NEGENDE BOEK.
I.Nu blijft ons, geloof ik, nog over den tirannischen man te beschouwen en te zien, hoe hij uit den democratischen voorkomt, hoedanig hij is, en of zijn leven gelukkig heeten moet.—Ja, hij is nog over.—Weet gij nu, wat mij nog niet voldoet?—Wat meent gij?—Wij hebben den aard en de kracht der begeerte niet genoeg uiteengezet; en als dit gebrekkig is behandeld, zal hetgeen wij zoeken niet duidelijk worden.—Maar dat is immers nog te verhelpen?—Wel zeker; let maar eens op, wat ik wil nasporen. Het is dit. Van de niet noodzakelijke vermaken en begeerten houd ik sommige voor onwettig, en geloof, dat zij wel in alle menschen opkomen, maar door de wetten en de betere begeerten met behulp der rede onderdrukt, sommigen geheel verlaten, of althans bij hen zeer gering en zwak worden, bij anderen daarentegen sterker en meer zijn.—Welke bedoelt gij daarmede?—Die in den slaap voor den dag komen; want wanneer het redelijke, zachtzinnige, heerschende deel der ziel rust, maar het dierlijke en wilde, vooral na veel eten of drinken, zich verheft, en den slaap van zich afwerpt, en poogt heen te gaan en zijne natuur uit te vieren, dan weet gij, dat het alles durft doen, en zich van alle schaamte en ingetogenheidlosmaakt. Dan toch ziet men er, in den droom, geen zwarigheid in, om bij zijne moeder, bij beesten of bij goden te liggen, of om moord te bedrijven, of verbodene spijzen[146]te eten; met één woord, dan wordt er geene dwaasheid of onbeschaamdheid nagelaten.—Dat zegt gij volkomen naar waarheid.—Maar wanneer iemand bij gezonden toestand en matige levenswijs zich te slapen legt, na zijne rede gewekt en met schoone redeneringen en bespiegelingen gevoed te hebben, en tot volkomen bewustheid van zich zelven gekomen te zijn; terwijl de begeerte door gebrek noch overmaat is geprikkeld, opdat zij zich rustig houde en het beste deel der ziel door hare blijdschap of smart niet beroere, maar dat op zich zelf late nadenken, en naar kennis van ’t verledene, tegenwoordige of toekomende streven; en wanneer hij evenzoo het driftige getemd heeft, en bij zijn slapen gaan op niemand boos was, maar die twee deelen der ziel tot kalmte gebragt, en het derde, de zitplaats van het verstand, opgewekt hebbende, zich ter ruste begeeft: dan komt hij het digtst aan de waarheid, en dan zijn de droomen het minst onwettig.—Dat is volkomen waar.—Dit hebben wij nu wat heel uitvoerig besproken, maar onze meening is deze, dat in ieder, hoe ingetogen hij zich voordoe, eene schrikkelijke, woeste, wettelooze soort van begeerten huisvest, die onder het droomen voor den dag komt. Zie eens, of gij vindt dat ik gelijk heb?—Ik vind van ja.—
II.Herinner u nu nog eens, hoe wij gezegd hebben, dat het karakter is van den democratischen man. Hij was ontstaan uit eenen jongeling, opgevoed door eenen gierigen vader, die alleen de nuttige begeerten goedkeurde, en de niet noodzakelijke, maar slechts naar spel ensieraad hakende verachtte: niet waar?—Ja.—En door om te gaan met aardiger lieden, en die vol waren van de daareven vermelde begeerten, kreeg hij neiging tot allerlei overmoed en tot het aannemen van hunne zeden, daar de gierigheid zijns vaders hem tegenstond; maar, daar bij van natuur beter was dan zijne bedervers, en van twee kanten getrokken werd, koos hij een middelweg, en, naar hij meende, de juiste maat houdende, leefde hij niet bekrompen noch slecht en werd van oligarchisch democratisch.—Ja, zoo was en is nog tegenwoordig het algemeene oordeel over zulk een mensch.—Stel nu, dat hij ouder geworden zijnde, weer een jongen zoon heeft, die in zijne zeden is opgevoed.—Best.—Stel nu verder, dat het dezen evenzoo gaat als zijnen vader, dat hij tot alle losbandigheid wordt aangezet, en dat deze door hen, die hem aanzetten, vrijheid genoemd wordt; en dat zijn vader en overige nabestaanden die matige begeerten te hulp komen, maar dat die anderen, die knappe toovenaars en tirannenfabriekanten, daartegen in werken, en, vreezende den jongeling te zullen verliezen, zijne matige begeerten weten te doen zwichten voor den wellust, die met regt bij een gevleugelden grooten hommel kan vergeleken worden.—Juist.—En wanneer dan nu de andere begeerten rond dien hommel gonzen, en bedwelmd door reukwerk, balsem, kransen, wijn en wat meer bij die losbandige vermaken behoort, hem steeds grooter maken en voeden, en van den angel des verlangens voorzien; dan wordt dat opperhoofd der ziel door de driften als lijfwacht gediend en viert aan zijne woede den teugel, en doodt of verbant alle nog aanwezige goede en schaamachtige meeningen en begeerten, tot dat hij de ziel van alle ingetogenheid gezuiverd en haar met dolheid vervuld heeft.—Dat is volmaakt de geboorte van een tirannisch mensch.—En wordt niet om diezelfde reden de wellust reeds door de oudeneen tiran genoemd?—Waarschijnlijk.—En heeft ook een beschonken mensch niet eenigzins een tirannischen aard?—Ongetwijfeld.—En een razende en half krankzinnige poogt en hoopt niet slechts over menschen maar zelfs over goden te heerschen.—Wel zeker.—Zoo wordt dan een mensch volkomen tirannisch, wanneer hij van natuur, of door levenswijs, of door beiden aan wijn en wellust verslaafd en zwartgallig geworden is.—Ongetwijfeld.—
