EERSTE BOEK.
I.Gisteren ging ik metGlauco, den zoon vanAristo, naar den Piréus om de Godin[1]te aanbidden, terwijl ik tevens verlangde te zien, hoe men het feest zou vieren, daar het voor de eerste keer was. Ik vond dan ook de processie van de inwoners wel fraai, doch die uit Thracie althans niet minder. Toen wij aangebeden en alles gezien hadden, keerden wij naar stad terug. EnPolemarchusde zoon vanCephaluszag ons naar huis gaan en zond zijn jonge om ons na te loopen met verzoek hem in te wachten. En de jonge pakte mij achter aan mijn kleed en zeide:Polemarchusverzoekt u te wachten. Hierop keerde ik mij om en vroeg, waar hij was. Hij komt achter ons, zeide de jonge, wacht maar. Dat willen wij doen, zeideGlauco. Een oogenblik later kwamPolemarchusmetAdimantusden zoon vanGlauco, enNiceratusden zoon vanNiciasen eenige anderen, die allen van de processie kwamen. Toen zeidePolemarchus:Socrates! gij zijt, geloof ik, op weg naar stad.—Daargelooft gij goed aan, zeide ik.—Maar ziet ge wel, zeide hij, hoe velen wij zijn?—Wel ja.—Slaat u dan door ons allen heen, zeide hij, of blijft hier.—Maar, zeide ik, er is nog over, dat wij u overreden om ons te laten gaan.—Maar, zeide hij, ziet gij dan kans om ons te overreden, wanneer wij niet naar u luisteren?—Dat niet, zeideGlauco.—Wees dan maar overtuigd, zeide hij, dat wij niet van plan zijn te luisteren.—EnAdimantuszeide: Weet gij dan niet, dat er van avond een fakkelstrijd te paard ter eere der Godin zal gehouden worden?—Te paard? zeide ik; dat is wat nieuws. Zullen zij dan om strijd al rijdende elkaar de fakkels toereiken[2]? Of hoe anders?—Juist zoo, zeidePolemarchus; en dan zal er ook een nachtfeest gevierd worden, dat bezienswaardig zal wezen. En na het eten zullen wij het nachtfeest gaan bekijken, en daar vele jongelieden zien en spreken. Blijft dus, en gaat niet heen. Hierop zeideGlauco: ik vind, dat wij blijven moeten. Als gij dat vind, zeide ik, dan moeten wij het maar doen.
II.Wij gingen dan naar het huis vanPolemarchus, en vonden daarLysiasenEuthydemus, de broeders vanPolemarchus, en ookThrasymachusvan Chalcedon, enCharmantidesden Paeaner, enClitophon, den zoon vanAristonymus. Ook wasCephalusde vader vanPolemarchusbinnen. Ik vond hem heel oud geworden, want ik had hem in langen tijd niet gezien. Hij zat op een stoel met een kussen en had een’ krans [op het hoofd], daar hij zoo even op de binnenplaats geofferd had. Wij gingen bij hem zitten, want er stonden daar eenige stoelen in de rondte. ZoodraCephalusmij zag, groette hij mij en zeide:Socratesgij komt waarlijk niet te dikwijls naar den Piréus, om ons te bezoeken. Dit moest gij echter doen. Want, zoo ik nog in staat was, om vlug naar stad te gaan, dan behoefdet gij niet hier te komen, maar wij zouden u gaan opzoeken; nu echter moet gij wat meer hier komen; want wees verzekerd, dat naarmate ik voor ligchamelijk vermaak ongevoeliger word, mijne liefhebberij in het redekavelen toeneemt. Doe dan niet anders, maar gun uwen omgang aan deze jongelingen, en kom bij ons als bij uwe beste vrienden. Met genoegen, zeide ik, vooral daar ik gaarne met zeer oude lieden spreek. Want daar zij een weg hebben afgelegd, dien wij waarschijnlijk ook gaan moeten, vind ik het zaak hen te vragen, of die weg ruw en lastig, of gemakkelijk en effen is. Daarom zou ik dan ook gaarne hieromtrent uwe meening hooren, daar gij reeds op dien leeftijd gekomen zijt, welken de dichters den drempel der grijsheid noemen, en van u vernemen, of gij dat een lastig tijdperk des levens vindt, of hoe anders gij er over denkt.
III.BijZeus! zeide hij,Socrates! ik zal u mijne meening zeggen. Want dikwijls zoeken, volgens het spreekwoord, lieden van mijne soort en ik elkander op. De meesten onzer jammeren dan, als wij bijeen zijn, daar zij de vermaken der jeugd terugwenschen, en zich het mingenot, de drinkpartijen, feesten en andere zulke zaken herinneren, en worden verdrietig, omdat zij zoo veel verloren hebben, en toen een best leven hadden, maar nu zoo goed als niet leven. Sommigen beklagen zich dan ook over de weinige achting hunner huisgenooten voor den ouderdom, en maken dan een treurzang op al het verdriet waarvan hun leeftijd de oorzaak is. Ik geloof echter,Socrates! dat zij niet de ware oorzaak opgeven. Want zoo dit de oorzaak was, dan moest ik en alle anderen, die tot denzelfden leeftijd gekomen zijn, het ook ondervinden. Ik heb er echter ook ontmoet,die niet zoo dachten, onder anderen den dichterSophocles, die op de vraag, hoe het met zijne kracht stond, en of hij nog gemeenschap met eene vrouw kon hebben, antwoordde: foei man! ik ben zoo blijde, dat ik er af ben, als of ik eenen dollen en wreeden meester ontvlugt was. Toen vond ik, dat hij de waarheid sprak, en nu niet minder. Want waarlijk, in den ouderdom heeft men van die dingen vrij wat minder last. Wanneer toch de driften verslappen en ons niet langer prikkelen, dan gebeurt er juist watSophocleszeide: wij worden van vele en razende meesters verlost. Maar hiervan en van de klagten over huisgenooten is de oorzaak dezelfde,Socrates! namelijk niet de ouderdom, maar de inborst der menschen. Want zoo zij redelijk en inschikkelijk zijn, dan is ook de ouderdom wel te verdragen, maar zoo niet, dan is de ouderdom,Socrates! en de jeugd evenzeer vol onaangenaamheid.—
IV.Daar ik schik had in zijn gesprek en nog meer wenschte te hooren, zeide ik, om hem aan te zetten:Cephalus! ik houd het er voor, dat, wanneer gij zóó spreekt, de meesten u niet gelooven zullen, maar denken, dat de gemakkelijkheid, waarmede gij den ouderdom draagt, niet uit uwe inborst, maar uit uwen rijkdom voortspruit; want, zeggen zij, de rijken hebben allerlei verkwikking.—Juist, zeide hij, zij gelooven het niet. En zij zeggen ook wel iets, maar niet zoo veel als zij meenen, daar hier het gezegde vanThemistoclesvan toepassing is, die, toen een Seriphier[3]met hem twistte en zeide, dat hij niet door zich zelven maar door zijne vaderstad beroemd was geworden, ten antwoord gaf: dat, zoo hij een Seriphier was, zijn naam even weinig bekend zou wezen, als die van den ander, zoo hij eenAthener was. Van hen toch, die niet rijk zijn, en den ouderdom niet gemakkelijk dragen kunnen, kan even zoo gezegd worden: dat ook een redelijk mensch, zoo hij arm is, den ouderdom niet gemakkelijk dragen kan, maar dat evenmin een onredelijk, zelfs al is hij rijk, vrede met zijnen toestand kan hebben.—Maar,Cephalus! zeide ik, hebt gij uwe meeste bezittingen van uwe ouders geërfd, of zelf uw erfgoed vermeerderd?—Vermeerderd,Socrates! och neen! ik was als financier zoo wat tusschen mijnen vader en grootvader in. Mijn grootvader toch, die denzelfden naam droeg als ik, had omtrent evenveel geërfd, als ik nu heb, en heeft het meer dan verdubbeld, en mijn vaderLysaniasheeft het nog minder gemaakt dan het nu is; maar ik ben tevreden, zoo ik aan deze mijne kinderen niet minder, maar een weinig meer nalaat dan ik ontvangen heb.—Dit vroeg ik daarom, zeide ik, dewijl ik merkte, dat gij niet bijzonder aan het geld gehecht zijt.—Dit wordt meestal waargenomen bij menschen, die het niet zelve verworven hebben; maar die het zelve hebben verworven, zijn er tweemaal zoo sterk aan gehecht als de anderen. Want gelijk de dichters hunne verzen en de ouders hunne kinderen liefhebben, zoo beminnen de geldwinners het geld als hun eigen werk, meer dan de anderen, hetgeen ook blijkt uit hunne wijs van het te gebruiken. Daarom zijn zij lastig in den omgang en prijzen niets zoo zeer als rijkdom.—Dat is waar, zeide hij.—
