maken van dat oude bijgeloof. R. de Graef vond het noodig in de Voorrede van zijn beroemde verhandeling over de voortbrengingsorganen van vrouwen,De Mulierum Organis Generatione Inservientibus, opgedragen aan Cosmo III de Medici in 1672, zich over het onderwerp van zijn werk te verontschuldigen. Zelfs een eeuw later veroordeelde Linnaeus in zijn groote werk,The System of Nature, als “afschuwelijk” de nauwkeurige studie der vrouwelijke genitaliën, hoewel hij het wetenschappelijk belang van zulke nasporingen toegaf. En als mannen van de wetenschap het moeilijk gevonden hebben tot een objectief standpunt te komen over vrouwen, dan kunnen we ons niet verwonderen, dat middeleeuwsche en nog oudere opvattingen dikwijls fijn doorweven zijn geweest met de ideeën van philosofische en half philosofische schrijvers3.

We mogen als een speciale variëteit van het ascetisch bezien van de sekse beschouwen,—want de asceten grondden vrijelijk, zooals we zien, maar niet geheel terecht, hun ascetisme voor een groot deel op æsthetische overwegingen—dat herhaalde wijzen op het bij elkaar liggen van de sexueele en de excretorische centra, hetgeen in de oude Kerk zijn uitdrukking vond in de geringschattende bewering van Augustinus: “Inter faeces et urinam nascimur”, en dat blijft voortbestaan bij velen, die het in het geheel niet altijd in verband brengen met godsdienstig ascetisme4. “Als resultaat van welk een belachelijke zuinigheid, en van welk een Mephistopheles ironie”, vraagt Tarde5,“heeft de Natuur gemeend, dat een functie zoo verheven, zoo de poëtische en philosofische hymnen, die ze bezongen hebben, waardig, niet beter verdiende dan haar uitsluitend orgaan te hebben te zamen met dat van de minste lichamelijke functies?”

Wij mogen er echter op wijzen, dat deze beschouwing van de zaak, hoewel onbewust, zelf het gevolg is van de ascetische depreciatie van het lichaam. Van een wetenschappelijk standpunt zijn de processen van stofwisseling van het lichaam van a tot z, alle met elkander ineen geweven en van gelijke waardigheid, hetzij ze chemisch of psychologisch beschouwd worden. Wij kunnen niet eenig speciaal chemisch of biologisch proces afzonderen en verklaren: Dit is leelijk. Zelfs wat wij uitwerpsel noemen, helpt nog de stof opbouwen van onze levens. Eten is sommigen een walgelijke bezigheid toegeschenen. Maar toch is het mogelijk geweest tezeggen, met Thoreau, dat “de goden inderdaad bedoeld hebben, dat de menschen zich als de goden zouden voeden, evenals zij zelve, met hun eigen nectar en ambrosia … Ik heb gevoeld, dat eten een sacrament werd, een middel tot gemeenschap, een extatische oefening, en een zitten aan de avondmaalstafel der wereld”.

De sacramenten van de natuur zijn op deze wijze overal samengeweven in het weefsel van de lichamen van mannen en vrouwen. Lippen, goed om te kussen, zijn voor alles goed om mee te eten en te drinken. Zoo opeengehoopt en over elkaar heen geschoven zijn de centra van kracht langzamerhand geworden, in den langen loop der ontwikkeling, dat alle slijmvliezen van de natuurlijke lichaamsopeningen, door de gevoeligheid, die zij verkregen hebben bij hun speciale werkzaamheid, werktuigen zijn geworden, die de ziel in vervoering kunnen brengen bij de aanraking in liefde; het is nutteloos verschil te maken tusschen hoog en laag, rein of onrein; ze zijn alle gelijkelijk reeds geheiligd door de uiterste wijding der natuur. De neus ontvangt den levensadem; de vagina ontvangt het levenswater. Ten slotte moet de waarde en liefelijkheid van het leven afgemeten worden naar de waarde en liefelijkheid, die de werktuigen van het leven voor ons hebben. De zwellende borsten zijn zulke goddelijk mooie teekenen van vrouwelijkheid ter wille van het kind, dat er mogelijk aan hangen en zuigen zal; de groote lijnen van de heupen zijn zoo wellustig ter wille van het kind, dat zij mogelijk eens zullen bevatten; er kan hier geen onderscheid gemaakt worden, wij kunnen de wortels niet van den boom scheiden. Het is waar, dat de hoogste functie van de mannelijkheid—het overreiken van de levenslamp aan toekomstige rassen, ten uitvoer wordt gebracht door hetzelfde werktuig, dat tot dagelijkschen afvoer van de blaas dient. Er is honend gezegd, dat wij geboren worden tusschen urine en uitwerpselen; er kon ook, vol eerbied, gezegd worden, dat de doorgang door dit geboortekanaal een sacrament is der natuur, heiliger en van meer beteekenis dan menschen het ooit zouden kunnen bedenken.

Soms zijn deze verhoudingen opgemerkt en is hun beteekenis erkend door een soort van mystischeintuïtie. Wij nemen nu en dan sporen van zulk een inzicht waar, eerst onder de dichters en later onder de medici van de Renaissance. In 1864 zet Rolfincius, in zijnOrdo et Methodus Generationi Partium etc.aan het begin van zijn tweede deel, gewijd aan de geslachtsdeelen der vrouw, uiteen, wat oude schrijvers gezegd hebben over de Eleusische en andere mysteriën en over de toewijding en reinheid, vereischt van hen, die de heilige riten naderden.“Zoo is het ook met ons,”gaat hij voort,“bij de riten van het wetenschappelijk onderzoek. Ook wij werken met heilige dingen. De geslachtorganen moeten onder heilige dingen gerekend worden. Zij, die deze altaren naderen, moeten komen met vromen geest. Laat de profanen buiten staan,laat de deuren gesloten worden”. In die dagen waren, zelfs voor de wetenschap, alleen geloof enintuïtiemogelijk. Het is eerst in de laatste jaren, dat demicroscoopvan den histoloog en het proefbuisje van den physiologischen chemicus hem van een verstandelijke basis voorzien hebben. Het is niet langer mogelijk, de natuur in tweeën te knippen en te verzekeren, dat ze hier rein is en daar onrein6.

Er schijnt dus geen voldoende grond te zijn om het eens te zijn met hen, die het bij elkaar liggen van de voortbrengende en de excretorische centra beschouwen als “een dom knoeiwerk der natuur”. Een associatie, die zoo oud en primitief is als de natuur, kan alleen stuitend toeschijnen aan hen, wier gevoelens ziekelijk onnatuurlijk geworden zijn. We mogen verder opmerken, dat de anus, die aesthetisch het minst aantrekkelijke is van de excretorische centra, betrekkelijk ver verwijderd is van de sexueele centra, en dat, zooals R. Hellmann vele jaren geleden opmerkte, toen hij deze kwestie besprak (Ueber Geschlechtsfreiheit, p. 82): “In de eerste plaats pas afgescheiden urine niets bijzonder onaangenaams in zich heeft, en in de tweede plaats, als ze dat al had, we dan wel mochten bedenken, dat een rozenroode mond in het geheel niet zijn bekoring verliest, alleen omdat hij niet aanlokkend is om te kussen op het oogenblik, dat zijn bezitter bezig is te braken”.Een geestelijke oppert zelfs in een zijner geschriften, dat wij verder mogen gaan en een positief voordeel vinden in deze nabijheid. “Ik ben blij, dat gij het niet eens zijt met den man, die vond, dat de natuur geknoeid had, toen ze de genitaliën gebruikte voor de doeleinden van het urineeren; afgezien van teleologische en theologische redenen zou ik die redeneeringslijn niet kunnen volgen. Ik vind, dat er geen reden is voor walging wat de organen voor het urineeren betreft, hoewel ik gevoel, dat de anus nooit aantrekkelijk kan zijn voor den normalen geest; maar de anus is geheel afgescheiden van de genitaliën. Mijn opinie is, dat het nabij elkaar liggen een goed doel heeft, doordat het de organen min of meer geheim maakt, behalve in tijden van sexueele opwinding of in die van liefde. Het resultaat is, dat die deelen in gewone tijden een zekere mate van weerzin wekken, maar een sterke aantrekking oefenen in tijden van sexueele werkzaamheid. Vandaar dat het gewone beschermen van de geslachtsdeelen, uit vrees afkeer te wekken, zeer hun aantrekkelijkheid verhoogt op andere tijden, wanneer de sexueele werkzaamheid onbeperkt is. Verder is het gevoel van afkeer zelf alleen het resultaat van gewoonte en gevoelen, hoe nuttig het ook is, en volgens de Schrift is alles rein en goed. Het ascetisch gevoel van tegenzin berust, als we terug gaan tot zijn oosprong, op anderen dan christelijken invloed. Het christendom kwam voort uit het Judaisme, dat geen gevoel had voor de onreinheid van het huwelijk, want “onrein” beteekent in het Oude Testament eenvoudig “heilig”. De ascetische zijde van den godsdienst van het christendom is geen deel van den godsdienst van Christus, zooals hij kwam uit de handen van den stichter, en het moderne gevoel in deze zaak is een weifelend overblijfsel van de ketterij van de Manichaeërs”. Ik mag er echter wel bijvoegen, dat er, zooals Northcote zegt (Christianity and SexProblems, p.14), naast de vrije erkenning van sexualiteit in het Oude Testament, een kring van denkbeelden is, die blijk geeft van een gevoel van onreinheid en schaamte wat de sekse betreft. Het christendom heeft deze gemengde gevoelens geërfd. Het is inderdaad onder de oude en primitieve volken een ver verspreid en bijna algemeen gevoelen geweest, dat er iets onreinsen zondigs is in de dingen van het geslacht, zoodat zij, die een godsdienstig leven zouden willen leiden, sexueele verhoudingen moeten vermijden; zelfs in Indië heeft het coelibaat eerbied ingeboezemd (zie b.v. Westermarck,Marriage, pp.et seq.) Wat den oorspronkelijken grond van dit denkbeeld aangaat—dien we hier niet nauwkeuriger behoeven te bespreken—zijn vele theorieën op den voorgrond gebracht; de heilige Augustinus zet, in zijnDe Civitate Deihet vernuftige idee uiteen, dat de penis, omdat hij onderhevig is aan spontane bewegingen en erecties, die niet door den wil beheerscht worden, een orgaan is om zich over te schamen, dat de geheele geslachtssfeer in zijn schande meetrekt. Westermarck beweert, dat er onder bijna alle volken gevoelens voorkomen tegen sexueele verhoudingen met leden van dezelfde familie of hetzelfde huishouden, en daar het geslacht zoo verbannen werd uit de sfeer van het huiselijk leven, ontstond er een opvatting over de onreinheid ervan; Northcote wijst op het feit, dat het van hetbeginaf aan noodig is geweest verborgenheid te zoeken voor sexueelen omgang, omdat het paar op dat oogenblik een prooi zou zijn voor vijandelijke aanvallen, en dat door een gemakkelijken overgang de sekse beschouwd begon te worden als iets, dat verborgen behoort te worden en daarom als iets zondigs. (Diderot had reeds in zijnSupplément au Voyage de Bougainvillegewezen op dit motief voor afzondering als “het eenige natuurlijke element voor kuischheid”). Crawley heeft een groot deel van zijn suggestief werk,The Mystic Rose, gewijd aan het aantoonen van het feit, dat voor den wilde de sekse een gevaarlijk en verzwakkend element in het leven is en daarom zondig.

Er schijnt dus geen voldoende grond te zijn om het eens te zijn met hen, die het bij elkaar liggen van de voortbrengende en de excretorische centra beschouwen als “een dom knoeiwerk der natuur”. Een associatie, die zoo oud en primitief is als de natuur, kan alleen stuitend toeschijnen aan hen, wier gevoelens ziekelijk onnatuurlijk geworden zijn. We mogen verder opmerken, dat de anus, die aesthetisch het minst aantrekkelijke is van de excretorische centra, betrekkelijk ver verwijderd is van de sexueele centra, en dat, zooals R. Hellmann vele jaren geleden opmerkte, toen hij deze kwestie besprak (Ueber Geschlechtsfreiheit, p. 82): “In de eerste plaats pas afgescheiden urine niets bijzonder onaangenaams in zich heeft, en in de tweede plaats, als ze dat al had, we dan wel mochten bedenken, dat een rozenroode mond in het geheel niet zijn bekoring verliest, alleen omdat hij niet aanlokkend is om te kussen op het oogenblik, dat zijn bezitter bezig is te braken”.