III.Zoo wordt zulk een man dus gevormd, maar hoe leeft hij?—Dat moet gij maar liever zeggen.—Komaan dan! Zij, wier ziel door den wellust beheerscht wordt, vieren, geloof ik, in ’t gezelschap van hoeren feesten, drinkgelagen, smulpartijen, enz.—Dat spreekt.—En dan komen er iederen dag en nacht vele nieuwe, hevige begeerten te voorschijn, die heel wat vertering te weeg brengen.—Ja, die komen er in menigte.—En daardoor worden hunne inkomsten spoedig opgemaakt.—Natuurlijk.—En daaruit komen dan weer schulden en achteruitgang voort.—Dat kan niet anders.—En als alles op is, dan schreeuwen natuurlijk die vele en sterke begeerten om voldoening, en dan wordt zulk een mensch én door de andere begeerten, én vooral door den wellust als met prikkels voortgedreven, en zoekt in zijne razernij, wien hij door list of geweld kan berooven, om maar geld te bekomen.—Zoo gaat het.—En dan is hij in de noodzakelijkheid om óf van alle kanten geld zamen te slepen, óf door onvaldane begeerten rampzalig gekweld te worden.—Dat kan niet anders.—En dan zal bij, gelijk de later bijkomende begeerten de vroegere in zijne ziel van het hunne beroofd hebben, zijn vader en moeder willen berooven en plukken, nadat hij zijn eigen vermogen heeft doorgebragt.—Ongetwijfeld.—En als dezen dat niet toelaten, zal hij dan niet eerst zijne ouders trachten tebestelen en te bedriegen?—Ja.—En als dat niet gaan wil, berooft en plundert hij ze met geweld.—Dat is denkelijk.—En als nu die oude lieden zich daartegen verzetten, zal hij zich dan van tirannieke daden onthouden?—Ik heb niet veel moed ten opzigte van zijne ouders.—Maar zal hij dan om een hoer, die hij onlangs heeft lief gekregen en best missen kan, zijne ouders, zijne oudste en onmisbaarste vrienden, slaan en als slaven behandelen?—Dat zal hij.—Het is toch rampzalig een tirannischen zoon ter wereld te brengen!—Dat is het wel.—En als hij nu van zijne ouders niet meer halen kan, en een groote zwerm van begeerten zich in hem heeft gevestigd, dan zal hij in een huis zoeken in te breken, of ’s nachts de voorbijgangers te berooven, en vervolgens zelfs de tempels bestelen; en onder dit alles zullen de begrippen zijner jeugd over goed en kwaad verdrukt worden door de lijfwachters van den wellust, die onlangs losgebrokene begeerten, welke vroeger, toen hij nog democratisch was en door zijn vader en de wetten bestuurd werd, slechts in den droom losbraken; en onder de tiranny van den wellust zal hij steeds zoodanig wezen als hij vroeger soms in den droom was, en geen moord, heiligschennis of gruweldaad ontzien; maar de wellust, zelf als opperheer zich aan niets storende, zal hem, die zijn slaaf is, als een werkelijk tiran zijnen staat, allerlei misdaden doen plegen, tot onderhoud van hem en van zijne metgezellen, die deels van buiten door slechten omgang zijn aangebragt, deels van binnen door hem en door die slechte levenswijs zijn voor den dag geroepen en losgemaakt. Is dat niet het leven van zulk een mensch?—Juist.—En als er nu weinigen van die soort in een staat zijn, en de andere burgers zich ordelijk gedragen, dan verhuizen zij en worden lijfwachters van een vreemden tiran, of verhuren zich als krijgslieden in den eenen of anderen oorlog, of,zoo daartoe geene gelegenheid is, dan doen zij te huis allerlei klein kwaad.—Wat meent gij?—Zij maken zich schuldig aan diefstal, inbraak, zakkerollen, tempelschennis, menschenroof, enz.; en, als zij goed kunnen spreken, winnen zij geld met valsche getuigenissen en beschuldigingen, die zij laten afkoopen.—Vindt gij dat klein kwaad, als er maar niet veel zulke menschen zijn?—Het kleine is klein met betrekking tot het groote, en dit alles komt in slechtheid en verderfelijkheid voor den staat in geene vergelijking met een tiran. Want wanneer zulken ergens talrijk zijn en vele navolgers hebben, en hun aantal opmerken, dan zijn zij het, die met de dwaasheid des volks den tiran telen, namelijk dien hunner, die in zijn eigen gemoed door den grootsten tiran beheerscht wordt.—Dat is ook billijk, want die deugt daar het meest voor.—En als de burgers zich vrijwillig onderwerpen, dan is het goed; maar, als zij zich verzetten, dan zal hij met behulp zijner rotgezellen zijn vaderland, even als vroeger zijne ouders, verdrukken en in slavernij houden; en dan is zijn doel bereikt.—Ja dan is hij klaar.—En is het niet de gewone handelwijs van zulk een mensch, voor hij het zóó ver gebragt heeft, óf met vleijers om te gaan, die hem in alles ten dienste staan, óf, als hij iets noodig heeft, zich te vernederen en in allerlei bogten te wringen, en den schijn van vriendschap aan te nemen, om, als hij zijn zin heeft, zich weer als een vreemde te gedragen?—Juist.—Dus is een tirannisch mensch in zijn geheele leven niemands vriend, maar steeds heer of knecht van anderen; terwijl hij van ware vrijheid en opregte vriendschap volstrekt geen denkbeeld heeft.—Ongetwijfeld.—Dus verdient hij den naam van valsch.—Ja.—En ten volle dien van onregtvaardig, zoo wij ten minste in het vorige goed besproken hebben, wat de regtvaardigheid is.—Ten volle.—Laat ons nu nog eenskort zamenvatten, hoe de allerslechtste zal wezen. Het is dus iemand, die werkelijk zóó doet als wij zeiden dat soms in den droom gedaan wordt.—En dat is dus hij, die volkomen tirannisch gezind zijnde, de oppermagt in handen krijgt; en naarmate hij die langer behoudt, wordt hij dat meer.—Dat kan niet anders, zeideGlauco, die het woord weder opnam.