V.Ja, of het! zeide ik. Maar zeg mij nu nog één ding. Wat is, naar uwe meening, het grootste voordeel van het bezitten van rijkdom?—Iets, zeide hij, dat ik bezwaarlijk door velen als zoodanig kan doen erkennen. Want weet,Socrates! dat, wanneer iemand reden heeft, om de nabijheid van zijnen dood te vermoeden, vrees en bezorgdheid hem aanwandelen omtrent dingen, waarover hij zich vroeger niet bekommerde.Hetgeen toch van de onderwereld verteld wordt, dat die hier onregt gedaan hebben, dáár boeten zullen, waarover hij vroeger lachte, vervult dan zijne ziel met bezorgdheid, of het niet waar zou wezen; en, hetzij ten gevolge van de zwakheden des ouderdoms, hetzij omdat hij er nader bij is, het staat hem helderder voor den geest. Daardoor wordt hij dan vervuld met zorg en bevreesdheid en gaat bij zich zelven na, of hij ook iemand eenig onregt heeft aangedaan. Hij nu, die vindt, dat hij in zijn leven veel onregt gepleegd heeft, vliegt dan, gelijk de kinderen, dikwijls uit den slaap op, en leeft vol slechte verwachting; maar die zich van geen onregt bewust is, heeft steeds eene aangename en goede hoop, welke, zoo alsPindaruszegt, de verpleegster van den ouderdom is. Want,Socrates! deze zegt in fraaije bewoordingen van den mensch, die in zijn leven eerbied voor menschelijk en Goddelijk regt betoond heeft: «hem vergezelt de zoete, hartverkwikkende hoop, de verpleegster van den ouderdom, welke het meest de wispelturige ziel der stervelingen bestuurt.» En in deze woorden is verwonderlijk veel waarheid. In dit opzigt nu beweer ik, dat het bezitten van geld, wel niet voor ieder, maar zeker voor een verstandig mensch, veel waarde heeft. Rijkdom toch is ten hoogste dienstig, om zonder vrees, dat men, al is het buiten opzet, iemand benadeeld of bedrogen heeft, of dat men aan een God offers of aan een mensch geld schuldig is, den overstap te doen. Hij is ook tot vele andere dingen bruikbaar, maar alles goed bezien, zou ik toch stellen,Socrates! dat voor een verstandig mensch, vooral in dit opzigt de rijkdom bijzonder nuttig is.—
Uitmuntend gezegd,Cephalus! zeide ik. Doch moeten wij nu de regtvaardigheid maar eenvoudig voor hetzelfde houden als de waarheid, en als het teruggeven van hetgeen men van anderen in zijne magt heeft, of kan juist dit somtijds met regt en somtijds met onregtgeschieden? bij voorbeeld: ieder zou zeggen, dat, wanneer iemand van zijnen vriend, toen deze bij zijne zinnen was, wapenen in bewaring heeft gekregen, hij ze niet moet teruggeven, wanneer de ander ze in eene vlaag van krankzinnigheid terugeischt, en dat hij, die ze dan teruggaf, evenmin regtvaardig zou wezen, als iemand, die tot zulk eenen volkomen de waarheid wilde spreken.—Dat is waar, zeide hij.—Dus is het niet juist, de regtvaardigheid te bepalen tot het spreken van de waarheid en het teruggeven van het aan anderen toebehoorende.—
Dat geloof ik wel,Socrates! zeidePolemarchus, het woord opnemende, zoo ten minste het gezag vanSimonidesiets geldt.—Goed zoo, zeideCephalus, zet gij het gesprek voort. Want ik moet weder naar mijn offer terugkeeren.—Dus, zeide ik, isPolemarchusuw opvolger.—Juist, zeide hij lagchende, en hierop ging hij naar het altaar[4].—
VI.Zeg dan eens, zeide ik, gij opvolger in de redekaveling! welke uitspraak vanSimonidesover de regtvaardigheid u zoozeer bevalt.—Deze, zeide hij: dat het regtvaardig is, ieder te geven wat men hem verschuldigd is; ik althans vind, dat hij daarin gelijk heeft.—Het is wel niet gemakkelijk, zeide ik, het gezag vanSimonideste verwerpen, want hij is een wijs en goddelijk man; maar toch, wat hij hiermede zeggen wil, moogtgijwelligt vatten,Polemarchus!ikbegrijp hetniet. Want het is duidelijk, dat hij niet bedoelt, wat wij daar even zeiden: iemand het toevertrouwde op zijne vordering terug te geven, als hij niet bij zijne zinnen is; en dat toevertrouwde is men hen toch immers schuldig, niet waar?—Ja.—Het moet echter volstrekt niet teruggegeven worden, zoo hij het in eene vlaag van krankzinnigheid terugvraagt.—Dat is waar.—Dus meende danSimonidesiets anders, toen hij zeide, dat het regtvaardig is ieder te geven wat men hem schuldig is.—Ongetwijfeld, want hij meent, dat de eene vriend den anderen slechts goed en geen kwaad doen moet.—Ik begrijp het al, zeide ik, uwe meening is, dat hij, die een’ anderen toevertrouwd geld teruggeeft, hem niet geeft wat hij hem verschuldigd is, wanneer dat teruggeven voor de terugontvangenden schadelijk is, en de ontvangende en gevende vrienden zijn. Houdt gij dat niet voor de meening vanSimonides?—Zekerlijk.—Maar moeten wij dan ook onze vijanden geven wat wij hun verschuldigd zijn?—Ja zeker; wat wij hun verschuldigd zijn, zeide hij. De eene vijand toch is aan den anderen, geloof ik, kwaad verschuldigd.
VII.Dus, zeide ik, schijntSimonides, als dichter, eene raadselachtige bepaling van de regtvaardigheid gegeven te hebben. Want hij meende, geloof ik, dat het regtvaardig is, ieder te geven, wat hem toekomt, en noemde dat het verschuldigde.—Maar wat meent gij dan nu? zeide hij.—BijZeus! zeide ik: zoo iemand hem eens vroeg:Simonides! aan wie verschaft de geneeskunst wat hun verschuldigd is en toekomt, en wat verschaft zij? wat gelooft gij dan wel, dat hij zou antwoorden?—Natuurlijk, aan de ligchamen geneesmiddelen en heilzame spijs en drank.—En aan wie verschaft de kookkunst wat hun verschuldigd is en toekomt, en wat verschaft zij?—Aan de toespijs[5]den aangenamensmaak.—Goed: maar wat verschaft nu de regtvaardigheid, en aan wie?—Zoo wij ons aan het vorige moeten houden,Socrates! dan verschaft zij aan vrienden en vijanden nut en schade.—Dus noemt hij het goed doen aan vrienden en kwaad doen aan vijanden regtvaardigheid?—Ik geloof van ja. Maar wie kan nu ten opzigte van gezondheid en ziekte zijnen vrienden, zoo zij ongesteld zijn, het meeste goed, en zijnen vijanden het meeste kwaad doen?—Een arts.—En wie, zoo zij op een schip zijn, ten opzigte van de gevaren der zee?—Een stuurman.—Maar wat doet dan nu de regtvaardige? In welke zaak en in welk opzigt kan hij zijne vrienden goed en zijne vijanden kwaad doen?—In het bevechten en medestrijden, geloof ik.—Het zij zoo: maar mijn bestePolemarchus! is een arts wel nuttig voor hem, die niet ongesteld is?—Neen.—Of een stuurman voor hem, die niets met een schip te maken heeft?—Neen.—Dus is ook een regtvaardige niet nuttig voor iemand, die geen oorlog voert.—’t Schijnt van neen.—Maar de regtvaardigheid is toch immers ook in vredestijd nuttig?—Wel zeker.—En de landbouw ook?—Ja.—Om veldvruchten te bekomen.—Ja.—En de schoenmakerskunst?—Ja.—Om schoenen te bekomen, zult gij denkelijk zeggen.—Natuurlijk.—Maar voor welke behoefte, of om wat te bekomen, zoudt gij dan zeggen, dat de regtvaardigheid in den vrede nuttig is?—Voor de verbonden,Socrates!—Met verbonden meent gij, geloof ik, al wat gemeenschappelijk gedaan wordt.—Juist.—Maar wie is dan nu een goed en bruikbaar metgezel bij het damspel, de regtvaardige of de bedreven damspeler?—De bedreven damspeler.—Maar is dan de regtvaardige misschien bij het metselen een nuttiger en beter metgezel dan de bouwkundige?—Wel neen.—Maar bij welke gemeenschap is dan de regtvaardige een beter metgezel dan de citherspeler, gelijk de citherspeler[6]beter is dan de regtvaardige, bij het gezamenlijk uitvoeren van muzijkstukken?—Bij het geld zou ik zeggen.—Behalve, geloof ik,Polemarchus! bij het gebruiken van geld, wanneer men gezamenlijk voor geld een paard moet koopen of verkoopen. Dan toch is de kenner van paarden de beste, niet waar?—Ja.—En wanneer een schip moet gekocht worden, de scheepsbouwmeester of de stuurman.—Het schijnt zoo.—Maar bij welk gemeenschappelijk gebruik van het geld is dan de regtvaardige bruikbaarder dan anderen?—Wanneer het moet bewaard worden en zeker zijn,Socrates!—Dus zegt gij; wanneer het niet moet gebruikt worden, maar stil liggen?—Ja.—Wanneer dus het geld nutteloos is, dan is de regtvaardigheid bij hetzelve nuttig?—Het schijnt zoo.—En wanneer een snoeimes moet bewaard worden, dan is de regtvaardigheid nuttig, maar wanneer het moet gebruikt worden, de tuinbouwkunst.—Ik geloof van ja.—Dus zult gij zeker ook zeggen, dat bij een schild en eene lier, wanneer zij bewaard en niet gebruikt moeten worden, de regtvaardigheid nuttig is, doch wanneer men ze gebruiken moet, de schermkunst en de toonkunst?—Natuurlijk.—En ten opzigte van alle andere dingen is dan, indien zij gebruikt worden, de regtvaardigheid nutteloos, maar, wanneer zij nutteloos daar neder liggen, nuttig?—Het schijnt zoo.—
