I.De orgie

I.De orgieDe traditioneele moraal, de godsdienst en de ingestelde conventies te zamen voeren niet alleen tot het uiterste van strenge abstinentie, maar ook tot dat van ongebonden uitspatting. Zij prediken en idealiseeren het eene, maar zij drijven hen, die er niet naar kunnen leven, tot het tegenovergestelde uiterste. In de groote eeuwen van den godsdienst gebeurt het zelfs, dat de gestrengheid van het voorschrift der abstinentie min of meer opzettelijk getemperd wordt, doordat men nu en dan uitbarstingen van losbandigheid toestaat. Zoo komt het tot de orgie, die in de middeleeuwsche dagen bloeide, en die in de ruimste beteekenis van het woord een algemeen verschijnsel is, omdat zij in iedere geordende en werkzame beschaving, die opgebouwd is op natuurlijke energieën, die door min of meer onvermijdelijke beperkingen gebonden zijn, een functie te vervullen heeft.De beschouwing van de orgie, mogen we zeggen, heft ons uit de enkel sexueele sfeer op naar een hooger en ruimer gebied, dat tot den godsdienst behoort. Het Grieksche woordorgeiahad oorspronkelijk betrekking op het uitoefenen van riten tot godsdienstige doeleinden, hoewel later, toen de dansen van de bacchanaliën en dergelijke hun heilig en inspireerend karakter verloren, het denkbeeld, dat zulke dingen immoreel waren, door het Christendom gevoed werd1. Toch was het Christendom zelf in zijn oorsprong een orgie van de hoogere geestelijke werkzaamheden, die vrij waren gemaakt van de onsympathieke slavernij der klassieke beschaving, een groot feest van de armen en de nederigen, de slaven en de zondaars. En toen met de noodzakelijkheid van ordelijke maatschappelijke organisatie het Christendom opgehouden had dit te zijn, erkende het nog, evenals het heidendom dit gedaan had, de behoefte aan een orgie nu en dan. Het blijkt dat er in 743, op een synode gehouden in Henegouwen, gewezen werd op de Februari-uitspatting (de Spurcalibus in februario) als een heidensche gewoonte; toch was het juist dit heidensche feest, dat in de door de Christelijke Kerk erkende gewoonten overging als de voornaamste orgie van het kerkjaar, het groote karnaval, dat voorafging aan de lange vasten voor Paschen. De viering van den Vastenavond-Dinsdag en den voorafgaanden Zondag vormden eenChristelijk bacchanaal, waaraan alle klassen deelnamen. De grootste vrijheid van beweging werd aangemoedigd; “sommigen loopen zonder eenige schaamte naakt, anderen kruipen op handen en voeten, sommigen op stelten, weer anderen bootsen dieren na”2. Mettertijd verloor het karnaval zijn sterkst kenmerkende trekken als bacchanaal, maar het behoudt nog zijn meest essentieele karakter als een geoorloofde tijdelijke verslapping van den druk van beperkingen en conventies, door de gewoonte opgelegd. Het middeleeuwsche losbandigheidsfeest—een brassend doorgebrachte nieuwjaarsnacht—dat van de 12deeeuw af, vooral in Frankrijk, gewoonte werd—vertoonde een duidelijk beeld van een Christelijke orgie in zijn meest uitgelaten vorm, want hier werden de heiligste kerkelijke ceremonies phantastisch geparodieerd. De kerk erkende, volgens Nietzsche, zooals alle wijze wetgevers, dat, waar groote impulsen en gewoonten moeten aangekweekt worden, er schrikkeldagen dienden ingeschoven, waarop deze impulsen en gewoonten opzij gezet kunnen worden om er zoo opnieuw naar te leeren hongeren3. De geestelijkheid nam in deze volksfeesten de leiding, want voor de menschen van dien tijd, zooals Méray opmerkte, “bood de tempel bevrediging voor de menschelijke behoeften in al hun schakeeringen; zij vonden hier onderricht in hun plichten, troost voor al hun smarten, bevrediging voor alle vreugden. De heilige feesten van het middeleeuwsch Christendom waren niet een overblijfsel uit den Romeinschen tijd; zij kwamen voort uit het hart der Christelijke maatschappij”4. Maar, geeft Méray toe, alle groote en krachtige volken van het Oosten en het Westen hebben het noodig geacht soms met hun heilige dingen te spelen.Onder de Grieken en Romeinen is deze behoefte overal zichtbaar, niet alleen in hun tooneel en hun literatuur over het algemeen, maar in het dagelijksch leven. Zooals Nietzsche naar waarheid opmerkt (in zijnGeburt der Tragödie) erkenden de Grieken alle natuurlijke impulsen, zelfs die, welke schijnbaar onwaardig zijn, en verhinderden ze kwaad uit te richten door er kanalen voor te openen, waarin, op speciale dagen en bij speciale godsdienstige plechtigheden, het te veel aan energie kon afgevoerd worden zonder nadeel te berokkenen. Plutarchus, de laatste en meest invloedrijke van de Grieksche moralisten zegt terecht, als hij feesten bepleit (in zijn verhandeling “On the Training of Children”), dat wij “zelfs bij bogen en harpen de snaren los maken, om ze weer opnieuw te kunnen spannen”. Seneca, misschien de invloedrijkste van de Romeinsche, zoo niet van de Europeesche moralisten, raadde zelfs dronkenschap nu en dan aan. “Soms”, schreef hij in zijnde Tranquillitate, “moesten we zelfs komen tot den toestand van bedwelming, niet om ons in den wijn te verdrinken, maar om er diep in onder te duiken. Want hij vaagt zorgen weg en heft onzen geest op uit de diepste diepten. De uitvinder van den wijn wordtLibergenoemd, omdat hij de ziel van de dienstbaarheid der zorgen bevrijdt, ze verlost uit de slavernij, ze aanvuurt, en ze sterker maakt voor alle ondernemingen”. De Romeinen waren een strenger en ernstiger volk dan de Grieken, maar juist om die reden erkenden zij de noodzakelijkheid, nu en dan aan hun moreele krachten den vrijen loop te laten, om hun veerkracht te behouden, en moedigden zij het houden van feesten aan, die door veel meer vrijheid waren gekenmerkt dan die van de Grieken. Toen deze feesten hun moreele sanctie begonnen te verliezen en in verval geraakten, was de achteruitgang van Rome begonnen.Over de geheele wereld, de meest primitieve natuurvolken niet uitgesloten—want zelfs het leven der natuurvolken is opgebouwd op systematische beperkingen, die soms behoefte hebben aan ontspanning—wordt het principe van de orgie erkend en aangenomen. Zoo beschrijven Spencer en Gillen5de Nathagura of vuurceremonie van den stam der Warramunga in Centraal-Australië, een feest, waaraan door beide seksen wordt deelgenomen, waarbij al de gewone regels van het maatschappelijk leven verbroken worden, een soort van Saturnalia, waarbij er echter geen sexueele vrijheid is, want sexueele vrijheid is, we behoeven het nauwelijkste zeggen, geen essentieel deel van de orgie, zelfs als de orgie den last der sexueele beperkingen verlicht. In een geheel ander deel van de wereld, in Britsch Columbië, geloofden de Salische Indianen, volgens Hill Tout6, dat, lang voordat de blanken kwamen, hun voorouders een Sabbath of zevende-dagfeest in acht namen om te dansen en te bidden, waartoe men bijeenkwam bij het opgaan der zon en danste tot den namiddag. De Sabbath of periodiek terugkeerende orgie,—niet een dag van druk en beperking maar een vreugdefeest, een rust van al de plichten van het dagelijksch leven,—heeft, zooals we weten, een hoofdrol gespeeld in vele van de oude geordende beschavingen, waarop de onze opgebouwd is7; het is zeer waarschijnlijk, dat de duurzaamheid van deze oude beschavingen nauw verbonden was met hun erkenning van de behoefte aan een Sabbath-orgie. Zulke feesten zijn werkelijk, zooals Crawley opmerkt, processen van reiniging en krachtshernieuwing, pogingen, “den ouden mensch” af te leggen en “den nieuwen mensch” aan te trekken, om met nieuwe energie den weg van het dagelijksch leven weder te betreden8,De orgie is een instelling, die haar beteekenis geenszins alleen voor het verleden heeft. Integendeel eischen de hooge druk, de starre routine, de grauwe eentonigheid van het moderne leven dringend oogenblikken van organische verlichting, hoewel de juiste vorm, die die orgiastische verlichting aanneemt, noodzakelijk veranderen moet met andere maatschappelijke veranderingen. Zooals Wilhelm von Humboldt zeide, “evenals de menschen lijden noodig hebben om sterk te worden, zoo hebben zij vreugde noodig om goed te worden”. Charles Wagner, die in later tijd (in zijnJeunesse) aandringt op dezelfde behoefte in ons moderne leven betreurt het, dat het dansen op de oude, vrije, en natuurlijke wijze uit de mode geraakt, of ongezond geworden is. Dansen is inderdaad de meest fundamenteele en primitieve vorm van de orgie, en degene, die het volkomenst en gezondst zijn roeping vervult. Want, terwijlhet ongetwijfeld, zooals we onder de dieren zien, een proces is, waardoor sexueele tumescentie veroorzaakt wordt, is het brandpunt ervan geenszins noodzakelijk sexueele detumescentie, maar het kan zelfs een detumesceerende ontlading worden van opgezamelde spanning. Om deze reden was het, dat, ten minste in vroeger dagen, de geestelijkheid in Spanje, op moreele gronden, openlijk den nationalen hartstocht voor het dansen