IV.Zal nu hij, die gebleken is de slechtste te wezen, zich ook als den ongelukkigsten vertoonen, en wel in waarheid, (want het oordeel der menigte komt hier niet in aanmerking) des te ongelukkiger, naarmate hij langer en meer tiran geweest is?—Dat kan niet anders.—En zou dan ook hierin de tirannische man aan den tirannisch beheerschten staat, de democratische aan den democratischen enz., gelijk zijn?—Natuurlijk.—Dus staan die mannen tot elkaar ten opzigte van deugd en geluk in dezelfde verhouding als de staten.—Juist.—En hoe staat nu een tirannisch beheerschte staat tot eenen onder koninklijk gezag, zoo als wij het eerst besproken hebben?—Die zijn juist het tegenbeeld van elkander, want de eene is allervoortreffelijkst; de andere allerslechtst.—Wie nu die ééne en die andere is, zal ik maar niet eens zeggen; dat is duidelijk genoeg. Maar denkt gij nu evenzoo over hun geluk en ongeluk? Laat ons nu niet in de war raken, door alleen op den tiran en zijne grooten te letten, maar, zoo als het hoort, den geheelen staat van nabij bezien, om goed te kunnen oordeelen.—Die vordering is billijk; en dan is het duidelijk voor ieder, dat geen staat ellendiger is dan een tirannisch beheerschte, en geen gelukkiger dan een onder koninklijk gezag.—Zou ik nu niet een even billijke vordering doen, als ik zeide, dat wij, om ook de mannen te beoordeelen, hunnen inwendigen toestand moeten nagaan, en niet als kinderen door den uiterlijken glans der tiranny verblind worden, maar daar door heen zien;en dat wij dus allen naar hem hooren moeten, die er over kan oordeelen en zulk een tiran van nabij, in zijn huiselijk leven in het midden der zijnen, waar hij zich het meest zonder zijn tooneelkleed vertoont, en ook in de gevaren, die hem van den kant des volks dreigen, gezien heeft; en als ik hem, die dat alles gezien had, verzocht te berigten in welke verhouding ten opzigte van geluk of ongeluk een tiran tot de anderen staat[147].—Voorzeker.—Willen wij dan eens onderstellen, dat wij hierover kunnen oordeelen en het hebben waargenomen; opdat het mogelijk zij een antwoord op onze vragen te krijgen?—Dat is goed.—
V.Komaan dan, beschouw het aldus: Houd de gelijkheid van den staat en den man in het oog, en zeg mij, ieder op zijne beurt beschouwende, hoe hun lot is.—In welk opzigt meent gij?—Om eerst van den staat te spreken; noemt gij een tirannisch beheerschten staat vrij of dienstbaar?—Zoo dienstbaar mogelijk.—Maar gij ziet daarin toch heeren en vrijen.—Ja enkelen; maar over ’t geheel is zijn beste deel in schandelijke en ellendige slavernij.—En als nu de man op den staat gelijkt, dan moet ook in hem dezelfde betrekking plaats hebben, en zijne ziel vol slavernij en dienstbaarheid wezen, en deze vooral hare beste deelen drukken, terwijl haar kleinste, slechtste en onzinnigste deel heerschappij voert.—Dat kan niet anders.—En noemt gij zulk eene ziel nu vrij of dienstbaar?—Natuurlijk dienstbaar[148].—Edoch een dienstbare en tirannisch beheerschte staat doet volstrekt niet wat hij wil.—Wel neen.—Dus doet ook eene tirannische ziel volstrekt niet wat zij wil, als men ten minste de geheele ziel beschouwt;maar steeds door razernij overmeesterd, is zij vol verwarring en berouw.—Dat kan niet anders.—En is een tirannisch beheerschte staat rijk of arm?—Arm.—Dus moet ook eene tirannische ziel arm en gebrekkig wezen.—Juist.—En moet zulk een staat en zulk een man niet vol vrees zijn?—Voorzeker.—En gelooft gij ergens, in eenigen staat, meer gejammer, zuchten, geween en ellende te zullen vinden?—Nergens.—En denkt gij, dat ditzelfde in eenig mensch meer zal wezen dan in den tirannischen, door begeerten en wellust verdwaasden?—Onmogelijk.—En om dit alles, en meer dergelijke dingen, hebt gij den tirannisch beheerschten staat den allerongelukkigsten genoemd.—Dat was toch immers goed?—Wel zeker. Maar wat zegt gij nu op diezelfde gronden van den tirannischen man?—Dat hij verreweg de ellendigste van allen is.—Dat zegt gij nog niet goed.—Hoe zoo?—Hij is nog niet de allerellendigste.—Wie dan?—Dezen zult gij misschien nog ellendiger vinden.—Wien?—Die van tirannischen aard zijnde niet ambteloos blijft, maar ongelukkig genoeg is, om door de omstandigheden in de gelegenheid gesteld te worden zich tot tiran te verheffen.—Naar aanleiding van het vorige, geloof ik, dat gij de waarheid zegt.—Ja, maar dat moet gij niet gelooven, maar heel naauwkeurig beredeneren; daar toch goed of slecht te leven het allerbelangrijkste onderwerp van onze beschouwing is, en wij daar op dit oogenblik mede bezig zijn.—Dat is zoo.—Onderzoek dan eens, of ik iets zeg. Want ik vind, dat wij het hieruit moeten afleiden.—Waaruit?—Uit die klasse van menschen, die rijk zijn en vele slaven houden. Dezen toch regeren zoo als de tiran over velen, hoewel over een minder aantal dan hij.—Ja.—Gelooft gij nu, dat zij gerust zijn en niet vreezen voor hunne slaven?—Waarom zouden zij ook vreezen?—Nergens om; maar weet gij, hoe datkomt.—Ja, omdat de geheele staat iederen burger beschermt.—Juist.—Maar als één man, die vijftig of meer slaven had, eens met zijne vrouw, kinderen, bezittingen en slaven in eene onbewoonde plaats werd gebragt, waar geen vrije hem helpen kon, zou hij dan niet vreezen, dat hij met zijne vrouw en kinderen door die slaven zou vermoord worden?—Natuurlijk.—En zou hij dan niet genoodzaakt zijn sommigen zijner slaven te vleien en hun veel te beloven, en zonder reden de vrijheid te schenken, en zóó van zijne eigene bedienden afhankelijk te worden?—Dat spreekt; anders zou hij spoedig zijn leven kwijt raken.—En als er dan eens velen in zijne buurt kwamen wonen, die niet dulden wilden, dat de ééne mensch den anderen in slavernij hield, maar, zoo zij eenen slavenhouder konden beet krijgen, dien de grootste straffen deden ondergaan?—Dan zou hij het nog veel erger hebben, daar hij dan van alle kanten door vijanden zou bewaakt worden.—En zit een tiran, die uit zijnen aard, zoo als wij besproken hebben, vol is van allerlei vrees en begeerte, nu niet in zulk eenen kerker? Is het hem alleen onder de inwoners van zijn land niet onmogelijk, om, hoe hij er ook naar verlange, zich op reis te begeven en iets te gaan zien van hetgeen vrije menschen gaarne beschouwen, b. v. de Olympische spelen; daar hij zich als eene vrouw in zijn buis moet verbergen, en de andere burgers moet benijden, die kunnen op reis gaan en zich met vermakelijke schouwspelen verlustigen.—Dat is volkomen waar.—