VIII.Maar, mijn vriend! de regtvaardigheid is dan eigenlijk niet veel bijzonders, zoo zij slechts bij nuttelooze dingen nuttig is. Doch wij willen het nog eens aldus onderzoeken. Is niet hij, die bij het boksen, of een andere soort van vechten, het best kan slaan, ook de baas in het afweren van slagen?—Ongetwijfeld.—Is niet evenzoo hij, die het best eene ziekte voorkomen kan, hetbest in staat om haar te veroorzaken?—Ik zou zeggen van ja.—En is niet hij het geschikst om eene legerplaats te bewaken, die het best aan de vijanden hunne geheimste plannen weet te ontfutselen?—Zekerlijk.—Wat dus iemand goed kan bewaren, dat kan hij ook goed stelen.—Juist.—Als dus de regtvaardige goed geld kan bewaren, kan hij het ook kostelijk stelen.—Althans volgens het beredeneerde.—Dus hebben wij dan gezien, dat de regtvaardige eene soort van dief is. Ik geloof haast, dat gij dit vanHomerusgeleerd hebt; want hij roemtAutolycus, den grootvader vanOdysseusvan moeders zijde, en zegt, dat hij in stelen en valsche eeden alle menschen de baas was. Dus schijnt dan volgens u, en volgensHomerus, en volgensSimonides, de regtvaardigheid eene soort van stelen te zijn, doch dat ten voordeele der vrienden en ten nadeele der vijanden geschiedt? was dat niet uwe meening?—Wel neen, bijZeus! zeide hij, maar ik weet niet meer, wat ik zeide. Dit houd ik echter vol, dat de regtvaardigheid aan de vrienden voordeel en aan de vijanden schade toebrengt.—Maar noemt gij nu hen vrienden, die iemand genegenschijnen, of die hetzijn, ook al schijnen zij het niet? en evenzoo vijanden?—Het is ten minste natuurlijk, zeide hij, die men voor goedwillig houdt te beminnen, en die men voor kwaadwillig houdt te haten.—Maar vergissen zich dan de menschen nimmer in dit opzigt, zoodat zij velen voor goedwillig houden, die het niet zijn, en omgekeerd?—Wel zeker.—Voor hen zijn dus de goeden vijanden, en de kwaden vrienden.—Ja.—Maar dan is het tevens voor hen regtvaardig de kwaden te bevoordeelen en de goeden te schaden?—Het schijnt zoo.—Maar de goeden zijn immers regtvaardig, en afkeerig van onregt plegen?—Ja.—Dus is het volgens u regtvaardig hen, die geen onregt plegen, te schaden.—Wel neen,Socrates! want er is zeker eene fout in deredekaveling.—Dus, zeide ik, is het regtvaardig de onregtvaardigen kwaad te doen, en de regtvaardigen goed te doen.—Dit bevalt mij beter dan het vorige.—Dus,Polemarchus! zal het voor zoo velen, als zich in de menschen vergissen, regtvaardig zijn hunne vrienden kwaad te doen, daar zij in hunne oogen kwaad zijn, en hunne vijanden goed te doen, daar zij in hunne oogen goed zijn: en zoo zullen wij dan juist het tegenovergestelde zeggen van hetgeen wij voor het gevoelen vanSimonideshouden.—Dit volgt. Maar wij moeten anders redeneren; want ik geloof, dat wij vrienden en vijanden niet juist gesteld hebben.—Wat hebben wij dan verkeerd gesteld,Polemarchus!—Dat die goed schijnt een vriend is.—En hoe moeten wij dat dan nu veranderen?—Dat hij, die goed schijnt, en tevens goed is, een vriend is; maar hij, die het wel schijnt maar niet is, slechts den schijn van vriend heeft; en evenzoo ten opzigte van den vijand.—Dus zal, meen ik, volgens die opvatting, de goede een vriend zijn en de kwade een vijand.—Ja.—Wilt gij dan nu eene wijziging maken in onze vorige bepaling der regtvaardigheid, dat het regtvaardig is de vrienden goed te doen en de vijanden kwaad? en moeten wij die dan dus aanvullen, dat het regtvaardig is de vrienden, zoo zij goed zijn, goed te doen en de vijanden, zoo zij kwaad zijn, te schaden?—Juist, zeide hij, zoo geloof ik dat de bepaling goed zal zijn.
IX.Maar, zeide ik, past het een regtvaardig mensch eigenlijk wel eenig sterveling kwaad te doen?—Wel zeker, zeide hij, de kwaden en vijanden moet men kwaad doen.—Maar als men paarden kwaad doet, worden zij dan beter of slechter?—Slechter.—Ten opzigte van de deugd der honden, of van die der paarden?—Van die der paarden.—En wanneer men honden kwaad doet, dan worden die zeker slechter ten opzigte van de deugd der honden en niet van die der paarden?—Natuurlijk.—Maar,mijn vriend! moeten wij dan niet evenzoo zeggen, dat, wanneer men menschen kwaad doet, zij ten opzigte van de menschelijke deugd slechter worden?—Ongetwijfeld.—En is de regtvaardigheid niet eene menschelijke deugd?—Ook dit stem ik toe.—Dus moeten de menschen, die men kwaad doet, onregtvaardig worden.—Het schijnt zoo.—Maar kunnen nu de muzijkkenners door de muzijk iemand onmuzikaal maken?—Onmogelijk.—Of kunnen de kenners der rijkunst door hunne kunst iemand de rijkunst afleeren?—Ook dat niet.—Maar kunnen dan de regtvaardigen door de regtvaardigheid iemand onregtvaardig maken? Of in ’t algemeen de goeden door de deugd iemand kwaad?—Eigenlijk niet.—De warmte brengt dan ook geen koude voort, maar het tegenovergestelde.—Ja.—En de droogte geen vochtigheid, maar het tegenovergestelde.—Natuurlijk.—En die goed is doet geen kwaad, maar het tegenovergestelde.—’t Schijnt zoo.—Edoch de regtvaardige is goed.—Zekerlijk.—DusPolemarchus! doet de regtvaardige noch vriend noch vijand kwaad, maar dit is veel meer het werk van den onregtvaardige.—Wat gij zegt, is volkomen waar, geloof ik,Socrates!—Wanneer dus iemand zegt, dat het regtvaardig is ieder te geven, wat men hem verschuldigd is, en daarmede bedoelt, dat de regtvaardige zijnen vijanden kwaad moet doen, en zijnen vrienden goed, dan is hij niet wijs; want wij hebben gezien, dat het volstrekt niet regtvaardig is iemand kwaad te doen.—Dat stem ik toe, zeide hij.—Dus, zeide ik, zullen wij ons er gezamenlijk tegen verzetten, wanneer iemand zegt, datSimonides, ofBias, ofPittacus, of een ander der wijzen van den ouden tijd dit gezegd heeft.—Wat mij betreft, ik zal u helpen, zoo veel ik kan.—Maar weet gij, wie ik geloof, dat de regtvaardigheid heeft bepaald als het goed doen aan vrienden en kwaad doen aan vijanden?—Ik niet, zeide hij.—Ik geloof, dat hetPerianderwas, ofPerdiccas, ofXerxes, ofIsmenias, of een ander rijk man, die zich voor heel magtig hield.—Daar houd ik het ook voor.—Wij zullen dat dan maar vaststellen. Maar nu het blijkt, dat deze bepaling van de regtvaardigheid fout is, wat zou dan nu de ware wezen?—
X.Terwijl wij aan het spreken waren, wasThrasymachusreeds meer dan eens op het punt geweest, om ons in de rede te vallen, maar de andere aanwezigen, die ons gesprek gaarne tot het einde wilden hooren, hadden hem teruggehouden. Toen wij echter, nadat ik dit laatste gezegd had, beiden zwegen, kon hij niet langer stil zitten, maar in eens kwam hij als een verscheurend dier met een sprong op ons af. En ik enPolemarchusvlogen verschrikt uit elkander, maar hij stond in eens tusschen ons in en riep:Socrates! welke dwaasheid bezielt u tegenwoordig, en wat staat gij daar te leuteren, en tegen elkander pligtplegingen te maken? Maar zoo het u ernst is, om te weten, wat de regtvaardigheid is, bepaal u dan niet bij vragen, en doe uw best niet om anderen dood te praten, wanneer zij u antwoorden, want gij weet heel wel, dat het gemakkelijker is te vragen dan te antwoorden[7], maar antwoord zelf en zeg, wat, volgens uw gevoelen, het regtvaardige is. En pas op dat gij niet zegt: het betamelijke, of het nuttige, of het heilzame, ofhet winstgevende, of het voordeelige; maar zeg mij duidelijk en naauwkeurig, wat uwe meening is; want ik zal het niet aannemen, zoo gij weer met zulke dwaasheden voor den dag komt.—Door deze woorden verschrikte ik en zag hem bevreesd aan, en ik geloof, dat, zoo ik hem niet in de oogen gezien had, voor hij het mij deed, ik mijne stem zou kwijt geweest zijn[8]. Daar hij echter reeds onder ons gesprek hoe langer hoe boozer geworden was, had ik hem eerst aangezien, en kon dus antwoorden, en zeide bevende:Thrasymachus!wees niet boos op ons. Want zoo ik en hij bij het redekavelen iets verkeerd doen, weet, dat dit dan zonder opzet gebeurt. Want wees overtuigd, dat, zoo wij goud zochten, wij het vinden daarvan niet met opzet en uit pligtpleging zouden doen mislukken, en nog veel minder dwaas genoeg zijn, om bij het zoeken van de regtvaardigheid, die veel kostelijker is dan goud, elkander toe te geven, en niet ons uiterste best te doen, om wat wij zoeken voor den dag te halen. Geloof dat niet, mijn vriend! Maar ik denk, dat wij het niet kunnen. Dus is het veel billijker, dat gij, knappe menschen, medelijden met ons hebt, dan dat gij boos op ons wordt.—