Een geestelijke oppert zelfs in een zijner geschriften, dat wij verder mogen gaan en een positief voordeel vinden in deze nabijheid. “Ik ben blij, dat gij het niet eens zijt met den man, die vond, dat de natuur geknoeid had, toen ze de genitaliën gebruikte voor de doeleinden van het urineeren; afgezien van teleologische en theologische redenen zou ik die redeneeringslijn niet kunnen volgen. Ik vind, dat er geen reden is voor walging wat de organen voor het urineeren betreft, hoewel ik gevoel, dat de anus nooit aantrekkelijk kan zijn voor den normalen geest; maar de anus is geheel afgescheiden van de genitaliën. Mijn opinie is, dat het nabij elkaar liggen een goed doel heeft, doordat het de organen min of meer geheim maakt, behalve in tijden van sexueele opwinding of in die van liefde. Het resultaat is, dat die deelen in gewone tijden een zekere mate van weerzin wekken, maar een sterke aantrekking oefenen in tijden van sexueele werkzaamheid. Vandaar dat het gewone beschermen van de geslachtsdeelen, uit vrees afkeer te wekken, zeer hun aantrekkelijkheid verhoogt op andere tijden, wanneer de sexueele werkzaamheid onbeperkt is. Verder is het gevoel van afkeer zelf alleen het resultaat van gewoonte en gevoelen, hoe nuttig het ook is, en volgens de Schrift is alles rein en goed. Het ascetisch gevoel van tegenzin berust, als we terug gaan tot zijn oosprong, op anderen dan christelijken invloed. Het christendom kwam voort uit het Judaisme, dat geen gevoel had voor de onreinheid van het huwelijk, want “onrein” beteekent in het Oude Testament eenvoudig “heilig”. De ascetische zijde van den godsdienst van het christendom is geen deel van den godsdienst van Christus, zooals hij kwam uit de handen van den stichter, en het moderne gevoel in deze zaak is een weifelend overblijfsel van de ketterij van de Manichaeërs”. Ik mag er echter wel bijvoegen, dat er, zooals Northcote zegt (Christianity and SexProblems, p.14), naast de vrije erkenning van sexualiteit in het Oude Testament, een kring van denkbeelden is, die blijk geeft van een gevoel van onreinheid en schaamte wat de sekse betreft. Het christendom heeft deze gemengde gevoelens geërfd. Het is inderdaad onder de oude en primitieve volken een ver verspreid en bijna algemeen gevoelen geweest, dat er iets onreinsen zondigs is in de dingen van het geslacht, zoodat zij, die een godsdienstig leven zouden willen leiden, sexueele verhoudingen moeten vermijden; zelfs in Indië heeft het coelibaat eerbied ingeboezemd (zie b.v. Westermarck,Marriage, pp.et seq.) Wat den oorspronkelijken grond van dit denkbeeld aangaat—dien we hier niet nauwkeuriger behoeven te bespreken—zijn vele theorieën op den voorgrond gebracht; de heilige Augustinus zet, in zijnDe Civitate Deihet vernuftige idee uiteen, dat de penis, omdat hij onderhevig is aan spontane bewegingen en erecties, die niet door den wil beheerscht worden, een orgaan is om zich over te schamen, dat de geheele geslachtssfeer in zijn schande meetrekt. Westermarck beweert, dat er onder bijna alle volken gevoelens voorkomen tegen sexueele verhoudingen met leden van dezelfde familie of hetzelfde huishouden, en daar het geslacht zoo verbannen werd uit de sfeer van het huiselijk leven, ontstond er een opvatting over de onreinheid ervan; Northcote wijst op het feit, dat het van hetbeginaf aan noodig is geweest verborgenheid te zoeken voor sexueelen omgang, omdat het paar op dat oogenblik een prooi zou zijn voor vijandelijke aanvallen, en dat door een gemakkelijken overgang de sekse beschouwd begon te worden als iets, dat verborgen behoort te worden en daarom als iets zondigs. (Diderot had reeds in zijnSupplément au Voyage de Bougainvillegewezen op dit motief voor afzondering als “het eenige natuurlijke element voor kuischheid”). Crawley heeft een groot deel van zijn suggestief werk,The Mystic Rose, gewijd aan het aantoonen van het feit, dat voor den wilde de sekse een gevaarlijk en verzwakkend element in het leven is en daarom zondig.

Het zou echter een dwaling zijn te denken, dat zulke mannen als St. Bernard en de heilige Odo van Cluny, hoe bewonderenswaardig zij ook de ascetische en zelfs de algemeen Christelijke gezichtspunten van hun eigen tijd vertegenwoordigden, beschouwd moeten worden als geheel typische voorbeelden van het echt Christelijke en primitief Christelijke gezichtspunt. Voor zoover ik heb kunnen ontdekken, vinden wij deze geconcentreerde intellectueele en emotioneele woestheid van aanval op het lichaam niet tijdens de eerste duizend jaar van het Christendom; die ontwikkelde zich eerst op het oogenblik toen, met paus Gregorius VII, het middeleeuwsche Christendom de climax bereikte van zijn overwinning over de zielen van de Europeesche menschen, in de instelling van het coelibaat van de wereldlijke geestelijkheid en den groei van de groote, in kloosters verzamelde gemeenschappen van monniken in streng geregelde en afgezonderde orden7. Daarvoor deden de leeraars van het ascetisme meer hun best om aan te sporen tot kuischheid en zedigheid dan dat ze een aanval deden op het geheele lichaam; zij concentreerden hun aandachtliever op geestelijke deugden dan op physieke onvolkomenheden.En als wij tot de Evangeliën teruggaan, dan vinden we weinig van den middeleeuwschen ascetischen geest in de gezegden en daden, die van Jezus vermeld worden, waarvan we zelfs eerder mogen zeggen dat ze over het geheel, niettegenstaande het ascetisme dat er aan ten grondslag ligt, een zekere teerheid openbaren en een toegevendheid jegens het lichaam, terwijl zelfs Paulus, hoewel hij niet zacht is voor het lichaam, tot eerbied er voor aanspoort als voor een tempel van den Heiligen Geest.

Wij kunnen niet verwachten, dat wij de Kerkvaders sympathiek gezind zullen vinden tegenover het vertoonen van het naakte menschelijk lichaam, want hun positie was gegrond op een opstand tegen het heidendom en het heidendom had het lichaam gekoesterd. De naaktheid was meer speciaal verbonden geweest met het publieke bad, het gymnasium en het tooneel; en daar het van harte deze heidensche instellingen afkeurde, werkte het Christendom de naaktheid tegen. Het feit, dat gemeenzaamheid met de naaktheid eer gunstig dan ongunstig was voor de kuischheid, waaraan ze zooveel waarde hechtte, kon de Kerk—hoewel ze op zekeren tijd de naaktheid opnam in het ritueel van den doop—voor het grootste deel niet inzien, als deze kuischheid al werkelijk een feit was, hetwelk de speciale condities van het decadente klassieke leven neiging hadden gehad te verbergen. Maar in hun bepaalde voorkeur voor het aangekleede lichaam boven het naakte aarzelden de eerste Christenen dikwijls om den verderen stap te doen door te verzekeren, dat het lichaam een brandpunt is van onreinheid en dat de physieke sexueele organen een uitvindsel zijn van den duivel. Integendeel spraken sommige van de beroemdste Kerkvaders, vooral zij die tot de Grieksche kerk behoorden en die den levenwekkenden adem gevoeld hadden van het Grieksche denken, zich nu en dan uit over de onderwerpen natuur, sekse, en het lichaam in een geest, die de instemming verworven zou hebben van Goethe en Whitman.

Clemens van Alexandrië was, met al de excentriciteit van zijn overfijn intellect, de meest Grieksche van al de Kerkvaders en het is niet te verwonderen, dat de laatste glimp van klassiek licht, die van zijn geest uitstraalde, eenig licht wierp over deze kwestie van sekse. Hij protesteerde bv. tegen die preutschheid die, toen de zon van de klassieke wereld onderging, begonnen was het leven te overschaduwen. “Wij moeten ons niet schamen te noemen wat God zich niet geschaamd heeft te maken”8. Het was een merkwaardige verklaring omdat, terwijl ze het oude klassieke gevoel aannam van geen schaamte jegens de natuur, ze dat gevoelplaatste op een nieuwe en godsdienstige basis in overeenstemming met het Christendom. Over het geheel, hoewel niet altijd consequent, verdedigt Clemens van Alexandrië het lichaam en de sexueele functies tegen hen, die ze met verachting behandelden. En daar de zaak van het geslacht de zaak is der vrouwen, houdt hij de waardigheid der vrouwen altijd krachtig staande en verkondigt hij ook de heiligheid van het huwelijk, een staat, dien hij somtijds plaatst boven dien der maagdelijkheid?9

Ongelukkig, het moet gezegd worden, meende de heilige Augustinus—een andere Noord-Afrikaner, maar uit Romeinsch Carthago en niet uit Grieksch Alexandrië—dat hij een overtuigend antwoord had op het argument dat Clemens opperde, en zoo groot was de kracht van zijn hartstochtelijk en machtig genie, dat hij ten slotte zijn antwoord overheerschend kon maken. Voor Augustinus was de zonde erfelijk, en de zonde had haar specialen zetel in de sexueele organen; de daad der zonde had de oorspronkelijke goddelijke daad der schepping gewijzigd, en wij kunnen de sekse en de sexueele organen niet behandelen alsof er geen erfzonde was geweest. Onze genitaliën, verklaart hij, zijn schandelijk geworden omdat zij, door de zonde, nu in beweging gebracht worden door de wellust. Toch neemt Augustinus op verre na niet de middeleeuwsche ascetische houding aan van minachtenden haat jegens het lichaam. Niets kan verder van Odo van Cluny af zijn dan het enthusiasme van Augustinus over het lichaam, zelfs over de volkomen harmonie van de deelen onder de huid. “Ik geloof, dat wij tot het besluit kunnen komen”, zegt hij zelfs, “dat bij het scheppen van het menschelijk lichaam de schoonheid meer in het oog gehouden is dan het nut. Waarlijk, nut is een voorbijgaand iets, en de tijd zal komen dat we elkanders schoonheid kunnen genieten zonder wellust”10. Zelfs in de sfeer van sekse zou hij geneigd zijn reinheid en schoonheid aan te nemen, afgescheiden van den erfelijken invloed van Adam’s zonde. In het Paradijs, zegt hij, als het Paradijs was blijven bestaan, zou de daad van het voortbrengen even eenvoudig zijn geweest en vrij van schande als de daad van de hand bij het uitstrooien van het zaad op de aarde. “Sexueele vereeniging zou onder de heerschappij van den wil geweest zijn zonder eenig sexueel verlangen. Het zaad zou in de vagina gebracht worden op even eenvoudige wijze als de menstrueele vloeistof er nu uitgeworpen wordt. Er zouden geen woorden geweest zijn die obsceen genoemd konden worden, maaral wat van deze deelen kon gezegd worden, zou even rein geweest zijn als wat gezegd wordt van de andere deelen van het lichaam”11. Dat is echter voor Augustinus wat had kunnen wezen in het Paradijs, waar, naar hij meende, sexueel verlangen niet bestond. Zooals de dingen zijn, meende hij, is het juist dat wij ons schamen, doen wij goed te blozen. En het was natuurlijk dat, zooals Clemens van Alexandrië vermeldt, vele ketters verder gingen op dezen weg en geloofden dat, terwijl God den mensch maakte tot aan den navel, de rest door een andere macht gemaakt was; zulke ketters hebben zelfs nu nog hun aanhangers onder ons.

Evenzeer in de Oostersche als in de Westersche kerken echter, zoowel voor en na Augustinus, hoewel niet dikwijls er na, hebben groote Kerkvaders en leeraars meeningen geuit, die eer die van Clemens dan die van Augustinus herroepen. Wij kunnen niet veel waarde hechten aan de uiting van den buitensporigen en dikwijls zichzelf tegensprekenden Tertullianus, maar het is de moeite waard op te merken, dat, terwijl hij verklaarde dat de vrouw de poort is tot de hel, hij toch ook gezegd heeft, dat wij de natuur moeten naderen met eerbied en niet met een blos. “Natura veneranda est, non erubescenda”. “Geen Christelijk schrijver”, heeft men gezegd, “heeft zoo energiek gesproken tegen de kettersche verachting van het lichaam als Tertullianus. Lichaam en ziel zijn, volgens Tertullianus, ten nauwste verbonden. De ziel is het levensprincipe van het lichaam, maar er is geen werkzaamheid van de ziel, die zich niet openbaart door en invloed ondervindt van het vleesch”12. Van meer belang is Rufinus Tyrannius, de vriend en medeleerling van den heiligen Jeronimus, in de vierde eeuw, die een commentaar schreef op de Apostolische geloofsleer, die zeer in aanzien was bij de oude en middeleeuwsche kerk en die zelfs nu nog gewaardeerd wordt. Rufinus zegt, in antwoord aan hen, die verklaarden dat er obsceniteit was in het feit van de geboorte van Christus door de sexueele organen van een vrouw, dat God de sexueele organen geschapen heeft, en dat “het niet de natuur is, maar alleen de opinie der menschen, die ons leert dat deze deelen obsceen zijn. Verder zijn al de deelen van het lichaam gemaakt van dezelfde klei, welke verschillen er ook mogen zijn in hun gebruik en hun functies”13. Hij bekijkt de zaak zooals wezien, wel vroom, maar toch natuurlijk en eenvoudig, zooals Clemens, en niet zooals Augustinus door het verwringende medium van een theologisch systeem. Athanasius sprak in de Oostelijke Kerk in denzelfden geest als Rufinus in de Westelijke. Een zekere monnik, genaamd Amun, had veel verdriet ondervonden door het voorkomen van zaaduitstortingen in den slaap, en hij schreef aan Athanasius om te vragen of zulke uitstortingen zonde zijn. In den brief, dien hij tot antwoord schreef, tracht Athanasius Amun gerust te stellen. “Alle dingen”, zegt hij tot hem, “zijn rein voor den reine. Want wat, vraag ik u, lieve en vrome vriend, kan er voor zondigs of van nature onreins zijn in een uitwerpsel? De mensch is het werk van Gods handen. Er is zeker niets in ons dat onrein is”14. Als wij deze uitingen lezen, gevoelen wij, dat de zaden van preutschheid en verhitheid reeds in den geest van het volk aanwezig zijn, maar toch zien wij ook dat sommige van de meest bekende denkers van de eerste Christelijke Kerk in opvallend contrast met de meer ziekelijke en kleingeestige middeleeuwsche asceten, duidelijk afgezonderd stonden van de populaire beweging. Over het geheel werden zij overstemd, omdat het Christendom, evenals het Boeddhisme, van het begin af aan een kiem in zich droeg, die zich leende tot ascetische onthouding, en het sexueele leven is altijd de eerste impuls, die opgeofferd moet worden aan den hartstocht voor onthouding. Maar er waren ook andere kiemen in het Christendom, en Luther, die op zijn eigen plebejische wijze opkwam voor de rechten van het lichaam, ofschoon hij brak met het middeleeuwsch ascetisme, stelde daardoor geenszins de tradities van de oudste Christelijke Kerk ter zijde.