VI.Wordt dus het ongeluk van den tirannischen man, dien gij reeds voor den ellendigsten van allen hield, niet nog door zulke onaangenaamheden vermeerderd, als hij niet ambteloos blijft leven, maar door het noodlot wordt gedwongen, zich tot tiran op te werpen; en, terwijl hij zich zelven niet beheerschen kan, anderente regeren, even als iemand, die hoewel ziekelijk en zwak van ligchaam, niet rusten mag, maar zijn heele leven door met anderen moet vechten?—Daar heeft hij veel van,Socrates! en gij hebt volkomen gelijk.—Dus is dit het allerellendigste lot,Glauco! en de werkelijke tiran heeft het dan nog erger dan hij, wiens leven gij het ergste genoemd hebt.—Voorzeker.—Dus is in waarheid, al denken sommigen er anders over, de waarachtige tiran een slaaf in de hardste dienstbaarheid en slavernij, en een vleier van de slechtste menschen; en zijne begeerten worden volstrekt niet vervuld, maar hij heeft aan het meeste gebrek en blijkt, als men zijn heele ziel beschouwt, inderdaad arm te wezen, en zijn heele leven door vol te zijn van vrees, en driften, en smart; zoo hij ten minste gelijkt op den staat, waarover hij regeert. En dat doet hij toch?—Wel zeker.—En zullen wij van hem niet daarenboven nog het vroeger besprokene zeggen, dat hij door zijn bewind hoe langer hoe meer afgunstig, onregtvaardig, beroofd van vrienden, goddeloos en vol van allerlei slechtheid moet worden, en dat hij daardoor vooreerst zelf ongelukkig wezen, en ten andere zijne naasten evenzoo maken moet?—Dat kan geen verstandig mensch tegenspreken.—Komaan, zeg gij dan als een kunstregter van zangers, wie de eerste, tweede, enz., in geluk is, en beoordeel naar de rij den koninklijken, timocratischen, oligarchischen, democratischen en tirannischen man.—Dat is gemakkelijk te beoordeelen. Want ik zet ze in trap van geluk en deugd eenvoudig in dezelfde volgorde, waarin zij zijn binnengekomen.—Willen wij dan een omroeper aannemen, of wil ik het uitbazuinen, dat de zoon vanAristoden besten en regtvaardigsten tot den gelukkigsten verklaart, en dat dit de koninklijke is, die zich zelven beheerscht; maar den slechtsten en onregtvaardigsten tot den ellendigsten, en dat dit de tirannischeis, die én zich zelven én zijnen staat tiranniseert?—Ik hecht er mijn zegel aan.—Wil ik er dan bij zeggen: dat dit zoo zijn zal, of goden en menschen hen kennen of niet?—Dat is goed.—
VII.Het zij zoo. Hier hebben wij dus één bewijs; als gij wilt, kunnen wij het echter ook aldus beredeneren.—Hoe?—Daar, gelijk een staat uit drie deelen bestaat, ook in ieders ziel drie deelen gevonden worden[149], zal er nog een tweede bewijs mogelijk zijn.—Welk?—Dit. Elk dezer drie heeft, geloof ik, zijn eigen vermaak en begeerte.—Hoe zegt gij?—Het ééne deel was dat, waarmede iemand leert; het andere dat, waarmede hij boos wordt, aan het derde konden wij om zijne bontheid geen eigen naam geven, maar benoemden het naar hetgeen daarin het meest en het sterkst voor den dag kwam. Want wij noemden het begeerte, wegens de kracht der begeerten naar spijs, drank, mingenot, enz.; en ook geldgierigheid, omdat zulke begeerten vooral met behulp van het geld vervuld worden.—En te regt.—En zoo wij nu zeiden, dat het voorwerp van zijn vermaak en zijne begeerte de winst is, zouden wij dan daardoor niet het best alles tot één hoofdpunt terugbrengen; ten einde te weten, wat wij bedoelen, wanneer wij van dit deel der ziel spreken: en wanneer wij het geldgierig noemden, zouden wij het dan met den regten naam noemen?—Ik vind van ja.—En zeggen wij niet, dat de geestkracht zich geheel op het sterk zijn, overwinnen, en roem behalen geworpen heeft?—Ja.—Zoo wij die dus twistgierig en eerzuchtig noemden, zou dat dan goed zijn?—Best.—Verder is het voor ieder duidelijk, dat hetgeen, waarmede wij leeren, geheel op de kennis van de waarheid gerigt is, en zich het minst van allen om geld en roem bekommert.—Volkomen.—Alswij dat dus leergierig en wijsgeerig noemden, zouden wij dan goed doen?—Ja.—En nu heerscht in de zielen het ééne of het andere van dezen, naar het uitkomt.—Juist.—Daarom moeten wij ook zeggen, dat er oorspronkelijk drie soorten van menschen zijn, wijsgeerige, eerzuchtige en winzuchtige.—Ja.—En dus ook drieërlei vermaak, overeenkomstig met deze drie soorten?—Natuurlijk.—Nu begrijpt gij zeker wel, dat: als gij drie zulke menschen ieder op zijne beurt vroegt, wiens levenswijze de aangenaamste is, ieder de zijne zou noemen; en dat de geldwinner zou zeggen, dat bij het geldwinnen het vermaak van den roem of der wetenschap niet in vergelijking komt; zoo zij ten minste geen geld opbrengen?—Dat spreekt.—En de eerzuchtige, vindt die het vermaak van het geldwinnen niet gemeen, en dat van het leeren, voor zoo ver de wetenschap geen roem aanbrengt, geen rook en ijdelheid?—Juist.—Laat ons dan ook maar stellen, dat de wijsgeer de andere vermaken, in vergelijking van de kennis der waarheid en het aanhoudend beoefenen der wetenschap, niet eens als waarachtig vermaak beschouwt, en zegt, dat zij inderdaad noodzakelijk zijn, daar hij er niet naar zou omzien, zoo hij door de noodzakelijkheid daartoe niet gedwongen werd.—Daar ben ik het stellig meê eens.—