aanmoedigde. Onder beschaafde volken van de nieuwere tijden, begint de orgie meer en meer een vorm aan te nemen, die alleen op de hersenen werkt, die minder gezond is, omdat ze niet leidt tot harmonieuze ontlading langs motorische kanalen. In deze betrekkelijk passieve vormen echter, begint de orgie steeds duidelijker naar voren te treden. Het beroemde gezegde van Aristoteles over de functie van de tragedie als een “reiniging” schijnt een erkenning te zijn van de weldadige gevolgen van de orgie9. Wagner’s muziekdrama’s beroepen zich machtig op deze behoefte; het tooneel, nu evenals altijd, vervult een groot werk van dezelfde soort, geërfd uit de oude dagen, toen het de geordende uitdrukking was van een sexueel feest10. Het tooneel begint inderdaad, in den tegenwoordigen tijd meer en meer van belang te worden en te naderen tot de meer ernstige dramatische opvoeringen uit de klassieke dagen, doordat het verplaatst is naar het daglicht en naar de open lucht. Voornamelijk Frankrijk heeft het initiatief genomen tot deze opvoeringen, die een zekere analogie vertoonen met de Dionysische feesten van de oudheid en de mysterie- en moraliteitsspelen van de middeleeuwen. De beweging begon eenige jaren geleden in Oranje. In 1907 waren er in Frankrijk al dertig openluchttooneelen (“Théâtres de la Nature”, “Théâtres du Soleil”, enz.), terwijl men voor het eerst sinds den klassieken tijd, in Marseille een openluchttooneel opgericht heeft11. In Engeland heeft de belangstelling van de bevolking zich ook verder uitgestrekt naar dramatische opvoeringen, en de kort geleden ingestelde optochten, die uitgevoerd worden en waaraan deelgenomen wordt door de bevolking van de streek, die vertoond wordt in de optocht, zijn feesten van hetzelfde karakter. In Engeland zijn echter tegenwoordig de werkelijk populaire orgiastische feesten de Bank-holidays, waarmee zich nu en dan andere feesten verbinden, zooals de “Maffekings”, enz., die dikwijls door betrekkelijk onbeteekenende nationale gebeurtenissen worden tevoorschijn geroepen, maar die toch nog voldoende zijn om orgiastische emoties op te wekken, even echt als die van de oudheid, hoewel ze schoonheid en godsdienstige wijding missen. Het is inderdaad gemakkelijk voor enghartige en strenge menschen zulke uitingen aan te zien met een meerderheidslachje, maar in de oogen van den moralist en den philosoof oefenen deze feesten een weldadigen en voorbehoedenden invloed uit. In iederen tijd van saaie en eentonige routine—en alle beschaving sluit zulk een routine in zich—worden vele natuurlijke impulsen en functies onderdrukt; zij vervallen tot uitdroging of perversie. Tegen dit gevaar zijn deze oogenblikken van vreugdevol bijeen zijn en van levensuiting noodig, oogenblikken waarin zij niet noodzakelijk hun volle werkzaamheid bereiken, maar waarin ze in alle gevalle, zooals Cyples het uitdrukt, zich bewust kunnen worden van de groote mogelijkheid van de krachten, die ze in zich dragen12.

I.De orgieDe traditioneele moraal, de godsdienst en de ingestelde conventies te zamen voeren niet alleen tot het uiterste van strenge abstinentie, maar ook tot dat van ongebonden uitspatting. Zij prediken en idealiseeren het eene, maar zij drijven hen, die er niet naar kunnen leven, tot het tegenovergestelde uiterste. In de groote eeuwen van den godsdienst gebeurt het zelfs, dat de gestrengheid van het voorschrift der abstinentie min of meer opzettelijk getemperd wordt, doordat men nu en dan uitbarstingen van losbandigheid toestaat. Zoo komt het tot de orgie, die in de middeleeuwsche dagen bloeide, en die in de ruimste beteekenis van het woord een algemeen verschijnsel is, omdat zij in iedere geordende en werkzame beschaving, die opgebouwd is op natuurlijke energieën, die door min of meer onvermijdelijke beperkingen gebonden zijn, een functie te vervullen heeft.De beschouwing van de orgie, mogen we zeggen, heft ons uit de enkel sexueele sfeer op naar een hooger en ruimer gebied, dat tot den godsdienst behoort. Het Grieksche woordorgeiahad oorspronkelijk betrekking op het uitoefenen van riten tot godsdienstige doeleinden, hoewel later, toen de dansen van de bacchanaliën en dergelijke hun heilig en inspireerend karakter verloren, het denkbeeld, dat zulke dingen immoreel waren, door het Christendom gevoed werd1. Toch was het Christendom zelf in zijn oorsprong een orgie van de hoogere geestelijke werkzaamheden, die vrij waren gemaakt van de onsympathieke slavernij der klassieke beschaving, een groot feest van de armen en de nederigen, de slaven en de zondaars. En toen met de noodzakelijkheid van ordelijke maatschappelijke organisatie het Christendom opgehouden had dit te zijn, erkende het nog, evenals het heidendom dit gedaan had, de behoefte aan een orgie nu en dan. Het blijkt dat er in 743, op een synode gehouden in Henegouwen, gewezen werd op de Februari-uitspatting (de Spurcalibus in februario) als een heidensche gewoonte; toch was het juist dit heidensche feest, dat in de door de Christelijke Kerk erkende gewoonten overging als de voornaamste orgie van het kerkjaar, het groote karnaval, dat voorafging aan de lange vasten voor Paschen. De viering van den Vastenavond-Dinsdag en den voorafgaanden Zondag vormden eenChristelijk bacchanaal, waaraan alle klassen deelnamen. De grootste vrijheid van beweging werd aangemoedigd; “sommigen loopen zonder eenige schaamte naakt, anderen kruipen op handen en voeten, sommigen op stelten, weer anderen bootsen dieren na”2. Mettertijd verloor het karnaval zijn sterkst kenmerkende trekken als bacchanaal, maar het behoudt nog zijn meest essentieele karakter als een geoorloofde tijdelijke verslapping van den druk van beperkingen en conventies, door de gewoonte opgelegd. Het middeleeuwsche losbandigheidsfeest—een brassend doorgebrachte nieuwjaarsnacht—dat van de 12deeeuw af, vooral in Frankrijk, gewoonte werd—vertoonde een duidelijk beeld van een Christelijke orgie in zijn meest uitgelaten vorm, want hier werden de heiligste kerkelijke ceremonies phantastisch geparodieerd. De kerk erkende, volgens Nietzsche, zooals alle wijze wetgevers, dat, waar groote impulsen en gewoonten moeten aangekweekt worden, er schrikkeldagen dienden ingeschoven, waarop deze impulsen en gewoonten opzij gezet kunnen worden om er zoo opnieuw naar te leeren hongeren3. De geestelijkheid nam in deze volksfeesten de leiding, want voor de menschen van dien tijd, zooals Méray opmerkte, “bood de tempel bevrediging voor de menschelijke behoeften in al hun schakeeringen; zij vonden hier onderricht in hun plichten, troost voor al hun smarten, bevrediging voor alle vreugden. De heilige feesten van het middeleeuwsch Christendom waren niet een overblijfsel uit den Romeinschen tijd; zij kwamen voort uit het hart der Christelijke maatschappij”4. Maar, geeft Méray toe, alle groote en krachtige volken van het Oosten en het Westen hebben het noodig geacht soms met hun heilige dingen te spelen.Onder de Grieken en Romeinen is deze behoefte overal zichtbaar, niet alleen in hun tooneel en hun literatuur over het algemeen, maar in het dagelijksch leven. Zooals Nietzsche naar waarheid opmerkt (in zijnGeburt der Tragödie) erkenden de Grieken alle natuurlijke impulsen, zelfs die, welke schijnbaar onwaardig zijn, en verhinderden ze kwaad uit te richten door er kanalen voor te openen, waarin, op speciale dagen en bij speciale godsdienstige plechtigheden, het te veel aan energie kon afgevoerd worden zonder nadeel te berokkenen. Plutarchus, de laatste en meest invloedrijke van de Grieksche moralisten zegt terecht, als hij feesten bepleit (in zijn verhandeling “On the Training of Children”), dat wij “zelfs bij bogen en harpen de snaren los maken, om ze weer opnieuw te kunnen spannen”. Seneca, misschien de invloedrijkste van de Romeinsche, zoo niet van de Europeesche moralisten, raadde zelfs dronkenschap nu en dan aan. “Soms”, schreef hij in zijnde Tranquillitate, “moesten we zelfs komen tot den toestand van bedwelming, niet om ons in den wijn te verdrinken, maar om er diep in onder te duiken. Want hij vaagt zorgen weg en heft onzen geest op uit de diepste diepten. De uitvinder van den wijn wordtLibergenoemd, omdat hij de ziel van de dienstbaarheid der zorgen bevrijdt, ze verlost uit de slavernij, ze aanvuurt, en ze sterker maakt voor alle ondernemingen”. De Romeinen waren een strenger en ernstiger volk dan de Grieken, maar juist om die reden erkenden zij de noodzakelijkheid, nu en dan aan hun moreele krachten den vrijen loop te laten, om hun veerkracht te behouden, en moedigden zij het houden van feesten aan, die door veel meer vrijheid waren gekenmerkt dan die van de Grieken. Toen deze feesten hun moreele sanctie begonnen te verliezen en in verval geraakten, was de achteruitgang van Rome begonnen.Over de geheele wereld, de meest primitieve natuurvolken niet uitgesloten—want zelfs het leven der natuurvolken