Ik heb gemeend, dat het de moeite waard was dezen bewijsgrond aan te voeren, alhoewel ik zeer wel weet, dat de feiten der Natuur geen meerderen steun verkrijgen door het gezag van de Kerkvaders of zelfs van den Bijbel. De natuur en de menschheid hebben bestaan vóór den Bijbel en zouden voortgaan te bestaan al zou de Bijbel vergeten zijn. Maar de houding van het Christendom op dit punt is zoo dikwijls zonder voorbehoud veroordeeld geworden, dat het wel goed schijnt aan te toonen, dat in zijn beste oogenblikken, toen het een jonge en aangroeiende macht in de wereld was, de uitingen van het Christendom dikwijls gelijkluidend waren met die van de Natuur en van de rede. Er zijn vele menschen, mogen we er aan toevoegen, die het een troost vinden te weten, dat zij, als zij in deze zaak den natuurlijken en verstandelijken weg volgen, daardoor niet geheel en al breken met de godsdienstige tradities van hun ras.

Het is wel nauwelijks noodig op te merken, dat wij, als wij ons van het Christendom afwenden naar de andere groote wereldgodsdiensten, gewoonlijkzoo’n dubbelzinnige houding jegens de sekse niet ontmoeten. De Mohammedanen waren even nadrukkelijk in het beweren, dat de sekse heilig was, als zij waren in hun zorg voor de lichamelijke reinheid; zij waren bereid de sexueele functies in het leven hiernamaals mee te nemen, en zij hebben zich nooit, zooals Luther en zoo vele andere Christenen, vermoeid met peinzen over het gebrek aan bezigheid in den Hemel. In Indië, hoewel Indië het tehuis is van de uiterste vormen van godsdienstig ascetisme, is de sexueele liefde in een grootere mate, geheiligd en vergoddelijkt geworden dan in eenig ander deel van de wereld. “Het schijnt nooit in de hoofden van de Hindoe-wetgevers te zijn opgekomen”, zeide Sir William Jones lang geleden (Works, vol. ii, p. 311), “dat iets natuurlijks hinderlijk obsceen zou kunnen zijn, een eigenaardigheid, die al hun geschriften doordringt, maar die geen bewijs is voor de verdorvenheid van hun zeden”. De sexueele daad heeft in Indië dikwijls een godsdienstige beteekenis gehad, en de meest nauwkeurige bijzonderheden van het sexueele leven en de verscheidenheden ervan zijn in Indische erotische verhandelingen op ernstige wijze besproken, terwijl nergens anders de anatomische en physiologische sexueele eigenaardigheden van vrouwen met zulk een nauwkeurigen en devoten eerbied zijn bestudeerd. “Liefde heeft in Indië, zoowel in theorie als in de praktijk” merkt Richard Schmidt op (Beiträge zur Indischen Erotik, p. 2) “een belangrijkheid, zooals wij ons zelfs niet kunnen voorstellen”.

Het is wel nauwelijks noodig op te merken, dat wij, als wij ons van het Christendom afwenden naar de andere groote wereldgodsdiensten, gewoonlijkzoo’n dubbelzinnige houding jegens de sekse niet ontmoeten. De Mohammedanen waren even nadrukkelijk in het beweren, dat de sekse heilig was, als zij waren in hun zorg voor de lichamelijke reinheid; zij waren bereid de sexueele functies in het leven hiernamaals mee te nemen, en zij hebben zich nooit, zooals Luther en zoo vele andere Christenen, vermoeid met peinzen over het gebrek aan bezigheid in den Hemel. In Indië, hoewel Indië het tehuis is van de uiterste vormen van godsdienstig ascetisme, is de sexueele liefde in een grootere mate, geheiligd en vergoddelijkt geworden dan in eenig ander deel van de wereld. “Het schijnt nooit in de hoofden van de Hindoe-wetgevers te zijn opgekomen”, zeide Sir William Jones lang geleden (Works, vol. ii, p. 311), “dat iets natuurlijks hinderlijk obsceen zou kunnen zijn, een eigenaardigheid, die al hun geschriften doordringt, maar die geen bewijs is voor de verdorvenheid van hun zeden”. De sexueele daad heeft in Indië dikwijls een godsdienstige beteekenis gehad, en de meest nauwkeurige bijzonderheden van het sexueele leven en de verscheidenheden ervan zijn in Indische erotische verhandelingen op ernstige wijze besproken, terwijl nergens anders de anatomische en physiologische sexueele eigenaardigheden van vrouwen met zulk een nauwkeurigen en devoten eerbied zijn bestudeerd. “Liefde heeft in Indië, zoowel in theorie als in de praktijk” merkt Richard Schmidt op (Beiträge zur Indischen Erotik, p. 2) “een belangrijkheid, zooals wij ons zelfs niet kunnen voorstellen”.

In Protestantsche landen heeft de invloed van de Hervorming, door de sekse als iets natuurlijks in eere te herstellen, indirect er toe geleid, in het populaire voelen jegens de sekse den smaad van zondigheid te vervangen door den smaad van dierlijkheid. Voortaan moet de sexueele impuls worden verborgen of opgetooid, om fatsoenlijk menschelijk te worden. Dit blijkt duidelijk uit een passage in het dagboek van Pepys, in de zeventiende eeuw. Op den morgen na den huwelijksdag was het gewoonte pas getrouwde menschen met muziek wakker te maken; de afwezigheid van deze muziek bij een bepaalde gelegenheid (in 1667), maakte op Pepys den indruk “alsof zij zoo maar als een paar honden bij elkaar waren gekomen”. Wij geven niet langer om de muziek, maar hetzelfde gevoelen bestaat nog in den wensch naar andere vermommingen en versieringen voor den sexueelen impuls. Wij stellen ons niet altijd duidelijk voor oogen, dat liefde haar eigen heiliging met zich brengt.

Als tegenwoordig de tegenzin tegen de sexueele zijde van het leven zich vertoont, wordt bijna altijd beweerd niet zoozeer, dat ze “zondig” is als wel dat ze “dierlijk” is. Ze wordt beschouwd als dat deel van den mensch, dat hem het nauwste verbindt met de lagere dieren. Het moest nauwelijks noodig zijn er op te wijzen, dat dit een dwaling is. Van wat voor zijde we ze ook naderen, de bewering, dat sekse bij den mensch en bij de dieren hetzelfde is kan niet volgehouden worden. Van het standpunt van hen, die deze identiteit aannemen, zou het juister zijn te zeggen, dat de menschen inferieur zijn aan de dieren, dan dat ze gelijk zijn met de dieren, want bij dieren is onder natuurlijke omstandigheden het sexueele instinct strikt ondergeschikt aan de voortplantingen zeer weinig onderhevig aan afwijking, zoo dat van het standpunt van hen, die de sekse willen kleineeren, de dieren dichter bij het ideaal zijn, en zulke menschen moeten met Woods Hutchinson zeggen: “Alles te zamen genomen hebben onze dier-voorouders evenveel reden zich over ons te schamen, als wij over hen”. Maar als we de zaak bezien van een ruimer biologisch standpunt van ontwikkeling, dan moet onze conclusie geheel verschillend zijn.

Wel verre van aan de dieren gelijk te zijn, behooren de menschelijke sexueele impulsen onder de minst op de dieren gelijkende aanwinsten van den mensch. De menschelijke sexueele sfeer verschilt in een buitengewoon groote mate van de dierlijke sexueele sfeer15. Ademhalen is een dierlijke functie en hierin kunnen we niet wedijveren met de vogels; beweging is een dierlijke functie en hier kunnen wij de viervoeters niet evenaren; wij zijn niet merkbaar vooruit gegaan wat onze circuleerende, verteringbevorderende, nier- of leverfuncties betreft. Zelfs wat het gezicht en het gehoor betreft, zijn er veel dieren, die scherper van gezicht zijn dan de mensch, en vele, die in staat zijn geluiden te hooren, die voor hem onhoorbaar zijn. Maar er zijn geen dieren, waarbij het sexueele instinct zoo gevoelig is, zoo hoog ontwikkeld, zoo verscheiden in zijn uitingen, zoo voortdurend waakzaam, zoo in staat om uit te stralen naar de hoogste en de verst verwijderde deelen van het organisme. De sexueele werkzaamheden van den man en van de vrouw behooren niet tot dat lagere deel van onze natuur, dat ons degradeert tot het niveau van het “dier”, maar tot het hoogere deel, dat ons opheft tot al de hoogste werkzaamheden en idealen, waartoe we in staat zijn. Het is waar, dat er voornamelijk in den mond van enkele onwetende en slecht opgevoede vrouwen over sekse gesproken wordt als “dierlijk” of als “het dierlijke deel van onze natuur”16. Maar daar vrouwen de moeders en de onderwijzeressen zijn van het menschelijk ras is dit een onwetendheid en een blijk van slechte opvoeding, die niet te spoedig met wortel en tak kunnen uitgeroeid worden.

Er zijn sommigen, die schijnen te denken, dat zij de weegschaal in evenwicht hebben gehouden en de zaak voor goed opgelost, als zij erkennen, dat sexueele liefde zoowel mooi kan zijn als walgelijk, en dat beide beschouwingen even normaal en wettig zijn. “Luister om de beurt”, merkt Tarde op, “naar twee mannen,die de een koud, de ander vurig, de een kuisch, de ander verliefd, beiden even welopgevoed en ruim van geest, de waarde van hetzelfde ding bepalen: de een noemt walgelijk, leelijk, weerzinwekkend en dierlijk, wat de ander heerlijk, verrukkelijk, onuitsprekelijk, goddelijk noemt. Wat voor den een, in de Christelijke phraseologie, een onvergeeflijke zonde is, dat is voor den ander de staat van ware genade. Daden, die voor den een een treurige en nu en dan voorkomende noodzakelijkheid schijnen te zijn, vlekken die zorgvuldig uitgewischt moeten worden door lange tusschenpoozen van zelfbeheersching, zijn voor den ander de gouden spijkers, waar het geheele overige levensgedrag en bestaan van afhangt, de dingen, die alleen aan het menschelijk leven zijn waarde geven”17. Toch mogen we wel betwijfelen of deze beide personen “even welopgevoed en ruim van geest” zijn. De wilde gevoelt, dat sekse gevaarlijk is en hij heeft gelijk. Maar de mensch, die gevoelt dat de sexueele impuls slecht is, of zelfs maar laag bij den grond en vulgair, is een absurditeit in het heelal, een afwijking. Hij is evenals die menschen in onze krankzinnigengestichten, die gevoelen, dat het instinct om zich te voeden slecht is en zoo er toe overgaan om zich uit te hongeren. Zij zijn evenzeer geestelijke verworpelingen in het heelal, welks kinderen zij zijn. Het is een andere zaak, als een mensch verklaart, dat hij persoonlijk in zijn geval een ascetisch ideaal heeft, dat hem er toe brengt zich zooveel mogelijk te onthouden van een van beide of van beide impulsen. De mensch, die gezond ascetisch is, streeft naar een discipline, die te hulp komt aan het ideaal, dat hij zich persoonlijk gesteld heeft. Hij kan theoretisch nog in harmonie blijven met het heelal, waartoe hij behoort. Maar verachting uit te spreken over het sexueele leven, den sluier der “onreinheid” er over uit te spreiden, dat is, zooals Nietzsche verklaarde, de onvergeeflijke zonde tegen den Heiligen Geest van het Leven.