VIII.Aangezien nu het vermaak en de levenswijze van deze drie soorten zamen twisten, niet wie schooner of leelijker, noch wie beter of slechter, maar wie aangenamer en vrijer van smart is; hoe zouden wij dan kunnen weten, wie gelijk heeft?—Daar weet ik volstrekt geen raad op.—Beschouw het dan eens aldus: Waaraan moet men iets toetsen, om het juist te beoordeelen? Immers aan ondervinding, kennis en redenering? Is er wel een betere toetssteen?—Wel neen.—Denk nu eens na, wie van die drie menschen de meeste ondervinding van al die soorten van vermaak heeft.Heeft de geldwinner welligt meer ondervinding van het vermaak der wetenschap dan de wijsgeer van dat van het geldwinnen?—Wel neen, zeker niet. Want de laatste moet het vermaak van het geldwinnen van zijne jeugd af proeven, daar hij zonder geld niet kan leven; maar de geldwinner behoeft het vermaak van het beoefenen der wetenschap niet te proeven noch te ondervinden; ja zelfs, als hij het wilde, zou hij dat bezwaarlijk kunnen.—Dus heeft de wijsgeer in ondervinding van dat tweeërlei vermaak heel wat op den geldwinner vooruit.—Ongetwijfeld.—En hoe staat hij tot den eerzuchtigen? Heeft hij minder ondervinding van het vermaak der eerbewijzingen, dan deze van dat der wetenschap?—Wel neen. Want, als allen hun doel bereiken, genieten zij allen dat eerste; want de rijke wordt door velen geëerd, en de moedige en geleerde desgelijks, zoodat allen het vermaak der eerbewijzingen bij ondervinding kennen; maar het vermaak van de kennis der waarheid kan niemand proeven behalve de wijsgeer.—Deze oordeelt dus het beste van allen, voor zoo ver de ondervinding betreft.—Dat scheelt veel.—En kennis bij die ondervinding is alleen zijn deel.—Juist.—En het werktuig, waarmede die beoordeeling verrigt moet worden, is niet in het bezit van den winzuchtigen of eergierigen, maar van den wijsgeer.—Welk werktuig?—Het moet immers door redenering beoordeeld worden?—Ja.—En de redenering is juist het werktuig van den laatsten.—Voorzeker.—Als het nu het best door rijkdom en winst werd beoordeeld, dan zou immers de lof en berisping van den geldwinner het naast bij de waarheid komen?—Dat spreekt.—En als dit door roem, overwinning en dapperheid geschiedde, was dan de eerzuchtige en twistgierige niet de baas?—Natuurlijk.—Maar nu het door ondervinding, kennis en redenering beslist wordt?—Nu is de lof van den wijsgeernoodzakelijk het digtst bij de waarheid.—Als er dus drieërlei vermaak gesteld wordt, dan is dat van het deel der ziel, waarmede wij leeren, het aangenaamste?—Natuurlijk; en dus verdient in het prijzen zijner levenswijze de wijsgeer het meeste geloof.—En aan welke levenswijs en welk vermaak geeft de regter de tweede plaats?—Natuurlijk aan die van den krijgszuchtigen en eergierigen; want deze komt nader bij den eersten dan de geldwinner.—Dus komt dan het vermaak van den geldwinner het laatste.—Dat spreekt.—
IX.Zoo heeft dan de regtvaardige twee overwinningen op den onregtvaardigen behaald, doch om hem nu, als in de Olympische spelen, ter eere vanZeus, die hem redde, de beslissende derde overwinning te doen behalen, moet gij nog bedenken, dat het vermaak der anderen buiten den wijzen niet eens het waarachtige noch zuivere vermaak is, maar slechts een flaauw afbeeldsel daarvan, gelijk ik meen een wijs man te hebben hooren zeggen: als dat eens waar was, zouden zij toch wel geheel en al verslagen zijn.—Dat spreekt; maar hoe meent gij dit?—Zóó denk ik het te vinden, wanneer gij door uw antwoorden mij bij het zoeken wilt helpen.—Vraag op.—Zeg mij dan eens: stellen wij smart en vermaak niet tegen elkander over?—Ja.—En erkennen wij ook niet het bestaan van eenen toestand zonder vreugd of smart?—Juist.—En beschouwt gij dien niet als eene rust der ziel, die tusschen deze beiden invalt?—Ja.—Herinnert gij u niet, wat de zieken zeggen, terwijl zij ziek zijn.—Wat bedoelt gij?—Dat niets aangenamer is dan de gezondheid, maar dat zij dit vóór hunne ziekte zoo niet hadden ingezien.—Dat heb ik dikwijls gehoord.—En hoort gij ook niet wel eens menschen, die pijn hebben, zeggen, dat er niets aangenamer is, dan van pijn bevrijd te wezen?—Wel zeker.—En gij weet, denk ik, nog vele andere omstandigheden, waarin demenschen, smart hebbende, vrijheid en rust van smart, niet het vermaak, als het aangenaamste prijzen.—Die rust komt hun dan waarschijnlijk aangenaam en begeerlijk voor.—En wanneer iemand uitscheidt met vermaak hebben, dan is het rusten van dat vermaak hem smartelijk.—Natuurlijk.—Zoo zal dan de rust, die wij zeiden, dat tusschen beiden inlag, zoowel vermaak als smart wezen.—Dat schijnt zoo.—Maar kan nu wat geen van beiden is beiden zijn?—Ik vind van neen.—Edoch de gewaarwording van het vermaak en die van de smart zijn beiden eene soort van beweging in de ziel, niet waar?—Ja.—En wat noch vermakelijk noch smartelijk is, bleek immers daareven eene rust te zijn, die tusschen deze beiden invalt?—Juist.—Is het dan wel goed: geen smart te hebben aangenaam, geen vermaak te hebben smartelijk te noemen?—Wel neen.—Dus is de rust niet aangenaam noch smartelijk, maar schijnt zoo in vergelijking van het aangename en smartelijke; en deze gewaarwordingen doen ons het echte vermaak niet kennen, maar zijn eigenlijk zinsbegoocheling.—Dat volgt.—Let dan eens op het vermaak, dat niet uit smart wordt geboren; opdat gij niet telkens weer meenen moogt, dat in ons tegenwoordig leven vermaak eigenlijk het ophouden van smart, en smart het ophouden van vermaak is.—Wat meent gij?—Er zijn genoeg soorten van, maar gij moet vooral eens letten op het vermaak van den reuk. Dit toch wordt op eens zeer groot, hoewel er geen smart voorafging; en als het ophoudt laat het geen smart achter.—Dat is volkomen waar.—Dus moeten wij niet gelooven, dat zuiver vermaak gelijk staat met afwezigheid van smart, en smart met die van vermaak.—Neen.—De meeste zoogenaamde vermaken echter, die door middel des ligchaams de ziel bewegen, zijn eigenlijk niets anders dan het ophouden van smarten.—Dal is zoo.—En staat het nietevenzoo met het vóórproeven van vermaak en smart, dat verwacht wordt?—Ja.—