XI.Toen hij dat hoorde, lachte hij kwaadaardig, en zeide: BijHercules! dat is die gewone veinzerij vanSocrates, en dat wist ik wel en zeide het de anderen vooruit, dat gij niet zoudt willen antwoorden, maar zoudt veinzen en alles liever doen, dan antwoorden, zoo men u vroeg.—Gij hebt ook zoo veel doorzigt,Thrasymachus! zeide ik. Weet dan, dat zoo gij iemand vroegt, hoeveel twaalf is, en tevens tot hem zeidet: pas op, man! dat gij niet zegt: twaalf is twee maal zes, of drie maal vier, of zesmaal twee, of vier maal drie,want ik zal het niet aannemen, wanneer gij met zulke dwaasheden voor den dag komt, dat dan, zoo als gij ook zelf wel begrijpt, niemand op die vraag zou kunnen antwoorden. Maar zoo hij nu eens tot u zeide:Thrasymachus, hoe wilt gij? mag ik niets zeggen van al wat gij daar hebt opgenoemd? Ook niet, mijn vriend, zoo het een van die allen is; maar moet ik dan wat anders zeggen dan de waarheid? wat zoudt gij dan daarop antwoorden?—Dat is wat moois, zeide hij. Even als of dat geval hetzelfde is.—Waarom niet? zeide ik. Doch al is het zoo niet, wanneer het maar aan den anderen zoo voorkomt, gelooft gij dan, dat hij minder zijn gevoelen zal zeggen, of wij het hem verbieden of niet?—Maar zult gij dan zoo doen? Zult gij een van de antwoorden geven, die ik u verboden heb?—Misschien wel, zoo ik er over nadenk en tot die gevolgtrekking kom.—Maar zoo ik een ander en beter antwoord geef op de vraag, wat de regtvaardigheid is, wat zijt gij dan voornemens te doen?—Wat anders, dan hetgeen een onwetende past, namelijk te leeren van hem die het weet? waartoe ik dus bereid ben.—Gij zijt wel vriendelijk, maar behalve dat leeren, moet gij geld geven.—Wacht dan maar, tot ik het zelf heb, zeide ik[9].—Dat is niets, zeideGlauco. Wat het geld betreft,Thrasymachus! dat zullen wij gezamenlijk voorSocratesbetalen; spreek gij maar op.—Wel ja, zeide hij. Zeker, opdatSocratesweer naar gewoonte doen kan, en zelf niet antwoordt, maar anderen laat antwoorden,om ze dan rekenschap te vragen en dood te praten.—Maar, mijn beste! zeide ik, hoe zou iemand kunnen antwoorden, die vooreerst niets weet noch voorgeeft te weten, en ten andere, zoo hij al eene meening heeft, van een gewigtig persoon een verbod gekregen heeft om die te zeggen? Het is dus veel beter, dat gij spreekt, daar gij zegt het te weten en in staat te zijn het te zeggen. Doe dan niet anders, maar doe mij het genoegen van te antwoorden, en misgun aanGlaucoen de anderen uw onderwijs niet.—
XII.Toen ik dit zeide, dedenGlaucoen de anderen hem hetzelfde verzoek. En het was duidelijk, datThrasymachusverlangde te spreken, om eer in te leggen, daar hij meende een zeer schoon antwoord te hebben, doch dat hij voorgaf er op gesteld te wezen, dat ik zou antwoorden. Eindelijk echter gaf hij toe, doch zeide nog eerst: dat is dan die groote wijsheid vanSocrates[10], zelf geen onderrigt te willen geven, maar rondgaande van anderen te leeren en daarvoor niet eens dankbaarheid te betoonen.—Hierop zeide ik: dat ik van anderen leer,Thrasymachus! daarin hebt gij gelijk, maar dat ik, zoo als gij zegt, geene dankbaarheid betoon, dat liegt gij; want ik betoon die zoo veel ik kan. Doch ik kan slechts prijzen, want geld heb ik niet. Dat ik dit echter gewillig doe, zoo ik vind, dat iemand goed spreekt, dat zult gij dadelijk merken, wanneer gij wilt antwoorden, want ik heb hoop, dat gij goed zult spreken.—Hoor dan, zeidehij. Ik zeg, dat het regtvaardige niets anders is, dan het voor den sterksten nuttige. Maar waarom prijst gij niet? Zeker omdat gij niet wilt.—Als ik eerst begrijp, wat gij bedoelt, zeide ik, want nu vat ik het nog niet. Gij zegt, dat het voor den sterkeren nuttige regtvaardig is. Wat meent gij daarmede,Thrasymachus? Toch niet, dat zooPolydamus, de kampvechter, sterker is dan wij en ossevleesch nuttig is voor zijn ligchaam, deze spijs dan ook voor ons, die zoo veel minder sterk zijn, nuttig en regtvaardig is?—Gij zijt laf,Socrates! zeide hij, en vat mijne woorden zóó op, als u het gemakkelijkst is, om er op te vitten.—Och neen, mijn waarde! maar zeg dan wat duidelijker uwe bedoeling.—Weet gij dan niet, dat sommige Staten door Vorsten, andere door het volk, andere door de edelen bestuurd worden?—Wel zeker.—En is nu niet in iederen Staat het regerende deel het sterkste?—Natuurlijk.—Edoch nu maakt iedere regering wetten overeenkomstig met hetgeen voor haar nuttig is, de volksregering voor het volk, de vorstelijke voor den Vorst, de adelijke voor de edelen, enz. Hierdoor verklaren zij wat voor hen nuttig is regtvaardig voor de onderdanen, en die daartegen handelt straffen zij als een’ overtreder en onregtvaardigen. Dus, mijn beste! noem ik in alle Staten hetzelfde regtvaardig, te weten: wat nuttig is voor de bestaande regering. Zij nu is de sterkste, zoodat iemand, die goed redeneert, overal hetzelfde regtvaardig vindt, namelijk het nuttige voor den sterksten.—Nu, zeide ik, begrijp ik, wat gij zegt, maar, of het waar is of niet, zal ik pogen te onderzoeken. Dus,Thrasymachus! houdt ook gij het regtvaardige voor het nuttige, hoewel gij mij dat antwoord verboden hadt. Alleen hebt gij er bijgevoegd: voor den sterksten.—Dat is zeker een klein toevoegsel.—Het blijkt nog niet of het groot is, maar wel, dat wij zien moeten, of gij de waarheid zegt. Wantnu ook ik het regtvaardige iets nuttigs[11]noem, maar gij er wat bijvoegt, en zegt: het nuttige voor den sterksten, en ik daaromtrent onzeker ben, moeten wij dat onderzoeken.—Onderzoek het dan maar.—
XIII.Dat zullen wij hebben. Zeg mij dan eens, of gij het niet voor regtvaardig houdt aan de overheden te gehoorzamen.—Ja.—Maar zijn nu alle overheden in alle Staten onfeilbaar, of kunnen zij zich ook vergissen?—Zij kunnen zich duchtig vergissen.—Maar als zij nu wetten pogen te maken, maken zij die zeker deels goed, deels niet goed?—Ik meen van ja.—Edoch goede wetten te maken is nuttige voor zich zelven te maken, en niet goede niet nuttige.—Zoo is het.—En wat zij als wet vaststellen, dat moeten de onderdanen doen, en dat is regtvaardig.—Natuurlijk.—Dus is het volgens uwe woorden regtvaardig, niet alleen het voor den sterksten nuttige te doen maar ook het tegenovergestelde, het niet nuttige.—Wat zegt gij daar?—Hetzelfde als gij, geloof ik. Maar wij willen het beter beschouwen.—Hebt gij niet toegestemd, dat de regering, wanneer zij de onderdanen beveelt, iets te doen, zich somtijds vergist omtrent hetgeen voor haar het nuttigste is, en dat het voor de onderdanen regtvaardig is te doen wat de regering beveelt. Hebt gij dat niet toegestemd?—Ik meen van ja.—Meen er dan bij, dat gij toegestemd hebt, dat het ook regtvaardig is het voor de overheden en de sterksten schadelijke te doen; want wanneer de overheden bijongeluk bevelen wat voor hen schadelijk is, en gij beweert, dat het regtvaardig is te doen, wat zij bevelen, volgt daar niet uit, o wijzeThrasymachus! dat het dan regtvaardig is het tegengestelde te doen van hetgeen gij zegt? Want dan wordt aan den minderen bevolen te doen wat voor den sterksten schadelijk is.—Dat volgt er duidelijk uit,Socrates! zeidePolemarchus.—Wel te verstaan, zoo gij helpt om het er uit te halen, zeideClitophon, het woord opnemende.—Die hulp is niet noodig, zeidePolemarchus; wantThrasymachuszelf erkent, dat de overheden somtijds wat voor hen nadeelig is bevelen, en dat het voor de onderdanen regtvaardig is dat te doen.—Dat volgt zeker,Polemarchus! omdatThrasymachusgesteld heeft, dat het regtvaardig is te doen, wat door de overheden bevolen wordt.—En omdat hij ook gesteld heeft,Clitophon! dat het voor den sterksten nuttige regtvaardig is, en na beiden gesteld te hebben, heeft toegestemd, dat de sterksten somtijds wat voor hen nadeelig is aan de minderen en onderdanen voorschrijven. Volgens al die stellingen toch is het voor den sterksten nuttige geen zier regtvaardiger dan het niet nuttige.—Maar, zeideClitophon, hij meende met het nuttige voor den sterksten hetgeen de sterkste nuttig voor zich oordeelt, en hij stelde, dat de mindere dit doen moet, en dat dit regtvaardig is.—Maar dat heeft hij niet gezegd, zeidePolemarchus.—Het doet er niets toe, zeide ik,Polemarchus! maar zooThrasymachushet nu zóó zegt, laat ons het dan maar zóó opvatten.