is opgebouwd op systematische beperkingen, die soms behoefte hebben aan ontspanning—wordt het principe van de orgie erkend en aangenomen. Zoo beschrijven Spencer en Gillen5de Nathagura of vuurceremonie van den stam der Warramunga in Centraal-Australië, een feest, waaraan door beide seksen wordt deelgenomen, waarbij al de gewone regels van het maatschappelijk leven verbroken worden, een soort van Saturnalia, waarbij er echter geen sexueele vrijheid is, want sexueele vrijheid is, we behoeven het nauwelijkste zeggen, geen essentieel deel van de orgie, zelfs als de orgie den last der sexueele beperkingen verlicht. In een geheel ander deel van de wereld, in Britsch Columbië, geloofden de Salische Indianen, volgens Hill Tout6, dat, lang voordat de blanken kwamen, hun voorouders een Sabbath of zevende-dagfeest in acht namen om te dansen en te bidden, waartoe men bijeenkwam bij het opgaan der zon en danste tot den namiddag. De Sabbath of periodiek terugkeerende orgie,—niet een dag van druk en beperking maar een vreugdefeest, een rust van al de plichten van het dagelijksch leven,—heeft, zooals we weten, een hoofdrol gespeeld in vele van de oude geordende beschavingen, waarop de onze opgebouwd is7; het is zeer waarschijnlijk, dat de duurzaamheid van deze oude beschavingen nauw verbonden was met hun erkenning van de behoefte aan een Sabbath-orgie. Zulke feesten zijn werkelijk, zooals Crawley opmerkt, processen van reiniging en krachtshernieuwing, pogingen, “den ouden mensch” af te leggen en “den nieuwen mensch” aan te trekken, om met nieuwe energie den weg van het dagelijksch leven weder te betreden8,De orgie is een instelling, die haar beteekenis geenszins alleen voor het verleden heeft. Integendeel eischen de hooge druk, de starre routine, de grauwe eentonigheid van het moderne leven dringend oogenblikken van organische verlichting, hoewel de juiste vorm, die die orgiastische verlichting aanneemt, noodzakelijk veranderen moet met andere maatschappelijke veranderingen. Zooals Wilhelm von Humboldt zeide, “evenals de menschen lijden noodig hebben om sterk te worden, zoo hebben zij vreugde noodig om goed te worden”. Charles Wagner, die in later tijd (in zijnJeunesse) aandringt op dezelfde behoefte in ons moderne leven betreurt het, dat het dansen op de oude, vrije, en natuurlijke wijze uit de mode geraakt, of ongezond geworden is. Dansen is inderdaad de meest fundamenteele en primitieve vorm van de orgie, en degene, die het volkomenst en gezondst zijn roeping vervult. Want, terwijlhet ongetwijfeld, zooals we onder de dieren zien, een proces is, waardoor sexueele tumescentie veroorzaakt wordt, is het brandpunt ervan geenszins noodzakelijk sexueele detumescentie, maar het kan zelfs een detumesceerende ontlading worden van opgezamelde spanning. Om deze reden was het, dat, ten minste in vroeger dagen, de geestelijkheid in Spanje, op moreele gronden, openlijk den nationalen hartstocht voor het dansen aanmoedigde. Onder beschaafde volken van de nieuwere tijden, begint de orgie meer en meer een vorm aan te nemen, die alleen op de hersenen werkt, die minder gezond is, omdat ze niet leidt tot harmonieuze ontlading langs motorische kanalen. In deze betrekkelijk passieve vormen echter, begint de orgie steeds duidelijker naar voren te treden. Het beroemde gezegde van Aristoteles over de functie van de tragedie als een “reiniging” schijnt een erkenning te zijn van de weldadige gevolgen van de orgie9. Wagner’s muziekdrama’s beroepen zich machtig op deze behoefte; het tooneel, nu evenals altijd, vervult een groot werk van dezelfde soort, geërfd uit de oude dagen, toen het de geordende uitdrukking was van een sexueel feest10. Het tooneel begint inderdaad, in den tegenwoordigen tijd meer en meer van belang te worden en te naderen tot de meer ernstige dramatische opvoeringen uit de klassieke dagen, doordat het verplaatst is naar het daglicht en naar de open lucht. Voornamelijk Frankrijk heeft het initiatief genomen tot deze opvoeringen, die een zekere analogie vertoonen met de Dionysische feesten van de oudheid en de mysterie- en moraliteitsspelen van de middeleeuwen. De beweging begon eenige jaren geleden in Oranje. In 1907 waren er in Frankrijk al dertig openluchttooneelen (“Théâtres de la Nature”, “Théâtres du Soleil”, enz.), terwijl men voor het eerst sinds den klassieken tijd, in Marseille een openluchttooneel opgericht heeft11. In Engeland heeft de belangstelling van de bevolking zich ook verder uitgestrekt naar dramatische opvoeringen, en de kort geleden ingestelde optochten, die uitgevoerd worden en waaraan deelgenomen wordt door de bevolking van de streek, die vertoond wordt in de optocht, zijn feesten van hetzelfde karakter. In Engeland zijn echter tegenwoordig de werkelijk populaire orgiastische feesten de Bank-holidays, waarmee zich nu en dan andere feesten verbinden, zooals de “Maffekings”, enz., die dikwijls door betrekkelijk onbeteekenende nationale gebeurtenissen worden tevoorschijn geroepen, maar die toch nog voldoende zijn om orgiastische emoties op te wekken, even echt als die van de oudheid, hoewel ze schoonheid en godsdienstige wijding missen. Het is inderdaad gemakkelijk voor enghartige en strenge menschen zulke uitingen aan te zien met een meerderheidslachje, maar in de oogen van den moralist en den philosoof oefenen deze feesten een weldadigen en voorbehoedenden invloed uit. In iederen tijd van saaie en eentonige routine—en alle beschaving sluit zulk een routine in zich—worden vele natuurlijke impulsen en functies onderdrukt; zij vervallen tot uitdroging of perversie. Tegen dit gevaar zijn deze oogenblikken van vreugdevol bijeen zijn en van levensuiting noodig, oogenblikken waarin zij niet noodzakelijk hun volle werkzaamheid bereiken, maar waarin ze in alle gevalle, zooals Cyples het uitdrukt, zich bewust kunnen worden van de groote mogelijkheid van de krachten, die ze in zich dragen12.

I.De orgieDe traditioneele moraal, de godsdienst en de ingestelde conventies te zamen voeren niet alleen tot het uiterste van strenge abstinentie, maar ook tot dat van ongebonden uitspatting. Zij prediken en idealiseeren het eene, maar zij drijven hen, die er niet naar kunnen leven, tot het tegenovergestelde uiterste. In de groote eeuwen van den godsdienst gebeurt het zelfs, dat de gestrengheid van het voorschrift der abstinentie min of meer opzettelijk getemperd wordt, doordat men nu en dan uitbarstingen van losbandigheid toestaat. Zoo komt het tot de orgie, die in de middeleeuwsche dagen bloeide, en die in de ruimste beteekenis van het woord een algemeen verschijnsel is, omdat zij in iedere geordende en werkzame beschaving, die opgebouwd is op natuurlijke energieën, die door min of meer onvermijdelijke beperkingen gebonden zijn, een functie te vervullen heeft.De beschouwing van de orgie, mogen we zeggen, heft ons uit de enkel sexueele sfeer op naar een hooger en ruimer gebied, dat tot den godsdienst behoort. Het Grieksche woordorgeiahad oorspronkelijk betrekking op het uitoefenen van riten tot godsdienstige doeleinden, hoewel later, toen de dansen van de bacchanaliën en dergelijke hun heilig en inspireerend karakter verloren, het denkbeeld, dat zulke dingen immoreel waren, door het Christendom gevoed werd1. Toch was het Christendom zelf in zijn oorsprong een orgie van de hoogere geestelijke werkzaamheden, die vrij waren gemaakt van de onsympathieke slavernij der klassieke beschaving, een groot feest van de armen en de nederigen, de slaven en de zondaars. En toen met de noodzakelijkheid van ordelijke maatschappelijke organisatie het Christendom opgehouden had dit te zijn, erkende het nog, evenals het heidendom dit gedaan had, de behoefte aan een orgie nu en dan. Het blijkt dat er in 743, op een synode gehouden in Henegouwen, gewezen werd op de Februari-uitspatting (de Spurcalibus in februario) als een heidensche gewoonte; toch was het juist dit heidensche feest, dat in de door de Christelijke Kerk erkende gewoonten overging als de voornaamste orgie van het kerkjaar, het groote karnaval, dat voorafging aan de lange vasten voor Paschen. De viering van den Vastenavond-Dinsdag en den voorafgaanden Zondag vormden eenChristelijk bacchanaal, waaraan alle klassen deelnamen. De grootste vrijheid van beweging werd aangemoedigd; “sommigen loopen zonder eenige schaamte naakt, anderen kruipen op handen en voeten, sommigen op stelten, weer anderen bootsen dieren na”2. Mettertijd verloor het karnaval zijn sterkst kenmerkende trekken als bacchanaal, maar het behoudt nog zijn meest essentieele karakter als een geoorloofde tijdelijke verslapping van den druk van beperkingen en conventies, door de gewoonte opgelegd. Het middeleeuwsche losbandigheidsfeest—een brassend doorgebrachte nieuwjaarsnacht—dat van de 12deeeuw af, vooral in Frankrijk, gewoonte werd—vertoonde een duidelijk beeld van een Christelijke