Er zijn veel menschen, die vooroordeel en rede trachten te verzoenen in hun waardeering van de liefde door een scherpe scheidingslijn te trekken tusschen “lust” en “liefde”, de eene verwerpend en de andere goedkeurend. Het is zeer juist zulk een onderscheid te maken, maar de wijze waarop het gemaakt wordt, kan gewoonlijk in het geheel geen onderzoek verdragen. Wij moeten uitmaken, wat we meenen met “wellust” en wat we meenen met “liefde”, en dat is niet gemakkelijk, als zij beschouwd moeten worden alsof ze elkaar uitsluiten. Soms wordt gezegd, dat we onder “lust” moeten verstaan een roekeloos toegeven aan den sexueelen impuls zonder op andere overwegingen te letten. Als we hem zoo verstaan, kunnen we hem veilig verwerpen. Maar dat is een volkomen willekeurige definitie van het woord. “Lust”is inderdaad een zeer dubbelzinnig woord; het is een goed woord, dat zijn moreele waarde veranderd heeft, en daarom moeten wij het zeer zorgvuldig verklaren, eer wij het durven gebruiken. Eigenlijk gezegd, is “lust” een volkomen kleurloos woord18en beteekent eenvoudig verlangen in het algemeen en sexueel verlangen in het bijzonder; het komt overeen met “honger” of “dorst”; het in een beleedigende beteekenis te gebruiken is ongeveer hetzelfde als aan te nemen, dat het woord “hongerig” dezelfde beleedigende beteekenis heeft als “begeerig”. Het resultaat is geweest, dat gevoelige geesten verontwaardigd het woord “lust” in verband met de liefde verwerpen19. In het vroegste gebruik van onze taal, had “lust” den zin van gezonde en normale sexueele kracht; nu is het woord zoo zeer naar beneden gehaald, dat, hoewel het gemakkelijk zou zijn het weer op zijn juiste plaats, die nog open blijft, te brengen, de poging hiertoe welhaast een hopelooze taak lijkt. Wij hebben de bronnen van gevoel in deze zaken zoozeer vergiftigd met middeleeuwsche ascetische ruwheden, dat al onze woorden voor sekse spoedig neiging-hebben met modder bespat te geraken; we kunnen ze oprapen uit de modder, waarin ze gevallen zijn en trachten ze te reinigen, maar aan vele oogen zullen ze toch nog vuil toeschijnen. Een gevolg van deze neiging is, dat wij geen eenvoudig, precies, natuurlijk woord hebben voor de liefde van de seksen, en we gedwongen worden onze toevlucht te nemen tot den algemeenen term, die zoo veelomvattend is, dat men in Engeland en in de meeste andere landen die den toon aangeven, met hetzelfde woord spreekt van God “liefhebben” of van eten “houden”.

Liefde, in de sexueele beteekenis, is in het kort beschouwd, een samenstelling van lust (in den primitieven en ongekleurden zin van sexueele aandoening) en vriendschap. Er kan geen sexueele liefde zijn zonder lust; maar, aan den anderen kant, niet voordat stroomen van lust in het organisme zijn uitgestraald, zoo, dat zij andere deelen van het psychische organisme raken—ten minste de aandoeningen en de maatschappelijke gevoelens—is het sexueele liefde. Lust, de specifieke sexueeleimpuls, is wel het eerste en meest essentieele element in deze samenstelling, want die alleen is geschikt voor het doel van de reproductie, niet alleen bij dieren maar ook bij menschen. Maar niet voordat lust zich uitgezet heeft en uitgestraald is, ontwikkelt hij zich tot de heerlijke en betooverende bloem der liefde. Wij mogen ons voor den geest halen, wat onder de planten gebeurt: aan den eenen kant hebben wij de lagere organismen, waarbij het sexueele leven beknopt en cryptogamisch voortgaat zonder ooit eenigen overvloed van schitterende bloemen over de wereld uit te storten, en aan den anderen kant de hoogere planten, waar sekse zich geopenbaard vertoont en zich aanmerkelijk uitgezet heeft in vorm en kleur en geur.

Terwijl “lust” natuurlijk over de geheele wereld bekend is, en er overal woorden zijn om hem aan te duiden, is “liefde” niet algemeen bekend, en in vele talen zijn er geen woorden voor “liefde”. De mislukte pogingen om liefde te vinden, zijn dikwijls opmerkelijk en onverwacht. We kunnen ze soms vinden, waar we ze het minst verwachten. Het sexueele verlangen raakte zelfs bij sommige dieren geïdealiseerd, (zooals Sergi opgemerkt heeft), voornamelijk bij vogels, want als een vogel zich dood treurt over zijn wijfje, kan dat niet voortkomen uit het ongecompliceerde sexueele instinct, maar moet het de combinatie in zich sluiten van dat instinct met de andere levenselementen in een mate, die zeldzaam is zelfs onder de meest beschaafde menschen. Sommige wilde stammen schijnen geen fundamenteele voorstelling te hebben over liefde, en (zooals de Amerikaansche Nahua’s) geen elementair woord er voor, terwijl er, aan den anderen kant, in Quichua, in de taal van de oude Peruvianen, bijna zeshonderd combinaties zijn van het werkwoordmunay, liefhebben. Bij sommige volken schijnt de liefde beperkt te zijn tot de vrouwen. Letourneau (L’Evolution Littéraire, p. 529) wijst er op, dat in verschillende deelen van de wereld vrouwen de leiding genomen hebben in het scheppen van erotische poëzie. In dit verband mogen we de opmerking maken, dat zelfmoorden uit erotische overwegingen bij primitieve volken voornamelijk voorkomen onder vrouwen (Zeitschrift für Sozialwissenschaft, 1899, P. 578). Verscheidene natuurvolken hebben liefdeliederen, b.v. de Suaheli (Velten, in zijnProsa und Poesie der Suaheli, wijdt een deel aan liefdeliederen, geschreven in de taal der Suaheli). D. G. Brinton zegt, in een belangwekkend geschrift over “The Conception of Love in Some American Languages” (Proceedings American Philosophical Society, vol. XXIII, p. 546; 1886), dat de woorden voor liefde in deze taal blijk geven van vier hoofdwijzen om het begrip uit te drukken: (1) ongearticuleerde uitroepen van emotie; (2) betuigingen van hetzelfde te zijn of op elkaar te gelijken; (3) betuigingen van samen te hooren en verbonden te zijn; (4) betuigingen van een wensch, verlangen of een begeerte. Brinton voegt er bij, dat “deze zelfde denkbeelden ten grondslag liggen aan de meeste woorden voor liefde in de groote Arische taalgroep”. Het opmerkelijke feit doet zich echter voor, dat de menschen, die de Arische taal spraken, langzaam waren in het ontwikkelen van hun opvatting van sexueele liefde. Brinton merkt op, dat de Amerikaansche Mayas gesteld moeten worden boven de volken van oude Arische beschaving, in dit opzicht, dat zij een grondwoord bezitten voor de vreugde der liefde, dat naar zijn beteekenis zuiver psychisch was en strikt betrekking had op den geestelijken toestand, en niet op gelijkheid noch op verlangen. Zelfs de Grieken waren laat met het vormen van eenig ideaal van sexueele liefde. Dit is duidelijk aangetoond door E. F. M. Benecke in zijnAntimachus of Colophon and the Position of Women in Greek Poetry, een boek, dat eenige gewaagde stellingenbevat, maar dat van het tegenwoordige standpunt uit zeer leerzaam is. De Grieksche lyrische dichters schreven om zoo te zeggen geen liefdeliederen aan vrouwen vóor Anacreon, en de zijne werden eerst geschreven toen hij oud was. Ware liefde was voor de Grieken bijna altijd homosexueel. De Ionische lyrische dichters van het oude Griekenland beschouwden de vrouw alleen als speelgoed en als de stichtster van de familie. Theognis vergelijkt het huwelijk bij het fokken van vee; Alcman spreekt, als hij complimenteus wil zijn voor de Spartaansche meisjes, van haar als van zijn “vrouwelijke vrienden”. Aeschylus laat zelfs een vader zeggen, dat zijn dochters zich zullen misdragen als zij aan zichzelf zijn overgelaten. Er is geen sexueele liefde bij Sophocles, en bij Euripides zijn het alleen de vrouwen die verliefd worden. Benecke komt tot het besluit (p. 67), dat in Griekenland sexueele liefde tot een tamelijk laat tijdstip in minachting was, en dat ze beschouwd werd als niet waardig om in het publiek besproken of voorgesteld te worden. Het was in Groot-Griekenland eerder dan in Griekenland zelf, dat mannen belangstelling hadden voor vrouwen, en het was niet eerder dan in den tijd van Alexander, en vooral bij Asclepiades, zegt Benecke, dat de liefde van vrouwen beschouwd werd als een zaak van leven en dood. Daarna komt de opvatting van de sexueele liefde, van het romantisch gezichtspunt, in het Europeesche leven. Met de Keltische geschiedenis van Tristam verschijnt ze, naar Gaston Paris opmerkt, eindelijk in de Christelijke Europeesche wereld der poëzie als het voornaamste punt in het menschelijk leven, de groote drijfkracht voor het gedrag der menschen.Romantische liefde is echter tot de massa in Europa niet doorgedrongen. In de zestiende eeuw, of in den tijd dat de ballade van “Glasgerion” geschreven werd, zien wij aangenomen, dat de verhouding van een boer tot zijn meisje beperkt is tot de enkele daad van sexueelen omgang; hij kust haar niet bij het komen of bij het weggaan; alleen de ridder, de man van de hoogere klasse denkt er aan, die teedere beleefdheid aan te bieden. En heden ten dage is, bijvoorbeeld in de streek tusschen Oost-Friesland en de Alpen, naar Bloch meedeelt (Sexualleben unserer Zeit, p. 29) in navolging van E. H. Meyer, het woord “liefde” bij de groote massa onbekend en erkent men alleen den ruwen tegenhanger ervan.Aan de andere zijde van de wereld, in Japan, schijnt sexueele liefde evenzeer in discrediet te zijn als het was in het oude Griekenland; zoo merkt Miss Tsuda, het hoofd van een Japansche school en zelf een Christin, op (zooals aangehaald wordt door Mrs. Fraser inWorld’s Work and Play, Dec.1906): “Dat woord “liefde” is tot nog toe een woord geweest, dat niet bekend was onder onze meisjes, in de buitenlandsche beteekenis. Plicht, onderwerping, vriendelijkheid—dat waren de gevoelens, die een meisje voor den echtgenoot moest hebben, die voor haar gekozen was—en vele gelukkige, harmonische huwelijken waren hiervan het resultaat. Nu zeggen uwe lieve, sentimenteele buitenlandsche vrouwen tot onze meisjes: “Het is slecht te trouwen zonder liefde; de gehoorzaamheid aan ouders voert in zulk een geval tot geweld aandoen aan de natuur en aan het Christendom. Als je van een man houdt, moet je alles opofferen om hem te trouwen”.”Als liefde echter volledig ontwikkeld is, wordt ze een aandoening van een enorme uitgebreidheid en zeer samengesteld, en lust wordt, zelfs in de beste beteekenis van dat woord, een element, dat staat naast vele andere elementen. Herbert Spencer heeft, in een belangwekkende passage van zijnPrinciples of Psychology(Deel IV, hoofdst. VIII), liefde ontleed in negen onderscheiden en belangrijke elementen: (1) de physieke sexueele impuls; (2) het gevoel voor schoonheid; (3) genegenheid; (4) bewondering en eerbied;(5) behoefte aan goedkeuring; (6) gevoel van eigenwaarde; (7) gevoel van eigendomsrecht; (8) grooter vrijheid van handelen door de afwezigheid van persoonlijke hinderpalen; (9) verheffing van de sympathieën. “Deze hartstocht”, zegt hij ten slotte,“smelt de meeste van de elementaire opwindingen, waartoe we in staat zijn, tot een enorm groote massa samen”.