XIV.Zeg mij dan eens,Thrasymachus! hebt gij met de bepaling van het regtvaardige, als het voor den sterksten nuttige, slechts willen zeggen: wat aan den sterksten nuttig voorkomt, hetzij het zulks is of niet! moeten wij dat voor uw gevoelen houden?—Wel neen, zeide hij, maar denkt gij dan, dat ik iemand, diedwaalt, wanneer hij dwaalt, den sterksten noem?—Ik meende van ja, was mijn antwoord, daar gij hebt toegestemd, dat de overheden niet onfeilbaar zijn, maar zich somtijds vergissen.—Socrates!gij zijt een woordverdraaijer. Heet gij dan iemand arts, die zich omtrent de zieken vergist, voor zoover hij zich vergist, of iemand, die fout rekent, wanneer hij fout rekent, een rekenkundigen? Ik houd het daarvoor, dat wij alleen bij wijze van spreken zeggen, dat de arts, of rekenkundige, of letterkundige eene fout gemaakt heeft; maar dat eigenlijk ieder hunner, voor zoo ver hij dat is, wat wij hem noemen, nooit fout doet: zoodat, om naauwkeurig te spreken, daar gij toch zóó op naauwkeurigheid gesteld zijt, geen kunstenaar zich ooit vergist. Want fouten maakt ieder door dien zijne kunst hem ontschiet, dus door dien hij op dat oogenblik geen kunstenaar is; zoodat een kunstenaar, of wijze, of overheidspersoon zich nooit vergist, wanneer hij overheidspersoon, enz. is; hoewel ieder zegt: de arts heeft zich vergist en de overheid heeft zich vergist. Houd dan dit voor hetgeen ik heb willen zeggen. Dit nu druk ik letterlijk zóó uit, dat de overheid, als overheid, niet misdoet, en niet misdoende het voor haar nuttige beveelt, en dat de onderdaan dit doen moet. Zoodat ik, gelijk in den beginne, het regtvaardige bepaal als het voor den sterksten nuttige.
XV.Het zij zoo,Thrasymachus! zeide ik, maar vindt gij dat ik de woorden verdraai?—Wel zeker.—Meent gij dan, dat ik met kwade trouw en om u er te doen inloopen die vraag gedaan heb?—Neen, maar dat weet ik. Maar gij zult er niets mede vorderen; want ik zal uwe streken wel merken, en u dus beletten mij in het naauw te brengen.—Dat zal ik niet eens beproeven, mijn beste! Maar, om nu niet nog eens dezelfde grap te hebben, verzoek ik u te bepalen, of gij met dien overheidspersoon en dien sterksten, wiens voordeelde maatstaf is van het voor den minderen regtvaardige, den zoogenaamden of den eigenlijken bedoelt.—Ik bedoel hem, die in den allereigenlijksten zin overheidspersoon is. Verdraai dat nu, en vit er op, zoo gij kunt; want ik vraag u niet om verschooning. Maar gij zijt er niet toe in staat.—Denkt gij dan, dat ik dwaas genoeg ben, om een leeuw te willen scheren, of opThrasymachuste vitten?—Gij hebt het toch, met al uwe nietigheid, daar even beproefd.—Laat ons daar een speldje bij steken. Maar zeg mij: die arts in den eigenlijken zin van daar even, is dat een geldwinner of een genezer van zieken? Spreek nu van hem, die in waarheid arts is.—Een genezer van zieken.—En de stuurman? Is de goede stuurman een opperhoofd der schepelingen of een schepeling?—Een opperhoofd der schepelingen.—Wij moeten nu niet in aanmerking nemen, geloof ik, dat hij zelf op het schip is, noch hem daarom schepeling noemen; want wij noemen hem geen stuurman, omdat hij op het schip is, maar om zijne kunst en zijn gezag over de schepelingen.—Dat is waar.—Is nu niet voor ieder ding een bepaald iets nuttig?—Zekerlijk.—En is het niet de taak der kunst, voor ieder het nuttige te zoeken en te verschaffen?—Juist.—En is er nu ook voor iedere kunst iets nuttigs buiten haar, hetwelk zij noodig heeft, of is iedere voor zich zelve genoeg, om zoo volmaakt mogelijk te zijn?—Hoe meent gij dat?—Bij voorbeeld, wanneer gij mij vroegt, of het voor het ligchaam genoeg is ligchaam te zijn, dan of het iets bovendien noodig heeft; dan zou ik zeggen: Het heeft stellig iets bovendien noodig. Immers omdat het ligchaam dikwijls niet wel is, en aan zich zelf niet genoeg heeft, is de geneeskunst uitgevonden, en deze is er geheel op ingerigt, om aan hetzelve het nuttige te verschaffen. Vindt gij, dat deze bewering juist is, of niet?—Juist.—Maar is nu de geneeskunst ook nietwel, of heeft eenige kunst eene aanvulling noodig, zoo als de oogen het gezigt en de ooren het gehoor, en wordt er dus weder een kunst vereischt, om het voor haar nuttige te zoeken en te verschaffen? Is er ook in de kunst zelve een gebrek, en behoeft iedere kunst eene andere, om het voor haar nuttige op te sporen, en die andere weder eene derde, en zoo in het oneindige; of onderzoekt zij zelve het voor haar nuttige? of liever, behoeft noch zij zelve noch eene andere het voor haar gebrek nuttige op te sporen, daar geene kunst[12]eenige fout of gebrek heeft, en ook niet bestemd is, om voor iets anders dan voor hetgeen, waarvan zij de kunst is, het nuttige te zoeken; terwijl zij zelve goed en zonder gebrek en onzuiverheid is, zoo lang zij datgene is, wat zij eigenlijk wezen moet. Zie nu eens, wanneer gij alles in den eigenlijken zin neemt, of het zóó is, of anders.—Ik vind het zóó.—Dus zoekt de geneeskunst niet wat voor haar, maar wat voor het ligchaam nuttig is?—Ja.—En de kunst der paardenfokkerij zoekt niet het voor haar, maar het voor de paarden nuttige; en geene andere kunst zorgt voor zich zelve, want zij behoeft het niet, maar voor dat, waarvan zij de kunst is.—Dat vind ik ook, zeide hij.—MaarThrasymachus! de kunsten beheerschen en besturen datgene, waarvan zij kunsten zijn.—Ook dit stemde hij zeer schoorvoetende toe.—Dus zoekt of beveelt geene kunst wat voor den sterkeren en regerenden, maar wat voor den minderen en voor haren onderdaan nuttig is.—Ook dit gaf hij eindelijk toe, hoewel hij eerst nog tegenstribbelde. Toen hij het echter hadtoegegeven, zeide ik: Dus onderzoekt of beveelt geen arts, als arts, het voor hem, maar het voor den zieken nuttige; want wij hebben toegestemd, dat de arts in den eigenlijken zin een genezer, en in zooverre bestuurder der zieken is, maar geen geldwinner, niet waar?—Ja.—En dat de stuurman eigenlijk een opperhoofd der schepelingen, geen schepeling is?—Ja.—Dus zal dan ook zulk een stuurman en opperhoofd niet bevelen, wat voor den stuurman, maar wat voor den schepeling, die onder hem staat, nuttig is?—Dit stemde hij met moeite toe.—Dus,Thrasymachus! onderzoekt of beveelt ook niemand anders in eenigen overheidspost, voor zoover hij overheidspersoon is, wat voor hem, maar wat voor de onderdanen, wier belangen hij behartigt, nuttig is, en hun nut en voordeel houdt hij bij al zijne woorden en daden in het oog.
XVI.Toen wij nu zoover met ons gesprek gekomen waren, en allen duidelijk merkten, dat het oogpunt, waaruit de regtvaardigheid beschouwd werd, geheel veranderd was, zeideThrasymachusop eens, in plaats van te antwoorden:Socrates!hebt gij ook eene kindermeid?—Hoe zoo? zeide ik.—Wel, die verwaarloost u dan, terwijl uwe neus verstopt is, en snuit u niet, hoe zeer gij het noodig hebt, daar gij niet eens herders en schapen kunt onderscheiden.—Wat moet dat beduiden? zeide ik.—Niets anders, dan dat gij meent, dat de herders of ossendrijvers het nut van de schapen of ossen zoeken, en die met een ander doel vet maken en verzorgen dan ten voordeele van hunne heeren en van zich zelven, en dat de overheden in de steden, zoo zij waarlijk regeren, anders over de onderdanen denken dan een herder over de schapen, en dag en nacht iets anders zoeken dan hun eigen voordeel[13]. En gij zijt zoover van dewijs ten opzigte van het regtvaardige en de regtvaardigheid en het onregtvaardige en de onregtvaardigheid, dat gij niet merkt, hoe de regtvaardigheid en het regtvaardige goed en nuttig is voor een ander, namelijk voor den sterkeren en den regeringspersoon, maar louter nadeel voor den minderen en den onderdaan; terwijl daarentegen de onregtvaardige over die waarlijk onnoozelen en regtvaardigen heerscht, doch zij als onderdanen tot nut verstrekken voor hem, die sterker is, en door hunne diensten wel hem gelukkig maken, maar geenszins zich zelven. Maar, onnoozeleSocrates! gij moet het zóó beschouwen, om in te zien, dat een regtvaardig mensch overal minder heeft dan een onregtvaardige. Vooreerst zult gij bij den afloop van ondernemingen, die zij gemeenschappelijk hebben tot stand gebragt, nooit zien, dat de regtvaardige meer heeft dan de onregtvaardige, maar integendeel minder; verder betaalt een regtvaardige bij alle opbrengsten en belastingen meer van een gelijk vermogen, en de onregtvaardige minder, eindelijk, wint de eerste bij gunstige gelegenheden, om het geld van den staat op te steken, niets, en de andere veel. Immers wanneer beiden een overheidsambt bekleeden, gaan behalve andere schade de bijzondere zakenvan den regtvaardigen door verwaarloozing achteruit, en door zijne regtvaardigheid bekomt hij niets uit de schatkist, terwijl hij in haat komt bij zijne bloedverwanten en vrienden, omdat hij ze niet tegen de billijkheid wil bevoordeelen, maar de onregtvaardige heeft van dat alles het tegenovergestelde. Want ik heb hierbij het oog op iemand, die in de gelegenheid is, om groote winsten te doen. Zulk eenen moet gij dus beschouwen, zoo gij wilt oordeelen, hoe veel nuttiger het voor ieder afzonderlijk is onregtvaardig dan regtvaardig te zijn. En dit zult gij het duidelijkst inzien, wanneer gij het oog vestigt op de volkomenste onregtvaardigheid, en die den onregtvaardigen het allergelukkigst maakt, maar zijne slagtoffers en hen, die niet onregtvaardig willen handelen, het allerongelukkigst. Dit is de tiranny[14], die niet met stukjes en beetjes het goed van anderen in het geheim of gewelddadig ontvreemdt, maar het gewijde en het ongewijde, het goed van enkelen en van den staat met éénen slag inpakt. Wanneer iemand in één dier punten onregtvaardig handelt en dit niet kan verbergen, wordt hij gestraft, en moet groote schande verduren, want die zulke stukjes bedrijven, heeten heiligschenders, menschendieven, inbrekers, roovers, enz.; maar wanneer iemand niet slechts het geld zijner medeburgers maar hen zelve in zijne magt weet te krijgen, dan wordt hij, in plaats van die leelijke namen, door zijne medeburgers en door alle anderen, die hooren, dat hij de geheele onregtvaardigheid begaan heeft, een gunsteling van de fortuin genoemd; want men scheldt niet op de onregtvaardigheid, uit vrees voor het doen, maar voor het ondervinden van onregtvaardige handelingen. Zoo is dan,Socrates! de ten top gevoerde onregtvaardigheid sterker en vrijer enkoninklijker dan de regtvaardigheid, en, zoo als ik van den beginne zeide, het regtvaardige is het voor den sterkeren nuttige, maar de onregtvaardige behartigt zijn eigen nut en voordeel.