orgie in zijn meest uitgelaten vorm, want hier werden de heiligste kerkelijke ceremonies phantastisch geparodieerd. De kerk erkende, volgens Nietzsche, zooals alle wijze wetgevers, dat, waar groote impulsen en gewoonten moeten aangekweekt worden, er schrikkeldagen dienden ingeschoven, waarop deze impulsen en gewoonten opzij gezet kunnen worden om er zoo opnieuw naar te leeren hongeren3. De geestelijkheid nam in deze volksfeesten de leiding, want voor de menschen van dien tijd, zooals Méray opmerkte, “bood de tempel bevrediging voor de menschelijke behoeften in al hun schakeeringen; zij vonden hier onderricht in hun plichten, troost voor al hun smarten, bevrediging voor alle vreugden. De heilige feesten van het middeleeuwsch Christendom waren niet een overblijfsel uit den Romeinschen tijd; zij kwamen voort uit het hart der Christelijke maatschappij”4. Maar, geeft Méray toe, alle groote en krachtige volken van het Oosten en het Westen hebben het noodig geacht soms met hun heilige dingen te spelen.Onder de Grieken en Romeinen is deze behoefte overal zichtbaar, niet alleen in hun tooneel en hun literatuur over het algemeen, maar in het dagelijksch leven. Zooals Nietzsche naar waarheid opmerkt (in zijnGeburt der Tragödie) erkenden de Grieken alle natuurlijke impulsen, zelfs die, welke schijnbaar onwaardig zijn, en verhinderden ze kwaad uit te richten door er kanalen voor te openen, waarin, op speciale dagen en bij speciale godsdienstige plechtigheden, het te veel aan energie kon afgevoerd worden zonder nadeel te berokkenen. Plutarchus, de laatste en meest invloedrijke van de Grieksche moralisten zegt terecht, als hij feesten bepleit (in zijn verhandeling “On the Training of Children”), dat wij “zelfs bij bogen en harpen de snaren los maken, om ze weer opnieuw te kunnen spannen”. Seneca, misschien de invloedrijkste van de Romeinsche, zoo niet van de Europeesche moralisten, raadde zelfs dronkenschap nu en dan aan. “Soms”, schreef hij in zijnde Tranquillitate, “moesten we zelfs komen tot den toestand van bedwelming, niet om ons in den wijn te verdrinken, maar om er diep in onder te duiken. Want hij vaagt zorgen weg en heft onzen geest op uit de diepste diepten. De uitvinder van den wijn wordtLibergenoemd, omdat hij de ziel van de dienstbaarheid der zorgen bevrijdt, ze verlost uit de slavernij, ze aanvuurt, en ze sterker maakt voor alle ondernemingen”. De Romeinen waren een strenger en ernstiger volk dan de Grieken, maar juist om die reden erkenden zij de noodzakelijkheid, nu en dan aan hun moreele krachten den vrijen loop te laten, om hun veerkracht te behouden, en moedigden zij het houden van feesten aan, die door veel meer vrijheid waren gekenmerkt dan die van de Grieken. Toen deze feesten hun moreele sanctie begonnen te verliezen en in verval geraakten, was de achteruitgang van Rome begonnen.Over de geheele wereld, de meest primitieve natuurvolken niet uitgesloten—want zelfs het leven der natuurvolken is opgebouwd op systematische beperkingen, die soms behoefte hebben aan ontspanning—wordt het principe van de orgie erkend en aangenomen. Zoo beschrijven Spencer en Gillen5de Nathagura of vuurceremonie van den stam der Warramunga in Centraal-Australië, een feest, waaraan door beide seksen wordt deelgenomen, waarbij al de gewone regels van het maatschappelijk leven verbroken worden, een soort van Saturnalia, waarbij er echter geen sexueele vrijheid is, want sexueele vrijheid is, we behoeven het nauwelijkste zeggen, geen essentieel deel van de orgie, zelfs als de orgie den last der sexueele beperkingen verlicht. In een geheel ander deel van de wereld, in Britsch Columbië, geloofden de Salische Indianen, volgens Hill Tout6, dat, lang voordat de blanken kwamen, hun voorouders een Sabbath of zevende-dagfeest in acht namen om te dansen en te bidden, waartoe men bijeenkwam bij het opgaan der zon en danste tot den namiddag. De Sabbath of periodiek terugkeerende orgie,—niet een dag van druk en beperking maar een vreugdefeest, een rust van al de plichten van het dagelijksch leven,—heeft, zooals we weten, een hoofdrol gespeeld in vele van de oude geordende beschavingen, waarop de onze opgebouwd is7; het is zeer waarschijnlijk, dat de duurzaamheid van deze oude beschavingen nauw verbonden was met hun erkenning van de behoefte aan een Sabbath-orgie. Zulke feesten zijn werkelijk, zooals Crawley opmerkt, processen van reiniging en krachtshernieuwing, pogingen, “den ouden mensch” af te leggen en “den nieuwen mensch” aan te trekken, om met nieuwe energie den weg van het dagelijksch leven weder te betreden8,De orgie is een instelling, die haar beteekenis geenszins alleen voor het verleden heeft. Integendeel eischen de hooge druk, de starre routine, de grauwe eentonigheid van het moderne leven dringend oogenblikken van organische verlichting, hoewel de juiste vorm, die die orgiastische verlichting aanneemt, noodzakelijk veranderen moet met andere maatschappelijke veranderingen. Zooals Wilhelm von Humboldt zeide, “evenals de menschen lijden noodig hebben om sterk te worden, zoo hebben zij vreugde noodig om goed te worden”. Charles Wagner, die in later tijd (in zijnJeunesse) aandringt op dezelfde behoefte in ons moderne leven betreurt het, dat het dansen op de oude, vrije, en natuurlijke wijze uit de mode geraakt, of ongezond geworden is. Dansen is inderdaad de meest fundamenteele en primitieve vorm van de orgie, en degene, die het volkomenst en gezondst zijn roeping vervult. Want, terwijlhet ongetwijfeld, zooals we onder de dieren zien, een proces is, waardoor sexueele tumescentie veroorzaakt wordt, is het brandpunt ervan geenszins noodzakelijk sexueele detumescentie, maar het kan zelfs een detumesceerende ontlading worden van opgezamelde spanning. Om deze reden was het, dat, ten minste in vroeger dagen, de geestelijkheid in Spanje, op moreele gronden, openlijk den nationalen hartstocht voor het dansen aanmoedigde. Onder beschaafde volken van de nieuwere tijden, begint de orgie meer en meer een vorm aan te nemen, die alleen op de hersenen werkt, die minder gezond is, omdat ze niet leidt tot harmonieuze ontlading langs motorische kanalen. In deze betrekkelijk passieve vormen echter, begint de orgie steeds duidelijker naar voren te treden. Het beroemde gezegde van Aristoteles over de functie van de tragedie als een “reiniging” schijnt een erkenning te zijn van de weldadige gevolgen van de orgie9. Wagner’s muziekdrama’s beroepen zich machtig op deze behoefte; het tooneel, nu evenals altijd, vervult een groot werk van dezelfde soort, geërfd uit de oude dagen, toen het de geordende uitdrukking was van een sexueel feest10. Het tooneel begint inderdaad, in den tegenwoordigen tijd meer en meer van belang te worden en te naderen tot de meer ernstige dramatische opvoeringen uit de klassieke dagen, doordat het verplaatst is naar het daglicht en naar de open lucht. Voornamelijk Frankrijk heeft het initiatief genomen tot deze opvoeringen, die een zekere analogie vertoonen met de Dionysische feesten van de oudheid en de mysterie- en moraliteitsspelen van de middeleeuwen. De beweging begon eenige jaren geleden in Oranje. In 1907 waren er in Frankrijk al dertig openluchttooneelen (“Théâtres de la Nature”, “Théâtres du Soleil”, enz.), terwijl men voor het eerst sinds den klassieken tijd, in Marseille een openluchttooneel opgericht heeft11. In Engeland heeft de belangstelling van de bevolking zich ook verder uitgestrekt naar dramatische opvoeringen, en de kort geleden ingestelde optochten, die uitgevoerd worden en waaraan deelgenomen wordt door de bevolking van de streek, die vertoond wordt in de optocht, zijn feesten van hetzelfde karakter. In Engeland zijn echter tegenwoordig de werkelijk populaire orgiastische feesten de Bank-holidays, waarmee zich nu en dan andere feesten verbinden, zooals de “Maffekings”, enz., die dikwijls door betrekkelijk onbeteekenende nationale gebeurtenissen worden tevoorschijn geroepen, maar die toch nog voldoende zijn om orgiastische emoties op te wekken, even echt als die van de oudheid, hoewel ze schoonheid en godsdienstige wijding missen. Het is inderdaad gemakkelijk voor enghartige en strenge menschen zulke uitingen aan te zien met een meerderheidslachje, maar in de oogen van den moralist en den philosoof oefenen deze feesten een weldadigen en voorbehoedenden invloed uit. In iederen tijd van saaie en eentonige routine—en alle beschaving sluit zulk een routine in zich—worden vele natuurlijke impulsen en functies onderdrukt; zij vervallen tot uitdroging of perversie. Tegen dit gevaar zijn deze oogenblikken van vreugdevol bijeen zijn en van levensuiting noodig, oogenblikken waarin zij niet noodzakelijk hun volle werkzaamheid bereiken, maar waarin ze in alle gevalle, zooals Cyples het uitdrukt, zich bewust kunnen worden van de groote mogelijkheid van de krachten, die ze in zich dragen12.

