Chapter 17

[110]Platospreekt van den geheelen tijd en de geheele wezenheid, als wij van den oneindigen tijd en de oneindige wezenheid spreken zouden. Hij vat dus het begrip van de stellige, niet van de ontkennende zijde.Opdat nu niemand zich aan dit vatten van het oneindige stoote, zal ik hier twee plaatsen uit deEerste gronden der Meetkunst, doorJ. de Gelderovernemen. Op blz. 43 zegt hij: «Een hoek is eene onbepaalde platte vlakte, die aan twee kanten, door twee zamenkomende en tot in het oneindige voortloopende lijnen bepaald of begrensd, maar, aan den tegenovergestelden kant van het hoekpunt, onbegrensd is. Men heeft geene oneindig groote stukken papier: men kan ook geene regte lijnen tot in het oneindige verlengen;maar men kan dezelve denken.» En blz. 93, «Met dit verklaarde [over de onmeetbare uitgebreidheden] strijdt geenszins ons onvermogen, een regte lijn, b. v. tot in het oneindige te verdeelen; want wij kunnen dit laatste niet om twee redenen: 1o. omdat weldra de uitgebreidheden zoo klein worden, dat onze zintuigen dezelve niet meer kunnen onderscheiden; 2o. omdat wij buiten dien hinderpaal toch met het verdeelen niet tot in het oneindige zouden kunnen voortgaan:van de mogelijkheid, en wezenlijkheid van het bestaan der onderling onmeetbare uitgebreidheden overtuigt ons de rede, zonder dat het in onze magt staat, dezelve in eene figuur of constructie aanschouwelijk te maken.» Zie ookAhrens,Grondbeginselen der Mensch- en Zielkunde, II. 127, 128.

[110]Platospreekt van den geheelen tijd en de geheele wezenheid, als wij van den oneindigen tijd en de oneindige wezenheid spreken zouden. Hij vat dus het begrip van de stellige, niet van de ontkennende zijde.

Opdat nu niemand zich aan dit vatten van het oneindige stoote, zal ik hier twee plaatsen uit deEerste gronden der Meetkunst, doorJ. de Gelderovernemen. Op blz. 43 zegt hij: «Een hoek is eene onbepaalde platte vlakte, die aan twee kanten, door twee zamenkomende en tot in het oneindige voortloopende lijnen bepaald of begrensd, maar, aan den tegenovergestelden kant van het hoekpunt, onbegrensd is. Men heeft geene oneindig groote stukken papier: men kan ook geene regte lijnen tot in het oneindige verlengen;maar men kan dezelve denken.» En blz. 93, «Met dit verklaarde [over de onmeetbare uitgebreidheden] strijdt geenszins ons onvermogen, een regte lijn, b. v. tot in het oneindige te verdeelen; want wij kunnen dit laatste niet om twee redenen: 1o. omdat weldra de uitgebreidheden zoo klein worden, dat onze zintuigen dezelve niet meer kunnen onderscheiden; 2o. omdat wij buiten dien hinderpaal toch met het verdeelen niet tot in het oneindige zouden kunnen voortgaan:van de mogelijkheid, en wezenlijkheid van het bestaan der onderling onmeetbare uitgebreidheden overtuigt ons de rede, zonder dat het in onze magt staat, dezelve in eene figuur of constructie aanschouwelijk te maken.» Zie ookAhrens,Grondbeginselen der Mensch- en Zielkunde, II. 127, 128.

[111]Dit volgende is als ’t ware het afbeeldsel vanAlcibiades. ZieXenophon,Gedenkwaardigheden van Socrates, uit het Grieksch vertaald, door Prof.J. ten Brink, Boek I. Hoofdst. II.

[111]Dit volgende is als ’t ware het afbeeldsel vanAlcibiades. ZieXenophon,Gedenkwaardigheden van Socrates, uit het Grieksch vertaald, door Prof.J. ten Brink, Boek I. Hoofdst. II.

[112]ToenThemistoclesnog een knaap was, zeide zijn leermeester tot hem: jonge! gij wordt zeker een uitstekend held of een groot deugniet.

[112]ToenThemistoclesnog een knaap was, zeide zijn leermeester tot hem: jonge! gij wordt zeker een uitstekend held of een groot deugniet.

[113]In Athene had volgens de wet niemand het burgerregt, wiens beide ouders geen burgers waren.

[113]In Athene had volgens de wet niemand het burgerregt, wiens beide ouders geen burgers waren.

[114]Xenophon,Gedenkwaardigheden van Socrates, Boek 1. Hoofdst. I. 4. en IV. 14. Boek IV. Hoofdst. VIII.

[114]Xenophon,Gedenkwaardigheden van Socrates, Boek 1. Hoofdst. I. 4. en IV. 14. Boek IV. Hoofdst. VIII.

[115]ZieBoek III. Hoofdst. XIX.XX.

[115]ZieBoek III. Hoofdst. XIX.XX.

[116]ZieBoek IV. Hoofdst. I.

[116]ZieBoek IV. Hoofdst. I.

[117]Heracliethield het vuur voor het grondelement, waaruit alles ontstaat, en geloofde, dat alles periodiek uit het vuur ontstaat en weer tot dat vuur terugkeert. ZieHandboek voor de Philosophie, ten gebruike voor Gymnasien en andere voorbereidende scholen. Naar het Hoogduitsch, vanF. H. J. Albrecht, blz. 131. Mijne inleiding voor denTheaetetusblz. 7.

[117]Heracliethield het vuur voor het grondelement, waaruit alles ontstaat, en geloofde, dat alles periodiek uit het vuur ontstaat en weer tot dat vuur terugkeert. ZieHandboek voor de Philosophie, ten gebruike voor Gymnasien en andere voorbereidende scholen. Naar het Hoogduitsch, vanF. H. J. Albrecht, blz. 131. Mijne inleiding voor denTheaetetusblz. 7.

[118]ZieBoek V. Hoofdst. XVIII.

[118]ZieBoek V. Hoofdst. XVIII.

[119]Zie mijne inleiding op denPhaedo, blz. 5.

[119]Zie mijne inleiding op denPhaedo, blz. 5.

[120]ZieBoek III. Hoofdst. XX.

[120]ZieBoek III. Hoofdst. XX.

[121]ZieTheaetetus, Hoofdst. II.

[121]ZieTheaetetus, Hoofdst. II.

[122]ZieHandboek voor de Philosophie, vanAlbrechtblz. 56-89.Nieuwenhuis,Quaestiones Logicaep. 80-82.

[122]ZieHandboek voor de Philosophie, vanAlbrechtblz. 56-89.Nieuwenhuis,Quaestiones Logicaep. 80-82.

[123]ZieOpklimmend deel der Wijsbegeerte. blz. 87. a. 2.

[123]ZieOpklimmend deel der Wijsbegeerte. blz. 87. a. 2.


Back to IndexNext