Terwijl “lust” natuurlijk over de geheele wereld bekend is, en er overal woorden zijn om hem aan te duiden, is “liefde” niet algemeen bekend, en in vele talen zijn er geen woorden voor “liefde”. De mislukte pogingen om liefde te vinden, zijn dikwijls opmerkelijk en onverwacht. We kunnen ze soms vinden, waar we ze het minst verwachten. Het sexueele verlangen raakte zelfs bij sommige dieren geïdealiseerd, (zooals Sergi opgemerkt heeft), voornamelijk bij vogels, want als een vogel zich dood treurt over zijn wijfje, kan dat niet voortkomen uit het ongecompliceerde sexueele instinct, maar moet het de combinatie in zich sluiten van dat instinct met de andere levenselementen in een mate, die zeldzaam is zelfs onder de meest beschaafde menschen. Sommige wilde stammen schijnen geen fundamenteele voorstelling te hebben over liefde, en (zooals de Amerikaansche Nahua’s) geen elementair woord er voor, terwijl er, aan den anderen kant, in Quichua, in de taal van de oude Peruvianen, bijna zeshonderd combinaties zijn van het werkwoordmunay, liefhebben. Bij sommige volken schijnt de liefde beperkt te zijn tot de vrouwen. Letourneau (L’Evolution Littéraire, p. 529) wijst er op, dat in verschillende deelen van de wereld vrouwen de leiding genomen hebben in het scheppen van erotische poëzie. In dit verband mogen we de opmerking maken, dat zelfmoorden uit erotische overwegingen bij primitieve volken voornamelijk voorkomen onder vrouwen (Zeitschrift für Sozialwissenschaft, 1899, P. 578). Verscheidene natuurvolken hebben liefdeliederen, b.v. de Suaheli (Velten, in zijnProsa und Poesie der Suaheli, wijdt een deel aan liefdeliederen, geschreven in de taal der Suaheli). D. G. Brinton zegt, in een belangwekkend geschrift over “The Conception of Love in Some American Languages” (Proceedings American Philosophical Society, vol. XXIII, p. 546; 1886), dat de woorden voor liefde in deze taal blijk geven van vier hoofdwijzen om het begrip uit te drukken: (1) ongearticuleerde uitroepen van emotie; (2) betuigingen van hetzelfde te zijn of op elkaar te gelijken; (3) betuigingen van samen te hooren en verbonden te zijn; (4) betuigingen van een wensch, verlangen of een begeerte. Brinton voegt er bij, dat “deze zelfde denkbeelden ten grondslag liggen aan de meeste woorden voor liefde in de groote Arische taalgroep”. Het opmerkelijke feit doet zich echter voor, dat de menschen, die de Arische taal spraken, langzaam waren in het ontwikkelen van hun opvatting van sexueele liefde. Brinton merkt op, dat de Amerikaansche Mayas gesteld moeten worden boven de volken van oude Arische beschaving, in dit opzicht, dat zij een grondwoord bezitten voor de vreugde der liefde, dat naar zijn beteekenis zuiver psychisch was en strikt betrekking had op den geestelijken toestand, en niet op gelijkheid noch op verlangen. Zelfs de Grieken waren laat met het vormen van eenig ideaal van sexueele liefde. Dit is duidelijk aangetoond door E. F. M. Benecke in zijnAntimachus of Colophon and the Position of Women in Greek Poetry, een boek, dat eenige gewaagde stellingenbevat, maar dat van het tegenwoordige standpunt uit zeer leerzaam is. De Grieksche lyrische dichters schreven om zoo te zeggen geen liefdeliederen aan vrouwen vóor Anacreon, en de zijne werden eerst geschreven toen hij oud was. Ware liefde was voor de Grieken bijna altijd homosexueel. De Ionische lyrische dichters van het oude Griekenland beschouwden de vrouw alleen als speelgoed en als de stichtster van de familie. Theognis vergelijkt het huwelijk bij het fokken van vee; Alcman spreekt, als hij complimenteus wil zijn voor de Spartaansche meisjes, van haar als van zijn “vrouwelijke vrienden”. Aeschylus laat zelfs een vader zeggen, dat zijn dochters zich zullen misdragen als zij aan zichzelf zijn overgelaten. Er is geen sexueele liefde bij Sophocles, en bij Euripides zijn het alleen de vrouwen die verliefd worden. Benecke komt tot het besluit (p. 67), dat in Griekenland sexueele liefde tot een tamelijk laat tijdstip in minachting was, en dat ze beschouwd werd als niet waardig om in het publiek besproken of voorgesteld te worden. Het was in Groot-Griekenland eerder dan in Griekenland zelf, dat mannen belangstelling hadden voor vrouwen, en het was niet eerder dan in den tijd van Alexander, en vooral bij Asclepiades, zegt Benecke, dat de liefde van vrouwen beschouwd werd als een zaak van leven en dood. Daarna komt de opvatting van de sexueele liefde, van het romantisch gezichtspunt, in het Europeesche leven. Met de Keltische geschiedenis van Tristam verschijnt ze, naar Gaston Paris opmerkt, eindelijk in de Christelijke Europeesche wereld der poëzie als het voornaamste punt in het menschelijk leven, de groote drijfkracht voor het gedrag der menschen.

Romantische liefde is echter tot de massa in Europa niet doorgedrongen. In de zestiende eeuw, of in den tijd dat de ballade van “Glasgerion” geschreven werd, zien wij aangenomen, dat de verhouding van een boer tot zijn meisje beperkt is tot de enkele daad van sexueelen omgang; hij kust haar niet bij het komen of bij het weggaan; alleen de ridder, de man van de hoogere klasse denkt er aan, die teedere beleefdheid aan te bieden. En heden ten dage is, bijvoorbeeld in de streek tusschen Oost-Friesland en de Alpen, naar Bloch meedeelt (Sexualleben unserer Zeit, p. 29) in navolging van E. H. Meyer, het woord “liefde” bij de groote massa onbekend en erkent men alleen den ruwen tegenhanger ervan.

Aan de andere zijde van de wereld, in Japan, schijnt sexueele liefde evenzeer in discrediet te zijn als het was in het oude Griekenland; zoo merkt Miss Tsuda, het hoofd van een Japansche school en zelf een Christin, op (zooals aangehaald wordt door Mrs. Fraser inWorld’s Work and Play, Dec.1906): “Dat woord “liefde” is tot nog toe een woord geweest, dat niet bekend was onder onze meisjes, in de buitenlandsche beteekenis. Plicht, onderwerping, vriendelijkheid—dat waren de gevoelens, die een meisje voor den echtgenoot moest hebben, die voor haar gekozen was—en vele gelukkige, harmonische huwelijken waren hiervan het resultaat. Nu zeggen uwe lieve, sentimenteele buitenlandsche vrouwen tot onze meisjes: “Het is slecht te trouwen zonder liefde; de gehoorzaamheid aan ouders voert in zulk een geval tot geweld aandoen aan de natuur en aan het Christendom. Als je van een man houdt, moet je alles opofferen om hem te trouwen”.”

Als liefde echter volledig ontwikkeld is, wordt ze een aandoening van een enorme uitgebreidheid en zeer samengesteld, en lust wordt, zelfs in de beste beteekenis van dat woord, een element, dat staat naast vele andere elementen. Herbert Spencer heeft, in een belangwekkende passage van zijnPrinciples of Psychology(Deel IV, hoofdst. VIII), liefde ontleed in negen onderscheiden en belangrijke elementen: (1) de physieke sexueele impuls; (2) het gevoel voor schoonheid; (3) genegenheid; (4) bewondering en eerbied;(5) behoefte aan goedkeuring; (6) gevoel van eigenwaarde; (7) gevoel van eigendomsrecht; (8) grooter vrijheid van handelen door de afwezigheid van persoonlijke hinderpalen; (9) verheffing van de sympathieën. “Deze hartstocht”, zegt hij ten slotte,“smelt de meeste van de elementaire opwindingen, waartoe we in staat zijn, tot een enorm groote massa samen”.

Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat het definieeren van de sexueele liefde, of zelfs het ontleden van de samenstellingen ervan, in het geheel niet hetzelfde is als het verklaren van het mysterie. Wij trachten ons verstand te bevredigen door middel van een samenhangend beeld der liefde, maar de afstand tusschen dat beeld en de werkelijkheid van de aandoening, die we ondervinden, moet altijd onmeetbaar en niet te overbruggen zijn. “Er is geen woord dat meer uitgesproken wordt dan dat van liefde”, schreef Bonstetten vele jaren geleden, “en toch is er geen onderwerp, dat geheimzinniger is. Van dat, wat ons het naaste raakt, weten we het minste. Wij kunnen den loop van de sterren en we weten niet, hoe we liefhebben”. En hoe bedreven we ook geworden zijn in het ontdekken en ontleden van de oorzaken, de bijkomstigheden en de resultaten van de liefde, moeten we toch nog heden dezelfde bekentenis doen. Wij kunnen trachten, zooals sommigen gedaan hebben, liefde te verklaren als een vorm van honger en dorst, of als een kracht, die overeenkomt met electriciteit, of als een soort van magnetisme, of als een soort van chemische affiniteit, of als een reflexwerking, maar deze verklaringen zijn niets meer dan pogingen om voor onszelf de grootheid van het verschijnsel, waarmee we te doen hebben, tot uitdrukking te brengen.

Wat altijd de menschen bij het denken over de sexueele liefde verbluft heeft, is de schijnbare onevenredigheid van de oorzaak ervan, het enorme verschil tusschen het noodzakelijk beperkte deel slijmvlies, dat het einddoel van zulke liefde is en de oceaan van wereld-omvattende gevoelens, waartoe het de toegang verleent, zoodat, naar Remy de Gourmont gezegd heeft, “de slijmvliezen, krachtens een onoplosbaar mysterie, in hun donkere plooien al de rijkdommen besloten houden van het oneindige”. Het is een mysterie, waardoor de denker en de kunstenaar gelijkelijk overweldigd worden. Donnay beeldt, in zijn spel L’Escalade, een koud en streng man van de wetenschap uit, die liefde alleen beschouwt als een geestelijke ongesteldheid, die genezen kan worden evenals andere ongesteldheden en die tenslotte zelf wanhopig verliefd wordt. Hij dringt in de kamer van het meisje binnen op een ladder, midden in den nacht, en breekt los in een langen en hartstochtelijken woordenvloed: “Alles wat met je in aanraking komt, wordt voor mij geheimzinnig en heilig. O! te denken, dat iets zoo wel bekends als een vrouwenlichaam, dat beeldhouwers gemodelleerd hebben, waar dichters over gezongen hebben, dat mannen van de wetenschap, zooals ik, hebben ontleed, dat dit plotseling een onbekend mysterie moet worden en een oneindige vreugde, alleen omdat het ’t lichaam is van een bepaalde vrouw—wat een waanzin! En toch, dat is, wat ik gevoel”20.

Dat de liefde een natuurlijke waanzin is, een tijdelijke begoocheling, die het individu gedwongen is te lijden ter wille van het ras, is een uitleg, die menigeen, die door dit mysterie in verwarring is geraakt, in de gedachte is gekomen. Dat was, zooals wij weten, de uitleg, door Schopenhauer gegeven. Als een jonge man en een meisje elkaar in de armen vallen in liefdesextase, dan verbeelden zij zich, dat zij hun eigen geluk zoeken. Maar dat is zoo niet, zeide Schopenhauer; zij worden bedrogen door den genius van het ras tot zij meenen, dat zij een persoonlijk doel nastreven, opdat zij er toe gebracht zouden worden een veel grooter onpersoonlijk doel te bereiken: het scheppen van het toekomstige ras. De hevigheid van hun hartstocht is niet de maatstaf voor het persoonlijk geluk, dat zij verkrijgen zullen, maar de maatstaf voor hun geschiktheid om nakomelingschap voort te brengen. Als zij den hartstocht volgen en de raadgevingen van zorgvuldige voorzichtigheid in den wind slaan, dan offeren de jonge man en hetmeisjein werkelijkheid hun kansen op zelfzuchtig geluk op en vervullen zij de grootere doeleinden der Natuur. Zooals Schopenhauer de zaak zag, was er geen vulgaire illusie. De minnenden dachten, dat zij een grenzenloos persoonlijk geluk bereikten; zij bedrogen zich waarschijnlijk. Maar zij bedrogen zich, niet omdat de werkelijkheid minder was dan hun voorstelling, maar omdat ze meer was; inplaats van alleen maar een persoonlijk doel na te streven, zooals zij meenden, volbrengen zij het scheppingswerk van de wereld, een taak, die beter ongedaan was gebleven, zooals Schopenhauer het beschouwde, maar een taak waarvan hij de grootschheid volkomen erkende21.

We moeten er aan denken, dat in de lagere beteekenis van het woord, liefde een ontgoocheling zijn kan en dat dikwijls ook is. Een man kan zich vergissen, of bedrogen worden door het voorwerp, dat hem aantrekt, in de eigenschappen die zij bezit of die ze niet bezit. Bij de eerste liefde, als ze in de jeugd voorkomt, is zulke teleurstelling zeker volkomen normaal, en bij zekere typen, die vatbaar voor indrukken en ontvlambaar zijn, heeft dit veel kans voor te komen. Deze soort van teleurstelling, hoewel ze veel meer voorkomt en veel meer in het oog valt in liefdezaken—en ernstiger is, omdat de huwelijksbandzoo strak is—heeft neiging in iedere verhouding van het leven voor te komen. Voor de meeste menschen echter, en dat wel niet voor de minst verstandige of de minst wijze, blijft de herinnering aan de liefdeverrukking, zelfs als de tijd van die verrukking voorbij is, toch bestaan als, op zijn minst, de herinnering aan een van de meest werkelijke en essentieele feiten van het leven22.

Sommige schrijvers schijnen de geneigdheid tot ontgoocheling en teleurstelling in liefdeszaken te verwarren met de meeromvattende kwestie van een wijsgeerige illusie in de beteekenis van Schopenhauer. Tot zekere hoogte bestaat deze verwarring misschien in het gesprek over liefde door Renouvier en Prot inLa Nouvelle Monadologie(pp. 216 et seq.). Waar zij overwegen of liefde al of niet een begoocheling is, antwoorden zij, dat ze dat is of niet is naar gelang we al of niet worden beheerscht door zelfzucht en onrechtvaardigheid. “Het is geen essentieele dwaling geweest, die voorgezeten heeft bij de schepping van denafgod, want de afgod is alleen maar wat in alle dingen hetidealeis. Maar om het ideale in de liefde te verwezenlijken zijn er twee menschen noodig, en dat is de groote moeilijkheid. We zijn nooit gerechtigd,”zoo besluiten ze,“verachting op onze liefde te werpen, of zelfs op het voorwerp ervan; want als het waar is dat wij niet in het bezit zijn geraakt van de hoogste schoonheid van de wereld, dan is het even waar, dat wij zelf niet een trap van volmaking bereikt hebben, die ons reden zou gegeven hebben om met recht een zoo grooten prijs te eischen”. En misschien mogen we er wel aan toevoegen, dat de meeste van ons ten slotte moeten toegeven als wij eerlijk zijn jegens onszelf, dat de liefdeprijzen, die we in de wereld verkregen hebben, wat hun gebreken ook zijn, veel grooter zijn dan we verdiend hebben.