I.De orgieDe traditioneele moraal, de godsdienst en de ingestelde conventies te zamen voeren niet alleen tot het uiterste van strenge abstinentie, maar ook tot dat van ongebonden uitspatting. Zij prediken en idealiseeren het eene, maar zij drijven hen, die er niet naar kunnen leven, tot het tegenovergestelde uiterste. In de groote eeuwen van den godsdienst gebeurt het zelfs, dat de gestrengheid van het voorschrift der abstinentie min of meer opzettelijk getemperd wordt, doordat men nu en dan uitbarstingen van losbandigheid toestaat. Zoo komt het tot de orgie, die in de middeleeuwsche dagen bloeide, en die in de ruimste beteekenis van het woord een algemeen verschijnsel is, omdat zij in iedere geordende en werkzame beschaving, die opgebouwd is op natuurlijke energieën, die door min of meer onvermijdelijke beperkingen gebonden zijn, een functie te vervullen heeft.De beschouwing van de orgie, mogen we zeggen, heft ons uit de enkel sexueele sfeer op naar een hooger en ruimer gebied, dat tot den godsdienst behoort. Het Grieksche woordorgeiahad oorspronkelijk betrekking op het uitoefenen van riten tot godsdienstige doeleinden, hoewel later, toen de dansen van de bacchanaliën en dergelijke hun heilig en inspireerend karakter verloren, het denkbeeld, dat zulke dingen immoreel waren, door het Christendom gevoed werd1. Toch was het Christendom zelf in zijn oorsprong een orgie van de hoogere geestelijke werkzaamheden, die vrij waren gemaakt van de onsympathieke slavernij der klassieke beschaving, een groot feest van de armen en de nederigen, de slaven en de zondaars. En toen met de noodzakelijkheid van ordelijke maatschappelijke organisatie het Christendom opgehouden had dit te zijn, erkende het nog, evenals het heidendom dit gedaan had, de behoefte aan een orgie nu en dan. Het blijkt dat er in 743, op een synode gehouden in Henegouwen, gewezen werd op de Februari-uitspatting (de Spurcalibus in februario) als een heidensche gewoonte; toch was het juist dit heidensche feest, dat in de door de Christelijke Kerk erkende gewoonten overging als de voornaamste orgie van het kerkjaar, het groote karnaval, dat voorafging aan de lange vasten voor Paschen. De viering van den Vastenavond-Dinsdag en den voorafgaanden Zondag vormden eenChristelijk bacchanaal, waaraan alle klassen deelnamen. De grootste vrijheid van beweging werd aangemoedigd; “sommigen loopen zonder eenige schaamte naakt, anderen kruipen op handen en voeten, sommigen op stelten, weer anderen bootsen dieren na”2. Mettertijd verloor het karnaval zijn sterkst kenmerkende trekken als bacchanaal, maar het behoudt nog zijn meest essentieele karakter als een geoorloofde tijdelijke verslapping van den druk van beperkingen en conventies, door de gewoonte opgelegd. Het middeleeuwsche losbandigheidsfeest—een brassend doorgebrachte nieuwjaarsnacht—dat van de 12deeeuw af, vooral in Frankrijk, gewoonte werd—vertoonde een duidelijk beeld van een Christelijke orgie in zijn meest uitgelaten vorm, want hier werden de heiligste kerkelijke ceremonies phantastisch geparodieerd. De kerk erkende, volgens Nietzsche, zooals alle wijze wetgevers, dat, waar groote impulsen en gewoonten moeten aangekweekt worden, er schrikkeldagen dienden ingeschoven, waarop deze impulsen en gewoonten opzij gezet kunnen worden om er zoo opnieuw naar te leeren hongeren3. De geestelijkheid nam in deze volksfeesten de leiding, want voor de menschen van dien tijd, zooals Méray opmerkte, “bood de tempel bevrediging voor de menschelijke behoeften in al hun schakeeringen; zij vonden hier onderricht in hun plichten, troost voor al hun smarten, bevrediging voor alle vreugden. De heilige feesten van het middeleeuwsch Christendom waren niet een overblijfsel uit den Romeinschen tijd; zij kwamen voort uit het hart der Christelijke maatschappij”4. Maar, geeft Méray toe, alle groote en krachtige volken van het Oosten en het Westen hebben het noodig geacht soms met hun heilige dingen te spelen.Onder de Grieken en Romeinen is deze behoefte overal zichtbaar, niet alleen in hun tooneel en hun literatuur over het algemeen, maar in het dagelijksch leven. Zooals Nietzsche naar waarheid opmerkt (in zijnGeburt der Tragödie) erkenden de Grieken alle natuurlijke impulsen, zelfs die, welke schijnbaar onwaardig zijn, en verhinderden ze kwaad uit te richten door er kanalen voor te openen, waarin, op speciale dagen en bij speciale godsdienstige plechtigheden, het te veel aan energie kon afgevoerd worden zonder nadeel te berokkenen. Plutarchus, de laatste en meest invloedrijke van de Grieksche moralisten zegt terecht, als hij feesten bepleit (in zijn verhandeling “On the Training of Children”), dat wij “zelfs bij bogen en harpen de snaren los maken, om ze weer opnieuw te kunnen spannen”. Seneca, misschien de invloedrijkste van de Romeinsche, zoo niet van de Europeesche moralisten, raadde zelfs dronkenschap nu en dan aan. “Soms”, schreef hij in zijnde Tranquillitate, “moesten we zelfs komen tot den toestand van bedwelming, niet om ons in den wijn te verdrinken, maar om er diep in onder te duiken. Want hij vaagt zorgen weg en heft onzen geest op uit de diepste diepten. De uitvinder van den wijn wordtLibergenoemd, omdat hij de ziel van de dienstbaarheid der zorgen bevrijdt, ze verlost uit de slavernij, ze aanvuurt, en ze sterker maakt voor alle ondernemingen”. De Romeinen waren een strenger en ernstiger volk dan de Grieken, maar juist om die reden erkenden zij de noodzakelijkheid, nu en dan aan hun moreele krachten den vrijen loop te laten, om hun veerkracht te behouden, en moedigden zij het houden van feesten aan, die door veel meer vrijheid waren gekenmerkt dan die van de Grieken. Toen deze feesten hun moreele sanctie begonnen te verliezen en in verval geraakten, was de achteruitgang van Rome begonnen.Over de geheele wereld, de meest primitieve natuurvolken niet uitgesloten—want zelfs het leven der natuurvolken is opgebouwd op systematische beperkingen, die soms behoefte hebben aan ontspanning—wordt het principe van de orgie erkend en aangenomen. Zoo beschrijven Spencer en Gillen5de Nathagura of vuurceremonie van den stam der Warramunga in Centraal-Australië, een feest, waaraan door beide seksen wordt deelgenomen, waarbij al de gewone regels van het maatschappelijk leven verbroken worden, een soort van Saturnalia, waarbij er echter geen sexueele vrijheid is, want sexueele vrijheid is, we behoeven het nauwelijkste zeggen, geen essentieel deel van de orgie, zelfs als de orgie den last der sexueele beperkingen verlicht. In een geheel ander deel van de wereld, in Britsch Columbië, geloofden de Salische Indianen, volgens Hill Tout6, dat, lang voordat de blanken kwamen, hun voorouders een Sabbath of zevende-dagfeest in acht namen om te dansen en te bidden, waartoe men bijeenkwam bij het opgaan der zon en danste tot den namiddag. De Sabbath of periodiek terugkeerende orgie,—niet een dag van druk en beperking maar een vreugdefeest, een rust van al de plichten van het dagelijksch leven,—heeft, zooals we weten, een hoofdrol gespeeld in vele van de oude geordende beschavingen, waarop de onze opgebouwd is7; het is zeer waarschijnlijk, dat de duurzaamheid van deze oude beschavingen nauw verbonden was met hun erkenning van de behoefte aan een Sabbath-orgie. Zulke feesten zijn werkelijk, zooals Crawley opmerkt, processen van reiniging en krachtshernieuwing, pogingen, “den ouden mensch” af te leggen en “den nieuwen mensch” aan te trekken, om met nieuwe energie den weg van het dagelijksch leven weder te betreden8,De orgie is een instelling, die haar beteekenis geenszins alleen voor het verleden heeft. Integendeel eischen de hooge druk, de starre routine, de grauwe eentonigheid van het moderne leven dringend oogenblikken van organische verlichting, hoewel de juiste vorm, die die orgiastische verlichting aanneemt, noodzakelijk veranderen moet met andere maatschappelijke veranderingen. Zooals Wilhelm von Humboldt zeide, “evenals de menschen lijden noodig hebben om sterk te worden, zoo hebben zij vreugde noodig om goed te worden”. Charles Wagner, die in later tijd (in zijnJeunesse) aandringt op dezelfde behoefte in ons moderne leven betreurt het, dat het dansen op de oude, vrije, en natuurlijke wijze uit de mode geraakt, of ongezond geworden is. Dansen is inderdaad de meest fundamenteele en primitieve vorm van de orgie, en degene, die het volkomenst en gezondst zijn roeping vervult. Want, terwijlhet ongetwijfeld, zooals we onder de dieren zien, een proces is, waardoor sexueele tumescentie veroorzaakt wordt, is het brandpunt ervan geenszins noodzakelijk sexueele detumescentie, maar het kan zelfs een detumesceerende ontlading worden van opgezamelde spanning. Om deze reden was het, dat, ten minste in vroeger dagen, de geestelijkheid in Spanje, op moreele gronden, openlijk den nationalen hartstocht voor het dansen aanmoedigde. Onder beschaafde volken van de nieuwere tijden, begint de orgie meer en meer een vorm aan te nemen, die alleen op de hersenen werkt, die minder gezond is, omdat ze niet leidt tot harmonieuze ontlading langs motorische kanalen. In deze betrekkelijk passieve vormen echter, begint de orgie steeds duidelijker naar voren te treden. Het