X.Weet gij waar ik dus die aandoeningen meê vergelijk?—Nog niet.—Gij kent het onderscheid tusschen boven, midden en beneden.—Wel zeker.—Gelooft gij dan niet, dat, als iemand zich van beneden naar het midden beweegt, hij meenen zal naar boven te gaan; en dat, als hij in het midden gekomen is, en neerziet naar het punt, waarvan hij is uitgegaan, hij meenen zal boven te wezen, indien hij ten minste het waarachtige boven niet kent?—Ongetwijfeld.—Maar als hij nu weder naar beneden ging, dan zou hij meenen naar beneden te gaan, en hij zou goed oordeelen.—Dat spreekt.—En dat alles zou daardoor veroorzaakt worden, dat hij het waarachtige boven, midden en beneden niet kende.—Dat is duidelijk.—Kunt gij u dan verwonderen, dat menschen, die de waarheid niet kennen, zoowel over vele andere dingen verkeerde begrippen hebben, als ook over vermaak en smart en wat daar tusschen ligt zóó denken, dat zij, wanneer zij naar het smartelijke gaan, goed oordeelen en zich met regt bedroeven, maar, wanneer zij van de smart naar het middelste komen, zich verbeelden volop vermaak te genieten, en als iemand, die uit onbekendheid met het wit grijs tegenover zwart stelde, uit onbekendheid met het vermaak verlossing van smart verkeerdelijk tegenover smart stellen?—Wel neen, dat is geen wonder, maar veel meer, zoo het anders was.—Bedenk nu nog eens dit: zijn honger, dorst, enz., niet eene soort van gebrek in het ligchaam?—Ja.—En zijn onkunde en onverstand niet eene soort van gebrek in de ziel?—Voorzeker.—En worden niet die twee soorten van gebrek door voedsel en door kennis vervuld?—Ja.—En waarmeê wordt een gebrek meer in waarheid vervuld, met hetgeen meer, of met hetgeen minder bestaat?—Methetgeen meer bestaat.—En wat van beiden heeft meer deel aan het waarachtige zijn: spijs, drank, toespijs, enz.; of ware meening, verstandskennis, redekennis, en wat meer tot de deugd gerekend wordt[150]? Beoordeel dit eens aldus: Wat vindt gij, dat meer in waarheid bestaat: hetgeen zich aan het onveranderlijke, onsterfelijke en ware aansluit en zelf zoodanig is, en in het zoodanige gevonden wordt; of hetgeen aan het veranderlijke en sterfelijke zich aansluit en zelf zoodanig is, en in het zoodanige wordt gevonden?—Ongetwijfeld het eerste.—En is het onveranderlijke nu niet even verwant met de wetenschap als met het zijn?—Ja.—En ook met de waarheid?—Ook daarmede.—En wat minder met de waarheid verwant is, is immers ook minder verwant met het zijn?—Dat spreekt.—Is nu niet al wat tot de pleging des ligchaams behoort minder verwant met de waarheid en het zijn, dan al wat betrekking op de ziel heeft?—Ongetwijfeld.—En doet hierin ook het ligchaam zelf niet onder voor de ziel?—Zeker.—En wat nu met hetgeen meer waarlijk bestaat vervuld wordt en zelf meer waarlijk is, wordt dat niet in waarheid meer vervuld, dan hetgeen, dat met het minder waarlijk bestaande vervuld wordt, en zelf minder waarlijk is?—Natuurlijk.—Zoo het dus aangenaam is met hetgeen aan onze natuur verwant is ons gebrek te vervullen, dan moet hetgeen meer in waarheid met het meer wezenlijk bestaande wordt aangevuld, meer waarachtig vermaak veroorzaken dan hetgeen aan het minder wezenlijk bestaande deelachtig wordt, en minder in waarheid wordt aangevuld, en dus ook een onzekerder en minder waarachtig vermaak bekomt.—Dat kan nietanders.—Die dus van verstand en deugd verstoken steeds met feesten, smulpartijen, enz., bezig zijn, bewegen zich, naar het schijnt, van beneden naar het midden en terug, en gaan dáár hun leven door op neer; maar hebben nooit hierover heen het ware boven gezien en nog veel minder bereikt, noch zich in waarheid met het wezenlijk bestaande vervuld, noch het bestendige en zuivere vermaak geproefd; maar als vee voortdurend naar beneden ziende, en zich naar de aarde en naar de tafels bukkende, brengen zij hunnen tijd door met eten, drinken, hun geslacht voortplanten, enz.; en om meer daarvan te hebben, schoppen, stooten en vermoorden zij elkander met ijzeren horens en hoeven; daar zij nooit verzadigd worden, omdat zij zich niet met hetgeen wezenlijk bestaat vervullen en het deel van hun wezen, dat zij aanvullen, het verkregene niet kan behouden.—Hierop zeideGlauco:Socrates!gij beschrijft daar juist naar waarheid het leven der meeste menschen.—Zijn dan ook hunne vermaken niet noodzakelijk met smart vermengd, en slechts beelden en schaduwen van het ware vermaak, die hunne kleur aan de naastelkanderstelling ontleenen, en daardoor heel wat vertoonen, en hevige begeerte bij de dwazen opwekken, en strijd veroorzaken; zoo alsStesichoruszegt, dat de strijd bij Troje om een beeld vanHelenagevoerd is, daar men de ware niet kende?—Dat kan niet anders.—