XVII.ToenThrasymachusdit gezegd had, was hij voornemens heen te gaan, nadat hij als een badknecht ons had overgoten met eene groote hoeveelheid van woorden. De aanwezigen echter lieten dit niet toe, maar drongen hem te blijven en van het gezegde rekenschap te geven. Ook ik voegde mijn dringend verzoek bij het hunne, en zeide:Thrasymachus!gij hebt daar zulk een belangrijk onderwerp ter tafel gebragt, en wilt nu heengaan, voor dat gij behoorlijk met ons hebt onderzocht, of het zóó is, of anders. Of meent gij een punt van ondergeschikt belang te hebben aangeroerd, en niet het beginsel, waarnaar ieder onzer zijn leven moet inrigten, om het meeste geluk te genieten?—Maar denk ik er dan anders over? zeide hij.—Het schijnt zoo, zeide ik, tenzij wij u onverschillig zijn, en het u niet schelen kan, of wij beter of slechter leven, nu wij onkundig zijn van hetgeen gij zegt te weten. Maar mijn beste! wees zoo goed dit ook aan ons te verklaren; het zal u geen kwaad doen, zoo gij ons, zoo velen als wij zijn, eene weldaad bewijst. Want ik voor mij verzeker u, dat ik u niet geloof en niet van gevoelen ben, dat de onregtvaardigheid voordeeliger is dan de regtvaardigheid, zelfs wanneer men haar laat begaan en niet verhindert in hetgeen zij doen wil. Maar, mijn vriend, stel dat iemand onregtvaardig is, en òf in ’t verborgen òf door zijne magt gerust onregtvaardig kan handelen; toch overtuigt hij mij niet, dat onregtvaardigheid voordeeliger is dan regtvaardigheid. Ditzelfde is welligt met nog anderen dan mij het geval. Overtuig ons dan naar behooren, dat wij verkeerd doen, zoo wij de regtvaardigheid boven de onregtvaardigheid verkiezen.—Maarhoe zal ik u overtuigen? zeide hij. Want zoo gij door het gezegde niet overtuigd zijt, wat kan ik dan verder doen? Moet ik dan die denkbeelden in uwe ziel ingieten?—Wel neen! dat niet; maar vooreerst, blijf bij uwe grondstellingen, of zoo gij die verandert, geef dat dan duidelijk te kennen en zoek ons niet te foppen. Nu echter ziet gij,Thrasymachus! want wij moeten het vorige nog eens in het oog vatten, dat gij, na van den arts in den eigenlijken zin gesproken te hebben, den herder niet meer in den eigenlijken zin hebt willen nemen, maar beweert, dat hij, voor zoo ver hij herder is, de schapen niet weidt, ten einde hun nuttig te wezen, maar als een smulpaap, die plan heeft een goeden schapenbout te eten, of als een koopman, die ze verkoopen wil; niet als een herder. En toch heeft de herderskunst geen ander doel dan hetgeen haar toevertrouwd is, zoo goed mogelijk te maken, terwijl zij zelve, wat hare eigenaardige voortreffelijkheid aangaat, genoeg is toegerust, om tot het zijn van herderskunst niets anders noodig te hebben. Evenzoo hield ik het nu ook voor ons noodzakelijk toe te stemmen, dat alle overheid in elk vak van bestuur, voor zoo ver zij overheid is, niemands voordeel zoekt dan dat van den onderdaan, die haar is toevertrouwd. Of meent gij, dat de overheden in de steden, voor zoover zij wezenlijk overheden zijn, uit eigen verkiezing het bewind voeren?—Neen, zeide hij, maar dat weet ik zeker.
XVIII.Maar,Thrasymachus! merkt gij dan niet, dat geen overheidspersoon uit vrije beweging het bewind voert, maar allen loon vorderen, daar niet zij, maar de onderdanen, bij hunne regering belang hebben? Zeg mij dan eens dit. Beweren wij niet, dat iedere kunst zich daardoor van de anderen onderscheidt, dat zij eene verschillende strekking heeft? Antwoord mij nu niet tegen uwe meening, opdat wij vooruitkomen.—Ja daardooronderscheidt zij zich.—En verschaft iedere kunst niet een aan haar alleen eigen voordeel, b. v. de geneeskunst gezondheid, de stuurmanskunst veiligheid op zee, en de andere evenzoo?—Ja.—En zoo ook de kunst van geldverdienen geld, want dat is hare strekking[15]. Of houdt gij de geneeskunst en de stuurmanskunst voor één en dezelfde? en zoo gij alles, zoo als is afgesproken, in den eigenlijken zin neemt, onderscheidt gij ze dan niet veel meer, al wordt ook soms een stuurman door de zeelucht gezond?—Ja zeker onderscheid ik ze.—En evenmin, denk ik, verwart gij de kunst van geldverdienen met de geneeskunst, al verdient iemand geld door het geven van geneesmiddelen?—Wel neen.—En hebben wij niet toegestemd, dat iedere kunst hare eigenaardige nuttigheid heeft?—Ja.—Wanneer dus alle kunstenaars een gelijksoortig voordeel genieten, dan is het duidelijk, dat zij allen daartoe buiten hunne kunst nog een gelijksoortig middel aanwenden.—Het schijnt zoo.—Wij moeten dus zeggen, dat de kunstenaars geldverdienen en hunvoordeel doen, door de kunst van geldverdienen bij hunne andere bezigheid uit te oefenen.—Dit stemde hij schoorvoetend toe.—Derhalve heeft ieder, die geld verdient, dit voordeel niet van zijne kunst, maar, wanneer alles in den eigenlijken zin moet genomen worden, dan veroorzaakt de geneeskunst gezondheid, en de kunst van geldverdienen geld; de bouwkunst woningen, en de kunst van geldverdienen, die met haar te gelijk wordt uitgeoefend, geld; en aldus doen ook de overigen ieder haar werk, en behartigen het voordeel van hetgeen haar is toevertrouwd. Maar zoo zij niet om loon worden uitgeoefend, heeft dan de kunstenaar wel eenig nut van zijne kunst?—Ik zou zeggen, neen.—En doet hij ook geen nut wanneer hij voor niet werkt?—Dat wel.—Dus is het dan nu duidelijk,Thrasymachus! dat geene kunst en geene overheid haar eigen voordeel zoekt, maar, zoo als wij reeds gezegd hebben, de zaken van den onderdaan besturende, daarbij het nut van hem, die minder is, op het oog heeft, niet dat van den sterksten. Daarom, vriendThrasymachus! zeide ik daar even, dat niemand uit eigen verkiezing het bewind voeren en de verwarde zaken van anderen wil in orde brengen, maar dat zij loon vorderen, daar hij, die goed eene kunst uitoefent, daarbij nooit zijn eigen voordeel, maar veeleer dat van het voorwerp der kunst bevordert, waarom ook als drangreden tot het aannemen van overheidsambten loon, b. v. geld, of eer, of boete, zoo men het afslaat, noodzakelijk is.