beroemde gezegde van Aristoteles over de functie van de tragedie als een “reiniging” schijnt een erkenning te zijn van de weldadige gevolgen van de orgie9. Wagner’s muziekdrama’s beroepen zich machtig op deze behoefte; het tooneel, nu evenals altijd, vervult een groot werk van dezelfde soort, geërfd uit de oude dagen, toen het de geordende uitdrukking was van een sexueel feest10. Het tooneel begint inderdaad, in den tegenwoordigen tijd meer en meer van belang te worden en te naderen tot de meer ernstige dramatische opvoeringen uit de klassieke dagen, doordat het verplaatst is naar het daglicht en naar de open lucht. Voornamelijk Frankrijk heeft het initiatief genomen tot deze opvoeringen, die een zekere analogie vertoonen met de Dionysische feesten van de oudheid en de mysterie- en moraliteitsspelen van de middeleeuwen. De beweging begon eenige jaren geleden in Oranje. In 1907 waren er in Frankrijk al dertig openluchttooneelen (“Théâtres de la Nature”, “Théâtres du Soleil”, enz.), terwijl men voor het eerst sinds den klassieken tijd, in Marseille een openluchttooneel opgericht heeft11. In Engeland heeft de belangstelling van de bevolking zich ook verder uitgestrekt naar dramatische opvoeringen, en de kort geleden ingestelde optochten, die uitgevoerd worden en waaraan deelgenomen wordt door de bevolking van de streek, die vertoond wordt in de optocht, zijn feesten van hetzelfde karakter. In Engeland zijn echter tegenwoordig de werkelijk populaire orgiastische feesten de Bank-holidays, waarmee zich nu en dan andere feesten verbinden, zooals de “Maffekings”, enz., die dikwijls door betrekkelijk onbeteekenende nationale gebeurtenissen worden tevoorschijn geroepen, maar die toch nog voldoende zijn om orgiastische emoties op te wekken, even echt als die van de oudheid, hoewel ze schoonheid en godsdienstige wijding missen. Het is inderdaad gemakkelijk voor enghartige en strenge menschen zulke uitingen aan te zien met een meerderheidslachje, maar in de oogen van den moralist en den philosoof oefenen deze feesten een weldadigen en voorbehoedenden invloed uit. In iederen tijd van saaie en eentonige routine—en alle beschaving sluit zulk een routine in zich—worden vele natuurlijke impulsen en functies onderdrukt; zij vervallen tot uitdroging of perversie. Tegen dit gevaar zijn deze oogenblikken van vreugdevol bijeen zijn en van levensuiting noodig, oogenblikken waarin zij niet noodzakelijk hun volle werkzaamheid bereiken, maar waarin ze in alle gevalle, zooals Cyples het uitdrukt, zich bewust kunnen worden van de groote mogelijkheid van de krachten, die ze in zich dragen12.

I.De orgie

De traditioneele moraal, de godsdienst en de ingestelde conventies te zamen voeren niet alleen tot het uiterste van strenge abstinentie, maar ook tot dat van ongebonden uitspatting. Zij prediken en idealiseeren het eene, maar zij drijven hen, die er niet naar kunnen leven, tot het tegenovergestelde uiterste. In de groote eeuwen van den godsdienst gebeurt het zelfs, dat de gestrengheid van het voorschrift der abstinentie min of meer opzettelijk getemperd wordt, doordat men nu en dan uitbarstingen van losbandigheid toestaat. Zoo komt het tot de orgie, die in de middeleeuwsche dagen bloeide, en die in de ruimste beteekenis van het woord een algemeen verschijnsel is, omdat zij in iedere geordende en werkzame beschaving, die opgebouwd is op natuurlijke energieën, die door min of meer onvermijdelijke beperkingen gebonden zijn, een functie te vervullen heeft.De beschouwing van de orgie, mogen we zeggen, heft ons uit de enkel sexueele sfeer op naar een hooger en ruimer gebied, dat tot den godsdienst behoort. Het Grieksche woordorgeiahad oorspronkelijk betrekking op het uitoefenen van riten tot godsdienstige doeleinden, hoewel later, toen de dansen van de bacchanaliën en dergelijke hun heilig en inspireerend karakter verloren, het denkbeeld, dat zulke dingen immoreel waren, door het Christendom gevoed werd1. Toch was het Christendom zelf in zijn oorsprong een orgie van de hoogere geestelijke werkzaamheden, die vrij waren gemaakt van de onsympathieke slavernij der klassieke beschaving, een groot feest van de armen en de nederigen, de slaven en de zondaars. En toen met de noodzakelijkheid van ordelijke maatschappelijke organisatie het Christendom opgehouden had dit te zijn, erkende het nog, evenals het heidendom dit gedaan had, de behoefte aan een orgie nu en dan. Het blijkt dat er in 743, op een synode gehouden in Henegouwen, gewezen werd op de Februari-uitspatting (de Spurcalibus in februario) als een heidensche gewoonte; toch was het juist dit heidensche feest, dat in de door de Christelijke Kerk erkende gewoonten overging als de voornaamste orgie van het kerkjaar, het groote karnaval, dat voorafging aan de lange vasten voor Paschen. De viering van den Vastenavond-Dinsdag en den voorafgaanden Zondag vormden eenChristelijk bacchanaal, waaraan alle klassen deelnamen. De grootste vrijheid van beweging werd aangemoedigd; “sommigen loopen zonder eenige schaamte naakt, anderen kruipen op handen en voeten, sommigen op stelten, weer anderen bootsen dieren na”2. Mettertijd verloor het karnaval zijn sterkst kenmerkende trekken als bacchanaal, maar het behoudt nog zijn meest essentieele karakter als een geoorloofde tijdelijke verslapping van den druk van beperkingen en conventies, door de gewoonte opgelegd. Het middeleeuwsche losbandigheidsfeest—een brassend doorgebrachte nieuwjaarsnacht—dat van de 12deeeuw af, vooral in Frankrijk, gewoonte werd—vertoonde een duidelijk beeld van een Christelijke orgie in zijn meest uitgelaten vorm, want hier werden de heiligste kerkelijke ceremonies phantastisch geparodieerd. De kerk erkende, volgens Nietzsche, zooals alle wijze wetgevers, dat, waar groote impulsen en gewoonten moeten aangekweekt worden, er schrikkeldagen dienden ingeschoven, waarop deze impulsen en gewoonten opzij gezet kunnen worden om er zoo opnieuw naar te leeren hongeren3. De geestelijkheid nam in deze volksfeesten de leiding, want voor de menschen van dien tijd, zooals Méray opmerkte, “bood de tempel bevrediging voor de menschelijke behoeften in al hun schakeeringen; zij vonden hier onderricht in hun plichten, troost voor al hun smarten, bevrediging voor alle vreugden. De heilige feesten van het middeleeuwsch Christendom waren niet een overblijfsel uit den Romeinschen tijd; zij kwamen voort uit het hart der Christelijke maatschappij”4. Maar, geeft Méray toe, alle groote en krachtige volken van het Oosten en het Westen hebben het noodig geacht soms met hun heilige dingen te spelen.Onder de Grieken en Romeinen is deze behoefte overal zichtbaar, niet alleen in hun tooneel en hun literatuur over het algemeen, maar in het dagelijksch leven. Zooals Nietzsche naar waarheid opmerkt (in zijnGeburt der Tragödie) erkenden de Grieken alle natuurlijke impulsen, zelfs die, welke schijnbaar onwaardig zijn, en verhinderden ze kwaad uit te richten door er kanalen voor te openen, waarin, op speciale dagen en bij speciale godsdienstige plechtigheden, het te veel aan energie kon afgevoerd worden zonder nadeel te berokkenen. Plutarchus, de laatste en meest invloedrijke van de Grieksche moralisten zegt terecht, als hij feesten bepleit (in zijn verhandeling “On the Training of Children”), dat wij “zelfs bij bogen en harpen de snaren los maken, om ze weer opnieuw te kunnen spannen”. Seneca, misschien de invloedrijkste van de Romeinsche, zoo niet van de Europeesche moralisten, raadde zelfs dronkenschap nu en dan aan. “Soms”, schreef hij in zijnde Tranquillitate, “moesten we zelfs komen tot den toestand van bedwelming, niet om ons in den wijn te verdrinken, maar om er diep in onder te duiken. Want hij vaagt zorgen weg en heft onzen geest op uit de diepste diepten. De uitvinder van den wijn wordtLibergenoemd, omdat hij de ziel van de dienstbaarheid der zorgen bevrijdt, ze verlost uit de slavernij, ze aanvuurt, en ze sterker maakt voor alle ondernemingen”. De Romeinen waren een strenger en ernstiger volk dan de Grieken, maar juist om die reden erkenden zij de noodzakelijkheid, nu en dan aan hun moreele krachten den vrijen loop te laten, om hun veerkracht te behouden, en moedigden zij het houden van feesten aan, die door veel meer vrijheid waren gekenmerkt dan die van de Grieken. Toen deze feesten hun moreele sanctie begonnen te verliezen en in verval geraakten, was de achteruitgang van Rome begonnen.Over de geheele wereld, de meest primitieve natuurvolken niet uitgesloten—want zelfs het leven der natuurvolken is opgebouwd op systematische beperkingen, die soms behoefte hebben aan ontspanning—wordt het principe van de orgie erkend en aangenomen. Zoo beschrijven Spencer en Gillen5de Nathagura of vuurceremonie van den stam der Warramunga in Centraal-Australië, een feest, waaraan door beide seksen wordt deelgenomen, waarbij al de gewone regels van het maatschappelijk leven verbroken worden, een soort van Saturnalia, waarbij er echter geen sexueele vrijheid is, want sexueele vrijheid is, we behoeven het nauwelijkste zeggen, geen essentieel deel van de orgie, zelfs als de orgie den last der sexueele beperkingen verlicht. In een geheel ander deel van de wereld, in