XI.En heeft nu hetzelfde niet plaats ten opzigte van de geestkracht, wanneer iemand uit eerzucht, twistgierigheid of knorrigheid met nijd, geweld en drift, zonder verstand of rede te gebruiken, zich door eer, overwinning of wraak zoekt te bevredigen?—Voorzeker.—Willen wij ons dan maar verstouten te zeggen, dat zelfs de begeerten, die bij de winzucht en de twistgierigheidbehooren, wanneer zij zich bij het najagen van het vermaak door kennis en redenering laten leiden, en slechts dat nemen, wat de rede haar aanwijst, het meest, voor zoo ver dit mogelijk is, waarachtig vermaak bekomen zullen, daar zij dan de waarheid volgen; en dat zij dan ook het natuurlijkste vermaak zullen krijgen, nademaal voor ieder het beste tevens het natuurlijkste is?—Dat stem ik toe.—Als zich dus de geheele ziel door de rede laat leiden; en geen harer deelen in opstand is, dan volbrengt zij niet slechts in het overige hare taak en is regtvaardig; maar dan geniet ook ieder harer deelen het beste, en, zoo veel mogelijk, het meest waarachtig vermaak.—Ongetwijfeld.—En als een der andere deelen de baas wordt, dan moet dat deel niet slechts zijn eigen vermaak missen, maar ook de andere deelen vreemd en niet waarachtig vermaak doen najagen.—Juist.—En wat het verst van de wijsbegeerte en de rede verwijderd is doet zulks het meest.—Dat spreekt.—En is dit niet hetzelfde, als dat wat het verst van wet en orde verwijderd is?—Natuurlijk.—En dat zijn de wellustige en tirannische begeerten.—Juist.—En de koninklijke en ordelijke begeerten zijn er het minst van verwijderd.—Ja.—Dus is de tiran het verst van het waarachtig en natuurlijk vermaak verwijderd, en de koning het minst.—Dat spreekt.—En dus zal de tiran het onaangenaamste, de koning het aangenaamste leven hebben.—Dat kan niet anders.—En terwijl nu de goede en regtvaardige den slechten en onregtvaardigen zoo zeer in vermaak overtreft, zal hij hem in betamelijkheid en schoonheid van leven, en in deugd nog heel wat meer overtreffen.—Daar is geen twijfel aan.—
XII.Goed. Nu wij echter zoo ver zijn gekomen, moeten wij het vroeger gezegde, waardoor wij hierheen gebragt zijn, weer opnemen. Er was gezegd, dat de onregtvaardigheid nuttig is voor den volmaakt onregtvaardigen,die den schijn der regtvaardigheid weet aan te nemen[151]; niet waar?—Ja.—Dit nu moeten wij weer opnemen, nadat wij het zijn eens geworden, welke de kracht der regtvaardigheid en die der onregtvaardigheid is.—Hoe meent gij?—Laat ons nu al sprekend een afbeeldsel van de ziel vormen, opdat hij, die dat beweerde, eens hoore, wat hij eigenlijk beweerde.—Hoedanig een afbeeldsel?—Een van denzelfden aard als de monsters in de fabelen, deChimaera,Scylla,Cerberus, enz., die uit vreemdsoortige wezens waren zamengesteld.—O zoo!—Vorm dan vooreerst de gedaante van een bont en veelkoppig beest, van rondom bezet met de koppen van tamme en wilde dieren en met het vermogen begaafd, om die te veranderen en nieuwe te voorschijn te brengen.—Dat is een heele kunst, doch daar woorden gemakkelijker dan was of klei zijn te vormen, willen wij het maar doen.—Vorm nu nog de gedaante van een leeuw, en die van een mensch, maar laat de eerste verreweg de grootste zijn, de tweede daarop in grootte volgen.—Dat is gemakkelijker; ik heb het al klaar.—Vereenig nu deze drie gedaanten met elkander, zoodat zij als ’t ware tot één geheel zamengroeijen.—Het is geschied.—Omgeef dat alles nu met de gedaante van een mensch, zoodat voor iemand, die het binnenste niet zien kan, maar alleen het buitenste omkleedsel waarneemt, niets dan een mensch zigtbaar is.—Best.—Laat ons nu hem, die beweert, dat het voor dezen mensch nuttig is onregt te doen, en dat regtvaardig te handelen voor hem niet nuttig is, onder het oog brengen, dat hij eigenlijk beweert, dat het hem nuttig is door rijkelijk voedsel dat veelkoppige beest benevens den leeuw te versterken, maar den inwendigen mensch door gebrek uit te putten, zoodat hij de twee anderen welvolgen moet; en die twee anderen niet aan elkaar te gewennen of genegen te maken, maar ze elkander te laten bijten, bevechten en opeten.—Dat is het juist, wat de lofredenaar der onregtvaardigheid beweert.—En zegt de lofredenaar der regtvaardigheid niet, dat men met woorden en daden den inwendigen mensch moet versterken, en hem als een landman voor dat veelkoppige beest laten zorgen, door daarin het tamme te kweeken en te verplegen, maar den groei van het wilde te beletten; en dat men hem den leeuw tot medehelper moet geven, om alles te zamen te verzorgen en eensgezind te maken?—Juist; dat zegt de lofredenaar der regtvaardigheid.—Dus spreekt dan in alle opzigten de lofredenaar der regtvaardigheid de waarheid, en die der onregtvaardigheid is een leugenaar. Want ten aanzien van het vermaak, van den roem, en van het nut, zegt hij, die de regtvaardigheid prijst, wat waar is; doch hij die haar berispt, spreekt onzin en berispt, wat hij in het minste niet kent.—Dat vind ik ook.—Laat ons hem dan zachtjes ompraten, want hij dwaalt niet met opzet, zeggende: beste vriend! moeten wij niet zeggen, dat het goede en slechte daarom door de wet onderscheiden wordt, dewijl het goede de dierlijke deelen der natuur aan het menschelijke of liever aan het goddelijke onderwerpt, maar het slechte juist het omgekeerde doet? zal hij dat toestemmen, of niet?—Zeker wel, als hij naar mij hooren wil.—Is het dan volgens deze redenering voor iemand nuttig op eene onregtmatige wijs goud te verkrijgen, terwijl daardoor tevens zijn beste deel aan het slechtste wordt onderworpen? of als hij voor dat goud zijn zoon of dochter in slavernij bragt bij woeste en slechte menschen, zou hem dat wel nut doen, en zou hij het op die voorwaarde wel willen hebben; en als hij dan daardoor zijn goddelijkste deel aan het goddeloosste en slechtste zonder deernis onderwerpt, is hij dan niet rampzalig,en ontvangt hij het dan niet op nog veel verschrikkelijker voorwaarde danEriphyle, die voor een halsketen haren man[152]in het verderf stortte.—Ongetwijfeld, zeideGlauco, want ik zal maar voor hem antwoorden.—