XIX.Hoe meent gij dat,Socrates! zeideGlauco. Want de twee eerste soorten van loon ken ik, maar ik vat niet, wat gij met die boete meent, en hoe gij haar mede rekent bij het spreken over loon.—Dus, zeide ik, vat gij het loon niet der uitstekendsten, om hetwelk de besten het bestuur aanvaarden? Of weet gij niet, dat geldgierigheid en eerzucht gewoonlijk wordt afgekeurd?—Jaik.—Daarom willen de goeden niet om geld of eer het bewind voeren; want zij willen niet door openlijk geld aan te nemen, of het zich heimelijk toe te eigenen, den naam van huurlingen of van dieven bekomen; en evenmin om eer, want zij zijn niet eerzuchtig. Dus wordt er dwang en boete vereischt, om hen tot het aannemen van het bestuur te noodzaken, en daarom schijnt men het schandelijk te vinden, zoo iemand uit eigen beweging eene overheidsbetrekking zoekt, en niet wacht tot hij gedwongen wordt die aan te nemen. Nu bestaat de grootste boete daarin, dat zij, zoo zij niet zelve regeren willen, in de magt komen van minder goeden dan zij, en uit vrees daarvoor, geloof ik, dat de goeden het bewind op zich nemen. En dan aanvaarden zij het niet als iets goeds, dat hun veel genoegen zal verschaffen, maar als iets onvermijdelijks, en dat zij niet aan anderen, die er even goed of beter voor berekend zijn, kunnen opdragen. Daarom denk ik, dat, zoo er eens een staat van enkel goede menschen bestond, het niet regeren daar evenzeer zou gezocht worden als tegenwoordig het regeren, en dat het dan zou blijken, dat de ware regent niet zijn nut zoekt, maar dat van den onderdaan, en bij gevolg ieder verstandig mensch liever onder het bestuur van anderen wil staan, dan zich zelven met het bewind te belasten. Zoo geef ik dan geenszins aanThrasymachustoe, dat het regtvaardige het voor den sterksten nuttige is; doch hierover nader, want watThrasymachusnu zegt, dat het leven van den onregtvaardigen veel beter is dan dat van den regtvaardigen, vind ik van veel meer gewigt. Daarom vraag ik u,Glauco! wat gij verkiest, en wat u het meest met de waarheid schijnt overeen te komen.—Dat het leven van den regtvaardigen voordeeliger is.—Maar gij hebt toch gehoord, hoe vele voorregten der onregtvaardigheidThrasymachusdaar even opsomde.—Ja wel, maar ik geloofhem niet.—Willen wij hem dan trachten om te praten, zoo wij kans zien aan te toonen, dat zijne meening verkeerd is.—Gaarne.—Zoo wij dan, hem tegensprekende, stelling tegen stelling zetten en de voorregten der regtvaardigheid opsommen, en dan hij weer, en wij vervolgens nog eens, dan is het noodig de voorregten aan weerskanten te tellen en te wegen, en dan moeten er regters zijn om vonnis te vellen; maar zoo wij het, gelijk daareven, punt voor punt zamen trachten eens te worden, dan zullen wij regters en redenaars tevens zijn.—Juist.—Wat bevalt u dan nu het beste?—Het laatste zeide hij[16].—
XX.Komaan dan,Thrasymachus! zeide ik, antwoord ons eens van voren af aan. Gij beweert dus, dat de volmaakte onregtvaardigheid voordeeliger is, dan de volmaakte regtvaardigheid.—Ja zeker, beweer ik dat, en ik heb reeds gezegd, waarom.—Maar hoe stelt gij het dan hiermede? Noemt gij niet de ééne deugd, de andere ondeugd?—Natuurlijk.—Immers de regtvaardigheid deugd en de onregtvaardigheid ondeugd?—Waarschijnlijk,zeide hij, omdat ik de onregtvaardigheid voor nuttig, de regtvaardigheid voor nutteloos houd.—Maar hoe dan?—Het tegenovergestelde.—Noemt gij dan de regtvaardigheid ondeugd?—Neen, maar naïve onschuld.—En dan de onregtvaardigheid zeker schuld.—Neen, maar schranderheid.—Dus,Thrasymachus! houdt gij de onregtvaardigen voor schrander en goed?—Ja, zoo zij volkomen onregtvaardig kunnen zijn, en steden en volken aan zich kunnen onderwerpen. Of meent gij, dat ik van zakkenrollers spreek? Dat is ook wel voordeelig, zoo het verborgen blijft, maar het kan bij het andere niet halen.—Ik begrijp zeer goed, wat gij bedoelt; maar het bevreemdt mij, dat gij de onregtvaardigheid als deugd en wijsheid en de regtvaardigheid als het tegenovergestelde beschouwt.—En toch doe ik dat.—Dit is nog sterker dan het vorige, mijn vriend! en waarlijk niet ligt om tegen te spreken. Want zoo gij steldet, dat de onregtvaardigheid nuttig is, maar ze toch, gelijk anderen, voor ondeugd en voor iets schandelijks hieldt, dan konden wij er op de gewone wijs nog iets tegen zeggen; nu echter merk ik, dat gij zeggen wilt, dat zij schoon en sterk is, en haar ook al de andere eigenschappen zult toekennen, die men gewoonlijk aan de regtvaardigheid toekent, daar gij haar als deugd en wijsheid hebt durven beschouwen.—Dat raadt gij goed.—En toch moeten wij niet aarzelen uwe bewering te onderzoeken, zoo lang wij ten minste gelooven, dat gij in ernst spreekt. Want,Thrasymachus! ik geloof nu waarlijk, dat gij niet schertst, maar wat gij zegt, inderdaad voor waarheid houdt[17].—Wat raakthet u, of ik het voor waarheid houd of niet; weerleg maar wat ik gezegd heb.—Het raakt mij eigenlijk niet, zeide ik. Maar beproef mij nu nog hierop te antwoorden. Gelooft gij, dat een regtvaardige meer dan een regtvaardige zou willen hebben?—Wel neen! want dan was hij niet beleefd en onschuldig.—En meer, dan hij door regtvaardige daden bekomen kon?—Ook niet.—En zou hij meer willen hebben dan een onregtvaardige, en dat regtvaardig vinden of niet?—Hij zou het wel zoo vinden en willen, maar niet kunnen.—Dat vraag ik niet, maar of niet een regtvaardige evenveel als een regtvaardige en meer dan een onregtvaardige zou willen hebben.—Ja, zoo is het.—En zou een onregtvaardige niet meer dan een regtvaardige en dan door regtvaardige middelen verkregen wordt, willen hebben?—Natuurlijk, daar hij meer dan alle anderen zou willen hebben.—En zal dan ook een onregtvaardige niet meer willen hebben dan een onregtvaardige en dan hetgeen hij door onregtvaardige middelen bekomt, en zal hij niet zijn best doen, om zelf het meest van allen te bekomen?—Juist.—
XXI.Dus zeggen wij dan aldus: De regtvaardige begeert niet meer te hebben dan de aan hem gelijke, maar wel dan de ongelijke, doch de onregtvaardige begeert meer te hebben dan de gelijke en dan de ongelijke.—Goed gezegd.—En de onregtvaardige is wijs en goed, maar de regtvaardige geen van beiden.—Ook dat is juist.—En gelijkt ook de onregtvaardige niet op den wijzen en goeden, maar de regtvaardige op geen van beiden.—Het spreekt van zelfs, dat, die zóó is, ook daarop gelijken moet; en, die zóó niet is,niet.—Best. Dus is ieder hunner zoodanig als die, waarop hij gelijkt.—Maar wat moet dat?—Vooreerst nog niets. Maar,Thrasymachus! gij maakt immers onderscheid tusschen bedrevenen en onkundigen in de muzijk?—Ja.—Wien noemt gij wijs, en wien niet wijs?[18]—Den bedrevenen noem ik wijs, den onkundigen niet wijs.—En voor zoo ver hij wijs is goed, voor zoo ver hij niet wijs is slecht?—Ja.—En oordeelt gij niet eveneens over de al of niet bedrevenen in de geneeskunst?—Ja.—Maar gelooft gij dan nu, mijn beste! dat een bedrevene in de muzijk bij het spannen of los maken van de snaren verlangen zou, of aanspraak zou maken, om meer te hebben dan een bedrevene?—Wel neen.—En meer dan een onkundige?—Ja zeker.—En een geneeskundige, zou die ten opzigte van eten of drinken meer willen hebben dan een geneeskundige of dan hetgeen de geneeskunst voorschrijft?[19]—Zeker niet.—Maar wel meer dan de onbedrevene?—Ja.—En zie dan eens bij elke kunst en elk gebrek aan kunst, of eenig kenner iets meer zou willen doen of zeggen dan een ander kenner, dan wel of hij bij dezelfde handeling even veel zou willen hebben als de aan hem gelijke.—Het laatste is onvermijdelijk, geloof ik.—Maar zou niet de onkundige meer willen hebben niet alleendan de kundige, maar ook dan de onkundige?—Waarschijnlijk.—En de kennende is wijs?—Ja.—En de wijze goed?—Ja.—Dus zal de goede en wijze niet meer willen hebben dan de aan hem gelijke, maar wel dan de ongelijke en tegengestelde.—Het schijnt zoo.—En de slechte en onwetende wil meer hebben dan de gelijke en dan de tegengestelde?—Waarschijnlijk.—Edoch,Thrasymachus! zagen wij niet, dat de onregtvaardige meer wil hebben dan de ongelijke en dan de gelijke? of hebt gij dat niet beweerd?—Ja.—En dat de regtvaardige niet meer wil hebben dan de gelijke, maar wel dan de ongelijke?—Ja.—Dus gelijkt de regtvaardige op den wijzen en goeden, de onregtvaardige op den slechten en onwetenden.—Ja.—Edoch wij kwamen overeen, dat ieder was, zoo als die, waarop hij geleek.—’t Is waar.—Dus blijkt het, dat de regtvaardige goed en wijs is, maar de onregtvaardige onwetend en slecht[20].
XXII.Dit alles gafThrasymachuswel toe, doch niet zoo gemakkelijk als ik het nu vertel, maar gedwongen en op zijn best, terwijl hij geweldig zweette, door dien het heel warm was. Toen zag ik ook, wat ik nog nooit gezien had, datThrasymachuseen kleur kreeg.