Sommige schrijvers schijnen de geneigdheid tot ontgoocheling en teleurstelling in liefdeszaken te verwarren met de meeromvattende kwestie van een wijsgeerige illusie in de beteekenis van Schopenhauer. Tot zekere hoogte bestaat deze verwarring misschien in het gesprek over liefde door Renouvier en Prot inLa Nouvelle Monadologie(pp. 216 et seq.). Waar zij overwegen of liefde al of niet een begoocheling is, antwoorden zij, dat ze dat is of niet is naar gelang we al of niet worden beheerscht door zelfzucht en onrechtvaardigheid. “Het is geen essentieele dwaling geweest, die voorgezeten heeft bij de schepping van denafgod, want de afgod is alleen maar wat in alle dingen hetidealeis. Maar om het ideale in de liefde te verwezenlijken zijn er twee menschen noodig, en dat is de groote moeilijkheid. We zijn nooit gerechtigd,”zoo besluiten ze,“verachting op onze liefde te werpen, of zelfs op het voorwerp ervan; want als het waar is dat wij niet in het bezit zijn geraakt van de hoogste schoonheid van de wereld, dan is het even waar, dat wij zelf niet een trap van volmaking bereikt hebben, die ons reden zou gegeven hebben om met recht een zoo grooten prijs te eischen”. En misschien mogen we er wel aan toevoegen, dat de meeste van ons ten slotte moeten toegeven als wij eerlijk zijn jegens onszelf, dat de liefdeprijzen, die we in de wereld verkregen hebben, wat hun gebreken ook zijn, veel grooter zijn dan we verdiend hebben.

Wij mogen wel erkennen, dat in zekeren zin niet alleen de liefde, maar al de hartstochten en begeerten van de menschen illusies zijn. In die beteekenis is het Evangelie van Boeddha gerechtvaardigd, en wij mogen wel de inspiratie erkennen van Shakespeare (inthe Tempest) en van Calderon (inLa Vida es Sueno), die voelden, dat ten slotte de geheele wereld een droom is zonder inhoud. Maar niet dan in deze groote en laatste visie kunnen wij van illusie spreken; wij kunnen niet toegeven, dat liefde een begoocheling is in eenige speciale en bijzondere beteekenis, waaronder de andere wenschen en aspiraties niet vallen. Integendeel is zij de meest vaste van alle werkelijkheden. Al de vormen van vooruitgang van het leven zijn opgebouwd op de sexueele aantrekking.Als wij de werking erkennen van sexueele keuze—zooals we wel bijna moeten doen als we ze ontdoen van de dingen, die er aan toegevoegd zijn zonder tot het wezen ervan te behooren23—dan heeft liefde de juiste vorm en kleur, de essentieele schoonheid gegeven, aan het leven van dieren en menschen gelijkelijk.

Als wij verder bedenken dat, zooals vele onderzoekers meenen, niet alleen de physieke bouw van het leven, maar ook de geestelijke bouw ervan—onze maatschappelijke gevoelens, onze moraal, onze godsdienst, onze poëzie en kunst—ten minste in zekere mate opgebouwd zijn op de sexueele impulsen, en dat zij, als ze al bestaan hadden, zeker geheel verschillend zouden geweest zijn, als andere dan sexueele wijzen van voortplanten geheerscht hadden in de wereld, dan kunnen we gemakkelijk erkennen, dat we slechts in verwarring kunnen geraken door de liefde af te wijzen als een begoocheling. Het geheele gebouw van het leven wankelt dan, want zooals de idealist Schiller lang geleden gezegd heeft, het is geheel en al opgebouwd van honger en van liefde. Liefde te beschouwen als in eenige speciale beteekenis een begoocheling, is niets anders dan het vallen in den strik van een ondiep cynisme. Liefde is alleen maar een waan in zooverre het geheele leven een waan is, en als wij het feit van het leven aannemen, dan is het onphilosofisch te weigeren het feit van de liefde aan te nemen.

Het is onnoodig hier de functies der liefde in de wereld te verheerlijken; het is voldoende de werking ervan na te gaan in eigen sfeer. Het kan echter de moeite loonen eenige uitdrukkingen aan te halen van denkers van verschillende scholen, die aangetoond hebben wat hun de ver strekkende beteekenis toescheen van de sexueele emoties voor het moreele leven. “De hartstochten zijn het hemelsch vuur, dat leven geeft aan de moreele wereld”, schreef Helvetius lang geleden inDe l’Esprit. “De werkzaamheid van den geest is afhankelijk van de werkzaamheid van de hartstochten, en het is ten tijde van de hartstochten, van den leeftijd van vijf en twintig tot vijf en dertig of veertig, dat mannen tot de grootste inspanningen van deugd en genie in staat zijn”. “Wat de sekse raakt”, schreef Zola, “raakt het middelpunt van het maatschappelijk leven”. Zelfs ons gevoel voor de goed- of afkeuring van anderen heeft een sexueelen oorsprong, beweert Professor Thomas (Psychological Review, Jan. 1904, pp. 61–67), en het is de liefde, die de bron is van gevoeligheid in het algemeen en van de altruïstische zijde van het leven. “Het optreden van sekse”, tracht Professor Woods Hutchinson aan te toonen (“Love as a Factor in Evolution”,Monist, 1898), “de ontwikkeling van mannelijkheid en vrouwelijkheid, was niet alleen de grondslag voor genegenheid, de bron van alle moraal, maar een enorm economisch voordeel voor het ras en een absolute noodzakelijkheid voor den vooruitgang. Daarin vinden we het eerst eenig bewust verlangen naar een actieven impuls jegens een medeschepsel”. “Als de mensch beroofd werd van het voortplantingsinstinct, en van alles wat daar geestelijk uit voortkomt”, riep Maudsley uit in zijnPhysiology of Mind, “dan zou op dat oogenblik alle poëzie en misschien ook alle zin voor moraal uit zijn levenverdwijnen”. “We schijnen onszelf verheerlijkt, sterker, rijker, meer volkomen toe; wezijnmeer volkomen”, zegt Nietzsche (Der Wille zur Macht, p. 389), “we vinden hier de kunst als een organische functie: we vinden ze gelegd in het meest engelachtig instinct der “liefde”: we vinden ze als de grootste prikkel van het leven … Het is niet alleen, dat ze het gevoel voor woorden verandert: hij, die liefheeft,ismeer waard,issterker. Bij dieren brengt deze toestand nieuwe wapens tot stand, kleuren en vormen, vooral nieuwe bewegingen, nieuwe rhythmen, een nieuwe verlokkende muziek. Het is niet anders met den mensch … Zelfs in de kunst is de deur voor hem geopend. Als wij uit de lyrische werken in woorden en geluiden datgene verwijderen, wat door dat inwendige vuur wordt ingegeven, wat blijft er dan over in de poëzie en de muziek?L’Art pour l’artmisschien, de bluffende virtuositeit van oude kikkers, die in hun moeras omkomen. De geheele rest is door de liefde in het leven geroepen”.Het zou gemakkelijk zijn meerdere aanhalingen te geven, die aantoonen hoeveel verschillende denkers tot de conclusie zijn gekomen, dat de sexueele liefde (daarbij ingesloten de vader- en vooral de moederliefde) de bron is van de voornaamste uitingen in het leven. In hoeverre zij gerechtvaardigd zijn in die conclusie, het is niet onze zaak er navraag naar te doen.

Het is onnoodig hier de functies der liefde in de wereld te verheerlijken; het is voldoende de werking ervan na te gaan in eigen sfeer. Het kan echter de moeite loonen eenige uitdrukkingen aan te halen van denkers van verschillende scholen, die aangetoond hebben wat hun de ver strekkende beteekenis toescheen van de sexueele emoties voor het moreele leven. “De hartstochten zijn het hemelsch vuur, dat leven geeft aan de moreele wereld”, schreef Helvetius lang geleden inDe l’Esprit. “De werkzaamheid van den geest is afhankelijk van de werkzaamheid van de hartstochten, en het is ten tijde van de hartstochten, van den leeftijd van vijf en twintig tot vijf en dertig of veertig, dat mannen tot de grootste inspanningen van deugd en genie in staat zijn”. “Wat de sekse raakt”, schreef Zola, “raakt het middelpunt van het maatschappelijk leven”. Zelfs ons gevoel voor de goed- of afkeuring van anderen heeft een sexueelen oorsprong, beweert Professor Thomas (Psychological Review, Jan. 1904, pp. 61–67), en het is de liefde, die de bron is van gevoeligheid in het algemeen en van de altruïstische zijde van het leven. “Het optreden van sekse”, tracht Professor Woods Hutchinson aan te toonen (“Love as a Factor in Evolution”,Monist, 1898), “de ontwikkeling van mannelijkheid en vrouwelijkheid, was niet alleen de grondslag voor genegenheid, de bron van alle moraal, maar een enorm economisch voordeel voor het ras en een absolute noodzakelijkheid voor den vooruitgang. Daarin vinden we het eerst eenig bewust verlangen naar een actieven impuls jegens een medeschepsel”. “Als de mensch beroofd werd van het voortplantingsinstinct, en van alles wat daar geestelijk uit voortkomt”, riep Maudsley uit in zijnPhysiology of Mind, “dan zou op dat oogenblik alle poëzie en misschien ook alle zin voor moraal uit zijn levenverdwijnen”. “We schijnen onszelf verheerlijkt, sterker, rijker, meer volkomen toe; wezijnmeer volkomen”, zegt Nietzsche (Der Wille zur Macht, p. 389), “we vinden hier de kunst als een organische functie: we vinden ze gelegd in het meest engelachtig instinct der “liefde”: we vinden ze als de grootste prikkel van het leven … Het is niet alleen, dat ze het gevoel voor woorden verandert: hij, die liefheeft,ismeer waard,issterker. Bij dieren brengt deze toestand nieuwe wapens tot stand, kleuren en vormen, vooral nieuwe bewegingen, nieuwe rhythmen, een nieuwe verlokkende muziek. Het is niet anders met den mensch … Zelfs in de kunst is de deur voor hem geopend. Als wij uit de lyrische werken in woorden en geluiden datgene verwijderen, wat door dat inwendige vuur wordt ingegeven, wat blijft er dan over in de poëzie en de muziek?L’Art pour l’artmisschien, de bluffende virtuositeit van oude kikkers, die in hun moeras omkomen. De geheele rest is door de liefde in het leven geroepen”.

Het zou gemakkelijk zijn meerdere aanhalingen te geven, die aantoonen hoeveel verschillende denkers tot de conclusie zijn gekomen, dat de sexueele liefde (daarbij ingesloten de vader- en vooral de moederliefde) de bron is van de voornaamste uitingen in het leven. In hoeverre zij gerechtvaardigd zijn in die conclusie, het is niet onze zaak er navraag naar te doen.