Britsch Columbië, geloofden de Salische Indianen, volgens Hill Tout6, dat, lang voordat de blanken kwamen, hun voorouders een Sabbath of zevende-dagfeest in acht namen om te dansen en te bidden, waartoe men bijeenkwam bij het opgaan der zon en danste tot den namiddag. De Sabbath of periodiek terugkeerende orgie,—niet een dag van druk en beperking maar een vreugdefeest, een rust van al de plichten van het dagelijksch leven,—heeft, zooals we weten, een hoofdrol gespeeld in vele van de oude geordende beschavingen, waarop de onze opgebouwd is7; het is zeer waarschijnlijk, dat de duurzaamheid van deze oude beschavingen nauw verbonden was met hun erkenning van de behoefte aan een Sabbath-orgie. Zulke feesten zijn werkelijk, zooals Crawley opmerkt, processen van reiniging en krachtshernieuwing, pogingen, “den ouden mensch” af te leggen en “den nieuwen mensch” aan te trekken, om met nieuwe energie den weg van het dagelijksch leven weder te betreden8,De orgie is een instelling, die haar beteekenis geenszins alleen voor het verleden heeft. Integendeel eischen de hooge druk, de starre routine, de grauwe eentonigheid van het moderne leven dringend oogenblikken van organische verlichting, hoewel de juiste vorm, die die orgiastische verlichting aanneemt, noodzakelijk veranderen moet met andere maatschappelijke veranderingen. Zooals Wilhelm von Humboldt zeide, “evenals de menschen lijden noodig hebben om sterk te worden, zoo hebben zij vreugde noodig om goed te worden”. Charles Wagner, die in later tijd (in zijnJeunesse) aandringt op dezelfde behoefte in ons moderne leven betreurt het, dat het dansen op de oude, vrije, en natuurlijke wijze uit de mode geraakt, of ongezond geworden is. Dansen is inderdaad de meest fundamenteele en primitieve vorm van de orgie, en degene, die het volkomenst en gezondst zijn roeping vervult. Want, terwijlhet ongetwijfeld, zooals we onder de dieren zien, een proces is, waardoor sexueele tumescentie veroorzaakt wordt, is het brandpunt ervan geenszins noodzakelijk sexueele detumescentie, maar het kan zelfs een detumesceerende ontlading worden van opgezamelde spanning. Om deze reden was het, dat, ten minste in vroeger dagen, de geestelijkheid in Spanje, op moreele gronden, openlijk den nationalen hartstocht voor het dansen aanmoedigde. Onder beschaafde volken van de nieuwere tijden, begint de orgie meer en meer een vorm aan te nemen, die alleen op de hersenen werkt, die minder gezond is, omdat ze niet leidt tot harmonieuze ontlading langs motorische kanalen. In deze betrekkelijk passieve vormen echter, begint de orgie steeds duidelijker naar voren te treden. Het beroemde gezegde van Aristoteles over de functie van de tragedie als een “reiniging” schijnt een erkenning te zijn van de weldadige gevolgen van de orgie9. Wagner’s muziekdrama’s beroepen zich machtig op deze behoefte; het tooneel, nu evenals altijd, vervult een groot werk van dezelfde soort, geërfd uit de oude dagen, toen het de geordende uitdrukking was van een sexueel feest10. Het tooneel begint inderdaad, in den tegenwoordigen tijd meer en meer van belang te worden en te naderen tot de meer ernstige dramatische opvoeringen uit de klassieke dagen, doordat het verplaatst is naar het daglicht en naar de open lucht. Voornamelijk Frankrijk heeft het initiatief genomen tot deze opvoeringen, die een zekere analogie vertoonen met de Dionysische feesten van de oudheid en de mysterie- en moraliteitsspelen van de middeleeuwen. De beweging begon eenige jaren geleden in Oranje. In 1907 waren er in Frankrijk al dertig openluchttooneelen (“Théâtres de la Nature”, “Théâtres du Soleil”, enz.), terwijl men voor het eerst sinds den klassieken tijd, in Marseille een openluchttooneel opgericht heeft11. In Engeland heeft de belangstelling van de bevolking zich ook verder uitgestrekt naar dramatische opvoeringen, en de kort geleden ingestelde optochten, die uitgevoerd worden en waaraan deelgenomen wordt door de bevolking van de streek, die vertoond wordt in de optocht, zijn feesten van hetzelfde karakter. In Engeland zijn echter tegenwoordig de werkelijk populaire orgiastische feesten de Bank-holidays, waarmee zich nu en dan andere feesten verbinden, zooals de “Maffekings”, enz., die dikwijls door betrekkelijk onbeteekenende nationale gebeurtenissen worden tevoorschijn geroepen, maar die toch nog voldoende zijn om orgiastische emoties op te wekken, even echt als die van de oudheid, hoewel ze schoonheid en godsdienstige wijding missen. Het is inderdaad gemakkelijk voor enghartige en strenge menschen zulke uitingen aan te zien met een meerderheidslachje, maar in de oogen van den moralist en den philosoof oefenen deze feesten een weldadigen en voorbehoedenden invloed uit. In iederen tijd van saaie en eentonige routine—en alle beschaving sluit zulk een routine in zich—worden vele natuurlijke impulsen en functies onderdrukt; zij vervallen tot uitdroging of perversie. Tegen dit gevaar zijn deze oogenblikken van vreugdevol bijeen zijn en van levensuiting noodig, oogenblikken waarin zij niet noodzakelijk hun volle werkzaamheid bereiken, maar waarin ze in alle gevalle, zooals Cyples het uitdrukt, zich bewust kunnen worden van de groote mogelijkheid van de krachten, die ze in zich dragen12.

De traditioneele moraal, de godsdienst en de ingestelde conventies te zamen voeren niet alleen tot het uiterste van strenge abstinentie, maar ook tot dat van ongebonden uitspatting. Zij prediken en idealiseeren het eene, maar zij drijven hen, die er niet naar kunnen leven, tot het tegenovergestelde uiterste. In de groote eeuwen van den godsdienst gebeurt het zelfs, dat de gestrengheid van het voorschrift der abstinentie min of meer opzettelijk getemperd wordt, doordat men nu en dan uitbarstingen van losbandigheid toestaat. Zoo komt het tot de orgie, die in de middeleeuwsche dagen bloeide, en die in de ruimste beteekenis van het woord een algemeen verschijnsel is, omdat zij in iedere geordende en werkzame beschaving, die opgebouwd is op natuurlijke energieën, die door min of meer onvermijdelijke beperkingen gebonden zijn, een functie te vervullen heeft.

De beschouwing van de orgie, mogen we zeggen, heft ons uit de enkel sexueele sfeer op naar een hooger en ruimer gebied, dat tot den godsdienst behoort. Het Grieksche woordorgeiahad oorspronkelijk betrekking op het uitoefenen van riten tot godsdienstige doeleinden, hoewel later, toen de dansen van de bacchanaliën en dergelijke hun heilig en inspireerend karakter verloren, het denkbeeld, dat zulke dingen immoreel waren, door het Christendom gevoed werd1. Toch was het Christendom zelf in zijn oorsprong een orgie van de hoogere geestelijke werkzaamheden, die vrij waren gemaakt van de onsympathieke slavernij der klassieke beschaving, een groot feest van de armen en de nederigen, de slaven en de zondaars. En toen met de noodzakelijkheid van ordelijke maatschappelijke organisatie het Christendom opgehouden had dit te zijn, erkende het nog, evenals het heidendom dit gedaan had, de behoefte aan een orgie nu en dan. Het blijkt dat er in 743, op een synode gehouden in Henegouwen, gewezen werd op de Februari-uitspatting (de Spurcalibus in februario) als een heidensche gewoonte; toch was het juist dit heidensche feest, dat in de door de Christelijke Kerk erkende gewoonten overging als de voornaamste orgie van het kerkjaar, het groote karnaval, dat voorafging aan de lange vasten voor Paschen. De viering van den Vastenavond-Dinsdag en den voorafgaanden Zondag vormden eenChristelijk bacchanaal, waaraan alle klassen deelnamen. De grootste vrijheid van beweging werd aangemoedigd; “sommigen loopen zonder eenige schaamte naakt, anderen kruipen op handen en voeten, sommigen op stelten, weer anderen bootsen dieren na”2. Mettertijd verloor het karnaval zijn sterkst kenmerkende trekken als bacchanaal, maar het behoudt nog zijn meest essentieele karakter als een geoorloofde tijdelijke verslapping van den druk van beperkingen en conventies, door de gewoonte opgelegd. Het middeleeuwsche losbandigheidsfeest—een brassend doorgebrachte nieuwjaarsnacht—dat van de 12deeeuw af, vooral in Frankrijk, gewoonte werd—vertoonde een duidelijk beeld van een Christelijke orgie in zijn meest uitgelaten vorm, want hier werden de heiligste kerkelijke ceremonies phantastisch geparodieerd. De kerk erkende, volgens Nietzsche, zooals alle wijze wetgevers, dat, waar groote impulsen en gewoonten moeten aangekweekt worden, er schrikkeldagen dienden ingeschoven, waarop deze impulsen en gewoonten opzij gezet kunnen worden om er zoo opnieuw naar te leeren hongeren3. De geestelijkheid nam in deze volksfeesten de leiding, want voor de menschen van dien tijd, zooals Méray opmerkte, “bood de tempel bevrediging voor de menschelijke behoeften in al hun schakeeringen; zij vonden hier onderricht in hun plichten, troost voor al hun smarten, bevrediging voor alle vreugden. De heilige feesten van het middeleeuwsch Christendom waren niet een overblijfsel uit den Romeinschen tijd; zij kwamen voort uit het hart der Christelijke maatschappij”4. Maar, geeft Méray toe, alle groote en krachtige volken van het Oosten en het Westen hebben het noodig geacht soms met hun heilige dingen te spelen.