XIII.En wordt de ongebondenheid ook niet juist daarom afgekeurd, dewijl zij dat verschrikkelijke, groote, veelkoppige beest sterker maakt dan goed is?—Natuurlijk.—En wordt er niet over trotschheid en kwaadaardigheid geklaagd, wanneer de leeuwen- en slangennatuur bovenmate vermeerderd en versterkt is?—Voorzeker.—En over weelde en verwijfdheid, wanneer men dezelve verslapt en lafhartig maakt?—Dat spreekt.—En klaagt men niet over vleierij en laagheid, wanneer iemand de geestkracht aan dat veelkoppige beest onderwerpt, en haar door deszelfs onverzadelijkheid laat verschoppen; en van jongs af zijn best doet, om haar van een leeuw in een aap te veranderen?—Ongetwijfeld.—En waarom worden verscheidene beroepen als vernederend beschouwd? Is het niet, omdat zij het beste deel der ziel zwak maken; zoodat dit de andere niet kan regeren, maar ze dient en alleen voor hunne drogredenen ooren heeft?—Dat schijnt zoo.—En zeggen wij niet, dat zulke menschen, om onder hetzelfde bestuur als de beste te staan, aan dien besten, die door het goddelijke in zijn binnenste bestuurd wordt, dienstbaar moeten zijn; niet tot nadeel van den dienstbaren, gelijkThrasymachusmeende[153], maar omdat het voor ieder beter is bestuurd te worden door het goddelijke en redelijke, liefst door dat in hem zelven, maar bij gebrekdaarvan door een ander van buiten, opdat door die eenheid van bestuur onder allen zoo veel gelijkheid en broederschap besta als mogelijk is?—Juist.—En iets dergelijks wordt ook duidelijker door de wet bedoeld, daar zij alle burgers van den staat beschermt; en ook door de opvoeding der kinderen, daar wij ze niet vrij laten, voordat wij in hun binnenste als in eenen staat eene staatsregeling tot stand gebragt hebben, en door onze rede de hunne ontwikkeld en die tot hunnen bewaker en opziener gemaakt hebben; waarna wij ze vrij laten.—Dat is duidelijk.—Zullen wij het dan nog in eenig opzigt voordeelig noemen onregtvaardig of ongebonden te zijn, of iets schandelijks te doen, waardoor men slechter wordt, maar meer rijkdom of ander vermogen bekomt?—Wel neen.—Of zullen wij zeggen, dat het nuttig is, als men kwaad doet, verborgen te blijven en niet gestraft te worden? Of wordt niet hij, die verborgen blijft, nog slechter; terwijl bij hem, die ontdekt en gestraft wordt, het dierlijke deel wordt getemd en bedwongen, maar het redelijke vrij gemaakt; zoodat zijn geheele ziel zich ten goede keerende en ingetogenheid, regtvaardigheid en wijsheid verwervende zoo veel meer in waarde wint dan een ligchaam, dat sterkte, schoonheid en gezondheid bekomt, als de ziel meer waarde heeft dan het ligchaam[154]?—Het laatste stem ik volkomen toe.—En zal nu de verstandige niet steeds met al zijne kracht daarnaar streven, en vooreerst die wetenschappen eeren, die zijne ziel zóó kunnen maken, maar de andere gering achten?—Dat spreekt.—Verder zal hij bij de verpleging en voeding zijns ligchaams zich dat dierlijke, redelooze vermaak niet tendoel stellen; maar veel meer niet eens op zijne gezondheid zien en niet vooral zijn best doen, om sterk, gezond en schoon te wezen, zoo dit de ingetogenheid niet bevordert; doch steeds zal het blijken, dat hij de harmonie zijns ligchaams aan de bevordering van die der ziel dienstbaar maakt.—Voorzeker, zoo hij althans een waarachtig dienaar der muzen is.—En evenzoo zal hij met het geld handelen, en dit niet door den lof der menigte van zijn stuk gebragt onder aanhoudende kwelling aanhoudend trachten te vermeerderen.—Dat vind ik ook.—Maar ziende naar zijne inwendige staatsregeling, zal hij zijn best doen om daar binnen niets door overdaad of gebrek van zijn plaats te brengen, en dit zoo veel mogelijk bij zijne inkomsten en uitgaven in het oog houden.—Ongetwijfeld.—En ook eereposten zal hij uit hetzelfde oogpunt beschouwen, en er dus gaarne in deelen, voor zoo ver hij gelooft, dat ze hem beter zullen maken; maar alle eer, die zijne stemming kan bederven, zal hij in zijne bijzondere en openbare betrekkingen ontwijken.—Maar als hij daarvoor bezorgd is, zal hij zich dan wel met de staatszaken bemoeijen?—In eene staatsregeling volgens zijne beginselen zeker wel, doch mischien in zijn vaderland niet dan in bijzonder gunstige omstandigheden.—Ik begrijp u, zeide hij. Gij zegt in de staatsregeling, die wij juist besproken hebben, die in woorden bestaat, doch denkelijk wel nergens op aarde.—In den hemel[155]is echter misschien haar voorbeeld zigtbaar voor hem, die het zien en zich er naar vormen wil. Of zij evenwel bestaat of niet, doet er niets toe; want in alle gevallen zal de wijze alleen in haar zich met staatszaken bemoeijen, anders nergens.—Dat laat zich denken.—
[146]Waarschijnlijk wordt hier vooral het eten van voor offers bestemd vleesch bedoeld.
[146]Waarschijnlijk wordt hier vooral het eten van voor offers bestemd vleesch bedoeld.
[147]Zie mijne vertaling van denPhaedo, blz. 5.
[147]Zie mijne vertaling van denPhaedo, blz. 5.
[148]ZieOpklimmend deel der Wijsbegeerte, blz 46, 47, de noot.
[148]ZieOpklimmend deel der Wijsbegeerte, blz 46, 47, de noot.
[149]Boek IV. Hoofdst. XIV.
[149]Boek IV. Hoofdst. XIV.
[150]Zie mijne vertaling van denPhaedo, blz. 53, (3), en blz. 64-66.
[150]Zie mijne vertaling van denPhaedo, blz. 53, (3), en blz. 64-66.
[151]Boek II. Hoofdst. V.
[151]Boek II. Hoofdst. V.
[152]De wigchelaarAmphiarausvoorzag, dat hij in oorlog zou omkomen, en verstak zich, om niet gedwongen te worden mede te trekken. Zijne vrouw liet zich door een gouden halsketen omkoopen, om zijne schuilplaats te verraden.
[152]De wigchelaarAmphiarausvoorzag, dat hij in oorlog zou omkomen, en verstak zich, om niet gedwongen te worden mede te trekken. Zijne vrouw liet zich door een gouden halsketen omkoopen, om zijne schuilplaats te verraden.