Nadat wij het waren eens geworden, dat de regtvaardigheid deugd en wijsheid, maar de onregtvaardigheid slechtheid en dwaasheid is, zeide ik: dit hebben wij dus uitgemaakt, maar is er ook niet gezegd, dat de onregtvaardigheid sterk is? Herinnert gij u dat nog,Thrasymachus?—Ja, zeide hij, maar wat gij nu zegt bevalt mij niet, en ik heb er heel wat tegen in te brengen; doch ik weet dat, zoo ik het doe, gij zeggen zult, dat ik doorsla[21]. Laat mij dus spreken zoo veel als ik wil, of, zoo gij vragen wilt, vraag dan, en dan zal ik als tegen een oud wijf, dat spookhistories vertelt, ja zeggen en knikken of schudden.—Volstrekt niet tegen uwe overtuiging in, zeide ik.—Zoo als gij wilt, daar gij mij niet laat uitpraten. Maar wat kunt gij meer verlangen?—Niets, maar, wanneer gij dit doen wilt, zoo doe het; dan zal ik vragen.—Vraag op!—Dan vraag ik, om alles geregeld te overzien, hetzelfde als daareven, namelijk, wat de verhouding is van de regtvaardigheid tot de onregtvaardigheid. Want er is gezegd, dat de onregtvaardigheid sterker is dan de regtvaardigheid, maar, nu de regtvaardigheid wijsheid en deugd is, zal het gemakkelijk blijken, dat zij sterker is dan de onregtvaardigheid, dat is dan de domheid. Niemand zou daar eigenlijk zwarigheid in zoeken, doch,Thrasymachus! ik wil het niet zoo eenvoudig hebben, maar het liever aldus beschouwen. Stemt gij toe, dat er onregtvaardige staten zijn, en dat de eene staat den anderen, ja vele anderen, onregtvaardig verdrukken kan?—Zekerlijk. En dit zal de beste en die het meest volmaakt onregtvaardig is, het meest doen.—Juist, zeide ik, dat volgt uit uwe vorige stellingen. Maar letnu eens hier op. Kan een staat zonder regtvaardigheid de overmagt krijgen, en behouden, of heeft hij daartoe regtvaardigheid noodig?—Zoo de regtvaardigheid, gelijk gij daar even gezegd hebt, wijsheid is, dan heeft hij haar noodig, maar, volgens mijne leer, onregtvaardigheid.—Ik ben in mijn schik,Thrasymachus! dat gij niet alleen knikt en schudt, maar heel mooi antwoordt.—Dat doe ik om u genoegen te geven.—Daar doet gij goed aan, ga zoo voort en zeg mij, of gij meent dat een staat, of een leger, of eene rooverbende, of eenige andere troep, die met gemeenschappelijke krachten eenig onregt wil uitvoeren, iets zou kunnen verrigten, zoo de deelgenooten van die onderneming elkander onregt aandeden.—Wel neen.—Dus zeker meer, zoo zij elkander geen onregt deden.—Ja zeker.—De onregtvaardigheid brengt dan ook twist voort,Thrasymachus! en haat en tweedragt, maar de regtvaardigheid eensgezindheid en vriendschap: niet waar?—Het zij zoo! om u niet tegen te spreken.
XXIII.Goed, zeide ik, mijn beste! zeg mij nu dit nog. Zoo de onregtvaardigheid waar zij komt haat veroorzaakt, zal zij dan niet bij slaven en vrijen door hare verschijning haat en tweedragt verwekken, en het onmogelijk maken iets gemeenschappelijk te verrigten?—Noodzakelijk.—En wanneer zij bij twee personen ontstaat, zullen die dan niet overhoop raken en elkander en den regtvaardige tot vijanden zijn?—Ja.—Maar, mijn vriend! zoo nu de onregtvaardigheid bij één persoon ontstaat, verliest zij dan hare kracht, of heeft zij die behouden?—Zij heeft die behouden.—En blijkt die kracht niet daarin te bestaan, dat zij wat haar opneemt, hetzij een staat, of een geslacht, of een leger of wat dan ook, vooreerst door innerlijke tweedragt buiten staat stelt, om zelf iets uit te rigten, en ze vervolgens tegen zich zelven en tegen alle anderen, vooral deregtvaardigen, vijandig maakt?—Ja.—En wanneer zij in één persoon wordt opgenomen, zal zij dan niet alles veroorzaken, wat uit haren aard volgt, en hem vooreerst verhinderen te handelen, doordien hij met zich zelven in strijd is, en vervolgens tegen zich zelven en tegen alle anderen, vooral tegen de regtvaardige, vijandig maken; niet waar?—Ja.—En de Goden zijn immers ook regtvaardig, mijn vriend?—Och ja wel, zeide hij.—Dus zal de onregtvaardige een vijand der Goden zijn,Thrasymachus! en de regtvaardige hun vriend.—Vermaak u gerust met die redenering, ik zal u niet tegenspreken, om bij hen niet in ongunst te komen[22].—Komaan! voltooi dan mijn vermaak door zóó te blijven antwoorden. Wij hebben nu gezien, dat de regtvaardigen wijzer en beter zijn, en meer in staat om te handelen, ja, dat de onregtvaardigen niets gezamenlijk kunnen verrigten; en dat, zoo eenige personen gezamenlijk eene moeijelijke daad volvoeren, wij ze niet volkomen onregtvaardig kunnen noemen, daar zij dan elkander niet met rust zouden laten, maar er onder hen nog eenige regtvaardigheid moet aanwezig zijn, waardoor zij ten minste elkander niet te gelijk met hunne slagtoffersonregtvaardig behandelen, en waardoor zij dat uitvoeren, wat zij nog uitvoeren; zoodat zij wel onregtvaardige daden ondernemen, maar toch slechts half bedorven zijn, daar de geheel bedorvenen en volkomen onregtvaardigen volstrekt niets kunnen uitvoeren. Dat dit zoo is begrijp ik heel goed, maar niet zoo als gij in het begin gesteld hebt. Nu moeten wij echter nog onderzoeken, wat wij tot nu toe bewaard hebben, of de regtvaardigen een beter leven hebben en gelukkiger zijn, dan de onregtvaardigen.
Uit het gezegde zou het reeds volgen, geloof ik, maar wij moeten het toch beter onderzoeken. Want wij spreken niet over koetjes en kalfjes, maar over de wijze, waarop men leven moet.—Onderzoek het dan maar.—Komaan! zeg mij dan, of gij oordeelt, dat een paard zijn eigen werk heeft.—Ja.—En verstaat gij door het werk van een paard of van iets anders, niet dat, wat daarmede alleen of althans het best kan uitgevoerd worden?—Dat begrijp ik niet.—Zóó dan! Kunt gij met iets anders zien dan met de oogen?—Neen.—En met iets anders hooren, dan met de ooren?—Neen.—Dus kunnen wij dat als het werk dier zintuigen aanmerken.—Ja.—Zoudt gij niet met een zwaard en eene zeis de ranken van een wijnstok kunnen afsnijden?—Och ja.—Maar nergens beter mede, geloof ik, dan met een snoeimes, dat daarvoor gemaakt is.—Natuurlijk.—Dus kunnen wij dat als deszelfs werk beschouwen?—Juist.
XXIV.Nu zult gij, geloof ik, beter kunnen begrijpen, wat ik daareven vroeg, of ieders werk niet dat is, wat daardoor alleen of althans het beste kan verrigt worden.—Ja, nu begrijp ik het, en dat houd ik ook voor ieders werk.—Goed. En heeft ook niet alles, wat een bepaald werk heeft, eene bepaalde deugd? Wij willen dezelfde voorbeelden gebruiken. De oogen hebbenimmers een werk?—Ja.—En hebben zij ook eene deugd?—Zeker.—En ook de ooren hebben werk?—Ja.—En deugd?—Ook deugd.—En geldt ditzelfde niet van alle andere dingen?—Ja.—En zouden nu de oogen hun werk goed kunnen verrigten, zoo zij hunne deugd niet hadden, maar in plaats daarvan ondeugd?—Wel neen, want gij meent, denk ik, blindheid in plaats van gezigt.—Ja, want dat is hunne deugd, en het komt er hier op aan, of niet al wat werkt door zijne deugd, zijn werk goed zal verrigten, en door zijne ondeugd, slecht.—Dat is waar.—Dus zullen ook de ooren, zoo zij hunne deugd missen, hun werk slecht verrigten?—Natuurlijk.—En datzelfde kunnen wij dus op alle dingen toepassen?—Ik vind van ja.—Komaan dan! onderzoek nu dit nog. Heeft ook de ziel een werk, dat door niets beter dan door haar kan gedaan worden? b. v. verzorgen, en besturen, en raadplegen en wat dies meer zij, zou men dat wel met regt aan iets anders dan aan de ziel als eigen werk kunnen toeschrijven?—Wel neen!—En het leven, is dat ook niet een werk van de ziel?—Zekerlijk.—En heeft de ziel ook niet hare deugd?—Ja.—En,Thrasymachus! zal eene ziel ooit haar werk goed verrigten, zoo zij van hare deugd verstoken is, of is dat onmogelijk?—Dat is onmogelijk.—Dus moet men met eene slechte ziel slecht besturen en verzorgen, maar met eene goede ziel alles goed doen.—Noodzakelijk.—En zijn wij het niet eens geworden, dat de regtvaardigheid deugd der ziel is, maar de onregtvaardigheid ondeugd?—Ja.—Dus zal de regtvaardige ziel en de regtvaardige mensch goed leven, maar de onregtvaardige slecht.—Dat schijnt zoo, volgens uwe redenering.—Edoch die goed leeft is gelukkig, die kwaad leeft ongelukkig.—Natuurlijk.—Dus is de regtvaardige gelukkig, de onregtvaardige ongelukkig.—Het zij zoo.—Maar ongelukkigte zijn is niet voordeelig, gelukkig te zijn wel.—Dat spreekt.—Dus, mijn goedeThrasymachus! is de onregtvaardigheid nooit voordeeliger dan de regtvaardigheid.—Vermaak u daarmede op de Bendidien,Socrates!—En dat vermaak heb ik aan u te danken,Thrasymachus! daar gij goed op mij geworden zijt en uwe drift hebt doen bedaren. Ik ben echter door mijne, niet door uwe schuld, nog niet tevreden, maar gelijk gulzige menschen van alles, wat wordt rondgedragen, willen proeven, voordat zij het vorige nog goed genoten hebben, zoo vind ik, dat ook wij, voordat wij het eerste punt, wat regtvaardigheid is, goed hadden uitgemaakt, dat hebben laten loopen en zijn gaan onderzoeken, of zij ondeugd en domheid, of deugd en wijsheid is, en ons vervolgens door de vraag, of de onregtvaardigheid nuttiger is, dan de regtvaardigheid, hebben laten wegslepen, en het vorige hebben laten loopen, zoodat ik nu eigenlijk uit dit gesprek nog niets weet. Want zoo lang ik niet weet, wat de regtvaardigheid is, zal ik moeijelijk kunnen oordeelen, of zij eene deugd is of niet, en hij, die haar heeft, ongelukkig is of gelukkig.