Onder de Grieken en Romeinen is deze behoefte overal zichtbaar, niet alleen in hun tooneel en hun literatuur over het algemeen, maar in het dagelijksch leven. Zooals Nietzsche naar waarheid opmerkt (in zijnGeburt der Tragödie) erkenden de Grieken alle natuurlijke impulsen, zelfs die, welke schijnbaar onwaardig zijn, en verhinderden ze kwaad uit te richten door er kanalen voor te openen, waarin, op speciale dagen en bij speciale godsdienstige plechtigheden, het te veel aan energie kon afgevoerd worden zonder nadeel te berokkenen. Plutarchus, de laatste en meest invloedrijke van de Grieksche moralisten zegt terecht, als hij feesten bepleit (in zijn verhandeling “On the Training of Children”), dat wij “zelfs bij bogen en harpen de snaren los maken, om ze weer opnieuw te kunnen spannen”. Seneca, misschien de invloedrijkste van de Romeinsche, zoo niet van de Europeesche moralisten, raadde zelfs dronkenschap nu en dan aan. “Soms”, schreef hij in zijnde Tranquillitate, “moesten we zelfs komen tot den toestand van bedwelming, niet om ons in den wijn te verdrinken, maar om er diep in onder te duiken. Want hij vaagt zorgen weg en heft onzen geest op uit de diepste diepten. De uitvinder van den wijn wordtLibergenoemd, omdat hij de ziel van de dienstbaarheid der zorgen bevrijdt, ze verlost uit de slavernij, ze aanvuurt, en ze sterker maakt voor alle ondernemingen”. De Romeinen waren een strenger en ernstiger volk dan de Grieken, maar juist om die reden erkenden zij de noodzakelijkheid, nu en dan aan hun moreele krachten den vrijen loop te laten, om hun veerkracht te behouden, en moedigden zij het houden van feesten aan, die door veel meer vrijheid waren gekenmerkt dan die van de Grieken. Toen deze feesten hun moreele sanctie begonnen te verliezen en in verval geraakten, was de achteruitgang van Rome begonnen.

Over de geheele wereld, de meest primitieve natuurvolken niet uitgesloten—want zelfs het leven der natuurvolken is opgebouwd op systematische beperkingen, die soms behoefte hebben aan ontspanning—wordt het principe van de orgie erkend en aangenomen. Zoo beschrijven Spencer en Gillen5de Nathagura of vuurceremonie van den stam der Warramunga in Centraal-Australië, een feest, waaraan door beide seksen wordt deelgenomen, waarbij al de gewone regels van het maatschappelijk leven verbroken worden, een soort van Saturnalia, waarbij er echter geen sexueele vrijheid is, want sexueele vrijheid is, we behoeven het nauwelijkste zeggen, geen essentieel deel van de orgie, zelfs als de orgie den last der sexueele beperkingen verlicht. In een geheel ander deel van de wereld, in Britsch Columbië, geloofden de Salische Indianen, volgens Hill Tout6, dat, lang voordat de blanken kwamen, hun voorouders een Sabbath of zevende-dagfeest in acht namen om te dansen en te bidden, waartoe men bijeenkwam bij het opgaan der zon en danste tot den namiddag. De Sabbath of periodiek terugkeerende orgie,—niet een dag van druk en beperking maar een vreugdefeest, een rust van al de plichten van het dagelijksch leven,—heeft, zooals we weten, een hoofdrol gespeeld in vele van de oude geordende beschavingen, waarop de onze opgebouwd is7; het is zeer waarschijnlijk, dat de duurzaamheid van deze oude beschavingen nauw verbonden was met hun erkenning van de behoefte aan een Sabbath-orgie. Zulke feesten zijn werkelijk, zooals Crawley opmerkt, processen van reiniging en krachtshernieuwing, pogingen, “den ouden mensch” af te leggen en “den nieuwen mensch” aan te trekken, om met nieuwe energie den weg van het dagelijksch leven weder te betreden8,

De orgie is een instelling, die haar beteekenis geenszins alleen voor het verleden heeft. Integendeel eischen de hooge druk, de starre routine, de grauwe eentonigheid van het moderne leven dringend oogenblikken van organische verlichting, hoewel de juiste vorm, die die orgiastische verlichting aanneemt, noodzakelijk veranderen moet met andere maatschappelijke veranderingen. Zooals Wilhelm von Humboldt zeide, “evenals de menschen lijden noodig hebben om sterk te worden, zoo hebben zij vreugde noodig om goed te worden”. Charles Wagner, die in later tijd (in zijnJeunesse) aandringt op dezelfde behoefte in ons moderne leven betreurt het, dat het dansen op de oude, vrije, en natuurlijke wijze uit de mode geraakt, of ongezond geworden is. Dansen is inderdaad de meest fundamenteele en primitieve vorm van de orgie, en degene, die het volkomenst en gezondst zijn roeping vervult. Want, terwijlhet ongetwijfeld, zooals we onder de dieren zien, een proces is, waardoor sexueele tumescentie veroorzaakt wordt, is het brandpunt ervan geenszins noodzakelijk sexueele detumescentie, maar het kan zelfs een detumesceerende ontlading worden van opgezamelde spanning. Om deze reden was het, dat, ten minste in vroeger dagen, de geestelijkheid in Spanje, op moreele gronden, openlijk den nationalen hartstocht voor het dansen aanmoedigde. Onder beschaafde volken van de nieuwere tijden, begint de orgie meer en meer een vorm aan te nemen, die alleen op de hersenen werkt, die minder gezond is, omdat ze niet leidt tot harmonieuze ontlading langs motorische kanalen. In deze betrekkelijk passieve vormen echter, begint de orgie steeds duidelijker naar voren te treden. Het beroemde gezegde van Aristoteles over de functie van de tragedie als een “reiniging” schijnt een erkenning te zijn van de weldadige gevolgen van de orgie9. Wagner’s muziekdrama’s beroepen zich machtig op deze behoefte; het tooneel, nu evenals altijd, vervult een groot werk van dezelfde soort, geërfd uit de oude dagen, toen het de geordende uitdrukking was van een sexueel feest10. Het tooneel begint inderdaad, in den tegenwoordigen tijd meer en meer van belang te worden en te naderen tot de meer ernstige dramatische opvoeringen uit de klassieke dagen, doordat het verplaatst is naar het daglicht en naar de open lucht. Voornamelijk Frankrijk heeft het initiatief genomen tot deze opvoeringen, die een zekere analogie vertoonen met de Dionysische feesten van de oudheid en de mysterie- en moraliteitsspelen van de middeleeuwen. De beweging begon eenige jaren geleden in Oranje. In 1907 waren er in Frankrijk al dertig openluchttooneelen (“Théâtres de la Nature”, “Théâtres du Soleil”, enz.), terwijl men voor het eerst sinds den klassieken tijd, in Marseille een openluchttooneel opgericht heeft11. In Engeland heeft de belangstelling van de bevolking zich ook verder uitgestrekt naar dramatische opvoeringen, en de kort geleden ingestelde optochten, die uitgevoerd worden en waaraan deelgenomen wordt door de bevolking van de streek, die vertoond wordt in de optocht, zijn feesten van hetzelfde karakter. In Engeland zijn echter tegenwoordig de werkelijk populaire orgiastische feesten de Bank-holidays, waarmee zich nu en dan andere feesten verbinden, zooals de “Maffekings”, enz., die dikwijls door betrekkelijk onbeteekenende nationale gebeurtenissen worden tevoorschijn geroepen, maar die toch nog voldoende zijn om orgiastische emoties op te wekken, even echt als die van de oudheid, hoewel ze schoonheid en godsdienstige wijding missen. Het is inderdaad gemakkelijk voor enghartige en strenge menschen zulke uitingen aan te zien met een meerderheidslachje, maar in de oogen van den moralist en den philosoof oefenen deze feesten een weldadigen en voorbehoedenden invloed uit. In iederen tijd van saaie en eentonige routine—en alle beschaving sluit zulk een routine in zich—worden vele natuurlijke impulsen en functies onderdrukt; zij vervallen tot uitdroging of perversie. Tegen dit gevaar zijn deze oogenblikken van vreugdevol bijeen zijn en van levensuiting noodig, oogenblikken waarin zij niet noodzakelijk hun volle werkzaamheid bereiken, maar waarin ze in alle gevalle, zooals Cyples het uitdrukt, zich bewust kunnen worden van de groote mogelijkheid van de krachten, die ze in zich dragen12.


Back to IndexNext