Het is ongetwijfeld waar, dat, zooals we gezien hebben toen we de excentrieke en onvolkomene verdeeling van het begrip liefde, en zelfs van woorden voor liefde, over de geheele wereld, bespraken, volstrekt niet alle menschen even geschikt zijn om, in welken tijd van hun leven ook, de aandoeningen van sexueele exaltatie te ondervinden. Het verschil tusschen den ridder en den boer bestaat nog en beiden kunnen soms in alle maatschappelijke lagen gevonden worden. Zelfs de uitingen van sexueel genot, het is onnoodig er op te wijzen, berusten gewoonlijk op een zuiver physieken basis en hebben weinig uitwerking op het intellectueele deel der natuur24. Maar dit is niet het geval met de menschen, die het krachtigst invloed hebben uitgeoefend op de gedachte en de gevoelens van de wereld. De persoonlijke realiteit van de liefde, het belang ervan voor het leven van het individu, dat zijn feiten, waarvan getuigenis afgelegd is door eenige van de grootste denkers, na levens gewijd aan intellectueelen arbeid. De ondervinding van Renan, die tegen het einde van zijn leven in zijn merkwaardig dramaL’Abbesse de Jouarreaan zijn overtuiging uitdrukking gaf, dat, zelfs van het standpunt van kuischheid, de liefde tenslotte het hoogste is in de wereld, staat in het geheel niet alleen. “Liefde is altijd beschouwd geweest als een mindere uiting van menschelijke muziek, de eerzucht als de hoogere”, schreef Tarde, de beroemde socioloog, op het einde van zijn leven. “Maar zal het altijd zoo zijn? Zijn er geen redenen om te denken, dat de toekomst misschienvoor ons in bewaring heeft de onuitsprekelijke verrassing van een omkeering van die wereldorde?” Laplace nam, een half uur voor zijn dood, een deel op van zijn eigenMécanique Céleste, en zeide:“Dat is allemaal waardeloos, er is niets waar dan de liefde”. Comte, die zijn leven besteed had aan het opbouwen van een positieve philosophie, die absoluut werkelijk zou zijn, vond (zooals we wel kunnen zeggen, dat de groote Engelsche positivist Mill ook vond) het toppunt van al zijn idealen in een vrouw, die zooals hij zeide, was Egeria en Beatrice en Laura in éen persoon, en hij schreef: “Er is niets werkelijk in de wereld dan de liefde. Men krijgt genoeg van denken en zelfs van handelen; men krijgt nooit genoeg van liefhebben en ook niet van het te zeggen. Bij de ergste kwellingen van de liefde heb ik nooit opgehouden te voelen, dat de hoofdzaak voor geluk is, dat het hart op waardige wijze gevuld zal zijn—zelfs met pijn, de bitterste pijn”. En Sophie Kowalewsky schreef pathetisch, na intellectueele successen, die haar onder de meest beroemden van haar geslacht geplaatst hebben: “Waarom kan niemand mij liefhebben? Ik zou meer kunnen geven dan de meeste vrouwen, en toch worden de meest onbeteekenende vrouwen bemind en ik niet”. Liefde, schijnen ze allen te zeggen, is het eenige ding, dat in hoogste instantie de moeite waard is. De grootste en schitterendste van de intellectueele reuzen der wereld bereiken blijkbaar, in hun oogenblikken van hoogste inzicht, het gewone niveau van de nederige en bijna anonieme personen, die, afgesloten van de wereld, schrevenThe Imitation of ChristofThe Letters of a Portuguese Nun. En hoeveel anderen!

1Meditationes Piissimae de Cognitione Humanae Conditionis, Migne’sPatrologia, vol. CLXXIV, p. 489, cap. III, “De Dignitate Animae et Vilitate Corporis”. Het kan de moeite loonen, de krachtige taal van het origineel meer uitvoerig aan te halen. “Si diligenter consideres quid per os et nares caeterosque corporis meatus egrediatur vilius sterquilinum numquam vidisti.… Attende, homo, quid fuisti ante ortum, et quid es ab ortu usque ad occasum, atque quid eris post hanc vitam. Profecto fuit quando non eras: postea de vili materia factus, et vilissimo panno involutus, menstruali sanguine in utero materno fuisti nutritus, et tunica tua fuit pelvis secundina. Nihil aliud est homo quam sperma fetidum, saccus stercorum, cibus vermium.… Quid suberbis, pulvis et cinis, cujus conceptus cula, nasci miseria, vivere poena, mori angustia?”↑2Zie (in de uitgave van Mignes)S. Odonis abbatis Cluniacensis Collationes, lib. II, cap. IX.↑3Dühren (Neue Forschungen über die Marquis de Sade, pp. 432et seq.) bewijst hoe het ascetisch beschouwen van het lichaam van de vrouw b.v. hardnekkig stand hield bij Schopenhauer en De Sade.↑4In “The Evolution of Modesty” in het eerste deel van dezeStudies, en wederom in het vijfde deel bij het bespreken van de urolagnia in de studie over “Erotic Symbolism”, zijn de wederkeerige reacties van de sexueele en de excretorische centra volledig behandeld.↑5“La Morale Sexuelle”,Archives d’Anthropologie Criminelle, Jan., 1907.↑6De bovenstaande aanhaling, nu licht gewijzigd, vormde oorspronkelijk een onuitgegeven deel van een essay over Walt Whitman inThe New Spirit, het eerst uitgegeven in 1889.↑7Zelfs in de negende eeuw echter, toen de kloosterbeweging zich snel ontwikkelde, waren er eenige, die aan de neigingen van de nieuwe asceten weerstand boden. Zoo schreef in 850 Ratramnus, de monnik, een verhandeling (Liber de eo quod Christus ex Virgine natus est) om te bewijzen, dat Maria werkelijk Jezus baarde door haar sexueele organen, en niet, zooals sommige overdreven personen begonnen te denken, dat alleen maar mogelijk kon zijn door de meer door de conventie fatsoenlijk geoordeelde borsten. De sexueele organen waren geheiligd. “Spiritus sanctus … et thalamum tanto dignum sponso sanctifivavit et portam” (Achery,Specilegium, vol. i. p. 55).↑8Paedagogus, lib. II, cap. X. Ergens anders (id., lib. II, hoofdst. VI) geeft hij meer in bijzonderheden een opgave, die hetzelfde bevat.↑9Zie bv. Wilhelm Capitaine,Die Moral des Clemens von Alexandrien, pp. 112et seq.↑10De Civitate Dei, lib. XXII, cap. XXIV. “Het is nergens voor noodig”, zegt hij weer (id., lib. XIV, cap. V) “dat wij in onze zonden en ondeugden den aard van het vleesch aanklagen tot beleediging van den Schepper, want in zijn eigen soort en in zijn eigen mate is het vleesch goed”.↑11De heilige Augustinus,De Civitate Dei, lib. XIV, cap. XXIII–XXVI. Chrysostomus en Gregorius, van Nyssa, meenden, dat in het Paradijs menschelijke wezens zich zouden vermenigvuldigd hebben door een speciale wijze van scheppen, maar dat is niet de leer, aangenomen door de katholieke kerk.↑12W. Capitaine,Die Moral des Clemens von Alexandrien, pp. 112et seq.Zonder het lichaam zou er, verklaarde Tertullianus, geen maagdelijkheid zijn en geen redding. De ziel zelf is lichamelijk. Hij voert inderdaad zijn idee van de alomtegenwoordigheid van het lichaam tot in het belachelijke door.↑13Rufinus,Commentarius in Symbolum Apostolorum, cap. XII.↑14Migne,Patrologia Græca, vol. XXVI, pp. 1170et seq.↑15Zelfs in hun physieken bouw vertoonen de menschelijke sexueele organen, in vergelijking met die van de lagere dieren, in het oog vallende verschillen (zie Havelock Ellis, “The Mechanism of Detumescence”).↑16Het kan misschien goed zijn met Forel (Die sexuelle Frage, p. 208), er op te wijzen, dat het woord “dierlijk” algemeen en gewoonlijk geheel onjuist gebruikt wordt in dit verband. Inderdaad, niet alleen voor de hoogere maar ook voor de lagere uitingen van den sexueelen impuls zou het gewoonlijk juister zijn in plaats daarvan den term “menschelijk” te gebruiken.↑17Loc. cit.,Archives d’Anthropologie Criminelle, Jan., 1907.↑18Het heeft echter kleur gekregen en is al in de oudste geschiedenis van het Christendom in verdenking gekomen. Terwijl de heilige Augustinus (De Civitate Dei, lib. xiv, cap. XV), toegeeft, dat libido of lust de algemeene naam is voor alle begeerte, voegt hij er aan toe, dat het speciaal gebruikt voor de sexueele begeerte, terecht en behoorlijk vermengd is met gevoelens van schaamte.↑19Hinton geeft een goeden uitleg van dit gevoelen. “Wij noemen lust”, zegt hij in zijn manuscript, “de eenvoudigste en natuurlijkste verlangens. We zouden evengoed honger en dorst “lust” kunnen noemen als de sexueele hartstochten, als wij alleen maar den drang van de natuur willen aanduiden. Wij noemen die ten onrechte “lust” en belasteren zoodoende wreedaardig hen, aan wie we hem toeschrijven en geven aanleiding tot absolute wanorde. Want, door dwaas de eischen der natuur te verwarren met lust, doen we ze geweld aan.”↑20Vele eeuwen tevoren had een ander Fransch schrijver, de bekende dokterA. Laurentius (Des Laurens) in zijnHistoria Anatomica Humani Corporis(lib. VIII, Quaestio VII) eveneens gepeinsd over “de ongelooflijke begeerte naarcoïtus”, en gevraagd hoe het kwam, dat “dat goddelijke dier, vol van rede en oordeel, dat wij Mensch noemen, aangetrokken moet worden tot die obscene deelen van vrouwen, die bevlekt zijn met vuil en, evenals een riool, in de onderste deelen van het lichaam geplaatst zijn”. Het is opmerkelijk, dat van het begin af aan en evenzeer onder mannen van godsdienst, mannen van wetenschap en mannen van letterkunde, de geheimzinnigheid van dit probleem zich bijzonder opgedrongen heeft aan den geest der Franschen.↑21Schopenhauer,Die Welt als Wille und Vorstellung, vol. II, pp. 608 et seq.↑22“Misschien is er wel nauwelijks een man”, schreef Maltus, een geestelijke, zowel als een van de diepste denkers van zijn tijd (Essay on the Principle of Population, 1798, hoofdst. XI), “die eenmaal het ware genot van deugdzame liefde ondervonden heeft, die, hoe groot zijn intellectueele genoegens ook geweest mogen zijn, niet op dezen tijd terugziet als op de zonnige plek van zijn geheele leven, waar zijn verbeelding gaarne verwijlt, die hij herdenkt en beschouwt met het teerste leedwezen en die hij het meest zou wenschen nog eens weer te beleven. De voorrang van intellectueele genoegens boven sexueele bestaat eerder daarin, dat ze meer tijd in beslag nemen en dat ze een wijder kring beslaan, en daarin dat ze niet zoo gemakkelijk verzadigen, dan daarin, dat ze meer werkelijk en essentieel zijn.”↑23Het geheele argument van een ander deel van dezeStudiesover “Sexual Selection in Man” wijst in deze richting.↑24“Misschien zijn wel de meeste gewone mannen”, merkt Forel op (Die sexuelle Frage, p. 307), maar in geringe mate in staat tot de opwinding der liefde; zij staan op zijn hoogst op het standpunt van dengourmet, dat in het geheel niet noodzakelijk een immoreel standpunt is, maar zeker niet het standpunt der poëzie.↑

1Meditationes Piissimae de Cognitione Humanae Conditionis, Migne’sPatrologia, vol. CLXXIV, p. 489, cap. III, “De Dignitate Animae et Vilitate Corporis”. Het kan de moeite loonen, de krachtige taal van het origineel meer uitvoerig aan te halen. “Si diligenter consideres quid per os et nares caeterosque corporis meatus egrediatur vilius sterquilinum numquam vidisti.… Attende, homo, quid fuisti ante ortum, et quid es ab ortu usque ad occasum, atque quid eris post hanc vitam. Profecto fuit quando non eras: postea de vili materia factus, et vilissimo panno involutus, menstruali sanguine in utero materno fuisti nutritus, et tunica tua fuit pelvis secundina. Nihil aliud est homo quam sperma fetidum, saccus stercorum, cibus vermium.… Quid suberbis, pulvis et cinis, cujus conceptus cula, nasci miseria, vivere poena, mori angustia?”↑2Zie (in de uitgave van Mignes)S. Odonis abbatis Cluniacensis Collationes, lib. II, cap. IX.↑3Dühren (Neue Forschungen über die Marquis de Sade, pp. 432et seq.) bewijst hoe het ascetisch beschouwen van het lichaam van de vrouw b.v. hardnekkig stand hield bij Schopenhauer en De Sade.↑4In “The Evolution of Modesty” in het eerste deel van dezeStudies, en wederom in het vijfde deel bij het bespreken van de urolagnia in de studie over “Erotic Symbolism”, zijn de wederkeerige reacties van de sexueele en de excretorische centra volledig behandeld.↑5“La Morale Sexuelle”,Archives d’Anthropologie Criminelle, Jan., 1907.↑6De bovenstaande aanhaling, nu licht gewijzigd, vormde oorspronkelijk een onuitgegeven deel van een essay over Walt Whitman inThe New Spirit, het eerst uitgegeven in 1889.↑7Zelfs in de negende eeuw echter, toen de kloosterbeweging zich snel ontwikkelde, waren er eenige, die aan de neigingen van de nieuwe asceten weerstand boden. Zoo schreef in 850 Ratramnus, de monnik, een verhandeling (Liber de eo quod Christus ex Virgine natus est) om te bewijzen, dat Maria werkelijk Jezus baarde door haar sexueele organen, en niet, zooals sommige overdreven personen begonnen te denken, dat alleen maar mogelijk kon zijn door de meer door de conventie fatsoenlijk geoordeelde borsten. De sexueele organen waren geheiligd. “Spiritus sanctus … et thalamum tanto dignum sponso sanctifivavit et portam” (Achery,Specilegium, vol. i. p. 55).↑8Paedagogus, lib. II, cap. X. Ergens anders (id., lib. II, hoofdst. VI) geeft hij meer in bijzonderheden een opgave, die hetzelfde bevat.↑9Zie bv. Wilhelm Capitaine,Die Moral des Clemens von Alexandrien, pp. 112et seq.↑10De Civitate Dei, lib. XXII, cap. XXIV. “Het is nergens voor noodig”, zegt hij weer (id., lib. XIV, cap. V) “dat wij in onze zonden en ondeugden den aard van het vleesch aanklagen tot beleediging van den Schepper, want in zijn eigen soort en in zijn eigen mate is het vleesch goed”.↑11De heilige Augustinus,De Civitate Dei, lib. XIV, cap. XXIII–XXVI. Chrysostomus en Gregorius, van Nyssa, meenden, dat in het Paradijs menschelijke wezens zich zouden vermenigvuldigd hebben door een speciale wijze van scheppen, maar dat is niet de leer, aangenomen door de katholieke kerk.↑12W. Capitaine,Die Moral des Clemens von Alexandrien, pp. 112et seq.Zonder het lichaam zou er, verklaarde Tertullianus, geen maagdelijkheid zijn en geen redding. De ziel zelf is lichamelijk. Hij voert inderdaad zijn idee van de alomtegenwoordigheid van het lichaam tot in het belachelijke door.↑13Rufinus,Commentarius in Symbolum Apostolorum, cap. XII.↑14Migne,Patrologia Græca, vol. XXVI, pp. 1170et seq.↑15Zelfs in hun physieken bouw vertoonen de menschelijke sexueele organen, in vergelijking met die van de lagere dieren, in het oog vallende verschillen (zie Havelock Ellis, “The Mechanism of Detumescence”).↑16Het kan misschien goed zijn met Forel (Die sexuelle Frage, p. 208), er op te wijzen, dat het woord “dierlijk” algemeen en gewoonlijk geheel onjuist gebruikt wordt in dit verband. Inderdaad, niet alleen voor de hoogere maar ook voor de lagere uitingen van den sexueelen impuls zou het gewoonlijk juister zijn in plaats daarvan den term “menschelijk” te gebruiken.↑17Loc. cit.,Archives d’Anthropologie Criminelle, Jan., 1907.↑18Het heeft echter kleur gekregen en is al in de oudste geschiedenis van het Christendom in verdenking gekomen. Terwijl de heilige Augustinus (De Civitate Dei, lib. xiv, cap. XV), toegeeft, dat libido of lust de algemeene naam is voor alle begeerte, voegt hij er aan toe, dat het speciaal gebruikt voor de sexueele begeerte, terecht en behoorlijk vermengd is met gevoelens van schaamte.↑19Hinton geeft een goeden uitleg van dit gevoelen. “Wij noemen lust”, zegt hij in zijn manuscript, “de eenvoudigste en natuurlijkste verlangens. We zouden evengoed honger en dorst “lust” kunnen noemen als de sexueele hartstochten, als wij alleen maar den drang van de natuur willen aanduiden. Wij noemen die ten onrechte “lust” en belasteren zoodoende wreedaardig hen, aan wie we hem toeschrijven en geven aanleiding tot absolute wanorde. Want, door dwaas de eischen der natuur te verwarren met lust, doen we ze geweld aan.”↑20Vele eeuwen tevoren had een ander Fransch schrijver, de bekende dokterA. Laurentius (Des Laurens) in zijnHistoria Anatomica Humani Corporis(lib. VIII, Quaestio VII) eveneens gepeinsd over “de ongelooflijke begeerte naarcoïtus”, en gevraagd hoe het kwam, dat “dat goddelijke dier, vol van rede en oordeel, dat wij Mensch noemen, aangetrokken moet worden tot die obscene deelen van vrouwen, die bevlekt zijn met vuil en, evenals een riool, in de onderste deelen van het lichaam geplaatst zijn”. Het is opmerkelijk, dat van het begin af aan en evenzeer onder mannen van godsdienst, mannen van wetenschap en mannen van letterkunde, de geheimzinnigheid van dit probleem zich bijzonder opgedrongen heeft aan den geest der Franschen.↑21Schopenhauer,Die Welt als Wille und Vorstellung, vol. II, pp. 608 et seq.↑22“Misschien is er wel nauwelijks een man”, schreef Maltus, een geestelijke, zowel als een van de diepste denkers van zijn tijd (Essay on the Principle of Population, 1798, hoofdst. XI), “die eenmaal het ware genot van deugdzame liefde ondervonden heeft, die, hoe groot zijn intellectueele genoegens ook geweest mogen zijn, niet op dezen tijd terugziet als op de zonnige plek van zijn geheele leven, waar zijn verbeelding gaarne verwijlt, die hij herdenkt en beschouwt met het teerste leedwezen en die hij het meest zou wenschen nog eens weer te beleven. De voorrang van intellectueele genoegens boven sexueele bestaat eerder daarin, dat ze meer tijd in beslag nemen en dat ze een wijder kring beslaan, en daarin dat ze niet zoo gemakkelijk verzadigen, dan daarin, dat ze meer werkelijk en essentieel zijn.”↑23Het geheele argument van een ander deel van dezeStudiesover “Sexual Selection in Man” wijst in deze richting.↑24“Misschien zijn wel de meeste gewone mannen”, merkt Forel op (Die sexuelle Frage, p. 307), maar in geringe mate in staat tot de opwinding der liefde; zij staan op zijn hoogst op het standpunt van dengourmet, dat in het geheel niet noodzakelijk een immoreel standpunt is, maar zeker niet het standpunt der poëzie.↑

1Meditationes Piissimae de Cognitione Humanae Conditionis, Migne’sPatrologia, vol. CLXXIV, p. 489, cap. III, “De Dignitate Animae et Vilitate Corporis”. Het kan de moeite loonen, de krachtige taal van het origineel meer uitvoerig aan te halen. “Si diligenter consideres quid per os et nares caeterosque corporis meatus egrediatur vilius sterquilinum numquam vidisti.… Attende, homo, quid fuisti ante ortum, et quid es ab ortu usque ad occasum, atque quid eris post hanc vitam. Profecto fuit quando non eras: postea de vili materia factus, et vilissimo panno involutus, menstruali sanguine in utero materno fuisti nutritus, et tunica tua fuit pelvis secundina. Nihil aliud est homo quam sperma fetidum, saccus stercorum, cibus vermium.… Quid suberbis, pulvis et cinis, cujus conceptus cula, nasci miseria, vivere poena, mori angustia?”↑

2Zie (in de uitgave van Mignes)S. Odonis abbatis Cluniacensis Collationes, lib. II, cap. IX.↑

3Dühren (Neue Forschungen über die Marquis de Sade, pp. 432et seq.) bewijst hoe het ascetisch beschouwen van het lichaam van de vrouw b.v. hardnekkig stand hield bij Schopenhauer en De Sade.↑

4In “The Evolution of Modesty” in het eerste deel van dezeStudies, en wederom in het vijfde deel bij het bespreken van de urolagnia in de studie over “Erotic Symbolism”, zijn de wederkeerige reacties van de sexueele en de excretorische centra volledig behandeld.↑

5“La Morale Sexuelle”,Archives d’Anthropologie Criminelle, Jan., 1907.↑

6De bovenstaande aanhaling, nu licht gewijzigd, vormde oorspronkelijk een onuitgegeven deel van een essay over Walt Whitman inThe New Spirit, het eerst uitgegeven in 1889.↑

7Zelfs in de negende eeuw echter, toen de kloosterbeweging zich snel ontwikkelde, waren er eenige, die aan de neigingen van de nieuwe asceten weerstand boden. Zoo schreef in 850 Ratramnus, de monnik, een verhandeling (Liber de eo quod Christus ex Virgine natus est) om te bewijzen, dat Maria werkelijk Jezus baarde door haar sexueele organen, en niet, zooals sommige overdreven personen begonnen te denken, dat alleen maar mogelijk kon zijn door de meer door de conventie fatsoenlijk geoordeelde borsten. De sexueele organen waren geheiligd. “Spiritus sanctus … et thalamum tanto dignum sponso sanctifivavit et portam” (Achery,Specilegium, vol. i. p. 55).↑

8Paedagogus, lib. II, cap. X. Ergens anders (id., lib. II, hoofdst. VI) geeft hij meer in bijzonderheden een opgave, die hetzelfde bevat.↑

9Zie bv. Wilhelm Capitaine,Die Moral des Clemens von Alexandrien, pp. 112et seq.↑

10De Civitate Dei, lib. XXII, cap. XXIV. “Het is nergens voor noodig”, zegt hij weer (id., lib. XIV, cap. V) “dat wij in onze zonden en ondeugden den aard van het vleesch aanklagen tot beleediging van den Schepper, want in zijn eigen soort en in zijn eigen mate is het vleesch goed”.↑

11De heilige Augustinus,De Civitate Dei, lib. XIV, cap. XXIII–XXVI. Chrysostomus en Gregorius, van Nyssa, meenden, dat in het Paradijs menschelijke wezens zich zouden vermenigvuldigd hebben door een speciale wijze van scheppen, maar dat is niet de leer, aangenomen door de katholieke kerk.↑

12W. Capitaine,Die Moral des Clemens von Alexandrien, pp. 112et seq.Zonder het lichaam zou er, verklaarde Tertullianus, geen maagdelijkheid zijn en geen redding. De ziel zelf is lichamelijk. Hij voert inderdaad zijn idee van de alomtegenwoordigheid van het lichaam tot in het belachelijke door.↑

13Rufinus,Commentarius in Symbolum Apostolorum, cap. XII.↑

14Migne,Patrologia Græca, vol. XXVI, pp. 1170et seq.↑

15Zelfs in hun physieken bouw vertoonen de menschelijke sexueele organen, in vergelijking met die van de lagere dieren, in het oog vallende verschillen (zie Havelock Ellis, “The Mechanism of Detumescence”).↑

16Het kan misschien goed zijn met Forel (Die sexuelle Frage, p. 208), er op te wijzen, dat het woord “dierlijk” algemeen en gewoonlijk geheel onjuist gebruikt wordt in dit verband. Inderdaad, niet alleen voor de hoogere maar ook voor de lagere uitingen van den sexueelen impuls zou het gewoonlijk juister zijn in plaats daarvan den term “menschelijk” te gebruiken.↑

17Loc. cit.,Archives d’Anthropologie Criminelle, Jan., 1907.↑

18Het heeft echter kleur gekregen en is al in de oudste geschiedenis van het Christendom in verdenking gekomen. Terwijl de heilige Augustinus (De Civitate Dei, lib. xiv, cap. XV), toegeeft, dat libido of lust de algemeene naam is voor alle begeerte, voegt hij er aan toe, dat het speciaal gebruikt voor de sexueele begeerte, terecht en behoorlijk vermengd is met gevoelens van schaamte.↑

19Hinton geeft een goeden uitleg van dit gevoelen. “Wij noemen lust”, zegt hij in zijn manuscript, “de eenvoudigste en natuurlijkste verlangens. We zouden evengoed honger en dorst “lust” kunnen noemen als de sexueele hartstochten, als wij alleen maar den drang van de natuur willen aanduiden. Wij noemen die ten onrechte “lust” en belasteren zoodoende wreedaardig hen, aan wie we hem toeschrijven en geven aanleiding tot absolute wanorde. Want, door dwaas de eischen der natuur te verwarren met lust, doen we ze geweld aan.”↑

20Vele eeuwen tevoren had een ander Fransch schrijver, de bekende dokterA. Laurentius (Des Laurens) in zijnHistoria Anatomica Humani Corporis(lib. VIII, Quaestio VII) eveneens gepeinsd over “de ongelooflijke begeerte naarcoïtus”, en gevraagd hoe het kwam, dat “dat goddelijke dier, vol van rede en oordeel, dat wij Mensch noemen, aangetrokken moet worden tot die obscene deelen van vrouwen, die bevlekt zijn met vuil en, evenals een riool, in de onderste deelen van het lichaam geplaatst zijn”. Het is opmerkelijk, dat van het begin af aan en evenzeer onder mannen van godsdienst, mannen van wetenschap en mannen van letterkunde, de geheimzinnigheid van dit probleem zich bijzonder opgedrongen heeft aan den geest der Franschen.↑

21Schopenhauer,Die Welt als Wille und Vorstellung, vol. II, pp. 608 et seq.↑

22“Misschien is er wel nauwelijks een man”, schreef Maltus, een geestelijke, zowel als een van de diepste denkers van zijn tijd (Essay on the Principle of Population, 1798, hoofdst. XI), “die eenmaal het ware genot van deugdzame liefde ondervonden heeft, die, hoe groot zijn intellectueele genoegens ook geweest mogen zijn, niet op dezen tijd terugziet als op de zonnige plek van zijn geheele leven, waar zijn verbeelding gaarne verwijlt, die hij herdenkt en beschouwt met het teerste leedwezen en die hij het meest zou wenschen nog eens weer te beleven. De voorrang van intellectueele genoegens boven sexueele bestaat eerder daarin, dat ze meer tijd in beslag nemen en dat ze een wijder kring beslaan, en daarin dat ze niet zoo gemakkelijk verzadigen, dan daarin, dat ze meer werkelijk en essentieel zijn.”↑

23Het geheele argument van een ander deel van dezeStudiesover “Sexual Selection in Man” wijst in deze richting.↑

24“Misschien zijn wel de meeste gewone mannen”, merkt Forel op (Die sexuelle Frage, p. 307), maar in geringe mate in staat tot de opwinding der liefde; zij staan op zijn hoogst op het standpunt van dengourmet, dat in het geheel niet noodzakelijk een immoreel standpunt is, maar zeker niet het standpunt der poëzie.↑


Back to IndexNext